Commissie voor Grondwet en Institutionele Vernieuwing

Commission de la Constitution et du Renouveau institutionnel

 

van

 

Woensdag 16 september 2026

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 16 septembre 2026

 

Matin

 

______

 

La réunion publique de commission est ouverte à 11 h 14 et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 11.14 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

De voorzitter: Mijnheer de premier, het is vandaag een match tussen N-VA en Vlaams Belang, met de MR als voorzitter.

 

01 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De vertegenwoordiging van de deelstaten in een aantal federale instellingen" (56016208C)

01 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "Les représentants des entités fédérées dans plusieurs institutions fédérales" (56016208C)

 

01.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, u krijgt vandaag alleen communautaire vragen van het Vlaams Belang. Dat wijst erop dat, als niemand van uw coalitiepartners geïnteresseerd is in hoeverre dat dossier vlot verloopt, u gelukkig nog op het Vlaams Belang kunt rekenen om u zeer regelmatig naar een stand van zaken te vragen over zaken die in uw regeerakkoord staan.

 

Ten eerste zijn er in het institutionele luikje van dat regeerakkoord twee passages opgenomen over een verruimde vertegenwoordiging van de deelstaten in een aantal federale instellingen. Bij name worden daarin de Nationale Bank van België, het Federaal Planbureau, het Instituut voor de Nationale Rekeningen en het Verzekeringscomité van het RIZIV genoemd.

 

Het laatste dat we daarover vernomen hebben, is dat er gesprekken binnen de meerderheid lopen om tot een wetsontwerp te komen. Mijn logische vraag is dus of die gesprekken nog steeds lopen, dan wel of die ondertussen al zijn afgerond. Waren er knelpunten? Voor het RIZIV heb ik daarover minister Vandenbroucke immers al ondervraagd, die een heel ander antwoord gaf dan het antwoord dat mijn collega in het Vlaamse Parlement kreeg van minister Gennez. Zelfs binnen de partijen is het dus niet op elkaar afgestemd.

 

U kunt ons misschien al op de hoogte brengen van de verschillende standpunten en van wat u onderneemt om tot een oplossing te komen, als die er al niet zou zijn.

 

In hoeveel vertegenwoordigers voor welke deelstatelijke entiteiten wordt er voor elk van die instellingen voorzien? Hoe wordt die verdeling gemotiveerd indien men al tot een akkoord is gekomen?

 

Ten slotte vraag ik naar de timing. Wanneer mogen we een ontwerp verwachten?

 

01.02 Eerste minister Bart De Wever: Mevrouw Pas, wat de vertegenwoordiging van de deelstaten in het Verzekeringscomité van het RIZIV betreft, zoals ik eerder heb meegedeeld, werd de noodzakelijke wettelijke basis opgenomen in het ontwerp van kaderwet, dat inmiddels door het Parlement werd aangenomen op initiatief van de minister van Volksgezondheid.

 

Met die wettelijke basis wordt tegemoetgekomen aan de opmerking van de Raad van State, die erop gewezen heeft dat de vertegenwoordiging van de deelstaten in het Verzekeringscomité slechts mogelijk is mits een uitdrukkelijke regeling overeenkomstig artikel 92ter, eerste lid van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen.

 

De concrete modaliteiten zullen worden vastgelegd bij koninklijk besluit. Daarbij wordt voorzien in de vertegenwoordiging van de deelstaten met raadgevende stem. Ik vernam dat dit KB momenteel in de interfederale fase zit.

 

Ten tweede, wat de vertegenwoordiging van de deelstaten binnen de Nationale Bank betreft, bereidt minister Jan Jambon momenteel een wetsontwerp houdende diverse bepalingen voor, waarin die vertegenwoordiging zal worden geregeld. Dat ontwerp bevindt zich momenteel in de voorontwerpfase.

 

Binnen de Nationale Bank lijkt de Regentenraad het meest aangewezen orgaan om een vertegenwoordiging van de deelstaten te verzekeren. Daarbij wordt in eerste instantie gedacht aan een vertegenwoordiging van de drie gewesten, gelet op hun belangrijke bevoegdheden inzake economisch beleid, werkgelegenheid en investeringen, die rechtstreeks interageren met de monetaire, financiële en macro-economische opdrachten van de Nationale Bank.

 

Ten derde, wat het Instituut voor de Nationale Rekeningen betreft, heeft nader onderzoek uitgewezen dat bijkomende initiatieven niet noodzakelijk zijn. Met voortschrijdend inzicht moet worden toegegeven dat het regeerakkoord op dat punt te voortvarend is geweest. De deelstaten zijn vandaag immers reeds vertegenwoordigd, zowel in de raad van bestuur als in de wetenschappelijke comités van het desbetreffende instituut. Er bestaat dan ook geen dwingende noodzaak om de bestaande regeling aan te passen.

 

Ten slotte wordt nog onderzocht op welke wijze de betrokkenheid van de deelstaten concreet kan worden georganiseerd binnen het Federaal Planbureau.

 

01.03  Barbara Pas (VB): Dank u wel, mijnheer de eerste minister. In tegenstelling tot vorige vragensessies krijg ik vandaag concrete antwoorden.

 

Die kaderwet hadden we inderdaad zien passeren. Dank voor de verduidelijking dat het KB in de interfederale fase zit. We zullen dat verder opvolgen. Ook het voorontwerp over de Nationale Bank bij minister Jan Jambon volgen we verder op.

 

U zegt dat het regeerakkoord te voortvarend is geweest wat het Instituut voor de Nationale Rekeningen betreft. Ik vrees dat het regeerakkoord op nog allerhande vlakken te voortvarend is geweest. Op een aantal van die punten, waarvan ik vrees dat er niet zoveel van in huis zal komen, komen we wellicht in deze vragensessie nog terug.

 

Het Federaal Planbureau zullen we blijven opvolgen, mijnheer de eerste minister. Ik dank u alvast voor het concrete antwoord, want dat is in de commissie voor Grondwet niet altijd uw gewoonte.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De werkzaamheden van de kabinetscel ter voorbereiding van de institutionele hervormingen" (56016213C)

- Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De voorbereidingen voor een nieuwe staatshervorming" (56016433C)

02 Questions jointes de

- Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "Les travaux menés par la cellule chargée de la préparation des réformes institutionnelles" (56016213C)

- Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "Les préparatifs en vue d'une nouvelle réforme de l'État" (56016433C)

 

02.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, ik hoop dat het antwoord op deze vragen even concreet zal zijn. Ik heb u al een aantal keren gepolst omtrent de werkzaamheden, zoals u die in het regeerakkoord hebt gezet, rond de voorstellen in de vorm van wetteksten ter voorbereiding van de bevoegdheidsverdeling, de financieringsregels en de instellingen.

 

De bedoeling was, of is, dat de nieuwe staatshervorming vanaf 2029 gerealiseerd zou worden, maar ondanks verwoede pogingen om daar een en ander over te weten te komen, zijn we nog niet veel wijzer geworden. Men is vooral bezig geweest, meen ik begrepen te hebben, met de voorbereiding en de uitvoering van de opheffing van de Senaat en enkele institutionele details uit het regeerakkoord, maar niet met de voorbereiding van een staatshervorming, wat nochtans conform het regeerakkoord wel de enige opzet is van uw extra kabinetscel daartoe.

 

Recent vond een vraaggesprek plaats met de econoom Ivan Van de Cloot van Stichting Merito, en die verwees, terecht mijns inziens, op het volgende, en ik citeer: "De recente biografie over Volksunietopman Hugo Schiltz leert dat hij jarenlang in de luwte een staatshervorming heeft voorbereid door met honderden mensen te spreken. Hij toetste discreet Waalse politici over de mogelijkheden. Op administraties werkten ambtenaren aan scenario's over de regionalisering van hun bevoegdheden. De institutionele hervorming behoort tot het bevoegdheidspakket van de premier. Hij kan dus die staatshervorming van 2029 voorbereiden. Hij moet er wel zo snel mogelijk mee beginnen. Ook de Vlaamse ministers, zeker die van de N-VA, moeten hun diensten nu al instructies geven om die oefening voor te bereiden. Anders kunnen we nu al voorspellen dat na 2029 een staatshervorming zal falen."

 

Mijnheer de eerste minister, welke initiatieven hebt u al genomen? Gaan die in de zin zoals de heer Van de Cloot het bedoelt? Is uw aanvullende kabinetscel daar al actief mee bezig geweest? Wat heeft die op dat vlak al gedaan? Uit hoeveel personen bestaat de cel momenteel? U zult ons ongetwijfeld kunnen toelichten waar die cel zich de jongste maanden mee heeft beziggehouden.

 

Doet die cel een beroep op deskundigen? Zijn er grondwetspecialisten of experten bij betrokken? Zo ja, over welke thema's?

 

Zeer belangrijk, zijn er al ambtenaren aan het werk gezet om de scenario's voor verdere regionalisering voor te bereiden? Kortom: wat heeft die cel al gedaan en wat gaat ze de komende maanden nog doen?

