|
Plenumvergadering |
Séance
plénière |
|
van Dinsdag 12 mei 2026 Namiddag ______ |
du Mardi 12 mai 2026 Après-midi ______ |
De vergadering wordt geopend om 14.10 uur en voorgezeten door mevrouw Florence Reuter, ondervoorzitster.
La séance est ouverte à 14 h 10 et présidée par Mme Florence Reuter, vice-présidente.
De voorzitster: De vergadering is geopend.
La séance
est ouverte.
Aanwezig bij de opening van de vergadering is de minister van de federale regering:
Ministre du gouvernement fédéral présent lors de l'ouverture de la séance:
David Clarinval.
01.01 Ellen Samyn (VB): Mevrouw de voorzitster, ik vraag het woord over de pensioenhervorming, die later op de agenda staat. Die pensioenhervorming – of beter, die pensioenbesparing, want dat is het uiteindelijk – bevat een reeks maatregelen die de hele bevolking zal voelen.
Wat vandaag voorligt, is in wezen een besparing die zwaar ingrijpt op mensen die zich al in een kwetsbare positie bevinden. Er wordt geraakt aan verworven rechten, er wordt retroactief ingegrepen en er wordt veel te weinig rekening gehouden met de complexe realiteit van de arbeidsmarkt en van het gezinsleven vandaag.
De onderliggende logica van die hervorming lijkt te zijn dat wie mooi voltijds werkt, vijf dagen op vijf, in het systeem past. De werkelijkheid is echter minder eenvoudig. Zorgnoden verdwijnen niet omdat de regering een pensioenhervorming goedkeurt. Er zullen dus altijd mensen zijn die deeltijds werken.
La présidente: Madame Samyn, je vous prie de m'excuser. Je vous interromps car nous terminons ici la loi-programme. On ne parle pas encore de la réforme des pensions.
01.02 Ellen Samyn (VB): Bij de aanvang van deze
vergadering vraag ik over de pensioenhervorming het advies van de Raad van
State. Dat is volgens de procedure. Ik zou dus graag eerst mijn betoog afmaken.
Dank u wel.
La présidente: Oui, madame Samyn, mais nous n'avons pas encore clos les discussions sur la loi-programme. Nous n'abordons pas encore le point sur la réforme des pensions.
01.03 Ellen Samyn (VB): Dit is het begin van een nieuwe vergadering. We kunnen op zo'n moment het advies van de Raad van State vragen. Als u goed had geluisterd naar wat ik aan het zeggen was, dan had u dat zeker meegekregen.
La présidente: Je vous ai écoutée, madame Samyn, mais je pensais que vous abordiez déjà la discussion sur les pensions. Il ne sert à rien d'être désagréable. Cela va bien se passer.
01.04 Ellen Samyn (VB): Ik vervolg dus mijn betoog.
De onderliggende logica van de pensioenhervorming lijkt te zijn dat wie mooi voltijds werkt, vijf dagen op vijf, in het systeem past. Zo eenvoudig is de werkelijkheid echter niet. Zorgnoden verdwijnen niet omdat de regering een pensioenhervorming goedkeurt. Er zullen altijd mensen zijn die deeltijds werken, die hun loopbaan onderbreken of die minder kunnen werken wegens de zorg voor kinderen, de zorg voor ouders of de zorg voor een ziek familielid.
Net zij dreigen het hardst te worden geraakt. Mensen die jarenlang minder dan 60 % werkten om zorgtaken op zich te nemen, worden in de praktijk retroactief gestraft voor keuzes die vaak niet uit luxe maar uit noodzaak werden gemaakt.
Het meest fundamentele probleem blijft dat die hervorming geen echte structurele hervorming is. De regering verandert voorwaarden, drempels en parameters, maar biedt geen antwoord op de diepere uitdagingen van de vergrijzing. Dat is geen duurzame oplossing, maar een technische besparingsoperatie.
Het Vlaams Belang is van oordeel dat die benadering sociaal onrechtvaardig en kortzichtig is. Daarom hebben wij een reeks amendementen ingediend om een aantal van de hardste en minst verdedigbare maatregelen bij te sturen en, waar mogelijk, meer structurele correcties aan te brengen in het pensioensysteem.
Precies omdat die teksten zo zwaar ingrijpen in bestaande rechten en verwachtingen, achten wij het noodzakelijk dat ze juridisch grondig worden getoetst, onder meer door de Raad van State.
01.05 Pierre-Yves Dermagne (PS): Madame la présidente, je souhaite intervenir également sur l’agenda et l’ordre des travaux puisque nous avons devant nous encore de longs débats sur la loi-programme, semble-t-il. Il me paraît important que nous puissions organiser la suite de nos travaux, sachant que le point 2 à l’ordre du jour concerne, mesdames et messieurs de la majorité, votre réforme des pensions.
Le Parti Socialiste juge cette réforme totalement injuste. Sur la base des auditions et des analyses que nous avons obtenues, elle renforcera toutes les inégalités existantes; or, c’est les réduire qui devrait être l’objectif. Avec l’introduction de l’un des malus les plus durs et les plus douloureux d’Europe, cette réforme pourrait faire perdre jusqu’à 400 euros par mois de pension à certains pensionnés. Cette réforme renforce toutes les inégalités, toutes les discriminations qui existent déjà sur le marché du travail et qui se répercutent au moment de la pension des travailleuses et des travailleurs. Cette réforme touchera durement et particulièrement les femmes dans ce pays.
C’est pour ces raisons, madame la présidente, mesdames et messieurs les membres de la majorité, que nous avons déposé des amendements, de même que nous avons déposé une contreproposition de réforme des pensions qui tiendra, elle, compte de la pénibilité des métiers. Une année de travail dans un bureau n’équivaut pas, à nos yeux, à une année de travail en tant que travailleuse sous le régime des titres-services, que travailleur dans l’horeca, que couvreur ou maçon. Il faut tenir compte de la pénibilité et permettre à celles et ceux qui ont commencé à travailler tôt, qui ont eu un métier difficile et pénible, de lever le pied et d’obtenir une pension digne, décente et suffisamment tôt dans leur vie.
C’est donc pour ces raisons que nous déposons des amendements et que nous sollicitons le soutien de la Chambre pour renvoyer ces amendements au Conseil d’État afin d’y obtenir l’avis de la section Législation qui, pour rappel, a déjà pointé, dans les premières épures du gouvernement, toute une série de difficultés et de risques de discrimination entre catégories de travailleurs.
01.06 Kim De Witte (PVDA-PTB): Mevrouw de voorzitster, ook onze fractie heeft een aantal amendementen op deze pensioenwet ingediend. Ik heb eerst een aantal opmerkingen over de wet zelf. Daarna wil ik op onze amendementen ingaan.
Ten eerste, deze wet heeft geen draagvlak in onze samenleving. Dat zagen we vanmorgen bij de 15de betoging op rij, waarbij er 75.000 mensen in Brussel waren. Er is geen draagvlak, ook niet in de brede samenleving. Peiling na peiling zeggen mensen dat ze niet kunnen werken tot 67 jaar. Dat lukt niet, zelfs als ze het zouden willen. Negen op tien mensen zeggen in de laatste peiling dat ze niet kunnen werken tot 67 jaar.
Ten tweede, deze hervorming heeft geen democratische legitimiteit. Welke partij heeft bij de laatste verkiezingen gezegd dat ze de pensioenen zouden verlagen? Geen enkele partij, collega's. Alle partijen hier hebben het tegendeel gezegd. In hun programma’s stond dat ze de pensioenen zouden verhogen. Wat doen ze nu? De pensioenen worden verlaagd met 7 tot 15 %, ook voor mensen die langer werken. Mensen zullen 100 tot 300 euro per maand verliezen, zelfs als ze langer werken. Wie niet langer werkt, verliest nog meer. Onze pensioenen behoren al tot de laagste van West-Europa. Van een werknemer die 1.500 euro netto per maand verdient nog eens 100 euro afnemen is ondraaglijk.
Ten derde, deze hervorming heeft geen solide juridische basis. Ze schendt het vertrouwensbeginsel, aldus de Raad van State. Ze schendt het discriminatiebeginsel en ze schendt het standstillbeginsel. Daarover gaan onze amendementen, collega's. Het eerste amendement gaat over de malus. Er is al veel gewijzigd aan die malus, onder druk van de sociale beweging en de oppositie, maar de malus blijft een zeer elitair systeem. Mensen die vroeg beginnen te werken en minder lang hebben gestudeerd, riskeren een zware malus. Mensen die later zijn beginnen te werken, langer hebben gestudeerd en in de regel ook veel langer leven, maken kans op een bonus. Wat is daar eerlijk aan? Niets, collega's.
De malus discrimineert vrouwen. Drie keer zoveel vrouwen lopen risico op een malus dan mannen. De malus discrimineert ook mensen die deeltijds werken. De Europese regelgeving zegt duidelijk dat discriminatie op basis van deeltijdse arbeid verboden is.
Mensen die deeltijds werken, hebben al een lager pensioen, collega’s. Men krijgt geen gelijk pensioen als men deeltijds werkt. Men is dan al gestraft in zijn pensioen. Die malus zorgt voor een extra straf. Dat is onaanvaardbaar.
Ten tweede, de verstrenging van het vervroegd pensioen. De mensen hebben keuzes gemaakt in de afgelopen veertig jaar, vertrekkend van een duidelijke wetgeving. Deze hervorming wil die keuzes retroactief bestraffen. Ook dat is onaanvaardbaar.
Ten derde en tot slot, de aanpassing van de refertewedde van de ambtenaren. Ook de ambtenaren hebben keuzes gemaakt. Ze hebben duidelijk gekozen voor hun beroep, vertrekkend van het idee dat ze dan zoveel pensioen krijgen. Wat deze hervorming wil doen, is die keuzes, opnieuw retroactief, aanpassen.
En weet u wat totaal absurd is, beste collega’s? In de hervorming van het pensioen van de parlementariërs, dat hier een paar maanden geleden besproken is, worden netjes pensioenbreuken ingebouwd. De regelgeving die van toepassing was in het verleden blijft van toepassing voor de verleden dienstjaren. Er wordt niets veranderd, retroactief. Niets. Maar voor de mensen die dit land doen draaien, de werkende mensen, zullen de regels retroactief veranderd worden.
Welnu, collega’s, dat is uiteraard onaanvaardbaar. Wij hebben dan ook een aantal amendementen ingediend om die hervorming rechtvaardiger te maken. Die amendementen willen we voorleggen aan de Raad van State.
01.07 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame la présidente, nous avons également déposé une série d'amendements à cette réforme des pensions.
En effet, le gouvernement prétend recréer de la justice entre les pensionnés en faisant en sorte de traiter de façon égale des situations radicalement différentes, mais légitimes. Nous ne pensons pas qu'il soit juste que, par exemple, une personne qui a pris soin de ses enfants ou d'une personne malade ou en situation de handicap soit traitée de la même manière qu'une personne qui a eu la chance de réaliser une carrière longue et plane dans un bureau. Et nous pensons que les personnes qui, par exemple, travaillent comme aidants proches ou font un travail domestique doivent pouvoir toucher une pension digne.
À aucun moment, dans le cadre de cette réforme, on ne parle de la manière dont on vieillit dans notre pays, de la dignité des pensionnés, du niveau de vie que nous voudrions qu'ils puissent avoir. Pour nous, c'est clair: nous voulons que chaque pensionné en Belgique puisse vieillir dans la dignité. Nous ne souhaitons pas qu'une grand-mère ne soit pas en mesure d'offrir un cadeau à Noël à ses enfants. Nous estimons que cela fait aussi partie du vivre ensemble. Nous souhaitons que les personnes aient des revenus suffisants pour bien vivre.
Nous avons donc, chers collègues de la majorité, déposé toute une série d'amendements visant à supprimer la mesure la plus injuste de cette réforme, à savoir le malus pension, que votre gouvernement tente d'introduire et qui va venir frapper les plus fragiles, ceux qui n'ont pas le choix, ceux qui sont contraints de s'arrêter plus tôt parce qu'ils ont été brisés par leur carrière, parce qu'ils ne sont plus en mesure de travailler au-delà d'un certain seuil. Pour ces personnes-là, aucun mécanisme n'est mis en place permettant de prendre en compte la pénibilité du métier qu'elles ont exercé.
Nous estimons dès lors qu'il est profondément injuste de venir les sanctionner une deuxième fois. Avec nos amendements, nous proposons de supprimer ce malus. Et nous sollicitons également l'avis du Conseil d'État sur ces amendements.
01.08 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Collega's, minister Jambon, deze hervorming sluit aan bij een traditie die is gestart in 2011 onder voormalig eerste minister Di Rupo. Onder zijn regering werd werk gemaakt van een eerste pensioenhervorming. Het vervroegd pensioen werd voor het eerst aangepakt tussen 2011 en 2014.
De tweede pensioenhervorming, met de verhoging van de pensioenleeftijd tot 66 en 67 jaar, kwam er onder de regering-Michel, uitgevoerd door oud-minister van Pensioenen Bacquelaine, de doyen van deze assemblee,.
Deze hervorming is een derde stap waarbij men onder meer de ambtenarenpensioenen probeert te aligneren met de andere pensioenen in onze samenleving. We vinden dat een moeilijke boodschap, evident, maar wel een noodzakelijke boodschap. Intussen is door de compromissen in de regering opnieuw een pensioenkameel gecreëerd, un chameau de pension, waardoor het effect van die hervorming ook serieus is verminderd.
Collega Ronse noemt dat allemaal historisch, maar collega's, de minister zal toegeven dat deze hervorming het met 1,6 % van het bbp tegen horizon 2070 0,5 procentpunt minder goed doet dan de hervorming van de regering-Michel. De Zweedse regering heeft op het vlak van de pensioenen meer hervormd en zal meer hervormd hebben dan deze regering. Het is altijd goed om alles in perspectief te plaatsen. Die vele uitzonderingen en uithollingen zorgen ervoor dat de impact veel minder groot is.
De Anders.-fractie mist vooral – ik ben ook blij dat minister Vandenbroucke in ons midden is; er is een mooi kransje van ministers aanwezig vandaag – een echte structurele hervorming. Minister Vandenbroucke was voorzitter van de commissie voor Pensioenen tussen 2011 en 2014. Hij heeft toen het voorstel gedaan van een pensioensysteem met punten, een echte hervorming die rekening houdt met de evolutie in de samenleving. Dat systeem bestaat onder meer in Scandinavische landen en deze regering heeft nagelaten dat in te voeren. Daardoor zullen we moeten blijven hervormen, met alle moeilijkheden van dien, zoals overgangstermijnen en mensen die niet goed kunnen plannen, terwijl het systeem dat mijnheer Vandenbroucke destijds had voorgesteld veel robuuster was. U ziet dus dat er een verschil is tussen meester Frank, professor Frank en minister Frank. Dat wisten we natuurlijk al eerder.
Er is ook geen werk gemaakt van de kapitalisatie. We moeten weg van het retributiesysteem en richting kapitalisatie van de pensioenen gaan. Onze Einsteinrekening, waarmee we mensen de mogelijkheid geven om elke maand systematisch 25, 50 of 75 euro te beleggen, strekt ertoe werk te maken van een echt goed gekapitaliseerd pensioenstelsel, zoals men dat kent in vele andere landen.
Collega’s, mijnheer de minister, het debat moet echter worden gevoerd in het Parlement. We hebben dat al gedaan in de commissie, waar onze fractieleidster dat zoals altijd diligent heeft gedaan. Ze heeft ook een aantal amendementen voorgesteld. Die zijn niet aangenomen door de meerderheid, maar uiteindelijk wel deels gekopieerd door de meerderheid, als ik dat zo mag zeggen. Onder meer de fameuze flexibiliteit in een halftijdse loopbaan is nu wel voorzien. Wij willen het debat hierover echter in deze plenaire vergadering voeren en vragen dan ook geen verwijzing naar de Raad van State.
01.09 François De Smet (DéFI): Madame la présidente, je serai bref, notamment pour faciliter le travail des services puisque tous les groupes de l'opposition se sont exprimés dans un sens ou dans l'autre.
Oui, il est exact que ce n'est pas une bonne réforme et qu'elle manque sa cible. Il aurait fallu en entreprendre une plus ambitieuse et qui cause moins de victimes. Nous savons que les femmes et les jeunes sont les premiers à être exposés. Surtout, je dois avouer que les arguments du reste de l'opposition, estimant que certaines zones d'ombre doivent être éclaircies, me semblent, cette fois-ci, audibles. Je ne suis pas un fan de la flibuste, mais en l'occurrence ce n'en est pas. J'ai en effet l'impression qu'il existe de très bonnes raisons de soutenir un renvoi des amendements au Conseil d'État afin de pouvoir débattre pleinement du projet la prochaine fois. Je soutiendrai donc, cette fois, le renvoi. De la sorte, vous pourrez faire vos comptes.
Je vous remercie de votre attention.
La présidente: Justement, même si je crois deviner et savoir que 50 personnes soutiendront le renvoi au Conseil d'État, je vais quand même demander non un vote, mais un comptage, pour être sûre que nous atteignions bien ce nombre.
Je
demande donc à ceux et uniquement à ceux qui soutiennent le renvoi au Conseil
d'État de voter nominativement. Je vous remercie.
Ten minste 50 leden steunen het verzoek om advies van de Raad van State.
Au moins 50 membres soutiennent la demande d'avis au Conseil d'État.
Bijgevolg zal ik het advies van de Raad van State vragen met toepassing van artikel 98, § 3, van het Reglement.
En conséquence, je demanderai l'avis du Conseil d'État en application de l'article 98, § 3, du Règlement.
De amendementen nrs. 112 tot 153 op het wetsontwerp nr. 1405 en de amendementen nrs. 2 en 3 op het wetsontwerp nr. 1406 zullen voor advies naar de Raad van State worden verzonden.
Les amendements nos 112 à 153 au projet de loi n° 1405 et les amendements nos 2 et 3 au projet de loi n° 1406 seront envoyés au Conseil d’État pour avis.
Hervatting van de thematische bespreking
Reprise de
la discussion thématique
De thematische
bespreking is hervat.
La discussion thématique est reprise.
Les interventions pour la partie Emploi et Affaires sociales ont été clôturées. Je donne la parole au ministre Clarinval pour ses réponses.
02.01 David Clarinval, ministre: Madame la présidente, chers collègues, je serai très bref.
Je ne reviendrai pas sur les nombreux échanges que nous avons eus très longuement, jour et nuit, au cours des débats en commission. Je fais à cet égard référence aux rapports écrits.
Par ailleurs, je n'ai rien à ajouter à ce que mon collègue M. Vandenbroucke a dit tout à l'heure. Il était très complet et je fais miennes ses interventions également.
Je me contenterai simplement de dire, dans le cadre des discussions qui nous ont occupées ce matin, qu'il est faux de dire qu'il n'y a pas eu de concertation avec les partenaires sociaux. Au contraire, plusieurs réunions, en ce compris au niveau technique, ont eu lieu afin d'examiner en détail les impacts de l'alternative qui a été proposée par le Groupe des 10.
Comme cela a déjà été dit plusieurs fois, et notamment par moi-même il y a 15 jours ici, sur ce même siège, il semble que la proposition du Groupe des 10 ne génère pas les rendements budgétaires escomptés et soulève d'autres questions juridiques, comme l'égalité de traitement entre les travailleurs du secteur privé et public.
Je l'ai déjà dit il y a 15 jours, je répète que ces problèmes sont toujours présents dans la proposition alternative formulée par les partenaires sociaux. C'est d'ailleurs ces informations-là que nous leur avons données de manière directe, encore hier, avec les collègues lors de la réunion réunissant le kern et le Groupe des 10.
Comme je l'ai déjà dit il y a 15 jours, il n'a pas été possible de trouver un consensus au sein du gouvernement pour adopter cette alternative, vu les problèmes que je viens de citer.
Les débats ont été très longs ce matin, mais je n'ai entendu qu'une seule question de Anders. qui me concernait, à propos du chiffre de 1,1 milliard de coût pour les entreprises. Je voudrais simplement dire au collègue Van Quickenborne que le montant de 1,1 milliard est une estimation fictive, réalisée à la demande des partenaires sociaux. C'est un exercice purement intellectuel, qui ne touche pas à la réalité.
L'ONSS et le Bureau fédéral du Plan estiment quant à eux que le revenu réel se trouve plutôt entre 570 et 700 millions.
Comme le ministre Vandenbroucke l'a rappelé tout à l'heure, ce n'est pas une taxe, il s'agit de la moitié d'un gain que les entreprises recevront après l'application de l'indexation limitée. C'est donc également le chiffre de gain de compétitivité que les employeurs vont pouvoir obtenir grâce à cette réforme, qui représente entre 570 et 700 millions d'euros. De manière triviale, je pourrais dire que quand on a une bouteille à moitié pleine, on peut la voir à moitié vide, et lorsqu'elle est à moitié vide, on peut la voir à moitié pleine. Nous avons ici une belle illustration de deux points de vue différents pour un même état de fait.
Je voudrais terminer en rappelant que si d'aventure un impact négatif devait être observé au terme de ces deux centenindex, nous avons notifié au sein du gouvernement qu'il octroiera une compensation pour remédier aux problèmes qui seraient constatés à ce moment-là.
02.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw de voorzitster, ik heb echt niets toe te voegen aan wat reeds gezegd is en aan de goede conclusie van mijn collega-minister David Clarinval.
La présidente: Nous allons passer aux répliques des membres de l'assemblée.
02.03 Kurt Moons (VB): Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om de regering een spiegel voor te houden inzake het sociaal overlegmodel. In het regeerakkoord staat: "Gelet op de grote uitdagingen en fundamentele hervormingen die zich aandienen in het arbeidsmarktbeleid en de sociale zekerheid, gaan we het overleg hierover aan met de sociale partners en deelstaten. Op meerdere principes in deze nota wordt expliciet verwezen dat we de sociale partners vragen om een voorstel te doen en/of advies te geven." En luister nu goed: "Indien het sociaal overleg na een vooraf vastgelegde en voldoende ruime termijn geen akkoord bereikt over deze dossiers, beslist de regering binnen de vooraf bepaalde budgettaire marge, en respecteren we zo de democratische besluitvorming."
Ik stel vast dat met betrekking tot de centenindex juist het tegenovergestelde is gebeurd, namelijk dat de termijn niet vooraf is vastgelegd en dat onvoldoende ruimte is gegeven aan de sociale partners om een akkoord te bereiken. Toch hebben ze een akkoord bereikt. Vervolgens heeft de regering dat akkoord afgewezen. Met de centenindex is juist het tegendeel gebeurd van wat de arizonapartijen in het regeerakkoord hadden afgesproken. Ik vind dat het toch nodig is om dat aan de regering te laten weten.
02.04 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): Monsieur Clarinval, j'ai entendu votre réplique. Ce matin, 75 000 travailleurs étaient à nouveau présents dans les rues de Bruxelles. Le mouvement social ne s'arrête pas. On n'a jamais vu cela depuis un an et ça continue. Et, pour un manifestant qui est venu, des milliers de personnes dans les rues disent encore: "C'est incroyable, comment cela se fait-il? Ces gars-là, au MR, nous ont dit pendant toute la campagne électorale qu'ils allaient sauver notre pouvoir d'achat. Et la première chose qu'ils font une fois au pouvoir, c'est attaquer l'indexation des travailleurs." C'est dégoûtant! Vous vous en foutez, monsieur le ministre! Combien touchez-vous par mois? Vous touchez 11 000 ou 12 000 euros nets par mois, ce n'est pas un problème pour vous. La vie se passe bien. Mais tous ces travailleurs des secteurs des soins, de la construction, etc., ainsi que tous ces fonctionnaires des services publics présents dans les rues aujourd'hui, que disent-ils? Vous, les ministres, vivez dans une bulle. Tous ces gens manifestent, mais vous ne les écoutez pas. Or la colère est profonde.
Aujourd'hui des travailleuses et des travailleurs m'ont dit: "Raoul, demande au ministre de sortir de sa petite bulle et de redescendre sur terre." Parce que du fric, en Belgique, il y en a, monsieur le ministre. Il y en a! Les grandes sociétés pétrolières font des milliards d'euros de bénéfices sur le dos des travailleurs.
Quant aux pensions, c'est facile pour vous de dire que tous ces gens doivent travailler jusqu'à 67 ans. Vous êtes fou ou quoi?
Si vous espérez que le mouvement va s'arrêter, vous vous trompez complètement. Complètement! Et, je vous le dis, monsieur le ministre, vous êtes franchement dans la merde car les gens sont de plus en plus en colère. Je vois bien que vous êtes mal à l'aise. Vous espérez vous en tirer avec des arguments "à la mords-moi le nœud", comme on dit chez nous. Mais cela ne marche pas! Que croyez-vous? L'arrogance du MR s'arrêtera un jour.
Sachez, monsieur le ministre, que nous allons continuer ce combat. L'indexation est quelque chose de juste. Les gens ont le droit d'avoir du pouvoir d'achat. Or, vous, les ministres du MR et des Engagés, vous ne cessez de pomper le pouvoir d'achat des gens. C'est scandaleux! Le combat va continuer, monsieur le ministre. Vous pouvez me croire.
De voorzitster: Mijnheer Van Lysebettens, u hebt het woord.
(Tumult)
02.05 Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Dank u wel, mevrouw de voorzitster, ook om de orde te bewaren.
Na de repliek – of het gebrek daaraan – van de ministers blijf ik met drie vaststellingen zitten.
Ten eerste, er is morgen een kern over de centenindex, maar wat zal daar worden besproken? De ministers geven aan dat ze hun mening niet willen wijzigen. Wat zal men dan doen? Kleurenwiezen met elkaar?
Ten tweede, ik heb verschillende keren gevraagd of een aantal concrete cases volgens de ministers rechtvaardig zijn, maar ik heb daarop geen antwoord gekregen, waarvan akte. Ik ga er dus van uit dat het voor Vooruit en cd&v inderdaad rechtvaardig is dat verpleegkundigen een deel van hun loon verliezen en dat kleine pensioenen worden getroffen door de centenindex.
Ten derde, ik lees een quote voor van Ann Vermorgen, voorzitster van het ACV: “Vandenbrouckes redenering over de centenindex klopt van geen kanten. De redenering van de minister over het voorstel van de Groep van Tien klopt niet.”
Mevrouw de voorzitster, ik begrijp het discours van de minister niet. Als degenen die het voorstel indienen, zeggen dat de interpretatie van de minister van dat voorstel niet klopt, dan lijkt het mij dat de regering zich morgen toch nog eens moet beraden over het voorstel van de sociale partners.
02.06 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mevrouw de voorzitster, ik wil eerst repliceren op wat minister Clarinval heeft gezegd. Hij was vandaag bijzonder kort. Straks zal ik tijdens de een-een-een nog een aantal individuele vragen stellen. U weet dat we na het thematische debat ook nog individuele vragen kunnen stellen aan de ministers. Ik zal daar straks gebruik van maken.
Ja, mijnheer Vandenbroucke, dat zijn de regels van het Parlement. Welkom in het Parlement, de wetgevende macht van dit land, de eerste macht van dit land, volgens Montesquieu.
Mijnheer Clarinval, u hebt twee zaken gezegd. Ten eerste zei u over de nota die vanmorgen is verdeeld:
"C'est une note intellectuelle, qui ne touche pas à la réalité."
De regering verdeelt hier dus nota’s waarvan ze zelf zegt dat ze de realiteit niet weerspiegelen. Ik vraag me af waarom dergelijke nota’s dan zijn opgesteld.
Monsieur Clarinval, vous avez dit que la fameuse contribution ne s’élèvera pas à 1,1 milliard, mais variera entre 570 et 700 millions, et vous le confirmez.
Dat hebt u gezegd. Oké, u bevestigt dat.
Collega’s, luister goed. Als die loonmatingsbijdrage niet 1,1 miljard
vertegenwoordigt, maar 570 of 700 miljoen euro, dan betekent dat dat het
voorstel van de sociale partners budgettair beter is dan de centenindex. Het
verschil tussen de centenindex en het voorstel van de sociale partners bedraagt
352 miljoen. De regering gaat volgens het beste scenario van Vandenbroucke van
1,1 miljard naar 700 miljoen, dat is een verschil van 400 miljoen. Dat betekent
dus, collega’s, dat de centenindex minder opbrengt dan het voorstel van de
sociale partners. Dat is de realiteit. Dat is de realiteit. Dat heeft de heer
Clarinval net verteld. U
hebt toch geluisterd, collega’s?
Ensuite, M. Clarinval affirme qu’il ne
s’agit pas d’une taxe, mais de la moitié du gain. C’est vrai, mais à une condition.
Op voorwaarde dat de bijdrage stopt na twee centenindexen, mijnheer Clarinval, maar dat doet ze niet. De loonmatigingsbijdragen – daar zijn de socialisten tevreden mee, de communisten ook – blijven duren. Die blijven duren tot in de oneindigheid. Er is dus geen opbrengst meer, maar een pure taks. Dat is de realiteit. U hebt er zo voor gevochten, mijnheer Clarinval. U hebt ervoor willen vechten, maar het is u niet gelukt. U hebt moeten toestaan aan de heer Vandenbroucke dat die taks er komt. Collega’s, dat is de realiteit.
Eerste conclusie, de heer Clarinval heeft net verteld dat het systeem van de centenindex budgettair minder opbrengt dan het voorstel van de sociale partners. De conclusie zou toch moeten zijn, collega’s, dat we op die manier niet anders kunnen dan dat voorstel van de sociale partners te aanvaarden. Dat is wat ik ook zou willen vragen, collega’s. Er is in dit land geen enkele expert, geen enkele econoom, geen enkele kenner te vinden die de centenindex verdedigt. Ook niet bij de sociale partners, niet bij de vakbond, niet bij de werkgevers, niet bij UNIZO, niet bij Voka, niet bij het VBO, niet bij de federaties, niet bij de vakbonden. Bij niemand. Maar deze regering doet door. De enige reden waarom ze doordoet, is omdat ze zich geen nieuw gezichtsverlies kan permitteren. Met de btw is de regering gewoon tegen het canvas gegaan. Met de centenindex zal dat opnieuw gebeuren. Dat is slecht voor onze economie, slecht voor onze bedrijven, slecht voor de tewerkstelling en slecht voor de vooruitgang van dit land.
Donc, monsieur Clarinval, libérez-vous de M. Vandenbroucke! Libérez-vous, s’il vous plaît, et soyez un vrai libéral, et non pas un socialiste dans ce gouvernement!
02.07 Robin Tonniau (PVDA-PTB): Minister Vandenbroucke, uw redenering over de centenindex klopt van geen kanten, zo zei ACV-voorzitster Ann Vermorgen daarnet. Zij heeft waarschijnlijk uw uitleg vanochtend gehoord, in uw eentje, want de heer Clarinval heeft u geen back-up gegeven. Hij heeft letterlijk niets gezegd en dat heeft zijn redenen.
De sociale partners, de vakbonden en de werkgevers beschuldigen u eigenlijk van leugens. Ze zeggen dat de nota die zij kregen van het Planbureau niet klopt. Ze willen daar verder over onderhandelen. Wat is uw probleem? Waarom wilt u dit hier nu doordrukken en toch overgaan tot de stemming over de centenindex? Eigenlijk wil niemand die centenindex. Werknemers willen die niet. Mensen komen daarvoor op straat, vandaag opnieuw 70.000 mensen hier in Brussel. De vakbonden willen die niet. De werkgevers willen die niet. De enige die deze nog verdedigt, is de heer Vandenbroucke, minister van Vooruit, hier in zijn eentje.
Mijnheer de minister, u antwoordt zelfs niet op al onze tussenkomsten. Wij vragen u wiens idee die centenindex was. We vroegen ook of het klopt wat De Tijd schrijft, namelijk dat u de architect van de centenindex bent? Komt dat uit uw mouw? Hebt u dat besproken met de heer Rousseau, met de heer Seuntjens, met de rest van uw partij? Hebt u besproken dat u een centenindex wilt invoeren en zo onze automatische indexering gaat ondermijnen? Hebt u dat besproken in een vergadering?
Ik zei het vanochtend al, geen enkele partij stelde tijdens de verkiezingen de automatische loonindexering in vraag. Neen, dat was een supergoed systeem dat ons beschermd heeft tijdens corona, een supergoed systeem dat onze economie recht heeft gehouden, waardoor die het in vergelijking met buurlanden de laatste jaren veel beter heeft gedaan.
Mijnheer Vandenbroucke, wat antwoordt u aan mevrouw Vermorgen, ACV-voorzitster, die zegt dat uw redenering van geen kanten klopt?
La présidente:
Non, il n'y a plus de réponse. C'étaient les répliques.
02.08 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Nu beginnen we aan de één-één-één. Dat is de afspraak.
La présidente: Non, monsieur Van Quickenborne, cela vaut seulement pour les interventions.
02.09 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Dat is de afspraak die we gemaakt hebben.
La présidente: On peut vous interrompre, vous. Mais personne ne parle, monsieur Van Quickenborne.
02.10 Vincent Van Quickenborne (Anders.): We moeten de afspraken van de Conferentie van voorzitters
naleven. Dus we kunnen
nu individueel de ministers bevragen.
La présidente: Mais qui parle en ce moment? Tout le monde a fini de parler.
02.11 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mais non, mais non!
La présidente: Mais vous pouvez parler.
02.12 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Oui, je vais encore parler.
La présidente: Vous pouvez parler tant que vous le souhaitez.
02.13 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Oui, pour que le ministre puisse répondre.
La présidente: Ce n'est pas une minute; c'est votre temps de parole général.
02.14 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Goed.
Mijnheer Vandenbroucke, ik hoor net dat het Federaal Planbureau aan de regering een nieuwe nota beloofd heeft. Blijkbaar zou er een nieuwe nota komen voor de regering, vanmiddag. Ik verneem dat via indiscreties. Ik hoor ook dat dit het gevolg is van de groep experten die gisteren bijeengekomen is, de groep waarin vertegenwoordigers zitten van de sociale partners, van het Federaal Planbureau en van de regering. Ik hoor dus dat er een nieuwe nota aan de regering komt.
Mijnheer de minister, komt er een nieuwe nota naar de regering, ja of neen?
02.15 Minister Frank Vandenbroucke: Dat is geen nieuws. Ik heb vanmorgen al in het debat gezegd dat er verder gekeken wordt met de experten van de Groep van Tien en de experten van het Planbureau, en dat de feedback daarvan morgen naar het kernkabinet gaat. Ik herhaal wat ik vanmorgen heb gezegd.
02.16 Vincent Van Quickenborne (Anders.): U zegt dus dat er een nieuwe nota komt, van het Federaal Planbureau naar de regering. U probeert dat weg te moffelen. Dat is dan surrealistisch.
Collega's, er komen nieuwe nota’s naar de regering. Wij mogen daar geen kennis van nemen. Straks wordt het debat hier gesloten. Wie is hier eigenlijk wie voor de aap aan het houden?
Mijnheer Vandenbroucke, u bent het Parlement voor de aap aan het houden. U geeft ons niet de kans, of het recht, om die informatie te zien, hoewel ze cruciaal is in de behandeling van het dossier.
Tegelijkertijd houdt u de sociale partners voor de aap, want de experts mogen nota’s schrijven zoveel ze willen, het kernkabinet mag samenkomen zoveel het wil, maar het debat in het Parlement is gesloten. U lacht de sociale partners vierkant uit in het gezicht. Onwaarschijnlijk. Eerst hebt u de centenindex op tafel gelegd, zonder advies te vragen aan de sociale partners. Pas helemaal op het einde, na aandringen van de oppositie, hebt u dat gedaan. Vervolgens krijgt u een advies. U houdt er geen rekening mee. Nu zijn er berekeningen, maar daar houdt u weer geen rekening mee. U bent gewoon het sociaal overleg, de sociale partners en zeker de werkgevers, aan het uitlachen in het gezicht.
Als u meent dat u daarmee voor sociale vrede zult zorgen in ons land, vergeet het. Er zullen nog stakingen komen, keer op keer. Er komt een dag waarop ook werkgevers, ondernemers, en zelfstandigen zullen zeggen dat ze het nu beu zijn met die Vandenbroucke en ook op straat komen tegen al die taksverhogingen. Dat zat een keer gebeuren. Die dag zal ook komen, tegen u, en tegen uw socialisme.
Ik heb een tweede vraag. Mijnheer Vandenbroucke, in de meerjarenbegroting van november 2026 is de opbrengst van de centenindex ingeschreven op 883 miljoen euro met horizon 2029.
Mijnheer Vereeck, klopt dat? Het klopt.
