|
Plenumvergadering |
Séance
plénière |
|
van Dinsdag 12 mei 2026 Voormiddag ______ |
du Mardi 12 mai 2026 Matin ______ |
De vergadering wordt geopend om 09.01 uur en voorgezeten door de heer Peter De Roover, voorzitter.
La séance est ouverte à 09 h 01 et présidée par M. Peter De Roover, président.
De voorzitter: De vergadering is geopend.
La séance est ouverte.
Een reeks mededelingen en besluiten moeten ter kennis gebracht worden van de Kamer. U kunt die terugvinden op de webstek van de Kamer en in het integraal verslag van deze vergadering of in de bijlage ervan.
Une série de communications et de décisions doivent être portées à la connaissance de la Chambre. Elles seront reprises sur le site web de la Chambre et insérées dans le compte rendu intégral de cette séance ou son annexe.
Aanwezig bij de opening van de vergadering is de minister van de federale regering:
Ministre du gouvernement fédéral présent lors de l'ouverture de la séance:
David
Clarinval.
Overeenkomstig het advies van de Conferentie van voorzitters van 11 mei 2026 hebt u een gewijzigde agenda voor de vergadering van vandaag ontvangen.
Conformément à l’avis de la Conférence des présidents du 11 mai 2026, vous avez reçu un ordre du jour modifié pour la séance d'aujourd'hui.
Zijn er dienaangaande opmerkingen? (Nee)
Y a-t-il une observation à ce sujet? (Non)
Bijgevolg is de agenda aangenomen.
En conséquence, l'ordre du jour est adopté.
Overeenkomstig het advies van de Conferentie van 11 mei 2026 stel ik voor om de bespreking van het ontwerp van programmawet als volgt te organiseren:
De algemene bespreking werd afgesloten tijdens de plenaire vergadering van 29 april 2026. Tijdens de algemene bespreking heeft niemand het woord genomen.
1. Bijgevolg wordt de volgende globale, vrij te besteden, spreektijd toegekend voor de thematische bespreking (inclusief de onderbrekingen en de replieken):
- oppositiefracties: 75 minuten + 2 minuten per lid, waarvan 5 minuten ononderbroken per thematische bespreking;
- meerderheidsfracties: 35 minuten + 1 minuut per lid, waarvan 5 minuten ononderbroken per thematische bespreking;
- onafhankelijken: 15 minuten, waarvan 2,5 minuten ononderbroken per thematische bespreking;
- amendementen: spreektijd van 15 minuten per fractie in een aparte ronde na afronding van de thematische besprekingen.
2. De spreektijd van de onderbrekingen bedraagt maximaal 1 minuut voor de vragen evenals voor de antwoorden (ook van de ministers) en replieken. Voor de antwoorden wordt de spreektijd niet in rekening gebracht van de globale spreektijd.
3. De volgorde van de sprekers is dezelfde als deze bepaald voor de bespreking van de regeringsverklaring en voor de bespreking van de begroting, namelijk alternerend oppositie en meerderheid volgens de grootte van de fractie: VB, N-VA, PS, MR, PVDA-PTB, Les Engagés, Ecolo-Groen, Vooruit, Anders., cd&v, DéFi en Jean-Marie Dedecker.
4. De thematische bespreking wordt georganiseerd volgens de orde van voorrang van de ministers, vangt aan met de ingeschreven sprekers, wordt gevolgd door de antwoorden van de ministers die de tien eerste minuten niet mogen worden onderbroken en wordt afgesloten door de eventuele replieken.
Conformément à l'avis de la Conférence des présidents du 11 mai 2026, je propose d'organiser la discussion du projet de loi-programme comme suit:
La discussion générale a été clôturée pendant la séance plénière du 29 avril 2026. Lors de la discussion générale, personne n'a pris la parole.
1. Par conséquent, le temps de parole global est attribué comme suit pour les discussions thématiques, y compris les interruptions et les répliques:
- groupes d’opposition: 75 minutes + 2 minutes par membre, dont 5 minutes sans interruption par débat thématique;
- groupes de la majorité: 35 minutes + 1 minute par membre, dont 5 minutes sans interruption par débat thématique;
- amendements: temps de parole de 15 minutes par groupe.
- amendements: 15 minutes par groupe lors d'un tour de parole distinct, à l'issue des débats thématiques.
2. Le temps de parole des interruptions est de 1 minute maximum pour les questions ainsi que pour les réponses (y compris celles des ministres) et les répliques. Pour les réponses, le temps de parole n'est pas déduit du temps de parole global.
3. L'ordre des intervenants est le même que celui fixé pour la discussion de la déclaration gouvernementale et pour la discussion du budget, à savoir en alternance opposition et majorité selon la taille du groupe: VB, N-VA, PS, MR, PVDA-PTB, Les Engagés, Ecolo-Groen, Vooruit, Anders, cd&v, DéFi et Jean-Marie Dedecker.
4. La discussion thématique est organisée selon l'ordre de préséance des ministres, commence par les orateurs inscrits, est suivie des réponses des ministres, qui ne peuvent être interrompus pendant les dix premières minutes, et se termine par les éventuelles répliques.
Geen bezwaar? (Nee)
Aldus zal geschieden.
Pas d’observations? (Non)
Il en sera ainsi.
Overeenkomstig artikel 85, vierde lid, van het Reglement wordt de door de commissies aangenomen tekst als basis voor de thematische bespreking genomen.
Conformément à l'article 85, alinéa 4 du Règlement, le texte adopté par les commissions sert de base à la discussion thématique.
02.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, collega's, heren ministers, we zullen zo meteen de bespreking starten van het wetsontwerp, de programmawet nr. 1378, de artikelen 56 tot 83 over de zogenaamde centenindex. Ik zie dat beide ministers aanwezig zijn. Goedemorgen, vicepremier Clarinval, vicepremier Vandenbroucke.
Ik heb evenwel vernomen, zoals velen onder u, dat er gisteren een nieuwe tabel is verspreid geweest door het Federaal Planbureau over de budgettaire impact van de centenindex. Uiteraard past het, voorzitter, dat het Parlement kan beschikken over die nieuwe tabel vooraleer wij de bespreking over de centenindex aanvatten. Ik wil in herinnering brengen dat wij in een vorige bespreking beschikten over een budgettaire tabel, over de berekeningen van het Federaal Planbureau. Dat document bevatte interessante informatie.
Blijkbaar is er dus gisteren door het Federaal Planbureau een nieuwe tabel verspreid en ik vind het passend voor het Parlement dat wij over die tabel zouden kunnen beschikken, vooraleer dat wij discussiëren over de centenindex, die veel mensen beroert, niet alleen vakbonden, maar ook werkgevers. Ik richt mij dan ook in het bijzonder tot beide ministers hier aanwezig.
02.02 Minister Frank Vandenbroucke: Dat is een uitstekend voorstel. We zullen al het materiaal dat het Federaal Planbureau heeft laten bezorgen, ook bezorgen aan de Kamer.
02.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Dank u, dat is heel sympathiek en vriendelijk, mijnheer de minister. Mag ik vragen dat dat gebeurt voordat we starten met het debat? De tabel bezorgen tijdens het debat, dat is niet netjes. Ik heb vernomen dat de tabel gisteren is verspreid 30 minuten vóór de start van de Groep van 10, terwijl die berekening dateert van 8 mei. Die tabel werd pas drie dagen later verspreid. Ik denk dat men dat soort trucjes best niet toepast in het Parlement. Ik zou willen dat u de tabel bezorgt, voordat we het debat starten. Dat lijkt mij een blijk van respect voor het Parlement.
02.04 Minister Frank Vandenbroucke: Dat zal gebeuren met de snelheid van het licht, natuurlijk, sneller kan het niet. We zullen vragen aan het kabinet van de premier dat de tabel onmiddellijk digitaal wordt bezorgd. Iemand die zo intelligent is als u, mijnheer Van Quickenborne, heeft denk ik ook maar een half uur nodig om dat document direct te begrijpen.
02.05 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u stelt dat we een halfuur tijd krijgen tussen het verkrijgen van de tabel en het begin van het debat, dat bepleit u hier. Geen probleem. Het was wel netter geweest van de regering als die tabel ons gewoon vooraf was bezorgd. Dan hadden we deze vraag niet moeten stellen. U verwacht dat we zo’n tabel zonder toelichting onmiddellijk bestuderen.
Mijnheer de voorzitter, ik verwacht dus dat die wordt verspreid voordat we het debat starten.
02.06 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le président, je rejoins la demande de M. Van Quickenborne. C'est vrai que la méthode Arizona étonne. Nous lisons ainsi ce matin dans la presse que les nouveaux calculs du Bureau fédéral du Plan ont été transmis hier 30 minutes avant la réunion avec le G10, alors qu'ils étaient prêts depuis vendredi dernier!
Il nous est demandé d'entamer le débat. La fois passée déjà, vous vouliez entamer le débat et nous avions reçu une réponse sur la proposition du G10 de M. Clarinval parce que nous avions demandé un avis au Conseil d'État! Nous sommes ici un peu dans le même scénario. M. Van Quickenborne a demandé le tableau. Celui-ci nous sera donné juste avant que nous n'entamions le débat. Vous faites là preuve d'un vrai mépris pour le travail parlementaire. Et vous méprisez également la concertation sociale, comme l'affirme Pierre-Frédéric Nyst, président de l'UCM, lorsqu'il constate que l'accord de gouvernement cite plus de 40 fois la concertation sociale. Il a dit: "Nous avons trouvé un bon accord, et c'est frustrant". C'est le président de l'UCM qui le dit, c'est même la FEB qui le dit, et pas seulement les syndicats.
Dans ce contexte, que faisons-nous? Vous voulez voter ici votre mesure de double plafonnement de l'indexation des salaires alors qu'une proposition du G10 est sur la table et que vous êtes en négociation avec eux. Mais ici, on ne sait pas trop ce qui va se passer, on ne connaît pas trop le contenu des propositions. Ne sert-on qu'à appuyer sur un bouton? En tout cas, nous ne sommes pas d'accord et nous demandons d'avoir le temps d'examiner le tableau avant d'entamer les débats.
02.07 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, ik sluit mij aan bij die vraag. Ik dank de regering dat zij bereid is om ons die documenten en de tabellen te bezorgen, maar het was inderdaad veel eleganter geweest om dat op voorhand te doen.
De minister zegt tegen de heer Van Quickenborne dat hij dat wel op een halfuurtje kan bekijken, maar ik weet niet over hoeveel documenten het gaat. Ik ken de leessnelheid van de heer Van Quickenborne wel, maar het lijkt mij evident dat wij, zodra we de documenten krijgen, de nodige tijd krijgen, ten minste een halfuur, om die te bekijken. Ondertussen kunnen we natuurlijk wel de bespreking van de andere punten aanvatten. Er staan er immers veel op de agenda. Het heeft echter geen zin om ons de documenten te bezorgen terwijl we erover aan het debatteren zijn. Ik stel voor dat we, zodra we de documenten krijgen, minstens een halfuur de tijd krijgen om ze te bestuderen.
Verder lezen we in de media dat er morgen een kernkabinet zou samenkomen over dit thema. De vraag aan de voorzitter en aan de vicepremiers is dus of het klopt dat er morgen nog een kernkabinet zou samenkomen waarop u nogmaals de centenindex en de nieuwe informatie en rapporten zult beoordelen. Als dat het geval is, dan is het bizar dat wij vandaag het debat over de centenindex aanvatten, terwijl de regering zich nog eens zal buigen over een aantal scenario’s en alternatieve plannen. Ik krijg daarover dus graag duidelijkheid. Als u van plan bent om dat nog eens te bespreken, dan moeten we het misschien nog een weekje uitstellen.
Het feit dat er nu tabellen en berekeningen zijn, toont in elk geval aan dat het een goede zaak was om het debat twee weken geleden niet aan te vatten en dat er nieuwe elementen zijn die het debat vandaag kunnen verrijken, als we daarmee tenminste vandaag kunnen starten. Mijn vraag is dus tweeledig. Ten eerste, we willen de nodige tijd krijgen om de nieuwe documenten te kunnen bestuderen zodra die ons worden bezorgd en, ten tweede, we willen duidelijkheid krijgen over het feit dat het kernkabinet morgen samenkomt over dit dossier.
02.08 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur le président, messieurs les vice-premiers ministres, chers collègues, il n'est pas dans ma nature de prendre du plaisir à générer des incidents, systématiquement en début de séance plénière. C’est contraints et forcés par le gouvernement et par la majorité que nous avons été obligés d’agir de la sorte.
Malheureusement, ce matin encore, nous devons commencer la séance plénière, qui doit aborder l’examen de la loi-programme notamment, par un incident de procédure. En effet, nous avons appris dans la bonne presse de ce jour, qu’une nouvelle simulation de la proposition alternative formulée par les interlocuteurs sociaux avait été réalisée par le Bureau fédéral du Plan; elle était, a priori, disponible depuis vendredi dernier, au dire même de membres du Groupe des 10, mais n'a été présentée aux interlocuteurs sociaux que 30 minutes avant la rencontre avec ces éminences du gouvernement. Or, alors que le débat porte sur l’un des cœurs de la loi-programme, à savoir ce double saut d’index, nous ne disposons toujours pas de ces documents pour pouvoir accomplir correctement notre travail de parlementaires, et singulièrement, en ce qui nous concerne, notre travail de parlementaires de l’opposition.
J’ai entendu à plusieurs reprises l’opposition, et le Parti Socialiste en particulier, être accusés d’être responsables du chaos au sein de cette Assemblée. Néanmoins, je tiens à rappeler que, depuis le début, en ce qui concerne la loi-programme, c’est bien le gouvernement et la majorité qui sont à l’origine de ce chaos. Tout d’abord, en étant largement en retard pour déposer cette loi-programme au parlement et, donc, pour la faire voter. Ensuite, parce que le gouvernement a omis ou n’a pas voulu solliciter l’avis légalement prescrit du Conseil National du Travail. Puis, une fois que l’opposition a contraint le gouvernement à solliciter cet avis, celui-ci n’a pas voulu laisser le temps nécessaire aux partenaires sociaux pour aborder concrètement et en profondeur cette proposition et construire une contre-proposition. Systématiquement, c’est le travail de l’opposition qui a permis aux parlementaires de la majorité et au gouvernement de modifier leur copie, de respecter les prescrits légaux, et de respecter tout simplement le cœur de la démocratie sociale dans notre pays, à savoir la concertation sociale.
Et aujourd’hui, nous débutons à nouveau les travaux sur la loi-programme sans disposer de l’ensemble des documents. J’entends l’engagement qui a été pris par le ministre Vandenbroucke et je l’en remercie, mais c’est un engagement qui arrive trop tard. Vu que le document était disponible, nous aurions dû, dès hier ou voire dès vendredi, pouvoir disposer de cette évaluation.
Je rejoins donc à la fois la demande formulée par le collègue Van Quickenborne et les deux demandes formulées par le collègue Van Hecke. Par ailleurs, monsieur le président, si nous faisons droit à ces deux demandes, cela permettra à la majorité d’être en nombre pour débuter les travaux sur la loi-programme, ce qui n’est toujours pas le cas aujourd’hui.
02.09 Kurt Moons (VB): Heren ministers, ik zou me willen aansluiten bij de bedenkingen van de collega’s. We zijn het met deze regering intussen al gewoon dat de agenda’s continu veranderen en dat er informatie wordt gegeven terwijl of net voor debatten plaatsvinden, maar dit gaat nu toch wel heel ver. Wij zullen morgen immers moeten stemmen over een centenindex, waarvan we zelfs niet weten of de regering er wel achterstaat. De regering zal morgen immers nog bespreken of het alternatief van de Groep van Tien een optie is. Zal dat dan worden toegevoegd aan de programmawet? Zullen daarvoor morgen dan amendementen worden ingediend? Het is nog maar eens een chaotisch gedoe. Intussen zijn we dat gewoon, maar ik zou toch heel graag weten waarom het Federaal Planbureau opeens met nieuwe cijfers komt, terwijl het al cijfers heeft gegeven. Is het dan toch zo ingewikkeld? Moeten we dan niet de tijd krijgen om dat te bekijken en het in onze tussenkomsten te verwerken?
(Applaus)
02.10 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, de eerste minister bevestigt mij dat alles is bezorgd.
De voorzitter: Het is net aan het secretariaat bezorgd.
02.11 Minister Frank Vandenbroucke: Dat is een eerste punt. Alles is dus bezorgd en kan in het Parlement worden verspreid.
02.12 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Niet aan ons.
02.13 Minister Frank Vandenbroucke: Het komt eraan.
Ten tweede, ik weet niet of u de vergadering even wilt schorsen om de leden de tijd te geven om de documenten te bekijken. Dat is voor mij geen probleem. Ik ben graag bereid om onmiddellijk na de schorsing uit te leggen waarom de regering vandaag inderdaad geen alternatief ziet en waarom de programmawet hier ter bespreking en ter stemming voorligt. Ik zal dat toelichten zodra de nota van het Federaal Planbureau is verspreid.
De voorzitter: De nota is door de regering aan de diensten bezorgd. Ze wordt as we speak aan de leden uitgedeeld. Ik denk dat het terecht is dat daarvoor enige tijd wordt voorzien. Dat betekent dat we de agenda misschien het best omgooien. Het korte debat over de andere bevoegdheden van minister Vandenbroucke kan alvast worden opgestart. Minister Jambon is ook in de buurt, dus ook hij kan zijn deel al voor zijn rekening nemen. Op die manier krijgen de collega's ruim de tijd om kennis te nemen van de documenten die nu worden bezorgd.
02.14 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, dank u om op die manier te werk te gaan.
Ik heb nog een praktische vraag. Betekent dit dat we het debat met minister Jambon eerst volledig zullen voeren, vooraleer we het debat hernemen? Hoe ziet u dat?
De voorzitter: Ik stel voor om niet halverwege te stoppen en het thema van minister Jambon volledig af te werken, alvorens over te gaan naar de andere debatten. Akkoord? (Ja)
Discussion
thématique
De thematische bespreking is geopend
La discussion thématique est ouverte.
Gezondheid
– Sociale zaken
Santé – Affaires sociales
Dan geef ik het woord aan de heer Bertels, die voldoende door de wol geverfd is om niet verrast te worden door deze agendawijziging en met passende eloquentie zijn uiteenzetting zal houden.
02.15 Jan Bertels (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, in het thema gezondheid van deze programmawet staan twee belangrijke zaken.
Ten eerste, er wordt een marge gecreëerd om de erelonen voor de vroedvrouwen desgewenst op te trekken. Dat is een maatschappelijk probleem dat al lang aansleept en dat wij moeten oplossen. Daardoor wordt er perspectief geboden om de erelonen van de vroedvrouwen voor verlossingen in het algemeen kader op te trekken. Dat is een goede zaak.
Ten tweede, meer technisch is het ook een goede zaak dat wij in een soepele financiering voorzien voor de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, waarbij wij er in nauw overleg met de actoren en alle stakeholders voor zorgen dat de financiering jaarlijks kan worden aangepast aan de behoeften van het FAGG. Dat is een goede zaak.
De voorzitter: Mijnheer de minister, wenst u daarop te reageren of bent u het ermee eens?
Dan kunnen wij het deel Gezondheid afsluiten. Voor het deel Sociale Zaken zijn er geen tussenkomsten. Wij beginnen vervolgens met het thema Financiën, natuurlijk zodra de minister aanwezig is. Hij zou hier heel snel zijn.
02.16 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, zou het toch niet raadzaam zijn om gewoon een halfuurtje te schorsen? Op die manier kunnen wij kennis nemen van de documenten. De minister is ook niet aanwezig. Nu moeten ministers hals over kop naar hier komen omdat wij de agenda door elkaar halen.
Is het niet wijselijk om even te schorsen? Ik zie ze nog altijd niet binnenkomen maar ik neem aan dat wij de documenten binnen de minuut zullen hebben. Het lijkt mij echter ordentelijk om minstens een halfuur te schorsen.
De voorzitter: Ik wil efficiënt te werk gaan. Ik denk dat het deel-Jambon eigenlijk niet is gekoppeld aan de documenten die worden bezorgd. Een schorsing is dus tijdverlies.
02.17 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, er zijn ook leden die tegelijkertijd in het ene debat willen zitten of luisteren en de documenten moeten lezen. Ik ben een man en kan dus geen twee zaken tezelfdertijd doen. Dat is mijn probleem. Als wij ons werk ernstig willen doen, moeten wij die documenten kunnen bestuderen en niet tezelfdertijd andere debatten voeren. Sommige sprekers zitten in beide debatten. Dat is ook niet evident.
De voorzitter: Ik vind het inefficiënt, maar als de vraag er is, wil ik er wel aan voldoen.
Het is natuurlijk opmerkelijk dat we met de 150 collega’s hier het thema Pensioenen niet zouden kunnen aansnijden op het ogenblik dat… Maar bon, het zal alleen straks de vergadering verlengen. De minister is aanwezig.
02.18 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, ik meen dat wij als oppositie zeer constructief geweest zijn met ons verzoek aan de regering om die tabel aan ons te bezorgen. We hebben geen motie ingediend om vast te stellen dat de meerderheid vandaag opnieuw niet in aantal is; dat hebben we niet gedaan. Maar ik vraag u wel in te gaan op het verzoek van de heer Van Hecke de vergadering een halfuur te schorsen om de leden de kans te geven om kennis te nemen van die tabel, zodat we dan straks het debat kunnen hervatten. Dat lijkt me het meest te getuigen van respect voor het Parlement. Ik hoop dat u daarmee rekening houdt.
De voorzitter: Kunt u even verifiëren of u intussen de documenten gekregen hebt? Ze zouden nu bezorgd moeten zijn.
De voorzitter: Ik meen dat uw ecologische collega’s het daar niet mee eens zijn.
(…): (…)
De voorzitter: U hebt nog niets ontvangen?
(…): (…)
De voorzitter: Ja, maar ik wil verifiëren of de tekst er is.
(…): (…)
De voorzitter: Ik kan bezwaarlijk nu de vergadering een halfuur schorsen als u pas over 25 minuten de tekst krijgt.
(…): (…)
De voorzitter: Op dit moment is iemand de tekst aan het overschrijven. U krijgt ze. We hebben een monnik in dienst genomen.
De tekst zou nu verstuurd moeten zijn naar uw mailadres van de Kamer. Kunt u dat even verifiëren, collega’s?
We zullen nu schorsen en hervatten de vergadering om 10.00 uur.
De vergadering wordt geschorst van 09.27 uur tot 10.00 uur.
La séance est suspendue de 09 h 27 à 10 h 00.
