Commissie voor Financiën en Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 23 september 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 23 septembre 2026

 

Après-midi

 

______

 

Le développement des questions commence à 17 h 13. La réunion est présidée par M. Xavier Dubois.

De behandeling van de vragen vangt aan om 17.13 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Xavier Dubois.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

01 Vraag van Vincent Van Quickenborne aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De absurde toepassing van de meerwaardebelasting op staatsbons" (56018480C)

01 Question de Vincent Van Quickenborne à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'application absurde de la taxe sur les plus-values aux bons d'État" (56018480C)

 

01.01  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, de eenjarige staatsbon van september 2025 is terugbetaald. Het probleem is dat wie destijds 10.000 euro aan de Staat had geleend, bij de terugbetaling 4 euro meerwaardebelasting aangerekend kreeg, niet omdat hij of zij effectief meerwaarde had gerealiseerd, maar omdat de staatsbon op de referentiedatum toevallig iets onder de uitgifteprijs noteerde. Het verschil met de terugbetaling tegen de oorspronkelijke uitgifteprijs wordt daardoor – u hebt dat ook gezegd in de bespreking in de commissie – fiscaal als meerwaarde beschouwd. De betrokkenen kunnen die meerwaarde recupereren via de vrijstellingsregeling.

 

Het interessante aspect aan dat alles is dat, terwijl men vroeger de uitgekeerde som onmiddellijk automatisch via het grootboek in een nieuwe staatsbon kon herbeleggen, zulks nu niet meer kan. Aangezien men minder terugkrijgt en geen equivalent bedrag heeft, is het onmogelijk om automatisch te herbeleggen. Het Federaal Agentschap van de Schuld zou contact hebben opgenomen met u en uw administratie om te vragen of daar iets aan gedaan kan worden, maar het antwoord was negatief. Het gevolg is dat het geld dat particulieren daardoor niet herbeleggen in de staatsbon, moet worden opgehaald bij institutionele beleggers, die een hogere rente vragen.

 

Was u vooraf op de hoogte van het probleem? Werd er geen oplossing uitgewerkt voor staatsbons die vóór de invoering van de meerwaardebelasting tegen de uitgifteprijs werden aangekocht?

 

Welke impact heeft het wegvallen van de automatische herbelegging op de opbrengst van de nieuwe staatsbon? Hoeveel zal de Staat hierdoor bijkomend moeten lenen bij institutionele beleggers en tegen welke meerkosten?

 

Bent u bereid de regeling bij te sturen, zodat bij dergelijke staatsbons automatisch met de werkelijke aankoopprijs wordt gerekend en geen belasting wordt ingehouden? Hoe zult u voorkomen dat hetzelfde probleem zich herhaalt bij de staatsbon van december 2025?

 

01.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, ik was mij er terdege van bewust dat de terugbetaling op de eindvervaldag van een vastrentend effect zoals de staatsbon tot de inhouding van meerwaardebelasting kan leiden, als de houder van het effect een meerwaarde realiseert. Ik was er mij ook van bewust dat de waarde die het effect op 31 december 2025 had, als basis wordt genomen voor de berekening van de eventuele meerwaarde voor alle effecten die de betrokkenen op 1 januari 2026 al in portefeuille hadden.

 

De regeling geldt trouwens voor alle vastrentende effecten. Er is nooit sprake geweest van een afwijkende behandeling van de staatsbons voor de toepassing van de meerwaardebelasting.

 

Het Federaal Agentschap van de Schuld heeft 48.003,4 euro aan roerende voorheffing voor de meerwaardebelasting ingehouden op de terugbetaling van de staatsbon die in september 2026 op vervaldag kwam en die voor het grootboek neerkwam op 126,2 miljoen euro.

 

Bepaalde belastingplichtigen hadden gebruikgemaakt van de opt-outregeling, waardoor geen roerende voorheffing werd ingehouden. De inhouding zelf levert voor het agentschap geen noemenswaardige werklast op, aangezien die automatisch verloopt. Het is niet mogelijk om de administratieve kosten te berekenen van de behandeling van het bedrag van 48.003,4 euro aan roerende voorheffing door de FOD Financiën. Ik vermoed dat de banken evenmin in staat zijn om de administratieve kosten van hun deel van de geïnde roerende voorheffing op de betreffende staatsbon te berekenen.

 

In 2025 werd er bij de grootboeken gemiddeld ongeveer 4,92°% van de op vervaldag komende staatsbons automatisch herbelegd. Dat zou een verlies van ongeveer 6,2 miljoen euro aan inschrijvingen in de campagne van september 2026 hebben betekend, wat uiteraard een verwaarloosbaar bedrag op het geheel is.

 

Het valt bovendien niet uit te sluiten dat een deel van de houders van de op vervaldag komende staatsbonnen toch opnieuw heeft ingeschreven, ook al heeft de betrokken inschrijver het bedrag van de vorige staatsbon nog niet ontvangen.

 

Ik ben niet van plan om de meerwaardebelasting op dat punt aan te passen. Ik herhaal dat de staatsbon niet van een bijzonder regime geniet en dat de fiscale behandeling van het product de behandeling van de andere vastrentende effecten volgt. De belastingplichtigen zullen normaal geen enkele moeite hebben om de terugbetaling van de taks aan te vragen, als zij de staatsbonnen, zoals ik vermoed, bijna allemaal aan pari hebben aangekocht bij de uitgifte ervan.

 

01.03  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, als ik u goed begrijp, vindt u het probleem helemaal niet zo groot. In dat geval is het toch vreemd dat het Federaal Agentschap contact met u heeft opgenomen. Blijkbaar was het voor het agentschap toch wel een probleem.

 

U herinnert aan uw herhaalde uitspraak over obligaties onder pari als een meerwaardetrigger-event voor een meerwaardetaks. Ik heb, zoals u heel goed weet, altijd betwist, omdat ik van mening ben dat er geen sprake is van overdracht onder bezwarende titel. Trouwens, die bepaling zou naar verluidt ook worden bestreden in het verzoekschrift dat is of zal worden ingediend bij het Grondwettelijk Hof.

 

Ik heb intussen echter ook begrepen dat u niet van plan bent om de regeling met betrekking tot de meerwaardetaks op dat punt te repareren. Op dat punt was uw antwoord duidelijk.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n° 56018521C et n° 56018540C de Mme Ludivine Dedonder sont sans objet.

 

02 Vraag van Vincent Van Quickenborne aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Extra bouwprojecten door lagere belastingen" (56018576C)

02 Question de Vincent Van Quickenborne à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Une réduction d'impôts qui entraînerait des projets de construction supplémentaires" (56018576C)

 

02.01  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, de regering is op zoek naar 10 miljard euro, maar wil ook een groeistrategie nastreven.

 

Een van de groeistrategieën die worden aangereikt, komt vanuit het VBO. De bouwsector stelt namelijk voor om de btw voor de enige en eigen woning met een beperkte oppervlakte bij nieuwbouw – ik heb het niet over sloop en heropbouw, waarvoor u al een inspanning hebt gedaan – te verlagen naar 12 %. Dat zou voor een doorsnee nieuwbouw voor de consument een verschil maken van 30.000 tot 36.000 euro, wat nieuwbouw ook goedkoper zou maken.

 

Uiteraard zijn er de kosten voor de schatkist. Die worden begroot op een bruto verlies van 650 tot 850 miljoen euro. Dat is natuurlijk een zuiver statistische berekening, want als lagere belastingen ook extra bouwprojecten mogelijk maken, leveren die ook bijkomende btw-inkomsten op, jobs, sociale bijdragen en inkomsten uit personen- en vennootschapsbelasting. Belangrijk is dat men op die manier, met een groter aanbod, ook de druk op de woon-, koop- en huurmarkt kan verminderen.

 

De sector beweert – en hij heeft daar waarschijnlijk de heer Arthur Laffer voor geraadpleegd – dat de maatregelen door die terugverdieneffecten op termijn budgetneutraal zouden zijn. Ik heb me ook laten vertellen dat er in het witte kaftje sprake is van terugverdieneffecten, dus misschien past dat in dat geheel. We hoeven dat natuurlijk niet blind te geloven, maar uitsluitend kijken naar bruto minderontvangsten is evenmin ernstig.