Collega’s, wat lees ik nu in de nota van het Federaal Planbureau? Ik stel voor dat we de nota van het Federaal Planbureau van vandaag nemen. Daarin staat als opbrengst 506 miljoen euro voor entiteit I. Stel dat u bijvoorbeeld de nota van april 2026 neemt. Daarin staat als opbrengst 396 miljoen euro.
Mijnheer de minister, er is een verschil van minstens 350 miljoen euro tussen wat u in de begroting hebt ingeschreven voor de centenindex en wat hij uiteindelijk zal opbrengen. Er is een gat van minstens 350 miljoen euro.
Ten eerste, erkent u dat?
Ten tweede, wat zult u doen om dat gat weg te werken?
02.17 Minister Frank Vandenbroucke: Er is in het debat al verschillende keren uitgelegd dat het Federaal Planbureau op onze vraag en op vraag van de sociale partners voortdurend en herhaaldelijk opnieuw heeft gewerkt en blijft werken zoals het moet.
Uw kritiek daarop klinkt ongelooflijk hol.
Er is al verschillende keren uitgelegd dat er een evolutie is geweest in de cijfers, ten eerste, omdat de RSZ het Federaal Planbureau heeft gewezen op een verkeerde inschatting van een deel van de oefening. Het Federaal Planbureau heeft dat erkend en de oefening is daarop aangepast. Ten tweede, ook zijn de hypotheses aangepast aan de gewijzigde context.
Mijnheer Van Quickenborne, hou nu toch eens op met dat ongelooflijk tegenstrijdige argumentarium. U roept uit hoe erg dat nu toch is dat de regering minder budgettaire opbrengsten heeft en wat een drama dat wel niet is. U vraagt mij om dat eens uit te leggen.
U hebt ons hier vanmorgen uren beziggehouden met de ontkenning van het feit dat een geformuleerd alternatief een grote budgettaire put creëert. Daar hebt u ons uren mee beziggehouden, namelijk dat dat niet waar was en dat dat geen probleem vormde. Nu roept u uit hoe erg het wel is dat een en ander budgettair minder opbrengt.
Hoe tegenstrijdig kunt u zijn? Ik heb de indruk dat te veel gemberthee toch ook niet goed is. Hoe tegenstrijdig kunt u zijn?
02.18 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer Vandenbroucke, het ergert u blijkbaar al dat ik twintig minuten spreek over de centenindex. Ik weet waarom u geërgerd bent. U mag gerust beginnen over gemberthee, maar ik heb u een vraag gesteld. Er is een gat in de begroting van minstens 376 miljoen euro op het vlak van de centenindex. Ik vraag u of dat klopt en hoe u dat zult oplossen. U wordt geacht om op de vragen te antwoorden. We zijn hier in het Parlement, begrijpt u, en niet in een professorale zaal. Het is hier tweerichtingsverkeer.
Mijnheer de minister, er is in de begroting een bijkomend gat van 376 miljoen euro op het vlak van de centenindex. Ten eerste, klopt dat? Ten tweede, hoe zult u dat oplossen? Graag een antwoord op die vragen.
02.19 Minister Frank Vandenbroucke: Het feit dat het minder opbrengt dan voorzien in de begroting, betekent dat de regering op alle fronten tandjes zal moeten bijsteken. Dat is toch duidelijk? We zullen dat doen. Het omgekeerde, zogezegd voor de sociale vrede nog eens een gat van een paar honderd miljoen maken, wat u hier vraagt, dat zullen we niet doen, precies om die reden. Wees nu toch een beetje consequent en probeer hier niet voortdurend hetzelfde en het omgekeerde te vertellen.
02.20 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer Vandenbroucke, dan zou ik toch even luisteren naar uw collega Clarinval. Hij heeft net gezegd dat die loonmatigingsbijdrage 400 miljoen euro minder zal opbrengen. Als dat 400 miljoen euro minder opbrengt, dan zit u sowieso onder nul en zit u met een probleem.
Het punt is dat de sociale partners een voorstel hebben gedaan dat veel eenvoudiger en veel evenwichtiger is en dat ook hervormt en ingrijpt, bij iedereen een beetje. Dat doet u waarschijnlijk pijn, maar het is tenminste een voorstel dat stabiel is, dat een hervormingsvoorstel is en dat budgettair beter is dan uw eigen voorstel, zoals blijkt uit het betoog van de heer Clarinval. De complexiteit die u met de centenindex veroorzaakt, is niet om aan te zien.
Ik had u trouwens gevraagd of er een uitstel tot 1 juli zou komen, zoals gevraagd door Federgon en een aantal sociale secretariaten. Ook daarop krijg ik graag een antwoord.
02.21 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer Van Quickenborne, vermits u altijd antwoorden vraagt, geef ik u die ook.
De sociale secretariaten hebben ons altijd gezegd dat dit uitvoerbaar is. Daar is veel overleg over geweest. Als de programmawet later wordt goedgekeurd – en dat is eigen aan het Parlement – dan krijgen we een probleem met de timing. Dat is nogal evident. Dat is de collectieve verantwoordelijkheid van het hele Parlement, van degenen die voor uitstelmanoeuvres hebben gezorgd én van degenen die het ontwerp hebben ingediend, wat inderdaad aanleiding gaf tot veel debat.
Met de sociale secretariaten is er zeer veel overleg gepleegd. Zij hebben altijd gezegd dat dit uitvoerbaar is. De wet moet uiteraard wel goedgekeurd en gepubliceerd zijn vóór zij iets kunnen doen. Dat wordt voor hen nijpend. Dat is een feit, dank u wel, mijnheer Van Quickenborne.
02.22 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer Vandenbroucke, ik begrijp dat u het graag opnieuw persoonlijk maakt, maar mijn fractie heeft op geen enkele manier voor dat uitstel gezorgd. Wij hebben op geen enkele manier bijgedragen aan de carrousel bij de Raad van State. Minister Jambon weet dat ook. Hetzelfde geldt voor de pensioenen. Wij hebben dat niet gedaan. Stop dus met die onzin te vertellen en op de man te spelen, mijnheer Vandenbroucke.
Ik verneem in uw antwoord wel dat er een probleem dreigt. U zegt dat dat zou kunnen. We rijden recht op de muur af, want het is nog twintig dagen, collega's, tot 1 juni. Federgon zegt nu al dat het niet zal lukken. Voor de zoveelste keer krijgen we dus een ontwerp van de regering waarbij de deadlines niet worden gehaald. Het is niet de eerste keer. Dat is keer op keer het geval met deze regering: kamelen, complexiteit en uitstel. Mijnheer de minister, ik ben blij dat u dat erkent.
Mijn laatste vraag gaat over de sociale vrede. Denkt u werkelijk dat u met uw manoeuvre met de centenindex dichter bij sociale vrede komt, of niet?
02.23 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer Van Quickenborne, sociale vrede is belangrijk, maar we zullen niet alsmaar meer budgettaire putten graven in de overtuiging dat we daarmee sociale vrede kopen. Bovendien zal er in de huiskamers geen sociale vrede zijn als alle gepensioneerden moeten inleveren. Daar pleit u voor, samen met de G10. Ook mensen met zeer kleine pensioenen, die we vandaag vrijwaren. U bent al de hele voormiddag, samen met de oppositie, aan het pleiten voor een voorstel waarbij alle gepensioneerden moeten inleveren. Ook mensen met een pensioen van 750 euro zullen moeten inleveren. Zal dat zorgen voor sociale vrede?
U pleit voor een voorstel waarbij iemand die werkt aan een minimumloon, ook moet inleveren. Zal dat sociale vrede brengen? Daarvoor pleiten jullie, collega's van de oppositie, eensgezind van de PS tot het Vlaams Belang, de hele voormiddag. Die gepensioneerden mogen dat weten. Wij vrijwaren die mensen met een klein pensioen, maar u doet dat niet. Voor sociale vrede is dat belangrijk.
02.24 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik vind het ongelofelijk om dat van u te horen. Voor u is iemand met een pensioen van meer dan 1.700 euro netto rijk en heeft hij geen enkel recht meer op de index. Collega’s, voor de socialisten is iemand met een pensioen van 1.700 euro netto per maand rijk. Dankzij deze regering krijgt iemand met een netto pensioen van meer dan 1.700 euro dus geen index meer. Dankzij deze regering zullen alle werkgevers door dat systeem honderden miljoenen euro extra loonkosten betalen.
Er is maar één oplossing, namelijk de sociale vrede terugbrengen, luisteren naar de sociale partners, respect hebben voor de sociale partners. Dat hebt u niet, mijnheer Vandenbroucke. Uw ware gelaat is naar buiten gekomen, mijnheer Vandenbroucke. Dat is toch vreemd voor de man die altijd pleitte voor het behoud van de index en voor de sociale vrede.
Mevrouw de voorzitster, mag ik vragen dat de heer Weydts een beetje dimt? Mijnheer Weydts, als u wilt tussenkomen, doe dat dan, want ik heb uw fractie daarover nog niet gehoord, waarschijnlijk omdat u het niet kunt of durft te verdedigen. Als u iets wilt zeggen, gebruik de micro.
Mijnheer de minister, u was altijd een grote voorstander van de index. U was altijd een grote voorstander van het sociaal overleg. Met deze maatregel begraaft u dat sociaal overleg. Deze sociale partners, die in een moeilijke constellatie, in een moeilijke regering, in staat zijn om over zo’n gevoelig thema een oplossing te vinden, stuurt u gewoon wandelen. Het is onwaarschijnlijk dat u dat doet. Ik denk dat u een zeer grote verantwoordelijkheid in dit dossier hebt, mijnheer de minister, meer dan u denkt.
La présidente: Il n’y a plus de demande de parole pour la partie Emploi, et il n’y en a pas pour la partie Économie. Pour la partie Affaires sociales, M. Bertels est déjà intervenu tout à l’heure et il n’y a plus de demande de parole. Nous en arrivons à la partie Finances.
Financiën – Pensioenen
Finances – Pensions
La parole est à M. Vereeck.
02.25 Lode Vereeck (VB): Mevrouw de voorzitster, collega’s, ministers, ik heb het al eerder gezegd en ik zal het nog vaak herhalen: die verzamelwetten, zoals deze programmawet, zijn een slordige en slechte wetgevingstechniek. Verzamelwetten worden niet voor niets vuilbakwetten genoemd. Ze zijn onoverzichtelijk en onsamenhangend. De ondermaatse kwaliteit van deze programmawet heeft ook te maken met het ontbreken van een echte reguleringsimpactanalyse. Er werden opnieuw routinematig 21 vakjes afgevinkt, meestal zonder cijfers, zonder alternatieven en zonder dat de noodzaak van de wetgeving werd aangetoond.
Er werd daar voor de pauze al naar verwezen, maar aan het begin van het parlementaire jaar stelde de voorzitter van dit Parlement een algoritme voor dat een antwoord moet bieden op de vraag wanneer regelgeving nodig is. Ik moet toegeven dat dat algoritme een heel gebrekkig en schaamteloos plagiaat is van de echte reguleringsimpactanalyse zoals die ontwikkeld werd door de OESO. Maar goed, het is wat het is. Ik stel desalniettemin voor dat algoritme-De Roover eens toe te passen, niet alleen op de centenindex, mijnheer Van Quickenborne, maar ook op de fiscale artikelen 2 tot en met 51 van deze programmawet, namelijk de hogere vliegtaks, de hogere brandstoftaksen, de hogere verzekeringstaks, de hogere effectentaks, de hogere bankentaks, de hogere taks op de liquidatiereserve, de hogere bedrijfsvoorheffing en, als kers op de taart, de inbeslagname van slapende rekeningen.
Dat algoritme-De Roover bestaat uit vier lijnen. Vraag 1: vormt de aanleiding van het wetgevend initiatief een echt probleem? Is er eigenlijk wel een echt probleem? Zo ja, vraag 2: is regelgeving of wetgeving nodig om dat probleem op te lossen? Zo ja, vraag 3: wat is dan de beste wetgeving of regelgeving? Ten slotte vraag 4: wat zijn de eventuele nadelen van de voorgestelde wetgeving?
We beginnen met de artikelen 2 tot en met 4, over de vliegtaks. Het geheugen is soms kort, maar dit is al de tweede verhoging van de vliegtaks door de regering-De Wever. Onder deze regering nemen de belastingen duidelijk een hoge vlucht, pun intended. Vraag 1: wat is de aanleiding voor de hogere vliegtaks? Het antwoord in de memorie van toelichting is duidelijk: het begrotingstekort, niet de vervuilingskosten, niet het milieu of het klimaat, maar alleen het begrotingstekort.
Het Grondwettelijk Hof is het daar niet mee eens, maar de regering trekt zich doorgaans weinig aan van het hof. Ik bedoel dan het Grondwettelijk Hof, niet het Koninklijk Hof, want daarover zeggen we geen kwaad woord meer.
Tweede vraag, is een hogere vliegtaks noodzakelijk om het probleem op te lossen?
Derde vraag, is dit de beste regelgevende oplossing? Het antwoord is duidelijk neen. België behoort nu al tot de zwaarst belaste landen ter wereld. Het begrotingsprobleem zit dus niet aan de ontvangstenzijde, maar bij de uitgaven van de overheid. Nog meer belastingen zullen de situatie niet verbeteren.
Dan kom ik bij de vierde vraag: wat zijn de nadelen van de hogere vliegtaks voor de luchtvaartmaatschappijen, de Belgische luchthavens en de passagiers, en wegen die nadelen op tegen de budgettaire opbrengst? Dat zijn zeer boeiende en relevante vragen, waarop collega Britt Huybrechts u straks een antwoord zal geven. Dat is alvast iets om naar uit te kijken.
Artikel 5 en artikel 9, vierde lid, betreffen de verzekeringstaks. De taks op verzekeringspremies stijgt van 9,25 naar 9,6 % en treft alle burgers, iedereen die zich wil beschermen tegen risico’s zoals brand, aansprakelijkheid en ongevallen. De regering verzekert zich daarmee van 51 miljoen euro extra inkomsten, een zoveelste aanval op de koopkracht.
De eerste vraag is dan opnieuw: wat is de aanleiding voor de verhoging van de verzekeringstaks? Het antwoord luidt wederom het begrotingstekort, niet de oprichting van een of ander reservefonds, maar enkel en alleen het begrotingstekort.
Tweede vraag: is een hogere verzekeringstaks noodzakelijk om het begrotingstekort op te lossen? Neen, want zoals gezegd zit het probleem niet aan de ontvangstenzijde, maar bij de uitgaven van de regering. Nog meer belastingen zullen dit land niet vooruithelpen.
Derde vraag: is dit de beste oplossing? Neen, want de nadelen zijn erg groot.
Daarmee kom ik meteen bij de vierde vraag: wat zijn de nadelen van de hogere verzekeringstaks? Iedereen weet dat een soepele, goed functionerende geldmarkt met lage rentevoeten cruciaal is voor investeringen, groei en werkgelegenheid. Dat geldt ook voor een verzekeringsmarkt. Die is essentieel om risico’s te kunnen nemen en economische initiatieven te ontplooien en dus ook voor investeringen, groei en werkgelegenheid. Vanuit economisch oogpunt is het dan ook niet verstandig om de kosten van verzekeringen te verhogen.
Ik kom tot artikel 6 en artikel 9, vijfde lid, over de effectentaks. De taks op effectenrekeningen van meer dan 1 miljoen euro wordt verdubbeld van 0,15 naar 0,30 %. Dat is voor alle duidelijkheid geen taks op vermogensinkomsten, zoals de roerende voorheffing of de meerwaardetaks, maar een taks op vermogen, op eigendom. Het is dus een pure confiscatie, een diefstal door de fiscus die casht op obligaties en aandelen.
Eerste vraag: wat is de aanleiding tot de verdubbeling van de effectentaks en opnieuw het begrotingstekort? In de memorie van toelichting is er geen sprake meer van sterke schouders of verticale fiscale rechtvaardigheid, enkel en alleen van het begrotingsaspect. De maatregel moet dan ook 462 miljoen euro per jaar extra opbrengen. Tussen haakjes, voor wie geen miljoen op een effectenrekening heeft staan, geef ik even mee dat u meebetaalt als u een levensverzekering tak 23 hebt.
Tweede vraag, is een verdubbeling van de effectentaks dan noodzakelijk? Neen. Het is wel noodzakelijk dat het begrotingstekort en de oplopende schulden en rentelasten worden teruggedrongen. Het probleem situeert zich niet in de ontvangsten, maar in de uitgaven. Meer belastingen zullen het land economisch niet gezonder maken, integendeel zelfs.
Derde vraag, is de effectentaks eigenlijk wel een goede regelgevende remedie? Het antwoord is neen. Er worden al belastingen betaald bij de opbouw van vermogen en dubbele belasting mag niet. Als u een vermogen hebt geërfd, dan hebt u daar al erfbelastingrechten op betaald. Men kan dan niet nog een tweede keer dat vermogen gaan belasten. Als u een vermogen hebt gekregen, dan zijn daar al schenkingsrechten op betaald. Als u een vermogen hebt opgebouwd uit bedrijfswinsten, dan zijn daarop al vennootschapsbelastingen en roerende voorheffingen betaald. Als u een vermogen hebt gespaard uit uw loon, dan is daar al personenbelasting op betaald. Wanneer dat spaargeld later opnieuw wordt belast als vermogen, dan had u het beter meteen uitgegeven. Kortom, de effectentaks is een dubbele belasting op vermogen en schendt het principe non bis in idem. Ik herhaal voor alle duidelijkheid: een belasting op vermogensinkomsten, zoals rente of dividenden, dat is uiteraard geen probleem, althans als die niet te hoog is.
Dan kom ik tot vraag 4. Wat zijn de nadelen van deze verhoging van de effectentaks?
De effectentaks is jammer genoeg niet de enige belasting op sparen, beleggen en ondernemen die de regering-De Wever verdubbelt. Zo wordt ook de roerende voorheffing op gewone spaarboekjes – ik weet niet of de mensen dat al goed beseffen – verdubbeld van 15 naar 30 %. Er is de nieuwe meerwaardetaks van 10 % en, misschien minder bekend, ook een minwaardetaks – hou u vast – op verlies vanaf 2031. Die meerwaardetaks is, zoals al vaak gezegd, een absoluut gedrocht. Die discrimineert tussen kleine en grote aandeelhouders en tussen soorten ondernemers. Die wordt dan ook nog eens geheven op een beurstaks, taks op taks dus. Van de beloofde hervorming van die beurstaks is voorlopig geen spoor.
De premier spoorde wel naar Cyprus, om er onder druk van de socialisten te pleiten voor een overwinstbelasting, een theoretisch plausibel maar praktisch onuitvoerbaar principe.
Onder druk van de socialisten ligt er nu ook
een miljonairstaks op tafel. Fractieleider Oskar Seuntjens zei daarover:
“Zonder extra belastingen voor de rijken stopt het verhaal voor de
socialisten.” Laten we hopen dat het stopt. Helaas is de kans groter dat De
Wever braaf aan het leibandje van de socialisten zal lopen, net zoals
Verhofstadt en De Croo, of ook nog eens naar zijn goede vriend, zijn buddy, de
Koning, zal lopen. Nil novi sub sole.
Artikelen 6 tot 9, 3de lid, gaan over de bankentaks. De regering verhoogt de bankentaks opnieuw, met bijna de helft sinds haar aantreden en ruim een kwart ten opzichte van vorig jaar. Concreet is die bankentaks een percentage op het geld dat staat op zichtrekeningen, spaarrekeningen en termijnrekeningen, behalve de leningen aan kmo's die mede gefinancierd worden door de Europese Investeringsbank, maar dat is een technisch detail.
Dan kom ik aan vraag 1. Wat is nu de aanleiding om die bankentaks voor een tweede keer fors op te trekken? Het antwoord – u raadt het nooit – is het dramatische begrotingstekort en de exploderende schulden. Die verhoging moet jaar na jaar, dus cumulatief, 150 miljoen euro extra opbrengen. Samen met de verhoogde bankenbijdrage wordt er 380 tot 460 miljoen euro extra uit de kluizen van de banken gehaald, boven op de 5,7 miljard euro die de banken nu al bijdragen.
Vraag 2 en 3, is die verhoogde bankentaks noodzakelijk en efficiënt? Neen, want de verhoging van de bankentaks strookt niet met de ambitie uit het regeerakkoord om de belastingdruk te beperken en om de concurrentie tussen financiële instellingen te vergroten. Die maatregel zorgt er zelfs voor dat de concurrentiepositie van banken in dit land verslechtert ten opzichte van buitenlandse banken.
Vraag 4, wat zijn de nadelige gevolgen van de verhoogde bankentaksen op spaarrekeningen en zichtrekeningen? Eigenlijk moet ik daarom vraag waar u denkt dat de bank dat geld haalt? Zij moet de taks immers uiteindelijk betalen. De banken zullen dat geld ophalen door onder meer een lagere vergoeding, dus een lagere rente, aan te bieden en uiteraard dat zij het gebruik van al die belaste zicht- en spaarrekeningen zullen ontmoedigen. Het kan misschien heel tof klinken om de banken te belasten, maar zij zullen die bankentaks natuurlijk eenvoudigweg doorrekenen aan hun klanten. We weten tot nog toe dat het al om 108 euro per jaar kan gaan voor het gebruik van rekeningen en bankkaarten. Het zijn dus de klanten die zullen betalen, niet de banken. Dat is dom, dom, dom, brol, brol, brol.
Artikelen 10 tot en met 12, de afschaffing van de forfaitaire kostenaftrek op auteursrechten. Dat is een hele boterham. Ik wil even kort schetsen dat de inkomsten uit auteursrechten in dit land tot een bepaald bedrag, namelijk 77.200 euro, niet als beroepsinkomsten worden belast, maar als roerende inkomsten, en dat tegen een speciaal laag tarief van 15 %, heel interessant, zonder sociale bijdragen en na aftrek van een vaste kostenaftrek. Die aftrek blijft behouden voor kunstenaars en wordt afgeschaft voor andere beroepen, zoals journalisten en softwareontwikkelaars, die ook gebruikmaken van auteursrechten.
De regering vindt dat onderscheid gerechtvaardigd omdat volgens haar de inkomsten van kunstenaars onzeker zijn en sterk schommelen, in tegenstelling tot die andere beroepen, zoals softwareontwikkelaars en journalisten. De Raad van State volgt die redenering niet, maar nu komt het. Ik was daarnet mijn voorbereiding aan het maken over de wet op de personenbelasting Nu blijkt dat de softwareontwikkelaars terug onder het systeem van de auteursrechten zullen vallen. Dat systeem wordt opnieuw uitgebreid. De verantwoording van de regering daarvoor is: vanwege van hun wisselende en onzekere inkomsten. Ik heb het idee dat de regering vandaag niet meer weet wat ze gisteren in een tekst heeft gegoten, want de ene keer hebben die softwareontwikkelaars wel en de andere keer geen stabiele inkomsten.
Vraag 1, wat is de aanleiding van de afschaffing? Volgens de regering zouden niet-kunstenaars vaker een ander beroepsinkomen hebben waarvoor kosten in mindering worden gebracht en dat zou kunnen leiden tot een dubbele kostenaftrek. Bij kunstenaars zou dat niet het geval zijn. Zouden, zou kunnen, zou het geval zijn, zou, zou, zou. Dat zijn allemaal veronderstellingen. Ik vind dat niet echt een solide basis voor fiscale regelgeving.
Vraag 2 en 3, is de afschaffing van de forfaitaire kostenaftrek noodzakelijk en efficiënt? Neen, het is absoluut nattevingerwerk. Toen ik aan de minister de vraag stelde over de andere beroepsinkomsten, van die andere categorieën, zei de minister dat de FOD Financiën die gegevens helemaal niet heeft. Het is dus puur nattevingerwerk.
Vraag 4, wat zijn de nadelen van de nieuwe regelgeving? Ten eerste, een ongelijke behandeling tussen belastingplichtigen, kunstenaars enerzijds en journalisten en softwareontwikkelaars anderzijds. Ten tweede, hogere administratieve lasten voor de laatste categorie van niet-kunstenaars, die weer bonnetjes zullen moeten bijhouden om hun kosten te bewijzen.
De artikelen 13 tot 18 hebben te maken met de verhoging van de roerende voorheffing op de liquidatiereserve en de VVPR-bis. Dat klinkt heel technisch en geleerd. Ik omschrijf het kort als de nieuwe kmo-taks.
Vraag 1, wat is de aanleiding van het probleem? Het antwoord van de regering luidt: de vermaledijde vervennootschappelijking, waaronder verstaan wordt het oneigenlijk gebruik van vennootschappen om personenbelasting en sociale bijdragen te ontwijken. De vraag is natuurlijk – dat zult u zo dadelijk zien, er komt een verhoogde belasting – of het eigenlijke gebruik dan ook meteen moet worden gestraft, maar goed, daarover staat niets in de wet.
Vraag 2 en 3, is de verhoging van de roerende voorheffing op de liquidatiereserve en de VVPR-bis noodzakelijk en efficiënt om de vervennootschappelijking op te lossen?
Misschien eerst nog een klein woordje uitleg. Wat is de liquidatiereserve? Dat is de winst die een kmo fiscaal voordelig kan uitkeren na een bepaalde wachttijd. Bij de aanleg van de reserve betaalt de kmo vooraf een zogenaamde anticipatieve heffing van 10 %. Daarna, bij uitkering van de reserve, wordt een lagere, gunstigere roerende voorheffing toegepast. De regering wil die gunstige regeling verhogen naar respectievelijk 9,8 % en 30 %, naargelang de wachttijd korter of langer is dan drie jaar.
Die twee heffingen samen, dus de anticipatieve en de gewone roerende voorheffing op uw liquidatiewinst, leiden tot een belastingdruk van 18 %, respectievelijk 36,36 %. Dat laatste is al hoger dan de normale roerende voorheffing van 30 %. Dan moet men zich toch afvragen: waar zijn we in godsnaam mee bezig?
Daarbij komt nog een vennootschapsbelasting van 20 % of 25 %, al naargelang het regime. Samen met die roerende voorheffing van 9,8 % leidt dat tot een totale belastingdruk van 34,40 %, respectievelijk 38,50 %. Bij een roerende voorheffing van 30 % bedraagt de totale belastingdruk 49,09 %, respectievelijk 52,27 %. Dat zijn heel veel cijfers, maar onthoud even dat laatste cijfer: 52,27 % belastingdruk op een vennootschap. Dat is evenveel als de onredelijk hoge belastingen op het loon van een zelfstandige. Ik zie hier dus toch niet echt het probleem.
De VVPR-bis voor startende bedrijven wordt opgetrokken van 15 % naar 18 %. De VV staat voor verlaagde voorheffing. De totale belastingdruk bij 20 % vennootschapsbelasting stijgt daardoor naar 34,40 %, en bij 25 % vennootschapsbelasting naar 38,50 %. Opnieuw, onthoud even dat laatste cijfer. 38,50 % is meer dan de personenbelasting die de 10 % hoogste lonen betalen. Ik meen dus dat de vennootschappen wel voldoende bijdragen, maar het is blijkbaar nooit genoeg.
In De Tijd lazen we immers dat Vooruit niet echt een miljonairstaks zou willen, omdat die Solidaris niet goed zou uitkomen, maar wel de VVPR-bis nog eens wil verhogen naar 20 %. De vraag is natuurlijk of er nog veel te belasten is. In de afgelopen jaren zijn er immers al miljarden uit de vennootschappen gehaald, precies om de hoge tarieven op de liquidatiereserve en de VVRP-bis, die we vandaag bespreken, te vermijden. Het is de zoveelste contractbreuk van de regering waartegen men zich probeert te beschermen.
Vraag 4, wat zijn de nadelen van deze kmo-taksen? Het nadeel is dat vele echte ondernemers nu al niet aangemoedigd worden, maar eerder ontmoedigd worden een bedrijf op te starten. Daarbij lijkt de fiscale honger van de regeringspartners op de kap van de ondernemers en de bedrijven niet te stillen. Luister gewoon naar de vele aankondigingen in de pers. Het is duidelijk, wie onderneemt, betaalt het gelag.
Ik kom tot de artikelen 19 tot 31, waarvan ik eerlijk gezegd meende dat er twee weken geleden al veel heisa over zou ontstaan zijn. Wat houdt dit artikel in? De beperking van de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing op loon. Dat zijn de belastingen op het loon die de bedrijven vooraf storten. Als dat een beetje goed gebeurt, zou ik zeggen dat u niet te veel aftrekposten hebt, dus u zult niet moeten bijbetalen.
Die vrijstelling, waarbij belaste bedrijven geen bedrijfsvoorheffing op lonen moeten betalen, geldt onder meer voor werknemers die in ploegen of ’s nachts werken, voor onderzoekers en voor overuren. Sommige partijen noemen dat een bedrijfssubsidie. Nochtans is dit geen financiële bijdrage van de overheid aan een bedrijf, maar een verlaagde bijdrage aan de overheid door een bedrijf door een verlaging van de lasten op arbeid.
De vraag is natuurlijk wat de aanleiding van de beperking van deze vrijstelling is. Het antwoord is opnieuw het begrotingstekort. Die vrijstelling kost vandaag immers vijf miljard euro. Ze wordt om die reden drie jaar lang bevroren. Dat zou volgend jaar 107 miljoen moeten opbrengen en in 2029 148 miljoen.
De tweede vraag is dan natuurlijk of de maatregel noodzakelijk is. Het antwoord is neen. Het probleem van het begrotingstekort ligt namelijk niet bij de ontvangsten, maar bij de uitgaven van de regering. Nog meer belastingen zullen de financiële situatie van het land niet structureel verbeteren.
De derde vraag is of de maatregel efficiënt is. Het antwoord is neen want ze is een absoluut administratief zootje. De vrijstelling wordt immers beperkt door een jaarlijks wisselende correctiefactor. Elk jaar wisselt dat dus, waardoor de jaarlijks wisselende percentages en hoeveelheden bedrijfsvoorheffing moeten worden doorgestort. Helemaal zeker is dat zelfs niet want die percentages kunnen worden gewijzigd afhankelijk van de inflatie. Onzekerheid en onvoorspelbaarheid zijn dus troef, waardoor het moeilijker wordt een goed personeelsbeleid te voeren.
Wat zijn de nadelen van de maatregel? Dat is essentieel. Het is heel eenvoudig. Ze verhoogt natuurlijk de lasten op arbeid in bepaalde sectoren, namelijk in de sectoren waar er veel ploegen- en nachtarbeid is, terwijl de lasten op arbeid net zouden moeten dalen. Ik kan u één zaak meegeven. Dat zullen ze bij Volvo Car Gent niet graag horen, waar veel gebruik wordt gemaakt van ploegen- en nachtarbeid.
Mijn vraag daarbij is welk nut het heeft een taskforce op te richten, een soort babbelbox waar iedereen wat rond de tafel kan zitten, terwijl hier zo meteen in het Parlement ploegen- en nachtarbeid duurder wordt. De CEO van Volvo Car Gent heeft al aangegeven dat de loonkosten te hoog zijn. Ik kan daar dus niet bij.
Ik wijk nu even af van mijn tekst. Bart De Wever stelt hier dat zijn deur altijd openstaat voor Volvo Car Gent. Ik val dan ook van mijn stoel. Wordt dan beleid op maat gemaakt en à la tête du client? Naast klassenjustitie is er blijkbaar ook klassenbeleid en klassenfiscaliteit. Dat kan niet. Er mogen geen maatregelen worden genomen die op maat van één bedrijf zijn gericht. We moeten toewerken naar een verlaging van de lasten die voor iedereen geldt.
Ook onderzoek en ontwikkeling worden duurder. Nochtans is innovatie de sleuteloplossing om economisch en technologisch te overleven in de wereld. De regering gooit daarmee een van de weinige troeven overboord van een schip dat zwaar slagzij maakt – aan bakboord uiteraard, dus aan de linkerzijde – en dreigt te zinken.
Wat de artikelen 35 tot en met 46 betreft, over de accijnzen op energie, de programmawet verhoogt de accijnzen op benzine, diesel, aardgas en stookolie en verlaagt die op elektriciteit. De vraag is wat de aanleiding is voor hogere accijnzen op benzine, diesel, stookolie en aardgas. Het antwoord staat in de toelichting. De aanleiding is niet het begrotingstekort, dat zelfs niet eens wordt vermeld. De reden is de Belgische Green Deal, gericht op het koolstofvrij maken van de consumptie. De fiscus tankt stevig bij, want de maatregel brengt 443 miljoen euro op.
Dan kom ik bij de tweede en de derde vraag. Zijn hogere accijnzen op benzine, diesel en aardgas noodzakelijk om het milieuprobleem op te lossen? Nee, ze zijn natuurlijk niet noodzakelijk. Andere milieumaatregelen zijn ook mogelijk. Het is een politieke keuze om mensen die met gas of stookolie verwarmen, of met een benzine- of dieselauto rijden, zwaarder te belasten, alsof de oorlog in het Midden-Oosten de prijzen nog niet genoeg opdrijft.
Ik kan het niet beter zeggen dan de N-VA-fractie in het Europees Parlement. Die stelt dat de druk op bedrijven en gezinnen onredelijk hoog wordt opgedreven. In een persbericht klonk dat als volgt: "Zowel de concurrentiepositie van onze bedrijven als de koopkracht van de Vlaamse gezinnen wordt aangetast door het klimaatbeleid." In dit federaal Parlement doet men net het tegenovergestelde. Wat ook redelijk hypocriet is, is dat men vervuilende aardgascentrales inzet om zogezegd propere elektriciteit te produceren, terwijl de bevolking daarop wordt belast. Het volstaat uiteraard niet om oude kerncentrales op te lappen. Er moeten ook nieuwe worden gebouwd.
Wat zijn de nadelen van die hogere accijnzen voor bedrijven en burgers, zelfs met een eventueel kort uitstel? Energie is een basisbehoefte, collega's. Ze is nodig om ons te verwarmen, om te koken en om ons te verplaatsen. Energie is dus ook een basisrecht en moet betaalbaar blijven voor iedereen, niet alleen voor werkenden, maar ook voor werkenden zonder tankkaart, voor ambtenaren, leerkrachten, zelfstandigen en gepensioneerden. Het is een kerntaak van de overheid.
Om die koopkracht te beschermen, wil ik nog eens kort herhalen dat een verlaging van de accijnzen, al dan niet in een cliquetvorm, de simpelste oplossing is. Een verlaging met 9 cent per liter kost de schatkist niets, omdat de stijgende btw-inkomsten dat volledig compenseren. Een verlaging met 17 %, zoals in Duitsland, kost 85 miljoen euro per maand. Europa laat zelfs toe de accijnzen verder te verlagen met 27 cent. Deze sadistische regering wil de accijnzen op benzine en diesel echter niet verlagen, maar zelfs verhogen. Dat is een voorproefje van een btw-verhoging.
Ook de accijnzen op gas en stookolie worden verhoogd. Vanaf 2028 komt daar de Europese btw-verhoging bij, de Europese koolstoftaks. Samen met nog enkele Vlaamse maatregelen zal de factuur stijgen met 480 euro per jaar. Ik moet wel toegeven dat wie met een warmtepomp verwarmt erop vooruitgaat. Zo’n 70 % van de Vlamingen verwarmt echter met gas en 50 % van de Walen met stookolie. Dan is de vraag wie van hen zich een grote energierenovatie van zijn huis kan permitteren.
De artikelen 47 tot 51 gaan over de slapende rekeningen. Dat is het einde van het fiscale luik, de laatste artikelen. Ik noem het de kers op de rotte taart. Slapende rekeningen, collega’s, zijn rekeningen waarvan de tegoeden vijf jaar onaangeroerd zijn gebleven en waarvan de bank de eigenaar voorlopig niet kan terugvinden. De regering-De Wever wil 421 miljoen euro confisqueren, gewoon stelen dus, van de rechtmatige eigenaars door de opvraagtermijn te verkorten van 30 jaar naar 5 jaar.
Vraag één: vormen die slapende rekeningen nu echt een probleem? Neen, kijk maar naar andere landen. In Nederland worden slapende rekeningen pas na 20 jaar overgedragen aan de Staat. In Frankrijk blijven tegoeden 30 jaar lang opeisbaar. Zwitserland hanteert een wachttijd van 60 jaar. Duitse banken bewaren slapende tegoeden onbeperkt en keren ze ook na decennia nog uit bij een geldige claim. De informaticakosten om die gedigitaliseerde rekeningen bij te houden, zijn verwaarloosbaar. Bijgevolg wordt het algemeen belang niet geschaad door het aanhouden van slapende rekeningen. Als er geen probleem is, is er natuurlijk ook geen nood aan wetgeving. Vragen twee en drie zijn dus irrelevant.
