|
Commissie
voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken |
Commission
de l'Intérieur, de la Sécurité, de la Migration et des Matières
administratives |
|
van Donderdag 20 augustus 2026 Namiddag ______ |
du Jeudi 20 aout 2026 Après-midi ______ |
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 03 et présidée par M. Ortwin Depoortere.
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.03 uur en voorgezeten door de heer Ortwin Depoortere.
De voorzitter: Goedemiddag, collega’s. Goedemiddag ook, mijnheer de minister. We hebben de commissie voor Binnenlandse Zaken in spoed bijeengeroepen om een gedachtewisseling te organiseren met de minister van Binnenlandse Zaken over de natuurbrand in de Hoge Venen. Ik wens de minister uitdrukkelijk te bedanken voor de snelheid waarmee hij het Parlement te woord wil staan en ik denk dat ik die mening deel met de leden van deze commissie. Ik dank ook de diensten van de Kamer om alles in het werk te stellen om deze gedachtewisseling praktisch mogelijk te maken.
Een aantal fracties hebben gevraagd deze commissie met spoed bijeen te laten komen. Het gaat om de fracties van Anders., de PVDA, Ecolo en de PS. Ook de fractie van Les Engagés vroeg een vergadering, maar dan eerder in september. Ik heb het fiat gekregen van de Kamervoorzitter om de organisatie van de vergadering op mij te nemen en dat heb ik dan ook gedaan.
Ten tweede wenste de Anders.-fractie ook iemand van het Nationaal Crisiscentrum (NCCN) te horen. Dat verzoek is bij dezen ingewilligd. De heer Hamande vergezelt vandaag de minister om op eventuele technische vragen te antwoorden. De Ecolo-Groenfractie wenste dan weer een gemeenschappelijke vergadering met de commissie voor Energie en Klimaat. De Kamervoorzitter achtte het raadzaam om die commissie pas in september te laten samenkomen. Vooraleer we de praktische regeling van de werkzaamheden aanvatten, wil ik de heer Van Lysebettens vragen of zijn verzoek hierover handelde.
01.01 Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Geachte voorzitter, ik wil beginnen met te preciseren dat een gemeenschappelijke commissie voor ons niet noodzakelijk was, maar wel dat minister Crucke hier aanwezig zou zijn. Ik verklaar mij nader. De brand die vandaag in de Hoge Venen jammer genoeg ons land heeft getroffen, is een van de risico’s die zijn diensten hebben geïdentificeerd in het Cerac-rapport eind vorig jaar. In dat rapport staan nog andere crisissen die zich mogelijk zouden kunnen voordoen tussen nu en half september.
Ik vind het dan wél urgent dat we minister Crucke daarover zouden kunnen horen en vragen kunnen stellen over de manier waarop de regering zich op die crisissen voorbereidt. Ik vind het bijzonder jammer dat de Kamervoorzitter – want u treft in dezen geen blaam – dat zelf heeft geblokkeerd met de mededeling dat hij dit niet hoogdringend vond. Waarvan akte.
01.02 Pierre-Yves Dermagne (PS): Monsieur le président, je comprends la frustration du collègue Van Lysebettens. L’une des façons de répondre, dans un premier temps, à cette demande - puisque le ministre Crucke a indiqué avoir effectivement transmis le rapport du CERAC à plusieurs ministres, notamment au ministre Quintin, à d’autres membres du gouvernement fédéral ainsi qu’à des collègues des gouvernements et entités fédérées - serait-elle de pouvoir disposer du courrier adressé à ces différents ministres ainsi que des réponses qui lui ont été transmises? Cela nous permettrait d’organiser au mieux nos travaux dans les prochains jours et les prochaines semaines.
Je ne doute pas un instant que nous reviendrons sur ce sujet, quelles que soient les réponses apportées et quels que soient les échanges que nous aurons avec M. le ministre Quintin dans quelques instants.
01.03 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Je voudrais également remercier M. Quintin pour sa disponibilité. Il est toutefois assez étonnant que M. Crucke ne soit pas lui-même présent aujourd’hui, alors que plusieurs groupes en ont fait la demande. En effet, l’incendie de forêt que nous observons actuellement dans les Hautes-Fagnes est directement lié aux conséquences du changement climatique et à la multiplication des événements climatiques extrêmes, qu’il s’agisse des feux de forêt, mais aussi des inondations, des épisodes de sécheresse ou encore des canicules que nous avons connues.
Nous avons également constaté, à la fin du mois de juin, que la Belgique était particulièrement mal préparée à faire face à la vague de chaleur. En effet, le nombre de décès s'élève à plus de 2 000! Un article du New York Times pointe la Belgique comme mauvaise élève. Le ministre Crucke indique avoir transmis le rapport et souhaiter organiser une réunion. Toutefois, lorsque le Parlement demande sa présence afin qu’il puisse venir s’expliquer directement, je pense qu’il y a une véritable urgence et que cette discussion ne devrait pas être reportée au mois de septembre.
De voorzitter: Ik neem de suggestie van de heer Dermagne ter harte en ik zal nagaan wat er in dat opzicht mogelijk is.
De praktische regeling van de werkzaamheden ziet er zo uit. Er werden mondelinge vragen ingediend door de heer Vandemaele, door mezelf, door de heer Thiébaut, de heer De Smet, mevrouw Merckx, mevrouw Eggermont en mevrouw Schlitz. Mag ik de vraagstellers verzoeken om hun vragen te verwerken in hun algemene tussenkomst? Die vragen zullen dan als afgehandeld worden beschouwd. Van deze vergadering wordt een integraal verslag opgesteld.
De minister heeft gevraagd om een inleidende uiteenzetting te houden. Er werd hem gevraagd die te beperken tot een twintigtal minuten. Hij heeft mij beloofd daarnaar te streven. Daarna krijgen de verschillende fracties het woord. Naar goede gewoonte gaan we van groot naar minder groot. We beginnen met de N-VA-fractie en eindigen met mijnheer De Smet. Elke fractie krijgt een spreektijd van tien minuten. Op die manier moet het mogelijk zijn om de vergadering op een fatsoenlijk uur te sluiten.
Ik wil nog even benadrukken dat dit slechts een eerste gedachtewisseling is. Zoals de heer Dermagne heeft aangehaald, zal er in de loop van september ongetwijfeld een voortzetting komen met vragen en antwoorden, gedachtewisselingen, hoorzittingen enzovoort. Voor deze eerste gedachtewisseling is het logisch en billijk dat de fracties zich in de eerste ronde beperken tot tien minuten, waarna de minister kan antwoorden.
Als er geen verdere opmerkingen zijn, geef ik graag het woord aan mijnheer de minister.
01.04 Bernard Quintin, ministre: Mesdames et messieurs les représentants de la Nation, permettez-moi de faire un point rapide sur la situation sur le terrain. Celle-ci commence à être sous contrôle. Des reprises de feu demeurent, toutefois, possibles et nécessitent le maintien d’une capacité de surveillance ainsi que d’intervention ciblée.
Le dispositif évolue désormais vers un déploiement d’équipes mobiles, capables d’être redéployées rapidement en fonction de l’apparition de nouveaux points chauds ou de reprises de feu. Les moyens aériens restent engagés à ce stade. Leur maintien sera réévalué au regard de l’évolution de la situation et des besoins constatés sur le terrain.
Une réduction progressive du dispositif opérationnel pourrait ainsi être envisagée, tout en garantissant une surveillance efficace de la zone. Celui-ci devra, néanmoins, conserver toute la souplesse nécessaire afin de permettre une montée en puissance rapide en cas de reprise de l’incendie.
Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, mon introduction dépassera sans doute les vingt minutes initialement prévues, mais je souhaite être aussi complet que possible. J’avais indiqué que la réunion pourrait se terminer vers 18 h. Je pense, néanmoins, pouvoir prolonger nos travaux jusqu’à 19 h, pour autant que cela convienne aux membres de la commission. Comme cela a déjà été souligné, je suis convaincu que ce n’est pas la dernière fois que nous aborderons ce sujet précis, ni les nombreuses questions connexes qu’il soulève.
Je ne voudrais pas manquer de saluer la présence de Mme la députée Victoria Vandeberg, que j’ai eu l’occasion de croiser à plusieurs reprises sur le terrain. En sa qualité de bourgmestre de Jalhay, elle a naturellement été en première ligne face aux événements. Elle pourra ainsi témoigner de manière concrète de la réalité vécue sur le terrain et des interventions qui y ont été menées.
(…)
Nous ne pouvons jamais rien faire de bien! C'est quand même extraordinaire. Je vous laisse à votre réflexion.
Je vous remercie de m’avoir invité à participer à cet échange. J’espère que nous pourrons le mener dans le calme et, si possible, de manière intelligente.
Permettez-moi tout d’abord d’exprimer ma compassion et ma solidarité à l’égard de toutes les personnes touchées par cet incendie exceptionnel.
Au cours des derniers jours, je me suis rendu presque quotidiennement dans la zone sinistrée. J’y ai rencontré les équipes mobilisées au centre de crise, les secouristes sur le terrain ainsi que les habitants concernés. J’ai été témoin d’un engagement remarquable et d’une solidarité exemplaire. Partout, j’ai vu des femmes et des hommes qui donnent le meilleur d’eux-mêmes, jour et nuit, pour lutter contre le feu, protéger la population et, je tiens à le souligner, s’entraider.
Je souhaite donc exprimer ma profonde gratitude et mon respect à toutes celles et ceux qui œuvrent sans relâche depuis le début de cette crise: les pompiers, la police locale et fédérale, la Protection civile, la Défense, les services du gouverneur ainsi que les collaborateurs du Comité provincial de coordination. Je tiens également à saluer l’implication des agriculteurs, des entreprises locales et des nombreux bénévoles. Chacun, à sa place et dans son rôle, a contribué à une même mission: protéger la population et faire face ensemble à cette crise.
Ik heb met mijn eigen ogen gezien onder welke moeilijke omstandigheden zij werken en hoe sterk de samenwerking op het terrein is. Daarvoor kunnen we alleen maar bijzonder veel respect tonen en dankbaar zijn.
De brand is, zoals gezegd, nog niet volledig onder controle. Intussen is ongeveer 3.000 hectare natuurgebied door de brand verwoest. Daarmee is dit een van de zwaarste, zo niet de zwaarste natuurbrand die ons land ooit heeft gekend.
Voor ik aan mijn toelichting begin, wil ik eerst een belangrijk onderscheid maken. Een bosbrand is niet hetzelfde als een natuurbrand. Dat onderscheid is belangrijk, omdat het om verschillende types vegetaties en terreinen gaat, met andere risico's en dus ook andere uitdagingen voor de brandbestrijding. Wat we in de Hoge Venen zien, is in de eerste plaats een natuurbrand. Die realiteit moet ook het uitgangspunt zijn van onze analyse en onze aanpak.
Vrijdag, kort na de middag, werd ik vanaf het eerste uur door mijn diensten geïnformeerd over de brand. Zij hebben onmiddellijk contact opgenomen met de provincie Luik om de omvang van de situatie in kaart te brengen en de nodige ondersteuning te organiseren.
Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, je souhaite aujourd'hui vous expliquer, de la manière la plus complète et la plus transparente possible, comment cette crise exceptionnelle a été gérée ces derniers jours.