 

02.02 Eerste minister Bart De Wever: Mevrouw Pas, sta mij toe om uw aanwezigheid te belonen met een politieke bedenking die altijd veel reactie uitlokt. Ik heb zelden een partij zo hard weten aandringen op de voorbereiding van iets waar ze hartsgrondig tegen is. Dat is toch een paradox? Ik moet een staatshervorming voorbereiden, maar uw partij is toch tegen de staatsvorming? Dat heb ik althans altijd zo begrepen: geen staatshervormingen meer, alleen nog Vlaamse staatsvorming. U vraagt mij dus om iets voor te bereiden waar u tegen bent.

 

Dat ik uit uw mond nog lof voor Hugo Schiltz mag vernemen! Nu ontkent u dat, maar u zei dat ik eigenlijk zou moeten doen zoals hij. Dat klinkt toch als lof? U zegt dat hij het beter deed dan ik, want hij ging met de Franstaligen praten. Kunt u zich nog de reacties van de toenmalige Vlaams Nationale Partij herinneren op de gesprekken die Schiltz heeft gevoerd met al die Franstaligen? Men heeft hem daarvoor verketterd, tot in de hel. Ik ben, denk ik, iets ouder dan u. Ik heb daar nog jeugdige herinneringen aan, aan hoe ver dat ging en hoe persoonlijk dat was. Nu zegt u, zoveel jaren later, eigenlijk dat ik moet doen zoals Hugo Schiltz en dat ik die staatsvorming moet voorbereiden. Ik vind dat moeilijk te begrijpen.

 

Ik vind, u weet dat, dat u altijd het ene en het tegenovergestelde zegt in één tussenkomst. Ik kan geen enkele logica meer vinden in de institutionele lijn van uw partij. Is het nu die kookwekker en de onafhankelijkheid? Wilt u een staatsvorming? Wilt u daar dan eigenlijk aan meewerken? Hoe zit dat nu eigenlijk? U zou dat toch eens moeten uitleggen. Voilà, het is toch altijd plezant om met een dergelijke bedenking te beginnen.

 

Nu kom ik tot het antwoord. De institutionele cel bestaat uit drie voltijdsequivalenten. U ziet er hier één van, die dus nog collega’s heeft. Het gaat over twee juridisch-technische profielen en één politieke directeur. Die cel werkt in de eerste plaats aan de uitvoering van de diverse institutionele engagementen uit het regeerakkoord. Dat heb ik al een aantal keer gezegd. Het zijn de dossiers waar ik ook al tig keer toelichting bij heb gegeven in de commissie voor Grondwet.

 

Daarnaast bereidt de cel inderdaad de institutionele hervormingen voor die het regeerakkoord vooropstelt met het oog op een nieuwe staatsstructuur. Die werkzaamheden omvatten ook het uitwerken van juridische teksten en van mogelijke scenario’s. Het lijkt me een werk dat men bij uitstek best in de luwte organiseert. Dat neemt niet weg dat ik uw nieuwsgierigheid begrijp. Ik denk echter dat het zeer contraproductief zou zijn om daar in de openheid over te spreken. Het communautair-institutionele in dit land is zo al moeilijk genoeg.

 

Over de concrete inhoud van die werkzaamheden zal ik dus geen nadere uitspraken doen. Het is een understatement dat de visies van de verschillende partijen hier in het Parlement en dus ook binnen mijn eigen coalitie op de toekomstige staatsstructuur bijzonder sterk uiteenlopen. Ik zal dat niet ontkennen.

 

Het goede nieuws is dat ondertussen iedereen – ik meen dat dat nu echt een algemeen inzicht is en ik word op dat vlak ook niet meer tegengesproken – beseft dat dit land nooit uit de problemen zal komen zonder een grondige institutionele hervorming en dat wij daar vroeg of laat toe zullen moeten overgaan. Vroeg of laat zal toch veeleer vroeg zijn.

 

Wij kunnen nog één saneringsronde aan op entiteit I en dan is het voorbij. De volgende ronde, die toch altijd een ronde in de diepte zal moeten zijn, zal ook een institutionele ronde zijn. Ik stel alleen vast – dit is geen geheim – dat er natuurlijk verschillende oplossingen voor die problemen mogelijk zijn en dat die inzichten in het Parlement, binnen de taalgroepen, tussen de taalgroepen en ook in de coalitie radicaal uit elkaar lopen.

 

Het is daarom dat u altijd op die nagel komt tikken. Ik zou dat ook doen in uw geval. Het is absoluut geen gemakkelijke opdracht om een akkoord over een toekomstige staatsstructuur te vinden.

 

Het is inderdaad nog maar de vraag of dat nog lukt en of in ons bestel ooit de nodige meerderheden kunnen worden gevonden. U kent de grendelgrondwet van het verleden. Het is de vraag of dat nog mogelijk is. Dat zullen wij samen vaststellen. Dat botst echter wel op de realiteit en dat zal toch moeten worden opgelost.

 

Wij naderen ter zake een heel interessant punt in de communautaire geschiedenis van dit land. Dat zal hoe dan ook interessant zijn. Kan daarover nog een akkoord worden bereikt met voldoende draagvlak om in de juiste richting te gaan of is dat niet meer mogelijk? Indien het antwoord ja is, wat is daarvan dan het gevolg? Dat zijn boeiende zaken. Het is een boeiende tijd om op dat vlak aan politiek te doen.

 

De commissie verdient dus een bredere belangstelling dan ze nu krijgt, om dat debat samen met elkaar te voeren. In die zin is het echt goed dat u dat volgehouden blijft opvolgen. Ik weet ook dat u dat niet doet om mij een plezier te doen maar op zich is dat wel lovenswaardig. Wij verschillen daarover enorm van inzicht, zowel strategisch als politiek, maar het is boeiend om dat debat te voeren. Wij zouden dat breder moeten voeren dan tussen ons beiden.

 

Ik ben enigszins losgekomen van mijn tekst en zal mijn spreektijd overschrijden. Mijn medewerker meldt mij dat ik op de ene of andere manier het hele tweede deel van mijn antwoord heb weggegeven in een soort eigen samenvatting. Ik vertrouw op zijn bemerking en kan mijn antwoord effectief wat korter houden door te stellen dat wij wel degelijk in discretie proberen voort te werken. Elk woord heeft hier zijn belang. Wij proberen dat echt te doen.

 

Ik focus effectief wel op het binnenhalen van een aantal zaken waarvan ik van mening ben dat ik ze kan binnenhalen. Ik zal dus geen versnelling en zeker geen openbare daden of verklaringen afleggen over de rest vooraleer ik een aantal werven voldoende heb geconsolideerd als acquis. Die werven zouden wij dan moeten kunnen binnenhalen.

 

Het ene zou het andere kunnen belemmeren, u weet wel hoe dat gaat. Dat is niet uw probleem, dat is uiteraard wel het mijne. Ik vraag er geen begrip voor, dat zult u mij ook niet geven. Ik heb u daarover bij dezen echter ingelicht.

 

Voor de uitvoering van de opdracht hebben we tot heden nog geen beroep gedaan op externe deskundigen. Alle werkzaamheden worden binnen de institutionele cel zelf verricht. Niets sluit uit dat externe expertise op een bepaald moment aangewezen zal zijn. Dat moet u echter een beetje in relatie zien tot wat ik u net vertelde. Op het moment dat men externe expertise inwint, zit men niet meer per definitie in een discrete fase. Daarvan moet men zich rekenschap geven. Op dat moment komt het allemaal op de publieke bühne. Met betrekking tot timing en strategie zult u begrepen hebben hoe ik ernaar kijk.

 

De komende maanden zal de cel de werkzaamheden verder zetten, in eerste instantie om uitvoering te geven aan de concrete punten uit het regeerakkoord. In tweede instantie betreft het de voorbereiding van de institutionele hervorming op lange termijn.

 

02.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de premier, ik dank u voor uw beschouwende inzichten. Ik zal er ook een aantal met u delen. Met betrekking tot staatshervormingen klopt het wat cd&v zegt, namelijk dat u er nog geen enkele op uw conto kunt schrijven.

 

Ik ben geen voorstander van staatshervormingen zoals degene die hier allemaal al zijn gepasseerd. Dat zijn allemaal versnipperde bevoegdheden die verdeeld zijn in ruil voor een heel zware financiële en ook politieke prijs, vooral in Brussel.

 

Ik ben ervan overtuigd dat dit niet het pad is, zoals u zelf aangeeft. U bent immers niet bijzonder optimistisch. U zegt zelf dat het geen eenvoudige opdracht is, dat moet bekeken worden hoe men überhaupt nog tot een akkoord kan komen. Zelfs voor de kleine institutionele kruimeltjes die in dit regeerakkoord staan, is het al nagenoeg onmogelijk om aan een tweederdemeerderheid te geraken en zelfs om binnen uw regering een meerderheid te vinden om die door te voeren. Dat zegt voldoende. Dat strookt met onze analyse. Ik geloof niet dat het binnen een Belgische context überhaupt mogelijk is.