Vraag vier is dat echter niet. Wat zijn de nadelen van die regelgeving? Laat me de vraag eens een beetje anders formuleren. Ik heb daar met de minister al eerder een discussie over gehad.
Waarom denkt u dat Duitse banken slapende tegoeden onbeperkt bewaren? U moet maar eens het kind of kleinkind zijn van Joodse ouders die zijn omgekomen in de Holocaust. U moet maar eens het kind zijn van Palestijnse ouders die zijn omgekomen in Gaza. U moet maar eens het kind zijn van Oekraïense ouders die zijn omgekomen in de oorlog met Rusland. U moet maar eens ziek zijn of in het buitenland verblijven en niet weten dat er geld staat op een rekening die u toekomt.
De regering kan geen enkele ethische of morele aanspraak maken op dat geld. Het is diefstal, het is lijkenpikkerij en – ik zeg het niet gauw, mijnheer de minister – u zou zich diep moeten schamen.
Voorzitter: Peter De Roover, voorzitter.
Président: Peter De Roover, président.
Het is jammer dat u er nu pas bent, mijnheer de voorzitter, want ik heb uw algoritme toegepast op alle fiscale artikelen van de programmawet. Ik moet eerlijk zeggen dat ik aanvankelijk sceptisch was, omdat ik uiteraard de echte reguleringsanalyse ken, die veel uitgebreider is dan uw algoritmetje. Toch moet ik toegeven dat het algoritme-De Roover beter werkte dan verwacht. Het heeft immers feilloos aangetoond dat de hele programmawet en de vele taksen daarin niet noodzakelijk en niet efficiënt zijn. Daarvoor wil ik u van harte danken, mijnheer de voorzitter.
In deze programmawet alleen al gaat het over de hogere vliegtaks, de hogere brandstoftaks, de hogere verzekeringstaks, de hogere effectentaks, de hogere bankentaks, de hogere kmo-taks, de hogere bedrijfsvoorheffing op ploegenarbeid en onderzoek en de nieuwe loonmatigingstaks. Taks, taks, taks: het zijn zeven nieuwe kamelen.
De programmawet maakt dan ook deel uit van wat ik de big Belgian scam noem: de grote oplichterij van de regering-De Wever, waarbij de mensen een hoger nettoloon wordt beloofd – 1.000 euro, pas in 2030, als het er al komt – dat zij in werkelijkheid helemaal zelf financieren via hogere belastingen.
Dat gebeurt via de taksen uit deze programmawet, maar ook via de nieuwe meerwaardetaks, de nieuwe en uiteindelijk Europese pakjestaks, de taks op alimentatievergoedingen, de eenverdienerstaks, de uitkeringentaks, de hogere btw en de contractbreuk inzake de woontaks. Taks, taks, taks.
Ondanks die tsunami aan taksen blijven de schulden en rentelasten oplopen. Arme premier De Wever, denk ik dan soms. Premier De Wever wil wel, maar hij kan het niet. Om het in zijn geliefde taal te zeggen: er will schon, aber er kann es nicht.
De reden is dubbel. Ten eerste kan, volgens Moody’s, de schuldgroei alleen gestopt worden door een sanering die voorbij het politiek haalbare gaat. Dit land is met andere woorden niet te hervormen. Die analyse maakten voorzitter De Wever en het Vlaams Belang al veel langer. Ze wordt nu ook uitgesproken door een onafhankelijke kredietbeoordelaar.
Ten tweede, het Vlaams Belang wil via democratische verkiezingen aan de macht komen om beleid te voeren in het belang van de Vlamingen. Dat zal uiteindelijk ook in het belang van de Walen zijn. Het Vlaams Belang is een democratische partij, rechts, maar democratisch. Het cordon is dat niet. Het is ondemocratisch en beleidsmatig dom. Ik verzet mij daar al mijn hele politieke leven tegen, ook toen ik lid was van een andere partij. Ik ben steeds meer overtuigd van de onzin van dat cordon. Door dat cordon, collega’s van de N-VA, laat De Wever zich gijzelen door de socialisten en kan de N-VA niets anders dan links beleid voeren: taks, taks, taks. Men kan zich evenwel niet uit een crisis belasten. Dat is waanzin. Het leidt niet tot welvaart, maar tot armoede. Dat is niet waarvoor de Vlamingen gekozen hebben. We zullen dan ook tegen het fiscale luik van de programmawet stemmen.
Er moet mij nog één ding van het hart, collega’s. Twee weken geleden en vandaag opnieuw werd de oppositie hier verweten dat ze niet constructief was. Dan is de vraag eigenlijk wat volgens de meerderheid een constructieve oppositie is. Is dat een oppositie die niet naar de Raad van State stapt voor een advies, ook al is dat nodig, zoals voor de mantelzorgers in de vorige programmawet of zoals vandaag voor de centenindex? Ik heb al gezegd dat professor Peersman haarfijn heeft aangetoond dat de alternatieve index van de sociale partners een veel beter idee is. Dat verdiende gewoon een advies. Een goed voorstel of amendement krijgt trouwens altijd de steun van het Vlaams Belang. Collega Ronse is er nu niet, maar daar is niets vies aan. Aan een inhoudelijk argument steunen is, niets vies.
Ik denk ook dat het Parlement vooral nood heeft aan een constructieve meerderheid. Het is namelijk de taak van elk parlementslid om voorstellen te doen en de regering te controleren, ook van parlementsleden van de meerderheid. Sommige parlementsleden van de meerderheid gedragen zich hier echter als echte cheerleaders van de regering. Dat is bijwijlen grappig, zelfs lachwekkend, maar niet onschuldig. Zo ontstaat immers die kloof tussen de politiek en de burger.
Collega's, in een democratie ligt de macht bij de burgers en zij dragen hun macht via verkiezingen over aan ons. Wij vertegenwoordigen dus de burgers, niet de regering. Wij moeten de burgers verdedigen. Wij moeten niet de regering verdedigen. Ook u niet, collega's van de meerderheid, dat is niet uw rol. U moet wetsvoorstellen indienen en de regering controleren. Een echte volksvertegenwoordiging staat aan de kant van het volk, niet aan de kant van de uitvoerende macht of van het politieke establishment.
Ik vraag de cheerleaders van de meerderheid dan ook om niet langer te cheerleaden, maar om hun rol als volksvertegenwoordiger ter harte te nemen, door verantwoording te eisen van hun ministers, niet door hen te bejubelen. Als een voorstel voor 99 % goed is en men krijgt twee minuten om kritiek te geven, dan gaat het over die 1 % die niet in orde is. Dát is onze rol, niet om met de pompons te staan zwaaien. Dus, collega's van de meerderheid, wees eens een echt parlementslid, wees kritisch. Go, go, go.
Tot slot denk ik ook dat een constructieve meerderheid er een is die goede voorstellen van de oppositie steunt. Dat gebeurt zelden tot nooit. Mevrouw Van Peel van de N-VA is daarvoor zelfs uit de politiek gestapt. Nu zit ze weer in de politiek om hetzelfde te doen. Het kan verkeren. Voilà, het is van mijn lever, ik dank u voor uw aandacht.
De voorzitter: Collega Vereeck, ik ben ook blij dat uw gezondheidstoestand, de toestand van uw lever, daarmee opgepept is.
02.26 Niels Tas (Vooruit): Mijnheer Vereeck, ik heb aandachtig naar uw betoog geluisterd. Het Vlaams Belang pretendeert altijd op te komen voor de koopkracht van de gewone mensen, maar ik viel toch even van mijn stoel. U noemt de verdubbeling van de bijdrage op de effectenrekening naar, hou u vast, 0,3 % op rekeningen van minstens 1 miljoen euro een schande. Een hogere bijdrage van de banken – overigens, alleen al de grootbanken in ons land maakten 8 miljard euro winst in 2025 – vindt u ook een schande. Een energietaxshift die ons minder afhankelijk moet maken van figuren zoals Poetin of andere oligarchen, kan een gemiddeld gezin inderdaad mogelijk tot 20 euro per jaar kosten. Dat uw dikke vriend Trump, alleen al door zijn inval in Iran, ervoor zorgt dat de energiefactuur van een gemiddeld gezin tot 500 euro per jaar kan stijgen, dát is een schande.
Wat heb ik geleerd uit uw tussenkomst? Waar het Vlaams Belang vandaag staat, in de oppositie, (...)
De voorzitter: Uw minuut spreektijd is om, mijnheer Tas.
02.27 Lode Vereeck (VB): Mijnheer Tas, ik ben blij dat u aandachtig hebt geluisterd. Goed luisteren is ook nodig, want ik merk dat u economisch een analfabeet bent. Ter verduidelijking, ik heb niets tegen de verhoging van de bankentaks. Het zijn evenwel niet de banken die dat betalen, maar wel de gewone kleine burgers, want die zullen meer moeten betalen voor hun spaar- en zichtrekening.
Ik heb niets tegen een taxshift inzake milieu, maar u kunt die taxshift evengoed realiseren door de elektriciteit goedkoper te maken in de plaats van gas en olie duurder te maken.
Voor alle duidelijkheid, Trump is niet mijn vriend, maar wel de vriend van minister Francken. Het Vlaams Belang is het Vlaams Belang. Het Vlaams Belang is niet het Amerikaans Belang, ook niet het Israëlisch Belang, het Palestijns Belang, het Oekraïens Belang of het Russisch Belang. Dat interesseert mij allemaal niet. Het Vlaams Belang is het Vlaams Belang.
De maatregelen die u voorstelt, verlagen de koopkracht van de gewone burgers, Vlamingen en Walen. Daar zijn wij tegen.
02.28 Niels Tas (Vooruit): Uit uw antwoord blijkt opnieuw duidelijk dat er twee mogelijkheden zijn. Ofwel neemt men in deze uitdagende tijden zijn verantwoordelijkheid en zorgt men ervoor dat men de koopkracht van de gewone mensen beschermt, ofwel roept men aan de zijlijn. U komt nooit op voor de gewone mensen. Dat is het verschil tussen het Vlaams Belang en deze regering. Wij zullen die strijd met Vooruit in deze regering blijven voeren.
02.29 Hugues Bayet (PS): Monsieur le ministre, on lit souvent dans la presse et sur les réseaux sociaux que vous êtes le gouvernement des amateurs, des bricoleurs. Je dois malheureusement dire que ce n'est pas complètement faux. Je crois en effet qu'à l'heure actuelle vous auriez du mal à trouver un économiste, un scientifique, un fonctionnaire fédéral ou un journaliste qui dise le contraire. Mais ce que je pense surtout, c'est que vous êtes vraiment le gouvernement de l'irrespect total envers les milliers de travailleurs qui se lèvent chaque jour pour aller bosser et à qui vous avez décidé de faire payer la crise énergétique que nous traversons, en plus des réductions budgétaires que vous avez programmées. Pire encore, vous estimez que tous ces travailleurs – toute la classe moyenne – ne paient pas encore assez et vous avez trouvé une nouvelle idée: augmenter encore un peu plus les accises sur l'énergie, malgré la crise mondiale.
"Allez, par ici les travailleurs, par ici les cochons payeurs, merci de venir combler mes erreurs budgétaires, merci de venir combler les erreurs budgétaires de mon gouvernement". Nous l'avons tous compris ici, monsieur le ministre, en ne faisant rien pour les citoyens, vous ne faites que combler le trou laissé par votre réforme de la TVA qui s'est fait recaler – et heureusement – par le Conseil d'État. Voilà encore un bel exemple de votre amateurisme.
Vous gagnerez clairement en recettes d'un côté, mais surtout, de l'autre côté, ce sont les citoyens qui vont perdre énormément en pouvoir d'achat. C'est en effet cela la réalité de votre politique: des taxes, des taxes et encore des taxes – et bien sûr toujours sur les mêmes. Votre loi-programme ne propose pas une seule mesure pour améliorer le pouvoir d'achat des travailleurs.
La réalité, monsieur le ministre, c'est que le gaz, le mazout, le diesel et l'essence augmentent. Même prendre l'avion devient un luxe. Et vous osez appeler ça une réforme. En réalité, il ne s'agit pas tant d'une réforme que d'un appauvrissement organisé. Vous avez en effet décidé d'augmenter les accises sur des biens essentiels.
Parce que se chauffer, se déplacer, ce n'est pas un luxe. C'est vraiment une nécessité pour ne pas tomber malade, parce qu'il faut bien aller travailler, parce qu'on doit conduire ses gosses à l'école, parce qu'il faut faire ses courses. Mais, pour vous, c'est devenu une simple variable d'ajustement et vous nous dites: "Ce n'est pas de ma faute". Quand on vous lit, vous nous donnez deux réponses.
Soit, c'est de la faute de l'Europe. Mais, enfin, monsieur le ministre, l'Europe ne vous oblige à rien, surtout pas pendant une crise sans précédent. D'ailleurs, de nombreux autres pays (l'Espagne, le Portugal, l'Italie, etc.), des gouvernements de droite et de gauche, n'hésitent pas à prendre des mesures en faveur de leurs citoyens, comme la Vivaldi l'avait d'ailleurs fait pour pallier la crise énergétique et sanitaire. Je suis désolé de vous le redire car cela va encore vous faire mal: on avait de meilleurs résultats économiques que vos politiques et on était les meilleurs dans la zone euro. Ce sont les faits. C'est incontestable.
Soit, vous nous donnez une deuxième excuse en disant: "Je n'ai pas le choix. Vous voyez quand même bien l'état du budget de la Belgique." Et pire, vous rajoutez souvent que c'est de la faute des socialistes, comme j'ai pu l'entendre tout à l'heure sur les bancs du PSC, du cdH, ou plutôt des Engagés. Bref, trois noms différents pour un parti qui est quand même au pouvoir depuis 100 ans, mais qui manifestement l'a oublié.
"C'est la faute du PS". Monsieur le ministre, soyons un peu sérieux! Cela fait 27 ans aujourd'hui que ce sont vos camarades de droite qui ont les Finances. Et, auparavant, chers collègues des Engagés, c'était Jean-Jacques Viseur. Était-il socialiste? Plus de 30 ans se sont donc écoulés. Est-ce de la faute des socialistes? Soit, vous reconnaissez que tous ces ministres des Finances qui se sont succédé (Reynders, De Croo, Van Overtveldt, Van Peteghem, etc.) étaient des clowns, des marionnettes aux mains des socialistes et, alors, on peut peut-être voir qui dit vrai et qui dit faux. Soit, il faut un peu arrêter cette technique du "c'est pas moi, c'est les autres".
Cette technique du "ce n’est pas moi, ce sont les autres", nous l'avons tous connue quand on était en maternelle ou en primaire. Mais dans ce Parlement, au lieu de rejeter systématiquement la faute sur les autres, regardons un peu les faits. J’ai entendu ce matin certains collègues qui ont manifestement quelques problèmes avec les chiffres et les faits. Votre collègue Theo Francken, combien a‑t‑il déjà dépensé depuis le début de ce gouvernement avec la carte Visa Belgique? Vous le direz à ma collègue qui n’est pas là: 3,8 milliards d’euros. De l’argent que vous n’avez pas! Il a encore annoncé hier qu’il allait dépenser un milliard supplémentaire en Turquie, et je ne sais combien encore aux États‑Unis. Et ça, bien sûr, ce serait encore la faute des socialistes. Un peu de sérieux ne ferait pas de tort à ce débat.
Revenons‑en à votre volonté, monsieur le ministre, d’augmenter les accises sur l’énergie. Tout le monde le sait: la guerre a commencé le 28 février, cela fait maintenant à peu près trois mois. Qu’avez‑vous fait depuis? Rien, si ce n’est regarder les travailleurs souffrir un peu plus chaque jour. Les mesurettes que vous nous avez annoncées, personne n’en a encore vu un seul euro sur son compte bancaire, alors que la flambée des prix continue quotidiennement.
Je ne vous parle même pas des grandes promesses des Engagés et du MR. On allait voir ce qu'on allait voir: 500 euros par mois d'augmentation du pouvoir d'achat pour tous les travailleurs, une grande réforme fiscale – on soutient cela – qui allait enfin rééquilibrer la taxation entre le travail et le capital. On ne retrouve rien de tout cela dans votre loi-programme, rien, nada, niets, que dalle, rien du tout, alors qu'aujourd'hui, dans mon monde à moi – le monde réel, monsieur le ministre –, il faut compter plus de 100 euros pour faire le plein et 2 500 euros pour remplir sa cuve à mazout. Ça, c'est la vraie vie des gens. Et que faites-vous? Vous décidez de rajouter une couche financière. C'est non seulement socialement injuste, mais c'est économiquement absurde, car en frappant le pouvoir d'achat, vous affaiblissez également l'économie. On pourrait en parler pendant des heures, car je ne sais pas si vous trouverez encore un entrepreneur qui vous suit dans vos politiques économiques. Monsieur le ministre, ne venez surtout pas nous dire que vous allez compenser cela avec l'électricité, car tout le monde a aussi bien compris que ce soi-disant tax shift énergétique est vraiment un trompe-l'œil, vu que la baisse du prix de l'électricité ne compensera évidemment pas l'augmentation du reste des produits.
Vous parlez de transition énergétique, mais vous vous contentez de pénaliser sans offrir d'autres solutions. Ce n'est donc pas du tout une transition énergétique, mais seulement une sanction. Je vais vous faire une confidence: cela ne m'étonne pas tellement, parce que cette sanction est vraiment caractéristique des gouvernements de droite. Cela fait partie de votre ADN. Sous Elio Di Rupo, on avait baissé la TVA sur l'énergie. Sous Charles Michel, on l'a augmentée. La Vivaldi avait aussi baissé la TVA sur l'énergie. L'Arizona n'augmente pas la TVA, mais les accises. Cela revient au même. Avec vous, tout coûte plus cher, monsieur le ministre. Heureusement, avec mon groupe, j'ai déposé plusieurs amendements pour supprimer ces taxes et afin que vous preniez enfin vos responsabilités en arrêtant de mettre ce poids sur les épaules des travailleurs, alors que d'autres solutions sont possibles. Nous avons déposé plusieurs textes, monsieur le ministre, et vous le savez bien. Ils rapportent beaucoup plus, mais sans faire mal à la classe moyenne et aux travailleurs.
Pendant ce temps, pendant que nous parlons entre nous, en ce qui concerne les plus riches, silence radio. Vous me direz que la taxe sur les comptes-titres augmente un peu, c’est vrai. De 3,3 %. Quelle augmentation! Si c’est là la taxe sur les grandes épaules, si c’est là la contribution des grosses fortunes, franchement, je crois rêver! Vous le savez pourtant comme moi, monsieur le ministre: quand 1 % de la population détient 25 % de la richesse, quand les 10 % des plus riches possèdent près de 60 % du capital, il faut faire quelque chose. Et vous, que faites-vous? Vous continuez à regarder ailleurs. Pire encore, pour les ultrariches, la fiscalité devient même régressive. Plus on est riche, moins on paie proportionnellement. Si c’est là votre justice fiscale, ce n’est certainement pas celle des socialistes. Et il n’y pas que les socialistes qui le disent, les économistes aussi. Prenons Paul De Grauwe. Désolé pour le groupe Anders., mais on ne peut pas dire que ce soit un socialiste. Selon lui, il faut mettre à contribution les plus grosses fortunes. Vous refusez de le faire, et vous refusez sans doute parce le MR veut tellement protéger les milliardaires qu’il dit non à tout. Le MR tente d’ailleurs toutes les diversions pour empêcher de simples auditions d’économistes de renom qui démontrent que des solutions alternatives crédibles sont possibles. Je comprends bien: savoir que d’autres choix politiques sont possibles et plus réalistes et affecteraient moins les travailleurs vous fait mal au ventre.
Vraiment, monsieur le ministre, je vous en conjure, relisez une fois encore les textes déposés par les socialistes, parce que nous vous proposons des choses simples: arrêter de faire payer les travailleurs, protéger le pouvoir d’achat, investir dans une vraie transition énergétique accessible et enfin aller chercher l’argent là où il est, à savoir dans les banques, dans le secteur énergétique, dans les GAFAM, dans le patrimoine des ultrariches. J’en profite pour rappeler aux collègues de Vooruit de ne pas lâcher, de ne pas laisser tomber leur combat pour taxer les plus riches. C’est un combat juste, et nous le soutenons. Faites plier votre majorité sur ce point, parce que, au fond, monsieur le ministre, le problème de ce gouvernement n’est pas vraiment un problème de budget, mais celui d’un mauvais choix politique dès le départ: faire payer ceux qui n’ont déjà plus rien à donner. Et cela, monsieur le ministre, nous ne l’accepterons jamais.
02.30 Nabil Boukili (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, quand on met un projet de loi en place ou qu’on prend des mesures politiques, c'est généralement pour répondre à un contexte. Par exemple, lors de la crise du covid, des mesures sanitaires ont été prises, qu'on soit d'accord ou pas, ainsi que des mesures budgétaires. C'était pour répondre à un contexte.
Quand vous avez mis en place ce projet de loi-programme avec votre gouvernement, c'était dans un certain contexte.
Aujourd'hui, il arrive pour un débat en séance plénière. Il va être soumis au vote. Mais le contexte a complètement changé. Quel est le contexte d'aujourd'hui? Nous vivons, au niveau international, une situation assez grave. Il y a une guerre au Moyen-Orient; une guerre d'ailleurs déclarée de manière complètement illégale par les États-Unis et Israël contre le peuple iranien. Cette guerre est soutenue par votre gouvernement. Nous avons entendu votre ministre, M. Francken, qui dit soutenir cette guerre de manière inconditionnelle. Le MR dit qu'il faut aller jusqu'au bout de cette guerre, malgré les conséquences.
Cette guerre internationale menée contre l'Iran n'est pas menée dans l’intérêt du peuple iranien ou l’intérêt des peuples européen ou américain. Elle est menée pour répondre aux intérêts, notamment, des profiteurs de guerre. Par exemple, les monopoles pétroliers voient leurs fortunes et leurs recettes exploser. Selon le bureau d'analyse Rystad Energy, les compagnies pétrolières américaines pourraient à elles seules générer jusqu'à 54 milliards d'euros de recettes supplémentaires.
Mais dans cette guerre, il y a aussi des perdants. Il y a ceux qui subissent les bombes américaines et israéliennes au Moyen‑Orient, et il y a ceux qui paient cette guerre ici, par leur pouvoir d’achat. Dans ce contexte, quelle est votre réponse? Vous épargnez les profiteurs de guerre. Il y a eu, un moment, un petit espoir, une petite discussion laissant entendre qu’on allait taxer les surprofits des entreprises pétrolières dans cette crise afin de financer des aides aux travailleurs, qui voient leur pouvoir d’achat diminuer de plus en plus. Mais M. Clarinval a été très clair en répondant à l’intervention de mon camarade Raoul Hedebouw: "Non, il n’y aura pas de taxe sur les surprofits".
Pendant ce temps‑là, des victimes, comme les travailleurs, voient leur pouvoir d’achat diminuer et vont payer plus cher l’essence à la pompe. Je vous rappelle qu’avant la guerre, le diesel coûtait 1,74 euros le litre. Aujourd’hui, il est à 2,14 euros Cela veut dire 20 euros de plus pour faire le plein. L’essence 95 est passée de 1,64 euros à 1,94 euros , soit 15 euros de plus par plein. Le prix du gaz est passé de 30 à 44 euros par MWh, soit une augmentation de plus de 50 %. Pour le mazout de chauffage, c’est encore pire: une famille qui remplit sa cuve paie entre 800 et 1 000 euros de plus qu’avant la guerre.
Dans ce contexte, vous décidez, avec cette loi‑programme, d’augmenter les taxes sur le gaz et sur les carburants. Monsieur le ministre, c'est génial, c'est dingue! Les gens ont de plus en plus de mal à payer leurs factures. Ils souffrent à chaque passage à la pompe. Et je parle de travailleurs, de personnes qui n’ont pas le choix, qui prennent leur voiture pour aller travailler. Et ce n’est pas seulement l’essence qui augmente, car l’augmentation du prix du carburant et celle du gaz ont un impact sur l’ensemble des produits.
Les pâtes coûtent plus cher ainsi que les autres aliments. L'alimentaire va encore devenir plus cher, vu que le prix des engrais augmente et qu'il y a une pénurie à cause de la guerre. Dans ce contexte, non seulement vous ne prenez pas de mesures bénéfiques au pouvoir d'achat des travailleurs, mais vous faites exactement le contraire en augmentant les taxes. Dans quel monde vivez-vous pour avoir des idées pareilles?
Vous parlez pourtant du contexte européen. Pourquoi les autres pays européens prennent-ils alors des mesures? Pourquoi l'Espagne, les Pays-Bas et l'Italie prennent-ils des mesures? Ne subissent-ils pas le même contexte européen que vous? Non, il s'agit d'un choix politique. Vous avez fait le choix d'épargner les profiteurs de guerre et de toujours faire payer la facture aux mêmes, aux travailleurs. Vous les attaquez sur l'index, sur leur pension, et vous les attaquez maintenant sur leur pouvoir d'achat même en période de guerre déclenchée par vos amis, que vous soutenez. Il s'agit d'une guerre que vous soutenez, ainsi que votre parti. Votre ministre Francken la soutient également de manière inconditionnelle, tout comme votre gouvernement. Vous la faites payer aux travailleurs! Trouvez-vous cela normal, monsieur le ministre?
Quant à l'énergie, il s'agit d'un produit de base de première nécessité et non pas d'un produit de luxe. On ne peut pas vivre dans ce pays sans se chauffer, sans cuisiner, sans avoir son frigo allumé. C'est un produit de base auquel vous vous attaquez. Monsieur le ministre, sur la base de quelle logique prenez-vous ce genre de décision? Qui sont les génies qui viennent vous dire à votre oreille que c'est la meilleure mesure à prendre pour que vous vous disiez que vous allez vous battre pour cette mesure-là et la soumettre au vote? Quel culot! Vous faites la leçon aux gens en leur disant qu'ils doivent se serrer la ceinture alors qu'à ce jour, ils n'arrivent même pas à se payer un plein d'essence.
Monsieur le ministre, je ne vous poserai qu'une seule question. Sur la base de quelle logique et avec quelle légitimité vous attaquez-vous à ceux qui souffrent déjà pour leur faire payer plus, tout en épargnant vos amis, les patrons des grandes multinationales?
02.31 Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik kom even hier op het spreekgestoelte staan. Dan moet u niet de hele tijd achteruitkijken. Dat is gemakkelijker.
Collega's, het is hier al een paar keer aangegeven. Een programmawet is een verzamelwet met heel veel thema's. Sommige maatregelen die daarin staan, steunen wij. Andere maatregelen steunen wij niet. Het geheel is echter te nemen of te laten.
Mijnheer de minister, dit jaar staan er in uw programmawet meer maatregelen waarmee wij het niet eens zijn dan vorig jaar. Op dat vlak gaat u erop achteruit, maar misschien gaat u er vanuit uw standpunt op vooruit. Dat zou kunnen.
Collega’s, over het fiscale luik zal ik mij beperken. Tijdens de commissie hebben wij de maatregelen allemaal overlopen en aangegeven waar wij wel voor zijn en waar wij niet voor zijn en waarom. Hier zal ik mij beperken tot een viertal maatregelen die wij hebben besproken.
De eerste maatregel die ik hier plenair wil bespreken, is de inschepingstaks. De inschepingstaks is de belasting die vliegtuigreizigers moeten betalen op hun vliegtuigticket. De taks is in het leven geroepen in afwachting van een eerlijkere en substantiële bijdrage van de luchtvaartsector op Europees niveau.
Telkens wanneer minister Jan Jambon het heeft over de inschepingstaks voor vliegtuigen – het is immers niet de eerste keer dat wij hier over een verhoging van die taks stemmen – zit er in mijn ogen een tegenstelling in de boodschap. De minister stelt, enerzijds, dat de maatregel nog altijd een milieumaatregel is. Hij blijft benadrukken dat het een maatregel is om vliegen te ontmoedigen en het milieu te beschermen.
Daarna begint de minister echter altijd heel snel op te sommen hoeveel hoger diezelfde taks is in andere landen, vooral in onze buurlanden. Alsof het een soort competitie is. Het klinkt alsof de minister op basis daarvan reizigers van de buurlanden wil aanmoedigen via een Belgische luchthaven te vertrekken. En dat is eigenlijk een contradictie, want het milieuaspect daarvan ontgaat me.
Nu, mijnheer de minister, wij hebben een voorstel waarmee u wel een milieueffect kunt creëren en dat tegelijkertijd kan dienen om een deel van de gemiste inkomsten te compenseren. Zorg voor een hoge inschepingstaks voor privévliegtuigen. Maar dan echt voor een heel hoge inschepingstaks. Want de kans is groot dat we bij privévliegtuigen te maken hebben met de sterke schouders. We hebben daar ook te maken met de grote vervuilers. Ik meen dat er niet veel mensen zullen zijn die u het kwalijk zullen nemen als u de privévliegtuigen strenger zou aanpakken. Als u dan de opbrengsten daarvan gebruikt om de accijnzen op elektriciteit te verlagen, spreken we echt over ecofiscaliteit. Maar dit is dus niet wat jullie doen.
De minister blijft benadrukken dat de tarieven in ons land toch nog altijd lager zijn dan in de buurlanden. Maar ondanks die uitgebreide vergelijking van de tarieven met die van onze buurlanden, mijnheer de minister, en de conclusie dat ons land eigenlijk nog altijd het goedkoopst is, is er iemand die dat niet gelooft. Er is iemand die daar niet van overtuigd is. Die persoon is Michael O’Leary, CEO van Ryanair, zeer actief op de luchthaven van Charleroi.
O’Leary weet ondertussen heel goed hoe de Belgische politiek in elkaar zit. Wat doet de heer O’Leary? Hij begint van zijn oren te maken. Heel het lobbyapparaat wordt in stelling gebracht. Hij dreigt ermee weg te trekken uit Charleroi en op die manier de werkgelegenheid in de regio te verminderen. Natuurlijk springt de Waalse minister-president, Dolimont, daar onmiddellijk bovenop. Hij vraagt zich af wat er aan de hand is. Hij springt in zijn auto en hij rijdt naar Wetstraat 16. Hij komt bij de eerste minister en zegt: Bart, on a un problème. En Bart zegt: oui, oui, je comprends.
Wat is het resultaat daarvan, collega’s? Volgens minister-president Dolimont heeft de premier belooft de wetgeving op de vliegtaks aan te passen en alternatieven te zoeken, want dat kan nog. Die taks treedt immers pas in werking op 1 januari 2027.
Dat is de lobby op zijn Belgisch, plat op de buik voor de lobby. Waar zijn wij dan mee bezig? We moeten morgen een wet goedkeuren waarvan de eerste minister al heeft gezegd dat hij die zal schrappen nog voor hij in werking treedt. Dat is toch een circus. Collega’s van de meerderheid, waar bent u mee bezig? Leg dat eens uit.
Een tweede thema betreft de taks op de verzekeringsverrichtingen. Deze regering wil de taks op de verzekeringscontracten verhogen. Dat is een keuze. Ik ben er niet van overtuigd dat dat de beste keuze is, want die taks zal integraal worden doorgerekend aan de klant. Elke Belg heeft verzekeringen, dus het is eigenlijk een verlaging van de koopkracht van de gewone man. Dat is de keuze die u maakt, maar als u die keuze maakt, dan moet u dat wel op een correcte manier doen.
De verzekeringssector heeft gezegd dat betalingsuitnodigingen voor klanten van wie een polis op hernieuwdatum komt een of twee maanden voor die datum worden verstuurd. De sector heeft daarom gevraagd om de inwerkingtreding aan te passen, zodat er voldoende tijd is tussen de publicatie van de wet en het verhogen van die taks. Volgens de oorspronkelijke tekst van de wet zou die verhoging ingaan op 1 april 2026. In aanloop naar heel dit debat over de programmawet heeft de minister altijd aan de sector bevestigd dat die verhoging zou ingaan op 1 april 2026 en dat er niets meer aan gewijzigd zou worden.
Bijgevolg hebben de verzekeringsmaatschappijen al ettelijke hernieuwingen gestuurd aan hun klanten met een hogere taks. Die taks is echter niet verhoogd, want 1 april ligt al achter ons en de wet is nog niet goedgekeurd en men kan dat niet invoeren met terugwerkende kracht. Er is dus een probleem. Voor alle duidelijkheid, collega’s van de meerderheid, u hebt de oppositie niet nodig gehad om de deadline van 1 april te missen. Daar hebt u zelf al voor gezorgd.
Er is een herkansing, want 1 april kan niet meer. De meerderheid heeft een amendement ingediend om die inwerkingtreding uit te stellen, maar wat zegt dat amendement? De verhoging van de taks treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op de publicatie van de wet. Laat ons dat even berekenen. Het is vandaag 12 mei en ik ga ervan uit dat over dit amendement morgen, op 13 mei, in de plenaire vergadering zal worden gestemd. Dat betekent dat we morgen de finale tekst niet kunnen stemmen. Dat zal pas volgende week donderdag kunnen, op 21 mei.
Daarna volgen nog een aantal wettelijke verplichtingen. Zo moet de Koning nog ondertekenen. Vervolgens wordt de wet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, laat ons zeggen op 28 mei. Die taksverhoging treedt dan in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de publicatie, dus op 1 juni, drie dagen later. Dat is dus niet over twee maanden, zoals de sector vraagt, maar drie dagen na publicatie.
Wat is het gevolg daarvan, beste collega's? Ondertussen hebben al veel mensen te hoge taksen betaald. Zij moeten die in principe terugkrijgen, want dat is niet correct. Wie zal dat doen? Wie zal daarvoor zorgen? Is dat een opdracht voor de FOD Financiën? Moeten de verzekeringsmaatschappijen dat zelf doen? Niemand weet het. Dat is geen goed beleid. Het is ver gekomen als er zelfs niet meer geluisterd wordt naar niet-radicale, goed beargumenteerde en rationele opmerkingen uit de sector. Onze fractie is niet meteen de grote vriend van de verzekeringssector. Als er echter rationele, goede argumenten worden aangevoerd, dan zou men daarnaar kunnen luisteren. Dat gebeurt dus niet. Collega's van de meerderheid, ik stel dus opnieuw de vraag: waar zijn jullie mee bezig?
Ik ga over tot het derde thema van de vier die ik kort wil bespreken, namelijk de bankentaks. Deze programmawet verhoogt opnieuw de bankentaks. Het is geen geheim, collega's, dat ik lid ben van een fractie die er niet voor terugschrikt om een stevige bijdrage te vragen van de bankensector. Wij hebben er al regelmatig voor gepleit om de banken te verplichten een minimumrente toe te kennen aan hun klanten. Daarvoor vinden we geen meerderheid. De taksen die de banken moeten betalen, worden wel regelmatig verhoogd. De winsten van de banken vloeien dus niet terug naar de klanten, maar gaan naar de overheid. Goed, het is beter dan niets.
Eind vorig jaar, bij het herfstakkoord, heeft de regering-De Wever beslist om vanaf dit jaar 150 miljoen euro extra bijdragen te vragen aan de banken. De bankentaks werd daarvoor in december vorig jaar verhoogd, zodat die verhoging van 150 miljoen euro vanaf 2026 jaar na jaar van kracht kon worden. Onze fractie heeft dat gesteund.
Nu, collega's, wordt die bankentaks opnieuw verhoogd, dit keer om een heel andere reden. Eerlijk gezegd, vind ik het deze keer wat gênant. Onze fractie heeft deze verhoging van de bankentaks niet gesteund. Het gaat met name over een zinnetje in het regeerakkoord. Daarin staat het volgende: "De totale bijdragen van de banken blijven op hetzelfde niveau als in 2025."
Dat is een klein zinnetje, maar daar zit veel achter. Het gaat hier over de bankenbijdrage, niet over de bankentaks. Dat zijn twee totaal verschillende dingen. De bankentaks is een belasting op de banken, op het spaargeld. De bankenbijdrage gaan over iets anders. In ons land is het al een aantal jaren zo dat elke klant van elke bank verzekerd is tot 100.000 euro als die bank failliet zou gaan. Als een bank failliet gaat, krijgt elke klant tot 100.000 euro aan spaargeld terug. De federale overheid staat daarvoor garant. Om dat te kunnen garanderen, moeten de banken een bijdrage storten in het Garantiefonds. Dat is een fonds bij de federale overheid.
De regering steekt dat geld echter niet echt in een fonds en houdt het ook niet bij. De regering gebruikt de bijdragen van de banken aan het Garantiefonds in de reguliere begroting. De redenering is dat dat geld er nu is, maar niet nodig is. Er is geen bank failliet gegaan, dus het moet nu niet worden uitbetaald. Daarom gebruikt men dat geld nu. Als er ooit een bank failliet gaat, zal de regering geld uit de begroting halen om de mensen te vergoeden. Op dat moment zal men dan bekijken hoe dat wordt opgevangen.