 

U hebt in Het Laatste Nieuws, een veelgelezen krant, laten weten dat u de bouwsector een warm hart toedraagt. Dat is zeer positief. U zegt ook dat verschuivingen binnen de btw mogelijk zijn. Ik moet u wel zeggen dat die uitspraak vrij vaag is, want een belastingverlaging die volledig wordt gecompenseerd door elders de btw te verhogen, is natuurlijk geen echte belastingverlaging.

 

Ik heb een aantal vragen.

 

Ten eerste, bent u principieel voorstander van de verlaging van de btw op nieuwbouw? Is een tarief van 12 % voor u een optie tijdens de begrotingsonderhandelingen?

 

Ten tweede, hoe beoordeelt u de terugverdieneffecten die de sector naar voren schuift?

 

Ten derde, volgens het artikel in Het Laatste Nieuws komt de maatregel ook voor in het expertenrapport van het Planbureau. Zit die in het witte kaftje, ja of nee? Ziet u dit als een echte lastenverlaging of wilt u die financieren door andere btw-tarieven of belastingen te verhogen? Dank voor uw antwoorden.

 

02.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, ik zal u een globaal antwoord geven.

 

Ik deel de bezorgdheid over de betaalbaarheid van woningen en over de huidige economische situatie van de bouwsector. De fiscale behandeling van nieuwbouw vormt daarbij uiteraard een belangrijk aandachtspunt. Een mogelijke aanpassing van de tarieven kan wat mij betreft besproken worden tijdens de begrotingscontrole. U weet al dat ik op de begrotingsopmaak geen voorafnames doe.

 

U stelt een vraag over  de terugverdieneffecten. Mijn administratie beschikt niet over de noodzakelijke gegevens om een dergelijke dynamische raming te maken. Ik heb in het verleden wel contact gehad met de bouwsector en ook met andere groepen die daarin geïnteresseerd zijn. Men heeft mij erop gewezen dat het goed is om een apart btw-tarief te hebben, een verlaging voor nieuwbouw sowieso, maar een iets hoger tarief voor nieuwbouw dan voor sloop en heropbouw. We moeten vooral stimuleren dat bestaande woningen energieneutraal worden gemaakt, maar nieuwbouw moeten we niet in dezelfde mate stimuleren. Dat is iets waar ik zelf nog eens over moet nadenken. Dat is een nieuw gegeven dat mij ter beschikking is gesteld.

 

Wat het expertenrapport van het Federaal Planbureau betreft, kunt u zowel de maatregelen als het rapport integraal online terugvinden. Afhankelijk van het gekozen tarief en het toepassingsgebied van een maatregel kan door de bevoegde minister een analyse worden gevraagd aan het Federaal Planbureau. Het expertenrapport van het Federaal Planbureau kunt u dus online raadplegen.

 

Uw vierde vraag heeft ook betrekking op de lopende begrotingsonderhandelingen. U weet dat ik daar op dit moment geen voorafnames op zal doen.

 

02.03  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Dank u wel, mijnheer de minister. Het is fijn dat u in overleg bent met de sector. De situatie is op dit ogenblik vrij dramatisch. Er is een nulgroei in de economie en de prijzen zijn inflatoir hoog. Zeker de prijzen voor nieuwbouw worden voor jonge mensen moeilijker en moeilijker haalbaar. Voorts is er te weinig aanbod. Dat is onder meer te wijten aan een heel moeilijk vergunningsproces. Daar probeert men in de Vlaamse regering ook werk van te maken, heb ik begrepen. Ik denk echter dat er echt nood is aan een shocktherapie om radicaal werk te maken van het bouwen van nieuwe woningen.

 

U zegt zelf dat bepaalde mensen in de sector zeggen dat het beter is om een iets ander tarief te hanteren voor nieuwbouw dan voor sloop en heropbouw. Ik denk dat dit voorstel daar wel aan beantwoordt, want sloop en heropbouw is, als ik me niet vergis, 6 % en dit voorstel gaat over 12 %. In die zin houdt het dus ook rekening met wat er wordt gezegd.

 

Aan de andere kant heb ik van andere mensen in de sector gehoord dat zolang er verschillende tarieven worden gehanteerd, men de dynamiek er niet opnieuw in zal krijgen. Ik denk dat nieuwbouw met de nieuwe standaarden nog altijd de beste garantie is voor duurzaam en klimaatneutraal bouwen in de toekomst.

 

U hebt ook gezegd dat dat kan worden besproken tijdens de begrotingsopmaak. Ik hoop dat er inderdaad voor de bouwsector iets in zit en zeker ook voor jonge mensen die willen bouwen. We kijken uit naar uw initiatieven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van Vincent Van Quickenborne aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Maatregelen die verhuurders doen afhaken, waardoor de huur omhoog wordt gejaagd" (56018639C)

03 Question de Vincent Van Quickenborne à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les mesures qui incitent les bailleurs à jeter l'éponge et entraînent ainsi une hausse des loyers" (56018639C)

 

03.01  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, de Vlaamse huurmarkt steunt voor 70 tot 90 % op particuliere verhuurders, terwijl professionele verhuurders slechts een beperkt aandeel vertegenwoordigen. Welnu, uit een bevraging van de vastgoedgroep Dewaele onder meer actief in mijn provincie West-Vlaanderen, blijkt dat slechts een op de vijf van die potentiële particuliere verhuurders de komende jaren nog wil investeren. Dat betekent dat het aanbod aan huurwoningen drastisch daalt.

 

Tegelijkertijd ziet men dat het aantal kandidaten voor een huurwoning sterk stijgt, van 16 kandidaten per woning te huur in 2021 naar 38 kandidaten in 2025. U bent geen econoom, u bent informaticus, maar u weet ook dat meer aanbod meer concurrentie betekent en dus ook lagere prijzen.

 

De studie ziet diverse oorzaken voor het kleiner aanbod op de verhuurmarkt, maar een wel heel interessante oorzaak – en ik steek de vinger nu in de wonde – is het sterk verminderde rendement door de afschaffing van de fameuze interestaftrek voor een tweede woning. U hebt die afgeschaft, dat weet u.

 

Vooral de retroactieve impact op lopende kredietcontracten zorgde inderdaad voor heel veel rechtsonzekerheid bij investeringen in verhuurwoningen. Daartegen werd trouwens ook een verzoek door een aantal eigenaars bij het Grondwettelijk Hof ingediend.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, hebt u de impact van de fameuze afschaffing van de interestaftrek voor een tweede woning of appartement op de investeringsbereidheid, het huuraanbod en de huurprijzen vooraf laten ramen?

 

Ten tweede, hoeveel netto-ontvangsten verwacht u rekening houdend met de verkoop van huurpanden en het uitblijven van nieuwe investeringen?

 

Ten derde, hoe verantwoordt u dat de regering de fiscale spelregels wijzigt voor lopende kredietcontracten? Die vraag moet u niet beantwoorden, want u hebt dat al een paar keer gedaan. Blijft u achter de afschaffing staan? Of bent u bereid om ze tijdens de begrotingsbesprekingen toch nog eens te bekijken?

 

03.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, mijn administratie heeft de bijkomende ontvangsten in de personenbelasting voortvloeiend uit de afschaffing van de gewone interestaftrek, geraamd maar beschikt niet over de gegevens waarnaar u in uw vragen 1 en 2 verwijst.

 

Uit de recente publicatie van de Nationale Bank van België blijkt alvast dat de woninginvesteringen in het tweede kwartaal van 2026 met 0,2°% zijn gestegen. Dat is de tweede kwartaalstijging op rij. Ook voor het derde kwartaal verwacht de NBB trouwens een lichte stijging.

 

Daarnaast laat de vastgoedbarometer van Fednot, de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, een stijging van de vastgoedactiviteit met 1,5°% in België en 1,8°% in Vlaanderen zien. Volgens het perscommuniqué van Fednot zit vooral de verkoop van appartementen in de lift, met een stijging van 4,8°% in vergelijking met een jaar geleden. Bij huizen ging het veeleer om een stabilisering met +0,3°%. In Vlaanderen werden 1,8°% meer woningen verkocht. Die stijging was volledig toe te schrijven aan de appartementenmarkt, met 5,8°% meer verkochte appartementen. Het aantal verkochte huizen bleef stabiel in vergelijking met vorig jaar.

