|
Commissie
voor Financiën en Begroting |
Commission
des Finances et du Budget |
|
van Dinsdag 15 september 2026 Namiddag ______ |
du Mardi 15 septembre 2026 Après-midi ______ |
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 02 et présidée par M. Benoît Piedboeuf.
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.02 uur en voorgezeten door de heer Benoît Piedboeuf.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
01.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik hoop dat u een goede vakantie hebt gehad. U ziet er in elk geval goed uit, klaar voor een nieuwe start.
Het nieuwe mantra van de regering is groei. We moeten inzetten op groei, we moeten de taart groter maken, we moeten aan welvaartscreatie doen, om op die manier de begrotingsinspanning wat draaglijker te maken.
Een van de beste recepten om te groeien, is ervoor zorgen dat kleine bedrijven extern kapitaal kunnen aantrekken en op die manier een groeiversnelling kunnen inzetten. U weet hoe dat gaat bij die kleine bedrijven. Ze trekken extern kapitaal aan. De oprichters die actief blijven in het bedrijf, zien hun aandeel verwateren. Dan kan het wel eens gebeuren dat dat aandeel onder de 20 % zakt. Wat gebeurt er dan? Dan is er die vervelende meerwaardetaks, die die ondernemers moeten betalen, met een vrijstelling van maar 10.000 euro. Daar staat tegenover dat grote aandeelhouders, die meer dan 20 % hebben, een vrijstelling krijgen van 1 miljoen euro. Dat weet u.
Waarom blijven die kleine zelfstandigen, die kleine ondernemers, die kleine aandeelhouders, in de kou staan? Waarom doet u niets voor hen? Intussen zijn een aantal van die ondernemers naar het Grondwettelijk Hof gestapt om die drempel van 20 % aan te vechten. U hebt net zoals ik gewerkt tijdens de vakantie en ik heb vernomen dat de regering van plan is om de meerwaardetaks, die nog maar in mei werd goedgekeurd in dit Parlement, al te repareren. Er is blijkbaar reparatiewetgeving op komst, onder meer om het probleem van de wisselkoersmeerwaarden op te lossen.
Mijnheer de minister, is er in die reparatiewetgeving plaats voorzien voor die kleine zelfstandigen, ondernemers, aandeelhouders, of niet? Bent u bereid om die regel te herbekijken? Hoe kijkt u naar de verzoekschriften die zijn of zullen worden ingediend door die ondernemers?
01.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, ik hoop dat u ook een verkwikkende vakantie hebt gehad. Ik kan bevestigen dat ook u er goed uitziet.
Tijdens de uitwerking van een wetsontwerp gebeurt een analyse van de juridische conformiteit van de maatregelen door mijn administratie. Dat was natuurlijk eveneens het geval voor het wetsontwerp tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa en dus ook voor de drempel van 20 %, het onderwerp waar we het hier over hebben.
Alle ontwerpen worden uiteraard ook voorgelegd aan de Raad van State. De Raad had hieromtrent geen fundamentele opmerkingen.
Er is in dit stadium dus geen sprake van het herzien van die drempel. De regering zal de rechtmatigheid ervan verdedigen voor het Grondwettelijk Hof. Zoals u weet, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid inzake belastbare materie, heffingsgrondslag en eventuele vrijstellingen.
Hoewel ik de bezorgdheden met betrekking tot die drempel begrijp, zorgt de grens van 20 % voor een duidelijk criterium, waardoor betwistingen kunnen worden vermeden.
01.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, u hebt intussen ook Andy Coomans ontvangen op uw kabinet. Ik vermoed dat u het met hem ook hebt gehad over die 20 %-regel. Dat is trouwens de belangrijkste reden waarom hij naar het Grondwettelijk Hof stapt.
De regering zegt dat ze ervoor wil zorgen dat bedrijven kunnen groeien, groter kunnen worden, dat we de taart kunnen vergroten. Sta mij toe om te zeggen dat de regering in de feiten, in datgene wat ze doet, net het tegenovergestelde doet.
Ten eerste, u verhoogt de roerende voorheffing met 20 % voor mensen die geld uit een vennootschap willen halen.
Ten tweede, u verdubbelt de taks op de effectenrekening. Ik heb deze zomer ontdekt dat die fameuze grens van 1 miljoen euro voor de taks op de effectenrekening niet geïndexeerd is. Dat betekent dat binnen tien of vijftien jaar waarschijnlijk heel veel Belgen die taks op de effectenrekening zullen moeten betalen.
Ten derde, u hebt die meerwaardentaks ingevoerd. Die meerwaardentaks is zeer slecht voor kleine zelfstandigen en kleine ondernemers die actief zijn in groeibedrijven. Ik verwijs onder meer naar orderBilly, een bedrijf dat ook een verzoekschrift zal indienen.
Het grootste probleem is dat die kleine zelfstandige ondernemers stellen dat die meerwaardentaks nu 10 % is, maar zich afvragen wie garandeert dat die 10 % blijft. Ik hoorde voor de vakantie Les Engagés al oproepen, naast een vermogensbelasting van 500.000 euro, om die fameuze 10 % op te trekken naar 15 of 20 %. Voor bepaalde partijen in deze regering is the sky the limit. Straks wordt het misschien 30 %.
Mijnheer de minister, wanneer zult u de kleine zelfstandige ondernemers en aandeelhouders respecteren in plaats van koeioneren?
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
02.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, vóór het reces, het te lange reces, heb ik u een vraag gesteld over de verantwoordelijkheid bij fouten in vooraf ingevulde belastingaangiften. U hebt toen een interessant antwoord gegeven, namelijk dat de percentages heus wel meevallen. U sprak toen over een gemiddelde foutenmarge van 2,9 % bij de vereenvoudigde aangiften en 3,2 % bij Tax-on-web. Bij Tax-on-web lag dat percentage hoger.
Ik heb dat antwoord, zoals ik vaak doe, op LinkedIn geplaatst. U kent LinkedIn waarschijnlijk. U bent daar ook actief, niet erg actief maar toch interessant actief.
Ik heb een reactie gekregen van professor Maus. Kent u Michel Maus? U kent hem heel goed. Hij heeft opgemerkt dat de cijfers die u hebt gegeven niet representatief zijn voor het werkelijke aantal fouten. Waarom stelt hij dat? De heer Maus is een heel bezige muis maar ook een bezige bij. Hij was actief in de Belastingmarathon van Het Laatste Nieuws. U was daar trouwens ook, naar ik meen. Ik heb u daar gezien. Ik loop marathons maar u loopt belastingmarathons. Dat is nog iets anders dan een marathon.
Professor Maus beweert dat uit die Belastingmarathon bleek dat liefst 41 % van de gecontroleerde aangiften fouten bevatte. Collega’s, 41,1 % is bijna 1 op 2. Hij heeft gevraagd of daarover een vraag zou kunnen worden gesteld aan de minister van Financiën. De heer Maus is geen parlementslid. Hij was ooit lid van een kabinet, zoals u weet, niet zo lang geleden blijkbaar. Hij is dus geen parlementslid.
Mijnheer de minister, daarom stel ik u de hierna volgende vragen.
Ten eerste, beschouwt u de eerder door u meegedeelde cijfers als representatief voor het werkelijke aantal fouten in de vooraf ingevulde aangiften en voorstellen van vereenvoudigde aangiften?
Ten tweede, wordt binnen de FOD Financiën ook nagegaan hoeveel vooraf ingevulde aangiften effectief fouten bevatten? Is er dus een soort dubbelcheck die uw diensten uitvoeren, los van de vraag of een belastingplichtige aangeeft dat hij van mening is dat er een fout in staat?
Ten derde, bent u bereid de cijfers en de methodologie daarachter nader te laten analyseren, bijvoorbeeld door het Rekenhof, zodat objectief kan worden vastgesteld hoe betrouwbaar vooraf ingevulde aangiften zijn?
Ten vierde, hoe reageert u op de vaststelling dat bij een externe controle 41 % van de gecontroleerde aangiften fouten zou bevatten?
Tot slot, welke bijkomende maatregelen zult u nemen om te vermijden dat belastingplichtigen die te goeder trouw op vooraf ingevulde gegevens vertrouwen, toch te veel belastingen zouden betalen?
Ik kijk uit naar uw antwoord.
02.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, de methodologie berust voor elk dossier in de personenbelasting met een vooraf ingevulde aangifte op een vergelijking tussen de gegevens waarover mijn administratie beschikt en die voor de voorafinvulling worden gebruikt en de gegevens die zijn opgenomen in de laatste daadwerkelijk ingediende aangifte of, in voorkomend geval, in de laatste inkohiering die voortvloeit uit een correctie of een geschil, waarbij alleen rekening wordt gehouden met de codes die vooraf kunnen worden ingevuld. Vervolgens wordt elke code geanalyseerd om na te gaan of die ongewijzigd is gebleven, gewijzigd, geschrapt of aangevuld. Die analyse maakt het mogelijk de dossiers te categoriseren en de percentages te berekenen voor alle betrokken dossiers. De eerder meegedeelde gegevens stemmen overeen met een gemiddelde dat werd berekend over meerdere aanslagjaren. De administratie beschikt niet over gestructureerde gegevens daarover, maar als een fiscale fiche wordt ingestuurd na het indienen van de aangifte, zal het dossier in de meeste gevallen door een medewerker worden behandeld.
Mijn administratie wil, net als u, dat de aangiften zo volledig mogelijk zijn. Ze zal volledig meewerken aan alle audits die zouden worden georganiseerd. Men kan ook redelijkerwijs aannemen dat zich voornamelijk burgers aanmelden die denken dat hun aangifte onvolledig is. Na de Belastingmarathon heeft mijn administratie al bepaalde situaties nader onderzocht om haar processen te evalueren. De administratie verbetert elk jaar de kwaliteit van de vooraf ingevulde gegevens, waardoor het aantal voorstellen van vereenvoudigde aangiften de laatste jaren is gestabiliseerd.
Een belangrijk verbeterpunt betreft de verplichting voor de betrokken instelling om het rijksregisternummer van de belastingplichtige te vermelden op de fiches met betrekking tot giften en kinderopvangkosten. De systematische aanwezigheid van die gegevens is essentieel om te waarborgen dat belastingplichtigen effectief kunnen genieten van de belastingvermindering waarop ze recht hebben. Ten slotte herinner ik eraan dat de medewerkers van de administratie beschikbaar zijn om vragen van belastingplichtigen over hun aangifte te beantwoorden. Ik heb er ook altijd bij gezegd dat het ging om de gegevens waarover we konden beschikken. Bij de jaarlijkse persconferentie zeggen we telkens dat mensen hun gegevens moeten nakijken, bijvoorbeeld wat giften betreft, want het hangt ook af van de organisatie waaraan ze een gift hebben gegeven, van hoe goed die is georganiseerd, of die gift op de vooraf ingevulde aangifte komt te staan. De belastingplichtige moet dus altijd nagaan of de gegevens wel degelijk overeenkomen.
02.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik twijfel er niet aan dat u inderdaad via communicatie mensen diets maakt dat het goed is om alles te checken en te dubbelchecken. Dat is positief, maar u antwoordt niet op de vaststelling van professor Maus. Dat is toch niet de eerste de beste en ook niet de laatste. Hij zegt dat uit de Belastingmarathon blijkt dat 41 % van de gecontroleerde aangiften fouten bevat. Dat heeft hij gezegd: 41 %.
U kunt dan zeggen dat het aan de belastingplichtige is om zelf te checken en te dubbelchecken of er geen fouten in staan. Dat kan allemaal wel zo zijn, maar als 41 % van de gecontroleerde aangiften fouten bevat, dan ligt het probleem niet bij de belastingbetaler. Dan is er een structureel, fundamenteel probleem bij de FOD Financiën. Dat cijfer, mijnheer de minister, valt niet uit de lucht. Het is professor Maus die dat zegt. U antwoordt daar echter niet op, dus ik maak me daar zorgen over.
U zegt dat u zult meewerken aan alle audits die nodig zijn. Dat is goed, maar meewerken is nog iets anders dan preventief zelf, op basis van de verklaring van professor Maus, aan het Rekenhof vragen of objectief kan worden vastgesteld of vooraf ingevulde aangiften werkelijk correct zijn. Ik had eerlijk gezegd van u wat meer proactiviteit verwacht op basis van die verklaring van professor Maus, tenzij u zegt dat die verklaring totaal van de pot gerukt is, dat ze niet klopt en dat er dus geen enkele basis is om ons zorgen te maken.
Ik vind eerlijk gezegd dat uw antwoord een beetje naast de kwestie is. Ik zeg niet dat het verkeerd is, maar het gaat niet in op datgene wat professor Maus zegt. Ik zal dit dossier, zoals ik dat voor andere dossiers ook doe, dus verder blijven opvolgen, want ik vind uw antwoord weinig bevredigend, als ik dat zo mag zeggen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
03.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, dit is haast een examenvraag. De materie is sec en ik zal de tekst van de vraag daarom voorlezen.
Volgens De Tijd, een krant die u ook graag leest, hebben uitbaters van offshore windparken jarenlang Belgische belastingen betaald, hoewel hun installaties niet alleen buiten de Vlaamse, maar zelfs buiten de Belgische territoriale wateren liggen. U weet dat er altijd discussie is tussen Vlaanderen en België over de zee, maar dit gaat over beyond onze wateren. De vraag rijst daardoor of de Belgische fiscus wel bevoegd was om die ondernemingen te belasten.
Concreet zouden verschillende windparkuitbaters voor de periode 2015-2021 navorderingen hebben ingediend. In eerste aanleg kregen zij gelijk: de belasting zou niet van toepassing zijn, omdat de windparken zich niet op Belgisch grondgebied bevinden. De fiscus is in beroep gegaan, maar indien de uitbaters ook daar gelijk krijgen, kan dat leiden tot terugbetalingen van ettelijke miljoenen euro's.
Daarbij komt dat ook voor toekomstige projecten in de Prinses Elisabethzone duidelijkheid nodig is. Ondernemers en investeerders hebben nood aan een ondubbelzinnig wettelijk en fiscaal kader.
Daarom heb ik volgende vragen.
Kunt u bevestigen dat er procedures lopen over de fiscale bevoegdheid van België ten aanzien van offshore windparken buiten de territoriale wateren?
Over welke aanslagjaren en over welke belastingbedragen gaat het?
Hoeveel bedraagt de potentiële budgettaire impact indien de fiscus ook in beroep ongelijk krijgt?
Op basis van welke rechtsgrond heeft de Belgische fiscus die windparken belast, ondanks het feit dat ze buiten de territoriale wateren liggen?
Acht u het huidige wettelijke kader voldoende duidelijk, ook voor de Prinses Elisabethzone? U weet dat uw collega Bihet dat dossier met de nodige vertraging bekijkt. Ik heb dat gehoord op de receptie van VOKA, waar een aantal investeerders mij aanspraken. Hij is dus niet zo actiebereid als u, mijnheer de minister. Hij is natuurlijk net vader geworden, maar ik weet niet of het ene met het andere te maken heeft.
Zult u, indien nodig, initiatief nemen om het fiscale kader voor offshore windparken wettelijk te verduidelijken?
03.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, ik kan dat inderdaad bevestigen. Ik kan er meteen bij zeggen dat er hoger beroep werd ingesteld door de administratie wat betreft de taks op de verzekeringsverrichtingen.
De dossiers met betrekking tot deze beroepen hebben betrekking op de aanslagjaren 2015 tot en met 2021, voor een totaalbedrag van 12.510.082,54 euro. Andere dossiers zijn eveneens aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg voor een totaalbedrag van 5.333.139,64 euro en dat voor de aanslagjaren 2022 tot en met 2024. Er werd hoger beroep ingesteld op grond van het feit dat de belaste windmolenparken gelegen zijn in de Belgische exclusieve economische zone. Mijn administratie is van oordeel dat er voldoende wettelijke redenen zijn om hoger beroep in te stellen.
03.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, we moeten inderdaad een onderscheid maken tussen de territoriale wateren en de exclusieve economische zone. Er zijn verschillende stukjes in de zee. Als ik mij niet vergis, is Vlaanderen bevoegd tot aan de vloedlijn; dan begint België terug en dan is er nog de exclusieve economische zone. Dat is een interessante discussie.
Opmerkelijk is dat de fiscus in eerste aanleg in het ongelijk werd gesteld. Volgens de rechtbank van eerste aanleg stopt België fiscaal aan de territoriale wateren, terwijl de fiscus beweert dat we pas stoppen aan de exclusieve economische zone. Ik ben heel benieuwd waartoe die maritieme/fiscale twist zal leiden.
Als ik beide dossiers optel, dan bedraagt de mogelijke schade voor de schatkist ongeveer 17,5 miljoen. Dat is niet weinig, maar dat is natuurlijk niets in vergelijking met de miljardenopdracht waar u voor staat. Ik ben heel benieuwd hoe dat dat zal aflopen en ik denk dat u dat eveneens bent.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
04.01 Britt Huybrechts (VB): Mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
De aankondiging van Ryanair om zijn
activiteiten in België fors terug te schroeven, slaat in als een bom. Vanaf
november verdwijnen vijf van de negentien toestellen uit Charleroi, wat
neerkomt op een capaciteitsdaling van 22 %, het schrappen van twintig
routes en het verlies van twee miljoen passagiers per jaar.
De realiteit is dat deze beslissing een
rechtstreeks gevolg is van de verdubbeling van de Belgische vliegtaks naar 10
euro. Voor een maatschappij die tickets aanbiedt van 30 tot 50 euro, is
dit geen marginale verhoging, maar een fundamentele aantasting van hun
prijsmodel. Het gevolg? Een ambitieus groeiplan dat België 1.000 extra
jobs en 5 miljoen extra passagiers had kunnen opleveren, ligt nu in de
prullenbak. Er dreigen nu zelfs 150 tot 200 Belgische werknemers hun baan
te verliezen.
Luchtvaart is vandaag geen luxeproduct
meer voor de elite. Gezinnen, studenten en mensen met minder financieel
kapitaal rekenen op budgetmaatschappijen om hen, weliswaar met minder comfort,
op hun bestemming te brengen. Door deze taks dreigt vliegen voor een grote
groep Vlamingen simpelweg onbetaalbaar te worden.
Het kan toch niet de bedoeling zijn dat
een belasting, louter ingevoerd om de staatskas te spekken, een negatieve
invloed heeft op de samenleving en de sociale mobiliteit fnuikt? Terwijl landen
als Zweden, Italië en Hongarije hun belastingen juist verlagen om competitief
te blijven, prijst België zichzelf uit de markt.
Erkent u dat de beslissing van Ryanair om
capaciteit weg te halen en investeringen te staken, een rechtstreeks gevolg is
van de verhoogde vliegtaks?
Hoe reageert u op het feit dat deze taks
vooral de reiziger met een kleiner budget treft, die nu verstoken blijft van
betaalbare verbindingen?
Bent u bereid om, gezien de economische
schade en het verlies aan jobs, de geplande verhogingen voor 2027 en daarna
opnieuw te evalueren om de concurrentiepositie van onze luchthavens te
vrijwaren?
Zult u in overleg treden met de sector om
te voorkomen dat België als luchtvaartknooppunt verder irrelevant wordt in
vergelijking met onze buurlanden, want uw taks treft niet alleen Ryanair, het
treft alle luchtvaartmaatschappijen?
04.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Huybrechts, ik zou kunnen verwijzen naar antwoorden op eerdere vragen aan mij in de commissie voor Financiën, maar ik zal dat niet doen. Ik zal u elementen van antwoord geven.
De regering heeft voor het zomerreces beslist om de geplande verhoging tot 10 euro te beperken tot 7 euro voor vluchten van meer dan 500 kilometer en minder dan 3.500 kilometer.
Ik wil erop wijzen, zoals ik al meermaals heb gedaan, dat de inschepingstaks in België significant lager is dan in de ons omringende landen. Zo is bijvoorbeeld in Frankrijk een tarief van 7,4 euro van toepassing voor Europese bestemmingen, maar in andere gevallen kan de taks oplopen tot 60 euro. In Nederland bedraagt die 30,25 euro. We moeten ervoor zorgen dat het tarief van de Belgische vliegtaks concurrentieel blijft ten aanzien van de buurlanden, wat volgens mij in dezen het geval is.
Verder verwijs ik naar antwoorden die ik in de commissie voor Financiën al meermaals heb gegeven.