Je vais commencer par retracer brièvement la chronologie des événements, puis aborder la répartition des compétences et les différentes phases de la gestion de crise. Je vous expliquerai également comment s'est déroulée la coordination entre les niveaux provincial et fédéral, et quel rôle le Centre de crise National a joué à cet égard.
En effet, une phase provinciale ne signifie pas que le niveau fédéral est absent. Au contraire, dès le début, des effectifs et des moyens fédéraux ont été mobilisés et mis à la disposition des opérations sur le terrain.
J'évoquerai ensuite la mobilisation exceptionnelle de personnes et de moyens: les pompiers et les zones de secours, la protection civile, la police fédérale et locale, la Défense, mais aussi les agriculteurs, les entreprises, le secteur de la construction et nos concitoyens.
J'aborderai les évacuations, le fonctionnement de nos numéros d'urgence, l'aide européenne et le soutien aérien, mais également un certain nombre de questions opérationnelles, telles que la capacité de déploiement et la compatibilité des moyens étrangers, ainsi que la capacité propre de la protection civile.
Tot slot wil ik vooruitkijken. Het is vandaag nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken uit een crisis die nog niet volledig achter ons ligt, maar een aantal aandachtspunten en verbeterpunten tekenen zich nu al af. Die moeten we aangrijpen om onze risico's beter te identificeren, onze voorbereiding verder te versterken en onze nationale weerbaarheid verder uit te bouwen.
Never waste a crisis, wordt wel eens gezegd. Een crisis van deze omvang moeten we dan ook aangrijpen om kritisch te kijken naar wat goed heeft gewerkt, naar wat kan worden verbeterd en hoe we ons beter kunnen voorbereiden op de risico's van morgen.
Om u een duidelijk beeld te geven van de manier waarop de situatie zich heeft ontwikkeld en hoe onze diensten daarop hebben gereageerd, wil ik eerst de chronologie van de gebeurtenissen overlopen.
Vendredi 14 août, 12 h 53: premier appel d'urgence. La centrale d'appel 112 reçoit le premier appel signalant un feu dans la zone de prairies, de forêts et de landes à hauteur de la Nationale 68 à Baelen-Membach. Dans les minutes qui suivent, plusieurs autres appels sont reçus. À 13 h 05, l'intervention est officiellement enregistrée et dès 13 h 06, les premières unités de pompiers sont dépêchées sur place.
À 14 h, deux hélicoptères de la police fédérale étaient déjà engagés, l'un pour effectuer des largages d'eau et l'autre pour assurer à la fois des prises de vue aériennes et des largages. La police fédérale a pris elle-même l'initiative de proposer cette capacité sans attendre une demande formelle d'intervention via le CIK.
À 14 h 06, la protection civile est mobilisée. La zone de secours Vesdre - Hoëgne & Plateau sollicite le soutien à la protection civile de Crisnée. Dans un premier temps, un soutien logistique est demandé via le bus PC-Ops. Peu après, une équipe de reconnaissance est dépêchée et du personnel supplémentaire est mobilisé.
À 14 h 25, la phase communale est déclarée à Baelen. Deux minutes plus tard, le NCCN demande un premier rapport de situation à la centrale d'appel 112 de Liège. L'information est immédiatement transmise à votre serviteur.
À 14 h 30-14 h 39, passage rapide à la phase provinciale. La nécessité de déclencher une phase provinciale est examinée, puis celle-ci est déclarée. À 14 h 39, j'en étais informé. À partir de ce moment-là, je reçois des mises à jour régulières sur l'évolution de la crise.
14 h 42, le NCCN offre un soutien fédéral. La gouverneure faisant fonction de Liège confirme par téléphone la phase provinciale au NCCN. Le NCCN précise d'emblée que la province peut, à tout moment, signaler des besoins supplémentaires au niveau fédéral.
Ainsi, dans l'heure qui a suivi le premier appel, le Centre de crise National avait déjà indiqué que des moyens fédéraux supplémentaires pouvaient être mobilisés.
Vanaf 14.41 uur volgt een eerste grote versterking van de middelen. De Civiele Bescherming krijgt een vraag voor ondersteuning met Bambi Buckets en bijkomende watertanks. Om 15.00 uur vertrekken een waterbassin voor de Bambi Buckets, tankwagens van 28.000 en 9.000 liter en bijkomend operationeel personeel. Later worden nog extra tankwagens van 1.500 liter gestuurd.
Vanaf 14.53 uur krijgt de crisiscommunicatie federale ondersteuning. De communicatiedienst van het NCCN neemt contact op met discipline 5 in Luik om te bekijken waar ondersteuning nodig is. Vanaf dat moment is er geregeld overleg en ondersteuning tussen de communicatiedienst van het NCCN en de gouverneur. Vanaf 16.00 uur wordt een BE-Alert uitgestuurd, is er medische ondersteuning en wordt er internationaal informatie uitgewisseld. Het NCCN biedt ondersteuning voor de verzending van een BE-Alert voor de provincie Luik. Tegelijk wordt preventief een ambulance voorzien voor de hulpverleners op het terrein. Duitsland en het grensoverschrijdend samenwerkingsverband EMRIC worden eveneens geïnformeerd.
Om 16.54 uur volgt de vraag om het luchtruim te sluiten en Nederlandse steun te mobiliseren. De gouverneur vraagt ondersteuning om het luchtruim boven het getroffen gebied te sluiten en om bijkomende bluscapaciteit uit Nederland te verkrijgen. Het NCCN maakt het benodigde formulier voor de sluiting van het luchtruim over en brengt de internationale wacht van de Algemene Directie Civiele Veiligheid (ADCV) op de hoogte van de vraag om buitenlandse steun.
À 17 h 52-18 h 38: fermeture effective de l'espace aérien après un contact pris par le NCCN avec Skeyes. Dès réception de la demande officielle émanant de Liège, celle-ci a été immédiatement transmise à Skeyes, à la Mobilité et à la Défense. À 18h38. Skeyes confirme la publication du NOTAM.
À 18 h 19, la DGSC, la direction générale de sécurité civile de mon ministère, informe le Comité provincial de coordination de la procédure relative aux réquisitions et donne son accord de principe pour la réquisition de carburant nécessaire au bon déroulement des opérations.
À 18 h 44-18 h 50: activation de l'aide européenne.
Dans un premier temps, une aide bilatérale des Pays-Bas est également préparée.
Peu après, il est décidé d'organiser la demande plus largement au niveau
européen.
18 h 50, la DGSC
active le mécanisme européen de protection civile UCPM, afin d'obtenir une
capacité aérienne supplémentaire. Parallèlement, une Host Nation Support Cell
(HNS) est mise en place pour préparer et coordonner l'arrivée des équipes
internationales. À partir de 19 h 50, préparation de la nuit. Les
hélicoptères de la police fédérale ne volant plus la nuit, la protection civile
déploie une équipe de drones.
Par ailleurs, un camion-citerne supplémentaire et un groupe électrogène de 60 KVA sont déployés pour soutenir le poste opérationnel. Les besoins concrets sont officiellement transmis à la Host Nation Support Cell dans le cadre du mécanisme européen. Le déploiement d'un deuxième hélicoptère de la police fédérale le lendemain est également envisagé.
À 23 h 08: choix définitif du mécanisme européen. Après concertation, on confirme que le soutien international s'effectuera par l'intermédiaire du C6-UCPM. La structure européenne de solidarité est ainsi pleinement mobilisée.
Op zaterdag 15 augustus krijgt België Europese versterking en wordt de nationale coördinatie opgestart. Om 00.15 uur wordt officieel een Europees Request for Assistance ingediend. België dient via het Europese CECIS-systeem formeel een hulpvraag in voor luchtcapaciteit voor natuurbrandbestrijding met helikopters.
Om 01.53 uur wordt ook Defensie ingeschakeld. Via de ADCV wordt formeel steun van Defensie gevraagd, onder meer voor de inzet van Panther-voertuigen. Om 02.23 uur wordt de Europese vraag naar luchtsteun bovendien verhoogd van één naar maximaal drie helikopters.
Vanaf de vroege ochtend worden internationale aanbiedingen gecoördineerd. De Host Nation Support Cell organiseert de ontvangst en integratie van internationale teams. Er is permanent contact met het Europese Emergency Response Coordination Centre (ERCC) over de beschikbare capaciteit en de praktische organisatie van de inzet in België.
Om 08.30 uur vindt het eerste rechtstreekse overleg met buitenlandse teams plaats. Er vindt een videoconferentie plaats met het Tsjechische team over de mogelijke inzet van luchtmiddelen via het Europees mechanisme.
À 9 h 44, une évaluation explicite de la possibilité de déclencher une phase fédérale a eu lieu.
Le Centre de crise National et mon cabinet entament alors des contacts téléphoniques intensifs. À cette occasion, la nécessité éventuelle de déclarer une phase fédérale est explicitement examinée. À ce moment-là, il est estimé que cela n'est pas nécessaire. Premièrement, parce que l'incendie ne se limite qu'à une seule province. Deuxièmement, parce que les défis sont principalement d'ordre opérationnel. Troisièmement, parce que les différentes disciplines disposent de leurs propres mécanismes de montée en puissance ou peuvent renforcer le dispositif par l'intermédiaire du gouverneur. Quatrièmement, parce que les pompiers, la police, la protection civile et la Défense ont effectivement activé ces mécanismes. Cinquièmement, parce que le NCCN est en mesure de fournir le soutien fédéral demandé, même sans déclaration formelle d'une phase fédérale. De plus, même en phase fédérale, le gouverneur resterait responsable des aspects opérationnels.
L'analyse conclut donc qu'une phase fédérale formelle risquerait, à ce stade, de compliquer le fonctionnement plutôt que de le rendre plus efficace. Des critères clairs ont toutefois été convenus afin de réévaluer la situation, notamment si l'incendie atteignait la frontière allemande ou si un grand nombre d'habitants devaient être évacués. Ce point est important.
La décision de ne pas déclarer de phase fédérale ne signifie pas que le niveau fédéral était absent. Au contraire, les moyens fédéraux, le soutien international et la coordination nationale étaient déjà pleinement mobilisés.
Vanaf 10.00 uur komen er internationale coördinatiestructuren. De ADCV zet gestructureerde communicatiekanalen op voor de coördinatie van de buitenlandse hulp. Om 10.21 uur is er een akkoord voor bijkomende middelen van Defensie. Om 10.53 uur bevestigt Nederland op korte termijn een of twee helikopters. Om 11.21 uur vraagt België via CECIS ook twee modules met blusvliegtuigen. Om 12.02 uur twee bevestigt Nederland twee helikopters, die nog dezelfde dag naar België kunnen vertrekken. Om 12.09 uur biedt Noorwegen drie helikopters aan. Om 12.26 uur biedt Zweden twee Fire Boss-blusvliegtuigen aan. Om 12.31 uur biedt Nederland formeel twee Chinookhelikopters aan. Om 12.33 uur aanvaardt België het Zweedse aanbod via CECIS.
Om 12.20 uur wordt de Europese satellietcapaciteit aangesproken. Via het ERCC vraagt België beelden aan via de Copernicus Emergency Management Service. Omdat het getroffen gebied tegen de Duitse grens ligt en de beide grenzen overschreden zijn, wordt ook met Duitsland afgestemd.
À partir de 9 h 28, il apparaît clairement que de nombreux citoyens appellent le 112 pour proposer leur aide ou demander des informations plutôt que pour signaler une situation d'urgence immédiate. Cela risque de surcharger inutilement la centrale d'urgence. À partir de 12 h 17, un système est mis en place pour centraliser les propositions d'aide des citoyens, afin qu'elles ne passent plus par le 112.