 

Het is dus volgens mij niet helemaal correct om enkel en alleen op die fiscale maatregel te wijzen. Er zijn ook de hogere hypotheekrentes en de stijging van de kosten van bouwmateriaal en transport als gevolg van de geopolitieke problemen.

 

Ook herinner ik u eraan, zoals u zelf daarstraks hebt meegegeven, dat de regering de btw op sloop en heropbouw al heeft verlaagd.

 

Op dit moment zijn er geen plannen om aanpassingen door te voeren inzake de interestaftrek, ook niet voor bestaande contracten. Er werden daarover inderdaad een aantal zaken aangespannen bij het Grondwettelijk Hof. Wij kijken met veel interesse uit naar de uitspraken van het hof.

 

03.03  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Ik had ook niet echt verwacht dat u nu plotseling op het vlak van de interestaftrek een andere positie zou innemen.

 

De studie van Dewaele geeft inderdaad niet aan dat dat de enige reden is waarom er nu plotseling minder aanbod is. Ik herinner u echter aan de boeiende bespreking die wij hadden in de commissie bij de eerste en tweede lezing. Ik heb toen getuigenis gebracht van mensen met initialen die vertelden dat ze plotseling tot 1.000 à 1.500 euro minder zouden krijgen en daardoor de huurprijzen dienden aan te passen. Dat was toen niet uit de lucht gegrepen. Ik ben dus wel van mening dat een en ander een effect heeft.

 

U verwijst naar een aantal veeleer positieve cijfers, onder meer de stijging van 0,2 % in het tweede kwartaal. Ik heb die cijfers ook gezien, maar één zwaluw maakt de lente niet, ook al is vandaag de astronomische herfst begonnen.

 

Ik hoop wel dat u tijdens het begrotingsconclaaf alsnog iets doet voor de bouwsector om nieuwbouw en verhuur te stimuleren. Wij kijken uit naar uw initiatieven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van Vincent Van Quickenborne aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Rechtszekerheid voor ploegenarbeid die niet leidt tot een nieuwe loonkostenverhoging" (56018645C)

04 Question de Vincent Van Quickenborne à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Une sécurité juridique du travail en équipe qui ne cause pas une nouvelle hausse des coûts salariaux" (56018645C)

 

04.01  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, de ploegen- en nachtarbeid worden al lange tijd gesteund door de regering met een korting op de bedrijfsvoorheffing. De vorige regering heeft naar aanleiding van een arrest van het Hof van Cassatie een bisvariant gemaakt en die verloopt eind dit jaar. De regering moet dus op zoek gaan naar een nieuw systeem. Er circuleren nu teksten die dat nieuwe systeem op poten zetten. We hoorden vanuit de sector positieve geluiden: meer rechtszekerheid en minder pestcontroles. Het gaat uiteindelijk toch over 19.000 ondernemingen in de industrie en de logistiek die daar gebruik van maken.

 

Dat is zeer positief en dat krijgt van mij een grote onderscheiding. Er is in dat ontwerp echter een element dat voor bepaalde sectoren, ik denk onder meer aan de voedingssector en ook de transportsector, een serieuze bémol vormt, een serieus weerhaakje zoals dat heet. Het gaat namelijk om de verplichting die wordt ingeschreven om de minimale ploegenpremie, die vandaag op 2 % is vastgelegd, tegen 2030-2031 te laten stijgen naar 5 %. Dat betekent eigenlijk dat de loonkosten voor die sectoren dan toenemen, terwijl die het al allesbehalve gemakkelijk hebben. Zeker de transportsector krijgt vandaag zeer zware klappen door de hoge dieselprijzen, maar deze zal volgens die teksten een loonkostenverhoging in de maag gesplitst krijgen. Aan de ene kant komt er dus meer rechtszekerheid, aan de andere kant zullen de loonkosten toenemen.

 

Waarom koppelt u de noodzakelijke rechtszekerheid, die we appreciëren, aan een verhoging van de minimale ploegenpremie van 2 % naar 5 %? Hoeveel ondernemingen en werknemers worden hierdoor getroffen? Garandeert u dat de hervorming geen verdoken besparing wordt op de fiscale vrijstelling? Bent u bereid de verplichte premieverhoging te schrappen en ondernemingen rechtszekerheid te bieden, zonder dat daar een hogere loonkost tegenover staat?

 

04.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, er ligt inderdaad een voorstel op de tafel van de regering, dat deel uitmaakt van de besprekingen. In dat voorstel werd inderdaad een consensus tussen de sectoren bereikt. Ik ben daar heel blij om. Er waren immers toch wel interpretatieverschillen, onder andere over die bisvariant.

 

Voor de rest zijn alle zaken die u noemt veronderstellingen. Die zaken liggen ter bespreking op de tafel van de regering. Zodra we die knopen hebben doorgehakt – en mijn ambitie is om die ook in de lopende begrotingsbesprekingen door te hakken – zullen we ze hier in deze commissie uitvoerig bespreken.

 

Ik deel trouwens uw bezorgdheden.

 

04.03  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Fijn dat u op het einde zegt dat u de bezorgdheden deelt. U weet dus zeer goed dat dit element uit die tekst, de stijging van 2 naar 5 % van de ploegenpremie, een knipperlicht is, een rode lamp die brandt voor die sectoren.

 

Als u zegt dat u die bezorgdheid deelt, dan hopen we ook dat u daar effectief iets mee doet en dat u dat element uit die tekst haalt. Dan denk ik dat u een zeer goede tekst zult hebben, waar heel veel bedrijven en werknemers gelukkig mee zullen zijn. Het zou een enorme stap vooruit zijn ten opzichte van de rechtsonzekerheid die in het verleden is ontstaan. Dan zal ik mea culpa slaan en zeggen dat u er echt iets van hebt gebakken.

 

Als de ploegenpremie alsnog stijgt naar 5 %, dan zien we elkaar terug in een andere context. Dank u, minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van Vincent Van Quickenborne aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het uitgangspunt dat een belastingplichtige geen fraudeur is en de uitvoering van arrest nr. 76/2026" (56018666C)

05 Question de Vincent Van Quickenborne à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le principe qu'un contribuable n'est pas un fraudeur et la mise en oeuvre de l'arrêt n° 76/2026" (56018666C)

 

05.01  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Met de programmawet van juli 2025 hebben we het fameuze artikel 444 aangepast om het recht op een fout in te schrijven. Bij de eerste overtreding gaan we uit van de goede trouw. Nu blijkt er toch iets te schorten, wat ik zelf in de bespreking niet had opgemerkt. In de wet van 18 juli 2025 was er in de overgangsregeling voorzien dat de mildere regeling, waarbij men dus bij de eerste fout uitgaat van de goede trouw, beperkt werd tot de aanslagen die werden ingekohierd vanaf 29 juli 2025. Het Grondwettelijk Hof is in zijn arrest nr. 76 van 2026 echter onverbiddelijk. Het zegt dat de beperking tot die aanslagen ongrondwettelijk is, omdat een mildere strafwet altijd moet worden toegepast, ook op hangende dossiers. Zo hebben we trouwens geleerd in de cursus strafrecht van professor Dupont. We hadden die beperking dus niet mogen inschrijven.

 

Zult u de wet aanpassen aan dat arrest van het Grondwettelijk Hof? Zal het vermoeden van goede trouw dus automatisch worden toegepast op alle betrokken, nog niet definitieve aanslagen? Over hoeveel lopende aanslagen gaat het naar schatting?

 

Het hof oordeelt tegelijkertijd dat de wetgever het vermoeden van goede trouw mocht beperken tot de inkomstenbelasting. Mogen is echter niet hetzelfde als moeten. Herinner u de discussie over WIB en btw. U zou daar werk van maken. Hoe ver staat het daarmee?