04.03 Britt Huybrechts (VB): Mijnheer de minister, de taks is inderdaad lager dan in andere landen. Het is echter niet omdat andere landen het slechter doen, dat we mogen stellen dat ons land het nog niet zo slecht doet. In Zweden, het land met de meeste klimaatschaamte, tevens de thuishaven van Greta Thunberg, heeft men de vlieg- en inschepingstaks afgeschaft, aangezien de luchtvaartsector eronder leed. Ik zie niet in waarom we zouden moeten zwichten voor de chantage van de CEO van Ryanair. Als hij ons wil chanteren, moet hij dat maar doen. Echter, ook TUI en andere luchtvaartmaatschappijen worden getroffen door die taks en overwegen steeds meer om naar Nederland of naar Frankrijk te verkassen, ook vanwege de ellenlange grenscontroles in België. Al die problemen vormen de druppel die de emmer doet overlopen. Vandaar meent mijn partij dat we die inschepingstaks het best zo snel mogelijk moeten afschaffen, zodat we de impact op de Vlaamse welvaart, die u hopelijk nog nauw aan het hart ligt, zoveel mogelijk kunnen beperken.
Voor het overige dank ik u voor uw antwoord. Weet dat u vragen daarover van mij zult blijven ontvangen, alleszins tot eind oktober.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
05.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, volgens mij zitten de managementvennootschappen zeker in dat witte kaftje. Ik denk dat u intussen ook weet wat er in het witte kaftje zit en wat niet. Monsieur le président, les sociétés de management, ça existe aussi en Wallonie, je pense, même au province de Luxembourg. Ze bestaan vooral ook in Vlaanderen.
Mijnheer de minister, de aanval op de managementvennootschappen is ingezet door de collega's van Vooruit. Vooruit vergelijkt al die mensen met profiteurs aan het zwembad, Porsche voor de deur, miljoenen op de rekening. Intussen begint de hele regering hetzelfde verhaaltje te vertellen. De heer Van Peteghem sprak over een lekkage van 2 miljard euro door de managementvennootschappen.
Ik las onlangs dat de Nationale Bank nu ook begint mee te huilen met de wolven in het bos. Mijnheer de minister, meehuilen met de wolven in het bos, dat moet men in Antwerpen misschien nog leren. Misschien zijn het bij u leeuwen, maar bij ons zijn het wolven. Volgens de Nationale Bank stijgt het aantal jobs dit jaar met ongeveer 16.000. De Nationale Bank zegt dat dit vooral komt door een toename van het aantal zelfstandigen. De helft van die nieuwe zelfstandigen zouden blijkbaar bestuurders van een vennootschap zijn en dus des duivels.
Mijnheer de minister, in plaats van te erkennen dat die managementvennootschappen bijkomende zelfstandige activiteit creëren, worden ze opnieuw verdacht gemaakt, terwijl mensen met een managementvennootschap geen dertiende maand, geen dop, geen vakantiegeld en geen ziekteverzekering hebben. Ze nemen alle risico's en toch worden ze keer op keer geviseerd. Ik vind dat de wereld op zijn kop.
Ik heb de uitspraken gehoord van uw voorganger, de heer Van Overtveldt. Hij heeft dit in De Zevende Dag heel correct geformuleerd. Alleen strookt het niet met de acties die deze regering al heeft ondernomen, zijnde de verhoging van de roerende voorheffing van 15 % naar 18 %, plus 20 % dus.
Ik weet dat u een vrank man bent. U komt uit de provincie Antwerpen. Ik reken dus ook op vranke antwoorden.
Ten eerste, deelt u de analyse dat managementvennootschappen niet collectief mogen worden weggezet als een bedreiging voor de overheidsfinanciën?
Ten tweede, erkent u dat ze een legitieme manier zijn om zelfstandige activiteit te organiseren, bijvoorbeeld consultancy?
Ten derde, bent u bereid duidelijk te stellen dat deze regering zelfstandige ondernemers met een managementvennootschap niet collectief zal viseren?
Ten vierde, bent u niet de mening toegedaan dat die evolutie vooral aantoont dat de lasten op klassieke arbeid te hoog zijn?
Tot slot heb ik nog een bijkomende vraag. U kent de discussies ter zake binnen de regering. Klopt het dat er een afzonderlijk voorstel op tafel ligt voor een apart tarief in de vennootschapsbelasting voor managementvennootschappen?
05.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, ik ga ten eerste akkoord met uw stelling dat ondernemerschap in eerste instantie als iets positiefs moet worden gezien en niet als een bedreiging. Dat lijkt mij zelfs fundamenteel als wij kijken naar de stand van het land en de nood aan economische groei, productiviteit en innovatie.
Het hebben van meer startende ondernemingen, die ook meer dynamiek en concurrentiekracht aan ondernemingen moeten geven, wordt al decennia van ons gevraagd door internationale instellingen, waaronder ook de Europese Commissie.
Dat een recordaantal mensen een zelfstandige activiteit opstartte, is voor mij dan ook iets positiefs. Ondertussen zijn dat volgens de cijfers van het RSVZ 1,33 miljoen zelfstandigen.
Een ondernemer is vrij om te bepalen op welke manier hij zijn activiteit organiseert. Fiscaliteit is slechts één beslissingselement om al dan niet onder een vennootschapsvorm te opereren. Er zijn inderdaad andere legitieme redenen om te kiezen voor rechtspersoonlijkheid, bijvoorbeeld het opdelen van ondernemingsactiviteiten, de bescherming van het gezinsvermogen, beroepsaansprakelijkheid en andere.
Het hebben van een vennootschap gaat gepaard met meer vormvereisten. Die vereisten moeten dus ook in overweging worden genomen.
De regering heeft bij de vorige begrotingsronde inderdaad een aantal maatregelen getroffen die de fiscale keuze kunnen beïnvloeden, met name inzake de VVPR-bis en de liquidatiereserve maar ook inzake de verhoging van de minimumbezoldiging. Indien u het ene vernoemt, moet u ook het andere vernoemen.
Aan de andere kant werd het belastingkrediet voor de aangroei van eigen middelen versterkt, het VAPZ verhoogd, de premietaks op de POZ afgeschaft en wordt vanaf 1 januari 2027 de ondernemersaftrek ingevoerd, die zelfstandigen zonder vennootschap moet ondersteunen.
Tot slot, mijnheer Van Quickenborne, nog iets wat geldt voor veel vragen van u maar ook voor die van andere leden. Ondertussen zou u toch moeten weten dat ik zelden of nooit antwoorden geef over onderhandelingen die nog bezig zijn. Wij zullen het resultaat daarvan hier in de commissie uitgebreid kunnen beoordelen. Ik zal daar dus geen voorafname op doen maar ik zal aan de regeringstafel verdedigen waar ik en mijn partij voor staan. Daarna zullen wij de resultaten hier in de commissie uitgebreid kunnen bediscussiëren.
05.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Bedankt, mijnheer de minister. U zegt dat de N-VA de managementvennootschappen zal verdedigen. Dat is interessant om te horen. Dat is eens andere stem in het kapittel, want tot nu toe hoorden we alleen maar aanvallen op de managementvennootschappen van de socialisten en cd&v. De MR heb ik nog niet gehoord over de managementvennootschappen.
U zegt nu echter dat u ze gaat verdedigen en ik vind dat positief. Het is dus duidelijk dat het debat op scherp wordt gesteld. Mag ik toch een kleine bémol plaatsen? U hebt de managementvennootschappen wel opgezadeld met een belastingverhoging van 20 %. De roerende voorheffing is van 15 % naar 18 % gegaan. Dat is dus een stijging met 20 %. Dat was geen cadeau. Ik had eigenlijk van u verwacht dat u zou zeggen dat het genoeg is, dat u die mensen genoeg hebt gepluimd en aangepakt. Ik had gehoopt dat u zou zeggen dat het tijd is om eens te kijken naar de overheidsuitgaven of naar bepaalde instellingen die helemaal geen belasting betalen, zoals de ziekenfondsen en de vakbonden. We komen daar echter straks nog op terug.
Mijnheer de minister, als u de managementvennootschappen in een volgende ronde nog eens aanpakt, zult u ondernemend Vlaanderen en België een dolk in de rug steken.
Ik was op Waregem Koerse. U kent Waregem Koerse? De heer Bouchez is daar ook één keer geweest, maar sindsdien hebben we hem niet meer gezien. Op Waregem Koerse kwam ik echter een topondernemer tegen die 3.000 mensen in dienst heeft. Daarvan hebben er 130 een managementvennootschap. Het kader van heel veel Vlaamse en Belgische bedrijven bestaat uit managementvennootschappen. Dat is de realiteit.
Als men dan aan de mensen vraagt waar het probleem ligt, is het antwoord dat de taksen op die mensen veel te hoog zijn. U hebt met de hervorming van de personenbelasting - ik verwijs naar uw dierbare kabinetschef, de heer Wesley De Visscher - een opportuniteit laten liggen. In plaats van het tarief van 50 % af te schaffen en de sociale bijdrage te plafonneren op 80.000 euro hebt u de belastingvrije som verhoogd. Dat kostte heel veel geld voor weinig effect.
Dus, mijnheer de minister, alstublieft, blijf van onze ondernemers en onze zelfstandigen af. Koester hen in plaats van hen voortdurend meer en meer te belasten. Alleen op die manier kunnen we de welvaart in ons land doen groeien en de sociale zekerheid en het welzijn van vele mensen beschermen. Dus handen af van onze managementvennootschappen. Dank u.
Le président: Chers collègues, je vous rassure, il n'y a pas eu que des sangliers dans les rues en province de Luxembourg. Il y a aussi des sociétés de gestion.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
06.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Minheer de minister, Bill Clinton zei ooit: It’s the economy, stupid. Mijn voorzitter, Frédéric De Gucht, zegt: It’s the growth, stupid. Dat klinkt iets minder goed, vond ik, iets minder vlot. U kunt De Gucht ook niet vergelijken met Clinton, maar dat is een totaal andere discussie.
06.02 Minister Jan Jambon: Die th-uitspraak is moeilijk in het Engels.
06.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Clinton is meer bezig met sigaren en De Gucht meer met sigaretten, maar dat is een ander debat.
Als men wilt groeien, dan moet men natuurlijk investeringen aanmoedigen. Ons voorstel is om die investeringen effectief aan te moedigen door de vennootschapsbelasting af te schaffen.
Wat is vandaag het probleem? Als iemand een vennootschap heeft, betaalt die twee keer belasting, namelijk één keer als het geld in de vennootschap toekomt en één keer als hij het geld uit de vennootschap haalt. Iemand zonder vennootschap moet daarentegen maar één keer belasting betalen. Het gevolg is dat iemand met een vennootschap twee keer belasting betaalt. Ons voorstel is om bij vennootschappen, zolang het geld in de vennootschap blijft om te investeren, om mensen aan te werven, om te groeien en om buffers aan te leggen, dat geld niet langer te belasten. Enkel als men het geld uit de vennootschap haalt, wordt het belast. Professor Decoster, niet de meest rechtse econoom van dit land, heeft gezegd dat een goed voorstel genoemd.
Mijnheer de minister, ons voorstel is niet uit de lucht gegrepen. Toen we in 1999 voor de eerste keer de christendemocraten aan de kant konden zetten, hebben we de vennootschapsbelasting doen dalen van 40,17 % in twee stappen, met een eerste stap naar 33,99 % en in een volgende fase van 33,99 % naar 20 %. We hebben de vennootschapsbelasting dus gehalveerd, maar de opbrengsten zijn zelfs niet ingestort, maar gewoon blijven groeien. De laffercurve betekent in de realiteit dat er bij minder belastingen meer opbrengsten zijn.
Vandaag valt de groei evenwel stil en staat de industrie onder druk. Tegelijkertijd zien we, dat er 25 miljard euro naar bedrijfssubsidies gaan. Ons voorstel is dus: schaf de vennootschapsbelasting af, schaf de bedrijfssubsidies af en er zal meer groei volgen.
Mijn eerste vraag is of u erkent dat de verlaging onder de regering-Michel niet heeft geleid tot de gevreesde budgettaire instorting voor de vennootschapsbelasting, wel integendeel.
Ten tweede, hoe beoordeelt u het voorstel om de vennootschapsbelasting af te schaffen en winst pas te belasten wanneer ze de vennootschap verlaat? Bent u bereid om een doorrekening te laten maken en uw administratie naar een nota dienaangaande te vragen? Uw administratie schrijft immers interessante nota's en dat kan ook een goede nota zijn.
Hoeveel ambtenaren binnen de FOD Financiën zijn bezig met de inning, controle en behandeling van de vennootschapsbelasting? Als u die afschaft, hebt u immers minder ambtenaren nodig.
Hoeveel bedragen de federale fiscale uitgavensubsidies vandaag?
Ten slotte, deelt u de analyse dat ons land, misschien ook uw land, nood heeft aan een offensieve fiscale strategie om investeringen aan te trekken?
06.04 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, ik heb natuurlijk enige sympathie voor het voorstel, maar ik wil toch graag enkele bedenkingen meegeven. Ten eerste, het voorstel om de vennootschapsbelasting af te schaffen en de winsten pas te belasten bij de uitkering bestond in het verleden al. Ook in andere landen, zoals Nederland, werd aanvankelijk enkel belasting geheven op het moment van de winstuitkering. Dat systeem bleek onhoudbaar, omdat ondernemingen daardoor hun winsten jarenlang konden oppotten zonder enige belasting te betalen, waardoor de Belgische staat aanzienlijke inkomsten misliep. Een terugkeer naar dat systeem zou dus mogelijks een grote budgettaire impact kunnen hebben. In een context waarin op OESO- en EU-niveau wordt ingezet op het garanderen van een minimale belasting zou België ook een volledig omgekeerde koers varen.
Wat betreft uw tweede vraag, ook daar is enige nuance aangewezen. De verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting door de regering-Michel ging samen met allerhande compenserende maatregelen, zoals de afschaffing van de notionele interestaftrek en de implementatie van verschillende BEPS-maatregelen, zoals een beperking van de interestaftrek en de CFC-regels. Daarnaast zou bij de interpretatie van de fiscale ontvangsten ook rekening moeten worden gehouden met de economische groei. Een eenduidig ja-neeantwoord is dus niet echt mogelijk.
Ik kom tot uw derde vraag. Ondanks alle sympathie voor sommige van uw voorstellen, is het niet de taak van mijn administratie om elk voorstel van een partijvoorzitter door te rekenen. Uiteraard staat het systeem van de schriftelijke vragen u vrij om relevante cijfers op te vragen.
Wat uw vierde vraag betreft, het is niet mogelijk om concreet weer te geven hoeveel medewerkers de materie vennootschapsbelasting behandelen. Die medewerkers hebben namelijk ook bevoegdheden op het vlak van roerende voorheffing, bedrijfsvoorheffing, rechtspersonenbelasting, transfer pricing, Pillar 2 enzovoorts. De verdeling is afhankelijk van de specifieke risicoanalyses en de daaruit voortvloeiende controleacties. Ook de inning van de vennootschapsbelasting is niet het werk van één dienst. De inning van allerhande belastingen, waaronder de vennootschapsbelasting, wordt uitgevoerd door de Administratie Inning en Invordering.
Ik kom tot uw vijfde vraag. De federale fiscale uitgaven worden jaarlijks als bijlage bij de begroting ingediend in het Parlement en zijn publiek raadpleegbaar op de website van de FOD Financiën.
Wat uw laatste vraag betreft, ben ik het met u eens dat er een fiscaal aantrekkelijk kader moet zijn dat ondernemen en investeringen faciliteert. De regering doet in moeilijke budgettaire tijden daarvoor tal van inspanningen, zoals de introductie van een plafond op de patronale bijdrage, de verlaging van de loonkosten met 1 miljard euro tegen 2029, de verhoging van de investeringsaftrek van 30 % naar 40 %, de verbetering van het expatregime, een verlaging van de energiekosten, enzovoort. Ik ben het met u eens dat er een volgehouden inspanning moet zijn. Als u doelt op de federale loonsubsidies: die zijn een organisch gegroeid gegeven om tegemoet te komen aan de hoge loonkosten, net als bijvoorbeeld allerhande cheques of bedrijfswagens dat zijn. Een fiscale tabula rasa is een mooi en aantrekkelijk idee, maar in de reële wereld zal een geleidelijke fiscale evolutie nodig zijn om stap voor stap te komen tot lagere belastingen, lagere tarieven en meer nettoloon, zonder allerhande uitzonderingen, vrijstellingen en subsidies.
06.05 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, het probleem is dat deze regering voor de vennootschappen eigenlijk niets doet. Inzake de tarieven gebeurt er niets. Ik heb gezegd dat we het tarief van 40 % destijds in twee stappen hebben kunnen verlagen, van 40 naar 34 % en van 34 naar 20 %. Dat was nodig om ons land opnieuw qua investeringen te doen groeien.
U verwijst naar het verleden en zegt dat dit kan leiden tot grote lekkages en grote problemen. Een land als Estland heeft vandaag een vennootschapsbelasting zoals wij die voorstellen. Alleen op het moment dat men geld uit de vennootschap haalt, moet men belastingen betalen. Het tarief in Estland is exact hetzelfde voor de personenbelasting als voor de vennootschapsbelasting.
U verwijst ook naar de OESO en de regels rond de minimumbelasting, mijnheer de minister. Ons voorstel is volledig conform die regels, want er is nog altijd een belasting op het moment dat men geld uit de vennootschap haalt.
Ik denk dat we in ons land, in plaats van aan die kleine vijsjes te blijven draaien, orde op zaken moeten stellen in dat complexe monster dat er is, zoals uw eigen premier zegt. We moeten de dingen radicaal vereenvoudigen, in de personenbelasting en ook in de vennootschapsbelasting.
Ik merk enige sympathie voor het voorstel. Ik denk dat u er in uw diepste binnenste voor bent, maar in de coalitie waarin u zit, krijgt u dat natuurlijk nooit verkocht. Bouchez zal dat steunen, daar ben ik zeker van, maar voor Les Engagés, cd&v en Vooruit is er maar één vraag: hoe kunnen we ondernemers en zelfstandigen blijven pluimen en hoe kunnen we vooral onze ziekenfondsen en vakbonden beschermen? Dat is immers de heilige graal voor die mensen.
Mijnheer de minister, versaag dus niet en weet dat wij vanuit de oppositie bereid zijn om u te steunen in uw strijd voor de zelfstandigen en de ondernemers. Intussen rekenen we op u. Dank u.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
07.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik weet niet of u zelf actief bent op de beurs? Misschien niet rechtstreeks maar via de bank? Ook dat niet.
Le président: Question privée!
07.02 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Voilà! C'est cela! Mais il est toujours intéressant de savoir comment les gens se comportent.
In het regeerakkoord staat letterlijk dat de taks op de beursverrichtingen wordt “gemoderniseerd en vereenvoudigd middels enkele gerichte ingrepen, teneinde een aantal gekende problemen op te lossen en het level playing field tussen de geviseerde beleggingsinstrumenten te verbeteren”.
Collega’s, vandaag zijn er drie tarieven voor de TOB: 0,12, 0,35 en 1,32. Ik heb het gecheckt op de website van de Vlaamse Federatie van Beleggers. Er zijn in totaal 44 mogelijke tarieven, in combinatie (...). Waanzinnig complex!
Ik geef het voorbeeld van een ETF. Dat kent u waarschijnlijk, mijnheer de minister. Dat is heel populair, zeker bij de jeugd. Stel dat men een Belgische ETF koopt die kapitaliserend is – de ETF is dus geregistreerd in België; kapitaliserend betekent dat er niet wordt uitgekeerd, maar dat alle winsten worden geherinvesteerd–, dan betaalt men een taks op de beurs van 1,32 %. Men is onmiddellijk 1,32 % aan rendement kwijt. Als men koopt en verkoopt, is men dus 2,64 % kwijt. Stel dat men een gelijkaardige ETF koopt, niet geregistreerd in België maar ook kapitaliserend. Dan betaalt men 0,12 %. Dat is een verschil van 1,20 % per transactie. Dat valt niet uit te leggen. Het gevolg is dat niemand een Belgische ETF koopt. Iedereen koopt ETF’s in bijvoorbeeld Ierland of Duitsland.
Mijnheer de minister – tenzij het opnieuw in het witte kaftje zit, dat zullen we dan onmiddellijk van u horen; straks is het stopwoord “het witte kaftje" –, wat zijn uw concrete plannen om de taks op de beursverrichtingen te moderniseren en te vereenvoudigen?
U spreekt in het regeerakkoord over de gekende problemen. Welke zijn die problemen?
Wanneer mogen we een initiatief verwachten?
Welk budgettair kader is er voorzien? Is het een budgettair neutrale operatie of wordt er een opbrengst beoogd?
Klopt het dat er wordt overwogen om het tarief van 0,12 % af te schaffen? Ik hoor dat in de wandelgangen.
Hoe verantwoordt u dat men voor een Belgische ETF in bepaalde gevallen 1,32 % TOB betaalt en voor een vergelijkbare Europese ETF 0,12 %?
Ten slotte, hoe zult u vermijden dat een vereenvoudiging in de praktijk neerkomt op een platte belastingverhoging voor kleine beleggers?