Voor alle duidelijkheid, die praktijk is niet nieuw. De vorige regeringen deden dat ook. Het is dus geen verwijt aan de regering. Het probleem is wel dat vanaf dit jaar dat fonds volstort is. De banken moeten geen bankenbijdragen meer betalen, want het fonds zit vol. Omdat dat geld niet in een fonds wordt bewaard, maar gebruikt wordt voor de reguliere begroting, creëert dat nu een probleem voor die begroting. Dat is de reden waarom in het regeerakkoord staat dat de bankenbijdragen op hetzelfde niveau blijven als in 2025. In het regeerakkoord staat echter niet op welke manier men dat zal doen. De oplossing die de regering nu naar voren schuift, is dat de bankenbijdrage worden vervangen door een verdere verhoging van de bankentaks. Dat is de verhoging van de bankentaks die in deze programmawet staat.
Collega’s, dat creëert nieuwe problemen. Ten eerste hebben de bankentaks en de bankenbijdrage niet dezelfde belastbare basis. Voor de bankentaks gaat het alleen over spaartegoeden, dus zichtrekeningen, spaarrekeningen en termijnrekeningen. Voor de bankenbijdrage gaat het ook over obligaties en kasbons.
Dat betekent dat die bijkomende bankentaks zal moeten worden gedragen door smallere schouders dan de bankenbijdragen. Daar klopt dus iets niet. Zakenbanken worden gespaard en de kosten worden gedragen door de retailbanken. Dat is niet eerlijk.
Er is nog een tweede probleem. De bankentaks is voor 100 % niet aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting. De bankenbijdrage is dat wel. Dat betekent dat hier eigenlijk een dubbele belasting voor de banken wordt gecreëerd.
Collega’s, zoals ik daarstraks heb aangegeven, zijn wij er niet vies van om serieuze bijdragen te vragen van de banksector. Dit wordt echter wel een beetje gênant. Dat is de reden waarom wij die verhoging van de bankentaks niet steunen.
Ten slotte nog een woordje over de accijnzen op energie. Ik heb begrepen dat de meerderheid ondertussen ook zelf heeft ingezien dat het nu niet echt het moment is om de accijnzen op energie te verhogen. Dat zou inderdaad een behoorlijk wereldvreemde beslissing zijn. Dat hele idee in de programmawet is er natuurlijk gekomen voor de oorlog in Iran. Het basisidee is een verschuiving van accijnzen weg van elektriciteit richting fossiele brandstoffen, met dus minder belasting op elektriciteit en meer belasting op fossiele brandstoffen. Dat is een principe wat wij ondersteunen en willen versterken.
Wat de regering in de programmawet heeft opgenomen, is echter geen taxshift, dat is een taxlift. Het is de bedoeling om extra inkomsten binnen te halen. De verlaging van de accijnzen op elektriciteit is veel kleiner dan de verhoging van de accijnzen op fossiele brandstoffen. Opnieuw is dat dus de verkeerde keuze, want zo’n taxshift is nodig om mensen te stimuleren om weg te stappen van fossiele brandstoffen en een prikkel te creëren om meer te elektrificeren. Die prikkel is vandaag met die maatregel onvoldoende. Opnieuw is het milieuaspect van de maatregel ver weg en komt het dus neer op een budgettaire maatregel. Dat is natuurlijk geen verrassing.
Daarom hebben wij ook een amendement ingediend dat de accijnsverhoging voor fossiele brandstoffen uitstelt, iets wat de meerderheidspartijen ondertussen zelf ook al hebben ingezien. Daarnaast verlagen wij de accijnzen op elektriciteit tot het Europese minimum. Dat zal een echte prikkel geven om mensen aan te sporen om weg te stappen van fossiele brandstoffen. Wij weten dat dat werkt. Sinds de oorlog in Iran en de stijging van de prijzen voor fossiele brandstoffen is de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s immers stevig gegroeid. Dat is goed voor het milieu, goed voor de portemonnee en goed voor onze strategische onafhankelijkheid. Collega’s, waar wachten jullie op?
Morgen zullen toch een aantal amendementen van de meerderheid worden goedgekeurd, dus misschien kan dit amendement daar ook nog tussen worden geschoven.
Collega's, dat waren enkele voorbeelden uit het fiscale luik van de programmawet die voor ons duidelijk maken dat we ook deze keer de programmawet niet zullen goedkeuren. Ik dank u.
De voorzitter: Dank u wel, collega Vanbesien. Bedankt ook dat u uw eindoordeel tot het einde hebt bewaard.
Collega Van Quickenborne heeft het woord.
02.32 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Dank u, mijnheer de voorzitter.
Mijnheer de minister, goedemiddag. Dit is de tweede programmawet van deze regering. In het verslag van de bespreking lezen we dat de programmawet goed is voor 1,5 miljard euro aan nieuwe belastingen en belastingverhogingen.
Dat is een aanzienlijk bedrag, 1,5 miljard euro. Ik weet dat u dat met veel plezier doet, maar misschien is het nuttig om het geheugen even op te frissen. In de eerste programmawet stonden veertig nieuwe belastingen en belastingverhogingen. In de tweede programmawet zijn het er dertien, dus minder, maar ze brengen wel 1,5 miljard euro op.
Over welke belastingen gaat het? Ik zet een goede traditie verder, mijnheer de minister.
Eerst en vooral is er de vliegtaks 2.0. Het is enigszins vreemd dat u die verhoogt op een ogenblik waarop bepaalde luchtvaartmaatschappijen zelfs geen kerosine meer vinden om nog te kunnen vliegen.
De 42ste taks is de verhoging van de verzekeringstaks. Dat is een onwaarschijnlijke komedie. U wilde die belastingverhoging op 1 april laten ingaan, mijnheer de minister. De verzekeringsmaatschappijen hadden hun communicatie daarop afgestemd en moesten die vervolgens opnieuw intrekken. Nu heeft de meerderheid een amendement ingediend – de heer Vanbesien heeft ernaar verwezen – om die maatregel in werking te laten treden op de eerste dag na de publicatie van de wet. Mevrouw Verkeyn heeft dat amendement ingediend. Zoals collega Vanbesien zei, als de wet op 28 mei wordt gepubliceerd, treedt de maatregel op 1 juni in werking. U verwacht dus dat de verzekeringsmaatschappijen op drie dagen tijd alle vervaldagberichten zullen kunnen aanpassen omdat de premie plots wordt verhoogd. U neemt de mensen werkelijk in de maling.
Een volgende taks is er de effectentaks 2.0. De heer Rousseau zei dat hij een nieuwe miljonairstaks wil invoeren van 0,3 % op financiële activa van meer dan 1 miljoen euro. U hebt dat inmiddels gerealiseerd, want de bestaande taks wordt verdubbeld van 0,15 naar 0,3 %.
Dan is er de bankentaks. We lezen nu al in Het Laatste Nieuws dat banken de kosten voor zichtrekeningen verhogen. In ons land betalen gewone mensen vandaag al 3 tot 4 euro per maand voor het aanhouden van een zichtrekening. Door de bankentaks zullen die kosten verder stijgen.
Vervolgens zal minister Beenders wellicht zeggen dat de regering die tarieven zal plafonneren. Dat is het typische socialistische recept: eerst de belastingen verhogen en vervolgens een maximumbelasting opleggen. 'We gaan het op een andere manier doen'.
De 45ste taks is de auteurstaks. De fameuze kostenaftrek wordt afgeschaft. Men maakt wel een uitzondering. Het forfaitaire systeem wordt afgeschaft. Dat is eigenlijk een belastingverhoging op die schijf van 50%. Die uitzondering maakt u voor de kunstenaars. Die hebben zichzelf goed bediend. Journalisten en anderen mogen wel een serieuze belastingverhoging slikken.
Op de zelfstandigen- of kmo-taks kom ik straks terug. Het gaat werkelijk om het summum van de taxatie. De O&O-taks, onderzoek en ontwikkeling, daar kom ik straks op terug. De nachtarbeidtaks wordt duurder. De ploegentaks wordt duurder. De benzinetaks wordt duurder. Vanaf 1 januari 2027 wordt die verhoogd. De dieseltaks wordt duurder. De gastaks wordt duurder. Pas vanaf 1 augustus, maar die wordt duurder. De stookolietaks wordt duurder. De taks op slapende rekeningen wordt ingevoerd en verhoogd.
Samen genomen, gaat het om 1,5 miljard euro aan nieuwe taksen. Nu weet ik waarom de heer Bouchez niet aanwezig is. De heer Bouchez zegt altijd: Avec le MR, il n'y a pas de nouvelle taxe. Hij valt in de verste verte niet te bespeuren. 1,5 miljard euro aan nieuwe taksen, zoveel zijn de woorden van de heer Bouchez waard. Als hij die nog een keer uitspreekt en twee keer herhaalt, dan weet u dat er de volgende keer 3 miljard euro bijkomt.
Mijnheer de minister, intussen zou men denken dat het nu genoeg is geweest. Men denkt dat het maximum is bereikt, meer dan dat kan niet. Ik las onlangs nog een statistiek van Bart Van Craeynest waaruit blijkt dat we nu al, mijnheer Hedebouw, nummer één van Europa zijn als het gaat over de belasting op vermogen, met dank aan de heer De Wever en consorten. Ik weet dat u nog een beetje verder wilt gaan. Maar goed, nu staan we al op nummer één, met 3,7 % van het bbp, meer dan in Frankrijk, Italië en Duitsland. We staan ten opzichte van al die landen op nummer één, dankzij de heer De Wever. Dan denkt men dat het genoeg is geweest, maar dan komt zoals altijd de heer Rousseau ten tonele, die zegt: als er geen bijdrage komt van de superrijken, dan stopt het verhaal. De heer Vereeck haalde dat daarnet al aan: dan stopt het verhaal. Welnu, laat het dan alstublieft stoppen. U vindt dat toch ook, mijnheer de minister? Wanneer gaat die waanzin stoppen?
Het probleem is dat men keer op keer ondernemers viseert in dit halfrond. Collega's, wie creëert de rijkdom van ons land?
02.33 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): De werkende klasse.
02.34 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Wie zorgt ervoor dat er onderwijs is, dat er wordt geïnvesteerd in infrastructuur en in de zorg?
02.35 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): De arbeiders en de bedienden.
02.36 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Wie steekt zijn nek uit om van 100 euro 200 euro te maken?
02.37 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): De arbeiders en de bedienden.
02.38 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Er is maar één groep die dat doet.
02.39 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): De arbeiders en de bedienden.
02.40 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Er is maar één groep die risico neemt.
02.41 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): De arbeiders en de bedienden.
02.42 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Er is maar één groep die zijn eigen centen op het spel zet.
02.43 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): De arbeiders en de bedienden.
02.44 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Er is maar één groep die niet van 9 tot 5 werkt, maar van 5 tot 9.
02.45 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): De arbeiders en de bedienden!
(…): Vooral de arbeiders.
02.46 Vincent Van Quickenborne (Anders.): En dat zijn de ondernemers en hun team.
Het zijn de ondernemers, die eerst het risico nemen en dan mensen aanwerven. Zo werkt het en zo groeit een economie.
Mijnheer de minister, het probleem is dat de ondernemers keer op keer – niet door u, maar door een partij in deze regering – worden geviseerd, gediaboliseerd en weggezet als graaiers, profiteurs en malfaiteurs. Mijnheer de minister, het gaat over de campagne waarvan ik u een affiche toon. Men spreekt niet meer over Charles en Henri, zoals in de vorige campagne met betrekking tot de managementvennootschap. Dat moest toen Franstalig klinken.
Ik blijf overigens herhalen dat als men zo’n campagne zou opstarten tegen allochtonen, men een klacht aan zijn broek zou hebben van Unia en dan stond men voor de rechtbank. Als men zulke campagnes lanceert tegen ondernemers, dan passeert alles.
“Michiel, 38 jaar, eigen vennootschap, miljoenen op de rekening.” Dat klinkt als: graaiers, profiteurs. “Dikke Porsche van zijn bedrijf.” Dat wordt gezegd door een minister van de socialistische partij, die met een dikke Audi rijdt op kosten van de belastingbetaler. Deze man betaalt het zelf.
Minister Vandenbroucke, minister Beenders, mevrouw Gennez, mevrouw Depraetere, allemaal rijden ze op kosten van de belastingbetaler. Dat is het verschil tussen socialisme, profitariaat, en ondernemers die aan welvaartsopbouw doen.
Mijnheer de minister, het probleem is dat er een toxische sfeer wordt gecreëerd, waarbij ondernemers worden geviseerd, om uiteindelijk toe te slaan en nieuwe maatregelen te nemen.
Ik wil mij focussen op één concrete maatregel. Ik word daarover onwaarschijnlijk veel aangesproken door kleine zelfstandigen en ondernemers, kmo’s en mensen met een kleine vennootschap. Voor alle duidelijkheid, ik heb het dus niet over multinationals, maar over kleine vennootschappen. Het gaat over mensen met een kleine vennootschap, die dividenden uitkeren uit die vennootschap. Zij konden dat tot voor kort, tot voor deze regering, doen via de liquidatiereserve aan 13,64 %. Deze regering heeft dat eerst opgetrokken naar 15 %, in de programmawet van vorig jaar, en verhoogt het nu naar 18 %.
Collega’s, als u goed kunt tellen en rekenen, is dat een belastingverhoging van 13,65 % naar 18 %, een belastingverhoging van meer dan 30 %. Wie in deze samenleving verdient een belastingverhoging van 30 %?
Alsof dat nog niet genoeg is, staat er in De Tijd van 27 april te lezen en ik citeer: “De kaart die Vooruit wil uitspelen” – en ze zitten daar, de mensen van Vooruit, die ondernemers voortdurend viseren en marginaliseren – “is een verdere verhoging van de roerende voorheffing naar 20 %.” Stel dat die verhoging van 13,65 % naar 20 % er komt, dan betekent dat een belastingverhoging met 42 %, in één legislatuur. Ik denk dat zelfs de communisten dat te veel zouden vinden omdat het gaat om kleine vennootschappen, om bakkers, beenhouwers, loodgieters, tuinaannemers, accountants, architecten, journalisten.
Weet u hoeveel journalisten mij daarover aanspreken? Die mensen werken met een kleine vennootschap. Zijn dat de grootverdieners, de graaiers, de profiteurs van het systeem? Neen, dat zijn de mensen die bijdragen, dat zijn de mensen die risico’s nemen, want zij hebben geen recht op een werkloosheidsuitkering of een opzegvergoeding. Zij moeten zorgen dat de inkomsten elke dag, elke week, elke maand binnenkomen. Geen inspanning is geen verdienste. Met al mijn sympathie voor werknemers, ik denk dat zelfstandigen iets groter risico’s nemen.
Mijnheer de minister, u zegt dat dat zo is, maar waarom verhoogt u dan de belastingen voor de zelfstandigen met 30, 35 en straks 40 %? Ik post op sociale media over die liquidatiereserve of die VVPR-bis. Dat is een moeilijk woord, dat is de enige redding die u hebt. Als ik het heb over VVPR-bis, dan zie ik de collega’s van Vooruit kijken. Zij kennen mij, ten tijde van de discussie over de exittaks zei een collega dat dat allemaal exotisch klinkt en dat dat allemaal niet erg is, maar VVPR-bis gaat over 250.000 kleine vennootschappen. Iedereen die een kleine vennootschap heeft, weet perfect waarover VVPR-bis gaat. Vraag het maar bij u thuis of aan familie of vrienden.
Mijnheer de minister, die mensen maken zich grote zorgen.
Waarom verhoogt u de belastingen op die kleine vennootschappen, op die zelfstandigen, op die kmo's zo fors? Wat hebben die mensen verkeerd gedaan? Beseft u niet dat zij degenen zijn die hier al die welvaart creëren, samen met hun team? Dat zij de mensen zijn die zich in het begin vaak maandenlang geen loon uitkeren omdat ze alles doen voor hun zaak? Dat zijn de mensen die dit land doen draaien. Neem al die mensen weg en er is niets meer. Er is geen sociale zekerheid meer, geen ambtenaren, geen onderwijs, geen zorg, niets meer.
Met dit soort schandalige campagnes vernietigt u de welvaart. De provocatie van de socialisten is onwaarschijnlijk. Mijnheer de minister, het zou fijn zijn, mocht u zich straks in uw repliek daarover uitspreken. Ik denk dat u dat ook erover vindt en dat dit niet de manier is waarop een samenleving omgaat met mensen die welvaart creëren. U zou beschaamd moeten zijn om dat te doen als socialist. Ik vind dat dit er ver over gaat. Dit kan niet.
Mijnheer de minister, een tweede taks waarover ik het wil hebben, is die op de industrie. We gaan door de grootste golf van faillissementen in decennia. Er zijn massale ontslagen in de chemie en in de industrie. Vorige week tijdens alweer een week vakantie in het Parlement, was er het ontslag van 2.000 mensen in de chemie bij DOMO Chemicals. De inflatie piekt straks naar 4 % en de groei halveert, krimpt. Misschien worden we straks geconfronteerd met stagflatie. Op een ogenblik waarop men denkt dat de regering zuurstof geeft aan die ondernemers – dat is immers wat men moet doen wanneer het slecht gaat, ruimte geven aan die ondernemers om het hoofd boven water te houden en ervoor te zorgen dat men kan doorgaan – knijpt ze zachtjes, maar gedecideerd de keel van die ondernemers toe. Hoe doet ze dat? Ze doet dat door te raken aan het systeem dat wij 25 jaar geleden hebben opgezet en altijd hebben gesteund, met name de belastingvermindering voor onderzoek en ontwikkeling, voor nachtarbeid en voor ploegenarbeid. Dat zijn belastingverminderingen die wij hebben opgezet om ons land onder meer naar de top 5 van Europa te brengen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling.
Toen ik in de politiek begon, mijnheer de minister – dat was ongeveer tegelijkertijd met u – was een van de grootste klachten dat we te weinig aan onderzoek en ontwikkeling deden.
U hebt als minister-president in Vlaanderen fantastisch goede dingen gedaan. En federaal hebben we een systeem opgezet van belastingverminderingen. De linksen noemen dat subsidies. Dat zijn geen subsidies, dat zijn belastingverminderingen. Ze hebben gewerkt.
En wat doet u nu? U bevriest die belastingverminderingen. U past er de Moesennorm op toe, zoals u dat noemt. De ondernemers zeggen dat zij daar à la limite mee kunnen leven als u dat voor enkele jaren doet. Maar wat blijkt uit de wetteksten? In 2027 wordt die vermindering verlaagd met 3 %, in 2028 met 6,5 % en in 2029 vindt er een permanente beperking van die belastingverminderingen plaats. Dus niet beperkt in de tijd, maar permanent.
Agoria, Fevia en Fedustria, die u kent, de textielbedrijven, de voedingsbedrijven en de technologiebedrijven, zeggen dat u zogezegd de industrie wil steunen, maar dat ze net het omgekeerde doet. Dat is wat collega Vereeck daarnet vertelde.
De heer De Wever kan fantastisch speechen. Hij ging naar het World Economic Forum en hij zei: “We’re open for business and for industry.” Hij schrijft een boek over welvaart. Hij gaat naar Alden-Biesen en hij zegt dat we de industrie opnieuw centraal moten plaatsen. Hij richt een taskforce op voor Volvo. Het is gezegd. Maar wat doet hij? Juist het omgekeerde. Hij bevriest die belastingverminderingen. Door de inflatie worden ze steeds minder waard. Hij voert een centenindex in.
Ik weet niet, mijnheer de minister, of u vanmorgen het debat daarover in het Parlement gevolgd hebt. Het was waanzinnig om te zien. Er is nog maar één iemand die de centenindex verdedigt, de heer Vandenbroucke. Eén iemand verdedigt die nog. De andere partijen spreken zich niet uit, uit eerlijke schaamte. Zelfs zijn eigen fractie zegt niets meer. Die vraagt zich enkel af wat meester Frank nu weer heeft bedacht.
En dan zijn daar al die belastingverhogingen. Mijnheer de minister, wij verwachten een ander beleid en er is een ander beleid mogelijk. Snij in de uitgaven, mijnheer de minister. Weet u dat volgens het IMF de overheidsuitgaven onder deze regering stijgen van 54 % naar 56 %? Mijnheer Ronse, de overheidsuitgaven stijgen van 54 % naar 56 %.
(…) : (…)
02.47 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Uw overheidsuitgaven stijgen van 54 % naar 56 %. U krijgt ze niet onder controle.
U moet dus de overheid ontvetten. Vervang een op de drie ambtenaren. Beperk de groeinorm tot de index. Doe zoals voormalig minister Maggie De Block destijds heeft gedaan, in plaats van die groeinorm op te trekken tot 2,5 % of 3 %. Snoei in de subsidies aan de vakbonden en de ziekenfondsen. U hebt beloofd een belasting op de ziekenfondsen in te voeren. U zou dat onderzoeken, maar ik hoor daar niets meer over. Integendeel, mijnheer Vandenbroucke zal opnieuw de wet dicteren. Bouw het overheidsapparaat af, mijnheer de minister. Er zijn te veel instellingen. Schaf die af. Bouw dat af.
Mijnheer Vandeput, ik ben blij dat u deelneemt aan het debat. Tussen 2003 en 2007 en ook nadien zijn de administratieve lasten gedaald, van 3,9 % naar 2 % van het bbp. Zoek de cijfers maar op. Maak eens echt werk van een administratieve vereenvoudiging. Doe daar iets aan.
02.48 Axel Ronse (N-VA): Ik hoor een zeer wijs man spreken. Hadden het parlementslid en de minister Van Quickenborne daar de voorbije 25 jaar maar naar geluisterd. U spreekt over de overheidsuitgaven. Ik zou u graag eens horen uitleggen hoeveel procent van het bbp de interesten bedragen die wij vandaag moeten betalen op de schuld die u hebt achtergelaten en tot hoeveel dat oploopt door het rentesneeuwbaleffect. Ik hoor graag hoeveel de Quickietaks vandaag bedraagt.
02.49 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer Ronse, wat betreft de afbouw van het overheidsapparaat, er waren bij de start van onze legislatuur 33.000 ambtenaren bij Financiën. Vandaag zijn dat er 20.000. Dat zijn er 13.000 minder. Dat is de afbouw van het overheidsapparaat. Dat hebben wij gedaan.
Voor de administratieve lasten nodig ik u uit om de cijfers van het Federale Planbureau te bekijken. Tweejaarlijkse enquêtes bij de werkgevers tonen aan dat die lasten zijn gedaald. Er is nog veel werk aan de winkel, maar de digitalisering heeft wel degelijk een impact gehad.
Mijnheer Ronse, inzake de schuld en de interesten is het probleem dat uw begroting telkens gaten vertoont van hier tot in Tokyo. Eerst verklaarde u dat u fors zou besparen, met een oefening van 23 miljard euro. Er waren rond de 10 miljard aan terugverdieneffecten. Toen ging de begroting tegen het canvas. Vervolgens kwam er een tweede oefening van 10 miljard euro volgens premier De Wever. Nu blijkt echter uit de nota van (…)
De voorzitter: Dank u, mijnheer Van Quickenborne. Iemand spreekt me erop aan de spreektijd van één minuut strikt te laten naleven en dat doe ik dan ook.
02.50 Axel Ronse (N-VA): Wat ik mij vooral herinner, is dat u boetes hebt ingevoerd voor ondernemers met buitensporig veel zieken in vergelijking met andere ondernemers in hun sector. Die Van Quickenborneboetes hebben we afgevoerd. U hebt de SLA ingevoerd. Wij hebben ze afgeschaft. U hebt de uitkeringen verhoogd met - hou u vast - 10 %. Er is geen enkel ander land in Europa waar de uitkeringen de voorbije vijf jaar zo snel zijn gestegen dan in de periode waarin u vicepremier was. U hebt niet de intellectuele eerlijkheid om hier te erkennen dat we met een schuld zitten die een gigantische intrest heeft opgeleverd, die nog aan het oplopen is door de rentestijging. Mijnheer Van Quickenborne, in 2029 zullen wij 22 miljard euro alleen al aan interesten moeten betalen. Mijnheer Hedebouw, beeld u in wat u met 22 miljard euro zou kunnen doen voor het sociaal beleid voor kwetsbare mensen.
De voorzitter: Dank u, mijnheer Ronse. De heer Van Quickenborne zal zijn betoog voortzetten.
02.51 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Ik zal mijn betoog voortzetten en ik zal dat doen op mijn manier. Boetes voor de werkgevers, mijnheer Ronse? Zing maar snel een toontje lager. Voor werkgevers met langdurig zieken hebt u de bijdrage die zij moeten betalen verhoogd. Dat was één maand, maar u hebt dat opgetrokken naar twee, drie, vier en vijf maanden. Dan zegt u: wij geven een deel terug. U geeft een deeltje terug, maar niet alles. De tweede en de derde maand geeft u niet terug aan de werkgevers. Dat is de realiteit.
Met onze maatregel werden bedrijven bestraft die aanzienlijk meer arbeidsongeschikten hadden dan sectorgenoten. U gaat alle ondernemers bestraffen. Uw boetes zijn gewoon blinde boetes. Dat is het probleem. U doet dat gewoon om geld op te halen, niet om het systeem te veranderen. Dat is de realiteit.
Mijnheer Ronse, het is fijn dat u af en toe eens tussenkomt in het debat. Ik heb het u ooit gezegd in een debat in De Tijd in september 2025. De titel was toen: "De Wever verzuipt in zijn budget." U zei toen: "23 miljard, dat komt wel in orde." We zijn bijna een jaar later. Wat blijkt? U krijgt het budgettaire probleem niet opgelost. U verzuipt. Waarom? Omdat u het probleem niet ten gronde aanpakt. Het enige wat u doet, is nieuwe taksen invoeren, zoals in deze programmawet. Dat brengt 1,5 miljard euro op, maar in de uitgaven zien we nauwelijks besparingen.
Mijnheer de minister, u mag tussenkomen.
De voorzitter: De heer Ronse wil tussenkomen. U hebt geluk.
02.52 Axel Ronse (N-VA): U zit hier weer fabeltjes te vertellen.
Op een jaar tijd hebben wij onze arbeidsmarkt grondig hervormd. Bijna 80 % van het regeerakkoord is hier in het Parlement al uitgevoerd. Straks stemmen wij nog over een herinvoering van de proefperiode. De pensioenwet is nu uitgesteld maar zal op 28 mei 2026 opnieuw op de agenda van de plenaire vergadering komen. Dat is een enorme hervorming. Op het vlak van migratie hebben wij grote hervormingen doorgevoerd. Vriend en vijand erkennen dat dit land nog nooit zo fors gemoderniseerd is als het voorbije jaar. De arizonahervormingstrein knalt door het Parlement. Af en toe proberen de PS en hun beste vrienden van het Vlaams Belang stokken in de wielen te steken maar wij blijven doorknallen.
Het Federaal Planbureau en het Monitoringcomité roepen “holy macaroni”. Als zij kijken naar wat de heren Van Quickenborne en De Croo hadden gedaan als zij verder hadden geregeerd en zien hoeveel miljarden euro minder er nu al zijn uitgegeven met onze wijzigingen en ons arizonabeleid, ondanks de meeruitgaven in Defensie, steken zij een pluim op de hoed van de arizonaregering.
02.53 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer Ronse, als het allemaal zo knalt met Arizona, waarom verslechtert uw begroting dan keer op keer? Als het allemaal zo knalt, waarom verlaagt het ene ratingagentschap na het andere dan de rating? Dat gaat niet over het verleden. De ratingagentschappen verlagen de rating omdat ze niet geloven in de capaciteit van deze regering om de problemen op te lossen. Als het allemaal zo knalt bij Arizona, waarom krijgt u de begroting dan gewoon niet op de rails? U belooft een inspanning van 10 miljard euro maar uiteindelijk blijkt dat nog geen 5 miljard euro te zijn.
Het echte probleem is dat u de taboes uit de weg gaat. In de gezondheidszorg laat u de heer Vandenbroucke gewoon doen. U laat hem doen. U geeft hem een groeinorm van 2,5 à 3 %. Dat gaat over miljarden euro. Daarop wordt niet bespaard. Ondernemers wijzen er mij op dat zij nu ook nog hogere belastingen moeten betalen.
De voorzitter: Ik heb de indruk dat de heer Ronse daarop wil repliceren.
02.54 Axel Ronse (N-VA): Mijnheer Van Quickenborne, de reden is vrij eenvoudig. U hebt 25 jaar lang samen met de heer Di Rupo en de heer Magnette aan de knoppen gezeten. U hebt het 25 jaar lang vertikt hervormingen door te voeren op onze arbeidsmarkt als het ging over een beperking van de werkloosheid in de tijd, als het ging over het afschaffen van het brugpensioen en als het ging over een deftige, grote pensioenhervorming. U hebt dat allemaal vertikt.
Alleen onder de Zweedse regering is een klein stukje gerealiseerd, toen wij de vennootschapsbelasting serieus hebben verlaagd, maar eigenlijk hebben jullie heel weinig gedaan en niets van wat nodig was, ook niets aan alle alarmkreten. U hebt de sociale vrede telkens afgekocht met dure maatregelen. Denk aan de premies tijdens de coronaperiode voor de vakbonden. U hebt het geld door ramen en deuren gegooid. U hebt dure overheidsgebouwen voor een appel en een ei verkocht en voor grote sommen opnieuw gehuurd.
Dat heeft ervoor gezorgd dat u jaar na jaar een tekort had. U gaf te veel uit en er kwam te weinig binnen. We hebben een grote schuld en op die schuld moeten we rente betalen. Nu stijgt de rente, die loopt op tot 22 miljard, mijnheer Van Quickenborne. (…)
De voorzitter: Dat lijkt me een mooie afronding, mijnheer Ronse.
Mijnheer Van Quickenborne, u krijgt het woord voor de voortzetting van uw betoog.
02.55 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, ik stel vast, en u stelt het samen met mij vast, dat de heer Ronse over de programmawet niets zegt. De heer Ronse zegt niets over de programmawet omdat die 1,5 miljard aan nieuwe belastingen en belastingverhogingen invoert. Hij durft dat gewoon niet te verdedigen. Hij hebt nog steeds niets gezegd over de VVPR-bis. Leg dat maar eens uit aan die 250.000 kmo's.
Mijnheer Ronse, in plaats van naar uw gsm te kijken, luister eens. Leg eens uit aan die 250.000 kleine kmo's en kleine vennootschappen waarom u de belastingen met intussen 35 % hebt verhoogd. Leg dat eens uit. Waarom doet u dat? Wat hebben die mensen verkeerd gedaan dat er 35 % bijkomt? Als het straks nog eens gebeurt, komt er nog eens 15 % bij. Daarover zegt u niets. Ik heb uw eerste minister daarover geïnterpelleerd, maar hij weigert daarop te antwoorden. Daarop komt geen antwoord.
Die mensen zijn natuurlijk boos en teleurgesteld. Ondanks al die taksverhogingen zakt uw budget verder weg. Dat is het grote probleem.
Mijnheer Van Quickenborne, u hebt de heer Ronse uitgedaagd.
02.56 Axel Ronse (N-VA): Ik ben gisteren nog in Roeselare gaan spreken voor redelijk wat kmo-zaakvoerders. Die zeiden mij dat ze tevreden zijn dat wij in de regering zitten, met de heer Jambon en de heer De Wever, en dat de Quick daar niet meer zit. Eindelijk een keer een regering die zich engageert om de belastingontvangsten op het bbp te laten dalen, de werkgeversbijdragen voor de RSZ dalen met een miljard, vier miljard minder belastingen voor mensen die werken, een ondernemersaftrek, flexi-jobs kunnen nu overal, de dop is beperkt in de tijd, fiscaal vriendelijke overuren.
De kmo’ers dit ik gisteren sprak zeggen dat onze arizonaregering goed bezig is, dat we door moeten zetten, dat we ons niet te veel mogen laten afleiden door de waan van de dag en al die circusnummertjes. Ze stellen dat zij zullen doen waarin ze sterk zijn, namelijk ondernemen, en vragen dat wij de boel opkuisen, na vijfentwintig jaar liberaal wanbeleid. Dat is wat die kmo'ers tegen mij zeggen: go, go, go, Arizona.
02.57 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, we zijn bezig met de programmawet. Ik heb een vraag gesteld over de VVPR-bis. De heer Ronse antwoordt opnieuw niet op de vraag. Dat zijn we stilaan gewend. De heer Ronse antwoordt steeds naast de kwestie, hij gaat nooit in op de vragen die gesteld worden. Dat is het verschil met veel andere parlementsleden, van de meerderheid tot de oppositie.
Mijnheer de voorzitter, tenzij de heer Ronse nog een repliek wil geven, stel ik voor dat we gewoon verdergaan. Anders kunnen we bezig blijven. Ik doe liever niet mee aan dergelijke zaken.
De voorzitter: Dan mag u uw betoog voortzetten, mijnheer Van Quickenborne.
02.58 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Er komt dus geen repliek meer van de heer Ronse.
Mijnheer de minister, er is een alternatief: doe iets aan de uitgaven. Als men het pakket bekijkt, ziet men, eerlijk gezegd, dat het onevenwichtig is. Er zitten te veel belastingen in, en ook te veel nieuwe taksen.
Dat is het probleem van deze regering en dat is ook het verschil met de Zweedse regering. In de Zweedse regering hebben we de vennootschapsbelasting doen dalen naar 25 à 20 %. We kwamen van 40 % in 1999. We hebben het belastingtarief van 30 % afgeschaft onder de Zweedse regering. De werkgeversbijdrage is toen gezakt van 33 naar 25 %.
Wat doet deze regering echter? Ze verhoogt de werkgeversbijdrage, want de centenindex is een nieuwe sociale bijdrage boven op de 25 %. Deze regering schaft geen tarieven af; ze verhoogt de belastingvrije som. Die discussie zullen we waarschijnlijk volgende week in de commissie voeren.
Mijnheer de minister, we zijn dus teleurgesteld, maar we weten hoe dat komt. Deze regering bevat een constructiefout. Die constructiefout zit daar: dat zijn de mensen die voortdurend ondernemers wegzetten als graaiers en profiteurs.
De N-VA laat dat allemaal gebeuren. Ze beschermt onze ondernemers niet. Integendeel, ze belast hen telkens meer en meer.
Daarom zullen we, mijnheer de voorzitter, de programmawet uiteraard niet steunen. Straks zullen we, samen met een aantal collega's, in de formule 1-1-1 nog wat vragen stellen aan de minister.
De voorzitter:
U rondt af met een verrassing. Dat is altijd prettig.
02.59 François De Smet (DéFI): Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, je commencerai comme le collègue Van Quickenborne: dans votre exposé des motifs, vous entendez faire contribuer à un effort budgétaire global de 1,5 milliard d'ici 2029. L'objectif est légitime mais les moyens utilisés le sont beaucoup moins, car ils révèlent l'art consommé du gouvernement Arizona de lever des impôts sans l'assumer. "Zéro hausse d'impôts", nous disait-on en campagne. Le projet qui nous est soumis prouve l'inverse.
Je m'arrêterai sur quelques points seulement. Commençons par une demi-bonne mesure: la taxe sur les comptes-titres. Le taux est porté de 0,15 à 0,30. On peut naturellement en soutenir le principe. Sur le rendement attendu, à savoir 414 millions en 2026 et 462 millions en 2027, l'effort est manifestement assumé par des contribuables qui disposent de portefeuilles de plus d'un million d'euros. À cet égard, c'est vrai que la mesure est cohérente avec le principe selon lequel les épaules les plus larges doivent contribuer. Mais – et ce "mais" est important – il manque ici la dimension qui aurait fait de cette taxe un outil de justice fiscale vraiment abouti: la progressivité. Doubler le taux sur l'ensemble du portefeuille, c'est traiter de la même manière un détenteur d'un million et un détenteur de 50 millions. Un système par paliers de valeur des comptes-titres aurait permis de mieux refléter les capacités contributives réelles.
Ensuite, et c'est pour moi le vrai scandale de ce texte, je voudrais dénoncer ce que vous faites sur les droits d'auteur, avec un ostracisme assumé envers les créateurs. Je ne sais pas s'il y a une guerre culturelle, mais il y a certainement une guerre contre la culture. Votre texte limite l'application de la déduction forfaitaire des frais aux artistes titulaires d'une attestation de travail des arts de type ordinaire ou plus, à l'exclusion donc des titulaires de l'attestation starter et des contribuables non-artistes. Concrètement, et pour reprendre un exemple que vous avez vous-même donné, monsieur le ministre, un auteur qui perçoit 10 000 euros de droits d'auteur, par exemple un journaliste indépendant rédigeant pour un magazine, verra son taux effectif d'imposition passer de 7,5 à 15 % – un doublement donc, mais présenté comme une rationalisation.
