Plenumvergadering

Séance plénière

 

van

 

Donderdag 23 april 2026

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Jeudi 23 avril 2026

 

Matin

 

______

 

De vergadering wordt geopend om 10.37 uur en voorgezeten door de heer Peter De Roover, voorzitter.

La séance est ouverte à 10 h 37 et présidée par M. Peter De Roover, président.

 

Door technische problemen in het halfrond vindt de plenaire vergadering plaats in de Mercatorzaal.

En raison de problèmes techniques dans l'hémicycle, la séance plénière a lieu dans la salle Mercator.

 

De voorzitter: De vergadering is geopend.

La séance est ouverte.

 

Aanwezig bij de opening van de vergadering zijn de ministers van de federale regering:

Ministres du gouvernement fédéral présents lors de l'ouverture de la séance:

Geen/aucun.

 

Collega’s, technische problemen zijn nooit voorspelbaar, maar ze hebben de neiging om op de vervelendste ogenblikken op te duiken. Dat is ook vandaag het geval. Elk nadeel heeft echter zijn voordeel: door hier wat door elkaar te zitten, kunnen de onderlinge banden tussen de fracties misschien wat aangescherpt worden.

 

Het onderwerp dat ons hier vanochtend samenbrengt, is zeer ernstig. We zullen het immers hebben over het verslag van een parlementaire onderzoekscommissie.

 

Ik zal geen lange inleiding geven, omdat we al wat vertraging hebben opgelopen, maar ik wil wel nog zeggen dat een parlementaire onderzoekscommissie nog steeds het scherpste mes is in de schuif van de parlementaire controlemogelijkheden. Vandaar dat een parlementaire onderzoekscommissie niet lichtzinnig wordt opgericht en dat de werkzaamheden daarvan uitermate belangrijk zijn. Het onderzoek had betrekking op mogelijke disfuncties in het strafrechtelijke onderzoek Operatie Kelk in een aangelegenheid die veel maatschappelijke commotie veroorzaakte en die van het hoogste en dus maatschappelijke belang is. Er werd lang aan gewerkt en ik dank de leden van de onderzoekscommissie voor hun werkzaamheden.

 

Verslag

Rapport

 

01 Parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar mogelijke disfuncties in het strafrechtelijk onderzoek "Operatie Kelk" (228/5)

01 Commission d'enquête parlementaire chargée d'enquêter sur d'éventuels dysfonctionnements dans le déroulement de l'enquête pénale baptisée "Opération Calice" (228/5)

 

Bespreking

Discussion

 

De bespreking is geopend.

La discussion est ouverte.

 

De vier rapporteurs hebben onderling afgesproken hoe ze ons zullen informeren over de werkzaamheden.

 

Ik geef collega Weydts als eerste het woord.

 

01.01  Axel Weydts, rapporteur: Mijnheer de voorzitter, we willen het rapport vanop de banken brengen. De tussenkomsten zullen we straks vooraan doen.

 

Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik heb met mijn collega-rapporteurs afgesproken dat we kort de 12 thematische hoofdstukken met conclusies en aanbevelingen zullen toelichten. Voor het voorwoord, de inleidende hoofdstukken over het rapport van de Hoge Raad voor de Justitie en het protocol, alsook voor de chronologische beschrijving van de vaststellingen, verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

 

Ik begin met het eerste thematische hoofdstuk uit ons rapport, dat betrekking heeft op de controle van de regelmatigheid. Veel collega’s herinneren zich de televisiebeelden van de huiszoekingen op 24 juni 2010 in het Aartsbisschoppelijk Paleis in Mechelen. In de weken daarna hebben we een aantal zogenaamde ongewone ontwikkelingen vastgesteld.

 

Ik geef enkele voorbeelden. De uitzonderlijke snelheid waarmee het dossier na de huiszoekingen door het parket-generaal werd opgevraagd en waarmee de procedure tot regelmatigheidscontrole werd ingeleid. Het feit dat de procureur-generaal een team van magistraten met een multiconfessionele achtergrond samenstelt om de regelmatigheid te beoordelen. De grote meningsverschillen binnen het parket en een vrij indringende tussenkomst van de procureur-generaal ten aanzien van de procureur des Konings. De veelvuldige contacten tussen de toenmalige minister van Justitie en het parket-generaal. Het niet uitnodigen van de burgerlijke partijen op de zittingen van de KI, waardoor de arresten later door het Hof van Cassatie als strijdig met de wet werden verbroken. Het feit dat de procureur-generaal in een eerste vordering van oordeel was dat de huiszoekingen in Mechelen in grote lijnen regelmatig waren, om kort nadien in een tweede vordering de nietigverklaring van alle huiszoekingen in Mechelen te vragen. Het feit dat deze koerswijziging van het parket -generaal volgde op een ontmoeting tussen de raadsman van de kerk en magistraten van het parket-generaal. Ik kan nog even doorgaan, maar ik beperk me tot deze markante vaststellingen.

 

Net als de Hoge Raad voor de Justitie in haar rapport van 2024, concludeert de onderzoekscommissie uit al deze ontwikkelingen, ik citeer uit het rapport: “dat niet alles is verlopen zoals het moest of zoals mocht worden verwacht vanuit het oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling”.

 

Binnen dit thema sluit de onderzoekscommissie zich aan bij de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie en voegt zelfs nog een aanbeveling toe, namelijk om het gebruik van stijlformules zoals “voor het overige is het onderzoek door geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheid aangetast” in arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling bij de controle van de regelmatigheid van de rechtspleging te vermijden. De onderzoekscommissie heeft immers vastgesteld dat een dergelijke stijlformule verwarring, juridische onzekerheid en discussie kan veroorzaken over de exacte draagwijdte van de controle van de regelmatigheid van de rechtspleging.

 

Collega’s, het tweede thema dat ik voor u kort mag belichten betreft hoofdstuk 4 over de beïnvloeding door de Kerk. Eerst en vooral moet ik melden dat geen enkele door de onderzoekscommissie gehoorde magistraat of rechercheur tijdens het onderzoek van de onderzoekscommissie verklaard heeft persoonlijk onder druk te zijn gezet door vertegenwoordigers van de kerk. Wel hebben we een aantal vaststellingen gedaan en ik geef opnieuw een aantal voorbeelden.

 

Onderzoeksrechter De Troy rapporteerde agressief telefonisch gedrag van meester Keuleneer, de raadsman van het aartsbisdom en kardinaal Danneels. Meester Keuleneer heeft tijdens zijn hoorzitting ook expliciet erkend dat hij aan beïnvloeding deed door zijn argumenten kenbaar te maken en dat dit evident onderdeel was van zijn taak, waarbij hij alles in het werk stelde om de inbeslaggenomen documenten terug te krijgen. Hij stuurde in november 2011 ook een brief aan de voorzitter van de toenmalige KI na het sluiten van de debatten en het in beraad nemen van de zaak, wat heel ongewoon is en wat hij in die brief zelf ook zo betitelt.

 

Dan was er ook, zoals ik al aangaf, de koerswijziging van het parket-generaal dat volgde op een ontmoeting tussen meester Keuleneer en de magistraten van het parket-generaal. Een dergelijke ontmoeting is dan wel niet verboden, maar dat ze geleid heeft tot een duidelijke koerswijziging van het parket-generaal is wel heel opvallend, net als het ontbreken van enig verslag van dat overleg en het feit dat er tot vandaag onduidelijkheid blijft bestaan over de aanwezigen bij dit overleg. Net als de Hoge Raad voor de Justitie in zijn rapport van 2024 concludeert de onderzoekscommissie uit al deze ontwikkelingen: “De onderzoekscommissie heeft vastgesteld dat er pogingen tot beïnvloeding door de kerk werden ondernomen, maar of deze pogingen ook impact hebben gehad op de gerechtelijke besluitvorming kan noch bewezen, noch uitgesloten worden.”

 

De onderzoekscommissie sluit zich ook binnen dit thema aan bij de aanbevelingen ter zake van de Hoge Raad voor de Justitie en voegt daar zelf ook nog een aanbeveling aan toe, namelijk om voortaan in de werkkaft een beknopt verslag te voegen van elk overleg tussen magistraten van het parket-generaal en advocaten of andere rechtstreeks betrokkenen in een zaak.

 

Collega’s, het derde thema dat ik voor u mag toelichten betreft hoofdstuk 8, over de wraking. De aanleiding voor dit hoofdstuk is het wrakingsverzoek dat in december 2012 werd ingediend door burgerlijke partijen tegen de voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling. Het argument hiervoor was dat deze rechter niet meer kon zetelen in Operatie Kelk omdat twee arresten van zijn KI uit 2010 door het Hof van Cassatie werden vernietigd wegens het niet-uitnodigen van de burgerlijke partijen. Deze voorzitter heeft in 2012 berust in de wraking, maar zat anderhalf jaar later, in maart 2014, alsnog een KI voor toen er werd beslist over de teruggave van alle in beslag genomen stukken.

 

Hij was van oordeel dat hij zich niet moest terugtrekken omdat het naar eigen zeggen een ander geschil betrof binnen het strafonderzoek.

 

Die visie wordt bevestigd door juristen. Hoewel in elk van de gevallen de regelmatigheid van de procedure aan de orde was, primeert volgens die lezing het feit dat het voorwerp van de arresten wel duidelijk verschilde, waardoor het toch om een ander geschil zou gaan.

 

Andere juristen, zoals ook in het wrakingsverzoek zelf werd beargumenteerd, zijn daarentegen de mening toegedaan dat het wel hetzelfde geschil betrof omdat telkens de regelmatigheid van de procedure werd onderzocht.

 

De onderzoekscommissie sluit zich uiteindelijk aan bij de conclusie van de Hoge Raad voor de Justitie dat het feit dat magistraat van der Eecken de zittingen van de KI van 18 en 20 maart 2014 voorzat hoewel hij eerder had berust in een wraking, een dysfunctie is. Wij sluiten ons daarbij aan.

 

Als iemand immers meent dat hij zich moet terugtrekken uit een dossier, is dat omdat hij als zetelend magistraat van oordeel is dat de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid gecompromitteerd is. Ook al kunnen er volgens een bepaalde lezing juridische argumenten worden aangevoerd die hem niet verplichten om zich in 2014 terug te trekken uit de zaak, dan nog was dat uit ethische overwegingen en uit respect voor de slachtoffers beter wel gebeurd. Beter was de nodige voorzichtigheid en terughoudendheid aan de dag gelegd om elk risico van enige indruk van partijdigheid te vermijden.

 

De onderzoekscommissie sluit zich tot slot ook aan bij de conclusie van de Hoge Raad voor de Justitie dat het een dysfunctie was in hoofde van het federaal parket om op de zitting van 18 maart 2014 niet op te werpen dat magistraat van der Eecken in de zaak Operatie Kelk reeds het voorwerp was geweest van een wrakingsverzoek. Diezelfde vertegenwoordiger van het federaal parket was namelijk op beide zittingen aanwezig terwijl de burgerlijke partijen dat niet konden opmerken aangezien zij in 2014 opnieuw niet werden uitgenodigd.

 

De onderzoekscommissie sluit zich ook binnen dat thema aan bij de aanbevelingen ter zake van de Hoge Raad voor de Justitie en voegt daar nog één aanbeveling aan toe, namelijk dat, om dergelijke situaties in de toekomst te vermijden, best een wettelijke onverenigbaarheid wordt gecreëerd voor een magistraat die het voorwerp heeft uitgemaakt van een succesvol wrakingsverzoek of die heeft berust in een wraking in een procedure die onderdeel uitmaakt van een strafprocedure om nog verder kennis te nemen van die strafprocedure in welke hoedanigheid dan ook, in zoverre het geding dezelfde partijen betreft.

 

Collega’s, het laatste thema dat ik mag toelichten, betreft hoofdstuk 9 van ons rapport en gaat over het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 20 maart 2014 en de reactie van het federaal parket daarop. In dat arrest wordt beslist om alle in beslag genomen stukken niet langer ter griffie te bewaren, zoals beslist in 2012, maar terug te geven aan de kerk. De onderzoekscommissie is verwonderd dat het arrest beweert uitvoering te geven aan het arrest van december 2012, hoewel het daarmee in tegenspraak is.

 

De onderzoekscommissie is van oordeel dat de KI geen rechtsmacht meer had om te beslissen over de teruggave omdat de vraag daartoe in 2012 al ongegrond was verklaard.

 

De onderzoekscommissie is ook verwonderd over het feit dat het federaal parket de hoofdgriffier meteen vraagt het arrest uit te voeren, en in dit verzoek benadrukt dat die teruggave de uitvoering inhoudt van het arrest van 18 december 2012, terwijl het in zijn zittingsnota nog had geargumenteerd dat een teruggave in tegenstrijd zou zijn met het arrest van 2012.

 

De onderzoekscommissie betreurt dat het federaal parket meteen besliste om geen cassatieberoep aan te tekenen, ondanks het feit dat het arrest inging tegen zijn eigen advies.

 

Tot slot, de onderzoekscommissie sluit zich aan bij de Hoge Raad voor de Justitie dat de inhoud van de 931 dozen niet volledig in detail werd onderzocht, en dat de teruggave dus wel degelijk een probleem vormde.

 

Mijnheer de voorzitter, tot daar het rapport over de vier hoofdstukken waarvoor ik verantwoordelijk voor was.

 

De voorzitter: Dank u wel, collega Weydts. M Aouasti, je vous donne la parole pour la deuxième partie.

 

01.02  Khalil Aouasti, rapporteur: Monsieur le président, chers collègues, avant toute chose, je souhaite, à l'instar de mon collègue M. Weydts, remercier les différents collègues, et notamment le président de la commission, pour le travail qui a été mené de manière sérieuse, longue et consciencieuse, pour pouvoir aboutir ici à la présentation de ce rapport et de recommandations. Je remercie mes collègues co-rapporteurs Weydts, Grillaert et Nuino.

 

Ma partie du rapport se concentrera sur quatre chapitres. Le premier point est en fait le chapitre 2 du rapport, qui concerne les contacts entre le ministre de la Justice et le parquet pendant l'affaire dite "Calice". Le point 2 est le chapitre 3 du rapport, qui concerne les tensions qui ont existé au sein du parquet. Le point 3 est le chapitre 6 du rapport, qui concerne le droit d'injonction positive du ministre de la Justice, à savoir sa faculté de donner des instructions ou non au parquet pour agir. Et le point 4 est le chapitre 7, relatif à la fameuse fédéralisation, à savoir quand est-ce que le parquet fédéral a été saisi, associé ou a repris la gestion du dossier.

 

Je vais faire un résumé de tout cela, les éléments étant développés de manière assez longue et complète dans le rapport écrit. En ce qui concerne le point 1, à savoir les contacts qu'il y a eu entre le ministre de la Justice et le parquet, la commission d'enquête et les commissaires ont pu identifier qu'il y a eu de très nombreux échanges, des écrits, des échanges téléphoniques ainsi que des échanges et des conversations en présentiel entre le ministre de la Justice de l'époque et le parquet général.

 

Si de tels contacts ne sont pas interdits par la Constitution, leur fréquence et la teneur de certains courriers sont apparues aux yeux des commissaires et des experts comme inhabituelles. Ce faisceau d'éléments – les écrits, les échanges téléphoniques et les conversations – a fait naître des doutes quant à la légitimité de ces interventions, notamment dans le chef des victimes, de leurs représentants et du Conseil supérieur de la Justice (CSJ) qui a remis un long rapport à ce sujet qui nous a servi de base pour les travaux en commission.

 

Ces doutes ont été renforcés par le fait que l'appel du procureur général contre une décision du juge d'instruction est intervenu immédiatement après que le ministre a exprimé ses préoccupations, chose qui a été jugée de manière quasiment unanime comme exceptionnelle et très inhabituelle. La commission n'a toutefois – c'est notre conclusion –

pas établi de preuve irréfutable d'une influence du ministre de la Justice sur l'enquête pénale.

 

La question des relations entre le ministre de la Justice et le ministère public n'est pas nouvelle, elle n'est pas uniquement contenue dans l'affaire Calice. Dès 2009, on l'a vue dans l'affaire Fortis, et dès 2009, le CSJ appelait à une extrême prudence pour éviter toute suspicion d'ingérence.

 

Dans la continuité de ce qui s'est passé depuis déjà plus de quinze ans, la commission recommande aujourd'hui d'imposer davantage qu'une prudence stricte dans les contacts et d'adopter un code de conduite afin d'assurer la traçabilité de chaque échange dans tout dossier individuel et de réévaluer le cadre des relations entre le ministre de la Justice – mais aussi d'autres ministres – et le ministère public.

 

En ce qui concerne le point 2, à savoir les tensions qui ont pu être identifiées au sein du parquet, la commission et le CSJ ont mis en évidence des tensions au sein du ministère public durant l'instruction elle-même. Au parquet de première instance de Bruxelles, des divergences existaient quant à l'étendue de la saisine du juge d'instruction, fait qui a conduit à différents conflits procéduraux. Ces désaccords ont provoqué des frictions, sans toutefois – il faut l'admettre – entraver de manière décisive l'enquête. Le manque de communication et l'urgence liée au risque de disparition de preuves ont néanmoins compliqué la coordination. En revanche, les tensions entre le parquet d'instance et le parquet général sont, elles, clairement établies. Le volume inhabituel de courriers envoyés par le parquet général, perçu comme une forme de pression, ainsi qu'une communication insuffisante entre les deux niveaux ont contribué à un climat de défiance. Ces difficultés s'inscrivaient dans un contexte déjà marqué par des relations qui étaient peu fluides entre le parquet d'instance et le parquet général.

 

Selon la commission, ces tensions ont entravé la procédure et révèlent un dysfonctionnement structurel dans l'organisation du ministère public. La commission insiste sur la nécessité, dans les dossiers sensibles, d'une concertation suffisante et accrue entre parquet d'instance et parquet général. Elle recommande de renforcer les mécanismes internes de gestion des conflits, d'évaluer la loi de 1999 sur l'intégration verticale du ministère public et d'améliorer la coordination entre parquet, parquet général et parquet fédéral.

 

Quant au point 3, à savoir le droit d'injonction positive du ministre de la Justice, en septembre 2010, l'avocat des victimes avait demandé au procureur général de se pourvoir en cassation contre deux décisions de la chambre des mises en accusation et, en parallèle, avait sollicité du ministre qu'il exerce son droit d'injonction. Ces courriers, nous avons dû le constater, sont restés sans réponse, alors que les victimes craignaient la perte définitive d'éléments de preuve. Le ministre a alors justifié son inaction et l'absence d'exercice de son droit d'injonction en affirmant que celui-ci ne s'appliquait qu'avant l'engagement des poursuites. Cette interprétation est erronée. Le droit d'enjoindre le procureur général près la Cour de cassation de se pourvoir reste applicable, même lorsque l'action publique est en cours.  

 

01.03  Leentje Grillaert, rapporteur: Ik kreeg de hoofstukken 5 en 10 om erover te rapporteren. Daarin gaat het over het niet uitnodigen van de burgerlijke partijen voor zittingen van de KI en over het lot van de in beslag genomen goederen, bewaring ter griffie versus teruggave. Ik bedank alvast de voorzitter, mijn collega-leden en mijn mederapporteurs voor de samenwerking in de commissie. Daar kom ik bij mijn algemene uiteenzetting nog op terug.

 

Wat hoofdstuk 5 betreft, geef ik kort een overzicht van een aantal procedurele vaststellingen met betrekking tot de rol van de burgerlijke partijen bij de controle van het gerechtelijk onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling. Tijdens het betrokken gerechtelijk onderzoek waren er drie zittingen waarop de burgerlijke partijen niet werden uitgenodigd. Een eerste zitting vond plaats op 6 augustus 2010, met een arrest van 13 augustus 2010. Die had betrekking op een vordering van het parket-generaal tot controle van de regelmatigheid van het onderzoek. De kamer van inbeschuldigingstelling motiveerde toen dat het niet horen van de burgerlijke partijen verantwoord was, onder meer gelet op het geheim van het onderzoek en gelet op het feit dat hun belangen volgens de KI niet zouden worden geschaad.

 

Een tweede zitting volgde op 7 september 2010, met een arrest van 9 september 2010. Die betrof opnieuw een controle van de regelmatigheid op vordering van het parket-generaal, aangevuld met een hoger beroep van meester Keuleneer tegen een beschikking van de onderzoeksrechter inzake de afwijzing van de opheffing van de inbeslagnames. In dat geval werd geen specifieke motivering gegeven voor het niet horen van de burgerlijke partijen. Beide arresten werden nadien verbroken door het Hof van Cassatie op 12 oktober 2010. Het hof oordeelde dat artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering werd geschonden, aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de rechtspleging en de zuivering van de stukken uit het strafdossier had onderzocht zonder de burgerlijke partijen te horen. De zaak werd vervolgens verwezen naar de KI, anders samengesteld, waar de burgerlijke partijen werden gehoord. Dat cassatiearrest geldt sindsdien als princiepsarrest, in die zin dat sindsdien algemeen wordt aangenomen dat met toepassing van artikel 235bis alle partijen moeten worden gehoord.