07.03 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, bedankt voor uw vraag, want ik ben het met u eens dat dit een belangrijke passage is in het regeerakkoord. Het antwoord op uw vragen zat deels al in uw vraagstelling. Een hervorming moet zorgen voor meer eenvoud, meer neutraliteit en een beter level playing field.
Voordat ik met concrete plannen kom, zal er nog overleg zijn met de verschillende stakeholders. Ik wil zo snel mogelijk met een voorontwerp van wet naar de regering gaan, maar dat is ook afhankelijk van het bijkomende overleg dat nog zal plaatsvinden. Ik kan dus niet vooruitlopen op specifieke maatregelen die al dan niet worden overwogen.
Mijn beleidscel en administratie onderzoeken verschillende pistes. De bekende problemen waarnaar u verwijst, zijn, zoals u zelf aangaf, de onduidelijke tariefstructuur, maar bijvoorbeeld ook de dakfondsbepaling, die moet worden herschreven en verduidelijkt. Voor sommige tariefverschillen valt inderdaad nog moeilijk een verantwoording te bedenken.
In een wereld zonder budgettaire zorgen zou ik het liefst alle tarieven naar beneden harmoniseren. Gelet op de grote budgettaire uitdaging komt het erop aan een hervorming uit te werken met stappen naar meer eenvoud en harmonisering, uiteraard het liefst naar beneden, binnen een moeilijke budgettaire context. In de budgettaire tabel, die u ongetwijfeld hebt, is in 2028 een budget voor die hervorming opgenomen.
07.04 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Minister, u zegt dat u in een ideale wereld de tarieven zou verlagen. Hebt u echter ooit gehoord van de Laffercurve? Volgens de Laffercurve daalt het rendement wanneer men te veel belastingen oplegt.
Stel dat van die 313 miljard euro op spaarboekjes de helft zou worden belegd en dat we een TOB hebben die uniform 0,12 % bedraagt. Weet u wat het resultaat zou zijn? Uiteindelijk zou de schatkist veel meer overhouden dan in de huidige situatie.
Collega's, ik heb de heer Bouchez in Frankrijk – hij steunt daar de campagne van de heer Lisnard, burgemeester van Cannes en ook kandidaat voor de presidentsverkiezingen – horen verklaren: "Trop d'impôt tue l'impôt." Te veel belastingen zorgen ervoor dat er geen belastingopbrengsten meer zijn. Dat geldt ook voor de beurs, collega's. Als het tarief 1,32 % bedraagt, zal niemand zo'n product kopen. Men zou wel gek zijn om dat te doen.
Minister, ik hoor u eigenlijk zeggen dat u de tarieven het liefst zou verlagen, maar dat u dat niet zult kunnen doen. Eigenlijk horen we dus dat het tarief van 0,12 % weleens dreigt te verdwijnen. Ik ben er zeker van dat collega's in uw regering dat ook zullen vragen. Ik wil u daarvoor waarschuwen: doe dat niet!
Heel veel kleine beleggers, jonge mensen die vandaag in ETF's beleggen, doen dat tegen 0,12 %. Als u morgen dat tarief afschaft en de facto verhoogt naar 0,35 %, dan zullen al die kleine beleggers de dupe zijn. Minister, respecteer als groot econoom de Laffercurve. Verlaag de tarieven en zorg ervoor dat er meer opbrengsten zijn. Zo gaan meer mensen naar de beurs en beleggen meer mensen. Onze economie zal groeien en de schatkist zal er wel bij varen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
08.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, in de vakantie las ik in De Tijd in een artikel dat er bij de FOD Financiën meer dan 260 voltijdse schatters zouden werken die instaan voor een eventuele herschatting van het KI voor gewone gebouwen, zoals woningen en appartementen. Blijkbaar zou de fiscus veel strenger toezien op het niet-aangeven van verbouwingen. Zo zouden er sinds 2024 al 719 administratieve boetes zijn uitgeschreven voor mensen die een wijzing aan een woning niet hebben doorgegeven. De FOD Financiën zegt dat ze nog maar begonnen is. It's just the beginning. De heksenjacht op alle mensen die aan het verbouwen zijn is volop bezig.
Het artikel beschrijft ook hoe de administratie werkt. Blijkbaar zijn er dus verklikkers in de gemeenten die de vergunningen overmaken aan de fiscus en worden foto's op immobiliënwebsites gescreend. Men speurt dus het hele internet af. Als de fiscale politie ziet dat er iets werd verbouwd, dan moet dat worden gecontroleerd. Vaak zou de herschatting van het KI administratief gebeuren op basis van bijvoorbeeld vergunningen, plannen of andere beschikbare informatie, dus zonder plaatsbezoek.
Mijnheer de minister, ik heb enkele vragen voor u. Ten eerste, kloppen de beweringen uit het artikel dat de FOD Financiën vandaag met meer dan 260 voltijdse schatters werkt en dat de controle wordt opgedreven?
Ten tweede, kunt u toelichten hoe de administratie concreet beslist wanneer een verbouwing leidt tot een herziening van het kadastraal inkomen?
Ten derde, klopt het dat de administratie actief het internet afspeurt, wat scraping wordt genoemd, en dat sociale media van burgers wordt bekeken? Onze voorzitter, de heer Piedboeuf, heeft een huis in de Ardennen en er wordt gekeken of hij één of twee wc's heeft en waar die zich dan bevinden. Wordt dat gecontroleerd?
Ten vierde, hoe wordt vermeden dat burgers die investeerden in energiezuinigheid, bijvoorbeeld dakisolatie, nieuwe beglazing of een verwarmingsketel, fiscaal worden afgestraft door een hoger kadastraal inkomen?
Ten vijfde, welke rol spelen de gemeentelijke aanwijzend schatters precies? Wat doen die lokale ambtenaren precies? Weet dat dat niet onschuldig is, want u weet dat een hoger KI ook meer opbrengsten voor de gemeente betekent. Er is dus een belangenconflict voor de gemeenten.
Ten slotte, acht u het huidige systeem, waarvan de basis teruggaat tot 1975, toen ik twee jaar oud was, nog steeds voldoende transparant voor de burgers?
Le président: Monsieur Van Quickenborne, j'habite en Gaume, pas en Ardenne.
08.02 Vincent Van Quickenborne (Anders.): (hors micro)
08.03 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, ik moet u eveneens corrigeren. Ik ben geen econoom, maar informaticus. Toen de dieren nog spraken, heb ik informatica gestudeerd. Ik was een pionier.
Ik kom nu echter tot uw interessante vragen.
Het totale aantal schatters van het kadastraal inkomen voor gewone gebouwen bedraagt momenteel 262 vte. De controle op niet-aangegeven verbouwingen is een continu proces dat altijd heeft bestaan. In dat kader werkt de FOD Financiën onder meer nauw samen met de gemeenten.
De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kan overgaan tot een herschatting van het kadastraal inkomen van vergrote, herbouwde of aanzienlijk gewijzigde goederen. Een wijziging wordt als aanzienlijk beschouwd wanneer ze leidt tot een vermeerdering of een vermindering van het aan een bebouwd perceel toegekend kadastraal inkomen met een bedrag van 50 euro of meer, of ten minste met 15 % van het bestaande inkomen.
De AAPD kan gegevens verzamelen die afkomstig zijn uit elektronische bronnen, waaronder het internet. Het actief afspeuren van het internet gebeurt momenteel niet op systematische wijze. De FOD Financiën verwerkt de informatie in het kader van haar wettelijke fiscale bevoegdheden.
Een herschatting ingevolge investeringen op het vlak van energiezuinigheid leidt op zich niet tot een hoger kadastraal inkomen dan andere herschattingen wegens verbouwingen, omdat de leidende parameters nog steeds die zijn van de laatste algemene perequatie in 1975. De beoordeling van het comfort hangt daarom nog steeds hoofdzakelijk af van de aanwezigheid van een badkamer en comfortverwarming.
De bepaling van het kadastraal inkomen is een exclusieve bevoegdheid van de FOD Financiën op grond van titel 9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen van 1992. De rol van de aanwijzende schatters is vastgelegd in het koninklijk besluit van 10 oktober 1979 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen op het stuk van de onroerende fiscaliteit. De burgemeester van de gemeente duidt naargelang de noodwendigheden een of meer aanwijzende schatters aan die samen met de vertegenwoordiger van de administratie deelnemen aan het opzoeken van de als referentie in aanmerking te nemen percelen en aan de uit te voeren schattingen.
De FOD Financiën zet in op transparantie door proactief informatie ter beschikking te stellen, onder meer via een website waar burgers toelichting vinden over de bepaling en de herschatting van het kadastraal inkomen. Ook bestaat er een bezwaarprocedure bij betwistingen. Tegelijk blijft de administratie aandacht hebben voor een duidelijke motivering en communicatie bij elke herschatting, evenals voor de toegankelijkheid van de bezwaarmogelijkheden.
08.04 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, het feit dat u zo uitgebreid op die vraag antwoordt, betekent dat het dossier niet in het witte kaftje zit. Dat is op zich al interessant. Ik denk dus dat mensen die verhuren zich geen zorgen moeten maken dat deze regering eraan denkt om bijvoorbeeld, in plaats van het kadastraal inkomen, de belastingen te berekenen op basis van de werkelijke huurwaarde. Dat is op zich een geruststelling en ik wil u daarvoor danken, namens die vele verhuurders in Vlaanderen en in ons land.
Ten tweede zegt u dat het actief afspeuren van het internet en de sociale media heden niet gebeurt. Dat is heel interessant. U hebt gezegd: op heden. Dat kan dus eventueel veranderen. Ik heb evenwel indicaties dat er mensen zijn bij de FOD Financiën die actief aan het scrapen en het scralen zijn, die dus publicaties op sociale media door personen afspeuren. Bij gelegenheid zal ik daarover stukken voorleggen.
Ten derde over het KI zelf. Ik hoor heel veel ongerustheid op het terrein. Ik hoor, mijnheer de minister, dat in bepaalde steden bepaalde controleurs strenger zijn dan in andere steden. Ik hoor dat men voor bepaalde huisvesting in bepaalde steden andere criteria gebruikt dan in andere steden. Een voorbeeld waarop ik later zal terugkomen zijn de studentenkamers. Het kadastraal inkomen van een studentenkamer zou in bepaalde steden anders wordt vastgelegd dan in andere steden. Dat baart mij veel zorgen. Ik hoor ook dat men voor een exact dezelfde studentenkamer het KI anders bepaalt: de ene is tien jaar geleden geschat op 200 euro, de andere wordt vandaag geschat op 400 euro, terwijl men bij het KI moet uitgaan van de huurwaarde in 1975. Ik zal met voorbeelden komen, want ik maak me daar veel zorgen over.
Mijnheer de minister, het KI is cruciaal voor veel mensen, zeker voor mensen die verhuren en daardoor een extra pensioen opbouwen naast een te laag wettelijk pensioen. U belooft transparantie, maar ik vraag ook rechtszekerheid en vooral een lage belastingdruk om de mensen die verhuren te beschermen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
09.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, deze vraag gaat over la fraude fiscale. Nu weet ik dat de collega's van de socialisten zeker zullen meeluisteren.
Wij zullen straks nog spreken over de fiscale controles op zelfstandigen in Vlaanderen. Dat is een ander dossier, dat u ongetwijfeld hebt gevolgd.
Deze vraag is veeleer sec. Dat mag ook wel eens.
In de budgettaire tableau staat voor 2026 – ik meen dat wij nog altijd in 2026 zijn – een budgettaire meeropbrengst van 200 miljoen euro uit de bestrijding van fiscale fraude is ingeschreven.
Mijnheer de minister, wij zijn intussen september 2026 en wij hebben van u op dat punt nog geen enkel wetgevend initiatief gezien.
Ik hoor dat uw dossier van de antifraudewet al elfendertig keer is gepasseerd in de ministerraad, maar iedere keer wordt geblokkeerd, niet door u voor alle duidelijkheid, maar door uw socialistische vrienden, die van oordeel zijn dat de antifraudewet een profraudewet is, aangezien die ons nog meer zal kosten dan ze opbrengt. Dat is wat de socialisten vertellen. Bij socialisten moet men altijd heel goed opletten wat zij verklaren. Geef nooit uw geld aan een socialist, want dan bent u het sneller kwijt dan u denkt.
Mijnheer de minister, klopt het dat er nog geen akkoord is over die fameuze antifraudewet? Waar knelt het schoentje precies? Geef ons enig inzicht in het dossier.
Ten tweede, welke concrete maatregelen zullen in die wet worden opgenomen?
Ten derde, hoeveel bijkomende inkomsten uit de bestrijding van fiscale fraude zullen er effectief in 2026 worden gerealiseerd? U schrijft immers 200 miljoen euro in, maar als er geen initiatief is, vraag ik mij af hoeveel het werkelijke bedrag zal zijn.
Ten vierde, blijft u bij de geraamde meeropbrengst van 200 miljoen euro voor 2026? Hoe wilt u die opbrengst nog behalen?
Wanneer wordt die antifraudewet aan ons, het Parlement als eerste macht van het land, voorgelegd?
09.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, het is vreemd dat u zegt dat er nog geen enkele maatregel werd genomen in het kader van antifraudebestrijding. Ik herinner me immers dat we hier nachten, een keer zelfs veertig uur aan een stuk, hebben gezeten om over minstens één antifraudemaatregel ten gronde te spreken. Het lijkt me dus niet gepast te zeggen dat we nog niets hebben gedaan op dat vlak. Me dunkt hebben we die discussie al gevoerd. De maatregel waarover toen werd gedebatteerd, is vandaag realiteit en vormt een belangrijke stap vooruit in de strijd tegen de fiscale fraude.
Daarnaast werden al verschillende andere maatregelen genomen. Zo zijn er antimisbruikbepalingen ingevoerd met betrekking tot de taks op de effectenrekening. Samen met minister Beenders voer ik momenteel een operationeel actieplan uit. Recent heeft de regering ook goedkeuring gegeven aan de oprichting van de FIOD, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, die de slagkracht van onze fraudebestrijding verder moet versterken. Ook de extra aanwervingen voor de douane en de BBI zullen in de komende weken en maanden plaatsvinden. Al die maatregelen moeten ervoor zorgen dat de beoogde budgettaire opbrengsten zullen worden gehaald.
De regering discussieert momenteel inderdaad nog over de antifraudewet, net zoals over vele andere maatregelen. Ik zal dus, zoals u me kent, niet vooruitlopen op de inhoud van de antifraudewet, maar het is geen geheim dat er heel wat antifraudemaatregelen in zijn opgenomen die ook gewoon in het regeerakkoord zijn terug te vinden.
De opbrengst van afzonderlijke maatregelen is moeilijk te berekenen, aangezien die tot uiting komen in alle andere fiscale of parafiscale inkomsten, zoals een toename van sociale bijdragen, btw, inkomstenbelasting, enzovoorts. Er kan niet eenduidig worden vastgesteld hoeveel de antifraudewet opbrengt, het gaat om meeropbrengsten van verschillende belastingsoorten.
09.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, u verwijst naar money control en het Centraal Aanspreekpunt, het CAP. Dat klopt, maar u zegt ook dat deze maatregel in combinatie met de andere goed is voor 200 miljoen euro. Dan zult u waarschijnlijk de fiscale politie op heel veel mensen moeten afsturen, bijvoorbeeld op de bomma’s en de bompa’s die straks met Nieuwjaar weer een envelop zullen schenken. U zegt dat u daar volop mee bezig bent, maar ik vind dat zeer beangstigend.
Desalniettemin – u hebt het zelf toegegeven – is er de fameuze antifraudewet, die eigenlijk het pièce de résistance van de regering zou moeten zijn, maar al maanden geblokkeerd is in de regering. Ik lees in de kranten dat u telkens probeert om dat erdoor te krijgen, maar dat dat dossier door de socialisten aan allerlei andere dossiers wordt gekoppeld, waarschijnlijk intussen ook aan dat van de dertien studenten uit Gaza die nog niet in België zijn. Minister Vandenbroucke is de Houdini van de regering, want hij koppelt alles aan elkaar. Dat is volgens mij de realiteit.
Als u echt op zoek bent naar fiscale
meeropbrengsten, is er maar één echt goede mogelijkheid en die vindt u bij de
laffercurve van econoom Arthur Laffer. Ik heb intussen vernomen dat die man nog
leeft, terwijl ik dacht dat hij samen met Reagan en Friedman verdwenen was. Ik
heb trouwens onlangs op sociale media een filmpje van hem gezien. Ik stel voor
dat we een hoorzitting met hem organiseren in het federaal Parlement, zodat hij
kan komen uitleggen dat de staat meer opbrengsten genereert door de belastingen
te verlagen. Als u dat doet, zult u geen probleem meer hebben met fiscale
discussies, zult u worden gerespecteerd door de zelfstandigen, de ondernemers
en de burgers en zullen uw socialistische vrienden moeten toegeven dat u gelijk
had. Laffer en Jambon
hadden gelijk. Laffer en Jambon, le même combat.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
Le président: Merci, cher collègue, pour cette salve!
10.01 Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, je souhaite revenir sur une question qui remonte à plusieurs mois déjà. Selon une enquête du Vif, publiée avant les vacances, des cargaisons de matériel militaire ou à double usage continuent à transiter par Liege Airport, malgré les annonces politiques visant à empêcher ce type de flux. Vous connaissez l’attachement que je porte à Liege Airport. Ces transits durent pendant des mois et sont souvent détectés uniquement à la suite d'alertes émanant d’ONG ou de journalistes. Plus grave encore, plusieurs dossiers ont montré que les règles n’étaient tout simplement pas appliquées ou contournées, y compris en l'absence de licence de transit lorsque celle-ci est requise.
La Belgique pourrait ainsi s’exposer à un risque de manquement à ses obligations internationales, notamment celles qui imposent de prévenir tout transfert d’armes susceptible de contribuer à des violations graves du droit international humanitaire. Or ces révélations concernant l’aéroport de Liège montrent que ces obligations ne sont manifestement pas respectées dans les faits. Cette situation révèle une défaillance structurelle des contrôles. Les douanes, qui relèvent de votre compétence, semblent intervenir tardivement, de manière réactive et non systématique, de sorte que des marchandises sensibles peuvent transiter vers une zone de conflit. Ces faits entrent en contradiction directe avec nos engagements internationaux.
Monsieur le ministre, comment expliquez-vous que des cargaisons suspectes soient encore identifiées a posteriori et non empêchées en amont par les services douaniers? Les douanes disposent-elles réellement des moyens nécessaires pour assurer un contrôle effectif et proactif, notamment à l’aéroport de Liège? Combien de cargaisons à destination d’Israël ont-elles été contrôlées, bloquées ou signalées à la justice depuis 2024? Comment garantissez-vous que les décisions politiques visant à interdire ces flux sont effectivement appliquées? Enfin, au vu des informations aujourd’hui disponibles, considérez-vous que la Belgique respecte pleinement ses obligations internationales?
10.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Daerden, je vais répondre conjointement à vos questions 1, 2, 4 et 5 et aborder la troisième séparément.
L'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) effectue, dans le respect des dispositions légales, des contrôles sur les mouvements de marchandises. Elle n'est dès lors pas en mesure de contrôler chaque mouvement physique, de même qu'il est impossible, en pratique, de contrôler chaque colis issu du commerce en ligne.
Il est essentiel de rappeler que les contrôles douaniers s'inscrivent dans une approche fondée sur l'analyse des risques. Concrètement, cela signifie que les moyens humains, techniques et opérationnels ne sont pas mobilisés de manière exhaustive ou systématique sur chaque envoi, mais sont orientés en priorité vers les flux présentant les risques les plus élevés, notamment au regard de la nature des marchandises, de leur origine, de leur destination ou encore des opérateurs concernés.
Cette approche vise à maximiser l'impact des contrôles tout en tenant compte de la diversité des missions confiées à la douane, qui couvrent un large éventail de priorités, allant de la lutte contre la fraude et les trafics illicites à la facilitation du commerce légitime.
L'AGD&A agit toujours de manière appropriée lorsque, sur la base des informations dont elle dispose et compte tenu de ses compétences légales, elle identifie des envois suspects lors d'un contrôle. Toutefois, le terme "transit" englobe également des mouvements pour lesquels l'AGD&A n'est légalement pas tenue de recevoir des informations détaillées et dont, par conséquent, elle n'a pas connaissance. Les douanes belges remplissent donc l'ensemble de leurs obligations dans le cadre de la réglementation en vigueur, qu'elle soit nationale ou internationale.
En ce qui concerne votre troisième question, depuis 2024, l'AGD&A a procédé à 328 contrôles sur la base de déclarations en douane relatives à des biens à double usage et à du matériel militaire destinés à Israël, dont cinq envois ont été bloqués dans l'attente de l'avis des autorités compétentes.