Vers 13 h, la pression s'accentue encore en raison du dégagement de fumée. Un signalement est notamment reçu concernant un camp accueillant environ 60 enfants, touché par un nuage de fumée. Une ambulance est dépêchée sur place et la possibilité d'une évacuation est étudiée. Le nombre d'appels ne cessant d'augmenter, les opérateurs sont temporairement retirés du 1733 afin de se consacrer entièrement au 112. D'autres centrales d'urgence sont également mobilisées pour assurer la continuité du service.
Om 13.24 uur wordt belangrijke internationale luchthulp bevestigd. Het operationeel commando krijgt dan immers bevestiging van twee Nederlandse helikopters en een Tsjechische helikopter, evenals van twee Zweedse blusvliegtuigen. Later op de middag biedt Duitsland ook een NH90-helikopter met Bambi Bucket aan.
Om 15.20 uur biedt het ERCC daarnaast een gespecialiseerde natuurbrandexpert aan om de lokale autoriteit en het operationeel commando te ondersteunen, in het bijzonder bij de coördinatie van de verschillende luchtmiddelen. België aanvaardt dit aanbod.
Vanaf 16.00 uur volgt evacuatie en verdere opschaling. Rond 16.00 uur begint de evacuatie van drie dorpensectoren. Het NCCN ondersteunt de communicatie over het preventieve evacuatiebevel van de gouverneur.
Ook de Duitse autoriteiten worden rechtstreeks geïnformeerd, zodat ze hun eigen risicoanalyse kunnen uitvoeren. De mogelijkheid van verdere escalatie wordt dus niet afgewacht. De internationale informatie-uitwisseling en nationale coördinatie lopen parallel met de operationele acties op het terrein.
Door het grote aantal informatievragen van burgers wordt beslist het informatienummer 1771 te activeren. Het NCCN ondersteunt het Provinciaal Coördinatiecomité bij de praktische voorbereiding, FAQ en communicatie. Om 19.42 uur wordt het contactcenter effectief geactiveerd en kort daarna is 1771 volledig operationeel.
De eerste evaluatie toont dat de maatregel effect heeft. Informatievragen verschuiven van 112 naar 1771 en de druk op de noodcentrale neemt af. Ongeveer 900 oproepen zijn binnengekomen, waarvan 93% werd beantwoord.
Samedi, à 17 h 25, le premier hélicoptère néerlandais est arrivé à Spa. Un deuxième hélicoptère néerlandais est attendu plus tard dans la soirée. L’expert européen de l’ERCC se rend également à Liège. L’arrivée des avions suédois dépend des conditions météorologiques.
À leur arrivée, les équipes étrangères sont briefées par la Host Nation Support Cell sur la situation opérationnelle, la structure de commandement belge, les règles de sécurité et la manière dont elles seront intégrées à l’opération en cours.
Dans la nuit de samedi à dimanche, la continuité est assurée. La capacité du 112 restera garantie tout au long de la nuit. Liège ne sera pas reconnecté au 1733, tandis que d’autres centrales d’urgence disposent d’une capacité suffisante pour prendre en charge ces appels.
Pour les zones évacuées, une ambulance 112 reste par ailleurs disponible à Büllingen, à titre préventif. De nouvelles réquisitions sont également rendues possibles, notamment pour la restauration du personnel mobilisé.
Op zondag 16 augustus om 18.00 uur heb ik een nationaal overleg georganiseerd met alle provinciegouverneurs van het land. We hebben de situatie in de provincie Luik besproken, de mogelijke verdere evolutie van de brand bekeken en vooral geanticipeerd op eventuele bijkomende noden. We hebben de beschikbare capaciteit in de verschillende provincies in kaart gebracht en bekeken welke bijkomende mensen en middelen snel konden worden gemobiliseerd wanneer daar op het terrein behoefte aan was. We hebben daarbij ook duidelijke afspraken gemaakt over een snelle informatie-uitwisseling naargelang de situatie verder evolueerde.
Die solidariteit tussen de provincies heeft ook in de praktijk gewerkt. Meer dan 20 hulpverleningszones – dus twee derde van alle hulpverleningszones van ons land – hebben mensen en middelen ter beschikking gesteld. Tegelijk werden de federale politie, de Civiele Bescherming en Defensie ingezet en werd via het Europees Mechanisme voor Civiele Bescherming bijkomende internationale ondersteuning gemobiliseerd. De bestaande opschalingsmechanismes van de verschillende diensten waren volop in werking.
De provinciale fase heeft dus op geen enkel moment verhinderd dat er federaal massaal wordt ondersteund, nationaal wordt afgestemd en internationaal wordt opgeschaald. Integendeel, de verschillende niveaus hebben elkaar versterkt. Dat is waar goed crisisbeheer uiteindelijk om draait. Niet de administratieve benaming van een fase is doorslaggevend, maar wel of de juiste beslissingen worden genomen en de nodige mensen en middelen op het juiste moment op de juiste plaats geraken. Dat is hier gebeurd. De nationale en Europese solidariteit en de opschaling hebben gewerkt.
Mesdames et messieurs, cette chronologie montre que, dès les premières heures, nous avons travaillé de manière systématique, au niveau local et provincial, mais aussi presque immédiatement avec un soutien fédéral. Le NCCN et la Direction générale Sécurité civile ont apporté leur soutien aux gouverneurs dans la coordination et la communication lors de la fermeture de l'espace aérien, le déploiement de la protection civile et de la défense, la préservation de la capacité du 112 et l'organisation de l'aide internationale. Parallèlement, le mécanisme européen de protection civile a été activé dès le vendredi soir.
Cette même nuit, la demande formelle d'aide européenne a été introduite et, le lendemain, les offres néerlandaises, suédoises, norvégiennes, tchèques et allemandes ont été examinées et coordonnées. La phase provinciale n'est pas synonyme d'inaction fédérale. Alors que le gouverneur conservait la phase provinciale, les moyens nécessaires ont été mobilisés au niveau fédéral, les renforts internationaux ont été organisés et les besoins supplémentaires ont fait l'objet d'un suivi constant.
Les structures ont permis de monter en puissance sans modifier inutilement la chaîne de commandement opérationnelle sur le terrain.
Dames en heren, dat brengt mij bij de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende beleidsniveaus enerzijds en de manier waarop we ervoor zorgen dat al die niveaus en diensten in crisissituaties efficiënt samenwerken anderzijds.
De brandweer is in België georganiseerd in lokale hulpverleningszones die een eigen rechtspersoonlijkheid hebben. De dagelijkse operationele leiding en organisatie behoren dus niet rechtstreeks tot de bevoegdheid van de federale minister van Binnenlandse Zaken. Als minister van Binnenlandse Zaken bepaal ik wel mee het federale regelgevende kader waarbinnen de hulpverleningszones functioneren. Dat heeft onder meer betrekking op de organisatie van de civiele veiligheid en bepaalde normen inzake personeel, opleiding, materieel en operationele werking. De federale overheid draagt daarnaast via dotaties en subsidies bij aan de financiering van de hulpverleningszones.
J'en viens maintenant aux compétences de la protection civile. La situation est différente. Il s'agit d'un service d'intervention fédéral qui constitue une capacité spécialisée de deuxième ligne en matière de sécurité civile. Depuis la réforme de 2019, elle dispose de deux unités opérationnelles situées à Crisnée et à Brasschaat. La protection civile relève de la compétence fédérale et donc du ministre de la Sécurité et de l'Intérieur. Cela signifie que je suis politiquement responsable de son organisation, de ses capacités, de son cadre en matière de personnel et de moyens, ainsi que de son développement stratégique.
La protection civile peut être mobilisée pour soutenir les zones de secours et d'autres autorités lors d'interventions de grande envergure ou spécialisées. Elle dispose à cet effet d'une expertise et d'un matériel spécifique, notamment dans les domaines CBRN, des interventions techniques lourdes, de la recherche et du sauvetage, de la logistique de crise, de l'approvisionnement en eau à grande échelle, des drones et du soutien aux pays hôtes.
Il est également possible de faire appel aux capacités fédérales pour apporter un soutien international, notamment dans le cadre des mécanismes européens et internationaux, ce qui se fait très régulièrement.
La différence fondamentale avec les zones de pompiers réside donc dans le fait que la protection civile est une capacité fédérale dont dispose directement l'État fédéral. C'est précisément pour cette raison que je souhaite préserver et renforcer cette capacité à l'avenir.
En Belgique, la planification d'urgence et la gestion de crise sont organisées selon une logique de subsidiarité. Une situation d'urgence est gérée au niveau le plus approprié compte tenu de son ampleur et de ses conséquences aux niveaux communal, provincial ou fédéral. Cela signifie également qu'une crise majeure ne nécessite pas automatiquement le déclenchement d'une phase fédérale pour mobiliser les moyens fédéraux. Les services fédéraux peuvent apporter leur soutien, tandis que la gestion opérationnelle de crise reste organisée au niveau provincial.
Lorsqu'une phase fédérale est déclenchée, l'État fédéral assure la coordination stratégique au niveau national. En tant que ministre de l'Intérieur, j'assume notamment la responsabilité de la protection de la population, de la coordination entre les différentes autorités concernées et des décisions fédérales nécessaires à la gestion de la crise. Mais avant même qu'une crise ne survienne, nous devons identifier les risques, les analyser et nous y préparer.
Via het Nationaal Crisiscentrum speelt het federale niveau daarom een belangrijke rol bij de risicoanalyse en monitoring, de noodplanning, de coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de betrokken overheden en diensten en de voorbereiding van de federale crisisrespons. Bij natuurbranden is die bevoegdheidsverdeling bijzonder belangrijk. De bestrijding van een brand, de bescherming van de bevolking en de coördinatie van de crisis moeten worden onderscheiden van het structureel beheer van natuur- en grondgebied. Maatregelen zoals bos- en natuurbeheer, vegetatiebeheer, ruimtelijke inrichting, de aanleg van brandgangen en bepaalde structurele preventiemaatregelen behoren in belangrijke mate tot de bevoegdheden van de gewesten en lokale overheden.
Mes responsabilités portent principalement sur la sécurité, la planification d'urgence et la gestion de crise, y compris la mise à disposition des capacités fédérales, ainsi que sur la possibilité de monter rapidement en puissance et de mobiliser différents services en cas d'incident majeur. C'est précisément dans cette voie que nous devons, selon moi, aller plus loin.
Les feux de forêt ne peuvent être combattus exclusivement dans le cadre d'une seule compétence ou à un seul niveau administratif. Les pompiers, la protection civile, la police, la Défense, les gouverneurs, les régions, les administrations locales et les autres acteurs concernés doivent savoir à l'avance qui dispose de quelles capacités et comment celles-ci sont mobilisées en cas de crise. C'est pourquoi je souhaite également intégrer cet aspect dans le Plan national de résilience. Le Centre de crise National peut jouer un rôle de liaison entre les différents secteurs et les différents niveaux de pouvoir.
Mijn uitgangspunt is eenvoudig. De bevoegdheidsverdeling moet duidelijk zijn, maar mag nooit een hinderpaal voor samenwerking vormen. Wanneer een crisis uitbreekt, moet niet de vraag centraal staan wie eigenaar is van een bepaalde capaciteit, maar hoe we de beschikbare mensen en middelen zo slim en efficiënt mogelijk kunnen inzetten om de bevolking te beschermen.