Collega’s, we hervatten de bespreking. Het is 10.00 uur op de klok hier in de zaal, maar dat betekent dat het al 10.02 uur is. U hebt dat misschien nog niet opgemerkt, maar wij lopen achter op de realiteit. Ik spreek over het Huis, niet over ieder individu.
02.19 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, ik wil even meedelen wat de eerste minister gisteren heeft gezegd aan de Groep van Tien, omdat het belangrijk is voor het debat, ook met het oog op de bijkomende onderzoeken die het Federaal Planbureau heeft gedaan om de alternatieven voorgesteld door de Groep van Tien beter te begrijpen.
Ik wil in de eerste plaats zeggen, en ik denk dat ik spreek in naam van de hele regering, dat wij enorm waarderen dat de sociale partners in sociaal overleg akkoorden met elkaar zoeken en ook alternatieve oplossingen zoeken voor maatregelen die de regering neemt. Dat waarderen wij enorm. Dat is zeer belangrijk en op zichzelf zeer goed.
Er rijzen echter twee vragen. De eerste vraag is of die alternatieve oplossingen de doelstellingen bereiken van de maatregelen die de regering neemt. Bereiken we daarmee die doelstellingen? De tweede vraag is of die in de praktijk uitvoerbaar zijn.
De eerste minister heeft gisteren, op het einde van onze samenkomst met de Groep van Tien, mede naar aanleiding van de bijkomende onderzoeken die het Federaal Planbureau heeft gedaan, gezegd dat er geen consensus is om vast te stellen dat er een alternatief zou zijn dat dezelfde doelstellingen bereikt als de doelstellingen die de regering nastreeft en dat uitvoerbaar zou zijn.
Vermits er geen consensus is over een alternatief, wenst de regering dat de bespreking van de programmawet verdergezet wordt. We hebben de sociale partners gezegd dat zij vanzelfsprekend samen met de experten van het Planbureau nog de cijfers en berekeningen kunnen bestuderen om alles goed te begrijpen. Morgen zullen we in het kernkabinet daarover ongetwijfeld nog wel feedback krijgen. De eerste minister heeft gisteren gezegd dat de regering geen consensus ziet voor een alternatief voor wat nu hier voorligt. De regering vraagt dus om haar standpunt te bespreken en goed te keuren.
Mijnheer de voorzitter, aangezien dat belangrijk is, wil ik het even toelichten. Dit betreft ook enkele conclusies uit het debat van gisteren. De Groep van Tien heeft een aantal methodologische opmerkingen gemaakt bij de modellering van het Planbureau. We menen dat het Planbureau daar in extenso en overtuigend op geantwoord heeft. U vindt dat voor een stuk terug in die nota. Het gaat dan over de wijze waarop de effecten op de werkgelegenheid van evoluties in de loonkosten worden ingeschat. Het Federaal Planbureau hanteert een verfijnd model waarbij de elasticiteit per sector wordt bekeken. Er bestaan immers verschillen tussen sectoren. Net binnen de sectoren wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de impact van de loonhoogte. Dat zou waarschijnlijk niet veel verschil maken, want in het model van het Planbureau wordt al een onderscheid gemaakt tussen sectoren. Het bouwen van een volledig nieuw model bouwen vereist veel tijd. Uit eigen ondervinding met dat soort modellen, meen ik dat het een jaar zou vergen om een nieuw model te bouwen en te valideren en het zou volgens mij weinig veranderen. Dat is een eerste punt.
Tweede punt, de Groep van Tien stelt dat het Planbureau de impact van de centenindex bij werknemers in de privésector misschien onderschat. Een onderschatting van dat effect impliceert ook een verkeerde inschatting van het alternatief, wat mogelijks resulteert in een verkeerd beeld van de budgettaire impact. Het Planbureau heeft een zogenaamde gevoeligheidsanalyse gemaakt en heeft als het ware de hypothesen over wat de centenindex zou kunnen betekenen in de privésector zeer sterk opgedreven. Het heeft opnieuw de oefening gemaakt, maar zelfs als men uitgaat van het gewenste alternatief van de Groep van Tien, blijkt dat er een belangrijk budgettair tekort blijft tegenover de doelstelling van de regering.
We zijn echter met z'n allen verantwoordelijk om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Dat is toch een van de essentiële doelstellingen van deze programmawet en van deze maatregel.
We vragen een solidaire bijdrage van eenieder om de overheidsbegrotingen op orde te brengen. Het alternatief dat wordt voorgesteld, doet dat niet. U mag tegenargumenten aanvoeren, maar de nota van het Federaal Planbureau stelt dat het alternatief dat niet doet. Als u de berekening bekijkt, zult u zien dat er een belangrijk budgettair gat blijft.
Ook over nog enkele andere punten zijn er discussies. Er is een meningsverschil over wat de loonmatigingsbijdrage, die hier ook voorligt, zal opbrengen. Het Federaal Planbureau doet echter alleen wat het moet doen, namelijk op basis van een model een inschatting maken van de impact van de loonmatigingsbijdrage en het effect daarvan voor een versterking van de overheidsbegroting. Hoe dat technisch zal worden uitgewerkt – dat hebben mijn collega Clarinval en ikzelf hier al enkele keren gezegd – moeten we nog uitwerken. Het Federaal Planbureau kan daarover bijgevolg geen voorspellingen doen. Volgens mij doet het Federaal Planbureau zijn werk dus volledig correct.
Nogmaals, ik deel u gewoon mee, in naam van de regering, wat er gisteren is gezegd. Ik zal de conclusie ook herhalen. Met het voorgesteld alternatief blijft er een zeer belangrijk budgettair probleem bestaan. Het is zeer goed dat de sociale partners een alternatief hebben uitgewerkt, maar het creëert een budgettair probleem waarvoor er geen oplossing is. Dat is een verantwoordelijkheid die we moeilijk kunnen nemen.
Misschien nog belangrijker, met het voorstel van de Groep van Tien zullen mensen die vastbenoemd zijn bij een overheid, dus overheidsambtenaren, in de praktijk meer inleveren dan met wat vandaag door de regering is voorzien. Onder meer leerkrachten en vastbenoemd zorgpersoneel zullen volgens het voorstel meer inleveren. Als wij het alternatief van de Groep van Tien zouden volgen, zullen zij bovendien op een heel andere manier worden benaderd.
Dat is niet houdbaar vanuit het standpunt van gelijke behandeling. Daarover hebben de FOD Sociale Zekerheid en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een juridische nota neergelegd. De repliek op die juridische nota vinden wij niet overtuigend. De overheid kan geen maatregel nemen op het vlak van het inkomens- en prijsbeleid die een heel andere impact heeft en veel zwaarder weegt op wie een statuut als vastbenoemde heeft dan op wie contractueel is. Dat is onmogelijk uit te leggen.
Ik neem het voorbeeld van een verpleegkundige aan de UGent die vastbenoemd is en exact hetzelfde werk verricht als een verpleegkundige in een naburig ziekenhuis in Gent die contractueel is. De juridische nota van mijn departement stelt dat men onmogelijk kan uitleggen waarom die twee mensen zo verschillend zouden worden behandeld. Dat is niet alleen een juridisch probleem, maar wat mij betreft ook een probleem van fair play.
De centenindex behandelt mensen verschillend naar draagkracht. Mensen met bescheiden lonen worden veel meer ontzien dan mensen met hogere lonen. Dat is de optiek van deze regering en dat is ook een kwestie van rechtvaardigheid. Dat draagkrachtprincipe passen wij toe op iedereen, zonder enige vorm van discriminatie. Een alternatief waarbij vastbenoemden veel meer zullen inleveren dan niet-vastbenoemden, is onmogelijk uit te leggen.
Dat hebben wij gisteren besproken. De eerste minister heeft beslist dat er geen consensus is voor dat alternatief. Dat is jammer, want wij appreciëren dat men gezocht heeft naar een alternatief. Daarover is geen consensus. De regering vraagt om de voorliggende programmawet goed te keuren.
De voorzitter: Het woord is aan de heer Moons voor het thema Werk en Sociale Zaken.
Werk en
Sociale Zaken
Emploi et Affaires Sociales
02.20 Kurt Moons (VB): Mijnheer de voorzitter, op de spreekklok zijn al zes minuten voorbij.
De voorzitter: De klok wordt voor u herstart.
02.21 Kurt Moons (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor de toelichting. Ik kom er later op terug, want het is nu aan mij om eventjes wat meer toelichting te geven over de programmawet.
We hebben al een lange algemene bespreking gehad, maar ik zal nu focussen op de centenindex. Als men deze programmawet leest, en dat hoeft zelfs niet grondig te zijn, wordt al snel duidelijk dat het hier een fundamentele politieke keuze betreft die tegelijkertijd budgettair, sociaal, juridisch, economisch en administratief enorm zwaar doorweegt. Ze past bovendien in de bredere logica van de regering-De Wever, die structurele hervormingen aan de uitgavenzijde opnieuw uit de weg gaat. In plaats daarvan kiest ze voor extra taksen, extra belastingen, extra accijnzen, extra afromingen, extra bijdragen, extra indexbeperkingen en extra technische ingrepen, die steeds weer bij dezelfde mensen terechtkomen. Ze komen terecht bij de mensen die hard werken of gewerkt hebben, bij de werkende middenklasse, de mensen die elke dag opstaan, gaan werken, belastingen betalen en hun gezin proberen te onderhouden. Zij moeten alweer ontmoedigd vaststellen dat zodra de federale begroting verder wegzinkt in het Belgische financiële moeras, de regering niet eerst kijkt naar haar eigen uitgavenprobleem en inefficiëntie, maar opnieuw naar de loonbrief van wie werkt of gepensioneerd is.
Deze programmawet is een graaiwet, een wet waarmee men titel na titel, hoofdstuk na hoofdstuk, artikel na artikel, opnieuw geld gaat halen waar nog iets te halen valt. Dat maakt deze oefening heel wrang, want de eerste minister heeft zelf gezegd dat de Vlaming vandaag al de meest gepluimde kip van Europa is. Dan verwacht men toch op zijn minst dat een regering die zoiets zegt, stopt met pluimpjes te plukken. Niet dus. Deze regering is de kip niet meer aan het pluimen, maar begint ze te slachten.
Wat is de centenindex eigenlijk? Mijn collega Lode Vereeck zal straks uitgebreid de belastingturbo van deze programmawet hekelen. Verhoogde inschepingstaks, verhoogde taks op verzekeringen, verhoogde taks op effectenrekeningen, verhoogde accijnzen, maar daar stopt het pluimen of het slachten niet. Als we inzoomen op titel 3 van deze programmawet, meer bepaald op de artikelen 52 tot 84, dan zien we daar het pronkstuk van deze regering, de zogenaamde centenindex. Ik zeg met opzet ‘zogenaamd’, want zelfs de naam is al een poging om de echte aard van de maatregel onschuldiger te doen lijken dan hij in werkelijkheid is. In het Nederlands klinkt dat bijna onschuldig, centenindex. In het Frans is het un index en centimes. Het gaat over centjes, centimes, geen euro's, maar in de toelichting spreekt men af en toe over een gerichte en geplafonneerde index, un index plafonné.
Eigenlijk is die benaming eerlijker en correcter. Als wij helemaal eerlijk moeten zijn, moeten wij de maatregel noemen wat ze is, namelijk een gedeeltelijke maar structureel doorwerkende dubbele indexsprong. De regering zal inderdaad beweren dat het juridisch niet om een echte indexsprong gaat, maar uiteindelijk telt voor de werknemer alleen wat op het einde van de maand op zijn rekening staat en wat dat betekent voor zijn koopkracht, zijn loopbaan en zijn pensioen. In dat geval gaat het niet over centen, maar over honderden en zelfs duizenden euro’s.
Mijnheer de minister, ik wil daarom eerst nog eens teruggaan naar het regeerakkoord van de regering want de centenindex of dubbele indexsprong botst flagrant met het regeerakkoord en dus met de eigenlijke politieke belofte van de meerderheid. Daarin staat letterlijk het volgende, ik citeer: “Wij behouden het principe van de automatische indexering om de lonen te beschermen zodat werknemers hun levensstandaard kunnen behouden, ook wanneer de prijzen van goederen en diensten stijgen. Het is een garantie voor stabiliteit, niet alleen voor de burgers, maar ook voor de economie. Het biedt namelijk een belangrijke bescherming aan de particuliere consumptie.” Dat staat daar letterlijk en heel expliciet als een belofte.
Wat doet de regering enkele maanden later? Ze stelt niet openlijk dat ze de index zal afschaffen. Dat zou immers te duidelijk zijn. Ze doet iets veel geraffineerder. Ze behoudt de index in woorden, maar beperkt de werking ervan. Ze laat de index onder een bepaalde grens volledig spelen, maar boven die grens niet meer. Dat is puur boerenbedrog. Als de regering de werking van de index beperkt, de uitkomst ervan plafonneert en nadien gewoon voort indexeert op het al gematigde loon, behoudt ze de index niet zoals ze had beloofd. In dat geval holt ze de index uit en beslist ze maatregelen die regelrecht tegen het regeerakkoord ingaan.
Laten wij nu toch eens heel concreet uitleggen wat de centenindex juist is, of beter die dubbele indexsprong. Ik heb immers gemerkt dat zelfs in de pers niet steeds goed wordt uitgelegd hoe de centenindex precies in elkaar zit. Dat is trouwens een duidelijke aanwijzing voor de enorme complexiteit van de maatregel. Ik zal het daarom eventjes uitleggen voor de aanwezige leden hier want de maatregel is toch een belangrijk gegeven in de huidige legislatuur.
Tot tweemaal toe zal de regering de indexering beperken tot 2 %. Tot 4.000 euro bruto per maand blijft de normale indexering behouden, maar boven die 4.000 euro gebeurt iets anders. Voor dat gedeelte van het loon geldt niet langer dezelfde volledige automatische indexering als voorheen, maar een beperkte vorm van indexering, namelijk de normale indexering min 2 %. Ik heb dat als de makkelijkste uitleg gevonden want anders is het niet te doen. Er is dus de normale indexering min 2 % voor de lonen boven 4.000 euro.
Ik geef daarbij een voorbeeld aan de hand van gemakkelijke cijfers. Neem een werknemer die 10.000 euro bruto per maand verdient en neem een indexering van 5 %. Onder het gewone systeem zou dat loon stijgen met 500 euro, dus tot 10.500 euro. Onder het nieuwe systeem krijgt de eerste 4.000 euro de volledige indexering, namelijk die 5 %. Dat is 200 euro op 4.000 euro.
Op het gedeelte daarboven, de resterende 6.000 euro, wordt een lagere index toegepast, namelijk 5% min 2%, dus 3%. Dat betekent 180 euro op die 6.000 euro. In plaats van 500 euro bedraagt de stijging dus slechts 380 euro: 200 euro op de eerste schijf en 180 euro op de tweede schijf boven 4.000 euro. Het verschil bedraagt dus 120 euro. Dat, beste collega’s, is de kern.
Ten eerste krijgt de werknemer minder dan bij een volledige indexering. Dat verschil blijft niet beperkt tot één maand, maar werkt door, maand na maand, jaar na jaar.
Ten tweede wordt dat verschil bij een volgende indexering niet weggewerkt. Men vertrekt dus niet van 10.500 euro, maar van 10.380 euro. Dat betekent dat de kloof ingebakken wordt in de verdere loonevolutie, dus in een structureel lager toekomstig loonpad.
Ten derde bespaart de werkgever zowel op de bruto loonkost, omdat die indexatie maar gedeeltelijk wordt toegepast, als op de patronale lasten die anders verschuldigd zouden zijn geweest. Het meest perverse is echter dat ook de overheid, de RSZ, vervolgens via een zogenaamd bijzondere loonmatigingsbijdrage de helft van dat voordeel van de werkgever inpikt. Op die manier heft de overheid onrechtstreeks een belasting op loon dat nooit is betaald en nooit betaald zal worden. Eigenlijk gaat het dus om een soort spookbelasting, namelijk loon belasten dat er niet is. Misschien krijgen we binnenkort dan ook accijnzen op benzine die niet getankt is. Hoe surrealistisch kan het nog worden?
Ten slotte, ten vierde, wordt na twee keer de bijzondere loonmatigingsbijdrage een extra, permanent voortdurende zogenaamd geconsolideerde bijzondere loonmatigingsbijdrage geïnstalleerd. Op die manier zal de RSZ nog vele jaren kunnen teren op die dubbele indexsprong, via een mechanisme dat vandaag zelfs nog niet is bepaald. Ik kom daar later op terug.
Laten we de uitkomst heel helder naast elkaar zetten. Ten eerste krijgt de werknemer minder loonstijging. Ten tweede krijgt de werkgever lagere loonkosten. Ten derde recupereert de overheid de helft van dat voordeel. Degene die volgens uw regeerakkoord, mijnheer de minister, beschermd moest worden, namelijk de werknemer, is finaal de enige die verliest en loon moet inboeten. Mijnheer de minister, zeg dan toch gewoon waar het over gaat. Die zogenaamde centenindex van de regering-De Wever is in feite niets anders dan een dubbele indexsprong: één keer in 2026 en één keer in 2028. Mensen die hard werken, vooruit willen gaan, promotie maken, verantwoordelijkheid opnemen en daardoor meer verdienen, worden gestraft.
Laten we eerlijk zijn, dit is opnieuw een aanval op de werkende Vlaamse middenklasse. De ware slogan van deze regering is niet dat werken moet lonen, maar wel dat werken niet te veel mag lonen.
Mijnheer de minister, dan komen we bij de fameuze drempel van 4.000 euro bruto, de hoogte van het mediane voltijdse loon, zodat ongeveer de helft van de werknemers volledig beschermd blijft. Dit betekent natuurlijk ook dat de andere helft niet beschermd is. Met andere woorden, de helft van 5 miljoen werknemers zal verarmen door deze maatregel. Hier zit natuurlijk een belangrijk politiek angeltje onder het gras. Wanneer men zo’n grens kiest in een land met grote regionale verschillen in loonniveau, treft men per definitie relatief meer mensen van regio’s waar de lonen gemiddeld hoger liggen. Heel eenvoudig. Heel logisch. Wanneer we weten dat in Vlaanderen gemiddeld hogere lonen worden uitbetaald dan in Wallonië, moet men ook de politieke eerlijkheid hebben te zeggen dat deze maatregel relatief zwaarder weegt voor de Vlaamse werkende middenklasse en dat het in feite een anti-Vlaamse belasting is.
Dit is feitelijk een echte politieke keuze, die bijzonder wrang moet zijn voor een regering waarin de N-VA blijft doen alsof ze nog steeds de Vlaamse middenklasse vertegenwoordigt. De centenindex is in de praktijk tegelijkertijd een extra belasting en een dubbele indexsprong. De helft van 5 miljoen werknemers zal daar de financiële gevolgen van dragen, van wie het merendeel Vlaming is. Ook hier breekt de regering-De Wever een belofte. Herinnert u zich die beloften zelf nog wel? Geen nieuwe belastingen, werken moet meer lonen en vooral - het rotten moet stoppen. Wel, dit zijn nieuwe belastingen. Werken loont minder. En het rotten stopt helemaal niet. Mijnheer de minister, geen enkele van de politieke beloften van de regering-De Wever houdt nog stand.
Beste collega’s, alsof de inhoudelijke kritiek nog niet voldoende zwaar weegt, was ook het advies van de Nationale Arbeidsraad en dat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven vernietigend voor de geplande indexmaatregelen. Deze adviesorganen stelden immers letterlijk dat de maatregelen inzake een centenindex “zeer complex en onduidelijk” zijn en beklemtonen dat de complexiteit zich uitstrekt over alle onderdelen van het systeem: geplafonneerde indexering, de bijzondere loonmatigingsbijdrage en de geconsolideerde en permanent bijzondere loonmatigingsbijdrage.
De adviezen gaan nog verder, want ze wijzen erop dat de indexeringsmodaliteiten van sector tot sector verschillen. Ze waarschuwen dat de sociale partners opnieuw over nieuwe evenwichten binnen de cao's zullen moeten onderhandelen. Wat vandaag als een technische ingreep wordt voorgesteld, wordt morgen mogelijks een sociaal conflict.
Een tweetal weken geleden kwamen diezelfde sociale partners met een alternatief voorstel. De Groep van Tien, met vertegenwoordiging van werkgevers, werknemers en vakbonden, bereikte een historisch akkoord. Dat was trouwens al heel lang geleden. Ook voor hen moet de centenindex worden afgeschaft. Er werd een nieuw voorstel van matigende index gelanceerd.
Een grotere blamage voor een zittende regering is moeilijk voor te stellen. Na een lange tijd bereiken de sociale partners een akkoord over een maatregel die door de regering moet worden afgeschaft, maar de regering gaat die maatregel toch doorvoeren, nadat er eindelijk eens een akkoord is bereikt door de sociale partners.
Als dat voorstel een gelijkaardige opbrengst voor de begroting zou genereren, was dat volgens u misschien wel te bespreken, mijnheer de minister. Onomwonden zegt u dus dat deze programmawet enkel bedoeld is om Belgische financiële putten te vullen, zonder enige andere bedoeling van rechtvaardigheid, solidariteit of vereenvoudiging, nog steeds op de kap van vijf miljoen werkenden in dit land. Wie nog dacht dat de mantra van deze regering – werken moet lonen – echt gemeend was, mag zijn of haar naïeve verwachtingen opbergen. Deze Belgische regering, onder leiding van een gewezen Vlaams-nationalist, is een belastingregering, niet meer en niet minder.
Blijkbaar is niemand, op de ministers en de door partijpolitiek disciplinair gedwongen parlementsleden van deze regeringscoalitie na, overtuigd van, laat staan enigszins akkoord met deze centenindex. Er bestaat nergens enig draagvlak voor dat administratief en fiscaal gedrocht.
Ik wil nog even terugkomen op de toelichting van minister Vandenbroucke over het alternatief van de sociale partners, de Groep van Tien. Ik heb de nota in een kwartier moeten doorlezen. Het lijkt mij vrij onduidelijk en het is vooral de vraag of het macro-economisch model HERMES goed werkt. Blijkbaar is het ook heel moeilijk om dat allemaal te berekenen.
Dat geeft ook weer hoe complex die maatregelen zijn. Het Planbureau zegt dat het model HERMES toch nog een respectabel rapport oplevert, ondanks de tekortkomingen, in vergelijking met andere modellen. Het is immers ongelooflijk moeilijk om gedragseffecten te meten. Men spreekt dan over prijselasticiteit, over de berekening van de werkgeversbijdrage en dergelijke meer. Het Planbureau stelt bijvoorbeeld dat de betere voorspelbaarheid van de loonkostontwikkelingen een macro-economisch effect heeft, maar dat wordt niet opgenomen in HERMES. Het gaat dus over een sensitiviteitsanalyse.
