|
Commissie
voor Landsverdediging |
Commission de la Défense nationale |
|
van Woensdag 16 september 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 16 septembre 2026 Après-midi ______ |
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.25 uur en voorgezeten door de heer Peter Buysrogge.
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 25 et présidée par M. Peter Buysrogge.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
01.01 Kjell Vander Elst (Anders.): Mijnheer de minister, onder operatie Urban Shield, die kadert in de operatie van militairen op straat, wordt een dertigtal militairen van de Landmacht ingezet ter ondersteuning van de politie in Brussel, onder andere voor de beveiliging van het trein- en metronetwerk. U kent het standpunt van mijn partij daaromtrent; wij zijn daar geen voorstander van. U hebt dat aangekondigd als een tijdelijke maatregel die geëvalueerd zou worden na een periode van zes maanden. We komen stilaan aan het einde van die zes maanden. Dat zou normaal gezien voor oktober 2026 moeten zijn.
Mijn eerste reeks vragen gaat daarover. Loopt operatie Urban Shield in oktober definitief af of ligt er momenteel een verlenging op de regeringstafel? Wat is de balans van de inzet tot nu toe? Hoeveel militairen zijn in totaal effectief betrokken geweest bij die zes maanden durende operatie? Welke concrete stappen hebt u al gezet wat betreft de oprichting van de territoriale reserve? Dat was een van uw essentiële voorwaarden vooraleer u met binnenlandse taken zou beginnen, die u niet hebt volbracht. Waar staat u met die territoriale reserve?
Mijn tweede vraag in dit debat betreft de uitspraken van minister van Binnenlandse Zaken Quintin, die enorm tevreden is over het werk van de militairen op straat en niet alleen voor een verlenging, maar zelfs voor een uitbreiding heeft gepleit, meer militairen op straat. Iets doet mij dus vermoeden dat de evaluatie na die zes maanden bijzonder positief zal zijn en dat er nog extra militairen zullen worden toegevoegd.
Wat vindt u van de uitspraken van de minister van Binnenlandse Zaken? Wat is uw standpunt wat betreft de nog verdere uitbreiding van de militaire inzet? Zult u daarop al dan niet ingaan? Hoe rijmt u de vraag voor uitbreiding van uw collega met de noodzaak aan een duidelijke exitstrategie? In het begin werd immers aangekondigd dat dit een tijdelijke opdracht zou zijn.
01.02 Annick Ponthier (VB): Mijnheer de minister, sinds 23 maart van dit jaar patrouilleren in het kader van Operation Green Shield opnieuw militairen op straat ter bescherming van de Joodse belangen, zoals u dat duidelijk zegt. Sinds 3 april loopt daarnaast ook Operation Urban Shield. Hier gaat om een dertigtal militairen die gedurende zes maanden voorlopig de politie in Brussel ondersteunen. In een eerste fase is dat ondersteuning rond het trein- en metronetwerk. In een tweede fase kan die steun worden uitgebreid naar geïntegreerde politieacties.
Het fundamentele probleem bij die operaties blijft hetzelfde als destijds bij Operation Vigilant Guardian of kortweg OVG. Militairen voeren namelijk taken uit van binnenlandse veiligheid zonder aangepast wettelijk kader. Zij vervangen de politie niet en werken onder haar leiding of gezag. Behalve wanneer het om wettige verdediging gaat, moeten we moeten natuurlijk allemaal duidelijk stellen dat de die militairen niet zelfstandig gezag kunnen uitoefenen of dwang of geweld kunnen gebruiken. Bij betrapping op heterdaad beschikken zij slechts over hetzelfde retentierecht als iedere burger. Nochtans hebt u de inzet op het nationale grondgebied aan een nieuwe defensiecodex gebonden. In juni hebt u verklaard dat de eerste twee delen toen nog bij de vakorganisaties lagen. Daarna volgen uiteraard de regering en de Raad van State, waarna de indiening in het Parlement pas tegen eind dit jaar zou zijn.
Ik stel u daarover graag de volgende vragen. Wat is de omvang van Green Shield en Urban Shield? We weten dat de toelichting daarover uiteraard achter gesloten deuren plaatsvindt, maar misschien is het ook voor de publieke opinie belangrijk om dat te duiden. Hoeveel militairen worden er waar ingezet? Welke concrete opdrachten mogen zij uitvoeren?
Wat zijn de resultaten van de evaluatie van Green Shield na drie maanden? Hoe evalueert u Urban Shield tot dusver? Ook wat operationele en juridische knelpunten betreft, blijven beide operaties volgens de huidige planning lopen.
Wat is de stand van zaken van de defensiecodex, althans voor de eerste twee delen? Wanneer verwacht u het verdere verloop daarvan?
Acht u het ook verantwoord dat de militairen die opdracht voortzetten zolang zij nog steeds niet over een aangepast, volwaardig wettelijk en juridisch kader beschikken?
Mijn laatste vraag werd ook al gesteld door collega Vander Elst. Welke exitstrategie is eigenlijk bepaald voor die opdrachten? Wat is de einddatum? Wat is ook de stand van zaken van de territoriale reserve die voorzien was voor dit soort taken van binnenlandse veiligheid?
01.03 Luc Frank (Les Engagés): Monsieur le ministre, après les fusillades de cet été à Bruxelles, le ministre de l'Intérieur a demandé un renforcement des moyens que la Défense met en œuvre afin d'assurer des missions de sécurité sur le territoire national.
La situation est dramatique et on comprend que le ministre de l'Intérieur cherche des moyens partout où il le peut. Néanmoins, l'état-major a de nombreuses fois rappelé les difficultés d'une telle mobilisation des moyens de la Défense au regard de la nécessité de préparer la readiness de nos différentes unités.
Il faut reconnaître que les demandes envers la Défense s'élargissent progressivement. Au départ, on avait besoin de l'armée pour garder les sites nucléaires, puis cela a été étendu aux institutions de la communauté juive, puis encore à des patrouilles dans les transports à Bruxelles ou en soutien à de grosses opérations.
Or, ce soutien de la Défense était envisagé au départ comme ponctuel, pour un temps limité et pour permettre à la police fédérale et aux polices locales d'agir et de dégager des moyens ne rendant plus la présence de la Défense nécessaire. Si la présence de l'armée dans la rue peut s'avérer utile, il est essentiel que le gouvernement dispose d’un plan clair afin que cette présence puisse être progressivement réduite, puis finalement retirée.
Avez-vous reçu une demande formelle de la part du ministre de l'Intérieur pour élargir les missions actuelles? Quels moyens supplémentaires seraient demandés? Avec quel financement?
Quel est l'impact des missions actuellement menées sur le budget de la Défense et la préparation des unités engagées?
Quel serait l'impact en cas de prolongation des missions actuelles et de leur élargissement?
Comment comptez-vous fixer des indicateurs ou des limites aux missions de la Défense?
Quelle est la stratégie de sortie qui sera élaborée par le gouvernement?
01.04 Minister Theo Francken: Voorzitter, collega’s, naast de geleverde steun voor de beveiliging van de nucleaire sites loopt de overige steun van Defensie aan de geïntegreerde politie momenteel via twee onderscheiden opdrachten. Operatie Urban Shield berust op een protocolakkoord tussen Defensie en de geïntegreerde politie, bekrachtigd door de ministerraad van 20 maart, en voorziet gedurende zes maanden in de inzet van militairen ter ondersteuning van de spoorwegpolitie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Zij voeren opdrachten uit onder de gemengde operationele leiding van de politie, waaronder gemengde patrouilles en de beveiliging van perimeters tijdens gerichte politieacties in en rond metrostations. Ook dekt dit protocol de inzet van militairen op ad-hocbasis ter ondersteuning van Full Integrated Police Actions, de zogenaamde FIPA's, waarvan er onlangs een heeft plaatsgevonden, tijdens het laatste weekend van augustus.
Operatie Green Shield gebeurt op basis van een opvordering door de commissaris-generaal en heeft betrekking op de beveiliging van bepaalde Joodse instellingen en buurten, overeenkomstig de vastgestelde dreiging.
Voor de drie lopende operaties op het nationaal grondgebied worden doorgaans een 200-tal militairen ingezet volgens een rotatiesysteem. De evaluatie van de operationele resultaten behoort in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken en de federale politie, aangezien de opdrachten door de politie worden toegewezen en aangestuurd. Die evaluatie loopt en zal binnenkort worden voorgesteld aan de regering. Ze kan desgewenst ook worden besproken in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies.
Wat de toekomst van operatie Urban Shield betreft, is voor de ministerraad van nu vrijdag een dossier geagendeerd dat een verlenging van de huidige inzet met zes maanden beoogt, wegens de aanhoudende veiligheidsproblematiek in Brussel en het blijvende capaciteitstekort bij de federale politie. We zullen die inzet dus verlengen. Die zes maanden worden met zes maanden verlengd. Dat staat vrijdag op de agenda van de ministerraad. Ik verwacht daar geen problemen. De nood blijft hoog.
De tijdelijke steun van Defensie blijft momenteel noodzakelijk in afwachting van structurele oplossingen. Hoewel de evaluatie van de huidige inzet nog niet volledig is afgerond, laten de beschikbare elementen toe de noodzaak van een tijdelijke verlenging te onderbouwen in afwachting van de verdere afronding van die evaluatie.
Voor operatie Green Shield geldt dat de duur gekoppeld blijft aan de opvordering door de commissaris-generaal en aan de geldende dreigingsanalyse.
Toute mobilisation prolongée a clairement un impact sur la disponibilité des militaires, pour l'entraînement collectif et la préparation aux missions prioritaires de la Défense. Cet impact est, toutefois, atténué autant que possible au moyen d'un système de rotation soigneusement planifié visant à limiter les répercussions sur la préparation opérationnelle des unités et l'exécution de leurs missions fondamentales.
C'est précisément pour limiter cet impact que les effectifs engagés ont été contenus et que le dispositif est régulièrement adapté.
Met het oog op de toekomstige opdrachten wordt tegelijk verder gewerkt aan de uitbouw van de territoriale reserve. Die capaciteit moet op termijn bijdragen tot een grotere veerkracht en een vermindering van de belasting van de actieve eenheden binnen de verschillende machten. Alle huidige opdrachten worden binnen de bestaande wettelijke bepalingen uitgevoerd. Defensie verleent steun aan de politie zonder haar te vervangen en handelt steeds onder de operationele leiding van de politie, overeenkomstig de wet op het politieambt en de wet op de geïntegreerde politie.
Het gebruik van dwang- of geweldsmiddelen blijft, behoudens wettige zelfverdediging, onderworpen aan de beginselen en de beslissingen van de bevoegde politieambtenaren en aan de beginselen van legaliteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit. De ervaringen uit de huidige opdrachten bevestigen het belang van een duidelijker en moderner wettelijk kader. Daarom wordt verder gewerkt aan de defensiecodex. De eerste delen hebben al de vereiste overlegprocedures doorlopen en bevinden zich momenteel in de adviesfase. Een formeel interkabinettenoverleg is ingepland voor 22 september.
De defensiecodex zal voor bepaalde binnenlandse beschermings- en veiligheidsopdrachten voorzien in bijkomende duidelijk omschreven bevoegdheden, met behoud van de noodzakelijke waarborgen en de samenwerking met de politie. De precieze inhoud van die bevoegdheden maakt nog deel uit van de lopende besluitvorming. Het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken tevreden is over deze inzet, toont aan dat onze militairen hun opdrachten professioneel en gedisciplineerd uitvoeren.
L'objectif de la Défense est d'optimiser les effets produits par les militaires actuellement déployés. Dans cette perspective, il est envisagé de concentrer, désormais, davantage l'appui militaire sur les actions policières intégrées, dites FIPA, afin de fournir un appui plus ciblé à la police sans augmenter de manière significative les effectifs militaires mobilisés en régime.
Aangaande de exitstrategie kan ik stellen dat de huidige opdrachten permanent worden geëvalueerd en zullen worden afgebouwd zodra de veiligheidssituatie dit toelaat, de politie over voldoende capaciteit beschikt en de beoogde structurele oplossingen verder zijn uitgewerkt. We zullen Urban Shield dus helaas met zes maanden moeten verlengen.
01.05 Kjell Vander Elst (Anders.): Mijnheer de minister, u zegt dat het nodig is. Er werden twee voorwaarden verbonden aan militairen op straat, namelijk een territoriale reserve en een wettelijk kader. Het moest allemaal sneller gaan en intussen zijn er bijna zes maanden verstreken waarin militairen op straat hebben gestaan zonder wettelijk kader en zonder territoriale reserve. U hebt altijd gezegd dat men zou evalueren en bekijken wat dat oplevert. Die evaluatie is volgens u nog niet klaar en ligt in de handen van Binnenlandse Zaken en de politie. Desalniettemin zal men, zonder grondige evaluatie, beslissen om de inzet van militairen op straat nogmaals zes maanden te verlengen, louter op basis van de uitspraken van de minister van Binnenlandse Zaken, die aangeeft zeer tevreden te zijn over de samenwerking. Ik vind het redelijk hallucinant dat men op basis van de tevredenheid van de minister van Binnenlandse Zaken een verlenging van zes maanden beslist, niettegenstaande het gebrek aan evaluatie.
Ik twijfel er geen seconde aan dat die militairen altijd zullen doen wat ze kunnen, maar ze staan daar wel zonder wettelijk kader. We hebben gefulmineerd tegen de verlening van operatie Vigilant Guardian, aangezien die veel te lang duurde. De militairen waren aan handen en voeten gebonden, ze mochten niets doen en moesten de politie bellen. Ze waren veredelde bewakingsagenten. Nu doen we exact hetzelfde.
Ik had op zijn minst verwacht dat er al een grondige evaluatie was gemaakt, zodat men op basis daarvan kon beslissen wat er nog mogelijk was. Hoelang moet de opdracht verlengd worden? Wat is de noodzaak? Dat gebeurt nu opnieuw niet. Ik betreur dat ten zeerste. Ik blijf erbij dat de inzet van militairen op straat geen kerntaak van defensie is. Dat zal nooit veranderen en ik denk ook niet dat dat de te bewandelen weg is, zeker niet zonder wettelijk kader en zonder territoriale reserve. In dat geval had ik er nog ergens kunnen inkomen.
Ik betreur de gang van zaken. Ik denk dat de militairen echt wel andere taken hebben dan te patrouilleren of veredelde bewakingsagenten te zijn in de steden.
01.06 Annick Ponthier (VB): Dank u, minister, voor uw antwoord. Het is net zoals met de OVG: een korte afgelijnde maatregel lijkt quasi permanent of structureel te worden, althans vooraleer de nodige stappen worden gezet. U zegt dat Operation Urban Shield wordt verlengd omdat het nodig is. Het enige wat nodig is in dit land, is dat de politiediensten kunnen doen wat ze moeten doen en dat ze daarvoor de nodige middelen krijgen. Dat gebeurt niet. Uiteraard is uw collega Quintin tevreden met de inzet van de militairen op straat. Dat is natuurlijk een oplossing die hem goed uitkomt. Op die manier hoeven op korte termijn geen middelen vrijgemaakt te worden en hoeft er niet aan de essentie van het probleem geraakt te worden. Weer maar eens springt Defensie bij waar dat niet nodig zou moeten zijn.
Ik weet dat Brussel een hellhole is geworden, of nog altijd is. Destijds werd Brussel het kleine Chicago van België genoemd. Noem het zoals u wilt. De huidige inzet van die enkele militairen blijft nog altijd symbolisch tegenover de omvang van dat geweld. Die inzet zal het probleem op straat niet oplossen. U weet allemaal dat dat het probleem niet zal oplossen, ondanks de inspanningen die onze militairen op dat vlak leveren.
Er komt dus geen wettelijk kader, zoals al heel lang is aangekondigd. Net zoals met het sociaal akkoord hebt u altijd heel ronkende verklaringen bij het begin van een idee. In de realiteit blijkt het allemaal een processie van Echternach te worden. De militairen die op straat staan, ontberen de nodige juridische, volledige bescherming. Ze dienen dus enkel als vervangmiddel voor de politie, die eigenlijk niet doet wat ze zou moeten doen.
01.07 Luc Frank (Les Engagés): L'idée de déployer des militaires dans les rues peut, en effet, constituer une bonne solution pour l'instant mais je crois que nous sommes tous d'accord sur le fait que ce n'est pas leur core business. Il pourrait s'agir d'une mesure temporaire mais nous devons examiner comment renforcer le cadre de la police et trouver le financement nécessaire pour augmenter le nombre de policiers. Il s'agit pour l'instant d'une demande spécifique mais qui ne peut perdurer sur le long terme. La question est donc de savoir – mais c'est pas vous qui êtes responsable à cet égard – comment renforcer la police judiciaire.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
02.01 Kjell
Vander Elst (Anders.): De geopolitieke
realiteit dwingt Europa om versneld werk te maken van een
luchtverdedigingsschild. De cruciale schakel daarin is de bescherming tegen
hypersonische raketten. Momenteel woedt er achter de schermen een strijd tussen
twee concurrerende Europese consortia om een definitief contract van 100
miljoen euro vanuit het Europees Defensiefonds: het Hydef-project (geleid door
het Duitse Diehl) en het Hydis-project (geleid door het Frans-Italiaanse MBDA).
België heeft zich tot op heden goed
gepositioneerd. Enerzijds is ons land een van de vroege partners binnen het
Hydef-consortium, met directe steun en de betrokkenheid van onze industrie.
Anderzijds is de Belgische defensie- en onderzoeksindustrie inmiddels ook
verankerd binnen het concurrerende Hydis-consortium. Nu de definitieve selectie
door de Europese Commissie dichterbij komt, bevindt België zich in een unieke
luxe-positie, maar dit brengt ook strategische vragen met zich mee.
Vraag
1. Hoe evalueert u de voortgang van beide
projecten? Ziet u significante technologische of operationele voordelen bij een
van beide concepten?
2. Wacht de Belgische regering af of
heeft u vanuit militair of strategisch oogpunt een voorkeur voor een van beide
consortia?
3. Wanneer gaat de Europese Commissie
haar finale beslissing nemen over de toekenning van de 100 miljoen euro voor de
volgende fase?
4. Op welke manier zult u er over waken
dat de unieke Belgische hightech-expertise op het vlak van hypersonica maximaal
verankerd en verzilverd wordt in het uiteindelijke Europese
luchtverdedigingsschild, ongeacht welk consortium de buit binnenhaalt?
5. Hoe verhouden deze Europese projecten
zich tot het bredere NAVO-luchtverdedigingsschild?
02.02 Axel Weydts (Vooruit): Dat Oekraïne nood heeft aan meer en betere luchtverdediging, is duidelijk. Elke nacht, elke dag worden Oekraïense steden getroffen door een combinatie van ballistische raketten vanuit Rusland en jet-propelled drones, die moeilijker te onderscheppen zijn dan de originele Shahed-drones. Dat weegt natuurlijk op Oekraïne. Men is volop bezig zich daar beter tegen te bewapenen. Men vraagt uiteraard heel veel steun, ook van ons. Daarover komt straks nog een vraag.
Er is ook een Oekraïens-Europees initiatief, Freyja, om een soort raketschild te gaan maken, te gaan bouwen. Neemt België daar ook deel aan? Kunnen wij daar ook in meestappen? Zijn er mogelijkheden weggelegd voor onze industrie, voor onze defensie-industrie? Kunt u het Parlement daarover wat meer informatie verschaffen?
02.03 Minister Theo Francken: Vanaf de kennisname van het project heeft België contact opgenomen met Kiev over het project Freyja, dat gericht is op de ontwikkeling van een Europees antiballistisch verdedigingssysteem om de Oekraïense leiding mee te kunnen ondersteunen. In dat kader hebben we onze interesse uitgedrukt om met Belgische industriële partners bij te dragen aan een snelle en doeltreffende realisatie.
Daartoe zal de leidende Oekraïense firma Fire Point in contact treden met potentiële en relevante Belgische bedrijven, volgens de behoeften die het consortium momenteel identificeert. De operationele urgentie en de dringende behoefte aan luchtverdedigingscapaciteiten verantwoorden deze aanpak. Dit sluit eventueel niet uit dat in een latere fase bijkomende ondernemingen kunnen worden opgenomen in de bevoorradings- en productieketen.
Daarnaast werken in het kader van het Europese Defensiefonds twee Europese consortia aan alternatieve projecten. Het HYDEF-project wordt geleid door het Duitse Diehl Defence. Het HYDIS-project wordt geleid door het Franse MBDA. Beide initiatieven richten zich op de ontwikkeling van een Europese capaciteit voor een endo-atmospheric missile interceptor, bestemd voor de onderschepping van ballistische en hypersonische dreigingen. Dit soort interceptoren heeft een grotere paraplu, maar ook meer techniciteit dan het project Freyja, dat door Oekraïne op korte termijn wordt beoogd.
Zowel qua doelstelling als qua planning vertonen de projecten HYDEF en HYDIS een grote mate van convergentie en kennen ze een positieve ontwikkeling. Aangezien beide projecten zich echter nog in een conceptuele ontwikkelingsfase bevinden, zijn de verschillen momenteel eerder beperkt.
De selectie van het project dat zal doorgaan naar de volgende ontwikkelingsfase, verloopt binnen het kader van het Europees Defensiefonds en wordt beslist door het EDF Programme Committee. België zal zich bijgevolg aansluiten bij de beslissing die op Europees niveau wordt genomen, dus tussen HYDEF en HYDIS.
De toewijzing van de volgende projectfase is normaliter voorzien voor november 2026. Gezien de urgentie van de ontwikkeling van deze kritieke Europese defensiecapaciteit zal een versnelde procedure worden toegepast. Sonaca en het von Karman Institute zijn momenteel betrokken bij beide consortia.
Aangezien de consortiumvorming nog lopende is en de definitieve projectvoorstellen uiterlijk op 29 september bij de Europese Commissie moeten worden ingediend, wordt de Belgische expertise op het vlak van hypersonische technologieën en systemen op deze wijze maximaal gepositioneerd en verankerd, ongeacht de uiteindelijke selectie en de uiteindelijke winnaar.
Net die deelname aan de ontwikkelingsfase stelt onze fabrikanten in staat zich te verankeren in de toekomstige productiefase, ongeacht wat het project uiteindelijk wordt.
Op langere termijn is het de bedoeling dat de Europese Unie een soevereine endo-atmospheric missile interceptor-capaciteit ontwikkelt. Die capaciteit zou complementair zijn met de bestaande raket- en luchtverdedigingssystemen van de NAVO en bijdragen tot een versterking van de Europese pijler binnen de collectieve lucht- en raketverdediging van het bondgenootschap.
Wij willen graag deelnemen aan Freya. Mijn team was de voorbije dagen in Oekraïne. Zij zijn zondag vertrokken toen daar net een raketinslag had plaatsgevonden en zijn deze nacht aangekomen. Ik heb nog geen briefing gehad. Het ging onder andere daarover. Ze hebben onder andere Boyev gezien, de onderminister van Defensie. Mijn kabinetsmensen waren daar samen met een paar mensen van de staf. Het ging onder andere over Freya.
Ik hoop daar, nadat ik word ontslagen van mijn verplichtingen in de Kamer, straks nog een briefing over te krijgen.
De voorzitter: Mijnheer de minister, die verplichtingen zijn 24/7.
02.04 Kjell Vander Elst (Anders.): Mijnheer de minister, ik voel meteen al een opvolgvraag komen vanuit het Parlement wanneer u die briefing hebt gekregen.
Het is een goede zaak dat wij van bij het begin betrokken zijn bij het HYDIS- en HYDEF-programma en dat ook onze defensie-industrie en ons onderzoek daarbij betrokken zijn. Ik ben blij te horen dat wij dat van heel nabij opvolgen en evalueren en dat wij mee in de kopgroep van dat project zitten.
Het is immers absoluut niet te onderschatten voor onze veiligheid om die systemen van de hypersonische luchtverdediging op te volgen.
02.05 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw antwoord.
Ik ben blij dat wij as we speak heel concrete stappen aan het zetten zijn om eventueel deel te nemen aan het project Freya. Ik zal daarover uiteraard een opvolgvraag indienen, gelet op het feit dat u wellicht zelf in de loop van de komende uren en dagen meer informatie zult krijgen en die dan hopelijk ook aan het Parlement zult kunnen verstrekken.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
03.01 Kjell Vander Elst (Anders.): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Op 10 juni bespraken we in deze commissie
het Europees AGILE-programma. U gaf toen aan dat ons land zich volop wilde
voorbereiden om Belgische kmo's vanaf de geplande start in 2027 optimaal te
ondersteunen. U sprak toen de hoop uit dat Europa vaart zou maken.
Op 15 juli 2026, hebben de Raad en het
Europees Parlement een voorlopig politiek akkoord bereikt over de
AGILE-verordening. Met een budget van 115 miljoen EUR richt dit instrument zich
specifiek op kmo's, start-ups en scale-ups die werken aan disruptieve
defensie-technologieën. Belangrijke elementen uit het akkoord zijn de extreem
snelle doorlooptijd (een 'time-to-grant' van slechts vier maanden), de actieve
koppeling van kmo's aan grote industriële spelers (primes), en versnelde
toegang tot test- en certificeringsfaciliteiten. Nu de politieke krijtlijnen
definitief zijn uitgezet en de inwerkingtreding begin 2027 operationeel
dichtbij komt, is het moment aangebroken om de Belgische defensiestrategie
hierop af te stemmen.
Vraag
Welke concrete stappen werden er tussen
uw antwoord van 10 juni en nu reeds gezet om onze Belgische bedrijven gericht
te informeren over deze Europese opportuniteit?
Aangezien de Europese Commissie 100% van
de kosten financiert en de selectieprocedure via een 'fast-track' van vier
maanden zal verlopen, is snelheid cruciaal. Hoe gaat Defensie, in samenwerking
met de gewestelijke instanties en sectorale koepelorganisaties (zoals BSDI),
Belgische innovatieve kmo's en start-ups nu concreet begeleiden en proactief
screenen zodat zij vanaf begin 2027 meteen kwalitatieve dossiers kunnen
indienen?
Het akkoord legt sterk de nadruk op
matchmaking met grote industriële partners en snelle toegang tot
testinfrastructuur. Welke rol ziet u hier weggelegd voor de Belgische Defensie
om onze kmo's fysiek toegang te geven tot testomgevingen en hen te introduceren
bij grote Europese defensieconsortia?
