Plenumvergadering

Séance plénière

 

van

 

Donderdag 26 februari 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Jeudi 26 février 2026

 

Après-midi

 

______

 

De vergadering wordt geopend om 14.19 uur en voorgezeten door de heer Peter De Roover, voorzitter.

La séance est ouverte à 14 h 19 et présidée par M. Peter De Roover, président.

 

De voorzitter: De vergadering is geopend.

La séance est ouverte.

 

Een reeks mededelingen en besluiten moeten ter kennis gebracht worden van de Kamer. U kunt die terugvinden op de webstek van de Kamer en in het integraal verslag van deze vergadering of in de bijlage ervan.

Une série de communications et de décisions doivent être portées à la connaissance de la Chambre. Elles seront reprises sur le site web de la Chambre et insérées dans le compte rendu intégral de cette séance ou son annexe.

 

Aanwezig bij de opening van de vergadering is de minister van de federale regering:

Ministre du gouvernement fédéral présent lors de l'ouverture de la séance:

David Clarinval.

 

Collega’s, ik heet u welkom op wat alweer een boeiende zitting belooft te worden.

 

01 Agenda

01 Ordre du jour

 

Overeenkomstig het advies van de Conferentie van voorzitters van 25 februari 2026 hebt u een gewijzigde agenda voor de vergadering van vandaag ontvangen.

Conformément à l’avis de la Conférence des présidents du 25 février 2026, vous avez reçu un ordre du jour modifié pour la séance d'aujourd'hui.

 

Zijn er dienaangaande opmerkingen? (Nee)

Y a-t-il une observation à ce sujet? (Non)

 

Bijgevolg is de agenda aangenomen.

En conséquence, l'ordre du jour est adopté.

 

02 Verzending van amendementen naar een commissie

02 Renvoi d’amendements en commission

 

Ik heb amendementen ontvangen op het wetsvoorstel (Nahima Lanjri, Nathalie Muylle, Nawal Farih, Franky Demon, Isabelle Hansez, Anne Pirson, Florence Reuter, Anja Vanrobaeys) betreffende de aanpassing van het statuut van mantelzorger en de flexibele opname van het mantelzorgverlof, nr. 300/1.

J'ai reçu des amendements à la proposition de loi (Nahima Lanjri, Nathalie Muylle, Nawal Farih, Franky Demon, Isabelle Hansez, Anne Pirson, Florence Reuter, Anja Vanrobaeys) modifiant le statut de l'aidant proche et concernant l'allongement et la flexibilisation du congé pour aidants proches, n° 300/1.

 

Ik stel u voor deze amendementen te verzenden naar de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen. (art. 93, nr. 1, van het Reglement).

Je vous propose de renvoyer ces amendements en commission des Affaires sociales, de l'Emploi et des Pensions. (art. 93, n° 1, du Règlement).

 

Overeenkomstig het advies van de Conferentie van voorzitters van 25 februari 2026, zal de commissie haar werkzaamheden aanvatten na afloop van de mondelinge vragen.

Conformément à l’avis de la Conférence des présidents du 25 février 2026, la commission entamera ses travaux après les questions orales.

 

Die werkzaamheden zullen dus aanvatten tijdens de besprekingen die hier over andere ontwerpen en voorstellen zullen plaatsvinden. Dat betekent dat wij in de loop van de vergadering wellicht nog kennis zullen nemen van het resultaat van die commissievergadering.

 

Geen bezwaar? (Nee)

Aldus zal geschieden.

 

Pas d'observations? (Non)

Il en sera ainsi.

 

Mondelinge vragen

Questions orales

 

02.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de voorzitter, het Parlement krijgt telkens een overzicht van de verontschuldigde ministers. Aangezien de eerste minister vandaag niet als verontschuldigd of afwezig genoteerd stond, zijn er heel wat vragen aan hem gericht over een dossier dat hij naar zich toe heeft getrokken.

 

Heel de btw-kafka zit volledig vast in de regering. Het is de premier zelf, die daarover voorstellen op de tafel van de ministerraad legt. Het is dus de logica zelve dat alle vragen daarover vandaag aan hem worden gericht. Het is de zoveelste keer dat de eerste minister het vertikt om vragen daarover te komen beantwoorden, de zoveelste keer dat hij niet naar het Parlement komt en ze alweer doorschuift naar een vakminister. Wij vinden dat niet kunnen.

 

Mijnheer de voorzitter, het is niet de eerste keer dat wij dat aankaarten. U zult ongetwijfeld antwoorden dat de regering zelf kiest wie antwoordt, maar ik wil dat u daar namens de Kamer formeel tegen protesteert. Het is onfatsoenlijk dat dat elke keer opnieuw gebeurt en dat de premier denkt alleen maar naar dit Huis te moeten komen, als er goed nieuws is of als het over het buitenland gaat. Ook als het over moeilijke dossiers gaat of over strubbelingen in zijn regering, moet hij het lef hebben om daarover vragen te komen beantwoorden in de plenaire vergadering.

 

02.02  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de voorzitter, ook mijn fractie had een vraag gericht aan de eerste minister over de btw-kafka, de btw-chaos of het btw-circus, hoe men het ook wil noemen. Ik moet echter vaststellen dat hij er opnieuw niet is en dat terwijl hij nochtans in het land is.

 

Ik heb de vragen opgelijst die in een jaar aan de heer De Wever werden gesteld. Daaruit blijkt dat hij een op vier vragen doorschuift naar een andere minister. Die gaan dan net over de sociaal-economische dossiers of het buitenlands beleid. Als hij het een ambetante vraag vindt, dan schuift hij die door.

 

Gisteren nog stuurde hij zijn eigen partijvoorzitter, mevrouw Van Peel, voorop met een nieuw voorstel over de btw, met name een optrekken van het btw-tarief van 21 naar 22 % voor zogenaamde luxeproducten. Mijnheer de voorzitter, vindt u schoenen, kledij en gsm-abonnementen luxeproducten? Nieuwbouw zou naar 9 % gaan om te harmoniseren met het Nederlands systeem, maar na amper twee uur werd dat voorstel al uit de lucht geschoten door een andere voorzitter van zijn coalitie, die veeleer naar het Frans systeem kijkt. Wat is het nu? Kiest men voor het Frans systeem, dan morrelt men gewoon wat in de marge en dat terwijl het de premier zelf was, die het ontwerp van btw-regeling een stinkende, lelijke en gehandicapte kameel heeft genoemd. Dat zijn zijn woorden, niet de mijne. Dan moeten wij volgens de premier conclusies trekken, maar wat zijn die conclusies?

 

Toen u op deze banken zat, mijnheer de voorzitter, wie had u dan willen ondervragen over die btw-chaos? Ik zal het u zeggen: u had de eerste minister willen ondervragen, want het is de regering-De Wever. Hij is dus verantwoordelijk voor zijn beleid!

 

Hij steekt zich echter weg, want hij is al vier weken afwezig of ziek. Een afwezigheid door een Europese top begrijpen we, maar ambetante vragen doorschuiven naar een andere minister is niet ernstig. De mensen hebben het recht om te weten wat hij ervan denkt.

 

Wij moeten onze controlefunctie kunnen uitoefenen, mijnheer de voorzitter. Ik reken op u. U had ervoor moeten zorgen dat hij er vandaag is.

 

02.03  Axel Ronse (N-VA): De parlementsleden van het Vlaams Belang en van Anders. – ik mag ze niet meer Open Vld noemen – zijn eigenlijk niet geïnteresseerd in het antwoord van een minister, die wel aanwezig is. Zij zijn enkel geïnteresseerd in hun eigen betoog en de verspreiding ervan. U hebt hier vanmiddag een vice-eersteminister … (Geroezemoes op de oppositiebanken)

 

Mag ik nog uitspreken? Dat toont aan dat u zelf niet eens geïnteresseerd bent in wat ik zeg. U roept er gewoon doorheen.

 

U bent hier vanmiddag op uw wenken bediend: de minister van Financiën, die ook vicepremier is, zal hier op al uw vragen over de btw antwoorden, met veel plezier, zoals wij hem kennen.

 

Uw bewering dat onze eerste minister niet aanwezig is in het Parlement, is niet correct. De voorzitter van de commissie voor Binnenlandse Zaken, de heer Depoortere, parlementslid van het Vlaams Belang, heeft de eerste minister gisteren nog gefeliciteerd, omdat hij zes uur lang zeer secuur aanwezig was in de commissie voor Binnenlandse Zaken. De eerste minister heeft drie uur lang op al uw vragen over de Kanselarij geantwoord. (Luid protest op de oppositiebanken)

 

De voorzitter: Collega’s, mag ik u erop wijzen dat uw onderbrekingen in het verslag zullen worden samengevat als 'geroezemoes'?

 

02.04  Axel Ronse (N-VA): Voorzitter, ik word hier echt gestoord door het geroezemoes.

 

Leden van de oppositie, ik vind dat u op die manier het niveau van het Parlement verlaagt en van bij het begin van de plenaire vergadering probeert wat airplay te halen en een dwaze klaagzang te brengen. U zou beter uw tijd steken in het stellen van een deftige vraag aan minister Jan Jambon, die een deftig antwoord zal geven.

 

02.05  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Mijnheer Ronse, de vraag is niet of de heer De Wever gisteren in de commissie voor Binnenlandse Zaken aanwezig was, de vraag is of hij hier komt antwoorden, in de plenaire vergadering.

 

We hebben het er gisteren ook over gehad in de Conferentie van voorzitters. Daar werd tegengesproken dat de premier dikwijls vragen ontweek. Waarom stellen we die vragen aan De Wever? Omdat we ons afvragen of er nog een regeringsakkoord is over die zaak of niet natuurlijk. We willen niet alleen weten wat de heer Jambon ervan vindt, want die wil waarschijnlijk hetzelfde als mevrouw Van Peel, namelijk een heel duur raspaard, alle btw-tarieven verhogen, alle geld uit de zakken van de mensen halen.

 

Wat vindt de regering van dat voorstel? Tot nu toe maakte de regering akkoorden: het eerste regeringsakkoord, het paasakkoord, het zomerakkoord. Goed, dat waren akkoorden die met haken en ogen aaneen hingen, maar nu, met carnaval, was er niet eens een akkoord! Iedereen was op vakantie vertrokken. Dat is niet normaal, hé?

 

Mijnheer de voorzitter, ik vind dat de premier hier normaal gezien moet komen antwoorden. U moet die vraag van  het Parlement aan de premier overmaken. Dat is wel het minste.

 

02.06  Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur le président, je ne peux que me joindre à ce que mes collègues de l'opposition viennent d'évoquer, tout en m'en distanciant quelque peu. En effet, pour moi, l'absence du premier ministre, aujourd'hui et les semaines précédentes, au sein de cette assemblée plénière dit beaucoup plus que sa présence. On a un premier ministre qui n'assume pas les retards constants et successifs de son gouvernement. On a un premier ministre qui n'assume pas les échecs successifs et constants de son propre gouvernement.

 

On l'a vu, depuis quelques jours, avec le rapport de la Cour des comptes: notre pays est un bateau à la dérive. Un bateau qui coule, dont le capitaine n'assume plus la responsabilité et semble avoir quitté le poste de commandement. Il est devenu le propre commentateur de l'action de son gouvernement, comme s'il n'en était pas membre, comme s'il n'était pas responsable de l'accord de gouvernement, de sa mise en œuvre et des compromis – ou de ce qui y ressemble – négociés durement, âprement, péniblement par son équipe. On a un capitaine qui n'est même plus le capitaine du Titanic, mais plutôt celui du Costa Concordia, celui qui a fui son navire alors qu'il était en train de couler. Ce n'est pas digne!

 

02.07  Ortwin Depoortere (VB): Dank u wel, mijnheer de voorzitter. Ik vraag even het woord omdat mijn naam is genoemd en omdat de waarheid haar rechten heeft.

 

De premier was gisteren inderdaad in de commissie voor Binnenlandse Zaken gedurende bijna drie uur, zoals de agenda had voorzien. Ik heb hem daar helemaal niet voor gefeliciteerd. Ik vind dat dat zijn verdomde plicht is, net zoals het zijn verdomde plicht is om vandaag in de plenaire vergadering aanwezig te zijn.

 

De voorzitter: Collega’s, mevrouw Pas heeft al voorspeld wat ik ga antwoorden, niet alleen omdat ik dat ga antwoorden, maar ook omdat het voorspelbaar is. Het is de regering die beslist wie in naam van de regering antwoordt. Als de heer Jambon antwoordt, gebeurt dat in naam van de regering. Dat is een gebruik waarover men wellicht kan discussiëren wat de verhoudingen betreft waarin het wordt aangewend, maar het is ook een gebruik dat in de vorige legislatuur werd gehanteerd.

 

Er is me de vraag gesteld wat ik daarvan zou hebben gedacht toen ik in uw positie zat. Het komt me voor dat ik wellicht – de heer Dermagne heeft daar een klein beetje naar gehint – de mogelijkheid om dit thema hier op deze manier aan te snijden, zou hebben verkozen boven de aanwezigheid van de premier. (Gelach)

 

Ik denk dus dat u daarop voorspelbaar, net zoals ik, hebt gereageerd. Ik zou daar ook op dezelfde manier op hebben gereageerd en ik kan u daarin geen ongelijk geven, onverminderd het feit dat ik natuurlijk moet vaststellen wat ik samen met u vaststel.

 

Ik denk niet, mevrouw, of wie ook, dat het hele Parlement u zal steunen. Ik wil absoluut zeer graag op eigen initiatief – u hoeft me daartoe niet aan te zetten, want ik doe dat geregeld – de regering als geheel in herinnering brengen dat het prettiger is dat af en toe de minister aan wie vragen worden gesteld, die vragen ook komt beantwoorden.

 

Dan kunnen we overgaan tot de vragen en vooral ook tot de antwoorden waar we natuurlijk allemaal in geïnteresseerd zijn, collega Ronse, in tegenstelling tot wat u beweert. Het zijn de antwoorden die ons in eerste instantie interesseren.

 

03 Samengevoegde vragen van

- Anja Vanrobaeys aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het CRB-rapport over de loonmarge in ons land" (56001424P)

- Axel Ronse aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De loonnorm" (56001430P)

- Nathalie Muylle aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De loonnorm" (56001439P)

- Robin Tonniau aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het tussentijdse verslag van de CRB over de loonmarge" (56001445P)

03 Questions jointes de

- Anja Vanrobaeys à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le rapport du CCE sur la marge salariale dans notre pays" (56001424P)

- Axel Ronse à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La norme salariale" (56001430P)

- Nathalie Muylle à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La norme salariale" (56001439P)

- Robin Tonniau à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le rapport intermédiaire du CCE sur la marge salariale" (56001445P)

 

03.01  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, collega’s, bijna wekelijks zeggen verschillende fracties hier dat werken meer moet lonen en we doen dat ook, maar toch hebben we vandaag de kans om die woorden in daden om te zetten. Er is immers gebleken dat de Belgische loonkosten helemaal niet groter zijn dan die van de buurlanden. De CRB zegt dat. De situatie is zelfs omgekeerd, want in België kregen werknemers minder opslag dan werknemers in Frankrijk, Duitsland en Nederland. Werkgevers zwaaien met wel een loonkostenhandicap, maar die blijkt vooral in hun voordeel te zijn.

 

De raming van de CRB was eigenlijk zelfs voorzichtig, want als de bedrijfssubsidies en lastenverminderingen ook in rekening worden genomen, blijkt de marge nog groter. Tegelijkertijd stelt de Nationale Bank vast dat bepaalde bedrijven het historisch bijzonder goed doen.

 

Met andere woorden, terwijl werknemers jarenlang moesten inboeten op hun loon in naam van de concurrentiekracht, houdt die concurrentiekracht stand en zijn de winstmarges groter dan ooit tevoren. Collega’s, als bedrijven het bijzonder goed doen, dan mag die winst niet alleen naar de aandeelhouders gaan, maar moet er ook een eerlijk deel terugvloeien naar zij die daar elke dag keihard hun best voor doen, namelijk de werknemers.

 

Mijnheer de minister, erkent u dat er op basis van die cijfers meer ruimte is voor loonstijgingen? Hoe zult u ervoor zorgen dat de werknemers effectief hun eerlijk deel van de koek krijgen?

 

De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Ronse.

 

(Rumoer)

 

Collega’s, dat u reageert op de woorden van de heer Ronse begrijp ik, maar dat u al reageert op zijn verschijning is misschien overdreven. Ik stel voor dat we hem minstens iets laten zeggen.

 

03.02  Axel Ronse (N-VA): Dank u voor al die fijne reacties op mijn verschijning, collega’s van de communistische partij. Ik zie u ook graag.

 

Ik houd een quiz. Ik zie dat mevrouw Schlitz haar gsm in de hand heeft. Ik ga haar vragen om iets op te zoeken. Hoeveel kost één uur werk gemiddeld in België?

 

Dat is 48 euro. Wat zijn de loonkosten voor een uur werk in Frankrijk? Dat is 43,5 euro en in Nederland is dat ook 43,5 euro.

 

Wat zien we vandaag gebeuren? Bedrijven uit de chemische sector met duizenden werknemers in de regio Antwerpen, waarvan we dachten dat ze hier altijd zouden blijven, vertrekken. Waarom? Omdat ze moeten concurreren met andere bedrijven in de wereld, waar de energie veel goedkoper is en waar de loonkosten ook veel goedkoper zijn.

 

Als wij, in vergelijking met buurlanden zoals Frankrijk, Nederland en Duitsland, die ook hoge loonkosten hebben, nog altijd vier euro per uur duurder zijn, dan moeten we in de spiegel durven te kijken, want dan denk ik dat er vandaag weinig hoeraberichten te brengen zijn.

 

Eerlijk gezegd, we zouden hier allemaal, van links tot rechts, met een ei in onze broek moeten zitten over onze welvaart. Bedrijven zijn hier werkelijk aan het vertrekken.

 

Vindt u het grappig dat bedrijven vertrekken? Mevrouw, we wonen allebei in Kortrijk. Roubaix is dichtbij. Welnu, in Roubaix verkopen ze op dit moment mooie herenhuizen aan één euro, omdat de bedrijven er allemaal zijn vertrokken.

 

Mijnheer de minister, mijn vraag aan u is vrij eenvoudig. Wat gaat u doen aan de loonkosten, zodat we nog competitief (…)

 

03.03  Nathalie Muylle (cd&v): Mijnheer de minister, in 1996 riep ene Jean-Luc Dehaene de zogenaamde loonnormwet van 1996 in het leven “om de stijging van de loonkosten structureel te beperken en het concurrentievermogen van onze bedrijven te beschermen ten aanzien van onze rechtstreekse buurlanden”. In 2017 werd die wet bindend en imperatief gemaakt, omdat toen bleek dat, vooral door vrije loononderhandelingen, de loonhandicap intussen opnieuw tot meer dan 5 % was gestegen ten opzichte van onze buurlanden. Ik breng dat stuk geschiedenis in herinnering omdat iets voor mijn partij heel duidelijk is. Voor ons staat vast dat de Siamese tweeling van automatische loonindexering en loonmatiging werkt. Cd&v houdt daar dan ook aan vast.

 

Dat het werkt, blijkt nogmaals uit het tussentijds rapport van de CRB. Dat rapport stelt dat na moeilijke jaren, met covid en de energiecrisis - en we weten allemaal dat we nog niet uit de gevarenzone zijn - de loonhandicap voor een stuk is weggewerkt en er misschien voorzichtig marge zou kunnen zijn in 2027.

 

Dat toont aan dat die combinatie werkt. Daarom is het voor ons heel belangrijk, als er marge is, moet die naar loonsverhoging gaan en niet naar koopkrachtpremies of Deborahpremies. Voor ons moet die marge naar extra loonsverhoging gaan, die de koopkracht van de mensen ondersteunt. Het is aan de sociale partners om, als die marge er volgend jaar is, de contouren te bepalen.

 

Mijnheer de minister, hoe kijkt u naar het tussentijds rapport van de CRB?

 

03.04  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, er klopt iets niet in België. In het laatste verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven lees ik dat de bruto winstmarges van de bedrijven historisch hoog staan. Tegelijk lees ik dat de lonen van de werknemers in België 1,1% minder snel stijgen dan in onze buurlanden. Met andere woorden, de zogenaamde loonkosthandicap bestaat niet. Vandaag hebben we een loonkostvoordeel.

 

Hoe komt dat, mijnheer de minister? Al jarenlang blokkeert u onze lonen via de loonblokkeringswet. Dat betekent dat werknemers in bedrijven en sectoren die het zeer goed doen, zelf geen loononderhandelingen mogen opstarten. Ze hebben geen recht op collectieve loonsverhogingen. Hoe gek is dat? We hebben een regering die via een wet de lonen blokkeert van de mensen die werken. Ondertussen loopt de teller van de loonsubsidies en de kortingen op de sociale zekerheid voor de bedrijven in België wel op tot 16 miljard euro per jaar. Voor de werkende klasse is er een streng dieet, voor de aandeelhouders is er een all-you-can-eatbuffet op kosten van onze sociale zekerheid.

 

Het is duidelijk, mijnheer de minister: er is marge genoeg voor bruto loonsverhogingen, niet voor eenmalige premietjes. Wij willen boter bij de vis: bruto loonsverhogingen. Dat is goed voor onze koopkracht, goed voor onze pensioenen, goed voor onze interne economie en goed voor onze sociale zekerheid.

 

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op het feit dat de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven zegt dat er in België marge is voor bruto loonsverhogingen?

 

03.05 Minister David Clarinval: Mijnheer de voorzitter, collega's, laat mij eerst in herinnering brengen dat het recente verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven een tussentijds technisch verslag is dat de evolutie van de loonkostenhandicap en de macro-economische situatie analyseert. Het bepaalt de loonnorm absoluut niet. De loonmarge voor 2027-2028 zal worden besproken op basis van het definitief verslag van de CRB dat in februari 2027 wordt verwacht. Het is dan ook essentieel dat dit tussentijds document niet op een oneigenlijke manier wordt gebruikt.

 

Wat de inhoud betreft, kunnen we echter duidelijk verheugd zijn. België herstelt geleidelijk zijn loonkostencompetitiviteit. Dat is een positieve evolutie voor onze ondernemingen en alle werknemers in ons land. De CRB herinnert er in hetzelfde verslag evenwel aan dat er nog steeds een historische structurele handicap blijft bestaan. Onze uurloonkosten liggen nog steeds ongeveer 10 % hoger dan die van Duitsland, Frankrijk en Nederland. Die realiteit kan niet worden genegeerd als we ons willen vergelijken met onze buurlanden.

 

De publicatie van dit verslag heeft tal van commentaren en analyses uitgelokt, vaak uiteenlopend en zelfs tegenstrijdig. De loonstijgingen voor 2025-2026 zijn al vastgelegd in het laatste IPA. Het debat over de marge 2027-2028 zal in februari 2027 van start gaan, op basis van het definitief verslag van de CRB, waarin ook andere parameters geanalyseerd zullen worden, in overeenstemming met de wet van 1996.

 

Daarnaast heeft de regering de sociale partners een duidelijke opdracht gegeven, namelijk het mechanisme van de automatische indexering en de werking van de wet van 1996 evalueren. De resultaten van deze werkzaamheden worden tegen het einde van 2026 verwacht. Het is binnen dat gestructureerd kader en op basis van volledige analyses dat toekomstige beslissingen moeten worden genomen.

 

Wat mij betreft, ik blijf als minister van Werk en van Economie zeer aandachtig toezien op de evolutie van de beheersing van onze loonkosten, die de competitiviteit van onze ondernemingen en daarmee het behoud van de werkgelegenheid, waarborgt. Daarom moeten– inderdaad, mijnheer Ronse – onze hervormingen verder versterkt worden: meer activering, verlaging van de sociale bijdragen en meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt.

 

Onze lijn blijft duidelijk en consequent, namelijk een evenwicht tussen koopkracht en competitiviteit, met respect voor het wettelijke kader. Zo waarborgen we zowel de welvaart van onze ondernemingen en de stevigheid van de werkgelegenheid als de duurzame bescherming van de werknemers.

 

03.06  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, ik vond uw antwoord wel heel helder. De beschikbare loonmarge ligt vast voor 2027 en 2028.

 

Goed, ik vind de manier waarop de loonnorm berekend wordt een beetje een rommeltje. U spreekt over de historische loonhandicap. Ik zeg dat de subsidies en de lastenverlagingen ook meegerekend moeten worden. Dan komt men tot andere resultaten.

 

U kunt niet ontkennen dat er wel bedrijven zijn die enorme winsten maken. Wij vinden dus dat die marge gebruikt moet worden voor bruto loonsverhogingen.

 

Tegen cd&v wil ik wel zeggen dat die winsten er vandaag al zijn. Vandaar dat wij van Vooruit zeggen dat degenen die elke dag keihard werken, die mee bakken aan de koek, geen kruimels verdienen. Ze verdienen, ook vandaag, een eerlijk deel. Vandaar dat ik een wetsvoorstel zal indienen voor een koopkrachtpremie in 2026, zodat die werknemers – en daar vecht Vooruit elke dag voor –  (…)

 

03.07  Axel Ronse (N-VA): Collega’s, ik meende dat ik hier al veel onzin had horen vertellen, maar ik heb hier net een communist horen stellen dat onze lonen goedkoper zijn dan in onze buurlanden.

 

Mijnheer Tonniau, onze lonen kosten gemiddeld 48 euro per uur na aftrek van subsidies en dies meer. Doe de factcheck. Als wij hier vooral jobs willen vernietigen en niks meer willen overhouden, moeten we aan die loonkosten vooral niks doen.

 

Wat juist is, is dat onze overheid veel te gulzig is. We leven in een land met een dikke, vette, vieze overheid die veel te veel geld afroomt van mensen die werken. Wat moet gebeuren, is het tegenovergestelde van wat sinds Verhofstadt is gedaan. Wij moeten de overheid ontvetten, ervoor zorgen dat mensen netto meer verdienen, de belastingvrije som optrekken en de werkbonus versterken. Dat is wat wij zullen doen. Op die manier zullen wij onze toekomst creëren.

 

03.08  Nathalie Muylle (cd&v): Collega’s, we moeten een beetje serieus zijn.

 

Mijnheer de minister, u spreekt over respect voor het wettelijk kader. U kunt niet een beetje voor het ene zijn en niet voor het andere. Wij hebben jarenlang loonmatiging toegepast omdat onze bedrijven dat nodig hadden. We hadden immers een loonhandicap weg te werken en we hebben die ook weggewerkt. Waarmee we bezig zijn, is evenwel nog heel precair.

 

Daartegenover vinden wij duidelijk dat als er marge is, die ook gegeven moet worden. Voor ons moet die marge ook naar meer loon gaan, naar hogere lonen, die ervoor zorgen dat mensen later ook een hoger pensioen hebben en onze sociale zekerheid wordt beschermd. Het werkt in twee richtingen.

 

Collega’s, laten we, niet in 2026, maar voor 2027 en 2028 bekijken welke marge er is. Laten we ook aan de sociale partners vragen dat zij daarin hun verantwoordelijkheid nemen (…)

 

03.09  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, de loonkosten worden niet berekend door twee uurlonen met elkaar te vergelijken. Met moet daarbij ook rekening houden met loonsubsidies en bijvoorbeeld productiviteitswinst. Daarover spreekt men nooit, in tegenstelling tot over de kosten van arbeiders, terwijl net zij de rijkdom en alles wat we in dit land hebben produceren.

 

Hoe kunt u als liberaal voorstander zijn van een loonblokkeringswet, dus tegen vrije loononderhandelingen? Daarmee fnuikt u een verhoging van de koopkracht van de werkende mensen, die u zogezegd wilt belonen. U blijft hun lonen blokkeren. Het is altijd hetzelfde: de werkende klasse doen dokken, via lagere lonen, via hogere btw, door de indexdiefstal en door een lager pensioen. De werkende klasse (…)

 

Persoonlijk feit

Fait personnel

 

03.10  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le président, nous avons constaté, en début de séance, que le premier ministre était trop souvent absent. Maintenant, il n’y a même plus de majorité. En effet, en comparant la manière dont les différentes personnes lisent un même rapport, nous avons l’impression qu’elles ont lu des documents différents, avec des objectifs totalement divergents. Cela rappelle à quel point nous avons besoin de la présence du premier ministre pour parler d’une seule voix, au nom de son gouvernement, de l’usage que nous faisons des bénéfices records engrangés par les entreprises et de la manière dont les promesses de campagne relatives à l’augmentation des salaires sont tenues.

 

Aujourd’hui, on prétend nous expliquer dans une novlangue qu'en raison de la compétitivité et d’autres notions complexes, on va continuer à plafonner et à niveler par le bas les salaires, alors même que des bénéfices records sont engrangés.

 

Il est indispensable d'avoir la présence du premier ministre dans ces murs.

 

03.11  Axel Ronse (N-VA): Ik dacht dat mijn kennis van het Frans goed was, maar blijkbaar is het toch niet goed genoeg. Ik had mevrouw Schlitz gevraagd naar het gemiddelde uurloon van iemand die hier werkt, na aftrek van subsidies enzovoort. Ik heb goed naar haar antwoord proberen te luisteren, maar ik denk niet dat ze daarop heeft geantwoord.

 

Mevrouw Schlitz, mijn vraag aan u is simpel. Hoeveel verdient een gemiddelde Belg meer, na aftrek van subsidies, dan men in Frankrijk en in Nederland verdient?

 

De voorzitter: Ik ga daarop niet meer laten antwoorden. Ik geef wel meteen het woord aan mevrouw Schlitz voor de volgende vraag.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Questions jointes de

- Sarah Schlitz à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La position de la Belgique sur l'initiative "My Voice, My Choice"" (56001442P)

- Caroline Désir à Bart De Wever (premier ministre) sur "La position belge quant au courrier envoyé par l'Espagne notamment sur le droit à l'IVG dans l'UE" (56001444P)

04 Samengevoegde vragen van

- Sarah Schlitz aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het standpunt van België over het initiatief "My Voice, My Choice"" (56001442P)

- Caroline Désir aan Bart De Wever (eerste minister) over "Het Belgische standpunt over de brief van met name Spanje inzake het recht op abortus in de EU" (56001444P)

 

04.01  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, cela fait maintenant deux ans que le mouvement My Voice, My Choice parcourt l'Europe et mobilise pour un accès sûr à l'avortement à travers toute l'Europe. Ce sont 1 124 513 citoyens européens et citoyennes européennes qui ont signé cette pétition pour rendre cet accès sûr à toutes les femmes. C'est aussi récemment neuf pays membres qui se sont manifestés publiquement pour soutenir cette initiative. Cinq premiers ministres se sont aussi exprimés. Mais du côté de la Belgique, qu'est-ce qu'on a entendu? Rien! Niets, monsieur le ministre! Où étiez-vous? J'imagine que vous avez pris un peu de congés la semaine dernière. Je pense néanmoins que votre téléphone a dû un peu chauffer sur les réseaux sociaux, mais vous n'avez pas daigné répondre à toutes les militantes qui vous ont interpellé en disant: "Monsieur Prévot, maintenant, c'est à vous de jouer, la balle est dans votre camp".

 

Aujourd'hui, c'est Hadja Lahbib qui a le dossier entre ses mains. Notre commissaire européenne porte ce dossier et la Commission attend le soutien des États membres pour faire atterrir ce dossier urgent pour la santé des femmes à travers l'ensemble…

 

(…): (…)

 

04.02  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur Bouchez, nous sommes en train de parler du droit des femmes à disposer de leur corps! Est-ce que je vous dérange à ce point? Je suis scandalisée!

 

Monsieur le ministre, ma question est simple. Allez-vous sortir du silence et manifester votre soutien public à cette initiative?

 

04.03  Caroline Désir (PS): Monsieur le ministre, près de 1,2 million de citoyennes et citoyens européens ont signé la pétition européenne My Voice, My Choice pour réclamer un mécanisme de solidarité au sein de l'Union européenne et pour faciliter l'accès à l'IVG aux femmes de l'Union européenne.

 

La Commission européenne va décider aujourd'hui si, oui ou non, elle va répondre favorablement à cette initiative. L'Espagne, la France et d'autres États membres lui ont envoyé un courrier pour apporter leur soutien à la démarche. C'est un geste fort; et un geste dont je pensais, sans doute fort naïvement, qu’il serait soutenu par notre pays.

 

Je suis donc très étonnée, monsieur le ministre, car il nous revient que votre gouvernement aurait refusé de se rallier à ce courrier et aurait donc refusé ainsi de soutenir l'initiative My Voice, My Choice.

 

Je rappelle que ce qui est proposé ici, c'est simplement de garantir à toutes les femmes de l'Union européenne un accès à l'avortement libre et sûr. On ne parle pas ici d'allonger le délai pour avorter, de supprimer le délai de réflexion, de supprimer les sanctions pénales. Non, il s'agit simplement d'assurer l'accès à un soin de santé.

 

Vous vous opposez même à cela alors que, vous le savez très bien, monsieur le ministre, les menaces pèsent sur l'avortement partout dans le monde, que les groupes anti-choix infiltrent l'ensemble de la société, que les groupes religieux exercent une pression monstre sur les institutions européennes.

 

Votre opposition, monsieur le ministre, aurait donc des conséquences très lourdes sur le droit des femmes à disposer de leur corps.

 

Monsieur le ministre, mes questions sont simples. Pourquoi la Belgique n'a-t-elle pas signé ce courrier? On sait pourtant que certains ministres du gouvernement sont favorables à cette initiative. Confirmez-vous le blocage au sein de votre gouvernement?

 

Si vous refusez de soutenir cette avancée importante pour les femmes au sein de l'Union européenne, monsieur le ministre, que peut-on vraiment attendre de vous en ce qui concerne la réforme de notre propre législation en matière d'IVG? Rien ou pas grand-chose, j'en ai bien peur. Je vous remercie.

 

04.04  Maxime Prévot, ministre: Madame Schlitz, madame Désir, mesdames les parlementaires, merci pour votre question relative à l'initiative citoyenne "My Voice, My Choice", au sujet de laquelle l'Espagne a en effet appelé à la cosignature d'une lettre pour l'élaboration d'un cadre européen.

 

Permettez-moi tout d'abord de rappeler que le droit des femmes à accéder à une interruption volontaire de grossesse sûre, légale et de qualité constitue pour nous une priorité absolue. Donc, je récuse l'idée que l'absence d'une signature à un courrier signifierait que nous nous opposions au droit à l'avortement. Il s'agit d'un raccourci totalement excessif. Sur le fond, du reste, je soutiens pleinement les objectifs de l'initiative visant à renforcer l'accès à la santé reproductive partout en Europe.

 

S'agissant de la lettre à laquelle vous vous référez, la Belgique, en tant que gouvernement, ne s'y est pas jointe formellement, ne jugeant pas opportun le format du cadre proposé. Comme vous l'avez rappelé, madame Schlitz, c'est dans les mains de la Commission européenne que le dossier repose pour le moment.

 

Plutôt que de regretter l'absence de signature à un courrier, réjouissons-nous du fait que, dans notre présente Assemblée, personne ne remettra en question l'existence de ce droit fondamental qu'est le droit à l'avortement. Bien entendu, des divergences existent entre les formations politiques, et même en leur sein, notamment dans le débat qui a animé les dernières années, c'est-à-dire les questions relatives au délai. Toutefois, s'agissant du principe même du droit à l'avortement, je n'ai jamais entendu quiconque le remettre en question. C'est précieux et cela honore notre pays. Je puis vous confirmer, au travers de mes nombreuses missions, que cela reste malheureusement loin d'être le cas partout dans le monde. Cela ne remet en rien en cause ni notre engagement ferme en faveur des droits reproductifs ni mon soutien clair et constant aux objectifs de "My Voice, My Choice".

 

Dans ce contexte, je tiens au demeurant à souligner qu'à mon initiative, la Belgique a participé, aux côtés de nombreux autres pays, à la déclaration qui sera publiée prochainement par She Decides, à l'occasion de l'instauration par l'administration américaine de nouvelles règles étendant la portée de la Global Gag Rule. Par cette déclaration, nous dénonçons une politique qui vise à priver de financement des acteurs et des ONG qui œuvrent au soutien de ce droit fondamental partout dans le monde. Nous défendrons toujours, et j'y veillerai aussi quotidiennement, les droits fondamentaux que sont la santé et les droits sexuels et reproductifs.  

 

04.05  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur Prévot, le gouvernement Arizona soutient-il la Commission européenne dans sa volonté de faire aboutir positivement la demande de plus de 1 million de citoyens et citoyennes européens de donner accès à l'avortement à toutes celles qui en sont privées aujourd'hui en raison des législations nationales? C'était ma question, et vous n'y avez pas répondu. Voulez-vous y répondre?

 

04.06  Maxime Prévot, ministre: J'ai répondu.

 

04.07  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Vous avez répondu à titre personnel ou au nom du gouvernement?

 

04.08  Maxime Prévot, ministre: J'ai répondu au nom du gouvernement.

 

04.09  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Donc je confirme qu'en vue de la décision qui sera prise cet après-midi, à 16 h 00, la Belgique apporte son soutien officiel à l'initiative en question. Vous me le confirmez?

 

04.10  Maxime Prévot, ministre: (…)

 

04.11  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Ce n'est pas sérieux! Mais je prends note du message.

 

04.12  Caroline Désir (PS): Monsieur le ministre, je suis déçue de votre réponse, mais je ne suis pas très étonnée car, depuis le début de la législature, on ne cesse de répéter que l'Arizona n'aime pas les femmes et ne fait que prendre des mesures qui les pénalisent. (Brouhaha)

 

Vous pouvez souffler, mais les faits nous donnent raison.

 

Si votre gouvernement hésite aujourd'hui à signer ce courrier et à soutenir clairement cette initiative "My Voice, My Choice", c'est parce qu'il est lui-même paralysé sur le sujet, nous le savons très bien. Malgré le rapport qui a été approuvé à l'unanimité des 35 experts qui recommandent la modernisation de manière très claire de notre loi sur l'avortement, avec la prolongation du délai à 18 semaines, notamment, vous ne parvenez pas à vous mettre d'accord pour faire évoluer le droit des femmes à disposer de leur corps. Pendant que des centaines de milliers de citoyennes et citoyens européens réclament plus de droits, votre majorité reste sourde à leurs attentes légitimes en refusant,  là aussi, la moindre avancée en matière d'accès à l'IVG. Soyez assuré, monsieur le ministre, notre mobilisation à ce sujet (…)

 

Le président: Madame Schlitz, M. Bouchez demande la parole.

 

Persoonlijk feit

Fait personnel

 

04.13  Georges-Louis Bouchez (MR): Madame Schlitz, ne vous énervez pas. Je voudrais vous rassurer. Je vois en tout cas que cela suscite beaucoup d'émotion. (Brouhaha)

 

Je voulais vous rassurer, madame Schlitz, en vous disant que ce n'est pas vous que j'ai interrompue – en tout cas, ce n'était pas mon souhait et je vous prie de bien vouloir m'en excuser si c'était le cas. J'ai réagi aux mimiques moqueuses à l'égard d'Hadja Lahbib, quand vous avez cité son nom, dans le chef de plusieurs députés éminents du Parti Socialiste.

 

Je suis un peu fatigué d'avoir des gens qui donnent des leçons à tout le monde et qui ne sont pas capables de respecter les principes qu'ils invoquent pour les autres. Madame Schlitz, toutes mes excuses une nouvelle fois pour cela. Par contre, je voulais souligner le comportement totalement indigne de la part des représentants du Parti Socialiste à l'égard de notre commissaire européenne, Hadja Lahbib. Je vous remercie.

 

04.14  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur Bouchez, vous n'êtes pas le président de cette Assemblée. Si quelqu'un a quelque chose à dire sur la manière dont les travaux se déroulent ici, c'est au président de le dire. Pas à vous! Et, si vous voulez réagir, réagissez sur Twitter! C'est plus simple. Au moins, cela ne perturbe pas nos travaux!

 

De voorzitter: Collega’s, zowel daarnet toen mevrouw Schlitz als nu toen mijnheer Bouchez zich genoemd hoorde, is dat technisch inderdaad een persoonlijk feit, maar we komen hiermee in een grijze zone wat betreft de betekenis van het persoonlijk feit. Ik betreur trouwens dat namen van collega’s die niet bij het debat betrokken zijn, worden vermeld.

 

Indien er enige discipline aan de dag zou worden gelegd, zouden we niet met die buitensporige vragen om persoonlijke feiten worden geconfronteerd. U lokt ze immers zelf uit, collega’s. Ik richt mij in dit geval tot de heer Ronse en tot mevrouw Schlitz, maar ook tot alle collega’s die met de regelmaat van een klok het moment aangrijpen om extra spreektijd te krijgen. Ik betreur dat. Gelieve in uw tussenkomsten op de feiten en het dossier in te gaan en daarbij niet de namen van collega’s te gebruiken. Ik zal geen persoonlijk feit laten inroepen als er zelfs geen personen worden genoemd.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de Isabelle Hansez à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La santé mentale et le droit au rebond" (56001435P)

05 Vraag van Isabelle Hansez aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Geestelijke gezondheid en het recht op een loopbaandoorstart" (56001435P)

 

05.01  Isabelle Hansez (Les Engagés): Monsieur le ministre, quel est le point commun entre un travailleur de 35 ans qui reprend des études et un salarié de 58 ans qui tente un retour à temps partiel après une incapacité? C’est que leurs carrières ne sont plus linéaires. Elles sont devenues fragiles, mouvantes, parfois heurtées et connaissent des phases de doute, de désengagement, d’épuisement et de remise en question.

 

Les chiffres sont parlants: les reprises d’études chez les adultes ont doublé depuis la crise sanitaire. Dans le même temps, près de 100 000 personnes en incapacité de longue durée travaillent aujourd’hui à temps partiel. Pourtant, un travailleur sur deux retombe en incapacité complète alors que l’invalidité continue d’augmenter, en particulier après 55 ans.

 

Cela signifie que notre modèle social doit cesser de gérer les ruptures a posteriori et doit plutôt organiser les transitions en amont. C’est précisément pour cela que nous avons voulu le droit au rebond. À partir du 1er mars prochain, ce droit entre en vigueur. Les Engagés se sont battus pour qu’il soit inscrit durablement dans notre arsenal législatif. Personne ne devrait être condamné à sortir du marché du travail simplement parce que son poste n’est plus compatible avec sa santé, ses capacités ou le sens qu’il cherche dans son travail.

 

Le droit au rebond n’est pas un slogan, monsieur le ministre, mais bien la possibilité concrète de transformer une fragilité en trajectoire nouvelle, de passer d’une logique de gestion de l’invalidité à une logique de reconstruction professionnelle. Mais pour que cette ambition devienne réalité, encore faut-il quelle soit opérationnelle.

 

Dès lors, monsieur le ministre, comment garantissezvous que le droit au rebond soit activé suffisamment tôt dans les trajectoires dincapacité, notamment pour les problématiques de santé mentale, en coordination avec lINAMI et les médecins-conseils, afin quil devienne également un véritable outil structurel de prévention de linvalidité de longue durée?

 

05.02  Frank Vandenbroucke, ministre: Madame Hansez, je me trouve un peu en difficulté pour répondre car, sur le fond, je suis totalement d'accord sur le fait qu'il faut repenser le travail si nous voulons également repenser en profondeur la problématique de l'incapacité et de l'invalidité. C'est d'ailleurs pour cela – nous en avons longuement discuté lors des débats sur la note de politique générale – qu'il y a un pilier de prévention important dans nos politiques en matière de qualité du travail et de prévention primaire et secondaire du burn-out. Vous savez qu'on a pris des mesures importantes pour aider ceux qui sont victimes d'un burn-out. Par exemple, un projet de Fedris permet une intervention rapide, dans la mesure où le burn-out ne dure pas depuis trop longtemps. En outre, la volonté existe d'élaborer un plan national burn-out.

 

Pour ce qui est du droit au rebond, celui-ci s'inscrit dans la réglementation du chômage; cela n'a donc rien à voir avec l'incapacité. Dès lors, vous devez poser cette question à M. Clarinval. Néanmoins, je me réjouis, tout comme vous, que cet aspect de l'accord de gouvernement a été réalisé.

 

05.03  Isabelle Hansez (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Je trouve qu'il est parfois intéressant de faire des liens entre nos différentes politiques et je trouve l'articulation intéressante.

 

C'est vrai que pendant des années, nous avons enfermé l'incapacité dans un statut. Aujourd'hui, nous devons plutôt la considérer comme une trajectoire. Et une trajectoire suppose une issue.

 

En matière d'incapacité, je pense vraiment que le droit au rebond n'a de sens que s'il intervient à temps, en amont, avant que la fragilité ne se transforme justement en chronicité et que l'invalidité ne devienne une impasse. C'est là que se joue la différence entre gérer une situation et reconstruire un parcours. Le droit au rebond doit être un levier structurel de prévention et pas un outil périphérique. Nous veillerons à ce qu'il change réellement les trajectoires.

 

Je sais que, même si vous ne faites pas le lien directement, nous pourrons compter sur votre engagement pour lier ces politiques et faire en sorte que le droit au rebond soit une politique d'activation et permette le changement de trajectoire professionnelle.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de Daniel Bacquelaine à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les effets pervers des suppléments d'honoraires" (56001441P)

06 Vraag van Daniel Bacquelaine aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De perverse effecten van de ereloonsupplementen" (56001441P)

 

06.01  Daniel Bacquelaine (MR): Monsieur le ministre, depuis plus d'un an, l'interdiction des suppléments d'honoraire en matière de CT-scan et d'IRM ne semble pas apporter les résultats escomptés, puisque nous assistons à une compensation de ceux-ci vers les autres examens d'imagerie médicale. On ne peut donc pas parler d'une réussite pour cette mesure, mais plutôt d'un coup dans l'eau. C'est un échec. En effet, sans vision globale, cela ne pouvait qu'en être un.

 

Vous accusez les radiologues. Pourtant, les suppléments d'honoraire ne concernent pas, au premier chef, les médecins, mais principalement l'équilibre financier des hôpitaux, la qualité des équipements et, donc, l'accès à des soins de qualité.

 

Dès lors, confirmez-vous cette compensation entre, d'une part, les suppléments relatifs aux CT-scan et aux IRM et, d'autre part, les autres examens d'imagerie médicale tels que les échographies et les radiographies? Cette mesure a-t-elle permis de raccourcir les délais de rendez-vous pour un CT-scan ou pour une IRM? Quand comptez-vous enfin intégrer la question des suppléments d'honoraire dans des réformes indispensables, qui sont attendues et qui sont pourtant bien décrites dans l'accord de gouvernement en ce qui concerne le paysage hospitalier, le financement hospitalier et la réforme de la nomenclature?   

 

06.02  Frank Vandenbroucke, ministre: Monsieur Bacquelaine, vous savez sans doute que nous nous sommes intéressés aux suppléments d'honoraires spécialement dans le secteur de la radiologie parce que c'était un point d'accord entre les médecins et les mutualités dans l'accord médicomut de 2022-2023. Voilà l'origine: un accord entre les organisations professionnelles des médecins et les mutualités selon lequel il fallait s'intéresser à la problématique des suppléments dans ce secteur. C'est ce que nous avons fait.

 

La mesure a eu certaines conséquences dans ce secteur, mais comme vous le dites, nous avons vu un glissement vers des suppléments sur d'autres prestations par les mêmes médecins spécialistes.

 

Ma conclusion est qu'il faut, comme convenu au sein du gouvernement, généraliser une limitation partout. Pour toutes les disciplines dans les soins, pour toutes les prestations, il faut généraliser un plafonnement sur les suppléments d'honoraires. C'est la seule conclusion que l'on peut en tirer.

 

Deuxièmement, vous dites que ceci est lié à un problème de financement des hôpitaux. Je m'excuse, mais jamais on ne sait apporter des données probantes en la matière. Jamais. Il y a énormément d'hôpitaux où tous les médecins radiologues sont conventionnés, où il n'y a aucun supplément. Sont-ils en faillite? Mais non. La moitié de ces suppléments sont demandés dans 10 % des hôpitaux, et jamais on ne sait m'expliquer cela. Jamais. Cela n'a rien à voir avec des problèmes de financement.

 

06.03  Daniel Bacquelaine (MR): Je ne suis pas du tout d'accord avec ce que vous venez de dire. Je pense au contraire que répondre à l'inefficacité des suppléments en matière de CT-scan et d'IRM par une décision de supprimer l'entièreté des suppléments, c'est aller de Charybde en Scylla. C'est aggraver la situation.

 

L'accord de gouvernement est très clair. Il faut réformer la nomenclature, il faut réformer le paysage hospitalier et il faut réformer le mécanisme de financement des hôpitaux. Seulement après cela, nous pourrons discuter des suppléments d'honoraires. Mettre la charrue avant les bœufs n'a aucun sens.

 

Ce que je vous demande, c'est de revenir à la raison. Appliquez l'accord de gouvernement et ayez le courage d'entreprendre les réformes hospitalières absolument nécessaires! Nous avons perdu trop de temps.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Samengevoegde vragen van

- Steven Coenegrachts aan Bart De Wever (eerste minister) over "De btw-kafka van de regering-De Wever" (56001425P)

- Sofie Merckx aan Bart De Wever (eerste minister) over "De btw-verhoging" (56001436P)

- Jean-Marie Dedecker aan Bart De Wever (eerste minister) over "De onenigheid in de regering betreffende de btw-hervorming" (56001438P)

- Lode Vereeck aan Bart De Wever (eerste minister) over "De btw-hervorming in de muziek- en theatersector" (56001446P)

07 Questions jointes de

- Steven Coenegrachts à Bart De Wever (premier ministre) sur "La TVA kafkaïenne du gouvernement De Wever" (56001425P)

- Sofie Merckx à Bart De Wever (premier ministre) sur "La hausse de la TVA" (56001436P)

- Jean-Marie Dedecker à Bart De Wever (premier ministre) sur "Les dissensions au sein du gouvernement concernant la réforme de la TVA" (56001438P)

- Lode Vereeck à Bart De Wever (premier ministre) sur "La réforme de la TVA dans les secteurs de la musique et du théâtre" (56001446P)

 

(Het antwoord zal door de vice-eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen worden gegeven / La réponse sera donnée par le vice-premier ministre et ministre des Finances et des Pensions, chargé de la Loterie Nationale et des Institutions culturelles fédérales)

 

07.01  Steven Coenegrachts (Anders.): Mijnheer de voorzitter, mijn vraag was gericht aan de eerste minister. Ik weet niet waar hij zich momenteel verstopt. Ik hoop dat hij meekijkt.

 

Mijnheer de vice-eersteminister, het was al eerder BDW-btw maar sinds deze week is het ook N-VA-tva. Het is immers voorzitster Van Peel, die heeft voorgesteld de btw te verhogen van 21 % naar 22 %. Om de pil wat te verzachten, argumenteert zij dat het om louter luxeproducten gaat. Tandpasta, shampoo en wc-papier zijn luxeproducten volgens mevrouw Van Peel. Gemiddeld kost de luxe om d tanden te poetsen, de haren te wassen en naar het toilet te gaan volgens berekeningen van anderen aan een gezin 700 euro per jaar!

 

Collega’s, gelukkig was daar zoals wel vaker, die andere voorzitter, de heer Georges-Louis Bouchez. De heer Bouchez zegt neen tegen belastingverhogingen om putten te vullen. Dat klopt. De putten moeten kleiner worden gemaakt met besparingen en hervormingen, vooraleer kan worden begonnen met ze te vullen met belastingen.

 

De twee voorzitters zijn het wel eens over een btw-verlaging op nieuwbouw. Dat is een heel verstandig voorstel en een terechte vraag. Wij hebben dat voorstel van 6 % voor nieuwbouw ook al gedaan. Die maatregel, die er een is voor betaalbaar wonen, maakt namelijk de droom van jonge mensen mogelijk.

 

Mijnheer de minister, de Raad van State heeft voor de krokusvakantie uw btw-kafka naar de tekentafel teruggestuurd. Ik sta hier vandaag om het met u te hebben over datgene waar de mensen aan de keukentafel zich zorgen over maken, namelijk de vraag of hun verbouwing duurder zal worden door de verhoging van de btw van 6 naar 9 %, zijnde een verdubbeling van de belasting, dan wel of ze niet beter een nieuwbouw kunnen zetten, aangezien die misschien goedkoper wordt, en of ze in de supermarkt moeten hamsteren, omdat de btw stijgt.

 

Mijnheer de minister, wanneer geeft u duidelijkheid aan de mensen?

 

07.02  Sofie Merckx (PVDA-PTB): We droomden over een raspaard, maar uiteindelijk werd het een lelijke kameel. Dat is wat de heer De Wever zei over de btw-hervorming. Het was echt een misbaksel. Daar is hier enorm mee gespot. Het leek hier wel elke donderdag Comedy Cup. Er was ook veel onvrede over bij onze burgers, inclusief de zelfstandigen. En uiteindelijk heeft de regering de hervorming in de vuilnisbak moeten gooien. Dat was een goede zaak.

 

De discussie is natuurlijk niet gedaan. Gisteren kwam mevrouw Van Peel het nieuwe raspaard voorstellen, een heel duur raspaard. De btw-tarief van 21 % gaat omhoog naar 22 %, de btw op de producten in de winkelkar gaat van 6 % naar 9 % en er zijn een paar btw-dalingen.

 

Mijnheer de vice-eersteminister, u wilt 3 tot 4 miljard uit de zakken van de mensen halen. Uw partij had nochtans beloofd geen nieuwe belastingen voor de gewone mensen in te voeren. Het Laatste Nieuws heeft de regeling even berekend: ze betekent ruim 300 euro extra voor een gemiddeld gezin.

 

De btw is een heel oneerlijke belasting. Voor wie een klein loon heeft, wegen de kosten van de winkelkar veel zwaarder dan voor wie een hoog loon heeft, en dat allemaal omdat u allen het eens bent over één ding, namelijk dat u het geld wilt halen uit de zakken van de mensen, in plaats van de superrijken.

 

Mijnheer Jambon, u en de heer De Wever, die niet durfde te komen, hebt nu een fameus probleem: u wou de rekening op orde zetten en had daarvoor een begroting ingediend met twee maatregelen ten belope van 475 miljoen, terwijl daar geen akkoord tegenover staat. Er is geen akkoord over.

 

Mijn vragen zijn dus heel duidelijk. Ligt er nu een voorstel over de btw-hervorming op de regeringstael?

 

Wat zult u doen? Zult u het geld uit de zakken van de mensen halen, of zult u het geld eindelijk zoeken waar het zit?

 

07.03  Jean-Marie Dedecker (ONAFH): Mijnheer de minister, ik hoorde de eerste minister zeggen dat het paard een kameel is geworden en dat die kameel niet kan lopen. Ik heb plaatsvervangende schaamte, net zoals uw eerste minister. Het Parlement wordt ondertussen belachelijk gemaakt als een kamelenmarkt. Mijnheer Van Quickenborne, u bent er mee de oorzaak van, maar daarover heb ik het straks nog. De politieke partijen ruziën ondertussen over welke soort kamelenboter nog mag worden belast aan 6 % en welke aan 12 %. Daardoor heb ik plaatsvervangende schaamte.

 

De premier zei ook dat sommige partijvoorzitters geen enkele belasting meer willen aanvaarden en dat andere altijd belastingen voorstellen die hun kiezers niet moeten betalen.

 

In welke zielige situatie zijn wij hier beland? Nu kijk ik opnieuw naar u, mijnheer Van Quickenborne. U zou het anders doen. 25 jaar bent u aan de macht geweest en hebt u ministers geleverd (…)

 

De voorzitter: Mijnheer Dedecker, ik heb u het woord ontnomen, omdat u zich richt tot iemand die niet kan antwoorden. U moet uw vraag stellen aan de minister. Ik besef dat u erop zat te wachten dat uw naam werd genoemd. Mijnheer Dedecker, gelieve uw vraag aan de regering en de minister te stellen.

 

07.04  Jean-Marie Dedecker (ONAFH): Ik vraag me af in welk kippenhok we hier zijn beland. Iedereen wiens naam wordt genoemd, beroept zich op een persoonlijk feit. Dat is hier al een hele namiddag een pingpongspel. De heer Van Quickenborne daagt mij uit, ik noem zijn naam en u ontneemt mij het woord, mijnheer de voorzitter. Ik begrijp het niet meer. Na 25 jaar in dit kot ken ik blijkbaar het Reglement nog altijd niet.

 

Ja, mijnheer Van Quickenborne, ik ben een van die oudgedienden die gezien heeft dat hier een belastingdruk en een overheidsbeslag is ontstaan van 56 %! Wij zijn nu al anderhalf jaar aan het ruziën om een put te dichten van bijna 39 miljard euro, goed voor 5,97 % van het bbp.

 

Als het gaat over belastingen, rechtvaardige belastingen bestaan niet. Daarvoor ben ik liberaal genoeg. Een belasting is altijd een onteigening van iemands bezit. Anderzijds profiteert men van iemands zweet. Als er echter één rechtvaardige belasting is, is het wel de btw, een belasting op gebruik, op consumptie en op verbruik. Wanneer zult u dat eens inzien dat (…)

 

07.05  Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, uw btw-knoeiboel is door de oppositie en de Raad van State aan flarden geschoten. Uw btw-expert heeft ontslag genomen. Dat is jammer, want hij had wel wat humor. Sommige organisatoren van popfestivals bieden zelfs tickets met twee btw-tarieven aan. Dat is opnieuw een voorbeeld van de btw-chaos die u hebt gecreëerd.

 

U moet dus snel terug naar de tekentafel, want de voorzitter van uw partij lanceerde het voorstel om de btw te verhogen tot 9 % en 22 % en de btw op nieuwbouw tot 6 % te verlagen. Dat zou potentiële bouwers van een huis een gemiddelde besparing van 52.500 euro opleveren. Dat is een chique auto.

 

Mijnheer de minister, u kunt op ons rekenen als er belastingen moeten worden verlaagd of vereenvoudigd, weliswaar met de kanttekening dat zo’n verlaging niet noodzakelijk tot goedkopere huizen leidt. De forse verlaging van de registratierechten in Wallonië van 12,5 % naar 3 % deed de huizenprijzen gemiddeld met 13,4 % stijgen. Een groot deel van het fiscale voordeel komt dus niet bij de huizenkopers terecht, maar bij de huizenverkopers en de bouwpromotoren.

 

U zult wellicht antwoorden dat een voorstel van een partijvoorzitter de regering niet bindt, ook al is het de partij van de premier. Die uitspraken zijn echter niet onschuldig. Potentiële bouwers horen dat ook en stellen logischerwijze hun beslissing uit. Dat is nefast voor de bouwsector en voor de economische groei. U moet dus snel klare wijn schenken. Burgers en bedrijven hebben nood aan fiscale rechtszekerheid.

 

Mijnheer de minister, komt er een algemene btw-verhoging van 21 % tot 22 %? Komt er een btw-verlaging voor nieuwbouw tot 6 %? Is er daarover overeenstemming binnen de regering? Waar is Georges-Louis Bouchez? Als die voorstellen niet aan de orde zijn, welke tarieven zullen dan van toepassing zijn in de voedingssector en de cultuursector? Wanneer zal de premier zijn verantwoordelijkheid nemen, vragen beantwoorden in het Parlement en een nieuw akkoord sluiten?

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, u hebt vijf minuten om te reageren.

 

07.06 Minister Jan Jambon: Ik noteer eerst en vooral dat het Vlaams Belang geen voorstander is van een btw-verlaging voor nieuwbouw. Dat is een interessante vaststelling, want dat houdt de prijs hoger.

 

Binnen de zware en moeilijke begrotingscontext, hebben we ervoor gekozen om werken lonender te maken en dus de lasten op arbeid te verlagen en te verschuiven naar lasten op consumptie. In dat kader was er inderdaad een btw-hervorming. Ik ben voor een btw-hervorming, maar die moet naar mijn mening leiden tot vereenvoudiging, met minder uitzonderingen en minder complexiteit. Tijdens de begrotingsopmaak heeft de regering beslist een aantal btw-maatregelen te nemen. De uitwerking van die maatregelen zoals initieel bedoeld bleek echter niet zo eenvoudig. De Raad van State had daar bemerkingen bij en ook hier in het Parlement waren er heel wat opmerkingen daarover, pour dire le moindre des choses. De Raad van State stelde dat de gedefinieerde regeling niet mogelijk was.

 

De twee tarieven met betrekking tot de aanpassing voor de horeca en voor de evenementensector zijn daarom van de tafel. Dat slaat inderdaad een gat in de begroting. We zijn aan het werk om dat op te lossen. Dat zal redelijk snel moeten gebeuren. Ik zal hier natuurlijk geen onderhandelingen voeren. Voorstellen komen binnen, dat is duidelijk. Het is aan de regering om te beslissen wat er zal gebeuren.

 

De twee btw-aanpassingen die wel behouden blijven, zijn die voor de verblijven en voor de pesticiden. Die gaan in op 1 maart. Ik heb mijn administratie gevraagd om enige administratieve tolerantie aan de dag te leggen, omdat de periode tussen de beslissing en de inwerkingtreding van de maatregel redelijk kort is. Ook hier is er dus werk aan de winkel voor de regering.

 

07.07  Steven Coenegrachts (Anders.): Mijnheer de minister, u zegt persoonlijk voorstander te zijn van minder complexiteit en meer vereenvoudiging, maar als minister van Financiën zorgt u voor complexiteit op complexiteit en uitstelgedrag op uitstelgedrag. De premier zei ooit over u dat u dikke planken zaagt, maar dat de fijne afwerking niet uw ding is.

 

Mijnheer Jambon, als ik kijk naar de methode-De Wever, vind ik dat u zeer fijne plankjes zaagt. Het zomerakkoord werd uitgeklaard in het herfstakkoord. Daarna kwam er een kerstakkoord dat uitgeklaard zal worden in een paasakkoord. Als ik bekijk hoe u planken zaagt, denk ik dat u de premier nog lessen te geven hebt.

 

De waarheid is dat u niet durft te kijken naar besparingen in de gezondheidszorg en in de sociale zekerheid, omdat u dat niet mag van de vrienden van Vooruit, omdat u dat niet mag van Frank Vandenbroucke. Dat is de waarheid. Daarom zit u in de zakken van de mensen.

 

07.08  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Vous avez été assez clair. Vous dites vouloir diminuer les impôts sur le travail et taxer la consommation. Que ce soit une taxe qu'on paye sur le revenu ou sur son caddie ou à l'achat d'une voiture, cela ne change rien, c'est de l'argent qui va du contribuable à l'État. Vous avez vraiment été clair, merci.

 

Sur la manière de le faire, il est vrai qu'on entend pas mal de discussions. Vous êtes plus direct, straight to the point, et voulez augmenter les taxes. M. Bouchez essaye, lui, de revenir avec de nouvelles idées. Il paraît même qu'il propose maintenant de faire comme en France, où, pour les plats à emporter, si, dans les fruits de mer que vous achetez, les coquillages sont ouverts ou fermés, le taux de taxation est différent. Je vous souhaite bonne chance pour vos négociations!

 

07.09  Jean-Marie Dedecker (ONAFH): Collega's, we zijn nu al anderhalf jaar bezig met het dichten van het gat in de begroting. Eerst waren er regeringsonderhandelingen en daarna kwamen er akkoorden, die dan worden teruggefloten door de Raad van State. Ons systeem is er tegenwoordig op gericht om een regering te vormen met verschillende partijen van ideologische tegenstellingen, maar wat gebeurt er dan telkens opnieuw? Een van die partijen die men nodig heeft, pleegt dan altijd chantage en dat zijn dan meestal ook de partijen die de problemen jarenlang zelf hebben veroorzaakt. Het is hoog tijd dat we hier volwassen worden, een lijn trekken en zeggen wat we willen. Het is hier elke week bijna een kamelenmarkt waar wordt gezegd wat we niet zullen doen.

 

07.10  Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, de burgers en bedrijven hebben recht op en nood aan fiscale rechtszekerheid, maar de premier is gaan lopen, als een bange wezel. Dan druk ik het nog heel proper uit. Hij durft niet naar het Parlement te komen.

 

Wij willen dat De Wever zijn verantwoordelijkheid neemt, want de mislukte btw-hervorming werd niet beslist door het kabinet-Jambon in de Wetstraat 12, maar wel in de Wetstraat 16. Premier De Wever is de eindverantwoordelijke. Hij heeft dat mislukte btw-akkoord afgeklopt. Om dan te gaan janken dat hij een raspaard wou, maar een kameel kreeg of om dan weer naar de Koning te lopen en te zeggen dat Georges-Louis hem pest, is al te gemakkelijk. Ik wil baron De Wever voorstellen om zijn verantwoordelijkheid te nemen en voor de verandering eens te zorgen voor cijfermatig onderbouwde voorstellen. Ook het voorstel over de lagere lasten op arbeid, de beruchte 1.000 euro, wordt immers door de Raad van State aan flarden geschoten omdat de impact op de sociaal kwetsbare groepen niet berekend werd. Dat is een zoveelste (…)

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

(De heer Van Quickenborne roept een persoonlijk feit in.)

 

De voorzitter: Ik heb de heer Dedecker het woord ontnomen precies om die reden. Ik zal dat in de toekomst steeds proberen te doen, want het ontaardt hier in een flauw spelletje waarbij men elkaar 5 minuten gunt. Daar zullen we paal en perk aan stellen.

 

Ik geef het woord aan mevrouw Dedonder.

 

(De heer Van Quickenborne zegt buiten de micro dat de voorzitter het Reglement moet toepassen met betrekking tot een persoonlijk feit.)

 

Ik pas het Reglement toe. Daarin staat dat de Kamervoorzitter beslist of een persoonlijk feit wordt toegepast. Ik beslis dat het niet wordt toegepast! Mevrouw Dedonder heeft het woord.