Daarop gebaseerd zei de minister dat er een consensus is in de regering. Er werden twee vragen gesteld. Beoogt het alternatief dezelfde doelstelling als de centenindex? Dan zegt de regering neen. Natuurlijk niet, want de centenindex heeft alleen een budgettair doel. Als het alternatief op een of andere manier niet evenveel zou opbrengen volgens de prognoses, dan is dat inderdaad niet voldoende, dan wordt de doelstelling van de regering niet gehaald.
De tweede vraag is of die maatregelen uitvoerbaar zijn, zo zegt minister Vandenbroucke. Alsof de centenindex wel eenvoudig uitvoerbaar zou zijn. Het is een gedrocht, een chaotisch gebeuren. Niemand vindt daarin nog zijn kinderen terug. In de toekomst zal blijken dat het enorm veel problemen met zich meebrengt, niet alleen voor de werkgevers, maar ook voor de vakbonden en dus ook voor de werknemers.
In feite zegt de regering dat er één doel is, namelijk een budgettair doel, dat het alternatief niet past en dat ze verder zal werken op de kap van de werknemers. In feite moet de centenindex dus worden doorgevoerd.
U zult de vlucht vooruit nemen, ondanks alle mogelijke kritiek en alleen om budgettaire redenen. U denkt misschien dat dit u geloofwaardigheid zal verschaffen als doortastende regering – wij gaan door, wij hebben een plan, wij hebben een doel – maar ik denk eerder het omgekeerde. Mijnheer de minister, u bent samen met uw regering de weg kwijt. U bent die nu samen met minister Vandenbroucke aan het zoeken. Ik weet niet waar, langs links of langs rechts.
U bent de weg kwijt en u weet niet meer van welk hout pijlen te maken. U weet niet meer waar u nog geld kunt vinden om het budgettair tekort te milderen. U beseft wellicht ook dat het Belgische politieke systeem rot is en dat het rotten in de huidige structuur niet gestopt kan worden.
Minister Clarinval, daarenboven spreekt minister Vandenbroucke u flagrant tegen over de complexiteit van de wetgeving. In de commissie stelde u dit in feite allemaal niet zo ingewikkeld is en dat de impact op de RSZ en de sociale secretariaten beperkt is. Minister Vandenbroucke verklaarde in dezelfde commissie exact het tegenovergestelde en sprak daardoor voor één keer de waarheid: “Dit is bijzonder complexe wetgeving en die complexiteit is nu eenmaal het gevolg van de compromissen die binnen deze regering gesloten moesten worden.” Dat was geen nieuws, want dat wisten we al. Alle compromissen van De Wever leiden tot stinkende kamelen. We hadden zelf geen treffender beeld kunnen bedenken.
Ik kom nog even terug op artikel 69 van de programmawet, de befaamde geconsolideerde bijzondere loonmatigheidsbijdrage. Misschien is dat nog wel het mooiste voorbeeld van hoe dit alles op drijfzand is gebouwd. Het systeem van de tijdelijke loonmatiging wordt structureel en permanent vertaald in een bijdrage, terwijl de concrete berekeningswijze nog moet worden vastgelegd bij koninklijk besluit. De NAR en de CRB stellen dat de geconsolideerde bijzondere loonmatigheidsbijdrage niet gedetailleerd in het ontwerp van de programmawet wordt beschreven en dat de precieze modaliteiten nog niet beschikbaar zijn. Dat is toch hallucinant? De regering vraagt dus aan het Parlement een blanco cheque, zodat zij zonder enige verdere parlementaire of democratische controle belastingen kan opleggen naar eigen goeddunken.
Net als bij de meerwaardebelasting slaat men hier ook een kraantje in de muur. Zal de overgeslagen indexering aangepast worden van 2 % naar misschien 6 % op een gegeven moment? Kan de drempel verlaagd worden van 4.000 naar 3.000 euro? Zal de overheid misschien 75 % inpikken van het werkgeversvoordeel in plaats van 50 %? Veel dichter bij dictatoriale wetgeving kan men hier niet komen.
Dat brengt ons vanzelf bij het begrotingsverhaal, want ook daar wringt het langs alle kanten. Het begrotingsrendement van de maatregelen blijft onzeker, want de rendementsramingen die we hier zojuist besproken hebben, dateren van november en zijn sindsdien amper bijgewerkt.
Men voert maatregelen in met een grote sociale impact, met zware administratieve gevolgen, met een onzeker structureel rendement en zonder volledig zicht op de finale architectuur. Hoe noemt men zo'n voluntaristisch beleid? Ik noem dat onverantwoord.
Laat ons vooral de fundamentele vraag blijven stellen: ligt het probleem in België werkelijk aan de inkomstenkant? België behoort al jaren tot de zwaarst belaste landen van Europa. We betalen de hoogste belasting op arbeid in de hele wereld. Toch heeft België het grootste begrotingstekort van de eurozone.
Mogen we dan even logisch nadenken? Volgt u even mee. Men int in België de hoogste inkomsten ter wereld, maar we hebben nog altijd geld tekort. Hoe zou dat nu komen? Zouden we dan toch niet, al was het maar even, mogen veronderstellen dat het misschien best wel eens zou kunnen dat er toch een probleempje zit aan de uitgavenkant in plaats van aan de inkomstenkant? Zit daar geen zekere logica in?
Telkens opnieuw kiezen de federale regeringen voor de gemakkelijkste weg. Structurele inefficiënties aanpakken? Daarvoor is het zogezegd niet het juiste moment. Paal en perk stellen aan profitariaat? Dat is moeilijk in een coalitie met linkse partijen. Onzinnige subsidies afschaffen? Men vreest stakingen van de vakbonden. Een kerntakendebat aangaan? Daarvoor is in deze crisis geen tijd. Deze artificiële staat volledig hervormen? De Franstaligen willen niet mee. Opnieuw geld halen bij de werkende burger, dat zal wel lukken. Die zullen morren, maar ze werken wel door. Ze hebben geen keuze.
Dat is de luie Belgische reflex die ook de N-VA intussen heeft. Dat is ook een van de grootste kritieken van de ratingbureaus, die enkele weken geleden de kredietrating van de Belgische overheid drastisch hebben verlaagd. Zij hebben geen enkel vertrouwen meer in het vermogen van deze regering om verder te saneren, zeker niet binnen de huidige Belgische staatsstructuur.
Wat het Vlaams Belang al jaren aangeeft en
tot voor kort ook de N-VA en huidig premier De Wever, wordt nu eindelijk met
zoveel woorden bevestigd door kredietratingagentschap Moody's. Ik citeer: "Belgium's institutional
set-up is constraining the government's ability to address these fiscal
pressures. (…) The fiscal challenge facing Belgium now appears to exceed the
political and institutional capacity available to address it."
Jullie kunnen het niet meer. Institutionele hervormingen dringen zich op. Mijnheer De Wever, waar wacht u nog op? De perfecte voorzet van een kredietratingagentschap wordt u op het hoofd geschilderd. U moet de bal alleen nog inkoppen.
Beste collega’s, daarnaast zijn er nog een aantal andere rare anomalieën in de programmawet. Zo is er bijvoorbeeld de ongelijkheid die de maatregelen creëren tussen verschillende vormen van verloning.
De minister heeft duidelijk gemaakt dat voor de bepaling van de grens van 4.000 euro enkel het baremieke of contractuele brutoloon telt. Wie dus een hoog klassiek brutoloon heeft, wordt zwaarder getroffen. Wie meer werkt met bonussen, voordelen in natura en extralegale voordelen, ontsnapt relatief meer aan de dubbele indexsprong.
In plaats van de fundamentele loonkostenproblematiek van dit land aan te pakken, voert de regering dus opnieuw een regeling in die de klassieke brutoverloning zwaarder treft en de bestaande fiscale koterijen nog aantrekkelijker maakt. Men bestraft dus het meest het transparante loon en beloont de complexiteit. Heeft iemand binnen de regering ooit die bedenking gemaakt?
Ook de uitbreiding van de centenlogica tot pensioenen en sociale uitkeringen roept zeer ernstige vragen op. Mijn collega Ellen Samyn zal daar later dieper op ingaan, maar ik wil nu reeds het volgende kwijt. De drempel van de centenindex ligt bij pensioenen en sociale uitkeringen niet op 4.000 euro, maar op 2.000 euro. Een pensioen van 2.000 euro bruto is nochtans helemaal geen luxepensioen. Toch kiest de regering ervoor om ook daar tweemaal een beperkte indexering door te voeren.
De dubbele indexsprong geldt daar zelfs nog scherper, aangezien boven de grens van 2.000 euro helemaal geen indexering meer wordt toegepast. De maximale indexatie bedraagt 2 % op 2.000 euro, dus 40 euro. Voor pensioenen boven 2.000 euro is er zelfs geen beperkte indexering meer, terwijl die voor werknemers wel bestaat. In feite worden hogere pensioenen, die veelal worden toegekend aan mensen die meer hebben gewerkt en tijdens hun actieve loopbaan hogere lonen hebben verdiend, daardoor nog eens extra bestolen. Waar haalt men het vandaan?
Bovendien moet u weten, beste collega’s, dat ook moederschapsuitkeringen in het indexnet worden gevangen. Mijnheer de minister, welk beleidsdoel wordt daarmee precies gediend? Waarom schuift men jonge moeders tijdens hun moederschapsrust mee onder deze maatregel? Wij hebben dan ook een amendement ingediend om minstens die moederschapsuitkeringen uit de dubbele indexsprong te halen.
Ik wil mijn bespreking van de centenindex, de dubbele indexsprong, afronden met de woorden van onze eerste minister. Op 11 februari 2026 sprak Bart De Wever op de European Industry Summit in Antwerpen de volgende opmerkelijke woorden uit, die ik citeer.
“Today, in the European
Union, over twice as many people work on implementing and monitoring rules than
on innovative research. 1,7 % of our workforce is busy inventing the
technology of the future to make our work more prosperous and more sustainable.
But in the meantime, a whopping 3,9 % of our workforce is spending its
days managing regulations. That is a horrific structural disadvantage we simply
cannot afford. We need an environment where our industry can move forward, not
one where rules hold it back.”
Premier De Wever trekt dus stevig van leer tegen regelzucht en bureaucratie, maar zijn eigen regering doet net het tegenovergestelde met een dubbele indexsprong die zo technisch is dat men die amper kan uitleggen, met een meerwaardebelasting die onnoemelijk ingewikkeld is, met btw-verhogingen die absurde discussies teweegbrengen, met een aankomende tijdsregistratie voor alle werknemers, met loontransparantieregels die meer jaloezie zullen veroorzaken, met Peppol dat de kleinste zelfstandig ondernemer opzadelt met extra werk en kosten. Telkens opnieuw zien we dezelfde Belgische reflex van nog meer regels, nog meer formaliteiten, nog meer administratieve ballast voor wie werkt en onderneemt. Welnu, mijnheer de minister, in Europa speelt Bart De Wever graag de staatsman die de wereld uitlegt dat regels innovatie verstikken. Waarom zet hij in België zijn woorden niet om in daden? Just asking.
Mijnheer de minister, beste collega's, alles samengenomen zien we dus een centenindex die de indexering van de werkende middenklasse beperkt, voorgesteld als tijdelijk maar die structureel op langere termijn doorwerkt, die de werknemer minder inkomen geeft, die de werkgever een deel ervan laat houden, die de overheid een extra deel ervan laat innen, die extra administratie creëert, die controles vraagt die niet automatisch zullen gebeuren, die geen draagvlak kent, die budgettair onzeker is en die botst met wat in het regeerakkoord werd beloofd.
Onze conclusie is bijzonder helder. Wij willen die bijkomende lasten niet. We willen die centenindex niet. We willen die dubbele indexsprong niet. We willen geen blanco cheque geven voor toekomstige belastingen. Daarom dienen we amendementen in om die bijkomende belastingen niet door te voeren en om die centenindex in zijn geheel af te schaffen, niet wat bijschaven, niet cosmetisch aanpassen, maar volledig afschaffen.
We willen al zeker niet dat de werkende Vlaming opnieuw de factuur krijgt gepresenteerd voor de slechtste begroting van Europa, die men niet durfde te hervormen aan de uitgavenzijde. Men zou wel kunnen besparen op asiel en migratie, op ontwikkelingssamenwerking, op uitbetalingsinstellingen van werkloosheids- en ziekte-uitkeringen, op sociale zekerheid voor nieuwkomers, op de Belgische EU-bijdragen, op het Belgische politieke bestel, enzovoort. Het ontbreekt de regering echter aan moed om door te pakken en de uitgaven structureel onder handen te nemen.
Dus neen, mijnheer de minister, dit is geen programmawet, dit is een graaiwet, een pestwet voor wie werkt en voor wie meende dat automatische bescherming tegen inflatie in dit land nog iets betekende. Di! Is een politieke keuze, een keuze om de koopkracht af te remmen, een keuze om de werkende Vlaamse middenklasse te treffen, een keuze om structurele problemen aan de uitgavenzijde niet aan te pakken.
Welnu, wij maken een andere keuze. Wij kiezen voor duidelijkheid, wij kiezen voor eerlijkheid, en vooral, wij kiezen voor de werkende Vlaming. We blijven ons verzetten tegen deze pestwet.
De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Dermagne.
02.22 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur le président, messieurs les vices-premiers ministres, chers collègues, depuis des mois maintenant et depuis l'installation de ce gouvernement et de cette majorité Arizona, vous avez, mesdames et messieurs les parlementaires de la majorité, messieurs les ministres, multiplié systématiquement les mesures qui affaiblissent le pouvoir d'achat de la population belge et sa capacité à faire face à l'évolution du coût de la vie: blocage des salaires et coupes dans les pensions et dans les soins de santé, pour ne citer que deux mesures.
Aujourd'hui, après des semaines de débats publics, de débats au sein du gouvernement et avec les interlocuteurs sociaux, vous vous apprêtez à franchir une nouvelle ligne rouge en décidant de plafonner l'indexation automatique des salaires, une protection essentielle contre le renchérissement du coût de la vie et contre l'inflation à laquelle vous aviez pourtant promis urbi et orbi de ne pas toucher. Vous aviez annoncé publiquement que l'index est sacré. Nous avons même observé une conversion, une révolution copernicienne dans le chef du MR, qui se revendiquait défenseur de l'indexation automatique des salaires – et uniquement des salaires, puisque vous aviez d'ores et déjà abandonné l'indexation automatique des allocations, notamment des pensions. Vous avez déjà décidé de reporter l'indexation automatique pour les pensionnés, pour les enseignantes et les enseignants, pour les personnes porteuses de handicap et pour les fonctionnaires.
Dans quelques heures, puisque vous avez manifestement fait la sourde oreille quant aux propositions alternatives formulées par les interlocuteurs sociaux, vous vous apprêtez à aller chercher de l'argent dans la poche d'un travailleur et d'un pensionné sur deux pour tenter de combler le trou dans votre budget. Vous avez pris cette mesure bête et méchante uniquement pour tenter de boucler votre budget. Vous l'avez fait lâchement, en essayant d'esquiver l'avis du Conseil National du Travail, l'avis des interlocuteurs sociaux, avis pourtant prescrit par loi. Il a fallu que l'opposition effectue son travail afin que vous daigniez simplement vous conformer à la loi et solliciter l'avis des interlocuteurs sociaux, réunis au sein du Conseil National du Travail.
Et ce premier avis était assassin et il l’est toujours. Vous semblez persévérer dans l’erreur en voulant coûte que coûte faire contribuer un travailleur sur deux et un pensionné sur deux dans ce pays. Avis assassin, donc. Patrons et syndicats, main dans la main, vous ont dit ne pas vouloir de cette mesure, parce qu’elle est injuste, inefficace, complexe, quasiment impossible à mettre en œuvre et que sa mise en œuvre coûtera des millions d’euros, notamment en raison des frais liés au secrétariats sociaux. Elle est injuste, elle attaque le pouvoir d’achat, elle est difficile à mettre en œuvre et elle est, au bout du compte, de nature à fragiliser notre économie.
Il y a maintenant deux semaines, une nouvelle fois contraints et forcés par le manque de respect et le manque de considération du gouvernement et de la majorité à l’égard de l’implication et du travail des interlocuteurs sociaux, nous vous avons dit que vous aviez l’opportunité, mesdames et messieurs de la majorité, mesdames et messieurs les ministres, de retirer le double saut d’index de la loi-programme. Retirez cette mesure, écoutez les interlocuteurs sociaux. Ceux-ci ont utilisé le temps mis a leur disposition par le travail de l’opposition pour se remettre autour de la table, pour réfléchir à une contreproposition, une proposition alternative. Ils n’ont pas simplement fait comme vous venez de le faire, à savoir balayer d’un revers de la main et refuser, affirmer que ce n’est pas possible et s’opposer. Non, ils ont pris leurs responsabilités en parvenant à sceller un compromis sur une matière particulièrement sensible dans le fonctionnement de notre démocratie sociale, à savoir l’indexation automatique des salaires et des allocations.
Patrons et syndicats, main dans la main, vous ont dit que le double saut d’index, messieurs les ministres, messieurs les parlementaires de la majorité, n’est pas une option, mais une impasse. Une impasse qui pénalisera les travailleurs et travailleuses et les pensionnés de ce pays, mais aussi une impasse qui en coûtera aux entreprises. D’autres que moi interviendront d’ailleurs dans quelques instants pour rappeler la position du monde patronal, des fédérations patronales, qui craignent et affirment aujourd’hui publiquement que cette mesure, en plus de s’attaquer au pouvoir d’achat d’un travailleur sur deux et d’un pensionné sur deux, mettra à mal la compétitivité de nos entreprises et la compétitivité de notre économie.
Vous avez même eu l'outrecuidance et le cynisme crasse de rappeler que l'indexation automatique des salaires et des allocations constituait un élément central de la vie économique, du fonctionnement du marché du travail et de la protection du pouvoir d'achat de la population. Vous avez osé le rappeler le jour même où vous avez daigné octroyer des miettes en guise de mesures de soutien face à la crise énergétique qui frappe encore aujourd'hui des millions de Belges, ainsi que des millions de petits indépendants dans notre pays, mais également plusieurs entreprises particulièrement affectées par l'explosion des coûts de l'énergie. L'indexation automatique des salaires et des allocations n'est pas un bonus, mais un moyen pour une grande partie de la population de faire face à l'augmentation du coût de la vie, de tenir la tête hors de l'eau et de ne pas se noyer, de supporter le coût d'un loyer ou d'un emprunt hypothécaire, de faire face à l'augmentation des frais de déplacement pour se rendre au travail, conduire les enfants à l'école ou s'occuper de proches dans le besoin. L'indexation automatique des salaires et des allocations constitue un élément absolument central, essentiel et vital pour des millions de Belges.
Nous vous l'avons dit, nous vous l'avons démontré, nous vous l'avons rappelé et vous avez eu l'outrecuidance et le cynisme crasse de le reprendre à votre compte pour justifier les miettes que vous daignez accorder à une grande partie de la population qui a besoin, aujourd'hui encore, de mesures de soutien pour traverser la crise que nous connaissons à la suite de la guerre décidée par Israël et les États-Unis en Iran.
Supprimer ou affaiblir l'indexation automatique des salaires et des allocations, c'est demander aux familles de payer deux fois la crise: une fois lorsqu'elles paient leurs factures et une autre fois lorsqu'elles reçoivent leurs fiches de paie.
Alors, mesdames et messieurs les parlementaires de la majorité, messieurs les vice-premiers ministres, je ne serai pas particulièrement long aujourd'hui, parce que tout a été dit. Tout a été dit longuement. Tout a été dit dans le détail.
Tout a été dit ici et tout a été dit en dehors de cette Assemblée. Tout a été dit par nous. Tout a été dit par les représentants des travailleuses et des travailleurs et, même aujourd'hui, par les fédérations patronales. Alors, il reste encore quelques heures (…)
Le président: Monsieur Dermagne, M. Ronse souhaite intervenir.
02.23 Axel Ronse (N-VA): Mijnheer Dermagne, u bent de meest lenige politicus die ik ken. Wat een spagaat. Aan de ene kant beschuldigt u Arizona van afbraakpolitiek en het wegnemen van, en aan de andere kant lijkt u precies het akkoord binnen de Groep van Tien te verdedigen. Ik zou wel eens willen weten of de PS voor zou stemmen of niet, maar ik weet niet of u goed beseft wat er in dat akkoord staat. Daarin staat dat voor de openbare sector de index wordt afgetopt, net zoals wij hier voorzien met de centenindex. Daarin staat dat voor de private sector de berekening van de energiekosten op een andere manier gebeurt, namelijk structureel. Waar de centenindex nog een plafond legt op lonen tot 4.000 euro, wordt daarmee zelfs geen rekening meer gehouden en gaat het ook over lagere lonen. Vindt u dan dat de Groep van Tien ook aan afbraakpolitiek doet en asociaal is (…)
02.24 Pierre-Yves Dermagne (PS): Je vais répondre à M. Ronse sur la manière dont j’envisage le dialogue social, la concertation sociale et la prise en compte des résultats de ce dialogue et de cette concertation.
Lors de la précédente législature, monsieur Ronse, l’accord de gouvernement précisait bien que le gouvernement mettrait en œuvre les accords conclus entre partenaires sociaux, au sein du Groupe des 10 ou ailleurs.
Effectivement, l'accord conclu au sein du Groupe des 10 pose une série de questions. Il y a une série de points d'attention, et notamment le fait qu'il ne concerne que les travailleurs du secteur privé. Mais c’est normal, puisque le Groupe des 10 et le Conseil National du Travail (CNT) ne sont compétents que pour les travailleurs du secteur privé. Cela ne signifie pas que d'autres mesures, d'autres choix et d'autres formules ne doivent pas être proposés et que des décisions ne doivent pas être prises par rapport aux travailleurs de la fonction publique.
Mais j'entends, et je lisais ce matin, que des ministres de votre gouvernement – et non des moindres, avec une expérience ministérielle passée – sont aujourd'hui en train de remettre en cause des décisions prises qui vont impacter (…)
02.25 Axel Ronse (N-VA): Ik probeer uw woorden te ontcijferen. Indien ik het goed begrijp, stelt de PS effectief aan de arizonaregering voor dat ze de index aanpast in het kader van onze competitiviteit en van een nodige budgettaire zuurstofbel voor de privésector, zoals de sociale partners dat voorstellen. Die aanpassing moet structureel zijn, dus niet tweemaal een aanpassing, maar een structurele en permanente aanpassing.