En outre, depuis 2024, l'AGD&A a bloqué au moins six envois à la demande d'une autre institution régionale ou fédérale. D'après les informations dont dispose l'AGD&A, les parquets étaient au courant de ces envois. Je peux également vous indiquer que, lors du dernier contrôle budgétaire, des moyens supplémentaires ont été prévus pour les douanes, notamment en vue de recrutements complémentaires. Certaines de ces offres d'emploi sont déjà ouvertes et d'autres le seront encore avant la fin de l'année.
10.03 Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éléments de réponse. J’entends que des moyens supplémentaires et des recrutements sont prévus, ainsi que la taxe sur les petits colis – si mon information est bonne. Peut-être qu’une partie de celle-ci pourrait également être affectée au renforcement des équipes des douanes.
Je sais que vous vous êtes rendu, il y a quelques jours, à l’aéroport de Bierset avec votre collègue, M. Clarinval, ainsi qu’avec le directeur des douanes. Je pense que le contexte actuel permettrait de renforcer encore ces services.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
11.01 Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, le régime de dispense de précompte professionnel applicable aux chercheurs du secteur public, particulièrement aux universités, a été instauré en 2002 pour soutenir la recherche scientifique et renforcer l'attractivité de nos institutions académiques. Vous ne pouvez ignorer qu'il constitue un levier essentiel de financement de la recherche. Les universités estiment qu'elles représentent entre 7 et 10 % de leurs moyens structurels.
On le sait, vous voulez revoir ce régime en prévoyant notamment de relever de 20 % à 50 % le seuil minimal de temps consacré à la recherche pour bénéficier du dispositif, d'exclure une partie importante du personnel académique et d'imposer des critères particulièrement difficiles à appliquer dans les hôpitaux universitaires. Les rectrices et recteurs francophones dénoncent une réforme qui réduit substantiellement la portée du régime, quand l'accord de gouvernement ne prévoyait que des clarifications techniques. Ils soulignent également que cette orientation semble contredire les conclusions de la Spending Review réalisée en 2024 par les administrations fédérales compétentes, laquelle recommandait au contraire le maintien, voire l'extension de ce mécanisme reconnu pour son efficacité en matière de soutien à la recherche et à l'innovation.
Monsieur le ministre, je vous ai déjà interrogé à plusieurs reprises dans ce dossier. Avez-vous entamé des concertations avec les Régions par rapport à votre réforme du précompte professionnel pour les universités? Enfin, pourriez-vous me communiquer un calendrier? Quand ce texte sera-t-il analysé au Parlement?
11.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Daerden, les mesures reprises dans le projet ont fait l'objet d'une concertation avec les Régions ainsi qu'avec les représentants des organisations défendant les intérêts des institutions concernées.
L'avant-projet est actuellement examiné au sein du gouvernement et j'espère – j'y travaille – le faire passer en première lecture au moment des discussions du budget. Comme vous le savez, après cette première lecture, le texte devra faire l'objet d'un avis du Conseil d'État, puis passer en deuxième lecture, avant que je puisse enfin le présenter au Parlement. C'est pourquoi, je ne suis pas en mesure de vous communiquer un calendrier précis pour le moment.
Le président: Merci, monsieur le ministre, pour cette bonne nouvelle.
11.03 Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je ne suis pas convaincu qu'il s'agisse de bonnes nouvelles. J'entends une certaine cacophonie au sein du gouvernement entre ceux qui plaident pour le maintien et une accentuation de l'exonération, et ceux qui veulent la réduire. Nous verrons ce que dit le texte dans quelques semaines. Il faut, me semble-t-il, sortir d'une vision comptable et passer à une vision stratégique.
Soutenir la recherche, c'est assurer des retours importants pour notre économie, et je sais que nous sommes tous attachés à cela, sans parler des défis appelés à se présenter à nous à l'avenir dans des domaines très variés, tels que la transition énergétique, climatique ou numérique. Mais je me réjouis de voir le texte.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
12.01 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, le télétravail a profondément modifié l'organisation du travail dans de nombreux secteurs, y compris pour les travailleurs belges transfrontaliers, qui exercent leur activité professionnelle dans un État voisin du nôtre.
Ces travailleurs demeurent, toutefois, confrontés à des contraintes particulières liées aux règles fiscales applicables aux travailleurs transfrontaliers au niveau du télétravail. Les conventions préventives de double imposition conclues par la Belgique avec ses États voisins prévoient, en effet, des seuils limitant le nombre de jours qui peuvent être prestés depuis le domicile sans incidence sur le régime fiscal applicable.
Ces seuils diffèrent selon les conventions concernées. Ils suscitent régulièrement des interrogations de la part des travailleurs concernés, des employeurs, mais aussi des partenaires sociaux. Plusieurs organisations représentatives ont, récemment, plaidé pour davantage de flexibilité afin de tenir compte de l'évolution durable des modes de travail.
J'avais, récemment, interrogé votre collègue le ministre Clarinval par rapport à cette problématique. Il vous renvoie la balle, vu le caractère essentiellement fiscal et conventionnel de la question.
Monsieur le ministre, quel est aujourd'hui l'état des discussions menées par la Belgique avec les États voisins concernant les règles fiscales applicables au télétravail des travailleurs transfrontaliers?
Le gouvernement envisage-t-il de proposer une adaptation ou un assouplissement des seuils prévus actuellement dans les conventions fiscales conclues avec les pays voisins? Je pense surtout au Luxembourg et à la France.
La Belgique soutient-elle, au niveau européen ou dans ses relations bilatérales, une réflexion visant à mieux adapter les règles fiscales applicables aux travailleurs transfrontaliers à la réalité du télétravail?
12.02 Jan Jambon, ministre: Chère collègue, à l'exception de la convention fiscale conclue avec le Luxembourg, nos conventions fiscales ne prévoient pas de règles particulières en ce qui concerne le télétravail transfrontalier.
Ces conventions suivent les règles préconisées par le modèle de convention de l'OCDE, à savoir celles de la présence physique et du prorata.
Des discussions ont, toutefois, été entamées avec les Pays-Bas au sujet de l'adoption éventuelle d'une règle de seuil comparable à celle qui est applicable entre la Belgique et le Luxembourg. Ce n'est pas encore le cas avec nos autres États voisins. Cette règle de seuil est appréciable, sans toutefois constituer la solution idéale. En effet, elle ne diminue en rien les charges administratives qui pèsent sur le contribuable, l'employeur et l'administration fiscale. À cet égard, d'autres alternatives, comme la taxation exclusive dans l'État de la source ou dans l'État de résidence du travailleur frontalier, éventuellement combinée à un système de compensation financière pour l'autre État, méritent aussi d'être prises en considération.
Quelle que soit la règle envisagée, son aspect budgétaire est crucial. L'adoption ou l'extension de la règle de seuil que vous préconisez avec nos États voisins impliquerait un coût budgétaire important pour la Belgique, compte tenu du nombre de résidents belges y travaillant, du niveau de la fiscalité belge et du développement du télétravail. C'est ce coût, et son corollaire, à savoir la nécessité de le neutraliser au moyen d'une compensation financière versée par l'autre État, qui rend les discussions relatives à l'adoption d'une telle règle si délicate.
Au niveau multilatéral, la question du télétravail frontalier est à l'agenda du Benelux, de l'Union européenne et de l'OCDE. Dernièrement, les travaux de l'OCDE se sont surtout focalisés sur la question de savoir si, et dans quelles circonstances, le télétravail d'un frontalier peut générer un établissement stable pour l'employeur dans l'État de résidence du travail. Cette problématique a fait l'objet d'une mise à jour des commentaires du modèle de convention fiscale de l'OCDE en 2025.
L'OCDE a également l'intention d'examiner la problématique du télétravail sous divers autres angles, dont celui de l'État d'imposition des rémunérations du travail frontalier. Cet examen n'en est qu'à ses débuts, mais il est appelé à se poursuivre. La Belgique y participe et continuera à y participer activement.
12.03 Anne Pirson (Les Engagés): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Pour nous, il est essentiel de faire évoluer le télétravail et de l'accompagner de règles fiscales plus lisibles et, évidemment, mieux harmonisées pour nos citoyens. J'encourage vivement le gouvernement à poursuivre activement les discussions avec nos États voisins afin d'offrir davantage de sécurité juridique et de flexibilité aux travailleurs transfrontaliers, comme c'est déjà le cas avec les Pays-Bas. Nous ne manquerons donc pas de suivre ce dossier de près dans les prochains mois ainsi que durant le reste de la législature.
Il est vrai que l'impact budgétaire est évidemment important, mais la lisibilité du système pour nos concitoyens l'est tout autant. Nous entendons bien votre réflexion concernant la compensation financière comme piste de travail, et la question reste ouverte pour nous. Elle s'inscrit également dans un cadre plus large impliquant l'OCDE, le Benelux, l'Union européenne, etc.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
13.01 Hervé Cornillie (MR): Si le diable s’habille parfois en Prada, il peut aussi se cacher dans les détails. Et cette petite question, d’apparence anodine, n’est en réalité pas un détail, je le pense.
La suppression de la concession de distribution de la presse écrite, qui était auparavant assurée par bpost, a entraîné une hausse importante des coûts de distribution supportés par les éditeurs de journaux et de périodiques. Afin d’atténuer les effets de cette réforme, le législateur a instauré un mécanisme transitoire de crédit d’impôt applicable aux années 2020 à 2026, cette dernière année arrivant aujourd’hui à son terme.
Plusieurs organisations représentatives du secteur de la presse et des médias ont toutefois récemment alerté les autorités sur l’incertitude qui demeure à ce jour – du moins, si mes informations sont exactes – quant à l’avenir de ce dispositif au-delà du 31 décembre 2026, alors même que les paramètres qui avaient présidé à sa mise en place restent inchangés.
Selon ces organisations, cette absence de visibilité risque de fragiliser particulièrement les éditeurs indépendants et associatifs, qui contribuent au pluralisme de l’information et dont les marges financières sont déjà limitées, dans un secteur et un marché particulièrement morcelé en Belgique.
Dès lors, je souhaiterais vous poser quelques questions afin d’y voir plus clair et, surtout, de garantir une pérennité du dispositif.
Le gouvernement a-t-il déjà recouru à une évaluation de l’efficacité du crédit d’impôt instauré à la suite de la suppression de la concession de distribution par bpost? Combien d’éditeurs ont-ils bénéficié de ce mécanisme depuis son entrée en vigueur, et pour quels montants? J’imagine que nous disposons désormais d’au moins deux années de recul sur le plan fiscal. Le gouvernement envisage-t-il de prolonger ce crédit d’impôt au-delà du 31 décembre 2026, dans le cadre des arbitrages qu’il mène actuellement? Et je suis solidaire avec vous, monsieur le ministre: je sais que vous avez de nombreux arbitrages à faire, notamment pour trouver les nombreux milliards nécessaires au rétablissement de la santé budgétaire de notre pays. À défaut d’une prolongation à l’identique, quelles sont les alternatives actuellement étudiées afin d’éviter une augmentation brutale des coûts de distribution pour les éditeurs? Le gouvernement entend-il présenter, avant la fin de l’année, un cadre structurel garantissant la viabilité économique de la distribution de la presse écrite et la préservation du pluralisme des médias? C’est en effet important, singulièrement pour un libéral. Enfin, une concertation avec les représentants des éditeurs indépendants et associatifs est-elle prévue dans ce dossier, afin de tenter d’aboutir à une solution qui permette de tirer tout le monde vers le haut?
Le président: Merci, cher collègue. Il faudra être plus bref la prochaine fois.
13.02 Frédéric Daerden (PS): Compte tenu de l'intervention de mon collègue, je serai bref.
Comme cela vient d'être rappelé, sans intervention du gouvernement fédéral, ce mécanisme arrivera bientôt à son terme. Le secteur tire la sonnette d'alarme et a émis un avis vous demandant de prolonger ce crédit d'impôt. Sans celui-ci, de nombreux titres de presse risquent de disparaître. Des zones du territoire, en particulier en Wallonie, pourraient ne plus être couvertes.
Monsieur le ministre, nous ne parlons donc pas seulement d'enjeux économiques, mais également d'un enjeu sociétal et démocratique. Nous parlons de la défense de l'importance que chaque citoyen puisse bénéficier d'une presse de qualité, indépendante et accessible à un prix abordable, et ce sur l'ensemble du territoire.
Monsieur le ministre, allez-vous prolonger ce crédit d'impôt au-delà de 2026 et avez-vous consulté le secteur?
Le président: Le dépassement est rattrapé. Merci, cher collègue.
13.03 Jan Jambon, ministre: Chers collègues, j'ai effectivement reçu des représentants du secteur, qui ont plaidé en faveur de la prolongation du crédit d'impôt. Cette question pourra être examinée dans le cadre des discussions budgétaires. À ce stade, je ne souhaite toutefois pas préjuger de la décision qui sera prise.
Pour l'exercice d'imposition 2025, 22 déclarations à l'impôt des sociétés (ISOC) reprennent un montant au code 1951. Ce code concerne le crédit d'impôt pour les coûts de distribution relatifs à la livraison de journaux et d'écrits périodiques. Le montant total inscrit à ce code s'élève à 20,5 millions d'euros.
Pour le reste, je ne peux que renvoyer aux réponses que j'ai apportées aux questions précédentes. Toutes ces questions pourront être abordées au cours des prochaines semaines dans le cadre du difficile exercice budgétaire et des défis auxquels ce gouvernement est confronté. Le dossier est donc sur la table.
13.04 Hervé Cornillie (MR): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse. Si j'ai bien entendu, cela concerne 22 éditeurs pour un crédit d'impôt d'environ 20 millions d'euros.
Je crois que tout le monde est bien conscient que nous traversons une période budgétaire particulièrement difficile. Certains trouvent des milliards sous les sabots des chevaux, mais nous savons très bien que ce n'est pas le cas.
Supprimer un crédit comme celui-là serait peut-être rentable, à court terme, sur le plan budgétaire. Et encore, il s'agit d'une somme qui, vous en conviendrez, reste relativement modeste au regard des enjeux, qui sont bien plus fondamentaux. C'est du pluralisme démocratique qu'il est question. Pour ma part, j'aime pouvoir lire des choses, même si elles ne sont pas agréables à l'idéologie et au parti qui est le mien. Cela fait partie, je crois, du panel démocratique qu'un libéral se doit de défendre.
Je vous encourage donc, monsieur le ministre, à défendre cette position dans le cadre des arbitrages qui seront rendus. En tout cas, je demanderai également à mes collègues ministres de défendre cette voie.
Je vous remercie.
13.05 Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, j'entends que le dossier n'est pas clos et qu'il va faire l'objet de discussions. J'entends aussi mon collègue qui appuie fermement le fait que ces 20 millions d'euros représentent peu pour le budget dans sa globalité, mais peut-être beaucoup pour les personnes concernées par ce secteur. Je garde donc un total espoir dans les négociations à venir.
Le président: Nous sommes tous logés à la même enseigne.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
14.01 Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Monsieur le ministre, la Belgique s'est engagée dans un plan d'investissement majeur pour sa Défense, visant à répondre aux exigences de l'OTAN tout en garantissant notre autonomie stratégique. Ce plan comporte la création d'un bras financier dédié à l'industrie nationale: SFPIM Defence
Le Conseil des ministres a marqué son accord sur plusieurs éléments fondamentaux pour rendre cette structure pleinement opérationnelle: sa stratégie d'investissement, ses ressources, le transfert de participations et son modèle de gouvernance incluant un cadre éthique strict et la nomination d'un troisième commissaire du gouvernement.
Sur la stratégie et les thèmes d'investissement, le Conseil des ministres a défini deux axes complémentaires couvrant 14 thèmes clés d'investissement. Pourriez-vous nous en détailler la liste? Comment la SFPIM Defence compte-t-elle articuler ces investissements technologiques avec les besoins immédiats identifiés dans le Plan d'investissement militaire 2026-2034 (achats d'équipements lourds, systèmes sol-air, etc.) afin de maximiser le retour sociétal et économique en Belgique?
Sur le financement et les ressources (RRF), il est indiqué que le financement de la SFPIM Defence s'appuie sur un droit de tirage sur les budgets réguliers de la SFPIM et sur la réaffectation des ressources provenant de la facilité pour la reprise et la résilience (RRF). Le montant total de deux milliards d'euros est-il aujourd'hui intégralement sécurisé? Quel est le calendrier prévu pour la réaffectation effective des fonds du RRF vers cette filiale?
Sur le cadre éthique, quels sont les grands principes qui composeront le cadre éthique intégré au protocole de gestion actionnariale de la SFPIM Defence? Comment celui-ci intégrera-t-il nos engagements internationaux en matière de droit des conflits armés et de contrôle des exportations d'armes?
Sur la gouvernance et le contrôle, le modèle de gouvernance prévoit la nomination d'un troisième commissaire du gouvernement, sur proposition du ministre du Budget. Quelles seront les prérogatives de ce troisième commissaire par rapport aux deux autres? Maintenant que les missions déléguées à BeLightning, qui est un consortium, et à John Cockerill Defense sont intégrées à la SFPIM Defence, comment l'État compte-t-il s'assurer d'une gestion unifiée et d'un contrôle efficace de ces différentes entités industrielles de pointe?
14.02 Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, voilà des mois que l'on se demande où ce gouvernement trouvera l'argent pour financer les dépenses du ministre de la Défense, qui semble bénéficier d'une American Express sans plafond, alors que la situation budgétaire ne cesse de se détériorer. On parle de plusieurs milliards d'euros pour atteindre les 5 % du PIB auxquels l'Arizona a souscrit lors du dernier sommet de l'OTAN.
Une des pistes pour y arriver est notamment la vente d'actifs de l'État belge et la mise sur pied d'un fonds Défense. Ainsi, sur votre proposition, le gouvernement a approuvé en juillet dernier quatre projets d'arrêté royal qui prévoient la création d’une SFPIM Défense, une filiale spécialisée de la SFPIM.
Selon votre communication, cette entité servira de vecteur pour soutenir les investissements stratégiques dans les domaines de la Défense, en travaillant en étroite collaboration avec la Défense et les sociétés d'investissement régional.
Un projet de loi est sur la table du Parlement pour désigner un troisième commissaire du gouvernement compétent pour le suivi des activités de ces structures.
Monsieur le ministre, très concrètement, quels actifs fédéraux vont-ils alimenter ce fonds? À quelle hauteur souhaitez-vous l'alimenter et selon quel agenda? Quels investissements seront-ils financés via celui-ci et selon quelles conditions, notamment dans le soutien de nos entreprises belges et de l'autonomie stratégique européenne?
Comment fonctionnera la collaboration avec les sociétés régionales d'investissement?
Enfin, en désignant un troisième commissaire de gouvernement, vous renforcez le poids du gouvernement au sein de la SFPIM. Pourriez-vous me dire comment s'appliquera la clé D’Hondt? Selon quelles règles, notamment en termes de taille et de siège social, les mandats au sein du CA seront-ils attribués?
14.03 Jan Jambon, ministre: Monsieur le président, chers collègues, voici la mission du SFPIM Defence telle qu’elle est prévue dans ses statuts. La société a pour objet de promouvoir l’initiative économique et de contribuer activement à la mise en œuvre de la politique industrielle et de sécurité de l’État en recourant, sur la base d’analyses spécifiques et en fonction des besoins et des moyens disponibles, le cas échéant en partenariat avec des sociétés régionales d’investissement, des investisseurs institutionnels et/ou des acteurs privés, à des investissements dans des secteurs et des projets présentant un intérêt stratégique et générant des avantages économiques pour la Belgique et l’Europe.
Sont notamment visées les entreprises du secteur de la défense présentant une valeur ajoutée stratégique et économique; les entreprises aérospatiales qui contribuent à la capacité aérospatiale; les entreprises contribuant à la guerre électronique défensive et offensive; les entreprises de cybersécurité qui contribuent au développement de solutions en matière de cybersécurité et de sécurité de l’information, y compris les communications sécurisées et les infrastructures numériques; les entreprises retenues pour défendre, dans le cadre des investissements de la Défense, les intérêts essentiels de sécurité de la Belgique; les infrastructures militaires et les infrastructures présentant une valeur stratégique pour la sécurité nationale; le développement de bâtiments de protection et d’infrastructures de protection civile; la modernisation des entreprises, notamment pour le soutien à la recherche et au développement; les technologies duales, tant pour des applications civiles que militaires.
Dans le domaine des technologies duales, la société se concentre notamment sur l’intelligence artificielle et les systèmes autonomes, tels que les drones, la reconnaissance et le déploiement autonome; les capteurs avancés et la microélectronique, notamment pour la navigation, la détection de cibles et la défense aérienne; le stockage d’énergie et les infrastructures à double usage, notamment pour l’alimentation mobile ainsi que pour les véhicules et équipements militaires; les technologies de communication et spatiales, telles que les communications chiffrées et les systèmes satellitaires; la fabrication additive pour des applications dans l’aéronautique et les véhicules; les technologies quantiques, y compris la détection quantique et les systèmes de détection avancés.