Het concrete werkprogramma van AGILE zal
worden goedgekeurd in een specifiek programmacomité met de lidstaten. Welke
specifieke Belgische technologische niches en operationele behoeften zult u
naar voren schuiven?
03.02 Minister Theo Francken: Sinds 10 juni heeft Defensie de informatie over het AGILE-programma verspreid bij relevante Belgische stakeholders. Er vonden contacten plaats met de gewesten om de krijtlijnen van het programma toe te lichten. Defensie deelt de analyse dat snelheid en voorbereiding essentieel zijn. Daarom stelt Defensie zijn expertise en kennis onmiddellijk ter beschikking van de gewestelijke innovatie-ecosystemen, sectororganisaties en kennisinstellingen om innovatieve ondernemingen vroegtijdig te identificeren en te informeren.
De uiteindelijke selectie van projecten blijft een bevoegdheid van de Europese Commissie, maar Defensie zal maximaal inzetten op sensibilisering en voorbereiding, zodat Belgische kandidaten competitieve dossiers kunnen indienen. Defensie heeft met andere woorden een faciliterende rol. Enerzijds kunnen bestaande contacten van Defensie met Europese partners, internationale agentschappen en industriële spelers worden benut om Belgische ondernemingen beter te positioneren binnen Europese samenwerkingsverbanden. Anderzijds wordt door Defensie onderzocht hoe zijn bestaande test- en demonstratieomgevingen maximaal kunnen worden ingezet om innovatieve oplossingen in een realistische operationele context te evalueren. Het doel is om innovatieve Belgische bedrijven sneller in contact te brengen met potentiële eindgebruikers en industriële integratoren, zodat hun technologieën sneller kunnen doorstromen naar Europese programma's.
Defensie zal bijzondere aandacht vragen voor domeinen waarin zijn operationele behoeftes samenvallen met belangrijke Europese prioriteiten of domeinen waarin ons land al over sterke competenties beschikt. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan artificiële intelligentie en autonome systemen, cyberveiligheid en cyber defense, ruimtevaarttoepassingen en observatiesystemen en onbemande systemen.
België zal zich in het programmacomité constructief opstellen en erop toezien dat zowel de belangen van onze strijdkrachten als de sterke punten van onze innovatieve industriële ecosystemen maximaal worden weerspiegeld in de toekomstige oproepen.
03.03 Kjell Vander Elst (Anders.): Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik heb over dat AGILE-programma al verschillende vragen gesteld, omdat ik het superbelangrijk vind dat onze Belgische kmo's een deel van de koek, van die Europese koek en van die Europese middelen, zouden kunnen binnenhalen. Ik ben blij te horen dat Defensie daarin een faciliterende rol speelt en de brug wil zijn tussen die kmo's en die Europese middelen.
Ik hoop dat naast een faciliterende ook een soort proactieve rol kan worden opgenomen. Het is al niet evident om in een lokaal bestuur een overheidsopdracht binnen te halen, laat staan dat dat op Europees niveau gemakkelijk moet zijn voor Belgische kmo's. Ik hoop dat we er vanuit Defensie en eventueel zelfs vanuit buitenlandse handel voor kunnen zorgen dat de kmo's ook een deel van die Europese middelen kunnen binnenhalen en dat het niet allemaal naar de grote landen en de grote concerns in Frankrijk en Duitsland gaat. We moeten Europees denken, we moeten Europees aankopen en we moeten strategisch onafhankelijk worden, maar we moeten er ook voor zorgen dat onze Belgische kmo's een deel van die Europese middelen kunnen binnenhalen. We zijn een kmo-land en we hebben heel wat expertise, zeker als het over innovatie, technologie en onderzoek gaat.
Ik reken dus op die faciliterende rol en ik volg het verder op.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
04.01 Kjell Vander Elst (Anders.): Mijnheer de minister, net voor de zomer hebben we al een vrij uitgebreid debat gehad over de problemen met het ASWF-programma, het fregattenprogramma. U hebt toen duidelijk uw bezorgdheid geuit. U hebt ook gezegd dat er tijdens de zomer niet veel zou bewegen en dat er pas na de zomerperiode vooruitgang zou komen.
We zijn nu na die zomerperiode. Het is een aantal maanden stil geweest, maar ik weet niet of dat een goed teken is. Het wordt stilaan tijd dat we duidelijkheid krijgen over waar het precies fout loopt en wat eventueel the way forward is, want we kunnen niet blijven wachten. We hebben al heel wat vertraging opgelopen.
Met de mijnenvegers liggen we perfect op schema. We did our part of the job. De mijnenbestrijdingsvaartuigen zijn al in ontwikkeling en worden geleverd, maar het deel waarvoor Nederland verantwoordelijk is, blijft problematisch en zit nog steeds vast.
Wat is de laatste stand van zaken? Is er licht aan het einde van de tunnel? Hebt u al meer informatie over waar het precies vastloopt en of er perspectief is? Ik denk dat we echt moeten vermijden dat we op een bepaald moment met een capaciteitsprobleem worden geconfronteerd, want de M-fregatten zijn echt aan het einde van hun Latijn. Ze hebben bijzonder veel meerwaarde gecreëerd, maar ze zijn al heel lang in de vaart. Er zijn ook al zoveel operationele problemen mee dat we echt werk moeten maken van de vernieuwing van die vloot.
Wat zijn uw laatste contacten met Nederland geweest? Welke alternatieven ziet u als de situatie echt ernstig zou blijken?
04.02 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, als maritieme natie kunnen we ons niet permitteren om zonder fregattencapaciteit te vallen. Dat is het probleem heel kort geschetst. We hebben het hierover al een paar keer gehad en dit is een vervolgvraag.
Wat is de huidige stand van zaken? Kunt u wat nieuws brengen? Indien niet, dan komen we daarop terug in een volgende vergadering.
04.03 Kristien Verbelen (VB): Mijnheer de minister, we hebben het hierover al gehad net voor het reces, maat dat fregattendossier blijft aanslepen en het probleem wordt er niet kleiner op. De nieuwe fregatten komen jaren later, wat veel te laat is voor onze marine. Ondertussen moeten de Leopold I en de Louise-Marie het gat dichten, maar we weten allemaal dat die op hun limieten zitten. We hebben dat gezien met het koelsysteem en er is onderhoud nodig.
Zonder een inzetbaar fregat zitten is bijzonder ernstig en ondertussen stijgt de rekening. Er zijn ontwerp- en integratieproblemen en straks komen er misschien nog overbruggingskosten bij. Nederland leidt dat programma, maar wij dragen mee de gevolgen. Dan is het normaal dat wij ons vragen stellen over compensaties en verantwoordelijkheid. Ik wil duidelijk zeggen dat de samenwerking met Nederland voor ons heel belangrijk is. Die is historisch sterk en sluit goed aan bij onze marine, maar door die samenwerking mogen onze belangen niet ondergesneeuwd geraken. Onze situatie is nu eenmaal niet helemaal dezelfde. Voor Nederland zijn tijd en budget minder prangend, maar voor ons is dat echt heel belangrijk.
Daarbovenop keurde de ministerraad op 4 september een overheidsopdracht goed voor twee floating decoy-systemen voor de huidige M-fregatten. Extra bescherming tegen antischeepsraketten is nuttig, maar ik wil wel graag weten hoe dat past in het geheel. Investeren we nu in systemen die later geheel of gedeeltelijk overgezet kunnen worden of steken we nu miljoenen in schepen waarvan we eigenlijk niet weten hoelang die betrouwbaar inzetbaar zijn?
Mijnheer de minister, wat zijn vandaag realistische data wat betreft bouw en levering en operationele data voor die nieuwe fregatten? Hebt u al een idee over de kostprijs? Welke garanties hebt u gekregen dat er geen nieuw uitstel zal zijn en dat het niet nog meer zal kosten?
Hoelang kunnen die fregatten nog geloofwaardig worden ingezet? Waarschijnlijk zal dat niet kunnen, maar beschikt u wat dat betreft over meer informatie?
Is er een concreet overbruggingsplan en hoever staat men daarmee, om onze opdrachten, bemanningen en expertise te behouden?
Zijn er compensaties gevraagd aan Nederland of aan de leveranciers? Wie betaalt dan die extra kosten of die overbruggingskosten?
Met betrekking tot de floating decoy systems, wanneer worden die gegund, geleverd en geïntegreerd? Krijgt elk fregat zo'n systeem? Kunt u garanderen dat beide fregatten nog inzetbaar zullen zijn zodra die systemen beschikbaar zijn?
Er werd hier eerder al gevraagd welke alternatieven precies onderzocht worden. Wat ons betreft is de Turkse piste onaanvaardbaar. Komt er een beslissing? Er werd gesproken over oktober. Komt er dan een beslissing? Hoe garandeert u uiteindelijk een marine met drie inzetbare fregatten op termijn, met voldoende bemanning, bewapening en onderhoud?
04.04 Minister Theo Francken: Uit voortdurende contacten met Nederland blijkt dat het ASWF-programma zich nog steeds in een kritieke fase bevindt. Nederland schuift momenteel een groter scheepsontwerp naar voren als enige technisch haalbare oplossing. Dit gaat gepaard met een vertraging van het project en bijkomende kosten. Met betrekking tot de planning, er wordt vandaag uitgegaan van een vertraging van 2,5 tot 3 jaar, waardoor de eerste oplevering verschuift naar ten vroegste 2033.
België heeft duidelijk gemaakt dat deze vertraging niet verenigbaar is met de operationele behoefte van de Belgische marine. We hebben ook duidelijk gemaakt dat eventuele bijkomende kosten die aan die vertraging zijn gerelateerd en niet binnen de bestaande afspraken vallen, niet zonder meer aanvaard kunnen worden.
Conform de afspraken van het memorandum of understanding worden de Belgische ASW-fregatten gebouwd tegen een stukprijs van ongeveer 1,125 miljoen euro, prijspeil 2026. Tot op heden werden geen meerkosten formeel aanvaard door Defensie.
Met betrekking tot de maatschappelijke return verwijs ik u naar mijn antwoord dat ik gaf tijdens het actualiteitsdebat op 27 mei.
België blijft in elk geval de voorkeur geven aan een oplossing binnen het MoU, qua budget en planning, en heeft dat ook duidelijk gemaakt aan Nederland. Binnen het huidige Belgisch-Nederlandse partnerschap wordt onderzocht of een aangepast bestaand ontwerp een oplossing kan bieden. Het behoud en versterken van deze operationele capaciteit van de marine staan hierbij centraal.
Daarom heeft Defensie een request for information naar verschillende derde landen gestuurd, waarbij wordt gekeken naar andere en reeds bestaande fregatontwerpen. De aangeschreven landen hebben allemaal geantwoord, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, waarvan we de komende dagen nog een reactie verwachten. Op dit moment bevindt het onderzoek naar alternatieven zich in een verkennende fase en is er nog geen concreet alternatief programma geselecteerd of uitgewerkt.
U zult ongetwijfeld begrijpen dat het een complexe kwestie met veel parameters betreft. Een grondige analyse is noodzakelijk om de juiste beslissingen te kunnen nemen. Daar zijn we natuurlijk ook mee bezig.
Wat de budgettaire gevolgen betreft van het langer operationeel houden van de huidige M-fregatten, erkent Defensie dat daarvoor bijkomende budgetten noodzakelijk zullen zijn. De vereiste technische aanpassingswerken en de technische haalbaarheid om met de huidige Belgisch-Nederlandse M-fregatten te blijven doorvaren tot 2036, alsook de bijkomende onderhoudskosten en de impact op de operationele beschikbaarheid, worden nog verder in kaart gebracht door Nederland. In die optiek dient ook de aankoop van één floating decoy-systeem per M-fregat gekaderd te worden. Die systemen zullen worden geleverd in het voorjaar van 2027. De aankoop verhoogt de survivability van de M-fregatten, maar heeft geen impact op de uitdienstneming ervan. In elk geval zijn de systemen recupereerbaar op andere types fregatten.
De gesprekken tussen Nederland en Frankrijk hebben betrekking op de toekomstige vervanging van de Nederlandse luchtverdedigings- en commando-fregatten (LCF’s) en staan volledig los van het ASWF-programma. Met andere woorden, het betreft een ander capaciteitsdomein. Er bestaan geen plannen voor een Belgische deelname aan dat eventuele toekomstige programma.
04.05 Kjell Vander Elst (Anders.): Dank u, mijnheer de minister, voor uw tussentijdse toelichting. Ik hoor vooral dat het dossier nog in een kritieke fase zit. Ik hoop dat er wat schot in de zaak komt. Men kan natuurlijk niet blijven wachten. Ik ben het wel eens met u dat de optie om binnen het MoU te blijven en binnen de samenwerking of de afspraak die we met Nederland gemaakt hebben, de beste is. We kunnen natuurlijk niet blijven wachten of blijven uitstellen. Zoals gezegd, is het materiaal dat is aangekocht voor de M-fregatten niet bedoeld om de levensduur te verlengen. Het zijn zaken die we kunnen overnemen. Dat is goed. We gaan op een bepaald moment wellicht in een situatie komen waarin we geen capaciteit hebben en geen fregatten meer te water hebben. Dat moeten we koste wat kost vermijden. We zullen dat dus blijven opvolgen.
Ik ben blij te horen dat de gesprekken tussen Frankrijk en Nederland helemaal losstaan van het ASW-fregat. Ik vond het toch bijzonder opmerkelijk dat Nederland nu al bezig is met dat soort fregatten, maar dat het dossier van de ASW-fregatten helemaal stilligt. Ik heb nu begrepen dat het om een heel andere capaciteit gaat, om twee dossiers die los van elkaar staan. Dat is een goede zaak. Dat wordt dus zeker opgevolgd.
04.06 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, ik denk eveneens dat het laatste woord over dit dossier nog niet is gezegd. Mijnheer de minister, het enige wat mij nog interesseert is of wij mogen weten naar welke landen die RFI is verstuurd? Of is dat iets dat onder geheimhoudingsclausules valt?
04.07 Minister Theo Francken: Het Verenigd Koninkrijk, Turkije, Frankrijk, Italië, Duitsland en Spanje.
04.08 Kristien Verbelen (VB): Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het is goed dat er verschillende pistes worden bekeken. Ik hoor wel dat er wordt geprobeerd om het dossier onder controle te houden, want net daar zit natuurlijk de bezorgdheid. Het wordt met de tijd natuurlijk ook duurder, riskanter en trager. We kunnen ons dat niet veroorloven.
Ik vraag niet om de samenwerking met Nederland zomaar op te geven. Integendeel, die is heel waardevol. We moeten natuurlijk wel eerlijk blijven. Als onze planning, budgetten en inzetbaarheid in gevaar komen, moeten wij kijken naar onze eigen belangen. Hetzelfde geldt voor die floating decoy-systemen. Die moeten vijandige raketten misleiden, maar hopelijk niet het Parlement over de staat van onze vloot.
In dit dossier is het belangrijk dat er duidelijke keuzes komen. Hoeveel gaat dat kosten? Wie gaat dat betalen? Welke capaciteit blijft inzetbaar? Ik hoop dus dat er snel een beslissing komt. We zullen dit blijven opvolgen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
05.01 Kjell Vander Elst (Anders.): Ik verwijs naar mijn ingediende vraag.
In juni nam de Belgische Medische Dienst
in Estland deel aan de grootschalige NAVO-oefening Vigorous Warrior. Met de
inzet van een Role 1-hulppost en een Role 2-veldhospitaal testte ons medisch
personeel zijn paraatheid in het kader van een grootschalig conflict. Bijzonder
waardevol hierbij was de directe input van instructeurs met terreinervaring in
Oekraïne.
De medische realiteit van de oorlog in
Oekraïne dwingt ook onze Medische Dienst tot diepgaande aanpassingen. We zien
een verschuiving in het type letsels: door het massale gebruik van drones is er
een sterke toename van zware verwondingen aan het hoofd, het gezicht en de
hals. Dit vraagt om specifieke chirurgische expertise en aangepaste uitrusting
in de voorste linies. Daarnaast toont het conflict aan dat medische posten
vandaag zélf een primair doelwit vormen voor vijandelijke drones. Statische
veldhospitalen zijn kwetsbaar; extreme mobiliteit is de nieuwe norm. Tijdens de
oefening moesten onze eenheden binnen enkele uren hun volledige infrastructuur
afbreken, verplaatsen en 's nachts meteen weer operationeel maken.
Dit operationele concept vergt het
uiterste van zowel ons personeel als ons logistiek materieel.
Vraag
1. Hoe vertaalt Defensie de specifieke
medische lessen uit Oekraïne naar de huidige doctrines, opleidingen en de
medische uitrusting van onze Role 1- en Role 2-eenheden?
2. Beschikt de Medische Dienst momenteel
over voldoende modern, vlot verplaatsbaar materieel en performante
transportmiddelen om deze geëiste extreme mobiliteit en snelle verhuisoperaties
in het veld structureel te kunnen volhouden? Zijn er plannen om te investeren
in onbemande of autonome grond- en voertuigsystemen voor de initiële evacuatie
van gewonden uit de gevaarlijkste zones?
3. Welke conclusies trekt u uit de
uitwisselingen met onder andere de Britse bondgenoten tijdens deze oefening, en
zijn er specifieke buitenlandse procedures die we in ons eigen medische
operationele concept gaan integreren?
4. Welke specifieke maatregelen neemt u
om de rekrutering en retentie van schaarse medische specialisten (zoals
traumachirurgen) binnen Defensie te versterken, gezien hun cruciale rol in dit
nieuwe doctrine-model? Bent u hierover in overleg met uw collega-minister van
Volksgezondheid?
05.02 Minister Theo Francken: De lessen van de oorlog in Oekraïne stonden centraal in deze oefening. In juni nam de Medische Dienst eraan deel met een Role 1- en een Role 2-veldhospitaal en enkele ambulance-eenheden.
De volledige medische zorgketen moet functioneren onder een dronebedreiging. De behandeling van gewijzigde letselpatronen en de snelle verplaatsing van medische installaties werden geoefend. We hebben binnen de Medische Dienst uiteraard een proces van lessons identified en lessons learned. Dat zal ons helpen.
Het gaat ook over internationale samenwerking en een beter begrip van de werkwijze van onze partners. Er hebben werkuitwisselingen plaatsgevonden tussen Belgische en Britse soldaten, waardoor procedures voor de zorg voor gewonden gedeeld konden worden. De Strategische Visie voorziet in een versterking van de paraatheid, de logistieke autonomie en de technologische modernisering van Defensie.
De vernieuwing van voertuigen en medisch materiaal maakt deel uit van de lopende capacitaire ontwikkeling. In het kader van die voortdurende verbetering investeert de Medische Dienst ook in innovatieve capaciteiten. We beschikken over mobiele chirurgische capaciteiten die snel verplaatst kunnen worden. We kijken nu ook naar autonome en onbemande systemen voor medische bevoorrading en voor de evacuatie van patiënten. Er bestaan grondplatforms die op rupsen of wielen rijden. Daar zijn we volop mee bezig.
Tegelijkertijd besteden we veel aandacht aan de instroom en de aantrekkelijkheid van medische profielen binnen Defensie. De vermindering van de defensiemiddelen en het personeelsbestand in de afgelopen drie decennia heeft een grote impact gehad, zeker ook op de Medische Dienst. Er is uiteraard ook concurrentie met de civiele wereld. Het is niet evident om gespecialiseerde profielen, zoals chirurgen, te behouden. Juist daarom is samenwerking met de burgerwereld essentieel.
Vanaf het academiejaar 2026-2027 zullen bijvoorbeeld universiteiten betrokken worden bij nieuwe opleidingsonderdelen rond oorlogsgeneeskunde, ook wel incidentmanagement genoemd. Vanaf 2027 zullen civiele ziekenhuizen en andere zorgactoren betrokken worden bij oefeningen van Defensie en nationale crisisoefeningen.
Een ander concreet project is de lancering van een raadpleging bij civiele actoren in de medische sector. Ik verwijs daarvoor naar het document Rising Health Shield. Het doel is de behoeften van Defensie toe te lichten en mogelijke samenwerkingen in kaart te brengen. Dat loopt volop. Er lopen ook verschillende initiatieven om de zichtbaarheid van het beroep te vergroten, waaronder jobbeurzen, promotieacties, deelname aan evenementen en webinars, alsook de deelname van militaire sprekers aan chirurgische conferenties.
05.03 Kjell Vander Elst (Anders.): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik ben blij te horen dat het goed verlopen is.
Ik denk dat het superbelangrijk is, want de letsels veranderen ook. De manier van aanvallen verandert. Er zijn heel wat meer verwondingen aan het gezicht, de hals en de nek door het gebruik van drones. Het is dus logisch en goed dat ons medisch defensiepersoneel zich daaraan aanpast, daarover les krijgt en oefeningen doet. Dat is een zeer goede zaak.
Ik ben ook blij te vernemen dat het opleidingsonderdeel Incidentmanagement wordt opgenomen in de modules. Ik ben dus blij met uw antwoord en met het werk en de opvolging door het medisch personeel vandaag.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Aan de orde is vraag nr. 56018156C van de heer Weydts over het nationale verdedigingsplan SHIELD.
05.04 Axel Weydts (Vooruit): Ik was een beetje verbaasd dat mijn vraag op de agenda staat, omdat ik in mijn schriftelijk ingediende vraag had verwezen naar het feit dat ik dat liefst achter gesloten deuren had behandeld, gelet op de toch wel redelijk veel gevoelige informatie in dat plan. Ik denk dat de minister er wel iets over kan zeggen, maar het lijkt me niet slecht om, als dat kan, er misschien meer in detail ook achter gesloten deuren iets over te zeggen.
Het is toch een van de belangrijke zaken waarop we ons de komende jaren zullen moeten baseren. Dat verdient een iets diepgaander debat, maar dan liefst achter gesloten deuren.
De voorzitter: Ik kijk naar de minister, maar het lijkt me goed dat hij het antwoord daarop dan geeft in de volgende commissie voor de Opvolging van de militaire missies.
06.01 Axel Weydts (Vooruit):
De ministerraad keurde op 10 juli 2026 een voorontwerp van wet goed dat een
wettelijk kader creëert voor de toekenning van meerjarige subsidies en
renteloze, terugvorderbare voorschotten aan projecten binnen de Defence,
Industry & Research Strategy. Het voorontwerp bepaalt onder meer welke
projecten en kosten in aanmerking komen, hoe de betalingen verlopen en hoe de
doeltreffendheid van de steun jaarlijks wordt geëvalueerd.
Dit is een belangrijke stap. Onze
investeringen in Defensie moeten niet alleen onze militaire capaciteiten
versterken, maar waar mogelijk ook leiden tot meer innovatie,
productiecapaciteit, kennis en werkgelegenheid in ons land. Publieke steun moet
daarbij doelgericht worden ingezet en mag niet uitsluitend terechtkomen bij
enkele grote, gevestigde spelers.
Daarom heb ik de volgende vragen:
Welke concrete selectiecriteria zullen
worden gehanteerd bij de toekenning van subsidies en terugvorderbare
voorschotten? In welke mate wordt rekening gehouden met de militaire
relevantie, de technologische meerwaarde, de verankering van kennis en productie
in ons land en de mogelijke integratie in Europese of NAVO-programma’s?
Hoe zullen kmo’s, start-ups,
onderzoeksinstellingen en bedrijven die nog niet over een gevestigde positie in
de defensiemarkt beschikken, toegang krijgen tot deze instrumenten? Worden
specifieke maatregelen genomen om te vermijden dat vooral grote ondernemingen
met voldoende administratieve capaciteit de steun kunnen verkrijgen?
06.02 Minister Theo Francken: De ministerraad keurde op 10 juli een voorontwerp van wet goed betreffende de DIRS. Het voorontwerp werd voor advies voorgelegd aan de Raad van State en dat advies wordt de komende dagen verwacht.
De criteria die in het voorontwerp werden aangehaald, zijn goede voorbeelden van criteria die al vandaag in de operationele steunmechanismen worden gebruikt. De preciezere modaliteiten worden later uitgewerkt in koninklijke besluiten.
Er werden een aantal technologische domeinen geïdentificeerd waarin de ambitie bestaat de Belgische defensiegerelateerde technologische en industriële basis, de BDTIB, te versterken. Daartoe werd een portfolio aan steunmechanismen uitgewerkt. Die mechanismen omvatten onder meer instrumenten zoals subsidies en renteloze, terugvorderbare voorschotten, waarbij elk mechanisme een eigen doelstelling en/of doelgroep heeft. Het gaat met andere woorden om instrumenten die complementair zijn aan elkaar en die verschillende fasen van onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en industriële opschaling kunnen ondersteunen.
In functie van de behoeften die worden geïdentificeerd om marktfalen te vermijden in de overgang tussen onderzoek en ontwikkeling enerzijds en productie anderzijds, zal Defensie, in samenwerking met de FOD Economie en de deelstaten, de gepaste steunmechanismen ontwikkelen en implementeren.
Voor elk van de steunmechanismen zal een afzonderlijk koninklijk besluit de toepasselijke voorwaarden, procedures, selectiecriteria en evaluatiemechanismen vastleggen. Daarbij zal bijkomende aandacht worden besteed aan de specifieke uitdagingen waarmee kmo's, start-ups, kenniscentra en nieuwe marktspelers worden geconfronteerd, zodat ook zij toegang kunnen krijgen tot de beschikbare steuninstrumenten en aldus de ontwikkeling van een competitief defensie-ecosysteem wordt bevorderd.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
07.01 Axel Weydts (Vooruit): Deze vraag gaat over een van de resultaten van de NAVO-top van Ankara, net voor het zomerreces. We doen vandaag een beroep op het AWACS-systeem, het E-3A-systeem, een Amerikaans systeem dat nog altijd dienstdoet en dat ook goed doet. Het wordt bijna permanent ingezet voor de bewaking van onze oostflank. Die toestellen zijn echter absoluut verouderd en moeten worden vervangen.
Ik was zeer aangenaam verrast te vernemen dat de NAVO ervoor zal kiezen om met Europese Saab-toestellen te werken, de GlobalEye. Het iconische toestel met de grote schotel erop kent iedereen. Dat zal verdwijnen en worden vervangen door een kleiner, maar daarom niet minder performant toestel, met een ander soort, rechthoekige antenne. Dat zal dus even wennen zijn.