U stelt over de openbare sector het volgende: “C’est normal. Ils ne sont pas responsables pour le secteur privé.“ Echter, in het akkoord hebben zij wel heel duidelijk gesteld dat zij dat ook voor het openbaar ambt op die manier willen.
Mijn vraag aan u is dus nogmaals heel eenvoudig. Stel dat het voorstel van de Groep van Tien hier in een wetsvoorstel zou voorliggen. Zal de PS-fractie in dat geval vol enthousiasme, zoals wij u kennen, al dan niet op het groene knopje drukken om het indexmechanisme aan te passen?
Le président: Monsieur Dermagne, voulez-vous répondre ou continuer?
02.26 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur le président, je vais répondre.
Je n’ai pas pour habitude de faire de la politique fiction. J’aime être jugé sur les actes que j’ai posés et les décisions que j’ai prises.
Monsieur Ronse, comme je vous l’ai déjà dit, sous la précédente législature les accords conclus entre partenaires sociaux – que ce soit au sein du Groupe des 10, du CNT ou du Comité A concernant la fonction publique fédérale – ont systématiquement été respectés. Il a parfois fallu des arbitrages, des discussions vigoureuses au sein du gouvernement ou aller chercher des moyens pour pouvoir honorer ces accords, mais nous l’avons systématiquement fait. C’est notamment la raison pour laquelle, sous la précédente législature, le salaire minimum a augmenté pour la première fois en 12 ans à deux reprises. Vous avez-vous-même décidé de prolonger et de mettre en œuvre l’accord conclu à l’époque concernant une troisième phase d’augmentation du salaire minimum.
02.27 Frank Vandenbroucke, ministre: Je ne veux pas prolonger le débat mais, monsieur Dermagne, on ne peut pas avancer l'argument selon lequel le gouvernement organise une attaque scandaleuse contre le pouvoir d'achat et dire ensuite qu'il faut accepter le scénario alternatif du Groupe des 10 alors que, par exemple, pour un travailleur du secteur privé percevant le salaire minimum, l'impact du scénario du Groupe des 10 est nettement pire sur son pouvoir d'achat. Vous ne pouvez donc pas utiliser l'argument du pouvoir d'achat. Le scénario du Groupe des 10 est vraiment pire pour un pensionné avec une pension modeste. Le scénario du Groupe des 10 est pire pour un infirmier du secteur privé avec un salaire de, disons, 3 200 euros bruts, et encore pire pour le même infirmier faisant le même travail mais avec un statut d'agent nommé. L'alternative du Groupe des 10 est pire pour le chômeur. Donc, si vous voulez que nous acceptions le scénario du Groupe des 10, vous devez utiliser des arguments (…)
02.28 Axel Ronse (N-VA): Beeld u in dat de N-VA-fractie nu naar buiten gaat, de manifestation en de lutte sociale tegemoet, en dat wij aan iemand met een loon van minder dan 4.000 euro bruto zeggen:
"Pouvez-vous le croire? À la Chambre, M. Dermagne est en train de plaider pour un index total sur votre salaire minimum; et c’est l’Arizona qui veut le limiter à 4 000 euros."
De mensen gaan zeggen:
"Mais qu’est-ce que cela? On n’y croit pas."
Wat is er met de PS gebeurd? Bent u nu zo’n kille partij die de index wil afpakken van mensen met een loon van minder dan 4.000 euro? Kunt u mij uitleggen waar die fameuze PS-bocht vandaan komt, mijnheer Dermagne?
02.29 Pierre-Yves Dermagne (PS): Un élément qui nous différencie parmi d’autres, Frank Vandenbroucke et moi, c’est que je crois à l’intelligence collective. Je crois au débat collectif. Je crois effectivement au fait que la dialectique et la confrontation des points de vue peuvent générer quelque chose de positif. Je ne fais pas partie de ceux qui sont pétris de certitudes et qui pensent avoir systématiquement raison. Un homme qui doute est plus intelligent qu’un homme certain d’avoir raison.
02.30 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur Dermagne, il y a quelques instants, vous parliez du gouvernement "pro-business", comme le titrait L’Echo hier. Vous parlez de distribution et de création de richesses, et vous estimez finalement que le gouvernement se concentre davantage sur la création de richesses que sur leur distribution. C'est parce que la gauche a vidé les caisses de l’État qu’on doit aujourd’hui prendre des mesures. On ne peut pas distribuer sans créer, c’est quand même la base. Je n’arrive pas à comprendre que vous ne puissiez pas le comprendre.
Comment pouvez-vous soutenir que la limitation de l’index n’est pas socialement mesurée, puisqu’elle ne concerne que la moitié des travailleurs en Belgique?
02.31 Pierre-Yves Dermagne (PS): Je le répète, je crois à l’intelligence collective. Je crois en ce qui peut effectivement sortir de la confrontation des idées. Et c’est ce qui s’est passé au sein du Groupe des 10. Je ne pense pas que la proposition faite par le Groupe des 10 soit la panacée, mais elle a le mérite d’exister et d’être le fruit d’une reprise du dialogue concernant l’un des sujets centraux et, depuis des années, litigieux, à savoir la construction et la fixation des salaires, ainsi que la défense du pouvoir d’achat des travailleurs et des allocataires sociaux. Dès lors, on ne peut pas dire comme vous l’avez dit, en adoptant une posture d’autorité, que cet accord ne vaut rien et qu’il est par essence plus faible que la proposition faite par le gouvernement.
Madame Pirson, je trouve, et je ne suis pas le seul ici à le penser, qu’un travailleur sur deux et qu’un pensionné sur deux dans ce pays méritent le respect. Quand on gagne 4 000 euros bruts de salaire ou quand a 2 000 euros bruts de pension, on n’est pas riche! Les personnes que vous visez, ce sont (…)
02.32 Anne Pirson (Les Engagés): Vous avez entendu la réponse du ministre Vandenbroucke. Le gouvernement a écouté le Groupe des 10 et a analysé les propositions. L'intelligence, c'est aussi la capacité à reconnaître les limites de certaines propositions et à les accepter. Les propositions ne vont pas dans la trajectoire budgétaire que s'est fixée le gouvernement. C'est ce que vous a répondu le ministre. L'intelligence, c'est également de ne pas rester buté.
02.33 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer Dermagne, als de regering het voorstel van de sociale partners wel zou aanvaarden, zou dat dan niet het begin zijn van sociale vrede in dit land?
Een staking kost 300 tot 500 miljoen euro. Als er een akkoord van de sociale partners zou zijn met een engagement om niet meer te staken, dan zou dat een enorme stap vooruit zijn voor ons land. Mijnheer Dermagne en minister Vandenbroucke, dan zou er ten eerste weer sociale vrede zijn in ons land. Ten tweede zou het voordeel van de centenindex, namelijk 300 miljoen euro, onmiddellijk worden weggenomen. Als men blijft staken, zal men dit land verder in de problemen brengen.
Mijnheer Dermagne, denkt u niet dat het tijd is om weer te werken aan sociale vrede en aan minder stakingen in ons land?
02.34 Pierre-Yves Dermagne (PS): Je vais utiliser des mots que j'ai déjà utilisés au sein de cette Assemblée lorsque j'étais ministre du Travail et de la concertation sociale. J'ai toujours dit, et je continue à le penser, qu'un jour de grève est un jour de trop, parce que cela part d'un constat d'échec. Cela veut dire que le dialogue social n'a pas fonctionné et qu'il y a des problèmes sur le terrain. Un jour de grève est toujours un jour de trop parce que c'est un échec du dialogue social, de la concertation sociale.
Toutes les études ont démontré que les entreprises, les secteurs et les pays dont l'économie fonctionne bien sont ceux où le dialogue social fonctionne et où il est respecté. Il est donc absolument essentiel que les accords conclus, singulièrement sur des questions et des matières qui sont particulièrement difficiles pour les interlocuteurs sociaux, soient reçus et examinés avec respect et soient pris en compte.
Bien entendu, monsieur Van Quickenborne, la paix sociale a un coût. Elle a un coût et une valeur. (…)
02.35 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer Dermagne, ons land is vandaag inderdaad kampioen in stakingen. Er wordt momenteel nergens meer gestaakt dan in België, dat blijkt uit alle cijfers.
Mijnheer Vandenbroucke, om stakingen te verhinderen moet men werken aan sociale vrede en aan een dialoog tussen werkgevers en werknemers.
Mijnheer Dermagne, u hebt gelijk. Deze regering lacht de sociale partners gewoon vierkant uit. Ten eerste heeft men veel te laat een advies gevraagd aan de sociale partners over de centenindex. Ten tweede, terwijl de algemene bespreking over de centenindex bezig is en straks zal worden afgesloten, gaat het kernkabinet er morgen nog eens over vergaderen.
Men lacht de sociale partners, ook de werkgevers, gewoon vierkant uit. Collega’s, het is ongelooflijk dat dit gebeurt door de socialistische partij Vooruit, terwijl de socialistische vakbond bereid is om een akkoord te sluiten. Ik vind dit onbegrijpelijk. U bent de oorzaak van al die stakingen.
De voorzitter: Mijnheer Ronse, u hebt een vraag aan de heer Dermagne en ik zal ingrijpen wanneer het een Kortrijks onderonsje wordt.
02.36 Axel Ronse (N-VA): Mijnheer Dermagne, denkt u niet dat u en de heer Van Quickenborne indertijd overdreven hebben met het afkopen van sociale vrede? Als men zei te gaan staken, dan antwoordde u dat u het brugpensioen nog niet ging afschaffen en dat u de dop nog niet in de tijd ging beperken. Bij een staking zei u aan de vakbonden dat ze nog wat meer geld kregen, want het was corona, om de werkloosheidsuitkeringen uit te betalen. Mijnheer Dermagne, mevrouw Eva Demesmaeker heeft het berekend. De bonus die u en de heer Van Quickenborne toen aan de vakbonden hebben gegeven, was gigantisch, daarmee had men veel kunnen doen aan sociaal beleid.
Denkt u niet dat het eens goed is dat er een regering is die durft te hervormen en maatregelen durft te nemen om onze budgettaire putten te vullen en er eindelijk voor te zorgen dat geld voor kwetsbare mensen wel degelijk bij die kwetsbare mensen terechtkomt?
02.37 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur Ronse, comme je l’ai dit tout à l’heure, je crois en l’intelligence collective ainsi qu'en l’importance des faits et des chiffres. Vous nous dites – et Mme Pirson vient de le rappeler – que le gouvernement a choisi la rigueur budgétaire et le sérieux budgétaire.
En réalité, c’est tout sauf cela: vous faites l’inverse. Après plus d’un an de gouvernement Arizona, notre pays est devenu le plus mauvais élève de la classe européenne en matière budgétaire. C’est la preuve que vos mesures ne fonctionnent pas. Notre pays est le champion du monde en termes de déficit, en termes de doublement de la dette, et aussi le champion du monde en nombre de jours de grève et de conflits sociaux.
Voilà le résultat de votre politique. Elle est non seulement injuste et inhumaine, mais en plus inefficace.
02.38 Axel Ronse (N-VA): Mijnheer Dermagne, ik wil u eerst bedanken, want telkens als u intelligence collective zegt, kijkt u in mijn richting.
Mijnheer Dermagne, als er iemand niet goed geplaatst is om over die slechtste begroting te spreken, dan is het toch wel de PS-fractie, die mensen decennialang inactief heeft gehouden, die in Mons een station heeft gebouwd dat miljarden heeft gekost, die met ons belastinggeld heeft gemorst. Wij zijn die moedige generatie politici die uw beerputten aan het opkuisen is, zodat de kinderen van morgen ook nog in een sociaal Vlaanderen geboren kunnen worden.
02.39 Lode Vereeck (VB): Mijnheer Dermagne, ik heb een nieuwe uitspraak geleerd: cynisme crasse. Ik heb het moeten opzoeken. Ik vind inderdaad dat de regering hier toch wel een zeer kras cynisme aan de dag legt.
Ih heb een vraag voor de heer Dermagne, en eigenlijk ook voor de meerderheid. Bent u op de hoogte van de analyse van professor Peersman van de Universiteit Gent? Hij zegt dat het voorstel van de sociale partners op de lange termijn veel beter is dan de centenindex.
Daar zijn natuurlijk een aantal redenen voor. De loonmatigingsbijdrage, het feit dat een stuk van de indexsprong als belasting wordt gebruikt, zorgt ervoor dat op lange termijn de arbeidslasten verhogen. Door de loonnormwet is er eigenlijk geen ruimte meer en door de vervlakking van onze lonen neemt de productiviteit af. Bovendien leidt het ook nog tot een veel stabielere evolutie van de koopkracht. Dat zijn vier argumenten waarom het voorstel economisch door een (…)
02.40 Pierre-Yves Dermagne (PS): Je remercie M. Vereeck de sa question, qui témoigne du fait que nous aurions dû tenir ce débat en commission sur la base de la proposition du Groupe des 10, de l'analyse du Bureau fédéral du Plan et des chiffres et données issus de la concertation sociale ainsi que de la tentative de mise en œuvre de son résultat. Vous avez cité quatre points qui plaident pour l'application de la proposition du Groupe des 10 et des interlocuteurs sociaux. À nouveau, la teneur de nos débats de ce jour atteste que ce gouvernement et cette majorité méprisent le fonctionnement et le travail parlementaires, la concertation sociale et son résultat, avec pour conséquence que nos débats, malgré l'investissement des uns et des autres – en tout cas, la présence d'une partie d'entre eux à l'heure requise – en vue de leur donner du corps, de la substance et de la qualité (…)
De voorzitter: De heer Vereeck krijgt nu het woord voor zijn repliek en daarna volgt de minister.
02.41 Lode Vereeck (VB): Dank u, mijnheer de voorzitter. Ik heb geprobeerd de vier elementen van professor Peersman kort samen te vatten. Ze tonen duidelijk aan dat het voorstel van de sociale partners op lange termijn superieur is, zowel op het vlak van werkgelegenheid als van koopkracht. Ik zou dat dus toch ernstig bekijken. In dezen ben ik het dan ook eens met het voorstel van collega Dermagne om dit degelijk in de commissie te bespreken.
Er is trouwens niets vies aan het feit dat ik het met hem eens ben, collega Ronse. Ik zou u wel willen oproepen om iets minder de pom-pom girl van de regering te spelen en ook eens kritisch te kijken naar het voorstel van de sociale partners, dat zoals gezegd op economische gronden duidelijk superieur is aan het voorstel dat vandaag voorligt.
02.42 Minister Frank Vandenbroucke: Geachte leden, het voorstel van de sociale partners is grondig bestudeerd en gesimuleerd door het Federaal Planbureau, onze hoogste autoriteit ter zake, met behulp van een gevalideerd econometrisch model. Daar is dus heel wat collectieve intelligentie op toegepast. Wil men alstublieft stoppen met te beweren dat we dit niet hebben bekeken? Het is zeer grondig onderzocht.
Eigenlijk is het redelijk simpel. Ik richt me tot u, mijnheer Dermagne. U hebt twee argumenten.
Ten eerste zegt u dat de regering met een zeer groot begrotingstekort kampt. Welnu, moeten we dan niet alles op alles zetten om dat begrotingstekort te verkleinen? Een alternatief dat het begrotingstekort nog groter maakt, is voor ons dan ook geen interessante piste.
Ten tweede zegt u dat wat wij doen met de koopkracht van gepensioneerden met een pensioen van 2.000 euro schandelijk is. Het alternatieve scenario waarvoor u pleit, is echter slechter voor die gepensioneerden. Het tast hun koopkracht sterker aan, dus als u het mij vraagt (…)
De voorzitter: Dank u wel, mijnheer de minister.
02.43 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur Dermagne, n'êtes-vous pas gêné de dire que c'est l'Arizona qui a fixé la Belgique dans cette situation budgétaire pointée par l'Union Européenne? Comment voulez-vous que ce soit l'Arizona qui soit responsable, puisque cela fait à peine un an que nous sommes là? Nous avons pris plein de mesures que nous n'avons pas encore pu voter à cause de vous, et la seule mesure significative que nous avons déjà pu prendre, c'est la limitation des allocations de chômage dans le temps qui aura un impact positif
02.44 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur le président, par mansuétude, je ne vais pas répondre à Mme Pirson. Je la renvoie simplement aux faits, aux chiffres, aux rapports de la Cour des comptes, aux simulations du Bureau fédéral du Plan, notamment sur les pensions, avec un renforcement des inégalités, singulièrement envers les femmes, avec les compensations pour les CPAS et cette fameuse enveloppe ouverte dont, jour après jour, on se rend compte sur le terrain que ce sera insuffisant, que certaines personnes vont passer sous les radars et basculer dans la précarité.
J'avais dit que je ne répondrais pas par mansuétude. Excusez-moi, je me suis emballé.
02.45 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le président, je rassure M. Dermagne. Il a répondu à côté de la question, puisque ma question portait sur la situation budgétaire actuelle qui ne résulte pas des décisions prises aujourd'hui par l'Arizona mais des décisions prises sous l'ancienne législature.
02.46 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Ik heb voor de heer Dermagne nog een vraag over het budget.
De heer Vandenbroucke zei daarnet dat het budget op orde gesteld moest worden. Inderdaad, het budget zakt steeds verder weg onder Arizona, dat hebben we al gezien. De heer Vandenbroucke zei dat de regering met dit centenindexsysteem toch honderden miljoenen euro meer had dan met het voorstel van de sociale partners. Op een bepaald ogenblik had men het over 352 miljoen euro.
Als ik de tabel die we net ontvangen hebben, bekijk, collega’s, stel ik vast dat die meeropbrengst enkel te danken is aan het feit dat de regering voor 1 miljard aan nieuwe lasten, nieuwe taksen, inschrijft, de fameuze loonmatigingsbijdrage, voor alle werkgevers. 1,128 miljard euro tegen 2029. Dat staat in de tabel.
Mijnheer Dermagne, geeft u toe dat dit systeem meer opbrengt, enkel en alleen omdat men de werkgevers meer belastingen oplegt?
De voorzitter: Mijnheer Van Quickenborne, u probeert met de spelregels te spelen. De minister wil daarop reageren. Ik zal hem…
(…) : (…)
De voorzitter: U bent al verontwaardigd voor er iets gebeurt?
Ik zal de minister laten repliceren, maar ik zal verder toch een onderscheid maken tussen vragen aan de heer Dermagne en vragen waarbij de heer Dermagne als pingpongcollega wordt gebruikt.
02.47 Pierre-Yves Dermagne (PS): J’ai l’habitude.
02.48 Minister Frank Vandenbroucke: Collega’s, ik maak van de gelegenheid gebruik een indianenverhaal dat vandaag in de pers staat, recht te zetten. Het indianenverhaal is dat plotseling het Planbureau zou ontdekken dat de loonmatigingsbijdrage 1,1 miljard bedraagt, weer een plotse wijziging is in de berekeningen, of, zoals de heer Van Quickenborne zegt, dat we plotseling zouden beslissen 1,1 miljard belastingen op te dringen.
Neen, het Planbureau gebruikt een hypothese die de werkgevers en de Groep van Tien willen dat we bekijken. Het is een extreme en eigenlijk weinig correcte hypothese. Daarom had ik het daarnet over een opgepepte hypothese, waarbij de centenindex in de privésector veel meer zou opleveren. Als het idee is dat men de helft van dat voordeel terugvraagt, in solidariteit, voor de begroting en de sociale zekerheid, is de helft van dat voordeel natuurlijk ook weer veel groter. Zo komt men bij die 1,1 miljard. Die 1,1 miljard is louter het gevolg van de hypothese die de werkgevers gevraagd hebben.
De voorzitter: Dank u, mijnheer Vandenbroucke. De dossiers vliegen hier intussen in het rond.
02.49 Pierre-Yves Dermagne (PS): Je voudrais dire à M. Van Quickenborne ainsi qu'à monsieur le vice-premier ministre que j'ai eu la même lecture qu'eux. Je me base sur les mêmes sources, ce sont effectivement des inquiétudes qui vivent dans le monde économique et dans celui des entreprises. Pour l'instant, malgré les heures de débat durant la nuit que nous avons passée en commission lors de la première lecture, vous n'avez jamais apporté de réponse précise et claire quant aux inquiétudes des représentants des travailleurs et des travailleuses, mais également par rapport à celles des représentants du monde économique. On en est toujours au même point, et c'est en fait assez révélateur et symptomatique de la manière de fonctionner de ce gouvernement: des grandes annonces et des postures viriles suivies de textes mal torchés, mal rédigés et imprécis, générant plus d'inquiétude et d'incertitude que de certitude. Ces textes génèrent finalement plus d'inquiétudes budgétaires, alors que c'est la responsabilité de ce gouvernement, madame Pirson. Vous êtes passés d'un déficit de 2,8 % à la fin de la Vivaldi à un déficit qui aura doublé et atteindra près de 6 %.
02.50 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer Vandenbroucke, de tabel die we net hebben ontvangen, is blijkbaar gebaseerd op opgeblazen hypotheses en u stelt dat die fictie zijn. Komt er dan een andere, definitievere tabel? Zo ja, wanneer mogen we die verwachten? Om hierover te kunnen stemmen, moeten wij als parlementsleden toch weten over welke tabel we het hebben? In elke andere tabel van het Federaal Planbureau blijkt immers dat die loonmatigingsbijdrage honderden miljoenen euro’s bedraagt. Het is trouwens jammer dat we deze discussie in de plenaire vergadering moeten voeren, aangezien we die beter in de commissie hadden gevoerd. In tabel 2 van april wordt 739 miljoen euro opgelegd aan de werkgevers. Elke tabel bevat telkens een belastingverhoging voor de werkgevers. Mijnheer de minister, dat zijn de cijfers, dat is de realiteit. Net nu de industrie het zo moeilijk heeft, zult u de werkgevers meer belasting doen betalen.
02.51 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer Van Quickenborne, u moet gewoon luisteren en lezen. Het Planbureau heeft een hypothese van de werkgevers die we inderdaad vergezocht vinden en die eigenlijk fictie is. We zijn echter zo vriendelijk geweest om die vergezochte hypothese, die fictie, toch eens te laten doorrekenen. Alle basisgegevens spreken de hypothese tegen dat de centenindex in de privésector een veel grotere impact zou hebben. We waren echter zo vriendelijk om dat te testen in een gevoeligheidsanalyse. Daaruit blijkt dat het verhaal van de werkgevers niet klopt en het de sociale zekerheid en de overheid geld kost, in tegenstelling met wat hier voorligt. De door de regering voorgestelde centenindex is bovendien rechtvaardiger. Ik ben voorstander van echte en rechtvaardige oplossingen voor de begroting en niet voor putten. Zo eenvoudig is het.