 

Ik heb u een citaat gegeven. Ik ben absoluut geen fan van de politiek van Hugo Schiltz, dat zal u niet verbazen. Ambtenaren aan het werk zetten om scenario's voor te bereiden voor verdere regionaliseringen, ik denk niet dat iemand die het oprecht meent met die regionaliseringen daar tegen kan zijn.

 

Ik vraag u vandaag wat uw voorbereidingen zijn. U bent het die een staatshervorming heeft beloofd aan uw kiezers. Dat was trouwens niet de eerste keer. U hebt dat in 2014 ook al gedaan.

 

Vóór de verkiezingen was het een grote staatshervorming of niets en we hebben niets gekregen. Nu was het confederalisme of niets en we hebben ook niets gekregen. U bent het die dat belooft tegen 2029 en ik heb als parlementslid de taak om de regering te controleren, om te kijken of u uw beloftes nakomt. Tot nog toe is er van de beloftes om een begroting op orde, geen nieuwe belastingen en een staatshervorming te krijgen nog niets in huis gekomen. Ik vraag dus naar uw voorbereidingen om te vernemen of u uw beloftes kunt nakomen, maar u hebt mij helemaal niet gerustgesteld.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De herziening van de protocollaire rangorde" (56016214C)

03 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "La révision de l'ordre de préséance" (56016214C)

 

03.01  Barbara Pas (VB): Ook hierover krijg ik graag een stand van zaken, mijnheer de eerste minister. Het regeerakkoord stelt terecht dat de protocollaire rangorde de verhoudingen tussen de deelstaten en de federale overheid allang niet meer weerspiegelt en dat die zal worden herzien. Het is trouwens niet de eerste keer dat dat in het regeerakkoord staat. Zelfs dat kleine, symbolische kruimeltje kwam er tijdens de vorige legislatuur niet en laat ook nu nog enige tijd op zich wachten.

 

Ik lees in uw regeerakkoord dat de herziening van de protocollaire rangorde prioritair is en bij aanvang van de regeerperiode wordt doorgevoerd. Die aanvang is gepasseerd. Wat is de stand van zaken, mijnheer de premier? Welke wijzigingen zullen er precies worden doorgevoerd en welke plaatsen krijgen de verschillende functies voortaan in die rangorde?

 

03.02 Eerste minister Bart De Wever: Het regeerakkoord voorziet inderdaad in een herziening van de protocollaire rangorde, zodat die beter aansluit bij de institutionele realiteit, zoals die is ontstaan door de opeenvolgende staatshervormingen die u hebt aangehaald en afgekraakt. De bevoegdheden van de deelstaten zijn toegenomen. Ik denk dat iedereen het erover eens is – dit is het goede nieuws – dat dat ook in de protocollaire rangorde moet worden vertaald. Tot zover het goede nieuws. Dat is het uitgangspunt van de hervorming en daar zijn we het over eens. Dat betekent in eerste instantie dat de minister-presidenten van de deelstaten een prominentere plaats zullen innemen, in overeenstemming met hun rol binnen de federale staatsstructuur.

 

Ik zeg dat dat het goede nieuws is, omdat dat eigenlijk niet wordt betwist. Daar zijn we het allemaal over eens. Er komt echter nog heel wat meer bij kijken. De protocollaire volgorde is een heel lange lijst. We hebben die al een paar keer besproken binnen de federale regering, maar ik moet toegeven dat het akkoord nog niet is afgerond en dat er dus nog een aantal haakjes uitgetrokken moeten worden. Ik heb ook vastgesteld dat die oefening voor een aantal betrokkenen op die lange lijst bijzonder gevoelig blijkt te liggen.

 

Ik kan u dus helaas nog geen finaal akkoord aankondigen. Op zichzelf is het een detail. Ik kan dan ook niet vooruitlopen op de concrete plaatsen die bepaalde functies in een toekomstige rangorde zouden innemen. Het goede nieuws heb ik al vermeld. Wat de minister-presidenten betreft, is er eensgezindheid over dat die een prominentere plaats zullen innemen.

 

Ik hoop dat ik daar binnenkort meer over kan vertellen, al denk ik dat ik me de komende weken met iets anders zal moeten bezighouden, maar hopelijk kort daarna.

 

03.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de premier, u noemt het een detail. Het zijn inderdaad niet de zware institutionele zaken. Die staan ook niet in uw regeerakkoord voor deze legislatuur. Als zelfs dit zo lang op zich laat wachten, als zelfs dit zo gevoelig ligt dat er na twee legislaturen nog altijd ‘haakjes’ zijn die er niet uit raken, dan wens ik u zeer veel succes met de echte hervormingen, met de staatshervormingen. Dat iemand denkt dat die nog zullen lukken als zelfs zulke details niet lukken, begrijp ik niet.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De stand van zaken m.b.t. het invoeren van een betaalde Vlaamse feestdag" (56016215C)

04 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "Le point sur l'instauration d'un jour de congé payé pour la fête de la Communauté flamande" (56016215C)

 

04.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, dit is nog zo'n dossier dat al sinds de vorige legislatuur meegaat en ook in het federaal regeerakkoord staat, namelijk de mogelijkheid voor de deelstaten om van hun eigen feestdag een officiële feestdag te maken. Dit jaar hebben we dat nog niet verworven.

 

Mijn collega in het Vlaams Parlement, Klaas Slootmans, heeft de Vlaamse minister-president daarover ondervraagd. Uit zijn antwoord kon ik vernemen dat u op 23 maart, meer dan een jaar na uw aantreden als eerste minister, een officiële brief hebt gestuurd met de vraag of de Vlaamse regering van die mogelijkheid wil gebruikmaken. Hij zou u geantwoord hebben dat dat effectief het geval is en dat zijn voorkeur uitgaat naar een gemeenschapsinvulling. Het moet inderdaad de bedoeling zijn dat die feestdag voor alle Vlamingen een betaalde feestdag is, ook voor de Brusselse Vlamingen. Daar ben ik het volkomen mee eens. Dat geldt ook voor de Vlamingen die in Brussel werken.

 

In tegenstelling tot wat wordt voorgehouden, is dat niet zo moeilijk, bijvoorbeeld als men zich daarvoor baseert op de taal van het arbeidscontract van de werknemers.

 

Ik neem aan dat u die brief ook naar de andere deelstaten hebt gestuurd. Misschien zijn ze daar iets minder enthousiast om u te antwoorden. Allicht kunt u een rappel sturen, mocht u nog geen antwoord hebben gekregen. Ik neem ook aan dat u niet hoeft te wachten op de instemming van de andere deelstaten om daarvan al werk te maken voor Vlaanderen.

 

Hebben ook andere deelstaten al te kennen gegeven dat ze belangstelling hebben voor de invoering van een dergelijke betaalde feestdag? Hebben ze ook eventuele voorkeuren uitgesproken?

 

Wordt er gewerkt aan een regeling waarbij de Vlamingen die in Brussel wonen en de Vlamingen die in Brussel werken, net als alle andere Vlamingen, 11 juli als betaalde feestdag zullen krijgen? Dat is immers niet de piste die de vorige regering heeft bewandeld.

 

Is er daarover op alle punten een akkoord binnen de federale regering? Waar liggen de knelpunten als dat nog niet het geval is?

 

Wordt er een aparte regeling uitgewerkt voor de Vlaamse deelstaat, om niet op de andere deelstaten te hoeven wachten als daar enige onwil zou bestaan?

 

Graag krijg ik een stand van zaken, mijnheer de premier.

 

04.02 Eerste minister Bart De Wever: Mevrouw Pas, u vraagt naar een stand van zaken. De regelgeving inzake feestdagen behoort tot het arbeidsrecht en is dus een federale bevoegdheid. In uitvoering van het regeerakkoord heb ik opdracht gegeven om de deelstaten te bevragen over hun belangstelling met betrekking tot de invoering van een eigen regionale feestdag.

 

De Vlaamse regering en de regering van de Duitse gemeenschap hebben daarop positief gereageerd. De Waalse regering en de Brusselse Hoofdstedelijke regering daarentegen hebben laten weten geen of voorlopig geen gebruik te willen maken van die mogelijkheid als er daarvoor een regeling zou worden ontworpen. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dat opmerkelijk, aangezien het Gewest eerder publiekelijk de wens had geuit om 8 mei als een officiële feestdag te erkennen.

 

De invoering van een regionale feestdag kan binnen het federaal wettelijk kader evenwel ook asymmetrisch worden georganiseerd. Het is dus niet vereist dat alle deelstaten van die mogelijkheid gebruikmaken omdat een of meerdere deelstaten dat doen, maar het maakt het wel veel ingewikkelder om het effectief georganiseerd te krijgen. Er zijn daaraan ook competitiviteitsaspecten verbonden. Ik denk niet dat dit het moment is om extra feestdagen te creëren. Als men op federaal niveau geen akkoord kan vinden om het allemaal te doen, zal men dus ook geen akkoord vinden over welke feestdag men dan vervangend zou laten verdwijnen om de regionale feestdagen te compenseren. Het debat wordt dus veel moeilijker; daarmee worden we geconfronteerd.