 

08 Questions jointes de

- Ludivine Dedonder à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'avis du Conseil d'État qui confirme que la réforme des pensions pénalise fortement les femmes" (56001426P)

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'avis du Conseil d'État concernant la réforme des pensions" (56001429P)

- Raoul Hedebouw à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La réforme des pensions" (56001437P)

08 Samengevoegde vragen van

- Ludivine Dedonder aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het advies van de Raad van State dat bevestigt dat de pensioenhervorming erg nadelig is voor vrouwen" (56001426P)

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het advies van de Raad van State met betrekking tot de pensioenhervorming" (56001429P)

- Raoul Hedebouw aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De pensioenhervorming" (56001437P)

 

(Mme Dedonder tente de prendre la parole, mais le brouhaha dans la salle l’en empêche.)

 

08.01  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le président, franchement, ce n’est pas possible. Je vais attendre que ça (…)

 

De voorzitter: U hebt gelijk, mevrouw Dedonder. Maar ik denk dat de heer Van Quickenborne ondertussen tot rust is gekomen, dus we gaan een nieuwe poging ondernemen.

 

Madame Dedonder, je vous en prie.

 

(Rumoer in de zaal)

 

Collega’s, u kunt nog lang blijven murmelen – zoals in het verslag zal staan –, maar het is mevrouw Dedonder die het woord heeft. Ik heb de indruk dat u allemaal een heel opgewonden week hebt en dat u blij bent om terug in het halfrond te zitten.

 

Madame Dedonder, je vous en prie. Ce ne sont que vos propos qui seront repris dans le compte rendu.

 

08.02  Ludivine Dedonder (PS): C'est un énième revers pour ce gouvernement. Dites donc, c'est que vous êtes à la fête en ce moment! En une semaine: votre réforme de la TVA, recalée par le Conseil d'État; votre budget, démonté par la Cour des comptes; et maintenant, c'est le Conseil d'État qui tire à boulets rouges sur votre réforme des pensions – parce qu'elle diminue la protection sociale des travailleurs, parce qu'en changeant les règles en cours de route, elle brise la confiance des citoyens, qui ne peuvent plus s'adapter, parce qu'elle crée des discriminations et parce qu'elle renforce l'inégalité entre les hommes et les femmes.

 

À force de recevoir des claques, cela doit piquer un peu, non? Visiblement, pas au point de vous faire reculer. Vous vous entêtez, alors que je vous l'avais dit, comme beaucoup de monde. Aujourd'hui c'est le retour du bâton: à force de taper sur la classe moyenne, il vous revient en pleine figure. Or, c'est tout sauf drôle évidemment, car votre réforme fait mal aux travailleurs et aux travailleuses, qui vont devoir travailler plus longtemps pour gagner moins. Votre réforme, c'est une punition pour celles et ceux qui ont travaillé toute leur vie dans des conditions pénibles.

 

En durcissant les conditions de carrière, votre réforme s'attaque de plein fouet aux femmes. Ce n'est plus seulement moi qui le dis, mais c'est bien le Conseil d'État. Elles devront travailler plus souvent plus longtemps que les hommes pour remplir vos nouvelles conditions.

 

Alors il est temps, non pas d'ajuster votre réforme, mais bien de revoir votre copie en profondeur. Retirez le malus, revenez sur le durcissement des conditions de carrière et reconnaissez la pénibilité des métiers. Je l'ai dit, je le redis et je le dirai encore: allez-vous enfin comprendre que vous faites fausse route?

 

08.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, daags nadat ik u in de commissie heb gewezen op de onduidelijkheid, de versnippering in verschillende wetsontwerpen en het gebrek aan transparantie over de netto-impact van uw plannen, lezen we dat de Raad van State – het zit u precies niet helemaal mee met die adviezen – nu ook uw pensioenhervorming stevig onderuithaalt.

 

Het gaat daarbij niet over futiliteiten, maar precies over de kern, namelijk ongelijke behandeling, het vertrouwensbeginsel, een daling van de beschermingsgraad en een motivering die volgens de Raad van State onvoldoende is. Bovendien wijst hij op een mogelijk onevenredige impact op vrouwen door strengere loopbaanvoorwaarden en de malus voor deeltijdse loopbanen.

 

Daarom, mijnheer de minister, heb ik drie zeer concrete vragen.

 

Welke onderdelen van uw hervorming zult u aanpassen, aangezien de Raad van State aangeeft dat de motivering en proportionaliteit tekortschieten? Welke maatregelen worden herwerkt of geschrapt, en waarom?

 

De Raad van State waarschuwt voor het risico op ongelijkheid, onder meer door het ontbreken van overgangsrecht. Welke billijke overgangsmaatregelen zult u voorzien, zodat mensen niet opnieuw midden in het spel nieuwe regels opgelegd krijgen?

 

Ten slotte, los van de juridische bijsturing blijft het fundamentele probleem dat werkelijk niemand nog kan inschatten wat uw hervorming netto betekent. Wanneer krijgt de burger, zwart op wit, een duidelijke simulatie per profiel? Wanneer zullen mensen die effectief kunnen raadplegen op MyPension?

 

08.04  Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): Mijnheer de minister van Pensioenen, de Raad van State zegt wat de vakbonden en de PVDA eigenlijk al maanden zeggen. U zegt dat pensioenen geherwaardeerd zullen worden, maar de Raad van State is snoeihard en stelt: “De beoogde maatregelen zullen een achteruitgang meebrengen voor alle werknemers.” Dat citaat staat op pagina 10. Even verder staat: “Het valt te betwijfelen of de verschillende voorgenomen maatregelen in hun geheel genomen geen aanzienlijke achteruitgang zouden meebrengen voor alle werknemers binnen de verschillende pensioenregelingen.” Aanzienlijk, beste collega’s, is een hard woord. Dat betekent dat er helemaal geen vooruitgang is voor de gepensioneerden. De Raad van State zegt dat mensen langer zullen moeten werken voor minder pensioen.

 

De Raad van State zegt ook dat vrouwen de eerste slachtoffers zullen zijn. Discriminatie! Vrouwen zijn wederom het slachtoffer, omdat hun carrière niet compleet is. Er komen weer eens maatregelen tegen vrouwen. Hoe durft u, mijnheer de minister? De malus op de pensioenen zal voornamelijk vrouwen treffen.

 

Dan kom ik tot de landingsbanen. Hoe durft u? Mensen die zo hard werken in bedrijven, in ploegen, van 06.00 uur tot 14.00 uur, van 14.00 uur tot 22.00 uur, ’s nachts, in de zorg, in de industrie, en die het op het einde van hun loopbaan niet meer aankunnen. Ze hebben te horen gekregen dat ze tot 67 jaar moeten werken, maar dat er landingsbanen zullen zijn. Nu beslist u dat die minder zullen meetellen. Dat betekent 600 tot 700 euro minder per maand voor mensen met een landingsbaan. Hoe durft u?

 

Mijnheer de minister, ga eens één week werken in de industrie. Ga eens één week werken in de zorg. U zult smeken om een landingsbaan. Maar neen, de minister met zijn 13.500 euro per maand beslist dat landingsbanen niet meer meetellen. Daarom zijn mensen kwaad.

 

Mijn vraag is duidelijk. Zult u rekening houden met de Raad van State?

 

08.05 Minister Jan Jambon: Mijnheer de voorzitter, geachte Kamerleden, mijnheer Hedebouw, ik stel voor dat u, wanneer u volgende keer hier komt staan, ook uw eigen wedde vermeldt. Maak die wedde ook maar eens bekend, evenals alle voordelen die ook u iedere maand opnieuw opstrijkt. Doe dat, in plaats van hier elke keer de witte ridder te komen uithangen, hoewel u zelf de voordelen mee opstrijkt. Ik ben dat beu.

 

Ik ben niet beschaamd om te stellen dat wij en alle parlementsleden die hun job doen, hard werken voor het loon dat wij verdienen. Ik ben niet beschaamd om dat te uiten.

 

Nu kom ik ter zake. Wij hebben inderdaad het advies van de Raad van State over ons ontwerp van pensioenwet ontvangen. Het betreft een omstandig en interessant advies van 80 pagina’s. Wij nemen natuurlijk de nodige tijd om dat grondig te bestuderen. De bemerkingen worden momenteel besproken in technische vergaderingen.

 

Dès que les adaptations nécessaires seront finalisées, nous pourrons soumettre le projet de loi dans les plus brefs délais pour une troisième et dernière lecture au Conseil des ministres. Il sera ensuite déposé au Parlement. Vous recevrez à cette occasion, comme il est d'usage, l'avis même ainsi qu'une version de notre projet de loi avant et après les adaptations apportées sur la base de cet avis. Ainsi, tout pourra être examiné en profondeur sur la base d'informations complètes et transparentes.

 

Wat ik ten stelligste tegen wil spreken, is dat de Raad van State zo verschrikkelijk kritisch over onze pensioenwet zou zijn. Dat is niet het geval. Wat de pers ook schrijft, dat is niet het geval. Uiteraard stelt hij kritische vragen, dat is zijn rol, en daarmee zullen we uiteraard rekening houden. We zullen de gevraagde motivering aan de memorie van toelichting toevoegen. De nodige aanpassingen zullen aan het ontwerp worden aangebracht, op basis van het advies van de Raad van State en de uitkomst van de bespreking in onze technische werkgroepen en in de regering.

 

De fundamenten van onze pensioenhervorming zijn goed. Wij zijn zeer tevreden dat het advies van de Raad van State dat ook bevestigt.

 

08.06  Ludivine Dedonder (PS): Vous dites que le Conseil d'État pose des questions critiques, comme nous, d'ailleurs, qui vous disons depuis le mois d'août que cette réforme ne tient pas la route. Vous ne voulez pas nous entendre, vous n'avez pas non plus voulu entendre le Comité d'Étude sur le Vieillissement, vous ne voulez pas entendre le Conseil d'État. Nous avions obtenu des auditions d'experts en ce qui concerne l'impact de cette réforme sur les femmes et on n'organise pas ces auditions. Vous préférez avancer seul, vous nous dites que vous allez nous faire une proposition, des ajustements, vous allez comme d'habitude bidouiller quelque chose dans votre coin. Emballez, c'est pesé, vite fait, et ce sera encore recalé.

 

Au-delà de cet amateurisme, c'est de l'inconscience mais aussi un manque de considération pour celles et ceux qui ont travaillé toute leur vie. Celles et ceux qui aujourd'hui se demandent ce qu'elles vont avoir comme pension. Pour ces femmes, mais aussi pour ces travailleurs et ces travailleuses aux conditions pénibles, revoyez cette copie et venez avec les auditions d'experts au Parlement avant de décider quoi que ce soit.

 

08.07  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, u zegt dat u aanpassingen zult doen, maar als het opnieuw alleen over wat technische bijschaving gaat, mist u de boodschap van de Raad van State volledig. Het advies gaat niet over juridische futiliteiten. Het gaat over de kern van uw beleid: uw hervorming is onvoldoende onderbouwd, riskeert een ongelijke behandeling en ondermijnt het vertrouwen van de mensen.

 

Zelf als u enkele juridische pleistertjes kleeft, blijft één probleem overeind: de onduidelijkheid. U verdeelt de hervormingen over verschillende teksten, waardoor het voor de burgers gewoon onmogelijk wordt te weten wat hun pensioen straks nog waard is.

 

Wie jarenlang heeft bijgedragen, verdient respect, mijnheer de minister. Die verdient geen improvisatie. Zolang u geen eerlijke overgangsmaatregelen en een transparante netto-impact op tafel legt, blijft uw hervorming voor ons wat ze altijd al was: zand in de ogen strooien.

 

08.08  Raoul Hedebouw (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, ik heb blijkbaar een gevoelige snaar geraakt. U zegt dat u samen met de andere ministers hard werkt. En de arbeiders in de industrie, werken die niet hard? En de buschauffeurs of het zorgpersoneel in de zorgsector, werken die niet hard? Werken de poetshulpen niet hard? Werken alle bedienden in dit land niet hard?

 

Ik heb u gevraagd waarom u sancties wilt opleggen aan de werknemeres die na hun 55 jaar in een landingsbaan één vijfde of halftijds gaan werken. Geen antwoord.

 

Hoe durft u de mensen langer doen werken en de paar poortjes die nog open waren, gewoon dichtslaan? Dat de N-VA dat doet, is logisch. Zij is een asociale rechtse partij. Maar waarom scharen Vooruit en cd&v zich achter de maatregel waarbij landingsbanen minder meetellen voor de berekening van de pensioenen? Waarom gaan zij mee met dat verhaal? Komaan, leden van Vooruit en cd&v, laat uw stem horen. Zeg toch duidelijk dat dat niet kan.

 

De Raad van State is kritisch. Maar de raad van de staat is nog kritischer Wij gaan (…)

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van Katja Gabriëls aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De weigering van de premier om extra budget toe te kennen voor Justitie" (56001427P)

09 Question de Katja Gabriëls à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le refus du premier ministre d'allouer un budget complémentaire à la Justice" (56001427P)

 

09.01  Katja Gabriëls (Anders.): Mevrouw de minister, laten we meteen met de deur in huis vallen. In november vorig jaar bracht u een soort goednieuwsshow met zogezegd 1 miljard euro extra voor Justitie, een bedrag dat de meesten onder ons niet volledig hebben teruggevonden in de begroting van deze regering.

 

We hebben wel gezien dat deze arizonaregering de werkgeversbijdragen voor alle nieuwe statutairen verhoogt, met als gevolg zware financiële tekorten bij Justitie. Het Rekenhof is daar heel duidelijk over, die maatregel kost elk jaar 101 miljoen euro. Dat is 101 miljoen euro minder voor Justitie om personeel aan te werven. Concreet gaat het om 1.800 mensen minder voor Justitie, zowel magistraten als cipiers.

 

U zegt altijd dat u meer geld voor Justitie hebt, dat er meer mensen bijkomen en dat de kerntaken moeten worden uitgevoerd. Dat zijn echter loze woorden, mevrouw de minister. Tegelijk beslist de arizonaregering immers dat 1.800 mensen moeten afvloeien om de begroting te laten kloppen. Uw antwoord daarop is dat u bezorgd bent, dat u het hebt aangekaart binnen de regering, maar geen gehoor hebt gekregen en dat u het geld bij de begrotingscontrole in april zult vragen. In april komt dat dus allemaal in orde.

 

Gelooft u dat zelf nog, mevrouw de minister? Uw partijgenoot, de minister van Begroting, zegt dat u dat maar moet compenseren. De reactie van de premier was ook duidelijk: Justitie zal dat intern absorberen. Met andere woorden, Verlinden heeft geld genoeg gekregen. Ze mag haar plan trekken. Uw eigen premier heeft u dus wandelen gestuurd.

 

Hoe ziet u dat, mevrouw de minister? De mensen op het terrein hebben geen enkele boodschap meer aan dit soort begrotingsgeknoei van deze regering.

 

09.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Gabriëls, ik vertel niets nieuws als ik zeg dat Justitie voor zeer grote uitdagingen staat. Ingrijpende hervormingen zijn noodzakelijk. We bereiden die voor en we zullen die ook realiseren.

 

Ondanks de moeilijke budgettaire situatie heeft de arizonaregering beslist om enkele dringende knelpunten binnen Justitie beter aan te pakken dan voorheen. Daartoe zijn op mijn vraag bijkomende middelen vrijgemaakt. We hebben die begroot op 1 miljard euro. We hebben deze week nog toegelicht waaraan die middelen besteed zullen worden: de strijd tegen de overbevolking in de gevangenissen, digitalisering en meer personeel voor Justitie. We versterken Justitie met een doortastende strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Met een nieuw financieel parket verhogen we nog de strijd tegen economische en sociale fraude. We ontmantelen criminele verdienmodellen en we blijven investeren in duurzame oplossingen tegen de overbevolking in onze gevangenissen.

 

Tegelijkertijd moet ik inderdaad vaststellen dat de beslissingen om de werkgeversbijdrage te doen stijgen, vooral voor statutaire ambtenaren, onze werking en plannen dreigt te ontwrichten. Justitie is net zoals Defensie en Binnenlandse Zaken een departement met voornamelijk gezaghoudende functies. Dat houdt in dat er daarvoor statutaire aanwervingen moeten gebeuren, zowel voor de gevangenissen als de rechterlijke orde. Daardoor zal de kostprijs van het personeel voor Justitie toenemen. We kunnen minder mensen met gezagsfuncties aanwerven, wat een fundamentele rem kan zetten op ons personeels- en vervangingsbeleid. De administratie heeft die bijkomende kost al berekend. Daarom heb ik in het kader van de lopende begrotingscontrole bijkomende middelen ter compensatie gevraagd. Dat zal verder moeten worden besproken in de regering. Dat verrast u niet. Veiligheid is mensenwerk. Wie veiligheid wil, zal dus blijvend moeten investeren in de mensen binnen Justitie.

 

09.03  Katja Gabriëls (Anders.): Mevrouw de minister, dit is eigenlijk niet meer ernstig. Dit is amateurisme. Dit is opnieuw broddelwerk. Uw regering zou het rotten stoppen en u doet het omgekeerde. De 50 miljoen euro die u bij de budgetopmaak hebt gekregen, is volledig opgesoupeerd, want u moet compenseren en absorberen. U hebt uw job dus niet gedaan of u hebt de tekentafel misschien te vroeg verlaten. Ik weet het niet.

 

Nu vraagt u in een volgende ronde opnieuw geld. Dat is toch niet ernstig. U bent één jaar minister van Justitie. Los de problemen op in de plaats van er nog meer te creëren. Doe gewoon uw job, mevrouw.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Question de Georges-Louis Bouchez à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les peines incompressibles et la véritable perpétuité" (56001440P)

10 Vraag van Georges-Louis Bouchez aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De niet-samendrukbare straffen en de echte levenslange gevangenisstraf" (56001440P)

 

10.01  Georges-Louis Bouchez (MR): Monsieur le président, il se peut effectivement que les peines soient incompréhensibles pour certains puisque, dans notre pays contrairement à d'autres, la perpétuité ne vaut en fait que pour 15 ans. À partir de 15 ans, vous pouvez déjà envisager une libération. C'est 19 à 23 ans en cas de récidive.

 

Madame la ministre, je voulais voir avec vous où nous en étions dans la possibilité d'avoir une vraie perpétuité. Pourquoi? Parce qu'il y a des gens, malheureusement, qui ne sont pas réinsérables dans la société. C'est le cas, par exemple, en France, de Mme Benkired, qui s'est rendue coupable du viol, de la torture et du meurtre d'une petite fille qui s'appelait Lola. Cela peut être le cas de quelqu'un comme M. Abdeslam qui s'est rendu coupable d'actes de terrorisme. C'est le cas, bien évidemment, de Marc Dutroux.

 

J'entends parfois certains collègues dire qu'il ne faut pas une perpétuité réelle, que cela ne va pas. Mais, d'un autre côté, quand on leur pose la question de savoir si Marc Dutroux doit sortir de prison, ils n'osent pas dire oui. Alors, il faut être conséquent. Si on considère que certains doivent rester en prison à vie, et c'est ce que je pense, il faut alors l'inscrire dans le Code. Il faut l'assumer et envoyer un signal de la société vers certaines personnes disant que des actes de meurtre d'enfant, de pédophilie, de viol mais également de terrorisme sont des actes qui ne peuvent donner lieu à un pardon et à une réinsertion dans la société.

 

Dans le même temps, madame la ministre, il est essentiel d'avancer sur des peines incompressibles pour faire en sorte que des personnes qui ont aujourd'hui des sanctions pénales sachent qu'elles devront aller au bout de ces sanctions et qu'elles ne pourront pas s'en sortir au bout du tiers de la peine, ce qui rend finalement la justice moins crédible.

 

Madame la ministre, à quand une vraie perpétuité et des peines incompressibles?

 

10.02  Annelies Verlinden, ministre: Monsieur Bouchez, notre droit pénal prévoit déjà des peines sévères et des mécanismes permettant d'incarcérer des personnes pour une très longue durée, y compris à vie. Tel est précisément le sens de l'emprisonnement à perpétuité: priver de liberté ceux qui sont et restent une menace pour la société. Certains condamnés se trouvent, du reste, derrière les barreaux depuis plus de 50 ans.

 

Lorsqu'un condamné peut prétendre à une libération conditionnelle, celle-ci n'est en aucun cas automatique. Et c'est encore plus vrai pour certaines catégories d'infractions. Le condamné est évalué par le tribunal d'application des peines, qui analyse les risques et examine les chances de réinsertion. Cet exercice est mené avec beaucoup de rigueur et de diligence. Tous les mécanismes nécessaires pour maintenir en détention les personnes qui doivent y finir leurs jours sont donc bel et bien en place.

 

De plus, le moment à partir duquel un condamné à perpétuité peut demander à bénéficier de modalités a déjà été durci dans la loi en 2013, avec un délai minimum de 15 ans et des règles supplémentaires strictes en cas de récidive. Celles-ci ont encore été renforcées en 2017. Depuis cette date, une période de sûreté a également été instaurée, garantissant que les personnes condamnées à la réclusion à perpétuité ne puissent prétendre à une libération conditionnelle qu'après 25 ans. Même dans ce cas-là, les tribunaux d'application des peines doivent se prononcer.

 

Le droit pénal belge prévoit donc tous les moyens nécessaires pour condamner les criminels les plus dangereux à une peine d'emprisonnement à perpétuité et les maintenir effectivement à vie derrière les barreaux. De telles mesures sont pleinement légitimes car la sécurité, monsieur Bouchez, sera toujours notre priorité. Je vous remercie de votre attention.

 

10.03  Georges-Louis Bouchez (MR): Madame la ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

Cependant, il me semble que nous n'avons pas parlé de la même chose. Pour ma part, j'évoquais la nécessité d'envoyer un signal très clair qui ne laisse pas d'appréciation sur le sujet. Il y a des actes. Et c'est un choix politique, non celui d'un tribunal d'application des peines, de dire à la société que, lorsque vous commettez un acte terroriste, il n'y a pas de possibilité, même si votre comportement a été exemplaire en prison, de sortir après 15 ans de détention. C'est un choix de société que de dire que, quand vous vous rendez coupable d'actes de pédophilie, vous n'avez pas l'occasion de sortir, même si votre affaire n'a pas été aussi médiatisée que d'autres.

 

Chers collègues, la vérité est que Marc Dutroux restera vraisemblablement en prison jusqu'à la fin de sa vie – et c'est tout ce qu'il mérite. Toutefois, si l'affaire n'avait pas été autant médiatisée, croyez-vous sincèrement qu'il n'aurait pas eu, à de multiples reprises, l'occasion de sortir? C'est cela que je demande de corriger: ne pas avoir deux poids deux mesures, mais dessiner une ligne ferme et, surtout, protectrice des citoyens.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- Matti Vandemaele aan Bernard Quintin (Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris) over "Het project i-Police en de top van de federale politie" (56001423P)

- Ortwin Depoortere aan Bernard Quintin (Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris) over "Het project i-Police" (56001434P)

- Paul Van Tigchelt aan Bernard Quintin (Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris) over "Het project i-Police" (56001448P)

- Maaike De Vreese aan Bernard Quintin (Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris) over "De transparantie in het i-Police-dossier" (56001447P)

11 Questions jointes de

- Matti Vandemaele à Bernard Quintin (Sécurité et Intérieur, chargé de Beliris) sur "Le projet i-Police et l’état-major de la police fédérale" (56001423P)

- Ortwin Depoortere à Bernard Quintin (Sécurité et Intérieur, chargé de Beliris) sur "Le projet i-Police" (56001434P)

- Paul Van Tigchelt à Bernard Quintin (Sécurité et Intérieur, chargé de Beliris) sur "Le projet i-Police" (56001448P)

- Maaike De Vreese à Bernard Quintin (Sécurité et Intérieur, chargé de Beliris) sur "La transparence dans le dossier i-Police" (56001447P)

 

11.01  Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het is de hoogste tijd om te kiezen en kleur te bekennen. Staat u aan de kant van de foefelaars en van de federale politie, die er alles aan doet om de i-Police-doofpot gesloten te houden? Staat u aan de kant van de leidinggevenden die hun personeel afdreigen met tuchtmaatregelen en met het missen van promotiekansen als zij hier in het Parlement verkeerde zaken zouden verklaren? Staat u soms aan de kant van de deontologie, de transparantie, de belastingbetaler en de duizenden mensen bij de federale politie die elke dag opnieuw het beste van zichzelf geven?

 

Dit grapje heeft ons 80 miljoen euro gekost. Iedereen hier wil weten hoe dat is kunnen gebeuren, wie daarvoor verantwoordelijk is en hoe wij ervoor kunnen zorgen dat het niet meer gebeurt.

 

Net dat probeert de top van de federale politie elke dag opnieuw te verhinderen, opdat wij ons werk niet zouden kunnen doen. Wij krijgen nauwelijks informatie. Sommigen opperen zelfs dat wij maar halve informatie krijgen, net om ons te misleiden. De top van de federale politie doet er alles aan om de hoorzittingen te torpederen door ondertussen samen met Sopra Steria te gaan eten om hun verhalen op elkaar af te stemmen, wat dat verhaal ook moge zijn. Ze doen er alles aan om hun schuld af te schuiven en geen verantwoordelijkheid te nemen.

 

Ik heb drie vragen voor u. Ten eerste, klopt het dat u de toestemming hebt gegeven aan de federale politie om geheime gesprekken te voeren met Sopra Steria na het stopzetten van het contract? Klopt dat of niet?

 

Ten tweede, bent u het ermee eens dat de federale politie het Parlement voortdurend saboteert? Is dat volgens u een verdedigbare werkwijze?

 

Ten derde, steunt u commissaris-generaal Snoeck nog? Is het voor u nog aanvaardbaar dat de top van de federale politie vandaag is zoals hij is? Aan welke kant staat u?

 

11.02  Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, 80 miljoen euro belastinggeld is in rook opgegaan. Dat is het gevolg van de totale mislukking van i-Police, een contract dat de Belgische overheid is aangegaan met de Franse firma Sopra Steria en dat na vier jaar geen enkel resultaat heeft kunnen voorleggen.

 

Het is terecht, mijnheer de minister, dat u er daarom de stekker hebt uitgetrokken. Dit dossier moet echter tot op het bot worden onderzocht. Het is niet voor niets dat zelfs het gerecht een onderzoek is gestart naar belangenvermenging en financiële verduistering. Het is niet voor niets dat de overheid een burgerlijke procedure heeft aangespannen tegen Sopra Steria om te redden wat er nog te redden valt. Het is ook niet voor niets dat het Parlement dit tot op het bot wil onderzoeken.

 

Meerderheid en oppositie hebben unaniem besloten om daartoe hoorzittingen te organiseren in de commissie voor Binnenlandse Zaken, maar sommigen binnen de top van de federale politie houden liever de potjes gedekt. Eerst wilden ze zelfs niet naar de hoorzittingen komen. Daarnaast hebben ze Sopra Steria een officiële brief gestuurd waarin het bedrijf wordt aangemaand om evenmin naar de hoorzittingen te komen.

 

Mijnheer de minister, dat is ontoelaatbaar. De federale politie is een federale overheidsdienst, net zoals de andere. U bent daarvoor politiek verantwoordelijk. Ik verwacht van u, mijnheer de minister, dat u de top van de federale politie terugfluit en dat u ons kunt verzekeren dat alle medewerking wordt verleend om dit dossier transparant tot op het bot te onderzoeken.

 

11.03  Paul Van Tigchelt (Anders.): Mijnheer de minister, we hebben in de commissie ook al gezegd dat u uw verantwoordelijkheid hebt genomen toen u eind vorig jaar de stekker uit het contract met i-Police hebt getrokken. Ik weet niet meer welke bewoordingen u precies hanteerde in de commissie voor Binnenlandse Zaken, maar het was iets in de trant van een lijk dat niet meer te reanimeren viel.

 

Het contract met i-Police heeft geen enkel resultaat opgeleverd. U hebt de eerste stap gezet en nu is het aan het Parlement. We hebben in de commissie voor Binnenlandse Zaken afspraken gemaakt over het organiseren van hoorzittingen. Er zijn heel veel vragen en het is aan het Parlement om de onderste steen boven te halen. Het gaat over transparantie en verantwoording voor de besteding van dat belastinggeld. Dit gaat over uw en mijn belastinggeld.

 

Collega Depoortere heeft het over 75,8 miljoen euro aan facturen die al werden betaald. Ik weet dat er nog een veelheid aan facturen openstaat. De rekening kan dus nog oplopen. Ik wil ook graag weten hoeveel de adviezen van de advocaten de voorbije maanden al hebben gekost. Ik wil transparantie omtrent de besteding van belastinggeld.

 

Dit gaat ook over veiligheid. Sinds 2016 hebben we tien jaar verloren op het vlak van digitalisering van de politie. Er zijn veel vragen en het is aan ons om de onderste steen boven te halen en het is aan u om mee te waken over maximale medewerking van elke betrokken partij. Ik had in de commissie een vraag gesteld over Niche, het casemanagementsysteem waarvoor gekozen werd. Men heeft die keuze mordicus volgehouden ondanks de interne analyse van de federale politie dat dat een slecht project was. Kunt u daarover vandaag al iets zeggen?

 

Ik dank u alleszins omdat u uw verantwoordelijkheid hebt genomen.

 

11.04  Maaike De Vreese (N-VA): Mijnheer de minister, iPolice, het ICT-project van de politie, is volledig uit de hand gelopen. Een inschatting van 90 miljoen werd plots 299 miljoen, dat is meer dan het dubbele. Qua resultaten heeft het niets opgeleverd. De evaluaties waren dan ook desastreus en voor ons was meteen duidelijk dat het project moest worden stopgezet. Dat hebt u dan ook gedaan, mijnheer de minister.

 

Het idee achter dat project, de tool erachter, was natuurlijk zeer goed. Na de aanslagen wilde men de politie een platform geven waardoor ze onmiddellijk over alle informatie kan beschikken. De uitvoering is echter volledig verkeerd gelopen. Wij moeten ramen en deuren opensmijten. We moeten transparantie krijgen over wat daar precies is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk was.

 

De sleutelfiguren kunnen zich niet wegsteken achter een juridisch advies. Wat openbaar besproken kan worden in de commissie, moet openbaar gebeuren. Wat achter gesloten deuren moet blijven om bepaalde juridische procedures niet te doorkruisen, moet achter gesloten deuren worden behandeld.

 

Het project werd gefinancierd met belastinggeld. De burger heeft recht op transparantie. De politiemensen op het terrein, die dagelijks hun werk doen, moeten in de toekomst over die tools kunnen beschikken om hun werk op een goede manier te kunnen doen.

 

Mijnheer de minister, we willen absoluut weten wat daar is gebeurd. Zult u ons toegang geven tot alle documenten die we daarvoor nodig hebben? Tot nu toe hebben we ze nog niet allemaal ontvangen. Zult u ook uw volle gewicht in de schaal leggen om de sleutelfiguren tot bij ons in de hoorzittingen te krijgen?

 

11.05 Minister Bernard Quintin: Dank u voor uw vragen, beste volksvertegenwoordigers.

 

Ik heb op 24 december beslist om het contract tussen de firma Sopra Steria en de federale politie eenzijdig te beëindigen. Die beslissing werd genomen na een grondige evaluatie van het project, zoals bepaald in het regeerakkoord. Uit die evaluatie bleek dat de uitvoering van de overheidsopdracht moeizaam verliep en dat de verwachte resultaten na vijf jaar uitbleven, ondanks dat al aanzienlijke middelen waren ingezet. Van het totale budget van 299 miljoen euro werd tot op heden 75,8 miljoen euro aan de firma uitbetaald. We spreken hier over 75,8 miljoen euro belastinggeld. Dat is veel belastinggeld. Dat moet altijd verantwoord worden besteed. Ik heb dus mijn verantwoordelijkheid genomen en beslist om het contract te beëindigen om die financiële ontsporing stop te zetten. Mijnheer Vandemaele, ik sta aan de kant van goed bestuur.

 

De contractbreuk blijft uiteraard niet zonder gevolgen. We zullen de vermelde bedragen volledig proberen te recupereren, met de steun van ons advocatenkantoor. Ja, dat kost ook geld, maar dat is een investering om meer geld terug te krijgen.

 

Er werd hier ook beslist om hoorzittingen in het Parlement te organiseren om er volledige duidelijkheid over te krijgen hoe het project in een fiasco kon eindigen. Ik gebruik dat woord bewust. Ik deel en respecteer uw wens om dat nader te onderzoeken. We zijn de bevolking volledige transparantie verschuldigd. Daarom heb ik beslist om aan het Parlement alle documenten te bezorgen die mij werden gevraagd, onder controle van de voorzitter.

 

Transparantie is voor mij geen slogan. Het vormt de leidraad van mijn handelen als minister. Iedereen die vanaf morgen voor de commissie voor Binnenlandse Zaken verschijnt, zal dat in dezelfde geest moeten doen.

 

Dames en heren, de voorbije dagen hebben verschillende krantenartikelen reacties uitgelokt. Er was ook mijn reactie. Ik wil hier heel duidelijk zijn. Als minister bepaal ik niet met wie iemand gaat eten of naar wie brieven worden gestuurd. Ik ben minister. Het is niet omdat iets juridisch conform is, dat het noodzakelijkerwijs moet worden uitgevoerd. Dat is voor mij eveneens zeer duidelijk. Het gezond boerenverstand, het GBV, moet altijd voorrang krijgen. Als voormalig ambtenaar en vandaag als minister kan ik u zeggen dat het belang van de Staat altijd, maar dan ook altijd, voorop moet staan. Elke vertegenwoordiger van de Staat, ongeacht zijn of haar functie of positie, heeft verantwoordelijkheden op te nemen, maar vooral ook te dragen, op elk moment en op elke plaats, en steeds met onberispelijk voorbeeldgedrag. Dat geldt voor alle actoren, zowel politici als ambtenaren en anderen die bij het betreffende dossier betrokken waren.

 

Vertrouwen, mijnheer Vandemaele, moet men verdienen en daar moet men dagelijks aan bouwen. Het gaat minder om de vraag of ik al dan niet vertrouwen heb, dan om het feit dat ieder op zijn of haar niveau zijn of haar verantwoordelijkheid opneemt. Nogmaals, ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen door i-Police stop te zetten, omdat het niet meer recht te trekken was. Ik hoop dat de hoorzittingen die u de komende dagen en weken zult organiseren, zullen toelaten om de vele onopgehelderde zaken in het dossier te verduidelijken, en dat iedereen daaruit de nodige conclusies zal kunnen trekken.

 

11.06  Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, dank u voor uw duidelijke antwoord.

 

Het klopt, de stopzetting was een goede zaak. U hebt daar goed gehandeld. Ik heb u echter gevraagd naar de sabotage die actief gepleegd wordt door de politietop, waarmee het Parlement nu geconfronteerd wordt. Wat zult u daaraan doen? Zult u de top van de federale politie aanspreken en zeggen dat het genoeg geweest is, dat ze moeten meewerken met het Parlement?

 

Het volgende element is voor mij ook superbelangrijk. Ik heb u nogmaals gevraagd of u vertrouwen hebt in de commissaris-generaal? Het is de derde keer dat ik u dat gevraagd heb. Het is de derde keer dat u geen ja over uw lippen krijgt.

 

Ik meen dat het duidelijk is. Ik begrijp dat ook. In de communicatie van de federale politie heeft men gewoon gelogen! Toen een journalist vroeg of het etentje en het onlinecontact met Sopra Steria gedekt waren, antwoordde de federale politie dat dit goedgekeurd was door de hiërarchische lijn en door de minister. Dat is letterlijk zo gecommuniceerd. Grijp in, mijnheer de minister.

 

11.07  Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik ben verkozen als vertegenwoordiger van het volk. Als ik dan geconfronteerd wordt met het feit dat honderden miljoenen aan belastinggeld in rook opgegaan zijn, wens ik daarover transparantie en duidelijkheid. Dan wens ik een onderzoek dat alles tot op het bot onderzoekt, dat alles steen per steen omdraait. Dan wil ik dat de overheid dat geld tegenover de belastingbetaler kan verantwoorden.

 

Dan moet men verantwoordelijken aanduiden. Wie is er verantwoordelijk voor dit debacle? Wie is er verantwoordelijk bij de federale politie? Wie is er verantwoordelijk bij de politici, bij het beleid? Dergelijke stenen moeten worden omgedraaid. In mijn ogen – de heer Vandemaele zal me geen ongelijk geven – kan dat niet meer met hoorzittingen. Het spijt me zeer, maar dat kan enkel met een parlementaire onderzoekscommissie. Het voorstel ligt ter stemming. Ik hoop dat de geesten stilaan rijp geworden zijn om (…)

 

11.08  Paul Van Tigchelt (Anders.): Mijnheer de minister, u sprak over gezond verstand en dan voel ik mij als Kempenaar uiteraard aangesproken, want in de Kempen heeft men een overschot aan gezond verstand. Dat zal ook nodig zijn voor ons als parlementsleden, dames en heren. Als controleur van de uitvoerende macht is het immers onze taak om de onderste steen naar boven te halen in dit dossier. Er zijn vele vragen over de politieke en operationele verantwoordelijkheid die beantwoord moeten worden. We laten dit niet los. We moeten hier lessen uit trekken voor de toekomst en we zullen dat doen. U kunt daarvoor op mij rekenen, mijnheer de minister.

 

11.09  Maaike De Vreese (N-VA): Mijnheer de minister, dit dossier is één groot fiasco. Er is zoveel geld van de belastingbetaler verbrast. Ondertussen staan de mensen op het terrein geen stap verder. We moeten tot op het bot uitzoeken wat hier verkeerd is gelopen. Daarbij moeten alle ramen en deuren open. Er moet volledige transparantie worden geleverd. We moeten als parlementsleden onze verantwoordelijkheid opnemen en de nodige hoorzittingen houden. Mijnheer de minister, we moeten ook lessen trekken voor de toekomst. Dat is vanaf nu ook uw verantwoordelijkheid. U moet een plan maken om onze politiemensen de nodige tools te geven op het terrein om informatie met elkaar uit te wisselen. De uitdagingen zijn nog immers even groot als na die aanslagen. Daarvoor hebt u onze volledige steun.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de Stéphane Lasseaux à Theo Francken (Défense, chargé du Commerce extérieur) sur "Le déploiement des systèmes de défense aérienne pour protéger nos lieux stratégiques" (56001431P)

12 Vraag van Stéphane Lasseaux aan Theo Francken (Defensie, belast met Buitenlandse Handel) over "De installatie van luchtafweersystemen om strategische plaatsen in ons land te beschermen" (56001431P)

 

12.01  Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Monsieur le ministre, hier, lors de la réunion annuelle de la communauté du port d’Anvers-Bruges, le premier ministre a annoncé que la première batterie du Norwegian Advanced Surface-to-Air Missile System (NASAMS) que la Belgique compte acquérir serait déployée en 2027 afin de protéger le port d’Anvers. Des systèmes anti-drones viendront la compléter. Ce sera un premier pas important dans la réalisation de l’objectif d’établir une défense antiaérienne multicouche couvrant le territoire belge.

 

Il est logique que le port d’Anvers figure parmi les premiers lieux couverts par une infrastructure essentielle, voire vitale, pour l’économie de l’ensemble du pays. De même, c’est par le port d'Anvers que transiterait une grande partie des renforts britanniques, canadiens et américains en cas de conflit en Europe. Ce système est donc également indispensable pour la défense de notre continent.

 

D’autres batteries du NASAMS seront aussi acquises sur la base d’un contrat néerlandais. J’en profite d’ailleurs pour saluer cette coopération exemplaire avec nos amis et voisins du Nord. Vous avez indiqué, hier, en commission, que vous espériez que les négociations seraient achevées pour la visite royale en Norvège.

 

Vu la portée des NASAMS, la première batterie ne protégera pas uniquement le port d’Anvers. Il existe en Belgique d’autres sites stratégiques militaires – d’abord nos bases aériennes ou les implantations de l’OTAN – mais aussi des installations civiles comme l’aéroport national, les institutions de l’Union européenne, les centrales nucléaires ou encore des barrages, comme celui de la Plate Taille aux lacs de l’Eau d’Heure. D’autres batteries seront donc nécessaires pour assurer la protection de ces sites.

 

Monsieur le ministre, au-delà du port d’Anvers, existe-t-il déjà une cartographie déterminant les sites essentiels à protéger par les NASAMS? Cette cartographie fixera-telle des priorités pour la protection de ces sites? Les systèmes Skyranger, qui doivent accompagner les NASAMS, serontils disponibles simultanément?

 

12.02  Theo Francken, ministre: Monsieur Lasseaux, je vous remercie pour votre question. Comme je l'ai déjà indiqué hier dans le débat que nous avons eu en commission, la loi de programmation militaire prévoit l'acquisition de 10 systèmes NASAMS. Nous allons par ailleurs déjà louer un premier système NASAMS dès 2027, afin de disposer plus rapidement d'une capacité initiale.

 

Cet achat se fera via le contrat existant aux Pays-Bas, comme vous l'avez dit. Un memorandum of understanding sera conclu à cet effet au cours du premier trimestre 2026. J'espère pouvoir le faire en Norvège. Cela dépend aussi du gouvernement néerlandais, qui vient d'être renouvelé. Je vais dès lors prendre contact avec le nouveau ministre. Cet accord couvrira également l'achat de 20 systèmes very short range, de type Skyranger.

 

Premièrement, les NASAMS ont une portée d'environ 50 km et disposent de trois batteries missile launchers. Dans une hypothèse avec des batteries qui se trouveraient par exemple à Malines, Beauvechain et Tournai, avec un système on couvrirait déjà une grande partie du pays. La Belgique n'est pas si grande.

 

Deuxièmement, pour tromper le plus possible l'ennemi, les batteries NASAMS ne seront pas stationnées de manière permanente à un seul endroit, mais elles changeront de lieu tout en assurant une couverture maximale du territoire.

 

Troisièmement, en ce qui concerne le positionnement de la première batterie en 2027, l'OTAN demande à la Belgique d'assurer la mission d'enablement logistique dans le cadre de la défense collective, notamment pour protéger les troupes et matériels alliés transitant via les ports de Zeebrugge et d'Anvers. Il est donc logique que le premier système soit déployé en priorité sur les infrastructures les plus critiques dans ce cadre, ainsi que sur nos bases aériennes, à Florennes, par exemple, Kleine-Brogel, et dans nos implantations de l'OTAN et de l'Union européenne.

 

Pour être clair (…)

 

De voorzitter: Ik beschik hierboven ook over een soort luchtafweersysteem, waarmee ik u de mond kan snoeren.

 

12.03  Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Monsieur le ministre, merci pour ces informations et ces précisions rassurantes.

 

Comme vous le disiez à l'instant, la Belgique n'est pas si grande; elle peut être couverte par quelques appareillages importants pour notre défense antiaérienne multicouche. Cette procédure avec les Pays-Bas permettra, en effet, d'avancer plus rapidement. Par ailleurs, ce processus de location nous permettra d'agir dès 2027. En outre, pouvoir déplacer le matériel permettra également une réactivité.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Samengevoegde vragen van

- Dorien Cuylaerts aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De nieuwe spoorstaking" (56001428P)

- Tine Gielis aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De andermaal aangekondigde spoorstaking" (56001443P)

13 Questions jointes de

- Dorien Cuylaerts à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La nouvelle grève du rail" (56001428P)

- Tine Gielis à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La nouvelle grève annoncée à la SNCB" (56001443P)

 

13.01  Dorien Cuylaerts (N-VA): Mijnheer de minister, als het aan de socialistische vakbond ligt, ligt het spoor opnieuw plat op 9, 10 en 11 maart, alweer. Dat is intussen geen uitzondering meer, het wordt een gegarandeerd onderdeel van de dienstregeling. De afkorting NMBS staat tegenwoordig voor Nationale Maatschappij van Belgische Stakers.

 

Dat is bijzonder jammer, niet alleen voor de reizigers, maar ook voor het personeel. Het overgrote deel van het personeel werkt immers wel zoals het hoort, wil werken en wil hard werken. Heel vaak hoor ik van treinbegeleiders, loketmedewerkers en techniekers dat ze hun job met veel overtuiging willen doen, maar dat ze zich schamen om te zeggen dat ze bij de NMBS werken. Is dat niet jammer? Hardwerkende medewerkers worden in conflicten meegezogen en dat creëert natuurlijk spanningen op de werkvloer.

 

Mijnheer de minister, daar wringt het schoentje. Het gaat niet langer over die ene staking of dat ene conflict. Het spoor is vandaag het laatste grote overheidsbedrijf waar de vakbonden een vetorecht hebben op hervormingen. Dat is het afgelopen jaar erg pijnlijk duidelijk geworden. Tot tweemaal toe had u immers een voorakkoord met de vakbonden, maar helaas werd dat tot tweemaal toe afgewezen door de achterban.

 

U hebt het overleg opgeschort en dat vind ik terecht. U zet door en dat is ook zeker terecht, want de reizigers en, bij uitbreiding, een groot deel van de bevolking staan achter u. Ik heb hier al vaak gestaan om te zeggen dat het genoeg is geweest. Ik denk dat we het daarover eens zijn.

 

Mijnheer de minister, u hebt een oplossing via een wetsontwerp. De reizigers, het personeel en ikzelf roepen u op om dat zo snel mogelijk ter stemming voor te leggen in het Parlement. Wanneer zal dat gebeuren, zodat de vakbonden misschien beslissen om hun stakingen te staken?

 

13.02  Tine Gielis (cd&v): Mijnheer de minister, u herinnert zich misschien nog wel dat ik hier exact een jaar geleden stond met een grote kalender waarop ik alle stakingsdagen had aangeduid. Geloof mij, het waren er toen heel veel. Vandaag sta ik hier opnieuw, dag op dag een jaar later, eigenlijk met hetzelfde verhaal. Ik geef toe dat mij dat ontmoedigt. Wij zijn het echt beu.

 

Zoals u ongetwijfeld weet, ben ik niet de enige die het beu is. Die stakingen treffen bijna immers 1 miljoen reizigers die dagelijks met de trein naar het werk, naar school, naar familie of naar het ziekenhuis moeten. Zeker vanuit de Kempen ondervinden mensen daar grote hinder van. In hun naam wil ik vandaag spreken, want zij zijn alweer de dupe, voor de zoveelste keer. Hoe kunnen wij verwachten dat reizigers het vertrouwen blijven hebben in het spoor wanneer zij om de haverklap worden geconfronteerd met stakingen? Dat moeten we vermijden.

 

Het is duidelijk dat het draagvlak voor die stakingen er niet meer is. Zelfs tussen de spoorbonden is er verdeeldheid, want de ene staakt wel, de andere niet, en de ene is al wat redelijker dan de andere. Dat moet dringend worden aangepakt, bij voorkeur via sociaal overleg. Ik hoor u graag zeggen dat het sociaal overleg voor u hier stopt, maar voor bijna een miljoen reizigers stopt het hier niet. Zij moeten wel op hun werk, op school of bij hun gezin geraken.

 

Cd&v roept de sociale partners op om terug aan de onderhandelingstafel te gaan zitten, in plaats van zichzelf buitenspel te zetten door te staken. Wij vragen hun gewoon om hun job te doen.

 

Mijnheer de minister, ik vraag u uitdrukkelijk om mee aan tafel te gaan zitten. Wat zult u concreet ondernemen om de geplande stakingen in maart alsnog proberen te vermijden?

 

13.03 Minister Jean-Luc Crucke: Mevrouw Cuylaerts, mevrouw Gielis, een maand februari zonder staking was te mooi of te verstandig voor enkelen. Zoals u heb ik kennisgenomen van de zoveelste stakingsaanzegging van de socialistische vakbonden voor 9, 10 en 11 maart. Het betreft ook ditmaal een politiek-ideologisch gekleurde staking, gericht tegen de regeringsbeslissing van 23 december 2025.

 

Het verheugt mij dat ACV Transcom en de liberale vakbond ditmaal niet meedoen. Het betreft dus niet langer een actie van het gemeenschappelijk vakbondsfront. In tegenstelling tot de socialistische vakbond, die een stakingsaanzegging heeft ingediend voor het gehele net en voor alle werkzetels van de NMBS, Infrabel en HR Rail, heeft de christelijke vakbond weliswaar opgeroepen tot deelname aan de nationale actie op 12 maart, maar alleen voor de niet-essentiële functies. Ik vertrouw er dus op dat de impact op de reizigers ditmaal beperkt zal blijven en dat de NMBS geen alternatieve dienstregeling zal moeten uitwerken.

 

Conform de procedure is naar aanleiding van de stakingsaanzegging morgennamiddag een verzoeningsvergadering samengeroepen. De bedoeling van die vergadering kan uiteraard niet zijn terug te komen op de regeringsbeslissing, die wij sowieso niet zullen herroepen.

 

Ik roep alle sociale partners binnen de spoorwegen op om de ontkenningsfase achter zich te laten. De ene zit in dat proces duidelijk al verder dan de andere. In het kader van de sociale overlegstructuur roep ik hen op constructief mee te denken over de maatregelen die nodig zijn om de genomen beslissing uit te voeren. Als enkel nog contractuelen mogen worden aangeworven, welke loon- en arbeidsvoorwaarden zullen aan die medewerkers dan worden aangeboden? Als de mensen langer moeten werken, hoe zorgen we ervoor dat zij op een zinvolle manier langer kunnen werken? Over zulke vragen gaat het. Dat lijkt mij een veel positievere aanpak dan de steriele staking, waarvan het enige effect is dat de reiziger de dupe is.

 

Het wetsontwerp waarnaar werd gevraagd, zal ik midden maart 2026 in tweede lezing indienen bij de regering.

 

13.04  Dorien Cuylaerts (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor dat heuglijke antwoord.

 

Aanstaande zondag is het complimentendag en vanop deze plek wil ik het spoorpersoneel dat niet deelneemt aan de stakingen nu al een bloemetje sturen. Het verzet van de vakbonden tegen rechtvaardige en noodzakelijke hervormingen druist in tegen alle redelijkheid. De acties steunen niet op solidariteit, maar eerder op egoïsme. Zoals u zelf ook zei, zijn de reizigers en de overgrote meerderheid van het personeel daarvan het slachtoffer. We kunnen het niet maken dat bepaalde privileges in een bepaalde sector in stand worden gehouden als we van alle burgers solidariteit vragen. De onredelijke houding van de vakbonden maakt ons net standvastiger. De beslissing wordt niet herroepen. Mijnheer de minister, zet snel door. Onze steun hebt u alvast.

 

13.05  Tine Gielis (cd&v): Mijnheer de minister, een wijs iemand heeft mij ooit gezegd dat als mensen het ergens oneens over zijn, men hen dan in een kamer moet zetten, de deur op slot moet doen en hen enkel mag buitenlaten als er een consensus is. Dat advies wil ik u meegeven. Ik hoop dat u slaagt in uw verzoeningspoging. Het is belangrijk men zijn eigen ideologieën trouw is, maar dat men vanuit respect voor elkaar een gemeenschappelijke basis blijft verdedigen. Ik hoop dat uw verzoeningspoging kortelings een positief resultaat oplevert en dat we met uw wetsontwerp aan de slag kunnen gaan, zodat de basis sterker is en zodat iedereen zijn rol daarin kent, maar ook verantwoordelijkheid neemt, zodat een miljoen reizigers elke dag op hun werk of bij hun familie of gezin geraken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Question de François De Smet à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Le rapport du Médiateur fédéral et les 6 000 infractions dénombrées à l'aéroport de Bruxelles" (56001433P)

14 Vraag van François De Smet aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Het verslag van de federale Ombudsman en de 6.000 vastgestelde inbreuken op Brussels Airport" (56001433P)

 

14.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, le rapport annuel du Médiateur fédéral de l’aéroport pour 2025 est sorti. Il est accablant pour la gestion du survol de notre capitale puisqu’en 2025, plus de 6 000 infractions y sont recensées, dont plus de 4 700 concernent le nonrespect des normes de bruit bruxelloises.

 

Cela confirme lurgence sociale vécue par les 450 0000 Bruxellois du Nord et de l’Ouest de la ville, désormais survolés par la nouvelle procédure RNP 07L – qui serait aussi appelée la route Crucke . Cette procédure a été prolongée jusqu’en octobre 2025 et a généré 96 % des infractions constatées.

 

Trois problèmes majeurs ressortent de ce rapport.

 

D’abord, nous avons l’illégalité manifeste d’un grand nombre de vols de nuit. On parle de plus de 1 000 vols effectués sans créneau horaire ainsi que de l’exploitation totalement illégale d’un très connu Boeing 777 cargo.

 

Ensuite, il y a le mépris constant des décisions de justice. Rappelons qu’il y a un an, le 26 février 2025, une ordonnance interdisait à l’État d’augmenter les infractions nocturnes. Malgré cela, l’utilisation de la route 07 pour des raisons de "commodité technique" se poursuit. En prolongeant une route qui génère 96 % d’infractions, monsieur le ministre, vous placez délibérément l’État belge dans une situation de faute juridique, comme lors de la condamnation de 2023 pour la route 01.

 

Enfin, le rapport rappelle ce que nous savons tous, à savoir la nécessité d'une véritable nuit biologique entre 23 h et 7 h. Les infractions fédérales concernent essentiellement les procédures de nuit. Des habitants nous rapportent ne dormir parfois que deux à trois heures.

 

Monsieur le ministre, vous êtes en fonction depuis un an. Non seulement rien ne semble avoir été fait pour soulager les nuits des Bruxellois, mais la situation paraît empirer. Quelles sanctions administratives comptezvous prendre? Allezvous exiger de lexploitant quil se conforme enfin à sa licence? Allezvous enfin travailler à la seule véritable solution, à savoir linterdiction des vols de nuit?

 

14.02  Jean-Luc Crucke, ministre: Cher collègue, dans son rapport annuel 2025, le Médiateur pour l'aéroport de Bruxelles-National évoque un nombre important d'infractions commises à l'aéroport. Le chiffre de 6 000 que vous avez évoqué a été rapporté par la presse mais nécessite cependant, quand on lit le rapport, un certain nombre de nuances.

 

D'abord, il ne s'agit pas d'infractions au sens juridique du terme, puisque cela ne relève pas des compétences attribuées au Médiateur et puisqu'il ne dispose pas toujours, d'ailleurs, des données brutes. Aussi, il parle lui-même de suspicions d'infractions. Je sais que vous êtes attaché à l'importance des mots.

 

Par ailleurs, il faut mettre en rapport ce chiffre avec le nombre total des mouvements à Bruxelles, qui atteint 205 000 par an. Seules 1 317 infractions fédérales ont été constatées, ce qui est 0,5 % en dessous des moyennes européennes par rapport aux aéroports internationaux.

 

Soyons clairs, ce pourcentage ne minimise en rien les nuisances subies par les riverains. Il permet toutefois de replacer les chiffres dans leur juste proportion au regard du trafic global.

 

Par ailleurs, il convient de souligner que le nombre de plaintes d'infractions est en diminution par rapport aux années précédentes. Le Médiateur a traité 32 000 plaintes en 2025, 38 000 en 2024 (j'ai arrondi), soit une diminution de plus de 14 %.

 

Enfin, par rapport aux règles en matière de créneaux, nous sommes passés de 1 458 en 2022 à 1 317 en 2023 et 1 055 en 2024. Nous sommes donc bien sur une diminution constante malgré l'augmentation du trafic depuis le covid.

 

Tout cela pour vous dire que je ne néglige évidemment pas la question des nuisances sonores. Par rapport à la nuit dont vous parlez, vous savez que cela dépend des conditions du permis et que c'est une compétence fédérale. De temps en temps, allez peut-être voir un peu ce que les régions font aussi. Moi, je prends mes responsabilités pour le fédéral.

 

14.03  François De Smet (DéFI): Merci pour votre réponse, monsieur le ministre.

 

Vous ne pouvez pas relativiser le nombre de plaintes en tentant de les noyer dans le nombre de mouvements d'un aéroport duquel, en outre, l'exploitant va encore pouvoir augmenter le nombre de mouvements, ce qui est un problème en soi. Je crois que c'est vraiment inaudible pour les riverains, je n'entends aucune vraie réponse.

 

Je suis désolé de la métaphore mais, du plan Wathelet jusqu'à la route Crucke, vous appartenez à un parti, Les Engagés, qui porte une très lourde responsabilité dans le manque de sommeil des Bruxellois. S'il y a bien un sujet sur lequel vous n'avez pas eu le courage de changer, c'est celui-là. Je crois que, plutôt que de laisser le sens du vent décider, il est temps que vous agissiez.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van Funda Oru aan Rob Beenders (Consumentenbescherming, Socialefraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen) over "Femicide" (56001432P)

15 Question de Funda Oru à Rob Beenders (Protection des consommateurs, Lutte contre la fraude sociale, Personnes handicapées et Égalité des chances) sur "Les féminicides" (56001432P)

 

15.01  Funda Oru (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, Diana, Naska, Natasja, Naomi. Ik kan zo nog even doorgaan, want elke twee weken wordt in ons land een vrouw vermoord door haar partner of ex-partner. Dat zijn gruwelijke cijfers. Achter die cijfers schuilen gruwelijke verhalen, zoals we ook kunnen zien in de VRT-reeks En nu is ze dood. Het zijn verhalen van verscheurde gezinnen, van voortdurend partnergeweld, fysiek en mentaal, van partners die al jaren gekend zijn bij het gerecht.

 

En toch kennen we niet alle verhalen. Slachtoffers van partnergeweld zitten immers vast en leven in een vicieuze cirkel van schaamte en excuses. De stap naar hulp is enorm zwaar, maar ook moedig. We kunnen en mogen ons niet neerleggen bij partnergeweld. Alle vrouwen in dit land moeten zich veilig voelen, overal en altijd, op straat, maar zeker ook thuis.

 

Er zijn al belangrijke stappen gezet. Er zijn de mobiele stalkingsalarmen, die steeds meer vrouwen beschermen. Er is de uitrol van zorgcentra na seksueel geweld, ondertussen zijn er 13 in ons land. Er is een nationaal actieplan tegen gendergerelateerd geweld. En in 2023 werd feminicide in België strafbaar gesteld. België was een van de eerste landen om dat te doen.

 

Mijnheer de minister, we weten dat u enorm begaan bent met de veiligheid van vrouwen. We weten ook dat u binnenkort zal deelnemen aan de Commission on the Status of Women van de VN. Welke prioriteiten wilt u daar naar voren schuiven, zodat elke vrouw in ons land zich echt veilig voelt?

 

15.02 Minister Rob Beenders: Dank u wel, collega Oru, om dit heel belangrijke thema in het Parlement op de agenda te zetten. Samen met een aantal andere collega’s is dat absoluut wat we moeten doen.

 

U hebt gelijk. Elke twee weken wordt in ons land een vrouw vermoord in de privésfeer. Achter elk cijfer schuilen een afgenomen leven en een familie in rouw, maar ook een samenleving die tekortschiet. Dat blijft onaanvaardbaar.

 

We zijn vastberaden met deze regering femicide maximaal terug te dringen. Dat vraagt politieke moed. Dat vraagt ook een sterke wetgeving. Die hebben we. België behoort tot de koplopers in specifieke femicidewetgeving. Die voortrekkersrol moeten we behouden, maar we moeten die ook versterken.

 

Het is daarom dat ik in de week van 9 maart naar New York zal gaan, om daar deel te nemen aan de VN-Top over de status van vrouwen. België moet daar absoluut aanwezig zijn, want de internationale context baart me echt zorgen. In verschillende landen, waaronder de Verenigde Staten, staan verworven rechten onder druk en verzwakt de positie van vrouwen. Daarom moeten landen als België, die vooruitgang boeken, hun stem ook internationaal laten horen.

 

België zal tijdens deze VN-Top een event over femicide organiseren met experten, om internationaal te tonen op welke manier een overheid, een land, initiatieven kan nemen om femicide terug te dringen. Mijn belangrijkste boodschap daar zal zijn dat wetgeving uiteraard belangrijk is, maar dat vooral een breed, geïntegreerd beleid ter preventie en ter bestrijding van femicide essentieel is.

 

We investeren vandaag in opleidingen voor politie en Justitie en in een betere bescherming van slachtoffers, in een snellere detectie van geweld, maar ook in grondig onderzoek. Want wat we zichtbaar maken, kunnen we aanpakken en wat we registreren, kunnen we bestrijden. Vrouwenrechten zijn mensenrechten. België zal (…)

 

15.03  Funda Oru (Vooruit): Femicide is onaanvaardbaar. Mijnheer de minister, bedankt voor uw duidelijk antwoord en vooral voor uw duidelijk engagement.

 

We voeren de strijd tegen partnergeweld samen. Gisteren in het Adviescomité voor de Maatschappelijke Emancipatie hebben we over de partijgrenzen heen een resolutie goedgekeurd om opnieuw belangrijke stappen in de strijd tegen partnergeweld te zetten. Ook u neemt uw verantwoordelijkheid.

 

Ook met Vooruit laten we dit niet los, want we weten voor wie we het doen, namelijk voor alle vrouwen die in angst moesten leven, voor alle vrouwen die vandaag in angst leven en voor alle meisjes en vrouwen in dit land die zich overal en altijd veilig moeten voelen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Dat besluit het vragenuurtje.

 

Ik verzoek de leden van de commissie voor Sociale Zaken nu samen te komen voor de behandeling van de amendementen op het wetsvoorstel betreffende de aanpassing van het statuut van mantelzorger en de flexibele opname van het mantelzorgverlof, nrs. 300/1 tot 6, waarvan collega Lanjri de hoofdindiener is.

 

Ontwerpen en voorstellen

Projets et propositions

 

16 Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (1093/1-9)

- Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, teneinde deze instelling te depolitiseren en de gendergelijke samenstelling ervan te waarborgen (85/1-2)

- Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof voor wat de samenstelling van het Hof en de voorwaarden om benoemd te kunnen worden tot rechter betreft (200/1-3)

16 Projet de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur  la Cour constitutionnelle (1093/1-9)

- Proposition de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle en vue de dépolitiser et d'assurer l'égalité de genre dans sa composition (85/1-2)

- Proposition de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle en ce qui concerne la composition de la Cour et les conditions à remplir pour pouvoir être nommé juge (200/1-3)

 

Voorstellen ingediend door:

Propositions déposées par:

- 85: François De Smet

- 907: Franky Demon, Steven Matheï, Nathalie Muylle.

 

Algemene bespreking

Discussion générale

 

De algemene bespreking is geopend.

La discussion générale est ouverte.

 

De rapporteurs, de heren Franky Demon en Luc Frank, verwijzen naar het schriftelijk verslag.

 

16.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, collega’s, vandaag ligt op onze banken het belangrijke ontwerp tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met het oog op een hervorming ervan. Het Grondwettelijk Hof speelt een essentiële rol in het waarborgen van de grondwettelijkheid van wetten en in het beschermen van de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers. Met het voorliggend wetsontwerp voeren we niet alleen het regeerakkoord uit, maar versterken we ook de kwaliteit van het hof.

 

Het hof ziet toe op de toepassing en de interpretatie van onze Grondwet. Om een optimale werking van het Grondwettelijk Hof te realiseren, is het essentieel dat geschikte kandidaten worden geselecteerd om er deel van uit te maken. Daarom worden in de bijzondere wet een aantal bijkomende vereisten opgelegd, die de logica zelve zijn.

 

Zo wordt vereist dat kandidaten beschikken over een diploma in de rechten. De vereiste parlementaire ervaring wordt opgetrokken tot 8 jaar, zodat een hogere democratische legitimiteit geldt. Tot slot worden ook taalvereisten opgelegd: van kandidaten wordt een functionele tweetaligheid vereist. Die regels zorgen ervoor dat rechters-politici juridisch voldoende onderlegd zijn en ook voldoende bagage meebrengen uit de wetgevende of de uitvoerende macht.

 

Daarnaast versterken we de werking van het hof door de benoemingsprocedure transparanter te maken. In de toekomst zullen in het Parlement hoorzittingen worden gehouden. Dat zullen we nog reglementair moeten vastleggen.

 

Collega’s, ik denk dat wij in de commissie voor Grondwet een zeer grondige discussie hebben gevoerd. We hebben er twee lezingen aan gewijd. Tijdens de eerste lezing werden een aantal opmerkingen geuit door verschillende oppositiepartijen. Vervolgens vond een tweede lezing plaats, waarbij ook een wetgevingtechnische nota van de juridische dienst werd voorgelegd. Met bijna alle opmerkingen uit die nota werd rekening gehouden. Ook met de opmerkingen van de oppositie werd integraal rekening gehouden. Het ging voornamelijk over de vraag wat we zouden doen met de tweede kandidatuur. Tot op heden werden immers telkens twee kandidaturen voorgedragen. Dat werd opgelost door in de toekomst slechts één kandidaat voor te dragen.

 

Er waren ook bezorgdheden of er voldoende tijd zou zijn om het examen functionele tweetaligheid af te leggen. De termijn werd daarom verlengd.

 

Tot slot werden vragen gesteld over de inwerkingtreding. Ook daarvoor werd een oplossing gevonden. Ik denk dan ook, collega’s, dat we een goede discussie hebben gehad en dat aan veel bekommernissen tegemoet is gekomen.

 

We zijn ook blij dat de Anders.-fractie in tweede lezing anders heeft gestemd dan na de eerste lezing, waarvoor dank. We hopen uiteraard dat ook de andere collega’s nog kunnen worden overtuigd, want het betreft hier een hervorming die nodig is en die de logica zelve is.

 

16.02  Werner Somers (VB): Collega’s, het wetsontwerp dat vandaag ter stemming ligt en dat beoogt de voorwaarden voor de benoeming van rechters in het Grondwettelijk Hof te wijzigen, bevat ongetwijfeld een aantal positieve punten. Ik begin dus met het goede nieuws. Dat sluit goed aan bij de goednieuwsshow van de N-VA van daarnet.

 

Voorzitter: Wouter Vermeersch, ondervoorzitter.

Président: Wouter Vermeersch, vice-président.