 

Een derde zitting vond plaats op 18 maart 2014, met een arrest van 20 maart 2014. Die had betrekking op een verzoek tot vrijgave van de inbeslaggenomen stukken. In dat geval werd artikel 136 van het Wetboek van strafvordering toegepast, dat geen expliciete verplichting bevat om de burgerlijke partijen op te roepen. Er wordt op gewezen dat ook artikel 235bis had kunnen worden toegepast, wat wel een hoorplicht inhoudt.

 

De casus wijst op een zekere onduidelijkheid in de toepassing en afbakening van de artikelen 136, 136bis en 235bis van het Wetboek van strafvordering, in het bijzonder wat de rechten van de burgerlijke partijen betreft. Vanuit die vaststelling wordt aanbevolen om de controlebevoegdheden van de kamer van inbeschuldigingstelling en de onderlinge verhouding tussen die bepalingen wettelijk verder te verduidelijken. Tot zover mijn samenvatting van hoofdstuk 5.

 

Hoofdstuk 10 betreft het lot van de inbeslaggenomen goederen, bewaring ter griffie versus teruggave. Opnieuw geef ik een kort overzicht van een aantal vaststellingen met betrekking tot het lot van de inbeslaggenomen goederen in het kader van het gerechtelijk onderzoek.

 

Centraal staat de teruggave op 8 mei 2014 van de inbeslaggenomen dozen en archiefstukken die eerder ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel werden overgelegd. De teruggave vloeide rechtstreeks voort uit het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 20 maart 2014. Tijdens de hoorzittingen werd verwezen naar het koninklijk besluit van 24 maart 1936, dat in een procedure voorziet waarbij derden verzet kunnen aantekenen tegen de teruggave van inbeslaggenomen goederen. Daarbij werd gesuggereerd dat dat rechtsmiddel door de burgerlijke partijen had kunnen worden aangewend.

 

De onderzoekscommissie stelt evenwel vast dat het KB van 1936, gelet op zijn opzet en draagwijdte, niet geschikt is om de teruggave van dergelijke dossiers effectief te verhinderen, in het bijzonder wanneer het gaat om de bescherming van bewijsbelangen. Ten gronde kan worden vastgesteld dat de kamer van inbeschuldigingstelling reeds bij arrest van 18 december 2012 had beslist dat de betrokken dozen uit het strafdossier dienden te worden verwijderd en ter griffie moesten worden overgelegd. In de periode tussen die beslissing en de uiteindelijke teruggave op 8 mei 2014 hadden de burgerlijke partijen wel toegang tot de stukken.

 

Daarnaast wordt vastgesteld dat, aangezien de verwijdering van de stukken door de kamer van inbeschuldigingstelling werd bevolen, zij nadien niet langer als belastend element in de strafprocedure konden worden aangewend à charge.

 

Op basis van die vaststellingen formuleert de onderzoekscommissie een aantal aanbevelingen. Ten eerste wordt gewezen op de procedure in artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering met betrekking tot het hoger beroep tegen de opheffing van een beslagmaatregel. In die procedure zijn enkel de verzoeker tot opheffing en de procureur-generaal betrokken. Andere partijen in de strafprocedure, zoals inverdenkinggestelden en burgerlijke partijen, worden niet betrokken en kunnen ook niet worden gehoord. De commissie beveelt daarom aan om die procedure aan te passen, onder meer door te voorzien in kennisgeving van de beslissing tot opheffing aan derden die een belang hebben, door hun de mogelijkheid te geven een rechtsmiddel aan te wenden en/of tussen te komen in de procedure en door expliciet te voorzien in de mogelijkheid voor de kamer van inbeschuldigingstelling om dergelijke belanghebbenden te horen in een tegensprekelijke procedure.

 

Daarnaast wordt aanbevolen om het koninklijk besluit nr. 260 van 24 maart 1936 te moderniseren. De huidige regeling is in hoofdzaak gericht op de bewaring en teruggave van materiële goederen, maar blijkt onvoldoende afgestemd op situaties waarin een burgerlijke partij de teruggave wil betwisten wegens mogelijke gevolgen voor haar bewijspositie.

 

01.04  Ismaël Nuino, rapporteur: Monsieur le président, pour terminer, il me revient de vous présenter les deux derniers volets du rapport, qui concernent d'une part la succession des différents juges d'instruction au cours de l'enquête et d'autre part la longue durée de l'enquête judiciaire. Pour le bon suivi de mon intervention, il s'agit des points 11 et 12 dans le rapport.

 

Il me revient également – mais je le ferai lors de l'intervention plus générale – de remercier l'ensemble des services, des collègues de la commission, ainsi que les co-rapporteurs pour le travail qui a été fait, ainsi que le président de la commission, évidemment.

 

Je commence par le point 11, concernant la succession des juges d'instruction. Sur le plan des constats, la commission a pu établir que les changements successifs de magistrats en charge de l'instruction, qui sont intervenus sur une période particulièrement longue, ont constitué un facteur objectif de discontinuité.

 

Le Conseil supérieur de la Justice l'a indiqué avec clarté: ces successions n'ont pas favorisé la continuité ni l'avancement d'une instruction déjà complexe et volumineuse. Chaque nouveau titulaire devait d'abord se familiariser avec le dossier et imprimer une méthode, ce qui à chaque fois, à chaque relais, compliquait également le travail de la police et des services.

 

Les auditions ont confirmé ce schéma, notamment lors de la désignation d'un nouveau juge en 2017 à la suite d'un départ à la retraite. Au total, un très grand nombre de magistrats du siège comme du parquet ont été mobilisés à divers stades, tout au long de ce dossier.

 

Les effets concrets de ces relais sont connus: des coûts de transition répétés, des relectures de dossiers, une réorganisation des méthodes de travail avec la police judiciaire fédérale et, au final, une inertie particulièrement longue, notamment lors de la remise au parquet pour les réquisitions finales. Le parquet fédéral a ainsi tracé des réquisitions finales à trois reprises en 2015, 2019 et 2024.

 

À cela s'ajoute, au fur et à mesure du dossier, une architecture qui s'est fragmentée. Une fédéralisation au parquet fédéral s'est couplée avec des transferts dans les volets locaux des parquets.

 

Ce contexte procédural est marqué également par des récusations, comme cela a déjà été mentionné, des contrôles de régularité, des demandes de devoirs complémentaires et l'absence de contrôle d'office systématique des instructions – mais j'y reviendrai dans le point suivant.

 

Encore un mot sur la succession des juges d'instruction. Au départ, lors de la période de remplacement temporaire consécutive aux demandes de récusation dirigées contre le premier juge d'instruction, la commission s'est ralliée à la conclusion du Conseil supérieur de la Justice: du temps a été perdu inutilement.

 

La décision de refus du premier juge d'instruction date du 22 octobre 2010. Il a pourtant fallu attendre le 29 novembre pour désigner un juge suppléant et le dossier n'a été rendu au premier juge d'instruction que le 21 mars 2011, alors que cela aurait pu être fait dès le 11 février.

 

Une question subsistait alors: le juge qui a remplacé ce premier juge d'instruction nous a indiqué ne disposer ni de l'original ni d'une copie du dossier durant l'ensemble de cette période, tandis qu'un courrier du parquet atteste que cette personne en avait reçu une copie complète.

 

Nos conclusions et nos recommandations découlent donc directement de ces différents constats. La commission d'enquête recommande un échange beaucoup plus rapide d'informations au sein même de l'ordre judiciaire afin de fluidifier les transferts entre les juges d'instruction, une passation obligatoire pour les dossiers de grande ampleur, avec une note de synthèse actualisée, un état des scellés, un inventaire des incidents pendants et un calendrier indicatif de la procédure.

 

La commission d'enquête recommande également la co-désignation d'un magistrat suppléant référent lorsqu'il s'agit de grands dossiers, qui devrait être informé en continu sur la matière afin d'être capable, en cas de besoin, de reprendre le dossier de manière rapide et efficace.

 

Elle recommande également la généralisation d'un dossier d'instruction numérique unifié, avec une journalisation horodatée et des sauvegardes redondantes; l'élaboration, à chaque succession, d'un plan d'enquête partagé avec le parquet; une modification des articles 136, 136bis, 235 et 235bis du Code d'instruction criminelle pour que le juge d'instruction puisse être entendu lorsqu'il en fait la demande.

 

J'en arrive maintenant au point 12 – dernier point – du rapport, non des moindres, qui concerne la durée excessivement longue de l'enquête. Ce point-ci a été transversal tout au long des travaux de la commission parce cette durée n'est pas qu'un élément procédural, mais un point qui s'est également mesuré dans le cadre des témoignages que nous avons pu entendre tout au long de la commission d'enquête. Au regard de la durée, le premier constat est qu'elle a eu un impact très concret sur notre travail: des suspects et des parties civiles sont décédés au cours de la procédure. Ces décès ont clairement altéré la possibilité d'établissement des faits et ont privé des victimes de la réponse qu'elles attendaient depuis 15 ans.

 

Pour tenter d'expliquer cette longue durée, viennent ensuite les incidents procéduraux initiaux. Les arrêts successifs de la chambre des mises en accusation, suivis de pourvois en cassation et de renvois, ont engendré un cycle particulièrement consommateur de temps, dont l'instruction ne s'est jamais vraiment remise.

 

La gestion matérielle du dossier a constitué un deuxième obstacle structurel. Un nombre considérable de pièces ont été perdues, au point qu'une procédure de reconstitution a dû être menée devant la chambre des mises en accusation, aboutissant à l'arrêt du 21 février 2013. Le dossier a finalement pu être reconstitué mais cet épisode a entraîné à lui seul un retard considérable.

 

Les tensions entre les acteurs judiciaires ont pesé de manière transversale sur ce dossier. Le Conseil supérieur de la Justice a révélé de fortes divergences entre magistrats, y compris au sein même du ministère public. Cela a entraîné des revirements de stratégie ainsi que des coûts d'alignement et de temps récurrents.

 

Les droits de la défense ont, eux aussi, suscité de nombreux contentieux procéduraux, qui sont inhérents à notre État de droit. Il ne s’agit donc pas ici de remettre en cause leur exercice, mais plutôt de constater les difficultés liées à leur articulation. Le CSJ regrettait que l’article 127, § 3 du Code d’instruction criminelle n’ait pas été réformé afin d’éviter ces renvois en cascade.

 

Par ailleurs, la charge opérationnelle pesant sur les services du pouvoir judiciaire était également importante. L'attention médiatique, l’ancienneté des faits, l’ampleur matérielle, la crise du COVID qui a également eu un impact, ainsi que d’autres dossiers majeurs traités par le parquet fédéral ont malheureusement ralenti la procédure. Mais ces causes ont davantage servi de multiplicateurs de délais que de causes premières. Elles ne peuvent pas expliquer à elles seules l’absence d’avancement de la procédure.

 

Enfin, un point que j'ai mentionné précédemment est la multiplicité des intervenants et la succession des juges d’instruction. Cela a aggravé l’effet d’inertie, sans toutefois en constituer l’unique cause.

 

En résumé, la longue durée de l’enquête Calice résulte d’un enchaînement de causes cumulatives. Aucune d'entre elles, prise isolément, n’est atypique dans une instruction de cette ampleur, mais c’est leur combinaison, sans garde-fous suffisants, qui a produit, sur plus d’une décennie, une durée excessive au regard des exigences de bonne administration de la justice et des attentes des victimes.

 

Nous avons entendu de nombreuses explications, et j’ai tenté de vous en rendre compte. Il est toutefois important de souligner que la commission indique clairement dans son rapport que ces nombreuses déclarations, parfois divergentes, ne peuvent justifier que le dossier Calice n’ait toujours pas été examiné par le juge du fond après  15 ans.

 

Pour conclure, les recommandations que la commission d’enquête formule sont les suivantes. Pour les instructions excédant 12 mois, un contrôle d’office renforcé devrait être exercé par la chambre des mises en accusation par la tenue d'une audience annuelle et contradictoire, assorti d’une révision – comme je l’ai évoqué – des articles 235, 235bis, 136 et 136bis du Code d’instruction criminelle. Nous recommandons également un encadrement plus strict de la phase des réquisitions finales, avec un délai indicatif de six mois, renouvelable une fois par décision motivée et contrôlée par la chambre des mises en accusation, avec une obligation de verser au dossier un rapport d’avancement. En outre, nous recommandons la codification de la convocation des parties civiles en cas de contrôle de régularité fondé sur l’article 235bis. Enfin, nous recommandons aussi la généralisation – comme cela a été mentionné – d’un dossier d’instruction numérique unifié afin de prévenir les pertes de pièces.

 

Le président: Merci, collègue Nuino.

 

We komen nu tot de diverse betogen, die in de volgorde van de grootte van de fracties zullen plaatsvinden. Collega Jadoul mag, als commissievoorzitter, de betogen afronden.

 

01.05  Sophie De Wit (N-VA): Collega’s, ik zal beginnen met te zeggen dat ik hier toch met enige schroom zit, beseffend dat we met de bespreking van, en de stemming over, dit rapport aan een soort eindpunt zijn gekomen, terwijl dit tegelijkertijd geen eindpunt mag zijn. Beseffend ook dat vele slachtoffers hiernaar uitgekeken hebben en hun hoop op de uitkomst van ons parlementair onderzoek gesteld hebben. Dat laatste merk ik ook aan de vele mails in mijn mailbox.

 

Het bijzondere is dat dit rapport voor sommige slachtoffers niet ver genoeg gaat en voor andere te ver. Dat toont meteen aan – want, mijnheer de voorzitter, u zei dat een onderzoekscommissie ons scherpste mes is – wat de beperkingen zijn van wat een Parlement via een onderzoekscommissie kan bereiken, in het bijzonder nu we met de bril en de kennis van vandaag moeten kijken naar een procedure die bijna zestien jaar geleden startte. Die beperkingen kunnen soms in contrast komen te staan met de begrijpelijke verwachtingen.

 

Dat maakt dus, collega’s, dat ik hier met enige schroom zit, en vooral met een heel klein hartje. Ik weet en besef immers heel goed dat vele slachtoffers al hun moed bijeengeraapt hebben om te getuigen voor het Parlement – getuigenissen die door merg en been gingen – in de hoop zo een steen te verleggen.

 

Ik ben er ook na dit onderzoek van overtuigd dat die steen inderdaad verlegd is. Maar helaas zijn er ook nog andere stenen te verleggen. Om dat te kaderen, wil ik even terugkeren naar 2010.

 

In de zomer van 2010 brak de affaire-Vangheluwe los. De bisschop werd toen beschuldigd van seksueel misbreuk van zijn neef. Toen werd het strafrechtelijk onderzoek, Operatie Kelk, opgestart, in 2010. Dat is wat we hebben onderzocht. Het strafrechtelijk onderzoek moest nagaan of de leiding van de Belgische katholieke kerk al dan niet getracht heeft om kindermisbruik in de doofpot te stoppen en of die zich schuldig gemaakt heeft aan schuldig verzuim.

 

Collega Weydts verwees er al naar. De livebeelden van de huiszoekingen in Mechelen, in het bisschoppelijk paleis, staan bij velen in het geheugen gegrift. De bedoeling was toen om zoveel mogelijk dossiers in beslag te nemen en te onderzoeken.

 

Dat was destijds ook de aanleiding voor de oprichting van een bijzondere commissie in 2010-2011, waar ook collega Van Hecke bij was, waarin we de behandeling van seksueel misbruik en pedofilie binnen gezagsrelaties, in het bijzonder binnen de kerk, hebben onderzocht. Laten we eerlijk zijn, binnen de kerk werd misbruik jarenlang onder de mat geveegd. Het imago van het instituut kreeg steevast voorrang op het belang van de slachtoffers, wier noodkreten werden weggemoffeld. Een gelijkaardig patroon doet zich overigens ook in andere gezagsrelaties voor.

 

Als nieuwbakken parlementslid maakte ik toen deel uit van die bijzondere commissie. We hebben heel wat hoorzittingen georganiseerd, onder meer met wijlen kardinaal Danneels en de bisschoppen van weleer. Net als de beelden van de huiszoekingen in Mechelen zal ik ook die hoorzittingen en de soms hallucinante getuigenissen van sommige bisschoppen niet snel vergeten. We hebben bisschoppen toen horen getuigen dat ze van niets wisten, terwijl we daartegenover kopieën hadden ontvangen van talloze brieven die daarover aan de bisschop en de kardinaal waren verstuurd. Het bleek toen al bijzonder moeilijk om minstens een morele verantwoordelijkheid op te nemen.

 

Die bijzondere commissie heeft in 2011 een rapport opgesteld en haar werkzaamheden afgerond, maar het gerechtelijk onderzoek liep verder. Meer nog, de toen opgestarte gerechtelijke procedure, Operatie Kelk, kent vandaag, bijna zestien jaar later, nog steeds geen definitief beslag. Dat is ondraaglijk lang. De strafvordering werd dit jaar vervallen verklaard en daartegen werd nog door één burgerlijke partij beroep aangetekend. Ik kom daarop straks nog terug.

 

Voor wie zich de huiszoekingen in Mechelen of de beelden daarvan niet meer herinnert – er zijn ook jongere mensen in deze zaal – denk ik dat de reportage Godvergeten in het najaar van 2023 wel bij velen voor de geest staat. Die uitzending klaagde de aanpak door de kerk, maar ook door justitie, van schrijnende gevallen van seksueel misbruik aan. De getuigenissen van slachtoffers, overlevers, in die rapportage waren soms rauw en bijzonder beklijvend.

 

Die reportage was opnieuw de aanleiding voor de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie naar seksueel geweld. Die heeft haar werkzaamheden in de vorige legislatuur afgerond. Tijdens die werkzaamheden hebben vele slachtoffers opnieuw op aangrijpende en moedige wijze getuigenis afgelegd voor het Parlement. Velen deden dat persoonlijk, anderen schriftelijk. Die getuigenissen werden gebundeld.

 

We hebben toen ook actoren uit de hulpverlening gehoord, evenals politie, justitie en opnieuw de kerkelijke instellingen. In mei 2024 is daarover een rapport opgemaakt met 137 aanbevelingen. Dat werd unaniem goedgekeurd.

 

Die commissie had meerdere opdrachten, maar een daarvan hebben we toen niet naar behoren kunnen vervullen door tijdsgebrek. Er was weinig tijd, want de legislatuur liep bijna ten einde en de ontbinding van het Parlement naderde. Die opdracht bestond erin duidelijkheid te verschaffen over alle vragen met betrekking tot het strafrechtelijke onderzoek, het onderzoek naar het onderzoek.

 

We hadden wel een verslag van de Hoge Raad voor de Justitie, maar dat is pas op het einde van onze werkzaamheden neergelegd. We konden er enkel nog kennis van nemen. De vorige onderzoekscommissie heeft daarom een aanbeveling geformuleerd dat daar verder werk van moest worden gemaakt. De disfuncties die de Hoge Raad aanreikte, moesten verder worden onderzocht. Dat hebben we ook gedaan. Bij het begin van deze legislatuur hebben we deze onderzoekscommissie opgericht. Vandaag ligt daarvan het rapport voor ter stemming. We ronden na anderhalf jaar deze werkzaamheden af. Zoals gezegd, is dat een eindpunt dat voor veel slachtoffers geen eindpunt is en ook niet mag zijn.

 

Collega’s, ik kan dus drie commissies met elkaar vergelijken, net zoals collega Van Hecke. Destijds was ik een nieuwbakken parlementslid, vandaag ben ik iets minder nieuwbakken en een beetje grijzer. De indruk die de getuigenissen op mij hebben achtergelaten, is er zeker niet minder op geworden. Ik denk dat ik voor iedereen kan spreken. Met die getuigenissen in het achterhoofd begrijp ik dat de verwachtingen voor het onderzoek naar het onderzoek bij vele slachtoffers zeer hoog zijn. Tegelijk kunnen we die concrete procedure zelf niet overdoen als Parlement. We kunnen niet in de plaats treden van de rechterlijke macht en de feiten zelf beoordelen. Door het tijdsverloop was ook de reconstructie van het verleden niet evident. Wie aanwezig was tijdens de hoorzittingen, kan dat bevestigen. We werden daarbij soms geconfronteerd met selectief geheugenverlies bij een aantal protagonisten in het strafonderzoek.

 

Desondanks hebben we samen, over de partijgrenzen heen, ons onderzoek naar het onderzoek zo grondig mogelijk verricht, op basis van de voorliggende getuigenissen en stukken, om pijnpunten aan te duiden – en die zijn er – en van daaruit aanbevelingen te formuleren. Met de werkkaften die we tijdens de vorige onderzoekscommissie hadden opgevraagd, beschikten we bovendien over meer informatie dan de Hoge Raad, die daar geen toegang toe had. Dat is ook de reden waarom we in onze besluitvorming verder konden gaan dan de Hoge Raad, die op dat ogenblik overigens al degelijk werk had geleverd.

 

Vandaag ligt er dus opnieuw een rapport voor. Ik wil op mijn beurt de voorzitter, de collega’s, de medewerkers, de experten en de diensten daarvoor bedanken. In het rapport zijn voor mij drie elementen de meest kwalijke vaststellingen, die ook door het parlementair onderzoek bevestigd worden.