Mesdames et messieurs les députés, en ce qui concerne les moyens déployés, je peux vous communiquer les éléments suivants: à l’heure actuelle, environ 200 pompiers sont mobilisés sur le terrain, avec notamment 30 autopompes et CCFM (Camion-Citerne Feux de Forêt Moyen), 25 citernes et 9 officiers. Plus de 20 zones de secours différentes participent à l’intervention comme j’ai déjà eu l’occasion de le signaler. Des renforts étrangers ont également été mobilisés. Des équipes du Grand-Duché de Luxembourg et d’Allemagne sont actuellement présentes sur le terrain. D’importants moyens aériens viennent compléter le dispositif: deux hélicoptères norvégiens d’une capacité de 1 200 litres, deux hélicoptères allemands d’une capacité de 2 000 litres, un hélicoptère Chinook néerlandais pouvant transporter jusqu’à 7 600 litres, ainsi que deux avions suédois d’une capacité de 3 000 litres. À cela s’ajoutent deux hélicoptères de la police fédérale équipés pour effectuer des largages d’environ 800 litres.
Je voudrais souligner un point qui me paraît important. Les experts sont formels à ce sujet: un feu en milieu naturel se combat avant tout au sol. Le soutien aérien est important et peut renforcer considérablement les opérations, mais il demeure un soutien aux équipes présentes sur le terrain. Je le dis en connaissance de cause, car je sais que la question de savoir si nous disposons de capacités aériennes suffisantes sera posée. Nous devons mener ce débat, mais en partant d’un bon principe: les moyens aériens renforcent les opérations menées au sol; ils ne peuvent pas les remplacer ni dans les Fagnes, ni en Espagne, ni en France, ni ailleurs.
Ook de politiediensten zijn massaal betrokken bij de bestrijding van de brand in de Hoge Venen. Sinds het begin van de crisis werden al 650 federale politieagenten ingezet, maar er is ook de belangrijke inzet van de lokale politiezones. De politie ondersteunt zowel de operaties op het terrein als de coördinatie en de brandbestrijding vanuit de lucht.
Wat de federale politie betreft, ondersteunt de coördinatie- en steundirectie van Luik de operaties vanuit het provinciaal crisiscentrum. Daarnaast leveren twee droneteams luchtbeelden ter ondersteuning van de brandweer en de operationele besluitvorming.
Twee helikopters van de federale politie zijn met een Bambi Bucket uitgerust en worden voor de brandbestrijding ingezet.
Jusqu’à hier soir, plus de 1080 largages d’eau avaient déjà été effectués, chacun avec environ 700 litres d’eau – uniquement donc pour les deux hélicoptères de la police fédérale.
Les membres du personnel sont mobilisés notamment pour les contrôles d’accès, la sécurisation du périmètre, les évacuations et les patrouilles préventives. Des véhicules d’arrosage d’une capacité de 9 000 litres viennent également en renfort pour maintenir le périmètre humide et approvisionner les véhicules de pompiers en eau.
Les zones de police locale apportent également une contribution importante. Les zones Stavelot-Malmedy (Masta), Fagnes, Pays de Herve, Weser-Göhl (Wesgo) et Eifel déploient des policiers, notamment pour assurer la mobilité, les évacuations, les patrouilles et le soutien opérationnel.
Le déploiement policier est constamment adapté aux besoins sur le terrain. Lorsque des renforts supplémentaires sont nécessaires, ceux-ci sont également mobilisés depuis d’autres parties du pays. Ainsi, dimanche soir, 40 policiers locaux et fédéraux supplémentaires provenant de Flandre orientale ont été envoyés dans la zone sinistrée immédiatement après avoir terminé leur service d’ordre lors d’un match de football.
De Algemene Directie Civiele Veiligheid speelt een centrale rol bij de integratie van de buitenlandse luchtmiddelen die via het Europese mechanisme naar België zijn gekomen. Daarvoor is de Host Nation Support Cell actief, conform de Europese richtlijnen.
Momenteel verzekeren twee voltijdse medewerkers, ondersteund door twee bijkomende medewerkers, die functie 24/7. De capaciteit werd naargelang de noden opgeschaald. Vanaf 14 augustus 2026 werd één medewerker voltijds gemobiliseerd en vanaf 16 augustus twee.
Concreet staat de HNS-cel in voor het onthaal en de ondersteuning van de buitenlandse teams en de coördinatie van de aankomstpunten, waaronder het vliegveld van Spa; de aankomst, de aflossing en het vertrek van buitenlandse teams; de bevoorrading met water en brandstof, samen met de Belgische operationele diensten; de opvolging van de ingezette middelen met het Europese ERCC; de ondersteuning bij noodzakelijke vergunningen, onder meer voor het gebruik van het luchtruim; de logistieke ondersteuning van de internationale teams.
La cellule HNS restera opérationnelle tant que des moyens aériens internationaux seront présents en Belgique. Par ailleurs, la Direction générale Sécurité civile assure une permanence active pour le suivi administratif, juridique et budgétaire des éventuelles réquisitions nécessaires à la bonne exécution des opérations.
La Protection civile, elle-même, est également mobilisée à grande échelle depuis le début du feu. Jusqu'au soir du 18 août, l'unité opérationnelle de Crisnée a mobilisé quotidiennement environ 30 membres de son personnel. Au total, 129 personnes ont été mobilisées depuis Crisnée, ce qui représente environ 2 674 heures de travail.
À cela se sont ajoutés divers renforts. Depuis le début du feu, 29 volontaires ont été mobilisés. L'unité opérationnelle de Brasschaat a mobilisé, entre le 14 et le 18 août, 49 membres du personnel, ce qui représente environ 810 heures de travail, ainsi que du matériel supplémentaire.
Daarnaast werd een gespecialiseerd duikteam ingezet om de Bambi Bucket van de Nederlanders, die in het water was terechtgekomen, te bergen. Vijf personeelsleden waren daarvoor bijna 12 uur actief, met onder meer een boot, een containerdrager en gespecialiseerd materieel. Ook hogere officieren wisselen elkaar permanent af om de coördinatie en het crisisbeheer binnen de verschillende operationele structuren te verzekeren.
De Civiele Bescherming zet daarbij een breed gamma aan materieel in: commandovoertuigen, minibussen, een CP-Ops-bus, trekkers met opleggers, drones, containerdragers, een mobiele lichtmast, stroomgroepen en grote watertanks van onder meer 9.000, 14.000 en 28.000 liter. Ook FFP3-maskers werden ter beschikking gesteld. Die inzet loopt vandaag verder. De opvorderingen die voor de operaties noodzakelijk waren, gebeurden door de gouverneur binnen zijn bevoegdheden. De Algemene Directie Civiele Veiligheid en de Civiele Bescherming stonden in voor het mobiliseren en coördineren van bijkomende nationale en internationale capaciteit.
Ook de buitenlandse luchtmiddelen werden niet opgevorderd, maar aangevraagd via de voorziene procedure van het EUCPM (EU Civil Protection Mechanism). De inzet van vliegtuigen en helikopters biedt een belangrijke bijkomende capaciteit, maar zoals gezegd kunnen luchtmiddelen niet onder alle omstandigheden worden ingezet. De eerste belangrijke factor is het weer. Wind, rook, beperkte zichtbaarheid, lage bewolking en duisternis kunnen operaties vertragen, beperken of tijdelijk volledig onmogelijk maken. De veiligheid van de bemanningen blijft daarbij doorslaggevend.
Een tweede factor is de beschikbaarheid van geschikt bluswater. Blusvliegtuigen hebben wateroppervlakken nodig die aan specifieke technische voorwaarden voldoen. Helikopters zijn flexibeler en kunnen, afhankelijk van het toestel, water opnemen uit natuurlijke waterpunten, reservoirs of andere geschikte bronnen.
Een derde uitdaging is de integratie van buitenlandse luchtmiddelen. Elk land en elke dienst werkt met eigen operationele procedures en veiligheidsregels. Er bestaan bovendien verschillen tussen militaire en civiele luchtmiddelen. Wanneer verschillende nationaliteiten en types toestellen tegelijkertijd worden ingezet, is daarom een sterke gemeenschappelijke coördinatie noodzakelijk.
La rotation des appareils doit également être planifiée avec précision. L'efficacité dépend de la rapidité avec laquelle les appareils peuvent effectuer leurs rotations entre les points d'eau et la zone de l'incendie. Les points d'eau ne doivent pas être surchargés et les différents appareils ne doivent pas se gêner mutuellement.
Enfin, la coordination entre les moyens aériens et les équipes au sol est particulièrement cruciale. Afin d'assurer cette coordination, un coordinateur a été envoyé dans le cadre du mécanisme européen pour coordonner les différentes opérations aériennes et garantir leur bonne articulation avec les opérations menées au sol.
Les largages d'eau doivent être étroitement coordonnés avec les pompiers et les autres équipes présentes sur le terrain. Ceux-ci doivent pouvoir travailler en toute sécurité, tandis que l'eau doit être déversée avec la plus grande précision possible sur les zones prioritaires.
Pour cela, il faut des officiers spécifiquement formés et expérimentés dans la coordination des opérations aériennes lors de feux de forêt. L'expérience encore limitée dont nous disposons actuellement en matière d'opérations de cette envergure constitue un élément important à prendre en compte.
Les informations entre les équipes au sol et les moyens aériens doivent être échangées rapidement et avec précision afin d'identifier les zones prioritaires, de diriger correctement les largages et de permettre à différents moyens aériens d'opérer simultanément et en toute sécurité.
Ook Defensie levert sinds het begin van de brand een belangrijke bijdrage aan de operatie op het terrein. In totaal werden een veertigtal militaire brandweerlieden en zes Panther-brandweervoertuigen ingezet, afkomstig van verschillende militaire basissen, waaronder die van Beauvechain, Florennes en Kleine Brogel. De Panther-voertuigen vormen een belangrijke aanvulling op de civiele brandweer. Elke Panther kan 10.500 liter water en 600 liter schuimconcentraat vervoeren en met zijn waterkanon tot op ongeveer 90 meter afstand blussen. Daardoor kunnen de militaire brandweerlieden vanop de toegankelijke wegen grote hoeveelheden water inzetten op plaatsen die voor andere voertuigen moeilijker bereikbaar zijn. De zes Panthers worden 24 op 24 ingezet. Zo wordt de continuïteit van de ondersteuning dag en nacht verzekerd. Ook hier zien we de meerwaarde van samenwerking tussen onze diensten.
De civiele brandweer concentreert zich op de rechtstreekse bestrijding van de brandhaarden, terwijl Defensie met haar gespecialiseerde voertuigen bijkomende blus- en watercapaciteit levert. Ook de sproeiwagens van de politie vullen die capaciteit verder aan.
Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés. J'ai entendu et lu, ici et là, certaines critiques sur le fait, et j'y reviens, que la phase fédérale n'a pas été déclenchée.
Je vais donc être très clair. Cette possibilité a été prise au sérieux dès le début de la crise et a été évaluée en permanence. Une phase fédérale n'est pas automatiquement déclenchée parce qu'une crise est grave, parce qu'elle nécessite des moyens importants ou parce que des services fédéraux sont engagés.