Ik denk dat het een goede zaak is dat we voor dit toestel hebben gekozen in het kader van onze Europese autonomie. Het is nog maar eens een voorbeeld, mijnheer de minister, dat we natuurlijk niet alleen Amerikaans materiaal kopen, ook niet in NAVO-schoot, maar ook Europees denken.
Ik vroeg mij af hoe België daar partner in kan zijn en hoe we daar partner in zullen zijn. Zijn er eventuele mogelijkheden voor onze industrie? Wanneer mogen we de vervanging en de uitrol van de huidige systemen verwachten en wanneer worden ze vervangen door de nieuwe systemen?
07.02 Minister Theo Francken: België maakt deel uit van het GlobalEye Support Partnership Committee onder het NATO Support and Procurement Agency, NSPA. In die zin heeft België te kennen gegeven deel te willen uitmaken van de coalition of the willing voor de vervanging van de AWACS. De Belgische deelname aan het Alliance Future Surveillance and Control-programma is opgenomen in de Strategische Visie en de programmeringswet. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het MOU, waarin ook de financiële verbintenissen van de deelnemende landen zijn opgenomen. Het zal normaal gezien later dit jaar ter goedkeuring aan de ministerraad worden voorgelegd.
Pas na de goedkeuring en ondertekening van het MOU wordt de deelname van België officieel bevestigd. De exacte levering van de nieuwe toestellen zal pas kunnen worden bevestigd na de ondertekening van het contract in 2027, maar het eerste vliegtuig zal volgens de huidige verwachtingen in 2031 kunnen worden geleverd.
Er is een dynamisch uitfaseringsplan voor de AWACS-toestellen opgesteld dat rekening houdt met de levering van de nieuwe vliegtuigen. Dat wordt overlegd tussen de Board of Directors van de NATO Airborne Early Warning and Control Programme Management Organisation, die verantwoordelijk is voor de huidige AWACS-vloot, en het GlobalEye Support Partnership Committee, dat verantwoordelijk is voor de aanschaf van de nieuwe vliegtuigen.
Industriële participatie behoort normaal gezien niet standaard tot de beleids- of verwervingsstrategie van de NAVO-aankooporganismen, die daarvoor onderworpen zijn aan hun eigen interne aankoopprocedures. Het is wel mogelijk voor de Belgische defensiegerelateerde technologische en industriële basis om haar capaciteiten voor te stellen aan de vliegtuigbouwer op basis van business-to-businessoverleg. Thales Belgium en Sabena Engineering zijn bij wijze van voorbeeld twee Belgische ondernemingen die momenteel al een rol spelen in het onderhoud van de huidige AWACS-vloot, maar onze industrie heeft nog veel meer troeven.
We kijken dan ook uit naar mogelijkheden voor onze bedrijven om zulke programma's gecoördineerd te promoten. Zo plannen FIT en AWEX begin 2027 een defensiemissie naar Zweden en volgt er een Belgische economische missie naar Canada, waar voornamelijk partners als Saab en Bombardier kunnen worden aangesproken. Ik ga zelf ook mee naar Zweden met FIT en AWEX.
07.03 Axel Weydts (Vooruit): Ik ben zeer blij met dit antwoord, mijnheer de minister. Ik ben er ook van overtuigd dat dit echt opportuniteiten zijn voor onze industrie. U hebt zelf een aantal voorbeelden genoemd van industriële toppers in ons land. Het is dus een goede zaak dat u die op de radar van dit project zet.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
08.01 Axel Weydts (Vooruit): Het is duidelijk dat het niet goed gaat – of hopelijk: ging – met het fregat Leopold I. Dat werd pijnlijk duidelijk toen een aantal diplomatieke showing-the-flag missions in het water vielen door technische problemen aan boord. Dat bewijst nog maar eens dat het ASWF-programma belangrijk is.
Hoe gaat het intussen met het fregat? Zijn de problemen van de baan of ligt het nog steeds aan de kade? Indien ja, voor hoelang nog?
08.02 Minister Theo Francken: Sinds begin juni maakte het BNS Leopold I deel uit van de Standing NATO Maritime Group One (SNMG1). Die geplande inzet was voor een periode van twee maanden. In de beginfase van de opdracht werd het fregat geconfronteerd met een defect aan de koelsystemen. In afwachting van definitieve herstellingswerken en om de operationele activiteit niet in het gedrang te brengen, werd in Norfolk een extern koelsysteem geïnstalleerd. Het BNS Leopold I bleef gedurende de hele ontplooiing in de Atlantische Oceaan onderdeel van SNMG1. Het fregat en de bemanning konden aan een aantal oefeningen deelnemen. Daarnaast volgden zij een aanvullend programma, zodat de paraatheid en operationaliteit behouden konden worden.
Tijdens de voorbereiding van de terugkeer werd een bijkomend technisch defect vastgesteld aan de hogedrukluchtcompressoren, waardoor het schip tijdelijk niet inzetbaar was. Na de nodige interventies in New York werd het euvel verholpen en kon het BNS Leopold I de terugreis aanvatten. De Leopold I kwam op 22 juli aan in Den Helder.
Momenteel worden de nodige herstellingen uitgevoerd aan de technische installaties in Den Helder. Het einde van de werkzaamheden is voorzien begin oktober en er wordt verwacht dat het BNS Leopold I aansluitend zal vertrekken voor haar volgende opdracht in het kader van Operation Aspides.
08.03 Axel Weydts (Vooruit): Dank u wel, mijnheer de minister. Laten we hopen dat het fregat zo snel mogelijk weer operationeel is en zijn taken kan hervatten
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
09.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, ik kon de laatste bijeenkomst van de commissie voor Landsverdediging op vrijdag 17 juli niet bijwonen omdat ik toen met de NATO PA op een zeer interessante missie was in Canada. Tijdens het bezoek aan Iqaluit, in het Hoge Noorden, waren er briefings over het toenemende belang van de Arctische regio voor onze collectieve defensie. In opvolging van die missie heb ik een aantal vragen ingediend. Aangezien u vanmorgen al bent ingegaan op die missie, hoeft u mijn vragen niet meer te beantwoorden.
09.02 Annick Ponthier (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Van 4 tot 18 september stuurt België
ongeveer 30 militairen, onder wie Special Forces en personeel van de 1ste
Brigade, naar Groenland. Zij nemen binnen de nieuwe NAVO-missie Arctic Sentry
deel aan Arctic Shield en zullen er onder meer drones inzetten en
C-UAS-systemen testen.
Arctic Sentry werd in februari gelanceerd
nadat president Trump zware druk uitoefende rond de beveiliging van Groenland.
U pleitte toen zelf voor zo'n NAVO-operatie. De NAVO wijst op Russische
militaire activiteit, Chinese interesse en het belang van de Noord-Atlantische
verbindingen.
Maar België beschikt niet over onbeperkte
manschappen en middelen. Elke inzet moet daarom aantoonbaar onze eigen
veiligheids- en economische belangen dienen. Onze directe
veiligheidsuitdagingen liggen vandaag vooral op het Europese continent, in de
Noordzee en aan de oostflank. Tegelijk staan cruciale bevoorradingsroutes via
de Middellandse Zee en het Midden-Oosten onder zware druk. Niet in het minst is
er de ongeziene migratiedruk die als vorm van hybride oorlogsvoering ons
continent bedreigt, zoals de crisis in Ceuta aantoonde.
Wat is het precieze mission statement en
mandaat van Arctic Shield? Welke concrete opdrachten krijgen onze militairen,
met welke middelen en onder welke bevelsstructuur?
Welk concreet Belgisch veiligheidsbelang
verdedigen wij met deze inzet op Groenland? Welke concrete Russische of Chinese
dreiging tegen België en Europa rechtvaardigt vandaag Belgische grondtroepen
daar?
Welke Belgische economische belangen en
bevoorradingsroutes hangen concreet af van de Arctische regio?
Welke opportuniteitskost heeft deze
inzet? Welke trainingen, opdrachten of beschikbaarheid van de Special Forces en
1ste Brigade vallen hierdoor elders weg?
In welke mate kwam Arctic Sentry er onder
Amerikaanse druk rond Groenland? Welke rol speelde België bij de totstandkoming
en waarom acht u een Belgische bijdrage noodzakelijk?
Blijft onze deelname beperkt tot 4-18
september? Zijn verdere rotaties, een structurele aanwezigheid of bijkomende
Belgische middelen voorzien? Wat kost deze inzet?
09.03 Peter Buysrogge (N-VA): Ik kijk ook uit naar uw antwoord, mijnheer de minister. Ik denk dat het strategisch belang van het Hoge Noorden niet voldoende kan worden benadrukt. Het gebied is essentieel. We zijn daar actief in IJsland en in Groenland. Mijn vraag is dan ook wat dat concreet inhoudt, uiteraard in de wetenschap dat we daarover vanochtend een briefing hebben gekregen.
09.04 Minister Theo Francken: De NAVO-activiteit Arctic Sentry brengt verschillende nationale oefeningen en NAVO-initiatieven in het Hoge Noorden samen binnen een gemeenschappelijke operationele aanpak onder leiding van Joint Force Command Norfolk. De activiteit ondersteunt de aanwezigheid, waakzaamheid en afschrikking van het bondgenootschap in het Arctisch gebied en draagt bij tot de veiligheid van de Noord-Atlantische aanvoerroutes. De precieze invulling varieert in functie van de operationele noden en de beschikbare middelen van de bondgenoten.
België levert ook een bijdrage aan NAVO-activiteiten in het Hoge Noorden. Het bestendigen van de cohesie van de alliantie vormt immers een van onze overkoepelende veiligheidsbelangen. Over operationele details is daarnet toelichting gegeven in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies. Eventuele bijkomende punctuele bijdragen worden steeds afgewogen tegen de operationele behoeften van de NAVO, de beschikbare middelen en de personeelsbeschikbaarheid, zonder een permanente aanwezigheid in het Hoge Noorden te beogen.
De missie maakt deel uit van de collectieve verdediging van het bondgenootschap in het licht van de groeiende interesse van Rusland en China in het Noordpoolgebied. Het is cruciaal te onthouden dat zeven van de acht Arctische staten lid zijn van de NAVO. Zoals uitgelegd tijdens mijn missie naar IJsland, wil de NAVO duidelijk laten zien dat de alliantie in staat is de bescherming van het Noordpoolgebied en van dit strategische eiland zelf te waarborgen. Doen we dat niet, dan zullen onze geopolitieke tegenstanders sterker worden, net als de waarden die ze op het wereldtoneel uitdragen.
09.05 Annick Ponthier (VB): Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord.
De dreiging tegen bijvoorbeeld de onderzeese kabels, waarvan we recent nog een voorbeeld hebben gezien met de verijdelde Russische operatie, toont aan dat waakzaamheid ook in het Noordpoolgebied noodzakelijk is en zeker aan de orde is.
We steunen dus die gerichte bescherming en willen uiteraard ook lessen trekken uit de inzet van onze dronecapaciteit. Daaraan wordt in deze operatie in de Arctische regio ook veel aandacht besteed.
We willen echter waarschuwen voor afschrikking. Afschrikking vraagt immers ook altijd beheersing. We willen zeker pleiten voor duidelijke inzetregels waar dat nodig is. We willen niet te voorbarig zijn met een eventueel langdurigere inzet ter plaatse. Waakzaamheid en voorzichtigheid zijn namelijk altijd aan de orde.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
10.01 Axel Weydts (Vooruit): Na de verschrikkelijke natuurbrand in ons eigen land, in de Hoge Venen, waarover we het deze ochtend al uitgebreid hebben gehad, zouden we bijna vergeten dat er ook in Frankrijk verschrikkelijke natuurbranden zijn geweest en dat onze defensie ook daar is ingezet en haar steentje heeft bijgedragen. Ik vroeg me af wat de lessons learned uit die inzet zijn.
Het is in ieder geval opnieuw een mooi teken van Europese solidariteit. Dat hebben we ook mogen ondervinden toen we zelf in brand stonden, als ik het zo mag zeggen. We hebben eveneens kunnen rekenen op de solidariteit van onze partners.
Ik vroeg me wel nog af hoe de inzet van die Pantherbluswagens is geëvalueerd. Die wagens zijn daar immers niet voor ontworpen. Het zijn blusvoertuigen om op onze militaire luchthavens in te grijpen bij een eventuele vliegtuigbrand, bij landingen en dergelijke. Uiteraard zullen ze daar hun nut hebben bewezen, maar ze zijn daar niet voor gemaakt.
Ik vroeg mij af of we daaruit lessen kunnen trekken. Hoe hebben onze mensen ter plaatse de inzet ervaren? Hoe hebben onze partners in Frankrijk dat ervaren? Is die inzet voor herhaling vatbaar? Kunt u het Parlement daar wat meer inlichtingen over geven?
10.02 Minister Theo Francken: Op 29 juli activeerde Defensie de missie Fire Shields om logistieke en operationele steun te verlenen aan de Franse autoriteiten die de bosbranden in het zuidwesten van het land, nabij Cazaux, bestreden. De operatie liep van 29 juli tot en met 5 augustus.
Onze militairen en middelen werden ingezet binnen de Franse brigade des pompiers de l’air. Hun opdrachten waren enerzijds het aanvoeren van water met citernes van de waterpunten naar de inzetzones van de eenheden en anderzijds het leveren van een quick reaction force om heropflakkerende branden te blussen met de Panthervoertuigen.
Militairen van het 4e, 18e en 90e bataljon logistiek stonden in voor de watervoorziening van de Franse voertuigen. Met 9 tankwagens zorgden ze voor een continue aanvoer van water naar de brandweerploegen. Dankzij die ondersteuning werden de afstanden tussen de bevoorradingspunten en de interventiezones beperkt, waardoor de brandweerploegen natuurlijk langer dicht bij de vuurhaarden konden blijven blussen.
Daarnaast verzekerden 12 militaire brandweerleden van de 1e, 2e en 10e wing, ondersteund door twee Pantherblusvoertuigen, dag en nacht een permanente aanwezigheid via een beurtrolsysteem.
Hun hoofdtaak was het ondersteunen van de Franse operaties, vooral tijdens gecontroleerde brandacties om de verspreiding van natuurbranden tegen te gaan. Na die interventies stonden de Belgische militairen in voor de nablussing door de getroffen zones grondig te bevochtigen en de resterende warmtehaarden uit te schakelen. Ze bleven bovendien permanent paraat om onmiddellijk in te grijpen bij een eventuele heropflakkering van het vuur.
De integratie van de Belgische militairen binnen de Franse brigade verliep bijzonder vlot dankzij een goede coördinatie vanaf de start en kende geen grote problemen. Naast de snelle inzet van personeel en materieel illustreert het gezamenlijke initiatief van België en Frankrijk op concrete wijze de Europese solidariteit en het vermogen van de geallieerde strijdkrachten om elkaar te ondersteunen wanneer de situatie dat vereist.
Dankzij zijn strategische transportcapaciteit kan de A400M een Pantherblusvoertuig snel vervoeren zonder voorafgaande demontage. Hierdoor wordt de reactietijd aanzienlijk verkort en kan sneller operationele steun worden verleend. Het voertuig past er dus juist in en dat was ook de bedoeling.
De inzet in Frankrijk leverde daarnaast waardevolle lessen op voor toekomstige operaties. Zo kan de basisopleiding van militaire brandweerlieden verder worden geactualiseerd op basis van recente operationele ervaringen en door de integratie van relevante onderdelen uit de civiele brandweeropleiding. Die aandachtspunten worden momenteel geanalyseerd, zodat waar nodig passende maatregelen kunnen worden genomen.
10.03 Axel Weydts (Vooruit): Dank u, mijnheer de minister. Ik begrijp dat de specifieke technische analyse nog moet gebeuren. Ik heb er ook alle vertrouwen dat Defensie dat op een goede manier gaat doen, dus in die zin begrijp ik dat u nog niet concreet kunt ingaan op mijn vraag of die Panthervoertuigen daar effectief goed voor zijn, maar ik vermoed van wel. Elke bluscapaciteit die op zo'n moment kan worden aangewend, is een pluspunt, denk ik. De rest van mijn repliek wil ik opnieuw reserveren om de mensen die hebben bijgedragen aan deze operatie te danken.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
11.01 Axel Weydts (Vooruit): Ik denk dat de beeldspraak van u komt, mijnheer de minister, dat een paracommando 100 % fit moet zijn om met zijn uitrusting uit een vliegtuig te springen en vervolgens vele dagen in moeilijke omstandigheden te kunnen opereren. Zo iemand moet op en top medisch fit zijn. Iemand die zeer goed is in het hacken van websites en het afslaan van cyberaanvallen, hoeft misschien inderdaad geen BMI van 22 te hebben en geen 20 kilometer met een rugzak te kunnen lopen.
In die zin vind ik het een zeer goede zaak dat de medische screening van onze kandidaten wordt gediversifieerd, afhankelijk van de functie die ze later zullen uitoefenen. Daardoor kunnen we ook breder rekruteren en zullen meer mensen in aanmerking kunnen komen, zowel als actief militair als in de reserve. Er zijn tal van voorbeelden van mensen die wegens een klein medisch euvel niet worden toegelaten, terwijl iedereen ervan overtuigd is dat ze toch hun diensten zouden kunnen bewijzen aan Defensie. Het is dus een zeer goede zaak dat dat veranderd is.
Kunnen we wat meer details krijgen? Welke medische criteria zijn precies aangepast? Over hoeveel categorieën spreken we? Ik zou ook graag weten of mensen die in het verleden wegens kleine medische euvels zijn afgekeurd, actief zullen worden gecontacteerd met de boodschap dat de criteria zijn aangepast en dat ze opnieuw hun kans kunnen wagen. Misschien valt daar goud te rapen. Misschien staan er mensen klaar om bij Defensie te worden ingezet, maar weten ze niet dat de screening is aangepast. Is het de bedoeling om hen te contacteren?
11.02 Minister Theo Francken: Voor elke functie bij Defensie wordt op basis van de specifieke taken en vereisten van de functie een profiel van medische geschiktheid vastgesteld. Elke militair moet echter voldoen aan een minimaal medisch profiel dat verenigbaar is met de uitoefening van het militaire beroep. Daarom zijn kandidaten voor het actieve kader en de reserve aan dezelfde geschiktheidscriteria onderworpen.
Het nieuwe koninklijk besluit, dat op 1 september in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd, heeft tot doel de medische criteria voor de militaire dienst te moderniseren en te actualiseren. Hoewel sommige regels worden aangepast aan de vooruitgang van de geneeskunde en de behandelingen, blijven de medische selectievereisten streng, om de operationele inzetbaarheid van militairen te garanderen.
De belangrijkste wijzigingen betreffen onder meer de afschaffing van een vaste wachttijd na tumoren. Die wordt voortaan vervangen door een beoordeling van de remissietoestand en een individuele risicoanalyse. Ook worden bepaalde endocrinologische aandoeningen beoordeeld op basis van de stabiliteit van de behandeling.
Bij een hoge BMI, body mass index, wordt voortaan eveneens rekening gehouden met de tailleomtrek, als die beter is natuurlijk. Daarnaast worden normen aangepast inzake oogheelkunde, gehoor en gebit. Zo kunnen onder bepaalde voorwaarden intraoculaire implantaten, kleurenzichtafwijkingen, vaste tandprothesen en een lagere kauwcoëfficiënt worden aanvaard.
Ook een bariatrische ingreep via de sleevetechniek en de aanwezigheid van beperkt osteosynthesemateriaal, zoals platen of schroeven na een operatie, vormen niet langer automatisch een uitsluitingsgrond. Voor aandoeningen van de wervelkolom en de knieën worden functionele klinische testen ingevoerd, terwijl de maximaal toegelaten scoliosehoek wordt verhoogd.
Tegelijk worden verschillende medische criteria verduidelijkt of toegevoegd. Zo worden de regels rond vitaminetekorten, stofwisselingsstoornissen, intoleranties en allergieën verder verduidelijkt.
Type 1-diabetes blijft echter een uitsluitingscriterium, net als ernstige hypoglykemieën met bewustzijnsverlies. Ook ernstige hitteslagen die een hospitalisatie vereisten, elke vorm van longembolie en slaapapneu waarvoor een CPAP-toestel nodig is, leiden tot ongeschiktheid.
Wat de rekrutering betreft, stijgt het aantal medisch goedgekeurde kandidaten geleidelijk. In de periode van oktober 2025 tot september 2026 werden 6.514 van de 7.922 kandidaten medisch geschikt verklaard, terwijl 996 kandidaten werden afgekeurd.
Defensie analyseert momenteel de dossiers van de medisch ongeschikte kandidaten van het rekruteringsjaar 2026. Op basis van voorlopige resultaten verwachten we ongeveer 20 % van die kandidaten alsnog te kunnen recupereren, goed voor ongeveer 200 personen. We zijn die dossiers dus nu aan het analyseren. Ongeveer 200 mensen kunnen waarschijnlijk nog worden gerecupereerd en zullen daarvan op de hoogte worden gebracht.
Ik heb enorm veel mails gekregen van mensen die vroeger om medische redenen zijn afgekeurd. Mensen die vroeger ooit zijn afgekeurd, zullen opnieuw moeten deelnemen aan de selectie. Degenen die tussen oktober 2025 en september 2026 zijn afgekeurd, worden automatisch gecontacteerd als we denken dat ze volgens de nieuwe criteria wel in aanmerking zouden kunnen komen.
De voorzitter: Uw antwoord ging zo vlot, mijnheer de minister. Ik merk duidelijk dat u de zoon van een huisarts bent.
11.03 Axel Weydts (Vooruit): De helft van de pathologieën die hier zijn beschreven, zegt mij niets, maar ik ga ervan uit dat de opsteller van het antwoord wel weet waarover het gaat. Dit is echt goed werk. Als we 20 % van die mensen misschien opnieuw kunnen opvissen, dan zeg ik: chapeau, goed gewerkt.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
12.01 Axel Weydts (Vooruit): Deze vraag is mij ingegeven door vele contacten met journalisten, die het vaak als een manco beschrijven dat Defensie niet echt over vaste woordvoerders beschikt. Ik weet ondertussen dat we die wel hebben. Er zijn twee jonge officieren op het niveau van StratCom die officieel onze woordvoerders zijn. We hebben echter niet echt zo'n vast gezicht.
Als ik daarover spreek met ex-collega's en journalisten, wordt verwezen naar de tijd van Ingrid Baeck. Ik weet niet of de collega's Ingrid Baeck nog kennen. Zij was een vast gezicht dat vaak op het scherm kwam. Dat een aantal vaste gezichten terugkwamen, gaf volgens mij ook een vorm van vertrouwen bij de kijkers.
Voor alle duidelijkheid, als het gaat over het afleggen van politieke verantwoording, bent u, mijnheer de minister, natuurlijk het gezicht. Als het gaat over onze militaire autoriteiten, zullen de chef Defensie en de vice-chef Defensie ook op onze televisieschermen verschijnen. Onze force commanders van de verschillende machten kunnen daar uiteraard eveneens een rol in spelen. Ik vraag me echter af of het niet wenselijk is om ook voor kleinere communicatie vaste gezichten te introduceren.
Ik ben ervan overtuigd dat StratCom op dit moment goed werk levert en echt een tandje bijsteekt. Men ziet duidelijk het belang van strategische communicatie in. Mijnheer de minister, ik ben er ook echt van overtuigd dat strategische communicatie in tijden van hybride oorlog – waarover we het straks nog zullen hebben – ook een wapen is. Strategische communicatie is in deze tijden van fake news, desinformatie, beïnvloeding, hybride acties enzovoort van primordiaal belang.
Ik hoor hierover graag uw visie. Wat vindt u daarvan? Is dat nodig of niet? Zijn we daarmee bezig of niet? Alvast bedankt voor uw antwoord.
12.02 Minister Theo Francken: Al meer dan twintig jaar beschikt Defensie over twee woordvoerders, één Nederlandstalige en één Franstalige. Zij worden ondersteund door een team van vier tweetalige persofficieren binnen een persdienst die 24/7 bereikbaar is. Die dienst staat in voor de coördinatie en afhandeling van alle mediavragen en waakt erover dat informatie correct, coherent en in overeenstemming met het officiële standpunt van Defensie wordt gecommuniceerd.
Beide woordvoerders beschikken over een professionele communicatieachtergrond en onderhouden in het kader van hun functie dagelijks contacten met de media en de verschillende nieuwsredacties. Het klopt dat beide woordvoerders niet in de eerste plaats optreden als de publieke schermgezichten van Defensie. Die rol wordt, afhankelijk van het onderwerp, opgenomen door de bevoegde hogere officieren, die het best geplaatst zijn om vragen inhoudelijk correct en volledig te beantwoorden.
Het is dus een keuze. We hebben twee woordvoerders. Het zijn twee fantastische dames, die dat heel goed doen, denk ik, maar we hebben er ook voor gekozen om bij bepaalde vragen heel vaak generaals het woord te geven. Generaal Linotte, generaal Van Strythem, generaal Phaleg en generaal Vansina komen nu veel meer in de media dan ooit tevoren. Ik denk dat dat op zich een goede zaak is. Als een generaal in uniform uitlegt hoe iets precies in elkaar zit, is de geloofwaardigheid volgens mij heel groot.
Dat betekent niet dat onze jonge officieren die woordvoerder zijn, hun werk niet goed doen. Er is echter voor gekozen om generaals vaak het podium te geven om bepaalde duiding te geven.
12.03 Axel Weydts (Vooruit): Dank u, mijnheer de minister. Ik had daarover toevallig gisteren een vrij lang gesprek met generaal De Neve, onze chef van StratCom. We hebben elkaar ontmoet op de investituur van de provinciecommandant van West-Vlaanderen. Hij heeft mij overtuigd van zijn aanpak. Ik ben het dus eens met de way to go.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
13.01 Kristien Verbelen (VB): Mijnheer de minister, uit onderzoek blijkt dat de regering deze legislatuur in acht defensiedossiers een negatief advies van de Inspectie van Financiën uiteindelijk niet heeft gevolgd. U reageerde daarop door te stellen dat die adviezen niet bindend zijn, wat natuurlijk klopt, maar dat betekent natuurlijk niet dat we ons daarbij geen vragen moeten stellen.