 

05.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, het door u aangehaalde arrest heeft alleen de bepaling van de inwerkingtreding vernietigd. Dat houdt in dat het nieuwe artikel 444 van het WIB 1992, ingevoerd door de programmawet van 18 juli 2025, kan worden toegepast op hangende geschillen. Met die programmawet wordt voor de belastingverhoging van 10 % een weerlegbaar vermoeden van goede trouw ingevoerd, met uitzondering evenwel voor de aanslagen die van ambtswege werden gevestigd. De gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof spelen ook voor de nog niet definitieve aanslagen, waarbij de concrete gevolgen steeds geval per geval moeten worden beoordeeld.

 

Op dit moment beschikt mijn administratie niet over gegevens aan de hand waarvan de potentieel betrokken dossiers nauwkeurig kunnen worden geïdentificeerd. Elk dossier moet immers individueel worden onderzocht om de goede trouw van de belastingplichtige te beoordelen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het dossier.

 

Het is momenteel niet voorzien om dat principe uit te breiden naar andere belastingen. Het huidige systeem is niet gebaseerd op kwade trouw om het niet-naleven van de verplichtingen van belastingplichtigen te bestraffen. We bevinden ons in een logica van administratieve sanctie: het loutere feit dat een verplichting niet wordt nageleefd, moet worden bestraft.

 

Kwade trouw komt in principe alleen in aanmerking als verzwarende omstandigheid. Indien dat niet het geval zou zijn, zou de naleving van de fiscale verplichtingen ernstig in het gedrang komen, gelet op de complexiteit die het bewijs van kwade trouw met zich meebrengt. In het geval van bijvoorbeeld een ontbrekende aangifte verandert het feit of er al dan niet sprake is van kwade trouw, niets aan het feit dat de administratie zich in een situatie bevindt waarin ze haar opdracht niet naar behoren kan uitvoeren.

 

05.03  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Ik vermoed natuurlijk dat men de wet zal moeten aanpassen. Daarop hebt u niet echt geantwoord, mijnheer de minister, maar dat zal wellicht moeten gebeuren.

 

Ik vind het een beetje vreemd dat u niet van plan bent om het uit te breiden naar andere belastingen, terwijl ik me herinner dat in de bespreking van de programmawet van 18 juli 2025 al werd gezegd – naar aanleiding van een vraag van mij of een collega – dat een uitbreiding naar andere belastingstelsels voor de btw eigenlijk wel voorzien was. Ik hoor nu dat u dat niet langer van plan bent. Dat vind ik een beetje vreemd, want nogal wat fiscalisten hadden daarop gehoopt. Ze verwelkomen die stap richting een eerste fout te goeder trouw. Het is vreemd dat u op dat punt uw positie hebt gewijzigd. We zullen dat nader onderzoeken. Dank u.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van Vincent Van Quickenborne aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De fiscale controles bij ondernemers" (56018700C)

06 Question de Vincent Van Quickenborne à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les contrôles fiscaux chez les entrepreneurs" (56018700C)

 

06.01  Vincent Van Quickenborne (Anders.): De zaak met betrekking tot de mama van vijf heeft veel weerklank gehad op sociale media. De Pot & Paint Club, een soort schildersatelier, op het Lichttorenplein 7 te Knokke, kreeg op een bepaald ogenblik controle. Er waren twee medewerkers in die zaak aanwezig, de eigenares was er zelf niet. Ze vertelt dat die mensen een btw-controle wilden uitvoeren. Ze vroegen om toegang tot de boekhouding. Die dame is een moderne dame, een mama van vijf. De medewerker vroeg om even te bellen, om zo digitaal toegang te kunnen geven tot de boekhouding. Dat werd blijkbaar geweigerd. De fiscus stelde dat er niet mocht worden getelefoneerd, ook niet naar een advocaat. Vervolgens werd een proces-verbaal opgemaakt met een boete van 1.250 euro.

 

Voor alle duidelijkheid, ik vraag u niet om commentaar te geven op die individuele zaak. Dat vraag ik u niet. Ik wil u wel bevragen over een aantal algemene principes. Hopelijk kunt u daar toch wat meer licht laten schijnen. Het gaat over de fiscale visitatie, waarover toch wel een aantal vragen te stellen zijn. Voor alle duidelijkheid, de fiscale visitatie is geen huiszoeking. Dat is het recht van de fiscus om tijdens kantooruren binnen te gaan en een aantal vragen te stellen.

 

Ten eerste, moeten controleurs zich bij een fiscale visitatie steeds legitimeren? Welke informatie moeten ze aan de belastingplichtige of diens medewerkers meedelen? Moeten ze bijvoorbeeld ook zeggen dat men het recht heeft om een advocaat te raadplegen, zoals in de Verenigde Staten?

 

Ten tweede, mag een onderneming de boekhouding volledig digitaal bewaren, zonder op elke exploitatiezetel papieren exemplaren bij te houden?

 

Ten derde, wat moet bij een onaangekondigde controle meteen beschikbaar zijn wanneer de zaakvoerder afwezig is? U begrijpt ook dat men een medewerker niet onmiddellijk toegang tot de boekhouding wil geven. Dat is een zaak van de zaakvoerder. Moet een redelijke termijn worden geboden om digitale toegang te verlenen?

 

Ten vierde, mogen controleurs medewerkers verbieden de zaakvoerder, de boekhouder of de advocaat te contacteren? Zo ja, met welke wettelijke basis?

 

Ten vijfde, moet een zaak na iedere consumptie meteen een btw-bon uitreiken of volstaat dat bij de eindafrekening?

Stel, ik bestel een gemberthee bij een zaak. Ik drink die gemberthee, wacht een half uur en bestel nog een thee. Er werd beweerd - ik vind het vrij absurd - dat men na elke thee onmiddellijk de btw-bon zou moeten uitreiken. Wanneer is de dienst dus juridisch voltooid, zoals dat heet?

 

Dat zijn vijf vragen die eigenlijk losstaan van de individuele case Ik weet dat er veel mensen meeluisteren. Als u daar uw licht op laat schijnen, zal dat heel veel klaarheid brengen voor veel zelfstandigen en ondernemers.

 

06.02 Minister Jan Jambon: Na een avond op stap gaan, komt men dus met een hele stapel btw-bonnen thuis. Binnenkort een tombola. Alle gekheid op een stokje, ik ga over tot de antwoorden.

 

Ten eerste, de wetsbepalingen die het visitatierecht regelen inzake de inkomstenbelasting en btw bepalen dat de controleurs bij het uitoefenen van hun visitatiebevoegdheden in het bezit van een aanstellingsbewijs moeten zijn. Deze wetsbepalingen leggen evenwel geen verplichting op om dit aanstellingsbewijs spontaan aan de belastingplichtige voor te leggen als die er niet om vraagt. Als die er wel om vraagt, moeten ze dat wel kunnen tonen.

 

Ten tweede, wanneer de boekhouding digitaal wordt gevoerd, dient hiervan geen papieren afschrift op elke exploitatiezetel bewaard te worden. Bepaalde boeken en stukken moeten wel per bedrijfszetel worden gehouden en voorgelegd, zoals het dagboek van ontvangsten. Als dit dagboek op elektronische wijze wordt gehouden, moet het aldaar elektronisch toegankelijk zijn.

 

Ten derde, de stukken en bescheiden die onderworpen zijn aan de bewaar- en voorleggingsverplichting, moeten op ieder verzoek van de controleur zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel kunnen worden voorgelegd conform de voorleggingsverplichting zoals door de wet en de uitvoeringsbesluiten is geregeld. De belastingplichtige moet zich in dat geval zo organiseren dat hij de bij wet en uitvoeringsbesluiten geregelde voorleggingsverplichting binnen een redelijke termijn kan naleven, ook als hij zelf niet aanwezig is.

 

Ten vierde, een medewerker van de belastingplichtige kan de zaakvoerder, de boekhouder of een advocaat contacteren zolang dat de controle, ook wanneer ze onaangekondigd is, niet onmogelijk maakt.

 

Ten vijfde, overeenkomstig de bepaling van koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de btw moet het kasticket van het geregistreerd kassasysteem worden uitgereikt op het tijdstip van de voltooiing van de dienst of van de levering van de goederen. Voor een restaurantdienst is dat in beginsel bij het beëindigen van de maaltijd met dranken, wat doorgaans gepaard gaat met de eindafrekening.