 

Ten eerste, het strafrechtelijk onderzoek is ontaard in een juridische uitputtingsslag tussen partijen. Wie de praktijk uitoefent, weet dat advocaten langs beide kanten gebruikmaken van wettelijk beschikbare middelen, instrumenten en mogelijkheden om bijkomend onderzoek te vragen en dat kan de procedure vertragen.

 

Hier kunnen we echter niet anders dan vaststellen dat de kerk zich vanaf het prille begin in 2010 heeft verzet tegen de inbeslagname van dossiers en er werkelijk alles aan heeft gedaan om die terug te krijgen. De kerk heeft er in 2010 resoluut voor gekozen – daarom wil ik de geschiedenis graag meegeven – om er een procedureslag van te maken via allerlei wrakings- en beroepsprocedures, terwijl ze ook gewoon haar medewerking had kunnen verlenen aan het onderzoek naar het misbruik dat zich binnen haar structuren had voorgedaan. Dat zou een normale en alleszins meer barmhartige en meer christelijke houding zijn geweest. Dat deed ze echter niet. Vanaf het prille begin heeft ze als het ware haar duivels ontbonden om een dergelijk gerechtelijk onderzoek onmogelijk te maken.

 

We hebben de raadsman ook gehoord tijdens onze commissie. Die heeft daar letterlijk gezegd, weliswaar provocerend, dat het trouwens zijn taak was om het parket en magistraten te proberen te beïnvloeden en alles in het werk te stellen om de in beslag genomen stukken terug te krijgen.

 

Dat verzet van de kerk blijkt overigens niet enkel uit het gebruik van proceduremogelijkheden. Ik geef een voorbeeld. Op de dag van de huiszoeking in 2010 vond er ook een bisschoppenconferentie plaats. Een van de agendapunten toen was of de oude dossiers over pedofilie – die er dus waren – al dan niet zouden worden overgedragen aan de commissie-Adriaenssens. Dat zouden ze die dag bespreken.

 

Toch blijkt uit het verhoor van onderzoeksrechter De Troy dat door de aanwezigen bij die huiszoeking – dat moeten dezelfde mensen zijn geweest – werd gezegd dat ze niets wisten van dossiers over misbruik. Nochtans stond dat punt die dag op de agenda. Ik denk dat het dus duidelijk is dat de kerk toen de slachtoffers spijtig genoeg opnieuw niet op de eerste plaats heeft gezet. Die houding lag bovendien – voor wie het zich herinnert, vandaar mijn schets van daarnet – helemaal in lijn met de ontkenning door het instituut tijdens de hoorzittingen van de commissie in 2010-2011.

 

Ten tweede, hoewel in het gerechtelijk onderzoek dat daarna volgde hard en met heel veel goede intenties is gewerkt, door veel individuele speurders en magistraten, dat mag ook worden gezegd, toont ons eindverslag aan dat een aantal actoren binnen de magistratuur toch wel wat steken heeft laten vallen. De onderzoekscommissie bevestigt heel wat disfuncties die de Hoge Raad voor de Justitie eerder al in haar onderzoek had blootgelegd en duidt er nog meer aan. Sommige hooggeplaatste magistraten zijn destijds kennelijk niet in staat geweest om op een meer professionele manier samen te werken, om correcte inschattingen te maken en om juiste beslissingen te nemen, zij het onder hoge druk, want die was er ook. Zowel in de media als in het Parlement was er veel aandacht.

 

Dit alles blijkt uit de getuigenissen en de werkkaften. De rapporteurs hebben al enkele voorbeelden gegeven. Ik geef er op mijn beurt nog enkele. Denk aan de coördinatie tussen de verschillende actoren, het parket van Brussel, het parket-generaal, het federaal parket en de onderzoeksrechter. Uit het onderzoek blijkt dat er duidelijke communicatieproblemen zijn geweest en dat er wantrouwen heerste. Burgerlijke partijen werden niet uitgenodigd op sommige zittingen van de KI, nadat eerder was geoordeeld dat dat wel moest.

 

Wat mij ook bijblijft, is dat een gewraakte magistraat nadien opnieuw ging zetelen. U weet dat ik zelf jurist ben. Ik ga niet technisch worden. U kunt het allemaal in het rapport nalezen. Puur juridisch bekeken kan het zijn dat die magistraat zichzelf had teruggetrokken. Het kan zijn dat het om een ander geschil ging en dat het formeel eigenlijk geen wraking was. Toch meende hij nadien opnieuw te kunnen zetelen.

 

Wat mij opvalt, is dat ook het parket daar op dat ogenblik geen opmerking over heeft gemaakt. Zelfs als dat juridisch te verklaren is, kan ik moeilijk aanvaarden dat een betrokken magistraat in zo’n delicaat dossier dat de maatschappij zo beroert, niet heeft aangevoeld dat dit minstens qua perceptie niet aanvaardbaar was. Dat is echt niet oké. Dat hij dat tijdens de hoorzitting, vanuit een juridische invalshoek, ook nog minimaliseerde, kan ik moeilijk aanvaarden.

 

Er werden ook tegenstrijdige arresten geveld. Denk aan de arresten van de KI over de opheffing van het beslag van het archief. Er zijn ook koerswijzigingen geweest in de genomen vorderingen, zoals daarnet al werd gezegd.

 

Ook de opvolging van de dossiers bij de lokale parketten werd anders aangepakt. Het federaal parket had de regie.

Er waren heel wat slachtoffers bij lokale parketten die hun beklag deden omdat er onvoldoende met hun dossier gebeurde. Een aantal dossiers werd teruggestuurd voor verdere opvolging door de lokale parketten, maar werd federaal niet opgevolgd. We weten niet wat daarmee is gebeurd. Werd er gesignaleerd? Is er sprake van schuldig verzuim? Die opvolging had beter gekund. Het beeld en de samenhang zijn daardoor niet volledig.

 

We konden de interne briefwisseling inkijken, wat bijwijlen moeilijk en pijnlijk was om te lezen. Als we dan de interne spanningen zagen die er bestonden binnen de magistratuur, dan weten we dat die niet echt bevorderlijk waren voor een gedegen afhandeling van het onderzoek. Het dossier heeft ook bij Justitie periodes van stilstand gekend, wat in schril contrast stond met de snelheid waarmee na de huiszoeking in 2010 een regelmatigheidscontrole gebeurde.

 

Ten slotte, het delicate karakter van het onderzoek en de grote mediabelangstelling voor het dossier zorgden ervoor dat verschillende betrokkenen op de toppen van hun tenen liepen. Er was sprake van talrijke contacten tussen enerzijds de voormalige minister van Justitie en zijn kabinet en anderzijds het parket-generaal. Binnen de onderzoekscommissie bestaat er wel degelijk consensus over het feit dat deze herhaling van interventies en contacten en de dwingende formulering van bepaalde brieven soms echt ongewoon waren.

 

Het parket-generaal ging op zijn beurt dan ook weer over op micromanagement van het dossier en stuurde dozijnen dwingende bevelen richting het bevoegde parket. Ook al deze talrijke contacten en verzoeken heen en weer hebben niet bijgedragen tot een sereen en goed verloop van het gerechtelijk onderzoek en dat is nog zacht uitgedrukt. Men had er beter aan gedaan om wat meer terughoudendheid aan de dag te leggen en het parket gewoon zijn werk laten doen.

 

Al deze elementen en disfuncties samen hebben ertoe geleid dat het gerechtelijk onderzoek niet is verlopen zoals mocht worden verwacht vanuit het oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling. Het pijnlijke gevolg is dat we vandaag samen met slachtoffers en overlevers jammer genoeg moeten vaststellen dat meer dan 15 jaar na de aanvang van Operatie Kelk dit geen tastbaar resultaat heeft opgeleverd. Dat is een bijzonder pijnlijke vaststelling, met name voor de slachtoffers die vanzelfsprekend op meer hadden gehoopt.

 

We weten dat bij veel slachtoffers grote twijfel leeft over het gevoerde gerechtelijk onderzoek en dat velen menen dat dit onder druk van de kerk doelbewust door Justitie zou zijn gedwarsboomd. In ons rapport duiden we ook disfuncties aan, meer zelfs dan de Hoge Raad voor de Justitie. Er liggen veel elementen voor waarover men zich terecht vragen kan stellen. Ook na de werkzaamheden van deze commissie en de gedane vaststellingen kunnen we die twijfels en vermoedens die bij meerdere slachtoffers leven niet volledig wegnemen. Ook al vonden wij, net als de Hoge Raad en dat zeg ik met een heel klein hartje, misschien niet dat laatste onomstotelijk formeel juridisch bewijs dat het gerecht moedwillig en onder druk van de kerk de procedure effectief heeft gedwarsboomd of zaken in de doofpot heeft gestopt, toch kunnen we ook niet uitsluiten dat er werd geprobeerd om het onderzoek te dwarsbomen.

 

Alleszins zal een aandachtige lezer van het rapport merken dat de onderzoekscommissie ter zake verregaande vaststellingen doet. Onze fractie steunt ze ook.

 

Behalve die vaststellingen formuleren wij ook 36 concrete aanbevelingen. Ze hebben tot doel de procedurele waarborgen, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid te versterken. Ze strekken ertoe de coördinatie en het beheer van grote dossiers te verbeteren en te zorgen voor een striktere en zorgvuldigere inachtneming van de rechten en verwachtingen van de slachtoffers.

 

Als voormalig voorzitter van de vorige onderzoekscommissie verwijs ik ook graag naar de 137 aanbevelingen die wij op het einde van de vorige legislatuur in mei 2024 hebben geformuleerd. Sommige daarvan zijn al uitgevoerd. De commissie ging op wetgevend vlak waar mogelijk aan de slag, maar er ligt nog bijzonder veel werk op de plank.

 

De oprichting van een herstelfonds voor de slachtoffers, gefinancierd door de daders, werd beloofd, net zoals de oprichting van een nieuwe arbitragecommissie met de focus op juridisch verjaarde feiten, de oprichting van een expertisecentrum, de aanstelling van een commissaris en een goed aanspreekpunt voor slachtoffers. Het is vandaag heel belangrijk om verder in te zetten op die herstelmaatregelen ten aanzien van de slachtoffers. Ik maak dan ook van de gelegenheid gebruik om bij de bevoegde ministers er nogmaals op aan te dringen om ter zake snel concrete stappen te zetten. De slachtoffers wachten al te lang. Ik besef heel goed dat sommige wonden nooit kunnen en nooit zullen helen, maar wij zijn dat echt wel aan de slachtoffers verschuldigd.

 

Collega’s, ik rond af met te stellen dat voorliggend rapport geen eindpunt mag zijn.

 

01.06  Werner Somers (VB): Mijnheer de voorzitter, collega’s, er zijn weinig thema’s die de maatschappij zozeer beroeren als seksueel misbruik en in het bijzonder het seksuele misbruik van minderjarigen. Wanneer dat misbruik bovendien plaatsvindt in een instituut dat zichzelf presenteert als een moreel kompas, als belichaming van het goede en als behoeder van de zwaksten, dan is de verontwaardiging daarover terecht des te groter. Slachtoffers van seksueel misbruik in een pastorale relatie werden niet alleen misbruikt, maar ze werden al te vaak ook genegeerd of zelfs verdacht gemaakt. Feiten werden ontkend, vergoelijkt of om een in de context enigszins misplaatste uitdrukking te gebruiken, met de mantel der liefde bedekt. Daders werden niet altijd ter verantwoording geroepen, maar geregeld verplaatst naar een andere parochie, een andere regio of zelfs een ander land, waar ze opnieuw slachtoffers konden maken. Dat gebeurde niet incidenteel, maar structureel. We zien in tal van landen hetzelfde patroon. De Kerk draagt daarin een verpletterende verantwoordelijkheid en naast tal van andere factoren heeft die houding ongetwijfeld mee bijgedragen aan de ontkerkelijking, die zich de afgelopen decennia in sneltempo heeft voltrokken.

 

Ik wil daarbij overigens beklemtonen dat de Kerk ook zeer veel goeds heeft gedaan voor onze samenleving, onder meer op het gebied van onderwijs, zorg en liefdadigheid. Vergeten we ook niet dat onze Europese beschaving zonder het christendom gewoonweg ondenkbaar zou zijn. De mechanismen die ertoe hebben geleid dat seksueel misbruik binnen de Kerk werd weggemoffeld en dat slachtoffers niet de erkenning kregen die zij verdienden, zijn overigens niet uniek voor de Kerk. Het zijn niet enkel kerkelijke gezagsdragers en religieuzen, die zich bezondigen of bezondigd hebben aan seksueel misbruik. De Kerk heeft geen monopolie op het toedekken van stinkende potjes. Het fenomeen gedijt vooral in een omgeving waarin het welzijn van het individu ondergeschikt wordt gemaakt aan de zogenaamde goede naam van de instelling of wat daarvoor moet doorgaan.

 

Het kan bijvoorbeeld ook gaan om de goede naam van de sportclub, de school, de jeugdbeweging of de politieke partij. Wat de zaak van de slachtoffers van misbruik binnen de katholieke kerk extra pijnlijk maakt, is dat ze eigenlijk een tweede keer slachtoffer werden, namelijk slachtoffer van een falend justitieel apparaat. Operatie Kelk heeft heel wat slachtoffers hoop gegeven, de hoop dat eindelijk gerechtigheid zou geschieden, de hoop dat de daders na al die jaren eindelijk verantwoording zouden moeten afleggen voor de vreselijke feiten die ze hadden begaan. Jammer genoeg is dat grotendeels valse hoop gebleken. Het strafrechtelijk onderzoek zal uiteindelijk op niets uitdraaien, omdat de feiten verjaard zijn of omdat de daders overleden blijken te zijn.

 

Operatie Kelk was dus een maat voor niets. Het was een gerechtelijke miskleun. Frédéric Van Leeuw, die het dossier in 2014 als federaal procureur overnam van zijn voorganger, Johan Delmulle, zei daarover tijdens de hoorzitting van 21 maart 2025 het volgende: “Mijn standpunt, en ook het standpunt van de vorige federale procureur, was dat de feiten van het dossier spijtig genoeg waren verjaard of dat de meeste daders gewoon waren gestorven. Van in het begin wisten we dat het dossier verjaard was en dat de meeste vermoedelijke daders reeds waren gestorven. Voor een aantal feiten gold dat de daders al veroordeeld waren in een andere procedure. Op het einde was er daarom sprake van dubbele victimisatie. Wij, de heer Delmulle en ikzelf, zijn altijd duidelijk geweest in onze vorderingen sinds 2015. We waren van mening dat Justitie volgens het huidige kader van de wet niets te bieden had in dit dossier.”

 

De eerste eindvordering van het federaal parket, die op 19 november 2015 werd bezorgd aan onderzoeksrechter De Troy, bevatte inderdaad reeds een buitenvervolgingstelling. Hetzelfde geldt voor de tweede eindvordering, uit 2020 en de derde eindvordering van 19 april 2024. Op basis van die derde eindvordering gaf de raadkamer van de Brusselse rechtbank van eerste aanleg op 17 februari 2025 een beschikking tot buitenvervolgingstelling. Daartegen werd door één burgerlijke partij hoger beroep ingesteld. Bij mijn weten is er nog altijd, naar meer dan 15 jaar, geen einduitspraak in die procedure.

 

Dat alles met een sisser zou aflopen, kon eigenlijk al vanaf het begin worden voorzien. Operatie Kelk is dus op de keper beschouwd ook nog eens een gigantische verspilling geweest van middelen, tijd en energie. Ik citeer opnieuw gewezen federaal procureur Van Leeuw tijdens de hoorzitting van 21 maart vorig jaar: “Onze justitie heeft veel meer middelen nodig,” justitie gaat sowieso al gebukt onder een schrijnend, chronisch gebrek aan middelen, “Ik hoor nu gelukkig dat niet zal worden bespaard op justitie. Wanneer het huis echter al vijftien of twintig jaar een ruïne is en er wordt beslist om nu geen besparingen te doen, dan vraag ik meer. Ik vraag echte restauratiewerken voor justitie.”

 

Ik kan die woorden van de heer Van Leeuw alleen maar onderschrijven. Justitie is een kerntaak van de staat, maar in een Belgische context en gelet op de rampzalige budgettaire situatie, is het volgens mij een utopie dat er ooit voldoende middelen zullen kunnen worden vrijgemaakt voor justitie. Ook daarom is een Vlaamse staat een bittere noodzaak. Het Belgische fort is immers niet meer op te lappen.

 

Tussen enerzijds de inleidende vordering van het Brusselse parket van 21 juni 2010 tot instelling van een gerechtelijk onderzoek en anderzijds de beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingsstelling van 17 februari 2025 ligt meer dan veertien jaar. Zoals ook de Hoge Raad voor de Justitie concludeerde in zijn verslag uit 2024 over het bijzonder onderzoek Kelk, duurde het onderzoek in Operatie Kelk ongewoon lang naar de maatstaven van een correctionele procedure.

 

Volgens het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie is de buitensporige duur het resultaat van een combinatie van factoren, waaronder complexe en onduidelijke regelgeving, de opeenvolging van onderzoeksrechters en gebrekkige dossieroverdrachten, de vele procedurele incidenten en het archaïsche beheer van het strafdossier. In bepaalde periodes lag het onderzoek gedurende maanden of zelfs jaren stil, zonder dat daarvoor een aanwijsbare reden bestond.

 

Symptomatisch voor het procedurele slagveld dat Operatie Kelk is geworden, is de juridische strijd over de geldigheid van de inbeslagnemingen tijdens de huiszoekingen te Mechelen, in het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en het kantoor van kardinaal Danneels op 24 juni 2010.

 

Ik zou hier een volledig overzicht kunnen geven van al de procedurele veldslagen die daarover zijn gestreden. Het begon al op 13 augustus 2010 met een uitspraak van de Brusselse kamer van inbeschuldigingstelling. Daarna volgden telkens weer vernietigingen door het Hof van Cassatie, terugverwijzingen of doorverwijzingen naar een anders samengestelde kamer van inbeschuldigingstelling, die vervolgens opnieuw die huiszoekingen in Mechelen geldig of nietig verklaarde. Dat werd dan opnieuw vernietigd door het Hof van Cassatie. Dat ging zo verder tot uiteindelijk in 2012 de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelde dat de huiszoekingen in het aartsbisschoppelijk paleis en in het kantoor en de woning van Godfried Danneels ongeldig waren en dat de in beslag genomen stukken en dossiers uit het strafdossier moesten worden verwijderd en moesten worden neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

 

Het verzoek van het aartsbisdom Mechelen-Brussel en van de kardinaal tot teruggave van de dozen en stukken die bij die huiszoekingen in beslag waren genomen, werd toen afgewezen.

 

Uiteindelijk beval de Brusselse kamer van inbeschuldigingstelling op 20 maart 2014, op verzoek van het aartsbisdom Mechelen-Brussel, de teruggave van alle voorwerpen en documenten die bij die huiszoekingen in beslag waren genomen. Dat gebeurde zogezegd ter uitvoering van het arrest van de KI van 18 december 2012, terwijl uit dat arrest juist voortvloeide dat de stukken moesten blijven op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

 

Ik ga niet in op alle factoren die in onderlinge combinatie de buitensporig lange duur van het onderzoek in Operatie Kelk kunnen verklaren. Ik wil wel even stilstaan bij de rol die de spanningen en het verschil in visie tussen de diverse gerechtelijke actoren daarbij hebben gespeeld, spanningen en meningsverschillen die minstens ten dele het gevolg lijken te zijn van de uiteenlopende levensbeschouwelijke overtuigingen van de betrokken personen. Een aantal van de protagonisten had namelijk ontegensprekelijk een uitgesproken katholiek of vrijzinnig profiel.

 

Het is overigens ongetwijfeld in die levensbeschouwelijk geladen sfeer dat procureur-generaal Marc Delecour besloot om een zogenaamd multiconfessioneel team van magistraten te belasten met het onderzoek naar de rechtsgeldigheid van de huiszoekingen en inbeslagnames van 24 juni 2010. Zo’n multiconfessioneel team is toch wel een unicum in de Belgische gerechtelijke geschiedenis. Dat betekent dat er levensbeschouwelijke etiketten worden geplakt op magistraten, wat ten zeerste verontrustend is.

 

Spanningen en meningsverschillen waren er onder meer binnen het Brusselse parket, tussen het parket en het parket-generaal en tussen opeenvolgende onderzoeksrechters, waarbij op een bepaald moment onderzoeksrechters zelfs strafklachten tegen elkaar indienden. De veelvuldige spanningen binnen justitie hebben niet bijgedragen tot de voortgang en het goede verloop van het onderzoek, zoals eufemistisch wordt opgemerkt in het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie.

 

Die spanningen zijn voor een groot deel te wijten aan de wijze waarop Operatie Kelk van start is gegaan. Het begon allemaal met een zeer vage inleidende vordering waarmee het Brusselse parket de onderzoeksrechter adieerde. Op 21 juni 2010 nam Brussels substituut Liesbeth Verlinden een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek, teneinde “ tegen X de tenlastelegging uit te maken van als dader of mededader aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging op de persoon van een minderjarige jonger dan 16 jaar, met verzwarende omstandigheid van gezag.” Op dat ogenblik was er van schuldig verzuim nog geen sprake.