Dans le cadre de la cybersécurité, les investissements peuvent concerner tant des infrastructures digitales logistiques tels que des centres opérationnels de sécurité (Security Operations Centers), des plateformes de renseignement sur les menaces, des centres de données, des réseaux sécurisés ou encore des réseaux de surveillance des infrastructures critiques.
Les investissements seront ciblés sur des entreprises présentant un lien avec la Belgique et apportant une contribution significative au renforcement de l’autonomie belge et européenne dans le domaine de la défense. Lorsque ces entreprises agissent principalement en tant que sous-traitants, leurs activités doivent, autant que possible, bénéficier à des acteurs européens ou, à défaut, permettre l’acquisition de compétences et de savoir-faire stratégiques qui pourront, à moyen terme, être intégrés dans une chaîne de valeur européenne et renforcer l'autonomie stratégique de l'Union européenne.
Les investissements pourront porter sur des projets à portée européenne ainsi que sur des projets menés avec des alliés de l’OTAN, en tenant compte de la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS) élaborée à l'échelle belge. Pour le reste, la filiale vient d’être créée. Il appartiendra donc à son conseil d’administration de déterminer les modalités concrètes de déploiement de cette mission.
Deuxièmement, la SFPIM Defence sera capitalisée avec du cash et en actifs. Son financement reposera sur des opportunités d’investissement spécifiques. Ces liquidités proviendront, premièrement, d’un droit de tirage annuel maximal de 250 millions d'euros provenant de la SFPIM au cours des cinq prochaines années et, deuxièmement, d’un droit de tirage supplémentaire d’un montant maximal de 300 millions d’euros en cas de réalisation d’un actif important au cours des cinq exercices clos au 31 décembre 2030, au moment de la réalisation effective de cet actif.
La SFPIM Defence pourra également bénéficier d’un montant de 150,8 millions d’euros provenant de fonds européens non investis du Recovery and Resilience Facility (RRF) au cours de sa première année d’existence.
En parallèle, la SFPIM transférera à la filiale spécialisée ses participations liées aux secteurs de la défense, de l’aérospatial et de la cybersécurité. Il s’agit de participations détenues pour compte propre et de missions déléguées.
Troisièmement, les investissements de la SFPIM Defence seront soumis au même screening que ceux de la SFPIM, au moyen de son dispositif ESG.
À cela s’ajoutera une vérification complémentaire visant à s’assurer que l'entreprise opère, premièrement, dans le respect des législations belge et européenne ainsi que des traités internationaux signés et ratifiés par la Belgique applicables au commerce et à l’exportation d’armes et, deuxièmement, dans le respect du droit européen, national et international en matière humanitaire, notamment de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne.
Quatrièmement, ce troisième commissaire du gouvernement se concentrera principalement sur les aspects budgétaires ainsi que sur le suivi du RRF.
Maintenant que les missions déléguées à Bel Lightning et à John Cockerill Defenc sont intégrées à la SFPIM Defence, comment l’État compte-t-il s’assurer d’une gestion cohérente et d’un contrôle efficace de ces différentes entreprises industrielles de pointe? Il le fera en centralisant la gestion des participations au sein du groupe SFPIM Defence, agissant pour compte propre.
En complément à la réponse apportée à M. Daerden, la SFPIM Defence ne finance pas l'acquisition d'équipements militaires, mais investit dans des entreprises et des projets qui renforcent l'industrie de défense belge et européenne. Ces domaines d'intervention incluent l'aéronautique, la cyberdéfense, le spatial, les drones, l'intelligence artificielle, les applications maritimes et d'autres technologies stratégiques. Les actifs que la SFPIM détient déjà dans ces domaines seront également transférés. À l'heure actuelle, la SFPIM Defence n'a établi aucune liste d'actifs destinés à la vente.
En ce qui concerne la collaboration avec les Régions, la SFPIM Defence est une filiale de la SFPIM et non un fonds, contrairement au Fonds flamand de défense. Cela signifie que le Fonds flamand de défense ne peut pas investir dans le véhicule fédéral. L'inverse est, en revanche, possible. Nous visons une collaboration complémentaire avec des partenaires tels que le ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV), Wallonie Entreprendre et finance&invest.brussels.
Les Régions sont associées au processus d'investissement et peuvent, le cas échéant, co-investir aux côtés de la SFPIM Defence. Cette approche présente l'avantage de mutualiser les expertises, le flux de dossiers et les capacités d'investissement, tout en permettant à chaque institution de conserver son propre mandat et son pouvoir de décision. Des accords en ce sens ont déjà été conclus avec les sociétés d'investissement régionales.
En ce qui concerne le commissaire du gouvernement, l'Inspecteur des finances a recommandé, dans son rapport relatif à la SFPIM Defence, de désigner un commissaire du gouvernement au Budget auprès de la SFPIM et de la SFPIM Defence, compte tenu notamment des investissements financés par les fonds européens du plan de relance (RRF), qui nécessitent un suivi budgétaire de la part du gouvernement. Cet avis a été mis en œuvre dans la pratique et ne trouve donc pas son origine dans la clé D'Hondt.
Le président: Je vous remercie monsieur le ministre. Je vous ai laissé déborder parce votre réponse intéressait tout le monde.
14.04 Stéphane Lasseaux (Les Engagés): Je vous remercie, monsieur le président. En effet, si nous avons débordé de part et d'autre, vous avez bien fait de laisser M. le ministre dépasser son temps de parole, car sa réponse était très complète. Nous devons vous en remercier, monsieur le ministre, mais également vous, monsieur le président.
Monsieur le ministre, le contexte géopolitique nous le rappelle qu'il y a une urgence et, dès lors, une nécessité que la SFPIM puisse agir avec précision. Vous l'avez signalé et vous l'avez cité. Je vous remercie également pour l'attention que vous avez réservée à la recommandation formulée concernant le troisième commissaire. Il est évidemment nécessaire que son travail puisse être accompli dans de bonnes conditions.
Je souhaite également réinsister sur le fait que la SFPIM doit être là pour soutenir nos entreprises et certainement pas pour financer directement la Défense, mais bien pour soutenir nos entreprises.
Je vous remercie.
14.05 Frédéric Daerden (PS): Merci, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse. Comme vous le savez, je suis bourgmestre d’une ville qui accueille depuis très longtemps des entreprises actives dans les secteurs de la défense et de l’aérospatiale. Vous trouverez donc toujours en moi un soutien lorsque les investissements réalisés dans ces secteurs stratégiques profitent à nos industries.
Le président: Je m'en doutais. Merci, cher collègue.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
15.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de zomer, er is deze zomer opnieuw veel gebeurd. Sorry dat ik nu al die vragen stel, maar als er vanaf 15 augustus commissies hadden plaatsgevonden, had ik die vragen niet vandaag hoeven te stellen, want dan had ik ze op een vroeger moment reeds kunnen stellen.
Ik lees De Tijd veel, net als u. Daarin staat een arrest van het Hof van Cassatie waarin wordt gesteld dat bewijzen die de fiscus tijdens een onrechtmatige fiscale visitatie verzamelt, toch kunnen worden gebruikt. Opvallend is dat het Hof expliciet stelt dat zelfs het opzettelijk negeren van het verzet van belastingplichtige niet noodzakelijk leidt tot uitsluiting van het bewijs.
Fiscaal advocaat Filip Smet, die u misschien kent, noemt die positie verontrustend. Volgens hem is het problematisch voor de rechtsbescherming van zelfstandigen en ondernemers dat overheidsambtenaren bewust hun bevoegdheden overschrijden zonder dat daar een sanctie tegenover staat. Hij wijst erop dat vanuit de praktijk al langer wordt gevraagd om de regels rond fiscale visitaties en de zogenaamde Antigoondoctrine wettelijk te verduidelijken.
Mijnheer de minister, ten eerste, hoe beoordeelt u het recente arrest van het Hof van Cassatie?
Ten tweede, deelt u de bezorgdheid dat dit arrest de rechtsbescherming van zelfstandigen, ondernemers en burgers kan verzwakken?
Ten derde, acht u het wenselijk dat opzettelijke overschrijdingen van onderzoeksbevoegdheden door fiscale ambtenaren zonder gevolgen kunnen blijven voor de bruikbaarheid van het verkregen bewijs?
Ten vierde, welke concrete initiatieven bereidt de regering voor inzake fiscale visitaties en de toepassing van de Antigoondoctrine, in het kader van het aangekondigde antifraudeplan? Iets zegt me dat in uw fameuze antifraudewet, waarover we het daarnet hadden, dat element zou zijn opgenomen. Ik ben benieuwd of dat het geval is. Misschien is dat het knelpunt in de discussie over uw fameuze antifraudewet.
Tot slot, zult u initiatieven nemen om een beter evenwicht te waarborgen tussen doeltreffende fraudebestrijding en de fundamentele rechten van onze zelfstandigen en ondernemers?
15.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, u vraagt, ten eerste, hoe ik het recente arrest beoordeel. Zoals elk arrest van het Hof van Cassatie moet de beslissing worden gelezen in het licht van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan het betrokken concrete geval en die de nodige nuances en verduidelijkingen aanbrengen voor een goed begrip ervan. Noch de administratie noch ikzelf is echter gemachtigd om informatie over individuele dossiers te verstrekken.
Het arrest van 28 mei 2026 waarnaar wordt verwezen, ligt in de lijn van de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, die bepaalt dat onrechtmatig verkregen bewijs wordt geweerd wanneer er sprake is van een schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, een aantasting van de betrouwbaarheid van het bewijs of strijdigheid met het recht op een eerlijk proces. Die rechtspraak is niet nieuw. De standpunten van het Hof van Cassatie zijn voor fiscale zaken voorheen al bevestigd in een arrest van 19 juni 2025.
Ik kom, ten tweede, bij de vraag of ik de bezorgdheid deel dat een en ander de rechtsbescherming van belastingplichtigen kan verzwakken.
De rechtspraak van het Hof van Cassatie is, zoals ik al aangaf, geen nieuwe rechtspraak en wijzigt daarom de bestaande positie van de belastingplichtigen niet. Er moet aan worden herinnerd dat de beoordeling van de zogenaamde Antigooncriteria steeds het voorwerp uitmaakt van een rechterlijke toetsing en afweging in concreto.
Ten derde, u vraagt of het wenselijk is dat opzettelijke overschrijdingen van onderzoeksbevoegdheden door fiscale ambtenaren zonder gevolgen kunnen blijven. De kwalificatie van een inbreuk en de gevolgen die daaraan zijn verbonden, kunnen niet los worden gezien van de concrete omstandigheden van het individuele geval. Het komt in voorkomend geval de bevoegde rechter toe om, rekening houdend met alle feitelijke en juridische elementen van de zaak, daarover te oordelen. Gelet op het individuele karakter van dergelijke dossiers, acht ik het dan ook niet aangewezen om daarover in algemene zin uitspraken te doen.
Ten vierde en ten vijfde, een wetgevend initiatief maakt het voorwerp uit van bespreking binnen de regering. Een akkoord daarover ligt op tafel tijdens de budgettaire besprekingen. Zodra wij een akkoord hebben, ben ik er zeker van dat het in de commissie voor Financiën uitgebreid zal worden besproken.
Le président: Monsieur Van Quickenborne, allez-vous confirmer qu’il s’agit de la fin d’une tragédie?
15.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Antigone est effectivement une vraie tragédie!
Mijnheer de voorzitter, we hebben vandaag geleerd dat in het witte kaftje ook de discussie over de toepassing van de Antigoonleer op fiscale zaken zit. De minister heeft gezegd dat de antifraudewet misschien deel uitmaakt van die begrotingsbespreking.
15.04 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, ik heb niet gezegd dat dat in het witte kaftje zat. Een begrotingsbespreking gaat ruimer dan louter de budgettaire lijnen. Ik heb gezegd dat ook het element antifraude dus mee op tafel zal liggen. Ik heb niet gezegd dat dat in het witte kaftje zit.
15.05 Vincent Van Quickenborne (Anders.): We leren dus dat er bij de begrotingsbesprekingen naast het witte kaftje ook nog andere dossiers zijn, met misschien een geel kaftje van N-VA, en lichtblauw kaftje van MR – lichtblauw, want wij zijn er niet bij – en een rood kaftje van Vooruit, cd&v en Les Engagés. In elk geval, het ligt het op tafel en het maakt op dit ogenblik deel uit van die discussies. Iets in mij zegt dat dit punt voor zeer veel discussie zorgt aan de regeringstafel.
De fiscale visitaties zijn een nachtmerrie en een hel voor de mensen. Mensen denken dat de fiscus kan binnenvallen met een huiszoekingsbevel. Dat is onzin, want de fiscus kan op elk ogenblik binnenkomen als de kantoren en de winkels open zijn. Zo doet de fiscus veel visitaties, wat als een mooi woord klinkt, maar ik noem dat een inval. Daarover zijn er erg veel vragen. Als de fiscus echter de wet overtreedt bij zo'n visitatie en de bewijzen dus onrechtmatig heeft verkregen, kan hij die bewijzen toch gebruiken in een procedure. Dat wordt ook door de minister bevestigd. Dat is volgens mij een aanfluiting van de essentiële rechten van burgers, zelfstandigen en ondernemers.
Mijnheer de minister, we reiken naar uw uitgestoken hand. Het lijkt me belangrijk die zaak voor eens en voor altijd te beslechten, maar dan wel in het voordeel van de belastingplichtigen. Zeer veel zelfstandige ondernemers zijn boos over toenemende fiscale controles. Dit soort rechtspraak helpt die mensen absoluut niet. Weet u wat het verschil is tussen een werknemer en een zelfstandige ondernemer? Bij een werknemer stopt de werkdag meestal rond 17.00 à 18.00 uur, maar een zelfstandige ondernemer stopt nooit. Die staat op en gaat slapen met zijn zaak. Zeker dat soort pestcontroles en rechtspraak zorgen voor zeer veel nervositeit en angst bij de zelfstandige ondernemers.
Mijnheer de minister, we kijken uit naar uw initiatieven om de rechten van die belastingplichtigen nu eindelijk te verdedigen tegenover een fiscus die steeds meer macht krijgt.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
16.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): We hadden dit weekend met onze partij een festival van ideeën in Brugge. Wij gaan niet naar Walibi of Plopsaland, wij gaan naar Brugge. We voerden een debat over de Europese kapitaalmarkt, met onder meer Karel Lannoo van het CEPS. Ook Lieve Mostrey, de CEO van Euroclear, was aanwezig. Ze vertelde dat er ooit een moment is geweest in de geschiedenis van ons land dat mensen massaal naar de beurs gingen. Ze verwees daarbij naar de wet-Cooreman-De Clercq. Ze sprak over een glorietijd. Mevrouw Mostrey heeft die periode meegemaakt. Ik heb u ooit ook verteld over mijn vader die voor de eerste keer op de beurs heeft belegd begin jaren ‘80. Ik was toen acht of negen jaar oud. Dat was dankzij het initiatief van wijlen Hubert Cooreman en wijlen Willy De Clercq.
In het regeerakkoord staat dat er een Cooreman-De Clercq 2.0 komt. U weet dat we onze Einsteinrekening hebben gelanceerd. Voka kwam met de groeirekening. Toen vond de minister dat een goed idee, waarmee men aan de slag kon. Ik stel me een vraag. Er is een wet ter verbetering van het investeringsklimaat, die nu aan de tafel van de regering wordt besproken. Er wordt gewag gemaakt van het hervormen van de bestaande taxshelter voor start-ups en scale-ups tot één belastingvermindering voor investeringen in durfkapitaal. De investeringsmogelijkheden worden uitgebreid. De termijn wordt verlengd. Ook het maximumbedrag dat bedrijven kunnen ophalen, wordt verhoogd. Mijn vraag is of de net geschetste hervorming de invulling is van wat men in het regeerakkoord Cooreman-De Clercq 2.0 noemt of gaat het slechts om een onderdeel van een bredere strategie en mogen we andere maatregelen verwachten om Cooreman-De Clercq 2.0 te realiseren? Ik hoop dat ik duidelijk ben in mijn vraagstelling.
U knikt, dus u zult een zeer helder antwoord geven.
16.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, u citeert uit een voorontwerp van wet, dat nog niet door de ministerraad is goedgekeurd. Wat mij betreft, kunnen en zullen er ook nog aanvullende maatregelen genomen worden om de groei te stimuleren en om spaargeld bijkomend te activeren. In het begrotingsakkoord waar we nu naartoe moeten werken, moet zeker en vast een groeiluik aanwezig zijn. De maatregelen, het toepassingsgebied en dergelijke elementen zullen onderdeel zijn van de begrotingsbesprekingen. Ik verval in herhaling. Ik zal op al die aspecten in de commissie geen voorafname doen, maar ik zal achteraf over het resultaat ongetwijfeld met u in discussie gaan.
16.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, we leren vandaag veel bij. U wilt het nog niet hebben over de modaliteiten. Het woord modaliteiten is geen onschuldig woord in deze commissie, maar u bevestigt wel dat het uw ambitie is om met een groeiagenda te komen in het kader van de begrotingsbesprekingen en dat voor u ook de wet Cooreman-De Clercq 2.0 deel zal moeten uitmaken van dat begrotingsakkoord. Ook dat vind ik heel interessant nieuws en als dat klopt, is dat positief.
Ik hoop dat onze Einsteinrekening u kan inspireren, net als de groeirekening van Voka. Dat is ook nodig, omdat we een strategie nodig hebben niet om beleggingen te ontmoedigen, maar wel om ze aan te moedigen. Laat ons eerlijk zijn, die meerwaardetaks is geen echte aanmoediging van belegging, maar goed, laten we dat nog even parkeren. We verwachten van u een initiatief zoals in Zweden is genomen, met die fameuze ISK-rekening, waar vandaag 40 % van de Zweden investeert in de beurs. Ik hoorde van mevrouw Mostrey dat in Griekenland en Ierland exact dezelfde initiatieven worden genomen, as we speak. Ik hoorde trouwens dat de heer Servais van de FSMA eerstdaags naar Ierland gaat om daar toelichting te geven. U weet dat Jean-Paul Servais al heel lang dé grote roerganger is van die groeirekening. U weet dat dat ook onder andere bestaat in Engeland en in Polen, heb ik gehoord
Nogmaals, voor mij hoeft het geen Einsteinrekening te zijn, het kan ook de Jambonrekening zijn. Als u dat doet en massaal mensen overtuigt om naar de beurs te trekken, dan hebben we een goed verhaal. Dan gaan we vooruit en kunnen we de taart groter maken zonder de belasting te moeten verhogen. Mijnheer de minister, laat dat mijn boodschap zijn als u straks eindelijk de begrotingsbesprekingen aanvat.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
17.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, de regering wil 20 % van Belfius verkopen. Belfius werd in 2011 gered door de Belgische belastingbetaler voor 4 miljard euro. Vandaag heeft die Belgische belastingbetaler bij de verkoop van 20 % van Belfius uiteraard recht op de best mogelijke prijs. Helaas doet de regering net het omgekeerde, want u kiest bewust voor een onderhandse verkoop. Dat betekent een verkoop aan vooraf geselecteerde investeerders in plaats van naar de beurs te gaan.
Financiële experten hebben berekend dat een beursgang substantieel meer geld oplevert dan een onderhandse verkoop. Heel concreet, als 20 % van Belfius via de beurs wordt verkocht, levert dat de schatkist 3,2 miljard euro op. Als u doorgaat met een onderhandse verkoop, spreken we over een opbrengst van 2,4 miljard euro. Er is een verschil van 1,2 miljard euro tussen de keuze voor een beursgang en de keuze voor een onderhandse verkoop. Dat betekent dat de belastingbetaler meer dan 1 miljard euro verliest.
Op dit ogenblik zoekt u met de regering naar miljarden euro's en zegt u dat de burgers, de ondernemers en de zelfstandigen allemaal een inspanning zullen moeten leveren. Tegelijkertijd laat u echter met één transactie meer dan 1 miljard euro liggen. Sorry dat ik het zo moet formuleren, maar de belastingbetaler wordt hier opgelicht door de regering, terwijl iedereen erop staat te kijken.
Mijnheer de minister, u zit nee te schudden, maar ik heb de hele vakantie naar alle mogelijke financiële experten binnen en buiten het land gebeld en niemand begrijpt waarom Belfius niet naar de beurs wordt gebracht. Nochtans zou u het moeten weten, want in 2018 zat u ook in de regering, de Zweedse regering, en was er expliciet de vraag om Belfius naar de beurs te brengen. Het was eigenlijk allemaal rond, maar uiteindelijk is het niet gelukt omdat het botste op het ARCO-dossier. Dat is de realiteit: één partij heeft toen haar staart ingetrokken.