 

Drie positieve aspecten wens ik te vermelden. Ten eerste, de Nederlandstalige rechters zullen voortaan het bewijs moeten leveren dat zij over een voldoende kennis van het Frans beschikken. Wellicht zal dat meestal geen probleem opleveren. Ook de Franstalige rechters zullen voortaan moeten bewijzen dat zij het Nederlands machtig zijn. Daar zal het schoentje misschien al iets meer wringen. Dat laatste is minder vanzelfsprekend en wellicht is dat ook de reden waarom die logische benoemingsvoorwaarde nu pas wordt ingevoerd.

 

Het is immers toch hallucinant dat men sinds de oprichting in 1980 van het Grondwettelijk Hof, toen nog het Arbitragehof genoemd, lid kon worden van dat hoge rechtscollege zonder dat men een elementaire kennis van beide landstalen moets aantonen.

 

Ten tweede, kandidaten voor het ambt van rechter in het Grondwettelijk Hof zullen voortaan enkel kunnen worden voorgedragen na een hoorzitting die wordt georganiseerd door de wetgevende vergadering die de voordracht doet, dus beurtelings door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat en na de afschaffing enkel nog door de Kamer. Die hoorzitting moet de parlementsleden in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de kandidaat-rechters beschikken over de vereiste bekwaamheid en de nodige morele integriteit om het ambt van rechter in een van de hoogste rechtscolleges van het land te bekleden.

 

Ten derde kan het een verbetering worden genoemd ten opzichte van de huidige situatie dat ook de rechters van het Grondwettelijk Hof die behoren tot de categorie van de ex-politici, voortaan enkel zullen kunnen worden benoemd indien zij beschikken over een volwaardig rechterdiploma, met andere woorden indien zij houder zijn van het diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten. Ook wat dat betreft, kan men zich alleen maar verbazen dat men tot nu toe rechter van het Grondwettelijk Hof kon worden zonder te beschikken over een gedegen juridische kennis. Tot zover de positieve punten.

 

Het wetsontwerp gaat volgens de Vlaams Belangfractie in een aantal opzichten niet ver genoeg en betekent in andere opzichten zelfs een achteruitgang.

 

Om te beginnen, zou het beter zijn het ambt van rechter in het Grondwettelijk Hof exclusief voor te behouden aan magistraten en hoogleraren en met andere woorden de categorie van de ex-politici volledig te schrappen. Het Grondwettelijk Hof mag geen uitbolbaan worden voor gewezen politici. Het is niet omdat men een aantal jaar parlementslid, minister of staatssecretaris is geweest, dat men ook de beste kwalificaties heeft om rechter te worden in een van de hoogste rechterlijke instanties van het land. In het wetsontwerp wordt echter niet geraakt aan het principe dat het Grondwettelijk Hof voor de helft bestaat uit gewezen politici. Tijdens de vorige legislatuur diende de partij van de eerste minister, die tevens bevoegd is voor institutionele aangelegenheden zoals het Grondwettelijk Hof, nochtans een wetsvoorstel in, namelijk wetsvoorstel 2850, dat voorzag in een overwicht van de categorie magistraten en hoogleraren ten nadele van de categorie van de ex-politici. Het N-VA-wetsvoorstel, dat werd ondertekend door onder meer de collega’s Freilich, Van der Donckt, Van Vaerenbergh en De Wit, de huidige Kamervoorzitter en ook door huidig minister van Defensie Theo Francken, hield in dat de meerderheid van het Grondwettelijk Hof zou bestaan uit magistraten en hoogleraren. Het voorzag namelijk in een verhouding van zeven expertenrechters en vijf gewezen politici.

 

In het wetsontwerp waarover vandaag wordt gestemd, blijft het Grondwettelijk Hof evenwel bestaan uit evenveel expertenrechters als ex-politici. Nochtans zou een beperking van het aantal rechters van het Grondwettelijk Hof dat behoort tot de categorie van de gewezen politici, voor de hand hebben gelegen, om te beginnen in het licht van het feit dat men voortaan acht jaar in plaats van vijf jaar parlementslid of minister moet zijn geweest en ook in het licht van het feit dat voortaan de ex-politici moeten beschikken over een volwaardig rechtendiploma. Dat brengt met zich mee dat de spoeling dunner wordt, met andere woorden dat de rekruteringsbasis voor die categorie een stuk smaller wordt dan tot nu toe het geval was.

 

Interessant is ook dat in de algemene toelichting bij het wetsontwerp in bespreking wordt verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 1 december 2020 in een zaak waarbij IJsland partij was. In dat arrest heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat slechts sprake is van een bij de wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig gerecht in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, indien de rechters zijn benoemd op grond van hun verdiensten aan de hand van een benoemingsprocedure die waarborgt dat de juridisch en moreel meest geschikte kandidaat wordt geselecteerd.

 

Het feit dat iemand een aantal jaren parlementslid of minister is geweest, biedt geen enkele, maar dan ook geen enkele garantie dat de betrokkene uit het juiste hout is gesneden om het ambt van rechter van het Grondwettelijk Hof te vervullen, zelfs niet wanneer hij of zij in een ver of nabij verleden ooit een rechtendiploma heeft behaald. Er zijn immers juristen en juristen. Niet elke jurist bezit de juiste kwalificaties om rechter te worden, laat staan om rechter van een van de hoogste rechtscolleges van het land te worden. In het arrest van 1 december 2020 beklemtoont het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overigens dat het belang van een selectieprocedure die waarborgt dat uiteindelijk de meest geschikte kandidaat wordt benoemd des te groter is naarmate men in de gerechtelijke hiërarchie opklimt.

 

In dit verband wil ik even terugkomen op de organisatie van een hoorzitting die voorafgaat aan de voordracht van kandidaat-rechters voor het Grondwettelijk Hof. Ik herhaal dat dit op zich een positief punt is. De hoorzitting zal zowel gelden voor de categorie van de magistraten en hoogleraren als voor de categorie van de ex-politici.

 

In de memorie van toelichting bij dit wetsontwerp lezen we dat hoorzittingen tot doel hebben na te gaan of de kandidaat-rechter beschikt over voldoende professionele en persoonlijke kwaliteiten om het ambt van rechter in een van de hoogste rechtscolleges van het land te vervullen. Aangezien de voordracht van gewezen politici voor de benoeming tot rechter van het Grondwettelijk Hof echter het resultaat is van een compromis tussen politieke partijen of, om het enigszins oneerbiedig uit te drukken, van een politieke koehandel, valt niet in te zien hoe een hoorzitting met kandidaten uit deze categorie zou kunnen garanderen dat de betrokken personen beschikken over de juiste professionele capaciteiten en persoonlijke kwaliteiten zoals integriteit en discretie.

 

Mijns inziens worden uit overwegingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 1 december 2020 dan ook niet de juiste conclusies getrokken met betrekking tot het Grondwettelijk Hof. Op de keper beschouwd blijft het hier om platte politieke benoemingen gaan.

 

Om de benoeming van ex-politici tot rechter van het Grondwettelijk Hof te rechtvaardigen, schermt men vaak ten onrechte met argumenten als democratische legitimiteit en het vermijden van een gouvernement des juges. Wat we nu hebben, is veeleer een gouvernement des partis politiques traditionnels.

 

Volgens een correcte toepassing van het systeem-D’Hondt zou het Vlaams Belang, mijn partij, recht hebben op twee rechters van het Grondwettelijk Hof. Echter, doordat de rechters slechts kunnen worden benoemd als zij door een tweederdemeerderheid van de stemmen in Kamer of Senaat worden voorgedragen, had tot nog toe nooit een gewezen parlementslid van het Vlaams Belang zitting in het Grondwettelijk Hof, dat aldus de speeltuin van de traditionele partijen blijft. Tot zover de democratische legitimiteit van de aanwezigheid van oud-politici in het Grondwettelijk Hof. Tot zover de pluralistische samenstelling van het Hof.

 

Dat het Grondwettelijk Hof voor de helft uit gewezen politici bestaat, is a fortiori problematisch omdat rechters van het Grondwettelijk Hof voor het leven worden benoemd. Een jurist die parlementslid was van zijn tweeëndertigste tot zijn veertigste en vervolgens wordt benoemd tot rechter in het Grondwettelijk Hof, kan daar nog 30 jaar blijven zetelen. Als men het toch wenselijk acht dat gewezen politici deel uitmaken van het Grondwettelijk Hof, is dat allesbehalve aanvaardbaar vanuit het oogpunt van democratische legitimiteit. Hoe kan de samenstelling van het Grondwettelijk Hof immers de actuele politieke verhoudingen weerspiegelen wanneer het bestaat uit voormalige politici van wie de partij inmiddels misschien is verworden tot een schim van zichzelf, herleid is tot een fractie van wat ze ooit was of zelfs volledig verdwenen is? Het is zelfs niet uitgesloten dat oud-politici in de verleiding komen om vanuit het Grondwettelijk Hof het beleid van de huidige politici te dwarsbomen.

 

In het N-VA-wetsvoorstel dat tijdens de vorige legislatuur werd ingediend, wetsvoorstel 2580/001, was het uitgangspunt nog dat rechters van het Grondwettelijk Hof zouden worden benoemd voor een niet-hernieuwbare termijn van 15 jaar en dus niet langer voor het leven. Ik wil citeren wat daarover te lezen stond in de artikelsgewijze toelichting bij het voorstel: “Het voorstel komt ook de legitimiteit van het Grondwettelijk Hof als instelling ten goede, omdat bij een frequentere rotatie de politieke en ideologische ontwikkelingen in de samenleving beter worden weerspiegeld in de verhoudingen tussen de rechters.” Daarvan is echter niet langer sprake. De N-VA is nog maar eens plat op de buik gegaan.

 

Dat geldt ook voor twee andere kwesties. Ten eerste wordt in het wetsontwerp niet getornd aan de taalpariteit van zes Nederlandstalige en zes Franstalige rechters in het Grondwettelijk Hof. Gelet op het feit dat in dit land ongeveer 60 % Vlamingen wonen, had het voor de hand gelegen dat dit werd weerspiegeld in de samenstelling van het Hof. De scheeftrekking door de toepassing van de volkomen taalpariteit blijft echter bestaan. Het N-VA-wetsvoorstel uit de vorige legislatuur voorzag daarentegen in een verhouding van zeven Nederlandstalige en vijf Franstalige rechters, wat inderdaad meer in overeenstemming zou zijn geweest met de bevolkingsverhoudingen in dit land.

 

Ten tweede en in samenhang met het voorgaande, de deelstaten worden in het wetsontwerp op geen enkele wijze betrokken bij de benoeming van rechters van het Grondwettelijk Hof.

 

Volgens het N-VA-wetsvoorstel uit de zomer van 2022 zouden de Nederlandstalige rechters worden voorgedragen door het Vlaams Parlement en de Franstalige rechters door het Parlement van de Franse Gemeenschap. Dat is tenslotte de logica zelf wanneer een partij zoals de N-VA voorstander is of beweert voorstander te zijn van een confederaal model waarin het zwaartepunt van de besluitvorming bij de deelstaten berust, temeer daar het Grondwettelijk Hof onder meer toeziet op de correcte toepassing van de regels voor de verdeling van bevoegdheden tussen de federale staat en de deelstaten.

 

Het wetsontwerp doet echter net het omgekeerde. Momenteel zijn de deelstaten immers indirect betrokken bij de benoeming van rechters van het Grondwettelijk Hof via de Senaat, omdat kandidaat-rechters voor het Grondwettelijk Hof beurtelings worden voorgedragen door Kamer en Senaat. Zoals iedereen weet, zijn 50 van de 60 senatoren deelstaatsenatoren. Na de afschaffing van de Senaat zal de voordracht van kandidaten voor het ambt van rechter van het Grondwettelijk Hof de exclusieve bevoegdheid worden van de unitaire Kamer van volksvertegenwoordigers, waarin de deelstaten niet vertegenwoordigd zijn.

 

Het klopt ook niet, zoals de eerste minister deze week nog beweerde, dat wij hier allemaal vertegenwoordigers zijn van een gemeenschap. Formeel vertegenwoordigen wij volgens artikel 42 de gehele Belgische natie, wat daaronder ook mag worden verstaan. De eerste minister is het immers denkelijk met mij eens dat België niet echt een natie is. Ik hoop dat hij daar nog altijd van overtuigd is, maar soms heb ik daar mijn twijfels over.

 

Wat voorligt, is niet meer of niet minder dan een herfederalisering en dus een achteruitgang vanuit het oogpunt van de autonomie en de zeggenschap van de deelstaten.

 

Heel opmerkelijk is dat die herfederalisering voortvloeit uit een ontwerp van bijzondere wet dat de handtekening draagt van de eerste minister, Bart De Wever. Voor wie het vergeten mocht zijn, herinner ik eraan dat hij de man is die 20 jaar lang voorzitter was van de Nieuw-Vlaamse Alliantie, de partij die volgens artikel 1 van haar statuten streeft naar de oprichting van een onafhankelijke republiek Vlaanderen.

 

Ik kan daaruit alleen maar besluiten dat meer Vlaanderen, meer Vlaamse autonomie en meer macht voor de deelstaten voor de N-VA slechts een holle slogan voor electorale doeleinden is of voor wanneer de N-VA federaal in de oppositie zit. Wanneer de N-VA eenmaal federaal aan de macht is, laat zij alle Vlaamse eisen vallen en doet zij precies het tegenovergestelde van wat zij haar kiezers heeft beloofd.

 

Nieuw-Belgische Alliantie is dan wellicht ook een toepasselijker naam voor een partij die haar Vlaamse programma diep onder de Groenlandse permafrost begraaft zodra zij deel uitmaakt van een federale regering. Mocht de N-VA overwegen om een nieuw logo te laten ontwerpen, dan is een januskop misschien een passend symbool, want die brengt tot uitdrukking dat de partij twee gezichten heeft: een Vlaams gezicht voor de verkiezingen en een Belgisch gezicht erna, tenminste wanneer de partij federaal niet in de oppositie zit.

 

Collega's, de Vlaams Belangfractie zal dit wetsontwerp niet goedkeuren, omdat het te veel tekortkomingen bevat. Ik vat ze samen. Het Grondwettelijk Hof zal nog steeds voor de helft uit oud-politici bestaan. Het Grondwettelijk Hof zal nog steeds voor de helft uit Franstaligen bestaan. De rechters in het Grondwettelijk Hof, ook de oud-politici, zullen nog steeds benoemd zijn voor het leven. Ten slotte, last but not least, de deelstaten zijn niet langer betrokken bij de benoeming van de rechters, zelfs niet indirect via de Senaat. Mijnheer de eerste minister, dat is wel degelijk de eerste, de allereerste herfederalisering in 56 jaar, sinds uw voorganger Gaston Eyskens hier in deze Kamer aankondigde dat het unitaire België dood en begraven was.

 

16.03  Khalil Aouasti (PS): Monsieur le président, monsieur le premier ministre, chers collègues, nous avons effectivement débattu de ce texte en commission de la Constitution. Comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire à celles et ceux qui étaient présents, ce texte est un enjeu pour les 150 députés. Vous me permettrez donc de ne pas être si court que cela aujourd'hui, bien que je ne serai pas aussi long qu'en commission – je vous rassure. En effet, il me semble important de vous informer sur le sens de la réforme qui sera votée. Je ne suis pas le seul, le groupe socialiste n'est pas le seul, à en avoir parlé.

 

Voici à peine cinq ans, en 2021, sur la question de la Cour constitutionnelle, s'était constitué au Sénat, que vous entendez d'ailleurs supprimer, un groupe de réflexion qui avait entendu toute une série d'éminences, de professeurs, d'institutionnalistes de ce pays, au rang desquels des noms qui vous sont connus d'un côté et de l'autre de la frontière linguistique comme André Allen, Christian Behrendt, Céline Romainville, Marc Bossuyt, Paul Van Orshoven et, à l'époque déjà, les deux présidents de la Cour constitutionnelle, François Daoût et Luc Lavrysen qui va prendre sa pension au mois d'avril prochain, François Daoût l'ayant déjà prise.

 

Ce qui est aujourd'hui soumis au vote était déjà discuté en 2021. À cette époque, l'ensemble de ces intervenants, de ces scientifiques, de ces experts de la matière avaient accueilli – c'est peu dire – extrêmement froidement les réformes qui sont aujourd'hui proposées ou plutôt reproposées.

 

Alors qu'en commission j'avais souhaité, puisqu'il n'y a en réalité aucune urgence à adopter ce texte législatif, l'entrée en vigueur n'étant pas pour tout de suite, que soient intégrés à nos débats les documents et les comptes rendus des débats du Sénat de 2021 pour éclairer les membres de la commission, il est assez interpellant de constater que cela nous a été refusé. Cela nous a été refusé pour un texte qui fait finalement unanimement front contre lui, considérant que la Cour constitutionnelle fonctionne bien comme cela, là où pour d'autres sujets, entre autres l'interruption volontaire de grossesse, alors que l'ensemble des experts sont unanimement d'accord, on a demandé d'encommissionner, de réencommissionner et de réentendre des experts. C'est donc un deux poids deux mesures particulier sur un sujet où l'ensemble des experts considèrent qu'aujourd'hui la Cour constitutionnelle fonctionne bien.

 

Chers collègues, monsieur le premier ministre, comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, mon groupe croit en l'État Belgique; il croit aussi et surtout en sa démocratie, en son État de droit, en sa Cour constitutionnelle. Il est intéressant de constater que l'actualité nous rattrape puisque, pas plus tard que cet après-midi, la Cour constitutionnelle a suspendu les deux réformes, majoritairement les deux réformes de la ministre Van Bossuyt en asile et migrations et en regroupement familial. Ces réformes avaient été très fortement contestées en juin et juillet derniers et ce Parlement avait décidé d'avancer sans répondre.

 

Lorsqu'on touche à des institutions telles que la Cour constitutionnelle, il y a deux questions que l'on devrait se poser. Premièrement, y a-t-il aujourd'hui un problème réel à la Cour constitutionnelle auquel entend répondre la loi? Deuxièmement, s'il devait y avoir un problème, cette loi apporte-t-elle une solution efficace au problème?

 

Je pense que la boussole de toute réforme sérieuse est la condition de la légitimité de cette réforme. Or, à ces deux questions, les réponses des deux anciens présidents de la Cour constitutionnelle – des constitutionnalistes entendus – ont systématiquement été: "Non, il n'y a pas de problème au fonctionnement de la Cour constitutionnelle aujourd'hui." Dans ce cas-là, pourquoi réformer et avancer si ce n'est d'avoir des visées politiques et de toucher à des équilibres qui jusqu'à aujourd'hui étaient sains, fonctionnels et ont permis en réalité l'apaisement institutionnel?

 

La première critique, qui est un des critères intégrés, est que l'accès à la fonction de juge parlementaire – puisque la Cour constitutionnelle est composée de douze magistrats, six professionnels du droit et six anciens parlementaires – serait conditionné par la nécessité d'avoir un diplôme – une licence ou un master – en droit. Et comment nous justifie-t-on cela? Par le bon sens.

 

Excusez-moi chers collègues, monsieur le premier ministre, pour moi l'argument du bon sens, c'est la paresse de la pensée. Le bon sens ne veut absolument rien dire. La complexité du droit et de la discipline juridique n'est pas neuve. Ce n'est pas une découverte récente: le droit a toujours été complexe. Pourtant, la Cour, depuis ses débuts, fonctionnait avec des profils diversifiés, des juristes et des non-juristes, des professionnels du droit et des anciens parlementaires. Depuis 1989, cela ne l'a pas empêchée de rendre des arrêts de qualité, de consolider l'État de droit, d'apaiser les relations institutionnelles dans notre État, de jouer son rôle de gardien de la Constitution, des droits et des libertés fondamentales. Cette diversité des profils n'a jamais constitué un frein à tout cela. Alors, pourquoi prétendre aujourd'hui que ce qui a fonctionné pendant 40 ans ne pourrait plus fonctionner à l'avenir? Au contraire, tous les professionnels, qui sont tous juristes – tous ceux que je vous ai cités sont juristes –, ont indiqué de manière unanime que cette diversité de sensibilité, de points de vue, de perspectives constitue une richesse.

 

Lors des auditions de 2021, les deux présidents – qui sont tous deux des juges professionnels, donc des juristes – nous ont justement indiqué que les premiers à devoir apprécier de la constitutionnalité des lois, ce ne sont pas les juges de la Cour constitutionnelle, mais c'est nous, le législateur lui-même.

 

Cela paraît être une évidence, mais parfois les évidences doivent être rappelées. Or, et heureusement, depuis la fin du système capacitaire en Belgique, personne ne demande aux parlementaires d'être juristes. Il s'agit pourtant qu'ils soient les premiers à s'interroger sur la constitutionnalité des lois qu'ils votent. Alors, pourquoi mettre en place une condition capacitaire, qui est antidémocratique et socialement inégalitaire, et qui relègue au second plan la compétence et l'expérience reconnue chez tous les collègues qui sont présents ici, mais qui ne disposeraient pas de ce bout de papier qui dit qu'ils sont juristes?

 

Pourquoi le faire alors que la moitié de la Cour constitutionnelle est déjà composée de juristes de haute qualité, et que la Cour dispose en son sein de 24 référendaires qui sont désignés à l'issue d'un concours qui est l'un des plus exigeants en Belgique et qui permet, et suffit, de garantir que chaque décision, chaque arrêt rendu par la Cour constitutionnelle est le fruit d'une analyse juridique sérieuse, approfondie et rigoureuse?

 

Rien, monsieur le premier ministre, chers collègues, ne justifie d'imposer aux anciens parlementaires siégeant à la Cour constitutionnelle ces conditions capacitaires. Le principe d'égalité interdit d'exiger d'un ancien parlementaire qu'il soit titulaire d'un diplôme universitaire et, là, singulièrement, d'un diplôme de droit. Une telle exigence créerait entre les partis politiques des discriminations inacceptables s'ils représentent des couches moins favorisées ou plus favorisées de la population, qui ne comptent pas, ou moins, parmi eux et parmi leurs élus, des diplômés et, singulièrement, des diplômés en droit.

 

La désignation des parlementaires n'a jamais reposé sur leur maîtrise technique du droit, mais sur leur expérience du débat démocratique, sur leur connaissance intime du travail parlementaire, sur les liens qu'ils ont tissés avec les citoyens qu'ils représentent. Chers collègues, la compétence des collègues ici présents ne se réduit pas à un titre académique, et heureusement. Elle se construit dans l'expérience, dans la pratique, dans la confrontation quotidienne aux enjeux institutionnels.

 

Il ne s'agit pas, en déniant cette condition capacitaire, de nier l'importance du droit, mais de reconnaître que la justice constitutionnelle n'est pas une mécanique froide. C'est un dialogue entre la norme, les principes et la réalité. Qui mieux que les parlementaires pour rendre compte de cette réalité?

 

Ce dialogue exige des compétences variées, des sensibilités différentes, des regards croisés. Voilà pourquoi votre projet, chers collègues, en prétendant imposer une uniformité académique, en prétendant imposer un critère du bon sens, commet en réalité une erreur grave. Il appauvrit la Cour en ce qu'il réduit sa pluralité.

 

Outre la question du titre académique, il y a la question de la connaissance fonctionnelle de l'autre langue. On va à nouveau me dire que c’est de l'ordre du bon sens. Ce bon sens pourtant ne s'impose ni aux magistrats de la Cour de cassation ni aux magistrats au Conseil d'État, qui sont aussi amenés à siéger en assemblée réunie et à prendre des décisions ensemble.

 

Ce bon sens ne semble s'imposer que lorsqu'il s'agit de toucher à l'institution garante des droits humains et des équilibres institutionnels de ce pays.

 

Je n'ai même pas d'opposition franche, parce que j'estime que parler une autre langue, quelle que soit cette langue, est une réelle richesse. Je n'ai pas d'opposition au fait de devoir parler une autre langue. J'ai un problème quant au fait de l'imposer, et à la manière de l'imposer.

 

La manière de l'imposer est singulière, en réalité, du recul démocratique, mais aussi du recul en matière de séparation des pouvoirs qu’il induit. J’ai eu l'occasion de le dire en commission de la Constitution.

 

Ce contrôle de la connaissance de l'autre langue et de l'usage fonctionnel du néerlandais ou du français aurait pu revêtir toute une série de paramètres, qui assurent l'indépendance de la Cour constitutionnelle, dont il faut rappeler que l'ensemble du processus ne procède aujourd'hui que du pouvoir législatif.

 

Or, en imposant, pour définir la connaissance de cette seconde langue, l'article 5 de la magistrature et le passage de l'examen du Selor, vous ouvrez la brèche à une immixtion de l'exécutif dans la procédure de désignation des juges à la Cour constitutionnelle.

 

En effet, les critères de l'article 35 de la loi de 1935 et des articles suivants et de ses arrêtés d'application ne sont pas définis par nous. Ils sont définis par le gouvernement. Cela veut dire que le gouvernement, à l'avenir, aura le loisir de modifier ces critères de connaissance linguistique pour appliquer la loi de 1935. À travers cela, il aura son mot à dire; même pire, il pourra mettre un filtre gouvernemental sur les candidatures à la Cour constitutionnelle, alors qu’aujourd'hui, l'ensemble du processus est un processus législatif.

 

Il existait d'autres manières de le faire, par exemple en faisant évaluer cette connaissance linguistique par les magistrats de la Cour constitutionnelle eux-mêmes, qui sont francophones ou néerlandophones, ou en prévoyant un système indépendant d'évaluation au Parlement. Non, malgré les remarques et les observations, vous avez décidé de poursuivre sur cette voie et d'instaurer ce filtre exécutif qui, à notre sens, constitue un danger pour l'indépendance à venir de la Cour constitutionnelle.

 

De surcroît, se pose la question des auditions. On va me rétorquer: "Pourquoi pas d'auditions?" Dans l'absolu, je ne vois pas d'inconvénient à ce qu'il s'en tienne. Cependant, chers collègues, il faut d'abord se dire une vérité. Les auditions sont aujourd'hui permises avant la désignation d'un juge à la Cour constitutionnelle. Alors, pourquoi ce Parlement ne les organise-t-il pas? C'est peut-être la question qu'il convient de se poser. À partir du moment où elles sont autorisées et que ce Parlement décide de ne pas les organiser, pourquoi les rendre obligatoires demain? Quitte à les rendre obligatoires, parce qu'il s'agit d'une question de modalités, il faut alors se demander comment les rendre obligatoires et comment faire en sorte qu'elles révèlent la réflexion, la solidité des convictions, la capacité à incarner l'indépendance et la neutralité que requiert la fonction de magistrat, au lieu de servir de rôle à un tribunal médiatique ou à une mise en scène politique. L'objectif de telles auditions est en effet de mettre en lumière chez les candidates et les candidats magistrats la compréhension des enjeux institutionnels et de la maturité institutionnelle ainsi que la vision de l'État de droit qu'ils défendent. Ce n'est pas, comme déjà indiqué, un exercice de mise en scène. Ce doit être avant tout un moment de vérité.

 

Or, chers collègues, si vous imposez l'obligation d'auditions, vous ne définissez absolument pas le cadre dans lequel elles doivent être menées. En l'espèce, c'est une porte dangereuse, parce que cela permettrait, en réalité, de vouloir et de pouvoir disqualifier des candidatures, non pas sur des motifs de fond et de droit – et c'est même très drôle, puisqu'on exigera que des juristes soient potentiellement évalués par des non-juristes quant à leur connaissance du droit, et ce sera fort intéressant à observer, puisque c'est ce que vous allez voter…

 

16.04  Bart De Wever, premier ministre: (…)

 

16.05  Khalil Aouasti (PS): Pardon?

 

16.06  Bart De Wever, premier ministre: (…)

 

16.07  Patrick Prévot (PS): Vous avez dit: "C'est imbécile". Un peu de modération, monsieur le premier ministre!

 

16.08  Khalil Aouasti (PS): Je pense que le premier ministre doit pouvoir garder son calme. Traiter un député d'imbécile – puisque c'est le mot qui a été utilisé – est un événement qui est grave, monsieur le premier ministre. Je ne sais pas s'il choque les autres mais, pour ma part, il me choque.

 

Monsieur le président, je demande à ce que le fait que le premier ministre a interrompu un député en considérant que "c'était imbécile" soit repris dans le procès-verbal de cette séance plénière.

 

16.09  Patrick Prévot (PS): C'est tout sauf anodin, monsieur le premier ministre! C'est tout sauf anodin!

 

16.10  Khalil Aouasti (PS): Monsieur le président, veuillez me confirmer que c'est repris au procès-verbal de la séance plénière.

 

Le président: Ce n'est pas moi qui rédige le procès-verbal. Nous aurons le compte rendu après la séance. Veuillez continuer cher collègue!

 

16.11  Khalil Aouasti (PS): Je vais continuer, monsieur le président, mais cela témoigne en réalité du respect que le gouvernement accorde au Parlement. Je pensais que nous étions dans une enceinte d’expression libre, où les idées pouvaient se déployer. Je dois constater qu’en réalité, lorsqu'elles ne correspondent pas à l’idée majoritaire, elles ne sont pas considérées voire même déconsidérées. C'est dramatique dans un État de droit et dans une démocratie. Cela m’inquiète d’ailleurs, monsieur le premier ministre, quant à la manière dont vous entendez mener à l’avenir les auditions de professionnels du droit.

 

Pour le reste, une dernière condition est celle des huit ans de parlementarisme. Cette condition se justifie effectivement parce que, lorsque les cinq ans de parlementarisme avaient été décidés, la législature fédérale durait quatre ans. Il était alors considéré qu’il fallait avoir été parlementaire plus d’une législature. Ici, il est question de huit ans dans le cas d’une législature de cinq ans. C’est, à nouveau, poursuivre finalement cette même logique.

 

Par contre, l’analyse d’impact de tout cela est une vraie question à laquelle il n’a pas été répondu dans le cadre des débats en commission. Aujourd’hui, la Cour constitutionnelle se compose de magistrats professionnels et non professionnels, néerlandophones et francophones, avec une parité de genre, à laquelle de nouveaux critères vont être intégrés.

 

Premièrement, le fait de devoir avoir été membre du Parlement, ou alors, même sans expérience parlementaire, membre d'un exécutif – il paraît que c'est une condition qui est faite clé sur porte pour une ministre dans un exécutif flamand. Premièrement donc, membre du Parlement pendant huit ans. Deuxièmement, bilingue fonctionnel. Troisièmement, juriste. Quatrièmement, après audition. Combien de candidates et de candidats va-t-il rester en réalité que pour composer de manière efficace la Cour constitutionnelle? Là où l'objectif est de renforcer cette exigence, je pense qu'en faisant une analyse d'impact concrète, on se rend compte très rapidement que le nombre de candidates et de candidats susceptibles d'exercer cette fonction à l'avenir sera réduit à une peau de chacun. Et cela m'inquiète. Cela m'inquiète même sur la possibilité pour la Cour constitutionnelle de poursuivre ses activités.

 

Monsieur le premier ministre et chers collègues, j'ai déjà eu l'occasion de le dire, il y a beaucoup de choses, peut-être, il y a beaucoup d'institutions, il est vrai, qui ne fonctionnent pas dans notre pays. Mais ce n'est pas le cas de la Cour constitutionnelle. La Cour est une réussite. La Cour d'arbitrage et, par après, la Cour constitutionnelle a réussi à trouver, avec nos prédécesseurs aussi, un équilibre entre différentes exigences qui tiraillent l'ensemble de nos démocraties modernes: l'intérêt général, les droits fondamentaux, le principe de l'égalité et la démocratie. La Cour constitutionnelle a réussi cet équilibre victorieux.

 

Mais vos réformes, comme je l'ai dit, n'intègrent pas cet examen d'impact. Alors, si on ne sait pas en pratique si le vivier serait suffisant pour garantir la diversité et la qualité des nominations, si on ne sait pas non plus si ces nouveaux critères pourront être différenciés en fonction des formations politiques, en fonction des profils de leurs mandataires et de leurs élus et donc de ceux qu'ils représentent, de leur rapport au renouvellement des fonctions ou encore de leur conception de l'exercice du pouvoir, cela met potentiellement en danger l'avenir de la Cour constitutionnelle, monsieur le premier ministre et chers collègues.

 

C'est pour ça que je vous avais déjà invité et que je vous invite à nouveau aujourd'hui à bien réfléchir avant de poser votre doigt tout à l'heure, dans quelques heures, au sens du vote que vous allez poser sur ce texte et sur la réforme de la Cour constitutionnelle, parce que ce n'est pas un vote d'apparence anodine. C'est, à mon sens et c'est à notre sens, une liquidation potentielle et à peine voilée d'une institution fédérale garante de nos droits fondamentaux qui est organisée.

 

Dès lors, pour ces motifs et pour ces raisons, le groupe socialiste votera contre cette réforme de la loi spéciale de 1989 sur la Cour constitutionnelle. Je vous remercie.

 

16.12  Julien Ribaudo (PVDA-PTB): Monsieur le premier ministre, chers collègues, ce que nous examinons aujourd’hui n’est pas une simple question de technicité et ce n’est certainement pas un fait isolé. Nous parlons du rôle et du fonctionnement de la Cour constitutionnelle, institution essentielle de notre État de droit.

 

La Cour constitutionnelle n’est pas une institution parmi d’autres. Elle est chargée de vérifier que le pouvoir législatif – le Parlement, mais aussi aujourd’hui, et surtout, le gouvernement avec son pouvoir d’initiative législative – respecte bien la Constitution. Lorsqu’une loi viole la Constitution, la Cour peut la suspendre ou l’annuler. Il s’agit d’un mécanisme fondamental de protection démocratique. Ce rôle n’est pas théorique, il est très concret. Du côté flamand, par exemple, la Cour a annulé de nouvelles règles en matière d’accueil de la petite enfance.

 

Ces règles prévoyaient que seuls les parents travaillant au moins à 4/5e bénéficieraient d’une priorité. La Cour a estimé que cela portait atteinte aux principes d’égalité et de non-discrimination. Pourquoi? Parce que, comme l’ont souligné les opposants au texte, ces règles frappaient de plein fouet des publics déjà fragilisés: les femmes, les parents aidants, les personnes en situation de pauvreté, les personnes issues de l’immigration, les personnes en situation de handicap, les personnes atteintes de maladies chroniques ou encore les personnes actives dans le secteur des soins.

 

Plus récemment encore, la Cour s’est prononcée sur une loi de 2024, votée sous la Vivaldi, qui durcissait l’accès à la pension minimum garantie. Cette loi introduisait une condition supplémentaire: vingt années de travail effectif, sans tenir compte de toutes les périodes traditionnellement assimilées.

 

Les syndicats et plusieurs organisations de la société civile ont contesté cette loi et la Cour l’a partiellement annulée. Elle a notamment jugé que des périodes comme le service militaire, les jours de lock-out, la détention préventive ou encore les mandats syndicaux devaient être prises en compte. Surtout, la Cour a rappelé une chose essentielle: le législateur ne peut pas restreindre indéfiniment ces périodes sans justification sérieuse et proportionnée.

 

Ces arrêts constituent des avertissements juridiques clairs et s’inscrivent dans un contexte plus large où plusieurs contre-pouvoirs institutionnels alertent sur la manière dont le pouvoir exécutif légifère. Le Conseil d’État, dans sa fonction consultative, a lui aussi rendu une série d’avis très critiques sur des textes récents du gouvernement, notamment en matière de TVA ou de réforme des pensions.

 

Manifestement, le fait que vos lois soient contrôlées, voire annulées, par le pouvoir judiciaire, et que des avis critiques soient rendus sur vos textes antisociaux ne satisfait pas vraiment tout le monde dans cette assemblée. C’est avec ce prisme en tête qu’il faut analyser le texte soumis au vote aujourd’hui. La N-VA, en particulier, critique depuis très longtemps ce que certains de ses dirigeants appellent l’activisme judiciaire et remet régulièrement en cause la séparation des pouvoirs.

 

Ce texte ne sort pas de nulle part, il a une histoire. Il reflète une vision de la société, un projet politique. Pour illustrer mon propos, permettez-moi de prendre un guide. Prenons comme guide Sander Loones, ancien député fédéral de la N-VA. Il le dit très clairement à la VRT et je cite: "La Constitution ne fait pas seulement obstacle à la démocratie, elle empêche également la prospérité." Très concrètement, de quoi parle-t-il? Il parle de l’article 23 de la Constitution, qui est le seul article consacré explicitement aux droits sociaux: le droit à une existence digne, à la sécurité sociale, à des conditions de travail équitables, à un environnement sain et à un logement décent, entre autres.

 

Cet article joue un rôle de bouclier. Il empêche que des réformes entraînent une régression grave et injustifiée du niveau de protection existant. C’est ce qu’on appelle le principe de standstill. C’est une digue juridique contre la casse sociale et écologique. Manifestement, cela dérange. Pour preuve, reprenons notre guide, Sander Loones, et je vais citer ce qu’il écrit dans sa brochure. Nous avons repris une petite brochure. (M. Ribaudo prend une brochure)

 

Je cite donc la brochure de Sander Loones: "C'est pourquoi la N-VA souhaite reformuler le principe de standstill de l'article 23, afin que les droits économiques, sociaux et culturels ne soient plus considérés comme des droits, mais comme des principes. La compétence judiciaire à l'égard de ces dispositions se limiterait dès lors à l'interprétation de ces actes et à un contrôle marginal. En résumé, l'objectif est de toucher à des droits sociaux fondamentaux comme la sécurité sociale et le logement."

 

Autrement dit, la N-VA propose d'introduire une distinction entre des droits fondamentaux, comme la liberté d'expression, et des droits sociaux et économiques, qui seraient donc de second rang, sur lesquels les juges n'auraient plus le dernier mot. Pour y parvenir, à la N-VA, vous avez tenté d'introduire un veto populaire, qui permet au Parlement d'annuler une décision de la Cour constitutionnelle. Cette idée n'a pas fonctionné. Le monde judiciaire n'en voulait pas, le monde associatif non plus, mais on ne peut pas vous reprocher de ne pas être persistants.

 

Vous voulez aller au bout des choses. Et, donc, une autre voie doit être explorée. En fait, vos réformes ne bénéficient pas de soutien populaire. Au contraire, on constate une mobilisation massive. Vous avez promis que travailler allait enfin payer, mais personne pendant la campagne n'a parlé d'une hausse de la TVA ou d'un vol de l'index. Personne dans cette Assemblée ne distribuait des tracts sur les marchés avec comme slogan "Travailler plus longtemps pour moins d'argent".

 

Non, les gens ne veulent pas de votre vol de la pension. Cela, nous le savions déjà, et on le verra à nouveau le 12 mars.

 

Cette semaine encore, on a pris connaissance via la presse de ce que confirmera l'avis du Conseil d'État, à savoir des critiques très claires sur votre réforme des pensions, malgré ce que le ministre Jambon a dit tout à l'heure au pupitre. Selon cet avis, votre réforme des pensions pourrait être contraire à la Constitution, contraire au principe de standstill de l'article 23 et contraire au principe d'égalité qui garantit à toutes et tous un traitement égal sans discrimination. Pourquoi? Parce que quasiment toutes les mesures de votre réforme entraînent un recul de la protection sociale pour l'ensemble des travailleurs et des travailleuses de ce pays. Le malus pension et d'autres dispositifs frappent particulièrement les femmes et vous changez les règles en cours de partie avec des mesures transitoires largement insuffisantes.

 

En d'autres termes, si votre réforme des pensions devait passer, il est très probable qu'elle soit attaquée par des citoyens, le monde associatif ou les syndicats devant la Cour constitutionnelle. Merde, alors! Si les juges jugent votre réforme contraire à la Constitution, que fera-t-on? Il vous faudrait alors une autre solution.

 

La voici: ce texte visant à modifier les règles de qui peut être candidat à la Cour constitutionnelle et comment ces candidats seront nommés. L'idée ici est d'avoir potentiellement une plus grande influence sur la composition de la Cour constitutionnelle. Certains voudront parler de politique fiction ou diront que je fais un procès d'intention. Mais c'est surtout à la lumière de cette analyse qu'il faut lire le texte qui nous est soumis aujourd'hui. Pourquoi? Parce qu'entre aujourd'hui et 2029, plusieurs juges quitteront leur fonction et donc de nombreuses nominations sont à venir. Et comme dans le mercato du football, ce sont des moments décisifs. Un juge reste en place jusqu'à ses 70 ans. Dès lors, quand un parti veut nommer un juge, il ne peut pas se rater. Changer maintenant les critères de nomination n'a donc rien de neutre.

 

Que prévoit le texte? Il prévoit d’abord de faire compter l’expérience ministérielle comme critère de nomination. Il s'agit de personnes qui, parfois, n’ont pas été élues, mais qui ont surtout fortement pesé sur les politiques menées, ce qui augmente potentiellement le risque de conflit d’intérêts. Cela serait notamment le cas si des lois issues de leur propre action politique pourraient être contestées devant la Cour.

 

Ensuite, le texte impose un diplôme supérieur en droit; c'est une condition obligatoire. L’argument avancé est celui de la complexité croissante du droit et l’idée que seuls les juristes pourraient encore s’y retrouver. Je vais répéter ce qu’a dit le collègue Aouasti: c’est un faux argument. C'est un faux argument parce que, de toute façon, la moitié des juges – 6 sur 12 – sont obligatoirement juristes. Il n’y a aucun risque à ce niveau-là. C'est surtout un faux argument parce que le contrôle exercé par la Cour constitutionnelle n’est pas un contrôle strictement juridique. La Cour doit juger si une loi est dans l’intérêt général, objectivement et raisonnablement justifiée, et nécessaire dans une société démocratique.

 

Ce sont des catégories juridiques, bien sûr, mais qui doivent être interprétées à la lumière des réalités sociales. Cela suppose donc une compréhension concrète de la société. Ainsi, lorsque la Cour qualifie un mandat syndical de fonction au service de la collectivité, dans l’arrêt sur les périodes assimilées pour la pension minimum, elle ne fait pas de la théorie juridique abstraite mais elle tient compte de la manière dont notre société fonctionne réellement.

 

Si la Cour peut prendre ce genre de décision, c’est parce que les juges qui y siègent ont une véritable compréhension de ce qui se vit dans la société. C’est un critère essentiel. C’est pour cette raison que la pluralité des profils est une richesse. Je ne comprends donc pas pourquoi vouloir se priver de juges issus d’autres horizons, par exemple des sociologues, des délégués syndicaux, des ingénieurs, des travailleurs sociaux ou des médecins.

 

Notre système judiciaire reconnaît déjà cette richesse, notamment dans les tribunaux du travail, les tribunaux de l’entreprise ou la cour d’assises, où des juges non professionnels siègent aux côtés de magistrats de carrière. De nombreuses études montrent que cette participation améliore la qualité et la légitimité des décisions. Restreindre l'accès à la Cour constitutionnelle à un cercle de plus en plus étroit de profils juridiques, plus proches du pouvoir, affaiblit cette pluralité. En pratique, cela affaiblit le contrôle exercé sur le législateur. Nous devons, au contraire, démocratiser la justice.

 

C'est pour toutes ces raisons que nous voterons contre ce texte, non seulement à cause de certaines de ses dispositions, mais aussi à cause de l'esprit qui l'anime. Nous refusons un pouvoir exécutif qui concentre toujours plus de pouvoir, qui supporte de moins en moins le contrôle parlementaire, et qui accepte difficilement que la justice lui rappelle les limites fixées par la Constitution, en particulier lorsqu'il s'agit de nos droits fondamentaux.

 

16.13  Luc Frank (Les Engagés): Sehr geehrter Herr Vizepräsident, werte Kolleginnen und Kollegen, sehr geehrter Premierminister, wenn ich gewusst hätte, dass Sie heute hier sind, hätte ich auf jeden Fall mehr auf Deutsch gesprochen. Ich werde aber jetzt weiter auf Französisch verfahren. Es tut mir leid, aber so ist das.

 

La Cour constitutionnelle est une institution clé de notre démocratie, on l'a déjà bien entendu. C’est un pilier de notre État de droit auquel nous, Les Engagés, sommes particulièrement attachés.

 

Nous tenons à saluer son travail. Les nouvelles conditions de nomination des candidats renforcent, pour nous, la légitimité des juges ainsi que la légitimité de leurs décisions. À nos yeux, il est important de consolider cette légitimité. C'est un travail permanent.

 

En effet, l'enjeu est crucial: l'État de droit. Cet État de droit n'est pas une évidence. L'actualité récente aux États-Unis le montre bien. Mais aussi en Europe, certains remettent en cause les décisions qui ont été prises par des juges.

 

Au plus nos juges constitutionnels paraîtront nommés sur base de leur mérite, de leur expérience et enfin de leur probité et de leur exemplarité, au moins les adversaires de la démocratie et de l'État de droit auront des arguments pour contester les juges et leurs décisions.

 

Ces critères de nomination que nous soutenons sont, premièrement, l’imposition pour les candidats d'attester leur connaissance de l'autre langue. C'est important pour un traitement égal et éclairé des dossiers. C'est également important pour une question de respect des citoyens de chaque appartenance linguistique. En effet, défendre la cohésion de la Belgique passe aussi par la défense des droits des locuteurs de chaque langue nationale.

 

Deuxièmement, l'obligation d'avoir un diplôme de droit. On en a longuement parlé. Le droit constitutionnel est une matière complexe et technique – une complexité croissante, de par l'interaction entre le droit constitutionnel belge et le droit européen. En aparté, c'est aussi pourquoi il est très bien de permettre désormais aux juges belges de la Cour de justice de l'Union européenne et de la Cour européenne des droits de l'homme de devenir juges constitutionnels en Belgique.

 

Exiger un diplôme pour les juges de l'une de nos plus hautes juridictions n'est pas une question capacitaire, comme certains l'ont dit, mais c'est assurer qu'ils ont l'expertise nécessaire. Ils prennent leurs décisions seuls, sans l'assistance juridique de leurs référendaires. Tout comme on préfère être soigné par un médecin que par un fleuriste ou un avocat, il est logique d'attendre des juges qui ont le pouvoir d'annuler nos lois, qu'ils connaissent le droit.

 

La vaste majorité des anciens parlementaires qui ont été juges avaient un diplôme de droit. Cela en montre l'importance. Donc, d'une certaine manière, on insère dans un cadre légal et juridique ce que l'on avait déjà coutume de pratiquer. Par ailleurs, la France est le seul État en Europe où des non-juristes peuvent devenir juges constitutionnels.

 

Ensuite, j'en viens à l'allongement à huit ans d'expérience parlementaire nécessaire pour devenir l'un des six juges anciens parlementaires sur les 12 magistrats que compte la Cour constitutionnelle. En effet, il y a un intérêt à avoir d'anciens parlementaires, qui ont donc acquis de l'expérience dans l'élaboration des lois en vue de la compréhension des enjeux qui y ont présidé. Cela permet de bénéficier d'une approche conséquentialiste, qui mesure toutes les conséquences de l'annulation probable d'une loi. Il s'agit d'un fragile équilibre dans un État de droit et dans un pays fédéral tel que la Belgique. Il est toujours positif que les contrôleurs aient un jour été contrôlés. C'est de la sorte qu'ils comprennent également le système. L'extension à huit ans garantit que les parlementaires ont connu au moins deux législatures – et qu'ils ont donc acquis une certaine expérience supplémentaire – et qu'ils ont au moins été réélus une fois, gage de légitimité démocratique. Bref sont ainsi assurés leur professionnalisme et leur légitimité.

 

Nous en arrivons à l'obligation d'organiser des auditions pour présenter un candidat juge. Cette condition permet une transparence pour le citoyen dans le choix du candidat et renforce par ailleurs la légitimité démocratique des magistrats. Au cours des débats, certains ont exprimé des doutes quant aux auditions. Ils voient le risque qu'elles se déroulent dans de mauvaises conditions. J'ai envie de leur dire que cela dépend de la manière dont nous organisons les auditions et également de notre comportement au cours de celles-ci. Nous, Les Engagés, nous voulons poser un regard positif et optimiste sur les choses. Nous sommes confiants dans la capacité des collègues à installer une atmosphère sérieuse et apaisée et sommes convaincus que la Chambre possède la dignité et le professionnalisme nécessaires à l'importance de l'audition des candidats au titre de juges de notre plus haute juridiction. Et puis, il faut aussi dire que le principe général des auditions n'a rien d'inédit. Je suis relativement nouveau dans cette Assemblée, mais j'ai eu une autre vie de parlementaire en Communauté germanophone. Et je dois vous dire que je n'ai jamais constaté que des auditions avaient dérapé.   

 

Enfin, sur la question de la présentation de la double liste de candidats au titre de juge de la Cour constitutionnelle, elle est en fait remplacée par la présentation d'un seul candidat par le Parlement. Cette mesure est une simple prise en compte de la pratique: la double liste qui était présentée a toujours comporté un candidat, dont tous savaient qu'il allait être nommé, et un homme de paille, dont la seule utilité était que la liste compte deux noms. Le nouveau système que nous présentons est un pas vers plus de transparence et de lisibilité pour les citoyens, et vers plus de pragmatisme puisque l'on ne présente plus de candidat "homme de paille" ou "bidon". Les citoyens méritent mieux que des jeux de dupes, où on prétend présenter deux candidats, alors qu'il y en a un qui n'a aucune chance d'être nommé.

 

Pour Les Engagés, cette réforme renforce la Cour constitutionnelle, elle consolide sa légitimité et entraîne plus de transparence et de lisibilité pour le citoyen. C'est pourquoi nous soutenons cette nouvelle manière de prévoir la nomination et la désignation des juges de la Cour constitutionnelle.

 

Ich danke Ihnen für Ihre Aufmerksamkeit.

 

De voorzitter: Vielen Dank, Herr Frank.

 

Er zijn twee collega's ingeschreven voor de Ecolo-Groenfractie, de heer Van Hecke en mevrouw Hugon.

 

16.14  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Collega's, mijnheer de premier, we hebben al een interessante en ook wel pittige discussie gehad in de commissie. Zoals mevrouw Van Vaerenbergh heeft aangehaald, zijn er in de loop van de besprekingen ook aanpassingen gebeurd tussen de eerste en de tweede lezing. Ik ben een heel grote fan van de tweede lezing omdat ik vind dat sinds het wegvallen van het bicameralisme en de mogelijkheid voor de Senaat om teksten aan te passen, de methode van de tweede lezing ervoor zorgt dat de teksten nog kunnen verbeterd worden en dat we nog eens goed kunnen nadenken over een tekst die we in de eerste lezing hebben besproken.

 

Dat is trouwens de gewoonte in de commissie voor Justitie en we merken dat er altijd heel goede opmerkingen komen en de teksten nog verfijnd kunnen worden. Tussen de eerste en de tweede lezing en het advies van de wetgevende dienst – en ik wil in deze plenaire vergadering benadrukken dat deze dienst steeds puik werk levert – zijn er aanpassingen gebeurd. Mevrouw Van Vaerenbergh heeft deze overlopen.

 

Er was in de initiële tekst een probleem met betrekking tot het taalattest. De kandidaten hadden niet altijd voldoende tijd om het vereiste taalattest te behalen omdat het systeem vandaag maar twee mogelijkheden per jaar voorziet om het taalexamen af te leggen. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat een kandidatuur wordt geopend op het moment dat er geen mogelijkheid meer is om de taaltest af te leggen. Verder voorzag de wet ook dat aan die taalvereiste moest zijn voldaan op het moment van het indienen van de kandidatuur.

 

Er waren ook problemen met die tweede kandidatuur. Andere collega's hebben het daar ook over gehad. Iedereen weet dat de eerste kandidaat de echte kandidaat is en dat de tweede kandidaat een schijnkandidaat is. Dat is toch bizar. We hebben die misschien wat onbeleefd een bloempot genoemd, maar daar komt het eigenlijk op neer. Van die bloempot verwachtten we dat die naar de hoorzitting moest komen, terwijl die persoon weet dat hij geen echte kandidaat is. We zouden van hem verwachten dat hij voldoet aan de taalvereisten, terwijl hij nooit benoemd zal worden. Het was dus geen goed idee om daarmee verder te gaan. Dat zou immers heel veel problemen opleveren en het heel moeilijk maken om iemand te vinden die bereid is om de dubbele kandidaat te zijn.

 

Er waren ook opmerkingen in verband met de inwerkingtreding, die niet zo helder waren. Dank aan de meerderheid omdat ze ook met de daarvoor bedachte en voorgelegde oplossingen rekening gehouden heeft.

 

Het blijft echter nog altijd een draak van een wet. Ik heb gezegd dat de wet geen schoonheidsprijs zal krijgen en u, premier, hebt gezegd dat u hier ook niet zit om schoonheidsprijzen te krijgen. Dat is natuurlijk wel waar. Ik begrijp dat ook wel. In ieder geval, het blijft een draak van een wet.

 

Mijnheer de premier, ik ben iets vriendelijker dan u daarnet was tegen de collega van de PS. En ik heb het in de micro gezegd. Laten we even kijken naar de concrete maatregelen. De hoorzittingen, daar zijn we eigenlijk altijd voor geweest. De maximale transparantie en de mogelijkheid voor het orgaan dat de keuze maakt om de kandidaten te horen, zijn goed. We hebben ter zake een traditie in dit Huis. Als we kandidaten moeten aanduiden voor één van de talrijke organen – het kan dan gaan over het Comité P of het Comité I, het CTRG of de AGB – hebben we daar in de commissie voor Justitie wel wat werk mee. Die hoorzittingen zijn vaak interessant, maar ik meen dat ze nu nog belangrijker zullen zijn. Ze zijn een goede zaak, maar zoals gezegd in de commissie, dit zal nog verder uitgewerkt moeten worden. Dit is nog een los eindje dat een vervolg moet krijgen.

 

We zullen immers moeten bepalen hoe we die hoorzittingen organiseren. Zal dat in een openbare vergadering gebeuren? Of niet? Ik meen dat we hier toch heel goed over moeten nadenken. Het gaat om potentieel heel belangrijke kandidaten. Dat kunnen proffen zijn, dat kunnen rechters zijn, die kandidaten die door ons ondervraagd worden. Het mag bij wijze van spreken geen circus worden. Als we hoorzittingen houden, moeten we dat op een ernstige manier doen. Zeker als er camera’s in de buurt zijn, is er altijd wel een risico dat het een beetje ontspoort. Ik meen dus dat we goed moeten nadenken hoe we die hoorzittingen op een goede manier organiseren. Maar principieel zijn ze een goede zaak.

 

We hebben een discussie gehad over de kennis van de andere landstaal. Eigenlijk is het een evidentie dat men in een Grondwettelijk Hof, waarin men samen zetelt en samen oordeelt over de beroepen, beide talen spreekt. We spreken dan over petit bilinguisme, niet over een zeer grondige kennis. Maar men moet wel in staat zijn in een gesprek de andere taal te spreken, te begrijpen en te lezen. Uiteraard moet men geen arrest kunnen schrijven in de andere taal. Trouwens, de magistraten worden bijgestaan door referendarissen, die eigenlijk topjuristen zijn en die een heel goede ondersteuning geven. We mogen dat niet vergeten.

 

Ik sprak daarnet over de werkwijze via Selor. Men kan natuurlijk discussiëren over hoe men het best kan nagaan of de kandidaat voldoende aan die voorwaarden voldoet. Het overlaten aan het Parlement, aan de commissie, vind ik een beetje raar, ik vind het raar dat wij dan examinator zouden zijn. Er moet een of andere objectiviteit zijn, dat is uiteraard evident.

 

De voorwaarde van de taalvereiste is ook niet onoverkomelijk. Dat is dus geen probleem. Ik sprak daarnet over de dubbele kandidatuur, die verdwijnt. Dat is een goede zaak. Dat is helderder. De tweede kandidaat, die nooit een echte kandidaat is, hoeft zich niet te onderwerpen aan de hoorzittingen en de taaltest.

 

Vervolgens kwam er een discussie over het juridisch diploma. Moet men jurist zijn of niet? Daarover hebben we een interessante discussie gehad. Mijnheer de premier, u hebt ook kunnen vaststellen dat er in de commissie heel veel empathie en begrip was bij de juristen, niet bij allen maar bij de meeste juristen, die openstonden voor het feit dat niet-juristen best ook magistraat of rechter zouden kunnen worden bij het Grondwettelijk Hof. In de memorie van toelichting staat vermeld dat dit in het verleden zeven keer is gebeurd. Dat heeft nooit tot problemen geleid. Waarom zou het niet zinvol of een meerwaarde kunnen zijn wanneer iemand met bijvoorbeeld een financieel of economisch diploma, een artsendiploma - wijze mensen - zich ook kan buigen over maatschappelijke problemen? Het Grondwettelijk Hof heeft natuurlijk een heel belangrijke juridische taak, maar het gaat ook vaak over maatschappelijke kwesties, waarover uitspraak moet worden gedaan. Mijnheer de eerste minister, dat kan ook een geschiedenisdiploma zijn. Dat kan misschien soms ook zinvol zijn. Ik zie uw enthousiasme. Voor ons is dat geen conditio sine qua non, dat hoeft niet. Het was dus ook niet nodig om dat aan te passen. Dat hebben we ook heel duidelijk gemaakt.

 

Er is ook een uitbreiding gekomen van de categorieën. De voorwaarde voor parlementsleden is verhoogd van 5 naar 8 jaar. Ministers komen ook in aanmerking, zelfs als ze geen 8 jaar ervaring hebben in het Parlement. In verschillende krantenartikels wordt gesuggereerd dat dit op maat is van een Vlaams minister die onvoldoende jaren in het Vlaams Parlement heeft gezeten, maar misschien toch de overstap zou kunnen maken. Door het feit dat dit al zoveel in de krant heeft gestaan, vermoed ik dat haar kansen slinken. In ieder geval mogen we ons niet lenen tot het wijzigen van de wet op maat van één persoon. Nochtans heb ik het gevoel dat dat ook heeft meegespeeld.

 

Tijdens de tweede lezing, mijnheer de premier, was er in de media al het gerucht, de insinuatie, dat de N-VA de derde Nederlandstalige magistraat in het Grondwettelijk Hof zou leveren, waardoor drie van de zes Nederlandstalige magistraten van het Grondwettelijk Hof van N-VA-signatuur zouden zijn. Dat stond toen nog maar in enkele krantenartikelen, maar het maakte ons ongerust. Gisteren verscheen in De Standaard een zeer lovend artikel. We weten ongeveer van waar de inspiratie zal zijn gekomen. De gedoodverfde kandidaat wordt met een mooi verhaal gelanceerd. Er wordt geen geheim van gemaakt dat het gaat om de derde N-VA-kandidaat voor die derde post in het Grondwettelijk Hof.

 

Als een partij met 23 tot 24 % de helft van de Nederlandstalige leden van het Grondwettelijk Hof inneemt, mijnheer de premier, dan is dat toch wat overdreven. Vindt u dat normaal? Men kan daarover discussiëren. Ik wil wel mee nadenken over hoe we vrijgekomen posten het best kunnen invullen. U beslist natuurlijk om daar een N-VA-benoeming van te maken, maar u zou ook kunnen stellen dat het gaat over categorieën van professoren en magistraten en nodig u daarom uit om dat te publiceren. Ik ben ervan overtuigd dat heel wat professoren en academici in aanmerking komen en mogelijk interesse hebben, maar misschien de verkeerde partijkaart hebben en daarom niet in aanmerking komen. Als van ons als commissie wordt verwacht om op basis van de hoorzittingen in eer en geweten een voordracht te doen, laat de kandidaat dan een kandidaat zijn en geef ons dan ook de vrijheid om dat te doen. Nu lijkt het erop alsof alles al in kannen en kruiken is en de N-VA haar kandidaat heeft.

 

Dat drie van de zes zetels naar dezelfde partij zouden gaan, collega’s, lijkt mij een beetje trumpiaans, zoals een Amerikaanse president die vindt dat hij aan zet is en die het Hooggerechtshof in de Verenigde Staten vol steekt met zijn getrouwen. Ik heb de indruk dat dat ook hier aan het gebeuren is: uw getrouwen aanduiden op strategische plaatsen, ook in het Grondwettelijk Hof. Waarom? Omdat er bij de N-VA een bijzonder groot wantrouwen bestaat ten aanzien van het Grondwettelijk Hof.

 

Er is daarnet al verwezen naar het arrest dat deze namiddag is geveld, waarbij nog eens een belangrijke maatregel van deze regering is geschorst. U hebt met N-VA een groot wantrouwen tegenover het Grondwettelijk Hof. U hebt een groot probleem met de werking en de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Daar maakt u geen geheim van. U hebt een probleem met artikel 23 van de Grondwet, dat wordt gebruikt om bepaalde sociale en ecologische verworvenheden te beschermen, omdat het moeilijk is om daarop terug te komen. U hebt daar zo’n groot probleem mee dat u ook al ideeën hebt gelanceerd over een volksberoep, om ervoor te zorgen dat wanneer u het niet eens bent met een uitspraak van het Grondwettelijk Hof, het Parlement die beslissing zou kunnen terugdraaien.

 

Als men dat allemaal samenneemt, is het duidelijk waar u naartoe wilt gaan. U wilt de controle proberen te verwerven over het Grondwettelijk Hof door drie van de zes Nederlandstalige zetels in te vullen, omdat u geen meerderheid zult hebben om artikel 23 van de Grondwet te wijzigen. Collega’s, ik zal daar heel duidelijk over zijn. (Rumoer)

 

De voorzitter: Collega’s, het woord is aan collega Van Hecke.

 

16.15  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Ik heb de indruk dat ik een gevoelige snaar raak in het debat.

 

Wij proberen altijd op een constructieve manier te werken in het Parlement, maar er zijn grenzen aan wat acceptabel is. Die grenzen worden overschreden door de recente gebeurtenissen. Om die reden zal onze fractie haar steun niet geven aan dit ontwerp.

 

De voorzitter: Bedankt, collega Van Hecke. Mevrouw Hugon heeft het woord geweigerd en zal in de tweede ronde kunnen aansluiten. Het woord is nu aan collega Van Tigchelt.

 

16.16  Paul Van Tigchelt (Anders.): Dank u wel, mijnheer de voorzitter.

 

Mijnheer de eerste minister, ik kan de samenvatting van collega Van Vaerenbergh bijtreden. Collega Van Vaerenbergh is immers begonnen met te zeggen – en ik wens dat hier namens mijn fractie te herhalen – dat het Grondwettelijk Hof een belangrijke rol in onze rechtsstaat speelt en ons respect verdient. De manier waarop onderhavig wetsontwerp in het Parlement is behandeld – ik meen wat ik zeg -, getuigt van dat respect. Onze fractie heeft daarover geen platte politieke koehandel gevoerd; de inhoud primeerde.

 

We hebben in extenso gediscussieerd over aspecten als anciënniteit, ervaring, voorwaarden en over de vraag of men jurist moet zijn of niet, of er hoorzittingen moesten worden georganiseerd en of er al dan niet taalvereisten moesten worden opgelegd. Er zijn altijd argumenten pro en contra, maar uiteindelijk maken wij een politieke afweging.

 

Voor ons is he wetsontwerp wel degelijk een stap vooruit. Daarom steunen wij het vandaag en zijn wij ook graag medeondertekenaar van het amendement over de hoorzittingen van collega Van Hecke. Ik ben het immers eens met zijn opmerking dat wij goed moeten nadenken over de manier waarop wij die hoorzittingen organiseren, met de nodige sérieux en hygiëne. Het zal bijvoorbeeld onmogelijk zijn een kandidaat te vragen zijn of haar mening te geven over een lopend geding bij het Grondwettelijk Hof. Bijvoorbeeld, het zou uit den boze zijn om aan de kandidaat te vragen wat hij of zij vindt van het stikstofdecreet, waarover ooit een uitspraak zal volgen. Wij zullen dus een zekere hygiëne in acht moeten nemen en daar duidelijke afspraken over moeten maken.

 

Ik richt mij ook tot de eerste minister. Uw kabinet heeft hier zeer degelijk werk geleverd. Uw medewerker of raadgever verdient daarvoor een compliment. Hij heeft ons hierbij betrokken, niet alleen omdat wij nodig zijn voor de tweederdemeerderheid, maar ook omdat hij echt heeft geluisterd en rekening heeft gehouden met onze opmerkingen. Dat appreciëren wij.

 

Ik heb nog twee algemene opmerkingen, als u mij toestaat, mijnheer de voorzitter.

 

Mijn fractie is blij dat er in et wetsontwerp uiteindelijk geen sprake meer is van een idee dat de partij van de premier ooit heeft geopperd – ik heb dit ook in de commissie gezegd op 18 november –, namelijk dat een arrest van het Grondwettelijk Hof overruled zou kunnen worden door een tweederdemeerderheid in het Parlement.

 

De Anders.-fractie staat altijd open om mee na te denken over een beter functioneren van onze instellingen, maar altijd binnen de krijtlijnen van de democratische rechtsstaat, zeker nu die democratische rechtsstaat, de scheiding der machten en de vrijheid van meningsuiting onder druk staan. De vrijheid van meningsuiting is meer dan de vrijheid om het eens te zijn met de mening van de meerderheid of, meer nog, met de mening van de grote leider. Ik heb het niet over dit land, mijnheer de eerste minister, maar over andere landen. Dat is vannamiddag in het halfrond nog gebleken, laat dat duidelijk zijn.

 

Mijn fractie is allang voorstander van de afschaffing van de Senaat. Ik hoop samen met vele anderen hier dat er deze legislatuur effectief resultaat wordt geboekt. Het toenmalige Arbitragehof werd destijds opgericht om bevoegdheidsconflicten tussen de deelstaten en de federale overheid te beslechten. Via de Senaat waren ook de deelstaten betrokken bij het aanduiden van de rechters. Door de afschaffing van de Senaat zullen de deelstaten geen rol meer spelen in de aanduiding van die rechters. Dat gegeven staat volgens mij haaks op een van de bestaansredenen van de partij van de eerste minister.

 

De Anders.-fractie zal voor het wetsontwerp stemmen, want het is een stap in de goede richting.