 

De inleidende vordering kwam er op basis van twee verklaringen van mevrouw Halsberghe en beoogde de inbeslagneming van de dossiers van de naar haar genoemde commissie-Halsberghe, die even voordien waren gedeponeerd in het Rijksarchief. Mevrouw Halsberghe was de voorzitter van de in 2000 opgerichte interdiocesane commissie voor de behandeling van klachten wegens seksueel misbruik in een pastorale relatie.

 

Op 24 juni 2010 ging onderzoeksrechter De Troy echter niet alleen over tot huiszoekingen en inbeslagnemingen te Brussel in het Rijksarchief, maar tevens op vier andere plaatsen, waaronder te Mechelen in de Sint-Romboutskathedraal, in het Aartsbisschoppelijk Paleis en in de woning en het kantoor van kardinaal Danneels, en te Leuven bij de commissie-Adriaenssens, de opvolger van de commissie-Halsberghe. De honderden dozen die via een raam van de zolder van het aartsbisschoppelijk paleis naar buiten, in een vrachtwagen, werden gegooid, leverden spectaculaire beelden op.

 

Volgens Liesbeth Verlinden, die als substituut binnen de sectie zeden van het Brusselse parket de titularis was van het dossier Operatie Kelk, kreeg de onderzoeksrechter samen met de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek slechts twee processen-verbaal, waarin het uitsluitend ging over de dossiers van de commissie-Halsberghe.

 

Het ging in die processen-verbaal niet over feiten of dossiers waar ook te lande. Dat heeft mevrouw Verlinden letterlijk verklaard in de parlementaire onderzoekscommissie. Tijdens de hoorzitting van 8 januari 2025 heeft zij ook expliciet verklaard dat de inbeslagname van de dossiers van de commissie-Adriaenssens en de huiszoekingen en inbeslagnames te Mechelen allemaal gebeurden op basis van een beslissing van onderzoeksrechter De Troy. Zijzelf was er destijds van overtuigd dat de huiszoeking bij de commissie-Adriaenssens in Leuven zeker de saisine van de onderzoeksrechter overschreed.

 

De dag na de omstreden huiszoekingen van 24 juni 2010 in onder meer Leuven en Mechelen bezorgde mevrouw Verlinden aan onderzoeksrechter De Troy een uitbreidende vordering, lastens X, uit hoofde van schuldig verzuim. In het verslag van het bijzonder onderzoek van de Hoge Raad voor de Justitie staat hierover te lezen dat sommige tijdens het onderzoek gehoorde personen de indruk hadden dat – ik citeer – “met de uitbreidende vordering van 25 juni 2010 er iets gerechtvaardigd moest worden ten aanzien van de huiszoekingen die daags voordien waren gebeurd”.

 

Mevrouw Verlinden verklaarde hierover tijdens de hoorzitting voor de parlementaire onderzoekscommissie dat de uitbreidende vordering er was gekomen op verzoek van de onderzoeksrechter. Haar uitleg dat de dossiers toch al massaal in beslag waren genomen, lijkt de these van een rechtvaardiging post factum te bevestigen. Onderzoeksrechter De Troy zelf had het voor de onderzoekscommissie trouwens ook over – ik citeer – “het bijkomend vorderen van iets wat reeds aan de gang was”, ook al ontkende hij nadrukkelijk dat het ging om een rechtzetting van wat verkeerd was gelopen.

 

De eindeloze procedureslag, waarbij het ene na het andere arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling werd gewezen, gevolgd door cassatieberoepen en doorverwijzingen, is het gevolg van de controverse over de vraag of de onderzoeksrechter op 24 juni 2010 al dan niet zijn saisine had overschreden.

 

Zoals de onderzoekscommissie in haar verslag opmerkt, hebben de initiële procedure-incidenten en de nasleep daarvan een blijvende impact gehad op het verloop van het gerechtelijk onderzoek.

 

Daarbij komt dat in dat uitermate delicate dossier geen voorafgaand overleg tussen het Brusselse parket en het parket-generaal over de aanpak van Operatie Kelk en over de huiszoeking plaatsvond. Dat heeft geleid tot grote argwaan bij het parket-generaal en verklaart de vele dienstbrieven waarmee procureur-generaal Marc de le Court er bij procureur Bulthé op aandrong om duidelijkheid te verschaffen over het onderzoek.

 

De eerste dienstbrief dateert van onmiddellijk na de huiszoekingen van 24 juni 2010. De procureur-generaal wilde weten wat het precieze voorwerp van het onderzoek was en wees erop dat de bewoordingen van de inleidende vordering nogal breedvoerig en onduidelijk waren. De door het enigszins onstuimige optreden van de onderzoeksrechter gewekte argwaan bij het parket-generaal verklaart waarom al in een ongewoon vroeg stadium van het gerechtelijk onderzoek, namelijk op 30 juli 2010, de controle van de regelmatigheid van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling werd gevorderd.

 

Bij arrest van 18 december 2012 heeft de Brusselse kamer van inbeschuldigingstelling uiteindelijk expliciet geoordeeld dat de huiszoekingen te Mechelen in het aartsbisschoppelijk paleis en in het kantoor en de woning van kardinaal Danneels neerkwamen op een verboden fishing expedition. Dat is letterlijk in dat arrest van de KI te lezen.

 

De KI was ook van oordeel dat, gelet op de omvang van de overschrijding van de saisine, moest worden aangenomen dat de onderzoeksrechter doelbewust zijn saisine had overschreden. Het tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep werd verworpen.

 

Ongeveer twee jaar voordien, op 22 december 2010, had de kamer van inbeschuldigingstelling al geoordeeld dat de inbeslagnames van de dossiers van de commissie-Adriaenssens te Leuven nietig waren. Tegen dat arrest werd door geen enkele partij cassatieberoep ingesteld, zodat het oordeel toen al onherroepelijk werd.

 

Ik wil even ingaan op het lot van de commissie-Adriaenssens. De commissie-Adriaenssens heette officieel de Commissie voor de behandeling van klachten over seksueel misbruik in een pastorale relatie en was genoemd naar haar voorzitter, kinderpsychiater Peter Adriaenssens.

 

Ze was de opvolger van de commissie-Halsberghe. Na het ontslag van de Brugse bisschop Roger Vangheluwe op 23 april 2010, omdat die man kennelijk zijn neef had misbruikt, toen die nog minderjarig was, explodeerde het aantal klachten dat de commissie-Adriaenssens ontving. In totaal ging het om 475 klachten. Al de betreffende dossiers werden op 24 juni 2010 in beslag genomen, waarmee een abrupt einde kwam aan de werkzaamheden van de commissie-Adriaenssens. Dokter Adriaenssens hield het enkele dagen later immers voor bekeken en diende zijn ontslag in, mede namens de overige leden van de commissie-Adriaenssens.

 

De honderden slachtoffers die hun vertrouwen hadden gesteld in Peter Adriaenssens en die na vele jaren stilzwijgen hun schroom hadden overwonnen om hun verhaal te vertellen over wat hun was overkomen, werden ongewild betrokken in een gerechtelijke procedure, terwijl in de meeste gevallen de feiten al waren verjaard. Ze kregen hun dossier nooit terug, ook al werd de inbeslagneming ervan reeds in december 2012 nietig verklaard en werden de stukken uit het dossier verwijderd. Niemand heeft zich sindsdien iets aangetrokken van het leed van de betrokken slachtoffers, dat nog werd verergerd door de onrechtmatige inbeslagneming van hun dossier.

 

Noch Justitie, noch de Kerk heeft iets ondernomen om hun leed of dat van hun familie te verzachten. In zekere zin werden zij eerst het slachtoffer van seksueel misbruik in de Kerk en nadien ook nog eens van Operatie Kelk. Tevens werd hun privacy in hoge mate geschonden, te meer daar de onderzoeksrechter aan de advocaten van bepaalde andere partijen inzage verleende in hun dossier.

 

Achteraf bekeken en zeker in het licht van de verjaring van de meeste feiten kunnen we legitiem de vraag opwerpen of het niet beter zou zijn geweest om de commissie-Adriaenssens haar werkzaamheden in alle sereniteit te laten voortzetten, ver weg van de schijnwerpers van de media. Tijdens de hoorzitting van 21 maart 2025 heb ik die vraag gesteld aan voormalig minister van Justitie Stefaan De Clerck en hij antwoordde daarop het volgende: “U vraagt of ik dat spijtig vond. Ik vond dat inderdaad spijtig. Dat was ook de reden waarom ik informatie heb ingewonnen bij de procureur-generaal en heb gevraagd of dat in overleg is gebeurd. Achteraf denk ik dat veel slachtoffers beter geholpen hadden kunnen worden, mocht die commissie haar normale werk hebben kunnen voortzetten, met die multidisciplinaire aanpak, waarbij een dossier naar justitie ging, als het moest, en anders naar allerhande specialisten.”

 

Ik ben geneigd om deze mening te onderschrijven. De justitiële aanpak biedt immers niet altijd de grootste kans op succes en al helemaal niet voor slachtoffers van feiten die al decennia verjaard zijn. Slachtoffers van verjaard seksueel misbruik hebben vooral behoefte aan erkenning en hulp. De vele middelen die zijn opgeslorpt door Operatie Kelk, die uiteindelijk is uitgedraaid op een gerechtelijk fiasco, waren misschien beter aangewend om er een herstelfonds voor erkende slachtoffers van verjaard seksueel misbruik mee te spijzen, waaraan vanzelfsprekend een heel grote bijdrage diende te worden geleverd door de katholieke kerk.

 

Operatie Kelk begon enigszins als een verfilming van een roman van Dan Brown, waarbij vooral het openbreken van de graven van kardinalen Mercier en Suenens in de crypte van de Sint-Romboutskathedraal tot de verbeelding spreekt, op zoek naar een geheime bergplaats van dossiers van kindermisbruik in de kerk. Gaandeweg ging Operatie Kelk echter bij momenten lijken op de legendarische televisiereeks De Collega’s.

 

Dat geldt bijvoorbeeld voor de verdwijning van de 445 originele processen-verbaal van de federale gerechtelijke politie van Brussel ergens in 2012. Het klopt dat de regelmatigheid van de rechtspleging hierdoor volgens het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 21 februari 2013 niet werd aangetast omdat naderhand eensluidende afschriften van de verdwenen processen-verbaal toegevoegd worden aan het dossier, maar het verhaal van die verdwijning op het kabinet van onderzoeksrechter De Troy is toch wel hallucinant.

 

De officiële versie luidt als volgt. In september 2011 ging de griffier van de onderzoeksrechter met zwangerschapsverlof. Hoewel mevrouw Coppens werd vervangen, kwam zij tijdens haar verlof toch nog regelmatig langs op het kabinet om verder te werken aan het dossier-Kelk. Zij deed dit omdat de nieuwe griffier, die haar tijdens haar zwangerschapsverlof verving, door de onderzoeksrechter niet bekwaam of niet geschikt werd geacht om zich met het dossier-Kelk bezig te houden.

 

Mevrouw Coppens nam regelmatig dossiers mee naar huis. Op een dag stonden er drie grote plastic zakken klaar om door haar te worden meegenomen, maar de volgende dag merkten onderzoeksrechter De Troy en mevrouw Coppens dat die zakken er niet meer waren. De nieuwe griffier, die dus niet mocht werken aan het dossier-Kelk, legde daarover een verklaring af die werd geacteerd in een proces-verbaal dat werd opgemaakt door mevrouw Calewaert, de opvolger van onderzoeksrechter De Troy. Mevrouw Calewaert en de heer De Troy waren niet bepaald beste vrienden, vandaar ook de wederzijdse klachten die zij tegen elkaar indienden.

 

Volgens de verklaring van de nieuwe griffier hoorde zij mevrouw Coppens tegen de heer De Troy zeggen dat zich in een van de verdwenen zakken de originele pv’s van Operatie Kelk bevonden. Vervolgens zou zij mevrouw Coppens hebben horen bellen naar haar partner, niemand minder dan procureur des Konings Bruno Bulthé. Dat is trouwens ook iets waar de Hoge Raad voor de Justitie een opmerking over heeft gemaakt. Volgens de Hoge Raad voor de Justitie is het een disfunctie dat de partner van de procureur des Konings werkzaam is op het kabinet van de onderzoeksrechter.

 

De verdwenen pv’s mogen dan al vervangen zijn door eensluidende afschriften, het blijft een feit dat die originele pv’s van de federale gerechtelijke politie nooit zijn teruggevonden. Het blijft een mysterie hoe ze zijn verdwenen en waar ze naartoe zijn. In het beste geval zijn ze per vergissing meegenomen door een poetsvrouw en in een container beland, maar het is net zo goed mogelijk dat ze in verkeerde handen zijn terechtgekomen en dat de verklaringen van de slachtoffers van seksueel misbruik in de kerk als het ware te grabbel liggen op straat. Het verhaal van de 445 verdwenen pv’s getuigt dus niet alleen van een ongelooflijk amateurisme van Justitie, dat volstrekt onaanvaardbaar is in een delicate zaak als Operatie Kelk, maar betekent ook nog maar eens een potentiële grove schending van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers.

 

Collega’s, dames en heren, ik maakte reeds de vergelijking met de televisiereeks De Collega’s, die algemeen als een tragikomische reeks wordt beschouwd. Mocht het hier niet gaan over een zo ernstige zaak als seksueel misbruik in de kerk, dan zou ook Operatie Kelk kunnen worden beschouwd als een langgerekte tragikomedie. Omdat de slachtoffers van seksueel misbruik hierdoor voor het leven zijn getekend, zal ik het houden op de omschrijving van Operatie Kelk als een tragische en pijnlijke miskleun, een gerechtelijk fiasco over de hele lijn. Dat, dames en heren, is allesbehalve om te lachen.

 

01.07  Catherine Delcourt (MR): Merci à tous les collègues qui ont contribué aux travaux de cette commission. Merci aux experts et merci aussi à Mme De Wit d'avoir replacé à la fois ce que les victimes ont vécu dans le temps et les travaux des deux commissions d'enquête.

 

Je veux ici insister sur le fait que notre rapport n'est un plaidoyer pour personne. Il est un travail d'enquête parlementaire qui se veut équilibré et au cours duquel les victimes ont toujours été au cœur de nos réflexions. Les éléments qui ont été prouvés ont été actés clairement dans ce rapport. Ceux qui ne l'ont pas été, nous avons refusé de les inventer. Le PTB a refusé de voter le rapport au motif que celui-ci ne nomme pas de responsables. Or ce rapport constate. Il ne protège personne, mais il refuse de condamner par insinuation là où les preuves ne permettent pas d'aller plus loin.

 

Voorzitter: Pierre Kompany, oudste lid in jaren.

Président: Pierre Kompany, doyen d'âge.

 

Le texte décrit des interventions jugées exceptionnelles, des contacts inhabituels entre pouvoirs publics, des tensions institutionnelles fortes, des choix procéduraux problématiques et une durée manifestement excessive de la procédure. Le rapport consacre des développements à l'influence d'acteurs institutionnels puissants et à la manière dont cette influence a pesé sur certaines décisions judiciaires. Le PTB, quant à lui, reproche au rapport de refuser de dire qu'il y a eu des ingérences politiques ou des protections organisées, alors même que, selon eux, tout le monde sait bien ce qui s'est passé.

 

La position de ce rapport, de ce travail, est différente. Là où le dossier et les auditions établissent des faits – contacts inhabituels, pressions ressenties, décisions très exceptionnelles, communication publique très sélective –, le rapport les prend et les documente. Là où le dossier ne permet pas d'affirmer qu'une personne déterminée a commis une infraction, le rapport ne franchit pas ce pas.

 

Il ne blanchit personne, mais il refuse de transformer un vote parlementaire en verdict pénal déguisé.

 

Le rapport que nous avons voté en commission assume une chaîne de dysfonctionnements: les tensions entre le parquet de Bruxelles et le parquet général, qualifiées par plusieurs témoins d'inhabituelles et très strictes; une gestion archaïque des pièces avec pertes et reconstitutions; la succession de juges d'instruction et de magistrats en charge, qui alourdit et provoque l'inertie; les limites du contrôle de régularité par la chambre des mises en accusation.

 

Affirmer, comme le fait le PTB, que ce rapport laisse les victimes dans le froid est un non-sens, au regard de tous les travaux qui ont été menés. Le rapport dit noir sur blanc que la durée de la procédure a été manifestement excessive, que des faits graves sont prescrits, et il reprend chaque phrase lourde de sens. Notre justice n'a pas réussi à apporter des réponses perçues comme humaines et justes, et les victimes se sentent de nouveau victimes.

 

Mais, surtout, nous disons dans ce rapport qu'il n'a de sens que si ses recommandations sont mises en œuvre. La vraie question pour les victimes n'est pas de savoir si un rapport parlementaire va enfin écrire noir sur blanc le scénario que tel ou tel parti attend. La vraie question est: va-t-on mieux encadrer les contacts entre le pouvoir politique et le ministère public? Va-t-on mettre fin aux protocoles ambigus, va-t-on rendre les enquêtes plus rapides, plus lisibles, plus contrôlables? Va-t-on éviter qu'un autre dossier cale, coince, pendant 15 ans, sans jugement? C'est à cela que répond ce texte.

 

Je voudrais terminer en exprimant un regret. Pendant près de deux années, nous avons travaillé ensemble longuement en commission. Nous avons entendu des dizaines de témoins, examiné des milliers de pages, cherché des formulations communes. À aucun moment, jusqu'au dernier jour, le PTB n'a indiqué qu'il refuserait de soutenir le rapport final. Qu'un groupe politique choisisse à la fin de ne pas approuver un rapport, c'est son droit. Mais refuser de le soutenir au motif qu'il refermerait définitivement l'omerta autour des abus et de la non-assistance coupable, alors même que nous avons établi des dysfonctionnements graves et formulé des recommandations fortes, c'est à mes yeux créer une nouvelle injustice. Une injustice pour les victimes, en laissant entendre que rien n'aurait été mis au jour, et une injustice pour le travail collectif et transpartisan qui a été mené et auquel le PTB a lui-même contribué.

 

Avec ce rapport, nous faisons un choix clair, celui d'un texte équilibré, qui décrit des faits parfois accablants, qui ne protège personne, mais qui refuse aussi d'inventer ce qui n'est pas prouvé. C'est la seule manière de respecter les victimes tout en restant fidèles à l'État de droit.

 

01.08  Khalil Aouasti (PS): Monsieur le président, chers collègues, je ne vais pas être très long car je pense que beaucoup de choses ont déjà été dites par les collègues qui m'ont précédé.

 

Je tiens à adresser mes premiers mots, et à travers moi les premiers mots de mon groupe, aux victimes de ces abus sexuels, de ces faits ignobles, qui ont été commis au sein de l'église catholique en Belgique pendant beaucoup trop longtemps et sur lesquels la loi du silence, l'omerta, a régné. Comme nous l'avons déjà indiqué et comme le souligne l'introduction de ce rapport, je souhaite remercier l'ensemble des collègues et les deux experts qui nous ont accompagnés. En outre, je remercie toutes celles et tous ceux qui ont pu contribuer à la recherche de cette vérité, et toutes celles et tous ceux qui sont venus, qui ont témoigné, qui ont attesté, ainsi que les services administratifs de la Chambre, qui nous ont été d'un précieux soutien.

 

Notre travail a toujours été mené en gardant à l'esprit que beaucoup de femmes et d'hommes qui ont souffert des agissements abjects des membres du clergé pendant beaucoup trop d'années attendent des réponses sur cette enquête Calice qui a démarré en 2010. Nous sommes en 2026 et cette enquête n'est toujours pas, à ce stade, clôturée. Cela a été la préoccupation constante de cette commission, guidée par le président Jadoul que je remercie, et par les nombreux commissaires.

 

Notre commission a mené, et je fais le parallèle avec le rapport qui a été fait, un travail sérieux, un travail d'examen de l'enquête judiciaire. Nous avons, au cours de cet examen, au cours de ces analyses, au cours de ces lectures, au cours de ces témoignages, au cours de ces séances de questions et réponses, apporté des éclaircissements, notamment sur des questions comme le retard de l'instruction. Nous avons identifié, cela a été dit dans le cadre du rapport, un certain nombre de dysfonctionnements qui sont, il faut le rappeler, inadmissibles. Mais soyons clairs, il reste de trop nombreuses interrogations qui, malgré les heures de travail acharné de cette commission, n'ont pu, à ce stade et à ce jour, être épuisées.

 

Pour mon groupe, et je pense pour l'ensemble des commissaires, la participation aux travaux de la commission a toujours été guidée par deux exigences. La première était d'apporter un regard objectif et honnête, mais critique et aiguisé, sur l'enquête. Il était de définir le rôle qu'a eu notamment le ministre de la Justice, le rôle de l'Église catholique, la place de cette dernière dans cette procédure, et les agissements des acteurs judiciaires dans le cadre de l'instruction Calice.

 

La deuxième était une exigence de responsabilité dans la recherche de la vérité. En effet, le respect pour les victimes, qui doit toujours nous guider, devait nous conduire à rechercher cette vérité et nous imposer à ne rechercher qu'elle, sans aucun compromis. Ce même respect vis-à-vis des victimes devait également nous conduire à ne pas prêter aux pièces du dossier, à certains éléments et déclarations, des intentions ni amener à des conclusions ou des certitudes que les pièces et éléments factuels ne contiennent pas.