Cette réforme suscite selon moi trois objections. La première est de principe: elle révèle une nouvelle fois la défiance des autorités publiques à l'égard du monde artistique et culturel – on se demande vraiment ce qu'ils vous ont fait –, comme si les droits d'auteur, qui rétribuent un travail créatif, mémoriel et patrimonial, constituaient des revenus acquis de manière non méritée. C'est une lecture qu'on ne peut pas partager.
La deuxième objection est juridique. En créant en pratique trois catégories de contribuables, la réforme crée un risque non négligeable au regard du principe d'égalité de traitement entre contribuables.
La troisième objection est concrète. La mesure pourrait avoir un impact significatif sur certaines professions, comme d'autres collègues en ont parlé: non seulement les journalistes, mais aussi les auteurs, les écrivains, pour lesquels les droits d'auteur constituent une part non négligeable de leurs revenus professionnels. Le secteur journalistique traverse une crise économique sans précédent et compte un grand nombre de pigistes: faut-il vraiment leur ajouter ce coût-là?
Parmi vos autres mesures fiscales, je retiens la taxe sur l'embarquement aérien. Le montant passe de 5 à 10 euros, puis à 10,50 euros en 2028 et à 11 euros en 2029. L'objectif poursuivi est noble: celui d'un internalisation des coûts environnementaux. Il est permis de regretter qu'on n'ait pas opté pour une différenciation supplémentaire selon les classes ou les types de moteur.
Puisqu'il me reste seulement trois minutes, j'aborderai d'un mot l'indexation des pensions. Monsieur le ministre, 2 000 euros, ce n'est pas un haut revenu. Vous nous dites que le seuil correspond à la pension médiane: 1 998 euros pour 2025. Mathématiquement, c'est exact. Politiquement, ça l'est moins, parce qu'une pension brute de 2 000 euros, c'est environ 1 700 euros nets. Or, à l'heure actuelle, 1 700 euros nets, alors que le coût d'une maison de repos, par exemple, est facilement de 2 000 euros par mois, ce n'est pas confortable. Le Conseil d'État a relevé ici le caractère cumulatif de la perte. Il ne s'agit pas d'une diminution mensuelle isolée, mais d'une perte qui s'accumule au fil du temps et peut représenter des montants significatifs sur l'ensemble de la retraite.
Je veux, en outre, insister ici sur un point sur lequel le débat public passe trop vite, c'est la grande hétérogénéité des situations. Selon qu'ils sont propriétaires de leur logement ou locataires, le niveau de vie réel des pensionnés diffère radicalement. Et on ne peut pas postuler, comme le fait implicitement ce texte, que les pensionnés disposeraient systématiquement de revenus complémentaires. Près d'un quart de la population belge ne dispose d'aucune épargne. Pour ces personnes, la pension n'est pas une rente parmi d'autres, c'est l'unique source de revenus.
En conclusion, monsieur le ministre, voici le bilan. Le doublement de la taxe sur les comptes-titres est positif mais sans la progressivité qu'on aurait souhaitée. Une hausse de la taxe sur les assurances et de la taxe bancaire est admissible mais avec réserves. La restriction de l'avantage fiscal sur les droits d'auteur est un massacre et est très contestable. La hausse des accises sur l'énergie sous forme de tax shift, mais qui n'en est pas un, est inacceptable, surtout dans le contexte géopolitique actuel. Ce sont autant de mesures, comme l'écrivait un commentateur récent, qui constituent autant de coups de rabot sur le patrimoine, les revenus et la liberté d'entreprendre, présentées comme une absence de hausse d'impôts. C'est un art, je vous le concède. Mais ceci est tout sauf une politique fiscale juste. Je voterai donc contre.
Voorzitter:
Sophie De Wit, oudste lid in jaren.
Président: Sophie De Wit, doyenne
d’âge.
02.60 Britt Huybrechts (VB): Collega's, wanneer we het voorbije jaar naar de argumenten van de regering over de vliegtaks luisterden, zouden we bijna hebben gedacht dat die taks een doordachte maatregel was. Bijna. Hoe grondiger men naar die taks kijkt, hoe duidelijker wordt dat de regering de controle over de cockpit volledig kwijt is. Laten we ook stoppen met te doen alsof het een klimaatmaatregel is. Minister Jan Jambon heeft zelf al toegegeven dat het een budgettaire beslissing betreft. De inkomsten verdwijnen gewoon in de staatskas. Het is dus geen ecofiscaliteit, maar een klassieke belastingverhoging.
Wie mag die betalen? De gewone mensen, de gezinnen die eens op vakantie willen gaan, mensen die voor hun werk moeten reizen en geen keuze hebben. Het valt vooral op dat net de partijen die vandaag de vliegtaks verdedigen en verhogen, die in de vorige legislatuur zelf volledig hebben afgebroken. Toen klonk het nog dat het geen klimaatmaatregel was, geen gedragssturing, maar gewoon een platte belastingverhoging, dixit Theo Francken. Vandaag voert diezelfde partij die taks in en verhoogt ze die zelfs. Wat is er dan eigenlijk veranderd? De taks of uw principes?
Tegelijk zien we ook een ander absurd politiek beeld. De Waalse regering verzet zich tegen de vliegtaks omdat die jobs bedreigt in Charleroi, terwijl diezelfde partijen – de MR en Les Engagés – die taks federaal wel verdedigen. Wat voor schizofreen Waals haantjesgedrag is dat eigenlijk? U verdedigt federaal wat u regionaal bestrijdt. Om het in uw taal te zeggen: C'est vraiment ridicule.
Eerlijk gezegd, krijg ik soms de indruk dat die taks op een ridicule manier tot stand is gekomen, op een van die beruchte nachtelijke vergaderingen wanneer iedereen moe is en bedenkt dat er nog geld nodig is en er dus nog een taks moet worden verzonnen. Ik zie het zo voor mij. Minister Vandenbroucke zegt: ʺLaten we een taks op lachen invoeren, want plezier is verboden." Waarop de goedlachse minister Crucke zegt: "Oei, dat gaat mij zeer duur uitvallen." Waarop partijgenoot Matz zegt: "Dat gaan we niet doen. Laten we anders een taks op het versturen van domme tweets invoeren." Theo Francken schrikt wakker uit zijn droom of zijn nachtmerrie over een helikopter, of misschien waren het toch drones. Hij zegt: "Dat gaan we niet doen, want dat gaat mij duur uitkomen." Waarop de premier zegt: "Laten we dan een extra taks op alcohol invoeren." Waarop Vandenbroucke als sfeerspons zegt: ʺGoed idee." Dan zie ik de paniek in de ogen van Jan Jambon en Theo Francken. Zij zeggen: "Dat gaan we niet doen, want dat gaat ons weer heel veel geld kosten. Als het ons veel geld kost, gaan we het niet doen. De Vlaming mag wel betalen."
Waarop Jambon met een compromis komt. Geen taks op lachen, geen taks op domme tweets, geen extra taks op alcohol, maar laten we de reeds bestaande vliegtaks verhogen, ondanks dat u die in de vorige legislatuur mee hebt bestreden. Collega’s, dit klinkt ludiek, maar aan de reacties te zien, kom ik toch heel dicht bij de waarheid. Nu begint men aan Waalse kant te sleutelen aan voorstellen. Economy goedkoper, premium duurder, bepaalde luchthavens ontzien. Wat men zou kunnen besparen in het Waalse Charleroi zal men wel kunnen ophalen in het Vlaamse Zaventem. Opnieuw, de Waal bepaalt en de Vlaming betaalt.
Dan zegt men dat andere landen dat ook doen, maar zelfs dat klopt niet meer. Zweden, het land dat symbool stond voor vliegschaamte, het land van de kleine klimaatkleuter Greta Thunberg, heeft deze taks afgeschaft omdat die de luchtvaartsector raakte en verzwakte. Zij hebben lessen getrokken uit de realiteit, maar de regering-De Wever doet alles vanuit het idee van stommiteit.
Ik rond af. Deze vliegtaks heeft geen duidelijk doel, geen degelijke onderbouwing en geen geloofwaardige klimaatlogica. Wat ze wel heeft, is een begrotingsdoelstelling van 168 miljoen euro, zonder rekening te houden met de gevolgen. Als die belasting onze mensen raakt zonder iets op te lossen, is de conclusie simpel. Schaf ze af. Als het van het Vlaams Belang afhangt, zullen wij dat ook doen met dit wetsvoorstel, want wij houden ons wel aan onze principes. Wij geloven voor de verkiezingen niet in het ene om na de verkiezingen het andere te doen. Wij laten de Vlaming niet vallen voor postjes, want wij verdedigen onze mensen. Dat deden wij 47 jaar geleden al onder Karel Dillen, dat doen wij vandaag onder Tom Van Grieken en dat zullen we in de toekomst ook altijd blijven doen. In tegenstelling tot de uwe zijn onze principes niet te koop voor een premierpost.
De voorzitster: Ook collega Bilmez staat op de sprekerslijst ingeschreven, maar hij is niet aanwezig. Dan zijn we klaar met de tweede ronde en is het aan de minister.
Mevrouw Samyn, vraagt u nog het woord?
02.61 Ellen Samyn (VB): Mevrouw de voorzitster, collega’s, mijnheer de minister, de centenindex van uw regering heeft toch één historisch iets verwezenlijkt, namelijk dat de vakbonden en de werkgevers het unaniem erover eens zijn dat het hele systeem op niets trekt. In hun commentaar hebben zij het voornamelijk over de effecten op het loon, de loonberekening en de praktische uitvoerbaarheid, die bijzonder complex is. Dat is echter maar een deel van het verhaal. We mogen ook de gepensioneerden niet vergeten.
De invloed op het pensioen van de centenindex begint al tijdens de loopbaan, dus reeds lang voor men met pensioen gaat. Zo heeft de beperkte indexering van de lonen, de dubbele indexsprong, tot gevolg dat een groot deel van de werkende bevolking een deel van zijn brutoloon misloopt. Dat verlies bouwt verder op gedurende de volledige carrière, aangezien men geen indexering ontvangt op het misgelopen loon. Dat wordt nooit rechtgetrokken.
Deze regering geeft signalen dat zij een aanvullend pensioen verplicht wil maken voor alle werknemers. Maar waarop worden de bijdragen voor dat aanvullend pensioen berekend? Juist, op het brutoloon. Dat is de zoveelste contradictio in terminis van deze regering: de uitbouw van een aanvullend pensioen ondersteunen, maar tegelijkertijd de berekeningsbasis van dat aanvullend pensioen ondermijnen. Zoals Horatius het omschrijft: “Terwijl ze dwaze fouten vermijden, vervallen ze in de tegenovergestelde fout.”
Voorzitter:
Peter De Roover, voorzitter.
Président:
Peter De Roover, président.
Mijnheer de minister, werknemers lopen daardoor niet alleen duizenden euro’s loon mis tegen hun wettelijke pensioenleeftijd, maar ook nog eens duizenden euro’s aanvullend pensioen. Dat is toch sterk werk van een regering die van de daken schreeuwt dat werken zou moeten lonen.
Niet alleen het aanvullend pensioen wordt berekend op basis van het brutoloon, maar natuurlijk ook het pensioenbedrag in zijn totaliteit. De dubbele indexsprong zal er dus voor zorgen dat het pensioen van bepaalde werknemers daalt, aangezien voor de berekening gekeken wordt naar het totale bedrag van het verdiende brutoloon gedurende de volledige loopbaan.
Wie dus nu aan het begin van zijn carrière staat, met een loon van iets meer dan 4.000 euro, krijgt al geen volledige indexering mee. Het is natuurlijk wel makkelijk om te stellen dat dat uitgaat van een statische arbeidsmarkt, waarin niet veel mensen van werk veranderen. Dat klopt, maar iemand die net boven een loon van ongeveer 4.000 euro zit, blijft in de meeste gevallen toch wel een tijdje bij dezelfde werkgever, waardoor het verlies wel cumulatief is. Voor die jaren is er wel degelijk sprake van pensioenverlies op latere leeftijd. Voor die categorie van personen zal de impact van de beslissing van de regering voelbaar zijn gedurende de rest van hun carrière.
Mijnheer de minister, nu kom ik tot de bepaling van de grens van 2.000 euro om een hoog pensioen te definiëren, wat we ook al in de commissie bediscussieerd hebben. Daar valt nog wel een en ander over te zeggen.
Enerzijds communiceert de regering steeds dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen en dat de sterkste schouders de centenindex dus meer zullen voelen. Toen ik u in meer details vroeg over die grens van 2.000 euro bruto en het verschil met werkenden, waar de grens op 4.000 euro werd vastgelegd, antwoordde u uiteindelijk dat het in beide gevallen niet per se gaat over de sterkste schouders, maar wel over gemiddelden. Bij gepensioneerden liggen de mediaan en het gemiddelde dicht bij elkaar. Het komt er dus op neer dat de regering zoveel mogelijk gepensioneerden wil treffen en dat zoveel mogelijk gepensioneerden moeten bijdragen om de bodemloze put die de Belgische begroting is, te helpen vullen.
Voor gepensioneerden geldt hetzelfde principe als voor werknemers. Het pensioenbedrag dat zij verliezen door de indexsprongen krijgen ze nooit terug. Bijgevolg lijden zij ook duizenden euro’s verlies wanneer dat over hun volledige pensioenloopbaan wordt bekeken.
Voor werknemers werd een apart indexmechanisme ingebouwd voor het geval dat de index meer dan 2 % bedraagt. Dat is een bijzonder complexe manier van indexatie, vinden wij. Voor gepensioneerden heeft de regering ervoor gekozen om het eenvoudiger te houden. Pensioenen boven 2.000 euro bruto worden gewoon met 2 % geïndexeerd, ongeacht hoe hoog de effectieve index is. Dat maakt de centenindex op pensioenen misschien wel rechtlijnig en eenvoudig toe te passen, maar over de eerlijkheid van dit systeem zullen we maar zwijgen.
Over eerlijkheid gesproken, deze regering laat ook de groep gepensioneerden met een gezinspensioen in de kou staan. De centenindex, zo bevestigde u zelf meermaals, kent geen uitzondering voor gezinspensioenen. Anders gezegd, ook gezinspensioenen boven 2.000 euro zullen niet langer volledig geïndexeerd worden. Terwijl de impact op gewone gepensioneerden zeker niet te onderschatten is, is de impact nog erger, nog meer uitgesproken, voor mensen die een gezinspensioen ontvangen. Zoals ik al meermaals heb aangehaald, mijnheer de minister, dient een gezinspensioen om met minstens twee personen van te leven. Het feit dat uw regering daar geen rekening mee wil houden, toont aan hoe gezinsvriendelijk uw visie is.
Combineer dit met de tijdelijke opschorting van de welvaartsenveloppe en de indexrem waarbij pensioenen pas na drie maanden geïndexeerd worden en de situatie wordt er voor alle gepensioneerden niet bepaald beter op gedurende deze legislatuur. Wat ons betreft, zal het aantal gepensioneerden in armoede enkel blijven toenemen onder uw beleid.
Uit de antwoorden op de bijkomende vragen die ik stelde, blijkt dat er louter en alleen gekeken zal worden naar het pensioenbedrag van de gepensioneerde, niet naar de andere inkomsten. Dit wil dus zeggen dat personen met een pensioen van minder dan 2.000 euro die daarnaast nog werken of een flexi-job uitoefenen volledig gevrijwaard blijven van de toepassing van de centenindex. Daartegenover staat de grote groep die wel een rustpensioen van meer dan 2.000 euro ontvangt maar niets extra bijverdient. Voor die groep wordt de centenindex wel volledig toegepast. Dat creëert toch een tegenstelling die moeilijk te verantwoorden is?
Aan de ene kant zijn er dus gepensioneerden die bijvoorbeeld 1.800 euro bruto pensioen ontvangen en daarbij gaan werken en daardoor 1.500 euro extra verdienen. In het totaal zitten ze dus ruim boven de grens van 2.000 euro. Aan de andere kant zijn er gepensioneerden met een pensioen van bijvoorbeeld 2.100 euro, wier bedrag niet volledig geïndexeerd zal worden. Mijnheer de minister, dat toont toch aan hoe onlogisch deze maatregel, deze centenindex van uw regering, in elkaar zit.
Als kers op de taart kijkt deze regering apart naar elke gepensioneerde. Stel, men is getrouwd en elke partner heeft 1.800 euro pensioen. Die mensen worden gevrijwaard. Maar iemand die een gezinspensioen van 2.500 euro heeft, mag het bekopen door uw indexsprong.
Wij vroegen u om dat aan te passen. Uw antwoord was dat we het zo alleen maar complexer zouden maken. Mijnheer de minister, het is al uitzonderlijk complex. Het zou zeker niet de druppel zijn geweest die de emmer had doen overlopen, want die was al vol.
Collega's, ik concludeer dat deze centenindex niet alleen voor de werkende bevolking een zware impact zal hebben, maar in het bijzonder ook door een groot deel van de gepensioneerde bevolking zal worden gevoeld. De centenindex op de pensioenen zal de geschiedenisboeken ingaan als een schandalige besparingsoperatie van een regering die weer maar eens geld gaat zoeken bij de gepensioneerde, bij wie nog een spaarpotje heeft.
Uw regering stelt de centenindex voor als een kleinschalige maatregel waarvan de impact zeer beperkt zal blijven, maar over de impact op lange termijn zwijgt u in alle talen. Nochtans zal die impact de huidige bevolking een leven lang blijven achtervolgen. Wie door te werken een pensioen verkreeg van meer dan 2 000 euro, zal door deze regering worden gestraft. Wie een lager pensioen krijgt maar gaat bijklussen, wordt met rust gelaten. Het blijft een tegenstelling die niemand zou mogen verdedigen. Toch is dat exact wat deze regering doet.
Dan wordt ook de hele gezinsdimensie nog buiten beschouwing gelaten. U zegt dat dat te complex zou zijn. Dat is ongezien, mijnheer de minister.
Collega's, we hebben vandaag veel terechte commentaren op de centenindex gehoord. Daarom roep ik u allen op om ook de amendementen van onze fractie op deze programmawet te steunen. De centenindex is niet te verdedigen. U vertrekt vanuit een asociaal overheidsbeleid. Dit raakt gepensioneerden en werknemers in hun koopkracht, heeft een invloed op de rest van de carrière en creëert een waslijst aan tegenstellingen binnen onze samenleving. Daarom zullen wij tegen deze programmawet stemmen, mijnheer de minister.
02.62 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le président, je souhaitais ajouter un élément sur la fiscalité.
Le président: Vous pourrez intervenir après l’intervention de M. Hedebouw
02.63 Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): Mijnheer Jambon, vandaag betogen 75.000 mensen op straat. 75.000 mensen vragen zich af waarom u hen tot 67 jaar wilt doen werken en bovendien nog een malus wilt invoeren, met nog minder pensioen voor de mensen. Vandaag hebt u uw eigen wet moeten uitstellen, dankzij het werk van de oppositie en dankzij de sociale strijd. De pensioenwet wordt uitgesteld.
U legt nu een programmawet voor waarmee u voorstelt om de gepensioneerden weer aan te vallen via de indexering van de pensioenen. Het stond niet in uw programma dat u de gepensioneerden zou aanvallen. Daar ligt toch het democratische probleem van deze programmawet?
Hoe kunt u nu aan het volk zeggen dat u de indexering van de pensioenen zult aanvallen, terwijl niemand daarvoor heeft gestemd? Dat krijgt u niet uitgelegd.
Mijnheer de minister, u hebt zodoende een groot politiek probleem met die pensioenmaatregelen. De legitimiteit om die wetgeving door het Parlement te jagen, is nihil. Dat voelt u vandaag toch? Hebt u het gevoeld op straat? De mensen zeggen dat u zelf eens zou moeten komen werken bij hen, bijvoorbeeld in de postsector, de zorgsector, de staalsector, de bouwsector. Ze vragen dat u zelf eens bij hen komt werken, voordat u van hen vraagt om tot 67 jaar te werken of voordat u de pensioenindexering opnieuw aanvalt.
Mijn vraag is dus heel duidelijk, mijnheer de minister: hoe durft u verder te gaan met uw aanvallen op de pensioenen?
02.64 Minister Jan Jambon: Geachte Kamerleden, voor alle duidelijkheid, we bespreken nu het onderdeel fiscaliteit en pensioenen van de programmawet. Enkele leden maken allusies op andere maatregelen, die in andere wetten en projecten worden behandeld, maar staat u me toe dat ik me beperk tot de programmawet.
En ce qui concerne les mesures énergétiques, nous avons déjà mené ce débat lors de séances plénières antérieures. La mesure énergétique que nous prenons aujourd’hui pour répondre à la crise est de postposer la hausse des accises sur les différents types d’énergie. Nous présenterons au Parlement d’autres mesures déjà décidées au sein du gouvernement.
Het gebeurt hier vaak en het is logisch dat er welles-nietsspelletjes zijn en heel ongenuanceerde posities worden ingenomen door zowel de oppositie als de meerderheid. Ik wil daar enigszins boven staan.
Het is evident dat de regering nog altijd voor een ongelooflijke budgettaire uitdaging staat. Het spook van de budgettaire situatie, als ik dat zo mag benoemen, hebben we nog niet onder controle. Ik heb er geen enkel probleem mee om dat toe te geven. Dat heeft deels te maken met de situatie die wij hebben geërfd en natuurlijk ook deels met de geopolitieke situatie.
Er wordt hier opgemerkt dat wij zoveel uitgeven voor Defensie. Goed, we zijn lid van een club, genaamd de NAVO. De NAVO stelt voorwaarden en er zijn twee mogelijkheden: ofwel voldoen we aan die voorwaarden, ofwel stappen we uit de club. In het verleden heeft België heel dikwijls daarop bespaard en beweerd dat we onze lidmaatschapsvoorwaarden wel in orde zouden brengen. Welnu, deze regering heeft die lidmaatschapsvoorwaarden in orde gebracht, zijnde voldoen aan de 2 %-norm. Dan spreek ik nog niet over andere engagementen die we in de toekomst zullen moeten aangaan, we praten nu over die 2 %. Als wij dat niet doen, betekent dat dat wij uit de NAVO moeten stappen. Uit de NAVO stappen is een legitiem standpunt, maar geen enkele regeringspartij vindt dat een verstandig standpunt is en wij verdedigen dat met de regering dan ook niet. Wij willen in de NAVO blijven, vandaag meer dan ooit tevoren. Dat betekent dan ook dat we de consequentie moeten nemen van de beschermingsparaplu die we over ons halen, waarbij iedereen zijn deel moet bijdragen. Kom dus niet aandraven met het argument dat wij maatregelen nemen om F-35’s en dergelijke te kopen. We willen een loyale partner zijn binnen die vredesbeweging, de NAVO, en komen als dusdanig onze engagementen na. Dat maakt deel uit van het geheel.
Budgettaire uitdagingen zijn er ook door de geopolitieke situatie en de stijging van de intresten. Dat zijn zaken die niet van vandaag op morgen worden opgelost. Die budgettaire uitdaging is fenomenaal. Wij hebben ze nog niet onder controle. Wij zullen daarover de komende weken opnieuw een grote oefening moeten maken.
Ik doe dus niet mee aan het spelletje waarbij wordt beweerd dat alles nu in orde is. Dat is niet waar, dat is niet het geval. De stelling dat er niets gebeurt op budgettair vlak, doet de waarheid echter geweld aan.
Het nadeel van minister van Financiën te zijn in dit land is het volgende. Bij de meeste van mijn collega’s van de Ecofin gaat Financiën over inkomsten en uitgaven. Meestal zijn zij minister van Financiën en Budget.
02.65 Lode Vereeck (VB): In Vlaanderen is dat ook zo.
02.66 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, u haalt mij de woorden uit de mond. Ik wilde net zeggen dat dit ook mijn ervaring op Vlaams niveau is. Daar is de minister van Financiën ook bevoegd voor Budget.
Hier, in dit land, is de minister van Financiën alleen de minister van inkomsten. En dus is het logisch dat ik ofwel met niets naar het Parlement kom, ofwel met belastingen. Al zou ik ook met belastingverlagingen of belastingafschaffingen kunnen komen. Dat is waar.
02.67 Vincent Van Quickenborne (Anders.): (…) (zonder micro)
02.68 Minister Jan Jambon: We zijn nog niet halverwege de legislatuur. Het is inderdaad zo dat hier een aantal inkomstenmaatregelen wordt besproken. We leggen er een aantal voor. Uw ‘flipboekje’ heeft goed gedraaid, mijnheer Van Quickenborne.
Deze regering doet natuurlijk ook een hele reeks hervormingen en een hele reeks besparingen. Ik moet die hier vandaag niet verdedigen, want dat behoort niet tot mijn bevoegdheden. Het gaat over de hervormingen in de arbeidsmarkt, de hervormingen in de pensioenen, de fiscale hervormingen, waarover we volgende week de besprekingen aanvatten. Het gaat ook over de hervormingen van collega Vandenbroucke met betrekking tot de langdurig zieken. Daar is zeker nog werk te doen, dat beseffen we allemaal, ook collega Vandenbroucke. Dat maakt natuurlijk deel uit van het geheel. We moeten echter niet rond de pot draaien, er zitten ook nieuwe inkomstenmaatregelen in.
Er worden allusies gemaakt over ballonnetjes die door partijen worden opgelaten, die door andere deelregeringen opgelaten worden, nieuwe maatregelen. We zullen elke maatregel op zijn merites bekijken. De regering zal de volgende weken en maanden nog een serieuze oefening moeten maken. Sta mij toe dat ik niet elke uitspraak becommentarieer. Dat zullen we wel op het gepaste moment doen. Het voordeel van de uitgebreide commissievergaderingen is dat er inhoudelijk heel veel besproken is. Ik wil echter toch nog ingaan op een aantal punten die hier gerezen zijn.
Mijnheer Vanbesien, u sprak over de inwerkingtreding van de verzekeringstaks. Er is continu overleg geweest met de verzekeringssector, dus die inwerkingtreding is ook voor de sector niet onverwacht. Het zijn inderdaad de verzekeraars zelf die de te veel ingehouden taks zullen moeten terugbetalen. Er is tot op vandaag ook nog geen wettelijke grondslag om die taks te heffen. Er zijn aankondigingen, er is een regeerakkoord, maar er is nog geen wettelijke grondslag. Als er al geïnd is, zal men inderdaad moeten terugbetalen. Er zijn trouwens ook tal van verzekeringsondernemingen die de verhoogde belasting nog steeds niet en dus correct hebben geïnd. Dat is de verantwoordelijkheid van die maatschappijen zelf.
U haalt aan wat de eerste minister over de vliegtaks heeft gezegd. Ik denk dat hij gewoon terecht heeft gezegd dat bij elke begroting, bij elke begrotingscontrole voorstellen op tafel kunnen komen en dat we die dan op hun merites bekijken. Er is inderdaad langs Waalse kant aan de alarmbel getrokken over de vliegtaks en de invloed ervan op Charleroi. Dat moet allemaal worden bekeken. Het staat iedereen vrij om voorstellen te doen. Het zal aan ons zijn, aan de regering, om een evenwichtig pakket samen te stellen.
Mijnheer Van Quickenborne, u vraagt mij om commentaar te geven op de campagne van een van de partijen van de meerderheid. Ik zal dat niet doen, maar ik deel wel voor 100 % uw positionering van de ondernemer in dit land. Elke euro die wij hier mogen uitgeven als overheid, ook de lokale overheid, is een euro die wordt gegenereerd in het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven bestaat uit ondernemers die risico's nemen. Die analyse deel ik volledig met u. We moeten dat ondernemerschap koesteren, we moeten die mensen helpen om te ondernemen.
Als ik praat met ondernemers – ik praat ook veel met ondernemers – dan krijg ik ook daar een genuanceerd beeld. Ik kom geen ondernemers tegen die over de hele lijn klagen. Ik kom geen ondernemers tegen die over de hele lijn euforisch zijn. Ik kom ondernemers tegen die aangeven dat ze gerust bereid zijn om een bijdrage te leveren. Iedereen moet in de situatie waarin we zitten een bijdrage leveren. Ze zeggen dat we van hen dus ook een inspanning mogen vragen. Als ze naar de regering kijken en de hervormingsagenda zien die we voorleggen op het vlak van arbeidsmarkt, pensioenen, arbeid minder belasten en eindelijk de langdurig zieken aanpakken, dan willen de werkgevers ook hun bijdrage leveren en hun verantwoordelijkheid opnemen. Ze geven aan dat ze in heel dat pakket hun bijdrage willen leveren.
Het is dus aan ons als regering om onze verantwoordelijkheid te nemen en dat hele pakket ook waar te maken, met de ins en outs voor het bedrijfsleven. Dat doen we, denk ik, dagelijks. Die hervormingsagenda wordt uitgevoerd. De arbeidsmarkt is voor een groot gedeelte hervormd. Ik had gehoopt dat we vandaag, mijnheer de voorzitter, het debat over de pensioenen hadden kunnen aangaan, maar dat zal dan voor de nabije toekomst zijn. Die pensioenhervorming ligt op tafel, de fiscale hervorming ligt op tafel. We zullen daar volgende week aan beginnen. Die hervormingstrein staat dus op de sporen. We moeten inderdaad de twee kanten van de medaille bewaken en in het oog houden.
U hebt het over de bedrijfsvoorheffing, een van die bijdragen die we vragen. Daartegenover moet u ook bekijken wat we rond nachtarbeid hebben gedaan. Het verbod op nachtarbeid is eindelijk ingetrokken. Waar zijn we nu mee bezig? Het dossier van de ploegenarbeid is nog niet ingediend in het Parlement, maar wordt voorbereid. De hele discussie rond ploegenarbeid die u kent, gaat over de vraag wanneer een ploeg een ploeg is. Men heeft daar nog eens een circulaire-bis over rondgestuurd. Er is ter zake enorm veel discussie gaande en er heerst onzekerheid voor de bedrijven. Welnu, dat is ook een project van deze regering.
We zijn ermee bezig om ploegenarbeid minder rigide te maken dan vandaag het geval is. Een van de discussiepunten is bijvoorbeeld of elke ploeg evenveel werknemers moet tellen. Bij bandwerk is dat het geval. Zo zijn de ploegen bij de assemblage van auto's hetzelfde. In bijvoorbeeld de havens is het echter niet noodzakelijk dat zich op elk moment of elk tijdvak van de dag evenveel schepen aandienen. Daar kunnen ploegen variabel zijn, afhankelijk van de activiteiten. Die discussies voeren we volop met de sector en daar zullen ook besluiten uit voortkomen. Het gaat opnieuw om een evenwicht. Langs de ene kant vragen we bijdragen van de ondernemingen, maar langs de andere kant luisteren we ook naar hen en proberen we wetgeving bij te sturen die het vandaag moeilijker maakt om te ondernemen.
De VVPR-bis, de liquidatiereserve en de tariefverhoging zijn in de commissie al uitvoerig besproken. We hebben telkens gezegd dat iedereen een bijdrage aan de begroting moet leveren. Daartegenover staat bijvoorbeeld de geplande verlaging van de loonkosten voor de werkgevers met 1 miljard euro tegen 2029. Dat maakt deel uit van diezelfde balans.
Het regime van de liquidatiereserve en het VVPR-regime blijven echter overeind en blijven nog altijd aantrekkelijk. De verhoging van 15 % naar 18 % is in het grotere geheel geen grote revolutie. Het blijft nog altijd voordelig ten opzichte van het algemene tarief van 30 % roerende voorheffing. Bovendien wil ik benadrukken dat de liquidatiereserve bij de vereffening van de vennootschap nog altijd kan worden uitgekeerd aan 0 %. Dat blijft dus bestaan.
Mijnheer de voorzitter, de tussenkomsten over de pensioenen zijn in de commissie al uitgebreid besproken. Ik heb daar vandaag geen nieuwe elementen over gehoord. Mijnheer Hedebouw, ik durf de pensioenhervorming absoluut te verdedigen tegenover iedereen. Het gaat om een hervorming die rekening houdt met de periodes waarin men effectief heeft gewerkt. We proberen de drie stelsels in dit land niet een op een gelijk te schakelen, maar wel meer te harmoniseren. Tegelijk willen we niet de kosten van de vergrijzing doen dalen, maar wel de kostenstijging van de vergrijzing wat milderen. Een pensioenhervorming met die uitgangspunten durf ik gerust te verdedigen.
Ik heb respect voor de mensen die vandaag op straat zijn gekomen. Tegelijk blijkt uit veel enquêtes die in Vlaanderen zijn gevoerd, dat 70 % van de mensen beseft dat hervormingen nodig zijn om de pensioenen betaalbaar te houden. Dat debat zullen we binnen veertien dagen zeker nog in deze assemblee voeren.
De voorzitter: Voor de replieken kijk in eerste instantie naar de heer Vereeck.
02.69 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, u ging het alleen maar over de financiën hebben, maar vervolgens had u het over de F-35, de rentelasten, de arbeidsmarkt, de langdurig zieken, de pensioenen en de ballonnetjes van andere partijen. Ik zou het met u echt wel eens willen hebben over wat we op tafel hebben gelegd in de artikelen 19 tot 31, namelijk de beperking van de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing op lonen voor ploegen- en nachtarbeid. Het is goed dat u verder aan die voorwaarden werkt, maar een bedrijf als Volvo voldoet al aan die voorwaarden en heeft dus ploegen- en nachtarbeid. Om duidelijk te maken wat voor een koterij dit eigenlijk is: de vrijstelling wordt beperkt tot 97 % in 2027, 93,35 % in 2028 en 95,90 % in 2029. Dat betekent dus dat een bedrijfsvoorheffing moet worden doorgestort ten bedrage van 3 % van de bezoldigingen in 2027, 6,55 % in 2028 en 4,10 % in 2029. Dat is één grote koterij en vooral een lastenverhoging.
U hebt met de mensen van Volvo Car Gent rond de tafel gezeten. Is dit besproken? Weten zij dat er een substantiële belastingverhoging op de lasten op arbeid op hen afkomt? Hoe kunt u dat in godsnaam rijmen met uw beleid om de lasten op arbeid te verlagen? Ik begrijp dat niet. Daar is nog nooit op geantwoord, niet door u en niet door de andere collega’s. Ik wil daar nu graag eens een antwoord op. Hoe rijmt u dat met uw idee dat de lasten op arbeid moeten verlagen?
02.70 Hugues Bayet (PS): Monsieur le président, je ne comptais pas répondre, mais nous avons bien compris que les travailleurs allaient continuer à payer, et pas les plus riches. Ça, c'est clair, monsieur le ministre. Vous l'assumez.
Par contre, ce que je viens d'entendre est surréaliste. Vous nous dites que nous sommes obligés de dépenser en défense, parce que si nous n'atteignons pas les 2 %, nous sortons de l'OTAN. Est-ce une blague?
Monsieur le ministre, rappelez-vous, qui a mis à terre la Défense? C'est votre collègue, qui est toujours notre président de commission, M. Vandeput. Si vous voulez que nous en débattions, il n'y a pas de problème. Nous avons tous les chiffres. Sommes-nous sortis de l'OTAN à l'époque? C'est une blague! Ce que vous faites ici, c'est dépenser de l'argent, que vous n'avez pas, dans des armements, sans marché public, sans concurrence, juste pour faire plaisir à Theo Francken ou à Trump, je n'en sais rien.
Il faut arrêter de raconter n'importe quoi, monsieur le ministre! Un peu de sérieux ferait du bien.
02.71 Nabil Boukili (PVDA-PTB): Monsieur Jambon, je ne comptais pas répliquer, parce que dans votre réponse sur les questions que je vous ai posées sur les accises, vous gardez le même discours qu'avant. Par contre, vous m'avez interpellé quand vous avez justifié les dépenses militaires. Vous avez dit: "C'est l'OTAN. Nous faisons partie du club. Ce sont les règles du club."
Ce n'est pas l'OTAN, parce que si c'était l'OTAN, nous serions partie à la décision. Ce sont les États-Unis qui imposent les dépenses militaires. D'ailleurs, ce n'est pas juste le PTB qui le dit. Avez-vous entendu ce qu’a dit M. Rutte, secrétaire général de l'OTAN, à propos de l'OTAN? Il a dit que "c'est la plateforme pour la projection des intérêts américains dans le monde".
Quoi, vous rigolez? Cela vous fait rire? Moi, cette déclaration m'inquiète. Vous, elle vous fait rire. Quand le secrétaire général de l'OTAN dit que l'OTAN est la plateforme pour défendre les intérêts stratégiques américains dans le monde, c'est inquiétant.