La réglementation prévoit plusieurs critères. L'étendue géographique, le nombre de personnes concernées, les moyens nécessaires, la complexité de la crise, son impact sur la population et, surtout, la nécessité d'une coordination au niveau national. Aucun de ces critères n'est à lui seul déterminant. C'est toujours l'ensemble de la situation qui doit être analysé.
Dans le cas spécifique du feu de végétation, nous étions également particulièrement attentifs à deux éléments. Une éventuelle extension simultanée de l'incendie au territoire d'un pays voisin – l'Allemagne en l'occurrence – et la menace sur des grandes zones habitées nécessitant des évacuations massives.
Sur la base de cette analyse conjointe, le déclenchement d'une phase fédérale n'était pas nécessaire à ce stade. L'incendie restait concentré dans la province de Liège. La gestion de la crise était avant tout opérationnelle et la structure de commandement provincial fonctionnait.
Le gouverneur et ses services, le comité de coordination au niveau provincial et le PC-Ops disposaient de l'expertise et des capacités nécessaires pour diriger les opérations. Mais qu'il n'y ait aucune ambiguïté – comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire mais je vais le répéter –, l'absence de phase fédérale ne signifie absolument pas l'absence d'action fédérale. Dès le début, le NCCN a été en contact permanent avec les services du gouverneur.
Il a suivi la situation, apporté son soutien lorsque cela était nécessaire, et évalué en permanence la nécessité éventuelle de passer à un niveau supérieur. Par anticipation, le personnel de garde du NCCN nécessaire à l'activation des cellules de crise nationale a même été placé en stand-by dès samedi à midi.
Ondertussen hebben we niet stilgezeten. De federale politie is ingezet, de civiele bescherming is op grote schaal ingezet, Defensie is ingezet en hulpverleningszones uit het hele land hebben versterking gestuurd. De Algemene Directie Crisiscentrum heeft het Europees mechanisme voor civiele bescherming geactiveerd en opgevolgd. Het NCCN heeft eveneens ondersteuning geboden voor internationale contacten, de sluiting van het luchtruim, satellietbeelden, crisiscommunicatie en de activering van 1771.
Dit is essentieel. Al deze federale en internationale middelen kunnen worden ingezet zonder dat vooraf een federale fase moet worden afgekondigd. De bestaande mechanismen stellen de gouverneurs in staat federale capaciteit in te zetten. De hulpverleningszones kunnen daardoor ook een beroep doen op de interzonale solidariteit. We coördineren dus op nationaal niveau zonder het commando onnodig over te nemen.
De mon côté, je n’ai pas non plus attendu pour agir. La phase provinciale n’a donc, à aucun moment, empêché une coordination nationale, un soutien fédéral massif ou une montée en puissance à l’international. Au contraire, les différents niveaux de pouvoir se sont renforcés mutuellement. C’est ce qu’il s’est passé.
La phase provinciale a fonctionné. Le soutien fédéral a fonctionné. La solidarité entre nos zones de secours a fonctionné. Le mécanisme de solidarité européen a, lui aussi, fonctionné. C’est cela, pour moi, une gestion de crise efficace.
Mijnheer de voorzitter, dames en heren, ik geef graag een overzicht van de communicatie naar de bevolking en van de manier waarop die werd aangepast aan de evolutie van de crisis.
Op vrijdag 14 augustus 2026 om 14.51 uur, kort na het uitbreken van de brand, werd een eerste BE-Alert verstuurd in Jalhay. Mensen die zich in de Hoge Venen bevonden, werd gevraagd het gebied zo snel mogelijk te verlaten. Daarbij werd duidelijk meegedeeld dat de hulpdiensten ter plaatse waren en dat de betrokken zone verboden terrein was. Een uur later werd die waarschuwing opnieuw verstuurd.
Toen de omvang van de brand duidelijker werd, werd de communicatie snel opgeschaald. Om 16.02 uur werd een bericht verspreid op het niveau van de provincie Luik met de oproep om de getroffen zone onmiddellijk te verlaten.
Om 17.28 uur volgde een grootschalige, drietalige communicatie in het Frans, Nederlands en Duits waarin de sluiting van het natuurpark werd aangekondigd. Daarmee werden bijna 82.000 mensen bereikt.
Le 15 août, la communication a été adaptée à l’évolution de la situation sur le terrain. À Sourbrodt, les habitants ont été invités, à titre préventif, à se préparer à une éventuelle évacuation, à rassembler leurs effets personnels essentiels et à fermer leurs fenêtres et leurs portes. Dans le même temps, il a été explicitement précisé qu’aucune évacuation n’avait encore été ordonnée. Plus tard dans la journée, une alerte provinciale trilingue a de nouveau été diffusée concernant la fermeture du parc naturel. Cette communication a permis d'atteindre environ 147 000 personnes. Des informations ont également été diffusées en dehors de la zone immédiate de l'incendie.
Le 16 août, la fumée était perceptible à grande distance. À Marche-en-Famenne, les habitants ont été invités, via BE-Alert, à fermer leurs fenêtres et leurs portes afin de limiter les nuisances liées à la fumée provenant de l’incendie dans les Hautes Fagnes. La fumée étant également perceptible dans la province de Namur, la centrale d’appel du 112 a reçu de nombreux appels de personnes signalant des odeurs ou des observations de fumée. Une communication à grande échelle a, dès lors, été diffusée avec une consigne claire: le 1771 pour obtenir des informations et le 112 exclusivement pour les véritables situations d’urgence. À elle seule, cette communication par email a touché plus de 45 000 personnes.
Le soir même, à Waimes, une nouvelle communication ciblée a été adressée aux habitants des rues évacuées de Sourbrodt. Il leur a été expressément demandé de ne pas regagner leur domicile en raison des conditions météorologiques défavorables.
De communicatie is dus met de crisis mee geëvolueerd: eerst mensen uit het natuurgebied halen, vervolgens het gebied afsluiten, inwoners voorbereiden op een mogelijke evacuatie, daarna communiceren over rookhinder en ten slotte zeer gericht communiceren met geëvacueerde inwoners. Daarbij hebben we gebruikgemaakt van BE-Alert via sms en e-mail, location based sms en andere kanalen. Waar nodig werd drietalig gecommuniceerd. Het uitgangspunt was telkens hetzelfde: de bevolking zo snel mogelijk bereiken met concrete instructies, aangepast aan de situatie op het terrein.
Over de oproepen naar de noodcentrale 112 heb ik hier vele bladzijden met cijfers, mijnheer de voorzitter, die ik niet zal voorlezen.
Je suis à l’écoute de la Chambre.
Je tiens à souligner que les centrales d’urgence ont dû faire face simultanément à une forte augmentation des appels des citoyens tout en assurant la gestion de milliers de communications radio opérationnelles. C’est la raison pour laquelle il était également important d’informer clairement la population sur l’utilisation correcte du numéro d’urgence. Lorsque de la fumée et une odeur de brûlé ont également été perçus bien au-delà de la zone directement touchée par le feu, il a été explicitement précisé d’utiliser le 1771 plutôt que le 112.
De personeelsbezetting werd tijdens de crisis op peil gehouden. In Wallonië waren er op 14 augustus overdag 24 en 's nachts 23 operatoren aan het werk. Op 15 augustus waren dat er zowel overdag als 's nachts 24. Die cijfers tonen aan dat de brand niet alleen een uitzonderlijke inzet op het terrein vergde, maar ook achter de schermen een zeer belangrijke operationele belasting veroorzaakte. Onze 112-operatoren hebben daarbij een essentiële rol gespeeld in het bereikbaar houden van de noodhulp en de ondersteuning van de interventiediensten.
Dames en heren, bij een crisis van deze omvang moeten we niet alleen kunnen rekenen op onze eigen nationale capaciteit, maar ook snel bijkomende middelen kunnen mobiliseren wanneer dat nodig is. Dat is precies waarvoor de Europese solidariteit dient. De afgelopen dagen hebben we gezien dat die solidariteit ook in de praktijk werkt.
Comme je l'ai dit, dès vendredi soir, nous avons activé le mécanisme européen de protection civile afin d'obtenir des moyens aériens supplémentaires. Le principe de ce mécanisme est simple: lorsqu'un pays est confronté à une crise nécessitant des capacités supplémentaires, il peut solliciter une assistance par l'intermédiaire du Centre de coordination de la réaction d'urgence.
Les pays participants, à savoir les États membres de l'Union européenne ainsi que dix pays partenaires hors UE, examinent ensuite les moyens qu'ils peuvent mettre à disposition sans compromettre leur propre capacité opérationnelle. Les pays qui sollicitent une aide sélectionnent ensuite les offres qui répondent le mieux aux besoins sur le terrain. Les équipes étrangères sont alors intégrées dans la structure opérationnelle existante et travaillent sous la coordination des autorités compétentes.
Ce mécanisme a fonctionné: les Pays-Bas, l'Allemagne, la Norvège et la Suède ont proposé des capacités aériennes, renforçant ainsi nos propres moyens. La Tchéquie a également formulé une offre, mais nous n'avons pas pu finaliser ce mécanisme avec elle. Les Pays-Bas ont confirmé la mise à disposition d'hélicoptères et nous avons également bénéficié d'avions néerlandais, comme j'ai déjà eu l'occasion de le souligner.
Rien qu'hier, sept hélicoptères et deux avions de lutte contre les incendies étaient engagés dans les opérations. Cela montre l'ampleur de l'opération aérienne et de la mobilisation européenne.
Cette solidarité ne s'arrête ni aujourd'hui ni demain. Le soutien aérien étranger restera également garanti au-delà de dimanche par l'intermédiaire de l'Union européenne. La commissaire européenne Hadja Lahbib me l'a d'ailleurs confirmé lors de l'entretien que j'ai eu avec elle hier.
Nous avons prolongé la demande d'urgence jusqu'à dimanche mais, s'il s'avère encore nécessaire de disposer de moyens aériens supplémentaires, nous pourrons continuer à faire appel à ce même mécanisme.
Dat is hoe ik de Europese solidariteit in de praktijk zie. Wanneer onze eigen capaciteit versterking nodig heeft, staan onze partners klaar om bij te springen. Zolang die versterking nodig is, kunnen we erop blijven rekenen.
Ik wil die landen daarvoor zeer uitdrukkelijk bedanken. In een crisis als deze zien we heel concreet wat Europese solidariteit betekent: landen die niet alleen woorden van steun uitspreken, maar daadwerkelijk mensen en middelen ter beschikking stellen wanneer een andere lidstaat die nodig heeft.
Er is daarbij enige verwarring ontstaan tussen het Europees mechanisme voor civiele bescherming en rescEU. Het is belangrijk om dat onderscheid duidelijk te maken. Het Europees mechanisme werkt in eerste instantie met capaciteit die de deelnemende landen zelf aanbieden. Wanneer dat aanbod niet volstaat, beschikt Europa daarnaast over rescEU, een strategische Europese reserve die als bijkomend vangnet kan worden ingezet. rescEU is dus Europese tweedelijnshulp, om het zo te zeggen. Zo kwamen de twee Zweedse blusvliegtuigen vanuit de rescEU-reserve.
Cette distinction ne change toutefois rien à l'essentiel: le mécanisme européen de solidarité a fonctionné. En quelques heures, après notre demande d'aide, des moyens disponibles dans différents pays européens ont été identifiés, proposés et mobilisés vers la Belgique. La solidarité européenne, autant le souligner ici, fonctionne d'ailleurs dans tous les sens. Fin juillet, la Défense a encore apporté un soutien important à la France lors des graves feux dans le sud-ouest. Deux véhicules de lutte contre les feux, de type Panthère, et douze pompiers militaires ont été déployés, ainsi que neuf camions-citernes assurant un approvisionnement continu en eau des pompiers français.