 

Ik kan u dus helaas niet zeggen dat we binnen de federale regering al een akkoord hebben bereikt over de concrete modaliteiten van die hervorming. Die besprekingen lopen nog. Zolang daarover geen definitief akkoord bestaat, zal ik niet vooruitlopen over de precieze wijze waarop die regeling zou kunnen worden uitgewerkt en dus ook geen details geven over de verschillende opinies die daarover bestaan. Ik begrijp dat u die vraag stelt en daarop een antwoord wilt, maar ik hoop dat u begrijpt dat als ik dat antwoord zou geven, de oplossing voor die kwesties wellicht verder af zou zijn dan ooit.

 

04.03  Barbara Pas (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de eerste minister. Het is niet omdat de andere deelstaten niet willen, dat Vlaanderen daarop moet wachten, ook al is het ingewikkelder. Moeilijk gaat ook. Het is opgenomen in het regeerakkoord, dus als één deelstaat vragende partij is, reken ik erop dat u dat voor die deelstaat ook mogelijk maakt.

 

Het is jammer dat u de richting nog niet aangeeft of dat al dan niet gemeenschapsinvulling zal zijn. Voor het opnieuw 11 juli wordt, zal ik echter aan uw mouw trekken om een stand van zaken te krijgen, zodat u uw regeerakkoord ten minste kunt uitvoeren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De herziening van de samenwerkingsakkoorden van 1994" (56016216C)

05 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "La révision des accords de coopération de 1994" (56016216C)

 

05.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, ook de herziening van de samenwerkingsakkoorden van 1994 staat in uw regeerakkoord. Het is een van de vier institutionele zaken die u bij aanvang van de regeerperiode zou aanpakken. Het woord aanvang is zeer rekbaar, maar uit het feit dat het nog niet gebeurd is, kan ik toch alleen maar afleiden dat zelfs dit een moeilijke bevalling blijkt te zijn.

 

De vorige keer dat ik u daarover ondervroeg, was de stand van zaken dat het dossier zich in een interfederale fase bevond. U zei toen voorzichtig optimistisch te zijn. Mijn vraag is dus of dat voorzichtig optimisme nog steeds aanwezig is, mijnheer de eerste minister. Loopt de interfederale fase nog steeds? Kunt u preciseren wat dat precies inhoudt? Wat is de stand van zaken, waar liggen de knelpunten en wat onderneemt u om die uit de weg te ruimen?

 

Wat volgt er na die interfederale fase? Hoever staat u daarmee? Wanneer mogen we dit in het Parlement verwachten?

 

05.02 Eerste minister Bart De Wever: Alles is een moeilijke bevalling in dit land, zeker het institutionele, maar optimisme is naar verluidt een morele plicht.

 

Zoals u weet, verwijst de containerterm ‘samenwerkingsakkoorden van 1994’ naar een cluster van interfederale akkoorden tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten over de verschillende aspecten van het buitenlands beleid. Het gaat daar onder meer over ten eerste afspraken over onze samenwerkingen met het buitenland, ten tweede onze vertegenwoordiging in de Raad van de Europese Unie en bij internationale organisaties en ten derde de coördinatie die daarvoor nodig is. Dat is waar het inhoudelijk over gaat.

 

Ik kan u melden dat intussen alle relevante akkoorden voorliggen voor herziening en dat die herziening inderdaad zoals het hoort op interfederaal niveau gebeurt. De gewesten en gemeenschappen zijn volwaardige betrokken partijen. Het spreekt dus voor zich dat een akkoord alleen tot stand kan komen als alle entiteiten zich daarin kunnen vinden. Van een moeilijke bevalling gesproken: alle entiteiten moeten akkoord gaan.

 

We starten gelukkig niet van nul. We bouwen voort op de basisteksten die er zijn, maar ook op eerdere oefeningen, sneuvelteksten en expertenrapporten, die in het verleden nooit tot een finaal resultaat hebben geleid. Het is en blijft onze ambitie om die impasse te doorbreken en hopelijk deze keer tot een gedegen resultaat te komen.

 

Na 30 jaar weerspiegelen de akkoorden – en dat is dan misschien het goede nieuws, daar is iedereen het over eens – niet meer de institutionele realiteit na de opeenvolgende staatshervormingen. Ze laten ook niet toe om ten volle in te spelen op een sterk veranderde internationale en Europese context, op de manier waarop wij onszelf zouden willen presenteren in die context.

 

U behoeft wellicht geen tekening bij de gevoeligheid van het dossier. We slepen hier een zeer lange voorgeschiedenis mee en botsen onvermijdelijk op uiteenlopende visies, niet zozeer binnen de coalitie, maar wel tussen al die entiteiten. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is trouwens een van die entiteiten. U behoeft daar toch geen tekening bij.

 

Op uw vraag naar de knelpunten kan ik u geen exhaustieve lijst bezorgen. Ik zou dat misschien wel kunnen, maar dat lijkt me onverstandig omdat die gesprekken nog lopen. Die knelpunten verschillen ook per akkoord. In essentie gaat het echter altijd over hetzelfde spanningsveld: een evenwicht tussen de institutionele logica van de bevoegdheidsverdeling enerzijds – het principe van in foro interno, in foro externo – en anderzijds de behoefte aan een efficiënte, werkbare en toekomstbestendige afspraak over die vertegenwoordiging en samenwerking.

 

Wat volgt er na de interfederale fase? Zodra we over voldoende politieke consensus beschikken en de teksten op alle niveaus worden afgeklopt, worden ze formeel gevalideerd en voorgelegd aan de gepaste overlegorganen ter goedkeuring. De exacte route verschilt per akkoord waarover we het hier hebben.

 

Op de vraag wanneer u die hernieuwde akkoorden precies mag verwachten, moet ik eerlijk zeggen dat ik u daar geen datum voor kan meegeven. De timing hangt rechtstreeks af van de snelheid waarmee we interfederaal tot een evenwicht komen. Het zou niet verstandig en ook niet realistisch zijn om daar een deadline op te kleven, al is het maar omdat ik vermoed dat sommigen die deadline dan zullen beschouwen als iets wat absoluut niet gehaald mag worden. Dat zou het zoeken naar consensus, dat op zich al aartsmoeilijk is, nog wat moeilijker kunnen maken.

 

De vorige keer heb ik gezegd dat ik voorzichtig optimistisch ben. Dat blijft vandaag mijn uitgangspunt. Ik spreek van voorzichtig, omdat alle eerdere pogingen hebben aangetoond hoe snel we in een blokkering van het hele pakket kunnen verzeild raken of het debat volledig kan ontsporen, maar ik ben ook optimistisch, omdat er nu toch een politieke erkenning is – een duidelijke erkenning, op alle banken – dat de akkoorden van 1994 echt niet meer volstaan. We doen onszelf daar allemaal gewoon pijn mee. De teksten liggen ondertussen ook effectief op tafel binnen de bestaande overlegkaders. We zullen zien waar we uiteindelijk uitkomen.

 

05.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, u legde de klemtoon op het feit dat de problemen vooral bij de andere entiteiten liggen en niet zozeer binnen de eigen coalitie. Daaruit mag ik concluderen dat de minister van Buitenlandse Zaken ter zake van standpunt is veranderd, want in zijn vorige beleidsnota had hij op dat vlak nog niet veel ambitie. Ik kijk dan ook bijzonder uit naar zijn beleidsnota die er dit jaar aankomt.

 

U hebt vandaag op mijn eerste vraag geantwoord dat het regeerakkoord voortvarend was. Van de vier samenwerkingsakkoorden is er een in uw regeerakkoord opgenomen waarvan u hebt geschreven dat het bij de aanvang van de regeerperiode zou worden uitgevoerd. Die timing was nog het meest voortvarend van allemaal. U durft immers zelfs geen timing te plakken op iets wat eigenlijk al lang herzien had moeten zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van Werner Somers aan Bart De Wever (eerste minister) over "De ideeën van Bouchez over de institutionele integratie van Brussel en Wallonië" (56017641C)

06 Question de Werner Somers à Bart De Wever (premier ministre) sur "Les idées de M. Bouchez relatives à l'intégration institutionnelle de Bruxelles et de la Wallonie" (56017641C)

 

06.01  Werner Somers (VB): Mijnheer de eerste minister, ik heb een korte vraag over de uitspraken of voorstellen van Georges-Louis Bouchez, voorzitter van de MR, eind juni in een interview, waarbij hij een lans brak voor wat hij een Franstalige federatie noemde. Hij pleit ervoor dat het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de meeste bevoegdheden samen zouden uitvoeren. Hij noemt als voorbeelden internationale bevoegdheden, economisch beleid, mobiliteit, werkgelegenheid en allerlei ondersteunende diensten. Nog opvallender is dat hij die federatie tot stand wil brengen door middel van samenwerkingsakkoorden tussen die twee gewesten en dus niet op de klassieke manier, via het verkrijgen van de vereiste bijzondere meerderheden. De Nederlandstaligen in Brussel moeten zich volgens de heer Bouchez maar aanpassen aan de nieuwe realiteit.