02.52 Kurt Moons (VB): Mijnheer de voorzitter, ik zou toch even de spiegel willen voorhouden aan de regering-De Wever. Ik heb het regeerakkoord eens bekeken. Daarin staat iets over het sociaal…
De voorzitter: Mijnheer Moons, het spijt mij dat ik u het woord moet ontnemen, maar u stelt heel nadrukkelijk en zelfs niet eens verhuld een vraag aan de regering. Het is aan de heer Dermagne om te spreken.
Als wij nu iedereen het woord geven om de regering te bevragen, wordt het betoog van de heer Dermagne verknoeid. Hij mag de tijd nemen die hem rest. Door uw fractie en trouwens ook door uzelf zijn uitgebreid vragen gesteld aan de regering. Ik neem aan dat de regering daarop nog zal terugkomen. Het gaat nu even over de heer Dermagne.
02.53 Axel Ronse (N-VA): Ik heb een vraag. Natuurlijk mag ik vragen stellen. Ik stel ze immers aan de heer Dermagne. Ik heb opnieuw een vraag voor de heer Dermagne om mij te helpen.
Mijnheer Dermagne, kunt u mij helpen begrijpen hoe een bepaald bedrag kan worden gezien als een extra taks? Er is de situatie vóór de centenindex. Bijvoorbeeld, de index komt er en een bedrijf zou 10.000 euro extra brutoloonkosten moeten betalen. Er is dan de situatie na de centenindex. Het bedrijf moet geen 10.000 euro extra loonkosten betalen maar 5.000 euro. De loonmatigingsbijdrage bedraagt daarvan dan de helft, namelijk 2.500 euro. Dat bedrijf zal na de index dus 7.500 euro extra betalen na de index dankzij de centenindex. Zonder de centenindex zou dat bedrijf 10.000 euro moeten betalen.
Mijn vraag aan u is heel eenvoudig. Wat zou een bedrijf het liefst hebben, 10.000 euro moeten betalen of 7.500 euro?
02.54 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur Ronse, vous comprendrez que je ne vais pas me faire le porte-parole du monde de l’entreprise et des fédérations patronales. Je ne vais pas le faire parce que ce n’est pas nécessaire. Elles se sont exprimées, hier, à la table du gouvernement. Elles se sont exprimées, aujourd'hui, dans la presse, en disant qu’elles ne veulent pas de votre centenindex, tout comme les représentants des travailleurs.
À un moment, vous devez ouvrir les yeux et les oreilles, et entendre ce que les gens ont à vous dire, qu’ils soient représentants des travailleurs et des travailleuses ou qu’ils soient représentants des patronnes et des patrons, monsieur Ronse!
02.55 Axel Ronse (N-VA): Mijnheer Dermagne, soms hoop ik dat u ook zo blind en kritiekloos alles van de werkgevers in de vorige legislatuur had meegenomen, samen met uw collega's van toen. Mijn vraag blijft en is eigenlijk aan u gericht en niet aan de werkgeversorganisaties. Wat zou u verkiezen als bedrijf: een totale toename met 10.000 euro van de brutoloonkosten of, dankzij de centenindex, met 7.500 euro? Dat is een verschil van 2.500 euro.
Kunt u toelichten, mijnheer Dermagne, dat u daarnet in uw discours sprak over lastenverhoging? Hoeveel is 10.000 min 7.500, mijnheer Dermagne? Dat is 2.500 euro. Dat is toch geen lastenverhoging? Kunt u me die redenering uit uw betoog toelichten?
Le président: Monsieur Dermagne, vous pouvez poursuivre votre exposé.
02.56 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur le président, je ne serai pas beaucoup plus long.
Vous avez compris que, depuis le début, la position du Parti Socialiste est de s’opposer à toute modification et à tout traficotage de l’indexation automatique des salaires et des allocations. Comme vous le savez, c’est pour nous un élément central et fondamental du fonctionnement de notre marché du travail, de notre économie et de notre démocratie sociale.
C’est un "conquis" socialiste. Joseph Wauters – le prédécesseur de M. Clarinval en tant que ministre de l’Industrie à l’époque – a progressivement mis en place, au sortir de la Première Guerre mondiale, les premiers mécanismes d’indexation automatique.
Les crises passées ont démontré leur utilité. Si l’économie belge a mieux résisté à la crise du Covid, aux conséquences de la guerre en Ukraine et à l’explosion des coûts de l’énergie, c’est en grande partie grâce au mécanisme d’indexation automatique des salaires et des allocations.
Monsieur Ronse, cher collègue, il est donc bien entendu inenvisageable pour le Parti Socialiste de toucher à ce mécanisme, et singulièrement de la manière dont vous entendez le faire, avec – je le répète – un double saut d’index partiel qui va frapper un travailleur sur deux et un pensionné sur deux. Ces personnes gagnent juste au‑delà de 4 000 euros bruts ou touchent 2 000 euros bruts de pension, soit un peu plus de 2 500 euros nets par mois ou un peu plus de 1 700 euros nets par mois de pension. C’est totalement inacceptable. Nous continuerons à combattre cette mesure.
Vous avez aujourd’hui une proposition alternative sur la table, fruit du dialogue social, de la concertation entre interlocuteurs sociaux. Prenez-la au moins en considération avec respect.
De voorzitter: De heer Ronse heeft nog een vraag?
02.57 Axel Ronse (N-VA): Ik doe nog een laatste poging omdat u mij triggert. U zegt dat het is imaginable pour le Parti Socialiste de participer à un double saut d’index. In het voorstel van de sociale partners, en ik vraag het pour les travailleurs qui sont maintenant en train de manifester, staat een structurele aanpassing aan het indexmechanisme die veel verder gaat dan twee keer een aftopping van de index. Steunt u dat voorstel of niet? Ik vraag het voor al de mensen die nu aan het demonstreren zijn.
02.58 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur Ronse, j'ai déjà répondu plusieurs fois à cette question.
02.59 Axel Ronse (N-VA): Ik vind uw houding bijzonder hypocriet. U hebt enerzijds in het kader van l’intelligence collective meerdere keren gepleit voor een structurele aanpassing van de index en de toepassing ervan, ook op lonen van minder dan 4.000 euro bruto, en anderzijds valt u de arizonaregering aan op basis van morele argumenten die ik nu niet zal herhalen. Het ging over les miettes enzovoort. Ik vind dat bijzonder hypocriet van de PS-fractie, mijnheer Dermagne. Het is geen teken meer van intelligence collective, maar van hypocrisie collective van de PS. Ayez honte!
02.60 Pierre-Yves Dermagne (PS): J’en appelle à un peu de retenue dans les propos utilisés. Lorsque nous vous confrontons aux faits, aux chiffres, aux réalités, aux analyses d’institutions indépendantes, vous les balayez d’un revers de la main, monsieur Ronse, et ça, c’est problématique. L’intelligence collective, c’est aussi de reconnaître que l’on peut avoir tort et qu’il peut ressortir quelque chose de positif de l’échange de points de vue. Mais, pour autant, cela nécessite un minimum de respect dans les échanges que nous avons aujourd’hui et que nous aurons encore dans les jours prochains.
02.61 Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer Vandenbroucke, mijnheer Clarinval, stel u eens voor dat we zouden leven in een wereld waar de geopolitieke spanningen hoog oplopen, waar een supermacht die al 70 à 80 jaar de rest van de wereld onder de knoet houdt, nu haar dominantie bedreigd ziet door een tegenmacht. Stel u voor dat die supermacht en tegenmacht, in plaats van met elkaar handel te drijven en overeenkomsten te sluiten, elkaar willen koeioneren, met economische kracht, maar ook met militaire kracht. Stel u eens voor dat we in zo’n wereld zouden leven. Op dergelijk moment zou men een proxyoorlog krijgen, ver van het eigen bed, bijvoorbeeld in het Midden-Oosten. In het Midden-Oosten zijn er veel grondstoffen. Wie die bezit, kan de dominante wereldmacht blijven.
Als zo’n oorlog zou uitbreken, zou dat uiteraard zware economische gevolgen hebben. Onze economie zou dat onmiddellijk voelen. Dat is geen theorie meer. Olie wordt duurder, meststoffen worden duurder, metalen worden duurder. Alle grondstoffen stijgen in prijs. Wanneer zo instabiliteit ontstaat, stokt de aanvoer natuurlijk, ook voor onze economie. Transport wordt duurder, energieprijzen schieten voor iedereen omhoog. Dat betekent concreet dat de prijs van benzine stijgt en dat kerosine duurder wordt, maar ook bouwmaterialen, voedselproductie en transport worden duurder. Alles wordt duurder.
Die kosten worden doorgerekend, sowieso en altijd. Uiteindelijk komt dat neer op iets heel tastbaars, heel concreet in de winkel. Het potje yoghurt dat de heer Bertels misschien graag koopt, wordt duurder. Het sneetje kaas voor de heer Axel Ronse wordt duurder. De gemberthee van de heer Van Quickenborne wordt misschien fors duurder. Dat is voor hem misschien geen probleem, maar wel een groot probleem voor mensen die voor een normaal loon werken en graag gemberthee drinken.
Als alles wat duurder wordt, gebeurt er ook iets dat nog veel gevaarlijker is. Mensen houden de knip op de portemonnee. De gemberthee kunnen ze moeilijk betalen. Het aantal potjes yoghurt vermindert. Het sneetje kaas wordt dunner. Mensen gaan dus minder uitgeven. Als men minder uitgeeft, moeten bedrijven minder produceren, want ze hebben minder afzet. Investeringen worden uitgesteld. Uiteindelijk komt zelfs de werkgelegenheid onder druk te staan. Er zijn minder arbeidskrachten nodig om voor de bevolking te produceren. Voor men het weet, zit men in een neerwaartse spiraal en komt men uit bij een recessie.
Mijnheer Vandenbroucke, beeld u in dat er een mechanisme zou zijn dat ervoor zorgt dat de koopkracht van de mensen gelijk blijft. Wanneer het potje yoghurt, de kaas en de gemberthee duurder worden, stijgt ook het loon een beetje. Mensen blijven uitgeven. Er is een systeem dat de bevolking tegen externe schokken beschermt. Op die manier blijft onze consumptie op peil en blijft onze economie draaien. Zo vermijden en doorbreken we zelfs die neerwaartse spiraal.
Collega's, dat systeem bestaat in de vorm van de automatische loonindexering. Dat systeem is geen fait divers, geen luxe. Het is een fundamentele pijler van onze economie en onze sociale bescherming. Dat is een systeem waarop men in het buitenland jaloers is. We zijn trots op onze frieten, ons bier en onze chocolade. Sommigen zijn zelfs trots op onze spruiten, terecht, maar we zouden minstens even trots moeten zijn op onze index. We zouden eigenlijk een standbeeld voor onze index moeten maken. Dat standbeeld moet eruitzien als een mannetje met een vuist in de lucht. Dat zetten we niet hier, maar buiten het Parlement, want het Parlement heeft eigenlijk niets te maken met dat automatische indexeringsmechanisme, dat er is gekomen na sociale strijd en afspraken tussen werknemers en werkgevers.
Dat standbeeld van de index behoort hun toe. Het behoort toe aan die mensen, aan die tienduizenden mensen die vandaag in Brussel op straat lopen. Dat standbeeld van de index is voor hen.
Jullie zijn dat hier nu met een beitel en een hamer aan het afbreken. Jullie zijn dat hier aan het onthoofden, mijnheer Vandenbroucke. De mensen protesteren op straat voor het behoud van de index, maar jullie kappen dat beeld kapot.
We zitten hier allemaal na verkiezingen. We hebben allemaal de verkiezingen gewonnen. Tijdens de verkiezingsperiode hebben we veel debatten gevoerd. Ik heb dat zeker gedaan, want ik was totaal onbekend in Oost-Vlaanderen, niemand kende mij. Ik heb dus veel kleinschalige debatten gevoerd, maar ook wat grotere.
Het viel me op dat geen enkele partij pleitte voor een aanpassing van het automatische indexeringsmechanisme, al zeker niet voor een afschaffing, maar zelfs niet voor een afzwakking ervan. Ik herinner mij een debat van UNIZO Zuid-Oost-Vlaanderen. Iedereen kreeg rode en groene bordjes. Oranje mocht niet. Het was rood of groen en men moest zo'n bordje omhoogsteken bij een geponeerde stelling. De stelling was: wilt u de huidige automatische loonindexering behouden? Alle groene bordjes gingen omhoog, er was geen enkel rood bordje bij. Ik schrok daar zelf van. Iedereen was het erover eens. Alle Vlaamse partijen die daar aanwezig waren, gingen akkoord om de automatische loonindexering zoals die bestaat en bestond, te behouden. Er was dus een politiek draagvlak voor. Er is zeker ook een maatschappelijk draagvlak voor. Daarover was er verder eigenlijk geen discussie of debat.
Dat was zo tot plots de arizonapartijen eens samenkwamen tijdens of na de regeringsonderhandelingen. Iedereen stapte de vergaderzaal binnen met de bedoeling om de index te behouden. Ik weet niet hoelang die vergadering geduurd heeft, misschien een half uurtje, maar bij buitenkomst bleek men een oplossing gevonden te hebben in een aanpassing van de automatische indexering. U zocht nadien nog een marketingboy om daarvoor een tof woord te vinden: de centenindex. U had het gevonden, want u kon de mensen wijsmaken dat de centenindex een goed idee is voor hun koopkracht.
Ik begrijp niet dat men als gelijkgezinden met eenzelfde standpunt een vergaderzaal binnengaat en buitenkomt met een ander idee. Heren ministers, is dat een politieke keuze van één partij geweest? Waren de werkgevers, UNIZO en het VBO daar? Wie heeft die vergadering eigenlijk geleid? Werd er misschien drank geschonken op die vergadering? Ik wil een antwoord krijgen op die vragen, want we hebben dat al vaak gevraagd in de commissievergaderingen, maar nooit heeft iemand gezegd dat de centenindex een idee van Vooruit, de MR of de N-VA is. Niemand durft zijn nek uit te steken en zeggen vanwaar of van wie dat idee komt.
Die centenindex, dat is geen compromis, maar wel een breuk en een gebroken belofte. De gevolgen zullen zwaar zijn. U hebt al een indexrem ingevoerd en nu komt er nog een indexplafond. Dat zijn geen technische ingrepen, dat zijn maatregelen die de werkende mensen en de pensioneren duizenden euro’s zullen kosten in hun carrière. Voor sommige mensen is dat het verschil tussen rondkomen of net niet rondkomen. Dat is het verschil tussen aan het einde van de maand een klein beetje kunnen sparen of helemaal niet kunnen sparen.
Beste vrienden, de index is niet gered. De index is uitgehold, vertraagd en wordt nu ook nog eens begrensd. Er moet daarvoor politieke verantwoordelijkheid worden genomen. Partijen die aan hun achterban hebben gezegd dat ze de index zouden beschermen, moeten zich vandaag afvragen wat ze hebben gedaan. Vooruit heeft tegen haar eigen leden gelogen op het toetredingscongres. Uw leden hebben immers gestemd voor het behoud van de index en niet voor uw centenindex, die de mensen heel veel centjes zal kosten.
U hebt altijd een keuze. Als u echt gelooft dat de index essentieel is, wat u vóór de verkiezingen allemaal hebt gezegd, dan moet u daarnaar handelen. U kunt niet deelnemen aan een regering die dat systeem afbouwt en tegelijkertijd zeggen dat u de index verdedigt. Dat is niet houdbaar. U zegt dat de centenindex de index beschermt. Op vergelijkbare manier gaat u met de pensioenen te werk, want om de pensioenen te beschermen, verlaagt u de pensioenen van de mensen. U doet dat met de langdurig zieken, want om de ziekte-uitkeringen te redden, zult u langdurig zieken schorsen. U doet dat nu ook met de index, want om de index te redden, zult u de index uithollen.
Dat is een foute redenering.
Mijnheer de minister, wie heeft beslist om aan de index te raken? Vanwaar komt dat voorstel? Op basis van welke legitimiteit meent u dat het aanvaardbaar is om de koopkrachtbescherming van miljoenen mensen in België af te zwakken?
Dat is geen technisch detail in de programmawet. Het gaat over de kern van ons sociaal model, over de vraag of we bereid zijn om mensen in tijden van crisis te beschermen of niet. De inflatie zal immers richting 4 en misschien zelfs 5 % gaan in het komende jaar. Net nu wil de regering daarop ingrijpen.
De index is voor ons geen kostenpost. Hij stabiliseert de portefeuille van de mensen. Hij is een buffer die onze economie stabiliseert. Hij biedt de garantie dat onze economie blijft draaien en dat de werkgelegenheid op peil blijft, zeker in zulke geopolitiek wankele tijden. Wie aan de index raakt, moet dat duidelijk en eerlijk tegenover iedereen kunnen verantwoorden.
Of, zoals professor Ive Marx onlangs schreef: “Weg met de centenindex, weg met de loonnormwet.” Ik ben het eens met wat hij zegt. Wat heeft de politiek immers te maken met de loonpolitiek in België? Het is aan de werknemers en de werkgevers om daar afspraken over te maken. Dat indexmechanisme behoort hun toe. Het behoort toe aan de sociale partners.
Ik citeer daarom graag Frank Moreels van het ABVV. Hij schreef: “Hoe is het mogelijk dat de voorzitter van een socialistische partij het voortouw neemt in het saboteren van het sociaal overleg?” De centenindex is niet enkel een onuitvoerbaar wangedrocht, hij is ook een aanval op de principes van ons indexsysteem en op de vele cao’s ter zake.
Vandaag, 12 mei, lopen tienduizenden boze mensen door de straten van Brussel. Het zijn werknemers die zich verzetten tegen uw besparingsbeleid, tegen het optrekken van de pensioenleeftijd naar 67 jaar en tegen de pensioenmalussen – pensioenstraffen – die u wilt invoeren, vooral voor vrouwen en voor mensen die vroeg zijn begonnen met werken.
Ze betogen ook tegen uw centenindex en ze hebben gelijk. U doet alsof de centenindex enkel de hoge lonen raakt, maar 4.000 euro bruto is vandaag in België geen hoog loon. Dat is eerder een gemiddeld loon.
U straft zo leerkrachten, arbeiders, buschauffeurs, verpleegkundigen, enfin meer dan de helft van de werkende mensen en ongeveer de helft van de gepensioneerden. Het is ongelooflijk dat uitgerekend u, ministers, die zelf uw eigen lonen en extraatjes bepaalt, nu de lonen van meer dan de helft van de werkende mensen in België en de helft van de gepensioneerden zult bepalen. Dat u daarop durf in te grijpen! In feite besteelt u de mensen.
Uitgerekend gisteren, zoals al is besproken, hebben de werkgevers en de vakbonden hun alternatief voor de centenindex aan u voorgesteld. Gisteren pas. De regering heeft gezegd dat ze dat voorstel zou bekijken en bespreken. Met andere woorden, we kunnen vandaag niet stemmen over de centenindex. Ik heb vanmorgen mijn voorzitter, niet mijn partijvoorzitter, maar mijn vakbondsvoorzitter, op Radio 1 horen zeggen dat hij argumenten heeft die aantonen dat de nota van het Federaal Planbureau eigenlijk niet definitief is. Hij heeft samen met de werkgevers, met de Groep van Tien, argumenten om daarop te antwoorden. Bent u bereid om daar nog naar te luisteren? Men kan moeilijk verwachten dat een maatregel die voor zoveel mensen een dermate grote impact heeft, snel op een halfuurtje tijd bij een koffie en een gemberthee wordt afgehandeld. Men moet daar de tijd voor nemen. Men moet die nota kunnen bestuderen en tegenargumenten kunnen formuleren. De heer Engelaar heeft gezegd dat hun voorstel eigenlijk budgetneutraal is. Dat strookt totaal niet met wat het Federaal Planbureau naar buiten brengt. De heer Engelaar zei op Radio 1 ook dat het Federaal Planbureau heeft laten weten dat het veel te weinig tijd heeft gehad om de impact degelijk te analyseren.
Wat is die nota dan waard? Is die definitief? Krijgt men nog de kans om daar op zijn minst op te repliceren? Als u op een van die vragen ja antwoordt, dan kunnen we hier vandaag of morgen niet over die centenindex stemmen. Dan houdt u die in beraad.
Deze regering heeft beloofd om het alternatief voor de centenindex te bestuderen en u kunt de maatregel dus onmogelijk vandaag goedkeuren.
De regering wil sleutelen aan de index. Wij verzetten ons daartegen. Heel veel mensen verzetten zich daartegen. Zij doen dat om fundamentele redenen. Ten eerste, in tijden van stijgende prijzen moet de koopkracht worden beschermd en niet worden afgebroken. Dat lijkt mij logisch. Iedereen voelt vandaag wat inflatie betekent. De prijzen stijgen aan de pomp, voeding wordt duurder, energie wordt duurder, transport wordt duurder, alles wordt duurder. Onze automatische indexering bestaat juist om gezinnen, consumenten, werknemers en gepensioneerden te beschermen tegen die schokken.
Wie dus aan de index raakt, laat werkende mensen, gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden opdraaien voor een crisis die zij niet hebben veroorzaakt. Die mensen hebben daar niets mee te maken maar zij zullen hem nu wel heel snel betalen als de regering de centenindex invoert.
Ten tweede, de regering ondermijnt het sociaal overleg op een ongeziene wijze. De eerste keer dat de centenindex in de commissie ter sprake kwam, hadden de NAR en de CRB nog niet eens een definitief advies uitgebracht. Wij hadden dus nog niet alle informatie maar het debat was al gestart en er moest snel gestemd worden over de maatregel. Dat is al een eerste ondermijning van het sociaal overleg.
Die instellingen hebben er nadien natuurlijk ook voor gewaarschuwd dat de voorstellen technisch problematisch zijn en het sociaal overleg in de toekomst zullen bemoeilijken. De heer Van Quickenborne heeft daarnaar verwezen. Dat is geen detail. Dat is veelzeggend. De index is geen speeltje van de regering. Zij moet daar afblijven. Hij is een onderdeel van afspraken tussen werknemers en werkgevers. De regering kan de index niet gewoon inzetten om haar begroting op orde te krijgen.