 

Le rapport qui vous a été présenté ce jour et qui devra faire l'objet d'une décision respecte, nous le pensons, ces deux exigences. Ce document apporte de la lumière sur certaines zones d'ombre qui, alors, subsistaient encore. Il permet d'éclairer certains manquements qui, notamment, avaient été soulignés par le Conseil supérieur de la Justice. Il insiste également sur le fait que subsistent de nombreux doutes quant à des influences extérieures sur l'enquête, mais il ne donne pas l'illusion de constats que l'examen rigoureux des faits ne permet pas d'établir.

 

Je souhaiterais souligner l'impressionnant travail des services de la Chambre et celui des experts. Il faut constater que, sans l'apport également du rapport du CSJ, jamais nous n'aurions pu rédiger un document tel qu'il vous est présenté et discuté aujourd'hui. Je souhaiterais saluer la concorde qui a présidé au travail des membres de cette commission parlementaire – concorde à laquelle nous assistons trop rarement, hélas. Je souhaiterais également saluer la dignité et la résilience des nombreuses victimes qui attendent des réponses depuis plus de 16 ans.

 

À l'instar de la collègue De Wit, j'ai envie de vous dire que l'adoption du rapport en discussion ce jour ne clôturera pas les travaux de notre Parlement relativement à ce dossier. Ils ont été déjà nombreux, mais ils ne sont malheureusement pas terminés. Le rapport contient plusieurs recommandations, qui doivent corriger les dysfonctionnements identifiés durant notre travail pour qu'ils ne puissent jamais se reproduire. Ces recommandations, contrairement à ce qui arrive parfois, doivent être appliquées. Nous serons très attentifs à ce qu'elles le soient rapidement pour que les victimes de demain ne puissent dire à celles du passé: "Regardez, malgré tout ce travail et ce que vous avez traversé, aujourd'hui est identique à hier."

 

Monsieur le président, chers collègues, notre groupe adoptera ce rapport. Nous l’adopterons avec ses recommandations. Nous l’adopterons aussi avec l’humilité qui préside à l’exigence de poursuivre ce travail. Nous veillerons, aux côtés des collègues de ce Parlement avec lesquels nous avons travaillé, à ce que ces recommandations soient, le plus rapidement possible, traduites et suivies d’effets.

 

01.09  Greet Daems (PVDA-PTB): Collega’s, de opdracht van deze parlementaire onderzoekscommissie was om een antwoord te bieden op de vraag wat er misgelopen is bij Operatie Kelk, het gerechtelijk onderzoek naar seksueel misbruik en schuldig verzuim binnen de Belgische kerk.

 

We hebben collectief hard gewerkt in deze commissie. We hebben ook open kunnen debatteren. Dat waarderen we oprecht. Ik wil in het bijzonder mijn dank uiten aan de diensten van de Kamer en de juridische experten die ons het afgelopen anderhalf jaar hebben bijgestaan.

 

Voor ons ligt nu een eindrapport met een waardevol overzicht van alle vaststellingen en aanbevelingen die nuttig kunnen zijn om toekomstige gerechtelijke onderzoeken transparanter en sneller te laten verlopen. Dat is heel belangrijk, want uit alles wat fout liep bij Operatie Kelk valt veel te leren.

 

Dat gerechtelijk onderzoek heeft vijftien jaar geduurd. Sinds vorig jaar kennen we ook het resultaat. Er komt geen proces. Nochtans legde ook de onderzoekscommissie van 2024 talloze feiten van misbruik en systematisch wegkijken door de kerk bloot. Nochtans blijven tot op de dag van vandaag de getuigenissen binnenstromen.

 

Hoe is dat mogelijk? Hoe valt dat uit te leggen? Het antwoord op die vragen is ook de reden waarom we dit eindrapport vandaag niet zullen goedkeuren. Er is een te groot contrast tussen de vele straffe gebeurtenissen uit Operatie Kelk en de conclusies die dit eindrapport daaraan koppelt. Ik kom daar later nog uitgebreid op terug.

 

Laat me beginnen bij de kern van de zaak. Het is een publiek geheim dat de kerk al decennialang systematisch probeert om seksueel misbruik onder de mat te vegen. Slachtoffers die de moed vonden om een melding te maken, worden niet serieus genomen. Ze worden beschuldigd van fantasten te zijn, geldwolven. Ze kregen een schaamtegevoel aangepraat. Hun lijden werd geminimaliseerd en genormaliseerd. Velen werden geïntimideerd. Slachtoffers kregen in het beste geval wat zwijggeld. De kerkelijke hiërarchie verzuimde om misbruikers bij het gerecht aan te geven. Daders worden hoogstens overgeplaatst, zonder dat hun nieuwe werkplek over het misbruik werd ingelicht. Zo konden ze opnieuw slachtoffers maken.

 

Het verhaal van Nicolas Versele in Brief aan de Paus, de opvolger van de VRT-reeks Godvergeten, is een tekenend voorbeeld. Versele werd als kind in 2005 twee jaar lang misbruikt door een Salesiaanse priester, Luc Delft, in een Don Bosco-instituut. Delft was daarheen overgeplaatst. De reden? Hij had in een ander instituut verschillende jongens aangerand. Delft werd in 2012 veroordeeld voor dat misbruik, maar zelfs dan stopte het niet. Opnieuw mocht hij aan de slag bij een katholieke organisatie, opnieuw met kinderen, ditmaal in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Pas toen journalisten van CNN hem in 2019 publiek confronteerden, eindigde zijn verhaal.

 

Collega’s, dat was 2012. Het doofpotbeleid van de kerk is dus allerminst een zonde uit een tijd waarin er minder bewustzijn was over misbruik. Pas wanneer de druk van buitenaf te groot wordt, gaat de kerk luisteren naar slachtoffers en worden daders naar het gerecht verwezen. Dat is de rode draad, keer op keer.

 

Na al die jaren raakt de kerk niet verder dan het woordelijk erkennen en betreuren van het misbruik, terwijl zij in alle talen zwijgt wanneer in concrete dossiers vragen worden gesteld over een ontoereikende of foute aanpak. Voor de kerk is reputatie dus belangrijker dan het verhinderen van misbruik en gerechtigheid.

 

Operatie Kelk moest daarin verandering brengen, maar vijftien jaar later eindigen we zonder proces. Het zou bijzonder naïef zijn om dat toe te schrijven aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden en toevalligheden, laat staan aan gerechtelijk geklungel of interne vetes.

 

Nochtans lijkt het eindrapport die conclusie te trekken. Daarvan neemt de PVDA afstand. De belangen van de kerk hebben keer op keer de bovenhand gehaald in dit gerechtelijk onderzoek. Er is sabotage geweest. Er werden mensen beschermd. Er is geprobeerd, met succes, om het proces te vertragen. Er zijn zware fouten gemaakt. De Hoge Raad voor de Justitie bevestigt dat. De Raad wees op meerdere disfuncties en fouten in het rapport over Operatie Kelk.

 

We hoorden het meerdere malen tijdens hoorzittingen. Betrokkenen omschreven bepaalde acties als niet normaal, uitzonderlijk, nog nooit meegemaakt.

 

Ik geef een aantal voorbeelden. Enkele dagen na de huiszoekingen en de inbeslagname van dossiers bij de kerk wordt al een onderzoek ingesteld naar het verloop van die huiszoekingen, om de wettigheid ervan te controleren, midden in een vakantieperiode. Die snelheid was nooit gezien. Dat hebben we hier meerdere malen gehoord. Ook het strenge toezicht van het parket-generaal op het onderzoek was ongewoon. Betrokkenen omschrijven dat als micromanagement.

 

Daarnaast is er het selectieve geheugenverlies van meerdere sleutelactoren tijdens de hoorzittingen. We zagen magistraten die op cruciale momenten in het dossier zijn tussengekomen en die tijdens de hoorzittingen gewoon meedeelden: “Ik ken dat dossier niet.” Dat is ongeloofwaardig. In zo’n maatschappelijk en delicaat dossier vergeet je dat toch niet zomaar. Er is ook een magistraat die werd gewraakt omdat hij de advocaat van de slachtoffers niet uitnodigde op cruciale zittingen en die later toch opnieuw zetelde in andere zittingen. Een magistraat van het federaal parket zweeg over die wraking tijdens de zitting. Het Hof van Cassatie en de Hoge Raad voor de Justitie noemen dat totaal onwettig, en toch is het gebeurd. Er zijn dossiers en potentiële bewijsstukken die op de griffie bewaard moesten worden, maar toch zijn teruggegeven aan de kerk, opnieuw zonder medeweten van de slachtoffers.

 

De advocaat van de kerk bezocht het parket-generaal, en na dat bezoek werd de vordering plots gewijzigd. Wanneer wij die magistraat tijdens de hoorzitting vroegen naar de reden van die plotse koerswijziging, antwoordde hij voortschrijdend inzicht, zonder verdere uitleg. Daarnaast zijn er arresten die vertrouwelijk naar de minister van Justitie zijn gestuurd, nog vóór de slachtoffers zelf op de hoogte werden gebracht. Het lijstje is lang en ik kan nog veel meer voorbeelden geven. Dan stel ik mij de vraag: is dat allemaal toeval? Zijn dat allemaal zaken die helaas niet zijn verlopen zoals het moest, zoals het rapport stelt? Voor ons is dat duidelijk. Op basis van deze en vele andere vaststellingen die het onderzoek van deze onderzoekscommissie aan het licht heeft gebracht, zijn wij ervan overtuigd dat er wel degelijk inmenging is geweest door zowel politieke als kerkelijke actoren in het onderzoek naar schuldig verzuim omtrent seksueel misbruik in de kerk.

 

De kerkelijke hiërarchie werd beschermd in Operatie Kelk. Daar heeft ook toenmalig minister van Justitie Stefaan De Clerck een rol in gespeeld. Sta me toe dat laatste toe te lichten.

 

Minister De Clerck handelde duidelijk met twee maten en twee gewichten in dit onderzoek. Een minister moet zich, gelet op de scheiding der machten, strikt houden aan zijn bevoegdheden. Zo mag een minister informatie vragen over een lopend dossier, maar hij mag geen instructies geven of druk uitoefenen op magistraten om het onderzoek in een bepaalde richting te sturen.

 

Dat laatste zou politieke inmenging zijn. Toch stelden we intensief contact vast tussen de minister en het parket-generaal, waaronder brieven, telefoons, persoonlijke ontmoetingen. Het eindrapport benoemt dit intensieve contact als “ongewoon.” Maar, collega’s, opnieuw, het is niet enkel ongewoon, de handelingen hadden een doelmatigheid waar we niet naast kunnen kijken. Inmenging om een lopend gerechtelijk onderzoek te doen vastlopen.

 

We gebruiken dit woord heel bewust. De inmenging begon al voor de start van Operatie Kelk. In mei 2010 probeerde minister De Clerck al met de opstart van een protocol de behandeling van klachten over misbruik die binnenkwamen bij de kerk via de commissie-Adriaenssens te beïnvloeden. De minister heeft over dit protocol, dus een informele overeenkomst, mee onderhandeld tussen de kerk en het gerecht. Het resultaat was een onwettige overeenstemming die de kerk, dus de instelling van de verdachten in deze dossiers, het vertrouwen gaf om zelf te bepalen welke misdrijven ze zou doorgeven aan justitie. Zo kon men dossiers weghouden van het gerecht, ver weg van mogelijke reputatieschade, maar ook ver weg van gerechtigheid.

 

Dan is er de ongeziene snelheid waarmee een onderzoek werd ingesteld naar de huiszoekingen. Ook daar speelde de minister een rol. Amper een week na de huiszoekingen, midden in de vakantieperiode, startte het parket-generaal een procedure om de wettigheid ervan te controleren. Procureur-generaal de le Court heeft tijdens éen van de hoorzittingen hier verklaard dat de minister hem al in de eerste dagen na de huiszoekingen gevraagd had welke initiatieven en vorderingen hij dacht te nemen. De procureur-generaal zei tegen ons: ik heb geweigerd daarop te antwoorden, want deze vraag zou gezien kunnen worden als externe druk.

 

In de werkkaften hebben we nog meer van dat soort ongewone briefwisselingen tussen het parket-generaal en de minister gevonden.

 

In oktober 2010 ging minister De Clerck duidelijk zijn boekje te buiten. Toen hij in de krant las dat de advocaten van de slachtoffers inzage zouden krijgen in de in beslag genomen bewijsstukken, schreef hij meteen een brief aan de procureur-generaal met de vraag welke initiatieven hij dacht te nemen. Dat kan niet anders worden begrepen dan als de vraag wat hij daaraan zou doen. Een dergelijke formulering is duidelijk richtinggevend. Dergelijke beslissingen komen enkel toe aan iemand van de rechterlijke orde. Zijn actie had succes, want enkele dagen later stelde de procureur-generaal de minister in een brief gerust. Hij schreef dat hij inderdaad van mening was dat de betreffende verzoeken hadden moeten worden afgewezen, en prompt werd hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeksrechter. Doel bereikt.

 

Daarnaast was er ook de communicatie. De minister communiceerde zelf buitengewoon proactief over de controle van het onderzoek. Hij drong er bij het parket op aan om besluiten die in het voordeel zijn van de Kerk, publiek te maken, hoewel die nog niet definitief waren, aangezien hoger beroep nog mogelijk was.

 

De minister ontving bovendien gerechtelijke arresten nog vóór ze aan de betrokken partijen, waaronder de slachtoffers en hun advocaten, waren meegedeeld. Dat is zeer ongebruikelijk. Rechterlijke beslissingen worden immers normaal niet rechtstreeks aan een minister bezorgd. Zelfs de pers bracht die beslissingen van het parket-generaal destijds vaak in verband met vergaderingen en correspondentie met de minister. Sprekend in dat verband zijn ook de woorden van toenmalig parlementslid Renaat Landuyt, die tijdens de onderzoekscommissie van 2010 bij de minister erop aandrong om zich te gedragen als minister van Justitie, veeleer dan als de minister van de Kerk.

 

Die twee maten en twee gewichten zagen we geregeld opduiken. Wanneer de advocaat van de Kerk zich rechtstreeks tot de minister richtte, reageerde hij onmiddellijk en schakelde hij het parket in. De belangrijkste brieven van de advocaat van de slachtoffers bleven echter onbeantwoord, zelfs wanneer hij wettelijk de bevoegdheid had om in te grijpen.

 

Collega’s, het eindrapport vermeldt dat de talrijke interventies en contacten tussen de minister van Justitie en het parket-generaal ongewoon waren en dat die twijfels hebben doen rijzen over de rechtmatigheid van die interventies. Voor ons is er geen twijfel meer. Als men al die ongewone interventies op een rij zet, dan is het duidelijk. De minister heeft geprobeerd het onderzoek te beïnvloeden om de Kerk te beschermen. De druk en de inmenging door de Kerk en door de toenmalige minister van Justitie De Clerck verklaren ook veel van de overhaaste, tegenstrijdige en slachtofferonvriendelijke beslissingen. Die conclusie ontbreekt in de voorliggende tekst en daarom kunnen we het eindrapport niet goedkeuren.

 

Ik eindig waar ik begon. De aanbevelingen van het eindrapport zijn nuttig om toekomstige gerechtelijke onderzoeken transparanter en sneller te laten verlopen. Het is nu aan ons, aan het Parlement, om erop toe te zien dat de aanbevelingen geen dode letter blijven. Hetzelfde geldt ook voor de 137 aanbevelingen van de vorige onderzoekscommissie. Veel beloftes aan de slachtoffers zijn voorlopig nog steeds dode letter. Wij zullen dan ook druk blijven zetten, opdat er werk wordt gemaakt van een stevig herstelfonds voor de slachtoffers, de overlevers, een fonds dat vergoedingen uitbetaalt voor het leed dat hun is aangedaan, zodat zij niet langer hoeven te kiezen tussen brood op de plank of therapie. Er werd evenmin een officiële herdenkingsdag ingesteld, wat nochtans heel belangrijk voor de overlevers is.

 

Vooruitkijken betekent ook durven te benoemen wie in het verleden medeplichtig was aan de bescherming van de daders en net dat doet het eindrapport niet, beste collega’s. Het is al de derde onderzoekscommissie, die zich over het dossier buigt, voor mij persoonlijk de tweede. We kunnen het dossier niet opnieuw afsluiten zonder een ernstig antwoord op de vraag waarom vijftien jaar onderzoek naar schuldig verzuim geen enkele veroordeling of zelfs aanklacht heeft opgeleverd, ondanks honderden getuigenissen en ondanks alle aanwijzingen. Dat we daarop opnieuw geen eerlijk antwoord bieden, kan ik in eer en geweten niet steunen. Wij erkennen de inspanningen die de commissie heeft geleverd, maar wij betreuren haar koudwatervrees wanneer het gaat om het aanduiden van verantwoordelijken.

 

Het was onze belofte om elke steen om te keren, maar met onderhavig rapport dreigen we vele vragen voorgoed onbeantwoord te laten. Dat zou het zoveelste onrecht voor de slachtoffers zijn.

 

Daarom dienen we vandaag een alternatieve motie in. We vragen dat het rapport expliciet erkent dat er beïnvloeding was door de Kerk en ook door de toenmalige minister van Justitie en dat talrijke zogenaamd ongewone beslissingen telkens in het voordeel van de verdachte, namelijk de kerkelijke hiërarchie, waren. We vragen u in alle ernst om de alternatieve motie mee goed te keuren.

 

01.10  Ismaël Nuino (Les Engagés): Monsieur le président, chers collègues, je voudrais tout d'abord, au nom de mon groupe, commencer par celles et ceux à qui nous devons ce travail, c'est-à-dire les victimes. À celles et ceux qui ont parlé, parfois et même souvent, au prix d'un courage qu'il est très difficile de mesurer. C'est d'abord à elles que nous pensons. Nous leur devons, je leur dois, la franchise de dire que le travail mené dans cette commission, aussi sérieux et exigeant ait-il été, n'apportera certainement pas toutes les réponses à leurs questions. Nous en sommes pleinement conscients, mais nous avons tenté, autant que possible, de faire la lumière sur ce qui n'a manifestement pas fonctionné lors de l'enquête judiciaire. Notre commission, comme cela a déjà été dit, avait une mission précise: examiner les dysfonctionnements intervenus dans le cadre de l'enquête Calice.

 

Elle prenait la suite de deux commissions qui avaient, avant elle, déjà abordé largement le sujet des violences sexuelles dans l'Église. J'avoue, personnellement, avoir d'abord eu une crainte, celle que cette commission devienne une commission strictement technique, froide, absorbée par un travail uniquement axé sur la procédure pénale. Je dois dire qu'au regard du travail qui a été fait, la réalité a été tout autre. À aucun moment, ni la commission ni aucun des commissaires n'ont perdu de vue l'intérêt supérieur des victimes. La question qui a guidé nos travaux est toujours restée la même: comment faire en sorte que ce que nous avons observé ne se reproduise plus? Comment faire pour que la justice soit à la hauteur? Comment faire pour que les victimes ne le deviennent pas une seconde fois?

 

Nous l'avons fait, bien sûr, sans jamais prétendre nous substituer à la justice. Son travail n'était pas terminé, plus de 15 ans après la découverte des faits et le début de l'enquête, et c'est – je le dis avec beaucoup de gravité – l'un des éléments les plus lourds de ce dossier. Quinze ans, c'est gigantesque dans une vie. C'est, malheureusement pour certains, le temps qu'il aura fallu pour que certains acteurs essentiels de l'enquête s'éteignent, parfois même des personnes mises en cause, avant même qu'un jugement ou que le début d'un jugement n'ait pu être rendu. C'est, pour d'autres, le temps d'une attente qui n'a toujours pas de fin. Aucune de nos auditions n'a pu nous convaincre qu'une telle durée soit, en tant que telle, justifiée. Aucune.

 

Encore une fois, nous avons essayé de retracer les faits, les décisions, les acteurs; et la tâche n'a pas été simple si longtemps après les événements. Cela nous a parfois empêchés d'obtenir des certitudes et des réponses nettes à toutes nos questions et à toutes les questions que les victimes sont en droit de se poser.

 

Mais comme cela a déjà été dit par des collègues, nous ne pouvions pas affirmer des choses que nous ne pouvions établir avec une entière certitude. Je ne reviendrai évidemment pas sur l'ensemble du rapport, à l'instar de mon collègue Aouasti. Il est très complet; et le rapport qui a été fait oralement tout à l'heure était également assez complet.

 

Je réévoquerai certainement l'une ou l'autre des recommandations, non pas simplement pour les redire, mais pour rappeler l'importance concrète de leur mise en œuvre, car cela sera l'enjeu des prochains mois et des prochaines années.

 

D'abord, en matière de durée de l'enquête pénale, elle est due à des raisons multiples et diverses, comme j'ai pu l'exposer tout à l'heure lors du rapport oral. La succession des juges d'instruction, la durée qu'il a fallu pour avoir des réquisitions, la perte en partie d'un dossier pénal – ce qui est particulièrement incompréhensible – tous ces éléments mènent à diverses recommandations.