 

Mijnheer de eerste minister, deelt u de analyse van de heer Bouchez dat een verregaande institutionele integratie van Wallonië en Brussel wenselijk is? Is het aanvaardbaar dat een dergelijk verband tot stand komt via samenwerkingsakkoorden, dus zonder bijzondere meerderheden? Kunt u bevestigen dat de federale regering tijdens deze legislatuur geen enkele medewerking zal verlenen aan initiatieven die in de richting gaan van een institutionele versmelting van Brussel en Wallonië?

 

06.02 Eerste minister Bart De Wever: Het correcte antwoord op uw vragen is dat ik daar helemaal niet op moet antwoorden. Ik zit hier als eerste minister, niet als partijman. Als partijvoorzitters commentaren op de werkelijkheid geven, kunt u mij daarover bevragen, maar uiteraard kan ik daar als eerste minister niets over zeggen. Ik kan hier alleen regeringsstandpunten verduidelijken en initiatieven die we binnen de meerderheid nemen verdedigen of uitleggen of vragen daarover beantwoorden. Ik heb uiteraard mijn bedenkingen bij de zaken waarover partijvoorzitters allemaal menen te moeten spreken. Als eerste minister kan ik daar evenwel niets over zeggen. Dat is de disclaimer die ik wil uitspreken, vooraleer ik een paar beschouwingen geef, maar dat zijn eigenlijk politieke beschouwingen die waard zijn wat ze waard zijn.

 

Het valt mij op dat er institutionele pistes worden verkend. Op zichzelf is dat natuurlijk niet slecht, omdat het een erkenning is van het feit – dat is het vorige debat dat we met mevrouw Pas hebben gehad – dat de klassieke institutionele wegen niet meer voldoen en dat die ook ondoordringbaar zijn geworden. Het is op zichzelf een positieve vaststelling dat dat debat overal leeft. Ik zeg niet dat men enthousiast moet zijn over wat men allemaal zegt, maar dat men daarmee bezig is, is niet verkeerd.

 

Dat men in Wallonië nadenkt over een betere, nauwere samenwerking met Brussel, is op zichzelf niet verbazend, want ook wij in Vlaanderen doen eigenlijk niet anders: vanuit onze eigen autonomie, die Vlaams is opgebouwd, ook kijken hoe we de band met Brussel zo sterk mogelijk kunnen houden.

 

De institutionele architectuur van dit land biedt de deelstaten ook de mogelijkheid om onderling samen te werken via samenwerkingsakkoorden. Het staat elke deelstaat vrij om daarvan gebruik te maken binnen het bestaande grondwettelijke kader. Dat partijvoorzitters daarover reflecteren, is op zich niet verkeerd. Daar heb ik ook niks op te zeggen, behalve misschien het volgende. Een samenwerkingsakkoord is een samenwerkingsakkoord. Dat kan men voor van alles gebruiken, maar niet om het institutionele kader te wijzigen, noch om dat te omzeilen. Een samenwerkingsakkoord kan geen bevoegdheden creëren waarover overheden niet beschikken. Een samenwerkingsakkoord kan geen afbreuk doen aan de grondwettelijke en bijzondere wettelijke waarborgen die de staatsstructuur kenmerken. Dat geldt in het bijzonder voor Brussel. Van de institutionele evenwichten die in het verleden in Brussel zijn opgebouwd mag men denken wat men wil. Dat is het verleden, maar die zijn er wel en die behoren tot de meest fundamentele evenwichten die in de Grondwet en in de bijzondere wetgeving zijn verankerd, en geen enkel samenwerkingsakkoord van geen enkele entiteit kan daaraan afbreuk doen.

 

Daarmee heb ik een paar beschouwingen gegeven waarmee ik toch enigszins op uw bedenkingen heb geantwoord.

 

06.03  Werner Somers (VB): Mijnheer de premier, ik dank u voor uw antwoord. Ik begrijp uiteraard dat u zich niet hoeft uit te spreken over uitlatingen van een partijvoorzitter, maar het gaat mij hier om de pistes die hij naar voren schuift en ik wilde van u vernemen wat u daarvan vond.

 

U zegt terecht dat men via samenwerkingsakkoorden geen wijziging kan aanbrengen aan de bevoegdheidsverdelingen in dit land en ook geen afbreuk kan doen aan waarborgen voor bijvoorbeeld de Nederlandstaligen in Brussel. Ik wilde van u vernemen of dit voor u een rode lijn is, want wat de heer Bouchez bepleit, gaat toch wel verder dan wat men in Vlaanderen doet. In Vlaanderen probeert men via de gemeenschapsbevoegdheden de Nederlandstalige aanwezigheid in Brussel te bevorderen en heeft men dus op institutioneel vlak een overlapping van structuren. Als rechtspersoon bestaat de Vlaamse Gemeenschap natuurlijk nog wel naast het Vlaams Gewest, maar ze maken gebruik van dezelfde instellingen en structuren. Dat zou men ook kunnen doen aan de Franstalige zijde, maar wat Bouchez bepleitte ging wel veel verder en gaat in de richting van die onwettige benaming waarop u terecht al eens hebt gewezen in antwoord op mijn vraag, namelijk dat die niet langer zou mogen worden gebruikt door de federale instellingen. Dat idee van Wallo-Brux, van die federatie van Wallonië en Brussel, waarbij de Nederlandstaligen in Brussel volledig weggedacht worden, is onaanvaardbaar en ik hoop dat u zich daar ook tegen zult verzetten wanneer het institutionele gesprek zal worden aangegaan.

 

Het mag dan misschien wel positief zijn dat ook de Franstaligen beseffen dat er aan onze staatsstructuur moet worden gesleuteld, maar ik hoop toch wel dat bepaalde rode lijnen daarbij ook zullen gelden. Dat zou een voorbeeld zijn van een staatsvervorming waar wij als Vlaams Belang niet achter staan, in tegenstelling tot andere denkbare staatsvervormingen die nuttige tussenstappen op weg naar Vlaamse onafhankelijkheid kunnen vormen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van Werner Somers aan Bart De Wever (eerste minister) over "De toekomst van de taalfaciliteiten" (56018096C)

07 Question de Werner Somers à Bart De Wever (premier ministre) sur "L'avenir des facilités linguistiques" (56018096C)

 

07.01  Werner Somers (VB): Mijnheer de eerste minister, deze vraag gaat over een thesis, die een student aan de Universiteit van Antwerpen heeft geschreven, over de toepassing van de taalfaciliteiten in de taalgrensgemeenten. Hij heeft gedurende vijf jaar meer dan 10.000 officiële communicatie-uitingen onderzocht. Zijn conclusie is opvallend, maar misschien niet verrassend. Aan Vlaamse zijde worden de faciliteiten correct toegepast en wordt er ook in het Frans gecommuniceerd, maar aan Waalse zijde is het Nederlands vaak totaal afwezig in gemeentelijke magazines, op sociale media en zelfs in crisiscommunicatie. Ook de handhaving van de taalwetgeving blijkt grotendeels afhankelijk te zijn van toevallige klachten, waardoor een sterk ongelijke toepassing van de wet ontstaat. Wanneer men zich naar Vloesberg of Edingen begeeft, dan is de kans groot dat men van een kale kermis thuiskomt wanneer men daar een ambtenaar probeert te spreken die een gebenedijd woord Nederlands kent, terwijl dat aan Vlaamse zijde toch helemaal anders is.

 

Dat bevestigt eigenlijk dat de faciliteiten, die destijds bedoeld waren als een uitdovende overgangsmaatregel en die anderstaligen, Franstaligen in Vlaanderen en Nederlandstaligen in Wallonië, in staat moesten stellen om zich geleidelijk aan te passen aan de streektaal, hun doel voorbij zijn geschoten. In Vlaanderen zijn ze een grote verfransingsmachine gebleken, hetzelfde trouwens in de randgemeenten rond Brussel. In Wallonië wordt er nauwelijks van gebruikgemaakt, omdat de Vlamingen zich inderdaad hebben aangepast, of niet genoeg op hun strepen staan, zo zou men het ook kunnen formuleren.

 

Mijnheer de eerste minister, erkent u dat de huidige regeling van de taalfaciliteiten haar doel voorbijgeschoten is, steeds opnieuw aanleiding geeft tot conflicten en tot een ongelijke toepassing van de taalwetgeving?

 

Bent u bereid om in het kader van de aangekondigde institutionele hervormingen ook de afschaffing van de taalfaciliteiten op de politieke agenda te plaatsen? U hebt daar in het verleden al een paar keer voor geijverd.

 

Bent u bereid om de nodige stappen te zetten, waardoor er één duidelijke en consequente taalregeling aan beide zijden van de taalgrens zou gelden en zou worden toegepast?

 

07.02 Eerste minister Bart De Wever: Mijnheer Somers, het klopt alleszins dat de faciliteiten destijds zijn ingevoerd als een uitzonderlijke en in de tijd beperkte maatregel met het oog op de integratie van anderstaligen in een principieel eentalige context. Onder die omstandigheden zijn ze ingevoerd.