 

06.03  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, u gaf heel heldere antwoorden, waarvoor mijn uiterste dank. U hebt heel helder geantwoord.

 

Ik onthoud dat u in uw eerste antwoord aangeeft dat de betrokkenen een aanstellingsbewijs bij zich moeten hebben maar dat zij het niet spontaan moeten tonen. Enkel wanneer de mensen erom vragen, moeten zij dat bewijs tonen.

 

Ik meen dat ergens in het regeerakkoord stond dat er meer werk moet worden gemaakt van rechtszekerheid, ook wat de fiscale visitatie betreft.

 

06.04 Minister Jan Jambon: In het regeerakkoord staat dat er een charter van de belastingplichtige komt.

 

06.05  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Het zou een goed idee zijn mochten die controleurs zich spontaan legitimeren en dat ook tonen. Ik meen dat dat voor de rechtszekerheid beter zou zijn. Ik ben ook van mening dat dat de sfeer van een onderzoek ten goede zou komen.

 

U meldt ook dat er geen papieren afschrift moet zijn. Een dagboek van ontvangsten moet wel op elke exploitatiezetel aanwezig zijn, maar het kan ook digitaal. Nu komt het echter. Er moet dus toegang zijn zonder verplaatsing en zonder uitstel tot die digitale boekhouding.

 

U zegt dat medewerkers te allen tijde een advocaat of een zaakvoerder moeten kunnen contacteren zolang dat de controle niet onmogelijk maakt. Dat is een belangrijke stelling. De informatie die ik uit de zaak in kwestie heb, is dat het hun onmogelijk werd gemaakt om te telefoneren. Als dat het geval is, is dat een echte aanfluiting van de vandaag geldende wetgeving.

 

Ten slotte, over de btw-bon bent u heel duidelijk geweest. Ook dat lijkt mij intussen klaarheid te hebben gegeven.

 

Mijnheer de minister, ik dank u voor zoveel duidelijkheid.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de François De Smet à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les carences de la lutte contre le commerce illégal de tabac au niveau européen" (56018715C)

07 Vraag van François De Smet aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De tekortkomingen in de bestrijding van de illegale tabakshandel op het Europese niveau" (56018715C)

 

07.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, dans un rapport publié le 9 septembre dernier, la Cour des comptes européenne estime que l'Union européenne n'est pas à la hauteur face aux pertes de recettes fiscales engendrées par le commerce illégal de tabac, chiffrées à 13 milliards d'euros par an à l'échelle européenne. Le rapport pointe notamment des insuffisances dans la coordination des contrôles douaniers entre États membres ainsi que dans le partage des renseignements permettant de détecter les circuits de contrebande. Je souhaiterais dès lors vous interroger plus spécifiquement sur la situation de la Belgique.

 

Quelle évaluation faites-vous des conclusions de la Cour des comptes européenne en ce qui concerne spécifiquement notre pays? Dispose-t-on d'une estimation du montant des pertes de recettes d'accises liées au commerce illégal de tabac sur notre territoire? Quelles mesures de coordination douanière renforcées avec les autres États membres ont été mises en œuvre ou envisagées à la suite de ce rapport?

 

Quels sont les moyens humains et matériels actuellement consacrés par l'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) à la détection de la contrebande de tabac, notamment dans le port d'Anvers, mais également ailleurs? Une augmentation de ces moyens est-elle prévue?

 

Je vous remercie.

 

07.02  Jan Jambon, ministre: Monsieur De Smet, pour répondre à votre première question, je peux indiquer que l'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) ne réalise pas elle-même d'analyse de marché et ne peut dès lors pas établir sa propre estimation de la part des cigarettes illicites.

 

Les services de mon administration confirment toutefois la tendance mise en évidence dans le rapport de la Cour des comptes européenne, à savoir que la production illégale de cigarettes au sein de l'Union européenne a augmenté au cours des dernières années.

 

Parallèlement, ils constatent que les organisations criminelles opèrent à une échelle internationale toujours plus importante et mettent en place des usines dotées de plusieurs lignes de production complètes ainsi que de capacités de production considérables. Cette tendance se reflète également dans le résultat opérationnel des douanes. Ainsi, neuf fabriques illégales de cigarettes ont été démantelées en 2025, contre 12 en 2024. En 2026, jusqu'à présent, 12 sites de production illégaux ont déjà été démantelés, dont récemment une usine située à Ninove.

 

En ce qui concerne la coopération internationale, les douanes belges s'investissent depuis plusieurs années de manière active dans une coopération approfondie avec les services compétents des autres États membres et avec les partenaires européens. Elles jouent également un rôle actif à l'échelle européenne. Ainsi, les douanes belges président au sein d'Europol un projet "Impact", spécifiquement consacré à la lutte contre la production illégale de produits du tabac.

 

Au niveau législatif, la Belgique tient à rappeler qu'elle est consciente des lacunes que présente actuellement le cadre réglementaire européen et qu'elle soutient dès lors l'ambition de parvenir à une révision de la directive sur la taxation du tabac. Dans ce contexte, elle a toujours souligné la nécessité d'aborder également la question du tabac brut dans le cadre de cette révision. Celle-ci pourrait en effet constituer une première étape significative vers un renforcement du dispositif réglementaire européen, notamment dans la lutte contre le commerce illicite des produits du tabac.

 

La situation belge montre toutefois que la coopération européenne ne peut pas être organisée partout de la même manière. Il existe une grande diversité dans la répartition des compétences entre les différents services répressifs européens. En outre, les législations et procédures nationales ne sont pas harmonisées entre les États membres. Par ailleurs, dans certains États membres, les infractions en matière d'accises ne relèvent pas de la compétence exclusive des douanes. Les services compétents et les chaînes d'information diffèrent donc selon les pays, ce qui peut parfois compliquer un échange rapide et direct d'informations.

 

Dans ce contexte, les douanes poursuivent leurs efforts en faveur d'une coopération opérationnelle intensive, d'un échange d'informations et d'une coordination étroite avec les services compétents des autres États membres et avec les agences européennes afin de perturber et de démanteler aussi efficacement que possible les réseaux criminels impliqués dans la production et la distribution illicite de produits du tabac.

 

L'Administration générale des Douanes et Accises ne dispose pas d'une estimation du montant total des pertes de recettes d'accises résultant d'un commerce illicite des produits du tabac en Belgique. Elle est toutefois en mesure de communiquer le montant des accises éludé sur les produits du tabac effectivement détectés et saisis par ce service.

 

Pour les cigarettes, le tabac à rouler et le tabac pour pipe à eau saisis, le montant des accises éludé s'élevait à environ 141,3 millions d'euros en 2023. En 2024, ce montant a atteint environ 150,8 millions d'euros. En 2025, il s'élève à environ 107,3 millions d'euros.

 

Les douanes belges n'ont reçu le rapport de la Cour des comptes européenne que très récemment. Les constats et recommandations qui y figurent sont actuellement analysés avec attention et seront pris en considération le cas échéant dans le cadre du renforcement futur de notre lutte contre le commerce illicite des produits du tabac.

 

Les douanes belges coopèrent déjà de manière régulière avec les autorités douanières des autres États membres ainsi qu'avec l'Office européen de lutte antifraude (OLAF) dans la lutte contre la contrebande et la production illicite de tabac. Cette coopération comprend notamment l'échange d'informations et de l'analyse des risques, la participation à des opérations de contrôle conjointes ainsi que le soutien à des enquêtes transfrontalières.

 

À cet égard, l’OLAF joue un rôle important en matière de coordination, d’analyse et d’appui opérationnel. Les douanes belges continueront dès lors à investir dans une coopération étroite avec leurs partenaires européens. Les pistes d’amélioration identifiées par la Cour des comptes européenne constitueront, à cet égard, une contribution utile pour renforcer davantage, lorsque cela s’avère nécessaire, les mécanismes existants de coopération, de coordination et d’échange d’informations.