 

16.17  François De Smet (DéFI): Je vais essayer d'être simple et direct.

 

Ceci est une réforme précipitée qui n'a aucun intérêt sinon à tenter de montrer que l'Arizona est capable d'accomplir au moins une réforme institutionnelle. Je pourrais m'arrêter là, mais devant votre insistance, je vais développer certains arguments déjà vus en commission. Bien sûr, il y a des éléments intéressants: le fait que les candidats doivent être auditionnés, par exemple, bien entendu. Mais dans l'ensemble, ce projet maintient et même renforce le vrai problème: la politisation par les partis politiques de la Cour constitutionnelle. Au fond, pourquoi y a-t-il des politiques à la Cour constitutionnelle? Je vais reprendre les termes de Marc Verdussen, éminent constitutionnaliste, professeur à l'UCL et également avocat à la Cour. Je le cite: "La présence d’anciens parlementaires au sein de la Cour constitutionnelle ne constitue pas une spécificité de la justice constitutionnelle belge. L’originalité de la Belgique consiste en ce qu'elle impose une représentation parlementaire à concurrence de la moitié du nombre des juges. En réalité, la règle imposant la présence d'anciens élus a été dictée par la crainte de voir émerger une Cour trop puissante et incommodante pour la classe politique, car, ne l'oublions jamais, la naissance de la Cour constitutionnelle s'est déroulée sous le regard de suspicions de nombreux élus. Il a fallu rassurer les formations politiques les plus réticentes en leur donnant une sorte de monnaie d'échange, ni plus ni moins."

 

Autrement dit, votre texte ne va rien changer à la pratique usuelle. Ce seront les partis politiques traditionnels les plus puissants qui désigneront à tour de rôle des juges. Vous gardez la politisation, mais vous éliminez le seul élément intéressant du système visant à utiliser d'anciens parlementaires, à savoir que cela pouvait amener des personnes non-juristes à avoir un œil sur l'application du droit. Et là, je suis en désaccord avec une certaine opinion dominante: quitte à garder des ex-parlementaires, je trouve intéressant et même précieux que des non-juristes avec un autre regard puissent participer aux décisions. Vous-même, monsieur le premier ministre, vous êtes historien, vous maîtrisez le droit constitutionnel bien mieux que certains de nos collègues juristes, et vous auriez donc pu faire un excellent juge à la Cour constitutionnelle. Eh bien, votre projet ne vous le permettra pas. C'est dommage: pas d'historiens, pas de philosophes demain à la Cour constitutionnelle. Des juristes, et seulement des juristes, parce qu'avec l'Arizona, au diable l'ouverture à d'autres horizons, à la créativité et à la nuance, sauf évidemment en matière de taux de TVA.

 

Dès le moment où on garde des parlementaires, il est ahurissant qu'ils ne puissent être que juristes, puisque l'intérêt d'avoir des parlementaires, c'est leur expérience et non pas leur diplôme. C'est comme si on exigeait demain que des parlementaires doivent être juristes pour être élus.

 

Eh bien, non! S'il n'est pas obligatoire, monsieur le premier ministre, d'être juriste pour faire des lois ou pour être premier ministre, pourquoi faut-il l'être pour le contrôle de ces lois? Cela n'a pas de sens. Et donc, a fortiori, dès le moment où même les ex-parlementaires sont contraints d'être juristes, j'estime qu'il ne sert plus à rien de garder des ex-parlementaires parmi les membres de la Cour, d'autant qu'on sait ce que cela veut dire. Cela veut dire que les grands partis pourront continuer à pousser leurs poulains de manière particratique.

 

Par ailleurs, il est regrettable de ne pas procéder à la réforme de la Cour sur la parité des genres, à savoir une composition hommes-femmes au sein de la Cour constitutionnelle, prévoyant ainsi la parité.

 

Bref, ce projet tape à côté de la cible. Il va conserver la politisation de la Cour constitutionnelle, c'est exactement l'inverse de ce qu'il faut faire. Je voterai donc contre. Je vous remercie.

 

De voorzitter: Mijnheer de premier, u wenst ongetwijfeld te reageren.

 

16.18 Eerste minister Bart De Wever: Dank u wel, mijnheer de voorzitter.

 

Dit is natuurlijk in grote mate, om niet te zeggen voor honderd procent, een herhaling van de discussies die wij in de vergaderingen – meervoud – in de commissie hebben gehad. De meeste argumenten, om niet te zeggen alle argumenten - ik heb ze goed genoteerd - heb ik daar ook gehoord. Ik zal derhalve in mijn repliek bondig trachten te zijn, want ik heb in de commissie al uitgebreid geantwoord op de ontwikkelde argumenten. Bij de belangrijkste argumenten zal ik nog een keer stilstaan en op ieders commentaar trachten in te gaan.

 

Aan de collega van het Vlaams Belang, uw gewoonlijke uitingen van appreciatie voor de rol die ik speel en die mijn partij speelt kennen we. U weet dat we wederzijds bedenkingen hebben over elkaars consequentie in het bedrijven van politiek. Dat laat ik even terzijde.

 

Ik wil u uitnodigen om trouw te blijven aan wat u gisteren in de commissie hebt gezegd. U zult merken dat ik altijd zeer goed oplet. Daar hebt u gezegd: wij geloven in de Baertdoctrine. Dat vond ik opmerkelijk, want ik had niet gedacht dat dit een doctrine was die u volgde. Als u dat werkelijk meent, dan wil ik u uitnodigen om voor dit wetsontwerp te stemmen. In uw kritiek hebt u immers vooral aangegeven wat er niet in zit. Dat is inderdaad spijtig.

 

D'autres collègues ont indiqué qu'ils voudraient bien ne plus avoir d'anciens députés à la Cour constitutionnelle. Personnellement, je suis d'accord avec cette proposition, mais elle n'est pas dans le projet de loi. Pas de chance.

 

Het is echter niet omdat iets wat er volgens u in had moeten staan niet in het ontwerp staat, dat wat erin staat slecht is. Integendeel, u hebt aangegeven dat er nog maar één kandidaat is en geen bloempot meer.

 

Dat danken wij aan de interventie van de heer Van Hecke. Ere wie ere toekomt, hij heeft in de commissie voorgesteld om dat aan te passen. Dat is ook gebeurd.

 

De tweetaligheid stelt u op prijs. Met het rechtendiploma bent u het eens. De hoorzittingen zijn voor u een goede zaak. Wat in de tekst staat, vindt u dus een goede zaak.

 

U hebt echter gezegd dat een aantal elementen nog niet in het ontwerp zijn opgenomen die er in hadden moeten zijn opgenomen en waarvan u stelt te weten dat mijn partij het daarmee eens is. Dat is allemaal waar. Als u echter de Baertdoctrine volgt, dan zou u voor moeten stemmen, temeer omdat de Senaat nog niet is afgeschaft. Ook die kritiek is dus vooralsnog niet pertinent.

 

Ik hoop dus dat u loyaal aan uw eigen logica van gisteren uw steun zult kunnen verlenen aan voorliggend wetsontwerp.

 

Monsieur Aouasti, à propos de la connaissance fonctionnelle de l'autre langue, vous dites qu’il est idéal de parler les langues nationales d'un pays, mais que vous ne croyez pas que cela doive être une exigence. Je pense que c'est quand même un peu fort.

 

Vous avez commencé votre intervention en disant: "Nous, le PS, croyons en la Belgique et en sa démocratie." Imaginez-vous qu'aux États-Unis, quelqu'un dirait: "Je crois en les États-Unis, je crois en la démocratie américaine, mais je ne parle que l'espagnol et je voudrais devenir juge à la Cour constitutionnelle." C'est exactement ce que vous dites.

 

Au Canada, il faut connaître le français pour devenir juge à la Cour constitutionnelle; et c'est la langue de la minorité au Canada. Je pense que c'est quand même tout à fait normal.

 

Il est vrai que j'ai utilisé un mot fort, comme vous avez dit. Je profite de l'occasion pour retirer ce mot.

 

Mais vous osez encore dire, sans honte, que la connaissance fonctionnelle – ce n'est que cela: la connaissance fonctionnelle – n'est pas nécessaire pour devenir juge à la Cour constitutionnelle. Vous savez bien que les séances de la Cour constitutionnelle ne sont pas par groupe linguistique. Ce sont des séances communes. Pour vous, il est donc normal de ne pas comprendre la langue de l'autre pendant la délibération de choses fondamentales pour notre État de droit. Vous osez encore dire cela. Le bicentenaire de la Belgique approche. Vous le savez bien. Nous en avons parlé hier en commission. Vous étiez là. Vous osez encore dire cela même après 200 ans d'existence de ce pays! De deux choses l’une. Si on dit "je crois en la Belgique et je crois en sa démocratie", alors on ne peut pas dire "je trouve qu’il est excessif d’apprendre à un niveau fonctionnel l'autre langue de ce pays, la langue de la majorité", alors qu’il y a tant de pays où c’est exigé, même s'il s'agit de langues de la minorité.

 

C'est très fort. Mais je n'aurais pas dû utiliser cet autre mot. Je le retire. Je m'excuse. Mais je pense que c'est quand même très, très fort.

 

En ce qui concerne le diplôme en droit, plusieurs collègues, dont M. Van Hecke, M. De Smet et vous-même, monsieur Aouasti, déplorent qu'il devienne une exigence. Je tiens à vous rappeler qu’en 2021, des auditions sur la Cour constitutionnelle ont eu lieu au Sénat. Plusieurs professeurs, comme André Alen, Marc Bossuyt et Evelyne Maes, y ont participé. Ils ont tous et toutes affirmé qu'il serait bien que tous les juges soient titulaires d'un diplôme en droit.

 

La Belgique et la France sont les deux seuls pays dans lesquels des nonjuristes peuvent postuler à un poste de juge constitutionnel. Dans tous les autres pays du monde, posséder un diplôme en droit pour cette fonction va de soi. Je pense également quun diplôme en droit constitue un gage de qualité indispensable. Et cest un nonjuriste, un historien, qui le dit.

 

La Cour constitutionnelle examine la conformité des lois à la Constitution. La complexité d’un tel exercice exige que chaque juge soit en mesure de suivre et de comprendre par luimême largumentation juridique. Les référendaires assistent évidemment les juges, mais ce ne sont pas eux qui prennent les décisions. Un juge doit être capable de statuer en toute autonomie et d'élaborer lui-même le raisonnement juridique. S'il ne possédait pas les connaissances de base, le juge deviendrait dépendant de ses référendaires, ce qui présenterait un risque pour l'indépendance de la Cour. Je pense donc qu’il est logique d’avoir une connaissance fonctionnelle de l’autre langue et que posséder un diplôme en droit constitue un minimum.

 

Monsieur Aouasti, je déplore que vous disiez craindre que nous n’ayons plus de députés réunissant ces deux qualités. J’espère que nous aurons encore de nombreux collègues capables d’obtenir un diplôme en droit et d’apprendre l’autre langue à un niveau fonctionnel. Je pense que c’est possible. Du moins, j’espère que chaque groupe disposant du pouvoir de nommer des juges à la Cour constitutionnelle pourra encore présenter des candidats répondant à ces critères. Dans le cas contraire, il appartiendrait à votre groupe de s'interroger sur les raisons pour lesquelles ce ne serait pas le cas, en se regardant dans le miroir. Pour ma part, je considère que ces deux exigences relèvent tout simplement du bon sens.

 

Herr Frank, ich danke Ihnen für Ihre Worte. Wir stimmen vollkommen überein. Sie wissen, dass, wenn es nach mir ginge, auch für eine Karriere als Richter am Verfassungsgerichtshof eine Grundkenntnis der deutschen Sprache erforderlich wäre. Dann bekämen wir vielleicht nur zwei Stimmen für den Entwurf.

 

N'élaborons pas là-dessus. Je l'ai dit en allemand pour que les autres ne le comprennent pas, je dois l'avouer. Je veux bien le répéter en français: je pense même qu'une connaissance de base de l'allemand serait tout à fait logique en tant qu'exigence pour devenir juge à la Cour constitutionnelle. Ce n'est toutefois pas dans le projet de loi, ne vous inquiétez pas.

 

Mijnheer Van Hecke, u hebt verwezen naar de bloempot. Ik dank u nogmaals, want u hebt dat aangekaart en iedereen vond dat u gelijk had. Ook wat betreft de inwerkingtredingsvoorwaarde is het wetsontwerp mede dankzij uw tussenkomst in de commissie echt verbeterd. Vervolgens zegt u dat het een draak blijft, omdat er hoorzittingen zijn.

 

M. Aouasti a également parlé des auditions. En France, elles existent aussi. Il y a des exemples de pays qui en ont organisé, et cela ne pose jamais de problèmes. Aux États-Unis, les auditions des candidats juges pour la Cour constitutionnelle sont même diffusées en direct à la télévision. Je ne plaide pas en ce sens, mais je dis simplement que cette tradition existe. "Ouh la la! Des auditions? Et des non-juristes vont donc être capables de juger la connaissance des juristes?" Mais enfin, cela se passe ainsi en France et aux États-Unis. Est-ce un argument pour ne pas accepter ce projet de loi ou pour dire que c'est un draak, un dragon – On le dit en français? Probablement pas. Cela me semble quelque peu excessif.

 

Mijnheer Van Hecke, u spreekt over een trumpiaanse move op het Grondwettelijk Hof. Ik zit hier natuurlijk niet als partijman, maar die uitspraak kan ik heel moeilijk laten passeren. Ik nodig u uit om eens na te gaan wie daar namens de N-VA is benoemd, en dat dan nog eens te herhalen. Danny Pieters, noemt u hem trumpiaans? Moest Danny Pieters dat horen, zou hij wel een soort van trumpiaanse opflakkering krijgen, maar niet in de zin die u denkt. Dat geldt evengoed voor de naam die gisteren in De Standaard heeft gestaan. Natuurlijk, wie ben ik om te zeggen wie de N-VA ooit zal benoemen, ik heb er niets mee te maken. Maar veronderstel dat het die persoon zou zijn, dan suggereer ik dat u zijn cv eens bekijkt en zijn publicaties eens leest en dan nodig ik u uit om hier in mijn gezicht te komen zeggen dat de N-VA een trumpiaanse move op het Grondwettelijk Hof doet. Dat is een beetje sterk.

 

U zegt dat de becijfering niet klopt. We kunnen natuurlijk zeggen dat we volledig proportioneel met het Parlement mensen zullen benoemen. Ik heb daar geen problemen mee. Wenst u dat? Dan moet u dat vooral zeggen. Dan gaan we natuurlijk naar andere toestanden, dat weet u ook. Het is een beetje sterk te zeggen dat er te veel N-VA'ers in zitten. Uw fractie zou als eerste zeggen dat ze nooit haar stem zal verlenen aan mensen uit bepaalde andere fracties, meervoud. Welnu, van twee zaken één. Het gevolg daarvan is inderdaad dat voor wie overblijft, de proporties niet volledig zijn gerespecteerd. Dat is evenwel geen trumpiaanse move die de N-VA heeft georganiseerd op het Grondwettelijk Hof. U moet eerlijk toegeven dat het bijzonder excessief is om zoiets te durven zeggen.

 

Ik ben twintig jaar voorzitter geweest van die partij. Ik heb nooit een oud-parlementslid in dat Hof benoemd. Nooit, geen enkele, nul. Dat is echt geen toeval. Ik ben daar namelijk geen voorstander van. We hebben nu natuurlijk een nieuwe partijvoorzitter. We zullen zien wat er gebeurt.

 

Mijnheer Van Tigchelt, ik dank u voor uw woorden, want die waren voor mijn kabinet flatterend tot op zekere hoogte. Vervolgens hebt u nog een ander hoofdstuk aangesneden. U zult toegeven dat de dingen die u hebt gezegd misschien pertinent zijn vanuit de logica van uw partij, maar ze zijn niet pertinent voor het wetsontwerp, want ze hebben er eigenlijk niets mee te maken. Over een volksberoep kunt u denken wat u wilt, over de afschaffing van de Senaat kunt u denken wat u wilt. Daar denken we trouwens hetzelfde over. Die zaken hebben echter geen onmiddellijke repercussie op wat hier nu voorligt. Als ik u goed heb begrepen, bent u eigenlijk voorstander van de verandering die het wetsontwerp brengt. Daar zijn we uiteraard blij mee, want we hebben inderdaad de tweederdemeerderheid nodig.

 

Daarmee heb ik misschien niet alles, maar toch de belangrijkste recurrente thema’s – de taalkennis, het diploma en de hoorzittingen – nog eens overlopen. Ik vrees dat ik niets nieuws heb gezegd ten opzichte van wat er in de commissies, en long et en large, al is verteld.

 

De voorzitter: Collega's, we zijn aanbeland bij de replieken. Wenst nog iemand van de N-VA-fractie te reageren? (Nee)

 

Ik zie twee handen bij de Vlaams Belangfractie. Ik geef eerst het woord aan mevrouw Pas en daarna aan de heer Somers.

 

16.19  Barbara Pas (VB): Mijnheer de premier, u zegt dat wij alles wat er in dit wetsontwerp staat goed vinden, maar dat wij het een gemiste kans vinden wegens de zaken die er niet in staan. Dat is maar deels waar. Er zitten goede zaken in en we hebben gezegd dat het een stap vooruit is. De functionele taalkennis, het feit dat men een rechtendiploma moet hebben en de hoorzittingen die een en ander objectiveren, dat zijn allemaal goede zaken. Dat het een gemiste kans is en dat uw hervorming niet voor een democratische weerspiegeling zal zorgen, klopt eveneens.

 

Wij zijn het echter niet eens met alles wat erin staat. U weet zeer goed wat heel gevoelig ligt, met name de herfederalisering die u daarin steekt. Door de afschaffing van de Senaat zullen de benoemingen door de Senaat worden overgeheveld naar de Kamer. Waarom hebt u niet gekozen voor de meest logische oplossing, namelijk dat Nederlandstalige rechters in dat geval niet door de Kamer, maar wel door het Vlaams Parlement worden aangeduid en Franstalige rechters door Franstaligen? Als u dat eruit haalt, dan kunnen wij dat steunen. Dan is alles goed wat erin staat. Het kan altijd beter, maar dan is het een stap in de goede richting. Zolang u daar herfederaliseringen in steekt, moet u er niet van uitgaan dat u op een goedkeuring van het Vlaams Belang kunt rekenen.

 

Voorzitter: Peter De Roover, voorzitter.

Président: Peter De Roover, président.

 

16.20  Werner Somers (VB): Ik sluit mij aan bij wat mijn fractievoorzitter zonet heeft gezegd.

 

De voorzitter: Dat is gebruikelijk.

 

16.21  Werner Somers (VB): Maakt u zich geen zorgen, wij zitten wel op één lijn.

 

Ik kom nog even terug op de Baertdoctrine, waarnaar de eerste minister heeft verwezen. Er zijn inderdaad stappen in de goede richting gezet op een aantal vlakken, maar zoals mevrouw Pas heeft gezegd, wordt de inspraak en de betrokkenheid van de deelstaten bij de benoeming van de rechters afgeschaft.

 

Mijnheer de eerste minister, u brengt aan dat de Senaat nog niet is afgeschaft. Dat is allemaal goed en wel, maar wat houdt u tegen om nu reeds de deelstaten bevoegd te maken om de rechters in het Grondwettelijk Hof te benoemen? Als u dat nog niet eens kunt doordrukken bij de partijen die deel uitmaken van uw meerderheid en bij de Franstaligen, hoe zal het u dan ooit lukken om een meerderheid te vinden voor een confederale paradigmashift of een grondige staatshervorming?

 

16.22  Khalil Aouasti (PS): Monsieur le premier ministre, je vais commencer par un élément qui, je pense, est important parce qu'il est rare. Vous avez admis avoir tenu un propos inapproprié et fort, un mot, et vous vous en êtes excusé. Dans un monde où les excuses sont trop rares, considérer que le premier ministre puisse s'excuser dans ce Parlement est en effet apprécié et est appréciable. Je tiens à vous le dire parce que je pense que nos divergences politiques, qui sont réelles, ne doivent pas céder le pas à cela. Lorsqu'il y a un écart, qu'il est reconnu et qu'il y a un retour en arrière, ce doit aussi être dit et reconnu.

 

Pour le reste, nous avons cette opposition. Mais c'est la deuxième fois que vous nous faites le coup, monsieur le premier ministre, sur la question linguistique. En fait, vous vous focalisez en disant: "Mais je ne comprends pas que vous me dites que vous ne souhaitez pas que l'on apprenne notre langue". Je n'ai pas dit cela. Dans aucun de mes propos, je n'ai dit cela. Je dis que plus nous connaissons une langue, plus c'est appréciable, même au-delà du néerlandais. Ce que j'ai indiqué, c'est que la manière dont vous contrôlez en réalité la connaissance de l'autre langue est problématique. Et j'ai indiqué qu'il y avait d'autres possibilités qui vous ont été soumises en commission pour faire en sorte que la manière dont on assure la connaissance fonctionnelle de l'autre langue nationale reste une compétence exclusive du législatif ou de l'Assemblée qu'est la Cour constitutionnelle, plutôt que de passer par le Selor, dont les conditions sont définies par arrêté royal et peuvent être définies par le gouvernement.

 

À ce propos, vous ne me répondez pas. Vous ne m'avez pas répondu en commission et vous ne me répondez pas ici. Monsieur le premier ministre, pourquoi faire ce choix et pourquoi ne pas permettre que, par exemple, les magistrats de la Cour constitutionnelle aujourd'hui en place soient celles et ceux qui peuvent et qui permettront à l'avenir de faire passer l'examen linguistique afin de délier en réalité cette procédure, comme c'est le cas aujourd'hui, de toute possibilité d'influence de l'exécutif? C'est cette question qui vous a été posée et à laquelle il n'a pas été répondu.

 

Sur la question du diplôme de droit, nous avons eu des discussions. Par contre, je ne peux pas accepter, monsieur le premier ministre, un propos qui dirait: "Mais regardez dans le miroir si vous n'arrivez pas à voir des représentants qui sont universitaires et qui ont un diplôme de droit". Je pense que ce propos traduit en tout cas un mépris, à tout le moins une inquiétude profonde pour ce qu'est la représentation démocratique. La représentation démocratique n'est pas capacitaire. La représentation démocratique n'est pas censitaire. La représentation démocratique est universelle. Des partis politiques peuvent présenter sur leurs listes des personnes qui feront d'excellents députés, peu importe qu'elles aient fait des études ou non, peu importe leur classe sociale et leur origine sociale, peu importe leur origine ethnique ou autre.

 

Et donc c'est de ça dont on s'enorgueillit. Et dire aujourd'hui, singulièrement dans cette enceinte, que si on n'arrive pas à avoir des élus qui sont diplômés en droit, il faut se regarder dans le miroir, c'est un propos qui m'inquiète énormément, parce que cela traduit une vision biaisée de ce que doit être la représentation démocratique universelle.

 

Des partis politiques, effectivement, peuvent ne pas avoir de juriste dans leurs représentants. Aujourd'hui, par exemple, le collègue De Smet – ce n'est pas un fait personnel –, de DéFI, qui est le seul représentant de son parti ici, n'est pas juriste, mais est philosophe. Est-ce un problème que son parti n'ait pas de représentant qui soit juriste, à vos yeux, dans cette enceinte? Non, parce qu'il fait un travail qui est totalement appréciable, est tout à fait apprécié ici, et que cela traduit l'expression démocratique.

 

Il y a des collègues qui n'ont pas de diplôme universitaire. Est-ce un problème? Absolument pas. Ils sont légitimes parce qu'ils ont reçu le suffrage universel. Et donc dire que si on n'arrive pas à faire élire des personnes avec un diplôme universitaire, il faut se regarder dans le miroir, c'est, en démocratie, un propos extrêmement inquiétant.

 

Quant aux auditions, comme je vous l'ai dit, la faculté d'organiser des auditions existe. Pourquoi n'est-elle pas mobilisée? Ce ne sont pas ces auditions qui sont problématiques, mais la manière dont elles pourraient être menées. J'aurais aimé que, dans une réforme du mode de désignation des magistrats à la Cour constitutionnelle, on puisse en même temps définir les modalités des auditions que vous entendez réaliser. Parce que la manière dont les auditions seront réalisées conditionnera la manière dont les juges seront désignés à l'avenir. Je préfère, au contraire de la politique des petits pas qui veut qu'on accepte d'abord quelque chose, parce que de toute façon ils n'auront pas le choix d'accepter la chose suivante, pouvoir se mobiliser et examiner l'ensemble.

 

Dans cet ensemble, un propos m'inquiète, en particulier à l'endroit des collègues du Mouvement Réformateur et des Engagés. Je veux parler du début de votre réponse. Lorsque vous dites publiquement dans cette enceinte en direction des députés du Vlaams Belang: "Je vous enjoins et vous demande de respecter la doctrine Bart et votre vote en conséquence", cela signifie que vous négociez leurs votes. Or, depuis le début, il a été indiqué par les collègues du Mouvement Réformateur, à tout le moins, et des Engagés que ce vote à la majorité des deux tiers devait avoir lieu sans l'appui, qu'il s'agisse d'un vote positif ou d'une abstention, des collègues du Belang et que cela revenait à respecter l'enjeu démocratique qu'est le cordon sanitaire. Lorsque vous adressez ce message en préambule à votre réponse, celui-ci contrevient à l'accord même de gouvernement et à celui qui était de ne pas compter, que ce soit sous forme d'abstention ou de vote positif, sur le Belang pour obtenir cette majorité des deux tiers en faveur de cette loi spéciale.

 

16.23  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de premier, dank u wel voor uw antwoorden.

 

Ik meen dat u me op één vlak misschien verkeerd begrepen hebt. Toen ik het had over "een draak van een wet" had ik het over de totaliteit en niet specifiek over de hoorzittingen. Ik heb inzake de hoorzittingen mijn bezorgdheid geuit over de manier waarop ze georganiseerd zouden worden. Ik meen dat we allemaal die bezorgdheid hebben, vooral om hoe heftig het er misschien aan toe kan gaan.

 

Ik hoop dat we ze allemaal fatsoenlijk zullen houden, want finaal zal de persoon die gekozen wordt, of die aangeduid wordt, in het Grondwettelijk Hof zetelen. Men kan tijdens de hoorzittingen ook wel schade aanbrengen en dat zou jammer zijn. Dit vergt dus verdere reflectie.

 

Toen ik het had over "een draak" ging het bijvoorbeeld om de taaltesten. Om die mogelijk te maken, vindt twaalf maanden op voorhand de openverklaring al plaats. Dat is niet elegant. Het was wel bijna de enige mogelijkheid om dat mogelijk te maken. Ik had het dus eerder daarover.

 

Ja, ik heb het woord "Trumpiaans" gebruikt. Ik begrijp dat dit een beetje lastig is voor u, mijnheer de premier. Maar dat gaat niet over Danny Pieters. Ik heb veel respect voor Danny Pieters. Het gaat niet over hem als persoon. Het gaat niet over Danny Pieters.

 

(…): (…)

 

16.24  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Waar ik het over heb, is wat we zagen in de kern van – naar ik meen – 23 december, waar een hele resem benoemingen is gebeurd en waar heel belangrijke posten verdeeld zijn. Heel veel van dergelijke posten worden door de N-VA bezet, ook het Grondwettelijk Hof. Mij gaat het erom dat het er drie op zes zijn.

 

Dan is de vraag hoe we het dan anders kunnen doen. Het gaat niet om de categorie van ex-parlementsleden, want daar is de keuze een ex-parlementslid, waar natuurlijk een kleur op kleeft. Hier gaat het over magistraten en professoren. Men zou eigenlijk perfect kunnen zeggen dat twee N-VA-kandidaten voldoende is en drie een beetje overdreven. Laat de kandidaten maar kandideren. Laat de commissie via hoorzittingen en de plenaire vergadering maar op basis van die hoorzittingen, op basis van de cv’s, op basis van de gegevens die beschikbaar zijn, in eer en geweten kiezen voor de meest geschikte persoon. Dat zouden we kunnen doen in dit geval. Als u dus vraagt hoe het moet gebeuren, dan kan het antwoord zijn dat het zo zou kunnen gebeuren. Een kandidaat moet twee derden halen. Dat wil zeggen dat men toch over de grenzen van meerderheid en oppositie naar een consensus moet gaan om iemand aan te duiden voor zo een belangrijk orgaan.

 

Dit wilde ik nog toevoegen, mijnheer de voorzitter.

 

De voorzitter: Collega’s, ik heb goed nieuws. Ik heb net vernomen dat de leden in de commissie intussen aan de stemming toe zijn. Wij zullen onze agenda dus naadloos kunnen voortzetten. Het huidige punt op de agenda is immers afgerond, zijnde de uitgebreide bespreking van de argumenten pro en contra. Wij zullen dus straks een oordeel daarover vellen met het knopje dat u ter beschikking staat.

 

Ik dank de eerste minister voor zijn bijdrage. Hij mag niet stemmen. Nochtans kan het op één stem aankomen.

 

Vraagt nog iemand het woord? (Nee)

Quelqu'un demande-t-il encore la parole? (Non)

 

De algemene bespreking is gesloten.

La discussion générale est close.

 

Bespreking van de artikelen

Discussion des articles

 

Wij vatten de bespreking van de artikelen aan. De door de commissie aangenomen tekst geldt als basis voor de bespreking. (Rgt 85, 4) (1093/8)

Nous passons à la discussion des articles. Le texte adopté par la commission sert de base à la discussion. (Rgt 85, 4) (1093/8)

 

Het opschrift werd door de commissie gewijzigd in "ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de voordracht van kandidaten en de benoemingsvoorwaarden voor rechters van het Grondwettelijk Hof".

L’intitulé a été modifié par la commission en "projet de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle en ce qui concerne la présentation de candidats et les conditions de nomination des juges de la Cour constitutionnelle".

 

Het wetsontwerp telt 5 artikelen.

Le projet de loi compte 5 articles.

 

Ingediende amendementen:

Amendements déposés:

Art. 1/1(n)

  • 13 – Werner Somers cs (1093/9)

Art 2

  • 14 – Werner Somers cs (1093/9)

Art 3

  • 15 – Werner Somers cs (1093/9)

 

Besluit van de artikelsgewijze bespreking:

Conclusion de la discussion des articles:

 

Aangehouden: de amendementen en de artikelen 2 en 3.

Réservés: les amendements et les articles 2 et 3.

 

Artikel per artikel aangenomen: de artikelen 1, 4 en 5.

Adoptés article par article: les articles 1, 4 et 5.

 

De bespreking van de artikelen is gesloten. De stemming over de aangehouden amendementen, de aangehouden artikelen en over het geheel zal later plaatsvinden.

La discussion des articles est close. Le vote sur les amendements et les articles réservés ainsi que sur l'ensemble aura lieu ultérieurement.

 

17 Wetsontwerp houdende harmonisatie van de geldende wetsbepalingen van Justitie met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (I) (1182/1-5)

17 Projet de loi relatif à la mise en concordance des dispositions légales en vigueur de la Justice avec le Code pénal du 29 février 2024 (I) (1182/1-5)

 

Algemene bespreking

Discussion générale

 

De algemene bespreking is geopend.

La discussion générale est ouverte.

 

17.01  Khalil Aouasti, rapporteur: Je me réfère à l’excellent rapport établi par les services, monsieur le président.

 

De voorzitter: Dank u, mijnheer Aouasti.

 

Vraagt iemand het woord? (Nee)

Quelqu'un demande-t-il la parole? (Non)

 

De algemene bespreking is gesloten.

La discussion générale est close.

 

Bespreking van de artikelen

Discussion des articles

 

Wij vatten de bespreking van de artikelen aan. De door de commissie aangenomen tekst geldt als basis voor de bespreking. (Rgt 85, 4) (1182/5)

Nous passons à la discussion des articles. Le texte adopté par la commission sert de base à la discussion. (Rgt 85, 4) (1182/5)

 

Het wetsontwerp telt 130 artikelen.

Le projet de loi compte 130 articles.

 

Er werden geen amendementen ingediend.

Aucun amendement n'a été déposé.

 

De artikelen 1 tot 130 worden artikel per artikel aangenomen.

Les articles 1 à 130 sont adoptés article par article.

 

De bespreking van de artikelen is gesloten. De stemming over het geheel en de bijlagen zal later plaatsvinden.

La discussion des articles est close. Le vote sur l'ensemble et les annexes aura lieu ultérieurement.

 

18 Wetsontwerp houdende harmonisatie van de wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafvordering en de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (1256/1-8)

18 Projet de loi relatif à la mise en concordance de la loi contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale, le Code d'instruction criminelle et la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive avec le Code pénal du 29 février 2024 (1256/1-8)

 

Algemene bespreking

Discussion générale

 

De algemene bespreking is geopend.

La discussion générale est ouverte.

 

De rapporteur, mevrouw Marijke Dillen, verwijst naar het schriftelijk verslag.

 

Vraagt iemand het woord? (Nee)

Quelqu'un demande-t-il la parole? (Non)

 

De algemene bespreking is gesloten.

La discussion générale est close.

 

Bespreking van de artikelen

Discussion des articles

 

We vatten de bespreking van de artikelen aan. De door de commissie aangenomen tekst geldt als basis voor de bespreking. (Rgt 85, 4) (1256/7)

Nous passons à la discussion des articles. Le texte adopté par la commission sert de base à la discussion. (Rgt 85, 4) (1256/7)

 

Het opschrift werd door de commissie gewijzigd in "wetsontwerp houdende harmonisatie van de wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van strafvordering en de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis met het Strafwetboek van 29 februari 2024."

L'intitulé a été modifié par la commission en "projet de loi relatif à la mise en concordance de la loi contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale, du Code d’instruction criminelle et de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive avec le Code pénal du 29 février 2024."

 

Het wetsontwerp telt 246 artikelen.

Le projet de loi compte 246 articles.

 

Ingediend amendement:

Amendement déposé:

Art 245

  • 15 – Steven Matheï cs (1256/8)

 

Besluit van de artikelsgewijze bespreking:

Conclusion de la discussion des articles:

 

Aangehouden: het amendement en artikel 245.

Réservés: l’amendement et l’article 245.

 

Artikel per artikel aangenomen: de artikelen 1 tot 244 en 246.

Adoptés article par article: les articles 1 à 244 et 246.

 

De bespreking van de artikelen is gesloten. De stemming over het aangehouden amendement, het aangehouden artikel en over het geheel zal later plaatsvinden.

La discussion des articles est close. Le vote sur l’amendement et l’article réservés ainsi que sur l'ensemble aura lieu ultérieurement.

 

19 Wetsvoorstel betreffende de objectieve neutraliteit van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, waarbij het hun verboden is bij de uitoefening van hun ambt zichtbare tekens van een geloofs- of levensovertuiging te dragen (149/1-5)

19 Proposition de loi relative à la neutralité objective des agents de la fonction publique fédérale et interdisant le port de signes convictionnels visibles dans l'exercice de leurs fonctions (149/1-5)

 

Voorstel ingediend door:

Proposition déposée par:

François De Smet.

 

De commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken stelt voor dit wetsvoorstel te verwerpen. (149/5)

La commission de l’Intérieur, de la Sécurité, de la Migration et des Matières administratives propose de rejeter cette proposition de loi. (149/5)

 

Overeenkomstig artikel 88 van het Reglement spreekt de plenaire vergadering zich uit over dit voorstel tot verwerping, na de rapporteur en eventueel de indiener te hebben gehoord.

Conformément à l'article 88 du Règlement, l'assemblée plénière se prononcera sur cette proposition de rejet après avoir entendu le rapporteur et, éventuellement, l’auteur.

 

De rapporteur, de heer Jeroen Bergers, verwijst naar het schriftelijk verslag.

 

19.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le président, chers collègues, me voici une fois de plus avec un sujet sur lequel je me sais relativement isolé au sein de ce Parlement et qui est pourtant essentiel. Cependant, je vais essayer, une fois encore, de vous convaincre de l'importance de cette question de la neutralité des services publics.

 

D'abord, réaffirmons-le, oui, la liberté de culte, de religion et de conviction est la base, en ce compris l'expression d'idées politiques ou religieuses, d'idées qui inquiètent ou dérangent. Cette liberté inclut aussi, contrairement à une opinion répandue, le droit de manifester en public. Une religion n'est pas un hobby; n'importe qui peut exprimer ses convictions dans l'espace public. La liberté est et doit rester le principe de base et toute exception doit être dûment justifiée. Cela inclut évidemment le droit de porter ou de ne pas porter de signes religieux, et le droit de critiquer ces signes si on le souhaite.

 

Ensuite, toute liberté inclut des limites. Elles peuvent être justifiées par des normes ou des valeurs essentielles, comme la sécurité, l'égalité, le vivre ensemble. En l'occurrence, le principe de neutralité que nous défendons vise à offrir un cadre où aucune conviction religieuse ou politique n'est visible et ne peut donc être prosélyte. En réalité, le port de signes religieux ou convictionnels est permis presque partout: dans la rue, dans l'espace public, au travail sauf si un règlement de travail en justifie valablement l'interdiction, et dans les lieux privés. Nous estimons que la société ne doit demander une abstention de ces signes que dans deux lieux où la neutralité est nécessaire: les administrations publiques pour les agents et l'école obligatoire car c'est une marque de respect vis-à-vis de la neutralité souhaitée de l'État.

 

Les partisans des signes convictionnels dans l'administration invitent souvent à séparer la neutralité de l'apparence de la neutralité des actes. C'est justement méprendre ce que doit être la neutralité. Si la neutralité se doit d'être apparente, c'est pour la même raison que la justice se doit d'être juste jusque dans les apparences, parce que tout signe est prosélyte par lui-même et que délier les apparences offertes des actes revient à faire comme si signifiant et signifié étaient séparés de manière étanche.

 

Si le droit de porter des signes religieux ou convictionnels est absolu chez soi ou dans l'espace public, il s'efface devant l'obligation de neutralité des agents publics, qui est aussi une obligation d'apparence et qui vise à offrir à tous les citoyens non seulement un service mais une apparence de service dépourvue de toute référence convictionnelle.

 

En outre, le religieux n’est jamais loin du politique. Si un signe religieux ou ostentatoire est ressenti par une personne comme tellement important qu’il paraît impossible au croyant de s’en séparer quelques heures, par exemple le temps d'un horaire de travail dans une fonction d’ordre public, c’est que ce signe est bien plus que religieux et qu'il constitue en soi un message identitaire et donc politique. C’est une raison supplémentaire pour en limiter l’expression dans le chef de ceux qui exercent l’autorité publique.

 

Il est donc temps de clarifier les choses et de protéger toutes les convictions en instaurant une neutralité, tant dans les actes que dans les apparences, pour l’ensemble des employés des services publics, qu'ils travaillent en front-office ou en back-office.

 

La neutralité n’est pas un combat contre les religions ou les convictions. Au contraire, la neutralité – y compris vestimentaire – des fonctionnaires garantit qu’aucune religion, aucune conviction ne l’emporte sur une autre. Elle constitue également le seul moyen véritable de lutter contre le prosélytisme.

 

Pendant que les cours et tribunaux agissent, le gouvernement fédéral, sur ce sujet, ne fait pas grand-chose. Votre accord prévoit qu’après une étude et une concertation avec les fonctionnaires dirigeants, un uniforme ou un code vestimentaire sera introduit, mais rien ne se concrétise. Je me demande s’il existe réellement une volonté de faire quelque chose.

 

Pendant que le gouvernement fédéral ne fait rien, que le gouvernement de la Fédération WallonieBruxelles ne fait rien hormis pour interdire les signes là où ils nexistent pas, cestàdire chez les professeurs, en évitant le débat concernant les élèves, et que le nouveau gouvernement bruxellois évite soigneusement toute prise de position sur le sujet, nous avons, vous avez loccasion de soutenir une vision de la neutralité qui soit, un tant soit peu, claire.

 

Je vous remercie pour votre attention, chers collègues, monsieur le président. Et j'ai dit.

 

De voorzitter: Geen andere spreker mag het woord nemen.

Plus personne ne peut prendre la parole.

 

De stemming over het voorstel tot verwerping van dit wetsvoorstel zal later plaatsvinden.

Le vote sur la proposition de rejet de cette proposition de loi aura lieu ultérieurement.

 

20 Voorstel van resolutie betreffende het verplichten van een alarmsysteem voor kinderzitjes in voertuigen, teneinde het achterlaten van kinderen te verhinderen (334/1-2)

20 Proposition de résolution relative à l'obligation d'installer un système d'alarme pour les sièges enfants dans les véhicules afin d'éviter que des enfants y soient laissés seuls (334/1-2)

 

Voorstel ingediend door:

Proposition déposée par:

Frank Troosters, Ellen Samyn, Britt Huybrechts, Kristien Verbelen, Alexander Van Hoecke, Kurt Ravyts.

 

De commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen stelt voor het voorstel te verwerpen. (334/2)

La commission de la Mobilité, des Entreprises publiques et des Institutions fédérales propose de rejeter cette proposition. (334/2)

 

Overeenkomstig artikel 88 van het Reglement spreekt de plenaire vergadering zich uit over het voorstel tot verwerping, na de rapporteur en eventueel de indiener te hebben gehoord.

Conformément à l'article 88 du Règlement, l'assemblée plénière se prononcera sur cette proposition de rejet après avoir entendu le rapporteur et, éventuellement, l’auteur.

 

De rapporteur, mevrouw Dorien Cuylaerts, verwijst naar het schriftelijk verslag.

 

20.01  Britt Huybrechts (VB): Mijnheer de voorzitter, collega’s, het voorliggend voorstel van resolutie vertrekt van een probleem dat hopelijk niemand in deze zaal betwist. Alle adviezen die wij hieromtrent hebben ontvangen, van de politie en verkeerveiligheidsexperts tot administraties, erkennen zonder omwegen dat het achterlaten van jonge kinderen in voertuigen een reëel en potentieel dodelijk risico vormt. Zulke situaties, die grotendeels uit menselijke fouten voortkomen – niemand vergeet ooit bewust zijn kind -, lopen inderdaad vaak fataal af. Net daarom zijn ze zo confronterend en het kan letterlijk iedereen overkomen. Daarom moeten wij ons als wetgever de vraag stellen of we kunnen voorkomen dat een moment van onoplettendheid of vermoeidheid fataal wordt. Het is genoegzaam bekend hoe snel een wagen opwarmt en dat jonge kinderen kwetsbaar zijn. Bovendien is de technologie perfect in staat om een waarschuwing te geven, als een kind in een voertuig achterblijft.

 

Van de meerderheid horen we echter dat we moeten wachten: wachten op Europa, wachten op een werkgroep, wachten op een volgende legislatuur. Sorry, maar dat doet mij denken aan een scène uit de reeks Willy’s en Marjetten waarin twee politieagenten daar staan en zeggen: “Wachten, wachten, wachten.”

 

Collega’s, dat zijn schijnargumenten, want ons voorstel legt geen technische norm vast en verplicht morgen niemand om iets stante pede te installeren. Het vraagt gewoon dat de regering het dossier ernstig neemt en snel werk maakt van een wet binnen het bestaande kader. Blijkbaar is zelfs dat al te veel gevraagd, als het idee van het Vlaams Belang komt.

 

Volgens de meerderheid mag ik blij zijn dat de meerderheid wilde reageren na de indiening van mijn voorstel van resolutie Ik mag dus dankbaar zijn dat men in het Parlement, het huis van de democratie wil reageren. Wat een arrogantie van de meerderheid! Ik noteer dat zij liever zwijgt dan een goed voorstel van het Vlaams Belang af te breken.

 

Ze stelt, anderzijds, dat wij niet als enige mogen vooruitlopen. Italië is nochtans al vooruitgelopen en dat land is niet ineens ineengestort. De interne markt is daar niet ontploft, nadat ze het systeem hadden ingevoerd.

 

Wanneer het gaat over internationale conflicten en over verre landen waarop België 0,0 effect heeft, kan de oplossing niet snel genoeg gaan. In dat geval moeten wij niet wachten op de expertise van Europa of van werkgroepen. Dan moet alles snel gaan. Wanneer het echter gaat over de bescherming van kinderen hier in dit land, wordt afwachten plots het hoogste principe.

 

Collega’s, ik rond af. Laten we niet doen alsof wachten neutraal is. Wachten is een keuze en elke keuze zegt iets over prioriteiten. Voorliggend voorstel is geen ideologisch project. Het is geen grootse hervorming. Het is een eenvoudige en redelijke vraag, namelijk om het punt prioriteit te geven en te bekijken hoe wij menselijke fouten technologisch kunnen opvangen.

 

Straks zal de stemming duidelijk maken wie bereid is dat signaal te geven. Voor het Vlaams Belang is het simpel. Wij kiezen voor gezinnen. Wij kiezen voor kinderen. Wij kiezen ervoor om te voorkomen in plaats van achteraf te stellen dat dat alles heel tragisch is en dat wij het hadden kunnen voorkomen. Gezinspolitiek is voor ons immers geen loze slogan. Het is verantwoordelijkheid nemen, wanneer dat nodig is.

 

Als het Parlement vandaag één duidelijk signaal kan geven, dan is het wel dat dossiers over kinderlevens niet worden geparkeerd tot later. Of wij voorkomen of wij kijken toe. Zo eenvoudig is het. Het Vlaams Belang kijkt niet toe. Wij kiezen ervoor om te voorkomen, want wij zijn en blijven de enige echte gezinspartij van dit land.

 

De voorzitter: Geen andere spreker mag het woord nemen.

Plus personne ne peut prendre la parole.

 

De stemming over het voorstel tot verwerping van dit voorstel zal later plaatsvinden.

Le vote sur la proposition de rejet de cette proposition aura lieu ultérieurement.

 

21 Wetsvoorstel betreffende de aanpassing van het statuut van mantelzorger en de flexibele opname van het mantelzorgverlof (300/1-11)

21 Proposition de loi modifiant le statut de l'aidant proche et concernant l'allongement et la flexibilisation du congé pour aidants proches (300/1-11)

 

Voorstel ingediend door:

Proposition déposée par:

Nahima Lanjri, Nathalie Muylle, Nawal Farih, Franky Demon, Isabelle Hansez, Anne Pirson, Florence Reuter, Anja Vanrobaeys.

 

Algemene bespreking

Discussion générale

 

De algemene bespreking is geopend.

La discussion générale est ouverte.

 

Voor de bespreking in commissie waren de verslaggevers de heer Vincent Van Quickenborne en mevrouw Eva Demesmaeker. Zij verwijzen naar het schriftelijk verslag.

 

Intussen heeft daarnet nog een zitting van de commissie plaatsgevonden. Le rapporteur est Mme Hansez.

 

21.01  Isabelle Hansez, rapporteur: Monsieur le président, en guise de rapport oral, je souhaite souligner que les amendements ont été adoptés en commission des Affaires sociales, de l'Emploi et des Pensions par quinze voix pour et une abstention du groupe politique Anders.

 

Ce vote est intervenu à l'issue d'un débat approfondi. La majorité a mis en avant les avancées concrètes apportées par les amendements en insistant sur les ajustements réalisés pour renforcer la cohérence du dispositif et corriger certains effets indésirables identifiés depuis l'adoption de notre réforme du chômage. Elle a souligné qu'il s'agissait d'améliorations substantielles permettant de mieux sécuriser les situations concernées et d'assurer une mise en œuvre plus équilibrée de la réforme en faveur des aidants proches.

 

L'opposition, pour sa part, a pointé du doigt ce qu'elle considère comme des anomalies subsistant au sein de la réforme du chômage, estimant que certaines difficultés structurelles ne seraient pas entièrement résolues par les amendements adoptés pour les aidants proches. Ces critiques ont nourri les échanges et ont permis un débat de fond sur l'articulation entre la réforme globale et les correctifs proposés.

 

Je tiens également à informer la plénière de la présence de M. le ministre Clarinval, ministre de l'Emploi et de l'Économie, qui a pris part aux travaux et répondu aux questions des différents parlementaires. Ses interventions ont apporté des clarifications sur l'intention du gouvernement, sur la portée des amendements et sur les modalités pratiques de leur mise en œuvre.

 

De voorzitter: Collega’s, met uw goedvinden geef ik in de algemene bespreking het woord eerst aan de initiatiefnemer. (Instemming)

 

21.02  Nahima Lanjri (cd&v):  Collega's, in ons land verlenen één miljoen Belgen op regelmatige basis mantelzorg aan een hulpbehoevende of zieke. Dat kan een partner, een ouder, een kind, maar soms ook een goede vriend zijn. Zij zijn de stille helden van onze samenleving. Mantelzorgers combineren zeer vaak hun dagelijkse job, soms voltijds, met de zorg voor een hulpbehoevende. Ongeacht met hoeveel liefde men dat doet, soms wordt het wat te veel en heeft men nood aan een beter evenwicht tussen het werk en de zorg voor de naaste. Dan kan men gelukkig zorgverlof opnemen. Momenteel combineren in ons land ongeveer 22.000 mantelzorgers hun werk met een of andere vorm van zorgverlof, mantelzorgverlof of verlof om medische bijstand.

 

Cd&v pleit reeds lange tijd voor veel meer erkenning en ondersteuning van de inzet van mantelzorgers. Gelukkig werd in 2020 met de creatie van het statuut van mantelzorger de eerste stap gezet. Sindsdien kan men gedurende een volledige loopbaan zes maanden mantelzorgverlof opnemen. Tijdens dat verlof heeft men recht op een uitkering van de RVA, met name 932 euro voor samenwonenden en bijna 1.600 euro voor alleenstaanden met kinderen. Die verlofperiode telt gelukkig ook mee voor het pensioen, want dat is iets waar zeer veel mensen zich zorgen over maken.

 

Toch merkten we in de praktijk dat te veel mensen botsten op de veel te rigide regels rond het opnemen van mantelzorgverlof. Zij kunnen daardoor hun inzet en engagement niet altijd realiseren, omdat het niet altijd op maat is. Daarom willen we met het wetsvoorstel, dat we trouwens ook al in de vorige legislatuur hadden ingediend, aanpassingen doorvoeren zodat er meer flexibiliteit komt en het mantelzorgverlof kan worden aangepast aan de realiteit van vandaag.

 

Ons voorstel werd daarnet in de commissie unaniem goedgekeurd, dus door meerderheid en oppositie. Als het voorstel straks ook plenair wordt goedgekeurd, zal er meer flexibiliteit zijn voor mantelzorgers wanneer ze hun mantelzorgverlof opnemen, zal er minder administratieve rompslomp zijn en komen er meer mogelijkheden om mantelzorg op maat op te nemen, zodat de zorg voor een dierbare en werk goed gecombineerd kunnen worden.

 

Ik geef kort de veranderingen mee die we via dit wetsvoorstel, dat intussen ook gesteund wordt en mee ondertekend is door verschillende collega's van de meerderheid, zullen realiseren.

 

Ten eerste, vandaag heeft men recht op zes maanden mantelzorgverlof tijdens de carrière, maar per zorgbehoevende, als men bijvoorbeeld voor een zieke partner zorgt, kan men maximaal drie maanden opnemen. Aangezien de zieke partner misschien vier, vijf of zelfs de volledige zes maanden behoefte heeft aan zorg, hebben we dat aangepast in de wet, zodat het mogelijk wordt om de hele periode te benutten voor de persoon voor wie men dat wilt opnemen. Men kan die zes maanden opnemen voor zorg voor één persoon of, nog steeds, verdelen over zorg voor verschillende mensen.

 

Ten tweede willen we dat het systeem flexibeler wordt. Stel dat men mantelzorger is, maar dat de grootste zorg wordt opgenomen door een broer die voor de zieke moeder zorgt. Hij vraagt om te worden vervangen gedurende zijn vakantie, één of twee weken per jaar. We hebben het nu mogelijk gemaakt om mantelzorgverlof aan te vragen voor één week in plaats van voor een hele maand. Tot nog toe kon mantelzorg alleen in blokken van een maand worden aangevraagd. Wij stellen dat men het in blokken van een week moet kunnen opnemen. Ik denk trouwens dat ook de werkgevers daar achter zullen staan, omdat zij liever hebben dat men slechts een week mantelzorgverlof opneemt als men maar een week nodig heeft, en niet verplicht wordt om een volledige maand aan te vragen, zoals vandaag het geval is. Zo kan het verlof meer op maat worden opgenomen.

 

Vandaag kan de zes maanden mantelzorgverlof worden opgenomen voltijds, ofwel halftijds, ofwel voor één vijfde van een werkweek. Als het halftijds wordt opgenomen, is het logisch dat de periode van zes maanden verdubbelt tot een jaar. Bij één vijfde verlof heeft men echter geen recht op een verlengde periode, maar blijft dat beperkt tot één jaar. Met het wetsvoorstel dat we straks zullen goedkeuren, wordt het mogelijk om één vijfde mantelzorgverlof op te nemen gedurende dertig maanden in plaats van de huidige twaalf maanden. Dat is dus ook een verbetering.

 

Een andere belangrijke wijziging betreft personen die verblijven in een zorginstelling of woonzorgcentrum. Momenteel stopt het mantelzorgverlof wanneer de zorgbehoevende langer dan drie maanden voltijds in een instelling verblijft. Wij weten echter allemaal dat de zorg niet eindigt doordat iemand in bijvoorbeeld een zorginstelling is opgenomen. Als een dierbare, bijvoorbeeld een gehandicapte broer, immers één keer per week naar huis komt en daar hulp nodig heeft, moet het mogelijk blijven om mantelzorg te verlenen. Dat kan zowel op een weekdag als in het weekend gebeuren. De regeling wordt zo aangepast dat wanneer de zorgbehoevende minstens één keer per week of in totaal dertig dagen per jaar, bijvoorbeeld tijdens vakanties, naar huis komt, het recht op mantelzorg behouden blijft.

 

Tot slot willen we ervoor zorgen dat mantelzorgers, die al genoeg zorgen aan hun hoofd hebben, minder administratieve rompslomp ervaren bij de aanvraag van hun statuut. Vandaag verloopt de aanvraag via de mutualiteit en moet worden aangetoond dat men voldoende uren zorg verleent aan de hulpbehoevende, met erkenning slechts voor één jaar. In ons voorstel wordt de erkenning vanaf nu ineens voor twee jaar toegekend en kan ze nadien worden verlengd. De wet wordt bovendien zo aangepast dat lopende erkenningen automatisch worden verlengd na twee jaar.

 

Daarnet hebben wij op voorstel van mevrouw Reuter en van minister Clarinval met de meerderheid amendementen goedgekeurd. Ik zal daar heel kort over zijn omdat mevrouw Reuter daar zelf nog over zal spreken. Om een oplossing te bieden aan mantelzorgers die werkloos zijn of in de werkloosheid zitten, zorgen wij ervoor dat hun uitkering fors wordt opgetrokken. Dat was ook een vraag van de mantelzorgorganisaties, omdat die uitkering vandaag veel te laag was, waardoor mensen vaak geen vrijstelling vroegen van het zoeken naar werk. Ik laat de nadere toelichting echter over aan mevrouw Reuter.

 

Tot slot wil ik iedereen vanuit het diepste van mijn hart bedanken. Ik wil ook mevrouw Anne Pirson en mevrouw Isabelle Hansez bedanken, die het wetsvoorstel vanaf het begin hebben gesteund, het mee hebben ondertekend en mee hebben geijverd voor de nodige budgetten. Bovendien dank ik mevrouw Reuter en uiteraard ook het kabinet van minister Clarinval, die effectief hebben meegewerkt aan de verbetering van de teksten. Ik dank hen ook voor de oplossing die nu wordt geboden voor mensen die in de werkloosheid zitten. Mijn dank gaat uiteraard ook uit naar alle andere leden, zoals mevrouw Demesmaeker, mevrouw Vanrobaeys en mevrouw Muylle, mijn collega in de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen.

 

Onze dank gaat, wellicht namens iedereen, uiteraard ook uit naar alle mantelzorgorganisaties die al jarenlang ijveren voor een goed statuut voor mantelzorgers, die aan de alarmbel hebben getrokken en suggesties hebben gedaan. Ik zal ze niet allemaal overlopen. Wij kennen ze. Ik dank hen ook voor de steun die zij aan het wetsvoorstel hebben gegeven. Ik denk bijvoorbeeld aan OKRA, Samana, La Ligue des Familles, de Gezinsbond, Soraya, Steunpunt Mantelzorg, Aide en Proche en het Nationaal Intermutualistisch College. Zij stonden allemaal achter het voorstel en hebben suggesties ter verbetering gedaan die wij in het voorstel hebben verwerkt. Hen wil ik dus ook bedanken.

 

Last but not least gaat mijn oprechte dank uit naar de 1 miljoen mantelzorgers die zich dag in, dag uit inzetten voor iemand die kwetsbaar, ziek of zorgbehoevend is. Hun steun maakt elke dag het verschil voor die mensen. Wij moeten hen allemaal dankbaar zijn.

 

21.03  Eva Demesmaeker (N-VA): Dank u wel, mijnheer voorzitter. Ik houd het kort, want mijn collega heeft al heel veel mooie voordelen opgesomd.

 

Ik wil beginnen waar zij is geëindigd. We moeten dankbaar zijn voor alle mantelzorgers die heel veel doen voor de meest kwetsbaren en de ouderen in onze samenleving. Dat ontlast onze zorginstellingen ook op een bepaalde manier.

 

We zouden bijna vergeten dat er naast de werkloze mantelzorgers ook duizenden zijn mensen die elke dag gaan werken en zorg en werk combineren. Ook voor hen moeten we maatregelen nemen om de combinatie van zorg en werk nog makkelijker, eenvoudiger en flexibeler te maken. Het is goed dat er 1 miljoen euro is uitgetrokken om de combinatie van zorg en werk te vergemakkelijken. We danken de collega's voor dit initiatief.

 

We maken het mantelzorgen dus nog flexibeler. Het zal in kortere periodes kunnen worden opgesplitst. Dat is ook heel voordelig voor de werkgevers, want zo blijft de werkcontinuïteit verzekerd. Mantelzorgers kunnen op die manier verlof nemen en dat beter afstemmen op hun werksituatie, zonder onnodig lang afwezig te zijn.

 

De amendementen van de meerderheid geven uitvoering aan het recente akkoord van de regering om ook de werkloze mantelzorgers beter te beschermen. Het verheugt ons dat hier vandaag een voorstel ter stemming voorligt dat zowel de bescherming van werkende als werkloze mantelzorgers versterkt.

 

Tot daar mijn bijdrage. Ik laat de collega's de mooie voordelen nog verder toelichten.

 

21.04  Florence Reuter (MR): Monsieur le président, chers collègues, le gouvernement s'y était engagé et nous l'avons soutenu parce qu'il fallait une solution rapide avant le 1er mars 2026, pour ne pas mettre les aidants proches en grande difficultés. Mais, surtout, il fallait une solution intermédiaire, afin de se donner le temps de proposer un statut solide et pérenne qui tienne compte des mesures déjà existantes pour les aidants proches, que ce soit au Nord ou au Sud du pays.

 

Depuis la mise en œuvre de la réforme et de la limitation dans le temps du chômage, nous avons défendu le fait que la situation spécifique des aidants proches n'avait rien à voir avec celle d'un chômeur de longue durée. S'ils y sont aujourd'hui, c'est par défaut, faute de mesures adaptées. Ces aidants proches sont des parents, des frères, des sœurs, des époux qui doivent s'occuper d'un membre de leur famille, d'un parent malade ou d'un enfant handicapé.

Ils s'en occupent à plein temps ou à temps partiel, soit par choix, soit par manque de place en institution.

 

Le chômage, je tiens à le répéter, n'est pas le bon dispositif. Ce n'est pas le bon véhicule pour leur venir en aide. Ils ne sont pas demandeurs d'emploi, puisqu'ils s'occupent de leurs proches fragilisés. D'ailleurs, dans certains pays, comme en Finlande, ils sont considérés comme des travailleurs sociaux et ont un statut équivalent. Il était donc essentiel de les sortir du système du chômage.

 

Voici quelques semaines, le gouvernement s'est mis d'accord pour rendre possible une prolongation de dispense, parce qu'il était urgent – je pense que le ministre Clarinval l'a suffisamment répété – d'apaiser ces aidants proches qui, aujourd'hui, vivent sous la menace d'une perte de revenus. Il est important qu'ils sachent clairement à quel soutien ils ont droit.

 

Il était donc de notre devoir de traduire dans la loi cet accord pour qu'il entre en vigueur dès le 1er mars 2026.

Nous avons choisi d'amender la proposition déjà votée concernant le congé aidants proches de Mme Lanjri, afin de pouvoir voter le tout aujourd'hui, dans les temps, et de pouvoir enfin rassurer tout le monde. C'était le moyen le plus efficace pour apporter une solution immédiate et concrète à cette situation.

 

Quel est le contenu de ces amendements? Premièrement, porter le montant de l'indemnité liée à la dispense de disponibilité pour les aidants proches au montant de l'allocation de chômage d'un cohabitant dans sa dernière phase, soit un peu plus de 745 euros par mois.

 

De la même manière, les allocations d'insertion pour les jeunes en dispense sont rehaussées pour atteindre un montant de 647 euros par mois. J'insiste sur le fait qu'il s'agit des montants indexés. L'objectif est de répondre à une préoccupation qui est légitime des chômeurs aidants proches et en particulier des cohabitants, pour qui le montant de l'allocation liée à la dispense était bien évidemment trop faible. Les montants mensuels bruts ne dépassaient pas 390 euros. C'était un héritage du passé, et nous y remédions.

 

Troisièmement, pour que les choses soient bien claires, nous élargissons et nous clarifions les critères de dispense, en y ajoutant de manière explicite le critère "soins apportés à une personne par un aidant proche reconnu". Il s'agit donc des personnes reconnues par la mutualité comme aidants proches pour l'octroi de droits sociaux.

 

Et enfin, nous apportons la souplesse nécessaire au vu de l'urgence pour ne laisser personne dans la précarité, et nous ajoutons une période transitoire dans les délais d'introduction des demandes. Cela signifie que les personnes qui ont déjà perdu leur allocation de chômage au 1er janvier dernier pourront également introduire leur demande de dispense avec un effet rétroactif, et ce, jusqu'au 31 mars. Ils ont donc jusqu'au 31 mars pour demander leur dispense.

 

Alors j'en arrive aux éléments concernant le congé aidant proche, à l'origine de la proposition de loi initiée par Nahima Lanjri, que je remercie déjà. Nous avons amélioré ce congé afin d'apporter un soutien supplémentaire aux aidants proches qui continuent à travailler, parce qu'évidemment être aidant proche, c'est aussi pouvoir – et c'est important de le rappeler – continuer à travailler. Travailler est essentiel pour la plupart d'entre eux, cela leur permet de tenir le coup, de garder un lien social, de ne pas s'enfermer dans l'isolement. La loi de 2014 permettait de définir les soins de proximité et de fixer les conditions de reconnaissance, mais était insuffisante au vu des besoins de soins et d'assistance qui augmentent dans toutes les tranches d'âge et qui ne vont cesser d'augmenter avec le vieillissement de la population.

 

La reconnaissance formelle de l'aidant proche avait donc déjà été adaptée en 2019. La loi ne concernait plus uniquement les aidants proches de personnes en situation de grande dépendance, et elle prévoyait également des droits sociaux. Aujourd'hui, comme Mme Lanjri l'a expliqué, nous y apportons de nouvelles améliorations. La reconnaissance du statut d'aidant proche est allongée à deux ans, ce qui clarifie et simplifie leur vie. La possibilité de fractionner le congé en semaines, avec l'accord de l'employeur, a été prévue afin de leur offrir plus de liberté et de flexibilité. Jusqu'ici, ce congé ne pouvait se prendre que par bloc d'un mois. C'était donc compliqué à gérer.

 

La possibilité de poursuivre le congé aidant proche, même si la personne qui a besoin d'aide séjourne dans une structure résidentielle. Il est évident que si elle rentre à la maison, il faut aussi pouvoir s'en occuper. Même si la personne est en institution, il faut prendre des rendez-vous, apporter des soins, organiser tout simplement les choses et cela nécessite aussi de pouvoir organiser ce congé.

 

Enfin, le texte harmonise la durée du congé. Si le congé est pris à mi-temps, la durée totale possible est doublée. Même chose si c'est 1/5 temps, c'est multiplié par cinq. Ce principe de proportionnalité s'aligne sur le dispositif du congé parental.

 

Toutes ces mesures résultent donc d'un équilibre juste entre besoins sociétaux évidents, mais aussi responsabilités budgétaires entre les chômeurs disponibles sur le marché de l'emploi et ceux qui ne le sont pas, et enfin entre les aidants proches qui travaillent et ceux qui sont aujourd'hui obligés de dépendre du chômage.

 

Chers collègues, la majorité et le ministre de l'Emploi se sont fait injurier, qualifier d'inhumains, parce que la situation des aidants proches n'était – à en entendre certains – pas prise en considération. Mais bien sûr qu'elle l'était, et ce depuis le début. Bien sûr qu'elle nous préoccupe et que c'était une priorité. Mais il fallait trouver la meilleure solution. Ce n'est pas un combat particratique, c'est un combat humain. C'est un enjeu de société. Nous avons tous des familles, des enfants, des proches qui demain peuvent être fragilisés. Personne n'est à l'abri. Il est de notre devoir d'agir en conséquence. Je regrette que ce combat si important ait pris la tournure d'un combat opposition contre majorité. Il n'est pas question pour nous d'utiliser les situations fragiles pour en faire de l'émotionnel. Nous entendons effectuer notre travail, être à l'écoute et trouver des solutions.

 

21.05  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): J'ai plusieurs questions, madame Reuter, par rapport aux affirmations que vous venez de faire. Dans quelle mesure est-ce que les besoins des aidants proches ont été pris en compte dans la réforme du chômage votée à la mi-juillet 2025? Par qui ont été votés tous les amendements que vous avez déposés aujourd'hui in extremis à trois jours de l'exclusion des aidants proches que vous prétendez défendre? Qui a voté et qui a rejeté les amendements que nous avons déposés pour améliorer les propositions que vous avez mises sur la table? Je vous en prie.

 

21.06  Florence Reuter (MR): Madame Schlitz, c'est assez simple. Je l'ai dit et répété et je pense l'avoir dit dans toutes les langues, le dispositif de chômage n'est pas le bon. Vous mélangez la réforme du chômage avec le statut des aidants proches. Comme je l'ai dit, c'était une erreur de leur permettre d'être au chômage. Ce n'est pas le bon dispositif; il faut une situation transitoire.