 

Ik meen te mogen stellen dat er destijds niet veel geloof werd gehecht aan de mogelijkheid dat het zo zou uitdraaien. Een en ander is in Vlaanderen ingeslagen als een bom. Dat mag u vrij letterlijk nemen, want toen is er een bomaanslag gepleegd in de nacht dat de maatregel in het Parlement is goedgekeurd. Dat is in de communautaire geschiedenis van dit land gelukkig een heel uitzonderlijke gebeurtenis geweest. Dat gebeurde hier vlakbij, bij de Congreskolom. In Vlaanderen was er dus al niet erg veel geloof dat het in die richting zou uitdraaien. De historische feiten hebben ook uitgewezen dat een en ander effectief niet is uitgedraaid zoals het was geconcipieerd. U hebt er wel gelijk in als u zegt dat het zo was geconcipieerd.

 

In eerdere antwoorden heb ik al aangegeven dat wij moeten vaststellen dat de faciliteiten in de praktijk niet het beoogde integratie-effect hebben gerealiseerd en in bepaalde gemeenten daarentegen lijken te hebben bijgedragen tot de bestendiging van bestaande taaldynamieken.

 

Los van het debat over de toekomst van de faciliteiten, waarbij ik er toch opnieuw op wil wijzen dat u stelt dat een afschaffing ervan een nuttige staatsvorming en een logische stap zou zijn, wil ik het volgende opmerken. Mevrouw Pas heeft net de zaal verlaten, maar zij heeft mij letterlijk voor de voeten geworpen dat ik toch niet echt geloof dat ik ooit nog nuttige akkoorden zal kunnen maken.

 

Wat is het nu eigenlijk? Gelooft u in nuttige tussenstappen? Moeten wij, zoals Hugo Schiltz, investeren om daarover te praten, of heeft dat geen enkele zin meer? U verklaart alles en het tegenovergestelde in één parlementaire sessie. Dat vind ik een interessant debat. Wie klaarheid vraagt, moet ook klaarheid geven.

 

Los daarvan meen ik dat het effectief heel erg moeilijk of zelfs onmogelijk zal zijn om hic et nunc de benodigde meerderheid te vinden om de faciliteiten af te schaffen of aan te passen. Die meerderheid is immers ongelooflijk gebetonneerd in de bijzondere wetgeving.

 

Ik heb u in alle vorige antwoorden aangegeven dat wij het daar politiek over eens zijn, maar dat ik het in de huidige context niet denkbaar acht dat wij tot een nuttige tussenstap kunnen komen. Dat is helaas niet het geval en ik betreur dat.

 

07.03  Werner Somers (VB): Mijnheer de eerste minister, bedankt voor uw antwoord. Uiteraard begrijp ik uw standpunt, maar dat bewijst ook waarom België nooit kan werken. Dat geldt niet alleen voor de taalfaciliteiten die, zoals u toegeeft, eigenlijk een verfransingsmachine zijn geweest en die leiden tot een onrechtvaardige asymmetrie. In Wallonië worden ze niet toegepast, in Vlaanderen wel. Misschien moeten ze dan in Vlaanderen ook maar niet worden toegepast. Misschien is dat de oplossing, maar u zult het met mij eens zijn dat er in België eigenlijk geen nuttige hervormingen meer kunnen plaatsvinden.

 

Dat sluit trouwens naadloos aan bij mijn volgende vraag, over fiscale autonomie. Ook daar botst u wellicht op bepaalde grenzen van het Belgische model.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van Werner Somers aan Bart De Wever (eerste minister) over "Het pleidooi van Vlaams minister-president Diependaele voor fiscale autonomie naar Baskisch model" (56018137C)

08 Question de Werner Somers à Bart De Wever (premier ministre) sur "Le plaidoyer du ministre-président flamand Diependaele pour l'autonomie fiscale sur le modèle basque" (56018137C)

 

08.01  Werner Somers (VB): Ik zal het kort proberen te houden. Uw Vlaamse ambtsgenoot, minister-president Diependaele, heeft naar aanleiding van de Vlaamse feestdag op 11 juli gepleit voor het zogenaamde Baskische model. Dat komt erop neer dat de deelstaten alle belastingen op hun grondgebied zelf innen en vervolgens een bepaald percentage van de opbrengst doorstorten naar het nationale niveau. Dat is dus een vorm van echte fiscale autonomie.

 

Die gedachte sluit aan bij een kritiek die al langer wordt geuit op de huidige bijzondere financieringswet. Er vloeien namelijk heel wat middelen naar de deelstaten; in de loop van de tijd zijn er steeds meer bevoegdheden overgeheveld naar de deelstaten. De deelstaten innen zelf een aantal belastingen, maar uiteindelijk komt het gros van hun inkomsten nog altijd uit de opbrengst van federaal geïnde belastingen, die vervolgens worden doorgesluisd: dat zijn dan de befaamde dotaties. Daardoor is er onvoldoende financiële verantwoordelijkheid voor het eigen beleid en de eigen uitgaven.

 

Deelt u de analyse van de heer Diependaele, namelijk dat een model waarbij de deelstaten alle belastingen innen en vervolgens het federale niveau financieren, de meest verregaande vorm van fiscale autonomie is? Is zo'n model volgens u wenselijk voor een toekomstige staatshervorming? Bent u bereid om daarover al deze legislatuur het debat aan te gaan? Zo niet, welke vorm van fiscale autonomie moet volgens u dan wel het einddoel zijn van een volgende staatshervorming?

 

08.02 Eerste minister Bart De Wever: Ik zal misschien beginnen met dezelfde disclaimer, maar dan deze keer vis-à-vis entiteit II. U kunt me eigenlijk niet ondervragen over wat partijvoorzitters zeggen, want dat is geen voorwerp van regeringsbeleid. Hetzelfde geldt voor wat een minister-president zegt. Het is deze keer iemand die dicht bij mij staat, terwijl het de vorige keer iemand was die iets zei waar ik het niet mee eens ben. Ik zeg in hierover hetzelfde, in alle eerlijkheid en transparantie.

 

Na die disclaimer geef ik u echter een paar beschouwingen mee waaruit zal blijken dat ik het uiteraard wel eens ben met wat de Vlaamse minister-president heeft gezegd, voor wat het waard is. Ik kan dat niet als eerste minister zeggen, maar ik zeg het u: ik ben het ermee eens dat het Baskisch model een verregaande vorm van fiscale autonomie is.

 

Er zijn nog andere modellen denkbaar. Ook in federale staten zoals Zwitserland, Canada en de Verenigde Staten beschikken deelstaten over fiscale bevoegdheden, zij het volgens een andere systematiek. Anders dan in het Baskisch model beschikken daar zowel het federale niveau als de deelstaten over substantiële eigen fiscale bevoegdheden en inkomsten. Fiscale autonomie wordt immers niet alleen bepaald door de vraag wie belastingen int – dat is zelfs niet het belangrijkste, denk ik – maar vooral door wie beslist over de belastbare grondslag, de tarieven, de vrijstellingen en de modaliteiten van een belasting. Daar zit de echte sleutel.

 

Hebben we een akkoord in de coalitie om dat te wijzigen? In de verste verte niet. Als u morgen in het Parlement de nodige meerderheid op de been wilt brengen om dat te organiseren, bonne chance. Mevrouw Pas zei daarover trouwens – ik herhaal het – om te vergeten dat we daar ooit tot iets zullen kunnen komen. Stel dat men daar wel in gelooft, dan is de vraag: hoe zou men daar nu toe kunnen komen? Ik heb het eigenlijk al gezegd: ik denk dat we daar door noodzaak toe zullen komen.

 

Er is namelijk wel één punt waar stilaan iedereen het over eens is. Ik zei dat al een paar keer. Ik wacht op degene die me tegenspreekt, maar ik heb die eigenlijk nog niet gehoord, op geen enkele bank, behalve de PVDA misschien, maar die mensen zijn hier nu niet, of ze luisteren misschien nooit naar dat soort dingen. Zij zouden me misschien nog kunnen tegenspreken. Voor de rest heb ik eigenlijk geen tegenspraak meer genoteerd wat betreft de simpele vaststelling dat het huidige fiscale financieringsstelsel onhoudbaar is geworden. Het saneren van dit land tot het niveau van, laten we zeggen, Noordwest-Europese gezondheid kan niet zonder dat we vroeg of laat dit debat ook aanvatten. Dat gaat gewoon niet anders meer.

 

Iedereen zegt daarover wel dat dat juist is, maar in welke richting moet het dan gaan? Dat is een infernaal debat waarvan nog zal moeten blijken of we eruit geraken. Dat we dat debat zullen moeten aanvatten, lijkt mij echter heel dichtbij te komen in de zeer nabije toekomst.

 

U vraagt of er eensgezindheid is. Op die vraag is het antwoord "noppes." Een noodzaak is er des te meer.