Nous dépensons notre argent. Nous allons piocher dans les pensions, dans la sécurité sociale, pour financer des achats militaires, notamment des F‑35, parce que vous dites que cela nous est imposé par l'OTAN. Mais avons-nous besoin de ces F-35? En avons-nous besoin?
Nous avons déjà acheté 34 F-35 avec la Suédoise. Notre espace aérien n’en supporte pas plus que deux. Nous ne pouvons pas faire voler plus de deux F-35 dans notre espace aérien. Ce n'est pas moi qui le dis, mais les spécialistes de défense. Nous en avons acheté 34 et vous, vous trouvez aujourd'hui que ce n'est pas suffisant et qu’il faut en acheter 11 de plus.
Dans le même temps, vous augmentez les accises sur le carburant et le gaz, en impactant les travailleurs. Dans le même temps, vous attaquez les pensionnés, vous imposez un malus pension à des gens qui ont travaillé toute leur vie, pour justifier des dépenses militaires imposées par Trump.
Pourquoi les impose-t-il? Nous n'avons pas
besoin de ces dépenses militaires. Que faire de 45 F-35 dans un espace aérien
qui n'en supporte pas plus que 2? C'est pour des missions à l'étranger. Ce que
fait l'OTAN, c'est défendre les intérêts stratégiques américains dans le monde,
et c'est pour cela que nous achetons ces armes, pas parce que nous en avons
besoin. Nous les achetons pour faire tourner les boîtes de l'armement
américain, comme Lockheed Martin qui va toucher le jackpot grâce aux F-35 que
nous allons acheter, et ensuite, pour répondre aux besoins des États-Unis
d'utiliser nos armées pour défendre leurs intérêts dans le monde, comme ils
l'ont fait au détroit d'Ormuz, où ils ont demandé à tout le monde de
participer, ainsi qu'en Afghanistan, en Irak et en Lybie. C'est cela que vous
voulez financer avec notre sécurité sociale. C'est scandaleux! Ce choix
politique que vous faites appauvrit la population et nous amène droit dans le
mur et vers une troisième guerre mondiale. Nous ne partageons pas ce choix et
allons le combattre. Monsieur
le ministre, ce combat ne s'arrêtera pas aujourd'hui.
02.72 Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, u hebt op twee punten van mijn betoog gereageerd en ik wil daarop ook graag nog repliceren.
Het eerste punt betreft de verhoging van de verzekeringstaks. U zegt terecht dat een aantal verzekeringsmaatschappijen de vernieuwingen te vroeg heeft uitgestuurd, terwijl er nog geen wettelijke basis was. Dat klopt. Die wettelijke basis is er vandaag ook nog niet en die zal er morgen ook nog niet zijn. Die zal er ten vroegste eind volgende week zijn. De sector zegt dat zij die vernieuwingen een of twee maanden op voorhand moet uitsturen en dat ze altijd van het kabinet te horen heeft gekregen dat het 1 april 2026 zou zijn. U zegt dat degenen die die hogere belasting te vroeg hebben geheven, zelf zullen moeten zorgen voor de terugstorting aan hun klanten.
U hebt daarnaast ook gezegd dat er zijn die terecht wachten op een wettelijke basis, maar als we de berekening nemen die ik daarnet heb gemaakt, dan zal die wettelijke basis er zijn rond 28 mei en zal die taks drie dagen later in werking treden. Dat is dan weer te laat om de hernieuwingen voor de maand mei tijdig te kunnen versturen. Waarschijnlijk zullen die verzekeringsmaatschappijen de hogere belasting, die dan wel een wettelijke basis heeft, niet hebben gevraagd en zullen zij op hun beurt hun klanten moeten contacteren om wat extra belasting te vragen.
In elk geval is de manier waarop die verhoging wordt ingevoerd problematisch voor beide groepen van verzekeringsmaatschappijen. Ik begrijp dus echt niet waarom u de terechte en redelijke vraag van de sector hebt genegeerd. Dat had alles veel eenvoudiger en duidelijker gemaakt.
In een tweede punt wil ik ingaan op uw opmerking over de vliegtaks. U hebt gezegd dat iedereen steeds voorstellen op tafel mag leggen en dat er nog altijd nieuwe voorstellen kunnen komen. Dat is toch niet echt ernstig. Morgen laat u ons bij de stemming een verhoging van de vliegtaks goedkeuren, maar u zegt dat iedereen voorstellen op tafel mag leggen om die verhoging opnieuw af te schaffen. Dat is niet echt een goede manier van beleid voeren. Dat is trouwens ook niet wat de Waalse minister-president heeft gezegd. De minister-president van Wallonië heeft gezegd dat hij een akkoord heeft met de eerste minister dat de wijzigingen die morgen worden goedgekeurd, nooit zullen worden uitgevoerd, maar teruggedraaid zullen worden vóór die taks in werking treedt. Zegt u dan dat de Waalse minister-president de waarheid niet spreekt? Wat is het nu precies? Waar zijn we nu eigenlijk aan toe?
02.73 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je suis quand même étonnée de ne pas vous entendre réagir sur la dimension énergie du package de réforme fiscale, alors que c’est pourtant le sujet du moment. La situation actuelle est embarrassante. Vous avez mis des semaines avant d’apporter une petite solution. En réalité, vous espériez que la crise passe toute seule, afin de ne pas devoir ouvrir le portefeuille. Or l’État belge, en ce moment même, en ne faisant rien, gagne de l’argent. Il se comporte comme un rentier qui engrange des recettes grâce, tout simplement, à l’augmentation du prix à la pompe et à l’augmentation des factures énergétiques. C’est de l’argent qui rentre tout seul. Vous avez donc intérêt à laisser la situation se dégrader et à contraindre les ménages à se débrouiller seuls et à trouver des solutions comme puiser dans leur épargne pour pouvoir continuer à rouler en voiture ou à payer leurs factures d’énergie.
Tout le monde ne peut pas, du jour au lendemain, passer d’une installation au gaz à une installation électrique. Il est incompréhensible que l'on mette en place de telles mesures alors qu'il faudrait accompagner les citoyens. Que font les gouvernements wallon et bruxellois? En fait, ils suppriment les mesures d’accompagnement des ménages qui leur permettraient de s’inscrire dans la transition et de réduire leur consommation. C'est extrêmement grave ce qu'il se passe en matière d’anticipation, d’autonomie énergétique et d'implication des ménages dans cette transition et le fait qu'on fasse payer la facture aux citoyens.
Certes, il y a eu deux ou trois mesures, notamment une mesure particulièrement alambiquée qui passe par des mécanismes via l’employeur. Mais les déplacements nécessaires ne se limitent pas au cadre du travail. Lorsqu'on conduit les enfants au foot, même en covoiturage, il faut de l’essence. Quand on va faire les courses, il faut de l’essence. Mais quand une maman fait le taxi le mercredi après‑midi pour conduire les enfants à la gymnastique, à la danse ou chez le dentiste, ce sont aussi des déplacements légitimes, qui deviennent aujourd’hui impossibles pour certains parents. Quand une mère qui a un enfant en situation de handicap doit le conduire dans une institution située à 100 kilomètres de son domicile, elle est aussi en droit d’attendre un soutien de l’État. Ce sont des déplacements qu’elle doit effectuer et qui l’appauvrissent aujourd’hui.
J'estime que votre manière de gérer cette crise énergétique est catastrophique. Ne parlons même pas des actes commis sur le plan énergétique, avec le retrait de l'appel d'offres pour l'éolien offshore – nous parlerons la semaine prochaine en commission de l'Énergie du lancement de cet appel. C'est quand même un scandale! On a fait perdre à ce projet, dont nous avons pourtant cruellement besoin, des mois voire des années de développement, alors que nous voyons bien quelle crise nous sommes en train de traverser. Et cela ne va pas en rester là. Demain, le prix à la pompe va encore augmenter. Cette crise est donc bien partie pour durer, sans que nous sachions combien d'autres suivront. Je vous le demande: êtes-vous en train de vous préparer à une nouvelle crise dans six mois, dans un, deux ou trois ans? Vu la situation géopolitique et géostratégique, nous avons cruellement besoin d'anticipation et d'initiatives pour éviter que les ménages ne s'appauvrissent sous l'effet des crises. Or, en ce moment, vous êtes uniquement en train de vous servir du portefeuille des citoyens comme d'une marge d'ajustement. Ce n'est vraiment pas correct.
En parallèle, une toute petite mesure vise les plus hauts patrimoines, qui sont à peine mis à contribution. La taxe sur les comptes-titres passe ainsi de 0,15 à 0,3 %. C'est le seul petit effort qu'on demande aux plus gros patrimoines, alors que, selon la FSMA, ils géraient 250 milliards d'euros d'actifs en 2025. Il existe un énorme volume d'argent. On peut donc légitimement demander à ces personnes de contribuer un tout petit peu. Mais vous vous y refusez à nouveau.
Des solutions existent en vue d'une véritable transition et d'une authentique justice fiscale. Toutefois, ce gouvernement continue de refuser de prendre de telles mesures et de récupérer les surprofits sur le plan énergétique.
02.74 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, wij zullen de minister nog even bevragen in de formule 1-1-1, collega Coenegrachts, collega Di Nunzio en ikzelf.
De voorzitter: Vooraleer we dat aanvangen, geef ik het woord aan de minister om te antwoorden op de vragen die nu gesteld zijn. Collega De Smet is niet aanwezig, dus ik neem aan hij niet zal tussenkomen.
02.75
Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, er is nog
geen besluit genomen met betrekking tot Volvo. De taskforce is nog aan de gang,
maar voor Volvo geldt wat voor alle ondernemingen met ploegen- en nachtarbeid
geldt. Ja, zij beseffen wat we daar op tafel leggen. Ja, zij zijn ook vragende
partij voor een versoepeling van de nachtarbeid. Dat is al goedgekeurd in dit
Parlement. We werken ook aan een wettelijke verduidelijking inzake
ploegenarbeid. De bedrijven kunnen zich in die constellatie vinden, maar ik
herhaal dat het werk met betrekking tot Volvo nog niet is afgerond. Men is daar volop mee bezig.
Monsieur Boukili, je ne sais pas si c'est ici l'endroit pour débattre de notre politique de défense. Je n'en suis d'ailleurs pas le grand spécialiste – nous en avons un dans nos rangs –, mais je tiens à faire quelques commentaires.
D'abord, sur 100 euros dépensés, on passe d'une augmentation de 1,3 à 2 euros pour la défense, alors que pour les pensions, c'est plus de 20 euros. Si l'on met cela en perspective, c'est 10 fois plus.
Ensuite, comme vous le savez, le F-35 n'est pas
uniquement pour notre territoire. Au sein de l'OTAN, certains pays ont des
avions de chasse ou des tanks, d'autres se spécialisent dans le maritime. Ce
sont les obligations de l'OTAN. Theo Francken peut vous expliquer comment le
programme se fait. Notre engagement au sein de l'OTAN pour ce qui est du F-35
dépasse donc naturellement notre propre territoire. C'est clair, c'est notre fonction au sein de
l'Alliance.
Mijnheer Vanbesien, ik kan enkel zeggen hoe er binnen de regering over bepaalde dingen wordt gesproken. Ik stel voor dat u rechtstreeks aan de eerste minister vraagt wat er tussen hem en de minister van het Waals Gewest is afgesproken, maar het lijkt me logisch dat bij het opstellen van een begroting alle mogelijke voorstellen op tafel komen en dan is het aan de regering om daar een evenwichtig pakket van te maken. Dat is het enige wat ik daarover wou zeggen.
Mijnheer de voorzitter, ik kijk uit naar de vragen van de collega’s van Anders.
De voorzitter: En naar de replieken, maar eerst is het aan de collega’s van Anders.
Nee, u bent in deze ronde nu aan de beurt. De replieken komen nadien. Om een of andere reden wilt u per se het laatste woord. Na Ecolo-Groen is Anders. aan de beurt.
02.76 Sandro Di Nunzio (Anders.): Dank u wel voor uw antwoorden, mijnheer de minister. Het siert u dat u over de budgettaire uitdagingen niet alleen verwijst naar het verleden en zegt dat ze daaraan te wijten zijn, maar ook erkent dat ze deels het gevolg zijn van beleidsbeslissingen die deze regering neemt.
Ik wil het even hebben over dat interne document van de minister van Begroting dat we hebben gezien: de oplijsting en de oefening nullijn. Dat betreft het verschil tussen de geplande besparingen en wat effectief gerealiseerd zal worden. De fractieleider van uw partij, de heer Ronse, sprak over het strengste asiel- en migratiebeleid ooit, maar dat blijkt nu ook het duurste begrotingsprobleem van de regering te worden. We zien immers dat er een gat is van 1,3 miljard euro tussen wat de regering beloofde en wat effectief gerealiseerd zal worden. In totaal, als we de volledige tabel bekijken, gaat het over 3,8 miljard euro minder ontvangsten.
Hoe ziet u dat? Waar zit de fout? Hoe gaat de regering dat oplossen? Ik dank u.
02.77 Minister Jan Jambon: De oplossing zit niet in deze programmawet. De oplossing zal moeten worden gezocht bij het opstellen van de begroting voor 2027 en de volgende jaren. Sommige lijnen vallen beter uit dan we hadden geschat. Spijtig genoeg zijn dat er niet genoeg. Wat mij betreft hadden er meer lijnen beter mogen zijn dan verwacht. Bij andere lijnen is het dan weer moeilijker.
Dat zal bij elke begrotingsoefening en elke begrotingscontrole de opdracht van de regering zijn: nagaan waar we afwijken en waar we moeten bijsturen. De lijn die u aanhaalt, is daar een voorbeeld van.
02.78 Sandro Di Nunzio (Anders.): Dank u wel, mijnheer de minister. Ik volg in de commissie asiel en migratie op. Wat mij daar ongelofelijk stoort, is de aankondigingspolitiek rond het strengste asiel- en migratiebeleid ooit, met zogezegd minder instroom, meer terugkeer en lagere opvangkosten. Wat we zien, is dat er effectief minder instroom is, maar vooral veel communicatie en toch een gigantisch budgettair tekort. Daarom wil ik dat hier toch benoemen. Maak werk van die besparingen, ook op het vlak van asiel en migratie. Wat wij hier horen, ook in de programmawet, gaat alleen over extra belastingen, terwijl er net bespaard moet worden waar dat nodig is. Ik dank u.
02.79 Steven Coenegrachts (Anders.): Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de verhoging van de accijnzen op gas en de verlaging van de accijnzen op elektriciteit. Dat is een beleidsmaatregel die op goed beleid lijkt, maar zoals zo vaak bedriegt de schijn. U verhoogt immers de accijnzen op gas meer dan u ze op elektriciteit verlaagt. Het gaat dus niet om een verschuiving van belastingen, maar om een effectieve belastingverhoging. Dat is ook een van de redenen waarom wij de programmawet niet zullen goedkeuren.
De verhoging wordt nu uitgesteld tot 1 augustus 2026. Dat is een datum waaraan ik kop noch staart krijg. Mijn vraag is dus, ten eerste, waar die datum vandaan komt. Wie heeft hem bepaald en waarom werd 1 augustus 2026 gekozen?
Ten tweede, hoeveel minderopbrengsten zullen worden gerealiseerd ten aanzien van uw verwachting door dat uitstel tot 1 augustus 2026?
02.80 Minister Jan Jambon: Die datum is tot stand gekomen na overleg binnen de regering. Wij maken een inschatting van hoelang de crisis en de druk op de aardgasprijzen zullen aanhouden. Wij willen vooral ervoor zorgen dat elke maatregel die wij treffen – dat zult u ook zien bij de maatregelen rond het woon-werkverkeer –, eindig wordt in de tijd. Als die termijn dan verstrijkt en de crisis nog voortduurt, kan opnieuw worden beslist om de maatregelen te verlengen. Op die manier moet niet automatisch een beslissing worden genomen om ze op een bepaald moment stop te zetten. Dat is dus een inschatting van de situatie.
Over de budgettaire gevolgen daarvan hoop ik dat mijn medewerkers ze hier neerschrijven want ik ken ze niet uit het hoofd. Misschien kan ik u in de loop van het debat nog op die vraag antwoorden.
02.81 Steven Coenegrachts (Anders.): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw poging tot een volledig antwoord.
Waar die datum natuurlijk vandaan komt of waarop het alleszins lijkt, is het volgende. Neem een datum in de zomer. In dat geval zijn wij zeker dat de verhoging van die accijnzen ingaat in de herfst wanneer de mensen hun verwarming opnieuw aanzetten. Vandaag staat thuis alleszins de verwarming uit en waarschijnlijk blijft ze uit gedurende de zomer. Ik heb dus niet veel aan het uitstel van uw accijnsverhoging. Echter, op het moment waarop ik er wel iets aan zou hebben, gaat die verhoging in.
Daarom durven uw medewerkers het bedrag op dit moment waarschijnlijk ook niet intikken, omdat het om een heel erg kleine minderopbrengst zal gaan. De grote opbrengst komt immers pas in de herfst en de winter. Dan zullen de mensen het voelen, want dan zullen die accijnzen wel verhogen.
02.82 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik wil het nog even hebben over de roerende voorheffing, de VVPR-bis. Kent u Thomas Guenter? Hij is de snelst groeiende financiële speler van ons land. Hij heeft het volgende geschreven: “Als de roerende voorheffing voor kleine vennootschappen naar 20 % gaat, stop ik met ondernemen en ga ik voor de overheid werken.” Dat heeft hij op LinkedIn gezegd en hij meent het.
Mijnheer de minister, mijn vraag is heel eenvoudig. Kunt u hic et nunc garanderen dat u na die twee verhogingen in programmawet 1 en programmawet 2, de roerende voorheffing voor die kleine vennootschappen niet nog eens zult verhogen?
02.83 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, eerlijk, als de verhoging naar 20 % tot gevolg zou hebben dat meer ondernemers voor de overheid zouden gaan werken, zou dat misschien nog een interessante insteek zijn en de overheid ten goede komen.
Alle gekheid op een stokje, ik denk dat er aan alles bovengrenzen zijn. We hebben met betrekking tot VVPR-bis al twee keer belastingmaatregelen genomen. Op een bepaald moment houdt het ook op. Ik zal dus geen verhoging van die 18 % verdedigen.
Als het de trigger zou zijn voor mensen met een ondernemingsgeest om voor de overheid te komen werken, dan verleidt u me misschien. Dat laatste was een grapje.
02.84 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, dit is een interessant debat. De minister zegt hier eigenlijk dat men dat niet zal toelaten. Dat is duidelijk. Dat is positief nieuws. Mensen weten dan dat aan die 18 % niet meer zal worden gesleuteld.
Dan richt ik mij natuurlijk tot de collega’s van Vooruit. Ik ga het voorbeeld van Michiel nog eens tonen. Mijnheer Bertels, ik zal het blijven tonen, zodat u dergelijke zaken niet meer post. U moet beschaamd zijn. De heer Seuntjens is hier ook terug.
Michiel heeft een eigen vennootschap. Hij heeft miljoenen op de rekening en een dikke Porsche voor de deur, mijnheer Seuntjens, mijnheer de fractieleider. Die mensen, die ongelooflijk veel welvaart creëren, zijn blij om dat te horen.
Dit is echter een belofte van de minister van Financiën, collega’s. Het is geen belofte van Arizona. Men had ook beloofd om de taks op de effectenrekeningen niet te verdubbelen. Men heeft het toch gedaan. Men had ook beloofd om de taksen niet te verhogen, maar men heeft het toch gedaan, mijnheer Bouchez.
Mijnheer de minister, begrijp dat ik toch nog enig wantrouwen heb ten aanzien van uw belofte.
02.85 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, ik kom nog even terug op de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. Met andere woorden, ploegen- en nachtarbeid wordt duurder. U zegt dat men dat allemaal in zijn geheel moet bekijken en dat er ook maatregelen zijn die ploegen- en nachtarbeid versoepelen. Die versoepeling geldt echter niet voor de industrie, maar voor de distributie- en pakjessector.
Ik stel mijn vraag opnieuw. Gelet op het feit dat ploegen- en nachtarbeid duurder wordt, wat hebt u eigenlijk tegen die mensen van Volvo Car Gent gezegd? Wat hebt u die industrie te bieden? Wat is er in die taskforce al besproken? U bent die industrie, en dan vooral de maakindustrie, het land uit aan het jagen. Met wat u nu doet en met wat hier allemaal beslist wordt, tekent u in feite het doodsvonnis van Volvo Car Gent, want de CEO heeft zelf gezegd dat arbeid te duur wordt. Ik wil dus nu weten hoe dat rijmt met uw beleid om die industrie hier te verankeren en om Volvo Car Gent hier te verankeren. Ik hoop eindelijk een inhoudelijk antwoord te krijgen.
02.86 Minister Jan Jambon: Op dezelfde vraag kan ik alleen maar hetzelfde antwoord geven. Ploegenarbeid is wel degelijk iets wat Volvo Gent interesseert. Dat is niet alleen voor de distributiesector. Voor de rest zijn we met Volvo Car Gent nog altijd aan het werk en zal ik daarover nog geen uitspraken doen.
02.87 Lode Vereeck (VB):
Mijnheer de minister, de hervormingen inzake ploegen- en nachtarbeid gelden toch voor de distributiesector? Ontkent u dat?
02.88 Minister Jan Jambon: Wat heeft het voor zin dat ik u antwoord als u niet naar mijn antwoord luistert? Ik heb u gezegd dat we momenteel nog iets voorbereiden rond ploegenarbeid en dat we daar vervolgens meer naar het Parlement zullen komen. Dat heb ik toch met zoveel woorden gezegd. Ik weet niet of u mij nu gehoord hebt, mijnheer Vereeck. We zullen nog met die voorstellen rond ploegenarbeid naar de Kamer komen zodra die klaar zijn. Die teksten zijn er dus nog niet, maar zullen nog komen.
02.89 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, het gaat niet alleen over ploegenarbeid, maar ook over nachtarbeid als we het, zoals in dit geval, over de volcontinue maakindustrie hebben. Mijn vraag is: wat komt er op dat vlak aan? Datgene wat u er hier vandaag wilt doorjagen, biedt naar mijn mening geen oplossingen. Zult u meteen maatregelen nemen om dat te compenseren?
Ik vrees, aangezien de premier heeft gezegd dat zijn deur altijd openstaat, dat het iets à la tête du client zal worden, een soort van bedrijfsspecifieke regeling.
U komt dus met een regeling voor de hele industrie, en niet enkel voor de ploegenarbeid of voor de nacht? Niet alleen inzake de voorwaarden voor wat een ploeg is, en dergelijke meer? Ik heb dat allemaal gelezen. Dat is inderdaad soms complex. Soms is één arbeider te weinig om als ploeg te worden erkend. Dat ken ik allemaal. Maar nogmaals, daarover gaat het hier niet. Hier gaat het over de loonkosten. Ik begrijp dat die worden verhoogd. Dat is de reden waarom Volvo Car Gent uiteindelijk, door uw beleid, het land zal verlaten.
02.90 Ellen Samyn (VB): Ik wil nog repliceren op iets uit de eerste ronde.
Mijnheer de minister, ik vind het een beetje spijtig dat u niet geantwoord hebt op een aantal vragen die ik gesteld heb. U verwees gewoon naar het debat in de commissie waar het ging over de impact van de centenindex op pensioenen. Aangezien u niet antwoordt, hoop ik dat de reden enigszins de schaamte is omdat u weet dat mensen met 2.000 euro bruto pensioen niet de sterkste schouders zijn. Ik hoop ook dat het ook een beetje uit schaamte is wegens de mensen die een gezinspensioen ontvangen.
In uw antwoord verwees u naar een hele opsomming, waarover mijn collega Lode Vereeck het al had. U sprak over moeilijke budgettaire uitdagingen en u haalde allerlei zaken aan. Maar u hebt zelfs niet geluisterd naar de besparingsvoorstellen van het Vlaams Belang. Wij kunnen u 15 miljard aan besparingen voorstellen. Misschien had u daar beter naar geluisterd.
Dat is ook een beetje typisch voor u. U zei dat u de minister van Financiën bent, niet de minister van Begroting. U doet dat ook soms in de commissie door te zeggen dat u niet de minister van Werk of niet de minister van Sociale Zaken bent. Maar u maakt wel wetten. U moet toch spreken met uw collega’s, mag ik hopen? U moet toch met hen overleggen? U kunt onze vragen niet altijd afwimpelen met te antwoorden dat u als minister niet bevoegd bent.
Met alle respect, uw antwoord volstaat niet voor de gepensioneerden. Hoe kunt u uitleggen aan de gepensioneerden met een pensioen van meer dan 2.000 euro – de mediaan, ongeveer 50 % van de bevolking valt eruit en 50 % betaalt mee – de sterkste schouders zijn? U kunt dat gewoonweg niet uitleggen.
02.91 Minister Jan Jambon: Ik val wederom in herhaling. Het is de zoveelste herhaling. Ik heb nooit gezegd dat wie een pensioen hoger dan 2.000 euro heeft, valt onder de sterkste schouders. Wij nemen andere maatregelen om de sterkste schouders te doen bijdragen. De regering heeft er wel voor gekozen om voor die centenindex, zowel bij de lonen als bij de uitkeringen, het mediaanbedrag te nemen als clipping point. Dat heeft niets te maken met de sterkste schouders.
02.92 Ellen Samyn (VB):
De conclusie is dat alle schouders worden geraakt, of ze nu sterk zijn of zwak.
Dat is uw hervorming.
02.93 Nabil Boukili (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, nous ne mènerons pas le débat de la défense ici, nous le menons déjà assez avec M. Francken. Le débat est intéressant cependant, parce que vous dites, et c’est bien de l’avouer, que les achats en matière de Défense servent à répondre aux obligations vis-à-vis de l’OTAN et ne sont pas destinés à la Belgique, mais pour des interventions extérieures. Et c’est bien là que se situe le problème: on nous a dit qu’il fallait augmenter le budget pour nous défendre, pas pour attaquer ailleurs. Vous achetez des F-35 pour attaquer. Vous vous inscrivez dans la logique de l’OTAN, qui est dirigée par les États-Unis. Or vous voyez ce que fait M. Trump, ce que font les États-Unis? Ils veulent récupérer le Groenland, ils attaquent à tout-va au Moyen-Orient, ils veulent récupérer l’Amérique latine pour leurs propres intérêts. Et nous, nous nous inscrivons dans cette logique impérialiste américaine en accédant aux demandes de M. Trump. C’est là votre logique, et c’est cela qui est inacceptable aujourd’hui; c’est cela que nous refusons. En tout cas, ce qui est bien, c’est que vous avez l’honnêteté de reconnaître que les armes que nous achetons sont destinées à des interventions étrangères et pas à la défense de notre territoire.
02.94 Jan Jambon, ministre: Les armes sont destinées à défendre le territoire de l’OTAN. Dès que l’un des membres de l’OTAN est attaqué, nous sommes là pour le défendre.
02.95 Nabil Boukili (PVDA-PTB): Il est clair, et tout le monde le voit, que l’OTAN est une organisation purement défensive. Nous avons attaqué l’Afghanistan pour nous défendre, bien sûr, parce qu’il se trouve aux frontières européennes, sans doute? Et les interventions en Libye, c’était aussi pour nous défendre? Tout comme les interventions en Irak? L’intervention des États-Unis et d’Israël en Iran aujourd’hui, c’est pour nous défendre? C’est cela l’OTAN? C’est la logique que vous défendez aujourd’hui? Vous appelez cela de la défense? La plus grande menace pour la paix aujourd’hui, ce sont l’OTAN et les États-Unis à sa tête.
En effet, qui est à l'origine des guerres qui
sont menées aujourd'hui dans le monde – Afghanistan, Libye, Irak et je
pourrais en citer des dizaines d'autres? Les États-Unis et l'OTAN, bien sûr!
Arrêtez donc d'essayer de nous faire croire que le but est de nous défendre.
Non, le but est de mener des expéditions et des attaques vers d'autres États à
l'étranger, et pas du tout de nous défendre. Ayez au moins l'honnêteté de le reconnaître!
02.96 Sandro Di Nunzio (Anders.): Ik zou het graag opnieuw hebben over de programmawet en ook over de budgettaire toestand van ons land, datgene waarvoor we hier zijn. Ik ben getriggerd en ik wil graag uw mening horen over de bespreking die we twee weken geleden hadden hier in het Parlement over de overwinstbelasting. We hoorden dat bepaalde partijen daar niet alleen voor pleiten, uit de hoek van cd&v hoorden we dat er nog iets te halen valt bij de petrochemie. Vandaar is mijn vraag aan u, als vicepremier van de N-VA en van de regering, of u ook voorstander bent van een overwinstbelasting. Zo ja, vindt u ook dat er nog iets te halen valt bij de petrochemie?
De voorzitter: De minister antwoordt natuurlijk naar eigen goeddunken, maar ik denk niet dat de programmawet daarover handelt.
02.97 Minister Jan Jambon: In mijn repliek heb ik net gezegd dat ik hier als minister van Financiën niet zal antwoorden op alle ballonnetjes die door partijen van meerderheid en oppositie worden opgelaten. De petrochemie ligt mij zeer na aan het hart. Ik weet dat die sector het vandaag zeer moeilijk heeft. Er is zelfs sprake van een wereldwijde crisis in de petrochemie. Het is niet alleen een Belgisch probleem, maar ook een Europees probleem. Als men het goed meent met de petrochemie, denk ik niet dat er veel marge is om daar nog iets te gaan halen.
02.98 Sandro Di Nunzio (Anders.): Dank u wel, mijnheer de minister. Ik ben blij u dat te horen zeggen, want ik had het daarnet zelfs verkeerd geciteerd. Men zei dat er daar nog wat te rapen valt, maar we zijn het volledig met u eens dat daar eigenlijk niet veel te rapen valt, integendeel zelfs. We zien dat een bedrijf zoals INEOS moeilijk vergunningen krijgt en dat de petrochemie onder druk staat en moeilijk kan groeien. We moeten dus inderdaad opletten en behoedzaam zijn.
Mijn vraag heeft wel degelijk een link met de programmawet, mijnheer de voorzitter, in die zin dat er in de programmawet heel veel extra belastingen staan. Ze zijn hier al opgesomd: de effectentaks, de bankentaks en de verzekeringstaks. Men spreekt dan ook over andere belastingen, zoals de overwinstbelasting. We weten evenwel allemaal waar het probleem zit, collega’s. Het probleem ligt bij het overheidsbeslag. Onze overheid staat te vet en moet worden ontvet. We hebben een overheidsbeslag tussen 53 % en 56 % van het bbp. Daarmee zitten we in de top drie van de wereld. Maak dus werk van besparingen. Saneer in plaats van extra te belasten.
De voorzitter: Ik denk, collega, met enige soepelheid, dat ongeveer alles in verband kan worden gebracht met de programmawet.
Collega’s, ik dank u voor uw boeiende interventies en ik dank mijnheer de minister.
Vraagt nog iemand het woord? (Nee)
Quelqu'un demande-t-il encore la parole? (Non)
De thematische bespreking is gesloten.
La discussion thématique est close.
Discussion des
articles
Wij vatten de bespreking van de artikelen
aan van het ontwerp van programmawet. De door de commissies aangenomen tekst
geldt als basis voor de bespreking. (Rgt 85, 4) (1378/28)
Nous passons à la discussion des articles du
projet de loi-programme. Le texte adopté par les commissions sert de base à la
discussion. (Rgt 85, 4)
(1378/28)
Het wetsontwerp telt 153 artikelen.
Le projet de
loi compte 153 articles.
Ingediende amendementen:
Amendements déposés:
Art.
5/1(n)
• 133 – Hugues Bayet cs (1378/37)
Art. 5/2(n)
• 134 – Hugues Bayet cs (1378/37)
Art. 5/3(n)
• 107 – Hugues Bayet cs (1378/37)
Art. 9
• 115 – Dieter Vanbesien cs (1378/37)
• 119 – Charlotte Verkeyn cs (1378/37)
Art. 10
tot/à 12
• 67 – François De Smet (1378/37)
Art. 14
• 92 – Vincent Van Quickenborne cs (1378/37)
• 2 – Vincent Van Quickenborne (1378/37)
• 94 – Vincent Van Quickenborne cs (1378/37)
• 4 – Vincent Van Quickenborne (1378/37)
Art. 15
• 93 – Vincent Van Quickenborne cs (1378/37)
• 3 – Vincent Van Quickenborne (1378/37)
• 91 – Vincent Van Quickenborne cs (1378/37)
• 1 – Vincent Van Quickenborne (1378/37)
Art. 19
• 31 – Vincent Van Quickenborne (1378/37)
• 103 – Sofie Merckx cs (1378/37)
Art. 38
• 7 – Lode Vereeck cs (1378/37)
• 8 – Lode Vereeck cs (1378/37)
• 77 – Sofie Merckx cs (1378/37)
• 74 – Sofie Merckx cs (1378/37)
• 52 – Frédéric Daerden cs (1378/37)
• 66 – François De Smet (1378/37)
• 62 – Sarah Schlitz cs (1378/37)
Art. 39,
40 en/et 42 tot/à 49
• 76 – Sofie Merckx cs (1378/37)
Art. 39
en/et 40
• 53 – Frédéric Daerden cs (1378/37)
Art. 40
• 9 – Lode Vereeck cs (1378/37)
Art. 41
• 10 – Lode Vereeck cs (1378/37)
• 63 – Sarah Schlitz cs (1378/37)
• 75 – Sofie Merckx cs (1378/37)
Art. 41/1(n)
• 80 – Sofie Merckx
cs (1378/37)
Art. 42
tot/à 49
• 54 – Frédéric Daerden cs (1378/37)
Art. 47
• 64 – Sarah Schlitz cs (1378/37)
Art. 47/1(n)
• 78 – Sofie Merckx cs (1378/37)
Art. 47/2(n)
• 79 – Sofie Merckx cs (1378/37)
Art. 49/1(n)
• 96 – Steven Coenegrachts cs (1378/37)
Art. 50
• 120 – Axel Ronse cs (1378/37)
Art. 55/1(n)
• 55 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
• 56 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
• 57 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
Art. 55/2(n)
• 58 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
• 59 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
Art. 55/3(n)
• 60 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
• 61 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
Art. 56
tot/à 88
• 51 – Pierre-Yves Dermagne cs (1378/37)
• 65 – Sarah Schlitz cs (1378/37)
• 68 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
• 49 – Vincent Van Quickenborne cs (1378/37)
• 135 – Hugues Bayet cs (1378/37)
• 95 – Vincent Van Quickenborne cs (1378/37)
Art. 56 tot/à 63
• 12 – Kurt Moons cs (1378/37)
• 69 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 56
• 121 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 59
• 122 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 60
• 123 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 64 tot/à 72
• 13 – Kurt Moons cs (1378/37)
Art. 64
• 124 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 66
• 125 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 67
• 126 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 68
• 127 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 73
en/et 74
• 14 – Kurt Moons cs (1378/37)
Art. 73
• 128 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 74
• 6 – Vincent Van Quickenborne (1378/37)
Art. 75 tot/à 78
• 15 – Kurt Moons cs (1378/37)
• 70 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 75
• 97 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 79 tot/à 88
• 72 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 79
• 16 – Kurt Moons cs (1378/37)
• 71 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 81
• 98 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 84 tot/à 88
• 17 – Kurt Moons cs (1378/37)
Art. 86
• 99 – Nadia Moscufo cs (1378/37)
Art. 88/1(n)
• 73 – Nadia Moscufo
cs (1378/37)
• 136 – Pierre-Yves Dermagne cs (1378/37)
Art. 102
• 18 – Kurt Moons cs (1378/37)
Art. 103
• 108 – Caroline
Désir cs (1378/37)
• 109 – Caroline Désir cs (1378/37)
Art. 104
• 110 – Caroline Désir cs (1378/37)
Art. 108
• 81 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
Art. 109
• 111 – Caroline Désir cs (1378/37)
Art. 110
• 82 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
Art. 113
• 83 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
Art. 114
• 84 – Anja
Vanrobaeys cs (1378/37)
Art.
119/1(n) en/et 119/2(n)
• 5 – Vincent Van Quickenborne (1378/37)
Art. 119/1(n)
• 86 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
• 87 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
Art. 119/2(n)
• 88 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
Art. 119/3(n)
• 89 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
Art. 119/4(n)
• 90 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
Art. 132
• 85 – Anja Vanrobaeys cs (1378/37)
Art. 143
• 104 – Farah
Jacquet cs (1378/37)
Art. 145
• 112 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
Art. 150
en/et 151
• 113 – Pierre-Yves Dermagne (1378/37)
Art.