 

Pour le reste, vous avez voté nos amendements, parce qu'il faut une solution avant le 1er mars. Nous apportons la solution, comme nous nous y étions engagés. Si l'on veut soutenir les aidants proches et que vous vouliez les aider en apportant une solution avant le 1er mars, il est normal de voter les amendements de la majorité. Cela me paraît plein de bon sens. Le chômage n'est pas le bon dispositif pour leur venir en aide. Comme je l'ai indiqué dans mon introduction, il en faut un qui tienne compte des spécificités et des législations régionales. Ce n'est pas le cas pour le moment. Il faut un mécanisme général qui soit susceptible de répondre à la situation particulière de ces personnes qui n'ont rien à faire au chômage. Si vous aviez écouté un tant soit peu le début de mon intervention, j'y rappelais qu'elles ne travaillent pas parce qu'elles s'occupent de leurs proches fragilisés. Elles ne sont pas demandeurs d'emploi. Avec le gouvernement, nous avons trouvé une solution transitoire qui permette d'allonger la dispense d'un an. Pour ce faire, il faut un véritable statut pour ces aidants proches. Nous sommes tous d'accord sur ce constat. Nous n'allons pas recommencer le débat que nous avons eu en commission!

 

21.07  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame Reuter, bien sûr que nous allons recommencer le débat, puisque nous sommes ici pour débattre. Donc, cela tombe bien! C'est précisément le moment du débat.

 

Madame Reuter, il est évident qu'il faut un statut pour les aidants proches. Cela fait quinze ans que nous le disons! Depuis combien de temps le MR siège-t-il au gouvernement fédéral? Je vais répondre à votre place, puisque vous ne répondez pas à mes questions: cela fait vingt-sept ans, sans discontinuer!  Où sont les propositions du MR pour un statut d'aidant proche? De façon amusante, j'ai relevé dans un article rédigé par Didier Swysen dans Sud Presse une interview du ministre Clarinval. Il y parle du soutien qu'il apporte à une proposition de loi de Mme Taton. Où est ce texte? Il n'existe pas sur le site de la Chambre. À ce jour, le MR n'a introduit aucune proposition de loi en vue d'offrir un statut aux aidants proches. Il n'y a aucun texte! Donc, les solutions que vous appelez de vos vœux n'existent pas, car vous ne les avez pas déposées.

 

Ensuite, évidemment qu'il fallait une solution au moment de la réforme du chômage! Pourquoi n'avoir pas couplé les deux? Cela n'a pas été fait. Vous avez attendu la dernière limite, c'est-à-dire trois jours avant l'exclusion, ce dimanche, pour amener une solution temporaire, qui va faire perdre de l'argent aux aidants proches.

 

Les personnes qui aujourd'hui bénéficient du chômage avec une allocation d’isolé, d'environ 1 700 euros par mois – imaginons un cas de figure –, en se déclarant dans le cadre du système que vous mettez en place, vont gagner tout au plus 740 euros par mois. Elles seront incitées…

 

En effet, la place d'un aidant proche n'est pas au chômage. Mais vous, vous considérez que sa place est au CPAS! Est-ce cela que vous êtes en train de leur dire? C'est ce que le ministre Clarinval vient de nous dire en commission! Il a dit que "les personnes qui n'auront pas de revenus suffisants peuvent aller au CPAS". C'est le chemin que vous leur indiquez implicitement, étant donné que les montants qu'elles pourront gagner en se tournant vers le CPAS seront en effet supérieurs à ce qui leur est proposé aujourd'hui.

 

C’est donc un piège que vous leur tendez, et vous ne proposez toujours pas ce statut, madame Reuter.

 

21.08  Denis Ducarme (MR): Je suis un peu surpris, parce que nous venons d'avoir deux heures et quart de débats d'excellente tenue en commission des Affaires sociales. C'était un débat très calme, et fait assez rare tout de même, qui a abouti à un vote quasi unanime sur la proposition de Mme Lanjri, amendée par les amendements proposés par Mme Reuter.

 

Madame Schlitz, je ne vais pas du tout prendre la même tonalité que vous. Je vais simplement vous remercier, vous et l'ensemble de l'opposition, de faire confiance à la majorité dans le cadre de cet ajustement qui nous permet de rencontrer une exigence importante. Il s'agit de problèmes humains parfois très profonds, que nous estimons avoir rencontrés aujourd'hui.

 

Je ne comprends pas la différence de tonalité entre le débat que nous venons d'avoir – ce n'était pas il y a une semaine ou 15 jours, c'était il y a une demi-heure – avec vous, le Parti Socialiste, toute l’opposition pour ainsi dire, qui vote nos textes, et ce débat qui, bizarrement, évolue un peu dans la confrontation, alors que vous avez soutenu nos amendements.

 

Merci encore pour la confiance. J'espère que cela se reproduira sur un certain nombre d'autres dossiers. Nous avons trouvé une solution.

 

Je dois vous avouer que nous avons mangé notre pain noir sur la question des aidants proches. Madame Schlitz, je ne parle pas nécessairement de vous, mais la manière dont nous avons été traités sur ce dossier – caricaturés presque comme des brutes sur cette question – a été loin.

 

Je pense que le ministre qui nous a rejoints en commission a également démontré sa volonté de jeter des ponts. Si nous n’avions pas tendu la main à l’opposition, madame Schlitz, vous n’auriez pas voté le texte. Vous n’allez pas soutenir une proposition en commission et voter différemment en plénière. Vous n’allez pas adopter une attitude en commission et une autre en plénière. Ce serait tout à fait incohérent et cela ne vous ressemblerait pas.

 

Président: Daniel Bacquelaine, doyen d'âge.

Voorzitter: Daniel Bacquelaine, oudste lid in jaren.

 

21.09  François De Smet (DéFI): Monsieur Ducarme, madame Reuter, chers collègues, je n’étais pas en commission parce que je suis l’unique membre de mon groupe et je devais être ici au même moment. Je n’ai malheureusement pas le don d’ubiquité. Je dis tout de suite que je soutiendrai le texte.

 

Cependant, quand je vous entends, j'aimerais amener la majorité et le MR à un peu plus d’humilité. Il n’est pas normal, dans une démocratie mature, de colmater les brèches de l’Arizona à trois jours d’une échéance aussi majeure. Nous sommes dans cette situation parce que l’Arizona et le MR voulaient leur guerre culturelle sur la réforme du chômage. Vous vouliez que cela aille extrêmement vite.

 

Malgré les avertissements de l’opposition et de la société civile concernant les ALE et les aidants proches, vous avez décidé de foncer pour voir ensuite ce qui adviendrait. C’est typique de l’Arizona: "On tire d’abord et on discute après."

 

Pour résumer, il faut approuver ce texte. Vous aurez le soutien de DéFI, de l’opposition, mais vous ne pouvez tout de même pas vous attendre à nos félicitations. Cela, ce n’est pas possible.

 

21.10  Florence Reuter (MR): Je tiens à préciser que le texte de Mme Taton est bien déposé. Je ne sais pas s'il est à la traduction ou s'il est déjà disponible mais il est en tout cas déposé.

 

Pour le reste, je n'ai pas demandé et je pense que personne n'a demandé de félicitations, monsieur De Smet. En fait, j'ai eu le malheur de dire ce que je pense profondément et ce que vous êtes en train de démontrer. C'est que, comme par hasard et comme l'a très bien dit le président de la commission, en commission tout était effectivement, calme, apaisé et serein. Tout a été voté sans aucune discussion en tout cas agressive. Et puis là, j'ai le malheur, dans mon intervention, de dire que je regrette que ce sujet si grave ait pris une tournure particratique pour, ah, ouh!, en séance plénière, on dise " Oui, c'est vous …"

 

Mais enfin, qui a vécu les injures sur le fait qu'on était inhumain, qu'on ne s'occupait pas des aidants proches? M. Clarinval sûrement, mais l'ensemble de la majorité en tout cas. Alors, la solution arrive juste à temps, solution certes transitoire, je l'ai dit et je le répète, mais elle arrive juste à temps. C'était une question de confiance.

 

Et qu'est-ce qui se fait là maintenant? On refait en séance plénière le débat qui a été fait en commission pour se faire mousser un tout petit peu. J'entends "faites preuve d'humilité". À quel moment, n'ai-je pas fait preuve d'humilité? J'explique simplement qu'une solution est arrivée, qu'elle est arrivée dans les temps et que je regrette effectivement qu'un sujet aussi important soit récupéré par l'émotionnel. C'est tout! C'est tout ce que j'ai dit.

 

Vous voulez refaire ici le débat. Je pense que le débat a été fait et les explications données. Vous avez voté les amendements. Merci! Merci non pas pour nous, pour la majorité, mais merci pour les aidants proches. C'est tout ce que j'ai à dire. Je n'ai pas à refaire le débat qui a été fait en commission. Le ministre a répondu dans les détails à chacune des questions précises qui lui avaient été adressées.

 

Alors, si vous voulez faire de la "com", faites-la! Allez-y! Je vous écoute mais ne me demandez pas de refaire le débat qui vient d'être fait et qui a été fait pendant plusieurs mois.

 

21.11  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Madame Reuter, je suis contente de vous entendre et de vous voir à la tribune. Aujourd'hui, nous avons reçu des amendements de l'Arizona qui, – selon mon interprétation – sous pression des associations qui ont tiré la sonnette d'alarme il y a plusieurs semaines, vont apporter une certaine avancée par rapport à la situation existante. Nous allons donc soutenir ces amendements.

 

Nous sommes ici au Parlement, où, par définition, nous débattons de choses concrètes pour améliorer la situation de la population belge et nous débattons d'idées et de visions de la société qui sont différentes, puisque la démocratie veut qu'il y ait ici divers partis. Le fait qu'on en ait débattu en commission n'enlève en rien la possibilité que des députés réagissent quand vous donnez des explications en plénière, car il y a des choses avec lesquelles nous ne sommes pas d'accord. Votre narratif autour de votre approche des aidants proches est différent du nôtre, et nous avons le droit de défendre notre narratif ici. Cela s'appelle le débat d'idées.

 

Un débat peut bien se passer en commission et prendre une autre tournure en plénière. Rien ne l'interdit. De plus, ce n'est pas le cas. Je ne vois pas une énorme différence entre les deux débats. On peut peut-être parler plus calmement, ou être plus énervé, mais les contradictions sont là. Je peux vous le dire avec un grand sourire, madame Reuter, cela n'enlève rien au fait que vous défendez votre vision libérale, en tant que femme. Je pense que nous pouvons toutes les deux dire que nous sommes féministes.

 

Quand bien même nous serions toutes les deux des féministes, nous ne défendons pas les mêmes femmes dans cette société.

 

Aujourd’hui, une maman solo qui a trois enfants, dont l’un présente un handicap sévère, et qui est obligée – parce que la société ne répond pas à ce problème – de sacrifier sa vie professionnelle, sa vie privée, sa vie affective, et qui, parce qu’aujourd’hui l’héritage – disons-le car cela remonte à longtemps –  fait qu’une aidante proche, reconnue comme telle et ne travaillant pas, recevait 390 euros.

 

N’ayant pas les chiffres exacts, je ne vais pas m’aventurer, mais je peux vous dire que ces aidants proches, qui ne sont pas en capacité de travailler et qui sont reconnus comme tels, reçoivent 390 euros par mois. Cela ne représente même pas la moitié de nos frais de transport. Voilà la réalité!

 

Nous pouvons donc imaginer que beaucoup de femmes n’ont pas demandé cette reconnaissance. Qu’auraientelles mangé à midi? Comment auraientelles payé? Beaucoup de choses sont encore prises en charge par la sécurité sociale dans notre pays, et cest une bonne chose. Il faudra se battre pour que cela reste ainsi. Mais combien dactivités, en plus de ce qui est remboursé, doiventelles organiser pour leurs enfants? Et avec quoi sontelles censées payer tout cela?

 

Je vous répète que nous allons soutenir vos amendements. Mais la réalité aujourd’hui, est qu’une femme, cheffe de famille, qui touche 1 700 euros d’allocation de chômage, doit élever seule trois enfants, dont l’un est atteint d’un handicap lourd. Avec votre avancée, après avoir introduit une demande, elle sera reconnue sur la base des critères – y compris les nouveaux que vous avez ajoutés – et n'aura que 746 euros par mois.

 

 Nous vivons dans l’un des pays les plus riches au monde. La part du gâteau issue de la richesse produite continue pourtant de glisser du travail vers le capital, avec des transferts de milliards. Vous aurez beau défendre une vision libérale, vous serez d’accord qu’une société doit répartir les richesses en fonction de ce qui a été produit. Vous avez, certes, une autre idée de qui doit en bénéficier.

 

Dans cette situation, comment imaginezvous que cette femme va réagir? Madame Reuter, avezvous une idée de ce quune femme peut faire lorsquelle se retrouve dans une telle situation? Sans tomber dans l’émotionnel, nous devons tout mettre en œuvre pour que nos enfants puissent vivre dignement.

 

Quelle est votre solution à cet égard? Nous n’y sommes pas. Nous n’y sommes pas avec les amendements que vous avez déposés et que nous allons malgré tout soutenir.

 

21.12  Paul Magnette (PS): Madame Reuter, ce qui fait monter la température du débat ici, ce n’est pas le fait que nous ayons déjà eu un débat et que nous revenions en séance plénière. Je ne siège pas en commission, mais je suis député comme les autres, je suis ici en plénière, et il est normal que le débat ait lieu.

 

Ce qui est terrifiant lorsque l’on vous écoute, c’est que vous réécrivez complètement l’histoire. Vous arrivez triomphante, comme si vous aviez trouvé la solution à un problème tombé du ciel. Or vous réécrivez les faits. La vérité, c’est que votre gouvernement a décidé, de manière absolument brutale, de sanctionner des dizaines de milliers de personnes sans examiner si ces personnes font des efforts, si elles rencontrent des difficultés ou non. Ensuite, vous découvrez les conséquences de vos actes, parce que nous faisons le travail d’opposition. Nous vous expliquons les conséquences de vos décisions.

 

Nous vous avons expliqué qu’il y avait des personnes qui suivaient des formations pour trouver un emploi, parce qu’elles en cherchent un, et vous avez été obligés de reculer. Nous vous avons expliqué qu’il y avait des artistes qui risquaient de perdre leur statut, que nous avions construit ensemble sous le gouvernement précédent, et vous avez été obligés de reculer. Nous vous avons expliqué qu’il y avait des personnes qui travaillaient à temps partiel, non par choix, et qu’avec ce temps partiel elles n’arrivaient pas à vivre; mais recevaient un petit complément de chômage grâce à lui, et vous avez été obligés de reculer.

 

Ici encore, c’est la même chose. Soit vous n’êtes pas conscients des conséquences des actes que vous posez, et c’est extrêmement grave; soit vous en êtes conscients, vous laissez faire ce carnage et vous attendez que la société réagisse. Il faut que la société se mobilise pour que vous bougiez enfin. Les gens, en effet, ne se laissent pas faire. Les aidants proches ont découvert qu’ils allaient tomber dans une situation dramatique, qu’ils allaient perdre la moitié, voire la totalité de revenus très modestes grâce auxquels ils parviennent à survivre et à s’occuper de personnes en très grande difficulté sociale.

 

S’il n’y avait pas eu la réaction des personnes concernées, s’il n’y avait pas eu la réaction de la société civile et le travail de l’opposition, vous n’auriez rien fait. Voilà la vérité. Vous n’auriez absolument rien changé. Vous avez réagi parce que vous vous êtes aperçus que cela provoquait de l’émotion dans la société. Il est normal que cela suscite de l’émotion. Il s’agit de personnes qui ont déjà une vie extrêmement vulnérable, tant dans leur statut que dans leur vie personnelle et intime, et que vous plongez dans une angoisse absolue.

 

Soudain, vous dites que c’est très grave et qu’il faut réagir. Si vous réagissez aujourd’hui, c’est parce que nous avons fait le travail. Vous venez avec une solution qui n’est, en outre, qu’une demi-solution. La seule chose que nous vous demandons, sincèrement, tient en deux points.

 

Premièrement, vous avez remercié l’opposition. C’est la moindre des choses. C’est grâce à nous que vous corrigez une injustice dramatique provoquée par votre réforme, parce que vous n’en avez pas mesuré les conséquences.

 

Deuxièmement, nous vous demandons de poursuivre le travail, parce que, comme cela vient d’être très bien dit, pour beaucoup de personnes, ceci n’est pas une solution. Il y a encore des milliers de familles – nous ne savons même pas combien, vous n’êtes pas en mesure de nous indiquer combien de personnes sont concernées – où des pères ou des mères, seuls avec leurs enfants, vont perdre la moitié de leur revenu et ne savent pas comment ils paieront demain leur loyer ou leur facture de chauffage. Voilà ce que vous avez provoqué et voilà ce que nous essayons de corriger.

 

Par conséquent, oui, nous voterons cet amendement, non pas de gaieté de cœur, mais parce que nous pensons d’abord aux gens et que nous voulons une solution immédiate et urgente pour des personnes qui se trouvent dans une situation absolument dramatique. Toutefois, croyez-moi, nous poursuivrons aussi le combat pour que ces personnes disposent d’un véritable statut, de vrais droits et d’un véritable revenu pour pouvoir vivre dignement.

 

21.13  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Je vais laisser Mme Reuter poursuivre. Nous sommes déjà largement intervenus.

 

J’espère que la suite de son intervention pourra s’inscrire dans une dynamique plus humble et plus constructive que ce que nous avons entendu jusqu’à présent. Merci.

 

21.14  Nahima Lanjri (cd&v): Mijnheer Magnette, u hebt gevraagd de oppositie te bedanken. Ik heb geen schroom de oppositie effectief te bedanken omdat ze het mogelijk heeft gemaakt vandaag een bijkomende oplossing te vinden voor de mensen in de werkloosheid. Het is waar dat doordat de oppositie in de Conferentie van voorzitters akkoord ging dit thema bij hoogdringendheid te behandelen dat we vandaag een commissievergadering konden houden, waar er een goed debat was, zoals de voorzitter al zei, en we vastgesteld hebben dat we het over een aantal punten eens zijn. We vinden allemaal dat we het moeten doen voor de mensen die het nodig hebben dat er stappen vooruit gezet worden.

 

De oppositie is het er ook mee eens dat we een aantal stappen vooruit zetten. Niemand hier heeft beweerd dat daardoor alle problemen van de wereld nu opgelost zijn of dat geen enkele mantelzorger niet nog een of andere nood heeft. Dat hebben we niet beweerd. Ik meen dat het belangrijk is dat we vandaag deze eerste stappen zetten en dat we dat doen op een serene manier. Uiteraard moeten we verder blijven werken. We zetelen in een Parlement. Laat daar verschillende meningen zijn. Laat daar voorstellen uit groeien. Dan kunnen we daarover debatteren. Dan kunnen we ook zien welke volgende stappen gezet moeten worden.

 

Ook de collega’s van de oppositie hebben daarstraks gezegd dat de mantelzorgers an sich niet thuishoren in de werkloosheid en dat er een oplossing moet komen. Er is een statuut voor mantelzorgers. Dat bestaat al sinds 2020. Er is nood aan een verdere invulling van dat statuut. Ook de regio’s zullen daar een belangrijke rol in moeten spelen. Dat heb ik daarstraks al gezegd. Ze moeten ervoor zorgen dat er voor mensen die een gehandicapt kind hebben of een zieke, opvang is en dat er hulp mogelijk is.

 

Dat blijft vandaag nog vaak onderbelicht. Maar dat debat moet ook gevoerd worden in de andere parlementen. Wij zullen van onze kant alvast onze collega’s in het Vlaams Parlement daartoe oproepen. Ik roep ook u op hetzelfde te doen in de andere parlementen. Er moet immers op alle niveaus gewerkt worden.

 

En dan heb ik het nog niet over de gemeenten, die ook mantelzorgers kunnen ondersteunen. Sommige gemeenten doen dat trouwens schitterend. Laten we dus de stappen die nog nodig zijn ook zetten. Laten we vandaag proberen een sereen debat te voeren. Ik meen dat niemand thuis er baat bij heeft ons te zien kibbelen. Ik meen dat we vooral moeten durven zien waarover we het eens zijn. Ik ben blij dat we zowel wat de werkenden als wat de werklozen betreft, eensgezind gestemd hebben. Daarover zijn we het alvast eens.

 

Voor de rest zijn er inderdaad zaken waarover we van mening verschillen. Dat is nu eenmaal eigen aan een democratie. Laat die meningen er ook zijn. Laten we er in de toekomst nog verder over debatteren. Laten we nog verdere voorstellen uitwerken en bekijken hoe we een en ander nog kunnen aanpakken.

 

21.15  Anne Pirson (Les Engagés): En entendant l'opposition, je souhaite rappeler que, non, l'Arizona ne découvre pas les aidants proches aujourd'hui, et encore moins Les Engagés. Il suffit de vous référer à l'accord de gouvernement, dont je me permets de lire un extrait: "Les aidants proches jouent un rôle très important. Il faut mieux les soutenir et renforcer leur statut et leurs droits." Si on n'avait pas écrit cela dans l'accord de gouvernement, c'est qu'on pensait que tout allait bien pour les aidants proches. Non, nous sommes bien conscients qu'il faut améliorer les choses pour les aidants proches. Aujourd'hui, au sein de l'Arizona, les portes sont ouvertes pour avancer. Ce n'est qu'un étape, nous allons continuer à travailler. Dire que la majorité découvre aujourd'hui le problème et réagit seulement parce que l'opposition pointe le problème du doigt, est absolument faux. Nous sommes bien conscients depuis le début du fait que les aidants proches sont en difficulté et que nous ne pouvons pas les laisser dans cette situation.

 

21.16  Axel Ronse (N-VA): Mijnheer Magnette, ik ben echt gechoqueerd. U hebt tientallen jaren lang niet omgekeken naar werklozen. U hebt tientallen jaren lang mensen gewoon op inactiviteit gezet, niet naar hen gekeken en hen niet gevraagd wie ze zijn, wat ze kunnen en wat ze willen doen.

 

Het is Arizona, met de moed van Les Engagés, MR, Vooruit, cd&v en N-VA, dat met die mensen aan de slag gaat. Het is door u er tientallen jaren lang niet eens om te bekommeren dat we nu ontdekken dat er daaronder mensen zitten met bepaalde noden die daar niet thuishoren. Het is daardoor dat we de poorten, de ramen en de deuren moeten openzetten en het PS-stof eruit moeten krijgen.

 

Ik ben geschokt dat net u ons dat durft te verwijten. Ik hoop echt dat u op dat vlak tot inzicht komt. Het is door tientallen jaren lang de mensen verslaafd te houden aan uitkeringen dat u in de situatie verzeild bent geraakt waarin u zich nu bevindt en waar u niet eens weet wie er in die groep zit. Monsieur Magnette, vous devriez avoir honte.

 

21.17  Sophie Thémont (PS): Madame Pirson, vous nous lisez un extrait de l'accord de gouvernement sur les aidants proches. Je connais la position des Engagés. Mais pourquoi – quand vous avez décidé de faire cette réforme du chômage – avez-vous mis tout le monde dans le même panier? Je l'ai dit tout à l'heure en commission. Vous avez pris tout le monde, vous n'avez pas différencié et au fur et à mesure du temps, vous avez découvert qu'il y avait un problème avec les aidants proches alors que c'est dans l'accord de gouvernement. Il fallait y penser au début!

 

Nous soutiendrons aussi les amendements, parce c'est une toute petite avancée, une mini-solution aujourd'hui pour les aidants proches qui sont au chômage. Mais, en réalité, il reste toute une série d'injustices pour toute une série de personnes. J'ai posé la question en commission tout à l'heure, pour connaître le nombre de familles monoparentales, de mamans solos qui allaient perdre 1 000 euros de revenus. Que m'a répondu le ministre – et heureusement qu'il était là? Qu'il n'avait pas les chiffres à ce sujet. Qu'allez-vous faire avec toutes ces personnes qu'on ne sait pas identifier? J'ai d'ailleurs suggéré que vous envoyiez un courrier explicatif à toutes les personnes ayant droit au chômage puisqu'on ne sait pas identifier les aidants proches aujourd'hui – ce qui est gravissime! Toute une série de personnes vont se retrouver sur le carreau, puisque le ministre a expliqué qu'il laisserait une petite souplesse après le 31 mars après avoir sollicité son administration.

 

Vous imaginez un aidant proche d'un enfant atteint d'un handicap, qui va devoir se rendre à l'ONEM, à la mutuelle, faire toute une série de démarches administratives et nous sommes bientôt au premier mars. Ils ont jusqu'au 31 mars et on ne sait pas les identifier.

 

Personnellement, je trouve qu'avant de mettre tout le monde dans le même panier avec cette réforme du chômage, vous auriez pu, puisque vous êtes au gouvernement, dire: "Mais écoutez, dans l'accord de gouvernement, il y a une ligne qui parle des aidants proches! Mettons-nous autour de la table et discutons." Ici, tout le monde réagit encore une fois parce que nous, l'opposition, avons mis la pression – je rappelle les débats en plénière et en commission – et vous avez également eu celle de l'ASBL Aidants Proches et de la Ligue des familles, ce qui a aussi pu faire bouger un peu les lignes.

 

Ayez tout de même un peu d'humilité sur le sujet.

 

21.18  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Collega’s, ik sluit mij aan bij de oproep van mevrouw Lanjri van daarnet. We zitten hier inderdaad te kibbelen, terwijl het wel gaat over mantelzorgers. Ik heb er geen enkel probleem mee dat elk zijn mening geeft over de voorgestelde maatregelen, maar uit respect voor de mantelzorgers vind ik dat we het debat daartoe moeten beperken, mijnheer Ronse. Het gaat immers om mensen die dag en nacht voor hun naasten zorgen. Zij hebben zelfs geen tijd om het lange debat hier te volgen. Zij zijn bezig met verzorgen.

 

Daarom bedank ik ook, zoals in commissie daarstraks, uitdrukkelijk de oppositie en ik meen dat oprecht. Doordat zij met de procedure instemde, konden we inderdaad een akkoord tot stand brengen. Is het de ideale oplossing? Dat heb ik nooit beweerd. De collega’s hebben dat evenmin beweerd. Het is in ieder geval wel een stap vooruit voor zowel de mantelzorgers die werken, als degenen die werkloos zijn.

 

Zijn er nog verbeteringen nodig? Ongetwijfeld, maar onderhavig voorstel is hetgeen waarover we het nu eens zijn en ik hoop dat we op basis daarvan stappen vooruit zetten en vooral dat we een sereen debat kunnen voeren, uit respect voor al het werk dat mantelzorgers verrichten.

 

21.19  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Madame Pirson, je voudrais aussi réagir à votre intervention. Je ne sais pas très bien si je dois vous dire que je vous comprends ou que j'ai de l'empathie, voire ni l'un ni l'autre. Je n'en sais rien. En tout cas, je sais qu'avec votre parti, vous connaissez la situation des aidants proches et que ce thème figurait aussi dans votre programme. Vous rappelez qu'il figurait dans l'accord de gouvernement, que vous avez même relu. Vous avez bien fait, parce que j'avais oublié qu'il s'y trouvait. C'était en février. Puis, en juillet, la réforme du chômage a été votée pour exclure tous les travailleurs qui se retrouvent sans emploi. Chaque fois, je précise que, parmi ces travailleurs sans emploi qu'on veut exclure, 70 % travaillent et que, dans les 30 % qui "ne travaillent pas" – je mets des guillemets parce que c'est le débat d'idées –, il y a les aidants proches.

 

Mais alors, M. le ministre nous dit tout à l'heure que tous ces aidants proches qui n'ont pas demandé la reconnaissance parce que – vous le savez comme moi: sinon, 390 euros ce n'est pas possible – la majorité de ce million d'aidants proches de ce pays est, aujourd'hui, casée dans la sécurité sociale sous la rubrique "Allocations de chômage". On estime qu'ils ne devraient pas y être repris, et je peux le comprendre. Tout à l'heure, M. le ministre nous a dit ne pas savoir qui ils étaient parce qu'ils ne s'étaient pas manifestés en précisant qu'ils étaient aidants proches. Franchement, quand M. le ministre nous a dit cela, j'avais déjà un petit doute. En commission, je lui avais dit: "C'est quand même fou! Avec toute notre capacité technologique, si l'on souhaite vraiment savoir de quoi il retourne, on peut contacter les mutuelles, les associations qui s'occupent de personnes handicapées, toutes les activités de santé complémentaires. On peut donc quand même avoir une petite idée de qui sont ces gens." Or il manquait la volonté politique pour ce faire.

 

Et vous, madame Pirson – pas vous personnellement, mais vous comme mandataire politique avec votre parti, Les Engagés – je sais, pour avoir participé à des débats avec des associations pour aidants proches, que vous les connaissez. Vous connaissez les associations d'aidants proches.

 

Quand vous avez été confrontée, avec le gouvernement Arizona, à la réforme du chômage, ne me dites pas que vous ne saviez pas qu'une grosse partie de ces exclus, ce seraient ces hommes et surtout ces femmes aidants proches.

 

Comme l’a dit ma collègue Sofie Merckx, vous auriez dû dire deux choses. Vous auriez dû dire ce qu’elle vous a dit: "Attention, c'était dans l'accord de gouvernement, et que faisons-nous maintenant? L'accord du gouvernement date de février, et nous n’avons toujours rien fait."

 

Vous auriez aussi dû dire: "Appuyez-vous sur notre connaissance du terrain". Je sais que vous en avez, au niveau des députés, au niveau de votre parti et au niveau de votre réseau associatif.

 

Vous auriez dû dire au gouvernement: "Vous êtes en train d'exclure des gens pour qui le statut d'aidant proche existant ne correspond pas à la réalité". Vous ne l'avez pas fait.

 

Madame Pirson, je vous pose la même question qu'à Mme Reuter. Une femme, maman solo, qui touche une allocation de chômage de 1 700 euros, qui ne sait pas travailler parce qu'elle doit s'occuper d'un de ses trois enfants qui a un grave handicap, grâce à l'action de l'Arizona, sous la pression des associations, va passer de 1 700 euros à 746 euros. Quelle solution donnez-vous à cette femme pour qu'elle puisse vivre dignement?

 

Êtes-vous d'accord avec la réponse que nous a donnée le ministre tout à l'heure en commission? C'est-à-dire que cette femme a le droit d'aller demander un complément au CPAS.

 

En termes de débat d'idées et de vision de société, trouvez-vous digne qu'une femme qui doit sacrifier sa vie professionnelle va devoir vivre avec une allocation insuffisante pour vivre dignement? Vous allez l'envoyer grossir la file des milliers de gens qui vont se retrouver au CPAS. Est-ce la vision de société des Engagés aujourd'hui?

 

21.20  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le président, chers collègues, j'aimerais vous lire un message que j'ai reçu d'une personne qui nous regarde ici débattre et qui me dit: "Je dois dire qu'il y a un grand contraste entre les néerlandophones et les francophones. Mmes Lanjri et Vanrobaeys ont fait preuve d'une modestie justifiée, tandis que Mmes Reuter et Pirson donnent l'impression que c'est uniquement grâce à elles qu'une solution a été trouvée." Je pense en effet que cela reflète bien ce qui est en train de se passer ici.

 

Que s'est-il passé? Voulez-vous vraiment qu'on en reparle? Depuis juillet, on dépose des amendements et on vous interpelle sur le sort des aidants proches. Et c'est aujourd'hui, à trois jours de l'échéance, que vous venez avec des solutions. Non, c'était hier précisément que vous avez déposé les amendements in extremis au moment de la Conférence des présidents. La Conférence des présidents avait déjà commencé quand on a vu sur la plateforme que ces amendements avaient été déposés.

 

Évidemment, je n'attendais rien du MR dans ce cas-ci et, quand vous nous parlez des victimes que vous avez été dans ce dossier, je vous réponds quelle indécence. Quelle indécence! Vous nous dites avec M. Ducarme que vous avez été victimes de l'opposition. Vous qui décidez de jeter des gens dans une précarité monstre avec toutes vos réformes, vous évoquez le fait que vous avez été victimes. Vous qui refusez d'écouter les associations, qui fermez les yeux sur les réalités sociales de la population, qui reniez vos promesses d'augmenter les salaires, vous nous dites que vous avez été victimes du fait que l'opposition fait son travail. C'est quand même incroyable!

 

Par contre, en effet, on en aurait attendu plus des Engagés. C'est un travail que le cd&v mène depuis longtemps. C'est d'ailleurs le texte de Mme Lanjri que nous votons aujourd'hui et nous la remercions pour sa détermination dans ce dossier. Et on en attendait en effet plus des Engagés pour protéger les aidants proches. Mais, manifestement, rien n'a été obtenu. Qu'avez-vous mis sur la table à l'époque ? À quoi avez-vous renoncé au moment des discussions sur la réforme du chômage portée par le MR? Qu'avez-vous obtenu en contrepartie à la place du statut des aidants proches? C'est ce que je vous demande.

 

Et puis, qu'a-t-on vu? Après les exclusions de juillet, il y a évidemment eu beaucoup d'émoi parmi les personnes concernées et on a continué à vous déposer des questions, à interpeller le ministre Clarinval qui a continué à nous dire "non, non, non, pas question, aucune dérogation possible au régime du chômage, impossible de modifier l'arrêté royal, etc.".

 

Et voilà que, depuis un peu plus d'un mois, la pression commence à monter. Des aidants proches sont exclus au 1er janvier. Vous annoncez donc une solution dans la presse. Et que découvre-t-on au moment de la mise à l'agenda des textes dans les commissions? Le texte de Mme Lanjri, qui ne porte absolument pas sur la solution pour les aidants proches exclus au 1er mars 2026, mais qui porte sur le congé des aidants proches qui travaillent – un sujet qui n'a absolument rien à voir.

 

Nous avons, à cette occasion, déposé des amendements pour améliorer le régime des congés pour ceux qui travaillent et pour proposer, déjà, la solution que vous avez déposée hier en commission.

 

Les Engagés ont quant à eux déposé une proposition de résolution, sur laquelle vous avez demandé un avis à l'ASBL Aidants Proches. Vous avez auto-flibusté votre propre proposition de résolution! J'en suis tombée de ma chaise. Apparemment, vous n'aviez même pas consulté la principale association de défense des personnes concernées. C'est incroyable! Et, pour rappel, une résolution n'engage à rien, c'est juste une demande au gouvernement, dont vous faites partie.

 

Voilà ce qu'il s'est passé. Ensuite, la pression a continué à monter, les associations ont continué à faire un boulot dingue pour visibiliser les réalités, exprimer à quel point c'était un désastre social de continuer à avancer. Et là, vous avez déposé ces amendements, qui sont toujours insuffisants.

 

Nous avons déposé des amendements – qui ont été rejetés tout à l'heure par votre gouvernement – pour allonger les délais afin de donner le temps aux personnes de réunir les bons documents, de recevoir l'information et d'avoir cette reconnaissance. Vous leur laissez un mois, ce qui est hyper court, alors que vous vous êtes donné neuf mois pour résoudre un problème qu'on pouvait apparemment résoudre en 24 heures! Vous ne vous imposez jamais la même rigueur que vous imposez à la population. Voilà votre manière de gouverner, c'est scandaleux!

 

21.21  Paul Magnette (PS): Monsieur le président, je souhaite répondre à M. Ronse et Mme Lanjri, qui m'ont interpellé.

 

Monsieur Ronse, chaque fois que vous ne savez pas quoi répondre, vous sortez de grandes caricatures à propos des socialistes. Cela fonctionne toujours bien, pour les nationalistes flamands. Mais le fond du débat est très simple.

 

De essentie van het debat is zeer eenvoudig: de werkloosheidsuitkeringen in België zijn niet alleen voor werknemers die hun job verloren hebben, maar ook voor veel anderen, zoals artiesten, die wel werken, maar niet genoeg verdienen om van hun kunst te kunnen leven, vrouwen die deeltijds werken, omdat ze geen voltijdse job vinden en een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering ontvangen, en mantelzorgers. De minister van Werk had dat moeten weten. Toen de regering besliste om de werkloosheidsuitkering te beperken in de tijd, had zij moeten controleren welke gevolgen dat zou hebben voor al wie geen optie had niet om te leven, maar om te overleven.

 

Et, cela, vous ne l'avez pas fait. C'est ce que nous vous reprochons aujourd'hui. Alors, qu'on trouve une solution insatisfaisante, c'est très bien.

 

Mevrouw Lanjri, u moet de oppositie niet bedanken, maar de mensen die zich hebben gemobiliseerd en u hebben gedwongen om een oplossing te vinden.

 

Maintenant, et je veux terminer de manière constructive, je suis très content d'avoir entendu Mme Reuter dire qu'en Finlande, il existe un système dans lequel les mantelzorgers, les aidants proches, sont considérés comme des travailleurs sociaux.

 

Eh bien, mettons en place un tel système, puisque nous ne l'avons pas en Belgique. Faisons en sorte de créer un véritable statut. Pas simplement la solution de pis-aller temporaire et insatisfaisante qu'on soutient parce que c'est mieux que rien, mise en place aujourd'hui par les amendements, mais un véritable statut pour que ces hommes et ces femmes héroïques, qui remplissent une mission essentielle pour notre société, soient enfin véritablement reconnus.

 

Et pas, Mme Lanjri, dans les régions ou dans les communautés, car c'est une compétence fédérale. On ne doit pas utiliser le prétexte d'une réforme du chômage pour transférer discrètement une compétence de solidarité entre tous les Belges vers les régions, parce que ce serait, une fois de plus, une réforme de l'État déguisée, et cela, nous ne pouvons pas l'accepter.

 

Le président: Voilà, j'invite maintenant Mme Reuter à poursuivre son intervention.

 

21.22  Florence Reuter (MR): Je ne sais pas, monsieur le président, si je vais pouvoir continuer longtemps, mais peu importe.

 

C'est bien la première fois, je crois, qu'on me dit que je manque d'humilité. Cela me rappelle quand Mme Thémont a dit, en parlant de moi, "ça ressemble bien au personnage". Cela fait 20 ans que je suis parlementaire et je n'ai jamais, mais vraiment jamais, senti autant d'attaques personnelles. Je l'ai déjà dit, ce n'est pas la première fois que je le dis à cette tribune, mais je pense que c'est important de le répéter: non, je ne suis pas venue triomphante à la tribune. Non, je ne suis pas – je ne sais plus quels ont été vos termes – prétentieuse. Ça n'a rien à voir. Oui, je suis venue à la tribune contente, contente qu'on ait pu apporter une solution — certes transitoire — mais une solution avant le 1er mars. Alors, désolée si mon style ne vous plaît pas, si je manque d'humilité. C'est la première fois qu'on me le dit, ce n'est pas grave. J'apprends, j'apprends. Comme quoi, après 20 ans, on apprend. On apprend de toute façon tout le temps et tout au long de sa vie.

 

Non, je ne manque pas d'humilité. Oui, je suis heureuse qu'on puisse trouver une solution transitoire. Mme Taton, qui interviendra tout à l'heure et qui va partager avec nous son expérience plus personnelle et qui a rencontré de nombreuses associations, vous le dira aussi: bien sûr que nous sommes à l'écoute. Et quand je dis que oui, nous avons été attaqués, non, nous ne sommes pas des victimes.

 

Nous n'avons pas l'habitude, chez nous, de nous victimiser, c'est vrai. Nous avons l’habitude d’assumer, c’est vrai. Cela ne signifie cependant pas que nous jouions les victimes. Lorsque je dis que le ministre a été injurié, c’est la vérité! Vous l’avez traité, et vous nous avez traités, nous au MR, mais aussi nos collègues des Engagés, de Vooruit et du cd&v, d’inhumains. Vous l’avez fait! Et vous croyez quoi? Que nous allons rester là sans répondre, en disant: "Oui, nous sommes les grands méchants"? Non, nous ne sommes pas de grands méchants.

 

Comme je l’ai dit tout à l’heure, nous avons tous, autour de nous, des personnes qui sont aidants proches, nous avons tous des familles, des enfants, des personnes en difficulté. Nous essayons d’apporter une solution qui – et nous l’assumons – ne remet pas en cause la limitation du chômage dans le temps. Faut-il le rappeler? Nous sommes encore l’un des seuls pays à fonctionner de cette manière, si pas le seul.

 

À un moment donné, nous pouvons refaire le débat sur le chômage, parce que vous reviendrez pendant toute la législature sur cette question et sur la limitation du chômage dans le temps. Toutefois, cette réforme est votée. Nous ne reviendrons pas dessus. Elle est nécessaire, budgétairement, mais elle est aussi nécessaire parce que le travail est un vecteur d’émancipation.

 

Je ne suis pas ici pour mener de grands débats idéologiques, même si, vous avez raison, madame Moscufo, nous sommes ici pour débattre. Débattons donc! Et oui, je suis féministe, mais je ne vois pas les choses de la même manière que vous. Là-dessus, il n’y a aucun doute. Je me souviens que, très jeune parlementaire, il y a vingt ans, l’une de mes premières déclarations était: "Je ne pourrai pas être de gauche." Pourtant, je ne suis pas la plus radicale dans mon parti. Je pense même faire partie de ceux qui défendent la nuance. Mais je ne pourrai pas être de gauche. Vous ne savez pas d’où je viens, alors ne jugez pas les personnes, je vous en prie. Cessez les attaques personnelles.

 

(...): (...)

 

21.23 Florence Reuter (MR): Non, je ne pourrai pas être de gauche. C’est tellement facile de dire: "Sans nous, on n’aurait pas aidé les aidants proches. Sans nous, tout le monde serait dans la misère". Que ferait-on sans vous? Regardez pourtant comme nous avançons sans vous!

 

Alors, pour revenir au statut – parce que c'est quand même de cela qu'on parle aujourd'hui –, encore une fois, oui, la mesure est transitoire. Je pense que c'est clair pour tout le monde, mais ce que j'ai oublié de vous dire aussi, c'est que vous parlez des aidants proches qui sont au chômage aujourd'hui parce qu'ils n'ont pas d'autre solution. On ne parle jamais – et je sais que vous allez tomber dans les caricatures, mais ce n'est pas grave, j'assume – de tous ces aidants proches qui travaillent ou de ceux qui sacrifient effectivement un des deux emplois quand c'est possible pour s'occuper de leurs proches. Et oui, il y en a énormément! Et ils ne dépendent pas de la collectivité, ils se débrouillent. Or ceux-là, ils n'ont pas d'aide. Et à eux aussi, il faut pouvoir apporter une réponse, il faut pouvoir apporter des adaptations. Il y a des pistes.

 

Je reviens à la Finlande. Vous dites: "la réponse n'est pas régionale". Elle l'est quand même en partie. Il faut quand même bien reconnaître que la situation de la Flandre aujourd'hui est bien plus favorable aux aidants proches que la situation en communauté française, ça il faut pouvoir l'assumer. Et donc oui, la solution, elle doit venir aussi des régions, et ça c'est inévitable. Dire qu'on va en deux temps, trois mouvements venir avec un nouveau statut sans tenir compte des réalités régionales n'est donc pas réalisable, ce n'est pas raisonnable.

 

Aujourd'hui donc, je le répète, ces amendements et la loi que nous allons tous voter ensemble… Vous allez encore dire que je suis triomphante. Non! Je suis contente, je le répète, oui, je suis heureuse qu'on puisse apporter une solution et une réponse, et non, ce n'est pas grâce à l'opposition, et c'est sans doute grâce effectivement à toutes les rencontres de terrain que nous avons faites, à toutes les rencontres que nous avons eues avec les associations et, effectivement, parce que nous sommes à l'écoute et que nous essayons de trouver des solutions raisonnables.

 

Et donc non, la solution elle n'est pas pérenne, mais elle est aujourd'hui réaliste, elle est pragmatique, et elle répond aux attentes d'urgence, et donc merci à tous mes collègues de la majorité d'avoir contribué à faire voter ces amendements avant le 1er mars, parce que c'était quand même ça l'essentiel, merci au cabinet Clarinval d'avoir travaillé pour essayer de répondre aux situations de terrain. En effet, la solution est transitoire, je le répète, mais surtout elle est équilibrée. À un moment donné en effet, la réalité budgétaire et la situation économique de notre pays, on ne peut pas la nier, elle est là, elle existe, et si on ne fait rien, et si on continue à vous écouter, et bien l'État sera plus que jamais en faillite, et ce n'est pas ça qu'on veut pour nos enfants et nos petits enfants!

 

J'en terminerai là, monsieur le président, avant que le débat perdure. Je vous remercie.

 

Le président: J'invite Mme Thémont à la tribune.

 

(Protestation de Mme Moscufo parce que le président Bacquelaine ne lui donne pas la parole.)

 

Voorzitter: Peter De Roover, voorzitter.

Président: Peter De Roover, président.

 

De voorzitter: Het was trouwens eerst de beurt aan de heer Moons, maar ik neem aan dat het geen revolutie veroorzaakt als we eerst mevrouw Thémont aan het woord laten?

 

21.24  Kurt Moons (VB): Ik stel voor dat we ons houden aan de voorziene volgorde. Ik zie niet in waarom niet.

 

De voorzitter: Ik heb daar op zich niets tegen.

 

Mme Thémont, je vais d’abord céder la parole à M. Moons et ensuite …

 

(…): (…)

 

(Mme Moscufo se dirige vers le bureau du président pour protester.)

 

Le président: Apparemment, Mme Moscufo avait encore une question à poser à Mme Reuter.

 

21.25  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le président, heureusement que vous êtes revenu! Je le dis sérieusement, parce que vous n'avez pas bien formé votre suppléant. Dans le monde du travail, quand on coache un nouveau, on prend les meilleurs pour le former. Je n'irai pas jusqu'à dire que vous êtes le meilleur, mais en tout cas vous ne l'avez pas bien formé. Je ne sais pas si c'est par hasard, mais il se trouve que votre suppléant est membre du MR et que je voulais encore intervenir en réaction aux propos de Mme Reuter. Peut-être y avait-il un lien de cause à effet…

 

Le président: Je vous en prie, madame Moscufo. Vous pouvez poser votre question.

 

21.26  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Figurez-vous que je n'ai pas de question à poser à Mme Reuter. (Rires)

 

Non, je n'ai pas de question. Simplement, Mme Reuter n'a pas répondu à la question que je lui avais déjà posée. Cette question concerne une maman solo qui ne travaille pas – et j'ai encore un autre exemple pour que vous puissiez encore un peu réfléchir – et dont l'enfant souffre d'un grand handicap et qui peut, malgré tout, se permettre de travailler un jour ou deux par semaine – et nous y sommes favorables, puisque nous sommes le Parti du Travail –, tout en s'occupant de son enfant – n'est-ce pas, monsieur le ministre, c'est quand même mieux. Il se trouve qu'avec les amendements que nous allons voter, elle va perdre une partie de son revenu. Vous lui suggérez, monsieur le ministre, de s'inscrire au CPAS. Or, comme elle travaille deux jours par semaine, celui-ci va lui décompter une fraction de son complément de revenu d'intégration sociale. Est-ce de la sorte que vous souhaitez encourager les gens qui veulent travailler?

 

Madame Reuter, vous n'avez pas répondu à ma question: comment une maman solo peut-elle vivre dignement avec le salaire si minable que vous lui proposez aujourd'hui?

 

De voorzitter: Bedankt, mevrouw Moscufo. Ik geef het woord aan de heer Moons.

 

21.27  Kurt Moons (VB): Mijnheer de voorzitter, het is niet mijn gewoonte om voor de dames te komen. Gewoonlijk ben ik wat galanter, maar ik meen dat het aan mij is om enige rust te brengen in dit debat.

 

Voor de collega’s die niet op de hoogte zijn van dit wetsvoorstel wil ik kort de historiek schetsen. Er is immers een voorstel voor en een voorstel na 25 februari. Het voorstel nr. 300 van voor 25 februari was een voorstel van mevrouw Lanjri dat reeds geruime tijd in bespreking was. Het ging over mantelzorg en beoogde in wezen een aanpassing en flexibilisering van het mantelzorgverlof.

 

Dat voorstel voorzag in een verlenging van de erkenning van een naar twee jaar, in het niet langer schorsen van het verlof wanneer de zorgbehoevende niet voltijds in een residentiële setting verblijft en dergelijke meer. Het werd in de commissie besproken en had relatief weinig discussie uitgelokt. Er werden wel amendementen ingediend, ook door ons, maar het voorzag broodnodige, maar beperkte aanpassingen voor mantelzorgers, waarbij het statuut werd afgestemd op de hedendaagse realiteit. Wij hebben dat gesteund en konden het volmondig onderschrijven.

 

We formuleerden wel enkele kritische bemerkingen, waarvan er eentje de verloning betrof. Het wetsvoorstel voorzag namelijk een flexibele invulling van de mantelzorg, met onder meer de mogelijkheid om het verlof op weekbasis op te nemen, wat niet oninteressant is. Wat echter ontbrak, was enige regeling inzake de verloning van mantelzorgers. Indien zij terugvallen op een uitkering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ontvangen zij een forfaitair bedrag dat geen enkele rekening houdt met hun loon. Daar kom ik later op terug, want de amendementen die door de meerderheid werden ingediend, hielden daar uiteindelijk wel rekening mee. Op het moment dat wij echter een amendement indienden om die verloning afhankelijk te maken van het voorafgaande loon, werd dat weggestemd. Dat is natuurlijk normaal, want alles wat van het Vlaams Belang komt, heeft geen belang.

 

Verder stelden wij dat mantelzorg past in een groter geheel van thematische verloven. De bedoeling is om dat te herstructureren en wij zouden graag de garantie krijgen dat dit ook in de toekomst wordt bekeken. Dat werd allemaal goedgekeurd omdat een gedeeltelijke verbetering van het statuut van de mantelzorgers in het vooruitzicht werd gesteld.

 

Het grote probleem is echter natuurlijk de beperking van de werkloosheid in de tijd, waarbij geen rekening wordt gehouden met een mogelijke uitzondering voor mantelzorgers. Dat is een onvergeeflijke vergetelheid, waarop het Vlaams Belang honderden keren heeft gealludeerd, zeggende dat we daarmee moeten opletten. We hebben tientallen amendementen ingediend, zowel in de commissie voor Sociale Zaken als in de commissie voor Financiën. We werden altijd weggelachen. Er werd zelfs gezegd dat we de zorg en de pleegzorg zouden belemmeren. Er werd niet geluisterd. Aanpassingen en verbeteringen aan wetteksten met betrekking tot echte sociale problemen lijken voor deze regering-De Wever niet nuttig als het Vlaams Belang daarop wijst. Nu vinden alle partijen het blijkbaar belangrijk dat mantelzorgers hun rechten kunnen verbeteren. Dat is heel raar, want gedurende een jaar hebben we daar niets over gehoord.

 

Als klap op de vuurpijl kwamen er gisteravond amendementen binnen van de meerderheid op wetsvoorstel nr. 300, dat eigenlijk niets te maken had met de beperking van de werkloosheid in de tijd. Heel raar. Er werden een heel aantal amendementen ingediend. We hadden dat al eerder besproken, het is wetgevend broddelwerk, want men moet het voorliggende wetsvoorstel gebruiken om daar aanpassingen aan te doen.

 

Het is uiteraard een zeer goede zaak dat de meerderheid haar fouten tracht recht te zetten. Als de minister echter een jaar geleden naar onze fractie had geluisterd, dan was die bricolage niet nodig geweest en had dit op een ordentelijke manier kunnen gebeuren, binnen de wet over de beperking van de werkloosheid in de tijd.

 

Vandaag dient de meerderheid dus amendementen in, wat toch een heel rare manier van werken is. Een schoonheidsprijs zal het niet krijgen. We zijn wel tevreden dat na onze duidelijke mondelinge vraag van 12 februari eindelijk een oplossing wordt voorgesteld. Twee weken geleden vroegen we u hier wat u zou doen en drongen we aan op een snelle oplossing voor de mantelzorgers. De minister hield woord, want de daaropvolgende dag werd in de kern overeengekomen effectief verbeteringen aan te brengen. Daarna moesten we wel veertien dagen wachten op die amendementen. Op 13 februari werd de beslissing genomen, maar gisteren pas ontvingen we de tekst. Waarom moet dat op zo’n chaotische manier gebeuren? Opeens komen de amendementen binnen en hebben we amper tijd om die te bekijken. De oppositie moet zelf ook nog amendementen indienen. Een kat vindt er haar jongen niet meer in terug.

 

Mijnheer de minister, waarom moet dit allemaal zo lang duren? Waarom moet het zo chaotisch verlopen? Ik heb dat nog nooit meegemaakt. Waarom krijgt de oppositie slechts enkele uren om het een en ander te bestuderen? Getuigt dat van juridische onbekwaamheid of eerder van een gebrek aan respect voor de oppositie?

 

De amendementen beogen te vermijden dat mantelzorgers na 1 maart 2026 uit de boot zouden vallen. Om die amendementen op een redelijke en logische manier toe te voegen aan de voorliggende tekst – die uiteraard een andere tekst is – moeten ook alle titels en hoofdstukken worden aangepast. Dat was niet voorzien bij deze bricolage. Waarover gaat het concreet? Ten eerste is er een verhoging van de uitkeringen vanaf 1 maart. De meerderheid heeft ingezien dat een bedrag van 300 euro per maand voor mantelzorgers niet volstaat. Ze heeft beslist het forfaitaire bedrag op 745 euro te brengen, meer dan een verdubbeling. Iedereen klopt zich op de borst - kijk wat wij doen. We hebben de meerderheid kunnen overtuigen, het gaat in de goede richting.

 

Het amendement van het Vlaams Belang komt echter opnieuw ter sprake en we zullen het opnieuw indienen. We vinden het eerlijker en logischer dat er een relatie bestaat tussen de vergoeding voor mantelzorg en het vroegere loon. We stellen voor om die vergoeding op 85 % te brengen, zodat mantelzorgers in hun individueel belangrijke taak, maar ook in hun maatschappelijke taak, meer gemoedsrust krijgen.

 

Een andere vraag betreft de inwerkingtreding van de wijziging van dit bedrag die is vastgesteld op 1 maart. We zijn er dus bijna. De meerderheid heeft er gedurende een jaar niet naar gekeken en heeft nu, drie dagen voor die datum, het illustere idee gekregen om daarop terug te komen. Waarom kan dit niet met terugwerkende kracht betaald worden? Nu zeggen ze dit vanaf 1 januari te laten ingaan, maar niet de betaling. Ook daarvoor zullen wij een amendement indienen opdat de mensen die zich kunnen beroepen op het statuut van mantelzorger vanaf 1 januari dezelfde vergoeding krijgen als die vanaf 1 maart.

 

Een andere zaak betreft de officiële erkenning van mantelzorgers als een toegangscriterium. Daar kunnen wij voor zijn en ook dat wordt met terugwerkende kracht ingevoerd. Ik meen dat het niet abnormaal is dat een ziekenfonds een attest moet kunnen voorleggen waaruit blijkt dat iemand mantelzorger is. Ook dit is een goede maatregel die de mantelzorgers die al twee maanden in onzekerheid leven, kan geruststellen dat alles met terugwerkende kracht zal kunnen gebeuren. Er wordt ook een overgangsperiode voorzien voor laattijdige aanvragen. De aanvragen moeten immers op voorhand worden ingediend, maar nu zullen die ook met terugwerkende kracht kunnen worden ingediend.

 

Dat zijn in onze ogen allemaal heel belangrijke en terechte bezorgdheden waarmee rekening wordt gehouden, maar er is eindelijk enige bezorgdheid en een sociale reflex te bespeuren bij de meerderheid. De manier waarop deze fout werd rechtgezet, is allesbehalve state of the art wetgevend werk, maar dat zijn we intussen gewoon van alle wetsvoorstellen en -ontwerpen van de regering-De Wever.

 

Desalniettemin komen deze maatregelen in grote mate tegemoet aan de bekommernissen die wij al meer dan een jaar geleden uitten en onze fractie zal dit wetsvoorstel dan ook steunen.

 

21.28  Sophie Thémont (PS): Chers collègues, vous avez en effet réalisé une petite avancée. Comme nous l’avons déjà dit, nous vous alertons depuis des mois avec les associations d'aidants proches, la Ligue des familles, les parents touchés. Tout le monde vous avait déjà alertés, et vous avez laissé filer jusqu'à la dernière minute. Heureusement, vous faites aujourd'hui un tout petit pas, sous la pression incessante des associations et des familles – même si ce mot "pression" ne plaît pas. Mais il est dommage de vous avoir tant interpellés pendant des mois pour aboutir à cette solution sparadrap. C'est vrai que c'est un moindre mal. C’est une micro-avancée pour certaines personnes, mais c'est loin d'être suffisant. C'est même assez bancal.

 

Comme je vous l'ai d'ailleurs dit en commission tout à l'heure, vous avez oublié dans cette réforme toute une série de personnes dont la situation est tout à fait particulière: les jeunes aidants proches, les mamans solos, les familles où plusieurs proches sont reconnus, les aidants de très longue durée.

 

Ce que vous présentez comme une solution pour les aidants proches chômeurs maintient, en réalité, des injustices majeures pour les aidants proches. Le comble, c'est que votre mesure met les familles devant des choix impossibles, entre le chômage et le CPAS. Pour les chargés de famille et les cohabitants dits privilégiés, activer la dispense va entraîner une baisse d'allocations. Se retrouver au CPAS, c’est aussi perdre des années pour la pension. Et je ne parle même pas de celles et ceux qui travaillent à temps partiel, qui vont tout simplement être contraints  d'abandonner leur activité s'ils se retrouvent au CPAS. Imaginez une maman solo qui travaille un jour par semaine. Elle ne peut pas se permettre de tomber à 745 euros par mois. Elle va se retourner vers le CPAS et de facto devra cesser de travailler, ou en tout cas ne travaillera presque plus. Ce sera pareil pour deux parents séparés, ou même pour celles et ceux qui sont en couple, qui tous les deux cumulent aidance et temps partiel. Comment vont-ils faire avec 700 euros? Je vous pose la question. Ils devront se tourner vers le CPAS et arrêter de travailler. C’est un retour à la case foyer.

 

Votre réforme, qui était censée activer les gens au chômage, va renvoyer des travailleuses et des travailleurs à la maison, et on sait que ce seront principalement des femmes, puisque, que ce soit dans vos réformes du travail ou des pensions, les femmes payent le prix fort, ce qui est un vrai recul.

 

En résumé, votre mesure ne corrige pas les vraies injustices subies par les aidants proches chômeurs. Elle les modifie à la marge. Vous améliorez un tout petit peu la situation de certains, qui entrent dans les bonnes cases, mais vous abandonnez les autres, les jeunes aidants proches, les mamans solos, les parents séparés, les aidants de très longue durée. C'est bien joli de systématiquement répéter en chœur que le chômage n'est pas une solution pour les aidants proches, mais, pour l'instant, c'est tout ce qu'il y a. Vous promettez un statut, mais aujourd'hui personne ne sait si vous y arriverez, ni quand.

 

En attendant, votre dispense au chômage est toujours limitée dans le temps et risque à nouveau de laisser en plan les uns et les autres.

 

21.29  Denis Ducarme (MR): Madame Thémont, je partage évidemment l'essentiel de votre préoccupation. Et je vous remercie de parler d'avancées s'agissant de cette proposition de loi et des amendements de la majorité que vous avez soutenus tout à l'heure.

 

Toutefois, vous dites que nous répétons la même chose en chœur. Nous savons que ce système n'est pas parfait, qu'il va devoir être retravaillé, mais il s'agit comme vous le dites d'une avancée.

 

21.30  Pierre-Yves Dermagne (PS): (…)

 

21.31  Denis Ducarme (MR): Justement, j'allais en venir à vous, monsieur Dermagne. Ici, nous avons produit des résultats en un an. Vous, vous avez été ministre de l'Emploi pendant cinq ans, monsieur Dermagne. Qu'avez-vous fait pendant cinq ans pour les aidants proches? Pourquoi n'avez-vous pas créé le statut d'aidant proche à ce moment? Pourquoi ne vous entend-on crier sur un certain nombre de causes importantes sur le plan social que lorsque vous êtes dans l'opposition?

 

21.32  Pierre-Yves Dermagne (PS): (…)

 

21.33  Denis Ducarme (MR): Madame Thémont, il fallait que M. Dermagne s'occupe un peu des aidants proches quand il était aux responsabilités! (Brouhaha)

 

Il avait cinq ans pour le faire. Nous, en un an, on a produit des avancées.

 

21.34  Sophie Thémont (PS): C'est dommage, monsieur Ducarme, d'avoir une telle réaction, que je trouve un peu pathétique. Vous attaquez Pierre-Yves Dermagne, mais je vous rappelle quand même que vous étiez avec nous dans la Vivaldi et qu'à l'époque, la proposition déposée par Mme Lanjri était déjà sur la table. Qui, à l'époque, a bloqué la proposition de loi de Mme Lanjri? Je vous le donne en mille! Le MR! (Brouhaha)

 

Monsieur Ducarme, moi, je ne vais pas faire ma petite Priscilla, comme dans Calimero, et dire: "Ah, mais je sais que vous ne m'aimez pas." J'ai mes idées. Mais si, apparemment, je suis inhumaine, inhumaine, inhumaine, inhumaine!

 

21.35  Axel Ronse (N-VA): (…)

 

21.36  Sophie Thémont (PS): Monsieur Ronse, si vous le permettez, je vais continuer mon intervention car j'ai répondu à votre question, comme c'est à cause de vous… Il n'y avait pas de question? C'était juste dans le but d'attaquer M. Dermagne.

 

En attendant, votre dispense au chômage est toujours limitée dans le temps et risque à nouveau de les laisser en plan. Pendant dix mois, malgré ces alertes répétées – on ne peut pas dire qu'on n'a pas eu de débat, monsieur Ducarme, il y en a eu tant en séance plénière qu'en commission –, vous n'avez pas été capables de mettre en place une solution correcte pour les aidants proches chômeurs, ce qui n'est pas très rassurant pour le futur.

 

Je regrette, comme je l'ai aussi dit plusieurs fois en commission, que cette réforme du chômage ait été faite en mettant tout le monde dans le même panier, sans réfléchir. Je sais bien que le fait qu'on refasse le débat dérange, mais vous auriez pu y penser systématiquement, comme je l'ai dit tout à l'heure aux Engagés. Au vu de cette phrase dans ce fameux accord de gouvernement, avant de mettre tout le monde dans le même panier, vous auriez dû savoir que cela allait revenir sur la table et faire un tollé dans les associations ainsi que dans ces familles monoparentales.

 

M. Clarinval n'a finalement pas su me communiquer le nombre de femmes solos qui vont se retrouver...

 

21.37  David Clarinval, ministre: : (…)

 

21.38  Sophie Thémont (PS): Pardon? Ce n'est pas énorme non plus? Ni d'hommes, non plus? Oui, je peux dire "les parents solos", si vous préférez. C'est parce que 95 % sont des femmes. On peut dire papas et mamans solos, si vous voulez, mais vous n'avez pas su me donner un seul chiffre tout à l'heure. Cela signifie qu'aujourd'hui, vous ne connaissez pas le nombre d'aidants proches.

 

Il faut envoyer un courrier à tous les chômeurs pour qu'on puisse identifier les aidants proches, car même si vous êtes souple avec votre administration, le 31 mars, c'est demain. Ils vont devoir courir partout, ces gens. Ils vont devoir aller à la mutuelle et à l'ONEM. Ils doivent savoir ce qu'ils doivent faire, monsieur le ministre. Vous m'avez aussi dit tout à l'heure en commission: "Nous ne les connaissons pas, donc on ne peut pas les identifier et faire des exceptions pour le chômage". Mais c'est normal que nous ne les connaissions pas. Je vous l'ai dit tout à l'heure, ils ne voulaient pas se retrouver avec 375 euros par mois. Je vous l'ai dit, c'est facile de les identifier pour faire une exception, il suffit qu'ils apportent leur document de la mutuelle, comme pour la dispense! La solution, elle est très simple!

 

Pour terminer, même si j'ai voté pour les amendements tout à l'heure, je m'abstiendrai car vous avez certes fait une avancée – c'est déjà un petit pas – mais ça ne résout pas les problèmes. Ça laisse une grande partie des aidants proches dans une détresse terrible avec une perte, qu'on le veuille ou non, de revenu énorme, avec une foule de démarches administratives à faire. Je trouve que la manière de fonctionner s'apparente à du bricolage. Vous avez agi dans la précipitation, comme pour la réforme du chômage.

 

Pourquoi n'avez-vous pas sereinement réfléchi au problème entre mai et janvier? Vous n'avez rien fait pendant des mois. Quand vous avez pondu cette réforme, pourquoi n'avez-vous pas identifié ces publics aidants proches et autres? Je pourrais vous parler des ALE, des plus de 55 ans et des travailleurs indépendants. Tout le monde vous l'a dit, vous l'avez entendu et vous n'avez rien fait à ce moment-là. Enfin, vous avez maintenant décidé de vous y mettre un petit peu et de déposer ces propositions: la proposition de Mme Lanjri sur laquelle on a mis un gros amendement, qui n'est à mon sens qu'un minuscule sparadrap par rapport à l'enjeu. Vous allez laisser de côté des parents solos qui vont devoir aller frapper à la porte du CPAS, comme si la charge sur les CPAS et les communes n'était déjà pas assez lourde aujourd'hui. Donc oui, c'est une petite solution mais c'est tellement peu que je m'abstiendrai, en tout cas sur cette proposition, pour bien marquer les profondes critiques envers votre politique aujourd'hui.

 

21.39  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le président, je voudrais dire tout d'abord que nous allons voter ce qui était au départ une proposition de loi de Mme Lanjri qui visait à améliorer un statut d'aidant proche qui existe déjà et qui est fort insuffisant au regard de la réalité de terrain. Elle concernait une avancée visant les aidants proches qui travaillent. C'est une proposition qui avait déjà été élaborée sous la précédente législature. Je confirme que le MR l'avait bel et bien bloquée à l'époque. C'est la petite parenthèse que je tenais à placer.