 

J’en viens à votre quatrième question. La lutte contre le commerce illicite des produits du tabac constitue une priorité pour l’Administration générale des Douanes et Accises. D’importants moyens humains et matériels sont mobilisés à cette fin, tant au sein des services de contrôle que des services de recherche. Plus de 1 000 douaniers sont engagés soit dans le cadre des contrôles de première ligne, soit au sein d’équipes spécialisées dans la lutte contre la fraude aux accises et le commerce illicite des produits du tabac.

 

Il convient de souligner que la fraude liée aux produits du tabac ne se limite pas au port d’Anvers. Il s’agit d’un phénomène national et transfrontalier qui nécessite des contrôles et des enquêtes sur l’ensemble du territoire. Dans le cadre du renforcement de la lutte contre la fraude, des agents supplémentaires ont déjà été recrutés au sein des services de recherche. Ce renforcement se poursuivra dans les prochains mois avec l’arrivée d’effectifs supplémentaires au sein des équipes spécialisées, afin d’accroître encore l’efficacité de la lutte contre la fraude dans le secteur du tabac.

 

07.03  François De Smet (DéFI): Je ne peux que remercier le ministre pour l’exhaustivité de sa réponse. Je pense que nous avons tous appris beaucoup de choses aujourd’hui, ce qui démontre également la pertinence de cette question. Je remercie sincèrement le ministre ainsi que ses services pour la qualité des réponses apportées de manière générale et particulièrement dans ce dossier.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de Stéphane Lasseaux à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les faibles recettes sur la consommation et l'écart de collecte de la TVA" (56018806C)

08 Vraag van Stéphane Lasseaux aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De geringe ontvangsten uit de verbruiksbelasting en de btw-kloof" (56018806C)

 

08.01  Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Monsieur le ministre, la Belgique se caractérise par une pression fiscale globale élevée, mais également par une structure de recettes particulière. Comparé aux autres pays européens, notre pays tire relativement moins de recettes de la taxation de la consommation, alors que la fiscalité pesant sur le travail demeure particulièrement importante. Ce constat peut résulter de différents facteurs: la structure de nos taux et exonérations, nos habitudes de consommation, mais également notre capacité de percevoir effectivement les impôts dus.

 

À cet égard, le VAT compliance gap mesure l'écart entre les recettes de TVA qui devraient théoriquement être perçues compte tenu de la législation en vigueur et celles effectivement encaissées. Cet écart ne peut être assimilé intégralement à de la fraude puisqu'il comprend également, notamment, les erreurs, faillites, insolvabilités ou difficultés de recouvrement. Dans un contexte budgétaire contraint, il paraît essentiel de déterminer dans quelle mesure la faiblesse relative de nos recettes issues de la consommation résulte de choix fiscaux assumés et dans quelle mesure elle pourrait être résorbée grâce à une meilleure perception des impôts existants.

 

Monsieur le ministre, comment expliquez-vous que la Belgique tire proportionnellement moins de recettes de la taxation de la consommation que la moyenne européenne, malgré un taux normal de TVA de 21 %?

 

Pouvez-vous décomposer cet écart et préciser dans quelle mesure il s'explique par les taux réduits et exonérations, la structure de la consommation et une moindre efficacité dans la collecte de la TVA?

 

Disposez-vous également d'une estimation du taux de TVA moyen appliqué sur notre territoire?

 

Quel est aujourd'hui le VAT compliance gap de la Belgique, en pourcentage et en montant absolu, et comment se compare-t-il à la moyenne européenne ainsi qu'à celui de nos principaux voisins?

 

Disposez-vous d'une estimation de la part de cet écart imputable à la fraude à la TVA, par opposition aux faillites, insolvabilités, erreurs déclaratives et autres causes de non-recouvrement?

 

Quel montant de recettes supplémentaires la Belgique pourrait-elle théoriquement percevoir si son VAT compliance gap était ramené au niveau de la moyenne européenne, puis au niveau des États membres les plus performants?

 

Enfin, avant d'envisager de nouvelles hausses de la fiscalité sur la consommation, quel objectif le gouvernement se fixe-t-il pour améliorer la collecte des prélèvements existants et réduire cet écart au cours de la législature?

 

08.02  Jan Jambon, ministre: Monsieur Lasseaux, je vous remercie pour cette question. La structure de nos recettes est au moins aussi importante que le niveau global de la pression fiscale.

 

La pression fiscale globale en Belgique figure parmi les plus élevées d'Europe, mais elle repose surtout sur la fiscalité du travail. Le taux nominal de TVA est conforme à la moyenne européenne. Ce qui importe davantage, c'est l'assiette fiscale effective. Une part importante de la consommation belge est taxée à des taux réduits – 6 % et 12 % – ou est exonérée, ce qui donne de facto de moindres recettes, sans que le taux lui-même ne change.

 

La structure de la consommation joue également un rôle. Par exemple, les dépenses en matière de rénovations, de soins de santé ou de services financiers, souvent exonérées ou soumises à un taux réduit, représentent une part relativement importante.

 

Je réponds en même temps à vos deuxième et quatrième questions. Selon le dernier rapport de la Commission européenne, et ce sont les chiffres de 2023, la Belgique a perçu un total de 37,4 milliards d'euros de recettes TVA. Le Compliance Gap a été estimé à 5,2 milliards d'euros, soit 12,3 % de l'obligation fiscale théorique en matière de TVA, donc une hausse de 0,6 points de pourcentage par rapport à 2022. À titre de comparaison, la moyenne européenne s'élevait en 2023 à 9,5 %. Ce rapport opère une distinction entre le Policy Gap, donc le taux réduit, exonération, etc., d'une part, et le Compliance Gap, d'autre part. Il est important de souligner que le Policy Gap est nettement plus important que le Compliance Gap.

 

Concernant votre troisième question, sur la base des derniers chiffres disponibles, les chiffres pour l'année 2024 révèlent un taux moyen pondéré de TVA estimé à 15,2 %.

 

Cinquième question, la Belgique ne dispose pas d'une ventilation, selon la part imputable à la fraude, par opposition aux faillites, insolvabilité, erreurs déclaratives et autres causes de non-recouvrement.

 

Enfin, en réponse à votre dernière question, l'objectif du rapport VAT-Gap mentionné est de suivre l'évolution de l'écart de TVA. Pour l'interprétation de cet écart, ce qui importe surtout, c'est de savoir s'il présente une tendance significativement baissière ou haussière, plutôt que le montant exact de la perte ou du gain de recettes.

 

Mon administration met tout en œuvre pour contenir l'écart de TVA, notamment au travers des initiatives suivantes: la modernisation de la chaîne TVA, la généralisation obligatoire de la facturation électronique entre entreprises, et à terme, les e-reportings, ainsi que la mise en œuvre de DAC 7, l'échange automatique d'informations sur les revenus des plateformes numériques dont on a déjà discuté cet après-midi. Ces initiatives peuvent contribuer de manière significative à la réduction de l'écart de TVA au cours des prochaines années.

 

08.03  Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour les réponses complètes que vous apportez mais aussi pour tout ce que vous mettez en œuvre. En effet, la chaîne TVA devrait aussi améliorer la perception et les recettes pourraient en tout cas mieux s'en sentir mieux.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de Stéphane Lasseaux à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le résultat de la spending review sur les dispenses de versement du précompte professionnel" (56018807C)

09 Vraag van Stéphane Lasseaux aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De resultaten van de spending review over de vrijstelling van doorstorting v.d. bedrijfsvoorheffing" (56018807C)

 

09.01  Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Je vous remercie, monsieur le ministre, de rester parmi nous pour cette dernière question.

 

Monsieur le ministre, la spending review consacrée aux dispenses de versement du précompte professionnel met en évidence plusieurs faiblesses dans la conception et l'évaluation de dispositifs représentant plusieurs milliards d'euros de dépenses fiscales chaque année. Le rapport souligne notamment que leurs objectifs sont parfois multiples et insuffisamment mesurables. Il recommande dès lors de définir des objectifs SMART permettant d'en mesurer réellement l'additionnalité.

 

Certains constats interpellent particulièrement. Pour les heures supplémentaires assorties d'une majoration de 20 %, le mécanisme actuel peut conduire à une aide représentant environ 167,75 % du sursalaire supporté par les employeurs. S'agissant du travail de nuit et du travail en équipe, le rapport pose plus fondamentalement la question de savoir si la réduction du coût salarial doit continuer à passer par le précompte professionnel plutôt que par un instrument directement destiné aux employeurs.