151/1(n) tot/à 151/6(n)
• 137 – Éric Thiébaut cs (1378/37)
Besluit van de artikelsgewijze bespreking:
Conclusion de la
discussion des articles:
Aangehouden: de amendementen en de artikelen
9 tot 12, 14, 15, 19, 38 tot 50, 56 tot 88, 102 tot 104, 108 tot 110, 113, 114,
132, 143, 145, 150 en 151.
Réservés: les
amendements et les articles 9 à 12, 14,
15, 19, 38 à 50, 56 à 88, 102 à 104, 108 à 110, 113, 114, 132, 143, 145, 150 et
151.
Artikel per artikel aangenomen: de artikelen 1 tot
8, 13, 16 tot 18, 20 tot 37, 51 tot 55, 89 tot 101, 105 tot 107, 111, 112, 115
tot 131, 133 tot 142, 144, 146 tot 149, 152 en 153.
Adoptés article par
article: les articles 1 à 8, 13, 16 à 18, 20 à 37, 51 à 55, 89 à 101, 105 à 107,
111, 112, 115 à 131, 133 à 142, 144, 146 à 149, 152 et 153.
De bespreking van de artikelen is gesloten. De stemming over de aangehouden amendementen, de aangehouden artikelen en over het geheel en de bijlagen zal later plaatsvinden.
La discussion des articles est close. Le vote sur les amendements et les articles réservés ainsi que sur l'ensemble et les annexes aura lieu ultérieurement.
Ik heb begrepen dat u van mijn luttele momenten van afwezigheid gebruik hebt gemaakt om een advies van de Raad van State te vragen voor de wetsontwerpen houdende de pensioenhervorming. Ik had misschien moeten blijven. Dat betekent dat wij die bespreking zullen aanvatten wanneer wij de adviezen van de Raad van State daarover binnenkrijgen. Ik zal al de amendementen, ook die van de regering, aan de Raad van State voorleggen.
Voorstel
ingediend door:
Proposition
déposée par:
Peter Buysrogge, Darya
Safai.
Rapporteurs:
mevrouw Kristien Verbelen (VB) en de heer Luc Frank (Les Engagés).
Discussion
De door de commissie aangenomen tekst geldt
als basis voor de bespreking. (Rgt 85, 4) (367/1)
Le texte adopté par la commission sert de base
à la discussion. (Rgt 85,
4) (367/1)
De bespreking is geopend.
La discussion est
ouverte.
De heer Metsu is als eerste spreker ingeschreven.
03.01 Peter Buysrogge (N-VA): Mijnheer de voorzitter, collega Metsu is onderweg. Dit is voor ons een belangrijk thema, dus het is belangrijk dat wij het zeker over deze resolutie kunnen hebben. Onze partij gelooft heel sterk in internationale samenwerking. Daarnet ging het in het kader van de programmawet al over de NAVO en ik meende dat we al waren aanbeland in het defensiedebat en het luik Benelux-samenwerking, maar daar zijn we nu pas aan toegekomen.
Onze partij gelooft heel sterk in internationale samenwerking binnen de Europese Unie en de NAVO. De Benelux-samenwerking is altijd een heel sterk samenwerkingsverband geweest, dat heeft gezorgd voor een acceleratie op het vlak van internationale samenwerking. Soms kan men echter niet wachten en moeten buurlanden en goede bondgenoten het voortouw nemen in sommige thema’s. Defensie is een thema waarover de Benelux heel goed samenwerkt. Met Luxemburg werken we goed samen op het vlak van vrachtluchtvervoer en met Nederland zijn er al heel sterke samenwerkingsverbanden op het vlak van luchtbeveiliging en marine.
Niemand in de commissie stemde tegen dit voorstel van resolutie, ook al waren er een paar onthoudingen. Iedereen was deze tekst heel gunstig gestemd, waarvoor dank. Wij willen met dit voorstel van resolutie verder inzetten op die internationale samenwerking met Nederland en Luxemburg als onze bondgenoten, maar we sluiten geen andere internationale samenwerkingsverbanden uit. Ik wil hiermee gewoon benadrukken dat Nederland en Luxemburg heel sterke bondgenoten zijn.
We willen die samenwerking verder verdiepen, uitbreiden en verbreden op het vlak van de aankoop van en samenwerking met betrekking tot helikopters, op het vlak van luchtverdediging, niet alleen met onze jachtvliegtuigen, maar ook met drones en counterdrones.
Zodoende willen we samen met Luxemburg heel specifiek een binationaal bataljon uitbouwen. Ook op Europees vlak en op NAVO-vlak willen we kijken welke samenwerkingsverbanden we kunnen uitwerken en welke gemeenschappelijke standpunten we kunnen innemen om ervoor te zorgen dat we gemeenschappelijk slagkrachtig kunnen overkomen. Daar willen we verder op inzetten. Dat is de geest van deze tekst.
Ik heb ondertussen de tekst zoals hij in een ontwerpversie door de commissie werd goedgekeurd, natuurlijk onder voorbehoud van de bespreking hier, ook aan de ambassadeurs van Nederland en Luxemburg bezorgd, met het verzoek hem te bezorgen aan de betrokken Parlementen, in de hoop dat hij ook daar verdere uitwerking kan krijgen.
Ik weet dat vele van die elementen al behandeld zijn in het Benelux-parlement. Daar zijn ze al uitgebreid besproken en ook goedgekeurd. In die geest van samenwerking met de lage landen en met Luxemburg willen we dit verder uitwerken. Dat is de geest van de tekst, waarvan ik hoop dat hij op jullie steun zal kunnen rekenen.
De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Buysrogge.
03.02 Kristien Verbelen (VB): Het Vlaams Belang beaamt dat een doorgedreven militaire samenwerking in Benelux-verband onmiskenbare voordelen biedt, wat trouwens al aangetoond wordt door succesverhalen als BeNeSam, gezamenlijke luchtverdediging en gezamenlijke aankopen.
Dat leidt natuurlijk tot schaalvoordelen en efficiëntiewinsten, wat heel belangrijk is voor kleineren landen met een beperkte militaire capaciteit.
Die samenwerking is eveneens een logische aanvulling op het NAVO- en het EU-kade. Er is bovendien onbetwistbaar nood aan meer samenwerking op nieuwe domeinen als cyber- en ruimteoorlogvoering en militaire mobiliteit.
Dergelijke doorgedreven samenwerking mag echter in geen geval leiden tot een uitholling van de nationale soevereiniteit door een verregaande integratie, wat zou kunnen leiden tot een uitholling van de nationale beslissingsmacht over de inzet van troepen en strategische keuzes.
Bestaande Benelux-samenwerkingen, bijvoorbeeld binationale eenheden met eenheid van commando, evolueren trouwens al naar integratie, maar dat mag op zich geen opstapje zijn naar een eengemaakt Benelux-leger, wat op zijn beurt dan weer een opstapje is naar een EU-leger. Dat zou kunnen leiden tot gedeelde of externe controle.
We vinden trouwens ook dat dit voorstel van resolutie onvoldoende garanties biedt inzake het behoud van autonomie bij verdere integratie. De Vlaams Belangfractie steunt derhalve een verdere versterking en verdieping van de Benelux-samenwerking op defensievlak wegens de bewezen praktische meerwaarde en efficiëntie, en de geografische en strategische verwevenheid van de betrokken landen. Die samenwerking moet echter strikt intergouvernementeel blijven, waarbij elke lidstaat de volledige controle behoudt over de inzet, de bevelvoering en de strategische keuzes. De samenwerking mag evenmin leiden tot een supranationale of geïntegreerde commandostructuur die de nationale soevereiniteit uitholt en dient steeds ondergeschikt te blijven aan onze nationale belangen.
Wij zijn dus zeker niet tegen een verregaande Benelux-samenwerking. Het is echter geen toeval dat de N-VA dit voorstel indient. Premier De Wever heeft enige tijd geleden zijn droom van een eengemaakte Benelux uiteengezet. Dat is helaas een rookgordijn dat de aandacht moet afleiden van het totale gebrek aan communautaire hervormingen voor Vlaanderen. Op defensievlak hebben wij daar echter weinig op tegen, op één keiharde voorwaarde, namelijk dat wij altijd de volledige soevereiniteit over onze krijgsmacht behouden.
De heer Metsu kon ons garanderen dat de
resolutie dat wil waarborgen. Dat maakt dat wij deze resolutie kunnen steunen.
03.03 Christophe Lacroix (PS): Monsieur le président, chers collègues, beaucoup de choses unissent les pays du Benelux. Tout d'abord, la conviction que l'union fait la force. Nos histoires sont étroitement liées par de forts liens sociaux, géographiques, économiques et par la construction européenne, les pays du Benelux faisant partie des pays fondateurs, avec des valeurs fortes en matière de droits humains, de respect du droit international et de défense du multilatéralisme. Nos pays sont depuis longtemps un laboratoire de l'intégration européenne; nous avons même parfois une ardeur d'avance, en ce compris en matière de défense.
En tant que fervents défenseurs de l'Europe de la défense, nous avons toujours plaidé pour des collaborations structurelles entre la Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et les Pays-Bas. Sous la précédente législature, la ministre Dedonder n'a pas manqué de prendre des initiatives concrètes avec les Pays-Bas pour notre marine, mais aussi avec le Luxembourg avec le projet de bataillon de reconnaissance binational belgo-luxembourgeois, avec un état-major basé à Arlon. Sous André Flahaut, l'achat commun avec le Grand-Duché d'A400M fut un autre exemple. Il s'agit donc de quelques exemples d'une longue tradition qu'il faut encourager et prolonger.
C'est là qu'arrive l'Arizona, qui cherche à meubler le temps libre de la commission de la Défense nationale pour faire oublier que le ministre est aussi furtif que les F-35. Comme on ne le voit pas souvent en commission pour répondre aux questions des députés, et où il y a un arriéré épouvantable, il faut bien meubler le temps. C'est ainsi qu'on vient avec une résolution sur le Benelux, qui est la copie d'une résolution déposée par Theo Francken, député, en 2024, qui l'avait réintroduite avant d'être ministre et qu'on représente aujourd'hui alors qu'il est ministre. C'est très bien, c'est une forme de circuit court, on se fait plaisir et on cire les chaussures du ministre.
La culture et l'art sont évidemment un autre trait d'union entre nos trois royaumes. Le moins que l'on puisse dire, chers collègues, c'est que ce texte est un chef-d'œuvre de l'art parlementaire. Finalement, on quitte les peintres expressionnistes comme Constant Permeke pour en venir aux surréalistes, voire les plus grandes gloires du surréalisme à la belge tel que René Magritte.
Ce texte a été adopté, vous vous en doutez, sans aucun avis, sans aucun amendement, sans aucune actualisation – le monde n'a pas changé depuis avant 2024 – et sans aucun débat.
Comme de bons soldats de l'Arizona, on adopte les textes de la N-VA tête baissée, et on ferme les yeux sur les achats du ministre.
Mais cela ne vous a pas arrêtés. Dans le mot Benelux, il y a le mot Belgique, et en Belgique, il y a la Wallonie. On voit pourtant que le gouvernement a débloqué des dizaines de millions d'euros pour la mobilité militaire sur le rail uniquement en Flandre. Or, que je sache, il faut passer par la Wallonie pour aller à Maastricht ou à Luxembourg.
En outre, nous avons appris ces derniers jours que la Défense allait acquérir des missiles américains pour un montant de 3,7 milliards de dollars et, plus récemment encore, pour 1 milliard d'euros de missiles en Turquie. Elle est belle, effectivement, votre définition de l'Europe de la défense, pendant que l'administration Trump continue de mettre de l'huile sur le feu des relations internationales. Le texte est complètement muet sur ce sujet.
Faut-il plus d'Europe de la défense? La réponse est évidemment oui. Le Benelux doit-il continuer à y contribuer concrètement par des collaborations sur les plans politique, humain, matériel et des infrastructures? Là aussi, la réponse de mon groupe est clairement oui.
Mais ce que vous faites, mes chers collègues, et notamment les francophones de la majorité, c'est juste faire diversion, distribuer des biscuits au ministre et à la N-VA, pendant que le ministre lui-même mène sa politique atlantiste au profit des intérêts de certains, essentiellement américains.
Je pense que l'on vous aura assez prévenus, et j'espère que vous prendrez tous un plaisir divin au méga-concert des partisans MAGA de Trump au Cinquantenaire en juin prochain, où vous pourrez admirer les fameux F-35 dans un espace aérien belge fermé pour l'occasion. Mais quand on aime, vous le savez, on ne compte pas.
Pour toutes ces raisons, comme en commission, nous nous abstiendrons sur cette proposition.
Je vous remercie pour votre attention.
03.04 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, collega’s, deze resolutie doet me denken aan een zeer mooie, aan te raden documentaire op VRT Max over Paul-Henri Spaak, een socialist van weleer, een grondlegger van het multilateralisme van ons land. Hij was grondlegger van onder andere de Verenigde Naties. Hij was grondlegger van de NAVO, beste collega’s van de PS. Een socialist was medegrondlegger van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. Hij was ook grondlegger van de Benelux en later ook van de Europese Unie. De heer Spaak is een lichtend voorbeeld voor ons allemaal als het gaat over multilateralisme en meer samenwerking over landsgrenzen heen, zeker ook als het over onze defensie gaat. Vandaar dat we deze resolutie absoluut toejuichen.
België is vandaag al kampioen in samenwerking als het gaat over defensie. We doen dat op een uitstekende manier met Nederland met betrekking tot onze Marine. We zullen dat op een uitstekende manier doen, daarvan ben ik overtuigd, met Frankrijk met betrekking tot onze Landmacht. We doen dat al decennialang, tot spijt van wie het benijdt, met onze Amerikaanse partners met betrekking tot over onze Luchtmacht. Zo zijn er tal van andere voorbeelden. De collega heeft ook al de oprichting van het multinationale bataljon samen met Luxemburg aangehaald. Kortom, we zijn vandaag al kampioen in samenwerking met betrekking tot defensie. Kunnen we dat nog verbeteren? Kunnen we dat nog versterken? Absoluut, daarvan zijn we overtuigd. Deze resolutie roept daartoe ook op.
Een aantal zaken maakt de Benelux uniek binnen de NAVO, bijvoorbeeld op het vlak van enablement, een thema dat mij zeer na aan het hart ligt. Als men kijkt naar de kaart van Europa, dan ziet men geografisch dat België en Nederland – uiteraard ook Luxemburg, maar in eerste instantie België en Nederland – transitlanden bij uitstek zijn, gewoon door onze geografische ligging. Als er troepen moeten verplaatst worden doorheen het Europese continent, dan zal dat bijna altijd via België of Nederland verlopen. Ik denk dat we daar met de Benelux absoluut een voortrekkersrol kunnen hebben.
Het is dan ook goed dat België nu binnen de NAVO de lead neemt voor alles wat enablement betreft. Ik denk dat het goed zou zijn dat we daar ook samen met Nederland en Luxemburg verder aan werken. Dat is een van de voorbeelden die ik wenste aan te halen.
Collega Lacroix, wij gaan de tekst niet goedkeuren omdat het een tekst van Arizona is. Nee, wij gaan de tekst goedkeuren omdat het een goede tekst is. Het is een tekst die oproept tot Europese samenwerking. Europese samenwerking zorgt er op termijn ook voor dat wij gaan werken aan meer Europese autonomie.
Dat is de reden waarom wij die tekst gaan goedkeuren en dat is de enige reden. Ik had gehoopt dat deze tekst dan ook kamerbreed zou worden goedgekeurd, maar ik vrees ervoor. Wij gaan de tekst alleszins steunen. Dank aan collega Buysrogge en anderen die eraan hebben gewerkt.
De voorzitter: Herr Frank ist unter uns. Bitte sehr.
03.05 Luc Frank (Les Engagés): Chers collègues, les temps qui courent et les actes géopolitiques quotidiens nous prouvent qu’il faut renforcer le pilier européen de la Défense, ainsi que le pilier européen au sein de l’OTAN. C’est inévitable. Ce texte y contribue en partie. Le Benelux est le berceau de l’Europe. Le fait d’associer la France et l’Allemagne à ce genre d’initiatives représente probablement le début d’une Défense européenne.
L’accord de gouvernement prévoyait de renforcer la coopération avec le Benelux, et la proposition que nous nous apprêtons à voter résume les grandes victoires de la coopération trilatérale en matière de Défense, à savoir: l’obligation de renseignement précoce grâce à la déclaration Benelux de coopération en matière de défense datant de 2012; le projet BENESAM, soit l’intégration des marines belges et néerlandaises; la participation commune de nos unités aériennes à l’unité multinationale de l’OTAN MRTT; l’achat commun de drones de reconnaissance; pour la Force terrestre, le projet de créer un bataillon binational avec le Luxembourg.
La proposition identifie tout de même les
inquiétudes d’une exploitation à demi-mesure des possibilités qu’offre la
coopération dans le cadre du Benelux. Une des principales inquiétudes est la
mise en œuvre seulement partielle de la déclaration Benelux, qui n’a pas été
renouvelée depuis 2012. Le texte pointe aussi le manque de nouveaux programmes
développés de manière trilatérale. C’est pourquoi, chers collègues, je vous
invite à soutenir l’objectif premier de ce texte: renforcer la collaboration
trilatérale et/ou bilatérale au sein du Benelux. C’est crucial pour notre avenir national et
européen.
03.06 Koen Van den Heuvel (cd&v): Mijnheer de voorzitter, ook onze fractie steunt deze resolutie. We weten allemaal dat de Benelux een mooi en belangrijk project is dat historisch is gegroeid. Als de drie landen zouden samenkomen en hun bbp bij elkaar zouden optellen, zou de Benelux een lid van de G7 kunnen zijn. Daarmee zouden we enorm aan belang kunnen winnen.
De Benelux was ook een pionier van de Europese samenwerking. Het is intussen een platform waar verschillende samenwerkingen plaatsvinden, ook op het vlak van defensie. De collega’s zeiden het al, er is al enige tijd een maritieme samenwerking met Nederland en met Luxemburg hebben we een samenwerking voor het militair luchtvervoer.
We leven in spannende geopolitieke tijden met heel wat uitdagingen, zoals cyberveiligheid en hybride oorlogvoering. Er was ook een stijging van het defensiebudget. Daarnet was er ook nog een debat over de besteding van defensie-uitgaven. Als we het draagvlak bij onze bevolking willen behouden, is het absoluut nodig dat dit op een slimme en vooral efficiënte manier gebeurt.
Daarom pleiten we al een hele tijd voor een meer doorgedreven Europese aanpak, om echt in te spelen op schaalvoordelen, op minder versnippering en meer samenwerking op Europees vlak. We denken dat de Benelux daarin een pioniersrol kan spelen.
We hebben zelf ook een resolutie klaar met betrekking tot de kapitaalmarkt, waarin we voorstellen om te starten binnen de drie Benelux-landen. Daarmee geven we het goede voorbeeld en kunnen we dat in een getrapte Europese samenwerking verder ontwikkelen. Dat is heel belangrijk en zelfs noodzakelijk om de efficiëntie van de defensie-uitgaven te verhogen. Dat kan alleen via een doorgedreven samenwerking, ook voor nieuwe uitdagingen zoals cyberveiligheid en de ruimte, wat ook zeer belangrijk is. België investeert daar relatief veel in. In percentages uitgedrukt behoren we zelfs tot de top in Europa.
Ook op het vlak van militaire mobiliteit, met onze havens in Zeebrugge, Antwerpen en Rotterdam, kunnen we veel van elkaar leren.
Ik denk dan aan aankopen, schaalvoordelen en uitwisseling voor de defensie-industrie, om die industrie ook in de Benelux te versterken.
Wij geven dus alle steun aan de resolutie omdat op die manier de Benelux een pioniersrol kan spelen en een belangrijke voortrekker kan zijn voor de noodzakelijke hogere en grotere Europese samenwerking op defensievlak.
De voorzitter:
Vraagt nog iemand het woord? (Nee)
Quelqu'un demande-t-il encore la parole? (Non)
De bespreking is gesloten.
La
discussion est close.
Er werden geen amendementen ingediend.
Aucun amendement n'a été déposé.
De stemming over het geheel van het voorstel zal later plaatsvinden.
Le vote sur l’ensemble de la proposition aura lieu ultérieurement.
Discussion
générale
De algemene bespreking is geopend.
La
discussion générale est ouverte.
De rapporteurs, mevrouw Dominiek Sneppe en
de heer Jan Bertels, verwijzen naar het schriftelijk verslag.
04.01 Lotte Peeters (N-VA): Dit wetsontwerp beoogt de werking van de federale Toezichtcommissie, dus eigenlijk het toezicht op de kwaliteit van onze zorgverleners, beter te organiseren. Onze partij vindt het belangrijk dat wordt ingezet op een betere werking van de Toezichtcommissie. Daar was wel degelijk nood aan en mijn fractie heeft daar in het verleden al heel wat vragen over gesteld. Om de werking van de federale Toezichtcommissie te optimaliseren, worden een aantal maatregelen doorgevoerd, zoals eenvoudigere procedures, de uitbreiding van de controlemiddelen van inspecteurs, onder andere via mysteryshoppers of huisbezoeken bij zorgverleners met toestemming van de onderzoeksrechter, en het opleggen van administratieve geldboetes als aanvulling op gerechtelijke procedures.
We vinden het goed dat de Toezichtcommissie dankzij dit wetsontwerp gerichter kan optreden, maar we rekenen er wel op dat daar omzichtig mee wordt omgesprongen, met het nodige respect voor de zorgverleners. Daarom is ook het onderdeel over de verweermogelijkheden van belang, waarin de rechten van gezondheidsbeoefenaars om zich te verdedigen worden verduidelijkt. Zo kan hij of zij zich laten bijstaan op de vergadering van een kamer van de Toezichtcommissie door een vertrouwenspersoon of een raadsman.
Daarnaast juichen we toe dat er strenger kan worden opgetreden bij niet-chirurgische esthetische ingrepen. Op dat vlak loopt er vandaag toch wel wat mis. Er zijn nog steeds onbevoegde personen die bepaalde esthetische ingrepen uitvoeren. Het is dan ook goed dat tegen deze gevaarlijke en illegale praktijken kan worden opgetreden.
Tot slot kan de Toezichtcommissie beter opvolgen of buitenlandse zorgverleners voldoen aan de visumplicht om hier te mogen werken. Er kan bijvoorbeeld worden gecontroleerd of aan een zorgverlener in het thuisland geen beperking is opgelegd. Ook dat beschouwen wij als een goede zaak. Daarom steunt de N-VA-fractie dit wetsontwerp, dat de kwaliteit van onze gezondheidszorg beter zal reguleren en de patiënten bijgevolg beter zal beschermen.
04.02 Dominiek Sneppe (VB): Mijnheer de voorzitter, collega's en mijnheer de minister, de vraag die wij ons bij dit wetsontwerp moeten stellen, is of wij een sterke, rechtvaardige en doelgerichte handhaving uitbouwen, dan wel een slecht functionerende administratie alsmaar meer macht geven zonder eerst de fundamenten aan te pakken.
Laat mij om te beginnen zeer duidelijk zijn. Wie patiënten in gevaar brengt, wie illegaal zorg verstrekt, wie fraudeert, wie misbruik maakt van vertrouwen in de gezondheidszorg, moet kordaat worden aangepakt. Daar is geen enkele discussie over. Daarover was geen discussie in de commissie en dat zal in deze plenaire vergadering niet anders zijn.
Waar wringt dan het schoentje in dit wetsontwerp? De minister zegt dat dit ontwerp alleen gaat over de handhaving van bestaande wetten. Collega's, dat is toch wel heel kort door de bocht. Dit ontwerp gaat niet alleen over handhaving. Het geeft de Federale Toezichtcommissie nieuwe bevoegdheden, ruimere onderzoeksinstrumenten, administratieve sanctiemogelijkheden, toegang tot gevoelige gegevens, mogelijkheden tot woonstbetreding en zelfs de inzet van fictieve identiteiten in bepaalde gevallen.
Dat zijn geen kleine aanpassingen. Het betreft een fundamentele uitbreiding van de bevoegdheden. Daarom vind ik dat het Parlement toch minstens mag vragen of de huidige Federale Toezichtcommissie vandaag wel goed genoeg functioneert om haar meer macht toe te kennen.
Het antwoord daarop is allerminst overtuigend. Uit het jaarverslag van de Federale Toezichtcommissie, dat maar enkele bladzijden telt, blijkt dat er in 2024 een totale werklast van 995 dossiers was. Daarvan leidden uiteindelijk slechts 181 dossiers in dat jaar tot een definitieve beslissing. Eind 2024 waren nog 425 dossiers in behandeling.
Bovendien werd een deel van de dossiers doorgeschoven naar het volgende begrotingsjaar. Dat zijn geen cijfers die vertrouwen wekken in een apparaat dat nu meer bevoegdheden zou moeten krijgen.
Daar komt bij dat er duidelijke verschillen zijn tussen de Nederlandstalige en de Franstalige kamer. Daar zijn we weer. Er zijn verschillen in de seponeringspercentages. In tweede lezing wezen we erop dat er geen duidelijke capaciteitsanalyse is en geen raming van de werklast per nieuwe bevoegdheid.
Mijnheer de minister, vooraleer u extra bevoegdheden vraagt of geeft, moet u eerst uitleggen waarom de bestaande werking niet op orde staat. Meer personeel en meer geld zijn immers niet automatisch hetzelfde als beter bestuur. U voorziet 900.000 euro extra voor 2026, onder meer voor vier inspecteurs, vier adjunct-inspecteurs, een jurist en administratieve ondersteuning. Nergens krijgen we echter een sluitend antwoord op de vraag welke structurele problemen daarmee worden opgelost.
Dat brengt mij bij een tweede fundamentele bezorgdheid, namelijk dat de grens tussen administratieve handhaving en justitie vervaagt. Niet-gezondheidszorgbeoefenaars, waarmee mensen worden bedoeld die zich voordoen als zorgverlener, maar dat in de verste verte niet zijn en die dus illegaal geneeskundige handelingen stellen, moeten uiteraard worden aangepakt. Zulke feiten behoren echter in de eerste plaats tot het terrein van de politie en het parket.
Mijnheer de minister, u zegt dat het parket wel betrokken blijft, maar tegelijk voorziet het ontwerp dat, wanneer het parket niet vervolgt en niet tijdig reageert, administratieve boetes kunnen volgen. Met andere woorden, omdat justitie niet snel of niet efficiënt genoeg werkt, schuiven we bevoegdheden door naar een administratief orgaan. Dat lijkt ons gevaarlijk.
Een probleem bij justitie lost men niet op door parallelle sanctiesystemen te creëren bij de FOD Volksgezondheid. Een probleem bij justitie lost men op door justitie te versterken, door samenwerking te verbeteren, door informatie-uitwisseling te versnellen en door duidelijke prioriteiten te stellen. Dat lost men niet op door inspecteurs stilaan in de rol van halve onderzoeksrechters te duwen.
Bovendien spreekt het ontwerp op bepaalde plaatsen over de persoon en niet langer alleen over de gezondheidszorgbeoefenaar. Mijnheer de minister, u zegt dat patiënten niet geviseerd worden. Het zou er nog aan mankeren. Dan moet dat echter ook ondubbelzinnig in de wet staan en dat is niet het geval. Patiënten, mantelzorgers, werkgevers of derden mogen niet per ongeluk in een sanctieregeling terechtkomen die bedoeld is voor malafide zorgverstrekkers of illegale praktijkvoerders.
Ik kom vervolgens tot mijn derde bezorgdheid, namelijk de proportionaliteit. De Raad van State en de Gegevensbeschermingsautoriteit hebben niet voor niets gewezen op de verregaande aard van bepaalde onderzoeksmaatregelen. In de commissie werd herhaald dat de GBA een herbeoordeling vroeg van de inbreuken die zo’n ingrijpend controlemiddel kunnen rechtvaardigen. Toch werd het ontwerp op dat punt onvoldoende afgebakend.
Inspecteurs zullen gegevens kunnen opvragen, documenten en elektronische dragers kunnen inkijken, personen identificeren, horen, fotograferen of filmen en in bepaalde omstandigheden plaatsen betreden die niet toegankelijk zijn voor het publiek. Zelfs woningen van patiënten kunnen in beeld komen, weliswaar met waarborgen, maar dit blijft bijzonder vergaand. Daarom vragen wij, mijnheer de minister, om bonafide zorgverleners concreet te beschermen tegen willekeur, tegen onzekerheid en tegen een controlesysteem dat vertrekt vanuit wantrouwen.
Pak fraudeurs kordaat aan – daarin hebt u het Vlaams Belang zeker als partner – maar bescherm en vertrouw onze bonafide zorgverstrekkers. Een arts, tandarts, verpleegkundige, kinesist of andere zorgverlener die elke dag correct werkt, mag niet het gevoel krijgen dat hij of zij permanent onder verdenking staat. De zorgsector kreunt immers nu al onder administratieve druk, personeelstekorten, toenemende aansprakelijkheid en het stijgende wantrouwen tussen overheid en werkvloer. Dit ontwerp dreigt dat wantrouwen verder te organiseren.
Bovendien blijft onduidelijk wat het werkveld precies heeft ingebracht en wat de minister daarmee heeft gedaan. Er wordt gezegd dat er overleg was, maar dat wordt over allerlei dossiers gezegd, terwijl wij uit het werkveld horen dat dat allemaal niet waar is. We zien dus niet welke opmerkingen van zorgverleners, beroepsorganisaties en patiëntenvertegenwoordigers effectief zijn verwerkt en welke men bewust naast zich heeft neergelegd. Bij zo’n ingrijpende uitbreiding van toezicht en sancties is draagvlak geen detail, maar een voorwaarde voor vertrouwen.
Collega’s, de kwaliteitswet moet de kwaliteit van de zorg versterken. Kwaliteit bouwt men echter niet alleen met sancties, maar ook met duidelijke regels, overleg, opleiding, ondersteuning, transparantie en rechtszekerheid. Dit ontwerp kiest te vaak voor controle in plaats van vertrouwen, voor macht in plaats van proportionaliteit en voor administratieve sancties in plaats van echte rechtsbescherming.
Neem bijvoorbeeld de dringende voorlopige visummaatregelen van artikel 57. De Toezichtcommissie kan het visum van een zorgverlener onmiddellijk schorsen of beperken, nog vooraleer de zorgverlener vooraf werd gehoord, wanneer wordt gevreesd voor zware en imminente gevolgen voor patiënten of de volksgezondheid. Die maatregel kon vroeger maximaal 8 dagen duren maar het ontwerp trekt die termijn op tot 30 dagen.
De minister stelt dat de maatregel nodig is bij ernstig gevaar voor de volksgezondheid. Dat kunnen wij begrijpen maar 30 dagen betekent voor een zorgverlener geen inkomen, reputatieschade, patiënten die vertrekken en moeilijkheden voor de praktijk. Wat gebeurt er als achteraf blijkt dat er niets aan de hand is? Dan is de schade aangericht, maar over schadevergoeding wordt met geen woord gerept.
Daarom was het voorstel van mevrouw De Knop om de termijn te beperken tot 15 dagen redelijk. Het beschermt de patiënten maar voorkomt ook dat de voorlopige maatregel de facto al een sanctie wordt.
Ook bij administratieve boetes blijft de rechtsbescherming onvoldoende sterk. De betrokken persoon moet vooraf helder weten welke feiten hem worden verweten en op welke rechtsgrond, welke sanctie er dreigt, binnen welke termijn hij kan reageren en hoe zijn verweer in de beslissing wordt meegenomen. Dat is volgens ons de kern van een rechtsstaat.
Mijnheer de minister, u zult mij voor de voeten gooien dat beroep bij de Raad van State mogelijk is. Dat staat inderdaad in het ontwerp. Laten we echter eerlijk zijn, voor een gewone zorgverlener is dat beroep duur, omslachtig, zwaar en ook enigszins intimiderend. Een zorgverlener die normaal met zorg bezig is, zal zich dan moeten bezighouden met het bewijzen van zijn onschuld. Als de overheid dergelijke vergaande bevoegdheden invoert, moet ze ook zorgen voor laagdrempelige, effectieve en schorsende beroepsmogelijkheden.
Een ander punt is de verwerking van de gezondheidsgegevens. De gegevens van patiënten behoren tot de meest gevoelige gegevens. Toch blijft onduidelijk wie controleert of inspecteurs effectief eerst geanonimiseerde of gepseudonimiseerde gegevens opvragen. De verantwoordelijkheid zomaar doorschuiven naar de zorgverlener is onvoldoende.
Over de bewaartermijn valt ook iets te zeggen. Gegevens over dossiers die zonder gevolg worden geklasseerd, kunnen jaren blijven circuleren. Dat is volgens ons disproportioneel. Wie uiteindelijk niet vervolgd of gesanctioneerd wordt, mag niet nog jaren in een toezichtsdossier blijven hangen, alsof er toch iets aan de hand was.
Na alles in ogenschouw te hebben genomen en goed te hebben overwogen, vragen we ons bij het wetsontwerp af waar de evenredigheidstoets is gebleven. Was het hier voor dergelijke delicate wetgeving niet opportuun om er een evenredigheidstoets aan toe te voegen en die voor te leggen aan de Raad van State? De wet van 23 maart 2021 die de Europese proportionaliteitsrichtlijn omzet voor de gezondheidssector, verplicht de overheid om voorafgaand aan nieuwe of gewijzigde bepalingen die de toegang tot of de uitoefening van een gezondheidsberoep beperken, een evenredigheidsbeoordeling te maken.
U zegt dat het ontwerp enkel over handhaving gaat, maar zodra die handhaving leidt tot schorsing van visa, beperkingen van de beroepsuitoefening, administratieve boetes, verregaande onderzoeksbevoegdheden, toegang tot gezondheidsgegevens en woonstbetredingen, raakt zij rechtstreeks aan de wijze waarop zorgverleners hun beroep kunnen uitoefenen. Dan volstaat het niet om algemeen te zeggen dat men fraude wil bestrijden. Dan moet men aantonen dat elke maatregel geschikt is, dat die noodzakelijk is, dat die proportioneel is en dat minder ingrijpende alternatieven niet volstaan. Zeker omdat de tekst na adviezen en besprekingen nog werd aangepast, is het vreemd dat men niet opnieuw de reflex heeft gehad om de Raad van State en desgevallend ook de Gegevensbeschermingsautoriteit te laten nagaan of de uiteindelijke tekst nog voldoende afgebakend en proportioneel is.
Mijn vraag is dus, mijnheer de minister, of de regering voor het ontwerp een formele evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt, overeenkomstig de wet van 23 maart 2021. Zo ja, waar zit die beoordeling ergens in het dossier? Wij hebben die zeker niet gevonden. Is die aan de Raad van State bezorgd? Zo niet, waarom niet?
Zelfs indien u zou betwisten dat een dergelijke toets verplicht was, blijft de vraag waarom u die niet minstens uit voorzichtigheid hebt uitgevoerd. De Raad van State en de Gegevensbeschermingsautoriteit hebben gewezen op de vergaande aard van de maatregelen. Dan is het toch een kwestie van elementaire rechtszekerheid om een grondige evenredigheidstoets te maken en opnieuw advies te vragen. Men is maar beter zeker. Mijnheer de minister, als u niet zeker bent, kan het Grondwettelijk Hof u terugfluiten. Dat hebben we ook al gezien.
U zegt dat u de goede zorgverleners wilt beschermen tegen de kleine minderheid die fraudeert. Het is inderdaad zo dat het een kleine minderheid is die het vertrouwen schaadt. Uw tekst moet dat onderscheid ook werkelijk maken. Vandaag is dat onvoldoende het geval.
U schiet met een kanon op een mug, want de malafide zorgverstrekkers of zij die zich voordoen als zorgverstrekker vormen een kleine minderheid binnen ons gezondheidszorgsysteem.
Onze bonafide zorgverstrekkers vragen geen straffeloosheid, maar wel rechtszekerheid. Zij vragen ook dat de zware middelen zoals die in deze wet staan, gebruikt worden voor zware feiten. Ze vragen dat controles objectief, proportioneel en controleerbaar zijn. Ze vragen dat de overheid niet tegelijk aanklager, onderzoeker en sanctiemechanisme wordt.