 

Ensuite, nous nous retrouvons avec des amendements de l'Arizona, coalition qui se déclare à présent comme le grand vainqueur ayant réussi à enfin s'occuper des aidants proches. C'est quand même un peu dur à entendre, pas tellement pour moi parce que je suis quelque peu habituée au narratif du MR lui servant à se faire passer pour ce qu'il n'est pas toujours, mais plutôt pour les aidants proches eux-mêmes. Pourquoi? Tout d'abord parce qu'ils savent très bien que ce sont eux qui ont dû tirer la sonnette d'alarme voici quelque temps d'ici. C'est donc bien cette pression qui fait que nous avons aujourd'hui des amendements de l'Arizona qui apporteront une toute petite avancée par rapport à un recul, comme l'a rappelé mon collègue tout à l'heure. Je trouve que c'est une bonne expression: "une petite avancée par rapport à un recul".

 

Dans quel contexte tout cela s’inscrit-il? Je dirais que c’est là toute la dialectique. On pourrait presque dire que c’est grâce à la réforme du chômage de l'Arizona qui a décidé d'exclure près de 200 000 personnes après deux ans de chômage. Et pourtant, ce chiffre ne reflète pas la réalité. Je le rappelle à chaque fois, 70 % des personnes exclues travaillent déjà, sous forme d’intérim ou de temps partiel et parmi les 30 % restants, une partie importante est constituée d’aidants proches.

 

Où est la dialectique? C’est précisément cette réforme et la pression qu’elle a générée qui ont permis de mettre en lumière la situation des aidants proches et nous amène à certaines avancées. Comme quoi, tout peut se transformer en son contraire.

 

Mais qui sont ces aidants proches? Ils ne représentent pas une petite minorité, même si vous savez qu'avec mon parti, je défends les minorités. En Belgique, il s'agit de plus d’un million de personnes, très souvent des femmes, qui accomplissent un travail non rémunéré, sacrifiant leur carrière, leur vie affective et leur vie sociale pour compenser les lacunes d’une société qui, malgré que nous soyons dans une pays les plus riches au monde, n’est pas capable d'offrir – je dis "offrir", tout en sachant qu'il faut toujours quelqu'un qui paie, mais il faut savoir où aller chercher l'argent – des institutions et des accompagnements suffisants.

 

Ces parents, notamment ceux d’enfants lourdement handicapés, doivent non seulement affronter la réalité du handicap, mais aussi une incapacité de la société à les accompagner. Ils finissent par sacrifier leur vie pour un travail gratuit.

 

Il y a des études qui ont démontré que tout ce travail gratuit effectué par ce plus d’un million de parents génère une économie pour l’État de 12 milliards. Donc, notre État fait une économie de 12 milliards grâce — ou à cause, ça dépend comment on voit les choses — à ces hommes et ces femmes qui sacrifient souvent leur vie par amour pour leurs enfants.

 

Il est donc important de considérer les choses ainsi, car il ne s'agit pas de quelque chose qui tombe du ciel. Comme je l'ai dit en commission, il s'agit bien de volonté politique et de vision de société.

 

Mi-janvier, il y a eu une véritable sonnette d’alarme dans la presse grâce à toute une série d’associations: je pense à la Ligue des Familles, à l'ASBL Aidants Proches, à la Fondation SUSA, mais il y en a bien d’autres encore. Elles ont formulé des revendications concrètes que nous avons tenté de relayer au Parlement. Je veux vraiment les féliciter pour leur ténacité et la résistance qu’elles déploient face à ces mesures qui, oui, sont inhumaines.

 

In-hu-maines. Comme, d’ailleurs, l’ensemble de cette réforme du chômage. Parce que c’est inhumain d’exclure des femmes de plus de 55 ans, qui ne pourront pas retrouver de travail. C’est inhumain d’exclure des femmes qui ont eu des carrières partielles, qui se sont épuisées au travail et qui ne peuvent pas aujourd’hui se réorienter vers une autre carrière. C’est inhumain parce qu’on va exclure des jeunes en formation, qui devront simplement interrompre leur apprentissage et accepter un travail à n’importe quel prix.

 

C’est là la raison profonde de cette réforme: mettre sur le marché du travail encore plus de concurrence, pour faire baisser les salaires de l’ensemble de la classe travailleuse de ce pays.

 

Si j'en reviens plus spécifiquement aux aidants proches: j’ai expliqué, lors de la discussion du projet de loi, toute la partie concernant ceux  qui travaillent, avec la prolongation de leur reconnaissance et une certaine souplesse quant à la prise de congé et à d’autres aspects. Je ne m’y attarde pas ici.

 

Il y a ensuite les aidants proches qui ne peuvent plus travailler. Parmi eux, il existe encore deux catégories. Il y a d’abord ceux qui ne peuvent plus travailler, ou plus travailler complètement, et qui ont demandé à être reconnus comme aidants proches. Ceux-là touchaient – et touchent toujours – 390 euros par mois. Ensuite, il y a les aidants proches qui ne peuvent pas travailler, qui sont au chômage et qui n’ont pas introduit de demande de reconnaissance. Ils se trouvent alors dans une situation où ils sont officiellement demandeurs d’emploi, alors qu’en réalité ils ne le sont pas. Personne ici ne considère que c’est une bonne solution. Pourtant, c’est la réalité concrète aujourd’hui.

 

Pour apporter une réponse à cette situation, ce qui figure dans les amendements et que nous présentons comme une avancée, c’est que tous ces parents peuvent désormais demander une reconnaissance pour éviter d’être exclus. Pas pour être reconnus à la hauteur du travail gratuit qu’ils accomplissent et qui permet à l’État de réaliser une économie de 12 milliards d’euros, non, mais simplement pour éviter d’être exclus.

 

Dans ce cas, si c’était une cheffe de ménage, elle percevait 1 700 euros d’allocations de chômage. Désormais, elle sera reconnue comme aidant proche, mais elle percevra 746 euros.

 

Voilà le respect que l’Arizona témoigne aujourd’hui aux aidants proches: les faire vivre avec une somme inférieure à nos frais de transport – enfin, cela dépend peut-être aussi du lieu d’habitation. C’est bien de cela qu’il s’agit. Voilà le respect accordé à ces hommes et à ces femmes.

 

Et comment emballe-t-on cela? Car c'est le fameux narratif: on annonce que l’on va doubler le montant. Lorsque j’ai entendu que l’on allait doubler, peut-être étais-je encore un peu naïve, je me suis dit que l’on allait doubler l’allocation de chômage qu’ils perçoivent afin de les respecter enfin réellement. Je me suis donc dit qu’un chef de ménage qui perçoit 1 700 euros par mois aurait alors 3 400 euros bruts.

 

Alors ici tout le monde va dire: "m'enfin c'est exagéré!" Mais qui gagne 3 400 bruts ici? On voudrait bien le savoir. On gagne tous quand même plus que 3 400 bruts et on ne doit pas sacrifier notre vie. On a de plus l'honneur et l'avantage d'exercer notre passion. Enfin j'espère que c'est comme ça pour vous, en tout cas c'est comme ça pour nous. Donc "doubler", voilà le narratif pour emballer la mariée.

 

Pour rester dans la réalité concrète, tous les partis, tout à l'heure en commission et déjà même avant, tous s'accordent pour dire qu'il faut ce nouveau statut, et que donc, en attendant, il fallait trouver une solution rapide. Une certaine députée de l'Arizona a déclaré avec fierté qu'au moins ils avaient été rapides. Alors je ne sais pas s'il y a des problèmes d'agenda, mais nous sommes le 26 février. L'exclusion de la deuxième vague, c'est pour dans trois jours. À trois jours de l'exclusion du chômage, on va faire voter ici une mesure soi-disant rapide. Excusez-moi mais vous n'avez pas été rapides, vous avez été trop lents!

 

On a aussi entendu que dans les partis de l'Arizona, certains se préoccupaient plus que d'autres des aidants proches depuis longtemps. Je pense à ma collègue des Engagés qui dit qu'elle n'a pas attendu la réforme du chômage pour s'occuper des aidants proches. Je pense d'ailleurs que c'était dans leur programme et, tout à l'heure, Mme Pirson nous a expliqué que c'est d'ailleurs bien dans l'accord du gouvernement. Elle nous l'a lu pour bien nous confirmer que s'inquiéter des aidants proches était dans l'accord du gouvernement. Sauf que l'accord du gouvernement c'était en février. La réforme du chômage c'était en juillet. Quand la réforme du chômage arrive, que certains dans l'Arizona ne sont pas conscients que, dans les exclus, il y aura un grand nombre d'aidants proches, nombre que nous ne pouvons pas bien définir puisque, justement, il n'y a pas de liste d'aidants proches parmi tous ces gens qui sont au chômage – je me dis que si on voudrait vraiment, il y aurait quand même moyen de le savoir en s'appuyant sur, par exemple, les mutuelles, ou sur les associations qui s'occupent des enfants avec un handicap, etc., il y aurait quand même moyen de savoir, mais bon, on ne sait pas –, les Engagés, eux ils savent. On peut leur reprocher ce qu'on veut, mais pas de ne pas être en contact avec les associations de terrain, pas de ne pas connaître la situation des aidants proches, pas de ne pas avoir, à un certain moment, participé à des débats avec des associations d'aidants proches pour essayer d'obtenir des avancées. À ce moment-là, le rôle des Engagés dans l'Arizona, c'était de dire qu'il était prévu dans l'accord de gouvernement de s'occuper des aidants proches. Ils auraient dû demander: "Que fait-on avec ce statut de base qui existe et qui ne répond pas à toute une série de problèmes?" Mieux que ça, il aurait fallu dire à votre ministre: "Monsieur le ministre, vous ne le savez peut-être pas, mais, nous, on peut vous le dire, parce qu'on a des contacts avec toutes les associations d'aidants proches. Il nous manque peut-être le Luxembourg, on pourrait le leur demander." Il aurait fallu l'avertir qu'il allait exclure ces aidants proches! Mais vous n'avez rien fait.

 

Aujourd'hui, le gouvernement Arizona propose une petite avancée pour les aidants proches. Mais que propose-t-il pour une maman solo qui travaille un jour ou deux par semaine et reçoit un complément du chômage? Elle va demander sa reconnaissance, sinon elle va se faire virer le 1er mars. Avec cette reconnaissance, elle va avoir 746 euros par mois. Nous avons demandé au ministre ce que cette femme devait faire et il a répondu qu'elle devait aller au CPAS. Cette institution qui représente l'échec de la société, où il y a une file tellement énorme que les assistants sociaux ne s'en sortent pas.

 

Voilà la vision de ce que doit faire une femme dans ce pays, qui a sacrifié sa vie, et ne travaille que deux jours par semaine. Elle va voir son revenu diminuer jusqu'à 746 euros et va devoir aller au CPAS. Pire encore, – j'apprends les réglementations ici, j'espère que le ministre les connaît mieux que moi – quand vous êtes au CPAS, vous ne pouvez pas cumuler un salaire de deux jours par semaine avec un complément de revenu d'intégration sociale. Sinon, on va vous le déduire! Donc, cette femme va arrêter de travailler ces deux jours par semaine. Et c'est comme ça que vous valorisez le travail.

 

Pour en terminer, je rappelle que plusieurs amendements ont été introduits par les différents partis d'opposition de gauche. Ils ne demandaient pas énormément et visaient à apporter des petites avancées, que je ne détaillerai pas ici. En commission, tous ces amendements ont été rejetés par l'Arizona. J'imagine qu'ils seront redéposés en plénière. Par conséquent, je réitère ma demande auprès de tous les députés ici présents qui prétendent respecter les aidants proches, avant de trouver une vraie solution, de soutenir au minimum ces petits amendements qui ne sont que le reflet de ce que demandent les associations de terrain à ce sujet. 

 

21.40  Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le président, chers collègues, avant tout débat sur le fond et la levée de boucliers de l'opposition, j'aimerais tout de même rappeler un élément essentiel: nous discutons d'une proposition de loi qui est pendante à la Chambre depuis des mois et des mois, bien avant le vote de la réforme du chômage. Il est malheureux que des amalgames soient parfois faits entre la réforme du chômage et le cœur de cette proposition de loi.

 

Avec cette proposition de loi et les amendements que nous avons déposés, nous posons un acte vraiment clair. Nous reconnaissons pleinement ceux et celles qui tiennent notre société debout: les aidants proches.

 

Pour Les Engagés, les aidants proches, on l'a rappelé, sont un marqueur fort. C'est une réalité que nous connaissons bien, à laquelle nous sommes régulièrement confrontés. Pour nous, la solidarité ne se proclame pas comme cela, mais elle s'organise en partant de la réalité.

 

Cette réalité que nous connaissons bien, c'est quoi? Ce sont des parents qui accompagnent leur enfant gravement malade, c'est un conjoint qui soutient son partenaire dépendant, c'est un fils ou une fille qui aide son parent âgé. Toutes ces personnes vivent des contraintes quotidiennes, imprévisibles, souvent lourdes humainement et financièrement.

 

Cette proposition de loi s'inscrit dans la prolongation de la loi du 12 mai 2014 et de sa réforme de 2019. Nous n’en changeons pas l'architecture mais nous la rendons plus juste, plus opérationnelle et surtout plus flexible.

 

La première avancée de cette proposition de loi est l’adaptation de la règle du séjour en institution. Aujourd'hui, le droit s'éteint en cas de séjour permanent de plus de 90 jours. Or ce n'est pas parce que quelqu'un est dans une institution que son entourage ne l'aide plus. Concrètement, cette proposition permet aujourd'hui qu'en cas d'accueil partiel ou partagé, le statut et le congé soient maintenus.

 

La deuxième avancée, c'est la flexibilisation du congé. Actuellement, le dispositif impose des périodes d'un mois, ce qui n'a pas de sens puisque la maladie ne se cale pas sur des blocs mensuels. Il y a des crises, des hospitalisations, des périodes critiques qui exigent beaucoup de souplesse. Cette amélioration législative permet de mieux concilier humanité et organisation du travail.

 

La troisième avancée porte la reconnaissance officielle du statut d'un an à deux ans. L'idée est de faciliter la vie des aidants proches et de ne pas les obliger à recommencer les mêmes démarches chaque année, ce qui leur amène de la stabilité.

 

On a voulu vraiment aller plus loin et Les Engagés ont obtenu certaines victoires par rapport à la réforme du chômage, qu'on a voulues et promises pendant les élections. Les amendements présentés aujourd'hui élargissent le texte et introduisent un deuxième volet en matière de chômage. Je rappelle qu'on a été les premiers à alerter sur la situation des aidants proches. On a un seul mérite, avoir mis les aidants proches sur la table déjà au moment des négociations. On a plaidé pour les aidants proches pendant la réforme du chômage, parfois de façon isolée dans ce gouvernement jusqu'il y a peu de temps.

 

Le président: Madame Pirson, j'ai une question de Mme Schlitz et de Mme Merckx.

 

21.41  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame Pirson, en effet, vous faites bien de mentionner le texte dont nous débattons aujourd'hui parce qu'en fait, il n'a rien à voir avec la solution qui a été apportée via des amendements déposés hier par la majorité pour répondre à l'exclusion du chômage des personnes qui sont en situation d'aidance.

 

Vous citez en effet un texte de Mme Lanjri, qu'elle a redéposé parmi ses premiers textes en début de législature et c'est tout à son honneur. Maintenant, comme je vous le disais tout à l'heure, quand on a appris dans la presse que vous vouliez avancer vers une solution et qu'ensuite, on a vu que c'était ce texte-là qui était à l'agenda, on a quand même un peu pensé qu'on nous prenait pour des imbéciles, dans le sens où c'est un texte qui concerne les congés des personnes qui travaillent. Cela n'a donc absolument rien à voir avec les personnes qui sont au chômage, tout en s'occupant d'une personne lourdement dépendante.

 

Au moment du dépôt de ce texte, nous avons émis ces remarques sur l'incohérence du timing, même si c'est en effet intéressant de faire évoluer cette possibilité des congés pour les travailleurs, et nous avons aussi déposé plusieurs amendements. Pouvez-vous nous dire pourquoi vous avez rejeté les amendements que nous avions déposés et qui étaient pourtant les amendements qui découlaient des demandes des associations?

 

Donc vous nous dites: nous connaissons bien les associations, nous connaissons bien le sujet. Je n’en doute pas. Madame Fonck a d’ailleurs travaillé pas mal sur ce dossier.

 

Mais les associations demandent, non pas un fractionnement par semaine, mais par jour, pour pouvoir justement conserver un maximum de leur quota de jours de congé et que cela ne compte pas comme une semaine entière à chaque fois qu’ils prennent un jour. Parce que cela signifie que cela les extrait systématiquement d’une semaine de travail. Si vous avez besoin de prendre une journée parce que votre proche a, par exemple, une crise d'épilepsie grave, ce n’est pas pour autant que vous devez rester à la maison toute une semaine. C'est pourtant ce que le congé enclenche: déposer un jour fait que c’est la semaine entière qui est comptée.

 

Nous avions donc déposé un amendement pour que le calcul se fasse jour par jour. Vous avez rejeté cet amendement. Pouvez-vous nous expliquer pourquoi?

 

Deuxièmement, nous avions également déposé un amendement concernant la durée de la reconnaissance. Il est en effet positif que la durée passe de 1 à 2 ans, et nous le saluons.

 

Par contre, il existe des cas spécifiques où il n’est pas justifié de devoir refaire toutes les démarches administratives tous les 2 ans, alors qu’il est facile de vérifier que le proche aidé est dans une situation de dépendance telle que l’aidance est illimitée. Je pense, par exemple, à un enfant lourdement handicapé. Pourquoi avoir rejeté cet amendement qui visait à éviter à ces personnes des démarches administratives supplémentaires, alors qu’elles sont déjà très fréquemment confrontées à de la paperasse?

 

Autre amendement: il y a bien eu une amélioration concernant le séjour en institution, que nous avons saluée. Mais nous avions également proposé un amendement pour renforcer cette proposition, car dans certains cas, la situation du proche reste fragile. Cet amendement a également été rejeté.

 

J’aimerais donc comprendre pourquoi, dans un esprit constructif tel que vous le décrivez, vous n’avez pas suivi nos propositions, alors que nous avons voté pour cette proposition de loi, même si elle ne répondait pas du tout à l’urgence du 1er mars et à l’exclusion des aidants proches du chômage, et qu’elle avait en réalité un tout autre objet: faire de la communication en présentant des solutions qui n’en étaient pas.

 

Je vous remercie pour vos réponses à ces premières questions.

 

21.42  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Madame Pirson, cela a déjà été dit: vous aviez inscrit une phrase sur les aidants proches dans votre programme et dans l’accord de gouvernement. Toutefois, je ne m’explique pas pourquoi, au mois de juin, lorsque nous avions déjà déposé des amendements, vous ne les avez pas approuvés. Pourquoi ne les avez-vous pas approuvés?

 

Vous affirmez également que vous vous êtes battus sur certains points relatifs au chômage, notamment en ce qui concerne les compensations sur les CPAS. C’est exact, vous vous êtes battus et, même si cela reste très incomplet, certains montants ont été légèrement revus à la hausse.

 

Cependant, le plus grand mensonge de votre programme électoral tient ailleurs. C’est précisément pour cela que cette réforme est à ce point inhumaine. Vous aviez annoncé que l’on proposerait à un chômeur un dernier emploi – un emploi ultime – et que, si celui-ci refusait, il serait exclu. Or cet emploi ultime n’existe nulle part, c'est bien cela le problème aujourd'hui!

 

Dès lors, pourquoi, au mois de juin, lorsque nous avons proposé un amendement visant à insérer cette disposition – à savoir que le service régional de l’emploi doit proposer un dernier emploi à la personne et que ce n’est qu’en cas de refus qu’elle pourrait être exclue –, pourquoi n’avez-vous pas soutenu cet amendement?

 

Nous constatons aujourd’hui les effets de votre réforme. Hier encore, j’ai été contactée par un homme qui a travaillé chez AGC. Il est à quelques mois de la pension, en prépension, avec une carrière complète – il n’est d’ailleurs pas normal qu’il soit exclu – et il a reçu une lettre de l’ONEM lui annonçant son exclusion. Je reçois des témoignages de ce type tous les jours.

 

Une femme qui travaille en titres-services, à raison de treize heures par semaine, est elle aussi exclue du chômage et perd son complément.

 

Non, je suis désolée, cette réforme n’est pas humaine, madame Pirson. Je vous repose donc la question: pourquoi, au mois de juin, n’avez-vous pas approuvé nos amendements qui visaient précisément à adoucir cette réforme?

 

21.43  Nahima Lanjri (cd&v): Collega’s, met alle respect voor onze meningsverschillen wil ik toch vragen om het debat in de commissie hier niet over te doen.

 

Mevrouw Schlitz stelt vragen die in de commissie al zijn beantwoord. Zij argumenteert dat men een dag moet kunnen opnemen. Dat moet inderdaad kunnen en die mogelijkheid is er. Europa heeft dat opgelegd. Men kan vijf dagen zorgverlof per jaar opnemen. Ik heb in de commissie ook uitgelegd dat men bijvoorbeeld een vijfde kan opnemen. Men kan perfect met de werkgever afspreken hoe dat wordt ingevuld. Dat kan per week verschillen, bijvoorbeeld de ene week op een donderdag, een andere week op een andere dag.

 

We verlengen ook de erkenning als mantelzorger van één jaar naar twee jaar en dat de erkenning nog eens kan worden verlengd. Zo staat het duidelijk in de tekst. Men moet dus niet elk jaar opnieuw een aanvraag indienen. De erkenning geldt meteen voor twee jaar en is ook verlengbaar.

 

Anderzijds moeten we enige controle inbouwen. Het kan zijn dat de persoon voor wie men zorgt, intussen is overleden. Dan kan het ziekenfonds melden dat de persoon voor wie de aanvrager zorgverlof wil opnemen, inmiddels is overleden.

 

Ik heb echt veel begrip voor alle vragen, maar velen werden al in commissie besproken. Mevrouw Schlitz, op een aantal vlakken zullen we van mening blijven verschillen. Een aantal van uw verzuchtingen begrijpen we en daarmee hebben we ook rekening gehouden.

 

De voorzitter: Mevrouw Lanjri, het eerste deel van uw onderbreking was mij uit het hart gegrepen. Ik hoop dat iedereen dat ter harte neemt.

 

21.44  Anne Pirson (Les Engagés): Madame Schlitz, je ne vous comprends pas. Aujourd'hui, on a un texte qui vient du cd&v, un texte pour lequel nous sommes aussi co-auteurs, et ce texte nous permet de trouver une solution immédiatement. Ce qui est important, c'était donc de trouver une solution et que cette solution puisse être effective avant le 1er mars. Grâce à ce texte, nous avons cette solution avant le 1er mars. Cette solution, c'est à court terme, mais on sait qu'à long terme on va devoir travailler encore pour améliorer davantage le statut des aidants proches.

 

Quant au rejet de vos propositions dont vous parlez – je ne sais plus si c'est en juillet ou en août –, vous connaissez très bien la logique.

 

(…): (…)

 

21.45  Anne Pirson (Les Engagés): Oui, il y a 2 semaines, ou tout à l'heure, on a parlé d'anciens amendements. Mais vous connaissez très bien – vous avez été secrétaire d'État – la logique de la majorité. Alors aujourd'hui, oui, des portes se sont ouvertes. Ce n'était pas le cas il y a plusieurs semaines ou il y a plusieurs mois. Les portes se sont ouvertes aujourd'hui. On avance. Je pense que c'est ça qu'il faut retenir aujourd'hui.

 

21.46  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Madame Pirson, j'ai deux questions pour vous. La première porte justement sur la porte ouverte aujourd'hui. J'ai dit tout à l'heure qu'il y a une chose qu'on ne pouvait pas vous reprocher en tant que parti des Engagés, c'est que vous avez des contacts, vous connaissez les gens du terrain. Vous avez expliqué que les négociations, ça n'a pas toujours été évident pour défendre les aidants proches dans le gouvernement dans lequel vous participez. Comment expliquez-vous dès lors que, depuis hier après-midi, une porte se soit ouverte? Est-ce que vous avez eu une négociation avec M. Clarinval juste un peu avant dans laquelle vous lui avez expliqué qu'on allait vraiment avoir un gros souci? Ou bien est-ce que vous vous dites qu'il y a aussi la réaction des associations elles-mêmes qui ont mis la pression et que, en tant que personne qui a des contacts avec toutes ces associations, vous trouvez qu'elles ont aussi joué un rôle démocratique dans ce Parlement? J'aimerais bien vous entendre sur ce premier point.

 

Et puis, je veux aussi vous poser une question pour laquelle je n'ai pas eu de réponse tout à l'heure de M. le ministre en commission. On avait bien ici le projet de Mme Lanjri qui parlait des aidants proches qui travaillent. Et là, on a des amendements de l'Arizona concernant les aidants proches qui ne travaillent pas. On a alors collé des amendements à un projet qui n'était pas tout à fait en lien. Est-ce que vous savez me dire pourquoi ce gouvernement n'a pas plutôt fait un projet de loi?

 

21.47  Anne Pirson (Les Engagés): Je pense que ce qui fait la différence entre vous et nous, c'est que, pour vous, les aidants proches sont des personnes qui ne peuvent pas travailler. C'est là la différence. C'est pareil pour les personnes qui perdent leur emploi: on a l'impression que, pour vous, si on travaille chez Cora et qu'on perd son emploi, on ne retravaillera jamais! Pour nous, il me semble que la frontière entre les aidants proches qui travaillent et qui ne travaillent pas, ou qui ne peuvent pas travailler à certains moments, est beaucoup plus fine.

 

Nous pouvons en discuter longuement et je pense que nous ne serons jamais d'accord sur ce point. Alors que cela fait presque deux ans que nous sommes dans ce Parlement, c'est ce qui me marque le plus et c'est sans doute une des choses qui fait la différence entre vous et nous. Certains aidants proches travaillent et arrivent à combiner; pour d'autres, c'est quasiment impossible. Ce n'est pas parce qu'à un moment donné, certains aidants proches ne savent pas travailler que ce n'est pas possible. Vous, vous donnez l'impression que s'ils ne savent pas travailler aujourd'hui, ils ne pourront plus jamais travailler de leur vie. Mais non, pas pour nous! Pour nous, les situations évoluent, rien n'est figé.

 

Dans cette proposition de loi, lier les aidants proches qui travaillent et ceux qui ne peuvent pas travailler n'est pas un non-sens pour nous, et cela est une différence par rapport à vous.

 

Par rapport aux portes ouvertes, la porte ne s'est pas ouverte du côté du groupe MR hier, sinon nous ne serions pas venus avec ces amendements-là. Vous pensez bien que pour arriver à des amendements pareils, nous n'avons pas commencé à discuter hier matin avec le MR. Vous savez que le kern avait pris la décision, il y a trois ou quatre semaines. Avant cela, nous, Les Engagés, avions déposé une résolution qui demandait plusieurs choses. Parmi celles-ci figuraient la demande au gouvernement de trouver des solutions urgentes pour régler le problème des aidants proches qui allaient être exclus du chômage ainsi que la demande de travailler, à long terme, sur un statut pour les aidants proches.

 

Le président: Nous avons eu un long débat en commission. Pouvons-nous peut-être conclure, chers collègues?

 

Je donne la parole successivement à Mme Schlitz et Mme Moscufo.

 

21.48  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le président, nous n'avons pas eu un long débat en commission. Les amendements ont été déposés hier et discutés pendant une heure en commission cet après-midi. Le vrai débat se tient maintenant. Nous avons gardé nos arguments politiques pour la plénière. Cela nous paraissait plus intelligent. Peut-être aurions-nous dû avoir le débat de fond en commission et le recommencer ici, mais je ne pense pas que ce fût la bonne option. Vous pouvez nous laisser avoir ce débat politique relativement à cette saga qui est quand même ahurissante. À présent, tout le monde s'écrie: "Oui, les aidants proches! Mon cœur saigne!" Or, au mois de juillet, quand fut votée la réforme visant à exclure les chômeurs, on savait déjà ce qui allait se passer pour les aidants proches, et personne n'en avait rien à cirer! Aucune solution n'avait été présentée pour apporter une réponse à ces situations spécifiques. Le gouvernement se réveille quatre jours avant l'exclusion, qui aura lieu lundi. C'est donc la dernière minute, le tout dernier moment.

 

Je dirai un petit mot sur la manière dont la réforme va affecter les possibilités de travailler des aidants proches. Deux éléments, au moins, vont les réduire. Lorsque vous faites basculer quelqu'un qui était au chômage tout en étant aidant proche informel, mais qui parvient quand même, quand son proche lui laisse du répit, à travailler deux jours par semaine – exemple qui figure dans la presse –, qui se retrouve à présent exclu du chômage et est renvoyé vers le CPAS, la manière dont fonctionnent les allocations fait que, s'il ne veut pas perdre de son RIS, il ne pourra travailler que deux jours par mois. Cela signifie qu'il subit une perte sèche de revenu. Alors qu'auparavant, il pouvait augmenter son revenu mensuel dans les périodes pendant lesquelles son proche était davantage en forme, il ne lui sera plus possible d'augmenter ses revenus et aussi de maintenir un lien avec l'emploi, qui nous tient à cœur. C'est le premier cas de figure. Aucune réponse n'y est apportée.

 

Un autre cas de figure est celui des allocations de garantie de revenu (AGR), les compléments chômage. Un aidant proche qui travaille un tiers-temps, avec cette réforme telle qu'elle est configurée par le ministre Clarinval, ne pourra plus toucher de complément chômage. Il aura intérêt à percevoir une allocation au CPAS plutôt qu'à garder son tiers-temps. C'est donc un incitant à quitter son travail et, donc, à ne plus maintenir ce lien précieux avec le marché du travail, avec des collègues et avec un revenu qui garantissait davantage de dignité dans la vie quotidienne. Avec votre solution, les aidants proches vont se retrouver avec quelque 700 euros par mois, même s'ils sont isolés. Qui vit avec 700 euros par mois?

 

La conséquence, c'est que les personnes ont davantage intérêt à se tourner vers le CPAS, et donc à se retrouver sur le budget communal. Les communes sont déjà exsangues. Nous savons – nous le savions déjà avant, mais maintenant nous en avons la certitude grâce au rapport de la Cour des comptes – que les transferts pour compenser la réforme sont déjà insuffisants.

 

Et maintenant, nous entendons qu’ils n'ont qu'à aller au CPAS.

 

C'est aussi un scandale. Cela signifie que vous reportez à nouveau vers les communes des situations qui n'ont rien à faire sur les budgets communaux. Cela n'a aucun sens. Le statut d'aidant proche, tel qu'il existera dans le futur, je l'imagine, doit être un budget fédéral. C'est le fédéral qui doit l'assumer. Il n'y a aucune raison à ce que ces personnes soient aujourd'hui dirigées vers les CPAS communaux.

 

J'ai une question. Vous n'avez pas déposé de proposition de loi pour le statut d'aidant proche. Nous ne savons donc pas quel est votre projet pour les aidants proches aujourd'hui. Vous nous dites: "Oui, il faut un statut". L’idéal aurait quand même été, reconnaissez-le, que cela arrive en même temps que la réforme du chômage.

 

Aujourd'hui, en termes de rapport de forces et de levier de négociation, vous avez un peu raté le coche. Si vous l'aviez obtenu au moment des négociations, quand le MR remportait sa grande victoire historique et que la N-VA, avec M. Ronse, disait "Monsieur Clarinval, vous êtes incroyable".

 

C'est à ce moment-là que vous, Les Engagés, deviez dire: "Nous aussi, nous voulons notre compensation". Pas maintenant, trois ans après la guerre.

 

Je ne sais pas ce que vous allez devoir troquer aujourd'hui en matière de droits sociaux pour obtenir ce statut d'aidant proche. Cela fait peur. Franchement, cela fait peur. (…)

 

Le président: Je suis complètement en faveur d'un bon débat, madame Schlitz, mais de temps en temps, j'entends des collègues se répéter.

 

21.49  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Je ne vais pas répéter tout ce que ma collègue vient de dire pour montrer que c’est votre politique qui exclut les gens du travail.

 

Je vais vous relater le témoignage de Marie. Elle nous dit: "Je suis maman solo d’une fille atteinte d’autisme sévère et je ne peux travailler que quelques jours par semaine. Je crains de devoir arrêter presque totalement de travailler à cause de l’Arizona." Je ne vais pas revenir là-dessus car ma collègue vient d'en expliquer les raisons.

 

Par contre, madame Pirson, la prochaine fois que vous cherchez à établir des différences entre vous et nous, il ne faut pas utiliser la question du travail. Vous connaissez bien le nom de notre parti: "Parti du Travail". Tout notre engagement tourne autour de cela. Nous défendons une société qui produit tout ce qui est nécessaire aux besoins de la population grâce à la force de travail de toute la société. C’est notre vision du monde aujourd’hui. Je ne me permettrais pas de dire que vous n’êtes pas pour le travail, alors j'aimerais bien que vous en fassiez autant.

 

Une autre différence entre vous et nous est la manière dont les richesses sont réparties en Belgique. Toutes ces femmes et tous ces hommes qui sont aidants proches, que vous connaissez, compensent un manquement de la société qui n’investit pas dans l’humain. Aujourd’hui, vous participez à un gouvernement qui a choisi d’investir dans l’achat de F‑35 plutôt que dans la santé, le social et l’humain. Je trouve cela assez fort, pour une dame des Engagés.

 

21.50  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Madame Pirson, je vous ai demandé tantôt pourquoi vous n'aviez pas plutôt soutenu nos amendements au mois de juin et vous avez répondu que c'était parce qu'une porte s'était ouverte aujourd'hui. Je pense que ce n'est pas que ça, et que ce sont surtout les associations d'aidants proches qui ont continué à se battre.

 

Le fait que ce dossier avance un peu aujourd'hui, grâce aux aidants proches et aux associations qui depuis des mois tirent la sonnette d'alarme, nous donne une grande leçon. Quand on se bat, quand on tient bon, on peut gagner et on peut faire avancer les choses. On nous a souvent dit que la loi sur la réforme du chômage était votée et qu'on ne pourrait plus rien y changer. Aujourd'hui, on change quelque chose dans cette loi de réforme du chômage. Et c'est la même chose pour la TVA, sur laquelle vous avez dû reculer.

 

Vous avez encore d'autres projets en tête. Je veux dire aux gens qu'il ne faut pas baisser les bras, qu'il faut faire comme les aidants proches. Il faut s'unir tous ensemble pour que vous ne puissiez pas voter vos autres plans, par exemple pour vous en prendre à nos pensions et à nos salaires avec le blocage de l'indexation. Je lance ici un appel aux gens. Nous devrons être et nous serons très nombreux le 12 mars pour faire en sorte que le gouvernement Arizona recule.

 

De voorzitter: Dank u, al was het ook niet helemaal op het thema gericht, vrees ik. Het heeft vooral de avond verlengd.

 

Madame Pirson, vous avez la parole.

 

21.51  Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le président, je répondrai très brièvement. Vous qualifiez cette réforme du chômage d'inhumaine; je pense que si elle était inhumaine, la Cour constitutionnelle l'aurait suspendue, ce qu'elle n'a pas fait. C'est déjà un signe.

 

Pour ce qui fait référence au travail, madame Moscufo, je suis désolée, je pense que le PTB n'en a que le nom et rien d'autre. Je n'entrerai pas dans le débat. On peut encore faire perdurer ce débat pendant dix ans, on ne sera de toute façon jamais d'accord.

 

Quant à savoir ce qu'on veut mettre dans ce statut d'aidant proche et pourquoi on ne l'a pas fait en même temps que la réforme du chômage, je tiens à dire que l'on n'aurait pas su le faire, puisque jusqu'à aujourd'hui, les aidants proches étaient cachés. Seuls 400 aidants proches étaient reconnus et ont demandé cette dispense. Comment vouliez-vous qu'on travaille sur un statut pour les aidants proches, alors qu'on ne connaît pas ces aidants proches et qu'on n'a pas de chiffre exact sur qui sont les aidants proches qui ne savent pas travailler parce qu'ils ont des charges de famille?

 

Si vous me le permettez, monsieur le président, je continue mon intervention. Comme je viens de le dire, on n'a pas attendu cette réforme du chômage ou les avis du secteur non marchand pour proposer des solutions pour les aidants proches et travailler sur le sujet. Étant échevine à Ciney, je me souviens encore avoir écouté Mme Fonck dans l'opposition qui, à ce moment-là, était la seule à défendre les aidants proches. Comme elle, je viens de Ciney, la seule commune qui, voici trois à quatre ans, a aidé à la mise en place d'une ASBL locale, Aidants Proches Entraide Ciney. Cela n'existe nulle part ailleurs en Wallonie. Les aidants proches sont donc vraiment un sujet qui nous tient à cœur. On ne fait pas semblant depuis quelques jours. Non, c'est vraiment un sujet qui nous tient à cœur. Et donc, tout ce qu'on entend sur notre position par rapport aux aidants proches, je ne peux pas l'accepter.

 

Avec ces amendements, on va plus loin et on corrige certains effets pervers de la réforme du chômage. On s'inscrit vraiment dans la possibilité d'une dispense de disponibilité pour aidants proches. Et on revalorise, oui, on double l'allocation liée à cette dispense, puisqu'elle sera alignée sur le statut de cohabitant. Je parle aussi des jeunes en allocation d'insertion qui bénéficieront d'un montant équivalent à celui d'un cohabitant de plus de 21 ans. C'est un choix politique d'aller dans cette direction-là.

 

Nous prévoyons aussi une mesure transitoire, puisque les personnes qui ont été exclues du chômage au 1er janvier peuvent – avec un effet rétroactif –, elles aussi, accomplir les démarches jusqu’au 31 mars 2026 pour obtenir, si elles remplissent les conditions, la reconnaissance du statut d’aidant proche.

 

Ce texte, dans son ensemble, traduit notre vision sociale. Pour nous, la protection sociale doit être à la fois soutenable – nous ne pouvons pas faire n’importe quoi car les moyens sont limités –, elle doit être ciblée et profondément humaine. Nous croyons certes à une solidarité, mais une solidarité exigeante envers les pouvoirs publics, qui doivent organiser un cadre clair et efficace, et exigeante envers nous-mêmes, afin de ne pas laisser les plus vulnérables seuls face aux charges invisibles.

 

Nous sommes d’accord sur le fait que cette proposition ne règle évidemment pas tout. C’est une étape structurante et, aujourd’hui, nous envoyons un message clair aux aidants proches: la société vous voit, vous reconnaît et vous soutient. Pour nous, c’est cela, l’engagement politique.

 

Le président: Madame Moscufo et madame Schlitz, nous avons un débat, vous pouvez intervenir, mais cela dure et je n’entends plus d’éléments nouveaux. 

 

21.52  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Depuis que je siège au Parlement, j’ai appris que, lorsqu’un collègue d’un autre parti dit quelque chose à propos de mon parti avec laquelle je ne suis pas d’accord et que je ne réponds pas, cela signifie que je suis d’accord avec ce qui a été dit.

 

Madame Pirson, je ne vous permets plus de dire que, comme Parti du Travail de Belgique (PTB), nous n’avons rien à voir avec le travail. Je vous le dis sincèrement: quel mépris! Vous aimeriez que nous ne soyons pas le parti du travail. Vous savez d’où vous vient ce mépris.

 

Nous avons 25 000 membres. Savez-vous ce qu’ils font dans leur vie? Nous avons des personnes qui travaillent dans la construction, dans le commerce, comme enseignants. Nous avons des personnes qui exercent des métiers pénibles et qui résistent face à vos politiques inhumaines qui les obligent à travailler jusqu’à 67 ans. Vous êtes sans doute, comme monsieur Bacquelaine, convaincue que l’on peut travailler jusqu’à 67, voire 70 ans, et que tout va bien, mais lorsque l’on exerce un métier pénible, on ne peut pas travailler jusqu’à 67 ans. Et ça, cela m’étonne de votre part.

 

Ici, dans notre groupe, nous avons Roberto D'Amico, qui est malade, qui a été opéré du dos, qui a travaillé plus de 30 ans. M. D'Amico ne serait vraiment pas heureux de recevoir une carte de votre part, madame, parce que vous menez une politique contre sa classe. Je termine. Je ne vous permets pas, au nom de la classe.

 

Le président: Nous allons conclure ce débat. Madame Schlitz, vous pouvez encore intervenir.

 

21.53  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Écoutez, monsieur le président, vu la situation, je ne comprends pas pourquoi vous tentez de nous presser dans un débat d’une telle importance, pour lequel nous attendons des solutions depuis des mois.

 

Le président: Je ne suis pas pressé.

 

21.54  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Si, vous nous pressez. Il est 21 h 30. Nous ne sommes pas dans une séance qui dérape. C’est tout de même assez dingue.

 

Madame Pirson nous dit que l’on n’aurait pas su faire un statut d’aidant proche parce que l’on ne sait pas qui sont les aidants proches, puisqu’ils ne sont pas encore déclarés. Si je vous comprends bien, c’est un peu le problème de l’œuf et de la poule.

 

Il existe pourtant une ASBL des aidants proches. Vous nous avez répété toute la journée que vous étiez très connectés à la question des aidants proches. Il est dès lors étonnant de venir nous dire que l’on ne savait pas faire un statut pour ces personnes parce que l’on ne savait pas qui ils étaient.

 

(...): (...)

 

21.55  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Si, c’est ce qu’elle vient de dire. Nous pouvons regarder la vidéo. N’apportez pas vos techniques du MR chez Les Engagés, ne commencez pas comme cela!

 

Ils représentent donc 12 % de la population, soit plus d’un million de Belges, souvent invisibles – comme vous l'avez dit –, majoritairement des femmes, souvent entre 50 et 70 ans; parfois des jeunes, voire des enfants, qui s’occupent de leurs parents. M. Bacquelaine me dit hors micro: "des animaux aussi". Vous voyez le niveau du débat, et ensuite c’est l’opposition qui poserait problème. Nous pouvons nous calmer!

 

En moyenne, cela les occupe 20 heures par semaine; mais, dans la réalité, c'est surtout une charge mentale 24 heures sur 24, sept jours sur sept, 365 jours par an. Ce sont des personnes qui veillent jour et nuit, qui doivent aller chercher des médicaments, faire renouveler des attestations, effectuer des démarches administratives – que vous avez décidé de continuer à leur imposer, par ailleurs.

 

Donc, nous savons qui sont ces aidants proches. Vous pouvez organiser des focus groupes, des sondages pour arriver à mieux les cerner, mais je ne pense pas qu'il y ait besoin de mettre au point ce profil de l'aidant proche, qui n'existerait pas encore, pour avancer sur ce statut.

 

Vous avez en fait trouvé une solution, puisque vous les invitez à se déclarer dans des délais très courts auprès de leur mutuelle. Vous auriez pu la mettre en œuvre il y a un an, au moment de la formation du gouvernement, au nom de la ligne que vous aviez réussi à faire inscrire dans l'accord de majorité. Cela aurait été une chouette idée.

 

21.56  Anne Pirson (Les Engagés): Madame Moscufo, le communisme, ce n'est pas le travail, c'est l'anti-épanouissement, et on voit très bien ce que cela a donné! Je continuerai à me battre contre les extrêmes, qu'ils soient de gauche ou de droite, que vous soyez d'accord avec moi ou pas. Je vois qu'on dérange, donc je crois qu'on doit être dans le bon.

 

Madame Schlitz, concernant les aidants proches qu'on ne connaîtrait pas, il y a 1 300 000 aidants proches recensés ou estimés par l'ASBL Aidants Proches, mais toutes ces personnes-là ne sont pas… Pendant deux ans, j'ai été aidant proche de trois personnes de ma famille. Je sais de quoi je parle. Est-ce que cela m'a empêchée? Parce qu'on est aidant proche, doit-on être hors du circuit du travail? Pour certaines personnes, oui, mais pas pour d'autres.

 

On n'est pas nécessairement aidant proche 24 heures sur 24, sept jours sur sept, on l'est à certains moments de la journée, ou de la semaine. C'est bien cela la difficulté actuellement, c'est qu'on ne connaît pas exactement leur nature, on ne sait pas catégoriser les différents aidants proches. C'est pour cela que nous n'aurions pas pu travailler sur un statut puisque nous n'avons pas cette connaissance fine des différentes catégories d'aidants proches.

 

21.57  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Collega’s, mantelzorg overkomt u, daar kiest men niet voor. Dat waren ooit de eerste zinnen die ik in het Parlement heb uitgesproken. In 2019 ging mijn eerste vraag daarover. Ik zal het nooit vergeten. Mevrouw Lanjri, ik zal ook nooit vergeten dat u toen mee aan de kar trok voor het statuut van mantelzorgers.

 

Ik ben dus tevreden. Het debat heeft over zeer veel onderwerpen gehandeld en dat is ook nodig, maar het oorspronkelijke wetsvoorstel gaat over mantelzorgers die de mantelzorg combineren met werken. Ik heb altijd gezegd dat de combinatie van werk en gezin soms heftig kan zijn, maar dat ze nog zwaarder wordt wanneer die moet worden gecombineerd met de zorg voor een partner met kanker, een kind met een handicap, een ouder met dementie of een ouder die gewoonweg bejaarder wordt. Dat kan al eens te zwaar worden. Om die reden is in 2020 het statuut van mantelzorger en het bijbehorende verlof in werking getreden, zoals u al toegelicht hebt, mevrouw Lanjri. In het hele debat is misschien wat te weinig aandacht geweest voor uw initiatief om het mantelzorgverlof uit te breiden en flexibeler te maken. Daarmee biedt het een antwoord op reële noden.

 

Voor een zorgbehoevende treedt immers niet altijd maar één mantelzorger op. Soms zijn er verschillende mantelzorgers, bijvoorbeeld als de zorg wordt gedeeld met broers en zussen. Als ieder van hen telkens een week verlof kan opnemen om bepaalde periodes te overbruggen, weerspiegelt dat gewoon de samenleving zoals ze vandaag bestaat. Ik ben dan ook heel tevreden dat wij hier vandaag stappen vooruit kunnen zetten.

 

Collega’s, het overkomt u – zo ben ik begonnen – want mantelzorg ontstaat wanneer iemand in uw omgeving ziek wordt of een handicap heeft. Niemand vraagt dan welk statuut u hebt. In die zin overkomt het u. Men kan ook werkloos zijn wanneer u dat overkomt. Daarom ben ik vandaag opgelucht dat er eindelijk ook voor de groep van werkloze mantelzorgers stappen vooruit worden gezet, onder meer door de verdubbeling van de uitkering voor erkende mantelzorgers. Belangrijk is ook dat dat gedeeltelijk retroactief geldt. Mensen die vanaf 1 januari feitelijk onder dat statuut vallen maar enigszins ongelukkig uitgesloten zijn, hebben nog tot 31 maart de mogelijkheid om hun aanvraag in te dienen, zodat ze die erkenning in de werkloosheid kunnen krijgen, de uitkering kunnen ontvangen en daarvan nog een jaar kunnen gebruikmaken.

 

Ik wil u in ieder geval bedanken, mevrouw Lanjri, voor het initiatief. Ik wil alle collega’s bedanken voor hun steun, want het is unaniem goedgekeurd. Ik heb het al in de commissie gedaan, maar ik wil hier expliciet ook de collega’s van de oppositie bedanken voor hun steun aan de procedure vandaag, waarnaar de heer Magnette daarjuist heeft gerefereerd. Het is bijna 1 maart, en tegen dan moeten we een oplossing hebben. Het is goed om te horen dat voor de procedure unanieme steun werd uitgesproken, zodat er vanavond nog over het voorstel gestemd kan worden.

 

Ik wil, net zoals mevrouw Lanjri heeft gedaan, alle mantelzorgorganisaties bedanken omdat ze elke keer opnieuw de vinger aan de pols hebben gehouden. Ik vind dat heel belangrijk. Ik kijk uiteraard uit naar andere, verdere, initiatieven van de regering. Onze minister heeft al aangekondigd dat hij verder wil inzetten op de ondersteuning van mantelzorgers, deels door de zaken administratief nog verder te vereenvoudigen. Dat vind ik belangrijk, want als men constant aan het zorgen is, moet men niet, zoals ik nu zie in mijn eigen omgeving, bij mijn ouders, ook nog eens bezig zijn met alle paperassen en rondbellen terwijl zijn hoofd er niet naar staat. Daarom is het goed dat nog verder gezocht wordt naar administratieve vereenvoudiging.

 

Ik vind het ook goed dat er in psychologische ondersteuning voor mantelzorgers voorzien zal worden. In de commissie heb ik al gezegd dat aan de zieke dikwijls wordt gevraagd hoe het hem of haar gaat. Men ziet de mantelzorger dan niet echt staan. De mantelzorger doet altijd maar voort, en voort, maar niemand, soms zelfs de huisarts niet, vraagt aan de mantelzorger: hoe gaat het eigenlijk met u? Nochtans kan mantelzorg bijzonder zwaar zijn, niet alleen fysiek, maar ook emotioneel. Ik kijk dus uit naar verdere initiatieven.

 

Ik kan alleen besluiten dat mantelzorgers die zich dag in dag uit inzetten en die dag in dag uit zorgen voor hun naaste, ons respect en onze dankbaarheid verdienen.

 

21.58  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le président, chers collègues, je ne serai pas longue car j'ai déjà exposé pas mal des éléments politiques que je voulais présenter ou répéter ici.

 

Je voudrais simplement annoncer que j'ai redéposé les amendements qui ont été rejetés en commission. En effet, je pense qu'au vu des discussions très éclairantes et constructives que nous avons ici, il y a l'opportunité d'aller plus loin. Tout le monde exprime sa volonté de protéger les aidants proches, de faire en sorte qu'ils puissent avoir un vrai statut. J'ai pris la décision, avec mon collègue Jeroen Van Lysebettens qui porte le dossier avec moi, de déposer une série de neuf amendements qui permettent d'aller plus loin et d'améliorer la proposition qui nous est soumise ici.

 

Dans notre premier amendement nous proposons de permettre que trois personnes puissent être reconnues aidantes d'une même personne en situation de dépendance. Cela permettra de s'aligner sur la réalité de certaines familles séparées ou qui sont en garde alternée, de faire en sorte qu'il n'y ait pas un renvoi injuste d'un des deux parents séparés vers le CPAS alors que l'autre pourrait bénéficier de la protection créée ici, de prévenir les discriminations – car on suppose que ce seraient principalement les femmes qui se retrouveraient en position de relégation – et de reconnaître et d'encourager la coresponsabilité parentale et de ne pas créer un déséquilibre entre les deux parents.

 

Le deuxième amendement que nous redéposons vise à supprimer le plafond de 48 mois. Pour nous, cette dispense limitée à 48 mois cumulés, même avec une tolérance administrative supplémentaire de 12 mois, est un véritable problème.

 

Les troisième et quatrième amendements concernent le montant de l'allocation. Nous craignons vraiment que la solution apportée ici soit tout à fait insuffisante en raison du montant beaucoup trop faible de l'allocation. Certes, le montant est doublé mais il avoisine les 350 euros; on se retrouve donc avec un montant qui est aux alentours de 750 euros par mois pour vivre! Comment voulez-vous qu'une personne seule avec un enfant en situation de handicap, par exemple, s'en sorte avec un tel montant? Nous pensons qu'il s'agit d'un transfert de charges, à nouveau déguisé, vers les communes; en effet, pour une personne dans cette situation qui sera exclue au 1er mars, c’est-à-dire ce dimanche, il sera plus avantageux de se rendre au CPAS pour demander un RIS plutôt que d'être maintenue au chômage et donc de rester sur les budgets fédéraux.

 

Donc, nous trouvons qu'il est injuste de faire peser l'absence de solutions structurelles et adéquates, qui devraient venir du fédéral, sur les communes, lesquelles sont déjà la tête sous l'eau et doivent entreprendre des coupes budgétaires importantes en raison du coût insuffisamment compensé de la réforme du chômage. Nous proposons le doublement de l'allocation.

 

Notre cinquième amendement concerne le délai raisonnable. Cela ne coûtera rien à l'État. Il s'agit simplement de laisser un peu plus de temps aux personnes pour qu'elles se déclarent. Nous savons que tout le monde n'est pas hyperconnecté et nous ignorons, c'est l'objet d'un autre amendement, comment les intéressés seront informés de cette possibilité qui est offerte par le Parlement. Il est demandé qu'il y ait une obligation d'information proactive par l'ONEM à ce sujet et d'étendre un peu le délai pour que les personnes puissent s'organiser. Un mois, c'est hyper court.

 

Notre sixième amendement vise à supprimer la condition du mi-temps minimum. À nouveau, il est incompréhensible que cette réforme ait pour impact d'empêcher des aidants proches de se maintenir dans l'emploi. Aujourd'hui, avec la suppression de l'AGR, donc du complément chômage, lorsque quelqu'un est employé pour une durée inférieure à un mi-temps – comme c'est souvent le cas chez les aidants proches qui parviennent à bosser un tiers-temps et à s'occuper de leurs proches le reste du temps –, il ne pourra plus vivre dignement en recevant le revenu d'un tiers-temps et aura, par conséquent, davantage intérêt à se tourner vers le CPAS. C'est à nouveau injuste pour les communes et pour les personnes qui se retrouveront également tributaires d'une caisse qui n'a rien à voir avec leur situation.

 

Nos huitième et neuvième amendements concernent le maintien des bénéficiaires d'allocations d'insertion et de chômage ayant activé la dispense dans le régime, dans l'attente de l'instauration d'un véritable statut d'aidant proche. Autrement dit, tant que le politique n'aura pas avancé, personne ne sera exclu. Il s'agit de maintenir le gel tant qu'un statut n'a pas vu le jour et n'est pas entré en vigueur.

 

Monsieur le président, j'en ai terminé et je constate que M. Bacquelaine est content!

 

21.59  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, chers collègues, il était en effet temps, puisqu’il ne reste plus que trois jours avant l’échéance fatidique du 1er mars, qui faisait trembler trop de familles depuis des mois.

 

Pour rappel, la première alerte relative aux aidants proches vous est parvenue le 16 avril 2025, alors que la réforme du chômage n’était encore qu’un projet. Il aura finalement fallu attendre 10 mois pour qu’à la suite d’un kern, le vendredi 13 février 2026, vous annonciez une solution adaptée. Vous êtes ensuite resté silencieux quelques jours. Pourtant, pendant ce tempslà, linquiétude ne diminuait pas sur le terrain, bien au contraire. Enfin, depuis hier, des solutions arrivent. Elles ont le grand mérite d’exister. Il faut remercier tous ceux qui ont permis que ce soit possible. Et je le dis tout de suite, je les soutiendrai.

 

Cependant, ces solutions ressemblent surtout à un bricolage administratif rapide et à un simple sursis. Cette réponse de dernière minute laisse des oubliés et entretient une grande incertitude quant à l’avenir. Les aidants proches qui vivent en couple avec un parent qui travaille seraient sauvés, mais visiblement pas ceux séparés ayant une garde partagée, ni ceux qui élèvent seuls un enfant, qui devront aller au CPAS. Les aidants proches qui sont au chômage avant le 1er mars pourraient prolonger la durée de leurs allocations, mais pas ceux qui entreront au chômage à partir du 1er mars. S’il y a deux parents séparés qui se partagent la garde d’un enfant, un seul pourra voir ses revenus préservés.

 

Cela reste un appauvrissement brutal pour les parents solos. On propose de porter l’indemnité de dispense de l’ONEM à 745,94 euros par mois, quel que soit le statut familial. Monsieur le ministre, avezvous conscience que pour une maman solo, comme Isabelle ou Yana – pour reprendre les exemples désormais connus ici, car déjà cités il y a plusieurs semaines –, qui touche actuellement environ 1 770 euros par mois, cela représente une perte de 1 000 euros? Cela va pousser des familles monoparentales vers le CPAS, brisant leur autonomie financière et leur futur droit à la pension.

 

Il s'agit aussi d'une assignation des mères solos à la maison. Vous dites aux aidants proches, parents solos ou en garde alternée, d’aller frapper à la porte du CPAS. Or, aujourd’hui, nombre de ces mamans – puisque la grande majorité des personnes dont nous parlons sont des femmes – combinent un travail à temps partiel – à raison d'un ou deux jours par semaine – et des allocations de chômage pour les jours nécessaires à l’aidance. Au CPAS, audelà dune exonération, elles seront pénalisées financièrement si elles travaillent; le CPAS déduit les revenus professionnels du revenu dintégration. Allezvous pousser ces femmes à quasiment cesser leur travail et les assigner à la maison?

 

Un tri injuste entre les aidants proches va aussi subsister. Dans les couples de deux aidants ou les familles séparées qui se partagent la garde d’un enfant, il ne pourrait y avoir qu’une seule personne "sauvée". Enfin un simple sursis de 12 mois va aussi subsister. Nous sommes dans une solution transitoire. Vous évoquez un report d’un an maximum. Or le handicap d’un enfant comme le petit Milan ou Dimitri, le fils de Yana, ne s’arrête pas par enchantement après 12 mois. Ces familles ont besoin de sécurité juridique, d’un véritable statut fédéral et non d’une béquille temporaire.

 

Nous voyons aussi une forme d’improvisation jusqu’au bout. Sur le site du MR, depuis hier, nous pouvons lire que vous proposez aussi une solution pour les jeunes aidants proches, en augmentant le montant des allocations d’insertion sous dispense "aidants proches". Sauf que le site de l’ONEM, lui, rappelle que si vous bénéficiez d’allocations d’insertion, la dispense n’a pas d’impact sur la durée de votre droit à ces allocations.

 

Monsieur le ministre, pour rappel, votre propre accord de gouvernement stipule: "Les aidants proches jouent un rôle très important et il vaut mieux les soutenir".

 

J’ai donc quelques questions. Je vous présente mes excuses si elles ont été posées en commission. Comme je devais intervenir ici, je n’ai pas pu participer aux travaux.

 

Alors que les premières alertes datent du 16 avril, pourquoi avoir attendu hier, 25 février, pour proposer une solution concrète?

 

Que répondez-vous aux parents solos, particulièrement ceux qui aimeraient continuer à travailler et ne pas se faire assigner à la maison? Que répondez-vous aux familles de deux parents ayant tous les deux besoin d'une dispense? Que répondez-vous aux aidants proches qui ont quasiment ou totalement épuisé leur dispense? Que répondez-vous aux allocataires d'insertion à qui vous avez communiqué hier une solution? Que répondez-vous aux aidants qui ont peur de se retrouver dans la même situation dans 12 mois?

 

Prenez-vous surtout l'engagement de garantir un revenu digne à chaque aidant proche, un revenu situé au-dessus du seuil de pauvreté, dans le cadre du futur statut que le gouvernement va créer?

 

Il aura fallu 10 mois pour proposer un bricolage bancal, mais vous laissez aux aidants quatre semaines pour être informés et réaliser les démarches. Dans ce contexte, qu'allez-vous mettre en place pour qu'à tout le moins, l'information correcte arrive personnellement à chaque aidant proche? L'ONEM va-t-il envoyer une lettre à chacune des personnes en cours d'exclusion pour lui expliquer les conditions et les démarches à entreprendre?

 

En conclusion, il reste des incertitudes et des inquiétudes. Ce n'est pas la création d'un statut d'aidant proche, c'est un texte d'urgence, qui est le produit d'une improvisation devant les conséquences de votre propre politique, qui va limiter les dégâts, mais qui ne va pas fournir de solution à toutes et à tous.

 

Je voterai pour, mais je préviens tout de suite que cela ne suffira pas à éviter les drames sociaux qui vont se multiplier dans ce pays dans les mois à venir, dans ce désert qui porte décidément bien son nom d'Arizona. Je vous remercie.

 

21.60  Julie Taton (MR): Je voudrais commencer par remercier tout le monde.

 

Remercier Mme Lanjri pour son texte, qu’elle défend depuis très longtemps. Remercier mes collègues Florence Reuter et Denis Ducarme d’avoir porté ces amendements cet après-midi. Remercier aussi l’opposition d’avoir voté ces amendements pour les aidants proches. Remercier M. le ministre David Clarinval de proposer une solution pour toutes ces personnes avant le 1er mars.

 

C’est déjà un bon début, mais nous le savons et nous le disons depuis quelque temps et encore depuis quelques heures: ce n’est pas suffisant.

 

Ce dossier me touche particulièrement parce qu’il fait partie des raisons pour lesquelles je me suis engagée en politique. J’en ai d’ailleurs beaucoup parlé avec Mme Moscufo et avec Mme Thémont en commission et dans les couloirs du Parlement. Un vrai statut doit exister, en accord avec la situation de chacun, solo ou pas.

 

Nous avons écouté l’ASBL Aidants Proches à la présidence du parti. J’ai également beaucoup de contacts avec des parents. Nous avons échangé avec David et son cabinet et, aujourd’hui, nous avons une solution pour un an. Cela signifie que nous avons une année, un petit peu de temps, pour trouver une vraie solution pérenne et rassurante. Un vrai statut pour toutes ces personnes qui n’ont pas eu d’autre choix que de mettre leur vie entre parenthèses. Au quotidien, elles donnent toute leur énergie, toute leur force, tout leur temps, tout leur amour pour s’occuper de leur bébé, de leur enfant ou d’un proche qui a plus que besoin d’elles.

 

J’ai déposé mon texte, qui suit visiblement son parcours au sein des services. C’est une proposition qui offre un vrai statut, une allocation basée sur la situation de chacun, comme je le disais, solo ou pas.

 

J’espère pouvoir le défendre devant vous très prochainement. J’ai fait ma part avec les leviers existants ici, au fédéral. Le plus important est que, dans moins d’un an, nous ayons une vraie solution pour soulager et rassurer complètement toutes ces personnes, que cela vienne du fédéral ou des régions.

 

Je me tourne vers mes collègues des Engagés et je voudrais vous demander de parler à votre ministre, M. Coppieters, afin qu’il propose également quelque chose avec son budget, qu’il agisse aussi au niveau des centres d’accueil et des places dans ces centres, parce que cela pourrait offrir une solution dans certains cas.

 

J’espère que, comme derrière les amendements d’aujourd’hui, nous nous rassemblerons. Merci beaucoup.

 

21.61  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame Taton, merci pour vos mots, et de reconnaître le travail constructif de l'opposition.

 

En effet, il était moins une. Une petite solution a été apportée, et nous la soutiendrons. Chaque pas qui va dans le bon sens, nous voterons pour.

 

Néanmoins, soyez bien consciente que des personnes vont se retrouver dans de grandes difficultés à partir du 1er mars. Certaines le sont déjà depuis le 1er janvier et la première vague d'exclusions. Il y a des personnes dont la vie a basculé, ou va basculer lundi prochain.

 

Plutôt que d'avoir proposé directement une solution pérenne, en marge de la réforme du chômage, qui aurait permis à ces personnes de ne pas tomber, vous commencez par les faire tomber pour ensuite les faire sortir du ravin. Pour nous, ce n'était pas la bonne articulation, ni la bonne solution. Vous avez agi avant de prévoir, et vous avez travaillé dans le mauvais sens.

 

Ces personnes vont se retrouver avec une diminution sèche de 1 000 euros par mois. C'est énorme, pour des personnes qui ont des enfants à leur charge et avaient un revenu d'environ 1 700 euros. Elles se retrouveront avec 740 euros. Voilà ce que le gouvernement leur propose. Ces personnes vont donc s'orienter vers les CPAS, avec tout le lot de contrôles qui sont organisés sur les bénéficiaires du CPAS. Elles vont devoir suivre un PIIS, un plan d'activation, effectuer telle ou telle démarche faute de sanctions… Ces personnes n'ont rien à faire au CPAS, même moins d'un an. Ces familles sont hyper stressées aujourd'hui.

 

Pour certains aidants proches, cela va constituer une solution, s'ils sont cohabitants par exemple. Mais par pour tous. Cela m'inquiète profondément, car vous n'avez pas fait les choses dans le bon ordre.

 

21.62  Anne Pirson (Les Engagés): Madame Taton, je vous remercie pour l’appel d’air.

 

Nous sommes en effet ensemble dans le gouvernement Azur. Le ministre Coppieters a déjà élaboré un plan pour les aidants proches avec les moyens dont nous disposons. Puisque vous nous lancez un appel, nous vous en adressons un également. Il est vrai que nous avons le portefeuille au niveau de la Région wallonne. Vous en avez la présidence. Nous espérons donc que nous pourrons avancer ensemble pour le bien commun.

 

De voorzitter: Tot slot staat collega Van Lysebettens voor de zware taak om nog iets nieuws te zeggen.

 

21.63  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik zal het kort houden, aangezien het debat de meeste aspecten reeds heeft belicht.

 

Onderhavig wetsvoorstel en de door de meerderheid ingediende amendementen zijn stappen in de goede richting. Daarom zullen we ze steunen.

 

Tegelijkertijd blijven er nog vele lacunes. De collega’s van de oppositie hebben die aangekaart en verschillende oppositiepartijen hebben amendementen ingediend om die lacunes te dichten, maar die werden in de commissie weggestemd. Ik hoop dat u zich straks nog bedenkt, al maak ik me daarover weinig illusies.

 

Collega’s, laat één punt glashelder zijn. Het wegstemmen van oplossingen voor evidente problemen beschouw ik als een engagement van de meerderheid en haar zelfverklaarde heiligen om de problemen structureel op te lossen. Waag het dus niet om het beperkte uitstel dat met het wetsvoorstel wordt gekocht, over een jaar af te wentelen en te zorgen voor opnieuw onzekerheid voor mantelzorgers, die een chronisch zieke ondersteunen. Waag het evenmin om hier straks in de plenaire vergadering mondelinge vragen te stellen over schrijnende situaties van mantelzorgers met een veel te lage uitkering. Waag het niet om opnieuw te elfder ure alles samen te schrapen om te doen wat evident menselijk is.