 

U vraagt ook naar mijn opinie. We vind effectief dat we moeten streven naar meer fiscale autonomie en responsabilisering van de deelstaten en de federale overheid. Wie bevoegd is om beleid te voeren, moet ook verantwoordelijk zijn voor de financiering van dat beleid en voor de budgettaire consequenties van alle keuzes die men maakt. Zolang dat niet het geval is, staat eender wie op mijn stoeltje zit – en dat is geen lolletje – voor de consolidatie van wat andere mensen doen en waarop men geen impact heeft. Dan moet men die kaft sluiten en aan Europa overhandigen, waar men vervolgens de karwats op het hoofd krijgt. Er is geen hiërarchie der normen, en dat willen wij ook niet. Dat zou een oplossing zijn, maar dat willen wij bijvoorbeeld niet. Dat wilt u evenmin. Er zal wel iets anders in de plaats moeten komen, want zoals het nu loopt – en dat is een punt van eensgezindheid – kunnen wij niet verder.

 

Daarmee heb ik toch een aantal beschouwingen gegeven waarmee u iets kunt aanvangen.

 

08.03  Werner Somers (VB): Mijnheer de eerste minister, onze analyse loopt voor een stuk gelijk. Uiteraard willen wij dat België zo snel mogelijk verdwijnt. Als nuttige tussenstappen willen wij dat de bevoegdheden verder worden overgedragen aan de deelstaten. Zolang er iets als België bestaat, moet België echter worden gefinancierd. De Belgische federale overheid heeft momenteel immers nog een aantal belangrijke bevoegdheden, zoals justitie.

 

U kent de analyse voldoende. Ik kan volstaan door te verwijzen naar wat Quintin Jacobs in zijn boekje over het betonnen beleid schrijft. Er moet zodanig diep worden gesaneerd dat er geen geld meer overblijft voor de federale kerntaken. Dus inderdaad, heel die financiële architectuur van de Belgische Staat moet grondig worden herbekeken.

 

Er zijn verschillende modellen mogelijk, tenminste in afwachting van mijn grote droom, namelijk de Vlaamse onafhankelijkheid. Misschien is dat ook nog steeds uw droom, dat kan ik moeilijk beoordelen. Dat zou inhouden dat er een totale herziening van het model komt. Men kan dat het Baskische model noemen. In dat model innen Vlaanderen en de andere deelstaten – wat mij betreft Vlaanderen en Wallonië, zonder Brussel, en eventueel een Duitstalige entiteit – dan zelf alle belastingen op hun grondgebied. Ze innen die niet alleen, maar – zoals u terecht zegt – bepalen ze ook de belastinggrondslag, de modaliteiten van de belasting, de vrijstellingen, de verminderingen enzovoort. Vervolgens wordt de financieringsbehoefte van de federale overheid op een objectieve manier bepaald en wordt die financieringsbehoefte verdeeld over de verschillende deelstaten.

 

Er zijn ook andere modellen denkbaar. Zoals u zei, kan elke overheid ook zelf belastingen innen die volstaan om de eigen bevoegdheden te financieren, en bestaan er daarnaast dan wel nog bepaalde federale belastingen.

 

U zou kunnen overwegen om bijvoorbeeld de personenbelastingen volledig naar de deelstaten over te hevelen.

 

Zoals we nu bezig zijn, is het echter een utopie om de Belgische staatsfinanciën gezond te maken. In de lijn van uw eigen woorden en zoals de Nederlanders het formuleren, zal de wal wellicht het schip keren. Vroeg of laat zal het debat over de herziening van de bijzondere financieringswet wel moeten worden aangegaan. In het andere geval gaan we immers allemaal de dieperik in.

 

Zoals de voorzitter van de Nationale Bank van België heeft aangegeven, dreigen we af te stevenen op Griekse toestanden en zullen de internationale markten de zaak in onze plaats beslechten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen nr. 56018857C, nr. 56018858C, nr. 56018859C, nr. 56018860C en nr. 56018861C van mevrouw Pas worden schriftelijk behandeld.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.09 uur.

La réunion publique de commission est levée à 12 h 09.

 

Schriftelijk behandelde mondelinge vragen

Questions orales traitées par écrit

 

De antwoorden werden door de eerste minister bezorgd.

Les réponses ont été fournies par le premier ministre.

 

09 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De voortgang met betrekking tot de afschaffing van de Senaat" (56018857C)

09 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "L'état d'avancement de la suppression du Sénat" (56018857C)

 

Op 2 juli 2026 stemde de Kamer een ontwerp tot herziening van artikel 195 van de Grondwet, met het oog op de afschaffing van de Senaat. In principe is daarmee de weg vrij om over te gaan tot de tweede fase van de afschaffing ervan, met name de opheffing of wijziging van de artikelen van de Grondwet die op de instelling zelf betrekking hebben.

 

Dit vereist echter vooreerst een publicatie in het Belgisch Staatsblad van het ontwerp dat op 2 juli door de Kamer werd gestemd. Opzoeking in de zoekmachine van de FOD Justitie met betrekking tot het Belgisch Staatsblad leert echter dat die publicatie nog steeds niet gebeurd is.

 

Een en ander hangt er wellicht mee samen dat de regering die publicatie tegenhoudt omwille van onenigheid binnen de regering zelf over het verder uitrollen van het (grond)wetgevingsproces om de Senaat af te schaffen. Dat heeft dan wellicht weer verband met een aantal extra eisen die door een aantal Franstalige meerderheidspartijen werden gesteld tijdens de parlementaire besprekingen om het proces verder zijn gang te kunnen laten gaan.

 

Het regeerakkoord bepaalt nochtans, zonder verdere voorwaarden, het volgende: “We beslissen om de Senaat af te schaffen, de daartoe nodige grondwetswijzigingen volledig en onmiddellijk bij de start van deze legislatuur goed te keuren."

 

De ambitie om dat bij de aanvang van de legislatuur te realiseren is al ruimschoots niet gehaald; vraag is nu zelfs of de Franstalige obstructie binnen de regering er ook toe strekt de afschaffing van de instelling tout court te saboteren.

 

Welke stappen zijn reeds gezet in de procedure die leidt tot de publicatie in het Belgisch Staatsblad en welke moeten nog worden gezet?

 

Bevestigt u de obstructie binnen uw regering waardoor het proces strekkende tot de opheffing van de Senaat is opgeschort en acht u dat conform het regeerakkoord?

 

Wat zijn de knelpunten die eerst politiek en/of juridisch moeten worden ontmijnd alvorens een aantal van uw regeringspartners opnieuw willen bewegen om dit proces verder zijn gang te laten gaan?

 

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het oplossen van elk van deze knelpunten?

 

Welke politieke besluiten wil u hieraan verbinden voor wat het al dan niet voortbestaan van uw regering betreft, gelet op het feit dat enkele van uw coalitiepartners het regeerakkoord op dit punt aan hun laars lappen?

 

Antwoord - Réponse:

 

Ik geef toe dat de zoekmachine van het Belgisch Staatsblad soms een doolhof kan zijn. Maar de assumptie dat de regering de publicatie van het herziene artikel 195 van de Grondwet zou tegenhouden, klopt niet. De grondwetsherziening is opgenomen in de wet van 15 juli 2026 en werd op 24 juli 2026 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De door beide Kamers aangenomen overgangsbepaling bij artikel 195 van de Grondwet maakt vandaag dus wel degelijk deel uit van het geldende recht.

 

Nu de noodzakelijke grondwetsbepalingen voor herziening vatbaar zijn verklaard, kan de volgende fase in de afschaffing van de Senaat worden aangevat.

 

Ik wil daarbij wel herinneren aan de parlementaire debatten die we voor het zomerreces hebben gevoerd. Daaruit bleek partijoverschrijdend dat de afschaffing van de Senaat een aantal institutionele vraagstukken met zich meebrengt waarvoor een antwoord wenselijk is.

 

Zo werd vanuit verschillende fracties gewezen op de bijzondere positie van de Duitstalige Gemeenschap en op de noodzaak om haar vertegenwoordiging op het federale niveau te blijven verzekeren. Ik heb tijdens die debatten meermaals erkend dat daarvoor een passende oplossing moet worden gezocht. Binnen de regering wordt daar momenteel verder over gesproken.

 

Daarnaast werden zowel door meerderheid als oppositie andere aandachtspunten naar voren gebracht. Zo heeft ook het Vlaams Belang tijdens de parlementaire behandeling uitdrukkelijk gewezen op het belang van de participatie van de deelstaten binnen de Belgische federatie. Ook over de wijze waarop dergelijke functies na de afschaffing van de Senaat kunnen worden georganiseerd, werd aangekondigd dat binnen de regering verder overleg zou plaatsvinden.

 

Dat doet niets af aan het uitgangspunt van het regeerakkoord waarin de afschaffing van de Senaat onverbloemd is opgenomen.

 

Dat belet uiteraard niet dat de regering, bij de concrete uitwerking van die afschaffing, rekening kan houden met de bezorgdheden die tijdens de parlementaire behandeling naar voren zijn gebracht. Indien daarover binnen de regering een akkoord wordt bereikt, kan het dossier op die punten verder worden verfijnd. Dat is iets anders dan de afschaffing van de Senaat opnieuw ter discussie stellen.

 

Als iedereen die zich in het verleden consequent voorstander heeft getoond van de afschaffing van de Senaat ook vandaag die consequentie aan de dag legt, ben ik ervan overtuigd dat we de resterende institutionele vraagstukken kunnen oplossen en de afschaffing van de Senaat deze legislatuur tot een goed einde kunnen brengen.