 

Le rapport rappelle toutefois que le coût brut de ces dépenses fiscales ne peut être assimilé mécaniquement à une économie budgétaire disponible. Une réforme peut en effet modifier le rendement de l'impôt des sociétés et entraîner des réactions en matière d'emploi, d'investissement, de prix ou encore de localisation.

 

Monsieur le ministre, quelles recommandations de cette spending review le gouvernement entend-il mettre en œuvre, et selon quel calendrier? Envisagez-vous de revoir le calcul de certaines dispenses afin que l'avantage fiscal soit davantage lié au coût effectivement supporté par l'employeur?

 

Entendez-vous fixer, pour chacune de ces dépenses fiscales, des objectifs mesurables en matière d'emploi, de compétitivité ou d'investissement permettant d'en évaluer régulièrement l'efficacité et l'additionnalité? Enfin, avez-vous chargé votre administration d'estimer le rendement budgétaire net des différentes réformes proposées, en intégrant les effets potentiels sur l'impôt des sociétés (ISOC), l'emploi et le comportement des entreprises?

 

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

 

09.02  Jan Jambon, ministre: Monsieur Lasseaux, les spending reviews publiées au début de l’été contiennent différentes analyses ainsi qu’un certain nombre d’options de politiques publiques. Celles-ci prennent notamment la forme de pistes d’adaptations législatives, mais également de questions plus prospectives qui appellent, le cas échéant, des analyses et des travaux complémentaires.

 

Les analyses qui y sont développées, les prémisses et hypothèses sur lesquelles elles reposent, ainsi que les constats, options et conclusions qui peuvent en être tirées sont susceptibles d’alimenter la réflexion au niveau du gouvernement.

 

Comme à l’accoutumée, je ne souhaite pas préjuger des conclusions qui pourraient en être tirées. Je peux vous dire que les spending reviews sont dans les carnets blancs du premier ministre et qu’elles seront examinées au cours des travaux budgétaires.

 

09.03  Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour la réponse. Je comprends évidemment que vous ne pouvez pas aller plus loin dans celle-ci. Je vous remercie d’avoir répondu à la dernière question.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Question de Xavier Dubois à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le système hawala et les circuits financiers informels" (56018850C)

10 Vraag van Xavier Dubois aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De hawala en de informele financiële circuits" (56018850C)

 

10.01  Xavier Dubois (Les Engagés): Les systèmes informels de transfert de fonds, communément désignés sous le terme de "hawala", permettent de transférer de la valeur entre différents pays sans nécessairement faire transiter les fonds par les circuits bancaires traditionnels.

 

Si ces mécanismes peuvent avoir des usages légitimes, leur caractère informel et parfois difficilement traçable peut également être exploité dans des mécanismes de blanchiment, de fraude fiscale ou de criminalité organisée.

 

La difficulté est d’autant plus importante que les flux financiers peuvent être compensés entre différents intermédiaires et que le règlement final peut prendre différentes formes, notamment par des mouvements d’espèces ou des opérations commerciales.

 

Monsieur le ministre, disposez-vous d’une estimation du nombre de dossiers de fraude fiscale ou de blanchiment dans lesquels des mécanismes de type hawala ont été identifiés ces dernières années en Belgique, ainsi que des montants concernés?

 

De quels moyens disposent aujourd’hui le SPF Finances, la CTIF et les autres services compétents pour identifier ces flux lorsqu’ils ne transitent pas directement par le système bancaire traditionnel?

 

Les échanges d’informations entre les administrations fiscale, douanière, policière et les cellules de renseignement financier sont-ils suffisamment développés pour détecter les mécanismes de compensation entre plusieurs pays?

 

Une attention particulière est-elle portée au lien entre ces réseaux financiers informels et l’utilisation de fausses factures ou d’opérations commerciales destinées à justifier ou à compenser certains flux financiers?

 

Envisagez-vous de renforcer les instruments dont dispose l’administration pour mieux détecter ces circuits et, le cas échéant, récupérer les recettes fiscales éludées?

 

Qu’est-il mis en place par les intermédiaires financiers afin de déceler les transactions suspectes qui proviendraient d’intermédiaires chargés du payement des opérations commerciales?

 

10.02  Jan Jambon, ministre: Pour répondre à votre première question, en 2024, l'Inspection spéciale des impôts (ISI) avait identifié 140 entités impliquées dans des mécanismes de fraude fiscale liés au système hawala. Au cours des 12 derniers mois, en recourant à la même méthode de détection, elle a mis en évidence 447 entités supplémentaires. Il convient toutefois de préciser que ces chiffres sont loin de couvrir l'ensemble des techniques de compensation utilisées par les fraudeurs. Le phénomène est en constante progression ces dernières années.

 

Par ailleurs, pour la période 2023-2025, la Cellule de Traitement des Informations Financières (CTIF) a mentionné dans ses rapports annuels 678 dossiers portant sur un montant total de 1,99 milliard d'euros – soit près de 2 milliards d'euros – en lien avec des blanchisseurs professionnels.

 

Concernant votre deuxième question, l'ISI dispose actuellement, dans le cadre de ses compétences, de ses propres systèmes de détection des fraudes fondés sur l'exploitation d'informations fiscales. Elle transmet également des informations, soit de manière spontanée, soit à la demande, à la CTIF ainsi que des déclarations de soupçon.

 

De son côté, la CTIF communique certaines de ses analyses au CAF, le Service de Coordination Anti-fraude du SPF Finances, notamment lorsqu'elles concernent des transmissions au parquet fondées sur des déclarations de soupçon reçues des déclarants.

 

S'agissant de votre troisième question, la création de la Direction d'investigations fiscales (DIF), combinée aux travaux actuellement menés par le Collège de lutte contre la fraude ainsi qu'à la transposition du nouveau paquet européen de lutte contre le blanchiment – la sixième directive (UE) 2024/1640 et règlement (UE) 2024/1624 – offre une opportunité sans précédent de renforcer la lutte contre les mécanismes de trade-based money laundering (TBML) et les systèmes de compensation informels de type hawala.

 

Effectivement, un lien direct peut exister entre ces pratiques. La mise en place du système de facturation électronique et surtout l'e-reporting permettra des détections plus rapides.

 

La création de la DIF au sein de l'ISI est justement une réponse aux activités frauduleuses des organisations criminelles, et notamment à l'utilisation de mécanismes financiers informels, comme le hawala, qui facilitent l'opacité des transactions et le contournement des dispositifs de contrôle. La DIF doit constituer un levier indispensable à la mise en œuvre d'une politique efficace contre les fraudes, notamment celles générées par les activités de narcotrafic et les flux financiers illicites qui y sont associés par une approche du volet financier.

 

Enfin, les intermédiaires financiers appliquent également des procédures de connaissance du client afin de vérifier l'identité du client, la nature de ses activités et le profil de risque associé. Les opérations suspectes doivent faire l'objet d'un signalement à la CTIF.

 

10.03  Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Il s'agit d'informations qui sont interpellantes vu le nombre d'entités concernées et les montants que vous avez cités. Certains éléments sont toutefois rassurants, notamment la mise en place de la DIF qui permettra le renforcement de la lutte contre ces pratiques. Ce sera intéressant de revenir sur le sujet dans quelques mois pour voir l'efficacité de cette nouvelle structure.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 18 h 09.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.09 uur.

 

 

Schriftelijk behandelde mondelinge vragen

Questions orales traitées par écrit

 

Het antwoord werd door de vice-eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen bezorgd.

La réponse a été fournie par le vice-premier ministre et ministre des Finances et des Pensions, chargé de la Loterie nationale et des Institutions culturelles fédérales.

 

11 Vraag van Oskar Seuntjens aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De stand van zaken met betrekking tot het federale antifraudeplan" (56018865C)

11 Question de Oskar Seuntjens à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le point sur le plan fédéral antifraude" (56018865C)

 

Geachte minister,

 

Net voor het zomerreces bevestigde u in de plenaire dat de strijd tegen fiscale fraude voor u een prioriteit blijft. U verwees naar de uitvoering van verschillende aangekondigde maatregelen zoals de oprichting van de FIOD en het optrekken van het aantal personeelsleden bij de BBI en de douane.