 

Op dit vlak ben ik het volmondig eens met de heer Magnette: we zitten hier om oplossingen uit te denken en niet om onszelf lof toe te zingen.

 

Mevrouw Lanjri, ik richt mij rechtstreeks tot u, omdat u een van de weinige leden van de meerderheid bent die in het dossier niet van standpunt is veranderd en die steeds aan de kar is blijven trekken, ook toen uw coalitiepartners er nog totaal anders over dachten. Zelfs indien die amendementen worden weggestemd – mijn fractieleider heeft dit daarnet eveneens verklaard –, blijven wij onze medewerking aanbieden, zowel bij de stemming als in de verdere procedure om oplossingen uit te werken voor mantelzorgers, over regeringspartijen en oppositie heen.

 

Dat is immers ook wat mantelzorgers zelf doen: zich onbaatzuchtig inzetten voor hun naasten. Daaraan kunnen velen onder ons een voorbeeld nemen.

 

De voorzitter: Vraagt nog iemand het woord? (Nee)

Quelqu'un demande-t-il encore la parole? (Non)

 

Dat betekent dat alle interventies gehouden zijn.

 

De algemene bespreking is gesloten.

La discussion générale est close.

 

Bespreking van de artikelen

Discussion des articles

 

Wij vatten de bespreking van de artikelen aan. De door de commissie aangenomen tekst geldt als basis voor de bespreking. (Rgt 85, 4) (300/10)

Nous passons à la discussion des articles. Le texte adopté par la commission sert de base à la discussion. (Rgt 85, 4) (300/10)

 

Het opschrift werd door de commissie gewijzigd in "wetsvoorstel houdende diverse maatregelen ten gunste van de mantelzorgers".

L'intitulé a été modifié par la commission en "proposition de loi portant diverses mesures en faveur des aidants proches".

 

Het wetsvoorstel telt 12 artikelen.

La proposition de loi compte 12 articles.

 

Ingediende amendementen:

Amendements déposés:

Art 6/1(n)

  • 49 – Nadia Moscufo cs (300/11)

Art 8

  • 44 – Sophie Thémont (300/11)

  • 50 – Sarah Schlitz cs (300/11)

Art 8/1(n)

  • 51 – Sarah Schlitz cs (300/11)

Art 9

  • 44 – Sophie Thémont (300/11)

  • 45 – Sophie Thémont (300/11)

  • 52 – Sarah Schlitz cs (300/11)

  • 41 – Kurt Moons cs (300/11)

Art 10

  • 44 – Sophie Thémont (300/11)

  • 46 – Sophie Thémont (300/11)

  • 53 – Sarah Schlitz cs (300/11)

  • 42 – Kurt Moons cs (300/11)

Art 11

  • 44 – Sophie Thémont (300/11)

  • 54 – Sarah Schlitz cs (300/11)

Art 11/1(n)

  • 55 – Sarah Schlitz cs (300/11)

Art 11/2(n)

  • 56 – Sarah Schlitz cs (300/11)

Art 11/3(n)

  • 57 – Sarah Schlitz cs (300/11)

Art 11/4(n)

  • 58 – Sarah Schlitz cs (300/11)

Art 12

  • 44 – Sophie Thémont (300/11)

  • 43 – Kurt Moons cs (300/11)

Art 13(n)

  • 47 – Sophie Thémont (300/11)

Art 14(n)

  • 48 – Sophie Thémont (300/11)

 

Besluit van de artikelsgewijze bespreking:

Conclusion de la discussion des articles:

 

Aangehouden: de amendementen en de artikelen 8 tot 12.

Réservés: les amendements et les articles 8 à 12.

 

Artikel per artikel aangenomen: de artikelen 1 tot 7.

Adoptés article par article: les articles 1 à 7.

 

De bespreking van de artikelen is gesloten. De stemming over de aangehouden amendementen, de aangehouden artikelen en over het geheel zal later plaatsvinden.

La discussion des articles est close. Le vote sur les amendements et les articles réservés ainsi que sur l'ensemble aura lieu ultérieurement.

 

Interpellaties

Interpellations

 

22 Interpellatie van Kurt Moons aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De precaire situatie van de mantelzorgers n.a.v. de beperking van de werkloosheid in de tijd" (56000229I)

22 Interpellation de Kurt Moons à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La situation précaire des aidants proches à la suite de la limitation du chômage dans le temps" (56000229I)

 

De dames Sarah Schlitz (Ecolo-Groen) en Sofie Merckx (PVDA-PTB) hebben hun interpellatie ingetrokken (nrs. 226 en 230). De heer François De Smet (DéFI) heeft eveneens zijn interpellatie ingetrokken (nr. 227).

Mmes Sarah Schlitz (Ecolo-Groen) et Sofie Merckx (PVDA-PTB) ont retiré leur interpellation (nos 226 et 230). M. François De Smet (DéFI) a également retiré son interpellation (nr. 227).

 

22.01  Kurt Moons (VB): Als mooie conclusie van dit inspirerende debat, voor sommigen toch, wil ik de interpellatie die ik had gepland toch nog houden.

 

Mijnheer de minister, twee weken geleden stonden we hier al, naar aanleiding van onze bezorgdheden over de foutieve uitsluiting van mantelzorgers als uitzondering in de wet op de beperking van de werkloosheid in de tijd. Blijkbaar hebt u onze vragen, opmerkingen en adviezen deze keer wel ter harte genomen. De regering heeft snel beslist, de dag daarna, om een aantal onvergeeflijke fouten uit het verleden snel recht te zetten. Blijkbaar hebt u ’s anderendaags onze mondelinge vragen aan u, mits een aantal aanpassingen, aan de kern voorgelegd en hebt u daar de goedkeuring gekregen.

 

We kunnen alleen maar vaststellen dat het lange aandringen vanuit de oppositie eindelijk loont. Eindelijk hebt u gehoor gegeven aan een aantal bekommernissen van de mantelzorgers, die wij herhaaldelijk onder uw aandacht hebben gebracht. Waarom heeft de regering gedurende het voorbije jaar alle voorgaande waarschuwingen over de impact van de beperking van de werkloosheid in de tijd op de mantelzorgers standvastig in de wind geslagen?

 

We hebben zonet het aangepaste wetsvoorstel nr. 300 besproken en onze steun daarvoor aangeboden. Er blijven echter nog een aantal vragen, want het wetsvoorstel nr. 300 is al bij al een mager beestje. U hebt op korte termijn alleen maar het bloeden gestelpt.

 

Op uw website lees ik het volgende, ik citeer: "De regering zal ook een actieplan voor mantelzorgers uitwerken om het huidige statuut op te waarderen, het toegankelijker en flexibeler te maken en het te voorzien van meer concrete steun." U hebt zich dus ook geëngageerd om een structurele oplossing uit te werken. Hoe zal die structurele oplossing eruitzien? Hoe lang zullen mantelzorgers daarop nog moeten wachten? Zult u de verschillende statuten en systemen van mantelzorgers in hun geheel herbekijken? Zo ja, wanneer? Ik hoop dat we hier niet opnieuw jaren op moeten wachten.

 

22.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, nous avons débuté le débat au sujet des aidants proches vers 17 h 30. Je pense que nous avons eu l'occasion d'aborder abondamment le sujet, tant en commission qu'en séance plénière. Je ne vais donc pas m'appesantir sur la réponse à cette interpellation.

 

Par contre, je voudrais remercier l'ensemble des députés, tant de la majorité que de l'opposition, pour le caractère constructif autour de la mise à l'ordre du jour, du débat et du vote en commission et en plénière. Soyons de bon compte, les délais étaient très courts mais nous avons pu le réaliser. Je remercie donc l'ensemble des collègues à cet égard. Je ne serai pas plus long, monsieur le président.

 

22.03  Kurt Moons (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor dit non-antwoord. U hebt hier dus lang moeten zitten om dan geen antwoord te geven.

 

Al sinds het aantreden van deze regering vraagt het Vlaams Belang een volwaardige bescherming voor het statuut van mantelzorgers. Zowel in de commissie als in de plenaire vergadering hebben wij herhaaldelijk benadrukt hoe asociaal het is om mensen die onmisbare zorgtaken op zich nemen in onzekerheid te laten over hun inkomen en rechten. Zonder hun inzet zou de toch al overbelaste formele zorg nog verder onder druk komen te staan.

 

Mantelzorgers nemen hun verantwoordelijkheid op, niet uit verplichting, maar uit betrokkenheid. Zij staan dag in, dag uit naast een zieke partner, een ouder, een kind of een buur in een bijzonder kwetsbare periode. Ze ontlasten de samenleving en bieden menselijke warmte waar geen enkele instelling aan kan tippen. Het minste wat een overheid kan doen, is hen rechtszekerheid bieden.

 

Een jaar lang, zelfs al vóór de verkiezingen, hebben wij gepleit voor het behoud van hun uitkering en voor een volwaardig statuut. Vandaag kondigt de meerderheid eindelijk een duidelijke oplossing aan en dit na lang aandringen van onze partij. Oppositie voeren loont dan toch.

 

Het werk is echter helemaal niet gedaan. Als deze regering dan toch werk maakt van een volwaardig statuut, zoals de minister heeft beloofd, dan moet zij eindelijk ook de administratieve wirwar aanpakken. Vandaag bestaan er immers niet minder dan zeven stelsels voor een en dezelfde mantelzorger. Op federaal niveau is er het verlof voor medische bijstand, het palliatief verlof en het mantelzorgverlof. De RVA betaalt de uitkeringen met betrekking tot deze verloven uit.

 

Daarnaast zijn er binnen de werkloosheid aparte vrijstellingen om werk te zoeken voor mantelzorg en palliatieve zorg. Hierbij wordt de uitkering verlaagd naar 350 euro. Waarschijnlijk zal dat na de stemming 745 euro worden. Elk systeem heeft eigen voorwaarden, termijnen en bedragen. Daarenboven gelden er voor deze drie aparte zorgverloven andere regels voor werknemers in de privésector en voor ambtenaren. In de privésector zijn er andere bedragen naargelang men alleenstaand of samenwonend is. Voor ambtenaren is het bedrag dan weer hetzelfde. Tel daarbij nog eens de Vlaamse mantelzorgpremie en de gemeentelijke initiatieven en men komt uit op een kluwen van regelingen voor mantelzorgers. Dat is niet efficiënt en zelfs totaal onbegrijpelijk voor wie zich al in een emotioneel zware situatie bevindt. Het laatste waarop een mantelzorger zit te wachten, is een berg papier die hij moet beklimmen.

 

Dit is wederom een stuitend voorbeeld van de complexiteit van het Belgische systeem, waar men alles ingewikkelder maakt dan nodig is en waarin een kat haar jongen niet terugvindt. Al die verschillende structuren en al die verschillende systemen, zonder enige coherentie of integratie, kosten onnoemelijk veel geld en zorgen voor een enorme inefficiëntie.

 

Door dit beleid integraal onder te brengen bij de gemeenschappen, waar ook het grootste deel van het zorgbeleid is verankerd, zou men eindelijk kunnen kiezen voor coherentie in plaats van versnippering, uiteraard met de begeleidende volledige financiële responsabilisering. Op die manier zorgen we niet alleen voor een volwaardig statuut met inkomenszekerheid, maar ook voor eenvoud en efficiëntie.

 

U beroept zich graag op het zogenaamde samenwerkingsfederalisme. Wel, zet een eerste stap en werk samen met uw collega van de gemeenschappen één duidelijk en toegankelijk kader uit voor die mantelzorgers. Mantelzorgers hebben immers geen nood aan mooie aankondigingen of complexe schema’s, maar aan rechtszekerheid, duidelijkheid en respect.

 

De voorzitter: Er werd geen motie ingediend.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

23 Samengevoegde interpellaties van

- Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek" (56000228I)

- Paul Van Tigchelt aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek" (56000231I)

23 Interpellations jointes de

- Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L'entrée en vigueur du nouveau Code pénal" (56000228I)

- Paul Van Tigchelt à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L'entrée en vigueur du nouveau Code pénal" (56000231I)

 

23.01  Marijke Dillen (VB): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, nog 41 dagen te gaan. Op woensdag 8 april is het zover. Dan treedt het nieuwe Strafwetboek, dat is aangekondigd als de bijbel van het strafrecht, in werking. Het betreft een zeer fundamentele wijziging van wat vandaag van toepassing is. Er komen grondig nieuwe definities van misdrijven, met daaraan gekoppelde straffen. Er worden nieuwe misdrijven ingevoerd. Strafmaten worden ingrijpend aangepast en archaïsche misdrijven verdwijnen. Het wordt werkelijk een historische hervorming. Onze justitie staat voor een van de grootste operaties in jaren.

 

Helaas belooft de uitrol niet vlekkeloos te verlopen. Wat is daarvoor de reden? Veel wetten moeten nog worden aangepast. Dat werk is absoluut nog niet afgerond. Er moet in de plenaire vergadering en in de commissie over nog verschillende wetsontwerpen worden gestemd Er moeten zelfs nog een aantal wetsontwerpen worden ingediend; er ontbreken zelfs nog teksten. Dat geldt overigens niet alleen voor het federale niveau, maar ook voor het niveau van de gemeenschappen.

 

Minister, de vivaldiregering waarvan u in 2024 ook deel uitmaakte, was gewaarschuwd. De termijn van twee jaar was niet realistisch, in tegenstelling tot wat collega Van Tigchelt in zijn vraag nu beweert. Talrijke experten wezen er bij de bespreking van het nieuwe Strafwetboek op dat een termijn van twee jaar veel te kort was. Sommigen pleitten zelfs voor een termijn van vijf jaar. Daar had de vivaldiregering geen oren naar. Het moest en zou twee jaar worden, op 8 april toekomend dus.

 

We zijn nu twee jaar later. De kritische stemmen van alle deskundigen op het terrein klinken steeds luider. In een brief waarin ernstige bezorgdheden worden geformuleerd, vraagt de voorzitter van het College van procureurs-generaal, Frederik Van Leeuw, toch geen onbelangrijke partner om de toepassing mee in goede banen te leiden, in naam van al zijn collega’s om de inwerkingtreding minstens tot 1 september van dit jaar uit te stellen. ʺHet achterblijven van essentiële wetgeving baart ons zorgen,ʺ zo klinkt het. “Verschillende federale en decretale uitvoeringsbepalingen zijn nog niet gestemd. Daardoor kunnen we ons niet voorbereiden”.

 

Ook de ICT-programma’s van politie en justitie moeten nog worden aangepast. Er zijn bovendien nog andere problemen. De GAS-wet is nog niet aangepast. Een aantal misdrijven, zoals vandalisme, beschadiging en kleine diefstallen, kunnen vandaag met een GAS-boete worden bestraft. Zonder wetsaanpassing belanden die zaken opnieuw bij de parketten, die de toestroom nu al niet meer aankunnen, met kans op niet-vervolging en straffeloosheid tot gevolg. Ook de verkeerswet is nog niet aangepast.

 

Zolang het wetgevend werk niet is afgerond, kunnen we ons niet volledig voorbereiden en is het onmogelijk om correcte opleidingen te organiseren, klinkt het luider en luider bij het openbaar ministerie. Niet alleen het College van procureurs-generaal voelt de bui al hangen. Ook de advocatuur, een belangrijke speler op het terrein, heeft grote bezorgdheid geuit. In januari trok die al aan de alarmbel naar aanleiding van signalen die men had ontvangen van politie, magistratuur en griffie.

 

U mag dan wel zeggen, mevrouw de minister, dat de administratie alle voorbereidingen heeft afgerond, maar op het terrein is niemand klaar. Dat leidt tot grote zenuwachtigheid. Het zijn de advocaten, de magistraten, de griffies en de politie die concreet het nieuwe Strafwetboek moeten toepassen. Door de talrijke recente wetswijzigingen deze week nog aan het Sociaal Strafwetboek, een belangrijk wetboek dat zelfs nog moet worden goedgekeurd, en aan nog een aantal andere wetboeken, zijn zij onvoldoende voorbereid en zijn er nog altijd geen grondige opleidingen. Dat zijn slechts enkele voorbeelden.

 

Dan is er ook de timing: 8 april valt midden in het gerechtelijk jaar, wat de invoering lastig maakt. De abrupte overgang zal onvermijdelijk vertraging veroorzaken, waarschuwt professor strafrecht Raf Verstraeten. Een uitrol op 1 september zou meer organisatorische ademruimte geven. In het licht van de geschiedenis stelt een uitstel van vier maanden niets voor, zegt hij terecht.

 

De klap op de vuurpijl kwam afgelopen week van de N-VA, bij monde van Vlaams minister Zuhal Demir, die heel merkwaardige uitspraken heeft gedaan. Ik citeer: “Het klopt dat de federale minister van Justitie vasthoudt aan een inwerkingtreding op 8 april, hoewel wij vanuit Vlaanderen al vanaf de start van deze legislatuur tijdens verschillende overlegmomenten hebben aangegeven dat een coherent beleid vereist dat deze inwerkingtreding gepaard gaat met de inwerkingtreding van een volwaardig nieuw Wetboek van Strafuitvoering. Zonder een nieuw Wetboek van Strafuitvoering is het totaal onmogelijk en vrezen wij voor onduidelijkheden op het terrein, met fouten, straffeloosheid en zelfs een gevaar voor de veiligheid. Ik heb gevraagd om een impactanalyse van het nieuwe Strafwetboek. Die hebben we nog altijd niet ontvangen. Dat wordt een ramp. Kom niet wenen bij mij. Ik kan alleen maar blijven waarschuwen. Maar goed, doe maar op. Jullie zijn gewaarschuwd dat dit gewoon een ramp zal zijn.” Het zijn niet mijn woorden, mevrouw de minister. U kunt ze controleren.

 

Mevrouw de minister, u hebt verklaard dat u principieel niet gekant bent tegen een beperkt uitstel, maar dat het kernkabinet de timing wenste aan te houden en u dus niet wilde steunen. Nochtans is het een collectieve verantwoordelijkheid en ik richt mij tot alle leden van de meerderheidspartijen.

 

Wat is uw reactie op de brief van de procureur-generaal met het verzoek de inwerkingtreding uit te stellen tot minstens 1 april wegens het achterblijven van essentiële regelgeving?

 

Kunt u bevestigen dat er eveneens problemen dreigen met de toepassing van de GAS-wet en de verkeerswet?

 

De ICT-programma’s van politie en Justitie moeten nog verder worden aangepast. Kunt u garanderen dat alle programma’s tijdig, volwaardig en afgewerkt in gebruik zullen worden genomen?

 

Ook de magistratuur heeft aangekondigd dat de inwerkingtreding van de wet te vroeg komt. Waarom weigert u daarmee rekening te houden?

 

Wat is uw antwoord op de snoeiharde kritiek van uw Vlaamse collega-minister Demir? Ze vreest dat de veiligheid niet kan worden gegarandeerd. Meer zelfs, ze stelt expliciet dat het een ramp wordt. “Niet komen wenen bij mij” is toch werkelijk een ongeziene kritiek en getuigt van een manifest wantrouwen ten opzichte van uw beleid.

 

Mevrouw de minister, ik kom tot mijn laatste en belangrijkste vraag. Alles wat voorafgaat, lijkt de kroniek van een aangekondigde mislukking. Zult u uw politieke verantwoordelijkheid nemen?

 

23.02  Paul Van Tigchelt (Anders.): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, ik denk dat deze interpellatie, zelfs om 22.30 uur ’s avonds, hier op zijn plaats is, want ik heb de indruk dat we onvoldoende beseffen wat er op ons afkomt. Ik doe vooral een oproep aan de collega’s van de meerderheid om goed na te denken vooraleer verder te gaan, want ik denk oprecht dat er onheil op ons afkomt, en met onheil bedoel ik chaos die zal leiden tot onveiligheid.

 

Het Strafwetboek van 1867 werd inderdaad vernieuwd en hier op 29 februari 2024 goedgekeurd. Dat gebeurde over meerderheid en oppositie heen en was het resultaat van decennialang werk van experts, mensen op het terrein en niet het minst van meerderheid en oppositie in de commissie voor Justitie. Dat was mooi werk.

 

We hebben toen beslist dat het nieuwe Strafwetboek, de bijbel voor politie en justitie, twee jaar na publicatie in werking moest treden. De publicatie was op 8 april 2024. De inwerkingtreding was dus voorzien voor 8 april 2026. Die termijn werd als realistisch en aanvaardbaar beschouwd, op voorwaarde dat iedereen op operationeel en politiek niveau de nodige diligentie aan de dag zou leggen om de noodzakelijke aanpassingswetgeving goed te keuren. Het Strafwetboek is de eerste en belangrijkste stap, maar daarnaast moest nog tal van wetgeving worden aangepast. Zo hoort dat overigens in een rechtsstaat, collega’s. Het legaliteitsbeginsel, de juristen onder ons wel bekend, houdt in: nullum crimen sine lege, nulla poena sine lege. Wetgeving moest dus worden aangepast.

 

Wat blijkt nu? Die wetgeving laat op zich wachten. Er zijn verschillende alarmsignalen van op het terrein gekomen. Het laatste alarmsignaal is een brief van het College van procureurs-generaal van 28 januari. De procureurs-generaal zeggen dat zij het maximale doen om zich voor te bereiden, maar er moet nog veel wetgeving worden goedgekeurd. Er moet zelfs nog wetgeving worden ingediend. Het College stelt dat de proactieve capaciteit om te anticiperen en zich voor te bereiden, haar grenzen heeft. Het zal niet meer lukken tegen 8 april 2026.

 

Dat zijn geen ijle woorden die in de lucht hangen. Het gaat daadwerkelijk om de veiligheid van de mensen op het terrein.

 

Sta me toe om dat even te duiden. Ten eerste, de GAS-wetgeving moet worden aangepast, les SAC en français, mijnheer Clarinval. De GAS-wetgeving maakt het mogelijk dat feiten zoals geweld, diefstal, vandalisme en graffiti via gemeentelijke administratieve sancties worden vervolgd. Zolang die wetgeving niet is aangepast, is dat niet mogelijk. De parketten stellen zich grote vragen, want zulke feiten zullen vanaf 8 april niet meer worden vervolgd. Dat betekent dus straffeloosheid.

 

Een ander voorbeeld, want we vallen van de ene verbazing in de andere inzake de ingediende wetsontwerpen die we moeten ontdekken, is een wetsontwerp over de strafuitvoering. De strafuitvoering is nog zo een belangrijke werf. Het regeerakkoord stelt letterlijk dat de werkzaamheden rond het opstellen van het nieuwe Strafuitvoeringswetboek worden verdergezet, zodat die gelijktijdig met het nieuwe Strafwetboek in werking treden. Gelijktijdig met het nieuwe Strafwetboek, dat betekent 8 april 2026. Dat staat in het regeerakkoord. Gisteren hebben we echter een wetsontwerp ontdekt waarin het nieuwe Strafuitvoeringswetboek wordt uitgesteld naar – val alstublieft niet van uw stoel – 30 juni 2029. Die datum ligt na de volgende verkiezingen. Dat is geen ernstig werk.

 

Zal ik nog een voorbeeld geven? Gisteren, woensdag, werd in de commissie Sociale Zaken een nieuw Sociaal Strafwetboek behandeld in eerste lezing. De Raad van State heeft daarover een vernietigend advies uitgebracht. Ik zal het niet citeren, want daar heb ik geen tijd meer voor. De Raad van State zegt dat de coherentie, de eenvoud en de accuraatheid van het nieuwe Strafwetboek daar fundamenteel onderuitgehaald worden.

 

Dat zijn enkele voorbeelden.

 

Mevrouw de minister, u verstopt zich. U speelt piepkenduik, zoals we dat in de Kempen noemen. U zegt dat het kernkabinet de datum van 8 april beslist heeft. Ik wil weten welk standpunt u genegen bent. Wanneer zult u antwoorden op de brief van het College van procureurs-generaal? Er is zelfs nog geen antwoord op gekomen. Geeft u toe dat u te lang hebt getalmd, en dat het nu eigenlijk te laat is? Kunnen we ons die chaos permitteren? We zouden daar graag duidelijke antwoorden op hebben.

 

Collega’s van de meerderheid, luister mee, alstublieft.

 

23.03 Minister Annelies Verlinden: Geachte Kamerleden, zoals u weet, is de datum van de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek vastgelegd in de wetten van 29 februari 2024 – dat was een schrikkeljaar – waarin werd gesteld dat het nieuw Strafwetboek in werking zou treden twee jaar na de dag van de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad. De datum van 8 april 2026 is dus al bekend sinds 8 april 2024, omdat op die dag de wet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

 

Hoewel naar aanleiding van de goedkeuring van het nieuw Strafwetboek in 2024 al adviezen aan de toenmalige minister van Justitie werden gegeven zeggende dat een termijn van twee jaar te kort zou zijn, is de datum van inwerkingtreding in 2024 toch zo vastgelegd in het Strafwetboek zelf. Mijn voorganger en het Parlement hebben die datum zodoende met opzet bepaald.

 

Bij de goedkeuring van het nieuwe Strafwetboek in 2024 was ook duidelijk dat nog heel wat wetgevend werk moest gebeuren voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan, zowel op federaal niveau als op het niveau van de deelstaatregelgeving.

 

Met dat uitgangspunt, zoals ook hernomen in het regeerakkoord, begon ik twaalf maanden geleden aan mijn mandaat als minister van Justitie. Vanaf mijn aantreden heb ik de voorbereidingen voor de inwerkingtreding dan ook absolute prioriteit gegeven. Samen met vele andere wetgevende initiatieven, waaronder de invoering van verzwaarde misdrijven, zoals verkeersdoodslag en de strengere bestraffing van drugscriminelen, hebben de administratie en mijn beleidscel daartoe vele wetsontwerpen met honderden artikelen binnen de bevoegdheid van Justitie voorbereid en intussen allemaal aan het Parlement voorgelegd. De vele honderden bepalingen, vaak zeer technisch en complex, die de laatste maanden zijn besproken in de commissie voor Justitie, getuigen inderdaad van de complexiteit en de omvang van dat belangrijke werk. Ik wil alle commissieleden, medewerkers en diensten van de Kamer nogmaals danken voor de constructieve besprekingen in de commissie voor Justitie in dat verband de voorbije maanden.

 

Vandaag kunnen we zeggen dat we, wat Justitie betreft, op koers zijn. Alle teksten binnen de bevoegdheid van Justitie zijn besproken in het Parlement en liggen op schema om de inwerkingtreding op 8 april te halen. Voor wetteksten die onder de bevoegdheid van andere federale of deelstatelijke beleidsdomeinen vallen en nog niet precies zijn omgezet door de betrokken collega’s, voorziet het nieuwe Strafwetboek bovendien, zoals u ongetwijfeld weet, in een generieke overgangsbepaling. Daarmee zijn voor alle eventuele scenario’s ook mogelijke juridische lacunes in sectorale regelgeving ondervangen.

 

In de afgelopen maanden zijn bovendien operationele voorbereidingen op het terrein en met de stakeholders getroffen, zowel binnen de organisaties van Justitie en politie als op het vlak van IT.

 

Wat de aanpassing van de IT-programma’s betreft, werd mij vanuit het directoraat-generaal ICT van Justitie meegedeeld dat de nodige middelen werden ingezet om alle IT-applicaties van Justitie tijdig aan te passen. Waar nodig werd met de rechterlijke orde afgestemd om gepaste workarounds uit te werken, opdat alles steeds kan blijven functioneren.

 

Aangezien de transitie van een meer dan 150 jaar oud Strafwetboek naar een nieuw kader een gigantische oefening is, heb ik de status en voortgang van dit project in het najaar van 2025 op de ministerraad geagendeerd. Op dat moment heb ik aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een beperkt technisch uitstel van de inwerkingtreding tot 1 september, zoals gevraagd door de magistratuur. De regering heeft evenwel beslist vast te houden aan de datum van 8 april.

 

Bij die beslissing werd onder meer rekening gehouden met de wens tot een snelle inwerkingtreding van nieuwe en strengere strafbepalingen die in 2025 werden uitgewerkt, zoals verkeersdoodslag en belangrijke strafverzwaringen in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en witwaspraktijken. Een langdurig uitstel kon bovendien niet worden overwogen, aangezien dit de ambitie van het nieuwe Strafwetboek zou ondergraven en afbreuk zou doen aan de uitdrukkelijke wens om zo snel mogelijk een moderne strafrechtketen te realiseren. Die ambitie verdient, na meer dan 150 jaar, volledige onderschrijving. De regering heeft eind vorig jaar dan ook 8 april als datum van inwerkingtreding bevestigd.

 

Omdat er bij mijn aantreden op 3 januari 2025 nog niets klaar was, zijn we vanaf dan op volle kracht uit de startblokken gesprongen en hebben de administratie en de beleidscel dag en nacht gewerkt om de deadline van 8 april te halen. Zoals net gezegd kan dit, wat de bevoegdheden van Justitie betreft, ook lukken.

 

De diensten hebben niet alleen de eigen wetteksten voorbereid, maar ook een volledig steunpunt georganiseerd voor alle federale en deelstatelijke collega’s, zodat zij met hun vragen en onduidelijkheden over de aan te passen aanverwante regelgeving terechtkunnen. Het is immers de verantwoordelijkheid van de andere federale en deelstatelijke bevoegde ministers om de wetgeving waar nodig aan te passen aan het nieuwe Strafwetboek. Justitie kan dat niet voor hen doen.

 

Voor iedereen, federaal en gefedereerd, is het al sinds 8 april 2024 duidelijk dat het nieuwe Strafwetboek op 8 april 2026 in werking zal treden en dat de nodige voorbereidingen daartoe tijdig dienden te worden getroffen. Daarenboven zijn in maart 2025, dus vrijwel meteen na mijn aantreden als minister van Justitie, de bevoegde federale en gefedereerde diensten nogmaals door de administratie aangeschreven met de vraag om de regelgeving die onder hun bevoegdheid valt te harmoniseren met het nieuwe Strafwetboek. Hierbij werden ook richtlijnen meegegeven voor de correcte aanpassing van hun regelgeving en werden contactpersonen binnen de FOD Justitie aangeduid die beschikbaar waren voor vragen en ondersteuning. We hebben dienaangaande op geen enkel ogenblik de retour gekregen dat de datum van 8 april 2026 zou moeten worden uitgesteld.

 

Voor de volledigheid wil ik nog meegeven dat de bewering van mijn Vlaamse collega dat pas eind 2025 kon worden gestart met de voorbereiding van de inwerkingtreding pertinent onjuist is. Ook de gemeenschappen weten immers al sinds april 2024 dat het nieuwe Strafwetboek op 8 april 2026 in werking zal treden en ook zij hebben in maart 2025 de brief van de FOD Justitie ontvangen, met sensibilisering en het aanbod voor hulp en ondersteuning. Bovendien werd de doelstelling om het nieuwe Strafwetboek op de voorziene datum in werking te laten treden elke keer opnieuw gecommuniceerd tijdens de verschillende technische werkgroepen van de interministeriële conferentie.

 

Een eventuele analyse van de impact van de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op de gemeenschappen moest niet gemaakt worden door de FOD Justitie, maar het is de verantwoordelijkheid en de opdracht van elke actor zelf om de impact op de werking van de eigen diensten te analyseren, zoals dat overigens steeds het geval is.

 

Voorts worden het College van het openbaar ministerie en het College van de hoven en rechtbanken net zoals de gemeenschappen wekelijks op de hoogte gehouden van de wetswijzigingen in voorbereiding en van hun status, opdat zij zich ten volle zouden kunnen voorbereiden op de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek. De voorbereidingen van die inwerkingtreding worden ook maandelijks consequent opgevolgd binnen het directiecomité van de FOD Justitie en op het gemeenschappelijk beheerscomité, waarop ook de rechterlijke orde aanwezig is, en dat met een prompte en adequate informatiedoorstroming naar en afstemming op de relevante actoren op meerdere niveaus.

 

We staan dus quasi dagelijks in contact met de rechterlijke orde, collega Van Tigchelt. U hoeft zich geen zorgen te maken over brieven of andere communicatiestromen. Er is met de rechterlijke orde consequent overleg over tal van thema’s. Uiteraard maakt ook de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek daar deel van uit. Zonder de schoonmoeder van de federale en deelstatelijke collega’s te zijn, hebben we bij Justitie gedaan wat nodig is en wat Justitie kan doen om de ambitie van dit Parlement voor de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek dit voorjaar waar te maken. Geen getalm, geen vertragingen in onze werkzaamheden, geen uitstel bij het opnemen van onze verantwoordelijkheid. Daadkracht en uitvoering, dat is wat we gedaan hebben.

 

De voorbereidingen op het terrein zijn vandaag al vergevorderd. Het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding heeft de voorbije jaren duizenden magistraten opgeleid over het nieuwe Strafwetboek. Ook de politiediensten volgden gerichte opleidingen. IT-systemen binnen Justitie en bij ketenpartners worden aangepast. Uit respect voor al dat werk mogen we daar niet lichtzinnig mee omgaan en moeten we eer doen aan iedereen die er alles aan gedaan heeft om klaar te zijn op 8 april en zich daar de klok rond voor heeft ingezet.

 

Ik begrijp, collega’s, dat de belangrijkste bezwaren van de magistratuur verband houden met vragen over de gewenste aanpassingen aan de verkeerswetgeving en de GAS-wetgeving, die bij voorkeur om operationele redenen nog zouden moeten worden aangepast. Om die reden heb ik een verzoek gericht aan de bevoegde collega’s Crucke en Quintin met de vraag of zij van oordeel zijn dat die twee elementen voor hen van dien aard zijn dat alsnog een beperkt uitstel tot 1 september zou moeten worden besloten. Zoals al aangegeven was ik als minister van Justitie niet principieel gekant tegen een beperkt technisch uitstel tot 1 september, zoals ook en in het bijzonder wordt gevraagd door de rechterlijke orde. Afhankelijk van het antwoord zullen we het dossier opnieuw kunnen bespreken binnen de regering en op korte termijn de richting bepalen. Net zoals ik dat deed met betrekking tot het regeerakkoord, dat uitging van de inwerkingtreding op 8 april en de beslissing van de regering van 12 december, die de inwerkingtreding op 8 april bevestigt, zal ik de beslissing van de regering loyaal uitvoeren.

 

Ik kan met betrekking tot de GAS-wet en de verkeerswet nog meegeven dat precies om elke vorm van straffeloosheid te vermijden een duidelijke overgangsbepaling is opgenomen in het nieuwe Strafwetboek. Daar waar omwille van de leesbaarheid de voormelde regelgevingen door de bevoegde collega’s en departementen nog moeten worden gewijzigd in overeenstemming met het nieuwe Strafwetboek, heb ik er vertrouwen in dat zij erin zullen slagen snel de nodige wetgevende aanpassingen door te voeren.

 

Mocht alsnog blijken dat zij daarin niet tijdig zouden slagen, dan leidt dat – in tegenstelling tot wat mijn Vlaamse collega beweerde – in geen geval tot straffeloosheid en een gevaar voor de veiligheid van de samenleving, want de GAS-wet en de verkeerswet blijven ook na 8 april 2026 gewoon bestaan. Zoals gezegd voorziet het Strafwetboek, in het bijzonder artikel 78, in een conversiemechanisme opdat die wetgeving blijvend kan worden toegepast. Dat mechanisme is uitdrukkelijk opgenomen om elke vorm van straffeloosheid tegen te gaan.

 

Collega’s, de invoering van het nieuwe Strafwetboek is een gigantische operatie en een ongezien wettelijk transitieproject, met talrijke verschillende stakeholders en veel geïmpacteerde regelgeving. Gelet op de gekende periode van meer dan twee jaar die werd gegeven voor de inwerkingtreding, kan de timing, met of zonder een beperkt bijkomend technisch uitstel tot september 2026, haalbaar en realistisch worden geacht, dankzij de inspanningen van velen. Een ruime meerderheid in dit Parlement heeft in 2024 immers niet alleen het nieuwe Strafwetboek goedgekeurd, maar ook de timing vooropgesteld. Collega’s, het zou goed en geloofwaardig zijn als we ons kunnen houden aan die ambitie.

 

Ik wil ook nog aangeven dat wanneer het aankomt op ambities stellen, zoals gisteren nog in de commissie voor Justitie en vandaag ook over de inwerkingtreding van het nieuwe Strafuitvoeringswetboek, men een periode van drie jaar als onredelijk lang kwalificeert. U vroeg daarnet, collega Van Tigchelt, of niemand van zijn stoel zou vallen bij het horen van die termijn van drie jaar. Voor de commissieleden kan het dan dus niet snel genoeg gaan. Men wijst voortdurend op de opdracht om niet te talmen voor justitie, maar kennelijk wordt er wel gepleit voor uitstel, daar waar er met alle betrokken justitiemedewerkers alles aan werd gedaan om ons te kunnen houden aan de ambitie die dit Parlement zelf twee jaar geleden heeft gesteld. Enige inconsequentie is sommigen kennelijk niet vreemd.

 

Elke hervorming van een dergelijke omvang brengt vanzelfsprekend ongeziene uitdagingen met zich mee. Het is uiteraard realistisch om ermee rekening te houden dat bij de inwerkingtreding van een volledig nieuw Strafwetboek, na meer dan anderhalve eeuw, vragen zullen opduiken en zelfs aanpassingen zich zullen opdringen. Het is voor iedereen spannend, ook voor mij, maar we zijn vastberaden om dit zo snel en zo goed mogelijk te doen. Het traject is immers jarenlang voorbereid: opleidingen zijn georganiseerd, wetgeving is uitgewerkt, systemen zijn en worden aangepast en ondersteuning wordt voorzien. Bovendien zijn er bijzondere overgangsmechanismen ingebouwd om elke vorm van straffeloosheid te vermijden. Wij zijn klaar voor de sprong en hopen dat dit voor iedereen geldt.

 

Dank u wel.

 

De voorzitter: Dank u wel, mevrouw de minister. Dan mag mevrouw Dillen repliceren.

 

23.04  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, op de meeste van mijn vragen heb ik geen antwoord gekregen. Uw reactie is werkelijk onbegrijpelijk en onverantwoord. De FOD Justitie is niet klaar, zelfs niet nadat hij de voorbije weken talrijke wetsontwerpen door de strot van het Parlement heeft geduwd, waarbij honderden artikelen in diverse wetten zijn gewijzigd. Sommige wetsontwerpen zijn hier nog niet goedgekeurd en andere moeten zelfs nog worden ingediend.

 

Dat zijn de redenen, mevrouw de minister, waarom het terrein niet klaar is. Iedereen moet immers nog de gelegenheid krijgen om die teksten te bestuderen. Voor de mensen op het terrein – magistraten, advocaten, griffiers en politie – wordt het een onmogelijke opdracht om hier vanaf 8 april mee aan de slag te gaan. Dat is niet alleen zo omwille van het feit dat de GAS-wet en de verkeerswet nog niet zijn aangepast.

 

Allen vragen dat u en de regering uw verantwoordelijkheid nemen en de inwerkingtreding uitstellen tot 1 september. Zij en zij alleen, mevrouw de minister, spreken met kennis van zaken – niet het kernkabinet, niet de regering en niet de meerderheidspartijen.

 

Nu dreigen onveiligheid en chaos. Is dat wat de regering wil? Is dat wat de meerderheid wil? Ik richt mij in het bijzonder tot de collega’s van de MR en zeker tot de collega’s van de N-VA.

 

Mevrouw de minister, u hebt vandaag herhaald dat u aan de regering uitstel hebt gevraagd. Is het dan toch waar wat sommige kwatongen beweren – ik beweer dat niet, want ik zit niet in de meerderheid en niet in de regering – namelijk dat u eigenlijk geen steun geniet binnen de regering? Weigert de regering, zonder kennis van zaken, bewust dit uitstel om de mislukking op het terrein in uw gezicht te laten ontploffen en uw positie te verzwakken?

 

Mevrouw de minister, wilt u werkelijk, na de debacle met i-Police – dat als een zwaard van Damocles boven uw hoofd hangt – en na de aanhoudende overbevolking in de gevangenissen, met grondslapers als zichtbaar symptoom van een probleem dat maar niet opgelost raakt, ook de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek volledig laten ontsporen? U en u alleen, mevrouw de minister, zult daarvoor verantwoordelijk gesteld worden. U bent gewaarschuwd.

 

Ik dien ook een motie in.

 

23.05  Paul Van Tigchelt (Anders.): Mijnheer de voorzitter, doe mij eraan denken dat ik straks ook een motie moet indienen. Ik ben dat namelijk niet gewend, maar ik heb ze bij en zal ze indienen.

 

Mevrouw de minister, uw antwoord klopt niet en volstaat evenmin. Blijkbaar ben ik nog altijd naïef, want soms geloof ik mijn oren niet wanneer ik uw antwoorden hoor. U stelt dat u op koers zit en dat eventuele problemen, zoals gebruikelijk, aan anderen te wijten zijn. U bent inmiddels meer dan een jaar minister van Justitie. Wanneer gaat u uw verantwoordelijkheid opnemen? Wanneer gaat u met uw neus in de wind staan?

 

U verklaart dat het mijn schuld is dat de eerste wetsontwerpen pas op 19 november 2025 in de commissie voor Justitie zijn ingediend. Blijkbaar is het eveneens mijn schuld dat de datum voor het nieuwe Strafuitvoeringswetboek is uitgesteld van 8 april 2026 naar 30 juni 2029. Evenzeer zou het mijn verantwoordelijkheid zijn dat u nog niet hebt geantwoord op de brief van het College van procureurs-generaal van 28 januari van dit jaar. Ten slotte zouden collega’s binnen de regering verantwoordelijk zijn voor het feit dat fundamentele wetgeving, zoals de verkeerswetgeving en de GAS-wetgeving, nog niet eens is ingediend.

 

Ik kan dan ook alleen besluiten dat justitie beter verdient. De diensten van justitie en politie op het terrein, die elke dag hun borst natmaken en hun best doen, verdienen beter. Dat geldt eveneens voor de administratieve diensten, waaronder de FOD Justitie in Brussel.

 

Ook het Parlement verdient in dezen meer respect. Ik was er bij, maar heb er weinig verdiensten aan. Anderen hebben immers de jaren voordien het meeste werk verricht. Ik was er echter bij toen dit hier werd goedgekeurd. Er is hard aan gewerkt. Meerderheid en oppositie hebben toen het belang van die hervorming erkend. Met dat nieuwe Strafwetboek hebben we in de commissie voor Justitie aangetoond dat ingrijpende hervormingen in dit land nog mogelijk zijn, hoezeer critici dat ook in twijfel trekken. Het is nog mogelijk.

 

Dat werk dreigt nu in de prullenbak terecht te komen door de chaos en de onzekerheid waarin we terecht dreigen te komen. Ik herhaal mijn oproep aan de meerderheid: bekijk dit opnieuw. De datum van 8 april 2026 is volgens mij onhoudbaar geworden.

 

Dat is ook het voorwerp van mijn motie van aanbeveling. De burger verdient beter, beste collega’s. Het gaat hier over de veiligheid van onze mensen. Dit is geen verantwoorde manier om daarmee om te gaan. Het spijt mij.

 

Moties

Motions

 

De voorzitter: Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

 

Een eerste motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellaties van mevrouw Marijke Dillen en de heer Paul Van Tigchelt

en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee,

- overwegende dat er nog tal van obstakels overwonnen moeten worden vooraleer het nieuwe Strafwetboek binnen enkele weken in werking zal kunnen treden;

- overwegende dat verschillende experten er bij de totstandkoming van het nieuwe Strafwetboek op gewezen hebben dat de termijn tussen de publicatie in het Staatsblad en de effectieve inwerkingtreding – 2 jaar – veel te kort was;

- overwegende dat er op heden niet alleen tal van juridische knelpunten zijn – denken we maar aan talrijke regelgeving die nog niet compatibel is met het nieuwe Strafwetboek – maar ook praktische bezwaren, waaronder het gebrek aan voldoende opleidingen voor de staande en zittende magistratuur;

- overwegende dat daarnaast ook openlijk de vraag gesteld dient te worden of de IT-systemen van Justitie in het algemeen, en de parketten in het bijzonder reeds integraal werden aangepast aan het volledige nieuwe Strafwetboek;

- overwegende dat bijna alle actoren binnen de Belgische Justitie, en zelfs de Vlaamse minister van Justitie stelt dat de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek een gevaar vormt voor de veiligheid van de samenleving en er straffeloosheid dreigt;

- overwegende dat dezelfde Vlaamse minister van Justitie met betrekking tot de inwerkingtreding van het nieuw Strafwetboek letterlijk stelt: ”niet komen wenen bij mij,… jullie zijn wel gewaarschuwd dat dit gewoon een ramp zal zijn”;

- overwegende dat op korte termijn een grondige analyse dient te worden gemaakt, samen met de belangrijkste actoren binnen justitie, waaronder de staande en zittende magistratuur, de advocaten, de IT-sector van Justitie en de experten die hebben bijgedragen tot de totstandkoming van het nieuwe Strafwetboek, teneinde te verifiëren of het nieuwe Strafwetboek, zoals aangekondigd, in werking kan treden op de vooropgestelde datum, zonder dat er totale chaos dreigt;

- overwegende dat voor zover het juridisch en praktisch, en rekening houdend met voorgaande, niet verantwoord zou zijn om het nieuwe Strafwetboek op de gestelde datum in werking te laten treden, er prioriteit van te maken dat dit zo spoedig mogelijk kan geschieden;

vraagt de regering

de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek uit te stellen naar 1 september 2026."

 

Une première motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit:

"La Chambre,

ayant entendu les interpellations de Mme Marijke Dillen et de M. Paul Van Tigchelt

et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord,

- considérant que bon nombre d'obstacles doivent encore être surmontés avant que le nouveau Code pénal puisse entrer en vigueur dans un délai de quelques semaines;

- considérant que différents experts ont souligné lors de l'élaboration du nouveau Code pénal que le délai – de 2 ans – entre la publication au Moniteur et l'entrée en vigueur effective était bien trop court;

- considérant qu'il existe à l'heure actuelle non seulement de nombreux problèmes juridiques – songeons aux nombreuses réglementations qui ne sont pas encore compatibles avec le nouveau Code pénal – mais également des entraves pratiques, dont l'insuffisance des formations destinées à la magistrature debout et assise;

- considérant qu'il faut également poser ouvertement la question de savoir si les systèmes informatiques de la Justice en général et des parquets en particulier ont déjà été entièrement adaptés à l'intégralité du nouveau Code pénal;

- considérant que pratiquement tous les acteurs de la Justice belge, et même la ministre flamande de la Justice, indiquent que l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal constitue un danger pour la sécurité de la société et entraîne un risque d'impunité;

- considérant qu'au sujet de l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal, la même ministre de la Justice indique qu'il ne faudra pas "venir se lamenter" alors qu'on était prévenu de ce qu'il s'agirait d'une "catastrophe";

- considérant qu'une analyse approfondie doit être réalisée à brève échéance, en collaboration avec les acteurs les plus importants de la Justice, dont la magistrature debout et assise, les avocats, le secteur informatique de la Justice et les experts qui ont contribué à l'élaboration du nouveau Code pénal, afin de vérifier si celui-ci peut, comme annoncé, entrer en vigueur à la date fixée, sans risquer de provoquer un chaos absolu;

- considérant qu'il ne serait pas raisonnable d'un point de vue juridique et pratique, et compte tenu de ce qui précède, de laisser le nouveau Code pénal entrer en vigueur à la date prévue, de veiller en priorité à cette entrée en vigueur dans les meilleurs délais;

demande au gouvernement

de reporter l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal au 1er septembre 2026."

 

Een tweede motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Paul Van Tigchelt en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellaties van mevrouw Marijke Dillen en de heer Paul Van Tigchelt

en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee,

vraagt de regering

- in overleg te gaan met “het werkveld” en een duidelijk en coherent antwoord te geven op de brief van het College van procureurs-generaal d.d. 28 januari 2026: het terrein (justitie en politie) heeft nood aan duidelijkheid, coherentie en rechtszekerheid;

- te luisteren en gehoor te geven aan de bezorgdheden en noden van de actoren op het terrein;

- ervoor te zorgen dat alle nodige wetgeving aangepast is voordat het nieuwe Strafwetboek in werking treedt, ook als deze wetgeving niet of niet helemaal onder de bevoegdheid van de minister van Justitie ressorteert;

- de principes van het nieuwe Strafwetboek, coherentie, eenvoud en accuraatheid te respecteren;

- het nodige te doen om chaos, onzekerheid en dus onveiligheid te vermijden vanaf 8 april 2026."

 

Une deuxième motion de recommandation a été déposée par M. Paul Van Tigchelt et est libellée comme suit:

"La Chambre,

ayant entendu les interpellations de Mme Marijke Dillen et de M. Paul Van Tigchelt

et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord,

demande au gouvernement

- d’organiser une concertation avec “le terrain” et d’apporter une réponse claire et cohérente à la lettre du Collège des procureurs généraux du 28 janvier 2026: le terrain (la Justice et la police) a besoin de clarté, de cohérence et de sécurité juridique;

- d’être à l’écoute et de tenir compte des préoccupations et des besoins des acteurs sur le terrain;

- de veiller à ce que toute législation nécessaire soit adaptée avant l’entrée en vigueur du nouveau Code pénal, même si cette législation ne ressortit pas ou pas entièrement à la compétence de la ministre de la Justice;

- de respecter les principes du nouveau Code pénal, à savoir la cohérence, la simplicité et la précision;

- de faire le nécessaire afin d’éviter le chaos, l’incertitude et donc l’insécurité à partir du 8 avril 2026."

 

Een eenvoudige motie werd ingediend door de heren Benoît Piedboeuf, Axel Ronse en Oskar Seuntjens en door de dames Nawal Farih en Aurore Tourneur.

Une motion pure et simple a été déposée par MM. Benoît Piedboeuf, Axel Ronse et Oskar Seuntjens et Mmes Nawal Farih et Aurore Tourneur.

 

23.06  Nawal Farih (cd&v): Mijnheer de voorzitter, we vragen de urgentie voor de stemming over de eenvoudige motie

 

De voorzitter: Aangezien de urgentie voor de eenvoudige motie werd gevraagd, stel ik voor dat de Kamer zich straks over deze moties uitspreekt. (art. 140, nr. 6, tweede lid, Rgt.)

Étant donné que l'urgence de la motion pure et simple a été demandée, je propose que la Chambre se prononce sur ces motions tout à l'heure. (art. 140, n° 6, deuxième alinéa, Rgt.)

 

Geen bezwaar? (Nee)

Aldus zal geschieden.

 

Pas d'observation? (Non)

Il en sera ainsi.

 

De bespreking is gesloten.

La discussion est close.

 

Communications

Mededelingen

 

24 Informatie- en Adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties – Aanwijzing van de leden – Oproep tot kandidaten

24 Centre d'information et d'avis sur les organisations sectaires nuisibles – Désignation des membres – Appel à candidats

 

Het mandaat van de leden van het Informatie- en Adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties loopt af op 1 juli 2026.

Le mandat des membres du Centre d'information et d'avis sur les organisations sectaires nuisibles expire le 1er juillet 2026.

 

Overeenkomstig artikel 4, § 1, van de wet van 2 juni 1998 houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties dient de Kamer dus over te gaan tot de aanwijzing van acht vaste en acht plaatsvervangende leden, met een tweederdemeerderheid.

Conformément à l'article 4, § 1er, de la loi du 2 juin 1998 portant création d’un Centre d’information et d’avis sur les organisations sectaires nuisibles et d’une Cellule administrative de coordination de la lutte contre les organisations sectaires nuisibles, la Chambre doit donc procéder à la désignation de huit membres effectifs et de huit suppléants, à la majorité des deux tiers.

 

Vier vaste en vier plaatsvervangende leden worden aangewezen op voordracht van de ministerraad, die voor elk te begeven ambt twee kandidaten dient voor te dragen.

Quatre membres effectifs et quatre membres suppléants sont désignés sur présentation d'une liste par le Conseil des ministres, lequel doit proposer deux candidats pour chaque mandat à conférer.

 

De andere vier vaste en vier plaatsvervangende leden worden rechtstreeks door de Kamer aangewezen.

Les quatre autres membres effectifs et les quatre autres membres suppléants sont désignés directement par la Chambre.

 

Zowel voor de rechtstreeks door de Kamer als voor de op voordracht van de ministerraad aangewezen leden dient de taalpariteit tussen de Nederlandstalige en de Franstalige leden te worden gewaarborgd.

Tant pour les membres désignés directement par la Chambre que pour ceux désignés sur présentation d'une liste par le Conseil des ministres, la parité linguistique entre les membres d'expression française et les membres d'expression néerlandaise doit être assurée. 

 

Overeenkomstig artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 2 juni 1998 dienen ten minste één vast en één plaatsvervangend lid kennis te hebben van het Duits.

Conformément à l’article 4, § 1, alinéa 3, de la loi du 2 juin 1998, au moins un membre effectif et un membre suppléant doivent posséder une connaissance de la langue allemande.

 

De Conferentie van voorzitters van 25 februari 2026 heeft het kennisniveau Duits vastgesteld op B1 voor de modules ˈlezenˈ en ˈluisterenˈ.

La Conférence des présidents du 25 février 2026 a fixé le niveau de connaissance de l’allemand à B1 pour les modules ˈlireˈ et ˈécouterˈ.

 

De leden worden aangewezen voor een termijn van zes jaar, eenmaal hernieuwbaar, omwille van hun ervaring of kennis inzake de problematiek van de sektarische organisaties.

Les membres sont désignés pour un terme de six ans, renouvelable une fois, en raison de leur expérience ou de leur connaissance de la problématique des organisations sectaires nuisibles.

 

De Kamer kiest uit de vaste leden de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter.

La Chambre désigne parmi les membres effectifs le président et le président suppléant.

 

Overeenkomstig het advies van de Conferentie van voorzitters van 25 februari 2026 stel ik u voor een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad bekend te maken voor de leden die rechtstreeks door de Kamer worden aangewezen en het kennisniveau Duits vast te stellen op B1 voor de modules ˈlezenˈ en ˈluisterenˈ.

Conformément à l'avis de la Conférence des présidents du 25 février 2026, je vous propose de publier au Moniteur belge un appel à candidats pour les membres désignés directement par la Chambre et de fixer le niveau de connaissance de l’allemand à B1 pour les modules ˈlireˈ et ˈécouter'.

 

Geen bezwaar? (Nee)

Aldus zal geschieden.

 

Pas d'observation? (Non)

Il en sera ainsi.

 

25 Raad van State – Voordracht van een Nederlandstalig staatsraad voor de afdeling Bestuursrechtspraak

25 Conseil d'État – Présentation d'un conseiller d'État néerlandophone pour la section Contentieux administratif

 

Bij brief van 12 februari 2026 deelt de eerste voorzitter van de Raad van State mede dat de algemene vergadering van de Raad van State op 8 februari 2026, overeenkomstig artikel 70 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is overgegaan tot het opmaken van een lijst van drie kandidaten voor een vacant ambt van staatsraad in de Nederlandse taalgroep.

Par lettre du 12 février 2026, le premier président du Conseil d'État porte à la connaissance de la Chambre que le 8 février 2026, l'assemblée générale du Conseil d’État a procédé, conformément à l'article 70 des lois sur le Conseil d'État coordonnées le 12 janvier 1973, à l'établissement de la liste de trois candidats pour une place vacante de conseiller d'État dans le groupe linguistique néerlandais.

 

Werden door de Raad van State voorgedragen, evenwel zonder eenparigheid van stemmen:

- eerste kandidaat: de heer Jonas Riemslagh, eerste auditeur bij de Raad van State, gastprofessor aan de Universiteit van Gent;

- tweede kandidaat: de heer Tom De Sutter, advocaat aan de balie van Gent;

- derde kandidaat: mevrouw Katrien Didden, auditeur bij de Raad van State.

Ont été présentés par le Conseil d'État, sans unanimité toutefois:

- premier candidat: M. Jonas Riemslagh, premier auditeur au Conseil d’État, professeur invité à l’université de Gand;

- deuxième candidat: M. Tom De Sutter, avocat au barreau de Gand;

- troisième candidat: Mme Katrien Didden, auditeur au Conseil d’État.

 

Aangezien de voordracht niet unaniem is, kan de Kamer, overeenkomstig artikel 70, § 1, achtste lid, van de wetten op de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling van deze voordracht, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst bevestigen, hetzij een tweede uitdrukkelijk gemotiveerde lijst met drie namen voordragen.

La présentation n'étant pas unanime, la Chambre peut, conformément à l’article 70, § 1er, alinéa 8, des lois sur le Conseil d’État coordonnées le 12 janvier 1973, et dans un délai ne pouvant dépasser trente jours à compter de la réception de la communication de cette présentation, soit confirmer la liste présentée par le Conseil d'État, soit présenter une autre liste de trois noms formellement motivée.

 

De eventuele voordracht van een lijst door de Kamer dient op grond van de door de Raad van State ontvangen kandidaturen te geschieden.

La présentation éventuelle d'une liste par la Chambre doit se faire sur base des candidatures reçues par le Conseil d'État.

 

De termijn waarover de Kamer beschikt om een lijst voor te dragen of om de lijst te bevestigen, verstrijkt op 14 maart 2026.

Le délai dont dispose la Chambre pour présenter une liste ou pour confirmer la liste expire le 14 mars 2026.

 

De volgende kandidaturen werden ingediend:

- mevrouw Tina Coen, auditeur bij de Raad van State en gastdocent aan de Vrije Universiteit Brussel;

- de heer Wouter De Cock, eerste auditeur bij de Raad van State;

- de heer Tom De Sutter, advocaat aan de balie van Gent;

- mevrouw Katrien Didden, auditeur bij de Raad van State;

- de heer Martin Gennart, bestuursdirecteur van de dienst Financiën van de Kamer van volksvertegenwoordigers;

- de heer Jonas Riemslagh, eerste auditeur bij de Raad van State en gastprofessor aan de Universiteit Gent.

Les candidatures suivantes ont été introduites:

- Mme Tina Coen, auditeur au Conseil d’État et professeur invité à la Vrije Universiteit Brussel;

- M. Wouter De Cock, premier auditeur au Conseil d’État;

- M. Tom De Sutter, avocat au barreau de Gand;

- Mme Katrien Didden, auditeur au Conseil d’État;

- M. Martin Gennart, directeur d’administration du service Finances de la Chambre des représentants;

- M. Jonas Riemslagh, premier auditeur au Conseil d’État et professeur invité à l’Universiteit Gent.

 

Overeenkomstig het advies van de Conferentie van voorzitters van 25 februari 2026 zullen de voordracht van de Raad van State en de kandidaturen aan de politieke fracties worden bezorgd.

Conformément à l'avis de la Conférence des présidents du 25 février 2026, la présentation du Conseil d’État et les candidatures seront transmises aux groupes politiques.

 

Geen bezwaar? (Nee)

Aldus zal geschieden.

 

Pas d'observation? (Non)

Il en sera ainsi.

 

26 Federale Controle- en Evaluatiecommissie Euthanasie – Oproep tot kandidaten

26 Commission fédérale de contrôle et d'évaluation de l'euthanasie – Appel à candidats

 

Bij mailbericht van 13 februari 2026 deelt de heer Peter Raus zijn ontslag mee als  Nederlandstalig plaatsvervangend lid voor de categorie 'doctor in de geneeskunde' van de controlecommissie euthanasie.

Par courriel du 13 février 2026, M. Peter Raus communique sa démission en qualité de membre suppléant néerlandophone pour la catégorie 'docteur en médecine' de la commission de contrôle euthanasie.

 

Overeenkomstig het advies van de Conferentie van voorzitters van 25 februari 2026 stel ik u voor een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad bekend te maken voor het mandaat van Nederlandstalig plaatsvervangend lid van de controlecommissie euthanasie voor de categorie 'doctor in de geneeskunde'.

Conformément à l'avis de la Conférence des présidents du 25 février 2026, je vous propose de publier au Moniteur belge un appel à candidats pour le mandat de membre suppléant néerlandophone de la commission de contrôle euthanasie pour la catégorie 'docteur en médecine'.

 

Geen bezwaar? (Nee)

Aldus zal geschieden.

 

Pas d'observation? (Non)

Il en sera ainsi.

 

27 Benelux Interparlementaire Assemblee – Aanstelling van een vast en een plaatsvervangend lid

27 Assemblée interparlementaire Benelux – Désignation d’un membre effectif et d’un membre suppléant

 

Overeenkomstig het advies van de Conferentie van voorzitters van 25 februari 2026 stel ik u in naam van de MR-fractie de kandidatuur voor van de heer Anthony Dufrane ter vervanging van de heer Hervé Cornillie als vast lid van de Benelux Interparlementaire Assemblee, en de kandidatuur van de heer Benoît Piedboeuf ter vervanging van de heer Anthony Dufrane als plaatsvervangend lid van de Benelux Interparlementaire Assemblee.

Conformément à l’avis de la Conférence des présidents du 25 février 2026, je vous propose au nom du groupe MR la candidature de M. Anthony Dufrane, en remplacement de M. Hervé Cornillie, comme membre effectif de l’Assemblée interparlementaire Benelux, et la candidature de M. Benoît Piedboeuf, en remplacement de M. Anthony Dufrane, comme membre suppléant de l’Assemblée interparlementaire Benelux.

 

Aangezien er geen andere kandidaturen zijn, moet er, overeenkomstig artikel 157, nr. 6, van het Reglement, niet gestemd worden en verklaar ik de kandidaten verkozen als vast en plaatsvervangend lid van de Benelux Interparlementaire Assemblee.

Étant donné qu'il n'y a pas d'autres candidatures, il n'y a pas lieu à scrutin, conformément à l'article 157, n° 6, du Règlement, et je proclame les candidats élus en qualité de membres effectif et suppléant de l’Assemblée interparlementaire Benelux.

 

28 Benoeming van de griffier, secretaris-generaal, van de Kamer van volksvertegenwoordigers

28 Nomination du greffier, secrétaire général, de la Chambre des représentants

 

Aan de orde is de verderzetting van de procedure tot benoeming van de griffier van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

L’ordre du jour appelle la continuation de la procédure de nomination du greffier de la Chambre des représentants.

 

De griffier wordt benoemd door de plenaire vergadering van de Kamer, op voordracht van het Bureau.

Le greffier est nommé par la séance plénière de la Chambre, sur présentation du Bureau.

 

Bij e-mail van 20 januari 2026 heeft de heer Tom De Pelsmaeker zijn kandidatuur ingetrokken.

Par courriel du 20 janvier 2026, M. Tom De Pelsmaeker a retiré sa candidature.

 

Het Bureau van 27 januari 2026 heeft beslist om drie kandidaten voor te dragen, gerangschikt als volgt:

1. Mevrouw Nicole Marquet

2. De heer Pieter Caboor

3. De heer André Grenacs

Le Bureau du 27 janvier 2026 a décidé de présenter trois candidats selon le classement suivant:

1. Mme Nicole Marquet

2. M. Pieter Caboor

3. M. André Grenacs

 

De kandidaten beschikten over een termijn van vijftien dagen om hun opmerkingen of bezwaren bij de voordracht mede te delen.

Les candidats disposaient d’un délai de quinze jours pour communiquer leurs remarques ou objections sur la présentation.

 

Bij brief van 16 februari 2026 heeft de heer André Grenacs zijn kandidatuur ingetrokken.

Par lettre du 16 février 2026, M. André Grenacs a retiré sa candidature.

 

Bij e-mail van 23 februari 2026 heeft de heer Pieter Caboor zijn kandidatuur ingetrokken.

Par courriel du 23 février 2026, M. Pieter Caboor a retiré sa candidature.

 

Het administratief dossier met de enige overblijvende kandidatuur en de voordracht van het Bureau zal aan de leden worden overgezonden.

Le dossier administratif avec la seule candidature restante ainsi que la présentation du Bureau sera envoyé aux membres.

 

Overeenkomstig het advies van de Conferentie van voorzitters van 25 februari 2026 stel ik voor om de benoeming van de griffier van de Kamer toe te voegen aan de agenda van de plenaire vergadering van 5 maart 2026.

Conformément à l’avis de la Conférence des présidents du 25 février 2026, je vous propose d’ajouter la nomination du greffier de la Chambre à l’ordre du jour de la séance plénière du 5 mars 2026.

 

Geen bezwaar? (Nee)

Aldus zal geschieden.

 

Pas d'observation? (Non)

Il en sera ainsi.

 

29 Verzoek om advies aan de Federale Deontologische Commissie

29 Demande d’avis à la Commission fédérale de déontologie

 

Artikel 4, § 2, eerste lid, van de wet van 6 januari 2014 houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie en houdende de Deontologische Code voor de openbare mandatarissen bepaalt dat de commissie als opdracht heeft om algemene adviezen of aanbevelingen te formuleren, op het vlak van deontologie, ethiek en belangenconflicten op basis van een verzoek ondertekend door minstens vijftig leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

L’article 4, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 janvier 2014 portant création d'une Commission fédérale de déontologie et contenant le Code de déontologie des mandataires publics dispose que la commission a pour mission de formuler des avis ou des recommandations à caractère général en matière de déontologie et d'éthique et de conflits d'intérêts, d'initiative sur la base d'une demande signée par au moins cinquante membres de la Chambre des représentants.

 

Ik heb in die zin een verzoek ontvangen dat door minstens vijftig leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers dient ondersteund te worden.

J’ai reçu une demande en ce sens qui doit être soutenue par au moins cinquante membres de la Chambre des représentants.

 

"De Kamer,

verzoekt de Federale Deontologische Commissie, krachtens artikel 4, § 2, van de Wet van 6 januari 2014 houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie en houdende de Deontologische Code voor de openbare mandatarissen, een algemeen advies op te stellen met daarin een antwoord op volgende vragen, en relevante aanbevelingen te formuleren, rekening houdend met de parlementaire eed, het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

- Mag een Kamerlid zich uitspreken tegen het voeren van een gerechtelijk onderzoek? Zo ja, in welke omstandigheden en binnen welke deontologische grenzen?