 

10 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De regionalisering van de eed voor deelstaatambtenaren" (56018858C)

10 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "La régionalisation du serment des fonctionnaires des entités fédérées" (56018858C)

 

In juni ondervroeg ik u over de regionalisering van de eed voor de deelstaatambtenaren, een bepaling die deel uitmaakt van uw regeerakkoord. Ik heb uit uw antwoord van toen begrepen dat het voorbereidende wetgevende werk daarvoor klaar is, maar dat daarvoor een bijzondere meerderheid nodig is die u niet heeft. En, zo leid ik af, dat u daarom geen ontwerp van bijzondere wet daartoe indient in het parlement omdat het “erop aan [komt] het moment te bepalen waarop wij de kans reëel achten dat het politieke vaarwater ons toelaat het dossier op tafel te leggen en er een bijzondere meerderheid voor te vinden. Op dat moment zullen we dat dan ook doen."

 

Heeft u al gezocht naar die bijzondere meerderheid, zo ja, wat was het resultaat ervan en zo nee, waarom niet?

Kan u verduidelijken hoe en wanneer u deze bepaling uit het regeerakkoord realiseert, gelet op het feit dat alle voorbereidingen ervoor klaar zijn?

 

Antwoord - Réponse:

 

Dank u voor uw vraag. U heeft mij hierover in juni al ondervraagd. Aangezien de situatie sindsdien niet is gewijzigd, kan ik u vandaag moeilijk een fundamenteel ander antwoord geven.

 

Het voorbereidende werk voor dit dossier is gebeurd. Zoals ik toen ook heb toegelicht, vereist de uitvoering ervan evenwel een bijzondere meerderheid: een tweederdemeerderheid én een meerderheid in elke taalgroep. Die meerderheid heeft deze regering niet.

 

Zodra we inschatten dat er een reële mogelijkheid bestaat om voor dit dossier een bijzondere meerderheid te verzamelen, zullen we het voorleggen.

 

11 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De stand van zaken met betrekking tot de fusie van gemeenten en OCMW’s" (56018859C)

11 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "Le point sur la fusion des communes et des CPAS" (56018859C)

 

Het regeerakkoord bevat een passage die de gemeenten en OCMW's de mogelijkheid moet geven om beide entiteiten te fusioneren.

 

Toen ik u in juni daarover ondervroeg, sprak u over een advies van de Raad van State dat duidelijkheid moet brengen over de vraag of dat bij gewone meerderheid, dan wel bij bijzondere meerderheid moet gebeuren.

 

Heeft u daarover reeds een advies van de Raad van State en wat is het verdict?

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de concrete uitwerking van dit punt uit het regeerakkoord?

Hoe zit het in dat verband met de randgemeenten, Voeren en Komen-Waasten?

 

Antwoord - Réponse:

 

Voor het zomerreces werd in de Kamer door de drie Vlaamse meerderheidspartijen een wetsvoorstel ingediend dat uitvoering moet geven aan deze ambitie uit het regeerakkoord (Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56-1675/001).

 

Over dat wetsvoorstel werd het advies van de Raad van State gevraagd. De indieners hebben dat advies op dit ogenblik nog niet ontvangen. De termijn waarbinnen de Raad van State zijn advies moet uitbrengen, loopt tot 19 september.

 

Zodra dat advies beschikbaar is, kan de juridische analyse worden voortgezet en kan verder worden bekeken op welke wijze deze ambitie uit het regeerakkoord juridisch het best kan worden uitgevoerd.

 

Ik hoop dat het advies daarbij ook meer duidelijkheid zal verschaffen over een van de belangrijke juridische vragen in dit dossier, met name of de integratie van het OCMW in de gemeente kan worden gerealiseerd via een gewone meerderheid, dan wel of daarvoor op een bijzondere meerderheid vereist is.

 

Ik stel dus voor dat we het advies van de Raad van State afwachten. We zullen dat vervolgens grondig analyseren en op basis daarvan bekijken welke verdere wetgevende stappen noodzakelijk zijn.

 

Wat ten slotte de faciliteitengemeenten betreft: u heeft mij die vraag inmiddels meermaals gesteld, dus ik kan daarop slechts hetzelfde antwoord geven als voorheen. Het regeerakkoord voorziet niet in een uitzondering voor de zes randgemeenten, noch voor Voeren en Komen-Waasten. Indien de noodzakelijke wetgeving wordt aangenomen, is het uitgangspunt bijgevolg dat ook in die gemeenten een integratie van het OCMW in de gemeente mogelijk wordt.

 

12 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De stand van zaken met betrekking tot de herziening van de artikelen van de Grondwet" (56018860C)

12 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "Le point sur la révision des articles de la Constitution" (56018860C)

 

Het regeerakkoord bepaalt:

 

“Bij de aanvang van de regeerperiode zal de eerste minister een voorlopige lijst van grondwetsartikelen opstellen ter herziening. De lijst zal het voorwerp uitmaken van een mededeling in Senaat en Kamer. Deze lijst omvat minstens het artikel 195. Aan het einde van de regeerperiode kan de lijst verder worden vervolledigd met de artikelen die noodzakelijk zijn."

 

U heeft een dergelijke lijst nog steeds niet meegedeeld aan Kamer en Senaat en daarmee de ambitie om dit “bij de aanvang van de regeerperiode" te doen al ruimschoots gemist.

 

Uit de laatste keer dat ik u er in juni over ondervroeg, mag ik afleiden dat hierover heel wat onenigheid bestaat binnen de regering en dat er langs Franstalige kant blijkbaar geen wil bestaat om hier ernstig werk van te maken.

 

Is er intussen enige vooruitgang geboekt in dit dossier en welke?

Over welke artikelen van de Grondwet bestaat er inmiddels overeenstemming binnen de regering?

Over welke artikelen gaat de discussie?

Wanneer denkt u hiermee te landen en vooral tegen wanneer wordt het uitblijven van een akkoord hierover - gelet op de timing die in het regeerakkoord is ingeschreven -  voor u “een majeur politiek probleem", zoals u dat zo mooi kan zeggen?

 

Antwoord - Réponse:

 

Op 24 juni heb ik u een stand van zaken gegeven hierover. Ondertussen zijn we drie maand verder met een zomerreces en begrotingsonderhandelingen tussenin. Er werd tot mijn spijt nog geen verdere vooruitgang geboekt.

 

De onenigheid binnen de regering over toekomstige grondwetsherzieningen is nogal uitgesproken, ondanks dat er op een paar – meer technische punten – wel al overeenstemming is.

 

Ik benoemde onder andere de modernisering van het petitierecht en de actualisering van de grondwettelijke bescherming van het briefgeheim. Ook met betrekking tot de geloofsbrieven is er consensus dat een oplossing, hoe moeilijk die ook is, zich het best aandient.

 

Voor het overige wil ik niet verkondigen welke grondwetsartikelen allemaal in de schaal liggen om de onderhandelingen niet verder te bemoeilijken.

 

Zoals eerder gezegd zal ik ten gepasten tijde naar het parlement komen wanneer het dossier rijp is voor verdere behandeling.

 

13 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De stand van zaken met betrekking tot de afschaffing van de ideologische alarmbel" (56018861C)

13 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "Le point sur la suppression de la sonnette d’alarme idéologique" (56018861C)

 

In juni ondervroeg ik u over de afschaffing van de ideologische alarmbel, een punt dat deel uitmaakt van uw regeerakkoord.

 

In uw antwoord sprak u dat u de voorontwerpen aan de driegemeenschappen waren voorgelegd en dat de Duitstalige Gemeenschap een opmerking had gegeven die niet strookt met het regeerakkoord en die u naast u neerlegt.

 

U ging ook in op het advies van de Raad van State, dat volgens uw zeggen 'nihil obstat' gaf.

 

Het venijn van uw antwoord zat hem in de staart, gelet op het gebrek aan overeenstemming in uw regering als het over institutionele zaken gaat, nl. dat het dossier verder onderzocht zou worden binnen de regering.

 

Hebben de twee andere gemeenschappen intussen opmerkingen gegeven op de voorontwerpen, hoe luiden die en wat doet uw regering ermee?

Heeft het verder 'onderzoek' binnen de regering intussen tot overeenstemming geleid en wanneer mogen we die ontwerpen in het parlement verwachten?

 

Antwoord - Réponse:

 

In de commissievergadering van 24 juni laatstleden heb ik een uitvoerige stand van zaken gegeven van het dossier met onder andere een inzicht in het advies van de Raad van State dat we mochten ontvangen.

 

De situatie blijft ongewijzigd:

- Op heden mocht mijn kabinet enkel opmerkingen ontvangen van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

 

- Er werd evenmin overeenstemming bereikt binnen de regering over een definitieve wettekst al dan niet gewijzigd aan het advies van de Raad van State.

 

- Zoals eerder gezegd: zodra hierover meer duidelijkheid bestaat, zal het parlement daarover worden geïnformeerd.