In het oog springt de hangar voor het onderhoud van de A400-toestellen. Defensie betaalt 217.900 euro huur per maand, terwijl zowel de Inspectie van Financiën als aanvankelijk ook de minister van Begroting bezwaren hadden. Ik zou graag weten waarom dat uiteindelijk de beste keuze bleek.
Bovendien zouden zowel dat dossier als de opleiding van leerling-piloten niet aan de commissie voor de Controle op de Legeraankopen en -verkopen zijn voorgelegd. Dat roept ook vragen op, zeker omdat het Parlement geacht wordt om zulke grote uitgaven te controleren.
Dat staat niet volledig op zichzelf. In een eerdere periode bleek dat negatieve financiële adviezen bij defensiedossiers vaak niet verhinderen dat de regering toch doorgaat. Dat wijst minstens op een terugkerende discussie over hoe zwaar die controle in de praktijk weegt.
Mijnheer de minister, bent u bereid om de bezwaren van de Inspectie van Financiën nog eens met het Parlement te delen?
Waarom werden de dossiers met betrekking tot de A400-hangar en de opleiding van leerling-piloten niet voorgelegd in de commissie voor de Controle op de Legeraankopen en -verkopen?
Bent u bereid om de controle op grote defensieaankopen opnieuw te evalueren en daarbij ook naar ons voorstel te kijken voor een onafhankelijke externe controlecommissie? Hoe groter de bedragen, hoe belangrijker immers de controle.
13.02 Staf Aerts (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, uit onderzoek van Knack blijkt dat de Inspectie van Financiën al 41 keer een negatief advies heeft gegeven, waarbij toch acht keer tot gunning door de regering werd overgegaan. Het is onze job om de controlefunctie uit te voeren.
Mijnheer de minister, wat waren de argumenten in die acht dossiers om toch tot gunning over te gaan en het advies van de Inspectie van Financiën naast u neer te leggen?
In datzelfde onderzoek werd ook dieper ingegaan op de huur van een hangar voor de A400M, met een stevige maandelijkse kostprijs. Het advies van de Inspectie van Financiën stelde niet alleen dat de kostprijs te hoog is, maar ook dat de termijn te lang was. Er was twee keer een negatief advies van de Inspectie van Financiën, maar men is dan toch overgegaan tot gunning.
Een soortgelijke situatie heeft zich voorgedaan bij de opleiding van leerling-piloten, met de leasing van achttien Pilatustoestellen. De Inspectie van Financiën stelde vragen bij de procedure. Er volgde opnieuw een negatief advies.
Kunt u meer argumenten geven en aangeven wat de hoofdargumenten van de regering en van Defensie waren om het advies van de Inspectie van Financiën niet te volgen? Ik ben ook zeer benieuwd naar de argumenten van Defensie zelf hierover.
13.03 Nabil Boukili (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, voici quelques semaines, le magazine Knack a une nouvelle fois révélé la manière dont la Défense gère l'argent public. Vous prévoyez de dépenser 217 900 euros par mois pour louer un hangar auprès de Sabena Engineering à Zaventem. À deux reprises, l'Inspection des finances a rendu un avis négatif. Elle a estimé que ce projet était trop cher, insuffisamment étayé. De trop nombreuses questions concernant le montage sont soulevées. Pourtant, le dossier a été approuvé.
Ce n'est malheureusement pas une exception. Au cours de cette législature, le gouvernement a déjà reçu 41 avis négatifs concernant des dossiers de la Défense, et dans huit cas, il a tout simplement décidé de passer outre. Cela révèle un problème structurel: dès qu'il s'agit de la Défense, la transparence et le contrôle semblent surtout être considérés comme des obstacles.
Monsieur le ministre, vous défendez ce hangar au nom de "l'autonomie stratégique". Mais l'expert de la Défense, le colonel Roger Housen, qualifie précisément cet argument de véritable absurdité. La Belgique dispose d'une petite flotte d'A400M. La maintenance lourde peut parfaitement être effectuée en France ou en Allemagne. Il ne s'agit donc pas d'autonomie, mais bien de dépenser de l'argent sans contrôle. Cela s'inscrit dans un schéma plus large. Nous nous rappelons tous ici de l'affaire des drones et de tout ce qui s'en est suivi. L'audit de la Cour des comptes est d'ailleurs toujours en cours.
Dès lors, monsieur le ministre, quels sont les huit dossiers qui ont été approuvés malgré un avis négatif? Pour quelles raisons le gouvernement a-t-il décidé de ne pas suivre ces avis? Pourquoi ce hangar à 217 900 euros par mois a-t-il, malgré tout, été loué en dépit de deux avis négatifs? Quel suivi est assuré lorsqu'un avis négatif est ignoré? Car lorsque la Défense dépense des milliards sans contrôle, ce n'est pas seulement le risque de gaspillage qui augmente, c'est aussi celui de la fraude, de la corruption et des conflits d'intérêts. Ce n'est pas juste un risque rhétorique, théorique ou une fabulation du PTB: c'est exactement ce contre quoi l'Inspection des finances, elle-même, met en garde. Monsieur le ministre, je suis impatient d'entendre votre réponse.
13.04 Theo Francken, ministre: Certains s’empressent d’établir un lien de causalité entre l’augmentation des budgets du département et le nombre d’avis de l’Inspection des finances qui n’ont pas été suivis.
Mais si on regarde attentivement le tableau repris dans l’article de Knack, on observe qu’un nombre plus important de dossiers pour lesquels l’Inspection des finances avait remis un avis négatif ont finalement également été approuvés sous la Vivaldi.
Sur la période 2023-2024, lorsque Mme Dedonder était à la tête du département et que Mme Petra De Sutter était vice-première ministre, si je me souviens bien, 11 des 39 avis négatifs de l’Inspection des finances n’ont pas été suivis par le gouvernement.
Die dossiers werden dus gevalideerd in de ministerraad van de vivaldiregering, waarvan Groen ook lid was.
Wat de huurprijs van de hangar in Zaventem betreft, dient vooreerst te worden verduidelijkt dat de vermelde maandelijkse huurprijs uit meer kostenelementen bestaat dan louter de huur van de hangar. Zo omvat dat bedrag onder meer de kosten voor onderhoud en bijkomende diensten, de verzekeringskosten, de kosten van de door Defensie geraamde verbruikskosten die Sabena Engineering doorrekent aan Defensie, en een budgettaire marge voor eventuele onvoorziene kosten.
Bij de evaluatie en beoordeling van die huurprijs werd in eerste instantie gekeken naar historische data waarover Defensie beschikte. Er was immers op het ogenblik van de opmaak van het desbetreffende dossier op de luchthaven van Zaventem geen enkele andere vliegtuigloods met beschikbare vrije ruimte waarmee een eventuele prijsvergelijking kon worden uitgevoerd.
Onverminderd dat feit heeft Defensie in haar beoordeling een vergelijkend onderzoek gedaan met enerzijds het dossier inzake de huur door Defensie van een hangar van Lufthansa Technics in 2020 en anderzijds met de kosten die Defensie aanrekent aan derden voor het ter beschikking stellen van haar eigen vliegtuigloods. Uit dat vergelijkend prijsonderzoek is naar voren gekomen dat de huurprijs voor de A400M-hangar te Zaventem goedkoper en dus zeker marktconform was en is.
De administratieve begrotings- en beheerscontrole, zoals geregeld via het koninklijk besluit van 20 mei 2022, wordt uitgeoefend zoals bepaald in artikel 2 door de ministerraad, de minister van Begroting en de minister van Ambtenarenzaken, die daarin worden bijgestaan door Inspecteurs van Financiën, die naast hun controle ook budgettaire en financiële raadgevers zijn van de minister bij wie zij geaccrediteerd zijn. Dat verzekert alvast een grondige en degelijke controle op verschillende beleidsniveaus, waaraan ook de dossiers van het ministerie van Landsverdediging onderworpen zijn.
Je tiens tout d'abord à préciser que les avis rendus par l'Inspection des finances constituent une étape importante dans le processus décisionnel, mais qu'ils ne sont pas juridiquement contraignants.
L'arrêté royal du 20 mai 2022 prévoit, par ailleurs, la procédure à suivre lorsqu'un ministre ne partage pas l'analyse de l'Inspection des finances, ce qui confirme bien le fait que son avis n'est pas juridiquement contraignant. Dans ce cas, un recours peut être introduit auprès du ministre compétent, en l'occurrence, le ministre du Budget. Si un désaccord subsiste, le dossier est porté devant le Conseil des ministres qui, lui seul, dispose du pouvoir de décision finale. Celui-ci statue par consensus, sur la base d'un examen complet de l'ensemble des éléments du dossier et dans le respect de l'intérêt général et de l'intérêt supérieur de la nation.
Pour les acquisitions militaires auxquelles il est fait référence, cette procédure a été appliquée de manière rigoureuse. Ainsi, les règles relatives aux contrôles administratifs, budgétaires et de gestion ont donc été totalement respectées.
Il en va, par ailleurs, de même pour le contrôle parlementaire. Ont ainsi effectivement été soumis au Parlement, tous les dossiers devant lui être soumis selon le protocole administratif du 16-17 mai 2017, conclu entre la Commission spéciale Achats et Ventes militaires de la Chambre des représentants et le ministre de la Défense.
De argumenten die Defensie heeft aangevoerd in het kader van het beroep tegen de negatieve adviezen van de Inspectie van Financiën werden overeenkomstig de voorziene beroepsprocedure aan de minister van Begroting en desgevallend eveneens aan de ministerraad voorgelegd voor beraadslaging. Zoals algemeen geweten, geldt daarvoor de vertrouwelijkheid van de beraadslagingen van de federale ministerraad. Ik kan bijgevolg dan ook geen informatie verstrekken over de elementen die aan deze besprekingen ten grondslag lagen of die de besluitvorming hebben ondersteund.
En réponse à la question relative aux huit dossiers soumis en Conseil des ministres à la suite d’un avis négatif de l’Inspection des finances, il s’agit des dossiers suivants: le marché public visant à l’acquisition d’Unmanned Aircraft Systems (UAS) via la NATO Support and Procurement Agency (NSPA), faisant l’objet d’une demande d’accord préalable; le marché public relatif à un contrat de service Basic Flight Training Capability (BFTC), actuellement au stade de l’attribution; le dossier relatif à la menace aiguë liée aux drones hybrides, faisant également l’objet d’une demande d’accord préalable; le dossier relatif à la location du hangar au profit de la flotte A400M; le marché public relatif aux hélicoptères utilitaires du GER, faisant l’objet d’une décision modificative; le dossier relatif au développement de l’écosystème de protection des infrastructures maritimes critiques, pour lequel une subvention est sollicitée; le dossier relatif à la participation belge au programme de l’Agence spatiale européenne, avec l’octroi d’une contribution de la Défense; enfin, le dossier relatif à la tranche 36 du soutien à l’Ukraine, faisant l’objet d’une demande d’accord préalable.
De heer De Smet is niet meer aanwezig, maar ik zal toch nog even antwoorden op zijn vraag over de hangar.
Concernant votre question sur l'éventuelle mutualisation de l'entretien des A400M avec la France et l'Allemagne afin de réaliser des économies d'échelle, il peut être précisé qu'à l'heure actuelle, la maintenance lourde des A400M est effectuée dans les installations d'Airbus à Getafe, en Espagne, dans le cadre d'un contrat commun conclu avec les pays partenaires de l'OCCAR (Organisation conjointe de coopération en matière d'armement), dont l'Allemagne et la France.
Toutefois, afin de renforcer l'autonomie stratégique de la Belgique dans le domaine du soutien et de la maintenance de la capacité de transport aérien A400M, d'accroître la résilience industrielle nationale et de consolider la base industrielle et technologique de défense belge, la Défense prépare le transfert de l'exécution de la maintenance lourde des A400M vers un organisme belge de maintenance, de réparation et de révision. Une telle réorientation s'inscrit pleinement dans les objectifs de la vision stratégique.
Dus, basically, much ado about nothing. Er waren inderdaad negatieve adviezen van de Inspectie van Financiën. Dat is helemaal niet zo uitzonderlijk. Dat gebeurt heel vaak, ook bij andere ministers. In de vorige regering waren er veel minder dossiers geagendeerd door de minister van Defensie, maar er was ook minder budget. De vorige keer werd het negatieve advies van de Inspectie van Financiën veel meer overruled door de ministerraad dan nu, maar toen stond dat niet op de voorpagina van Knack, De Morgen en andere media. Daar was toen helemaal geen fuss over, maar nu is dat heel groot nieuws en wordt geïnsinueerd dat er te weinig controle is, dat Defensie met de pet gooit naar procedures.
Wat is de procedure? Men stelt een dossier op en vraagt om een advies aan de Inspectie van Financiën. Als dat advies negatief is, kan men in beroep gaan bij de minister van Begroting. Als die dat beroep aanvaardt, gaat het naar de regering en wordt daarover beraadslaagd, waarna finaal de regering beslist. Niet de Inspectie van Financiën beslist over de goedkeuring van dossiers, maar wel de ministerraad. Het lijkt mij in een parlementaire democratie logisch dat de uitvoerende macht op dat vlak finaal de beslissing neemt, uiteraard rekening houdende met de adviezen van de Inspectie van Financiën en met heel veel opmerkingen.
In de finale beslissing werden dan ook aanpassingen en verduidelijkingen aangebracht in het dossier. De Inspectie van Financiën geeft een negatief advies wegens vijf redenen en Defensie past de aanvraag aan. Drie van de vijf redenen vinden wij wel plausibel en die passen we dan ook aan. Met twee redenen gaan we niet akkoord en daartegen gaan we in beroep, waarna het op de ministerraad komt, die finaal beslist. Gelukkig passeert het dossier meestal.
Zo is het altijd geweest en zo werkt het ook in de Vlaamse en de Brusselse regering. Zo is het in elke regering in dit land. Dus hebben wij een soort van laxisme? Hebben wij een hautaine houding ten aanzien van de Inspectie van Financiën? Neen, helemaal niet. We volgen de procedures. Dat wordt dan ook voorgelegd aan het Parlement, volgens het protocol. Dat lijkt mij allemaal bijzonder correct.
Heel concreet wat betreft de hangar, ik zal het heel kort houden, maar het is belangrijk. Het gaat inderdaad over veel geld. Hoe komt dat? Ik ben daarmee opnieuw naar de regering moeten gaan, want de eerste keer zeiden mijn collega's dat het niet kon. Ik heb dat verder gemotiveerd en uitgelegd waarover het gaat. Het gaat over de unieke kans om het onderhoud van de A400M-vloot, dus niet alleen van onze toestellen, maar mogelijks ook van heel wat andere A400M-toestellen, naar België te brengen. Dat zit nu in Getafe in Spanje. Waarom willen we dat naar hier krijgen? Omdat we topbedrijven hebben die het onderhoud verzekeren van die toestellen. Als we erin slagen om het onderhoud van verschillende A400M Airbussen hier te laten doen, dan zullen we ook meer spare parts hebben, want dan liggen die daar ook. Als men het groot onderhoud in Brussel kan doen, dan moeten die niet altijd van Spanje komen en dan beschikken we ook meer over onze A400M vloot, want nu is die beschikbaarheid niet top. Ze zijn te vaak in onderhoud. Het zijn zalige bakken, ongelooflijk, en ik ben zo blij dat de regering beslist heeft om die te kopen, maar we hebben meer onderhoud hier ter plaatse nodig, zodat de wisselstukken hier liggen en we sneller kunnen repareren. Vaak moeten we nu weken wachten voordat we wisselstukken uit Spanje krijgen. Als we het onderhoud hier doen, liggen ook de onderdelen hier. Dan kunnen we ze zo pakken en onmiddellijk herstellen.
In die zin is dat een economische opportuniteit die heel wat jobs zal creëren. Het is ook een heel interessante opportuniteit om onze A400M meer uren beschikbaar te krijgen en minder lang in onderhoud te hebben. Dus ja, ik vind dat een heel goede zaak. Ik heb het allemaal uitgelegd aan de regering zoals ik het hier nu uitleg, en uiteindelijk hebben de regeringsleden toegestemd. Daar staan we nu.
13.05 Kristien Verbelen (VB): Mijnheer de minister, ik beweer niet dat de regering elk advies zomaar blindelings moet volgen. Maar als dat advies aan de kant wordt geschoven, als het niet wordt gevolgd, zoals dat volgens uw uitleg in sommige gevallen gebeurt, dan is het belangrijk dat we weten waarom dat gebeurt en welke controle daar dan wel tegenover staat. Daarom blijf ik ons voorstel verdedigen van een onafhankelijke externe controlecommissie, zodat die voorafgaand de grote aankoopdossiers kan doorlichten en het Parlement objectief kan informeren.
Ons voorstel is eigenlijk afgeketst, hoofdzakelijk met als argument omdat het de boel zou vertragen. Ik denk net dat het heel veel ellende achteraf zou kunnen voorkomen. Met de bedragen die de komende jaren naar Defensie gaan, lijkt me dat zeker geen overbodige luxe.
13.06 Staf Aerts (Ecolo-Groen): Ja, mijnheer de minister, ik vind het eigenlijk heel logisch dat we daar vragen over stellen en ik zal dat ook blijven doen. Het lijkt mij een evidentie. De Inspectie van Financiën is er om, los van politieke druk of tijdsdruk, na te gaan of belastinggeld al dan niet goed besteed wordt. Het is de bedoeling om na te kijken en te voorkomen dat er kans is op fraude, corruptie of belangenvermenging. Ik vind het dus heel logisch dat we daar vragen over stellen.
Van de dossiers die in de Commissie voor de Controle op de Legeraankopen en -verkopen passeren, kunnen wij een deel van het traject zien. We kunnen zien wat het advies is, wat de opmerkingen erbij zijn en wat het verweer van Defensie is. Dat kunnen we evenwel niet voor alle dossiers. Vandaar dat wij die vragen moeten blijven stellen, ook naar de details van die verschillende dossiers.
We hebben dan ook nog eens de situatie waarnaar daarnet werd verwezen. Tegen het advies van de Inspectie van Financiën kan beroep worden aangetekend. Dat komt dan bij de minister van Begroting terecht. Ik vind het eigenlijk problematisch dat wij als parlementsleden niet het antwoord van die beroepsinstantie kunnen zien. De minister van Begroting antwoordt dat hij daar nooit inkijk in geeft. Dat vind ik raar.
De Inspectie van Financiën geeft een negatief advies. We mogen het advies zien van de militairen, van Defensie, het tegenadvies dus, maar wat er dan uiteindelijk wordt beslist en aan de regering wordt voorgelegd, mogen we raar genoeg niet zien. Ik zou het heel logisch vinden dat we zouden mogen zien wat in beroep wordt beslist, want dat is op dat moment toch een beetje de rol van de minister van Begroting.
In geval een beroep wordt ingediend, fungeert de minister van Begroting als een soort van beroepsinstantie. Zijn conclusie in die hoedanigheid krijgen we echter nooit te zien, ook niet als we er expliciet naar vragen. Dat is een dossier dat we niet te zien krijgen.
13.07 Minister Theo Francken: Men ziet in het finale beslissingsdossier toch of er al dan niet een positief advies van Begroting is gekomen?
13.08 Staf Aerts (Ecolo-Groen): Dat krijgen wij als parlementsleden alleszins niet te zien.
13.09 Minister Theo Francken: In het finale beslissingsdossier ziet men toch of er een positief advies is van de Inspectie van Financiën. U krijgt misschien het advies zelf niet te zien, maar u weet wel of er een positief of negatief advies is van de Inspectie van Financiën en een positief of negatief advies van de minister van Begroting. Die informatie krijgt u volgens mij.
Als ik het goed begrijp, vraagt u waarom dat zo is. Wat u zegt, is volgens mij echter niet juist. Volgens mij krijgt u dat wel, maar u krijgt niet de achterliggende redenering. U krijgt wel de uitkomst. Daar ben ik bijna zeker van.
13.10 Staf Aerts (Ecolo-Groen): Het lijkt mij logisch om ook de argumentatie te kennen. Dat is de reden waarom we deze vragen over die dossiers stellen. Wat was de argumentatie om al dan niet tot die beslissing te komen? Als parlementslid zal ik vragen blijven stellen, omdat de Inspectie van Financiën een leidraad is om te kijken wat die onafhankelijke instantie over dit of dat dossier heeft gezegd.
Ik zal daar dus vragen over blijven stellen. Een deel zien we passeren in de commissie voor de Controle op de Legeraankopen en -verkopen, maar een deel ook niet, vandaar dat het onze taak is als parlementslid om dat te blijven controleren.
13.11 Nabil Boukili (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, sur la question du contrôle, il existe un problème de départ: le fait que ce ne soit pas un achat ne permet pas au Parlement d'exercer son contrôle. Si nous posons des questions, c'est sur la base de la parution d'un article. Monsieur le ministre, vous avez indiqué qu'il existe une procédure et que la décision finale revient notamment au Conseil des ministres.
Que nous dit l'Inspection des finances? C'est Erwin Moeyaert, chef de corps de l'Inspection des finances, qui l'explique: "Notre contrôle administratif et budgétaire ne porte pas tant sur les aspects technico-militaires. Il vise à garantir une gestion budgétaire correcte, le respect de la législation, en particulier de la législation relative aux marchés publics, la prévention des procédures judiciaires et la réduction des risques de fraude, de corruption et de conflits d'intérêts. Ces risques augmentent significativement dans un contexte de forte hausse des budgets, ce qui est précisément le contexte dans lequel nous nous trouvons aujourd'hui, de pression temporelle et de marchés sous tension."
Donc, les avis négatifs qui sont rendus le sont pour faire respecter ce cadre, faire respecter les procédures, faire respecter la législation sur les marchés publics et éviter qu'il y ait des fraudes, de la corruption et des conflits d'intérêts. Quand on ne respecte pas un avis de l'Inspection des finances, on augmente le risque de fraude, de corruption et de conflits d'intérêts. Et vous nous dites qu'il existe une procédure et que c'est le Conseil des ministres qui décide. Le Conseil des ministres prend des décisions politiques! Il ne s'agit pas d'une décision d'experts, ni d'une décision fondée sur une procédure, c'est un accord politique.
En plus, nous n'avons même pas accès à l'argumentaire utilisé au sein du Conseil des ministres. Alors, comment voulez-vous que ce Parlement puisse avoir confiance dans ces procédures lorsque des avis aussi importants ne sont pas respectés? Et vous répondez que ces avis ne sont pas contraignants. Dans ce cas, supprimons l'Inspection des Finances et travaillons en open bar!
D'ailleurs, c'est déjà ce que ce gouvernement essaye de faire avec la résolution que nous avons votée juste avant les vacances pour limiter les procédures et les contrôles, au motif qu'ils sont trop nombreux. Nous l'avons fait juste après l'affaire des drones. C'est un comble. Franchement, monsieur le ministre, j'hallucine. Votre réponse est inquiétante et ne me rassure pas du tout.
Les 34 milliards que nous sommes occupés à investir dans l'armement représentent un montant considérable. Or, nous constatons à plusieurs reprises qu'il existe des risques de fraude, des risques de corruption et des conflits d'intérêts, et que l'on passe outre des avis négatifs qui visent précisément à prévenir ces risques. Et cela, c'est grave!
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
14.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, ik zeg het niet graag, maar het is heel duidelijk dat winter is coming in Oekraïne. Men is daar terecht heel erg bevreesd voor de komende winter. De aanhoudende aanvallen van Poetin – laat ons maar zeggen het staatsterrorisme tegen de burgers van Oekraïne – blijven toenemen, elke dag, elke nacht.
Ik heb zelf met een aantal Oekraïners gesproken in Kiev. Dat weegt op die mensen. Ze zien af, zijn moe en moegetergd. Beeld u in, collega's, dat u op de zesde verdieping woont van een appartement in Kiev met twee kinderen en drie à vier keer per nacht voor een uur naar de schuilkelder moet omdat er weer luchtalarm is, niet wetende of uw appartementsblok deze keer aan de beurt is en wordt aangevallen. Dat is verschrikkelijk. Die mensen lijden daar enorm onder.
Het komt helaas ook dichter bij ons. Het is uiteraard niet zo ernstig als het op dit moment in veel steden in Oekraïne is, maar we kunnen toch niet ontkennen, collega's, dat die oorlog ook voor onze deur staat op dit moment.
Een drone is onderschept in Leipzig met explosieven, met het duidelijke doel om daar schade aan te richten. Leipzig is geen Oekraïense stad. Dat is een stad in Duitsland.
Er zijn meer drones in het luchtruim in het oosten van Europa. Onlangs is een drone aangespoeld in Polen. Als ik me niet vergis, zag ik op de beelden een Shaheddrone.
Boven Litouwen hebben NAVO-gevechtsvliegtuigen een drone kunnen neerhalen. De Italianen hebben het deze keer kunnen doen.
Deze week vond het Russische fregat het nodig om flares af te vuren in de richting van een Deense helikopter.
Dan was er nog de aanval op de trein tussen Kiev en Polen, op twee kilometer, collega's, van de grens met de Europese Unie. Het betreft een spoorlijn die veel gebruikt wordt, ook door Europese en andere buitenlandse staatshoofden, diplomaten en Oekraïense burgers die af en toe hun familie in Europa bezoeken. Ik heb zelf ook een paar weken geleden die spoorlijn gebruikt richting Kiev.
Als zelfs zulke spoorlijnen worden geviseerd, kunnen we toch niet anders dan spreken van een bewuste strategie van Poetin, een bewuste strategie van escalatie. Hij kijkt hoever hij kan gaan in het opdrijven van zijn acties, niet alleen tegen de Oekraïense bevolking, maar ook tegen ons, tegen de Europese Unie en tegen de landen aan de oostgrens van de Europese Unie.
Tijdens mijn bezoek aan Kiev hebben we een briefing gekregen van de militaire inlichtingendienst van Oekraïne. Die mensen waren zeer open over de inlichtingen waarover ze beschikten. We hebben daar redelijk veel uit geleerd. Een van de lessen die ze ons hebben meegegeven – en ik begrijp natuurlijk dat ze ons op dat vlak enige awareness wilden bijbrengen – was wel degelijk dat ze over inlichtingen beschikken waaruit blijkt dat de acties in Europa, ook tot diep in Europa, de komende maanden zullen toenemen. We mogen verwachten dat er een intensivering zal zijn van die acties van Rusland tegen onze samenleving, tegen het Westen. Dat moet ons zorgen baren, collega's. Dat moet ons echt zorgen baren.