 

Les recommandations sont de généraliser des dossiers d'instruction numérique, de désigner des juges d'instruction suppléants pour s'assurer de la continuité des dossiers, de prévoir des délais beaucoup plus stricts dans la possibilité et la nécessité de tracer des réquisitions à la fin de l'enquête. Ces éléments-là doivent être mis en œuvre et c'est ce à quoi nous devrons veiller pour la suite.

 

Ce rapport est très important parce qu'il nous renvoie à la nécessité, dans cette enquête mais dans toutes les autres, d'une justice plus rapide, plus traçable, plus transparente, plus respectueuse des personnes et surtout des victimes.

 

Car ce que je retiens particulièrement au terme de ce long travail, c'est que cette justice n'est pas parfaite. Il y a clairement eu des dysfonctionnements et nous devons toutes et tous, à notre place, faire mieux.

 

Nous le devons d'abord aux victimes. Nous le devons aussi à cette institution dont la légitimité dépend, dans nos démocraties, de la confiance qu'on peut lui porter. Une confiance qui, il faut le dire, est parfois érodée et qu'il faut reconstruire avec patience, mais aussi avec beaucoup d'exigence.

 

Nous devons toutes et tous, législateur, magistrats mais aussi citoyens, œuvrer main dans la main pour rendre à cette justice la confiance qu'elle mérite. Car, sans le passage de la justice, sans une justice efficace, sans une justice transparente, les questions restent, les doutes persistent.

 

Les peurs demeurent également, les crimes restent impunis et la page ne peut pas être tournée pour les victimes. Comme c'est indiqué dans le rapport, la justice a clairement dysfonctionné et a été trop lente. De trop nombreuses personnes ne peuvent pas tourner la page. Il est impératif et de notre responsabilité d'avoir la capacité de faire mieux demain.

 

Ce rapport est le fruit d'un travail collectif des membres de la commission, des experts qui nous ont accompagnés, du Conseil supérieur de la Justice dont le rapport de l'enquête particulière a été pour nous un point de départ, et de toutes celles et tous ceux qui ont accepté de témoigner et qui ont donc contribué à ces travaux. Qu'ils soient toutes et tous sincèrement remerciés. Je remercie également les services de la Chambre pour leur professionnalisme qui a été indispensable dans ce travail, ainsi que l'ensemble des commissaires qui ont travaillé dans l'objectif commun de faire la lumière et tenter d'en tirer des leçons.

 

Je pense également qu'il faut saluer le travail de la presse dans ce dossier. La presse a fait en sorte que ce dossier reste vivant, qu'il continue à être au centre de l'attention et à nous obliger à en tirer le plus de leçons possible. Dans une démocratie et dans un État de droit, cette presse est indispensable. Elle nous l'a montré, une fois de plus.

 

Comme l'a notamment souligné Mme De Wit, ce qu'il nous reste maintenant, c'est le plus important. Ce rapport n'a de valeur que si ces recommandations sont effectivement mises en œuvre. Nous le devons clairement aux victimes et à la justice ainsi qu'à la confiance que ce pays peut placer dans sa justice. Je suis convaincu que nous ferons toutes et tous un point d'honneur à faire en sorte que ces recommandations soient mises en œuvre le plus rapidement possible pour que cela ne puisse plus se reproduire.

 

01.11  Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, collega’s, wij kunnen ons niet inbeelden hoe het is om als vijfjarige door een bisschop seksueel te worden misbruikt. Wij kunnen ons niet inbeelden hoe het is om niet één keer, niet tien keer maar honderden keren het slachtoffer te zijn van een nonkel met veel macht in de kerk. Wij kunnen ons niet inbeelden hoe het is om vele jaren te worstelen met alle pijnlijke ervaringen. Wij kunnen ons niet inbeelden hoe het is om eindelijk de moed bijeen te rapen, met zijn of haar verhaal naar de kardinaal te stappen en daar als antwoord te krijgen dat hij of zij ook om vergiffenis kan vragen. Wij kunnen ons niet inbeelden hoe het is om vijftien jaar later na een gerechtelijke procedureslag te horen dat er geen proces komt, geen berechting en geen straffen voor de gruwelijke monsters.

 

Toen ik onlangs de documentaire ‘Brief aan de paus’ bekeek, drong het besef nogmaals hard tot mij door. Het leed van de slachtoffers is immens en wij kunnen dat echt niet vatten. Ik begrijp trouwens dat Mark Vangheluwe het woord ‘slachtoffer’ vies vindt, omdat hij het gevoel heeft dat hij als offer is geslacht. Ik zal daarom de term ‘overlevers’ proberen te gebruiken.

 

Het is dan ook met enige schroom dat ik aan de onderzoekscommissie ben begonnen en dat ik hier voor jullie sta. Ik voelde schroom, omdat die vele overlevers het vertrouwen in Justitie kwijt zijn en alle hoop op de politiek hebben gericht. Ik voelde ook schroom, omdat ik als niet-jurist alle betrokken magistraten en rechters moest ondervragen. Ik voelde schroom, omdat ik besefte dat het moeilijk, zo niet onmogelijk, zou zijn om aan alle verwachtingen te kunnen voldoen. Ik was ook vastberaden om hard te werken en de overlevers zoveel mogelijk te geven wat zij vragen en wat zij verdienen, namelijk erkenning, waarheid en gerechtigheid.

 

Eerst en vooral is de erkenning van hun leed en hun moed de reden waarom de vorige onderzoekscommissie is gestart met hun getuigenissen, omdat zij op de eerste plaats moeten staan nadat zij jarenlang niet op de eerste plaats zijn gezet. Voor die erkenning wil ik de vorige onderzoekscommissie onder leiding van mevrouw De Wit bedanken. Het is op het werk van die commissie dat de huidige onderzoekscommissie absoluut wilde voortbouwen. Daarom begint het voorwoord van ons eindrapport daar ook mee. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk dat is.

 

De opdracht van onze commissie was toch vooral om op zoek te gaan naar de waarheid, namelijk de waarheid over Operatie Kelk. Waren er echt clandestiene zittingen geweest? Was er sprake van beïnvloeding? Werden in beslag genomen stukken onrechtmatig teruggegeven aan de kerk?

 

Na Godvergeten werden grote beschuldigingen geuit. De Hoge Raad voor de Justitie heeft daar een grondig onderzoek naar gevoerd. Wie dacht dat die beschuldigingen zouden worden weerlegd of genuanceerd, kwam bedrogen uit. Ze werden grotendeels bevestigd en men kwam met een lange lijst van disfuncties. Onze commissie heeft alle betrokkenen ook ondervraagd en kan niet anders dan tot dezelfde conclusie komen als de Hoge Raad. Die conclusie, collega’s, is hard en staat klaar en duidelijk in het voorwoord. Ik citeer: “Er is tijdens Operatie Kelk herhaaldelijk en te vaak de kans gemist om de slachtoffers, overlevers, lotgenoten, echt op de eerste plaats te zetten.”

 

Meteen na de huiszoekingen in juni 2010 waren er al ongewone ontwikkelingen. De conclusie van onze commissie daarover is ook heel duidelijk. Het is toen niet verlopen zoals het moest of zoals het had mogen worden verwacht, vanuit het oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling. Ik geef enkele voorbeelden. Nog nooit werd zo snel een regelmatigheidscontrole uitgevoerd. Burgerlijke partijen werden letterlijk de deur gewezen bij belangrijke zittingen van de kamer van inbeschuldigingstelling. Er waren vele interventies, telefoontjes, ontmoetingen en brieven van de minister van Justitie, die het vermoeden hebben gecreëerd dat hij de procedure wilde beïnvloeden. Er waren huiszoekingen waarmee de kamer van inbeschuldigingstelling eerst geen probleem had, maar die zij op een tweede zitting plots nietig verklaarden, toevallig na een gesprek met de advocaat van de kerk.

 

Collega’s, betekent dit laatste dat er beïnvloeding door de kerk is geweest? De middelen van een onderzoekscommissie, vijftien jaar na datum, zijn beperkt. We hebben er ook al op gewezen dat heel wat gehoorden aan selectief geheugenverlies lijden. Bovendien heeft geen enkele magistraat of referendaris in de commissie verklaard persoonlijk door vertegenwoordigers van de kerk onder druk te zijn gezet. Onze conclusie is wel duidelijk. Ik citeer opnieuw uit ons rapport: “De onderzoekscommissie heeft vastgesteld dat er pogingen tot beïnvloeding door de kerk werden ondernomen. Of deze pogingen ook impact hebben gehad op de gerechtelijke besluitvorming kan noch worden bewezen, noch worden uitgesloten.”

 

Collega’s, ik ga niet in detail in op alle conclusies van het rapport. Ik zal het dus niet hebben over de veel te lange duurtijd, waarvan de commissie van oordeel is dat de verklaringen die daarvoor werden gegeven echt niet kunnen rechtvaardigen dat overlevers vijftien jaar moesten wachten. Ik ga het ook niet hebben over het feit dat, ondanks de federalisering van het dossier, het federaal parket niet verder heeft opgevolgd wat de lokale parketten met de dossiers deden, wat leidde tot versnippering.

 

Waar ik het wel over wil hebben, is het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 20 maart 2014. Op die dag werd immers beslist om alle in beslag genomen dossiers terug te geven aan de kerk. Op die dag kraaide de kerk victorie. Die beslissing werd genomen door een KI voorgezeten door iemand van wie twee arresten uit 2010 in Operatie Kelk door het Hof van Cassatie werden vernietigd en die zich in 2012 had neergelegd bij een wrakingsverzoek. Op die manier heeft die man zijn uit 2010 vernietigde arresten weer tot leven gewekt. Dat is werkelijk onaanvaardbaar en – vergeef mij de slechte woordspeling – wraakroepend.

 

Bovendien werd in 2014 het omgekeerde beslist van wat in 2012 was beslist, namelijk geen teruggave, maar bewaring ter griffie. Dit arrest betekende de facto het einde van Operatie Kelk. Als men vervolgens kijkt naar de conclusies die deze commissie, na vele uren hoorzittingen en het onderzoek van talrijke documenten, moet trekken, dan kan men alleen maar begrip hebben voor de grote ontgoocheling bij de overlevers.

 

Ten eerste is de commissie van oordeel dat de KI op dat moment eigenlijk geen rechtsmacht had om te beslissen over de teruggave. Ten tweede is de commissie van oordeel dat de KI niet had mogen worden voorgezeten door de heer van der Eecken. Ten derde is de commissie van oordeel dat het federaal parket daartegen protest had moeten aantekenen. De commissie is voorts van oordeel dat de burgerlijke partijen hadden moeten worden uitgenodigd. Zij betreurt dat het federaal parket niet in cassatieberoep is gegaan en de commissie is het niet eens met het federaal parket dat de teruggave niet problematisch was omdat alle stukken grondig waren onderzocht, maar sluit zich aan bij het oordeel van de Hoge Raad voor de Justitie dat de inhoud van de 931 dozen niet volledig en in detail werd onderzocht.

 

Collega’s, dat de overlevers om al deze redenen het gevoel hebben dat er geen gerechtigheid is geschied, daarvoor heb ik het volste begrip. Wanneer een overlever in de documentaire Brief aan de paus zegt dat er honderden slachtoffers gekend zijn en dat er met de daders amper iets is gebeurd, dan heeft de rechtsstaat gefaald. Ook daarvoor heb ik het volste begrip. Wanneer een advocaat van de burgerlijke partijen dit beschamend noemt voor Justitie, kan ik daar het volste begrip voor opbrengen.

 

Waar ik echter geen begrip voor kan opbrengen, is de houding van de katholieke kerk. Na het ontslag van Vangheluwe in 2010 heeft men in alle kerken in ons land een schuldbekentenis voorgelezen. Ik citeer uit de pastorale brief die toen werd voorgelezen: “Er werd voorrang gegeven aan de goede naam van het kerkelijk instituut of een kerkelijke persoon, boven de waardigheid van het kind als slachtoffer. Daders kregen een nieuwe kans, terwijl slachtoffers door het leven gingen met kwetsuren die niet of nauwelijks konden genezen.”

 

Dat, collega’s, werd voorgelezen in alle kerken van ons land. In een rechtsstaat volstaat het echter niet om enkele schuldbekentenissen in uw eigen kerk uit te spreken of uit te preken. Aartsbisschop Terlinden zegt vandaag dat men justitie haar werk wilde laten doen. Sorry, met alle respect, maar dat is net wat men niet heeft gedaan. Men heeft immers alles in het werk gesteld om de huiszoeking nietig te laten verklaren. Men heeft immers alles in het werk gesteld om de in beslag genomen stukken terug te kunnen krijgen.

 

Als men dan weet, collega’s, dat de bisschoppen in de parlementaire commissie van 2010 hebben erkend dat er in elk bisdom geheime archieven van misbruikdossiers waren en als men weet dat er op de dag van de huiszoekingen in Mechelen een bisschoppenconferentie plaatsvond met als vijfde agendapunt de vraag wat men moest doen met de geheime misbruikdossiers, dan heeft de kerk een enorme kans gemist om de daad bij het woord te voegen en haar eigen schuldbekentenis om te zetten in echte transparantie.

 

Daarom betreurt de onderzoekscommissie in haar voorwoord ook heel duidelijk – ik citeer opnieuw – "dat de kerk ervoor gekozen heeft om er een procedureslag van te maken in plaats van ten volle haar medewerking te verlenen aan het gerechtelijk onderzoek naar het misbruik dat zich binnen haar structuren heeft voorgedaan".

 

Voorzitter, collega’s, ik rond af. Ik hoop dat de overlevers in ons eindrapport voldoende blijk van erkenning vinden voor hun leed en hun moed. Ik denk dat we met ons eindrapport ook wel wat waarheid hebben kunnen bovenbrengen over Operatie Kelk.

 

Volledige gerechtigheid, collega’s, kan de politiek helaas niet bieden. We kunnen niet in de plaats treden van het gerecht of het gerechtelijk onderzoek opnieuw doen. Ik verwelkom wel de aankondiging van onze regering dat ze aan de slag gaat met de aanbeveling van de vorige onderzoekscommissie om een herstelfonds op te richten om de slachtoffers van het misbruik in de kerk uit het verleden te vergoeden. Daar moet nu snel werk van gemaakt worden, met een stevige bijdrage van de kerk zelf. Dat is het minste, collega’s, wat de politiek nog kan doen. Ik wil u danken.

 

01.12  Leentje Grillaert (cd&v): Voorzitter, collega’s, het woord schroom is hier al een aantal keer gevallen. Inderdaad, schroom, want we spreken altijd over het dossier. Achter dit dossier schuilen echter persoonlijke verhalen die diep raken en die ons allen confronteren met de verantwoordelijkheid die we als wetgever dragen.

 

Ik heb dat ook gezegd tijdens de commissie, het zijn niet alleen verhalen die naar ons gekomen zijn in het kader van een vorige onderzoekscommissie, ieder van ons kent misschien ook verhalen die van dichtbij of vanuit een nabije omgeving zijn gekomen. Onze eerste bekommernis is en blijft het respect voor de slachtoffers en inderdaad de overlevers van het misbruik.

 

Van bij de oprichting van deze parlementaire onderzoekscommissie was het dan ook duidelijk dat we aan de samenleving, en in het bijzonder aan de slachtoffers en overlevers, verplicht waren om het gerechtelijk onderzoek grondig te analyseren. Ik heb destijds tijdens de plenaire vergadering, die in een andere zaal plaatsvond dan vandaag, gezegd dat het de bedoeling was om te achterhalen waar het in dit dossier is misgelopen, of het nu ging om de uitzonderlijk lange duur van het onderzoek, gebrekkige communicatie of spanningen tussen actoren, en om daaruit lessen te trekken voor de toekomst.

 

De bevolking heeft recht op transparantie en opheldering over het verloop van dit dossier. Dat was wat ik toen gezegd heb. Welnu, collega’s, de grondwettelijke onderzoeksbevoegdheid van dit Parlement werd in dat kader ten volle benut. We hadden het verslag met de bevindingen van de Hoge Raad voor de Justitie voor onze werkzaamheden. Daarnaast organiseerden we 24 hoorzittingen. We analyseerden uitvoerig de beschikbare stukken, waaronder de werkkaften van het parket-generaal van Brussel, die een unieke inkijk boden in het verloop van het onderzoek en de interne besluitvorming.

 

Ik denk dat ze vandaag nog niet genoemd zijn, maar we werden ook bijgestaan door twee experten, de heren Benoit Dejemeppe en Joost Huysmans. Ik wil hen ook uitdrukkelijk bedanken voor hun hulp bij de juridische en institutionele aspecten. Uiteraard gaat mijn dank ook uit naar alle personen die hebben meegewerkt aan deze onderzoekscommissie via getuigenissen in de hoorzittingen, maar ook naar de voorzitter, de collega’s en zeker ook de diensten van de Kamer.

 

Collega’s, een belangrijke en wellicht voor ons toch de meest ingrijpende vaststelling betreft de duur van het gerechtelijk onderzoek. Ik citeer de Hoge Raad voor de Justitie, die stelde dat, "hoewel vele magistraten en politiemensen zich met de beste bedoelingen hebben ingezet in een dossier met een grote maatschappelijke impact, wij als samenleving en justitie er niet in geslaagd zijn een aanpak te ontwikkelen die als rechtvaardig wordt ervaren. Het onderzoek sleepte jarenlang aan, met als gevolg dat slachtoffers een tweede keer slachtoffer werden."

 

De onderzoekscommissie erkent dat de lange duur van het onderzoek juridisch en feitelijk in zekere mate kan worden verklaard. Dat wordt uitvoerig toegelicht in het verslag. Mijn collega heeft daar ook over gerapporteerd.

 

Het dossier van Operatie Kelk was complex, omvangrijk en maatschappelijk bijzonder gevoelig. Die buitensporige duur is niet terug te brengen tot één enkele oorzaak. Het gaat om een dossier met een zeer groot aantal feiten, betrokken partijen en een uitzonderlijke fysieke omvang van honderden dozen. Daarbovenop komt de procedureslag, met herhaalde tussenkomsten van de kamer van inbeschuldigingstelling en van Cassatie. Ook het verlies van een aanzienlijk deel van de stukken heeft tijd gekost, ook al kon het dossier later worden hersamengesteld. De media-aandacht en de grote maatschappelijke gevoeligheid van het dossier hebben de behandeling evenmin vergemakkelijkt.

 

Collega’s, het is hier ook al ter sprake gekomen, het federaal parket maakte driemaal een eindvordering op, in 2015, 2019 en 2024. Tijdens de hoorzittingen zijn verklaringen gegeven voor die vertragingen, zoals de covidperiode, de hoge werklast door de ondersteuning van het grote aantal misbruikslachtoffers en de druk van grote dossiers, zoals de aanslagen van maart 2016. Dat zijn reële elementen, maar ze volstaan eigenlijk niet als antwoord op de vastgestelde latentieperiodes.

 

Juist in zulke zware en gevoelige dossiers moet de rechtsstaat voorzien in voortgangsbewaking. De menselijke kosten mogen niet worden weggemoffeld. Er zijn verdachten en burgerlijke partijen overleden. De vaststelling van de feiten werd daardoor bemoeilijkt, met minder mogelijkheden om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de slachtoffers. Voor slachtoffers-overlevers die al jarenlang wachten op erkenning, duidelijkheid en gerechtigheid, is zulke vertraging niet neutraal. Tijd is in zulke dossiers geen technisch detail, maar een wezenlijk onderdeel van rechtvaardigheid.

 

Zoals ook al aangehaald, kwam daarbovenop de versnippering. Na de federalisering in maart 2011 werden bepaalde feiten gelijktijdig doorgestuurd naar lokale parketten. Daardoor hadden de onderzoeksrechter en de onderzoeksgerechten op een bepaald moment geen volledig beeld meer van het dossier. Dat leidde onvermijdelijk tot tijdverlies en onduidelijkheid.

 

Ook spanningen tussen parket en zetel, en binnen het parket onderling over de saisine, het embargo, de communicatie en de in te nemen procedurele standpunten hebben de totale duur verder negatief beïnvloed.

 

Er spelen dus verschillende factoren tegelijk. Op menselijk vlak kan echter geen enkele rechtvaardiging worden gevonden voor het feit dat slachtoffers-overlevers in dit dossier – en ik zeg dit met schroom – bijna vijftien jaar moesten wachten op een behandeling ten gronde. Die vaststelling weegt zwaar.

 

Collega De Wit heeft ook gesproken over een eindpunt. Dit verslag is geen eindpunt. Het moet een belangrijke stap zijn in een ruimer traject. De voorgaande onderzoekscommissie heeft 137 aanbevelingen geformuleerd.

 

Twee daarvan wil ik kort onder de aandacht brengen. Ik wil ook even de aandacht vestigen op het feit dat de voorzitter van de vorige onderzoekscommissie Kelk zich blijvend inzet om ook die aanbevelingen gehonoreerd te zien en ik wil haar daarvoor bedanken.

