De Kamer in ballingschap: hulp aan de Belgische vluchtelingen (vervolg)

De oorlog, in het bijzonder het brutale Duitse optreden, leidde in de eerste weken van de Eerste Wereldoorlog tot een golf van paniek onder de Belgische burgerbevolking. Duizenden landgenoten probeerden het oorlogsgeweld te ontvluchten. De Duitse opmars in België dwong hen een redding buiten de landsgrenzen te zoeken.

Om zich een idee te vormen van de omvang van de exodus: in oktober 1914, na de val van Antwerpen, bevonden zich alleen al in het neutrale Nederland meer dan 700 000 gevluchte Belgen. Een meerderheid daarvan keerde weliswaar terug naar het bezette land, eens duidelijk werd dat de oorlog lang zou aanslepen. Maar tot 1918 verbleven niettemin naar schatting een half miljoen Belgen in het buitenland.

Een van de prioriteiten van het “Officieel Belgisch Comiteit van Hulpbetoon aan Vluchtelingen” was om de gevluchte Belgen op te sporen en hun contactgegevens te centraliseren. De gegevens bijeenbrengen van de in een groot land als Frankrijk verspreide vluchtelingen was een huzarenstuk. De medewerkers van de Kamer werkten daartoe mee aan een omvangrijke steekkaartencatalogus.

Aan de hand van de steekkaarten kon het Comiteit de contactgegevens van gevluchte landgenoten doorspelen. Zo konden bijvoorbeeld families, die tijdens de vlucht naar Frankrijk verspreid raakten, weer met elkaar in contact komen. Het Comiteit had daartoe speciale “opzoekingskaarten”, portvrij te versturen aan de Kamervoorzitter in Sainte-Adresse. (herkomst foto: archief Officieel Belgisch Comiteit van Hulpbetoon aan Vluchtelingen, Algemeen Rijksarchief).



Eerder gepubliceerd


De Kamer in ballingschap:   hulp aan de Belgische vluchtelingen

Nice-Havrais:   de Kamer in ballingschap