Wat ik erg vind, is dat u 1 miljard euro mist door uw eigen bewuste keuze. Een onderhandse verkoop is een slecht idee, omdat het dossier voor de kandidaat-kopers vol onzekerheden zit. Zij weten niet wanneer ze kunnen uitstappen. Ze kennen de strategie onvoldoende en ze weten zelfs niet of Belfius later nog naar de beurs zal gaan. Die onzekerheid leidt tot een korting op de prijs; dat is het gevolg. U sprak zelf over een totale waarde van 11 à 12 miljard. Bankaandelen worden op de beurs momenteel gewaardeerd op anderhalf keer de boekwaarde. Voor Belfius betekent dat een waarde van 18 miljard euro. Stel dat men daarop een décote geeft, om mensen te overtuigen om in het financiële aandeel in te stappen, dan spreken we nog steeds over 16 miljard euro. Dat is een eerste punt.
Ik kom aan mijn tweede punt. U pleit voor een groeiagenda. U zegt dat we moeten groeien en de taart groter moeten maken. De eerste kans om dat te doen, laat u gewoon liggen. Naar de beurs gaan met Belfius is absoluut een keuze voor groei.
Ten eerste, stel dat Belfius naar de beurs gaat. Dan mobiliseert men spaargeld van gewone burgers, zelfstandigen en ondernemers en zet men dat spaargeld om in beleggingsgeld. Men maakt dus van een spaareconomie een beleggingseconomie.
Ten tweede, als Belfius naar de beurs gaat, brengt men een nieuwe bank op de beurs. Dat zal heel veel beleggers aantrekken. Een nieuwe bank op de beurs geeft de beurs immers een boost en banken zijn met het huidige renteklimaat zeer winstgevend.
Ten derde, als Belfius naar de beurs gaat, is dat goed voor Belfius zelf, want daardoor kan de bank ook groeien.
Mijnheer de minister, waarom kiest u alsnog niet voor een beursgang? U stelde in een eerder antwoord dat het beursklimaat niet ideaal is, dat was uw eerste argument. De tijden zijn veranderd. Dit is het beste beursklimaat in twintig jaar, en zeker voor banken. Uw tweede argument was dat naar de beurs gaan een kortetermijnresultaat geeft. Dan zegt u eigenlijk dat de beurs een slechte zaak is. Ik vind dat een zeer onwaarschijnlijke uitspraak. Verder zei u dat het zeer complex is. Ik wil er toch even op wijzen dat uw onderhandse verkoop, en de afwikkeling ervan, nog veel complexer lijkt. U zegt zelf dat Belfius misschien al dan niet zal fuseren met Ethias. Niemand weet het. Dat zorgt voor heel veel onzekerheid. Daardoor wordt dat proces moeilijker en moeilijker. Waarom kiest u niet voor een beursgang? De omstandigheden zijn gewijzigd. Wijzig dan ook van koers.
Wat is de minimumprijs die de regering heeft vastgelegd?
Zult u de biedingen vergelijken met de objectieve raming van wat een beursgang vandaag zou opleveren?
Garandeert u dat u de verkoop zult stopzetten wanneer blijkt dat de belastingbetaler een miljard euro laat liggen?
Ten slotte, blijkbaar is er een shortlist gemaakt. Wie staat er op de shortlist voor Belfius?
17.02 Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, parler de Belfius ne peut se faire sans se souvenir de Dexia, de la crise bancaire, de l'effort collectif colossal demandé pour sauver cette banque notamment, mais pas qu'elle.
On se souvient qu'au plus fort de la crise, les interventions de l'État belge étaient nécessaires, impérieuses même, et ce, afin de protéger l'épargne et l'accès au financement des ménages et des entreprises, pour que ceux-ci ne soient pas des victimes collatérales de la débâcle. Mon collègue l'a un peu rappelé tout à l'heure.
Avec Belfius, nous avons un outil public qui est au service des Belges. Au vu de la quantité d'épargne détenue par les Belges, il aurait tout à fait été possible d'imaginer mobiliser cet argent pour des projets d'investissement pour soutenir la transition écologique des ménages, des entreprises et notamment des PME.
Mais vous n'avez a priori, si je comprends bien, ni cette vision, ni cette ambition. Votre gouvernement, dans une situation budgétaire difficile, voire catastrophique – on l'a encore évoqué tout à l'heure – préfère vendre 20 % des parts de Belfius à des investisseurs privés pour tenter d'obtenir tout de suite deux milliards, sacrifiant dès lors une stratégie publique pour des investisseurs qui vont vouloir tout de suite du profit. C'est, à notre sens, un mauvais calcul, une très mauvaise stratégie.
Pourriez-vous me faire le point sur le processus de cession des 20 % de capital de Belfius? Où en est le processus? Quelles sont les étapes franchies ou encore à franchir? Quels sont les critères appliqués pour admettre un candidat investisseur?
Pourriez-vous également me rappeler combien Belfius a apporté au budget de l'État ces dernières années, y compris le dividende exceptionnel?
Quand on évoque le dossier Belfius, on doit désormais évoquer l'ambition de certains de rapprocher la banque avec Ethias, l'objectif étant de créer un grand bancassureur. Nous aurons l'occasion d'investiguer, dans cette commission, sur ces différents thèmes. Confirmez-vous que la vente partielle et le rapprochement avec Ethias ne peuvent être discutés et exécutés ensemble, mais qu’ils doivent bien être traités de manière tout à fait distincte?
Lors de
notre commission du 22 juillet, vous avez évoqué la concertation avec les Régions
pour le dossier Ethias. Pourriez-vous déjà me faire état de l'avancement des
discussions? J'ai lu dans la presse que vous aviez rencontré MM. Dolimont
et Jeholet, il y a quelques jours, et qu'ils s'étaient montrés opposés à la
cession de la participation de la Région wallonne dans Ethias. Confirmez-vous
cette information?
Quelle est la position officielle du gouvernement, au vu des diverses déclarations, notamment sur les réseaux sociaux? Je vous remercie d’avance pour vos réponses.
17.03 Minister Jan Jambon: Collega's, het verkoopproces loopt zoals gepland en op een professionele manier. Zoals gebruikelijk voor dit type transacties wordt het verkoopproces georganiseerd in meerdere rondes. Dat zorgt ervoor dat de biedingen efficiënt verlopen en beschermt ook de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie over Belfius.
De keuze voor een private plaatsing werd gemaakt bij de start van het verkoopproces. Een private plaatsing laat de Staat toe zijn investeerders te selecteren via een snellere en flexibelere procedure dan via een beursgang. Dat is een procedure die ook zekerder is, want ze hangt minder af van de marktomstandigheden. Zo kan de Staat de investeerders selecteren die Belfius op een kwalitatieve en duurzame manier kunnen ondersteunen, want deze brengen naast de koopsom ook hun experts en hun netwerk mee. Ik heb al een aantal keren gezegd dat het de bedoeling is om inbreng te doen, ook van experts, om de waarde van de bank op te drijven. Op deze manier kan de verkoop van 20 % ervoor zorgen dat de waardecreatie verhoogt voor alle partijen, zowel voor Belfius als voor de maatschappij, maar ook voor de 80 % resterende participatie van de Staat.
Op basis van selectiecriteria die rekening houden met onder andere de financiële draagkracht, de ervaring en de governance zijn in een eerste fase kandidaten weerhouden voor de fase van de niet-bindende biedingen. In deze selectiecriteria was geen nationaliteitscriterium opgenomen. Alle geselecteerde kandidaat-investeerders hebben eerst een uitgebreide presentatie ontvangen over Belfius, opgesteld door Belfius en zijn adviseur Goldman Sachs. Verder hebben zij ook het ontwerp van termsheets voor de aandeelhoudersovereenkomst gekregen, waarover de Belgische Staat bereid is te onderhandelen. Tot slot hebben ze ook hun eerste toegang gehad tot het management van Belfius. Op basis daarvan konden ze een indicatief bod uitbrengen.
Er werden meer dan voldoende indicatieve biedingen ontvangen om van een competitief verkoopproces te kunnen spreken. Het exacte aantal en zeker wie de bieders zijn, kan om vertrouwelijkheidsredenen niet meegedeeld worden. De kandidaturen die toegelaten worden tot de volgende fase, die nu van start gaat, moeten resulteren in bindende biedingen. De kandidaten krijgen de mogelijkheid om een uitgebreider onderzoek te doen. Daarvoor zullen hen onder meer verschillende uitgebreide due-diligenceverslagen ter beschikking worden gesteld.
De biedingen zullen beoordeeld worden op basis van de selectie- en evaluatiecriteria die werden vastgesteld en ter kennis gebracht van de kandidaat-bieders. Deze criteria houden rekening met de financiële en maatschappelijke waarde van Belfius.
Wat betreft de financiële waardering biedt het voeren van een competitief biedproces de beste garantie om tot een correcte waardering en prijs te komen. Bovendien werd aan een expert een onafhankelijke financiële waardering gevraagd om de financiële waardering van de biedingen te kunnen aftoetsen. De financiële waarde van een onderneming kan op verschillende manieren worden bepaald en geen enkele methode is op zich alleen bepalend of zaligmakend.
Aan de expert werd gevraagd om die waardering te doen conform het zogenaamde Market Economy Operator Principle, zijnde het beginsel uit het Europese staatssteunrecht dat inhoudt dat moet worden gehandeld zoals een marktdeelnemer in een markteconomie zou handelen. Ter vrijwaring van het competitieve proces zal ik die waardering niet publiek maken.
Ik merk op dat ik deze waardering niet heb gevraagd omdat ik twijfel aan de werkwijze van Bank of America of STIP, maar omdat het een goede marktpraktijk is die ik graag volg.
Ook u beseft dat bij de verkoop van een minderheidsparticipatie uiteraard de controlepremie niet kan worden gecapteerd. Een van de doelen van die verkoop via privéplaatsing is dat de Staat op die wijze de resterende 80 % verder in waarde hoopt te zien stijgen over enkele jaren.
En bref, le processus a débuté par une procédure de sélection. Récemment, les candidats sélectionnés ont eu la possibilité de soumettre une offre non contraignante. Nous passons maintenant à la phase de l'offre contraignante. Les offres seront évaluées en fonction des critères de sélection et d'évaluation établis et communiqués aux soumissionnaires potentiels. Les critères portent sur la valeur financière et la valeur sociétale de l'entreprise.
Entre 2022 et 2025, Belfius a contribué au budget de l'État à hauteur de 1 719 871 512,43 euros, en tenant compte des dividendes ordinaires ainsi que du dividende intérimaire. Je communiquerai les chiffres exacts afin qu'ils soient joints au compte rendu. Pour vous donner un ordre de grandeur, cela représente 380 millions en 2022, 440 millions en 2023 et 444 millions en 2024. Le dividende intérimaire s'élève à près de 250 millions, auxquels s'ajoutent 204 millions en 2025.
Wat is de toekomst van de publieke participatie in Ethias? De overheid heeft de SFPIM vóór de zomer gevraagd alle mogelijke opties met betrekking tot haar belang in Ethias te onderzoeken. In de studie van de SFPIM zijn alle opties geëvalueerd op basis van verschillende criteria, waaronder het financiële rendement voor de Staat, de termijn en complexiteit van de uitvoering, de impact op de werkgelegenheid en het juridische kader. De studie besluit vooreerst dat Ethias een belangrijke financiële en maatschappelijke waarde heeft. Verder blijkt de standalone van Ethias op dit moment de beste optie en hoeft die de gedeeltelijke verkoop van Belfius niet te beïnvloeden. Anderzijds raadt de studie aan om de opties voor KEYES in kaart te brengen. De regering staat achter die besluiten.
Zoals al aangegeven, zullen we in eerste instantie samen met andere belangrijke aandeelhouders onderzoeken wat de beste opties voor KEYES zijn. Zoals u hebt opgemerkt, zijn de gewesten eveneens aandeelhouder van Ethias. Ze houden een even groot belang aan als de federale overheid, namelijk elk ongeveer 32 % van het kapitaal. Bijgevolg zijn ze op voet van gelijkheid met de Staat vertegenwoordigd in de raad van bestuur van de onderneming. Die raad buigt zich regelmatig over de strategische koers van de groep op korte, middellange en lange termijn. Uiteraard dient de besluitvorming met betrekking tot Ethias in overleg met de gewesten te gebeuren.
De transacties waarbij Belfius en Ethias zijn betrokken, zijn twee afzonderlijke zaken, ook al werd een fusie van de twee entiteiten als een van de opties overwogen. Zoals u hebt gemerkt, is Ethias een uiterst solide groep die uitstekende financiële resultaten heeft neergezet. Het is dan ook een waardevol bezit dat zowel in binnen- als buitenland veel belangstelling wekt. De groep biedt bovendien aantrekkelijke perspectieven als zelfstandige entiteit. We zijn daarom van mening dat de federale overheid en de gewesten zich in een zeer sterke onderhandelingspositie bevinden, mochten ze besluiten een transactieproces in gang te zetten.
Une étude commandée par le gouvernement et réalisée par des experts indépendants, mandatés par la SFPIM, a été présentée et largement commentée dans la presse. Cette étude avait un périmètre plus large que le sujet que vous évoquez et examinait l'ensemble des options possibles, ainsi que leurs avantages et leurs inconvénients.
Elle mentionnait explicitement ces éléments ainsi que les perspectives d'avenir, en particulier le business plan d'Ethias, comme critères d'appréciation de l'opportunité ou non d'examiner un changement stratégique d'Ethias et de son intérêt éventuel pour l'État.
C'est en effet la conclusion qu'apporte l'analyse effectuée par la SFPIM. L'étude sur Ethias commandée par la SFPIM au cabinet ALM-Vision est sans équivoque. Le scénario d'une autonomie de l'assureur constitue l'option la plus raisonnable à court terme et probablement aussi à plus long terme.
Pour des raisons juridiques, économiques et budgétaires, le gouvernement wallon ne souhaite pas, dans un premier temps, vendra sa participation dans Ethias. C'est une position que partage le gouvernement flamand. En revanche, concernant la participation d'Ethias et pour voir ce que nous pourrions faire stratégiquement avec Keyes, un consensus a été atteint. Nous sommes ouverts à l'examen des différentes options stratégiques.
Après discussion et sur la base, notamment, de ces informations, le gouvernement fédéral a estimé que le processus de cession de Belfius pouvait passer à l'étape suivante, sans intervention sous la forme d'un swap ou d'une autre opération impliquant des actions d'Ethias.
Le président: Il faut conclure, monsieur le ministre. Nous avons déjà largement dépassé le temps imparti.
17.04 Jan Jambon, ministre: D'accord, mais c'était une question importante.
17.05 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, zelfs als de regering zou beslissen om Ethias en Belfius te fuseren, kan zij dat nooit onderhands doen. Zet dat uit uw hoofd. KBC en Ageas zijn kandidaat. Sommigen in dit Parlement denken dat we gewoon gaan verkopen, maar vergeet dat maar. Volgens mij is dat meer politieke begeestering dan iets anders. Ik ben bezig met finance, niet met politiek.
Ik kom tot de grond van de zaak. U hebt in dit Parlement op 13 januari verklaard dat de verwachte opbrengst van die 20 % 2 miljard euro bedraagt en u hebt dat getal hier in juni herhaald naar aanleiding van een vraag van mij. Vandaag noteren deze bankaandelen op de beurs anderhalve keer de boekwaarde. De boekwaarde van Belfius bedraagt 12,4 miljard euro. Dat bedrag vermenigvuldigd met 1,5 zorgt voor een totaal van meer dan 18 miljard euro. Dus 20 % van 18 miljard euro komt neer op bijna 4 miljard euro. Stel dat men daar een klein beetje van afdoet om naar de beurs te gaan, bij de IPO. Dan is er nog altijd meer dan 1 miljard euro verschil. Ik begrijp niet waarom u volhardt in de boosheid. Waarom kiest u niet voor een beursgang?
De heer Raisière was CEO in 2018 en pleitte toen voor een beursgang. Wat is er sindsdien gebeurd? Waarom trekt Belfius niet naar de beurs? Waarom kiest u niet voor het volkskapitalisme? Waarom laat u de mensen niet deelnemen aan die bank? Wij vinden dat onbegrijpelijk.
Mijnheer de minister, u licht de belastingbetaler voor 1 miljard euro op door te kiezen voor een onderhandse plaatsing. Ik voorspel u wat er zal gebeuren. Er zal onderhands worden verkocht tegen een te lage prijs. Degene die koopt, zal over enkele jaren naar de beurs gaan. Het verschil in de winst zal niet naar de belastingbetaler gaan, maar naar die ene koper. U moet opkomen voor de rechten van onze mensen, voor de zelfstandige ondernemers, en niet voor de rechten van één koper. Ik en vele financiële experts vinden dit onbegrijpelijk. We hopen dat dit liefst vroeger dan later wordt rechtgezet en dat Belfius naar de beurs gaat. Er is maar één plaats voor Belfius en dat is op de beurs van Brussel.
17.06 Frédéric Daerden (PS): Merci, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse, et notamment par rapport aux dividendes. Vous fournirez donc les informations précises au président.
S'agissant de l'opération Belfius, j'entends tout le processus qui est en route. Vous ne m'avez pas convaincu de l'utilité de cette vente à cet égard. Vous évoquez que la valeur, grâce à cette vente de 20 %, devrait progresser. Je suis assez sceptique. Cela fera sûrement progresser le rendement de ceux qui investiraient dans la banque, mais, pour l'État belge, je ne suis pas du tout convaincu de l'opportunité de cette opération.
Quant à Ethias, vous m'avez quelque peu rassuré. Je pense en effet qu'Ethias a une valeur importante et qu'il est sensé de rester en stand-alone, en tout cas à court et moyen termes. Nous aurons l'occasion d'en reparler lors des auditions et de la réunion de commission dans une quinzaine de jours. Je suis, et je tiens à le dire dès à présent, mais je le redirai à ce moment-là, un peu surpris devant les perspectives que vous réservez à l'affiliation auprès de Keyes.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
18.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ons land, onze staat, is aandeelhouder van heel veel bedrijven. Er is dus nog een toekomst om wat te verkopen.
Het dossier waarover ik het nu wil hebben, is Ageas. U weet dat we daar met de federale overheid via SFPIM aandeelhouder zijn voor 6,33 %, als ik me niet vergis. U hebt nog niet zo lang geleden voorgesteld om SFPIM de mogelijkheid te geven om haar belang op te trekken tot 15 % om, ik citeer, "de Belgische verankering te versterken en de groeiende Franse invloed af te remmen". U weet dat BNP Paribas daar de grootste aandeelhouder is met, als ik me niet vergis, 24,15 %.
Alleen blijkt, zes maanden later, dat er daarover nog altijd geen akkoord is binnen de regering.
Mijnheer de minister, bevestigt u dat het voorstel om SFPIM toe te laten haar belang in Ageas op te trekken tot 15 % nog steeds op tafel ligt?
Ten tweede, is daarover al een principieel standpunt ingenomen binnen de regering? Zo niet, waar zit de blokkering? Is het opnieuw de heer Bouchez die moeilijk doet?
Ten derde, welke strategische doelstelling koppelt de regering aan de participatie in Ageas? Gaat het over Belgische verankering, financieel rendement, governance of een combinatie daarvan?
Ten vierde, heeft SFPIM scenario's uitgewerkt over de toekomst van die participatie, met name een status quo, een gedeeltelijke verkoop of een vergroting van het belang?
Ten vijfde, tegen wanneer wil de regering duidelijkheid verschaffen over de langetermijnvisie voor Ageas?
18.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, op uw eerste vraag, Ageas is een beursgenoteerde onderneming. Om die reden kunnen noch de federale regering, noch SFPIM commentaar geven op eventuele toekomstige transacties, investeringsintenties of hypothesen inzake de evolutie van participaties. Iedere beslissing met betrekking tot beursgenoteerde ondernemingen dient bovendien te gebeuren binnen het toepasselijke wettelijke en reglementaire kader en met respect voor de regels inzake marktmisbruik en marktgevoelige informatie. U weet dat natuurlijk.
Ik kom nu tot uw tweede vraag. De regering volgt de ontwikkelingen met betrekking tot de strategische participaties in de eerste plaats op via haar investeringsarm SFPIM. Ook wat Ageas betreft, worden eventuele overwegingen en besprekingen behandeld binnen de gebruikelijke governanceprocessen van zowel de overheid als SFPIM. Om dezelfde redenen als hierboven vermeld, wordt geen commentaar gegeven op interne beraadslagingen, beleidsopties die al dan niet worden onderzocht of eventuele toekomstige investeringsbeslissingen.