Dat brengt mij bij het derde punt. Deze ingreep tast het recht op collectieve onderhandelingen aan. In België worden loonafspraken gemaakt via cao's tussen sociale partners. Wanneer de regering daar eenzijdig tussenkomt om een indexering af te remmen, te beperken of te vertragen, verzwakt zij fundamentele sociale rechten. Dat is niet alleen politiek problematisch maar ook juridisch bijzonder discutabel.
Ten vierde botst deze maatregel met de duidelijke belofte uit het regeerakkoord dat de automatische indexering behouden zou blijven om de koopkracht en de economische stabiliteit te beschermen. Met deze indexrem, dit indexplafond, beschermt men de index niet, maar holt men hem uit. Ik citeer het desbetreffende fragment uit het regeerakkoord hierover nog eens, want de leden van Vooruit hebben immers onder andere daarover gestemd op hun toetredingscongres: “We behouden het principe van de automatische indexering om de lonen te beschermen zodat werknemers hun levenstandaard kunnen behouden, ook wanneer de prijzen van goederen en diensten stijgen. Het is een garantie voor stabiliteit, niet alleen voor de burgers, maar ook voor de economie. Het biedt namelijk een belangrijke bescherming aan de particuliere consumptie.” Daarvoor hebben de leden van Vooruit gestemd. Nergens in het regeerakkoord staat iets over de invoering van de centenindex en over de modaliteiten daarvan. U breekt dus uw belofte uit het regeerakkoord.
Ten vijfde zijn die maatregelen ook gewoonweg sociaal onrechtvaardig. De plafonnering van de indexering van sociale uitkeringen treft ook mensen met lage en gemiddelde inkomens. Denk bijvoorbeeld aan het gezinspensioen.
Wat betekent dat voor een koppel? Een van beide partners heeft dan geen of een zeer laag pensioen, zodat men een gezamenlijk gezinspensioen krijgt voor beiden. Meestal ligt dat pensioen dan wel boven de 2.000 euro. Ook die mensen zullen dus getroffen worden door de centenindex. Zij hebben helemaal niet de sterkste schouders, integendeel.
Die index is geen techniciteit, maar een sociale bescherming, afgedwongen door generaties werkende mensen, en een buffer tegen crisissen. Het is de garantie dat mensen hun koopkracht niet volledig verliezen wanneer de prijzen ontsporen. De PVDA stelt daarom duidelijk dat men van de index moet afblijven. Bescherm de koopkracht en laat werkende mensen niet betalen voor economische onzekerheid.
02.62 Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Collega’s, ik meen dat we er geen doekjes om moeten winden. Het onderdeel van de programmawet dat we hier bespreken, de centenindex, is een belangrijk onderdeel. Het is de bijdrage van deze arizonaregering aan het museum van juridische eigenaardigheden die dit Parlement heeft voortgebracht. Hoewel de regering het presenteert als een noodzakelijke maatregel voor budgettaire saneringen en voor de ondersteuning van ondernemingen, laten de adviezen van de sociale partners iets helemaal anders uitschijnen. Dat zou eigenlijk geen verrassing mogen zijn, want in de commissie zijn die argumenten al naar voren gebracht door verschillende oppositiepartijen, waaronder wij.
De analyse is eenvoudig. De centenindex is onwerkbaar, onrechtvaardig en fundamenteel onwenselijk. Ik zal al die punten even toelichten zodat ze ook voor deze vergadering duidelijk zijn.
Ten eerste, de centenindex is onwerkbaar. Dat is het eerste grote struikelblok. Los van het feit of men het een verstandige maatregel vindt of niet, als men hem niet kan implementeren, is het een slechte maatregel. Daarover zult u het wel met me eens zijn, voorzitter. Dan worden er weer maatregelen opgelegd die niet uitvoerbaar zijn. In het advies van de NAR staat dat ook helder omschreven als extreem complex, ondoorzichtig administratief belasten.
Waarom is dat zo? Er wordt totaal voorbijgegaan aan de realiteit op de werkvloer. In de privésector zijn er indexeringsmodaliteiten die verschillen van sector tot sector. Zij die er bij waren in de commissie weten dat ik daar verwezen heb naar een aantal verschillende indexeringsmechanismen. Ze verschillen van paritair comité tot paritair comité. De collectieve arbeidsovereenkomsten die men in een paritair comité afsluit, zijn verschillend van sector tot sector. Men zal die nu allemaal moeten aanpassen, één voor één.
Het opleggen van een eenzijdig mechanisme, bovenop de bestaande afspraken, creëert een domino-effect, waarbij elk loonbarema volledig zal moeten worden herzien. Dat is niet alleen een gigantische klus voor de sociale partners, maar ook voor de HR-diensten en de sociale secretariaten, die dat naar de loonbrief moeten vertalen. Bovendien is een deel vandaag nog altijd onbekend. De wet voorziet in verschillende bijdragen die elkaar deels overlappen. De cruciale details over de geconsolideerde, bijzondere loonmatigingsbijdragen ontbreken vandaag volledig in het wetsontwerp. De minister heeft daarover daarnet gezegd dat men dit nog in een koninklijk besluit zal regelen. Het cynische aan deze hele zaak is dat de minister dat wel een werkbare oplossing vindt, terwijl het afschaffen van de centenindex geen werkbare oplossing zou zijn. De huidige situatie bestendigen is onwerkbaar. Deze complexe draak invoeren vindt deze regering dan weer wel werkbaar.
Punt twee, de centenindex is onrechtvaardig. Het is een inbreuk op rechten en koopkracht. Voor de werknemers is dit een bittere pil. Het gaat hier niet om een tijdelijke maatregel. De twee sprongetjes die men wil invoeren, zorgen voor een permanent en cumulatief inkomensverlies. Werknemers die meer dan 4.000 euro bruto verdienen – de minister noemt dat de sterkste schouders, maar in werkelijkheid gaat het over de helft van de werknemers in België – worden direct getroffen. Op termijn voelt iedereen de impact door de verschuiving in baremastructuren.
Ik geef twee voorbeelden, mijnheer de minister. Twee keer is mijn vraag hoe rechtvaardig u dat eigenlijk vindt. Mijn eerste voorbeeld gaat over de verpleegster van minister Vandenbroucke en het UZ Gent. Na twintig jaar ervaring verdient een bachelor verpleegkunde ongeveer 5.000 euro bruto. Zij valt dus onder de centenindex. Dat betekent dat er na de eerste loonmatiging 300 euro per jaar afgaat. Na de tweede loonmatiging gaat er in totaal 600 euro per jaar af. Na twintig jaar ervaring is het nog minstens twintig jaar te gaan tot de pensionering. Dat betekent een cumulatief verlies van 13.000 euro bruto. Mijnheer de minister, vindt u dat rechtvaardig voor onze helden van de zorg, voor de verpleegsters met een bachelordiploma?
Ik geef een tweede voorbeeld: de gezinspensioenen. Ik weet niet of iemand weet hoeveel het minimumgezinspensioen in België bedraagt. Dat is 2.260 euro bruto. Dat betekent dat al die gezinspensioenen door de centenindex worden getroffen, terwijl daar vaak twee mensen van moeten leven. Vinden de ministers dat rechtvaardig?
De onrechtvaardigheid zit bovendien dieper dan alleen de portemonnee. Zoals verschillende sprekers dat al hebben gezegd, is het in feite een aanval op het sociaal overleg. De overheid breekt eenzijdig in op akkoorden tussen werkgevers en werknemers die op sector- en ondernemingsniveau zijn gesloten. Ik heb het dan zelfs nog niet eens over het akkoord waarmee men nadien nog op de proppen is gekomen. Het gaat over de cao's die al zijn gesloten en die nu opnieuw allemaal moeten worden aangepast.
De sociale partners werden veel te laat bevraagd, onder enorme tijdsdruk. Dat gebeurde pas nadat het ontwerp al in de commissie was besproken en het in de plenaire vergadering al bijna ter stemming voorlag. Gelukkig heeft de oppositie daar een stokje voor gestoken. Vervolgens komen de sociale partners met een voorstel, dat wordt neergesabeld.
Ik ben minister Vandenbroucke dankbaar, maar misschien mag hij eerst even tussenkomen. Ik heb daar eigenlijk geen probleem mee.
02.63 Minister Frank Vandenbroucke: Ik zal op een van de twee voorbeelden antwoorden. Mijnheer Van Lysebettens, u moet in Gent aan die verpleegkundige in UZ Gent, die vastbenoemd is, uitleggen dat u pleit voor een voorstel dat slechter is voor de koopkracht van die verpleegkundige dan wat hier voorligt. Dat moet u haar dringend uitleggen.
U zegt immers dat wij het alternatief van de G10 moeten aanvaarden. Dat is voor die verpleegkundige van UZ Gent slechter. Zij zal meer koopkracht verliezen, want de indexberekening wordt aangepast, zoals de G10 voorstelt, ook voor die verpleegkundige, én de centenindex blijft voor haar gelden. Dat is wat de G10 voorstelt. Dat is slechter voor die verpleegkundige. Bravo dat u dat steunt!
02.64 Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Dank u voor die oprisping, minister Vandenbroucke. Dat stelt mij in staat om te zeggen dat u even geduld had moeten hebben om tot mijn voorstel te komen, dat weliswaar enigszins afwijkt van dat van de sociale partners. Ik zal uw kritiek van het begin van deze vergadering gebruiken om daartoe te komen.
De sociale partners komen, onder tijdsdruk, met een voorstel dat wij hier kunnen bespreken. Dat wordt doorgerekend door het Planbureau. We krijgen dan te elfder uur een aantal tabellen, ik vermoed op basis van de nota en waarnaar wordt verwezen in de nota, maar niet de volledige analyse. De regering legt dat oordeel naast zich neer en gaat verder met haar eigen voorstel.
Dat staat in schril contrast met wat in de beleidsnota van minister Clarinval staat, namelijk dat we de sociale partners zullen betrekken en dat de sociale vrede belangrijk is. Ik zei daarnet al dat ik minister Vandenbroucke dankbaar ben omdat hij uitgelegd heeft waarom de regering daar niet op ingaat. Hij noemde het in eerste instantie onwerkbaar. Ik heb het er daarnet al over gehad. Volgens mij is de centenindex nog veel meer onwerkbaar. De modaliteiten voor de werkgevers zijn vandaag nog niet gekend en moeten nog in een koninklijk besluit gepubliceerd worden. Hoe dat meer werkbaar is dan een systeem dat vandaag al bestaat en uitgevoerd wordt door de sociale secretariaten is mij een raadsel.
De minister verwees eerder en daarnet opnieuw, naar het onderscheid dat wordt gemaakt tussen mensen in de privésector en mensen in de publieke sector, de vastbenoemden. De NAR spreekt zich inderdaad uit over de privésector. Dat komt omdat de overheid de werkgevende partij is in de publieke sector. Mijnheer de minister, mijn voorstel – en ik heb dat al in de commissie gezegd, dus u had het eigenlijk moeten weten – is niet zozeer het voorstel van de sociale partners unilateraal uitvoeren, maar het uitvoeren voor de privésector, waarvoor zij bevoegd zijn in de NAR, en dan als overheid hetzelfde doen voor de publieke sector, namelijk geen centenindex. Stap af van dat onzalige idee van de centenindex, want het draagt niks bij. Dan hebt u een werkbaar voorstel, dat zowel in de privésector als in de publieke sector kan worden uitgerold.
Een tweede argument dat de minister aanvoert, is dat het de doelstelling niet bereikt. Wij willen een bijdrage aan de begroting leveren en uit de berekeningen van het Planbureau blijkt dat er nog een deel niet wordt bijgedragen. Dat klopt, maar er zijn twee fundamentele zaken die ontbreken in die berekening en die ook deze regering telkens opnieuw naast zich neerlegt.
Het eerste betreft de menukosten, de kosten die bedrijven moeten maken om de administratie op orde te zetten, om die centenindex überhaupt te kunnen berekenen. In de begrotingstabellen, in de beleidsnota’s en in de discussies in de commissie wordt geen enkele inschatting gemaakt van wat dat zal kosten aan de privésector en evengoed aan de overheid om dat allemaal bij te houden en uit te voeren. Dat is een van de fundamentele opmerkingen van de sociale partners, een bijdrage die niet is meegenomen in de berekening van deze centenindex.
Het tweede aspect dat niet is meegenomen - de heer Van Quickenborne verwees er ook al naar - betreft de prijs van de sociale vrede. Het is het een of het ander, collega’s. Vandaag is er weer een staking en terecht. De werknemers komen op straat voor hun rechten. We worden vanochtend gebombardeerd met persberichten van UNIZO, van het VBO en van allerlei economen over hoeveel deze staking kost aan onze maatschappij.
Het vermijden van dergelijke stakingen wordt in een akkoord over sociale vrede echter nooit meegenomen. Ofwel nemen we die prijs mee en zegt deze regering heel duidelijk dat ze ervoor kiest het sociaal akkoord naast zich neer te leggen, met het besef dat dit zal leiden tot sociale onvrede die onze economie veel zal kosten. Ofwel zegt deze regering dat sociale onvrede ons niets kost, maar dan moet men hier wel ophouden met in het vragenuurtje en in debatten telkens te stellen dat het schandalig is dat onze economie door stakingsdagen extra kosten krijgt. Het is deze regering zelf die deze stakingsdagen organiseert.
De centenindex is onwenselijk. Zoals ik daarnet zei, is het een lose-lose voor onze economie. Zelfs werkgevers, die in theorie baat zouden hebben bij een loonmatiging, plaatsen grote vraagtekens. Zij wijzen erop dat het vermeende voordeel van 0,3 % op de loonkosten op middellange termijn waarschijnlijk zal verdampen. Zij ageren daarmee tegen de eeuwigdurende loonmatigingsbijdrage. Op dat vlak ben ik het wel eens met minister Vandenbroucke. Als er één ding rechtvaardig is in deze centenindex, dan is het dat de werkgevers, net als de werknemers, een eeuwigdurende bijdrage moeten betalen.
Het omgekeerde zou nogal raar zijn. Door de werknemers een eeuwigdurend gecumuleerd loonverlies op te leggen en de werkgevers daar eeuwigdurend van te laten profiteren, zou men geen rechtvaardige situatie creëren. Het systeem zorgt er natuurlijk voor dat de winsteffecten van die loonmatiging vrij snel zullen verdampen. Het effect op onze economie, dat ook is meegenomen in de berekeningen, zal dus veel lager uitvallen dan wat de regering beoogt. Dat maakt de budgettaire basis van het hele plan bijzonder wankel. De ramingen stammen bovendien uit november 2025. Op zich is dat niet vreemd, maar ondertussen is de wereld natuurlijk deels veranderd. We hebben een veel hogere inflatie, er zullen veel meer indexsprongen op ons afkomen en we baseren ingrijpend beleid op verouderde data en een onzeker begrotingskader.
Samenvattend is de centenindex een overhaaste maatregel die de sociale vrede in gevaar brengt zonder de beloofde economische stabiliteit te bieden. Het systeem is zo complex dat niemand de uitvoering ervan kan garanderen, het tast de koopkracht structureel aan en schaadt op lange termijn ook de werkgevers. De sociale partners roepen de regering met klem op om te stoppen met de centenindex in de privésector. Wij voegen eraan toe om er ook mee te stoppen in de publieke sector. Stop met die eenzijdige aanpak en keer terug naar de werkelijke sociale dialoog. We hebben nood aan transparantie, actuele cijfers en respect voor gemaakte afspraken op de werkvloer en voor het sociaal overleg.
Laten we dus kiezen voor een duurzaam economisch model en niet voor de centenindex.
02.65 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Heren ministers, collega’s, de heer Tonniau heeft daarnet de vraag gesteld wie nu eigenlijk de architect is van de centenindex. Ik denk, eerlijk gezegd, dat wie het debat vandaag volgt, perfect weet wie dat is. Het is minister Vandenbroucke. Dat is natuurlijk heel vreemd, want net hij heeft decennialang gezegd: procenten en geen centen. Dat zei hij altijd. In elk debat zei hij dat hij de index verdedigde. Ik herinner me die discussies, zelfs onder de vorige regering. De index, zo zei hij, is heilig: procenten, geen centen.
Wat gebeurt er echter met deze regering? De bocht van minister Vandenbroucke. Hij is 180 graden gedraaid. Hij is zo ver gedraaid, mevrouw Vanrobaeys, dat, wanneer de socialistische vakbond een akkoord met de werkgevers sluit om iets anders te doen, minister Vandenbroucke zegt dat hij daar niet mee akkoord gaat. De man die zogezegd een warm hart toedraagt aan de sociale vrede – de heer Ronse gebruikte daarnet het woord hypocrisie – beweert de sociale partners genegen te zijn, maar lacht hen in werkelijkheid uit in het gezicht. Dat is wat u doet, mijnheer de minister.
Gisteren hebt u een vergadering gehad met de Groep van Tien en u hebt gezegd dat er een expertengroep komt en dat woensdag opnieuw het kernkabinet samenkomt. Maar waarover zal het kernkabinet vergaderen? De bespreking vindt nu plaats, de bespreking wordt straks gesloten, niet morgen. U hebt de sociale partners dus gewoon met een kluitje in het riet gestuurd. U lacht ze gewoon uit in het gezicht. Daarnet hebt u trouwens opnieuw een voorbeeld gegeven door te zeggen dat die tabel pure fictie is en dat de werkgevers met fictieve toestanden komen. U lacht dus ook gewoon de werkgevers uit.
Dat is precies de essentie van dit debat dat al voortdurend aan de gang is. U zorgt voor zodanig veel stampij, mijnheer Vandenbroucke, zowel met de vakbonden als met de werkgevers, dat zij nu verenigd zijn in een uniek front dat zegt dat het anders moet.
Ik begrijp ook waarom de N-VA hier het woord niet vraagt, behalve met enkele vragen aan de heer Dermagne. De N-VA heeft hebben zelfs het woord niet genomen in de thematische bespreking, omdat ze natuurlijk niet kunnen verdedigen dat de regering met de loonmatigingsbijdrage de loonkosten met 1,1 miljard euro verhoogt. De loonkosten stijgen met 1,3 %. Dat komt omdat de heer Vandenbroucke de architect is van de centenindex, die er zo lelijk uitziet dat het enkel van hem kan komen, want minister Vandenbroucke is – dat geef ik toe – de meester van het compromis.
In deze regering, die eigenlijk een constructiefout bevat omdat men links en rechts probeert te verzoenen, komen aan de lopende band kamelen naar buiten. Eerst was er de btw.
Herinnert u zich het interview van Hannelore Simoens op VTM met minister Vandenbroucke aan zijn kabinet, waarin hij met een monkellachje stelde dat takeaway overal zwaarder belast zou worden? De Raad van State maakte daar brandhout van.
Minister Vandenbroucke is ook de grote architect van de meerwaardetaks. De kosten van de invoering daarvan bedraagt volgens de banken 100 miljoen euro. Denkt u dat de banken dat zullen betalen? Neen, uiteindelijk zullen die kosten worden doorgerekend aan hun klanten, niet de beleggers, maar de gewone mensen met een spaarboekje.
Nu is er ook de waanzinnige centenindex, de grootste kameel ooit. Elke expert en elke econoom vraagt zich af wie dat in die vorm heeft bedacht. Het was zelfs zo erg dat minister Vandenbroucke op 24 november 2025 in het tv-debat met professor Peersman stelde dat diens bewering dat de helft van de opbrengst van de centenindex aan de staatskas afgedragen moest worden, niet klopte. Professor Peersman, een heel timide man, stelde dat hij dat in de kranten had gelezen, waarop minister Vandenbroucke repliceerde dat hij aan de vergadertafel zat. Naderhand bleek dat minister Vandenbroucke zich compleet vergist had. Eerlijk gezegd, als minister Vandenbroucke zich al vergist, dan is er wel iets aan de hand. Het is dus zo complex dat zelfs hij het niet meer begrijpt.
Mijnheer de minister, ik heb contact gehad met sociale secretariaten en zij geven aan dat het hen niet zal lukken. Vandaag is het 12 mei en de centenindex zou van kracht moeten zijn vanaf 1 juni. De sociale secretariaten zullen dus twintig dagen hebben om die centenindex te implementeren voor alle werknemers die meer dan 4.000 euro bruto verdienen. De sociale secretariaten moeten de centenindex dus toepassen op de lonen van miljoenen mensen, in 140 verschillende sectoren, in tienduizenden bedrijven en voor elke individuele werknemer. Die berekening zal niet per bedrijf of sector gebeuren, mijnheer Weydts. Kunt u zich voorstellen wat dat kost? Dat noemt men in het Frans een usine à gaz.
Minister Vandenbroucke, Federgon, dat bevoegd is voor de uitzendkrachten, vraagt nu al om de invoering van de centenindex uit te stellen naar 1 juli. Klopt dat?
Klopt het dat er gedacht wordt aan een uitstel van 1 juni 2026 naar 1 juli 2026? Wat antwoordt u op de vraag van Federgon en van bepaalde sociale secretariaten om dat te doen?
Collega's, het dossier is erg complex. Ik weet niet of u het advies van de sociale partners hebt gelezen. Ik citeer: “De complexiteit komt tot uiting in alle onderdelen van het mechanisme van de loonmatigingsbijdrage.” Ik daag u uit. Kan iemand in het Parlement eens uitleggen hoe die vier loonmatigingsbijdragen precies in elkaar zitten en zich tot elkaar verhouden? Ik meen dat niemand in het Parlement dat kan uitleggen.
Ik heb contact gehad met de Unie van Sociale Secretariaten en met sociale secretariaten. Zij stellen dat de maatregel gewoon waanzin is. De regering tuigt ze op voor twee keer een centenindex, waarna ze opnieuw verdwijnt.
Mijnheer de minister, de kostprijs daarvan bedraagt miljoenen euro. Een cynicus zal waarschijnlijk stellen dat dat goed is voor het verdienmodel van de sociale secretariaten. Meent u werkelijk dat de sociale secretariaten daarop zitten te wachten? Niemand wacht daarop.
Wie verdedigt de centenindex eigenlijk nog? Dat doet niemand in het Parlement, behalve minister Vandenbroucke. Dat is u toch ook opgevallen? Minister Clarinval neemt het woord niet meer, hij zegt niets meer, hij is stil geworden. Er is nog one man standing en dat is inderdaad de heer Vandenbroucke.
Minister Vandenbroucke verklaarde daarnet dat gisteren op het kabinet is vastgesteld dat er geen consensus is. Hoe komt het dat er geen consensus is? Minister Vandenbroucke is de man die de consensus onmogelijk maakt omdat hij een idee-fixe heeft. U weet dat, als Frank Vandenbroucke een idee-fixe heeft, het zo zal zijn.