Mijnheer de minister, ik heb in mijn
uiteenzetting enkele vragen gesteld, maar ik wil ze hier nogmaals op een rijtje
zetten, zodat het duidelijk is voor u. Waar is de capaciteitsanalyse voor de
nieuwe bevoegdheden die u aan de Toezichtcommissie toevertrouwt? Wat is het
concrete plan om de achterstand weg te werken? Waarom zijn er zulke verschillen
tussen de Nederlandstalige en de Franstalige kamers? Welke opmerkingen van het
werkveld werden effectief verwerkt en welke niet? Waarom werd er geen advies gevraagd
nadat de tekst wezenlijk werd aangepast? Werd de tekst soms niet aangepast, wat
natuurlijk ook kan? Hoe wordt uitgesloten dat patiënten, werkgevers of derden
onbedoeld onder de ruime formulering ‘de persoon’ vallen? Wie controleert de
proportionaliteit van de toegang tot medische gegevens? Ten slotte, waarom is er geen
laagdrempelige interne beroepsinstantie?
04.03 Carmen Ramlot (Les Engagés): Monsieur le ministre, chers collègues, quand un citoyen pousse la porte d'un cabinet, d'une officine, d'un hôpital ou d'un centre de soins, il doit pouvoir y entrer en pleine confiance. Cette confiance est précieuse et repose sur une certitude simple, celle qu'il sera pris en charge par une personne compétente, qualifiée, autorisée à exercer et respectueuse des règles qui protègent les patients. C'est précisément le sens de ce projet de loi.
Il s'agit de renforcer la confiance en augmentant la qualité de la pratique des soins de santé, mais aussi en modernisant les contrôles de façon à mieux protéger nos concitoyens face aux dérives qui existent encore. Car, oui, malheureusement, ces dérives sont encore bien réelles. À titre d'exemple, parmi d'autres dérives, nous avons récemment appris, à travers une enquête relayée par la presse, que certains médecins sanctionnés voire même radiés dans d'autres pays européens pouvaient encore continuer à exercer en Belgique. C'est incompréhensible pour nos citoyens et c'est inquiétant pour la sécurité des patients.
Nous voyons aussi des personnes sans aucune qualification reconnue pratiquer des injections ou d'autres actes relevant des soins esthétiques, en abusant de la crédulité de certains patients aveuglés par leur détresse ou le complexe qui les habite, et cela souvent en s'appuyant sur une publicité massive et mensongère sur les réseaux sociaux.
Ces patients paient cash le prix de leur naïveté, non seulement en termes financiers mais aussi en séquelles médicales diverses – cicatrices, complications, infections, etc.
Un acte de soin n’est pas anodin. Une injection n’est pas un geste commercial. Un traitement n’est pas un business. Comme pharmacien de terrain, je le dis avec conviction: la santé ne peut jamais faire l’objet d’un marché parallèle. D’ailleurs, nous avons vu en Belgique le cas d’un médecin suspendu depuis des années, ayant perdu son visa, et qui continuait pourtant à prescrire malgré l’interdiction.
Tous ces exemples illustrent la nécessité de mettre en place des mécanismes de contrôle plus efficaces. Ce texte renforce les compétences de la Commission fédérale de contrôle et donne davantage de moyens d’action aux inspecteurs, tout en maintenant des garanties essentielles: respect des droits, secret professionnel et traitement encadré des données. C’est cet équilibre que nous devons rechercher: fermeté envers les fraudeurs et protection des libertés pour tous.
Le projet prévoit également des amendes administratives lorsqu’il n’y a pas de poursuites pénales. Cette disposition relève du bon sens. Lorsqu’une faute est constatée, elle doit être sanctionnée d’une manière ou d’une autre, sans quoi la loi perd toute crédibilité. Nos concitoyens veulent des soins accessibles, mais aussi des soins sûrs. Ils veulent pouvoir faire confiance à celles et ceux qui les prennent en charge.
Pour toutes ces raisons, notre groupe soutiendra ce texte, parce qu’en matière de santé aussi, la confiance se mérite et la fraude doit être sanctionnée. La sécurité des patients ne doit jamais être négociable. Lorsqu’un patient pousse la porte d’un prestataire de soins, il ne devrait jamais avoir à se demander si la personne qu’il consulte est compétente.
04.04 Jan Bertels (Vooruit): Collega’s, we vinden hier allemaal dat kwaliteit van de zorg en een kwaliteitsvolle praktijkvoering, zoals mevrouw Sneppe zei, belangrijk is. Voor onze Vooruitfractie is dat, naast een toegankelijke en betaalbare zorg, een essentieel onderdeel van ons gezondheidsbeleid. Het moet kwaliteitsvol zijn en de praktijken moeten gebeuren volgens de geijkte methodes die kwaliteit afleveren.
Als we het daarover allemaal eens zijn, collega’s, dan moet dat ook worden gecontroleerd. Daarvoor hebben we controleorganen nodig. Vroeger hadden we de Provinciale Geneeskundige Commissies. Dat is nu de Federale Toezichtcommissie geworden. Het doel van die commissie ondersteunen wij allemaal. Wij moeten ze dan ook de nodige middelen geven om dat doel te kunnen realiseren, om de kwaliteit van de zorg te bewaken en te bestendigen.
We zijn het er ook allemaal over eens dat de charlatans eruit moeten. Dat is een kleine minderheid, dat weten we, maar ze moeten er wel uit, ter bescherming van iedereen die kwaliteitsvolle zorg levert volgens de geijkte procedures, van iedereen die het goed meent met de patiënten. We moeten er dus voor zorgen dat de procedures van dat controleorgaan worden verbeterd, gemoderniseerd en aangepast aan deze tijd. Dat doen we hier. We zorgen ook voor de continuïteit van de procedures die liepen voor de Provinciale Geneeskundige Commissies.
Het hele proces en deze wetgeving werd ook met de actoren op het terrein overlegd. Zij zijn ook voor een uitbreiding van die bevoegdheden, bijvoorbeeld om illegale praktijken te kunnen bestrijden, om mensen die zich onterecht beoefenaar van een gezondheidsberoep noemen en het niet zijn te kunnen aanpakken, om de migrerende zorgprofessionals in een kwaliteitskader te brengen.
Dat willen we allemaal. Hetzelfde geldt voor esthetische geneeskunde. Daar hoor ik geen onvertogen woord over. We moeten de Toezichtcommissie dus de middelen geven om dat beter te kunnen doen dan in het verleden de Provinciale Geneeskundige Commissies deden. Er is een reden waarom die opgegaan zijn in een federale Toezichtcommissie.
Hier geven we die commissie effectief opsporingsmethodes, omkaderd. We geven ze onderzoeksmiddelen voor de inspecteurs, omkaderd. Niet vrijblijvend, mevrouw Sneppe, helemaal omkaderd, met respect voor de rechten van de verdediging, met respect voor de GDPR-wetgeving, met respect inzake dataverzameling. Ook de kamers die zich erover uitspreken en die eventueel een sanctie zullen opleggen, zijn omkaderd. Ze bestaan niet uit om het even wie. Ze doen een beroep op zorgprofessionals. Ze doen een beroep op experten van de beroepsorganisaties van de betrokken zorgbeoefenaars, als die er zijn. Ze doen een beroep op de deontologische commissies, als die er zijn. Ze doen dus niet zomaar om het even wat. Nee, er is een hele omkadering.
Ik hoorde mevrouw Sneppe ook zeggen: “quid de Raad van State”. U kunt dat in de documenten zien, mevrouw Sneppe. We hebben het er ook over gehad in de commissie. Het ontwerp is twee keren naar de Raad van State geweest. Twee keren. U kunt dus niet zeggen dat het daar niet gepasseerd is. De Raad van State heeft ook de toets gemaakt met de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het tweede ontwerp is daaraan aangepast. Dat is via de Raad van State gegaan. En ja, er zitten waarborgen in. Neen, niet om het even wie mag een administratieve boete opleggen. Wij hebben die discussie ook in de commissie gevoerd. Het is helemaal omkaderd. Het gaat niet om om het even wie. Het zijn professionals die dat doen, met waarborgen, vanuit de gerechtelijke overheid.
Ik meen dat we wat dat betreft geen loopje mogen nemen met de waarheid. We weten dat dit proces heel goed omkaderd is. We weten dat we rekening moeten houden met de betrokken zorgbeoefenaars, die een heel schema van rechten van verdediging hebben, en die hun beroepsgroep erbij moeten betrekken. Op die manier kan de Toezichtcommissie haar werk doen en ervoor zorgen dat er kwaliteit van zorg is.
Daarom zal de Vooruitfractie dit ontwerp, dat de verbetering van de processen en de verbetering van de zorg op het oog heeft, volmondig steunen.
04.05 Irina De Knop (Anders.): Collega's, mijnheer de minister, om te beginnen delen wij het doel van dit wetsontwerp. Kwaliteitsvolle zorg en de veiligheid van patiënten zijn essentieel. Wie illegaal medische handelingen stelt of patiënten in gevaar brengt, moet kordaat worden aangepakt en indien nodig gestraft. Daarover bestaat geen enkele discussie, ook niet bij de zorgverleners zelf. De vraag is echter niet óf we moeten optreden, mijnheer de minister. De vraag is hoe we optreden. Precies daar wringt het schoentje.
U blijft op ramkoers met het werkveld, met de sector, met de 'doktoors', zoals u ze noemt. Wij vinden dat contraproductief en zelfs onrespectvol. Het voorliggende wetsontwerp is niet louter een versterking van de strijd tegen misbruik. Het gaat om een fundamentele uitbreiding van de controlebevoegdheden en de sancties binnen de gezondheidszorg door de FOD Volksgezondheid.
U bouwt een systeem uit waarin inspectiediensten verregaande bevoegdheden krijgen om op te treden, onderzoeken te voeren en sancties op te leggen. U gaat bovendien nog een stap verder door in administratieve sancties te voorzien die in de praktijk zeer sterk lijken op strafrechtelijke sancties. Daarmee verschuift u een deel van de handhaving naar een quasi-justitieel kader, zonder dat dezelfde procedurele waarborgen gelden als in het klassieke strafrecht.
Mijnheer Bertels, in uw verdediging hebt u geen sterke waarborgen gegeven, behalve dan dat er kwaliteitskamers toezien op de correcte uitvoering. Dat is wel het minste dat men mag verwachten. Die verschuiving naar administratieve sancties is een belangrijke politieke keuze. Dat is niet zomaar een maatregel. De grens tussen administratie en Justitie vervaagt verder en dat roept fundamentele vragen op over rechtsbescherming, proportionaliteit en evenwicht.
In een rechtsstaat, collega's, is het essentieel dat wanneer een overheid sanctioneert, en zeker wanneer dat ingrijpend is, bijvoorbeeld met het afnemen van een RIZIV-nummer of een erkenning, dit gebeurt binnen duidelijke en stevige garanties.
Als die garanties ontbreken, ontstaat het risico op willekeur en op disproportioneel optreden. Ik dank mevrouw Sneppe dat ze verwijst naar het ontbreken van een evenredigheidstoets, aangezien die inderdaad essentieel is.
Naast de juridische dimensie is er ook de realiteit op het terrein. Hoe wordt deze wet gepercipieerd door de zorgverleners zelf? In dat verband lees ik u een citaat voor van een van de artsenorganisaties over het wetsontwerp: “De huidige wet blinkt uit in een fijnmazige uitwerking van de handhaving van zorgverleners, maar er zit heel weinig in waar patiënten zelf beter van worden. De fijnmazige uitwerking van de handhaving leidt vooral tot een toename van administratiekosten en meer inspecteurs, zonder dat de huidige handhavingsmiddelen voldoende worden uitgeput. Aan de hand van enkele in het oog springende casussen wordt een handhavingsweb uitgewerkt waarin niet enkel fraudeurs worden gevangen, maar waarin ook gewone, goed werkende zorgverleners dreigen verstrikt te raken, zeker wanneer het risico bestaat om gedurende bijvoorbeeld twee jaar een quasi-beroepsverbod uitgesproken te krijgen. Dan zou het onderscheid tussen fraude en niet-fraude veel scherper moeten gesteld worden en dit is niet het geval in de kwaliteitswet. Dit is en blijft een groot punt van kritiek van artsen.”
Collega’s, de gezondheidszorg staat vandaag onder druk, niet door een gebrek aan controle, maar door een gebrek aan capaciteit. Die druk is evenmin het gevolg van massale overtredingen door zorgverleners. Mijn collega zei daarnet al correct dat het gaat over ongeveer 900 dossiers in het voorbije jaar. Zorgverleners zijn vandaag overbelast, omdat de administratieve druk blijft toenemen en omdat er steeds nauwere werkingsmarges zijn. In die context kiest de minister ervoor om een bijkomende laag van controle en sanctionering te introduceren.
Ik sta ervan te kijken dat bepaalde collega’s, onder meer van de N-VA, daarvoor applaudisseren. Voor ons is dat heel moeilijk te begrijpen. Het risico is immers heel duidelijk. U creëert een klimaat waarin zorgverleners zich niet ondersteund, maar gecontroleerd voelen; niet gewaardeerd, maar gewantrouwd. Dat heeft gevolgen voor de aantrekkelijkheid van het beroep, voor de bereidheid om verantwoordelijkheid op te nemen en uiteindelijk ook voor de kwaliteit van de zorg.
Wij geloven dat een sterke gezondheidszorg niet wordt gebouwd op wantrouwen, maar wel op vertrouwen, duidelijkheid en samenwerking.
Dat betekent zeker niet dat er geen controle moet zijn. Het tegendeel is waar. Die controle moet echter heel gericht en proportioneel zijn en in verhouding staan tot de risico’s die men wil aanpakken.
Wat hier vandaag voorligt, is te weinig gedifferentieerd. Er wordt ingezet op controle zonder voldoende aandacht voor de impact op het terrein en zonder de duidelijke garantie dat dat effectief tot betere zorg leidt.
De minister breidt de kwaliteitswet ook uit naar niet-gezondheidszorgverstrekkers. Een kwaliteitswet voor gezondheidszorg wordt dus uitgebreid naar niet-gezondheidszorgverstrekkers. Wij blijven dat problematisch vinden. Dat is geen taak voor Volksgezondheid, maar voor Justitie. Wat zal het volgende zijn?
Inspecteurs krijgen immens veel vergaande bevoegdheden. In het bijzonder nemen wij aanstoot aan de bevoegdheid van inspecteurs ten aanzien van niet-gezondheidszorgverstrekkers, waarbij een inspecteur zich bovendien mag voordoen als patiënt, een fictieve identiteit mag aannemen en zelfs misdrijven mag plegen met de garantie dat die misdrijven niet zullen worden vervolgd.
Collega’s, als politieagenten undercover gaan, moeten zij daarvoor een machtiging krijgen van ofwel een onderzoeksrechter ofwel een procureur-generaal. Blijkbaar is dat niet nodig voor inspecteurs van Volksgezondheid.
Die werkwijze voedt het wantrouwen tussen de zorgverleners en de overheid. Dat wantrouwen is vandaag al redelijk groot. Daarom hebben wij ook een amendement ingediend. We hadden het opnieuw ingediend bij de tweede lezing, maar we zullen het mogen bij de stemming opnieuw voorleggen.
Voor niet-gezondheidszorgbeoefenaars moet heel duidelijk het parket worden ingeschakeld. Daarvoor moet niet de capaciteit van Volksgezondheid worden gebruikt. In voorkomend geval komt het niet de Toezichtcommissie toe om onderzoek te voeren en sancties op te leggen.
Wel zijn we tevreden met de uitbreiding van het toepassingsgebied van de wet met betrekking tot de vereiste kwalificaties om niet-heelkundige en heelkundige esthetische ingrepen uit te voeren en met de mogelijkheid om maatregelen uit te voeren van staten van oorsprong tegen een buitenlandse arts die in België werkzaam is.
Dat is noodzakelijk en heel dringend nodig, maar er is een grote nuancering. We hebben het in de commissie en in de plenaire vergadering al veelvuldig gehad over het Europese waarschuwingssysteem, beter gekend als het IMI-systeem. Het is voor heel duidelijk dat duizenden IMI-alerts niet toekomen in ons land, of althans wel toekomen, maar onvoldoende worden geanalyseerd en opgevolgd. Daardoor worden soms buitenlandse beroepsverboden niet opgepikt en dus ook niet toegepast in ons land, waardoor mensen met een ingetrokken vergunning toch aan het werk kunnen blijven in België. Het recentste voorbeeld dateert van 7 mei, waarbij Franse artsen die waren veroordeeld voor seksuele agressie en doodslag, gewoon konden blijven werken in België omdat wij het IMI-systeem niet deftig toepassen. Het is absoluut een gemiste kans dat u dat niet verder verankert in uw kwaliteitswet. Volgens ons stelt u niet de juiste prioriteiten, maar voedt u liever het wantrouwen ten aanzien van onze eigen zorgverleners.
Op mijn vraag waarom er geen interne beroepsinstantie is voorzien, verwijst u naar de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Raad van State. Dat is dan het antwoord van een rijke man ten aanzien van een verpleegkundige en van andere zorgverleners, voor wie naar de Raad van State stappen echt niet evident en heel duur is. Wij vinden het beschamend dat zelfs daarin niet wordt voorzien.
U wilt ook artsen bestraffen wanneer zij niet wensen mee te werken aan een onderzoek bij het bewijzen van hun onschuld of schuld. De Raad van State heeft daarbij terecht opmerkingen geformuleerd en gezegd dat personen niet gestraft kunnen worden wanneer zij weigeren hun medewerking te verlenen aan het bewijzen van hun eigen schuld, aangezien het recht om zichzelf niet te beschuldigen gewaarborgd wordt door een aantal artikelen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten, door artikel 6 van het Europees Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarom hebben wij een amendement ingediend om dat te schrappen.
Uiteraard pleit het niet voor de betrokkenen als ze niet willen meewerken aan een onderzoek, maar men moet wel de rechten van de verdediging tot op het einde respecteren.
Een laatste amendement dat we hebben ingediend, gaat over de periode waarin een zorgverlener preventief wordt geschorst, indien men vreest dat de verdere praktijkvoering bepaalde imminente gevolgen kan hebben voor de patiënten of voor de volksgezondheid. Het ontwerp voorziet in een verlenging van acht naar dertig dagen. We begrijpen dat de termijn van acht dagen misschien te kort is voor de Toezichtcommissie om een dossier ten gronde te onderzoeken, maar laten we toch niet blind zijn voor de mogelijke gevolgen van de uitbreiding van die termijn naar dertig dagen voor een zorgverlener die nadien onschuldig blijkt te zijn. Dat zou betekenen dat mensen hun inkomen gedurende dertig dagen wordt ontnomen, terwijl achteraf blijkt dat dat niet nodig was. Vandaar dat we een pragmatisch voorstel hebben gedaan in een amendement en dat we voorstellen om die termijn te herleiden naar vijftien dagen.
Tot slot, mijnheer de minister, collega's, het wetsontwerp had een kans kunnen zijn, echt een kans om de handhaving slimmer en gerichter aan te pakken, maar in zijn huidige vorm dreigt het vooral te leiden tot meer complexiteit, zet het meer druk en zorgt het voor een verdere verschuiving in de richting van een systeem dat steeds meer lijkt op justitie, zonder dat het dezelfde bescherming biedt. Net daarom hebben we ernstige bedenkingen bij die aanpak, zullen we een aantal amendementen indienen en zullen we finaal het ontwerp niet goedkeuren.
De voorzitter: Collega, u wijst terecht op het feit dat er een aantal amendementen zijn ingediend, van meerdere fracties trouwens. Die worden aangehouden en wij zullen daarover een oordeel vellen bij de stemming.
Mijnheer de minister, aan u het woord om te reageren.
04.06 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, collega's, ik ben eigenlijk wel tevreden dat het debat dat wij in de commissie ten gronde en ingaand op gedetailleerde aspecten van het ontwerp hebben gevoerd, hier in hoofdlijnen wordt herhaald, want ik hoor hier dezelfde misverstanden terug - uiteraard niet moedwillig - die ik tijdens het debat in de commissie over dit ontwerp heb gehoord.
Ten eerste, dit ontwerp verandert helemaal niets aan de kwaliteitseisen die wij aan beoefenaars van zorgberoepen stellen. We hebben in 2019 een kwaliteitswet in dit Parlement tot stand gebracht. Er is een wet op de esthetische heelkunde ingevoerd. Aan die kwaliteitseisen verandert niets. Het gaat over het kunnen controleren ervan.
Ten tweede, deze wetgeving legt bovendien geen enkele bijkomende administratieve last op. Men geeft hier de indruk dat er met dit ontwerp bijkomende administratieve lasten voor zorgverleners zouden ontstaan, maar dat is nergens het geval.
Ik krijg soms een beetje de indruk dat men het debat hier verwart met het debat over het plan handhaving van het RIZIV, met elementen in het debat over de kaderwet en de hervorming van de gezondheidszorg. Daarin zitten inderdaad administratieve aspecten, maar in het voorliggend ontwerp gaat het over de kwaliteit van de medische praktijk, de kwaliteit van kinesitherapie, de kwaliteit van logopedie. Er worden geen bijkomende administratieve lasten opgelegd.
Ten derde, men zegt dat er meer controles zullen worden georganiseerd. Ook dat is eigenlijk niet de inzet. De inzet is om de Toezichtcommissie efficiënter en dus effectiever te laten werken. Dat veronderstelt inderdaad dat de Toezichtcommissie zelf een aantal dingen moet kunnen doen die ze tot vandaag niet kon doen. Dat veronderstelt het kunnen gebruiken van administratieve boetes. Dat veronderstelt dat men bepaalde methodes kan gebruiken, zoals mysteryshoppers. Dat veronderstelt dat men termijnen moet kunnen hanteren die redelijk zijn en soms iets langer zijn dan vandaag. Uit de praktijk is immers gebleken dat dat nodig is.
Dat heeft te maken met de effectiviteit en de efficiëntie van het optreden van de Toezichtcommissie. Mevrouw Sneppe, u vroeg niet ten onrechte hoe het zit met het versterken van de Toezichtcommissie, vermits er bedenkingen waren, er werd gezegd dat het werk niet vooruitging, zeker aan Franstalige kant. We zijn inderdaad de Toezichtcommissie aan het versterken, met mensen en middelen, maar we willen de Toezichtcommissie ook gewoon efficiënter laten werken met de bestaande mensen en middelen.
Dat is echter niet hetzelfde als meer controles doen. Dat is niet hetzelfde als administratieve verplichtingen opleggen aan zorgverleners. Dat is niet hetzelfde als nieuwe kwaliteitseisen bedenken.
Daarover heb ik een omgekeerde mening dan wat hier gezegd werd. Ik denk dat de grote massa, de overgrote meerderheid van artsen, tandartsen, klinische psychologen, logopedisten, kinesitherapeuten, vroedvrouwen en ergotherapeuten, gebaat is bij een toezicht dat effectief is tegen wie de kwaliteit niet hoog houdt of tegen mensen die geen beroepsbeoefenaar zijn maar zich wel voordoen alsof ze actief zijn in de gezondheidszorg. Het veld is vragende partij om het kaf van het koren te kunnen scheiden.
Mevrouw De Knop, ik heb het echt moeilijk met uw argument. U brengt dat eerlijk, maar ik heb het er heel moeilijk mee. U stelt dat Volksgezondheid niet bezig moet zijn met mensen die geen arts of tandarts zijn en zich toch zo voordoen. Wie artsen, tandartsen, kinesitherapeuten of eender wie wil beschermen, als men de beroepsbeoefenaars, de mensen die de competenties en kwalificaties hebben, wil beschermen, moet men de bedriegers kunnen aanpakken, vanuit dezelfde administratie, met dezelfde diensten en met dezelfde instanties.
De idee dat iemand die beweert arts te zijn maar het niet is en zo het leven van mensen in gevaar brengt of iemand die op een andere manier onwettige uitoefening van de geneeskunde bedrijft, niet moet worden aangepakt vanuit Volksgezondheid, vind ik vreemd, want dat gaat net over de bescherming van de volksgezondheid.
Collega's, op hoofdlijnen ben ik het echt niet eens met een aantal verklaringen in dit Parlement. Ik denk ook dat er een aantal andere elementen van verwarring blijven spelen.
Een voorbeeld is de problematiek van de personen die betrokken zijn. De Toezichtcommissie viseert geen patiënten. Patiënten zijn niet het voorwerp van een onderzoek. Er kan echter een vermoeden bestaan dat iemand betrokken is bij iets wat niet in orde is. Dan moet men natuurlijk de medewerking kunnen vragen van die persoon, ook al is hij of zijn geen gezondheidszorgbeoefenaar. Dat moet mogelijk zijn, en daarover gaat het hier.
Mevrouw Sneppe kwam nogmaals terug op de vraag hoe zorgvuldig dat is afgewogen. Als men een tekst voorlegt aan de Gegevensbeschermingsautoriteit – wat noodzakelijk is – en twee keer aan de Raad van State, dan is op een zorgvuldige manier wetgeving tot stand gebracht en is voor de nodige proportionaliteit gezorgd. Daarvoor hoeft men niet noodzakelijkerwijze alle opmerkingen van de Raad van State over te nemen, maar motiveert men wat wel en niet wordt gevolgd.
Collega's, dit wetsontwerp leidt niet tot meer controles, extra administratie of nieuwe kwaliteitseisen. Het gaat erom de bestaande kwaliteitseisen op een meer doelmatige manier te kunnen bewaken. Om die reden zijn de beperkingen die mevrouw De Knop via een aantal amendementen voorstelt eigenlijk geen goede zaak, omdat ze afbreuk doen aan de bedoeling van dit wetsontwerp.
Dat is wat ik wilde toevoegen in antwoord op de elementen die in het debat zijn aangebracht.
De voorzitter: Vanzelfsprekend heeft het Parlement desgewenst het slotwoord.
04.07 Dominiek Sneppe (VB): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw verduidelijkingen.
Eigenlijk herhaalt u wat u in de commissie hebt gezegd. Wanneer we de wettekst lezen, is het duidelijk dat de grens tussen Justitie en administratie vervaagt. U legt steeds meer macht, als u het zo wilt noemen, bij de administratie. U hebt in de commissie ook uiteengezet dat het wel een rechtscollege is, dat het een magistraat is, maar uiteindelijk is die magistraat niet hetzelfde als een rechtbank. Dat weten we toch. Die magistraat is het verlengde van de administratie. Het is ook een politieke benoeming. Rechters zijn ook politiek benoemd, maar goed. De magistraat is eigenlijk het verlengde van de administratie. U kunt niet menen dat hij echt de rechtsbevoegdheid heeft van een rechtbank. Dat is één.
Twee, ik wil er toch ook eens op wijzen dat uw collega, minister Verlinden, dat mee heeft ondertekend, maar we hebben haar eigenlijk nooit gezien. Het voorstel is ook nooit in de commissie voor Justitie behandeld geweest. Ik vind dat mevrouw Verlinden hier wel mocht zijn om de juridische kant toe te lichten. Ik weet wel dat collega Bertels jurist is en dat hij het misschien goed kan uitleggen, maar als bevoegde minister en als medeondertekenaar had ze hier toch mogen zijn om misschien de puntjes op de i te zetten. Het is niet omdat u minister van Volksgezondheid bent dat u ook het justitieel apparaat goed kent.
U zegt dat er niets op het vlak van de kwaliteitseisen is veranderd. Wij hebben dat ook niet beweerd. Het gaat inderdaad altijd maar over controle. Dat is wat we horen uit het werkveld: controle, controle, controle. Als het gaat over de malafide personen, de cowboys en de charlatans, dan hebben we daar zeker geen probleem mee. We horen evenwel uit het werkveld dat zelfs de bonafide zorgverleners zich geviseerd voelen.
Mijnheer de minister, dat zult u toch beter moeten uitleggen. U merkt op dat er overleg is geweest. Er is echter altijd overleg met het Verzekeringscomité en met de beroepsgroepen. Misschien moet u eens echt naar andere mensen op het terrein gaan. Misschien moet u echt naar het terrein gaan want vaak zijn die belangenverenigingen en beroepsgroepen, zoals ik al eens heb aangegeven, nog maar een karikatuur van wat ze eigenlijk zijn geweest. Verontschuldig mij omdat ik dat op die manier moet stellen, maar vaak hebben ze de voeling met het echte terrein verloren, waardoor u natuurlijk ook niet goed wordt geïnformeerd.
Vervolgens stipt u aan dat er geen enkele administratieve last is voor de zorgverlener. Het feit dat de zorgverlener in beroep moet gaan bij de Raad van State, lijkt mij wel een heel grote administratieve last. Hij of zij kan dus niet gewoon via een intern orgaan zijn of haar onschuld proberen te bewijzen. Hij of zij moet al naar de Raad van State stappen en krijgt bovendien maar een heel beperkte tijd om zijn of haar dossier samen te stellen. Er is dus zeker een administratieve last. Nochtans moet een zorgverlener zorg verlenen en zich niet bezighouden met dergelijke bewijslast of met het verzamelen van bewijzen van onschuld.
Ik kom nu bij de uitbreiding van de bevoegdheden van de Toezichtcommissie. U stelt dat u de Toezichtcommissie wilt versterken omdat er heel veel achterstand is. U geeft echter geen bewijs dat het bedrag van 900.000 euro dat u nog in 2026 in die commissie wilt pompen, samen met de extra manschappen of ‘vrouwschappen’ die u zult aanwerven, die achterstand zullen wegwerken. U hebt geen plan van aanpak om de achterstand weg te werken. U hebt ook geen plan van aanpak om de Toezichtcommissie te hervormen.
Hoe komt het immers dat er een dermate groot verschil is tussen de Nederlandstalige Kamer en de Franstalige Kamer? Zijn er zoveel meer dossiers in de Franstalige Kamer? Ik meen van niet. Hoe komt dat dan? Is daar meer uitval? Zijn daar dan toch minder inspecteurs of mensen die die dossiers bekijken? Ik wil enkel maar aanduiden dat u meer bevoegdheden geeft aan een instantie die eigenlijk niet goed werkt. Ik twijfel eraan dat daarin meer energie, meer geld en meer mensen pompen zonder echt structureel te hervormen, veel aarde aan de dijk zal brengen.
Dan is er de problematiek van de persoon. U zegt dat de patiënt geen voorwerp is van onderzoek, maar waarom wordt dat dan niet expliciet zo in de wet bepaald? Een ‘persoon’ kan immers iedereen zijn. Dat kan een patiënt zijn, een derde persoon, een mantelzorger of zelfs een toevallige bezoeker. Dat kan iedereen zijn. Waarom wordt dat niet duidelijker in de wet bepaald?
Wat de zorgvuldigheid betreft, gaat het eigenlijk over de evenredigheidstoets, waar we straks bij het volgende ontwerp nog op zullen terugkomen. Ik denk dat men als wetgever en als regering moet vermijden dat men wordt teruggefloten door het Grondwettelijk Hof of door eender welke instantie die dat kan doen. Ook al is dat in deze situatie misschien niet verplicht, toch zou men als goede huisvader kunnen zeggen dat het beter is om het wél te doen. Dat kan immers geen kwaad en kan eventuele tekortkomingen net aan het licht brengen. Blijkbaar wordt dat echter niet nodig geacht en wacht men op uitspraken van het Grondwettelijk Hof om vervolgens in allerijl bijsturingen of annuleringen te moeten doorvoeren. In onze opinie zijn de onderliggende teneur van het wetsontwerp en ook de signalen die we van het terrein ontvangen, allesbehalve positief.
Het is uiteraard positief dat de charlatans zullen worden aangepakt en dat grote fraudeurs uit het systeem zullen verdwijnen, maar u schiet met een kanon op een mug. U breidt de bevoegdheden van de administratie alsmaar uit, terwijl ze vandaag al moeilijk functioneert. Wij zullen niet tegenstemmen, maar ons onthouden, zoals we ook in commissie hebben gedaan, omdat er inderdaad ook positieve elementen in het ontwerp zitten. Ik heb echter aangegeven met welke elementen we niet akkoord gaan en daarom kiezen we voor een onthouding.
04.08 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, wij zullen het er niet over eens worden of deze kwaliteitswet met de uitbreiding van bevoegdheden al dan niet goed is. Naar onze mening gaat de wet te ver, schiet men te ver door in de controle, worden de bevoegdheden te verregaand en is er ook een te sterke focus op controle. De kwaliteitswet werd destijds in het leven geroepen om de kwaliteitsnormen duidelijk te bepalen, maar u maakt er stilaan een wet van die de controle op de goede praktijk invoert of versterkt.
U verweet mij te verwijzen naar elementen uit het plan handhaving, maar dat is logisch. Uit het ene vloeit immers het andere voort en het ene is een uitwerking van de wettelijke basis die u hierin en in de kaderwet legt. Daarmee zijn er inderdaad ook heel wat linken te maken.
U gaat bovendien voorbij aan het feit dat zowel de Raad van State als de Gegevensbeschermingsautoriteit behoorlijk kritische opmerkingen hebben geformuleerd op dit wetsontwerp. Ik wil graag even in herinnering brengen dat zelfs collega Gijbels in haar uiteenzetting uitdrukkelijk heeft gezegd dat er hier heel verregaande controlemechanismen geïnstalleerd worden. Zij pleitte ervoor om voorzichtig te zijn, zeker met betrekking tot de privacygegevens, en om rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State. Er valt dus zelfs bij uw meerderheid heel wat kritiek en voorbehoud te horen bij het plan dat hier voorligt.
Zoals een aantal collega’s zegt, zit er eten en drinken in. Een aantal elementen die erin zitten, kunnen helpen om de kwaliteit van de praktijkvoering te verbeteren. Nogmaals, u mag ervan zeggen wat u wilt, maar wij vinden dat men de controle op mensen die doen alsof ze zorgverstrekker zijn, niet bij de FOD Volksgezondheid moet leggen. Stel u voor, dan gaan we in de toekomst binnen elke administratie, overheid of sectororganisatie een extra cel organiseren om mensen te veroordelen die een beroep uitoefenen zonder daarvoor de juiste kwalificaties te hebben. Op die manier krijgt elke overheidsorganisatie of sectororganisatie een kamer die veroordelingen kan uitspreken. Wij vinden het beter om in een rechtsstaat een duidelijke scheiding te maken tussen wat men als wetgevende macht doet en wat men als uitvoerende macht doet.
De voorzitter:
Vraagt nog iemand het woord? (Nee)
Quelqu'un demande-t-il encore la parole? (Non)
De algemene bespreking is gesloten.
La discussion générale est close.
Discussion des
articles
We vatten de bespreking van de artikelen
aan. De door de commissie aangenomen tekst geldt als basis voor de bespreking. (Rgt 85, 4) (1379/7)
Nous passons à la discussion des articles. Le
texte adopté par la commission sert de base à la discussion. (Rgt 85, 4) (1379/7)
Het wetsontwerp telt 37 artikelen.
Le projet de
loi compte 37 articles.
Ingediende
amendementen:
Amendements
déposés:
Art. 3
• 47 -
Dominiek Sneppe cs (1379/8)
Art. 4
• 45 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
Art. 7
• 37 - Irina De Knop (1379/8)
Art. 8
• 48 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
Art. 10
• 38 - Irina De Knop (1379/8)
• 49 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
Art. 14
• 43 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
• 41 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
• 51 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
• 55 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
Art. 15
• 50 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
• 40 - Irina De Knop (1379/8)
Art. 17
• 39 - Irina De Knop (1379/8)
• 42 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
• 44 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
• 52 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
• 46 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
Art. 28
• 53 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
Art. 32
• 54 - Dominiek Sneppe cs (1379/8)
Besluit van de
artikelsgewijze bespreking:
Conclusion de la discussion des articles:
Aangehouden: de
amendementen en de artikelen 3, 4, 5, 8, 10, 14, 15, 17, 28 en 32.
Réservés: les
amendements et les articles 3, 4, 5, 8,10, 14, 15, 17, 28 et 32.
Artikel per artikel
aangenomen: de artikelen 1, 2, 6, 7, 9, 11 tot 13, 16, 18 tot 27, 29
tot 31 en 33 tot 37.
Adoptés article par article: les articles 1, 2, 6, 7, 9, 11 à 13, 16, 18
à 27, 29 à 31 et 33 à 37.
De bespreking van de artikelen is gesloten. De stemming over de aangehouden amendementen, de aangehouden artikelen en over het geheel zal later plaatsvinden.
La discussion des articles est close. Le vote sur les amendements et les articles réservés ainsi que sur l'ensemble aura lieu ultérieurement.
We zullen nu even pauzeren en zien elkaar terug over een uur. Dan kunnen we nog wat huiswerk afwerken, zodat we dat werk morgen niet meer moeten doen.
De vergadering wordt gesloten. Volgende vergadering dinsdag 12 mei 2026 om 20.30 uur.
La séance est levée. Prochaine séance le mardi 12 mai 2026 à 20 h 30.
De vergadering wordt gesloten om 19.25 uur.
La séance est levée à 19 h 25.
|
Dit verslag heeft geen bijlage. |
|
Ce compte rendu n'a pas d'annexe. |