 

Een eerste aanbeveling die ik onder de aandacht wil brengen, is het feit dat er gewerkt wordt aan een systeem waarbij wordt gebruikgemaakt van bestaande structuren, met name de Commissie voor Financiële Hulp aan Slachtoffers van Opzettelijke Gewelddaden. Binnen die commissie zullen specifieke kamers worden opgericht, met experts die vertrouwd zijn met de problematiek van seksueel misbruik. Zoals mijn collega daarnet al heeft aangehaald, zullen de middelen afkomstig zijn uit het bestaande Slachtofferfonds, aangevuld met bijdragen van onder meer veroordeelde daders en, voor dossiers met betrekking tot misbruik binnen de kerk, ook vanuit de kerk zelf, wat ook maar normaal is.

 

De bedoeling is om snelheid en deskundigheid te combineren, zodat slachtoffers niet opnieuw worden geconfronteerd met langdurige en complexe procedures. Het doel is om te komen tot een systeem dat zowel efficiënt als kwalitatief is en dat slachtoffers op een laagdrempelige manier toegang geeft tot financiële ondersteuning.

 

Een tweede belangrijk initiatief is de oprichting van een expertisecentrum voor minderjarige slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de specifieke kwetsbaarheid en noden van die doelgroep wordt onderzocht hoe dat centrum best kan worden vormgegeven, onder meer in overleg tussen de bevoegde ministers Verlinden en Beenders. Laten we daar snel werk van maken.

 

Ook het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen speelt daarbij een belangrijke rol, onder meer gelet op zijn coördinerende opdracht inzake de zorgcentra na seksueel geweld en zijn opgebouwde expertise inzake gendergerelateerd geweld. De bedoeling is om bestaande initiatieven beter op elkaar af te stemmen en lacunes in de begeleiding van minderjarige slachtoffers weg te werken.

 

Ook de huidige onderzoekscommissie formuleert een reeks concrete aanbevelingen die rechtstreeks voortvloeien uit de vaststellingen in dit dossier. Een eerste cluster van aanbevelingen heeft betrekking op het functioneren van het openbaar ministerie. Uit het onderzoek is gebleken dat het gerechtelijk onderzoek gepaard ging met interne spanningen en communicatieproblemen, in het bijzonder tussen het parket en het parket-generaal. Getuigenissen en dossierstukken tonen aan dat de samenwerking niet altijd vlot verliep. Er was sprake van terugkerende communicatieproblemen, een zekere afstand tussen de betrokken entiteiten en een aanzienlijke druk. In dat verband werd onder meer gewezen op een groot aantal dienstbrieven, wat door sommigen werd ervaren als micromanagement.

 

Daarnaast werd ook melding gemaakt van een cultuur waarin er terughoudendheid of zelfs een zekere drempel bestond om standpunten te delen, wat de interne werking niet ten goede kwam.

 

De commissie stelt vast dat dergelijke omstandigheden geen gunstig kader vormen voor een sereen en efficiënt gerechtelijk onderzoek. Daarom wordt aanbevolen om binnen het openbaar ministerie te investeren in een sterker en meer uitgebouwd hr-beleid, met aandacht voor ondersteuning, bemiddeling en het opvangen van interne spanningen. Instrumenten zoals een vertrouwenspersoon en interne bemiddelingsmechanismen kunnen bijdragen tot een betere samenwerking en tot het voorkomen van escalaties. Het doel is niet alleen conflicten op te lossen, maar ook ze in een vroeg stadium te detecteren en te vermijden.

 

Daarnaast wil ik vermelden dat wordt aanbevolen om, meer dan twintig jaar na de inwerkingtreding van de wet van 12 april 2014 inzake de verticale integratie van het openbaar ministerie, te evalueren in welke mate de oorspronkelijke doelstellingen van die hervorming effectief zijn gerealiseerd.

 

Een tweede belangrijke aanbeveling, waarnaar ik ook al heb verwezen in de rapportering, betreft de rol van de kamer van inbeschuldigingstelling bij de controle van het gerechtelijk onderzoek, met name de artikelen 136, 136bis en 235bis van het Wetboek van Strafvordering. Die laten ruimte voor uiteenlopende interpretaties. Zoals ik tijdens de rapportering al heb gezegd, hebben dergelijke verschillende interpretaties niet bijgedragen tot het sereen verloop van de procedure en hebben ze bij de betrokken partijen het gevoel van onrechtvaardigheid en onduidelijkheid versterkt. Nochtans is het doel van die controlemechanismen net om duidelijkheid te scheppen en discussies over de regelmatigheid van het onderzoek definitief te beslechten, niet om bijkomende geschilpunten te creëren. In die zin heeft de praktijk in dit dossier het tegenovergestelde effect gehad van wat de wet beoogt.

 

Daarom wordt aanbevolen om die bepalingen wettelijk te verduidelijken, zowel wat betreft de bevoegdheden van de kamer van inbeschuldigingstelling als de te volgen procedures, en heel expliciet aandacht te hebben voor de positie van de burgerlijke partijen en de mogelijkheid van een tegensprekelijk debat, onder meer in het kader van beslissingen over inbeslagnames en de opheffing ervan.

 

Aangezien ik in het begin ook verwees naar het belang van de duurtijd van het gerechtelijk onderzoek, zijn de aanbevelingen op dat vlak bijzonder relevant. Aanbeveling 38 bijvoorbeeld stelt voor dat in onderzoeken die langer dan twaalf maanden duren, jaarlijks een tegensprekelijke zitting van de KI wordt georganiseerd, waarbij procedurele termijnen worden vastgelegd en in het dossier opgenomen.

 

Aanbeveling 39 verdient eveneens een snelle uitvoering. De fase van de eindvordering van het openbaar ministerie moet in een strikt kader worden geplaatst, met een termijn van zes maanden vanaf de beschikking tot mededeling, slechts eenmaal verlengbaar via een gecontroleerde en gemotiveerde beslissing van de KI en met een verplicht voortgangsverslag in het dossier.

 

Aanbeveling 41: een eengemaakt digitaal onderzoekdossier, met volledige indexering, ondersteuning door een griffier-referendaris en een systeem waarbij verplaatsingen van dossierstukken met tijdstempel worden geregistreerd. Zo vermijden we dat stukken verloren gaan en maken we een einde van de praktijk van gedeeltelijke scanning.

 

Collega’s, voor ons is de rode draad doorheen dit verslag duidelijk: het versterken van het vertrouwen in Justitie en het verbeteren van de positie van slachtoffers, overlevers, binnen het gerechtelijk proces. De voorgestelde maatregelen beogen een beleid dat slachtoffers ernstig neemt, hen deskundig begeleidt en op een respectvolle manier ondersteunt.

 

Tegelijkertijd wordt de duidelijk de nood onderstreept aan procedures, een goede samenwerking binnen Justitie en een juridisch kader dat geen ruimte laat voor fundamentele onduidelijkheid. Veel van wat vandaag op tafel ligt, zal verder moeten worden uitgewerkt in overleg met de slachtoffers zelf en met alle betrokken actoren. Dat is essentieel om tot gedragen en werkbare oplossingen te komen. Dat is ook wat de slachtoffers zelf aangegeven hebben. Niet alleen erkenning, maar ook concrete vooruitgang. Ze vragen niet alleen om terug te kijken, maar vooral om te vermijden dat anderen hetzelfde moeten meemaken.

 

Dit is dus geen eindpunt. Er is nood aan vooruitgang. Collega’s, laten we er samen werk van maken.

 

01.13  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, collega’s, dit onderzoek was nodig, broodnodig. Het is absoluut niet normaal dat er na 15 jaar nog altijd geen beslissing is genomen.

 

Dit onderzoek heeft veel te lang geduurd. Dat heeft de Hoge Raad vastgesteld en dat is ook onze vaststelling. Dat is absoluut niet normaal in een goed functionerende rechtsstaat.

 

Achter die 15 jaar, met een bijzondere commissie waarnaar al is verwezen en twee onderzoekscommissies, achter die duizenden pagina’s verslagen en honderden getuigenissen, zitten mensen: slachtoffers, overlevers en familieleden die het immense leed van die slachtoffers van nabij meemaken en er vaak nog altijd onder lijden. Er is ook nog altijd geen recht gesproken.

 

Bijna twee jaar geleden bespraken we in de plenaire vergadering het rapport van de vorige onderzoekscommissie. De vaststelling toen was dat men geen twee commissies moest hebben gevolgd om te weten dat de kerk gefaald heeft in het voorkomen van seksueel geweld en in het optreden tegen de daders. Een menswaardige aanpak ontbrak heel vaak.

 

Op de kerk en de betrokken religieuze organisaties rust een verpletterende verantwoordelijkheid. Het gaat dan niet alleen over de betrokken priester, broeder of pater, maar ook over de hiërarchische oversten die niet of onvoldoende ingrepen. Het gaat over verantwoordelijken van internaten die niet optraden om de goede naam van de school niet in het gedrang te brengen. Het gaat over bisschoppen die destijds niet optraden of een priester eenvoudigweg overplaatsten. Wat verwacht men ook wanneer een van de belangrijkste bisschoppen zelf dader was van gruwelijke feiten? Dan gaat het uiteraard over Vangheluwe. Ook de aartsbisschop keek de andere kant uit.

 

Mevrouw De Wit, we hebben het samen gezien in de bijzondere commissie. De heer Danneels kwam getuigen in de commissie en hij wist van niets, van niets! Hij had geen enkele brief gekregen, geen enkel dossier ontvangen van Rik Devillé, die er tientallen of honderden had gestuurd. Rik Devillé zat in het publiek en sprong tegen het plafond. De aartsbisschop loog gewoon dat hij zwart zag. Die commissie was echter geen onderzoekscommissie, maar een bijzondere commissie. Hij stond dus niet onder ede.

 

Wat moet er nu gebeuren met die verantwoordelijken, als ze nog leven? Kunnen ze ter verantwoording worden geroepen? Dat was de inzet van het grote strafonderzoek, beter bekend als Operatie Kelk. Nu blijkt echter dat niet alleen de kerk zwaar heeft gefaald, maar ook justitie.

 

De Hoge Raad voor de Justitie voerde in zijn rapport op heel korte termijn een uitstekend onderzoek naar het strafdossier. Dat onderzoek was heel scherp, er werden niet minder dan negen disfuncties vastgesteld, onder meer over de veel te lange duur van het onderzoek, maar niet alleen dat. Het werk was evenwel niet afgerond. Justitie heeft gefaald in Operatie Kelk. Dat aspect moesten wij verder grondig onderzoeken, wat we dan ook de laatste twee jaar hebben proberen te doen.

 

Collega's, als er nu één rode draad loopt doorheen de vaststellingen en de conclusies, gebaseerd op de vele getuigenissen, dan is het wel de heel vaak terugkerende uitspraak ‘Dat is niet normaal’. Hoe vaak hebben wij niet getuigen, vaak magistraten, gehoord die zeiden dat ze een dergelijke zaak in hun carrière nog nooit hadden meegemaakt. Het was heel uitzonderlijk. Het was niet normaal.

 

Veel collega's hebben al een aantal voorbeelden gegeven. Ik heb een tiental elementen opgelijst die echt niet normaal waren, en er zijn er meer. Vinden we het normaal dat een dergelijke procedure 15 jaar duurt? Nee, dat is buitensporig lang, zei de Hoge Raad voor de Justitie. Dat is ook onze vaststelling.

 

Is het normaal dat er in een gerechtelijk onderzoek al na enkele dagen of weken een controle van de regelmatigheid van de rechtspleging gebeurt op last van het parket-generaal? Nee, die snelheid was ongezien. Geen enkele magistraat had dat al ooit meegemaakt. Magistraten betrokken in het dossier bestempelden het strikte toezicht van het parket-generaal als ongewoon. Men sprak letterlijk over een ongezien micromanagement.

 

Is het normaal dat er op een bepaald moment in de schoot van het parket-generaal in Brussel een multiconfessionele groep is gevormd, die de vorderingen voor de KI moest begeleiden? Nee, toen we het lazen in het rapport van de Hoge Raad voor de Justitie, vielen we allemaal van onze stoel. Ik zal een veelzeggend citaat meegeven over hoe die druk van het parket-generaal werd aangevoeld door leden van het parket van Brussel, dat concreet met het dossier bezig was. Ik citeer uit het rapport, pagina 79: ʺVerschillende magistraten van het parket Brussel verklaarden tijdens de hoorzittingen van de parlementaire onderzoekscommissie dat ze verschillende keren waren ontboden op het parket-generaal om het dossier Kelk te bespreken. De magistraten verklaarden dat de toon tijdens die vergaderingen kort en koud was.ʺ Kort en koud, zo ging men met elkaar om in dat dossier.

 

Is het trouwens normaal dat er magistraten zijn die duidelijk in het dossier hebben gewerkt, bij hun ondervraging laconiek meedeelden dat ze het dossier niet kenden en zich afvroegen wat ze hier kwamen doen? De eerste vraag die de voorzitter stelde aan de getuigen, aan de magistraten, was: “Weet u waarom u hier bent?” We moesten dan vaststellen dat de magistraat die in het dossier had gewerkt, zei dat hij niet wist waarom hij hier was.

 

Die magistraat zei dan dat hij het dossier niet kende. Dat moet u eens proberen uit te leggen. Het gaat om een van de meest mediagenieke dossiers die wij ooit hebben gekend, over de meest gruwelijke feiten van kindermisbruik. De magistraat die aan dat dossier heeft gewerkt, weet dat niet meer. Dat heet selectief geheugenverlies. Wij hebben het letterlijk in het rapport neergeschreven. Dat is selectief geheugenverlies. Dat is nooit gezien, of toch wel. Ik heb net verwezen naar de bijzondere commissie, waar Danneels ook heel zwaar last had van selectief geheugenverlies.

 

Is het normaal dat een magistraat die werd gewraakt en zich vrijwillig terugtrekt, enkele jaren later opnieuw in hetzelfde dossier zetelt? Neen, dat is het uiteraard niet. Vele collega’s zijn daar al dieper op ingegaan.

 

Is het normaal dat de parketmagistraat van het federaal parket die op de bewuste zitting aanwezig is en wist van de eerdere wraking, in de onderzoekscommissie duidelijk verklaart dat hij daarover geen enkele opmerking maakte, niet reageerde en zweeg? Neen, dat is niet normaal.

 

Is het normaal dat bij een oproeping voor de KI de advocaat van de burgerlijke partij niet werd uitgenodigd? Neen, dat is niet normaal. Het Hof van Cassatie heeft dat nadien bevestigd.

 

Is het normaal dat in beslag genomen dossiers die op last van de KI moesten worden bewaard op de griffie, toch werden teruggegeven aan de kerk? Neen, dat is niet normaal.

 

Is het normaal dat de advocaat van de kerk, lopende een procedure voor de KI waarin hij zelf partij is, een bezoek brengt aan magistraten van het parket-generaal en dat de vordering van het parket-generaal nadien wordt gewijzigd? Neen, dat is natuurlijk niet normaal. Die advocaat verklaarde overigens dat hij natuurlijk probeerde te beïnvloeden. Wanneer wij dan aan de betrokken magistraat vroegen waarom de vordering was gewijzigd, luidde de uitleg dat het voortschrijdend inzicht was. Als u geen uitleg kunt geven waarom uw standpunt verandert, dan gaat het dus om voortschrijdend inzicht.

 

Is het normaal dat de toenmalige minister van Justitie zoveel nauwe contacten had met het parket-generaal over het dossier? Neen, natuurlijk is dat niet normaal.

 

Collega’s, dat waren voor ons nieuwe elementen. Dat waren elementen die niet in het rapport van de Hoge Raad stonden, omdat de Hoge Raad voor de Justitie ondanks aandringen geen inzage kreeg in de werkkaften, noch van het parket noch van het parket-generaal. Inzage in de werkkaften van het parket zou moeilijk zijn geweest, want ze waren ondertussen vernietigd.

 

De rol van de minister van Justitie is natuurlijk gevoelig. Dat begrijp ik. Wij moeten echter eerlijk zijn over wat wij hebben vastgesteld. Het is niet normaal dat kopieën van arresten van de KI onmiddellijk en vertrouwelijk werden gestuurd naar de minister, soms per drager, want dat stond met de hand neergeschreven in de werkkaften.

 

Per drager. "Porté ce jour personnellement à M.J", de minister van Justitie, "om 12.10 uur"; het uur stond er zelfs bij vermeld. De burgerlijke partijen wisten van niets. De minister van Justitie was sneller op de hoogte van een uitspraak van de KI dan de slachtoffers en de advocaten van de slachtoffers.

 

Het is niet normaal dat in brieven van de minister of zijn kabinet kritische vragen over een specifieke procedure worden gesteld, met nauwelijks verhoren, vragen over hoe de magistraat daarop zou reageren en actie zou ondernemen. Er werd al een voorbeeld gegeven, waarbij de onderzoeksrechter op een bepaald moment toelating aan de advocaat van de slachtoffers had gegeven om inzage in het strafdossier te nemen. Wat gebeurde er vervolgens? Meteen volgde een beroep door het parket-generaal.

 

De wijze waarop de toenmalige minister van Justitie is tussengekomen, is door de onderzoekscommissie beoordeeld als 'ongewoon'. Daar kunnen verschillende termen op worden geplakt, maar we zijn uiteindelijk uitgekomen bij 'ongewoon'. Dat mocht voor mij wat krachtiger zijn geweest, maar het is in elk geval niet gewoon. De conclusie is duidelijk. De tekst spreekt over interventies, niet over contacten. De collega’s van de PVDA zeggen dat het wat straffer mocht worden geformuleerd. Dat begrijp ik. Voor mij ook.

 

Als men het begrip interventie googelt, vindt men de volgende omschrijving: een actieve handeling, waarbij iemand of een instantie bewust ingrijpt om een gewenste uitkomst te beïnvloeden of een probleem te voorkomen. Ik denk dat het rapport heel duidelijk en scherp is over de interventies van de toenmalige minister van Justitie.

 

Zo kunnen we nog even doorgaan over wat in deze procedure allemaal niet normaal was. Het gaat om meer dan de tien voorbeelden die ik heb gegeven. We hebben veel kunnen achterhalen en bevestigen, onder meer dankzij het uitstekende werk van de Hoge Raad voor de Justitie, maar ook door de werkkaften van het parket-generaal die we hebben kunnen bemachtigen. We hebben misschien wel een beetje moeten dreigen, mevrouw de voorzitter van de vorige commissie, dat we er beslag op zouden leggen. Dat zou een gênante situatie hebben opgeleverd. Om dat te vermijden, zijn de stukken uiteindelijk toch aan het Parlement bezorgd.

 

Collega’s, advocaten en al wie vertrouwd is met de wereld van het gerecht, weet dat er soms wel eens abnormale dingen gebeuren. Wat in die dossiers gebeurde, was evenwel nooit gezien. Het was echt te veel van het goede om nog van toeval te kunnen spreken. Dat staat allemaal heel goed en nauwkeurig beschreven in het voorliggende rapport.

 

Hebben we hiermee de laatste steen kunnen omkeren? Wellicht niet. Wat is er precies gezegd tijdens bepaalde telefoongesprekken?. En er zullen er veel meer geweest zijn dan dewelke we konden achterhalen. Wat is er gezegd in bepaalde vergaderingen? Er zullen er veel meer geweest zijn dan dewelke we konden achterhalen, denk maar aan het bezoek van de advocaat van de Kerk aan het parket-generaal. Wat werd daar precies verteld? De magistraten wisten het niet meer. Wat werd er precies verteld tijdens het bezoek van de procureur-generaal aan het kabinet van de minister. We zullen het nooit met zekerheid kunnen weten.

 

Wat we wel weten, is dat de procedure geen normaal verloop heeft gekend en dat er pogingen geweest zijn om het onderzoek te vertragen, zelfs te saboteren en mensen te beschermen. Vandaag stuit het onderzoek op grote problemen. Vele daders zijn overleden. Vele verantwoordelijken zijn er niet meer. Vele feiten zijn verjaard. De slachtoffers blijven achter met de pijn en vooral met een heel groot wantrouwen in Justitie. Men zou voor minder, als men die lijdensweg heeft meegemaakt. En dat, collega’s, is funest voor het geloof in de rechtsstaat.

 

Collega’s, ik had het rapport op sommige plaatsen ook graag scherper gezien, maar ik kan ermee leven, omdat wat we hebben vastgesteld en wat erin moest staan, er ook in staat. Zelfs als bepaalde passages in het rapport iets diplomatischer geschreven zijn dan andere, zijn de vaststellingen en de conclusies heel duidelijk.

 

Collega’s, ik was niet van plan erop in te gaan, maar ik heb zoals zovelen onder ons de jongste dagen mails ontvangen met de vraag om het rapport niet goed te keuren. Degene die de mail verstuurde, mail die u wellicht allemaal hebt ontvangen, formuleert het verwijt dat in geval van goedkeuring – ik lees voor –: “elk Parlementslid zich persoonlijk verbindt aan de depreciatie van de slachtoffers van seksueel misbruik in de Kerk en het weigeren van het echte onderzoek naar het onderzoek; dit wil zeggen: waarom, door wie, en op welke wijze werd de legitieme hulp aan slachtoffers van seksueel misbruik in de Kerk verbroken, en het vertrouwen van deze slachtoffers in Justitie definitief en onherstelbaar geschonden?” Men moet dat maar durven te stellen.