Ik weet dat het een zeer moeilijk evenwichtsoefening is om te bepalen in hoeverre we een tegenreactie moeten opzetten ten aanzien van de escalatie van Poetin. Op die escalatieladder kan men geen vier sporten tegelijk nemen. Dan dreigt men naar een te grote escalatie te gaan en uiteindelijk in een complete oorlog te belanden. Dat is wat niemand wil. Niets doen, mijnheer de minister, is volgens mij natuurlijk ook geen optie. Poetin kijkt nu echt hoever hij kan gaan. Hij gaat ver. De vraag is hoe we daarop kunnen antwoorden. Ik heb er zelf ook geen antwoord op, eerlijk gezegd.
Ik vraag me wel af hoe men daar in het kader van uw contacten binnen de NAVO mee omgaat. Gaan we hem blijven laten escaleren of gaan we op een bepaald moment aan een bepaalde noodrem trekken? Ik denk aan artikel 4. De laatste keer dat artikel 4 is ingeroepen, was ook naar aanleiding van drones in het Poolse luchtruim die uit de lucht zijn gehaald. Nu is daar blijkbaar nog geen sprake van. We moeten daar ook niet over oordelen. Polen of Litouwen zullen moeten oordelen of ze zich dermate bedreigd voelen om eventueel artikel 4 van de NAVO in te roepen. Het is niet aan ons om dat te beoordelen. Niets doen lijkt mij echter geen optie.
Ik vroeg me gewoon af, mijnheer de minister, of u het Parlement kunt inlichten over de mogelijke stappen die we met België, met de NAVO en met de Europese Unie kunnen zetten om Poetin op de een of andere manier duidelijk te maken dat hij ver over de schreef gaat.
14.02 Annick Ponthier (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
De dreiging van escalatie en hybride
acties tegen de NAVO neemt toe. Duitsland schrijft de poging tot drone-aanslag
in Leipzig toe aan Russische staatsdiensten. Rusland blijft dit evenwel
ontkennen. Moskou dreigde ook Britse militaire doelen buiten Oekraïne aan te
vallen. Tegelijkertijd is de oefening Arctic Sentry in Groenland gestart,
hetgeen volgens Russisch minister van Buitenlandse Zaken Lavrov tot escalatie
kan leiden.
Voor de zomer is resolutie 56K1158
gestemd. Die vraagt maatregelen inzake cyberdefensie, drones en infrastructuur.
Gezien de toenemende dreiging is het aan de orde de voortgang hiervan te
bevragen:
Hoe beoordeelt de ADIV de dreiging voor
België? Welke lessen trekt u uit Leipzig en welke bijkomende bescherming
krijgen onze militairen en infrastructuur? Hoe voorkomt u incidenten en
escalatie bij Arctic Sentry?
Wat is de voortgang van het
Weerbaarheidsplan en het Enablement-plan? Welke SHIELD-maatregelen zijn
operationeel? Is alle kritieke infrastructuur gedekt? Geef per sector de
dekking, tekorten, middelen en deadlines, zo nodig in besloten kring.
Functioneert het National Air Security
Center als enig coördinatieplatform en nationaal meldpunt? Hoe verlopen
informatiedeling, betrouwbare attributie, technologische samenwerking en het
EU/NAVO-overleg over counter-UAS? Wat is al uitgevoerd?
Hoe versterkte u Cyber Force en Cyber
Command? Wat leverde het gevraagde onderzoek naar ethische hackers binnen
Defensie op? Welke stappen zette u inzake digitale soevereiniteit,
satellietbescherming en samenwerking met ESA Redu?
Wat leverden de onderzoeken naar
weerbaarheid van het ontwerp van onze kritieke infra op? Wat met de piste van
nationale opleiding of certificering van veiligheidsofficieren? Welke afspraken
maakte u met Infrabel over de beveiliging van cruciale spoorinfrastructuur en
militaire mobiliteit?
Welke bijdrage levert Defensie aan het
onderzeese beschermingsplan en de herstelcapaciteit onder leiding van de
minister van Noordzee? Hoe vorderen het geïntegreerde maritieme
informatiebeeld, de bescherming van havens en binnenwateren en de samenwerking
rond de Westerschelde?
Wanneer rapporteert u over
drone-incidenten en counter-UAS-operaties, zoals verzoek 2.9 van de resolutie
vraagt?
14.03 Koen Van den Heuvel (cd&v): Ik denk dat mijn twee collega's de situatie al hebben geschetst. Ik hoef dus niet te herhalen welke hybride dreigingen aan de oostflank van de Europese Unie de voorbije weken hebben plaatsgevonden. We mogen de situatie inderdaad niet onderschatten en moeten absoluut alert zijn.
Ik heb nog een drietal vragen en aandachtspunten.
Ten eerste, hoe zit het met de hybride dreigingen ten aanzien van ons land? We lezen daar af en toe over in de pers. Hoe evalueert u de situatie ten aanzien van ons land?
Ten tweede, kunt u een huidige stand van zaken geven met betrekking tot de Belgische counter-UAS-strategie? Waar staan we? Hoe verloopt die procedure?
Ten slotte wil ik even dieper ingaan op de brede Europese strategie tegenover de escalatie die Poetin blijkbaar meer dan ooit opdrijft. Ik stel vast – en ik begrijp dat ook ergens wel – dat de Europese leiders vooral een verbale strategie volgen, waarbij ze zich boos maken en er een zekere retoriek wordt toegepast. Ik begin echter steeds meer het gevoel te krijgen dat die strategie eindig is en dat er wellicht een moment zal komen waarop we een tandje moeten bijsteken. Ik weet dat dat een heel delicaat onderwerp en een delicate situatie is. Het is misschien toch goed dat u als minister van Defensie even uw idee daarover geeft. Hoe ziet u onze houding als Belgen tegenover die situatie? Hoe zitten de verhoudingen met de Europese bondgenoten om die strategie de volgende weken te ontwikkelen? Ik denk immers dat er een wat krachtiger, helderder of duidelijker antwoord nodig is als we die escalatie vanuit Rusland willen stoppen.
14.04 Minister Theo Francken: Het incident in Leipzig wordt meer dan waarschijnlijk nog verder onderzocht door onze Duitse partners. De Belgische inlichtingendiensten, waaronder de ADIV, staan met hen in contact.
De aard van het incident baart grote zorgen en vraagt alle nodige aandacht van de Belgische inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De verantwoordelijkheid voor dit incident werdt op 1 september door de Duitse autoriteiten aan Rusland toegeschreven. Dat betekent een ernstige escalatie van de hybride activiteit op Europees grondgebied.
Overleg tussen de Europese partners en de NAVO-partners is lopende aangaande mogelijke bijkomende sanctiepakketten, het belang van de bescherming van kritieke infrastructuur en de optimalisatie van informatie-uitwisseling. Er wordt momenteel ook overleg gepleegd tussen de Belgische inlichtingen- en veiligheidsdiensten inzake de dreigingsinschatting. Militaire transport- en stockageactiviteiten worden uitgevoerd in overeenstemming met de geldende regelgeving in België.
Voor al deze activiteiten moet steeds een risicoanalyse worden uitgevoerd, zowel op het vlak van safety als op het vlak van security. In functie van de geïdentificeerde risico's moeten de gepaste maatregelen worden genomen. Elke militaire installatie bevindt zich in een alarmstadium dat in functie van de dreigingsanalyse overeenkomstig wordt aangepast. Thans zijn er bepaalde kwartieren die zich in een verhoogd alarmstadium bevinden. Dat is onlangs voor sommige kwartieren ook nog verder opgeschroefd. Gelet op de operationele veiligheid, kan hierover niet verder worden gecommuniceerd. Dat zult u wel begrijpen.
De eenheden moeten waakzaam blijven. De momenteel ingezette middelen vormen een noodzakelijk fundament voor de CUAS-capaciteiten. Mede in het licht van de gevarieerde en voortdurend evoluerende dreigingen wordt verder geïnvesteerd in de uitbouw van een meer omvattende CUAS-capaciteit. In de eerste fase werden in het najaar van 2025 een reeks dringende aankopen gedaan. Detectiemiddelen, radars en interventiemiddelen werden aangekocht voor inzet op het nationaal grondgebied. In de tweede fase, die momenteel lopende is, wordt de strategie inzake CUAS opgebouwd rond het innovatief partnership Counter-UAS. Dit dossier zit thans in de selectiefase, waarbij vijf consortia zullen worden geselecteerd. Met hen wordt een onderhandelingsprocedure opgestart rond de invoering van de Belgische behoeftes op het vlak van verdediging tegen drones. Dit dossier vult niet alleen de huidige behoeftes in, het laat ook toe om te innoveren en steeds de recentste technologie beschikbaar te stellen. Het dossier zet in op het valoriseren van de Belgische defensie-industrie, waardoor economische return en zekerheid in bevoorrading wordt gegenereerd.
Dit is volledig in lijn met de strategische visie. Detecteren, identificeren en eventueel neutraliseren van drones zal ook voor onze partnerlanden altijd een aanzienlijke uitdaging blijven, gelet op de snelle technologische ontwikkelingen en de diversiteit aan dreigingsscenario's.
Een omzendbrief van het College van procureurs-generaal regelt de procedure voor de aanpak door de politiediensten en het federaal parket in het geval van onrechtmatig gebruik van een drone. Gelet op het vertrouwelijke karakter kan ik daarop niet verder ingaan.
Elke veiligheidsdienst heeft eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Een goede coördinatie en samenwerking tussen de verschillende partners blijven essentieel voor de uitwisseling van informatie en een doeltreffende besluitvorming. Die samenwerking verloopt via verschillende overleg- en coördinatiekanalen, waaronder de Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging van de havenfaciliteiten, de samenwerking tussen de veiligheidsdiensten, het Directoraat-generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en het National Air Security Center (NASC) en de samenwerking tussen de veiligheidsdiensten binnen het Nationaal Crisiscentrum, onder meer via verschillende werkgroepen.
Het nationaal weerbaarheidsplan valt onder de verantwoordelijkheid van het Nationaal Crisiscentrum. Defensie draagt bij waar nodig. Daarnaast hebben we zelf een militair weerbaarheidsplan, waarin de hybride dreiging uiteraard in aanmerking wordt genomen. Wat betreft het nationaal enablementplan, waarvoor Defensie de leiding heeft, is in augustus gestart met de ontwikkeling van zowel dat plan als het onderliggende militair enablementplan.
Momenteel bestaat er al een concept dat tijdens de aankomende oefeningen zal worden getest. Dat concept zal de basis vormen voor de verdere opstelling van de finale plannen, die tegen midden 2028 gevalideerd zouden moeten kunnen worden.
De dekking van de kritieke infrastructuur valt dan weer onder het nationaal verdedigingsplan SHIELD en het militair verdedigingsplan SPEAR.
Op het nationale grondgebied heeft het Nationaal Crisiscentrum de leiding over de Belgische kritieke infrastructuur. Het delen van informatie daarover komt hun toe, inclusief de toelichting betreffende de pistes voor de nationale opleiding of certificering van de veiligheidsofficieren.
De gebeurtenissen in Leipzig en op andere plaatsen in Europa tonen aan dat er naast die plannen dringend behoefte is aan een specifiek plan tegen hybride dreiging. Ook in ons land zien we de voorbije maanden een duidelijke toename van hybride acties. Daarbij gaat het om het volledige spectrum, met inbegrip van sabotage en brandstichting. De afgelopen dagen werden opnieuw drones waargenomen in de omgeving van Brussels Airport, waarbij het vliegverkeer tijdelijk moest worden stilgelegd.
Dat bewijst op zich niet dat het om een hybride actie ging, maar toont wel aan hoe reëel en actueel de dreiging is of zou kunnen zijn. De eerste vergaderingen hierover hebben al plaatsgevonden in het SCIF. U hebt dat misschien gelezen, daarover stond deze week ook een groot artikel in de krant. Het is duidelijk dat zo'n plan er snel moet komen. Dat is ook zo afgesproken. De hybride dreiging neemt alleen maar toe. We moeten ons daarop voorbereiden en klaarstaan om gepast en snel te reageren.
Het NASC is beschikbaar voor de nodige interdepartementale deelname. Op 30 januari vond een technische initial design review plaats om de input van nieuwe sensoren, geïnstalleerd in enkele militaire kwartieren, te fusioneren in het NASC in Bevekom. Ik denk dat het ook interessant kan zijn om dat eens te bezoeken, mijnheer de voorzitter. Dat is echt zeer interessant. Stap voor stap worden nu in alle militaire kwartieren gelijkaardige sensoren geïnstalleerd en geretrofit. Naast onze militaire sensoren wordt verder gewerkt aan de integratie van andere militaire en interdepartementale informatiebronnen.
De versterking van Cyber Force en Cyber Command is een permanente inspanning. Jaarlijks worden diverse rekruteringsinitiatieven georganiseerd. Uiteraard blijft het een absolute prioriteit om bijkomend personeel aan te trekken.
Defensie beschikt momenteel nog niet over een specifieke interne richtlijn voor de omkadering van ethisch hacken. Gelet op de complexe juridische, operationele en controlegerelateerde aspecten die ermee gepaard gaan, wordt momenteel nog gewerkt aan een duidelijk en coherent governancekader dat voldoet aan de geldende wettelijke vereisten.
Defensie dient uiterst voorzichtig met haar gegevens om te gaan en streeft een soevereine, veilige, weerbare en performante data-architectuur na die we kunnen vertrouwen.
Defensie speelt een belangrijke rol bij de bescherming van kritieke onderzeese infrastructuur, zoals elektriciteitskabels, datakabels, gasleidingen en offshore-energie-installaties. Via het MIK, het Maritiem Informatiekruispunt, de marine en verschillende samenwerkingsverbanden wordt toezicht gehouden op verdachte activiteiten op zee. Het geïntegreerde maritieme informatiebeeld wordt in België voornamelijk opgebouwd via dat MIK in Zeebrugge. Dat hebben we ook al eens bezocht, denk ik, maar dat kan zeker nog eens gebeuren. Dat is opnieuw zeer interessant.
Als betrouwbare partner van de genoemde defensie-industrieën is het een van onze prioriteiten om hen dagelijks te adviseren over het waarborgen van de veiligheid van hun faciliteiten. Door samen te werken met andere diensten ondersteunen we hen dag in dag uit bij het anticiperen op risico's van inmenging, sabotage of cyberaanvallen.
Dat lukt ook niet altijd. De brandstichting van enkele weken geleden, de vele gevallen van vandalisme en de vele pogingen tot inbraak tonen aan dat het echt heel duidelijk een doelwit is. Ik zeg niet dat het dan een doelwit van Rusland is. Er zijn ook andere activisten heel actief. Dat weet u.
De ADIV dient de drone-incidenten op te volgen die een dreiging vormen voor de militaire kwartieren, de belangen van Defensie en de kritieke infrastructuren. De rapportering zal moeten gebeuren op basis van het gevoerde onderzoek. Als de ADIV beschikt over informatie over een dronedreiging die andere Belgische infrastructuren of belangen betreft, zal die informatie uiteraard worden gedeeld met de Belgische partnerdiensten.
Misschien nog een aantal zaken in een notendop. Ten eerste bestaan er al verschillende overlegorganen. Ik denk dat het heel goed is dat we SHIELD hebben opgericht. Er zal een toelichting komen achter gesloten deuren. SPEAR is het militaire luik daarvan. SHIELD is pas enkele weken geleden opgericht. We hadden dat gedurende decennia niet. Nu hebben we uiteindelijk opnieuw zo'n nationaal verdedigingsplan. Het nationaal weerbaarheidsplan is in opmaak, net als het enablementplan.
De procedures en de verschillende stappen die moeten worden genomen zijn nu wel helder. Specifiek over hybride dreiging bestaat er al sinds 2017 een werkgroep over informatiedeling rond hybride dreigingen. Dat heeft echter geen operationeel deel. Nu werd afgesproken dat er ook een operationeel deel komt als er een hybride dreiging wordt vastgesteld. Het plan voor hybride dreiging is nu in opmaak. Ik verwacht dat de komende weken een vergadering van de Nationale Veiligheidsraad zal plaatsvinden waar dat kan worden afgezegeld. Net zoals Duitsland zullen we dan een zeer duidelijk plan hebben.
Ik kan dat niet allemaal publiek toelichten. Dat moeten we dan maar achter gesloten deuren bespreken. Iedereen weet dat de Russische ambassade alles wat hier wordt gezegd volgt. Ik heb dus geen zin om hier te veel toelichting te geven. Dat kan alleen maar misbruikt worden. We zijn daarmee heel fel bezig. Ik deel ook echt de bezorgdheid.
Tot slot wil ik nog één klein ding zeggen in verband met het counter-UAS-programma. Daarover werd ook een vraag gesteld. Ik kan meedelen dat het parket onderzoek heeft gevoerd en dat er geen inbreuk werd vastgesteld, in tegenstelling tot de insinuaties die hier ook publiek geuit werden en die ook in de Pano-reportage naar voren kwamen over bepaalde strafrechtelijke inbreuken, zoals vriendjespolitiek, corruptie, belangenvermenging enzovoort. Er is een grondig onderzoek gebeurd en er is geen inbreuk vastgesteld. Géén inbreuk!
14.05 Axel Weydts (Vooruit): Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik ben ervan overtuigd dat u mijn bezorgdheid over de toename van de hybride dreiging deelt. Dat is duidelijk. Dank daarvoor.
Het doet mij ook plezier dat er op heel veel niveaus wordt samengewerkt. Dit is immers echt iets dat we samen moeten aanpakken. Dit overstijgt Defensie. Dit overstijgt de minister. Hier is echt een whole-of-governmentaanpak nodig, en uit uw antwoord kan ik opmaken dat dat ook zo gebeurt. Er is zelfs een whole-of-societybenadering nodig, dus in die zin ben ik tevreden met uw antwoord.
U bent niet verder ingegaan op eventuele antwoorden die de NAVO als organisatie kan bieden teneinde een rode lijn te trekken. We kunnen daar misschien later nog op terugkomen. Ik vind dat het op dit moment nogal stil blijft wat de NAVO betreft, zeker in het licht van wat Poetin allemaal aan het doen is. Maar goed, misschien gebeuren er zaken achter de schermen waar wij geen weet van hebben.
Collega's, ik heb een voorstel van resolutie ingediend over de aanpak van de hybride dreiging. Ik besef maar al te goed dat we daar Poetin niet mee zullen stoppen, dat we daarmee het probleem niet zullen oplossen. Die arrogantie en die ambitie heb ik zeker niet, maar ik vind het wel belangrijk dat wij als Parlement een signaal uitsturen. Dit moet een prioriteit zijn, in het belang van de veiligheid van ons land en van onze maatschappij. Daarom zou het goed zijn dat we straks eindelijk kunnen overgaan tot een stemming van het voorstel van resolutie. Al was het maar om aan de buitenwereld het signaal te geven dat ook dit Parlement de aanpak van de hybride dreiging serieus neemt.
14.06 Annick Ponthier (VB): Dank u, mijnheer de minister, voor uw omstandige antwoord. Het is duidelijk dat er op tal van vlakken heel actief wordt omgegaan met de hybride dreiging waarmee onze samenleving te kampen heeft. Dat is uiteraard alleen maar toe te juichen.
We wachten op dit moment op de concretisering van een aantal plannen die op dat vlak zijn aangekondigd. Het nationaal weerbaarheidsplan en het nationaal enablementplan moeten snel worden voltooid om echt aan de slag te kunnen gaan.
Ik denk ook dat er een taak is weggelegd voor ons allemaal. Ik weet niet of u het weet – ongetwijfeld niet –, maar ik ben samen met collega Verbelen al enige tijd bezig met een roadshow over defensie en over alles wat veiligheid en weerbaarheid aanbelangt in heel Vlaanderen. Ik merk daar toch wel dat er nog nood is aan het creëren van draagvlak bij de bevolking. Er is immers heel weinig bewustzijn van die hybride dreiging. Wat houdt dat concreet in? Waar moeten we als samenleving aandachtig voor zijn? Waar moeten we ons eventueel op voorbereiden?
Een tijd geleden werd er nogal lacherig en meewarig over gedaan als men het had over persoonlijke voorbereiding, het zogenaamde preppen. Dat heeft een negatieve connotatie, daar zijn we ons zeker van bewust. Persoonlijke voorbereiding, voor uzelf maar ook als samenleving, is volgens mij echter iets waar nog heel wat werk aan de winkel is, voor u als beleidsmaker, maar ook voor ons allemaal. Dat hangt hier natuurlijk allemaal mee samen. Dat wil ik toch nog even benadrukken. Dank voor uw uitgebreide antwoord.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
15.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, ik moet zeggen dat ik enthousiast werd toen ik de beelden zag van de jonge rekruten die gestart zijn aan hun eerste week. Er is veel media-aandacht voor geweest, ook op de sociale media. De typische socialemediakanalen voor jongeren van de VRT en dergelijke hebben daar zeer leuke filmpjes over gemaakt. Ik moet zeggen dat ik echt enthousiast werd, omdat ik zoveel jeugdig enthousiasme zag, zoveel gemotiveerde mensen die het zagen zitten om te proeven van een militaire loopbaan. Een week later hebben ze nog wat filmpjes gemaakt over hoe het meeviel en dergelijke.
Ik weet dat het maar momentopnames zijn, maar het is toch mooi om te zien, vind ik. Ik denk dat we mogen stellen dat de eerste versie van het militair dienstjaar tot op vandaag een succes is. Natuurlijk zullen we moeten zien hoe dat evolueert in de tijd. Daarom had ik de vraag hoe we dat zullen evalueren. Hoe zijn we van plan om te kijken of dit verhaal een succes blijft? Ik ben ervan overtuigd dat het zo zal zijn.
Er kan natuurlijk wel wat attritie zijn. Dat is ook logisch. Ik kan me inbeelden dat sommige van die gasten vaststellen dat het niet echt voor hen is. Misschien hadden ze er iets anders van verwacht. Hoe zullen we dat concreet meten? Hoe zullen we dat evalueren? Hoe bent u van plan om dat naar het Parlement te brengen? Het is toch een belangrijk rekruteringsinstrument dat deze regering heeft geïnstalleerd. Is het nog steeds de bedoeling om de 500 die we nu hebben op te schalen naar 1.000, zoals voorzien in de strategische visie of het regeerakkoord? Als ik me niet vergis, zouden we volgend jaar naar 750 en dan naar 1.000 gaan. Is dat nog steeds het plan?
Ik ben alvast enthousiast, mijnheer de voorzitter. Ik denk dat u dat kunt merken aan mijn tussenkomst. Ik ben benieuwd naar de antwoorden van de minister.
15.02 Annick Ponthier (VB): Mijnheer de minister, de eerste lichting van het vrijwillig militair dienstjaar is van start gegaan. De belangstelling was inderdaad zeer groot. Meer dan 3.000 jongeren hebben zich kandidaat gesteld voor de 500 plaatsen die er op dit moment zijn. We verwelkomen natuurlijk elke jongere die zich voor onze krijgsmacht wil inzetten.
U weet dat mijn partij verder zou willen gaan. We hebben dat voorstel hier ook voorgelegd, met een verplichte algemene gemeenschapsdienst. Daarbij is er de keuze tussen een militaire of een andere maatschappelijke dienstverlening. Daarbij promoten we de militaire dienst natuurlijk nadrukkelijk. We weten dat een vrijwillig systeem immers staat of valt, niet alleen met instroom, maar ook met de gewenste retentie.
We zien in de berichten over de Duitse situatie dat daar het risico inderdaad wordt aangetoond dat niet zoveel jongeren blijven hangen als we zouden willen. Daar haakt ongeveer een kwart van de jonge militairen binnen de eerste zes maanden af. Dat zou zich hier ook kunnen voordoen. We hopen natuurlijk allemaal van niet.
Ik zou willen vragen hoe u zo'n scenario wenst te voorkomen. Welke doelstelling hanteert u inzake retentie? Welke maatregelen neemt u om die uitval tijdens dat dienstjaar te beperken? Worden de redenen voor vroegtijdig vertrek systematisch geregistreerd en geëvalueerd?
Is Defensie volledig voorbereid op de instroom van 500 jongeren inzake instructeurs, logement, individuele uitrusting enzovoort? Ligt het volledige opleidingstraject momenteel al vast? Welke basis- en gespecialiseerde opleidingen krijgen die deelnemers? Welke eindcompetenties moeten zij behalen? Welke operationele taken mogen zij nadien uitvoeren?
Wat gebeurt er met de 2.700 en zoveel niet-geselecteerde kandidaten? Hoeveel slaagden er wel voor de selectie, maar vielen dan buiten die 500 plaatsen? Een vraag die we al verschillende malen hebben gesteld: worden zij ook individueel benaderd voor het actieve kader, voor de gewone reserve of eventueel voor andere burgerfuncties? Met andere woorden, hoe voorkomt u dat die toch zeer gemotiveerde jongeren, die groep, verloren gaat?
Welke lessen wilt u ook uit deze eerste lichting trekken voor de geplande opschaling naar die 650 en later 1.000 deelnemers per jaar? Aan welke criteria koppelt u die uitbreiding?
Een laatste vraag wil ik toch nog eens
stellen. Blijft u principieel gekant tegen een verplichte algemene
gemeenschapsdienst met een militaire optie? Ik weet dat u daar in het verleden
in de media andere uitspraken over hebt gedaan in de media. En zo ja, waarom?
15.03 Peter Buysrogge (N-VA): Mijnheer de minister, vorig jaar stond de Wetstraat weer eens in brand, naar aanleiding van de brief die u naar alle 17-jarigen ging sturen. Dat initiatief werd herleid tot een persoonlijke campagne van u, waarbij u ook alle jeugd wilde militariseren. In onze eigen Wetstraatbubbel werd daar schande over gesproken. Na het versturen van die brief merkten we echter op dat daar bij de jeugd bijzonder veel interesse voor is. We merken dat niet alleen bij het dienstjaar, maar ook bij de algemene instroom bij defensie.