Mijnheer de minister, ik vind het onbegrijpelijk dat u als socialist, die de sociale vrede en de sociale dialoog zo belangrijk acht, een voorstel dat werd uitgewerkt door de sociale partners, gewoon van tafel kegelt. De manier waarop u de sociale partners behandelt, is schandalig. Dat u dat doet als socialist, is onbegrijpelijk.
Collega's, waarom wordt de centenindex zo hardnekkig beschermd? Daar is maar één reden voor. Het gezichtsverlies voor de regering zou te groot zijn na de btw-brol. De mensen zouden zich afvragen waar de regering mee bezig is.
Noem me één arbeidseconoom, één arbeidsexpert, één gewone econoom of een supereconoom, noem me één iemand die het systeem van de centenindex nog verdedigt. Niemand! Er is niemand meer die het nog verdedigt. En toch is er nog één iemand, want minister Vandenbroucke zegt: ik ga ermee door.
Het is ook slecht voor de productiviteit. Men zal de loonverschillen tussen onder 4.000 euro en boven 4.000 euro immers uitvlakken. Dat betekent dat iemand die zin heeft om hogerop te klimmen, wordt gefnuikt.
Mijnheer de minister, in de bouwsector verdient de ploegbaas meestal 20 % meer dan de barema’s. Door de centenindex verkleint het verschil en zal men de loonbarema’s moeten aanpassen. Weet u tot welke discussies dat zal leiden in al die sectoren? In 140 paritaire comités zullen discussies plaatsvinden over de loonbarema’s. Dat is waanzin. Ik meen dat zelfs de communisten daar geen zin in hebben. Zelfs de communisten hebben daar geen zin in. Ze zien het niet zitten. Ze zeggen dat u de sociale vrede, zelfs in bedrijven waar dat niet evident is, onder druk zet en kapotmaakt. Dat bent u volop aan het doen, omdat u geobsedeerd bent door dat systeem.
Collega’s, de centenindex is niet alleen complex en is niet alleen slecht voor de productiviteit, het is vooral een kat in een zak. Hij is verkocht als de maatregel bij uitstek voor de competitiviteit van onze bedrijven. Minister Vandenbroucke zei in de studio dat het voordeel volledig naar de werkgevers gaat. Nee, zei professor Peersman: de helft gaat naar de staatskas. Oké, ik heb me vergist, zei de minister.
Die loonmatigingsbijdrage is de uitvinding van minister Vandenbroucke. Die nieuwe sociale bijdrage, die boven op de 25 % komt, is uw verantwoordelijkheid, mijnheer de minister. In de tabel die net is gedistribueerd, kan men het lezen: 1,128 miljard euro aan loonmatigingsbijdragen tegen 2029. Ofwel zegt u dat die tabel niets waard is, maar dan vraag ik me af wat we hier eigenlijk zitten te doen, ofwel bevestigt u dat cijfer. Dat cijfer staat zwart op wit op papier. U verhoogt de loonkosten dus met 1,1 miljard euro.
Collega’s, dat doen de socialisten op een ogenblik dat we het hoogste aantal faillissementen in decennia kennen in ons land, op het ogenblik dat de industrie door zeer zwaar weer gaat.
Vorige week vielen nog 2.000 ontslagen door het faillissement van DOMO Chemicals. Op een ogenblik dat de chemische sector zwaar onder druk staat, verhoogt deze regering de loonkosten met 1,1 miljard euro. Jullie zijn waanzinnig bezig, daar is niets anders over te zeggen.
De voorzitter: Toch denk ik dat de minister daar iets anders over wil vertellen. Ik geef hem het woord.
02.66 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, ik herhaal nog eens dat die 1,1 miljard euro het resultaat is van een berekening op vraag van de werkgevers, waarbij een hypothese wordt gebruikt die in mijn ogen vergezocht is. Het Federaal Planbureau zegt dat eigenlijk ook, weliswaar in vriendelijkere termen. Er wordt uitgegaan van een hypothese over de impact van de centenindex, waarbij die impact in de private sector veel groter zou zijn dan wij inschatten, en dus ook het voordeel voor de bedrijven veel groter. De werkhypothese is dan dat de helft van dat voordeel terugvloeit.
Als men het voordeel voor de werkgevers veel hoger inschat en ervan uitgaat dat de helft terugvloeit, dan komt er inderdaad wat meer terug. De werkgevers vroegen om dat zo te berekenen. Ik geloof daar niet echt in, omdat we weten dat in de private sector gemiddeld minder wordt verdiend dan in de overheidssector. Als we dit echter toch doen, dan is het voordeel groter voor de werkgevers. Het blijft per saldo groter voor de werkgevers. (…)
02.67 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, in uw andere tabel van 27 april van het Federaal Planbureau staat een loonmatigingsbijdrage van 739 miljoen euro. Dat is weliswaar minder dan 1,1 miljard euro, maar het blijft 739 miljoen euro. Het betreft een loonmatigingsbijdrage die u definitief invoert, een verhoging van meer dan 700 miljoen euro. Dat is een belastingverhoging.
Dat is het grote probleem met die centenindex voor de bedrijven. U voert een nieuwe sociale bijdrage in die de loonkosten verhoogt op een ogenblik dat onze economie door zeer zwaar weer gaat. Eigenlijk zouden we mogen verwachten dat deze regering de loonkosten verlaagt, zuurstof geeft aan onze economie en ervoor zorgt dat we opnieuw vooruit kunnen in dit land. U doet net het omgekeerde.
Het is onbegrijpelijk dat een partij als de N-VA dat steunt. Hoewel, geachte collega’s, zo onbegrijpelijk is dat eigenlijk niet. Als men ziet hoe ze met de meerwaardetaks mensen aan het koeioneren is, als men ziet hoe ze – en we komen daar straks nog op terug, mijnheer de voorzitter – de roerende voorheffing verhoogt van 15 % naar 18 % voor VVPRbis en de liquidatiereserve. Dat klinkt allemaal zeer technisch, maar ik kan u zeggen, mijnheer de voorzitter, als ik zoiets op LinkedIn post, dan volgen veel mensen dat.
De heer Moons weet dat waarschijnlijk ook als boekhouder of accountant.
De huidige regering legt 250.000 kleine bedrijven een belastingverhoging op van 20 %. De heer De Wever is daar trouwens nooit in het Parlement op komen antwoorden, omdat hij daar zodanig beschaamd over is. Nu hebben we de centenindex. Eigenlijk is dat een indextaks, want men belast de gewone werknemers. Dat is al uitgelegd door de collega's. Maar men belast ook de werkgevers, want u wilt die loonmatigingsbijdrage, mijnheer de minister, permanent behouden. De heer Clarinval, die we vandaag nog niet hebben gehoord, heeft zich daar wat tegen verzet. Hij zwaait met allerlei notificaties die geen waarde hebben.
Monsieur Clarinval, je vous respecte, mais dans ce combat, vous avez perdu. Vous étiez ici, monsieur le ministre Clarinval, il y a deux semaines, et vous avez dit: "J’ai vu la proposition: elle est très positive."
Twee weken later horen we u niet meer. Het is gedaan, ingeslikt. Opnieuw zegt Vooruit dat het zo zal zijn en dat er geen komma aan zal worden veranderd. Zo kennen we minister Vandenbroucke, koppigheid en doorduwen. Hij wil die loonmatiging binnenhalen.
Collega’s, dat is het fundamentele probleem. Wat zegt de regering? De heer Vandenbroucke zegt dat men de mensen in de publieke sector toch niet anders kan behandelen dan de mensen in de private sector. Mijnheer de minister, u verwijst naar de nota van de RSZ. Hebt u die nota gelezen? Ik heb die gelezen.
Ik vind dat echter een makke verdediging. De loonvorming gebeurt in de private sector op een andere manier dan in de publieke sector. Kent u artikel 23 van de Grondwet, waarin staat dat de loonvorming voor de private sector tot stand komt via sociaal overleg? Het staat in artikel 23 van de Grondwet. In de publieke sector gebeurt dat op een andere manier, met Comité A en dergelijke meer. Dat is het eerste grote verschil.
Dan volgt het tweede grote verschil. De doelstellingen van de centenindex zijn verschillend. Voor de publieke sector gaat het louter om een budgettaire oefening. Voor de private sector gaat het om een budgettaire, maar vooral ook een competitiviteitsoefening, zo beweert men althans.
Ten derde, de index is verschillend. In de publieke sector gaat het om een spilindex, in de private sector werkt men op een andere manier.
Mijnheer de minister, in uw antwoorden gaf u het voorbeeld van een verpleegster. U stelde dat men een vastbenoemde verpleegster niet anders mag behandelen dan een contractuele. Het verschil zit in het feit dat de ene vastbenoemd is en haar job niet kan verliezen, terwijl de andere contractueel is en haar job wel kan verliezen. Dat is het grote verschil. In de publieke sector is men beter beschermd dan in de private sector. Een andere behandeling van een andere situatie is dus perfect mogelijk.
Collega’s, discriminatie gaat over het volgende. Mensen in een gelijke situatie moeten gelijk worden behandeld, maar mensen in een verschillende situatie worden verschillend behandeld. Het voorstel van de sociale partners is op dat punt rigoureus en goed.
Mijnheer de minister, ik richt mij nu even tot de voorzitter. Collega’s, u kent onze voorzitter allemaal. Hij is daarnet nog door collega Dermagne eerste minister genoemd. Misschien was het een slip of the tongue, ik weet het niet. In elk geval wordt hij door velen zo genoemd.
De voorzitter: Dat zou een degradatie zijn. Protocollair zou dat een degradatie zijn.
02.68 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Ik vind het protocol minder belangrijk. Ik vind wat men doet belangrijker. Ik denk dat u er ook zo over denkt, maar dat is iets anders.
Mijnheer de voorzitter, u bent de uitvinder van het algoritme-De Roover.
Collega’s, kent u het algoritme-De Roover? Dat werd zelfs geroemd in de Tweede Kamer in Nederland en staat op de website van Peter De Roover. Dat is heel interessant en u kunt het daar nalezen. Wat houdt dat algoritme in? Het is een pleidooi voor meer politieke bescheidenheid. Stap 1: is er een probleem? Stap 2: moet de politiek dat probleem oplossen? Stap 3: lost de voorgestelde oplossing het probleem op? Stap 4: weegt die oplossing op tegen de eventuele problemen die ze creëert? Vat ik het goed samen, mijnheer de voorzitter? (De voorzitter steekt zijn duim op)
Als het antwoord vier keer positief is, dan moet de politiek handelen. Collega’s, zullen we dat algoritme eens toepassen op de centenindex? Laat ons beginnen. Eerste stap, is er een probleem? Ja, er is een probleem, een budgettair probleem en een competitiviteitsprobleem. Tweede stap, moet de politiek dat probleem oplossen? Neen, sociale onderhandelingen kunnen dat perfect oplossen. Derde stap, lost de voorgestelde oplossing het probleem op? Wordt het budgettair probleem opgelost? Wordt het competitiviteitsprobleem opgelost? Neen, de competitiviteit gaat erop achteruit. Dat zeggen de werkgevers. Vierde stap, weegt de oplossing op tegen de eventuele problemen die ze creëert? Mijnheer de voorzitter, de problemen die worden gecreëerd, zijn onnoemelijk. De complexiteit is niet vatbaar. Drie keer neen, een keer ja. De conclusie is dat de politiek niet moet handelen.
Ik kom tot het voorstel van de sociale partners. Eerste stap, is er een probleem? Ja, er is een probleem, een budgettair probleem en een competitiviteitsprobleem. Tweede stap, moet de politiek dat probleem oplossen? Neen, de sociale partners lossen het probleem op. Derde stap, wordt het probleem opgelost? Wat betreft de competitiviteit, ja, de werkgevers zijn voor. Wat het budgettair probleem betreft, de minister zegt dat wij budgettair beter af zijn met de centenindex dan met het voorstel van de sociale partners. Ten eerste, enkel met de loonmatigingsbijdrage, maar ten tweede, professor Peersman – en ik nodig u uit om in Terzake nog eens in debat te gaan met professor Peersman, mijnheer de minister, want dat zou fijn zijn – heeft een heel moedig stuk geschreven, waarin hij zegt dat deze centenindex een belastingverhoging is voor de werkende mensen en voor de ondernemers en dat die slecht is voor de productiviteit, de groei en onze economie.
Mijnheer de minister, uw centenindex creëert alleen maar problemen, terwijl het voorstel van de sociale partners sociale vrede creëert en veel eenvoudiger is. Het voorstel van de sociale partners is zo eenvoudig dat er zelfs geen druk op de knop nodig is. Het inflatiecijfer wordt bijgesteld, het indexcijfer wordt bijgesteld en er moet helemaal niets worden onderhandeld of ingevoerd.
Wat doet deze regering echter? Als een koppige steenezel en zo koppig als minister Vandenbroucke doet zij voort, ten koste van de groei, de productiviteit, de tewerkstelling, de bedrijven en de mensen. De koppigheid van Vandenbroucke kent geen grenzen.
Mijnheer de voorzitter, als we uw algoritme toepassen op het voorstel van de sociale partners, krijgen we vier keer een ja. Als we u morgen eerste minister maken, dan komt dit voorstel er niet. Ik pleit niet voor een revolutie, wel voor een evolutie. Ik denk dat u met uw algoritme het land een grote dienst kunt bewijzen als u het niet alleen uitlegt, maar ook toepast.
Messieurs les ministres, j’ai quatre questions pour vous.
Mijnheer Vandenbroucke, ten eerste, waarom maakt u alles zo complex? Dat is een simpele vraag maar graag kreeg ik een goed antwoord. Waarom maakt u alles zo complex?
Ten tweede, bepaalde sociale secretariaten en Federgon vragen uitstel van de maatregel tot 1 juli 2026 omdat ze niet klaar zijn. De voorziene datum is al over 20 dagen. Ze zijn niet klaar. Zult u die vraag al dan niet honoreren?
Avec ma troisième question, je vous invite, monsieur Clarinval, à quand même participer à ce débat. Je sais bien que vous n’êtes pas un grand fan du centenindex, mais M. le ministre Vandenbroucke en a décidé, donc il faut le suivre. Comment expliquez-vous, monsieur Clarinval, que vous allez augmenter le coût salarial de 1,1 milliard d’euros à charge des entreprises?
Mijn vierde vraag voor beide ministers. (Iemand praat in de zaal zonder micro)
Wat zegt u? U overtuigt niet. U zegt dus dat alles wat de werkgevers zeggen, dus UNIZO, Voka, het VBO en alle anderen, onzin is. Ik vind het onwaarschijnlijk dat u dat durft te stellen. Collega’s, zo kijken socialisten naar ondernemers. Herinnert u zich dat nog? (Vincent Van Quickenborne toont een affiche)
Het verhaal van Michiel met een eigen vennootschap met miljoenen op de rekening en een dikke Porsche via zijn bedrijf. Zo kijken socialisten naar ondernemers: mensen die zichzelf een minimumuitkering betalen aan de rand van een zwembad. Dokters, Charles en Henri met managementvennootschappen. Zoals de heer El Yakhloufi zei: ʺZakken vullen, miljoenen op de rekeningʺ. U kijkt zeer negatief naar ondernemerschap. U ziet ondernemers als melkkoeien die tot op het bot moeten worden uitgemolken. Zo kijkt u naar ondernemerschap.
Mijnheer Vandenbroucke, dat socialisten daar zo over denken, dat wist ik al lang. Dat de andere partijen in de regering dat evenwel toelaten, vind ik onwaarschijnlijk. Dat de N-VA dat laat passeren, is onwaarschijnlijk. Dat meneer Bouchez, die telkens grote woorden gebruikt, pas de nouvelles taxes, dat laat gebeuren, is onwaarschijnlijk. De boosheid bij veel ondernemers en bedrijven, mijnheer de minister, wordt steeds groter. Het is tijd om de zaken opnieuw op orde te zetten. Weg met de centenindex, leve de sociale vrede.
De voorzitter: Bedankt, mijnheer Van Quickenborne, ook om een beroemd auteur te citeren.
02.69 François De Smet (DéFI): Monsieur le président, messieurs les ministres, chers collègues, comme je le fais à chaque fois pour des dispositions de ce genre, je me dois pour la forme de répéter combien il est regrettable que ce gouvernement – et il n'est pas le premier – continue à conduire des réformes structurelles de notre pays par la voie de lois-programmes "fourre-tout". Cette pratique, devenue routine, ne sert pas la qualité du travail législatif, ni la lisibilité du droit, ni l'administration chargée ensuite de l'appliquer, à laquelle il faut aussi penser de temps en temps.
S'agissant de l'indexation des salaires, ce n'est pas un saut d'index, c'est pire, pourrait-on dire. Monsieur le ministre, j'ai bien noté votre affirmation répétée à l'envi selon laquelle il ne s'agit pas d'un saut d'index. Avec respect, je la conteste une fois encore. Pour reprendre une formule qui circule à juste titre dans cet hémicycle, avec ce dispositif, l'index ne constitue plus un droit collectif universel mais devient une variable d'ajustement budgétaire. Cela doit nous interpeller.
Que nous dit le Conseil d'État? Dans son avis du 13 avril dernier, il reprend la jurisprudence claire de la Cour constitutionnelle, qui avait validé le saut d'index de la Suédoise en 2015 à la condition expresse – je cite – "que ceci soit compensé par des mesures adoptées conjointement par le législateur et le pouvoir exécutif dans le souci d'adoucir son impact sur les revenus les moins élevés". Or, dans le double saut d'index partiel qui nous est proposé aujourd'hui, on ne trouve aucune mesure compensatoire. On peut donc, en l'espèce, douter sérieusement du respect de l'obligation de standstill que la Cour fait découler de l'article 23 de la Constitution.
Le Conseil d'État souligne par ailleurs, et c'est essentiel, l'absence de mécanisme de rattrapage. Ça signifie que la perte de pouvoir d'achat est définitive et cumulative: définitive, parce qu'elle ne sera jamais récupérée; cumulative, parce que chaque limitation de l'index aujourd'hui réduit également toutes les augmentations futures sur cette base. Ce n'est donc pas un trou ponctuel, c'est une fissure permanente dans le mécanisme d'indexation.
Qui est réellement touché? C'est la classe moyenne, et non pas les épaules les plus larges. Le seuil de 4 000 euros bruts mensuels est présenté par ce gouvernement comme ciblant les épaules les plus larges. Or 4 000 euros brut en Belgique, ce n'est pas un haut salaire, c'est à peu près le salaire médian. Environ 50 % des travailleurs en équivalent temps plein se situent au-dessus.
Selon les estimations recoupées du Bureau fédéral du Plan et de la Cour des comptes, ce sont environ 40 % des salariés qui pourraient être concernés. Et soyons clairs, c'est la classe moyenne et la classe moyenne supérieure de la fonction publique qui paye, les enseignants en fin de carrière, les infirmières-chefs, les contremaîtres, les chercheurs, les fonctionnaires de catégorie A1 et A2, autant de carrières que personne dans cette Assemblée ne qualifierait de fortune établie.
L'objectif politique est ailleurs. En traçant une ligne qui coupe le monde du travail en deux, le gouvernement transforme un débat entre capital et travail en un débat entre travailleurs aux revenus modestes et travailleurs aux revenus intermédiaires.
Sur l’absence persistante d’étude d'impact, sur la cotisation spéciale de modération salariale consolidée – articles 73 et 74 –, le Conseil National du Travail et le Conseil Central de l’Économie posent des questions qui auraient dû être tranchées avant la rédaction du texte. Je me permets de les citer: "Où se situent les recettes et les pertes générées par la mesure, tant à court qu’à moyen terme? Quel est l’impact de la mesure sur ses différentes composantes? Quel est l’impact de la mesure pour l’ensemble des acteurs concernés, à savoir les employeurs, les travailleurs et les autorités publiques, ainsi que ses effets fiscaux?" Ces questions, pourtant fondamentales, demeurent largement sans réponse. C’est la même méthode que celle qui a présidé à la réforme du chômage l’année dernière, et dont nous mesurons aujourd’hui toutes les conséquences sur le terrain: on légifère vite, on évalue plus tard. L’Arizona tire d’abord et discute ensuite, comme d’habitude. Et entre-temps, ce sont nos concitoyens qui essuient les plâtres.
À cela s’ajoute que vous installez une rare complexité administrative: quatre cotisations différentes s’enchevêtrent, ce qui fait craindre une véritable usine à gaz pour les employeurs, et tout particulièrement pour les PME et leurs secrétariats sociaux. Plusieurs de ces derniers ont d’ailleurs publiquement exprimé leurs réserves. Le dispositif risque, dans une grande partie des cas, de nécessiter l’élaboration de tableaux barémiques supplémentaires, et donc l’ouverture – ou la réouverture – de négociations dans chacune des 206 commissions paritaires concernées. Nous revoici donc, par un autre chemin, devant le dialogue social que ce projet a écorné par sa méthode.
La même logique et les mêmes arguments que ceux je viens de développer s’appliquent sur les prestations sociales et l’impact spécifique sur les femmes, dans les chapitres 5 et 6 du Titre III sur les limitations de l’indexation des prestations sociales pour salariés et indépendants. J’ajouterai toutefois un point sur lequel les associations féministes, la Ligue des familles et Vie Féminine ont attiré l’attention, à savoir l’impact spécifique de cette réforme sur les femmes. En Belgique, un peu plus de 40 % des femmes salariées travaillent à temps partiel, contre 12 % des hommes. Les femmes occupent 80 % des emplois à temps partiel. Le mécanisme de plafonnement s’appliquant au prorata du temps de travail, ce sont donc elles qui subissent les effets de manière disproportionnée. À cela s’ajoutent les familles monoparentales – majoritairement des mères seules – et des secteurs fortement féminisés comme le nettoyage ou les soins, où le temps partiel est structurel et souvent subi. Une dimension de genre a ici été insuffisamment prise en compte.
Sur le volet santé, le Titre IV,
l’article 89 instaure un ticket modérateur pour les prestation de
sages-femmes. Sur l’objectif annoncé, monsieur le ministre, on ne peut que vous
suivre, mais – et c’est un grand "mais" – la méthode choisie n’est peut-être
pas la bonne. Vous financez la revalorisation d’une profession essentielle en
faisant payer les femmes et les familles qui font appel à elles. C’est un
transfert de charge au sein même des catégories sociales, ce qui pose un
problème éthique à un moment de la vie, la périnatalité, où nous devrions au
contraire renforcer la gratuité et l’accessibilité. On objectera que le maximum
à facturer et la possibilité d’une distinction selon le statut BIM
existent, et j’en prends note, mais ces dispositifs n’effacent pas la portée
symbolique du choix.