Fin avril, les services de secours belges ont encore apporté leur soutien à nos collègues néerlandais lors du grand feu en milieu naturel dans la région frontalière de Weert et Budel. Aujourd'hui, nous pouvons à notre tour compter sur un important soutien néerlandais. Cette solidarité transfrontalière fonctionne donc dans les deux sens.
Met betrekking tot de kosten en de financiering van de Europese bijstand wil ik één punt verduidelijken. Er bestaat geen afzonderlijke Belgische rescEU-bijdrage. RescEU wordt gefinancierd vanuit de Europese begroting, waaraan België als lidstaat uiteraard bijdraagt.
Bij de inzet van internationale middelen worden de kosten in grote lijnen tussen drie actoren verdeeld. Het land dat de middelen ter beschikking stelt, draagt onder meer de salarissen van zijn personeel, het onderhoud van het materieel en een deel van de kosten van de inzet. De Europese Commissie financiert een belangrijk deel van de transport- en deploymentkosten en kan ook een deel van de operationele kosten dragen. België als gastland staat in voor de logistieke ondersteuning ter plaatse, zoals huisvesting, voeding en brandstof. Een deel van die kosten kan eveneens door de Europese Commissie worden terugbetaald.
En ce qui concerne l'impact sur nos zones de secours, je peux vous dire ce qui suit. Il va de soi qu'une intervention de cette ampleur a également des répercussions financières et opérationnelles sur nos propres zones de secours. La mobilisation d'un si grand nombre de pompiers pendant plusieurs jours, l'utilisation intensive de véhicules et d'autres équipements ainsi que le soutien logistique représentent un effort considérable.
L'organisation et le financement des zones de secours tiennent compte des risques qu'elles doivent être en mesure de couvrir ainsi que des coûts engendrés par les interventions.
En ce qui concerne le personnel, les régimes horaires existants permettent en outre de récupérer ultérieurement les heures prestées et de rétablir l'équilibre.
Mais cette crise met également en évidence un aspect plus fondamental. Aucune zone, aucune province, ni même aucun État membre ne doit être en mesure de faire face seul à une crise exceptionnelle.
Nous avons vu ces derniers jours comment les différents niveaux se renforcent mutuellement. Les agriculteurs et les entreprises soutiennent les services de secours. Les zones de secours se renforcent entre elles. Les services fédéraux viennent en renfort. Et les pays européens mettent à disposition des capacités supplémentaires.
Ce système de solidarité a fonctionné au niveau local, national et européen. Pour cette solidarité exceptionnelle, je suis particulièrement reconnaissant envers toutes celles et ceux qui y ont contribué.
Mijnheer de voorzitter, dames en heren, sta mij toe om dat duidelijk te zeggen: de bestaande structuur en mechanismen om deze crisis aan te pakken hebben gewerkt. De coördinatie is gebeurd waar ze hoort te gebeuren, bij de bevoegde autoriteit en haar medewerkers.
In dit geval lag die verantwoordelijkheid bij de gouverneur. Rond de provinciale fase is vervolgens een brede samenwerking tot stand gekomen. De hulpverleningszone, de civiele bescherming, de lokale en federale politie, Defensie, het Nationaal Crisiscentrum, de Algemene Directie Civiele Veiligheid, de lokale besturen en alle andere betrokken diensten hebben vanuit hun eigen verantwoordelijkheid bijgedragen aan één gezamenlijke aanpak.
Waar nodig werden ook buitenlandse en Europese capaciteiten in die structuur geïntegreerd. Als minister is het mijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat het systeem werkt, dat onze diensten hun werk kunnen doen, dat de verschillende bestuursniveaus goed samenwerken en dat bijkomende mensen en middelen snel worden gemobiliseerd wanneer dat nodig is. Waar zich blokkeringen voordoen, is het mijn taak ervoor te zorgen dat die worden weggewerkt en dat het federale niveau maximaal ondersteunt waar dat nodig is. Dat is precies wat we vanaf het eerste moment hebben gedaan.
Ik hoor zeggen dat België niet voorbereid zou zijn geweest op een natuurbrand van deze omvang. Dat beeld wil ik toch corrigeren met de feiten. Na de grote natuurbranden van 2011, onder meer in de Hoge Venen en de Kempen, is vanaf 2012 structureel gewerkt aan een betere voorbereiding. Er werd geïnvesteerd in gespecialiseerde opleidingen, operationele procedures, aangepast materieel, luchtsteun en een betere samenwerking tussen de verschillende diensten. We zijn daarvoor ook expertise gaan halen waar die aanwezig is. Belgische brandweerlieden en leden van de Civiele Bescherming werden opgeleid aan het gespecialiseerde ECASC (École d’application de Sécurité Civile) in Gardanne in Frankrijk. Daar kregen zij opleiding in specifieke blustechnieken, commandovoering, de veiligheid van de deelnemers en de gecombineerde inzet van grond- en luchtmiddelen bij grote natuurbranden.
Daarnaast werd specifiek een gestandaardiseerde operationele procedure voor natuurbranden ontwikkeld. Die bepaalt onder meer hoe risico's worden geanalyseerd, hoe wordt opgeschaald, hoe de commandovoering wordt georganiseerd en hoe de verschillende diensten samenwerken. Binnen die operationele aanpak werd ook gespecialiseerd materieel aangekocht.
Nous ne sommes donc pas partis de zéro vendredi. Des procédures existaient déjà, du matériel spécialisé était disponible, notre personnel était formé et un système permettant une montée en puissance rapide était en place. Ce dernier point est essentiel.
Aucune zone de secours et, en réalité, aucun pays ne peut maintenir en permanence, 24 heures sur 24 et 7 jours sur 7, l’ensemble du personnel, des avions, des hélicoptères et des véhicules prêts à intervenir dans le scénario le plus extrême. Notre système est donc délibérément articulé autour de niveaux successifs de montée en puissance. Il repose d’abord sur nos propres moyens, puis sur les renforts provenant d’autres zones de secours, ainsi que sur l’intervention de la Protection civile et de moyens spécialisés. Viennent ensuite les capacités fédérales supplémentaires, notamment celles de la police fédérale et de la Défense. Enfin, si nécessaire, nous pouvons faire appel à l’aide de nos pays voisins ainsi qu’aux ressources mobilisées dans le cadre du mécanisme européen de protection civile. Le fait que nous ayons sollicité une aide étrangère lors de cet incendie exceptionnel ne signifie donc nullement que notre système a échoué. Au contraire, la capacité à mobiliser rapidement des moyens supplémentaires, à les acheminer vers la Belgique et à les intégrer dans nos opérations fait précisément partie de notre préparation et de notre résilience.
J’ai pris hier l’exemple de l’OTAN devant plusieurs journalistes. Ce serait comme exiger que chaque pays membre dispose, à lui seul, d’une armée complète comprenant des porte-avions et compagnie. C’est pourtant le principe même de l’Union européenne: la mutualisation des moyens et la solidarité entre États membres. Peut-être que certains n'aiment pas l'Union européenne… Cela étant dit, je ne prétendrai pas que tout s’est déroulé parfaitement. Une crise de cette ampleur constitue également un test pour notre organisation et pour les capacités dont nous disposons actuellement. Nous devons en tirer des leçons, et nous le ferons.
We moeten heel concreet bekijken waar we onze voorbereiding en operationele aanpak verder kunnen versterken. Dat begint bijvoorbeeld bij de operationele cartografie. Waren alle toegangswegen onmiddellijk bekend? Wisten we welke voertuigen waar konden komen? Waren alle beschikbare waterpunten en hun capaciteit voldoende in kaart gebracht? We moeten bekijken hoe we die capaciteit vooraf beter kunnen identificeren en tijdens een crisis sneller, veiliger en beter georganiseerd kunnen inzetten.
De oefening is evenwel breder. We moeten ook onze personeelscapaciteit, ons gespecialiseerde materieel, de waterbevoorrading, luchtcapaciteit, communicatie en commandovoering evalueren. Vooral moeten we bekijken hoe we al die middelen en expertise bij een grote crisis sneller kunnen mobiliseren, beter op elkaar kunnen afstemmen en gecoördineerd kunnen opschalen.
Je souhaite également revenir sur le financement de nos zones de secours et apporter quelques éléments chiffrés. Au cours des dix dernières années, le gouvernement fédéral a considérablement renforcé sa contribution financière. La dotation fédérale de base s'élevait à environ 32 millions d'euros en 2016. En 2026, elle atteint 48,3 millions d'euros, donc une augmentation de 50 %. Je me plais à rappeler que vous avez eu la générosité de voter la loi d'intégration du SIAMU que j'ai proposée, une augmentation directe des dotations de 17,5 millions et l'indexation automatique inscrite dans la loi. Je vous en remercie.
Les dotations fédérales complémentaires ont elles aussi fortement augmenté, d'environ 105 millions d'euros en 2016 à plus de 158 millions d'euros en 2026. Là encore, il s'agit donc d'une augmentation d'environ 50 %. Ces chiffres contredisent pour autant que de besoin celles et ceux qui continueraient à affirmer que le gouvernement fédéral s'est désengagé financièrement des zones de secours. Nous franchissons une nouvelle étape. Les dotations fédérales, comme je l'ai dit, seront indexées, et elles ont été augmentées.
Voor mij mag het debat echter niet stoppen bij de vraag hoeveel geld we uitgeven. De belangrijkste vraag is of onze financieringen en investeringen aansluiten bij de risico's waarmee ons land vandaag en morgen wordt geconfronteerd. De brand in de Hoge Venen is daarvan een duidelijke illustratie. We moeten weten welke risico's toenemen, welke capaciteiten daartegenover staan en waar eventuele lacunes bestaan. Pas dan kunnen we gericht bepalen waar bijkomende investeringen de grootste meerwaarde hebben.
Daarom wil ik de discussie over middelen koppelen aan de bredere oefening rond onze nationale weerbaarheid en de inventarisatie van de capaciteit van onze civiele veiligheid. Mijn lijn is dus duidelijk. De federale overheid heeft haar bijdrage aanzienlijk verhoogd en zal die vanaf 2027 structureel indexeren, maar elke bijkomende euro moet ook bijdragen aan een concreet doel, namelijk onze hulpdiensten sterker maken en onze bevolking beter beschermen.
Mesdames et messieurs les députés, je vous rassure, j'arrive à la fin de mon bref exposé, que j'ai néanmoins voulu complet. Je n'exclus rien, mais nous devons d'abord évaluer objectivement ce qui a bien fonctionné, identifier les points d'amélioration et déterminer où nous devons encore nous renforcer. Pour moi, cet exercice doit aller au-delà de ce seul feu en milieu naturel. Ce feu montre une nouvelle fois que la planification d'urgence est une mission permanente et que nous devons continuer à renforcer notre résilience nationale.
Nous sommes confrontés à des risques de plus en plus complexes et potentiellement de grande ampleur. Les feux de forêt en sont un exemple, mais il en va de même pour les inondations, les accidents industriels majeurs et d'autres crises. C'est pourquoi nous devons éviter, après chaque crise, de raisonner exclusivement à partir de cet incident particulier ou d'un seul service. Nous travaillons à l'élaboration d'un plan national de résilience dans lequel nous déterminons les capacités stratégiques et les mécanismes dont notre pays doit disposer pour faire face à des crises majeures.