Ik denk dat we ook trots mogen zijn op het verloop van de selectieprocedure. Defensie heeft daarvoor nieuwe paden moeten bewandelen, maar ik denk dat ze dat op een uitstekende manier heeft gedaan. Er is bijzonder veel interesse bij jongeren om voor defensie te werken, een bijdrage te leveren en de nationale en internationale veiligheid te kunnen garanderen. Dat enthousiasme is er zeker. Ik denk dat het nu van belang is, want het start nu pas. Het komt erop aan dat het nu een succes wordt. We kijken altijd vooruit. Het is goed om eens achteruit te kijken, maar vooral ook om vooruit te kijken. Het komt erop aan dat de eerste lichting die nu van start gaat een sterk jaar kan hebben, zodat daar ook enthousiasme over kan zijn.
Een belangrijke toetssteen voor mij is in hoeverre deze jongeren na dat jaar doorstromen naar onze eenheden binnen defensie. Ik sluit me aan bij de vragen van de collega’s, behoudens de laatste vraag van mevrouw Ponthier. Welke strategie zullen we gebruiken om ervoor te zorgen dat de doorstroming na dat jaar gegarandeerd kan blijven en hoe zal de volgende lichting georganiseerd worden?
15.04 Minister Theo Francken: Dank u voor de mooie woorden gericht aan mij en aan alle mensen bij DGHR die zich bezighouden met dat dienstjaar. Ik denk ook aan de mensen op het terrein die bezig zijn met de opleiding en de vorming van die mannen en vrouwen. Dat is immers niet evident. Tot nu toe komen de meesten toch weer opdagen, dus we zullen zien hoelang dat blijft duren.
Het vrijwillig militair dienstjaar kende een grote belangstelling. In totaal schreven 3.248 kandidaten zich in, waarvan er 2.826 werden uitgenodigd voor de eerste selectiedag. De overige kandidaturen waren onvolledig en konden daarom niet verder worden behandeld. Uiteindelijk hebben 967 kandidaten het volledige selectieproces met succes doorlopen, werden 500 kandidaten geselecteerd en werden 378 kandidaten op de reservelijst geplaatst.
Meer dan 90 % van de geselecteerden bevestigde zijn deelname. Kandidaten die afzagen van deelname werden vervangen door kandidaten van de reservelijst, zodat het aantal deelnemers op 500 behouden bleef. Defensie heeft de nodige middelen toegewezen om deze eerste lichting te omkaderen, zonder afbreuk te doen aan de opleidingscapaciteiten voor de militairen van het actief kader en de reservisten.
De opleiding bestaat uit een militaire initiatiefase van tien weken, identiek aan die van de militairen van het actief kader, gevolgd door een gespecialiseerde beroepsopleiding van drie weken en één evaluatieweek. De te verwerven competenties zijn fysiek, gedragsmatig en technisch van aard en worden bepaald in functie van de doelstelling van het militair dienstjaar. Nadien worden de deelnemers toegewezen aan functies binnen de eenheden, afhankelijk van hun gekozen macht, opleidingsresultaten en voorkeuren.
Na de basisopleiding zijn de dienstjaren inzetbaar voor operationele taken, onder meer binnen Force Protection. Afhankelijk van de behoeften van defensie kunnen sommigen bijkomende gespecialiseerde opleidingen volgen, bijvoorbeeld voor droneoperaties of opdrachten aan boord van schepen. De intensieve militaire opleiding, training en professionele ervaring binnen de dagelijkse werking van Defensie worden verder aangevuld met infosessies en kennismakingsbezoeken aan andere eenheden, zodat de deelnemers een weloverwogen keuze maken voor hun verdere carrière binnen defensie of eventueel ook buiten defensie, liefst erbinnen natuurlijk. Jongeren die starten met het vrijwillig dienstjaar worden vanaf hun indiensttreding opgenomen als kandidaat-reservist en worden na een succesvolle basisopleiding reservist.
Cette première cohorte fait l'objet d'un suivi étroit. Des enquêtes permettront de mesurer la satisfaction, les attentes et la motivation des participants, tandis qu'une cellule spécifique recueillera les retours des candidats qui quittent prématurément le programme.
Kandidaten die geslaagd zijn maar niet geselecteerd werden voor de huidige lichting, kunnen gecontacteerd worden voor een volgende lichting en worden tevens gewezen op andere mogelijkheden binnen Defensie. Wie na het dienstjaar beroepsmilitair wil worden, moet mogelijk, afhankelijk van de gekozen loopbaan of functie, nog bijkomende selectie- of geschiktheidsproeven afleggen.
Het programma wordt geleidelijk uitgebreid. Lessen uit deze eerste lichting zullen geleidelijk zichtbaar worden naarmate het eerste opleidingsjaar vordert en worden meegenomen bij de verdere ontwikkeling van het programma. Na de eerste lichting van 500 deelnemers zal de capaciteit stapsgewijs verhogen, met als doel vanaf 2028-2029 ongeveer 1.000 vrijwilligers per jaar te laten deelnemen.
15.05 Axel Weydts (Vooruit): Ook van mijn kant niets dan enthousiasme. Opnieuw: job well done, ook voor de mensen van HR die dit hebben georganiseerd en voor de mensen op het terrein die op dit moment die jonge mensen opleiden. Het is mooi om te zien, echt waar, hartverwarmend. Dank u wel.
15.06 Annick Ponthier (VB): We zijn inderdaad allemaal enthousiast, ook ik, dat die plaatsen ingevuld geraakt zijn. Meer dan, zou ik zelfs zeggen. Dat toont dat heel veel jongeren, ondanks alle clichés, verantwoordelijkheid willen nemen in de samenleving.
Tegelijk moeten we realistisch en waakzaam blijven. De volle inschrijvingslijsten betekenen niet dat het daadwerkelijk een succes wordt. Laten we hopen van wel natuurlijk, maar een goede opvolging van het reservoir aan niet-geselecteerde kandidaten voor dit dienstjaar is heel belangrijk en ook nodig voor de toekomst. We kijken immers allemaal, mijnheer de voorzitter, naar de doorstroming. Daar gaat het uiteindelijk hoofdzakelijk om: we kijken er allemaal naar uit dat die trend zich voortzet in een actieve carrière binnen defensie. Op die manier kunnen we de kritieke ondergrens voor de personeelscapaciteit opkrikken die al jaren heerst. We zullen dat uiteraard op korte termijn opnieuw evalueren. Dank u wel.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Ik sluit me aan bij het enthousiasme in het halfrond.
Op vraag en met akkoord van alle hier aanwezige betrokken vraagstellers wordt vraag 24 nu behandeld. Ik vraag dan ook de aandacht van de minister en zijn ondersteuning om nu de antwoorden te nemen op vraag 24 van de collega’s Weydts en Ponthier.
16.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, ik stel deze mondelinge vraag in opvolging van een schriftelijke vraag van mezelf. Uit die schriftelijke vraag bleek dat de DS9-wagens, waarmee een aanzienlijk deel van onze defensietop vandaag rondrijdt, gebouwd zijn in China. Toen ik het antwoord kreeg op mijn schriftelijke vraag, moest ik toch even bekomen. Dat is een beetje overdreven, maar goed, men acht het in deze tijden bijna niet meer mogelijk dat zoiets kan.
Ik weet ook wel dat een volledige keten zonder één enkel onderdeel uit China bijna onmogelijk is geworden. Er zijn echter voorbeelden dat het wel kan. In Oekraïne heb ik het bedrijf General Cherry bezocht en daar gaat men er prat op dat de drones die ze daar produceren nul procent Chinese onderdelen bevatten. Voor een wagen is dat natuurlijk iets moeilijker.
Een wagen die volledig gebouwd en geassembleerd is in China, dat is echter toch nog andere koek. Laten we eerlijk zijn, beste collega's, we moeten zo snel mogelijk van die wagens af. Wagens zijn vandaag meer dan vervoersmiddelen. Ze hebben sensoren met allerlei elektronica in.
Mijn vraag is dus heel eenvoudig. Hoe lang hangen we nog vast aan die DS9's? Kunnen we er eventueel zelfs vroeger van af? Is het de bedoeling om onze generaals zo snel mogelijk te laten rondrijden in wagens die niet van Chinese makelij zijn?
16.02 Annick Ponthier (VB): Mijnheer de minister, uit recente berichtgeving blijkt dat verschillende leden van onze legertop, onder wie CHOD Vansina en andere hoge functionarissen van de ADIV en het Cyber Command – men kan het niet bedenken, maar het is zo – al jaren worden rondgereden in DS9-dienstwagens die volledig in China worden geproduceerd.
Er loopt een ADIV-onderzoek en er wordt een veiligheidsgids verspreid door Defensie inzake de gekende risico's van geconnecteerde voertuigen. Via gps, via bluetooth, via microfoons, camera's en andere apparaten kunnen gevoelige gegevens over verplaatsingen, contacten en gesprekken die in de wagens plaatsvinden natuurlijk allemaal verzameld worden en aan niet zo vriendelijke partners meegedeeld worden, wie weet.
Defensie heeft beslist vanaf september geen Chinese voertuigen meer in te zetten voor gevoelige functies. Dat is natuurlijk allemaal een beetje laat. In Polen worden Chinese voertuigen al verboden op militaire sites. Bij defensie moet veiligheid natuurlijk boven alles komen. We moeten ook onze technologische afhankelijkheid van China op alle vlakken afbouwen, maar zeker binnen onze krijgsmacht.
Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen voor u, onder meer met betrekking tot het ADIV-onderzoek.
Waarom heeft Defensie beslist om deze voertuigen jarenlang in te zetten, ondanks de gekende risico's?
Sinds wanneer zijn die bekend en wie besliste er dan om die voertuigen toch te blijven inzetten?
Wanneer verdwijnen alle in China geproduceerde voertuigen uit de gevoelige functies? Geldt dat verbod ook voor toegang tot militaire kwartieren of andere gevoelige sites?
Zult u de aanbesteding aanpassen, zodat de productie, de software, de dataverwerking en de updateketens van gevoelige voertuigen voortaan onder Europese controle staan?
Brengt Defensie al die Chinese of van China afhankelijke technologie binnen de krijgsmacht systematisch in kaart?
Deelt u onze visie, en ongetwijfeld ook die van anderen, dat defensie voor kritieke technologie maximaal Europees moet aankopen en de afhankelijkheid van China versneld moet afbouwen?
16.03 Minister Theo Francken: In de eerste plaats dient te worden gesteld dat alle moderne voertuigen en systemen, ongeacht het land van productie, a priori moeten worden beschouwd als niet-beveiligde omgevingen en bijgevolg niet volledig vrij zijn van eventuele spionagerisico's. De commerciële voertuigen die Defensie gebruikt en die destijds werden aangekocht of geleased volgens de geldende regels inzake overheidsopdrachten, vormen hierop geen uitzondering. Deze voertuigen worden evenmin als uitzonderlijk risicovol beschouwd.
Het onderzoek dat de ADIV uitvoerde, heeft tot heden geen daadwerkelijke compromittering van deze voertuigen vastgesteld. Desalniettemin werd het risico wel degelijk door defensie in kaart gebracht en werden vervolgens ook passende mitigerende maatregelen genomen.
Het huidige contract voor deze voertuigen loopt eind 2027 af. Bij de voorziene vernieuwing zullen de noodzakelijke veiligheidsvereisten worden opgenomen in het bestek. Een vroegtijdige beëindiging van het huidige contract is momenteel niet aan de orde. Defensie heeft zich intussen al aangesloten bij de toekomstige gemeenschappelijke opdracht die de FOD BOSA zal afsluiten in 2027.
Defensie beschikt zelf niet over een actieve contractuele vector om een tussentijdse vervanging te kunnen realiseren. Er bestaat geen openbaar alomvattend register of overzicht waarin exact per wapensysteem staat opgesomd welke Chinese componenten of technologieën de Belgische of westerse krijgsmachten gebruiken. Dit heeft vooral te maken met het feit dat veel afhankelijkheden diep verscholen zitten in complexe wereldwijde toeleveringsketens. Dat is dus absoluut niet zo evident.
Desalniettemin wordt rekening gehouden met de publicaties en analyses van inlichtingendiensten over de strategische kwetsbaarheden van westerse krijgsmachten. Hierbij dienen wij wettelijke middelen te benutten om onze veiligheidsbelangen te beschermen.
16.04 Axel Weydts (Vooruit): Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Dan zullen we moeten afwachten tot er nieuwe wagens worden geleverd. Het is correct wat mevrouw Ponthier stelt. Bij de Poolse defensie gaat het zelfs over privévoertuigen. Militairen die in het bezit zijn van een privévoertuig van Chinese makelij, komen de kazerne niet meer in.
We mogen niet naïef zijn. Ik zeg niet dat u dat bent, mijnheer de minister. Naar aanleiding van het krantenartikel dat daarover is verschenen en de media-aandacht die errond is ontstaan, hebt u ook heel duidelijk gezegd dat het wat u betreft in de toekomst niet meer met Chinese wagens zal zijn. Ik verwijt u dus zeker geen naïviteit. We mogen absoluut niet naïef zijn, collega's. Ik weet dat u OPSEC ook zeer belangrijk vindt. We moeten op dat vlak zeer waakzaam zijn.
16.05 Annick Ponthier (VB): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het is inderdaad zo dat wij als Kamerleden en als functionarissen in ons mandaat alle voorzichtigheid aan de dag leggen. We hebben dat vanmorgen nog ervaren in de commissie voor Opvolging van de Militaire Missies. We houden alle digitale apparatuur buiten de commissiezaal om te vermijden dat er ook maar iets zou kunnen lekken. Als we dat dan vernemen, denk ik dat er op het vlak van bewustwording nog heel wat werk is, zelfs bij defensie. Ik vind het echt absurd dat dat net daar ook nog op die manier kan gebeuren. Ik denk dus dat we echt zo snel mogelijk werk moeten maken van die onafhankelijkheid van Chinese of andere buitenlandse actoren die ons niet zo goed gezind zijn en die echt actief inzetten op spionagepraktijken. Dat weten we allemaal.
Het is natuurlijk positief dat u zegt dat het ADIV-onderzoek op dit moment geen kwetsbaarheden heeft vastgelegd of datastromen heeft kunnen vaststellen. Niets kan dat natuurlijk voorkomen. We weten ook niet alles wat er gebeurt of wat er wordt gelekt. Ik zou dus echt willen pleiten voor zeer, zeer strenge waakzaamheid. We moeten inderdaad ook op dat vlak een voorbeeld nemen aan Polen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Het antwoord op vraag nr. 56018197C van de heer Weydts werd hem zonet op papier bezorgd. Vraag nr. 56018200C van de heer Weydts werd deze ochtend achter gesloten deuren behandeld. Vraag nr. 56018201C van de heer Vander Elst wordt uitgesteld.
17.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.
Begin augustus 2026 raakte bekend
dat bij een cyberveiligheidscontrole van de Britse Royal Navy werd vastgesteld
dat een onderdeel van de camera’s aan boord van K3 Scout-onbemande
oppervlaktevaartuigen automatisch zogenaamde heartbeat-berichten verstuurde
naar een IP-adres in China. Volgens het Britse ministerie van Defensie bestaat
er geen bewijs dat operationele of gevoelige informatie werd doorgestuurd of
dat militaire systemen werden gecompromitteerd.
De camera’s waren via een derde
leverancier aangekocht, die vooraf veiligheidswaarborgen had gegeven. Het
incident toont aan dat ook een in Europa ontworpen en gebouwd militair systeem
kwetsbaar kan zijn door de herkomst, firmware of het netwerkgedrag van
subcomponenten. Dat is bijzonder relevant nu ook onze Defensie versneld
investeert in drones en andere autonome systemen.
1.
Heeft Defensie
volledig zicht op de herkomst, software, firmware en het uitgaande dataverkeer
van kritieke of verbonden componenten in haar huidige en geplande onbemande
systemen? Bevatten deze systemen componenten van Chinese oorsprong en werden daarbij
ooit onverklaarde externe verbindingen vastgesteld?
2.
Welke technische en
contractuele controles gelden voor leveranciers én onderaannemers? Wordt bij
aankopen een volledige lijst van hardware-, software- en firmwarecomponenten en
hun herkomst geëist en onafhankelijk gecontroleerd?
3.
Zal de minister naar
aanleiding van het Britse incident een gerichte cyberveiligheidsaudit van de
Belgische onbemande systemen laten uitvoeren? Overweegt hij bijkomende
beperkingen voor verbonden of programmeerbare componenten afkomstig uit
risicolanden?
17.02 Minister Theo Francken: Defensie volgt incidenten zoals het recente voorval bij de Britse Royal Navy nauwgezet op. Technische, contractuele en organisatorische veiligheidsmaatregelen worden toegepast gedurende de volledige levenscyclus van het materieel. Afhankelijk van de aard en gevoeligheid van de aankoop kunnen desgevallend nog bijkomende voorwaarden worden opgelegd met betrekking tot bijvoorbeeld gegevensbeveiliging en bevoorradingszekerheid.
De wetgeving inzake overheidsopdrachten in het domein defensie en veiligheid laat daarnaast toe om desgevallend bijkomende voorwaarden op te leggen en leveranciers uit te sluiten wanneer zij onvoldoende garanties bieden inzake de bescherming van essentiële veiligheidsbelangen of wanneer zij ernstige beroepsfouten hebben begaan, zoals het niet-nakomen van verplichtingen inzake gegevensbeveiliging of bevoorradingszekerheid.
Om veiligheidsredenen kan niet worden ingegaan op de configuratie van specifieke Belgische systemen.
Daarnaast beschikt onze cybercapaciteit over de mogelijkheid om op basis van risicoanalyses of concrete aanwijzingen meer gerichte technische analyses uit te voeren. Daarbij kan worden onderzocht of er sprake is van ongewenste externe communicatie, afwijkend netwerkgedrag of andere potentiële veiligheidsrisico's. Defensie en onze cybercapaciteit nemen bovendien deel aan nationale en internationale samenwerkingsmechanismen inzake cyberveiligheid. Relevante informatie kan natuurlijk via die kanalen worden uitgewisseld.
17.03 Axel Weydts (Vooruit): Ook dit gaat over awareness. We hadden het er daarnet al over naar aanleiding van de dienstwagens van de Defensietop. Het is een soortgelijk dossier en die awareness is er wel degelijk bij de minister en, in toenemende mate, ook bij Defensie. Daar ben ik van overtuigd.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
18.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, hoe schakelen we drones uit? Dat is een van de moeilijkheden bij de nieuwe manier van oorlogsvoering. Goedkope drones worden uitgeschakeld met heel dure missiles. Dat is niet zo kostenefficiënt. De drones die deze week in Litouwen zijn neergehaald, zijn door Italiaanse gevechtsvliegtuigen uitgeschakeld. Ik ken de details niet, maar wellicht is daarbij opnieuw een dure missile gebruikt.
Dat is natuurlijk niet houdbaar. In die zin is het logisch dat de NAVO onderzoekt hoe we proportionele en kostenefficiënte middelen kunnen inzetten tegen die verschillende drones.
Mijnheer de minister, kunt u ons wat meer informatie geven over dat NAVO-programma? Waarvoor wordt de Belgische bijdrage van 160.000 euro precies gebruikt? Tot welke onderzoeksresultaten en testgegevens zal Defensie toegang krijgen? Welke technologieën acht Defensie vandaag het meest kansrijk? Blijft de Belgische deelname beperkt tot onderzoek of zijn er ook testdemonstraties of aankopen gepland? Hoe sluit dat aan bij het bestaande dronepakket en de verdere uitbouw van onze gelaagde luchtverdediging?
18.02 Minister Theo Francken: Het NAVO-programma betreft het High Visibility Project Air Defence Capabilities Against Lower-Level Air Threats. Het project is gericht op het zoeken naar efficiënte oplossingen voor de bestrijding van luchtdreigingen op lage hoogte, tot maximaal 150 meter.
In totaal hebben twaalf landen een memorandum of understanding ondertekend. Het ondertekende MoU is opgebouwd rond twee complementaire pijlers. Ten eerste, er wordt een marktverkenning uitgevoerd om bestaande oplossingen te identificeren, die later eventueel via een commercial off-the-shelf-verwerving kunnen worden aangekocht. Ten tweede, er wordt een ontwikkelingsluik opgezet voor het uitwerken van Statements of Requirements, met het oog op toekomstige capaciteitsontwikkelingen.
Het ondertekende memorandum of understanding houdt op zich geen enkele verwervingsverbintenis in. De jaarlijkse bijdrage bedraagt 160.000 euro en dient om het Program Office, dat belast is met de uitvoering van het MoU, te financieren. Eventuele daaruit voortvloeiende verwervingen zullen dus deel uitmaken van aparte implementing arrangements onder dat MoU; dat gaat vaak zo.
Concreet kan de neutralisatie van drones op twee manieren gebeuren: kinetisch of niet-kinetisch. Bij kinetisch gaat het onder meer om vuurwapens, lasers, microgolven, netsystemen en raketten.
De Belgische deelname aan het project dient voornamelijk om de vinger aan de pols te houden in een materie die in volle evolutie is. Het gaat dus om zowel een verbreding als een verdieping of verbetering van de actuele counter-UAS-middelen die reeds door Defensie verworven zijn of op de planning staan.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
19.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, u weet dat militaire mobiliteit een thema is dat mij persoonlijk zeer triggert. Europa is daar volop mee bezig en dat is terecht. Dit is voor ons land bijzonder relevant, gelet op de uitstekende ligging van België op de kaart van Europa, waardoor ons land heel belangrijk is voor het hele verhaal van enablement en militaire mobiliteit. Vandaar dat het goed is dat België binnen de NAVO op dat vlak de lead neemt. Ik heb dat ook van bij het begin ondersteund.
Er zijn een aantal infrastructuurknelpunten in kaart gebracht. Over welke knelpunten gaat het in België? Heeft de regering al een raming gemaakt van de Belgische investeringsnoden? Welke projecten zijn voldoende matuur om in aanmerking te komen voor eventuele toekomstige Europese financiering om die knelpunten aan te pakken? Ik besef heel goed dat er ook een gewestelijke bevoegdheid is. Wie neemt voor ons land de rol van nationale coördinator inzake militair transport op zich? Hoe wordt de samenwerking georganiseerd tussen de verschillende departementen op federaal en deelstatelijk niveau?
19.02 Minister Theo Francken: Momenteel wordt sterk ingezet op noodzakelijke verbeteringen in het kader van de militaire mobiliteit, gezien het belang daarvan voor de collectieve verdediging van ons continent en onze cruciale rol als ontvangst- en doorvoerland.
Op het vlak van infrastructuur is Defensie momenteel bezig om samen met de betrokken infrastructuurbeheerders de analyse van de knelpunten op de prioritaire militaire mobiliteitscorridors te verfijnen in overeenstemming met de militaire vereisten en prioriteiten van de EU en de NAVO. Het betreft voornamelijk noodzakelijke investeringen om de draagkracht te verhogen van bruggen op de geïdentificeerde snelwegen en spoorwegen en om de capaciteit te verhogen waar nodig. Dergelijke investeringen maken deel uit van de defensiegerelateerde investeringen uit de korf van 1,5 %. Op basis van die analyse zullen begin 2027 een kostenraming en een prioriteitenlijst worden opgesteld ter voorbereiding van toekomstige EU-cofinancieringsdossiers tijdens het volgende meerjarig financieel kader.
In het kader van het voorstel van een nieuwe verordening voor militaire mobiliteit van de Europese Commissie had Defensie de leiding van de Belgische delegatie voor de onderhandelingen binnen de Raad. Daarbij werd het Belgische standpunt met alle betrokken federale en gefedereerde departementen intensief gecoördineerd. Die inspanningen zullen de komende maanden worden voortgezet tijdens besprekingen tussen de Commissie, het Parlement en de Raad.
Ondertussen zullen de impact en de toekomstige implementatie van deze verordening verder worden bestudeerd en besproken in het kader van de ontwikkeling van het nationaal enablement-plan met inbegrip van de identificatie en de aanduiding van een nationale coördinator voor militaire mobiliteit.
19.03 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Er zal nog veel gebeuren op dat vlak en ik zal daar zeker nog op terugkomen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56018254C van mevrouw Ponthier wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56018343C van de heer Vander Elst wordt op zijn verzoek uitgesteld.
20.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, mijn twee vragen zijn ingegeven door mijn recente parlementaire missie naar Kiev in Oekraïne.
Een van de contacten die wij daar hebben gehad, was met de viceminister van Defensie. Wij hebben daarover opnieuw een heel openhartig gesprek gehad in Kiev. Ik heb er deze morgen al allusie op gemaakt in de commissie voor de Opvolging van de Militaire Missies.
Een heel concrete vraag van de viceminister van Defensie was het volgende. Hij gaf aan dat Oekraïne dringend nood had aan AIM-9-raketten of missiles.
Ik moet bekennen dat ik toen zelf meende dat het om de AIM-9X ging, die kan worden gebruikt in de NASAMS-systemen van de Oekraïners om grondgebonden luchtverdediging van munitie te voorzien. De AIM-9X is echter moeilijker leverbaar. Die raketten zijn schaars op de markt.
Toen ik doorvroeg, antwoordde hij dat de AIM-9, de gewone Sidewinders, voor hem heel interessant zouden kunnen zijn om onder hun F-16's te hangen. Hij wist dat daar stocks van zijn in Europa en zou heel graag willen dat die stocks in Europa worden aangesproken.
Mijnheer de minister, daarom neem ik de taak op mij om de boodschap die ik in Kiev van de viceminister van Defensie heb gekregen, aan u te bezorgen via een heel concrete vraag.
Hebben wij inderdaad stocks van die AIM-9's?
Ik weet dat wij ze gebruiken aan onze F-16's en F-35's.
Kunnen wij eventueel die stocks aanspreken?
Het betreft een heel concrete vraag van Oekraïne, dat heel tevreden zou zijn met een positief antwoord. Ik ben er echt van overtuigd dat wij moeten proberen Oekraïne zoveel mogelijk verder te helpen. Het wordt een erg moeilijke winter voor onze Oekraïense partners. Mocht daar ruimte voor zijn, ook out of the box, please help them.
20.02 Minister Theo Francken: De Belgische steun aan Oekraïne wordt uitgevoerd binnen het kader van het bilateraal veiligheidsverbintenissenakkoord van 2024 en is gericht op duurzame, voorspelbare en doeltreffende ondersteuning.