 

Het zijn groteske insinuaties. Even grotesk is de bewering dat het beter was om meldingen intern binnen de Kerk aan te pakken. Dat is immers eigenlijk de vraag en de bezorgdheid van degene die ons dat mailt.

 

Laten we het even hebben over het in de doofpot steken van meldingen bij kerkelijke instanties en over het niet verlenen van legitieme hulp aan slachtoffers. Hoe ging dat in zijn werk? We hebben het gehoord in de hoorzittingen van de drie commissies. Als een jongen van 12, 13 of 14 jaar – zeer vaak waren de slachtoffers jongens – werd misbruikt door een geestelijke, dan was de kans heel groot dat die jongere dat niet durfde te vertellen aan zijn ouders en er zijn hele leven mee bleef zitten. Als dat kind het toch durfde te vertellen, in de jaren 50 en 60, dan was de reactie van de ouders een van ongeloof en verontwaardiging over een dergelijke beschuldiging aan het adres van meneer pastoor, die ’s zondags bij hen thuis kwam eten. Misschien kreeg het kind er nog een pak slaag bovenop. Dat is echt gebeurd. Pleegde nonkel Roger, nonkel-priester of nonkel-bisschop het misbruik, dan was het nog moeilijker om te getuigen van het misbruik. Had het slachtoffer dan toch de moed gehad om van het misbruik te vertellen en de ouders geloofden het kind en waren zo moedig om met die getuigenis naar hun priester, bisschop of overste te gaan, wat gebeurde er dan? Ofwel gebeurde er niets. Ofwel werd de betrokken geestelijke met veel moeite overgeplaatst naar een andere parochie, een andere school of een ander internaat. Probleem opgelost. Daar kon hij opnieuw beginnen. Dat zijn feiten, collega’s.

 

Justitie wist op dat moment nog van niets. Toch beweren sommigen dat het beter is om de Kerk het probleem intern te laten oplossen!

 

Wat gebeurde er wanneer klachten en meldingen tot bij de aartsbisschop kwamen? Het voorbeeld hebben we gegeven. Ook hij wist weer van niets.

 

Als er één rode draad bij de drie commissies terug te vinden is, dan is het wel dat de Kerk de problemen intern niet heeft willen oplossen en de klachten nooit werden behandeld, maar altijd in de doofpot gestopt. Vandaag lazen we trouwens nog een bericht in een Franstalige krant dat gewezen bisschop van Namen Vancottem, in 2020-2021 door het Vaticaan disciplinair gesanctioneerd werd.

 

"Selon Rome, en tant qu’évêque de Namur, il n’avait pas géré convenablement le dossier d’un prêtre coupable de graves délits sexuels commis sur une personne mineure."

 

Hij werd dus geen sanctie opgelegd, omdat hij zelf feiten zou hebben gepleegd, maar omdat hij gewoon niet heeft ingegrepen. Vandaag, de dag waarop we het rapport van de onderzoekscommissie in het Parlement bespreken, bericht de krant over een beslissing van 2021, die geheim was gehouden.

 

De rode draad is dat een dader hoogstens werd overgeplaatst naar een andere parochie of naar een andere school, waarna hij opnieuw kon beginnen. Vielen daders te vaak in herhaling, dan werden ze naar Afrika of naar Zuid-Amerika gestuurd, naar de missies, waar die perverten opnieuw konden beginnen met kinderen op gruwelijke wijze te misbruiken. Dat is wat er is gebeurd, collega’s, decennialang, met medeweten van de kerkelijke hiërarchie. Stop dus met te zeggen dat het een schande is dat de meldingen door het optreden van Justitie 15 à 16 jaar geleden niet intern door de Kerk konden worden behandeld. De werkwijze van de commissie-Adriaenssens met een protocol met Justitie werd trouwens door de bijzondere commissie van 2010-2011 scherp bekritiseerd. Dat hebben wij in onderhavig rapport bevestigd.

 

Collega’s, als de Kerk werkelijk had willen helpen, wat heeft haar al die jaren tegengehouden om de slachtoffers bij te staan? Wat heeft haar decennialang verhinderd om dat te doen? Kom nu dus niet af met die argumenten.

 

Niet iedereen kan zich evenwel neerleggen bij de conclusies van de bijzondere commissie van 15 jaar geleden over de commissie-Adriaenssens. In ons rapport hebben we immers ook helaas het volgende moeten vermelden: “De onderzoekscommissie betreurt dat toenmalig minister van Justitie De Clerck deze conclusie en de aanbeveling van de bijzondere commissie ook vandaag nog altijd niet onderschrijft.” Nog altijd vinden sommigen dat de behandeling van alle dossiers door de commissie-Adriaenssens de ideale oplossing was, ondanks het rapport van 2010-2011.

 

Trouwens, collega’s, als de dossiers van seksueel misbruik nooit door de Kerk in de doofpot waren gestopt, dan waren er ook nooit drie parlementaire commissies opgericht. Had men de problematiek ernstig aangepakt en daders aangegeven bij Justitie, dan hadden er zich geen drie commissies over moeten buigen en bespraken we vandaag niet in plenaire vergadering het rapport van de derde commissie.

 

Collega’s, voor ik besluit, spreek ik nog mijn dank uit aan vele personen, in de eerste plaats de vele getuigen van de jongste onderzoekscommissie en vooral van de vorige commissie, want toen hebben we echt schrijnende en zeer moedige getuigenissen van slachtoffers gehoord. Ik bedank ook de experten en de diensten van de Kamer, in het bijzonder de twee commissiesecretarissen, die vandaag niet aanwezig zijn, maar die enorm veel werk hebben verzet. Dank ook aan de voorzitter van de commissie, die de werkzaamheden op voortreffelijke wijze heeft geleid.

 

Ik rond af. De conclusie na de hoorzittingen is dat de procedure geen normaal verloop heeft gekend. Er waren pogingen tot beïnvloedingen en er werd de slachtoffers een heel groot onrecht aangedaan. Dat is een schande voor Justitie. Slachtoffers werden zo immers opnieuw slachtoffer. Dat staat ook zo in ons rapport en daarom zullen we het ook goedkeuren.

 

01.14  Pierre Jadoul (MR): Monsieur le président, chers collègues, près de deux ans se sont écoulés depuis l'adoption du rapport de la précédente commission d'enquête sur les violences sexuelles, dont la recommandation 137 demandait explicitement qu'une nouvelle commission d'enquête soit mise en place après le renouvellement de la Chambre pour faire toute la lumière sur l'opération Calice.

 

C'est pour donner suite à cet engagement que la commission d'enquête Calice a été instituée au début de la présente législature, par décision unanime de la Chambre. La feuille de route de notre commission est claire. La population attend de la Chambre des représentants qu'elle lève les doutes sur de possibles influences exercées au cours d'une instruction d'une telle ampleur, portant sur des violences sexuelles commises essentiellement sur des enfants. Les citoyens doivent pouvoir avoir confiance dans l'intégrité du pouvoir judiciaire, afin que justice soit rendue et que l'État de droit soit pleinement effectif.

 

En l'espèce, il faut le constater avec honnêteté, l'enquête pénale Calice démarre très mal. Sur fond de méfiance entre le parquet de Bruxelles et le parquet général, notamment autour du protocole avec l'Église et de la manière dont les premières perquisitions ont été menées.

 

Le démarrage de l'instruction a manifestement fait l'objet d'une préparation insuffisante, ce qui a entraîné l'une ou l'autre tentative de régularisation, sans doute peu souhaitable, mais ce qui a surtout entraîné une réaction, que l'on peut qualifier d'excessive, du parquet général, qui, dès le départ, a mis en cause la manière dont le parquet de Bruxelles a lancé l'enquête, tant au niveau de la saisine du juge d'instruction, que des perquisitions et du respect du protocole.

 

La commission d'enquête a constaté un nombre anormalement élevé de courriers du parquet général vers le parquet de Bruxelles, et des délais particulièrement courts, ce qui a sans doute été perçu comme un contrôle qualifié de très strict et inhabituel. La collaboration entre les magistrats et les services de police a été mise à rude épreuve dans ce dossier. L'ampleur des perquisitions, la gestion et la numérisation des pièces, l'exécution et le suivi des devoirs d'enquête ont, à plusieurs reprises, provoqué des retards et des difficultés concrètes, tandis que des tensions institutionnelles marquées ont existé au sein du ministère public, en particulier entre le parquet de Bruxelles et le parquet général.

 

À cela s'ajoute la succession de plusieurs juges d'instruction et de différents magistrats en charge du dossier, ce qui a évidemment compliqué la conduite et la tenue de l'enquête. La durée totale de la procédure a manifestement été excessive: près de 15 ans pour certaines victimes, avec pour conséquence que des auteurs présumés sont décédés et que des faits sont prescrits, ce qui affecte inéluctablement le sentiment de justice. Les mots de la présidente du Conseil supérieur de la Justice, Mme Melotte, le résume de manière très juste: "Malgré l'exercice légitime des voies de recours et des efforts fournis par de nombreux policiers et magistrats, nous, notre société et donc la justice n'avons pas réussi à trouver une approche et à apporter des réponses perçues comme humaines et justes. Les victimes pour lesquelles l'instruction s'éternise, depuis 14 ans à l'époque, se sentent malheureusement à nouveau victimes."

 

Au cœur des travaux menés par notre commission, l'attention a bien sûr été permanente pour la situation des victimes. Notre commission tient à reconnaître explicitement leur statut de victimes, ainsi que celui de leurs proches qui partagent le traumatisme. Nous savons que ces violences entraînent des conséquences durables – physiques, psychologiques, émotionnelles, sociales, financières – et que dans ce dossier, beaucoup ont subi une véritable victimisation secondaire liée notamment à la longueur et à la complexité de la procédure.

 

Notre commission n'a pas procédé à de nouvelles auditions de victimes, non parce que leur parole n'était pas entendue – nous comprenons parfaitement que certaines victimes auraient éventuellement souhaité être entendues à nouveau dans le cadre de notre commission –, mais parce que le mandat spécifique qui nous avait été confié portait sur l'examen des dysfonctionnements éventuels dans le déroulement de l'instruction Calice, et sur le fonctionnement des institutions judicaires dans ce dossier. C'est pourquoi la commission a concentré ses travaux sur l'analyse de ces mécanismes tout en veillant, à chaque étape, à garder la voix et les attentes des victimes au cœur de ses réflexions.

 

Les travaux de la commission se sont déroulés dans un climat exigeant, respectueux mais serein. Les clivages politiques ne nous ont pas empêchés, me semble-t-il, de travailler ensemble de manière méthodique, sur la base des faits et du droit.

 

Le recours au huis clos pour l'élaboration du rapport a pu être perçu de l'extérieur comme une volonté d'opacité. Il a en réalité permis un travail de qualité, une parole plus libre et une plus grande sérénité dans les échanges au sein de la commission. Cela nous a permis de déboucher sur un rapport public argumenté, qui cherche un équilibre entre transparence, protection des personnes et respect de l'indépendance de la justice.

 

Notre tâche parlementaire ne se substituait pas aux juridictions. Nous ne jugeons pas les personnes, nous n'annulons pas les décisions de justice et nous ne réécrivons pas l'histoire. En revanche, nous pouvons et nous devons tirer les leçons de ce dossier, pour que de tels dysfonctionnements soient évités à l'avenir. Le rapport identifie – les collègues se sont exprimés longuement sur le sujet ce matin – des dysfonctionnements, mais il formule surtout une série de recommandations concrètes organisées autour de trois grands volets: le renforcement des enquêtes particulières du Conseil supérieur de la Justice, la fin des accords de type "protocole" avec des acteurs privés pour des fonctions d'actions publiques et la réforme d'un certain nombre de règles de procédure, pour éviter qu'un nouveau désastre "Calice" se reproduise.

 

Ces recommandations ont été discutées avec sérieux, chapitre par chapitre, et ont été adoptées à l'unanimité des membres. Le rapport que nous soumettons aujourd'hui à la séance plénière n'est pas une fin en soi, comme plusieurs l'ont déjà souligné. Il n'aura de sens que si les autorités compétentes traduisent les recommandations en mesures concrètes. Notre ambition avec ce rapport est de contribuer à une justice transparente, plus cohérente et plus attentive aux victimes. C'est une condition de la confiance dans nos institutions et, au fond, de la vitalité de notre état de droit.

 

Je tiens, pour conclure, à remercier l'ensemble des commissaires pour la qualité de nos échanges et du travail réalisé. Je tiens également à remercier les experts, Benoît Dejemeppe et Joost Huysmans, qui ont accompagné nos travaux, souvent en les éclairant de notes juridiques sur l'une ou l'autre question qui nous taraudait. Et, last but not least, je voudrais remercier les services de la Chambre pour leur précieuse collaboration, avec une mention particulière pour les secrétaires de la commission, qui ont fait preuve d'un dévouement et d'une disponibilité exceptionnels. Je vous remercie.

 

Le président: Merci, monsieur Jadoul.

 

Moties

Motions

 

Tot besluit van de bespreking van het verslag werden volgende moties ingediend.

En conclusion de la discussion du rapport, les motions suivantes ont été déposées.

 

Een eerste motie werd ingediend door de heer Pierre Jadoul en luidt als volgt:

"De Kamer,

neemt kennis van het verslag van de onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar mogelijke disfuncties in het strafrechtelijk onderzoek "Operatie Kelk" (228/5);

en hecht haar goedkeuring aan de aanbevelingen van de onderzoekscommissie."

 

Une première motion a été déposée par M. Pierre Jadoul et est libellée comme suit:

"La Chambre,

prend connaissance du rapport de la commission d'enquête parlementaire chargée d'enquêter sur d'éventuels dysfonctionnements dans le déroulement de l'enquête pénale baptisée "Opération Calice" (228/5);

et approuve les recommandations formulées par la commission d’enquête parlementaire."

 

Een tweede, alternatieve motie werd ingediend door mevrouw Greet Daems en luidt als volgt:

"De Kamer

1. neemt kennis van het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar mogelijke disfuncties in het strafrechtelijk onderzoek "Operatie Kelk" (228/5);

2. en hecht haar goedkeuring aan de aanbevelingen van de onderzoekscommissie, mits de volgende wijzigingen worden aangenomen:

In het luik '§ 2. Contacten tussen de minister en het parket-generaal 1. Conclusies', op p. 144, de volgende paragraaf

"In het bijzonder het feit dat de procureur-generaal hoger beroep instelde tegen de beslissing van de onderzoeksrechter om de burgerlijke partijen inzage te verlenen in de dossiers van de commissie-Adriaenssens onmiddellijk nadat de minister van Justitie zijn bezorgdheid hierover bij hem had geuit, voeden die twijfel. Of deze en andere (ongewone) interventies al dan niet effectief het onderzoek hebben beïnvloed, daar vindt de onderzoekscommissie geen onomstotelijk bewijs voor." als volgt te vervangen:

"Deze onderzoekscommissie vindt duidelijke indicaties dat de minister zich ongeoorloofd mengde in het onderzoek:

In het bijzonder het feit dat de minister in oktober 2010 de procureur-generaal vraagt om hem op de "hoogte te brengen van eventuele initiatieven die hij zou nemen" omtrent de beslissing van de onderzoeksrechter om de burgerlijke partijen inzage te verlenen in de dossiers van de commissie-Adriaenssens, waarop de procureur-generaal meteen hoger beroep instelde, is een duidelijk voorbeeld van directe inmenging. De beslissing tot het verlenen van inzage komt namelijk enkel toe aan de rechterlijke orde. De dubbelzinnige vraag naar eventuele stappen gaat verder dan zich louter informeren en betekent zich mengen in een concrete rechterlijke procedure. Het schriftelijk antwoord van de procureur-generaal aan de minister bevestigt de directe impact van deze interventie, met name dat hij "duidelijke instructies heeft gegeven met betrekking tot de beslissingen waartegen nog beroep kan worden. (...) Ik ben inderdaad van mening dat de betreffende verzoeken hadden moeten worden afgewezen."

Een tweede indicatie vindt de onderzoekscommissie in het besluit om een onderzoek naar de regelmatigheid van de procedure te laten instellen binnen een termijn die door betrokkenen als 'zeer uitzonderlijk' en 'niet normaal' werd bestempeld. Ook hierover verklaarde procureur-generaal de le Court voor de onderzoekscommissie dat de minister hem ook al in de eerste dagen na de huiszoekingen gevraagd heeft welke initiatieven en vorderingen hij dacht te nemen. De procureur-generaal heeft geweigerd daarop te antwoorden. Volgens hem had de minister ook aangedrongen bij het College van procureurs-generaal.

Deze overhaasting kan als een belangrijke bron van talrijke fouten in het dossier worden gezien.

De commissie merkt ook op dat de verzoeken van de Kerk systematisch voorrang kregen op die van slachtoffers. Ondanks dat de minister zijn bezorgdheid voor alle slachtoffers benadrukt, handelde minister De Clerck duidelijk met twee maten, twee gewichten in het onderzoek: wanneer de advocaat van de Kerk zich rechtstreeks tot de minister richt, reageert de minister onmiddellijk en schakelt hij het parket in. Wanneer de advocaat van de slachtoffers de minister schrijft, blijven de belangrijkste brieven onbeantwoord."

 

Une deuxième motion alternative a été déposée par Mme Greet Daems et est libellée comme suit:

"La Chambre,

1. prend connaissance du rapport de la commission d'enquête parlementaire chargée d'enquêter sur d'éventuels dysfonctionnements dans le déroulement de l'enquête pénale baptisée "Opération Calice" (228/5);

2. et approuve les recommandations de la commission d'enquête, sous réserve de l'adoption des modifications suivantes:

Au volet '§ 2. Contacts entre le ministre et le parquet général 1. Conclusions', à la page 144, remplacer le paragraphe "En particulier, le fait que le procureur général ait interjeté appel contre la décision du juge d’instruction d’accorder aux parties civiles l’accès aux dossiers de la Commission Adriaenssens immédiatement après que le ministre de la Justice lui ait fait part de ses préoccupations à ce sujet alimente ces doutes. La commission d’enquête n’a pas trouvé de preuve irréfutable permettant d’affirmer que ces interventions (inhabituelles) et d’autres ont effectivement influencé l’enquête." par:

"Cette commission d'enquête a trouvé des indications claires que le ministre s'est ingéré de manière illicite dans l'enquête:

En particulier, le fait qu'en octobre 2010, le ministre ait demandé au procureur général de "l'informer d'éventuelles initiatives qu'il envisagerait de prendre" concernant la décision du juge d’instruction d’accorder aux parties civiles l’accès aux dossiers de la Commission Adriaenssens, contre laquelle le procureur général a immédiatement interjeté appel, constitue un exemple clair d’ingérence directe. En effet, la décision d’accorder l’accès aux dossiers n'appartient qu'à l’ordre judiciaire. La question ambiguë concernant d’éventuelles démarches va au-delà de la simple demande d’informations et revient à s’ingérer dans une procédure judiciaire concrète. La réponse écrite du procureur général au ministre confirme l'effet direct de cette intervention, à savoir le fait qu’il "a donné des instructions claires concernant les décisions encore susceptibles d'un recours. (...) Je suis en effet d’avis que les demandes en question auraient dû être rejetées."

La commission d’enquête a trouvé une deuxième indication dans la décision de faire ouvrir une enquête sur la régularité de la procédure dans un délai qualifié par les personnes concernées de "très exceptionnel" et "anormal".

Sur ce point également, le procureur général de le Court a déclaré devant la commission d’enquête que le ministre lui avait déjà demandé, dès les premiers jours suivant les perquisitions, quelles initiatives et réquisitions il envisageait de prendre. Le procureur général a refusé de répondre à cette question. Selon lui, le ministre avait également insisté auprès du Collège des procureurs généraux sur ce point.

Cette précipitation peut être considérée comme une source importante de nombreuses erreurs commises dans le dossier.

La commission note également que les demandes de l’Église ont systématiquement eu la priorité sur celles des victimes. Bien que le ministre ait souligné sa sollicitude à l'égard de toutes les victimes, le ministre De Clerck a clairement appliqué une logique de deux poids, deux mesures dans le cadre de l’enquête: lorsque l’avocat de l’Église s’adresse directement au ministre, celui-ci réagit immédiatement et fait intervenir le parquet. Lorsque l’avocat des victimes écrit au ministre, les lettres les plus importantes demeurent sans réponse."

 

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

 

Chers collègues, nous poursuivrons nos travaux cet après-midi dans l’hémicycle puisque le problème technique de ce matin a pu être résolu.

 

Merci beaucoup pour votre présence. Le thème traité ici revêt une importance capitale dans nos vies, celles de nos enfants et de nos petits-enfants. Et, pourquoi pas, partout ailleurs dans le monde.

 

(Applaudissements)

(Applaus)

 

La séance est levée. Prochaine séance le jeudi 23 avril 2026 à 14 h 15.

De vergadering wordt gesloten. Volgende vergadering donderdag 23 april 2026 om 14.15 uur.

 

La séance est levée à 13 h 37.

De vergadering wordt gesloten om 13.37 uur.

 

 

 

Dit verslag heeft geen bijlage.

 

Ce compte rendu n'a pas d'annexe.