Wat uw derde vraag betreft, Ageas is een belangrijke Belgische verzekeringsgroep met een sterke internationale aanwezigheid, een significante economische voetafdruk in België en een belangrijke rol binnen de Belgische financiële sector. De participatie van SFPIM kadert binnen haar opdracht om op lange termijn waarde te creëren voor de Belgische economie en tegelijkertijd een verantwoord financieel rendement na te streven voor de Belgische staat. Zoals bij andere strategische participaties houdt SFPIM daarbij rekening met meerdere factoren, waaronder de duurzame ontwikkeling van de onderneming, haar bijdrage aan de Belgische economie, haar verankering in België en de creatie van langetermijnwaarde.
Wat betreft uw vierde vraag over de scenario's, het behoort tot de normale werking van een professionele investeringsmaatschappij om haar portefeuille permanent te evalueren en verschillende strategische opties te analyseren. Dergelijke interne analyses maken deel uit van het reguliere portefeuillebeheer.
Voor beursgenoteerde ondernemingen kan evenwel geen informatie worden verstrekt over eventuele scenarioanalyses, investeringsopties of transactiemogelijkheden die intern worden onderzocht, aangezien dergelijke informatie potentieel marktgevoelig van aard kan zijn.
Wat uw laatste vraag betreft, de federale regering en SFPIM hanteren een langetermijnbenadering voor het beheer van hun participaties. De concrete strategie wordt voortdurend geëvalueerd in functie van de economische context, de belangen van de Belgische Staat en de ontwikkeling van de betrokken ondernemingen. Ik moet herhalen dat over beursgenoteerde participaties wordt gecommuniceerd wanneer dat passend is en in overeenstemming met toepasselijke wettelijke verplichtingen.
18.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, de reden waarom ik de vraag aan u stelde, is de volgende. U hebt in december 2025 een voorstel op de regeringstafel gelegd om de participatie van de Belgische Staat via SFPIM in Ageas op te trekken tot 15 %. Het is de taak van het Parlement om de regering te controleren. Als u zo'n voorstel formuleert in de regering, maar negen maanden later stellen we vast dat daar nog niets van in huis is gekomen, dan moet ik u toch vragen wat er aan de hand is. Is er een probleem?
Ik heb ook uitgerekend wat de kostprijs zou zijn om die participatie van 6 naar 15 % op te trekken tegen de huidige beurskoers. Dat zou de schatkist 1 miljard euro kosten. Mijnheer de minister, hebben we vandaag geld over om bijkomende participaties te kopen? Gaat u werkelijk de Vlaamse tour op? De Vlaamse overheid is de luchthaven van Zaventem aan het kopen, terwijl de wachtrijen daar ondertussen alleen maar groeien. Voor een Amerikaan of Chinees duurt het twee à drie uur om het land binnen te komen. De Vlaamse overheid koopt participaties in Fluvius.
U bent misschien geen econoom, u bent informaticus, maar u bent wel iemand die het goed voor heeft met de markt. Is het de kerntaak van de overheid om in al die bedrijven te participeren? Het lijkt meer en meer op een staatseconomie. Men moet afbouwen in plaats van op te bouwen. We moeten de staat ontvetten. We moeten de markt laten spelen.
Kijk bijvoorbeeld naar de telecommarkt. U was toentertijd, in uw hoedanigheid van vice-eersteminister, niet voor. U moet nu goed luisteren. De telecommarkt kende drie dominante spelers. Het is de regering-Michel niet gelukt om een vierde speler toe te laten. Juist, toch?
18.04
Minister Jan Jambon: (…) (zonder
micro)
18.05 Vincent Van Quickenborne (Anders.): "Gelukkig," zegt u. Meent u dat serieus? Dat vind ik toch een vreemde uitspraak. Intussen is er wel een vierde speler. Ik vind die reactie vreemd. Vandaag kunnen mensen bellen voor 3 of 5 euro per maand, dankzij de nieuwe speler. De prijzen zakken. Dat is wat men moet doen. U moet de markt vrijmaken in plaats van iedere keer de staat groter te maken. Ik vind het dus een zeer vreemde redenering.
Mijnheer de minister, u legde dat voorstel op tafel in december 2025. Het is nu september 2026 en we hebben er niets meer van gehoord. Sta mij dus toe dat ik daarover vragen stel. Het is mijn taak als parlementslid om de regering te bevragen en te blijven bevragen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
19.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, op het Festival van Ideeën van mijn partij was ook Benoît van den Hove aanwezig. U kent hem waarschijnlijk wel, de CEO van de beurs van Brussel, van Euronext Brussel. Hij vertelde dat het volume van de handel in aandelen smallcaps op de beurs van Brussel enorm is teruggelopen. Wat zijn smallcaps? Dat zijn aandelen met een kapitalisatie van minder dan 150 miljoen euro.
Hij maakt zich daar heel grote zorgen over en wijt dat deels aan de invoering van de meerwaardetaks. De aandelen smallcaps zijn de directe slachtoffers van die meerwaardetaks. Ik denk dat het ook te maken heeft met het feit dat ETF's veel populairder worden. U weet dat ETF's grote aandelen, zeer liquide aandelen dekken en niet die kleinere aandelen.
Mijnheer de minister, u bent een grote fan van de beurs van Brussel en van de beurs. Een land zonder beurs is een arm land, zei wijlen Hubert Cooreman en ik kan hem daarin bijtreden. Ik heb daarom de volgende vragen voor u. Ten eerste, kunt u bevestigen dat de opbrengsten van de TOB – de beurstaks – bij de verhandeling van smallcaps op Euronext Brussel tegenvallen? Ten tweede, zo ja, op welke evolutie wijst dit volgens u? Ten derde, wat zijn de oorzaken? Ten vierde, bent u bereid om regels die een rem zetten op de handel in Belgische smallcaps te heroverwegen? Ten slotte, welke maatregelen overweegt u om de Brusselse beurs, zeker voor die smallcaps, aantrekkelijker te maken? Niet alleen ik, maar ook de beurs van Brussel en iedereen die belegt kijkt met veel belangstelling uit naar uw antwoorden.
19.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, wat betreft uw eerste tot derde vraag, op basis van de gegevens waarover de administratie beschikt in het kader van de aangifte van de taks op de beursverrichtingen kan geen uitspraak worden gedaan over de evolutie van de transacties in smallcapaandelen. De aangiftegegevens bevatten immers geen onderscheid naar de marktkapitalisatie van de betrokken ondernemingen. Verrichtingen in aandelen worden aangegeven volgens de toepasselijke fiscale categorie en het toepasselijke tarief zonder opsplitsing tussen small-, mid of large caps. Bijgevolg laten de beschikbare gegevens niet toe om het aandeel van smallcapaandelen in de belastbare verrichtingen te identificeren, noch om vast te stellen of eventuele evoluties in de opbrengst van de taks verband houden met de prestaties of de verhandelingsvolumes van dergelijke aandelen.
Op basis van de aangiften kunnen uitsluitend vaststellingen worden gedaan met betrekking tot de globale aangegeven verrichtingen binnen de betrokken fiscale categorieën. Nadere conclusies over specifieke segmenten van de aandelenmarkt vereisen gegevens waarover de administratie niet beschikt in het kader van de toepassing van de taks op de beursverrichtingen.
Inzake uw vierde en vijfde vraag zijn er, zoals ik daarnet op andere mondelinge vragen al antwoordde, verschillende maatregelen mogelijk om het spaargeld beter te activeren, zoals het verbeteren van de fiscale middelen voor starters en groeibedrijven, een soort Zweedse ISK-rekening of een hervorming van de beurstaks. Zoals u weet, blijf ik ook inzetten op bijkomende vereenvoudigingen.
Welke keuze de regering zal maken, is afhankelijk van de lopende begrotingscontrole. Zoals ik al stelde, doe ik daar in deze fase van de gesprekken geen voorafname op.
19.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord
Wij kunnen uit de TOB-cijfers eigenlijk niets afleiden. Dat is misschien wel juist.
Wat mij wel zorgen baart, is dat u de bezorgdheid van de beurs van Brussel niet deelt. Wij hebben die TOB-cijfers immers niet nodig om te weten dat er een probleem is. Wanneer u gewoon kijkt naar het aantal transacties op de beurs, wat publieke gegevens zijn, ziet u dat de verhandeling van smallcapaandelen gewoon verkruimelt.
Ik had minstens van u, die althans tot nader order geen socialist bent, verwacht dat u zou meegeven dat u zich daarover zorgen maakt en dat u de beurs van Brussel wilt redden. Dat hebt u niet geantwoord. U hebt gezegd dat u zult kijken wat u kunt doen.
Dat is een fundamenteel probleem, want als ook kleine bedrijven de weg naar de beurs niet meer vinden, zal onze beurs verschralen. Een land zonder beurs is een arm land, zoals ik daarnet opmerkte. Dat geldt des te meer voor die kleine bedrijven.
Er is dus dringend actie nodig, niet alleen voor de beurs van Brussel, maar ook voor het beleggen in het algemeen.
Mijnheer de voorzitter, ik kom hier misschien straks nog op terug met een andere vraag maar wat wij merken, is dat jonge mensen onder de waterlijn de weg naar de beurs vinden. Pensioensparen neemt af in populariteit, hoewel dat fiscaal wordt gesubsidieerd. Tegelijkertijd kiezen jonge mensen voor de beurs omdat daar veel meer rendement te halen is.
De keuze van jonge mensen gaat daarbij echter vaak uit naar ETF's, de fameuze indexkorven, waarvan kleine aandelen geen deel uitmaken. Die kleine aandelen dreigen dus het slachtoffer te worden van de taxatierage van deze regering, met de meerwaardentaks en de verdubbeling van de effectentaks, en tegelijkertijd van de verwaarlozing door deze regering van de beurs van Brussel.
Het is dus tijd om die situatie recht te zetten en actie te ondernemen. Mijnheer de minister, als men de TOB, de taks op beursverrichtingen, voor die kleine aandelen, voor die smallcaps, drastisch zou verlagen of misschien zelfs zou afschaffen, is dat een aanmoediging, een stimulans, om te kiezen voor die kleine aandelen. Die kleine aandelen verdienen al onze steun, net als de kleine zelfstandigen en ondernemers.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
20.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Het Arcospook is terug, het is eigenlijk nooit helemaal weggeweest. Cd&v zegt erg zelfs niets meer over. Deminor verdedigt Arco en neemt contact op met de cd&v, maar die laat niets meer van zich horen. Ik denk dat Sammy Mahdi heeft gezegd dat hij in zijn partij het woord Arco niet meer willen horen vallen, op straffe van 50 euro per keer. Wel, als cd&v Arco niet meer verdedigt, dan zal ik het moeten doen. Niet dat ik daar familie heb of, voor alle duidelijkheid, ik heb zelf ook geen deelbewijzen, maar er zijn nog altijd 30.000 Arcocoöperanten die dus niets teruggezien hebben.
Ik stel mij soms de vraag waarom de regering niet kiest voor een beursgang van Belfius en ik denk dat het te maken heeft met het Arcospook. In 2018 zou Belfius naar de beurs trekken en alles daarvoor was in gereedheid gebracht, maar Kris Peeters – u kent hem wel van de slagerij op de Meir in Antwerpen – trok de stekker eruit. De N-VA trok later ook de stekker uit de regering. De oud-hoofdeconoom van de N-VA, de heer De Boeck vertelde trouwens in een fantastisch interview in De Standaard dat deze actie van de N-VA knettergek was. Hij heeft 100 % gelijk. Herinnert u zich het debat met de heer Vandeput in dit Parlement, maar dat is iets anders.
Kris Peeters wilde geen beursgang van Belfius zonder dat er een regeling was uitgewerkt voor de Arcocoöperanten Het Arcospook zal echter blijven terugkomen. Als er straks een onderhandse verkoop plaatsvindt, zal die koper immers garanties eisen, want anders zal hij niet kopen. Het spook komt dus altijd terug. Arco vraagt een schadevergoeding van 600 miljoen euro. Blijkbaar ligt er nog 200 miljoen bij Arco zelf ter beschikking. Men zegt dat 70 % van die 600 miljoen zou worden geclaimd, omdat intussen bepaalde mensen er niet meer zijn, zoals u wel weet. Blijkbaar zijn Beweging.net en Belfius ook bereid om respectievelijk 30 miljoen euro en 15 miljoen te voorzien. Uiteindelijk blijkt er dus 120 miljoen euro nodig te zijn.
Wat denkt u van het volgende idee, mijnheer de minister? Een beursgang zou een rendement van 1 à 2 miljard opleveren. Als men de Arcocoöperanten de mogelijkheid geeft om met korting in te tekenen op een Belfiusaandeel, waardoor ze minstens gecompenseerd worden voor het geleden verlies. Dan slaat men twee vliegen in één klap: meer opbrengsten voor de Staat, voor de belastingbetaler, en een oplossing voor het Arcodossier. Minister Jambon, dan doet u wat al die cd&v'ers nooit hebben gedaan: winst voor Jambon, winst voor de beurs en winst voor de belastingbetaler. Mijnheer de minister, wat denkt u van dit voorstel?
20.02 Minister Jan Jambon: U weet dat er een juridische procedure loopt en over lopende juridische procedures kan ik niets meedelen. In de gangbare voorbereiding van een transactie worden steeds alle bekende risico's, dus ook het Arcorisico, alle hangende procedures en mogelijke claims, standaard in kaart gebracht en juridisch ingeschat. Dat is de zogenaamde due diligence. Vandaag hebben we geen aanwijzing dat die aanspraak de procedure juridisch of ook commercieel zou blokkeren. Dat is mijn antwoord op deze vraag.
20.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, het is interessant. U zegt niet veel, maar men hoeft niet altijd veel te zeggen om iets duidelijk te maken. U zegt dat er geen aanwijzing is dat die procedure het dossier blokkeert. Dat is interessant.
Ik kan me niet voorstellen dat iemand die 20 % van Belfius koopt, met betrekking tot Arco zal willen afwachten wat er uit die gerechtelijke procedure komt. Wie wordt die koper? Dat kan een familie zijn. Dat kan de heer Tack zijn of de heer Coucke, zoals de kranten melden. Misschien wordt het de heer Pinckaers, die staat nog niet in de krant. Hij is een rijke Waal, die zijn er gelukkig ook nog. Of misschien wordt het CVC. Misschien wordt het de heer Clarebout, de aardappelboer uit West-Vlaanderen, die ik trouwens respecteer en waardeer. Ik kan me niet voorstellen dat een verstandig koper een stuk van 20 % van Belfius wil kopen en zegt dat Arco geen probleem is. Ik kan me dat niet voorstellen.
Mijnheer de minister, u zegt echter dat er geen aanwijzing is dat dit de procedure zou bemoeilijken. Ik vind dat een vreemde vaststelling. Het punt is en blijft dat deze regering, door niet te kiezen voor een beursgang, 1,2 miljard euro laat liggen en tegelijkertijd het Arcospook niet oplost.
U kunt wel zeggen dat er een gerechtelijke procedure loopt. In ons land lopen er duizenden gerechtelijke procedures. Met de situatie zoals we die kennen, zal deze nog lang duren. Als men iets wil kopen en er zit een vlekje op of er hangt een geurtje aan, dan zal men dat pas kopen als men daarvoor een korting krijgt.
Mijnheer de minister, ik denk dat de regering opnieuw de verkeerde keuze maakt. U kunt een dossier oplossen en u kunt tegelijkertijd de belastingbetaler meer geld bezorgen. U doet het niet. Ik vind dat dit strategisch van een enorme kemel getuigt.
Mijnheer de voorzitter, binnenkort zijn er hoorzittingen in het Parlement over Belfius. Ik hoop dat de mensen het achterste van hun tong zullen laten zien. Het grootste mysterie tot nu toe in de financiële wereld is echter: waarom kiest minister Jambon niet voor de beurs, maar voor de onderhandse verkoop? Wat gaat er om in het hoofd van minister Jambon?
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Nous allons faire une petite pause dans le monologue.
21.01 Sam Van Rooy (VB): Minister, het lijkt er zeer sterk op dat Latifa C.A. met haar vzw Moslims en Palliatieve Ondersteuning subsidiefraude heeft gepleegd. Een pittig detail daarbij is dat Latifa niet minder dan twaalf kinderen heeft. Ze had de oproep van uw partijgenote en Antwerps burgemeester Van Doesburg dus kennelijk niet nodig.
Verschillende overheden in dit land deelden jarenlang subsidies uit aan de vzw Moslims en Palliatieve Ondersteuning, die in totaal tot wel 1,8 miljoen euro mocht cashen, alsof er in dit land geld genoeg is.
De stad Antwerpen, die al bijna vijftien jaar wordt bestuurd door uw partij, mijnheer Jambon, heeft aan die vzw in totaal zo'n 1,2 miljoen euro gegeven. Sinds 2019 nam het subsidiebedrag zelfs jaar na jaar toe. Ik heb me daar uiteraard herhaaldelijk tegen uitgesproken. Omdat er allicht subsidiefraude werd gepleegd, vorderde de stad Antwerpen nu een schamele 162.000 euro aan subsidies terug.
Er werd ook 97.000 euro aan cashgeld in beslag genomen, evenals twee Mercedessen. De overheid mag trouwens van geluk spreken dat er plots een anonieme klacht kwam van een voormalige medewerker van die vzw. Jarenlang werd de vzw Moslims en Palliatieve Ondersteuning door de overheid geprezen als ‘de ideale brug naar gezinnen met een migratieachtergrond’. Lees: moslims. D at is dus Sihame El Kaouakibi 2.0, mijnheer de minister. U weet daar alles van.
De vzw Moslims en Palliatieve Ondersteuning zou ook geld hebben gekregen van Kom op tegen Kanker en de Koning Boudewijnstichting. Kunt u dat bevestigen? Zo ja, om hoeveel geld gaat het en in hoeverre komt dat geld direct of indirect van de federale overheid? De Koning Boudewijnstichting krijgt immers geld van de Nationale Loterij.
De hamvraag is of de vzw Moslims en Palliatieve Ondersteuning direct of indirect geld heeft gekregen van de federale overheid. Zo ja, wordt dat geld dan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd?
21.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Rooy, na controle blijkt dat de vzw Moslims en Palliatieve Ondersteuning niet voorkomt op de lijst van begunstigden van de zogenaamde subsidies van de Nationale Loterij. We begrijpen dat die organisatie steun zou genieten van de Koning Boudewijnstichting. De Nationale Loterij heeft effectief een wettelijke opdracht waarbij een bijdrage wordt toegekend aan de Koning Boudewijnstichting. De Nationale Loterij neemt geen rol op in de selectie van de projecten en begunstigden. Die komt geheel toe aan de Koning Boudewijnstichting.
21.03 Sam Van Rooy (VB): Minister Jambon, de ongemakkelijke waarheid is dat de vzw Moslims en Palliatieve Ondersteuning onder leiding van uw N-VA in totaal zo'n 1,8 miljoen euro aan subsidies heeft gekregen, alsof er in dit land geld genoeg is. Bovendien blijkt de oprichtster ervan – of moet ik zeggen oplichtster – Latifa, een charlatan te zijn, Sihame El Kaouakibi 2.0.
Terwijl volgens Bart De Wever het geld op is, kreeg Latifa, die nota bene twaalf kinderen heeft, 1,8 miljoen euro van ons belastinggeld voor haar nep-vzw Moslims en Palliatieve Ondersteuning. Leg dat maar eens uit aan alle hardwerkende burgers in dit land, met of zonder migratieachtergrond, die zich blauw betalen aan belastingen of die in dit in wezen failliete land nog amper kunnen rondkomen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
22.01 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, in De Tijd heeft Fabien Pinckaers, de CEO en oprichter van Odoo, gezegd dat hij uit België zou vertrekken, indien er vermogensbelasting komt. U ziet dat Wallonië aan het terugvechten is dankzij zijn ondernemers. Zijn uitspraak heeft heel veel deining veroorzaakt, en terecht. Een andere heer, een zekere Frank Vandenbroucke, niet van de koers, maar van de politiek, heeft daarop gereageerd. U kent hem, want u zit, denk ik, vaker met hem samen dan met uw echtgenote. Als dat niet juist is, corrigeer ik dat.
22.02 Minister Jan Jambon: Het is gelukkig niet waar dat ik meer met hem samenzit dan met mijn echtgenote.
22.03 Vincent Van Quickenborne (Anders.): U bent gelukkiger met uw vrouw dan met hem, dat begrijp ik ook. Complimenten voor uw vrouw. Doe haar de groeten, ze is een heel sympathieke dame.
Minister Vandenbroucke heeft in De Tijd gezegd dat de uitspraken van de heer Pinckaers onethisch en onverantwoordelijk zijn.