En conclusion, monsieur le président, chers collègues, messieurs les ministres, ce volet emploi-santé-indexation illustre hélas une orientation que DéFI ne peut soutenir. Nous ne critiquons pas tant la rigueur budgétaire, puisque nous reconnaissons qu’il fallait sans détour essayer de remettre les finances publiques sur les rails, mais c’est la répartition de l’effort que nous critiquons. Le constat est sans appel, la classe moyenne contribue à plus de 90 % de l’effort, pendant que le déficit, selon les projections du Bureau fédéral du Plan, est passé de 17 à 36 milliards d’euros au cours de la législature.
La trajectoire n’est pas maîtrisée. Ce sont toujours les mêmes qui payent. Nous pensons pourtant que d’autres choix étaient possibles: une véritable lutte contre la fraude fiscale, peut‑être l’instauration d’un parquet national financier indépendant, à l’image de ce qui existe ailleurs, et une contribution plus juste des revenus du capital. Vous avez fait un autre choix. Je le regrette. C'est la raison pour laquelle je voterai contre ce volet.
02.70 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le président, il est important de dire que la mesure du centenindex constitue une atteinte au pouvoir d’achat, alors que ce gouvernement avait affirmé qu’il allait améliorer le pouvoir d’achat des gens. En ce moment, les prix sont en train de grimper. La guerre n’est toujours pas finie. Nous ne connaissons pas encore les conséquences de cette guerre sur plusieurs mois, et on sait que cela va durer. Une famille qui se chauffe au mazout en a pour 1 000 euros de plus pour remplir la cuve. Et c'est le moment choisi par ce gouvernement pour s’en prendre au pouvoir d’achat des gens. L'indexation des salaires n’est rien d’autre qu'un rattrapage du pouvoir d’achat. Mais ce rattrapage est incomplet, parce qu’il arrive avec retard et parce que tous les produits ne rentrent pas en compte. C’est donc pour cela qu'aujourd’hui, les gens sont encore dans la rue. Vous avez menti aux gens. Ils ne verront jamais la couleur des 500 euros promis, c’est clair.
Ce qui est grave aussi, c'est que pour 242 millions dans les caisses de l’État – alors qu’il faut aller chercher 7 milliards –, vous torpillez la concertation sociale. On peut ne pas être favorable tout à fait à la proposition du Groupe des 10. D’ailleurs, monsieur Ronse, vous me demandez ce que je vais voter sur la proposition du Groupe des 10, mais il ne faut pas la voter. C’est le mécanisme de l’indexation des salaires qu'on veut modifier, et cela relève de la commission de l’index. Ce n’est pas un vote au Parlement. Mais en torpillant cette concertation, ce n’est pas très malin de votre part, parce que vous rendez impossible l’accord qui devrait intervenir sur la modification de la loi de 1996. Vous mettez également en péril, une fois encore, les négociations pour l’accord interprofessionnel 2027‑2028.
Ne pensez-vous pas que l'absence d'accord entre les interlocuteurs sociaux coûtera plus, au cours des années à venir, que ces 242 millions? Le centenindex n'est pas non plus une bonne idée, vu que c'est un nouveau mécanisme qui a été inventé. C'est effectivement un monstre, je suis d'accord sur ce point. Vous allez le faire deux fois, et après, vous allez peut-être le répéter? La prochaine fois, ce ne sera peut-être plus 4 000 euros bruts, mais 3 000 euros brut? Le pourcentage sera peut-être également revu. Tout cela est vraiment dangereux.
Pour vous, les épaules les plus larges sont les gens qui ont plus de 4 000 euros bruts par mois, c'est-à-dire 2 600 euros nets. Êtes-vous sérieux? Pour vous, c'est ça les épaules les plus larges? Le MR, qui voulait se battre pour le pouvoir d'achat des travailleurs et des travailleuses, va s'en prendre aux gens qui ont 2 600 euros nets de salaire! Je ne peux pas le comprendre. C'est encore pire pour les pensions, car dans ce cas-là, il s'agit de 2 000 euros, mais le taux ménage de la pension minimale est de plus de 2 000 euros. On s'en prend à la pension minimale, ce qui est tout simplement scandaleux!
Le système est mal foutu car il crée des discriminations. Par exemple, un travailleur ayant un salaire mensuel de base de 4 200 euros bruts aura une limitation de son indexation de salaire, alors qu'un travailleur ayant un salaire de base de 3 800 bruts, mais qui bénéficie d'une voiture de fonction – qui représente quand même une rémunération avantageuse – n'aura pas de limitation de l'indexation de son salaire, alors qu'avoir une voiture de société et une carte essence est un avantage qui est de facto indexé, se ressentant lorsque le prix du carburant augmente. La manière dont vous déterminez le salaire de référence va avantager les travailleurs qui perçoivent des rémunérations alternatives, comme des avantages n'étant pas soumis aux cotisations de sécurité sociale. C'est paradoxal car vous prétendez poursuivre un objectif budgétaire, mais vous aboutissez à encourager les employeurs et les travailleurs à recourir à des méthodes de rémunération qui ne contribuent pas au financement de la sécurité sociale. Je souhaiterais obtenir une réponse à ce sujet.
Par ailleurs, si vous faites preuve d’un manque de considération pour la concertation sociale, vous ne respectez pas non plus votre propre accord de gouvernement. Je ne comprends pas. Vous vous tirez une balle dans le pied.
Dans l'accord de gouvernement, vous dites clairement que vous voulez maintenir l'indexation des salaires. Vous demandez un avis aux interlocuteurs sociaux pour le 31 décembre 2026 sur la loi de 1996, et sans attendre cette échéance, vous venez vous-même avec une proposition qui vient saboter ces discussions. D'ailleurs, comme les collègues l'ont rappelé, l'avis demandé au Conseil National du Travail (CNT) et au Conseil Central de l'Économie (CCE) pour le 31 mars était assorti d’un délai extrêmement court. Ils se demandaient s'il y avait encore réellement une demande d'avis ou pas. L’avis évoquait déjà le manque de considération du gouvernement pour la concertation sociale. Ensuite est intervenue la proposition du Groupe des 10, qui en rajoute encore une couche. Les journaux en sont pleins aujourd'hui. Syndicats et patrons se plaignent de votre manque de respect pour la concertation sociale.
En outre, je voudrais souligner le fait que le centenindex, tel qu'il est proposé aujourd'hui, porte aussi atteinte au droit à la négociation collective, car, oui, en Belgique, l'indexation des salaires des travailleurs du secteur privé relève de l'autonomie des interlocuteurs sociaux et est réglée par des conventions collectives de travail. Vous vous immiscez dans un domaine qui relève de l'autonomie des interlocuteurs sociaux. De ce fait-là, ce projet de loi porte atteinte au droit à la négociation collective, qui fait pourtant partie des droits sociaux fondamentaux garantis dans l'article 23 de la Constitution.
En 2017,
vous aviez déjà porté atteinte à ce droit à la négociation collective; en
effet, vous aviez fait en sorte que la loi de 1996 soit interprétée de manière
beaucoup plus sévère, avec pour conséquence concrète l'absence de marges, ou
l'existence de marges extrêmement réduites, pour les négociations
d'augmentations salariales dans le cadre des accords interprofessionnels
2021-2022 et 2023-2024. D'ailleurs, selon le Comité de la liberté syndicale de
l'Organisation internationale du Travail (OIT), la loi de 1996, telle que
modifiée en 2017, est incompatible avec la liberté de négociation collective.
Ce que vous faites à présent consiste à en rajouter une couche.
Dans l'exposé des motifs, vous justifiez le plafonnement des deux pensions par la nécessité de réaliser des économies budgétaires et la volonté de préserver le pouvoir d'achat des pensions les plus modestes. Mais vous voulez rire ou quoi? Le plafond de 2 000 euros ne permet pas du tout de maintenir le pouvoir d'achat de la pension minimale au taux ménage. Vraiment, je ne sais plus quoi en penser! Cela vaut aussi pour les allocations sociales, où le montant minimal de l'indemnité maladie s'élève à 2 108 euros bruts par mois. Donc, le plafond de 2 000 euros est également inférieur à l'indemnité minimale.
Chers collègues, je vais conclure. Votre centenindex constitue une attaque contre les salaires bruts, contre la sécurité sociale et contre la concertation sociale. Aujourd'hui, à nouveau, des dizaines de milliers de personnes défilent dans les rues pour le dire.
Je vais encore résumer pourquoi – et j'aimerais obtenir une réponse précise, monsieur le ministre – nous pensons que des recours seront introduits auprès de la Cour constitutionnelle contre ce mécanisme.
Vous dites que le centenindex est effectivement en défaveur de la fonction publique. Mais le centenindex est aussi en défaveur de la fonction publique parce que les salaires de plus de 4 000 euros brut sont beaucoup plus présents dans la fonction publique que dans le privé. Le problème est dès lors le même que celui que vous dites avoir sur la proposition du G10 par rapport au centenindex.
Nous pensons aussi que vous ne respectez pas le droit à la négociation collective et vous instaurez une discrimination contre les pensionnés et les allocataires sociaux qui sont chefs de ménage. Il est donc clair, messieurs les ministres, que nous pensons que ce centenindex n'est vraiment pas une bonne idée.
02.71 Serge Hiligsmann (Les Engagés): Madame Merckx ainsi que tous vos collègues de l'opposition de gauche, que dites-vous aux personnes qui sont dans la rue pour défendre de leurs droits de base? Leur exprimez-vous qu'au-delà de 4 000 euros, lorsque l'index fonctionne correctement comme actuellement, l'augmentation des écarts entre les bas et les hauts salaires est de plus en plus importante? Vous pouvez très bien le leur expliquer avec un petit schéma, c'est ce qu'il y a de plus simple. Sur ce graphique, vous avez l'augmentation pour 4 600 ou 15 000 euros de salaire de base et vous voyez que les lignes s'écartent de plus en plus au fur et à mesure qu'on a un salaire de base. Or le plafonnement que nous voulons proposer ici et que nous proposions déjà dans notre programme veut justement limiter ces écarts entre les plus bas et les plus hauts salaires, tout en permettant le maintien de l'indexation des bas salaires.
Voorzitter:
Florence Reuter, ondervoorzitster.
Président:
Florence Reuter, vice-présidente.
02.72 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Cher collègue, dont j'ai oublié le nom et je le regrette, je propose que vous alliez vous-même montrer ce graphique, qui était d'ailleurs illisible pour moi, aux manifestants. Demandez-leur ce qu'ils en pensent. Pensez-vous vraiment que votre mesure soit une mesure de justice sociale, comme vous essayez de me faire comprendre? Loin de là!
Ce que les manifestants demandent, monsieur, c'est non seulement le maintien de l'indexation des salaires mais surtout la liberté de négocier des hausses de salaire là où on le peut. Pourquoi le gouvernement intervient-il dans cette liberté de négociation? Normalement, dans le privé, le salaire se négocie entre le travailleur et le patron.
Et les travailleurs, que font-ils? Pourquoi font-ils grève? Pour avoir leur juste part, une plus juste part. Surtout dans les secteurs qui font des bénéfices. Trouvez-vous normal, par exemple, qu'aujourd'hui TotalEnergies fasse des bénéfices à crever et que les travailleurs ne puissent réclamer une partie de ces bénéfices dans leur salaire? C'est cela qui est injuste. Je vous propose donc d'aller expliquer votre graphique aux manifestants. Mais je pense que les manifestants ont bien compris la situation.
02.73 Serge Hiligsmann (Les Engagés): Ma question était de savoir si vous leur expliquiez l'écart qui grandit entre les salaires de base – 4000 euros par exemple – et les plus hauts. Au départ, entre 4 500 et 15 000, vous avez un écart de près de 10 000 euros. Dans 15 ans, ce chiffre sera de 13 000 ou 14 000. Pourquoi?
02.74 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Je vais donner une petite explication au collègue. Je comprends, en effet, cette première intuition, mais il s'agit en réalité d'un faux ami. Vous exprimez là un raisonnement assez simpliste, qui consiste à se dire que, logiquement, à chaque augmentation des salaires, l'écart se creuse proportionnellement.
Vous prétendez agir sur la réduction des inégalités salariales. Quant à nous, on nous a plutôt expliqué qu'il s'agissait d'un mécanisme de solidarité entre les plus hauts et les plus bas salaires – selon nous, un salaire de 2 600 euros net par mois n'entre pas dans la catégorie des plus hauts salaires censés contribuer et soutenir les plus bas salaires. D'autres mécanismes existent. La globalisation des revenus en est un. Si vous globalisez en taxant l'entièreté de l'assiette sur laquelle est assise un individu, vous recréez plus de justice fiscale et vous ramenez l'ensemble des salaires dans un pool qui reste moins éclaté. Vous pouvez aussi augmenter l'imposition sur les tranches les plus hautes. Ce sont là des mécanismes qui peuvent être mis en place pour modérer les salaires beaucoup plus élevés et, par ailleurs, inclure dans la taxation les revenus du patrimoine. C'est une nécessité aujourd'hui. Nous avons besoin d'aller récupérer cette manne d'argent, mais ça, vous ne le faites pas.
02.75 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Je ne sais pas si Mme Schlitz m'a posé une question. Je ne crois pas. J’avais déjà répondu. J'avais terminé mon intervention, madame la présidente.
La présidente: Madame Schlitz, vous avez commencé votre intervention. Je vous en prie, continuez.
02.76 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame la présidente, chers collègues, je commencerai d'abord par exprimer le fait qu'à nouveau, ce gouvernement vient avec un texte confus, un texte fourre-tout. On y retrouve des mesures en matière d'énergie, des mesures en matière d'indexation. Au final, cela rend les choses complètement incompréhensibles pour la majorité des citoyens.
Nous sommes là à nouveau face à un problème démocratique de transparence du travail politique que nous menons dans ce Parlement.
Par ailleurs, nous l’avons déjà répété plusieurs fois, ce texte ne tient plus la route, étant donné que c'est la transposition d'un accord budgétaire qui était censé atteindre certains objectifs, mais dont des pans entiers ont été supprimés, notamment par le côté bancal de certaines mesures. Rappelons par exemple la taxation des plats à emporter qui a finalement été annulée. Nous nous retrouvons avec un puzzle dont il manque plusieurs pièces et qui n'a finalement plus aucun sens, à part d'appauvrir les travailleuses et les travailleurs, mais aussi les pensionnés.
Nous ne comprenons pas cet entêtement de la majorité, qui veut absolument faire aboutir cette loi-programme.
Par ailleurs, n'oublions pas que ce texte a été proposé dans un autre contexte, presque une autre époque, avant qu'éclate la guerre en Iran, que les prix de l'énergie flambent et que le pouvoir d'achat des citoyens soit atteint comme il l'est aujourd'hui.
Je ne comprends pas, nous ne comprenons pas, et les manifestants et manifestantes que j'ai vus aujourd'hui dans les rues ne comprennent pas que vous ne puissiez pas avoir l'honnêteté intellectuelle de regarder la réalité en face et de prendre vos responsabilités pour revoir votre copie. Vous vous entêtez avec un texte qui ne correspond pas du tout, qui ne répond pas du tout aux réalités des citoyens et aux enjeux d'aujourd'hui.
Revenons un peu sur le fond. Avec cette mesure, vous avez décidé de plafonner l'indexation des salaires au-delà de 4 000 euros brut. C’est environ 2 700 euros net par mois. Les personnes qui gagnent 2 700 euros net par mois vont se voir plafonner leur indexation, et ainsi de suite. C’est en réalité la moitié des travailleurs et des travailleuses de ce pays.
Que cela signifie-t-il concrètement? Quand, comme actuellement, le coût de la vie augmente, que l'inflation s'emballe, que les coûts de l'énergie explosent, que le caddie devient plus cher, ce sont ces Belges-là qui ne pourront pas suivre de la même manière avec leur salaire, ainsi que les pensionnés.
Vous nous justifiez cette mesure en disant: "Mais nous sommes dans une période de crise très grave, tout le monde doit faire des efforts, tout le monde doit prendre ses responsabilités".
Voorzitter:
Peter De Roover, voorzitter.
Président:
Peter De Roover, président.
Mais est-ce que ce sont vraiment les épaules les plus larges que vous êtes en train de cibler ici? Soyons un peu sérieux. Ceux dont nous parlons ici, ce sont – par exemple – des enseignants et des enseignantes, qui font par ailleurs également l'objet d'offensives au niveau du gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles, à qui on demande de prester deux heures en plus par semaine gratuitement. Ils vont devoir travailler plus le week-end et en soirée afin de fournir la même qualité d'enseignement et le même accompagnement à leurs élèves. Ici, au niveau fédéral, vous leur dites qu'en plus de ces deux heures supplémentaires à prester par semaine, ils vont gagner moins. C'est le message que vous adressez aux enseignants qui se lèvent chaque matin pour éduquer vos enfants. Ce sont des ouvriers spécialisés dans l'automobile, dans la métallurgie, dans l'agroalimentaire, dans la logistique, des métiers pénibles et physiquement exigeants, des personnes qui devront peut-être se retrouver sur l'assurance maladie parce qu'elles auront été broyées par leur travail; à ce moment-là, vous n'aurez plus aucun scrupule et les traînerez dans la boue en les traitant de profiteurs et de profiteuses. Ce sont les travailleurs de nuit, dont vous êtes par ailleurs en train de raboter les possibilités d'avoir une prime de nuit. Ce sont les infirmières, celles qu'on applaudissait pendant le Covid, qui, dans un secteur rencontrant des problèmes de pénurie énormes, portent à bout de bras toute notre santé. Il s'agit d'un pan de la société totalement indispensable, et pourtant, les seules réponses que ce gouvernement apporte à ces personnes, c'est de leur dire: "Vous ne voulez pas travailler? On donnera votre travail à d'autres, qui sont moins diplômés et qui gagneront moins d'argent." Ce sont également les employés de la chimie, les travailleurs portuaires, des gens qui se lèvent tôt, ceux que vous aviez pourtant prétendu défendre pendant toute la campagne.
Mais qui sont les véritables épaules les plus larges auxquelles vous refusez de toucher? Ce sont les rentiers, les spéculateurs, les actionnaires de TotalEnergies – qui a dégagé 5,8 milliards de surprofits pendant cette crise, en trois mois, montant que vous refusez d'aller rechercher pour soutenir les citoyens et les citoyennes. Ce sont aussi ceux qui disposent d'un patrimoine hérité, comme la grande majorité des milliardaires, parce que non, chers collègues, personne ne devient milliardaire en se levant le matin et en travaillant, c'est mécaniquement et mathématiquement impossible.
Ces dernières années, Marc Coucke s’est offert une villa à 30 millions d’euros à Knokke. Parmi les 17 milliardaires présents en Belgique, on retrouve Éric Wittouck, dont la fortune est estimée à 9 milliards de dollars, Nicolas D’Ieteren, avec plus de 5 milliards, ou encore Fernand Huts, dont la fortune a augmenté de 38 % en un an. Pourquoi ne pas faire en sorte que ces personnes‑là, que ces patrimoines-là, contribuent à l’effort que vous appelez de vos vœux? Oui, il y a des efforts à faire et des dépenses publiques à mener, mais allez chercher l’argent là où il est! Ce sont même des milliardaires qui réclament eux-mêmes d’être taxés et que leur patrimoine soit mis à contribution.
Venons-en au point le plus problématique de cette réforme. Vous nous dites que cette mesure est temporaire, mais en réalité, le texte dit autre chose. Les articles 55 et 56 précisent que les indexations futures seront calculées sur des salaires déjà plafonnés. Cela signifie que les plafonnements vont se cumuler dans le temps, et que cette perte de salaire va s’accumuler sur le long terme. Par exemple, une enseignante du secondaire de 47 ans, mère célibataire, qui gagne 4 455 euros bruts par mois, soit environ 2 800 euros nets, perdra 127 euros cette année. Et au total, sur l’ensemble de sa carrière, elle perdra 6 340 euros. Il en est de même pour une infirmière qui gagne 5 020 euros bruts par mois, soit environ 3 150 euros nets: elle perdra presque 300 euros par an jusqu’en 2027, et presque 600 euros à partir de 2028. Au total, avec toutes ces pertes cumulées, elle perdra 13 590 euros sur l’ensemble de sa carrière.
Le Conseil d’État a pointé ce problème. Il a demandé davantage de clarté sur l’effet réel du dispositif, sur sa portée et sur ses conséquences concrètes. Mais vous n’avez absolument rien changé sur le fond, comme d’habitude. La vérité, c’est qu’en réalité vous êtes en train de créer une infrastructure juridique et technique de plafonnement salarial. Qu’est‑ce qui empêchera de futurs gouvernements de l’utiliser à leur tour? C’est évidemment une crainte. Les prochains gouvernements pourront dire: "Voilà, on a besoin d’un peu d’argent, on va plafonner l’indexation des salaires." Ce n’est donc absolument pas une mesure de crise ponctuelle, temporaire, qu’on ne refera plus jamais. C’est faux, et vous le savez très bien.
Aujourd'hui, d'autres solutions sont possibles. Vous pouviez ainsi décider de globaliser les revenus, pour qu'un euro du capital ou du patrimoine immobilier soit imposé comme un euro du travail. Selon les syndicats, cela ramènerait près de 13 milliards d'euros dans les caisses de l'État. Vous pouvez aller chercher ces montants. Cela, ce serait de la vraie justice fiscale, mais vous refusez de le faire. La cotisation sur les flexi-jobs et les jobs étudiant est également une décision qui coûte énormément au budget de l'État, alors qu'ils usurpent des métiers dont nous avons cruellement besoin pour, comme vous prétendez vouloir le faire, remettre au travail des gens qui sont éloignés de l'emploi. En réalité, vous créez ces jobs alternatifs, qui s'ajoutent à un autre travail, mais sans qu'ils rapportent le moindre euro au budget de l'État. D'autres solutions existent. Or, vous avez décidé de former un choix politique qui est celui d'appauvrir les travailleurs et les travailleuses de notre pays.
De voorzitter: Collega’s, we beginnen de namiddagvergadering om 14.10 uur met de reactie van de ministers.
De vergadering wordt gesloten. Volgende vergadering dinsdag 12 mei 2026 om 14.10 uur.
La séance est levée. Prochaine séance le mardi 12 mai 2026 à 14 h 10.
De vergadering wordt gesloten om 13.10 uur.
La séance est levée à 13 h 10.
|
De
bijlage is opgenomen in een aparte brochure met nummer CRIV 56 PLEN 113
bijlage. |
|
L'annexe
est reprise dans une brochure séparée, portant le numéro CRIV 56 PLEN 113
annexe. |