Les risques climatiques et donc, également, le risque croissant d'incendies en milieu naturel constituent un volet important de ce plan national de résilience. Ce renforcement de notre résilience nationale s'inscrit également dans l'orientation définie par l'accord de gouvernement, y compris pour les feux en milieu naturel.
Dat kan alleen werken als alle betrokken sectoren daarin hun verantwoordelijkheid opnemen. We moeten vooraf bepalen welke bijdrage van elke sector nodig is en ervoor zorgen dat de nodige mensen, middelen en expertise daadwerkelijk beschikbaar zijn als er een crisis uitbreekt. Ik zal op korte termijn een nationaal actieplan voor de bestrijding van natuurbranden aan de regering voorleggen, zodat we onze capaciteit kunnen versterken en aanpassen aan de noden van vandaag en de risico's van morgen.
De brand in de Hoge Venen heeft aangetoond dat er vandaag al veel expertise en capaciteit aanwezig is bij onze hulpverleningszones, Civiele Bescherming, federale politie en Defensie. De evaluatie van deze crisis zal ons in staat stellen om zaken te verbeteren.
Ik heb ook kritiek gehoord naar aanleiding van de rapporten van het Cerac (Centrum voor Risicoanalyse van Klimaatverandering). We moeten daarbij twee zaken onderscheiden. Het Nationaal Crisiscentrum brengt via de Belgian National Risk Assessment (BNRA) het brede spectrum aan risico's voor ons land in kaart. Het Cerac heeft specifiek onderzocht welke risico's klimaatverandering voor onze samenleving met zich meebrengt. Natuurbranden zijn daarin een belangrijk aandachtspunt, naast overstromingen, pandemieën en risico's voor onze voedselproductie.
Daarnaast heeft het Nationaal Crisiscentrum aan het Cerac gevraagd om specifiek te onderzoeken hoe het risico op natuurbranden in België de komende 15 tot 20 jaar kan evolueren. Het Cerac heeft die analyse, samen met het Nationaal Geografisch Instituut, uitgevoerd en het rapport in februari 2025 opgeleverd.
Wij hebben rekening gehouden met die aanbevelingen. Mijn diensten hebben daarvoor al een aantal stappen gezet, zowel op het vlak van natuurbrandbestrijding als op het vlak van de aankoop van aangepast materiaal.
Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, le fait que nous commandions de telles analyses indique, me semble-t-il, que nous prenons précisément ces risques au sérieux, que nous anticipons et que nous fondons notre politique sur les connaissances et l'expérience.
L'incendie dans les Hautes Fagnes doit donc être, pour nous, l'occasion d'accélérer nos efforts en vue de l'élaboration d'un Plan national de résilience, dans lequel les risques climatiques, et en particulier les risques d'incendie en milieu naturel, occupent une place importante, non pas parce que la Belgique n'était pas préparée, mais parce que chaque crise majeure nous oblige à examiner d'un œil critique ce qui peut être amélioré.
Lorsque la crise de demain surviendra, notre résilience dépendra des choix que nous faisons aujourd'hui, car un pays mieux préparé est un pays mieux protégé.
Je vous
remercie. Ik dank u.
De voorzitter: Mijnheer de minister, bedankt voor uw korte, maar volledige inleiding over de aanpak van de brand in de Hoge Venen.
Ik geef nu onmiddellijk het woord aan de fracties. Mijnheer Bergers, zoals afgesproken bedraagt de spreektijd 10 minuten per fractie, naar eigen goeddunken te verdelen over de sprekers.
01.05 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel, mijnheer de voorzitter, en allereerst grote dank aan iedereen die op het terrein voor onze veiligheid heeft gevochten: de brandweer, de civiele bescherming, de politie, Defensie, natuurbeheerders, vrijwilligers, de Waalse boeren die ter hulp kwamen… Daarnaast dank ik de minister, de commissievoorzitter en de diensten van de Kamer om deze vervroegde spoedzitting mogelijk te maken.
Mijnheer de minister, wat de inhoud betreft, gaf u inderdaad een lange, volledige introductie. Ik begin met een punt waarop ik het volledig met u eens ben. De afgelopen dagen heb ik met veel zonecommandanten en brandweerlieden gesproken. Werkelijk niemand van hen zegt dat een overschakeling naar de federale fase operationeel op het terrein enig verschil had gemaakt. Dat is iets wat typisch hier in de Wetstraatbubbel leeft, wat we in dit Parlement en in deze commissie belangrijk vinden om te bespreken, maar operationeel op het terrein had dat volgens mij niets veranderd.
Welkom trouwens ook aan de vele collega's die ik nog nooit in de commissie voor Binnenlandse Zaken heb gezien. Ik hoop dat de interesse en het engagement voor onze veiligheidsdepartementen blijft, ook wanneer de pers vertrokken is.
Een punt dat in de media al vaak aan bod kwam en waarover ook online veel debat werd gevoerd, is de capaciteit. Deze regering heeft al 20 helikopters besteld, waarvan er nu 2 zijn geleverd en ingezet. Er is daarover heel veel gezegd en volgens mij terecht. De Chinookhelikopters die Nederland ter beschikking heeft gesteld, zijn hyperperformant en supernuttig. Als het gaat over lessen die we uit deze crisis moeten trekken, denk ik dat een eerste, zeer belangrijke les is dat we nu eindelijk eens stoppen met veto's te stellen tegen Amerikaans materiaal op basis van ideologische principes. Het gaat hier om Amerikaans materiaal dat gewoon performant is.
Uiteraard is de N-VA-fractie voorstander van een sterke Europese veiligheidsindustrie. Uiteraard! Het moet echter ook een absolute evidentie zijn dat de mensen die op het terrein hun leven riskeren voor onze veiligheid, gewoon het best mogelijke materiaal krijgen. Ik hoop dat deze crisis heeft aangetoond hoe absurd het is dat daar telkens opnieuw veto's tegen worden uitgesproken en dat we telkens opnieuw in ons eigen vel snijden.
Ik ben niet getrouwd met de Chinooks. Er zijn ook andere zware helikopters van dat type geschikt. De mensen die op een ideologische manier met ons veiligheidsmateriaal willen omgaan, hebben de pech dat dat materiaal door andere Amerikaanse fabrikanten wordt gemaakt. Als we zo'n capaciteit in ons land willen, zal die dus sowieso van Amerikaanse makelij zijn.
De aankoop van dat soort materiaal staat in de strategische visie gepland in 2033. Mijnheer de minister, de vraag vanuit onze fractie is alvast dat we objectief bestuderen welk materiaal exact nodig is en dat we met uw diensten, met de diensten van Defensie en andere bekijken of het mogelijk en nuttig is om die aankoop te vervroegen.
Een ander belangrijk punt bij het behandelen van dit soort crisissituaties is, zoals u zelf ook hebt gezegd en zoals we al verschillende keren op de brandweerconferentie hebben besproken, de afstemming van de hulp en de efficiëntie van de communicatie tussen verschillende zones. De afgelopen jaren werden op dat gebied al gigantische stappen voorwaarts gezet.
Brandweer België organiseert nu ook voor het eerst brandweerconferenties waarop nagenoeg alle zonecommandanten aanwezig zijn en waar afspraken worden gemaakt. Ik heb u daar al elke keer gezien. Ik moet echter vaststellen dat partijen die nu op sociale media en in de pers roepen dat er te weinig afstemming is en dat het beleid faalt, elke keer al een uitnodiging hebben gekregen om mee te denken en mee te werken aan een betere afstemming op die brandweerconferenties, maar dat er nog nooit een andere fractie dan de MR-fractie en de N-VA-fractie aanwezig was op die conferenties. Als die partijen dus nu zeggen dat het de schuld van de minister is dat er te weinig afstemming is, dan denk ik daar het mijne van.
We hebben het advies van het Cerac gezien, waar ook over gesproken wordt. Ik heb daar wel een heel concrete vraag over. Wat heeft het Nationaal Crisiscentrum daar exact mee gedaan? Er wordt ook gevraagd om het Cerac structureler te betrekken bij de veiligheidscel. Ik ben er op zich helemaal niet tegen dat ze ad hoc, wanneer het voor hen relevant is, worden uitgenodigd. Ik denk dat ze bijvoorbeeld als het gaat over terrorismebestrijding geen vaste zetel moeten hebben. Dat is dan misschien een beetje overkill. Wat volgens mij wel nuttig is, wat ik u ook al eerder heb gevraagd en waarvoor wij bij de partijen blijven pleiten, is dat een vertegenwoordiger van Brandweer België wel met een vaste zetel krijgt in die Nationale Veiligheidscel, om ervoor te zorgen dat ze ook maximaal betrokken zijn.
Ik probeer mijn tussenkomst kort en efficiënt te houden, maar ik weet zeker dat we nog een uitgebreid en nuttig debat zullen hebben. Ik hoop ook echt dat we verder komen dan het politieke vingerwijzen en dat we maatregelen nemen en lessen trekken uit deze crisis om onze veiligheidsarchitectuur te verbeteren. De inschakeling van de tweede lijn is voor onze fractie ook zeer interessant, hoewel het natuurlijk geen totaaloplossing is. We hebben dus de eerste lijn van de overheid en daarna is er een mobilisatie van vrijwilligers, zoals de Waalse boeren en professionele brandweerkorpsen die op het terrein komen helpen. We zijn zelf ook sinds de laatste brandweerconferentie bezig aan een wetsvoorstel om ervoor te zorgen dat professionele brandweerkorpsen van bedrijven ook makkelijker kunnen worden ingezet op het openbaar domein. Ter plaatse is ook de bedrijfsbrandweer van Léo Roberts ingezet, zo had ik begrepen. Ik weet niet of ook de brandweerkorpsen van Kabelwerk Eupen en het circuit van Spa-Francorchamps zijn ingezet. Misschien kunt u daar meer informatie over geven.
Wat ik op sociale media zag passeren en zeer interessant vond, is dat boeren en anderen die kwamen helpen, een attest kregen van de federale politie om te bewijzen dat ze dat hadden gedaan. Dat is niet onbelangrijk. Als we vrijwilligers mobiliseren – en bij grote rampen is dat in tweede lijn echt nodig; daar zetten we ook in Vlaanderen heel sterk op in met de vrijwilligerskorpsen –, dan is het belangrijk dat mensen die zichzelf in gevaar brengen om de veiligheid van de samenleving te garanderen, niet zelf de gevolgen en de kosten moeten dragen wanneer er iets misloopt met hun materiaal of hun gezondheid.
Mijnheer de minister, kunt u wat meer uitleg geven over de ad-hocoplossing die met die Waalse boeren is gebruikt? Uit de gesprekken die we al hebben gehad, blijkt dat u daarvoor openstaat. Hoe staat u ertegenover om het ook structureel mogelijk te maken dat bedrijfsbrandweerkorpsen worden ingezet bij grote, maar ook minder grote rampen?
Ik ken de situatie in Dessel zeer goed, waar de nucleaire instellingen over een aantal zeer professionele bedrijfsbrandweerkorpsen beschikken. Maar als het daar vandaag bij de buren brandt, mogen die bijvoorbeeld niet worden ingezet omdat ze niet over de juiste toestemming en verzekering beschikken. Dat moeten we efficiënter regelen. We hebben daar binnenkort een voorstel over klaar, ik ben het nu aan het schrijven. Ik ben benieuwd hoe u daartegenover staat en naar de ad-hocoplossingen die op het terrein zijn gebruikt, waardoor gelukkig al heel wat vrijwilligers efficiënt zijn ingezet. Dat is volgens mij absoluut een goede zaak.