Defensie stemt die steun voortdurend af op de door Oekraïne geformuleerde prioritaire behoeften, zoals opgenomen in de Comprehensive Ukraine Requirement List, rekening houdende met de vastgestelde noden binnen de NAVO en met de noodzaak om de operationele inzetbaarheid van de Belgische krijgsmacht te vrijwaren.
België levert momenteel een gerichte personele en financiële bijdrage aan NSATU. België volgt de verdere ontwikkeling van NSATU en de overdracht van bijkomende taken vanuit de voormalige Security Assistance Group Ukraine, SAG-U, nauwgezet op.
Defensie maakt actief gebruik van de inzichten en lessen die voortvloeien uit de oorlog in Oekraïne en uit de werkzaamheden binnen NSATU en de NAVO. Ze worden verwerkt binnen een defensie-eigen lessons learned process. Relevante lessen worden vervolgens geïntegreerd in doctrine, procedures, opleidingen en trainingen, logistieke processen, competentiteitsontwikkeling en de operationele werking.
Wat de AIM-9 betreft, dit zou ik liever niet in een publieke commissie willen behandelen. Ik kan u wel zeggen dat we zeker doen wat we kunnen.
20.03 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, voor mij is dat geen probleem, maar ik had het vanmorgen gevraagd en toen werd er gezegd dat dit vanmiddag aan bod zou komen. Misschien kunt u beter antwoorden tijdens de volgende commissie voor de Opvolging van Militaire Missies. Ik weet dat we doen wat we kunnen. Ik heb er ook alle vertrouwen in. Als er mogelijkheden zijn, doe dan wat er moet gebeuren. Als u daarover verslag kunt uitbrengen in onze volgende sessie, dan is dat voor mij oké.
20.04 Minister Theo Francken: Ik zal er straks verslag over uitbrengen in de wandelgangen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56018461C van de heer Metsu wordt op zijn verzoek uitgesteld.
21.01 Luc Frank (Les Engagés): Monsieur le ministre, en juin dernier, le secrétaire à la Guerre Pete Hegseth a annoncé que les États-Unis lançaient un examen d’une durée de six mois visant notamment à déterminer les capacités que les États-Unis mettraient à la disposition de l’OTAN, celles qui seraient déployées de manière permanente sur le continent européen et dans quelles bases. Les résultats de cet examen pourraient conduire à des modifications de grande envergure sur ces trois points. Cela aura également une incidence sur les capacités que les Européens devront déployer, et donc sur les investissements à réaliser tant individuellement que collectivement. Dans ce cadre, les autorités américaines ont envoyé un courrier à leurs alliés contenant un certain nombre de questions dont les réponses leur permettront d’évaluer la réalité des engagements de chacun au sein de l’OTAN.
Comment la Belgique compte-t-elle répondre ou a-t-elle déjà répondu au questionnaire américain? Existe-t-il une coordination de la réponse entre les États européens en vue de marquer la mise en place d’un pilier européen au sein de l’Alliance ou bien cette coordination se limite-t-elle à certains alliés seulement?
Dans vos nombreux contacts, y compris avec le sous-secrétaire Colby, faites-vous comprendre que la Belgique a une politique étrangère indépendante et qu’elle ne s’aligne automatiquement sur aucune puissance, mais qu’au contraire elle considère que des positions coordonnées après de nombreuses consultations, comme au sein de l’Union européenne, sont bien plus efficaces?
Enfin, plus généralement, les alliés européens
et le Canada ont-ils déjà commencé à préparer des mesures pour faire face au
retrait prévisible des moyens américains? Merci beaucoup.
21.02 Minister Theo Francken: Tijdens de vergadering van de NAVO-defensieministers in juni kondigde de secretary of War Pete Hegseth een evaluatie aan van de posture en de aanwezigheid van Amerikaanse strijdkrachten in Europa.
In augustus heeft België, net als andere landen, een gedetailleerde vragenlijst ontvangen, teneinde toekomstige aanpassingen in de Amerikaanse houding vorm te geven. Binnen een breder consultatieproces onder bondgenoten hebben mijn diensten, in samenwerking met die van de minister van Buitenlandse Zaken, de nodige antwoorden voorbereid, elk binnen hun bevoegdheidsdomein. Die werden via het gebruikelijke Pol/Mil-coördinatieproces geconsolideerd en vervolgens op 28 augustus overgemaakt aan de Belgische ambassade in Washington en aan de Amerikaanse ambassade hier in Brussel.
Aangezien zowel deze vragenlijst als het antwoord daarop gecontroleerde informatie betreft die onder bondgenoten wordt uitgewisseld binnen het kader van een beleidsproces dat vandaag nog loopt, kan ik deze documenten alleen achter gesloten deuren laten inkijken. Intussen kan ik de Kamer wel de nodige duiding verschaffen bij de algemene krachtlijnen van onze antwoorden. Gedetailleerdere toelichting kan volgen in een latere fase. Met de commissie moet worden afgesproken hoe die documenten kunnen worden ingekeken, maar ik kan die brief niet publiek maken.
Il convient de garder à l'esprit que cette Force Posture Review a un processus interne aux États-Unis qui découle de la tension croissante entre les besoins liés à la défense du territoire américain et ceux liés à la défense des alliés sur différents continents, en particulier en cas de conflit potentiel simultané en Europe et dans la région Indo-Pacifique.
La réaction belge à cet égard a donc consisté, dans un premier temps, à participer aux consultations menées avec les alliés et à leur réaffirmer les engagements pris par le gouvernement au sein de l'OTAN.
Concernant plus particulièrement les investissements dans la Défense, le gouvernement a pour l'instant décidé de maintenir, au cours de cette législature, une trajectoire budgétaire de 2 % du PIB et de la faire progresser davantage au cours de la prochaine législature.
Een groot deel van de vragen heeft betrekking op materie die raakt aan het NAVO-defensieplanningsproces, waarbij de militaire autoriteiten van de NAVO op basis van politieke sturing de militaire behoeften voor de toekomst bepalen. Die kunnen dan onder de bondgenoten worden verdeeld. In dit kader onderschrijft België het idee dat de Europese bondgenoten grotere verantwoordelijkheid en leiding dienen te nemen in het domein van de gemeenschappelijke conventionele verdediging.
21.03 Luc Frank (Les Engagés): Monsieur le ministre, merci pour les réponses et les précisions. Lorsque l'on voit ce qui se passe maintenant, je crois qu'il devient de plus en plus important de mettre l'accent sur la nécessité d'investir dans des capacités collectives déficientes de command and control, mais aussi dans le renseignement.
À titre personnel, quand je vois les choix d'investissements que les Allemands ont faits, je ne sais pas s'ils suivent la bonne direction, car il faut défendre nos intérêts européens et nos propres choix politiques. Il faut aussi mettre l'accent sur le fait que nous avons notre propre politique étrangère et que nous ne sommes pas nécessairement toujours d'accord avec ce que d'autres alliés de l'OTAN font.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
22.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, u bent onlangs naar de andere kant van de wereld gevlogen voor werkbezoeken aan Japan en India. Ik heb de gewoonte om na dergelijke reizen te vragen of u het Parlement kunt inlichten over de resultaten daarvan.
22.02 Minister Theo Francken: Tijdens het bezoek aan India werd een letter of intent inzake defensiesamenwerking ondertekend tussen de Belgische en de Indiase ministeries van Defensie. Die vormt een kader voor regelmatige bilaterale uitwisselingen, staff talks, opleiding en training, onderzoekssamenwerking en defensie-industriële partnerschappen. De letter of intent creëert op zichzelf geen automatische financiële, aankoop- of operationele verplichtingen.
Daarnaast werden tijdens de India-Belgium Defence CEO's Roundtable acht MoU's uitgewisseld: een overeenkomst tussen de sectorfederaties en zeven overeenkomsten tussen Belgische en Indiase bedrijven. Dit was het resultaat van een proces dat de grote Indiase markt voor ons moet ontsluiten en tijdens de economische missie in 2025 op gang werd getrokken.
Het betreft veelbelovende industriële overeenkomsten tussen Belgische en Indiase defensiebedrijven die profiteren van de toenadering tussen onze twee landen. Ze vormen geen intergouvernementele verbintenissen. De verdere opvolging gebeurt enerzijds via de bilaterale contacten tussen beide ministeries en anderzijds door de betrokken bedrijven.
Tijdens het bezoek aan Japan werden afspraken gemaakt om de bilaterale defensierelaties verder aan te sterken, de samenwerking tussen beide landen concreter en structureler te maken en verdere mogelijkheden te verkennen op het gebied van opleiding, expertise-uitwisseling en maritieme veiligheid.
Ook hier werd de mogelijkheid besproken om de toegang van België en zijn industrie tot de zeer gegeerde Japanse technologie te faciliteren. Beide partijen zullen bekijken of ons land kan toetreden tot de club van 17 landen die momenteel een overeenkomst met Japan hebben.
De afspraken daaromtrent hebben het karakter van politieke engagementen en intenties tot samenwerking. Ze creëren geen juridisch bindende verplichtingen. De opvolging verloopt via de reguliere bilaterale contacten tussen beide ministeries van Defensie en via de Belgische defensieattaché in Tokio.
De samenwerking met India biedt Defensie een structureel kanaal voor informatie- en expertise-uitwisseling, onder meer inzake opleiding, onderzoek, maritieme veiligheid, opkomende technologieën en militaire uitwisselingen.
Concrete vervolgstappen zijn het studiebezoek van het Indiase College of Defence Management aan België in oktober, het bezoek van de Leopold I aan India begin november en de geplande World Study Trip 2027 van het Belgische Defence College naar India.
De residentiële Belgische defensieattaché in New Delhi ondersteunt die samenwerking. Naar aanleiding van het bezoek werden geen specifieke bijkomende middelen voor die post beslist. Evenmin werden nieuwe structurele Belgische ontplooiingen of bijkomende oefeningen vastgelegd.
De industriële overeenkomsten tussen België en India creëren perspectieven voor onze Belgische ondernemingen in domeinen zoals munitieproductie, mijnenbestrijding, elektro-optica, raketsystemen en onbemande systemen.
Dat is het allerbelangrijkste. Dat was dus heel positief. Natuurlijk werd ook een attachépost in Tokio geopend. Er was ook een mooie receptie, met heel veel aanwezigheid. Dat was echt een groot succes. Dat was dus zeer goed.
We hebben ook gezien dat de eerste minister daar met open armen is ontvangen, met overal van die pancarten en dergelijke. We kunnen er nog iets van leren, moet ik zeggen. Op het vlak van hospitality was het indrukwekkend.
22.03 Axel Weydts (Vooruit): Dank u, mijnheer de minister. Ik ben ervan overtuigd dat die missies succesvol zijn geweest. Ik vind het ook verstandig om dergelijke banden aan te knopen met middle powers. Dat is echt iets wat we met België en met Europa meer moeten doen.
Eén bedenking heb ik daarbij: ik vind het altijd vreemd om Modi van India op de foto te zien met Poetin. Dat wringt toch af en toe ook, maar ik denk dat we daar een pragmatische houding in moeten aannemen. Het zijn echter niet zomaar bondgenoten zoals onze NAVO-bondgenoten. Dat is een bedenking die ik nog even kwijt wilde.
22.04 Minister Theo Francken: Dat is zeker waar. Als men praat over energie bijvoorbeeld, wordt erop gewezen – ik mag niet uit de discretie van het gesprek spreken – dat als men 1,4 miljard mensen in de winter moet verwarmen – want het kan bijzonder koud zijn in bepaalde delen van India – men wat minder kieskeurig is inzake energiebevoorrading. Elf miljoen of misschien binnenkort twaalf miljoen mensen versus 1,4 miljard mensen, dat is nog niet helemaal hetzelfde. Het was alleszins heel interessant.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56018558C van de heer Metsu wordt uitgesteld.
23.01 Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Monsieur le ministre, je reviens à nouveau vers vous concernant le dossier de l'aérodrome de Cerfontaine et l'intérêt que la Défense y porterait dans le cadre du plan "Quartier de la Défense".
Lors d'un récent échange au Parlement de Wallonie, la ministre wallonne des Aéroports a indiqué n'avoir aucune certitude quant à vos intentions sur le site. Plus préoccupant encore, elle a confirmé vous avoir interpellé par courrier afin d'obtenir des détails sur ce projet. Ce courrier serait resté, à ce jour, sans la moindre réponse de votre part. Face à cette incertitude, les instances régionales ont dû avancer: le conseil d'administration de la SOWAER a désigné la société EBCF Airfield comme lauréate pour l'exploitation du site. Une convention de concession a pris effet le 1er juillet dernier afin de relancer l'exploitation civile de l'aérodrome.
Pour pallier l'incertitude que vous laissez planer, cette convention a dû intégrer des clauses d'indemnisation spécifiques bénéficiant aux concessionnaires en cas de transfert des terrains à la Défense. En commission de la Défense le 10 juin dernier, vous avez précisé que l'acquisition de moyens de franchissement lourd n'était planifiée qu'en 2034 et que l'unité ne serait constituée qu'après 2035. Vous avez également mentionné que l'analyse pour une implémentation à Cerfontaine devait se faire en concertation avec les parties prenantes, ce qui n'a manifestement pas encore commencé. Enfin, comme l'a très justement souligné un député wallon, la base de Florennes se trouve à proximité immédiate de ce site.
Monsieur le ministre, pour quelles raisons n'avez-vous pas répondu aux sollicitations officielles de la ministre wallonne, et quand comptez-vous entamer la concertation promise avec la Région et les autorités locales? Quelle est la pertinence d'envisager l'implantation d'une nouvelle unité aux abords des lacs de l'Eau d'Heure et de Cerfontaine alors qu'une infrastructure militaire majeure existe déjà à quelques kilomètres, à Florennes? Avez-vous conscience que vos déclarations non suivies d'échanges formels obligent la Wallonie à prendre des risques financiers, notamment via des clauses d'indemnisation pour les investisseurs privés fraîchement concessionnaires? Enfin, allez-vous rapidement clarifier vos intentions sous cette législature afin de ne pas bloquer le redéploiement économique et touristique de cette région pendant une longue période?
23.02 Theo Francken, ministre: Monsieur Lasseaux, le courrier adressé par Mme la ministre Cécile Neven a fait l'objet d'une réponse de la Défense. Je ne suis pas du tout d'accord avec l'affirmation selon laquelle cela aurait pris plus de six mois.
Vous avez raison de m'interroger sur ce sujet. J'ai signé la réponse voici une dizaine de jours. Malgré les aléas de la poste, elle devrait déjà avoir reçu cette réponse ou, à défaut, la recevoir dans les prochains jours. J'ai déjà vérifié et, normalement, la réponse devrait être arrivée.
Cette dernière précise notamment que l'aérodrome de Cerfontaine constitue, à ce stade, une localisation potentielle étudiée dans le cadre du plan Quartiers pour l'implantation future d'une capacité de franchissement lourd. La création de cette unité n'est, en tout état de cause, pas envisagée avant 2035. Il s'agit donc d'une planification à long terme.
La base aérienne de Florennes n'est pas idéale pour accueillir une unité de pontage, dont le matériel volumineux nécessite une très grande superficie. Par ailleurs, comme je l'ai précisé dans ma réponse du 10 juin dernier, une telle capacité de franchissement nécessite également la présence de cours d'eau ou de plans d'eau de taille moyenne à proximité du quartier militaire.
Quoi qu'il en soit, l'étude relative à l'implantation de cette nouvelle unité est toujours en cours. La Défense entend poursuivre ce dossier en toute transparence et prévoit une concertation avec les autorités compétentes, tant régionales que locales, afin d'examiner les possibilités offertes par le site ainsi que leurs implications respectives. La Défense est consciente de la nécessité d'apporter de la visibilité à l'ensemble des acteurs concernés.
Enfin, si le site figure désormais dans le plan Quartiers, c'est parce que nous avons consulté tous les vice-premiers ministres, tous les cabinets et l'ensemble de mes collègues. Afin de respecter les différents équilibres, il a finalement été estimé qu'il était opportun d'y ajouter ce site. J'ai toutefois bien compris que cette option ne faisait pas l'unanimité. Nous pouvons toujours réévaluer la situation. Une étude est en cours, et rien n'est encore arrêté.
Personnellement, je ne connaissais même pas l'existence de ce site. Comme vous pouvez le comprendre, ce n'est donc pas moi qui ai proposé son inscription dans la liste du plan Quartiers.
23.03 Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Merci pour ces précisions, monsieur le ministre. Je suis avant tout très heureux que ce courrier ait pu être adressé. Je pense que nous devons en effet procéder à une évaluation, tant avec les autorités locales qu'avec la région. Je suis heureux que les choses avancent. Je sais que vous avez toujours la volonté de consulter, c'est pourquoi je me permets de réinsister sur ce fait-là.
Si le site convient, serait-il possible de prévoir une cohabitation entre la partie publique et la partie aérodrome? C'est là une réflexion qui doit être menée car, si cette cohabitation est possible, pourquoi ne la mettrions-nous pas en place? J'entends bien que les opérations militaires seraient importantes et qu'il y aurait un besoin d'eau juste à côté. Elles ne seraient néanmoins pas aussi confidentielles que d'autres. C'est pourquoi je propose qu'une cohabitation soit envisagée, si du moins l'analyse conclut que le site convient.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
24.01 Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Monsieur le ministre, le récent rapport, notamment issu de la Cour des comptes américaine, met en lumière des chiffres extrêmement préoccupants concernant la gestion et le maintien en condition opérationnelle du programme F-35. Il apparaît que le taux d'avions jugés aptes à accomplir une seule mission a chuté de 67 % en 2021 à seulement 44 % en 2025. Plus inquiétant encore, la proportion d'appareils capables d'assumer la totalité des missions attendues s'effondre à un niveau critique de 25 %. En parallèle de cette faible disponibilité, le coût par heure de vol aurait augmenté de manière assez considérable pour atteindre 53 000 dollars. À cela s'ajoute une inquiétude majeure en matière de transparence, car le département de la Défense aurait récemment décidé de censurer le prochain rapport complet sur le F-35, nous privant potentiellement de données essentielles sur l'évolution réelle de ce programme.
Face à ces difficultés, certains pensent à renoncer à la stratégie de la flotte unique au profit d'une flotte mixte associant le F-35 à d'autres appareils au coût d'exploitation plus maîtrisé, afin d'assurer les missions sans épuiser les budgets. La Belgique n'a pas envisagé cette stratégie jusqu'à présent.
Face à la chute dramatique de la disponibilité et à l'envolée du coût de l'heure de vol, quelle est l'évaluation actualisée de l'impact financier de notre flotte actuelle et future sur le budget de la Défense à long terme? Comment la Défense belge compte-t-elle obtenir des garanties de transparence technique et financière de la part de ses partenaires américains, compte tenu de la récente classification des rapports d'évaluation? Disposez-vous des chiffres de disponibilité et de coûts horaires pour la flotte belge de F-35? J'entends par coûts horaires davantage les coûts variables que les coûts fixes, car nous savons que le personnel constitue évidemment un coût fixe, tandis que les coûts variables concernent davantage les consommables et autres.
Disposez-vous également des chiffres correspondants pour les autres nations de l'OTAN ayant acquis cet appareil? Sont-ils similaires aux chiffres américains? Les problèmes de la chaîne d'approvisionnement en pièces détachées sont-ils résolus? Car nous savons que c'est de ce côté-là que les difficultés sont particulièrement importantes. Évidemment, en ce qui concerne les informations transmises par les Américains, on peut imaginer que certaines d'entre elles sont classées "Secret Défense". Néanmoins, dans le cadre d'un fonctionnement normal, nous espérons que vous aurez l'occasion d'obtenir ces informations et que la Défense belge pourra en disposer afin de nous permettre d'en évaluer les conséquences.
24.02 Theo Francken, ministre: Les chiffres du rapport Government Accountability Office concernent uniquement l'ensemble de la flotte américaine, incluant des lots plus anciens ainsi que les différentes variantes exploitées dans des contextes opérationnels variés. Les résultats présentés ne peuvent, dès lors, pas être directement transposés à la flotte belge de F-35, encore en phase de montée en puissance, et qui jouit par ailleurs d'une meilleure disponibilité.
La notion de coût à l'heure de vol doit être interprétée avec prudence lorsque ni la méthodologie ni les données ne sont fournies afin de fournir des points de comparaison pertinents.
L'évaluation financière de la Défense demeure fondée sur le coût global de possession sur l'ensemble du cycle de vie du système. Ceci permet d'avoir la vue la plus globale sur le coût réel d'un système d'armes. Cette méthodologie a, d'ailleurs, été examinée et validée par l'Inspection des finances ainsi que par la Cour des comptes.
En outre, plusieurs pays utilisent des méthodes comparables. Cette méthode a démontré que le F-35 était économiquement le plus avantageux et que le coût reste conforme aux prévisions initiales, hors facteurs externes - inflation et taux de change - qui affectent tous les secteurs de la société.
Une éventuelle limitation de la distribution publique de certains éléments du rapport américain du GAO ne relève pas la Défense. En tant que participant au programme F-35, la Défense dispose quoi qu'il en soit des informations nécessaires.
Ceci étant dit, s'il est vrai que les Américains ont décidé de ne plus rendre publics certains éléments de ces rapports du GAO, et pas seulement ceux concernant le F-35, il n'en reste pas moins que de nombreuses informations concrètes sur les coûts et les disponibilités restent accessibles au grand public. Sinon, vous n'auriez pas pu poser cette question.
Il faut savoir qu'aucun rapport officiel comparable n'est rendu public concernant les avions de combat européens, et ce depuis plusieurs années déjà. Les États-Unis suivent désormais en partie l'exemple donné par les gouvernements européens, mais restent néanmoins bien plus transparents dans ce domaine.
En réponse à la croissance rapide du programme, un plan d'amélioration de la logistique globale a été lancé en 2025 et commence à porter ses fruits.
Je comprends votre inquiétude. Chez nous, la disponibilité de nos F-35 est bonne. Pour l'instant, touchons du bois, cela va très bien. Faire la comparaison est toujours difficile. Établir une comparaison avec les avions de combat européens est impossible faute de transparence de leur part.
Dès lors, dire que les Américains protégeraient mieux leurs données ou leurs chiffres, c'est possible, puisqu'ils suivent la même direction que les constructeurs européens, dont la transparence est nulle. C'évidemment est un peu ironique.
24.03 Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Pour ma part je me permets d'insister sur le fait que le F-35 reste certainement un bon avion, en tout cas sur le papier. Je pense que, dans la pratique également, il s'agit d'un très bon avion. Il est clair que le faible taux de disponibilité observé aux États-Unis n'est pas nécessairement le même que celui que nous connaissons chez nous.
À cet égard, il serait peut-être intéressant de disposer d'informations complémentaires et, si l'occasion se présente, de pouvoir examiner précisément ce taux de disponibilité. Il faut en effet comparer le taux de disponibilité qui avait été promis avec celui qui est constaté aujourd'hui, afin de voir si les promesses formulées étaient fondées ou du moins fiables.
Il convient évidemment de maintenir un maximum de transparence, d'autant plus qu'un programme prévoit l'acquisition de onze F-35 supplémentaires. À cet égard, un retour transparent me paraît important pour l'ensemble du Parlement.
En ce qui concerne les coûts, je partage tout à fait votre avis. C'est d'ailleurs pour cette raison que je me suis permis de préciser qu'il s'agissait des coûts variables. En effet, sans connaître la méthode de calcul utilisée, il est impossible d'établir une comparaison pertinente. On ne peut pas comparer des pommes et des poires. Sur ce point, je partage pleinement votre avis. C'est aussi pour cette raison que j'ai évoqué les coûts variables. Il serait également intéressant d'investiguer dans cette direction.
Je suis très heureux d'entendre que le taux de disponibilité observé chez nous est suffisant pour garantir un bon fonctionnement. Continuons donc dans cette voie, tout en restant vigilants!
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
25.01 Kristien Verbelen (VB): Mijnheer de minister, een militair kan perfect de veiligheidsvoorschriften volgen, maar toch door een ogenschijnlijk onschuldige app op zijn smartphone belangrijk en gevoelige informatie prijsgeven. Het onschuldige karakter van Polarsteps maakt die app net zo verontrustend. Onderzoeksplatform Follow the Money kon via die app militairen identificeren en nagaan waar ze allemaal geweest waren, onder meer op verschillende gevoelige militaire locaties en zelfs de link naar hun woonplaats kon worden gelegd. Of we dat technisch een datalek moeten noemen of niet, doet niet ter zake. Op die manier wordt wel gevoelige, waardevolle informatie vrijgegeven voor buitenlandse inlichtingendiensten.
Nederland heeft snel gereageerd en Polarsteps technisch geblokkeerd op toestellen van defensie. Bij ons verwijst Defensie voorlopig vooral naar de bestaande regels rond dergelijke locatieapps en naar sensibilisering. Ik vrees echter dat sensibilisering in dit geval niet voldoende zal zijn.
Mijnheer de minister, heeft Defensie onderzocht welke Belgische militairen, locaties en verplaatsingen via die app zichtbaar waren? Weten we of daar personeelsleden bij waren met veiligheidsmachtigingen of gevoelige functies? Bent u bereid om naar Nederlands voorbeeld de app ook op de toestellen van onze militairen technisch te blokkeren? Wordt gecontroleerd wat er op privétoestellen gebeurt tijdens oefeningen en missies?
Van onze militairen mogen we verwachten dat ze voorzichtig zijn, maar ik vind toch dat Defensie ervoor moet zorgen dat belangrijke, gevoelige informatie niet zomaar te grabbel wordt gegooid.
25.02 Minister Theo Francken: Het gebruik van apps die gebruikmaken van geolocatie, zoals de reisapplicatie Polarsteps, is verboden in of in de buurt van militaire kwartieren. De naleving van de veiligheidsnormen door het personeel op sociale media is een permanent aandachtspunt. Daarom wordt die zaak ernstig genomen en momenteel onderzocht. Het onderzoek loopt nog, waardoor het te vroeg is om concrete cijfers of conclusies mee te geven.
Tijdens missies, oefeningen of operaties zijn persoonlijke smartphones verboden, behalve wanneer het risico zeer gering is. Ze worden vervangen door apparaten die dergelijke applicaties blokkeren. Het gebruik van smartphones is bovendien verboden in alle gevoelige zones van Defensie.