 

Maar als we de voorziene opbrengsten in de begroting willen halen, dan zullen we de strijd tegen fiscale fraude moeten opvoeren.

 

Daarom heb ik de volgende vragen voor u:

 

1/ Wanneer komt u met het anti-fraudeplan richting het parlement?

 

2/ In 2024 en 2025 zijn de cash opbrengsten van de BBI 200 mln euro lager dan de voorgaande jaren.  Enkele vragen hierover:

 

2.1 Welke zijn hiervan de oorzaken?

 

2.2 Wat is de prognose van de cash resultaten van de BBI voor 2026 tot op heden?  Gelieve ook de resultaten voor het eerste semester van 2026 te verstrekken.

 

2.3 In het Regeerakkoord is voor de strijd tegen de fiscale fraude voor 2026 een meeropbrengst van 200 mln euro voorzien.  Zult u dit resultaat kunnen realiseren of is een bijsturing nodig?  Zo ja, welke initiatieven voorziet u om dit resultaat te behalen?

 

Dank voor uw antwoord.

 

Antwoord - Réponse:

 

1.      Het Actieplan Sociale en Fiscale Fraudebestrijding werd reeds in het voorjaar door het Ministerieel Comité goedgekeurd. Dit plan wordt zoals gebruikelijk is niet besproken in het parlement, maar op permanente basis opgevolgd in het College voor Fiscale en Sociale Fraudebestrijding. Voor wat betreft de antifraudewet zijn de besprekingen nog lopende.  

 

  1. 1. De AABBI kent sinds drie jaar een lichte daling van de cashontvangsten, met daarnaast een uitzonderlijk resultaat in 2022. 

 

De prestaties van de AABBI kunnen niet uitsluitend worden beoordeeld op basis van de geïnde cashontvangsten, aangezien deze afhangen van twee factoren waarop de AABBI geen enkele invloed heeft, namelijk enerzijds de omvang van de door belastingplichtigen gepleegde fraude en anderzijds de solvabiliteit van de belastingplichtigen die deze fraude hebben gepleegd.  

 

De insolventie doet zich in het bijzonder voor in het kader van criminele en frauduleuze btw-netwerken. Het blijft echter noodzakelijk dat de AABBI hiertegen optreedt, aangezien het uitblijven van dergelijke acties zou leiden tot aanzienlijke verliezen voor de Schatkist en tot concurrentieverstoringen ten nadele van eerlijke belastingplichtigen. 

 

Daarnaast dient te worden benadrukt dat de AABBI maximaal inzet op een preventieve aanpak, waarbij fraude in een zo vroeg mogelijk stadium wordt opgespoord en stopgezet. Hoewel deze aanpak kan leiden tot lagere geïnde ontvangsten, worden fiscale verliezen voor de Schatkist vermeden. 

 

Ik vestig er ook de aandacht op dat het werkvolume van de AABBI stabiel blijft en zelfs een lichte stijging doorheen de jaren vertoont, zoals blijkt uit het aantal gevestigde aanslagen: 

 

2025 : 1542 

2024 : 1432 

2023 : 1370 

2022 : 1537 

  

  1. 2. De inningscijfers fluctueren voortdurend door bijstortingen, aanwendingen van een andere aanslag, teruggaven, …   Dit is steeds een momentopname. Om die redenen is het vooralsnog niet mogelijk om correcte invorderingscijfers voor het jaar 2026 te verstrekken.

 

Teneinde de door de AABBI bereikte resultaten en de invorderingscijfers met kennis van zaken te kunnen beoordelen, zal de AABBI, zoals elke grote organisatie of onderneming, haar gedetailleerde jaarresultaten uiterlijk op 30 april van het volgend jaar bekend maken.  Dit kan alleen maar bijdragen tot een correcte en stabiele interpretatie van deze gegevens.

 

  1. 3. De regering heeft beslist om binnen de AABBI een Directie Fiscale Onderzoeken (DFO) op te richten die zich zal richten op de meest ernstige fiscale fraude door criminele netwerken.  Meer bepaald zal deze directie zich - onder de controle van een magistraat- richten op het opsporen en blokkeren van illegale geldstromen, met het oog op het leggen van een beslag.

 

Mijn diensten leggen momenteel de laatste hand aan de tekst, naar aanleiding van de opmerkingen van de GBA over het wetsontwerp. Ik hoop deze tekst zo snel mogelijk te kunnen bespreken in deze commissie.

 

Daarnaast wijs ik u uiteraard graag op de maatregelen die al genomen zijn inzake het CAP en bijvoorbeeld de antimisbruik–bepalingen inzake de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen.  

 

Cette traduction a été générée par une intelligence artificielle. En cas de doute, veuillez consulter le texte original en néerlandais.

 

  1. Le Plan d’action de lutte contre la fraude sociale et fiscale a déjà été approuvé au printemps par le Comité ministériel. Comme à l’accoutumée, ce plan n’est pas examiné au Parlement, mais fait l’objet d’un suivi permanent au sein du Collège pour la lutte contre la fraude fiscale et sociale. En ce qui concerne la loi antifraude, les discussions sont toujours en cours.

 

  1. 1. L’AGISI enregistre depuis trois ans une légère baisse des recettes encaissées, avec par ailleurs un résultat exceptionnel en 2022.

 

Les performances de l’AGISI ne peuvent pas être évaluées uniquement sur la base des recettes encaissées, étant donné que celles-ci dépendent de deux facteurs sur lesquels l’AGISI n’a aucune influence, à savoir, d’une part, l’ampleur de la fraude commise par les contribuables et, d’autre part, la solvabilité des contribuables ayant commis cette fraude.

 

 

L’insolvabilité se manifeste en particulier dans le cadre de réseaux criminels et frauduleux en matière de TVA. Il reste toutefois nécessaire que l’AGISI intervienne contre ces réseaux, étant donné que l’absence de telles actions entraînerait des pertes considérables pour le Trésor ainsi que des distorsions de concurrence au détriment des contribuables honnêtes.

 

Il convient en outre de souligner que l’AGISI mise au maximum sur une approche préventive, dans le cadre de laquelle la fraude est détectée et stoppée à un stade aussi précoce que possible. Bien que cette approche puisse entraîner une diminution des recettes encaissées, elle permet d’éviter des pertes fiscales pour le Trésor.

 

J’attire également votre attention sur le fait que le volume de travail de l’AGISI reste stable et affiche même une légère augmentation au fil des années, comme en témoigne le nombre de cotisations établies :

 

2025 : 1 542

2024 : 1 432

2023 : 1 370

2022 : 1 537

 

  1. 2. Les chiffres de recouvrement fluctuent en permanence en raison de versements complémentaires, d’imputations sur une autre cotisation, de remboursements, etc. Il s’agit toujours d’un instantané. Pour ces raisons, il n’est pas encore possible de fournir des chiffres de recouvrement corrects pour l’année 2026.

 

Afin de pouvoir évaluer en connaissance de cause les résultats obtenus par l’AGISI et les chiffres de recouvrement, l’AGISI publiera, à l’instar de toute grande organisation ou entreprise, ses résultats annuels détaillés au plus tard le 30 avril de l’année suivante. Cela ne peut que contribuer à une interprétation correcte et stable de ces données.

 

  1. 3. Le gouvernement a décidé de créer, au sein de l’AGISI, une Direction des Enquêtes Fiscales (DEF), qui se concentrera sur les formes les plus graves de fraude fiscale commises par des réseaux criminels. Plus précisément, cette direction se consacrera, sous le contrôle d’un magistrat, à la détection et au blocage des flux financiers illicites, en vue de procéder à une saisie.

 

Mes services mettent actuellement la dernière main au texte, à la suite des observations de l’APD concernant le projet de loi. J’espère pouvoir examiner ce texte dans les meilleurs délais au sein de cette commission.

 

Enfin, je tiens bien entendu également à attirer votre attention sur les mesures qui ont déjà été prises concernant le PCC et, par exemple, sur les dispositions anti-abus relatives à la taxe annuelle sur les comptes-titres.