- Mag een Kamerlid publiek de onafhankelijkheid en objectiviteit van de gerechtelijke instanties in twijfel trekken door bijvoorbeeld onderliggende motieven te suggereren voor het voeren van een bepaald onderzoek, zoals bijvoorbeeld politieke inmenging of racisme en antisemitisme, en hoe verhoudt zich dat tot de verplichting om het vertrouwen in de instellingen te vrijwaren?

- Mag een Kamerlid in contacten met buitenlandse autoriteiten die autoriteiten vragen om druk uit te oefenen op ons land met het oog op het stopzetten van een gerechtelijk onderzoek, dan wel handelingen stellen die kunnen worden opgevat als een poging om het beslissingsproces van gerechtelijke instanties te beïnvloeden?

- Mag een Kamerlid in contacten met buitenlandse autoriteiten die autoriteiten vragen om druk uit te oefenen op ons land met het oog op het bekomen van bepaalde wijzigingen op vlak van wetgeving, en zo ja, binnen welke deontologische grenzen en met inachtneming van de institutionele loyaliteit die uit de parlementaire eed voortvloeit?

- Welke verplichtingen en transparantievereisten vloeien voort uit artikel 6 van de Deontologische Code wanneer een Kamerlid in het kader van zijn mandaat buitenlandse reizen of contacten onderneemt die verband houden met een lopende binnenlandse rechtsprocedure of met nationale wetgeving?

verzoekt de Federale Deontologische Commissie tevens om, in voorkomend geval, aanbevelingen of richtsnoeren te formuleren inzake de deontologische grenzen bij publieke uitlatingen en buitenlandse contacten van Kamerleden met betrekking tot lopende gerechtelijke procedures en nationale wetgeving."

 

"La Chambre,

demande à la Commission fédérale de déontologie, en vertu de l'article 4, § 2, de la loi du 6 janvier 2014 portant création d'une Commission fédérale de déontologie et contenant le Code de déontologie des mandataires publics, de rédiger un avis général comportant une réponse aux questions suivantes, et de formuler des recommandations pertinentes, en tenant compte du serment parlementaire, du principe de la séparation des pouvoirs et de l'indépendance du pouvoir judiciaire.

- Un membre de la Chambre peut-il se prononcer contre la conduite d'une instruction? Si oui, dans quelles circonstances et dans quelles limites déontologiques?

- Un membre de la Chambre peut-il mettre en doute publiquement l'indépendance et l'objectivité des autorités judiciaires en suggérant par exemple des motifs sous-jacents pour la conduite d'une instruction bien spécifique, par exemple l'ingérence politique ou le racisme et l'antisémitisme, et dans quelle mesure est-ce conciliable avec l'obligation de préserver la confiance dans les institutions?

- Un membre de la Chambre peut-il, dans le cadre de contacts avec des autorités étrangères, demander à ces autorités d'exercer des pressions sur notre pays dans le but d'arrêter une instruction ou d'accomplir des actes qui peuvent être interprétés comme une tentative d'influencer le processus décisionnel d'autorités judiciaires?

- Un membre de la Chambre peut-il, dans le cadre de contacts avec des autorités étrangères, demander à ces autorités d'exercer des pressions sur notre pays dans le but d'obtenir certaines modifications sur le plan de la législation et, si oui, dans quelles limites déontologiques  et dans le respect de la loyauté institutionnelle qui découle du serment parlementaire?

- Quelles obligations et exigences de transparence découlent-elles de l'article 6 du Code de déontologie lorsqu'un membre de la Chambre, dans le cadre de son mandat, entreprend des voyages ou des contacts qui ont un lien avec une procédure judiciaire en cours en Belgique ou avec la législation belge?

demande également à la Commission fédérale de déontologie, le cas échéant, de formuler des recommandations ou des lignes directrices, concernant les limites déontologiques dans le contexte de déclarations publiques et de contacts étrangers de membres de la Chambre en rapport avec des procédures judiciaires en cours et la législation belge."

 

Het is mevrouw Almaci, die trouwens gisteren Sara heeft gezien, die dat voorstel heeft ingediend. Zij wenst daarover het woord te nemen.

 

29.01  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, collega’s, in 2007 stond ik voor het eerst in het halfrond. Ik moest, net als iedereen hier, mijn parlementaire eed afleggen. Ik zweer getrouwheid aan de Grondwet. Je jure d’observer la Constitution. Ich schwöre die Verfassung zu verfolgen. Die eed brengt de verplichting met zich te houden aan de wetten van het Belgische volk, de wetten die we hier samen in het halfrond goedkeuren. Wat dat betekent voor onze rol als parlementariër staat netjes uitgeschreven in de Deontologische Code voor de Leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Ik raad iedereen hier in onze assemblee aan om die eens te lezen, mocht men dat nog niet hebben gedaan.

 

Artikel 2 gaat over de onverenigbaarheden met bepaalde activiteiten met ons ambt, bijvoorbeeld activiteiten die de waardigheid van het ambt aantasten of die de eigen onafhankelijkheid aantasten.

 

Artikel 3 van onze deontologische code bepaalt dat Kamerleden hun titel of voorrechten niet mogen gebruiken voor andere doeleinden dan die welke verband houden met de uitoefening van hun mandaat. Als men op parlementaire missie gaat, heeft dat een zeker effect en een zekere verantwoordelijkheid.

 

Ik lees artikel 4: "Bij hun betogen in en buiten het Parlement, en in hun contacten met individuen, groepen en instellingen geven de Kamerleden voorrang aan het algemeen belang boven particularistische belangen".

 

Artikel 5, lid 1, luidt: "De Leden van de Kamer voorkomen elke vorm van belangenconflict".

 

Dat is natuurlijk een algemeen advies. Hoewel dat al redelijk duidelijk is, vind ik verduidelijking op haar plaats, zeker in het licht van het debat dat we vorige week voerden in de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen over mogelijke belangenconflicten, na een week van toch zeer zware incidenten met een ambassadeur die meende druk te moeten uitoefenen op onze rechtsstaat en op onze democratische instellingen, wat toch ongezien was en waarbij alle rode lijnen waren overschreden. Het begin van het hele debat was de reis van een collega naar het buitenland en het pijnlijk welles-nietesspelletje over wat daar was gezegd.

 

De deontologische commissie van het Parlement kan twee zaken doen. Ze kan op voorhand adviezen geven, wat ze in 2024 al heeft gedaan. Ook een heel grote aanrader, de deontologische commissie kan op eigen initiatief advies verlenen aangaande loyauteitsconflicten.

 

Ik vestig uw aandacht op pagina 6, waar het gaat over levensbeschouwelijke en religieuze organisaties en loyauteitsbanden daarmee. Er staat dat een openbaar mandataris in de uitoefening van zijn taak niemand anders mag gehoorzamen dan de wet. Dat is een belichaming van het algemeen belang. Mogelijke conflicten moet men melden.

 

Dat staat allemaal in de heel duidelijke adviezen aan ons. We hebben de afgelopen week een stevig debat gevoerd over wat dat precies betekent voor ons. Terwijl de deontologische commissie geen individuele dossiers behartigt, kan ze wel verduidelijking geven. Mij lijkt het dat die verduidelijking vandaag echt wel nodig is.

 

Op pagina's 15 en 16 van het document van 2024 staan bijvoorbeeld al een aantal adviezen met betrekking tot een meldplicht voor loyauteitsconflicten. Op pagina 16 gaat het over de registratie van buitenlandse contacten. Eigenlijk is het moment gekomen om nu na al die jaren concreet te maken wat onze eed betekent en verdere verduidelijking te brengen naar aanleiding van het debat dat werd gevoerd.

 

Mag een Kamerlid zich uitspreken tegen het voeren van een gerechtelijk onderzoek? Mag een Kamerlid publiek de onafhankelijkheid en objectiviteit van de gerechtelijke instanties in twijfel trekken in het buitenland, bijvoorbeeld bij vertegenwoordigers van een ander regime? Ik kan alles wat in de krant is gezegd met betrekking tot hoog geplaatste adviseurs, citeren. Wat betekent dat dan? Mag men in contacten met buitenlandse autoriteiten die autoriteiten vragen om invloed uit te oefenen op ons land? Mag men daarmee uitpakken in publicaties? Mag een Kamerlid buitenlandse autoriteiten vragen om druk uit te oefenen op ons land om bepaalde wijzigingen in de wetgeving te verkrijgen? Welke verplichtingen en transparantievereisten vloeien voort uit artikel 6 van onze deontologische code?

 

Voor ons is het een manier om duidelijkheid te scheppen voor de toekomst. Het is niet het proces van één persoon, maar het gaat wel over de manier waarop we ons allemaal gedragen. Vandaag is het voor ons allemaal glashelder dat verduidelijking nodig is om in de toekomst misverstanden te vermijden. We hebben het debat gevoerd waar het hoorde, in de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen. Nu moeten we bekijken hoe we het voor de toekomst voor iedereen helder maken, zodat buiten kijf staat wat kan en wat niet kan.

 

De voorzitter: De fracties die dat wensen, kunnen hierover het woord voeren.

 

29.02  Axel Ronse (N-VA): Collega’s, ik ben blij dat de deontologische commissie af en toe wordt ingeroepen om advies te geven. Het Parlement heeft dat dikwijls nodig. Ik denk recent aan een ex-minister van Energie, die op zeer korte termijn directeur werd van de lobbysector in wind- en zonne-energie. We kunnen niet genoeg advies over deontologische kwesties krijgen.

 

We zullen de nu voorliggende adviesvraag ook steunen. Ik ben trouwens blij dat dit thema nu op een meer serene manier wordt aangebracht dan eerder deze week en eind vorige week in de krant.

 

Collega’s, het parlementslid dat aanleiding heeft gegeven tot de indiening van deze motie wordt voor honderd procent door onze fractie gesteund. Ik zeg u ook dat die persoon niets, werkelijk niets te verwijten valt van de lelijke aantijgingen die eerder in de commissie over hem zijn geuit en die in de pers zijn verschenen.

 

Wij hebben geen enkel probleem om die vragen naar de deontologische commissie door te sturen. In het Parlement werd al over meerdere kwesties om deontologisch advies gevraagd.

 

29.03  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, we zullen de adviesaanvraag uiteraard steunen.

 

Ik heb het desbetreffende tijdschrift Der Yid bij. Het nummer van 23 mei 2025 bevat een uitvoerig verslag van het bezoek van het desbetreffend parlementslid, dat hier in ons midden is. Het verslag is weliswaar in het Jiddisch en ik spreek geen Jiddisch, maar op pagina 47 wordt verslag uitgebracht van het feit dat de persoon in kwestie contacten heeft gehad met hooggeplaatste ambtenaren in het Witte Huis … de heer Trump, de president. Dan is er discussie over de vraag of die contacten bedoeld waren om druk te zetten of om alles wat te stroomlijnen; dat ligt misschien aan de woordkeuze. Het verslag wordt geïllustreerd met allerlei foto’s, in geuren en kleuren toegelicht. Daarmee wordt gesteld dat wat hier in ons land gebeurt, eigenlijk niet kan en dat de hier lopende gerechtelijke zaak best wordt vermeden. Collega’s, ik vind dat zeer verregaand.

 

De heer Ronse zei daarnet in Villa Politica dat er niet werd gelobbyd. Dat staat in schril contrast met wat die persoon letterlijk in dat tijdschrift zegt.

 

Collega’s, u vraagt zich misschien af of het op het internet terug te vinden is. Dat is niet het geval. Het is namelijk een tijdschrift van joods-orthodoxe mensen, met alle respect voor hen, en zij geloven niet in het internet, zij beschouwen het internet als iets gevaarlijks. Het tijdschrift bestaat dus uitsluitend op papier; dat is het voordeel. Ik stel mij daar niettemin ernstige vragen bij.

 

Ik heb ook de indruk dat de partij waartoe hij behoort, er behoorlijk verveeld mee zit. Ik heb gezien dat zijn partijvoorzitster, mevrouw Van Peel, maandag bij de start van het partijbestuur van de partij in kwestie zich omdraaide en snel wegliep toen een journalist van VTM een vraag stelde.

 

De eerste minister van het land, die eveneens over die kwestie werd ondervraagd, verklaarde dat er geen contacten waren geweest tussen het desbetreffende parlementslid en de heer Bill White. De heer Bill White kent u intussen. Maar daarover gaat het niet, dat is niet de vraag.

 

De vraag is of het geoorloofd is dat men zo openlijk en bloot gaat lobbyen bij de president van de Verenigde Staten en diens entourage om een hier lopend gerechtelijk onderzoek onder druk te zetten en om te vragen ervoor te zorgen dat de wetgeving hier wordt aangepast.

 

Over dat laatste valt te discussiëren, maar het staat in elk geval schril in contrast met wat zijn partij voortdurend beweert, namelijk dat die wetgeving bestaat en gerespecteerd wordt. Veel erger vind ik het dat men daarvoor te rade gaat, gaat heulen, bij de president van Amerika, van wie we intussen weten aan welke kant van de geschiedenis hij staat. Dat is intussen wel gebleken.

 

De heer Mahdi stelde dat mocht hetzelfde zou zijn gebeurd, niet richting het westen maar richting het oosten, het Midden-Oosten, met een parlementslid met contacten in een meer Arabische omgeving, in Mekka of in Medina, om een hier lopend gerechtelijk onderzoek onder druk te zetten en om de wetgeving te wijzigen, dan stond het spel hier in brand.

 

Wat men in dezen echter probeert, is alles toe te dekken, te zwijgen en weg te lopen van de camera’s. Ik vind dat niet gepermitteerd.

 

Wij leggen hier de eed af om de belangen van al onze landgenoten te verdedigen. Wij leggen niet de eed af om de belangen van de Amerikaanse president te dienen. We doen dat niet. Dat hoort niet.

 

Ik ben dan ook van oordeel dat het verzoek aan de deontologische commissie het allerminste is wat het Parlement moet doen, het allerminste.

 

Schaam u diep om zoiets te doen.

 

De voorzitter: Ik heb niet de indruk dat de heer Van Quickenborne een deontologische commissie nodig heeft om advies te verstrekken, aangezien bij hem het oordeel al geveld is, terwijl de kwestie die hier voorligt eigenlijk is of we een advies vragen, niet wat we van het nog niet uitgebrachte advies nu reeds denken. Ik zou dus willen terugkeren naar het debat, mijnheer Van Quickenborne, en het advies misschien afwachten, want anders kunnen we die commissie evengoed opdoeken als we menen dat we de deontologie zelf al kunnen beoordelen zonder dat de deontologische commissie moet tussenkomen.

 

Ik heb begrepen dat een aantal fracties dat verzoek steunen. Het verzoek moet wel door ministens vijftig leden worden gesteund.

 

Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken.

Je vous propose de nous prononcer sur cette demande.

 

Wie het verzoek om advies aan de Federale Deontologische Commissie steunt, vraag ik om op te staan.

 

Ten minste 50 leden steunen het verzoek om advies.

Au moins 50 membres soutiennent la demande d'avis.

 

Bijgevolg stel ik u voor het verzoek naar de Federale Deontologische Commissie te zenden.

Par conséquent, je vous propose de transmettre cette demande à la Commission fédérale de déontologie.

 

30 Urgentieverzoeken van de regering

30 Demandes d'urgence émanant du gouvernement

 

De regering heeft de urgentieverklaring gevraagd met toepassing van artikel 51 van het Reglement, bij de indiening van het wetsontwerp betreffende de regeling van een tijdelijk wettelijk kader inzake de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen en tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, met het oog op de inwerkingtreding van het nieuw Strafwetboek (nr. 1368/1).

Le gouvernement a demandé l'urgence conformément à l'article 51 du Règlement lors du dépôt du projet de loi relatif à la réglementation d’un cadre temporaire de l'exécution de la peine de surveillance électronique, de la peine de probation, de la peine de travail, de la suspension et de la suspension probatoire, du sursis et du sursis probatoire, de la peine accessoire visée à l’article 50 du Code pénal et certaines peines imposées aux personnes morales et modifiant le Code d’instruction criminelle et la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, en vue de l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal (n° 1368/1).

 

Ik geef het woord aan de regering om de vraag tot urgentieverklaring toe te lichten.

Je passe la parole au gouvernement pour développer la demande d'urgence.

 

30.01  David Clarinval, ministre: Chers collègues, le gouvernement sollicite l'urgence pour ce texte émanant de la ministre de la Justice. Il concerne le nouveau Code pénal, dont nous avons d’ailleurs parlé récemment. Il est donc nécessaire de prévoir un cadre temporaire pour l’exécution des peines. Ce cadre devra être publié avant le 8 avril 2026. Toutefois, il ne peut entrer en vigueur sans un dispositif complet relatif à l’exécution des peines. Sans règles pour les mettre en œuvre, les peines ne peuvent être prononcées. Nous demandons donc l’urgence pour ce texte, qui vise essentiellement à accorder un délai supplémentaire pour sa mise en œuvre.

 

De voorzitter: Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken.

Je vous propose de nous prononcer sur cette demande.

 

De urgentie wordt aangenomen bij zitten en opstaan.

L'urgence est adoptée par assis et levé.

 

De regering heeft eveneens de urgentieverklaring gevraagd, met toepassing van artikel 51 van het Reglement, bij de indiening van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdécimes op de strafrechtelijke geldboeten, van het Sociaal Strafwetboek en van verscheidene bepalingen van het sociaal strafrecht (nr. 1373/1).

Le gouvernement a également demandé l'urgence conformément à l'article 51 du Règlement lors du dépôt du projet de loi modifiant la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales, le Code pénal social et diverses dispositions de droit pénal social (n° 1373/1).

 

Ik geef het woord aan de regering om de vraag tot urgentieverklaring toe te lichten.

Je passe la parole au gouvernement pour développer la demande d'urgence.

 

30.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, chers collègues, ce texte, également de la ministre Verlinden, porte sur l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal. Une révision approfondie du cadre de base est nécessaire. Ce nouveau cadre de base implique l'introduction de nouvelles règles concernant plusieurs concepts et principes fondamentaux. Il est donc nécessaire d'adapter également les décimes additionnels et les règles du droit pénal social à ce nouveau cadre de base. Compte tenu de l'entrée en vigueur du nouveau Code, ces adaptations doivent être réalisées avant cette date. Il convient donc également d'évoquer ce texte en urgence.

 

Je vous remercie pour votre chaleureux soutien.

 

Le président: Je vous propose de nous prononcer sur cette demande.

Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken.

 

L'urgence est adoptée par assis et levé.

De urgentie wordt aangenomen bij zitten en opstaan.

 

De regering heeft eveneens de urgentieverklaring gevraagd, met toepassing van artikel 51 van het Reglement, bij de indiening van het ontwerp programmawet (nr. 1378/1).

Le gouvernement a également demandé l'urgence conformément à l'article 51 du Règlement lors du dépôt du projet de loi modifiant les dispositions de la loi-programme (n° 1378/1).

 

Ik geef het woord aan de regering om de vraag tot urgentieverklaring toe te lichten.

Je passe la parole au gouvernement pour développer la demande d'urgence.

 

30.03  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, le troisième texte porte le numéro 1378/1. Il émane du premier ministre et vise le projet de loi-programme. Certaines mesures entrent déjà en vigueur le 1er avril ou le jour de la publication, soit dix jours plus tard. Certaines mesures ont déjà commencé à produire leurs effets à partir 1er janvier. Par conséquent, il importe que la loi soit examinée le plus rapidement possible, puis soumise au vote. Je ne pense pas qu'il soit nécessaire de développer davantage, monsieur le président.

 

Le président: Je vous propose de nous prononcer sur cette demande.

Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken.

 

L'urgence est adoptée par assis et levé.

De urgentie wordt aangenomen bij zitten en opstaan.

 

De regering heeft eveneens de urgentieverklaring gevraagd, met toepassing van artikel 51 van het Reglement, bij de indiening van het wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid in verband met de federale dotaties en subsidies en de bijbehorende koninklijke besluiten (nr. 1382/1).

Le gouvernement a également demandé l'urgence conformément à l'article 51 du Règlement lors du projet de loi modifiant les dispositions de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile concernant les dotations et subsides fédéraux et les arrêtés royaux y relatifs (n° 1382/1).

 

Ik geef het woord aan de regering om de vraag tot urgentieverklaring toe te lichten.

Je passe la parole au gouvernement pour développer la demande d'urgence.

 

30.04  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, nous parlons maintenant du quatrième et dernier texte pour lequel nous sollicitons l'urgence. Il porte le numéro 1382/1 et émane de mon excellent collègue M. le ministre de l'Intérieur, Bernard Quintin. Il modifie les dispositions de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile concernant les dotations et subsides fédéraux et les arrêtés royaux y relatifs.

 

Le présent projet de loi concerne l'intégration du Service d'incendie et d'aide médicale urgente de la Région de Bruxelles-Capitale, le SIAMU, dans le système des dotations et subventions fédérales destinées aux services d'incendie. Dans un arrêté préjudiciel du 21 avril 2022, la Cour constitutionnelle a déclaré certaines dispositions de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile contraires à la Constitution. Afin de remédier à la discrimination constatée par cet arrêt, il est urgent d'adapter la loi du 15 mai 2007, monsieur le président.

 

Le président: Je vous propose de nous prononcer sur cette demande.

Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken.

 

L'urgence est adoptée par assis et levé.

De urgentie wordt aangenomen bij zitten en opstaan.

 

30.05  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, ik dacht dat de regering ook de urgentie zou vragen voor het stuk nr. 1333/1 met betrekking tot de regeling voor vrijwillige overuren. Minister, u hebt beloofd dat u de regeling voor die vrijwillige overuren tegen 1 april rond zou krijgen (…)

 

De voorzitter: Mijnheer Van Quickenborne, het is aan de regering om een urgentie te vragen, het is niet aan u om er één uit te lokken. Gisteren is meegedeeld welke urgenties er worden gevraagd. Dat zijn de vier hier in kwestie.

 

31 Inoverwegingnemingen

31 Prises en considération

 

In de laatst rondgedeelde agenda komt een lijst van voorstellen voor waarvan de inoverwegingneming is gevraagd.

Vous avez pris connaissance dans l'ordre du jour qui vous a été distribué de la liste des propositions dont la prise en considération est demandée.

 

Indien er geen bezwaar is, beschouw ik de inoverwegingneming van deze voorstellen als aangenomen. Overeenkomstig het Reglement worden die voorstellen naar de bevoegde commissies verzonden.

S'il n'y a pas d'observations à ce sujet, je considère la prise en considération de ces propositions comme acquise. Je renvoie les propositions aux commissions compétentes conformément au Règlement.

 

Geen bezwaar? (Nee)

Aldus zal geschieden.

 

Pas d'observation? (Non)

Il en sera ainsi.

 

Urgentieverzoeken

Demandes d'urgence

 

Er zijn een aantal vragen tot urgentie. De eerste betreft een voorstel van resolutie van de collega's Samyn en consoorten tot verankering van de strijd tegen de internationale drugshandel als prioritaire as van het buitenlands beleid, nr. 1355/1.

 

31.01  Britt Huybrechts (VB): Collega's, ik citeer enkele recente krantenkoppen: "Nooit eerder zoveel schietpartijen in Brussel." "Douane onderschept ruim 1,8 ton cocaïne in de haven van Antwerpen." "Drugshaven Zaventem: Met één uithaal verdienden twee bagageafhandelaars 200.000 euro." "Ook Antwerpse jeugdorganisaties zien stijgend aantal jongeren in drugsmilieu: Zijn vaak vogel voor de kat." En ten slotte, mijn favoriet: "Meer dan 48,2 % van de drugsverdachten blijkt niet-Belg."

 

Dit zijn pijnlijke realiteiten, maar de realiteit is ook dat de drugsketen meestal veel vroeger begint, namelijk in buitenlandse havens, buitenlandse productiegebieden en staten waar kartels vrij spel krijgen. Zolang ons buitenlands beleid daar niet harder op reageert, blijft het dweilen met de kraan open. Met dit voorstel willen wij dat veranderen. Waarom gebruiken we onze diplomatieke slagkracht vandaag zo weinig in de strijd tegen de internationale drugshandel? Andere landen zetten al langer in op liaisonnetwerken: gezamenlijke havencontroles en gerichte druk op nalatige staten. België kan zich niet permitteren om achterop te blijven hinken.

 

Ik vraag u dus om deze urgentie te steunen, zodat we als Parlement eindelijk het bredere internationale luik van deze drugsproblematiek ernstig kunnen bespreken.

 

De voorzitter: Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken.

Je vous propose de nous prononcer sur cette demande.

 

De urgentie wordt verworpen bij zitten en opstaan.

L'urgence est rejetée par assis et levé.

 

Men vraagt eveneens de urgentie voor het voorstel van resolutie van mevrouw Pas en consoorten betreffende de invoering van een verplicht moratorium op het uitoefenen van lobbyactiviteiten voor voormalige ministers, staatssecretarissen en volksvertegenwoordigers, nr. 1357/1.

 

31.02  Barbara Pas (VB): De geloofwaardigheid van het openbaar bestuur staat of valt met de overtuiging dat politieke beslissingen in het algemeen belang worden genomen en niet als een opwarmronde voor een lucratieve carrière in de private belangenbehartiging. Als federale ministers of volksvertegenwoordigers heel snel naar betaalde lobbyactiviteiten overstappen, geeft dat op zijn minst een zweem van belangenvermenging. Dat tast het vertrouwen in de politiek aan, dat in dit land al niet bijster groot is.

 

Met dit voorstel willen we die draaideurpolitiek een halt toeroepen en willen wij een afkoelingsperiode, een moratorium van twee jaar, invoeren voor voormalige federale ministers en volksvertegenwoordigers, waarin zij geen betaalde lobbyactiviteiten mogen uitoefenen.

 

Als u dit urgent vindt - wij vinden dat urgent - dan is dat omdat dit geen fenomeen uit het verleden is. Er zijn ook zeer recente voorbeelden. De collega verwees net naar een voormalig federaal minister van Energie, die rechtstreeks vanuit de zetel in het Parlement haar lobbyactiviteiten voor de windenergie is gaan voortzetten bij de Europese sectorvereniging voor windenergie.

 

Zulke onkiese, onfatsoenlijke praktijken willen we met deze resolutie tegengaan. Recente voorbeelden tonen aan dat deze urgentie nodig is. Als u daarmee snel komaf wil maken, kunt u deze urgentie steunen.

 

De voorzitter: Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken.

Je vous propose de nous prononcer sur cette demande.

 

De urgentie wordt verworpen bij zitten en opstaan.

L'urgence est rejetée par assis et levé.

 

Tot slot vraagt men de urgentie voor het voorstel van de heer Vandemaele en consoorten tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de gunning, de opvolging en de stopzetting in al haar aspecten van het dossier i-Police bij de federale politie, nr. 1387/1.

 

31.03  Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, beste collega’s, daarnet hoorden we hoe de minister verklaarde dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de lunches van de federale politie met Sopra Steria. Dat staat haaks op wat de top van de federale politie verspreidt. Er is dus een duidelijk verschil tussen wat de top van de federale politie beweert en wat onze minister stelt. Ik moet zeggen dat ik meer vertrouwen heb in onze minister dan in de top van de federale politie.

 

We hebben onder elkaar afgesproken dat er hoorzittingen zullen worden georganiseerd. Wanneer ik echter zie wat de federale politie onderneemt om die hoorzittingen te doen mislukken, dan houd ik mijn hart vast en vrees ik dat ze een maat voor niets worden. Toch ben ik bereid die hoorzittingen een kans te geven, en dat zullen we ook doen.

 

Indien evenwel blijkt dat de hoorzittingen niets opleveren, kunnen we niet anders dan een onderzoekscommissie oprichten. Daarom pleit ik ervoor dit punt nu al bij hoogdringendheid te agenderen en te bespreken, zodat – zodra zou blijken dat de hoorzittingen mislukken – onmiddellijk kan worden overgegaan tot de oprichting van een onderzoekscommissie. Op die manier gaat geen kostbare tijd verloren, iets wat volgens mij voorkomen moet worden.

 

Ik nodig dan ook alle collega’s die akkoord gaan om deze beerput te ledigen uit om op te staan en deze urgentie te steunen.

 

31.04  Ortwin Depoortere (VB): Ik wens collega Vandemaele te bedanken voor zijn voortschrijdend inzicht en voor het overnemen van mijn voorbeeld om de urgentie te vragen voor de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. Twee weken geleden heb ik in deze plenaire vergadering immers een identiek voorstel ingediend.

 

Mijnheer Vandemaele, u en uw fractie hebben dat toen niet gesteund. Ik vraag mij af wat er in de voorbije 14 dagen is gebeurd waardoor u van standpunt bent veranderd en vandaag zelf dit voorstel met urgentie opnieuw voorlegt aan de plenaire vergadering.

 

In tegenstelling tot uw fractie beoordelen wij echter de inhoud van een voorstel en kijken wij niet naar de partijkleur van de indiener. Het is betreurenswaardig dat u en uw fractie dat niet hebben gedaan. Wij zullen deze urgentie vandaag dus wel steunen.

 

De voorzitter: Bedankt, heren.

 

Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken.

Je vous propose de nous prononcer sur cette demande.

 

De urgentie wordt verworpen bij zitten en opstaan.

L'urgence est rejetée par assis et levé.

 

Naamstemmingen

Votes nominatifs

 

Stemafspraken

Pairages

 

Collega’s, alvorens we overgaan tot de naamstemmingen, vraag ik u de stemafspraken bekend te maken waarbij een lid zich onthoudt bij de stemming in overleg met een afwezig lid.

Chers collègues, avant de procéder aux votes nominatifs, je vous propose d'annoncer les pairages par lesquels un membre s'abstient de voter en accord avec un membre absent.

 

Zijn er stemafspraken?

Y a-t-il des accords de pairage?

 

31.05  Alexia Bertrand (Anders.): Mijn fractie zal twee pairages doen: één door de heer Coenegrachts voor collega Yzermans en collega Van Tigchelt voor collega Scourneau. (Applaus)

 

De voorzitter: Dank u wel. Zijn er andere pairages? (Nee)

 

Dan gaan we nu over tot de naamstemmingen.

Nous allons donc maintenant procéder aux votes nominatifs.

 

32 Moties ingediend tot besluit van de interpellaties van:

- mevrouw Marijke Dillen over "de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek" (nr. 228)

- de heer Paul Van Tigchelt over "de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek" (nr. 231)

32 Motions déposées en conclusion des interpellations de:

- Mme Marijke Dillen sur "l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal" (n° 228)

- M. Paul Van Tigchelt sur "l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal" (n° 231)

 

Deze interpellaties werden gehouden in de plenaire vergadering van vandaag.

Ces interpellations ont été développées en séance plénière de ce jour.

 

Drie moties werden ingediend (MOT nr. 228/1):

- een eerste motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen;

- een tweede motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Paul Van Tigchelt;

- een eenvoudige motie werd ingediend door de heren Axel Ronse, Benoît Piedboeuf, Oskar Seuntjens en de dames Aurore Tourneur en Nawal Farih.

Trois motions ont été déposées (MOT n° 228/1):

- une première motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen;

- une deuxième motion de recommandation a été déposée par M. Paul Van Tigchelt;

- une motion pure et simple a été déposée par MM. Axel Ronse, Benoît Piedboeuf, Oskar Seuntjens et Mmes Aurore Tourneur et Nawal Farih.

 

Daar de eenvoudige motie van rechtswege voorrang heeft, breng ik deze motie in stemming.

La motion pure et simple ayant la priorité de droit, je mets cette motion aux voix.

 

Vraagt iemand het woord voor een stemverklaring? (Nee)

Quelqu'un demande-t-il la parole pour une déclaration avant le vote? (Non)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 1)

Ja

91

Oui

Nee

43

Non

Onthoudingen

0

Abstentions

Totaal

134

Total

 

De eenvoudige motie is aangenomen. Bijgevolg vervallen de moties van aanbeveling.

La motion pure et simple est adoptée. Par conséquent, les motions de recommandation sont caduques.

 

33 Aangehouden amendementen en artikelen van het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de voordracht van kandidaten en de benoemingsvoorwaarden voor rechters van het Grondwettelijk Hof (nieuw opschrift) (1093/1-9)

33 Amendements et articles réservés du projet de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle en ce qui concerne la présentation de candidats et les conditions de nomination des juges de la Cour constitutionnelle (nouvel intitulé) (1093/1-9)

 

Overeenkomstig artikel 4, laatste lid, van de Grondwet, moeten de bepalingen en het geheel van een ontwerp van bijzondere wet aangenomen worden met de meerderheid van stemmen in elke taalgroep, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt.

Conformément à l'article 4, dernier alinéa, de la Constitution, les dispositions et l'ensemble de la proposition de loi spéciale doivent être adoptés à la majorité des suffrages dans chaque groupe linguistique, à condition que la majorité des membres de chaque groupe se trouve réunie et pour autant que le total des votes positifs émis dans les deux groupes linguistiques atteigne les deux tiers des suffrages exprimés.

 

Stemming over amendement nr. 13 van Werner Somers cs tot invoeging van een artikel 1/1(n). (1093/9)

Vote sur l'amendement n° 13 de Werner Somers cs tendant à insérer un article 1/1(n). (1093/9)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 2)

 

N

Tot.

F

 

Oui

18

18

0

Ja

Non

63

116

53

Nee

Abstentions

0

0

0

Onthoudingen

Total

81

134

53

Totaal

 

De meerderheid van de stemmen in elke taalgroep is niet bereikt. De meerderheid van de aanwezigen in elke taalgroep is bereikt. De tweederdemeerderheid is niet bereikt.

La majorité des suffrages de chaque groupe n'est pas atteinte. Le quorum des présences dans chaque groupe linguistique est atteint. La majorité des deux tiers des suffrages n'est pas atteinte.

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 14 van Werner Somers cs op artikel 2. (1093/9)

Vote sur l'amendement n° 14 de Werner Somers cs à l'article 2. (1093/9)

 

33.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de voorzitter, ik wil graag bij amendement nr. 14 een stemverklaring houden.

 

Ik heb daarnet bij de bespreking van deze bijzondere wet aan de premier gezegd dat wij steun leveren voor een hervorming van het Grondwettelijk Hof als hij bereid is die herfederalisering eruit te halen. In de tekst van dit ontwerp staat zwart op wit dat bij afschaffing van de Senaat de benoemingen van de rechters door het Grondwettelijk Hof overgeheveld worden naar de Kamer. Dat is natuurlijk een herfederalisering pur sang, de eerste herfederalisering in dit Huis sinds 1970. Ik denk dat de heer Schiltz zich omdraait in zijn graf.

 

Collega’s, wij hebben een amendement ingediend. De N-VA’ers zullen het wellicht herkennen, want zij hebben het in de vorige legislatuur ook ingediend. Dit amendement zorgt ervoor dat Nederlandstalige rechters benoemd worden door het Vlaams Parlement en Franstalige rechters door de Franse Gemeenschap. Dat zou de logica zelve moeten zijn.

 

Steun voor dit amendement is voor ons de voorwaarde om steun te leveren voor de hervorming van het Grondwettelijk Hof. Als Vlaams-nationalisten kunnen wij niet leven met een herfederalisering. Wij hebben wel nog principes. Ik hoop, collega’s van N-VA, als u die principes nog hebt, dat u dan ten minste ook de steun zult leveren voor wat eigenlijk uw eigen amendement is.

 

Collega’s van de meerderheid, ik reken ook op uw steun voor dit amendement als u onze steun wilt voor de hervorming van het Grondwettelijk Hof die jullie voor ogen hebben.

 

De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Pas.

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 3)

 

N

Tot.

F

 

Oui

18

18

0

Ja

Non

63

116

53

Nee

Abstentions

0

0

0

Onthoudingen

Total

81

134

53

Totaal

 

De meerderheid van de stemmen in elke taalgroep is niet bereikt. De meerderheid van de aanwezigen in elke taalgroep is bereikt. De tweederdemeerderheid is niet bereikt.

La majorité des suffrages de chaque groupe n'est pas atteinte. Le quorum des présences dans chaque groupe linguistique est atteint. La majorité des deux tiers des suffrages n'est pas atteinte.

 

Bijgevolg is het amendement verworpen en is artikel 2 aangenomen.

En conséquence, l'amendement est rejeté et l'article 2 est adopté.

 

Stemming over amendement nr. 15 van Werner Somers cs op artikel 3. (1093/9)

Vote sur l'amendement n° 15 de Werner Somers cs à l'article 3. (1093/9)

 

Mag de uitslag van de vorige stemming ook gelden voor deze stemming? (Ja)

Peut-on considérer que le résultat du vote précédent est valable pour celui-ci? (Oui)

 

(Stemming/vote 3)

 

Bijgevolg is het amendement verworpen en is artikel 3 aangenomen.

En conséquence, l'amendement est rejeté et l'article 3 est adopté.

 

34 Geheel van het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de voordracht van kandidaten en de benoemingsvoorwaarden voor rechters van het Grondwettelijk Hof (1093/8) (nieuw opschrift)

34 Ensemble du projet de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur  la Cour constitutionnelle en ce qui concerne la présentation de candidats et les conditions de nomination des juges de la Cour constitutionnelle (1093/8) (nouvel intitulé)

 

Overeenkomstig artikel 4, laatste lid, van de Grondwet, moeten de bepalingen en het geheel van een ontwerp van bijzondere wet aangenomen worden met de meerderheid van stemmen in elke taalgroep, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt.

Conformément à l'article 4, dernier alinéa, de la Constitution, les dispositions et l'ensemble de la proposition de loi spéciale doivent être adoptés à la majorité des suffrages dans chaque groupe linguistique, à condition que la majorité des membres de chaque groupe se trouve réunie et pour autant que le total des votes positifs émis dans les deux groupes linguistiques atteigne les deux tiers des suffrages exprimés.

 

Vraagt iemand het woord voor een stemverklaring?

Quelqu'un demande-t-il la parole pour une déclaration avant le vote?

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 4)

 

N

Tot.

F

 

Oui

52

82

30

Ja

Non

29

52

23

Nee

Abstentions

0

0

0

Onthoudingen

Total

81

134

53

Totaal

 

De meerderheid van de stemmen in elke taalgroep is bereikt. De meerderheid van de aanwezigen in elke taalgroep is bereikt. De tweederdemeerderheid is niet bereikt. Bijgevolg verwerpt de Kamer het ontwerp van bijzondere wet.

Le quorum des suffrages dans chaque groupe est atteint. Le quorum des présences dans chaque groupe linguistique est atteint. La majorité des deux tiers des suffrages n'est pas atteinte. En conséquence, la Chambre rejette le projet de loi spéciale.

 

35 Wetsontwerp houdende harmonisatie van de geldende wetsbepalingen van Justitie met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (I) (1182/5)

35 Projet de loi relatif à la mise en concordance des dispositions légales en vigueur de la Justice avec le Code pénal du 29 février 2024 (I) (1182/5)

 

Vraagt iemand het woord voor een stemverklaring? (Nee)

Quelqu'un demande-t-il la parole pour une déclaration avant le vote? (Non)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 5)

Ja

110

Oui

Nee

13

Non

Onthoudingen

11

Abstentions

Totaal

134

Total

 

Bijgevolg neemt de Kamer het wetsontwerp aan. Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

En conséquence, la Chambre adopte le projet de loi. Il sera soumis à la sanction royale.

 

Reden van onthouding? (Nee)

Raison d'abstention? (Non)

 

36 Aangehouden amendement en artikel van het wetsontwerp houdende harmonisatie van de wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van strafvordering en de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (nieuw opschrift) (1256/1-8)

36 Amendement et article réservés du projet de loi relatif à la mise en concordance de la loi contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale, du Code d'instruction criminelle et de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive avec le Code pénal du 29 février 2024 (nouvel intitulé) (1256/1-8)

 

Stemming over amendement nr. 15 van Steven Matheï cs op artikel 245. (1256/8)

Vote sur l'amendement n° 15 de Steven Matheï cs à l'article 245. (1256/8)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 6)

Ja

112

Oui

Nee

0

Non

Onthoudingen

22

Abstentions

Totaal

134

Total

 

Bijgevolg is het amendement aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 245 is aangenomen.

En conséquence, l'amendement est adopté. L'article 245 ainsi amendé est adopté.

 

Overeenkomstig artikel 95, derde lid, van het Reglement mag, indien een amendement door de plenaire vergadering is aangenomen, de eindstemming over het aldus geamendeerde wetsontwerp eerst plaatsvinden nadat vijf dagen verstreken zijn.

Conformément à l’article 95, alinéa 3, du Règlement, si un amendement est adopté par l’assemblée plénière, le vote final du projet de loi ainsi amendé ne peut avoir lieu avant l’expiration d’un délai de cinq jours.

 

37 Aangehouden amendementen en artikelen van het wetsvoorstel houdende diverse maatregelen ten gunste van de mantelzorgers (nieuw opschrift) (300/1-11)

37 Amendements et articles réservés de la proposition de loi portant diverses mesures en faveur des aidants proches (nouvel intitulé) (300/1-11)

 

Stemming over amendement nr. 49 van Nadia Moscufo tot invoeging van een artikel 6/1(n). (300/11)

Vote sur l'amendement n° 49 de Nadia Moscufo tendant à insérer un article 6/1(n). (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 7)

Ja

34

Oui

Nee

81

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

133

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 44 van Sophie Thémont op de artikelen 8 tot 11. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 44 de Sophie Thémont aux articles 8 à 11. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 8)

Ja

34

Oui

Nee

82

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

134

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 50 van Sarah Schlitz cs op artikel 8. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 50 de Sarah Schlitz cs à l'article 8. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 9)

Ja

34

Oui

Nee

82

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

134

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen en is artikel 8 aangenomen.

En conséquence, l'amendement est rejeté et l'article 8 est adopté.

 

Stemming over amendement nr. 51 van Sarah Schlitz cs tot invoeging van een artikel 8/1(n). (300/11)

Vote sur l'amendement n° 51 de Sarah Schlitz cs tendant à insérer un article 8/1(n). (300/11)

 

Mag de uitslag van de vorige stemming ook gelden voor deze stemming? (Ja)

Peut-on considérer que le résultat du vote précédent est valable pour celui-ci? (Oui)

 

(Stemming/vote 9)

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 45 van Sophie Thémont op artikel 9. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 45 de Sophie Thémont à l'article 9. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 10)

Ja

34

Oui

Nee

82

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

134

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 52 van Sarah Schlitz cs op artikel 9. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 52 de Sarah Schlitz cs à l'article 9. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 11)

Ja

34

Oui

Nee

81

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

133

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 41 van Kurt Moons cs op artikel 9. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 41 de Kurt Moons cs à l'article 9. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 12)

Ja

18

Oui

Nee

115

Non

Onthoudingen

0

Abstentions

Totaal

133

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen en is artikel 9 aangenomen.

En conséquence, l'amendement est rejeté et l'article 9 est adopté.

 

Stemming over amendement nr. 46 van Sophie Thémont op artikel 10. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 46 de Sophie Thémont à l'article 10. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 13)

Ja

35

Oui

Nee

80

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

133

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 53 van Sarah Schlitz cs op artikel 10. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 53 de Sarah Schlitz cs à l'article 10. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 14)

Ja

33

Oui

Nee

82

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

133

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 42 van Kurt Moons cs op artikel 10. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 42 de Kurt Moons cs à l'article 10. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 15)

Ja

18

Oui

Nee

116

Non

Onthoudingen

0

Abstentions

Totaal

134

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen en is artikel 10 aangenomen.

En conséquence, l'amendement est rejeté et l'article 10 est adopté.

 

Stemming over amendement nr. 54 van Sarah Schlitz cs op artikel 11. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 54 de Sarah Schlitz cs à l'article 11. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 16)

Ja

51

Oui

Nee

80

Non

Onthoudingen

0

Abstentions

Totaal

131

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen en is artikel 11 aangenomen.

En conséquence, l'amendement est rejeté et l'article 11 est adopté.

 

Stemming over amendement nr. 55 van Sarah Schlitz cs tot invoeging van een artikel 11/1(n). (300/11)

Vote sur l'amendement n° 55 de Sarah Schlitz cs tendant à insérer un article 11/1(n). (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 17)

Ja

34

Oui

Nee

79

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

131

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 56 van Sarah Schlitz cs tot invoeging van een artikel 11/2(n). (300/11)

Vote sur l'amendement n° 56 de Sarah Schlitz cs tendant à insérer un article 11/2(n). (300/11)

 

Mag de uitslag van de vorige stemming ook gelden voor deze stemming? (Ja)

Peut-on considérer que le résultat du vote précédent est valable pour celui-ci? (Oui)

 

(Stemming/vote 17)

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 57 van Sarah Schlitz cs tot invoeging van een artikel 11/3(n). (300/11)

Vote sur l'amendement n° 57 de Sarah Schlitz cs tendant à insérer un article 11/3(n). (300/11)

 

Mag de uitslag van de vorige stemming ook gelden voor deze stemming? (Ja)

Peut-on considérer que le résultat du vote précédent est valable pour celui-ci? (Oui)

 

(Stemming/vote 17)

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 58 van Sarah Schlitz cs tot invoeging van een artikel 11/4(n). (300/11)

Vote sur l'amendement n° 58 de Sarah Schlitz cs tendant à insérer un article 11/4(n). (300/11)

 

Mag de uitslag van de vorige stemming ook gelden voor deze stemming? (Ja)

Peut-on considérer que le résultat du vote précédent est valable pour celui-ci? (Oui)

 

(Stemming/vote 17)

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 43 van Kurt Moons cs op artikel 12. (300/11)

Vote sur l'amendement n° 43 de Kurt Moons cs à l'article 12. (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 18)

Ja

18

Oui

Nee

116

Non

Onthoudingen

0

Abstentions

Totaal

134

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen en is artikel 12 aangenomen.

En conséquence, l'amendement est rejeté et l'article 12 est adopté.

 

Stemming over amendement nr. 47 van Sophie Thémont tot invoeging van een artikel 13(n). (300/11)

Vote sur l'amendement n° 47 de Sophie Thémont tendant à insérer un article 13(n). (300/11)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 19)

Ja

34

Oui

Nee

81

Non

Onthoudingen

18

Abstentions

Totaal

133

Total

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

Stemming over amendement nr. 48 van Sophie Thémont tot invoeging van een artikel 14(n). (300/11)

Vote sur l'amendement n° 48 de Sophie Thémont tendant à insérer un article 14(n). (300/11)

 

Mag de uitslag van de vorige stemming ook gelden voor deze stemming? (Ja)

Peut-on considérer que le résultat du vote précédent est valable pour celui-ci? (Oui)

 

(Stemming/vote 19)

 

Bijgevolg is het amendement verworpen.

En conséquence, l'amendement est rejeté.

 

38 Geheel van het wetsvoorstel houdende diverse maatregelen ten gunste van de mantelzorgers (nieuw opschrift) (300/10)

38 Ensemble de la proposition de loi portant diverses mesures en faveur des aidants proches (nouvel intitulé) (300/10)

 

Vraagt iemand het woord voor een stemverklaring?

Quelqu'un demande-t-il la parole pour une déclaration avant le vote?

 

38.01  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de voorzitter, collega’s, onze fractie zal zich vandaag onthouden bij de stemming over onderhavig wetsvoorstel. Ik wil duidelijk zijn waarom.

 

Het begint een beetje typerend te zijn voor de regering-De Wever dat ze de ongewenste gevolgen van haar eigen beleid niet ziet aankomen en die dan last minute oplost via amendementen die blijkbaar snel geschreven zijn.

 

Het is broddelwerk. Het is geen volwaardig statuut voor mantelzorgers, terwijl die duidelijk een volwaardig statuut verdienen. Ik wil de maatschappelijke rol van mantelzorgers benadrukken. Mantelzorgers verdienen waardering en respect voor de taak die ze vervullen. Ik wil hen hierbij dan ook uitdrukkelijk bedanken.

 

Waarom zullen wij ons dan bij de stemming over het voorstel onthouden? Wij onthouden ons, precies omdat het geen structurele oplossing biedt voor mantelzorgers. Het zorgt integendeel voor uitzonderingen en voor asterisken in een al overmatig complex systeem.

 

Ja, mantelzorgers hebben nood aan ondersteuning. Maar ze hebben ook nood aan duidelijkheid. U bouwt weer een nieuwe statutenkoterij inzake de werkloosheid. Wij willen precies af van al die koterijen. De voorgestelde tijdelijke oplossing is geen structurele oplossing. Ze biedt geen duidelijkheid. We zijn niet tegen de kern van het wetsvoorstel, maar we kunnen de werkwijze niet goedkeuren. Wij zullen ons dus onthouden, omdat mantelzorgers echte oplossingen verdienen.

 

38.02  Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur le président, chers collègues, mon intervention sera courte étant donné que les débats ont été longs et approfondis sur la question.

 

Cela fait des mois maintenant que nous attirons l'attention du gouvernement et de la majorité sur les conséquences de leur réforme du chômage et de la limitation dans le temps des allocations de chômage, notamment pour les personnes qui assurent l'aide à des proches.

 

Les débats ont été longs et argumentés. Les positions ont été défendues jusque dans le détail. Jusqu'à présent, toutes les propositions faites par la majorité ne sont pas de nature à rencontrer les difficultés et les problèmes causés par la réforme du chômage, par la limitation dans le temps des allocations de chômage.

 

La proposition qui est soumise aujourd'hui est de nature à seulement limiter la casse, et seulement pour une partie des aidants proches. C'est la raison pour laquelle mon groupe, dans son ensemble, va soutenir la proposition, mais avec toutes les réserves qui ont été exprimées, parce qu'elle n'est pas suffisante. Ce n'est pas une réponse apportée aux problèmes créés par les décisions de cette majorité. Mon groupe soutiendra la proposition, mais personnellement, et au nom de mon groupe, je m'abstiendrai.

 

Le président: Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 20)

Ja

126

Oui

Nee

0

Non

Onthoudingen

8

Abstentions

Totaal

134

Total

 

Bijgevolg neemt de Kamer het wetsvoorstel aan. Het zal als wetsontwerp aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

En conséquence, la Chambre adopte la proposition de loi. Elle sera soumise en tant que projet de loi à la sanction royale.

 

39 Voorstel tot verwerping door de commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken van het wetsvoorstel betreffende de objectieve neutraliteit van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, waarbij het hun verboden is bij de uitoefening van hun ambt zichtbare tekens van een geloofs- of levensovertuiging te dragen (149/1-5)

39 Proposition de rejet par la commission de l’Intérieur, de la Sécurité, de la Migration et des Matières administratives de la proposition de loi relative à la neutralité objective des agents de la fonction publique fédérale et interdisant le port de signes convictionnels visibles dans l’exercice de leurs fonctions (149/1-5)

 

Vraagt iemand het woord voor een stemverklaring? (Nee)

Quelqu'un demande-t-il la parole pour une déclaration avant le vote? (Non)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 21)

Ja

92

Oui

Nee

37

Non

Onthoudingen

3

Abstentions

Totaal

132

Total

 

Bijgevolg neemt de Kamer het voorstel tot verwerping aan. Het wetsvoorstel nr. 149/1 is dus verworpen.

En conséquence, la Chambre adopte la proposition de rejet. La proposition de loi n° 149/1 est donc rejetée.

 

Reden van onthouding? (Nee)

Raison d'abstention? (Non)

 

40 Voorstel tot verwerping door de commissie voor Mobiliteit, Overheidsbedrijven en Federale Instellingen van het voorstel van resolutie betreffende het verplichten van een alarmsysteem voor kinderzitjes in voertuigen, teneinde het achterlaten van kinderen te verhinderen (334/1-2)

40 Proposition de rejet par la commission de la Mobilité, des Entreprises publiques et des Institutions fédérales de la proposition de résolution relative à l'obligation d'installer un système d'alarme pour les sièges enfants dans les véhicules afin d'éviter que des enfants y soient laissés seuls (334/1-2)

 

Vraagt iemand het woord voor een stemverklaring? (Nee)

Quelqu'un demande-t-il la parole pour une déclaration avant le vote? (Non)

 

Begin van de stemming / Début du vote.

Heeft iedereen gestemd en zijn stem nagekeken? / Tout le monde a-t-il voté et vérifié son vote?

Einde van de stemming / Fin du vote.

Uitslag van de stemming / Résultat du vote.

 

(Stemming/vote 22)

Ja

105

Oui

Nee

19

Non

Onthoudingen

0

Abstentions

Totaal

124

Total

 

Bijgevolg neemt de Kamer het voorstel tot verwerping aan. Het voorstel van resolutie nr. 334/1 is dus verworpen.

En conséquence, la Chambre adopte la proposition de rejet. La proposition de résolution n° 334/1 est donc rejetée.

 

(M. Daniel Bacquelaine a voté comme son groupe.)

 

41 Goedkeuring van de agenda

41 Adoption de l’ordre du jour

 

We moeten overgaan tot de goedkeuring van de agenda voor de vergadering van 5 maart 2026.

Nous devons procéder à l'approbation de l'ordre du jour de la séance du 5 mars 2026.

 

Zijn er dienaangaande opmerkingen? (Nee)

Bijgevolg is de agenda aangenomen.

 

Y a-t-il une observation à ce sujet? (Non)

En conséquence, l'ordre du jour est adopté.

 

De vergadering wordt gesloten. Volgende vergadering donderdag 5 maart 2026 om 14.15 uur.

La séance est levée. Prochaine séance le jeudi 5 mars 2026 à 14 h 15.

 

De vergadering wordt gesloten om 23.41 uur.

La séance est levée à 23 h 41.

 

 

 

De bijlage is opgenomen in een aparte brochure met nummer CRIV 56 PLEN 095 bijlage.

 

L'annexe est reprise dans une brochure séparée, portant le numéro CRIV 56 PLEN 095 annexe.

 


DETAIL VAN DE NAAMSTEMMINGEN

DETAIL DES VOTES NOMINATIFS

Naamstemming - Vote nominatif: 1

 

Ja

91

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hecke Stefaan, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lysebettens Jeroen, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert, Yzermans Alain

 

 

Nee

43

Non

 

Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Bury Katleen, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Depoortere Ortwin, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, Dillen Marijke, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Huybrechts Britt, Jacquet Farah, Keuten Dieter, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Merckx Sofie, Moons Kurt, Moscufo Nadia, Pas Barbara, Prévot Patrick, Ravyts Kurt, Ribaudo Julien, Samyn Ellen, Somers Werner, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van den Bosch Annik, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Quickenborne Vincent, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter, Yigit Ayse

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions

 

 

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 2

 

Ja

18

Oui

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Nee

116

Non

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bacquelaine Daniel, Bayet Hugues, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Chahid Ridouane, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Courard Philippe, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, Dedonder Ludivine, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, Dermagne Pierre-Yves, De Roover Peter, Désir Caroline, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lacroix Christophe, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Legasse Dimitri, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Magnette Paul, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Merckx Sofie, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Prévot Patrick, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hecke Stefaan, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lysebettens Jeroen, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions

 

 

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 3

 

Ja

18

Oui

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Nee

116

Non

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bacquelaine Daniel, Bayet Hugues, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Chahid Ridouane, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Courard Philippe, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, Dedonder Ludivine, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, Dermagne Pierre-Yves, De Roover Peter, Désir Caroline, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lacroix Christophe, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Legasse Dimitri, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Magnette Paul, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Merckx Sofie, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Prévot Patrick, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hecke Stefaan, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lysebettens Jeroen, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 4

 

Ja

82

Oui

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Nee

52

Non

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Bury Katleen, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Depoortere Ortwin, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Dillen Marijke, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Huybrechts Britt, Jacquet Farah, Keuten Dieter, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moons Kurt, Moscufo Nadia, Pas Barbara, Prévot Patrick, Ravyts Kurt, Ribaudo Julien, Samyn Ellen, Schlitz Sarah, Somers Werner, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Lysebettens Jeroen, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter, Yigit Ayse

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 5

 

Ja

110

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Bury Katleen, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoortere Ortwin, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Dillen Marijke, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Huybrechts Britt, Jadoul Pierre, Keuten Dieter, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moons Kurt, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Pas Barbara, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Ravyts Kurt, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Samyn Ellen, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Somers Werner, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Troosters Frank, Truyman Lieve, Van Belleghem Francesca, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hecke Stefaan, Van Hoecke Alexander, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lommel Reccino, Van Lysebettens Jeroen, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Rooy Sam, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Verkeyn Charlotte, Vermeersch Wouter, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Nee

13

Non

 

Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Prévot Patrick, Thémont Sophie, Thiébaut Éric

 

 

Onthoudingen

11

Abstentions

 

Bilmez Kemal, Daems Greet, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Jacquet Farah, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Ribaudo Julien, Tonniau Robin, Van den Bosch Annik, Yigit Ayse

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 6

 

Ja

112

Oui

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Bury Katleen, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoortere Ortwin, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Dillen Marijke, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Huybrechts Britt, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Keuten Dieter, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Merckx Sofie, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moons Kurt, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Pas Barbara, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Ravyts Kurt, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Samyn Ellen, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Somers Werner, Tas Niels, Taton Julie, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Troosters Frank, Truyman Lieve, Van Belleghem Francesca, Vandeberg Victoria, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoecke Alexander, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lommel Reccino, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Rooy Sam, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Verkeyn Charlotte, Vermeersch Wouter, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Nee

0

Non

 

 

 

 

Onthoudingen

22

Abstentions

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, Hugon Lecharlier Claire, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Prévot Patrick, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 7

 

Ja

34

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Yigit Ayse

 

 

Nee

81

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 8

 

Ja

34

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Yigit Ayse

 

 

Nee

82

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 9

 

Ja

34

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Yigit Ayse

 

 

Nee

82

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 10

 

Ja

34

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Yigit Ayse

 

 

Nee

82

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 11

 

Ja

34

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Yigit Ayse

 

 

Nee

81

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 12

 

Ja

18

Oui

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Nee

115

Non

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bacquelaine Daniel, Bayet Hugues, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Chahid Ridouane, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Courard Philippe, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, Dedonder Ludivine, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, Dermagne Pierre-Yves, De Roover Peter, Désir Caroline, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lacroix Christophe, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Legasse Dimitri, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Magnette Paul, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Merckx Sofie, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Prévot Patrick, Ramlot Carmen, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hecke Stefaan, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lysebettens Jeroen, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions

 

 

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 13

 

Ja

35

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Van Quickenborne Vincent, Yigit Ayse

 

 

Nee

80

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 14

 

Ja

33

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Yigit Ayse

 

 

Nee

82

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 15

 

Ja

18

Oui

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Nee

116

Non

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bacquelaine Daniel, Bayet Hugues, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Chahid Ridouane, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Courard Philippe, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, Dedonder Ludivine, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, Dermagne Pierre-Yves, De Roover Peter, Désir Caroline, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lacroix Christophe, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Legasse Dimitri, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Magnette Paul, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Merckx Sofie, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Prévot Patrick, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hecke Stefaan, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lysebettens Jeroen, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions

 

 

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 16

 

Ja

51

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Depoortere Ortwin, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Dillen Marijke, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Huybrechts Britt, Jacquet Farah, Keuten Dieter, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moons Kurt, Moscufo Nadia, Pas Barbara, Prévot Patrick, Ravyts Kurt, Ribaudo Julien, Samyn Ellen, Schlitz Sarah, Somers Werner, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Lysebettens Jeroen, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter, Yigit Ayse

 

 

Nee

80

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions

 

 

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 17

 

Ja

34

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Yigit Ayse

 

 

Nee

79

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, De Roover Peter, De Vreese Maaike, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ronse Axel, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 18

 

Ja

18

Oui

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Nee

116

Non

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bacquelaine Daniel, Bayet Hugues, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Chahid Ridouane, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Courard Philippe, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, Dedonder Ludivine, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, Dermagne Pierre-Yves, De Roover Peter, Désir Caroline, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lacroix Christophe, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Legasse Dimitri, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Magnette Paul, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Merckx Sofie, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Prévot Patrick, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hecke Stefaan, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lysebettens Jeroen, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions

 

 

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 19

 

Ja

34

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bilmez Kemal, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Daems Greet, Dedonder Ludivine, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Eggermont Natalie, Hedebouw Raoul, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Maouane Rajae, Merckx Sofie, Moscufo Nadia, Prévot Patrick, Ribaudo Julien, Schlitz Sarah, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Vanbesien Dieter, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van Hecke Stefaan, Van Lysebettens Jeroen, Yigit Ayse

 

 

Nee

81

Non

 

Bacquelaine Daniel, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daenen Nele, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hiligsmann Serge, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Safai Darya, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vandeberg Victoria, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert

 

 

Onthoudingen

18

Abstentions

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 20

 

Ja

126

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bacquelaine Daniel, Bayet Hugues, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Bury Katleen, Buysrogge Peter, Chahid Ridouane, Cornillie Hervé, Courard Philippe, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, Dedonder Ludivine, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoortere Ortwin, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, Désir Caroline, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Dillen Marijke, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Huybrechts Britt, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Keuten Dieter, Kompany Pierre, Lacroix Christophe, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Legasse Dimitri, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Magnette Paul, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Merckx Sofie, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moons Kurt, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Pas Barbara, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Prévot Patrick, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Ravyts Kurt, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Samyn Ellen, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Somers Werner, Tas Niels, Taton Julie, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Troosters Frank, Truyman Lieve, Van Belleghem Francesca, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Van Hecke Stefaan, Van Hoecke Alexander, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lommel Reccino, Van Lysebettens Jeroen, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Rooy Sam, Van Vaerenbergh Kristien, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Verkeyn Charlotte, Vermeersch Wouter, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Nee

0

Non

 

 

 

 

Onthoudingen

8

Abstentions

 

Bertrand Alexia, Coenegrachts Steven, De Knop Irina, Dermagne Pierre-Yves, Di Nunzio Sandro, Vander Elst Kjell, Van Quickenborne Vincent, Van Tigchelt Paul

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 21

 

Ja

92

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Cornillie Hervé, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, De Roover Peter, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Farih Nawal, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Mahdi Sammy, Maouane Rajae, Matheï Steven, Merckx Sofie, Metsu Koen, Meuleman Brent, Michel Mathieu, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Nuino Ismaël, Oru Funda, Peeters Lotte, Piedboeuf Benoît, Pirson Anne, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Van Hecke Stefaan, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lysebettens Jeroen, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Vaerenbergh Kristien, Verkeyn Charlotte, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Nee

37

Non

 

Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bertrand Alexia, Bury Katleen, Chahid Ridouane, Courard Philippe, Dedonder Ludivine, De Knop Irina, Depoortere Ortwin, Dermagne Pierre-Yves, Désir Caroline, De Smet François, Dillen Marijke, Di Nunzio Sandro, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Lacroix Christophe, Legasse Dimitri, Magnette Paul, Moons Kurt, Pas Barbara, Prévot Patrick, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Vander Elst Kjell, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Quickenborne Vincent, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Onthoudingen

3

Abstentions

 

Bacquelaine Daniel, Coenegrachts Steven, Van Tigchelt Paul

 

 

Naamstemming - Vote nominatif: 22

 

Ja

105

Oui

 

Aerts Staf, Almaci Meyrem, Aouasti Khalil, Bayet Hugues, Bergers Jeroen, Bertels Jan, Bertrand Alexia, Bilmez Kemal, Bombled Christophe, Bouchez Georges-Louis, Buysrogge Peter, Chahid Ridouane, Coenegrachts Steven, Cornillie Hervé, Courard Philippe, Cuylaerts Dorien, Daems Greet, Daenen Nele, Dedonder Ludivine, De Knop Irina, Delcourt Catherine, De Maegd Michel, Demesmaeker Eva, Depoorter Kathleen, Dermagne Pierre-Yves, De Roover Peter, Désir Caroline, De Smet François, De Vreese Maaike, De Wit Sophie, D'Haese Christoph, Di Nunzio Sandro, Dubois Xavier, Ducarme Denis, Dufrane Anthony, Eggermont Natalie, El Yakhloufi Achraf, Foret Gilles, Frank Luc, Freilich Michael, Gatelier Jean-François, Gielis Tine, Gijbels Frieda, Goffin Philippe, Grillaert Leentje, Handichi Youssef, Hansez Isabelle, Hedebouw Raoul, Hiligsmann Serge, Hugon Lecharlier Claire, Jacquet Farah, Jadoul Pierre, Kompany Pierre, Lacroix Christophe, Lamarti Fatima, Lambrecht Annick, Lanjri Nahima, Lasseaux Stéphane, Legasse Dimitri, Lejeune Marc, Lutgen Benoît, Magnette Paul, Matheï Steven, Metsu Koen, Meuleman Brent, Moscufo Nadia, Muylle Nathalie, Oru Funda, Piedboeuf Benoît, Prévot Patrick, Ramlot Carmen, Raskin Wouter, Reuter Florence, Ribaudo Julien, Ronse Axel, Safai Darya, Schlitz Sarah, Seuntjens Oskar, Soete Jeroen, Tas Niels, Taton Julie, Thémont Sophie, Thiébaut Éric, Tonniau Robin, Tourneur Aurore, Truyman Lieve, Vanbesien Dieter, Vandeberg Victoria, Vandemaele Matti, Van den Bosch Annik, Van den Heuvel Koen, Vandeput Steven, Van der Donckt Wim, Vander Elst Kjell, Van Hoof Els, Van Keymolen Phaedra, Van Lysebettens Jeroen, Van Quickenborne Vincent, van Riet Katrijn, Vanrobaeys Anja, Van Tigchelt Paul, Van Vaerenbergh Kristien, Weydts Axel, Wollants Bert, Yigit Ayse

 

 

Nee

19

Non

 

Bury Katleen, Depoortere Ortwin, Dillen Marijke, Huybrechts Britt, Keuten Dieter, Maouane Rajae, Moons Kurt, Pas Barbara, Ravyts Kurt, Samyn Ellen, Somers Werner, Troosters Frank, Van Belleghem Francesca, Van Hoecke Alexander, Van Lommel Reccino, Van Rooy Sam, Verbelen Kristien, Vereeck Lode, Vermeersch Wouter

 

 

Onthoudingen

0

Abstentions