Defensie volgt de trends in het digitale landschap en heeft duidelijke richtlijnen omtrent sociale media en de digitale voetafdruk. Bepaalde applicaties, zoals Strava, waarmee locaties kunnen worden gedeeld, moeten dan ook worden afgeschermd voor het publiek. Die richtlijn geldt in de omgeving van alle militaire installaties en tijdens operaties.
Controles op het gebruik van applicaties worden punctueel uitgevoerd in het kader van de periodieke veiligheidsverificaties of veiligheidsonderzoeken of in geval van een veiligheidsincident. Sanctioneren kan altijd, maar Defensie zet a priori in op het informeren, opvoeden en begeleiden van het personeel bij het gebruik van sociale media. Het is belangrijk dat de personeelsleden zo goed mogelijk geïnformeerd worden over het belang van hun houding op sociale media.
25.03 Kristien Verbelen (VB): Mijnheer de minister, het is goed te horen dat het verboden is en dat er regels bestaan. Het onderzoek loopt nog, maar ik hoop dat er sancties zullen volgen en dat we verder kunnen gaan dan alleen sensibilisering. Wie de veiligheidsregels negeert, zal daarop aangesproken moeten worden. Defensie heeft daarin een verantwoordelijkheid qua opleiding en handhaving. Het kan niet de bedoeling zijn dat we buitenlandse inlichtingendiensten zomaar in de kaart spelen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
26.01 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de minister, het is de derde keer dat ik u ondervraag over het statuut van de veteranen. U hebt al aangekondigd dat u absoluut werk wilt maken van de verbetering en uitbreiding van dat statuut. Eerlijkheidshalve moeten we toegeven dat daaraan vandaag behalve het bezit van een kaartje bitter weinig voordelen zijn verbonden.
U hebt op 10 juni 2026 verklaard dat u een breder veteranenbeleid wilt voeren rond vier pijlers en dat u eind juni 2026 over de stand van zaken zou worden gebrieft. Volgens u konden sommige maatregelen heel snel worden ingevoerd. Voor andere zaken was meer tijd nodig en verwees u naar de tweede helft van 2027.
Ik stel u gewoon een opvolgingsvraag.
Hoever staat het met de opwaardering van het statuut van de veteranen? Heeft de aangekondigde briefing intussen plaatsgevonden? Zijn er al concrete stappen gezet naar een beter statuut? Kunt u ons daar meer informatie over geven?
26.02 Minister Theo Francken: Ik werd op 25 juni 2026 gebrieft over het veteranenbeleid. Op 25 september 2026 zal mij een communicatieplan worden bezorgd, waarna ik mijn beleidsbeslissing en standpunt over het veteranenstatuut zal bekendmaken.
De eerste goedgekeurde maatregelen richten zich op post-actieve veteranen met bijzondere aandacht voor psychosociale ondersteuning bij verslavingsproblemen of het posttraumatisch stresssyndroom.
Op 1 oktober 2026 wordt binnen de Algemene Directie Human Resources een veteranendesk opgericht. Thema's zoals gratis openbaar vervoer en de terugbetaling van het remgeld worden nader onderzocht. De resultaten daarvan worden tegen eind november verwacht. Op basis van die analyse kunnen bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen worden aangepast.
Bovendien zal in de eerste helft van 2027 een nieuw voorstel voor de herziening van het veteranenstatuut met bijkomende voordelen ter goedkeuring worden voorgelegd.
26.03 Axel Weydts (Vooruit): Een vierde opvolgingsvraag kondigt zich aan.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
27.01 Christophe Lacroix (PS): Monsieur le ministre, dans le cadre de votre note de politique générale 2026, j'avais d'importantes questions, notamment au regard des instruments que vous vouliez déployer en vue, d'une certaine manière, de contourner les contrôles administratifs ainsi que les contrôles parlementaires, visant même une forme de débudgétisation, puisque vous logez tout cela dans des fonds, avec la société de participation de l'État, etc.
Il y a évidemment votre protocole d'accord avec le ministre du Budget, qui est en négociation depuis des mois et le Fonds Défense au sein de la SFPIM développé par le ministre Jambon – vous me renverrez encore certainement vers lui pour cette question – et qui vise désormais à acquérir et à détenir des participations stratégiques dans des entreprises créant une réelle valeur ajoutée dans les secteurs clés d'aujourd'hui et de demain. Cependant, nous ne savons toujours pas ce qui va l'alimenter. L'accord de gouvernement indiquait qu'il serait alimenté par le transfert de participations sélectionnées. Or, pour l'heure, c'est toujours le flou complet.
Ensuite, dans votre note de politique générale, vous alliez encore un cran plus loin. Vous alliez créer ODIN, du nom du dieu suprême de la mythologie nordique. Je vous cite: "Au cœur de cette accélération stratégique se trouve la création d'ODIN par le biais d'une initiative législative qui définit les contours d'une nouvelle organisation de droit public dotée de son propre mandat, de son propre financement et de sa propre gouvernance."
On sort ainsi une partie des achats militaires du contrôle parlementaire, de l'Inspection des Finances et du SPF Economie et, à travers ces outils, on utilise des techniques que l'on peut qualifier de débudgétisation, puisque cela ne rentre plus clairement dans le budget de l'État.
Monsieur le ministre, plusieurs mois plus tard, pouvez-vous me faire le point précis sur l'agenda et les budgets consacrés par votre ministère à ODIN et au Fonds Défense? Où en êtes-vous dans leurs concrétisations? Qu'en est-il du protocole avec votre collègue en charge du Budget? Quand nous sera-t-il présenté? Enfin, vous vouliez également créer un "Conseil industriel de Défense". En plus d’ODIN et de la SFPIM, cela commence à faire beaucoup. De quoi est-il question? Pouvez-vous nous garantir un contrôle parlementaire qui ne serait pas amoindri?
27.02 Theo Francken, ministre: Monsieur Lacroix, s'agissant de votre déclaration selon laquelle des achats militaires échapperaient au contrôle parlementaire, à l'Inspection des Finances et au SPF Économie, je tiens à être très clair. Les investissements militaires ne sont nullement soustraits au contrôle réglementaire. Les dossiers d'investissement sont préparés par la Direction générale Materials Resources et soumis à l'ordonnateur compétent. Ces dossiers suivent et suivront les procédures réglementaires d'approbation et de contrôle.
En ce qui concerne le programme Research, Development, Innovation and Industrialization et le soutien susceptible d'être accordé aux entités belges dans le cadre de la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS), le gouvernement a approuvé les dispositifs réglementaires nécessaires. Le Fonds de défense de la Société fédérale de Participations et d’Investissement (SFPIM), géré par la nouvelle filiale spécialisée SFPIM Défense, a été créé afin de soutenir et de renforcer la base industrielle belge active dans le domaine de la sécurité et de la défense. Ce fonds n'a pas vocation à financer les besoins capacitaires de la Défense. Pour les détails sur ce Fonds de Défense, je vous renvoie vers le ministre des Finances.
En ce qui concerne la modernisation du contrôle administratif et budgétaire, un groupe de travail composé de spécialistes de la Défense et de l'Inspection des Finances ainsi que de représentants de la Cour des comptes jouant un rôle de médiateurs a été créé afin d'examiner d'éventuelles pistes d'amélioration et de simplification. Ce groupe de travail poursuit ses activités. Il est, à ce stade, encore trop tôt pour tirer des conclusions.
Il s'agit d'une approche collaborative commune qui vise à moderniser et à optimiser le contrôle administratif et budgétaire sans le remettre en question. Cette démarche est inscrite dans l'accord de coalition et dans la vision stratégique approuvée par le gouvernement.
S'agissant d'ODIN, vous me citez correctement, mais de manière incomplète. La note de politique générale précise également que l'ancrage institutionnel d'ODIN sera déterminé ultérieurement en concertation avec les différentes parties prenantes. Une marge de manœuvre est délibérément laissée pour différents modèles d'organisation. Cette question est toujours à l'étude et, si une initiative législative devait s'avérer nécessaire, elle suivra la procédure législative et réglementaire habituelle.
Enfin, l'établissement du Conseil industriel de défense a été approuvé par le Conseil des ministres du 16 septembre 2022 sur proposition de Pierre-Yves Dermagne et de Ludivine Dedonder. Je vois que vous désavouez l'initiative de vos collègues socialistes, mais, en ce qui me concerne, je poursuis le travail afin de permettre à la Défense d'entretenir un dialogue structurel avec les représentants de la base technologique et industrielle de défense. Compte tenu du rôle important joué par les régions dans cette matière, celles-ci seront également invitées à participer à ces travaux.
27.03 Christophe Lacroix (PS): Merci, monsieur le ministre. J'y vois un peu plus clair. Je note, et c'est important, que les procédures continueront d’être respectées et n'échapperont pas au contrôle parlementaire. C'est primordial.
Malgré tout, en dehors du protocole d'accord que vous négociez à travers un groupe de travail, cela me rassure que celui-ci soit constitué non seulement de l'Inspection des Finances, mais également de la Cour des comptes. Cela permettra d'éviter toute contestation possible ultérieurement. La prudence est de mise, et cela vous honore.
Néanmoins, je vous dirai aussi que, s’agissant du SPF Économie, j'ai quand même quelques reproches à vous faire. La manière dont on détermine la consultation du SPF Économie relève du pouvoir discrétionnaire du ministre de la Défense et du ministre de l'Économie, en fonction d'un protocole d'accord qu'ils négocient entre eux. Dès lors, de mon point de vue, le contrôle parlementaire ne peut pas s'opérer correctement.
Pour ODIN, vous avez également clarifié certaines choses en parlant d'un ancrage qui serait ultérieur et concerté, en ajoutant qu'il est probable qu'une initiative législative soit prise. Si je ne vous ai pas cité correctement, je vous prie de m'en excuser.
Sur le Conseil industriel de la Défense, je ne désavoue en rien mes collègues socialistes. Simplement, je voulais également préciser que l'ensemble des dispositifs créés par vous et par d'autres rendent plus difficile, pour un député membre de la commission des Achats militaires, de comprendre où le gouvernement veut absolument aller. Je conçois qu'en cette période très troublée et très complexe, il faut alléger certains contrôles, mais en garantissant la bonne dépense, parce que c'est de l'argent public. Vous le savez comme moi.
Je suis très heureux de la nouvelle du
classement sans suite de l'instruction judiciaire qui avait été lancée à votre
encontre. J'ai en effet appris qu'elle n'avait abouti à rien. J’en suis
heureux, pour vous personnellement, parce que même si nous ne sommes pas
d'accord, je vous apprécie humainement; et parce qu'il n'y aurait rien eu de
pire, en cette période de trouble, que ce soit sujet à questionnement. Vous mettre en difficulté eût été
vraiment insensé.
De voorzitter: Ik sluit mij graag aan bij die laatste woorden.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
28.01 Staf Aerts (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik spreek u aan vanuit uw twee bevoegdheden, namelijk Buitenlandse Handel en Defensie. U hebt dit dossier immers voor een deel op gang getrokken in februari tijdens uw bezoek aan Zuid-Afrika, toen u deelnam aan Mining Indaba, het congres over mijnbouw.
Recent werd nu ook nog de link gelegd tussen een staatswaarborg voor het STL-Umicore-project en de levering van germanium door Umicore voor de Amerikaanse infraroodsystemen van de F-35's. Germanium heeft een dubbele toepassing. Het is dus voor beide zaken van belang, maar ik had een aantal concrete vragen. Gelet op het gevorderde uur verwijs ik hierbij naar mijn schriftelijk ingediende vragen om tijd te winnen.
Deze zomer legde De Morgen een link
tussen de Belgische staatswaarborg voor het STL-Umicore-project en de levering
van germanium door Umicore voor de infraroodsystemen van de Amerikaanse F-35.
Dit roept vragen op over de mate waarin de due diligence-verplichtingen van
Umicore ook het eindgebruik van zijn grondstoffen — downstream, dus na
verwerking — in kaart brengen en over hoe dit zich verhoudt tot de standaarden
die de regering vooropstelt binnen de Global Gateway-strategie.
Vandaar volgende vragen:
Ten eerste, kan de minister toelichten
wat de precieze link is tussen Umicore, het germanium uit het STL-project en de
bevoorrading van de Amerikaanse F-35-productieketen, zoals gesuggereerd in de
berichtgeving door De Morgen? In welke mate is de regering hiervan op de hoogte
en werd dit element meegenomen bij de beoordeling van de staatswaarborg?
Ten tweede, hoe verloopt de downstream
due diligence van Umicore op het vlak van kritieke grondstoffen zoals
germanium? Wordt daarbij nagegaan en gerapporteerd voor welke eindtoepassingen
(met inbegrip van militaire toepassingen) deze grondstoffen uiteindelijk worden
aangewend?
Ten derde, dit soort projecten wordt door
de minister van Ontwikkelingssamenwerking gekaderd binnen de Global
Gateway-strategie, waarbij gesteld wordt dat de hoogste standaarden gelden.
Maakt downstream due diligence (inclusief de controle op eindgebruik in
militaire/defensietoepassingen) daar deel van uit? Credendo hanteert voor
milieu- en sociale due diligence de OESO Common Approaches, met een indeling in
categorie A, B of C naargelang het risico. In welke categorie werd STL
ingedeeld, en werd daarbij rekening gehouden met het defensie-eindgebruik en de
mensenrechten- en milieusituatie rond de terril?
Ten vierde, de financiële risico’s. Bovendien
-zo stelt De Morgen - was “Credendo niet happig op het reddingsplan en zou het
Umicore alleen willen indekken na stevige doorlichting van STL”. Kan de
minister meer klaarheid scheppen in welk advies Credendo gegeven heeft, of die
financiële doorlichting effectief plaatsvond en of de relevante info
hieromtrent, gezien het om belastinggeld gaat, openbaar gemaakt kan worden?
28.02 Minister Theo Francken: De staatswaarborg voor de prefinanciering van Umicore aan STL is een beslissing van de ministerraad, ingediend door de minister van Buitenlandse Zaken. Als minister van Defensie, belast met Buitenlandse Handel, heb ik dat dossier vanuit mijn bevoegdheid mee gedragen en ik doe dat zonder voorbehoud.
Germanium is een sleutelgrondstof in de toeleveringsketen van geavanceerde wapensystemen, van geleidingssystemen tot infraroodoptiek, en de toegang tot die grondstof wordt vandaag overwegend beheerst door één speler. Wie de wederopbouw van onze strijdkrachten en de strategische autonomie van het Westen en van Europa ernstig neemt, kan niet tegelijk toekijken hoe die toegang verder geconcentreerd raakt, niet alleen voor militair bruikbare goederen, maar ook voor heel wat geavanceerde elektronica voor civiele toepassingen, bijvoorbeeld ook in de ruimtevaart en autonome voertuigen, zoals u zegt in het kader van de strijd tegen de klimaatopwarming. De unieke F-35-link leggen is dus wat kort door de bocht. Dat is de kern van de redenen waarom deze regering over de bevoegdheden heen achter dit project staat.
Met betrekking tot de precieze verwerkingsketen van dit germanium, welke klant welke hoeveelheid ontvangt en voor welke toepassing, dit betreft commerciële en strategisch gevoelige informatie die producenten zoals Umicore terecht niet breed publiek maken. Het past niet bij mijn functie om daarover in detail uit te weiden. Ik wil hier geen precedent scheppen waarbij de toeleveringslijnen van een Belgische speler met unieke raffinagecapaciteiten in een grondstof met evident defensiebelang publiek worden uitgetekend in een geopolitieke context waarin net onze concurrenten daar garen bij zouden spinnen. Dat begrijpt u zeker wel.
Credendo is een van de meest ervaren exportkredietverzekeraars van Europa en past op elk dossier, dit dossier incluis, de OESO Common Approaches toe, met een grondige omgevings- en sociale doorlichting, naargelang het risicoprofiel. Ik zal daar niet flauw over doen. De regio waarin STL actief is, kent reële risico's, zoals dat geldt voor mijnbouw en grondstoffenhandel in Centraal-Afrika in het algemeen. Dat is niet uniek voor dit project. De geijkte procedures zijn gevolgd om het instrument van de staatswaarborg in te kunnen zetten.
Waar het op aankomt, is dat de opdracht aan Credendo werd gegeven op basis van een gedragen regeringsbeslissing, na afweging van de risico's tegenover het strategisch belang, en niet ondanks, maar met de expertise van Credendo aan boord. Ik heb vertrouwen in dat afwegingsproces en ik ga ervan uit dat elk lid van deze vergadering het strategisch belang van een betrouwbare, niet-Chinese bron van germanium voor onze westerse defensie- en hoogtechnologische industrie onderschrijft.
28.03 Staf Aerts (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, voor alle duidelijkheid en in alle transparantie, we zullen hier ook minister Prévot nog over ondervragen, maar omdat u hier ook een belangrijke rol in hebt gespeeld, dacht ik dat ik deze vraag ook al aan u als minister van Defensie kon voorleggen.
Er zullen twee antwoorden op elkaar liggen, maar ik hoop wel dat we grondige antwoorden krijgen. Ik begrijp dat u het gras niet voor de voeten van uw collega wilt wegmaaien, maar ik hoop echt dat we degelijke antwoorden krijgen. Uiteraard is de strategische autonomie op het vlak van grondstoffen ook voor ons een bezorgdheid, maar niet koste wat het kost. Er zijn ook nog altijd een aantal sociale, maatschappelijke en natuurlijke elementen die we in rekening moeten brengen. Daarom is due diligence zo belangrijk.
We zullen dit absoluut blijven volgen en de twee antwoorden naast elkaar leggen. Mogelijk moet ik dan nog een keer bij u of uw collega terugkomen als we nog niet voldoende antwoorden hebben gekregen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.01 uur.
La réunion publique de commission est levée à 18 h 01.
De antwoorden werden door de
Les réponses ont été fournies par
Een recente beleidsnota van het Hudson
Institute omschrijft de oorlog in Oekraïne als “machine-speed adaptive
hyperwar”. Drones, sensoren, elektronische oorlogvoering, gevechtsdata,
artificiële intelligentie en menselijke commandovoering worden geïntegreerd in
steeds snellere sensor-to-shooterketens.
Door die permanente observatie is het
slagveld veel transparanter geworden. Troepenconcentraties, commandoposten,
logistieke installaties en konvooien worden sneller ontdekt en aangevallen.
Manoeuvre blijft mogelijk, maar vereist meer verspreiding, misleiding en
elektronische bescherming.
Onbemande systemen vernietigen niet
alleen doelen, maar vangen ook personeelstekorten op. Oekraïne gebruikt
grondrobots voor bevoorrading en evacuatie en maritieme drones voor sea denial.
Het succes berust vooral op goedkope en vervangbare systemen, modulair ontwerp,
massaproductie, gevechtsdata en aanpassingen binnen enkele weken.
De nota legt tegelijk enkele
NAVO-tekortkomingen bloot: de dure inzet tegen goedkope drones, trage en
platformgerichte verwervingsprocedures en de afhankelijkheid van Chinese
onderdelen. Drones vervangen bovendien geen artillerie, luchtverdediging, luchtsteun
of voldoende personeel. De uitdaging ligt in de integratie van al deze
capaciteiten.
Voor ons land zijn deze lessen ook
relevant.
Daarom heb ik de volgende vragen:
Heeft Defensie hierover een
defensiebrede gap-analyse uitgevoerd? Welke tekortkomingen werden vastgesteld
inzake counter-UAS, elektronische oorlogvoering, sensor-to-shooterketens,
onbemande systemen en beveiligde data-infrastructuur? Bestaat hiervoor een
roadmap met prioriteiten en termijnen?
Hoe worden onze doctrine, opleidingen en
oefeningen aangepast aan permanente droneobservatie, GPS-spoofing,
elektronische verstoring en massale droneaanvallen? Wordt dit ook toegepast op
onze logistieke infrastructuur en wordt daarbij Oekraïense expertise ingezet?
Hoe wil u snellere en modulaire
verwervings- en aanpassingscycli mogelijk maken? Welke stappen zet u om onze
afhankelijkheid van Chinese onderdelen te verminderen en de samenwerking met de
Oekraïense en Europese defensie-industrie te versterken?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été
fournie par le gouvernement dans les délais.
Bijna zes maanden na het uitbreken van
de oorlog tegen Iran oogt het conflict steeds uitzichtlozer. Het Iraanse regime
zit steviger in het zadel dan ooit. Meer nog: Iran heeft vandaag een cruciale
strategische hefboom in handen gekregen. De scheepvaart door de Straat van
Hormuz is opnieuw vrijwel stilgevallen en Teheran koppelt de heropening ervan
aan een hele reeks eigen voorwaarden. Dit eisenpakket is nog strenger en zou
het regime nog sterker in het zadel zetten dan tijdens het vorige Memorandum of
Understanding. De onderhandelingen met Washington zitten opnieuw muurvast.
Ondertussen bedreigen de Houthi-rebellen ook de scheepvaart door de straat van
Bab-el Mandeb in de Rode Zee.
Intussen wacht ook onze mijnenjager
Primula nog steeds in de Middellandse Zee op een eventuele inzet richting
Hormuz. U liet het schip daarvoor weghalen uit de Baltische Zee. Daar nam het
deel aan Baltic Sentry en beschermde het mee kritieke onderwaterinfrastructuur,
waaronder data- en energiekabels.
Wat is vandaag de exacte operationele
opdracht en inzetstatus van de Primula? Waar opereert het schip momenteel en
welke concrete taken voert de bemanning uit?
Tot wanneer blijft u de Primula in de
Middellandse Zee houden? Bestaat er een concrete einddatum of zijn er criteria
die bepalen wanneer het schip terugkeert dan wel richting Hormuz wordt
gestuurd? Hoe lang acht u deze vooruitgeschoven aanwezigheid nog verantwoord?
Welke gevolgen heeft deze langdurige
inzet voor de beschikbaarheid van onze beperkte mijnenbestrijdingscapaciteit
voor opdrachten dichter bij huis zoals Baltic Sentry en in onze eigen Noordzee?
Welke capaciteit vangt de afwezigheid van de Primula op?
Zijn er nog vragen ontvangen om
militaire steun vanuit de Golfstaten of andere landen in de regio? Wat is de
stand van zaken hieromtrent en wat is het regeringsstandpunt?
Hoe lang wilt u nog Belgische militaire
capaciteit vastleggen voor de gevolgen van een oorlog waarvan het politieke
einddoel steeds minder duidelijk wordt?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été
fournie par le gouvernement dans les délais.
Mijnheer de minister, Defensie heeft de
voorbije jaren opnieuw sterke rekruteringscijfers neergezet. In het vorige
rekruteringsjaar kwamen er 2.993 militairen, 829 reservisten en 695 burgers
bij. In 2026 zitten we al boven 2.600 militairen en 1.097 reservisten. Voor
2027 worden 3.100 actieve militairen, 1.500 reservisten en 960 burgers gezocht.
Er worden met andere woorden meer dan 5.500 vacatures aangekondigd. Dat is
noodzakelijk om de ambitieuze groeidoelstellingen van Defensie te realiseren,
maar een groei van die omvang stelt ook grote eisen aan opleiding,
infrastructuur, materieel en begeleiding.
1. Waar verwacht de minister vandaag de
grootste capaciteitsbeperkingen om die bijkomende personeelsleden ook
daadwerkelijk operationeel inzetbaar te maken?
2. Waar zit vandaag de grootste
bottleneck: het aantrekken van kandidaten, de selectie, de opleiding, de
beschikbare instructeurs, de infrastructuur of de uitrusting?
3. Hoeveel tijd verstrijkt er gemiddeld
tussen de aanwerving van een militair en zijn of haar effectieve operationele
inzetbaarheid?
4. Defensie wil de komende jaren niet
alleen meer mensen, maar ook meer capaciteiten. Kan de minister daarom aangeven
welke profielen vandaag het moeilijkst in te vullen zijn? Gaat het vooral om
klassieke militaire functies, of zijn het net technische, logistieke, cyber- en
ICT-profielen waarvoor de concurrentie met de private arbeidsmarkt het grootst
is?
5. Ziet de minister het Militair
Dienstjaar op termijn als een van de belangrijkste structurele kanalen om die
personeelsgroei te ondersteunen, en wordt er een concrete doelstelling
vooropgesteld inzake doorstroming van deelnemers naar het beroeps- of reservekader?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été
fournie par le gouvernement dans les délais.
Mijnheer de minister, met het nieuwe
Kwartierplan wordt de militaire aanwezigheid in het Waasland opnieuw
aanzienlijk versterkt. In Burcht wordt geïnvesteerd in de uitbreiding van het
11 Bataljon Genie en een nieuw wapenmagazijn, Fort Sint-Marie wordt opnieuw een
militaire site met de komst van een eenheid Marinefuseliers en in Sint-Niklaas
wordt Westakkers uitgebouwd als veiligheidscentrum. Daarmee lijkt het Waasland
een belangrijke nieuwe militaire veiligheidsregio te worden.
1. Kan de minister toelichten welke
concrete planning Defensie voor deze drie sites voor ogen heeft en wanneer we
op het terrein de eerste nieuwe capaciteiten mogen verwachten?
2. Meer specifiek over Fort Sint-Marie:
de site krijgt volgens het Kwartierplan opnieuw een militaire bestemming en zal
onderdak bieden aan een eenheid Marinefuseliers. Kan de minister vandaag meer
duidelijkheid geven over de concrete timing van de heropening? Over hoeveel
militairen zal deze eenheid beschikken, wanneer zal zij operationeel zijn en
welke specifieke taken zal zij vanuit Fort Sint-Marie uitvoeren? Welke rol ziet
Defensie voor deze eenheid in de beveiliging van de haven van Antwerpen, de Schelde
en de bredere kritieke maritieme infrastructuur?
3. De Marine bouwt vandaag ook via het
Militair Dienstjaar een nieuwe instroom van marinefuseliers op. De Marine heeft
in het kader van het Militair Dienstjaar ook al 13 kandidaten voor Naval
Infantry/Marinefuseliers. De opleiding omvat onder meer beveiliging van
schepen, haveninfrastructuur en maritieme operaties. Kan de minister toelichten
of deze groeiende personeelscapaciteit mee zal worden ingezet voor de
toekomstige eenheid in Fort Sint-Marie? Hoeveel bijkomende marinefuseliers zijn
nodig om deze nieuwe capaciteit in het Waasland volledig operationeel te maken?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été
fournie par le gouvernement dans les délais.