Mijnheer de minister, stop met al die zelfstandigen en ondernemers weg te jagen uit ons land. U bent ze aan het verzuipen. Ik vind dat soort uitspraken van de heer Vandenbroucke, gericht aan een van de weinige unicorns in ons land, eigenlijk een schande. Het is een schande, zeker in een land waar de fiscale druk tot de hoogste van Europa behoort en met een regering die een exittaks heeft ingevoerd, waardoor wanneer u uit België vertrekt, de fiscus u blijft achtervolgen, jarenlang.
Ik heb een aantal heel eenvoudige vragen voor u. We weten dat minister Jambon vrank en vrij is en kijken dan ook uit naar uw antwoorden.
Ten eerste, bent u het eens met de uitspraak van de heer Vandenbroucke dat fiscale emigratie onethisch is?
Ten tweede, ligt de invoering van een echte vermogensbelasting op tafel? Zit die optie al dan niet in het witte kaftje?
Ten derde, hoe verhoudt die uitspraak zich tot de ambitie om ons land aantrekkelijk te maken voor zelfstandigen en ondernemers?
Ten vierde, bent u het ermee eens dat fiscale voorspelbaarheid en rechtszekerheid essentieel zijn om kapitaal bij ons te houden?
Tot slot, zult u bij de begrotingsbesprekingen, die hopelijk weldra zullen aanvatten, in de eerste plaats focussen op uitgavenbeheersing, de staat ontvetten, minder subsidies, eerder dan opnieuw belastingen op het ondernemerschap en het vermogen?
22.04 Minister Jan Jambon: Mijnheer Van Quickenborne, u kunt natuurlijk elke uitspraak van iedereen in een krant hier aanhalen. Zo komt u inderdaad aan een derde van de vragen van de hele vakantieperiode.
U weet dat ik op deze vraag niet zal antwoorden. Laat de heer Vandenbroucke de heer Vandenbroucke zijn. We leven in een vrij land. U verdedigt toch nog altijd de vrijheid van meningsuiting? Ik zal dus niet op alle uitspraken in de pers reageren. De budgettaire opdracht waarvoor we staan, is gigantisch en moet worden opgelost. Het lijkt mij dan ook niet verstandig om op elke uitspraak te reageren.
Ik heb al meermaals gezegd dat het zaak zal zijn om maatregelen te nemen die de economische groei niet fnuiken, maar integendeel economische groei aanwakkeren. Dat moet een belangrijk gegeven zijn van ons budgettaire kader.
In het regeerakkoord staan de verdeelsleutels voor de budgettaire inspanning opgenomen. Daarin staat ook duidelijk dat de inspanning hoofdzakelijk moet gebeuren door hervormingen en door het verminderen van de uitgaven. Over individuele uitlatingen zal ik mij niet uitspreken. We zullen aan de onderhandelingstafel wel onderhandelen over de lijnen die wij belangrijk vinden. Hopelijk komen we tot een akkoord, want geen akkoord bereiken zou ook een grote ramp voor dit land zijn.
22.05 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, u wilt niet op elke uitspraak reageren, maar u weet ook wat minister-president Diependaele gezegd heeft. Toen minister Gennez in het Vlaams Parlement zei dat ondernemers profiteurs zijn die aan de rand van een zwembad liggen, met de Porsche voor de deur en miljoenen euro’s op de rekening, zei hij dat dat een ongepaste uitspraak was. Ik heb toen hulde gebracht aan Matthias Diependaele.
Eigenlijk zou u ook moeten zeggen dat dit een ongepaste uitspraak van minister Vandenbroucke was, want veel zelfstandige ondernemers kijken naar u, maar niet naar minister Vandenbroucke. Met hem hebben ze het immers gehad. De mensen zijn minister Vandenbroucke beu. U weet dat toch? Ik hoorde deze zomer dat men zei: "Het is niet de alcohol die de gezondheid schaadt, maar Vandenbroucke die de gezondheid schaadt." Ik zie u even grinniken. We zouden dat beter overal plaatsen. Zelfs de heer Mahdi zegt dat. Hoeveel uitspraken van Vandenbroucke heb ik u al voorgelegd tot nu toe? Nog geen enkele. Het is de eerste keer dat ik dat doe, omdat ik vind dat hij over de schreef gaat.
U zou moeten zeggen: we leven in een vrij land, waar iedereen kan zeggen wat hij wil. Die man is echter wel minister en heeft een enorme verantwoordelijkheid. Door dat soort uitspraken jaagt hij zelfstandigen en ondernemers gewoon weg uit ons land. Hij is ze aan het verzuipen.
Daarom verwachten we dat u andere taal spreekt en dat u zegt: "Ik wil respect voor zelfstandigen en ondernemers. Ik wil respect voor mensen die elke dag welvaart creëren. Ik wil respect voor mensen die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat werken." Dat verwachten we van u, maar we horen u niet.
U zegt: "Ja, we gaan dat wel zien aan de onderhandelingstafel." Mijnheer de minister, vecht voor de zelfstandigen en ondernemers. Vecht tegen de socialisten. Dat verwachten we van u. Dat verwachten al die mensen van u. U weet dat wij u vanuit de oppositie die steun ook willen geven. Als u de steun van de sossen niet meer nodig hebt, willen wij u die steun geven en we hoeven daarvoor geen post of mandaat. We gaan u die geven, zolang u de zelfstandigen en de ondernemers steunt. Dat verwachten de mensen van u.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
23.01 Benoît Piedboeuf (MR):
Monsieur le ministre, l'administration refuse d'accorder un dégrèvement
d'office sur base de l'article 376, § 3, 2° dans les cas où une
décision définitive sur le fond a déjà été rendue.
Le paragraphe 3, 2° de l'article 376
ne sanctionne pas une erreur, mais constate l'omission d'un avantage fiscal
listé. Le législateur a identifié une série de dispositions, applicable dès
lors que les conditions objectives sont remplies.
Le texte dispose que le Conseiller général
de l'administration ou le fonctionnaire délégué "accorde d'office le
dégrèvement" des réductions résultant de l'application d'une liste
d'articles, pour autant que le fait générateur ait été constaté ou signalé dans
les cinq ans. L'utilisation du verbe "accorder" à l'indicatif, sans
la condition de "justes motifs" présente au § 1er,
implique que si les conditions sont remplies, le dégrèvement doit être octroyé.
Contrairement à l'article 376, §1er
qui prévoit explicitement la condition que "la taxation n'ait pas déjà
fait l'objet d'une réclamation ayant donné lieu à une décision définitive sur
le fond " , cette restriction ne figure pas textuellement dans le
paragraphe 3. Cette omission n'est pas fortuite, et l'article 376, § 3, 1°, 2°, 3° peut donc être appliqué même après qu'une
réclamation ait fait l'objet d'une décision définitive sur le fond. L'
Administration accorde d'ailleurs sans réserve les dégrèvements d'office sur
base de l'article 376, § 3, 3° alors même qu'une décision définitive
sur le fond existe. Le cadre législatif est pourtant identique: l'article 376,
§ 3.
Si le législateur voulait conditionner les
dégrèvements visés par le § 3 à l'absence de décision définitive sur le
fond, il l'aurait indiqué soit au sein même de ce paragraphe de la même façon
qu'il l'a fait pour le paragraphe 1, soit en début d'article avant les
paragraphes pour globaliser sa portée.
L'article 376, § 3 est une
exception au caractère irrévocable de la décision administrative, dont le
principe reste inscrit à l'article 375, § 1er , al. 3,
et comme toute exception, cette disposition doit être interprétée de manière
restrictive.
L'Administration n'ajoute-t-elle pas une condition à celles prévues à l'article 376, § 3, 2°par le législateur, en exigeant l'absence de décision définitive sur le fond, rendant son refus d'accorder le dégrèvement d'office illégal?
23.02 Jan Jambon, ministre: Pour qu'un dégrèvement d'office soit accordé en cas de surtaxe visée à l'article 376, § 1, 1° du CIR 92 (Code des impôts sur les revenus), l'article 376, § 1, 2°, du CIR 92 impose que la taxation n'ait pas déjà fait l'objet d'une réclamation ayant donné lieu à une décision définitive sur le fond.
Étant donné le caractère formel et général des termes de l'article 376, § 1, 2°, l'article 376, § 1 fait obstacle à un dégrèvement d'office en cas de décision antérieure sur le fond, même si les griefs invoqués dans la réclamation étaient totalement étrangers au problème d'une surtaxe visée à l'article 376, § 1,1° comme celles résultant, par exemple, d'une erreur matérielle.
Par contre, nous pouvons confirmer qu'à la différence de l'article 376, § 1, cette exigence de l'absence d'une décision définitive sur le fond n'existe pas pour accorder un dégrèvement d'office concernant les réductions visées à l'article 376, § 3, 2°.
Toutefois, il faut tenir compte de l'article 375, qui énonce que la décision du conseiller général ou du fonctionnaire délégué, notifiée aux redevables, est irrévocable à défaut d'intenter une action auprès du tribunal de première instance dans le délai fixé par l'article 1385undecies du Code judiciaire. Cela a pour conséquence que, si une décision de rejet sur la question de l'application d'une des réductions visées à l'article 376, § 3, 2° a déjà été rendue dans le cadre d'une réclamation, il n'est plus possible d'introduire par la suite une demande de dégrèvement d'office basée sur le même grief.
À l'inverse, pour autant que les griefs soulevés à l'appui de la surtaxe visée à l'article 376, § 3, 2°, soient différents de celui déjà antérieurement invoqués dans une réclamation régulière ayant fait l'objet d'une décision sur le fond, l'article 376, § 3, 2°, peut encore être appliqué même après cette décision.
Chaque article que j'ai cité est issu du CIR 92, même si je ne l'ai pas systématiquement répété. J'espère que cette précision pourra vous être utile.
23.03 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie. Cela précise les choses de façon certaine.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
24.01 Benoît Piedboeuf (MR):
Monsieur le Ministre,
Cher Monsieur Jambon,
Lorsque l’entièreté ou une partie de la
rémunération étrangère est imposée en Belgique, l’Administration refuse la
déduction de la retenue de l’impôt étranger prélevée au cours de l’année au
cours de laquelle les revenus sont perçus aux motifs d'une part que cette
retenue est illégale et d'autre part que le contribuable a l’opportunité de
récupérer l'impôt étranger ultérieurement via notamment la procédure amiable.
Le refus de la prise en compte de la retenue
d'impôt étranger au motif de son caractère illégal n'apparaît normalement pas
au moment où la retenue est effectuée : lors du paiement du salaire, la retenue
est opérée légalement par l'employeur sur base de sa propre déclaration. Ce
caractère illégal est très souvent juste présumé a posteriori par
l'Administration belge sur base d'une absence de production de justificatifs
dans les délais d'une demande de renseignements.
D'autre part, la récupération hypothétique
de la retenue de l'impôt étranger dans le cadre d'une procédure amiable (il
faut que la demande soit introduite, qu’elle soit recevable, et reconnue
fondée), est obligatoirement effectuée au cours d'une année postérieure à celle
de la perception des revenus imposables.
Le principe de l'annualité de l'impôt porté
par les articles 49 et 360 CIR 92 n'est-il bafoué dans le cadre de ce refus,
rendant ce refus illégal?
Je vous remercie de votre réponse.
24.02 Jan Jambon, ministre: Lorsqu'un habitant du Royaume perçoit des rémunérations allouées par un employeur résident d'un État avec lequel la Belgique a conclu une convention préventive de la double imposition, la Belgique dispose du pouvoir d'imposition sur ces rémunérations en proportion de l'activité exercée en dehors de cet État.
Si un impôt a été payé dans cet État sur la totalité des rémunérations, cet impôt est au minimum en partie indu car il ne respecte pas une disposition de la convention qui a un effet direct. La primauté du droit international par rapport au droit interne doit s'appliquer.
Le contribuable peut obtenir le remboursement de cet impôt via les recours de droit interne qui existent dans cet État ou par l'introduction d'une procédure amiable. Si l'autre État n'exempte pas les rémunérations alors que le pouvoir d'imposition appartient à la Belgique, ce n'est en principe pas à la Belgique de compenser cet impôt en accordant la déduction d'un impôt qui, conventionnellement, ne devrait pas exister.
La prise en compte en Belgique des impôts étrangers est en pratique une opération particulièrement complexe. En effet, de nombreux éléments doivent être pris en considération, tels que notamment le caractère légal ou non de l'impôt étranger, la manière dont les règles sont appliquées par l'employeur qui effectue la retenue de l'impôt sur la rémunération, le moment où l'impôt est retenu par l'employeur ou versé par le contribuable à l'étranger, l'existence ou non d'un supplément d'impôt étranger supporté ultérieurement par le contribuable ou encore d'un remboursement à son profit, du moment où l'administration belge dispose des informations utiles afin d'établir correctement l'impôt.
Dans ce contexte, l'administration met tout en œuvre pour appliquer les règles en tenant compte de toutes les circonstances factuelles, dans un souci d'équité et dans le respect du principe de l'annualité d'impôt.
24.03 Benoît Piedboeuf (MR): Merci, monsieur le ministre. Je suis évidemment bien d'accord avec vous. Malheureusement, quand on voit le temps que cela prend parfois, c'est vraiment dommage. Il faudrait quand même essayer d'alléger les procédures dans le cadre des relations internationales, parce que cela pose beaucoup de soucis. Vous en avez évoqué plusieurs tout à l'heure. Il serait quand même judicieux de s'accorder au sein de l'OCDE et du Benelux, pour essayer de simplifier tout cela.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Toutes les autres questions sont reportées à demain, comme prévu.
24.04 Ridouane Chahid (PS): (…)
24.05 Jan Jambon, ministre: Je veux bien répondre, mais il s’agit d’une question jointe à celle de M. De Smet, absent aujourd'hui. Ce ne serait pas très correct envers ce dernier.
24.06 Ridouane Chahid (PS): (…)
24.07 Jan Jambon, ministre: Cela me convient.
Le président: Je suggère que la question de M. François De Smet ne soit pas supprimée et que la réponse lui soit transmise.
25.01 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le président, je vous remercie pour votre souplesse. Monsieur le ministre, fin août, le procureur du Roi de Bruxelles disait sur un plateau de télévision qu'Anvers ne faisait pas le job en matière de contrôle de conteneurs. Lorsque je suis allé visiter le port d'Anvers avec plusieurs collègues de cette commission, les douaniers nous ont fait état du fait qu'il existait une difficulté dans le contrôle du port, notamment à cause du manque de personnel. Et puis, il y a eu cette interview de celui qu'on a nommé "Victor", qui se dit être un baron de la drogue et qui estime que le port d'Anvers est un peu "son terrain de jeu" où il peut travailler comme il l'entend, si je peux le dire ainsi.
Par ailleurs, des magistrats estiment qu'aujourd'hui, moins de 5 % des conteneurs qui arrivent à Anvers ne sont pas contrôlés. Ils supputent même dans la presse que c'est sans doute pour ne pas ralentir le développement économique du port d'Anvers.
Monsieur le ministre, soit, il existe une réelle volonté de ralentir le développement économique du port d'Anvers, soit, il y a un manque criant d'investissement en matière de contrôle qui est organisé, peut-être aussi par manque de volonté politique.
Plusieurs études nous disent que 60 % de la cocaïne qui se trouve en Europe passe par Anvers, parce que cette ville est tributaire des mesures qui ont été prises à Rotterdam. Celle-ci avait en effet décidé de serrer la vis et de faire en sorte que les contrôles soient permanents, plus réguliers et plus sévères.
Monsieur le ministre, pouvez-vous nous communiquer aujourd'hui le ratio entre le nombre de conteneurs qui sont contrôlés et ceux qui entrent dans le port d'Anvers chaque jour? Confirmez-vous un manque de personnel pour assurer le contrôle qui doit être effectué au port d'Anvers? Ce contrôle pourra-t-il enfin avoir lieu dans les semaines qui viennent avec des effectifs et des investissements renforcés? Enfin, des moyens humains et financiers sont-ils prévus dans les mois et les années à venir afin de faire en sorte que la drogue ne puisse plus passer par le port d'Anvers et circuler dans notre pays?
25.02 Jan Jambon, ministre: La comparaison directe entre le nombre de conteneurs entrant dans le port d'Anvers et le nombre de contrôles ou de scans réalisés appelle certaines nuances. Les douanes ne recourent pas à des contrôles aléatoires, mais appliquent une approche fondée sur l'analyse des risques.
Par ailleurs, un contrôle douanier ne constitue pas une opération unique et uniforme. Un même conteneur peut faire l'objet de différents types de vérifications successives ou complémentaires, qu'il s'agisse d'un contrôle documentaire, d'un scannage ou, lorsque cela se révèle nécessaire, d'un contrôle physique.
Dans ce contexte, le nombre total de contrôles ne peut être assimilé au nombre de conteneurs contrôlés. Il n'est donc pas possible d'établir un ratio simple et pertinent entre le nombre de conteneurs entrant dans le port et le nombre de contrôles réalisés.
Les capacités de scannage et de contrôle sont affectées en priorité aux envois présentant un risque accru, sur la base d'analyses de risques, d'échanges de données et d'informations opérationnelles. Le critère pertinent n'est dès lors pas la part de l'ensemble des conteneurs qui est scannée, mais bien le fait que les conteneurs les plus suspects soient contrôlés.
S'il n'est pas possible d'établir un nombre unique de conteneurs contrôlés, certaines données relatives aux opérations de contrôle peuvent néanmoins être communiquées. Ainsi, au Port of Antwerp-Bruges, 72 500 opérations de scannage ont été réalisées en 2025, tous types d'équipements confondus.
Ce qui importe réellement, c'est la quantité de drogue qui entre dans notre port. Les indicateurs dont nous disposons semblent montrer une diminution de cette quantité. Cela ne signifie évidemment pas que le problème soit résolu, puisque les stupéfiants peuvent également entrer dans notre pays par d'autres voies, notamment via les ports d'Europe du Sud, avant d'être acheminés par la route. Il s'agit donc d'un défi permanent pour l'ensemble des services de sécurité concernés.
Pour l'identification des conteneurs à risque ou d'autres types d'envois en matière de stupéfiants, une combinaison d'indicateurs et de critères de risque est utilisée. Cela concerne notamment certains pays d'origine ou de provenance, des marchandises de couverture connues, des itinéraires irrationnels ainsi que des opérateurs connus ou suspects.
Les informations exploitées proviennent notamment des résultats de contrôles douaniers antérieurs, des signaux de risque transmis par d'autres États membres et des renseignements communiqués par des services douaniers étrangers, ainsi que par les services de police nationaux et internationaux.
L'objectif du scannage à 100 % des conteneurs à risque demeure un objectif à long terme. Il n'est actuellement pas possible de fixer une date précise pour sa réalisation. Les progrès dépendent notamment de l'acquisition des équipements nécessaires, du renforcement des effectifs, des décisions budgétaires, de la coopération des autres acteurs de la chaîne logistique, ainsi que du contexte économique et géopolitique. Dès le lancement du projet, une mise en œuvre progressive a donc été privilégiée. L'objectif est d'organiser les contrôles d'une telle manière que le risque d'interception devienne suffisamment élevé pour rendre le trafic de drogue moins attractif pour les organisations criminelles.
Sur le plan des moyens humains, le budget alloué dans le cadre du projet “100 % scanning” a permis de réaliser 118 recrutements entre mars 2023 et septembre 2025. Ces nouvelles recrues ont également l'occasion de suivre des formations techniques ad hoc. En ce qui concerne la mise en œuvre du projet “100 % scanning”, il convient de rappeler que celui-ci ne se limite pas au seul port d'Anvers, mais s'inscrit dans une approche plus large couvrant également les autres ports et aéroports. Dans ce cadre, la communication de certaines données opérationnelles détaillées n'est pas opportune, dès lors qu'elles pourraient être exploitées à mauvais escient par les organisations criminelles.
Enfin, les situations dans lesquelles un scanner ne peut être exploité en raison d'un manque de personnel demeurent très exceptionnelles. Lorsqu'une indisponibilité survient, elle est le plus souvent liée à des contraintes techniques ou à des opérations de maintenance.
25.03 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie. J'entends qu'il y a une vision globale que vous vous entendez défendre pour le contrôle à 100 %. Très bien, nous vous suivons et attendons donc le budget 2027 pour voir les moyens que vous allez engager.
25.04 Jan Jambon, ministre: À 100 % pour les conteneurs de risques.
25.05 Ridouane Chahid (PS): Oui, j'ai bien compris. Je vous invite juste à faire trois choses: premièrement, à aller visiter Rotterdam afin de vous rendre compte de la manière dont ils fonctionnent et de la façon dont ils ont adapté leur analyse des risques; deuxièmement, à répondre aux demandes des douanes, qui souhaitent devenir un véritable service de sécurité; troisièmement, à renforcer nos partenariats avec les pays susceptibles de faire entrer la drogue en Belgique.
En tout cas, je vous remercie d'avoir pris le temps de répondre à ma question.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
La réunion publique de commission est levée à 17 h 02.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.02 uur.