U hebt terecht gezegd dat preventie en de indeling van het domein, brandgangen en dergelijke, een gewestelijke bevoegdheid zijn. In Vlaanderen zijn daar sinds de Blue Deal van Zuhal Demir ontzettend veel middelen in geïnvesteerd. Als Vlaams-nationalist heb ik niet de ambitie om mij te mengen in de beslissingen die in het Waals Gewest worden genomen, maar het is wel belangrijk dat dat debat ook daar wordt gevoerd.
Tot slot hebt u zeer terecht gezegd dat de regering-De Wever, met ook minister Quintin en minister Francken, volop investeert in de veiligheidsdepartementen. We staan budgettair voor zeer grote uitdagingen en moeilijke tijden, maar er is heel bewust voor gekozen om wel te investeren in onze veiligheidsdepartementen en bijkomende kosten te maken, omdat dat gewoon nodig is. Dat toont deze crisis ook aan.
Ik ben het eens met alle partijen die nu zeggen dat er veel te weinig wordt geïnvesteerd. We moeten inderdaad nog meer investeren in de veiligheidsdepartementen. Ik ben daar een groot voorstander van, maar het is dan wel belangrijk dat de tering naar de nering wordt gezet. Er zijn immers partijen die bijvoorbeeld bij elke besparing in de sociale zekerheid moord en brand schreeuwen. De investeringen die we moeten doen in onze veiligheidsdepartementen en die absoluut noodzakelijk zijn, moeten op de een of andere manier gefinancierd worden. De N-VA is daar vragende partij voor en we zullen de initiatieven die u neemt, steunen. Wij zijn heel benieuwd naar het voortschrijdend inzicht dat er misschien is gekomen bij sommige collega's die nu beseffen dat onze veiligheidsdepartementen meer aandacht verdienen.
01.06 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik wil u in de eerste plaats bedanken voor uw omstandige uitleg over de aanpak van de voorbije week. U hebt dat heel minutieus toegelicht. Wat ons allemaal bijblijft, zijn de honderden brandweerlui, de militairen, de mensen van de Civiele Veiligheid, de politie en de andere hulpverleners, maar we mogen zeker ook niet de bewoners van de streek zelf vergeten, de landbouwers die dag en nacht hebben meegeholpen om de brand te bestrijden.
Dat staat hier bij geen enkele partij ter discussie, maar wat wel ter discussie mag staan in dit Parlement is of de overheid voldoende was voorbereid en snel genoeg de juiste middelen naar het terrein heeft gestuurd. Dat is de cruciale vraag die vandaag in deze commissie voorligt. Mijnheer de minister, ik begrijp dat het wellicht wat tijd zal vragen vooraleer er een volledig gedetailleerd rapport op tafel ligt over deze grote natuurramp en over de manier waarop die werd aangepakt.
Mijnheer de minister, had ik u nog een uur langer de tijd gegeven, dan had u er iedereen wellicht van kunnen overtuigen dat er helemaal geen natuurramp heeft plaatsgevonden in ons land. Het leek alsof alles vlekkeloos werd aangepakt. De voorbereiding was perfect, er was geen vuiltje aan de lucht en er zijn bijna geen vragen te stellen bij de aanpak. U stelt dat het systeem heeft gewerkt, maar dat er ook wel lessen moeten worden getrokken voor de toekomst. Daar spreekt u zichzelf dus wat tegen, maar gelukkig hebt u dat zelf ook genuanceerd. U bent een nieuw nationaal weerbaarheidsplan aan het opstellen en geeft zelf ook een aantal pijnpunten aan, zoals de coördinatie.
Mijn eerste vraag betreft inderdaad de coördinatie van de aanpak. De opsomming van al die diensten – hulpverleningsdiensten, politie en brandweer – op alle niveaus vergt een centraal commando, een centraal aanspreekpunt, een centraal controleorgaan. In mijn ogen is dat uw rol, omdat u nu eenmaal de bevoegdheid hebt om aan het hoofd te staan van het Nationaal Crisiscentrum.
Mijnheer de minister, het zal inderdaad wel kloppen dat de federale overheid aanwezig was op het terrein. Dat zal ik zeker niet ontkennen. Als er evenwel zoveel verschillende diensten op zoveel verschillende niveaus moeten samenwerken, moet er toch één iemand aan de top staan die beslissingen moet kunnen nemen, zeker wanneer men te maken heeft met een terrein dat het lokale, bovenlokale en provinciale niveau overstijgt en waar er zelfs materieel uit het buitenland moet worden gevraagd.
Is het een schande om hulp te vragen aan het buitenland? Zeker niet. Daarover verschil ik van mening met sommige andere oppositiepartijen. Ik ben het zelfs deels oneens met mijnheer Bergers, want ik vind niet dat ons land al het materiaal moet hebben om dergelijke fenomenen te bestrijden.
De vraag is niet of we moeten overgaan tot de aankoop van blushelikopters met een grotere capaciteit. De echte vraag moet zijn of we met 100 % zekerheid onmiddellijk dergelijke blushelikopters kunnen inzetten zonder dat daarvoor lange administratieve procedures moeten worden doorlopen. Dat is de echte vraag.
Als we dergelijke natuurrampen op een goede en efficiënte manier willen bestrijden, dan is snelheid essentieel, mijnheer de minister. Die snelheid ontbreekt nu eenmaal in ons land, dat een zeer complexe structuur heeft waarin zeer veel verschillende diensten met elkaar moeten samenwerken. Dat lukt alleen als er een centraal commando is.
Was ons land voldoende voorbereid? U zegt van wel en u verwijst daarvoor naar de aanbevelingen van 2011 en van het Nationaal Crisiscentrum. Mijnheer de minister, u kunt dat hier wel beweren, maar ik zie dat in de praktijk niet. Waar werden die aanbevelingen in het beleid geïmplementeerd? Wat heeft men in de praktijk met die aanbevelingen gedaan? Liggen die stof te vergaren in een kast of zal men die aanbevelingen daadwerkelijk uitvoeren? Dat is eigenlijk de cruciale vraag.
U zei dat luchtbijstand de grondcapaciteit niet kan vervangen. Daarmee ben ik het eens, maar ze zijn wel complementair, zeker in een dergelijk gebied. Ik ben geen expert ter zake, mijnheer de minister – ik denk trouwens weinig collega's – maar als ik de experts mag geloven, zijn de Hoge Venen een zeer moeilijk bereikbaar gebied, zeker te voet. Moet men dus wel luchtcapaciteit inschakelen als men de brand op een goede manier wil bestrijden.
Mijn volgende punt betreft het personeel. Mijnheer de minister, mijn grootste respect en dankbaarheid gaan uit naar alle brandweerlui die hebben geholpen, vanuit elke hulpverleningszone in dit land waar er capaciteit was. De cruciale vraag is wel of we de dienstverlening in alle hulpverleningszones nog kunnen garanderen, als men capaciteit moet sturen naar een gebied waar men met veel manschappen aanwezig moet zijn.
U verwees terecht naar het onderscheid tussen een bosbrand en een natuurramp, waarvan hier sprake is. Iedereen haalt nu opgelucht adem, want het heeft geregend en het vuur breidt zich niet verder uit, maar als ik de experts mag geloven, moet er nog zeer veel werk worden verzet om na te blussen en ervoor te zorgen dat het vuur niet opnieuw opflakkert. Dat vergt ook weer capaciteiten die misschien opnieuw uit andere hulpverleningszones moeten komen. Hier ontbreekt mijns inziens veel meer coördinatie, die dringend moet worden bijgesteld.
U verwees zelf naar een nationaal weerbaarheidsplan, waarin de bevoegdheidsverdeling en de capaciteitsverdeling van materiaal voor iedereen duidelijk moet zijn. Wat hebben we van wie nodig op welk moment? Dat plan van aanpak zou ik graag zien.
Ik wil nog even een anekdote meegeven. In de Nederlandstalige pers konden we heel veel commentaar van minister Francken lezen. Met alle respect voor de inzet van het leger – dat inderdaad zeer goed werk heeft geleverd – begon ik op den duur evenwel te denken dat minister Francken de grote coördinator van het rampenplan was, terwijl u dat bent. U staat aan het hoofd van het Nationaal Crisiscentrum. Ik hoor dat minister Francken bezig is met een brandbestrijdingsplan. Ik heb er meer vertrouwen in, mijnheer de minister, als u uw bevoegdheden ten volle opneemt en het Parlement op zeer korte termijn effectief ook een nationaal weerbaarheidsplan kunt voorleggen.
Ik kom tot mijn laatste punt: de lessen die we moeten trekken voor de toekomst. Welke investeringen bedoelt u als u zegt dat u zult investeren in civiele veiligheid? Op welke manier zult u investeren? Gaat het om investeringen in materiaal of in personeel? Ik hoor van de brandweerorganisaties dat het water hun aan de lippen staat. Uiteraard is dat met zo'n ramp niet verwonderlijk. Zij vragen dringend meer beroepsbrandweermannen. Ook daarvoor is dus een plan van aanpak nodig.
Ten slotte, mijnheer de minister, is dit inderdaad maar een eerste gedachtewisseling. Ik hoop dat we in september samen met andere ministers verder kunnen evalueren en dat we een volledig gedetailleerd rapport krijgen van deze ramp, zodat we effectief ook lessen kunnen trekken voor de toekomst. Ik reken op uw welwillendheid om dat ook in september met ons te willen bespreken. Dank u wel.
01.07 Victoria Vandeberg (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, depuis vendredi, c'est en qualité de bourgmestre de Jalhay, commune directement touchée par cette crise et cet incendie, que j'ai vécu cette crise de l'intérieur, depuis ce Centre de crise à Vottem, mais également sur le terrain.
J’ai vu cette chaîne de commandement s'organiser dès le début, se mettre en place, les décisions se prendre, les moyens arriver rapidement. J'ai vu ce que signifie combattre un incendie de cette ampleur, avec une tourbe qui continue de se consumer, un vent qui tourne constamment, qui fait repartir un foyer après l'autre, un terrain difficile d'accès parfois inaccessible, et qui oblige les équipes à s'adapter.
J'ai aussi vu des agriculteurs arriver avec leurs propres citernes pour participer à cet effort collectif.
Une phase provinciale a été déclenchée. Les services se sont coordonnés très rapidement. Des villages ont été évacués préventivement. Des populations ont été mises à l'abri. Malgré ces près de 3 000 hectares parcourus par le feu, aucune habitation n'a été détruite, aucune victime n'est à déplorer.
Ce résultat, nous le devons évidemment aux personnes de terrain. Je veux leur dire merci. Merci aux pompiers qui sont venus des quatre coins du pays, aux renforts étrangers, aux militaires, à la protection civile, à la police, au DNF, aux agriculteurs entrepreneurs bénévoles, aux communes également mobilisées, à l'aide médicale d'urgence, aux services psychosociaux, au CORTEX, au SPW service des barrages, et à tous les services mobilisés.
Il y a également ceux que l'on voit moins, mobilisés au Centre de crise, mais également celles et ceux qui assurent la coordination, le ravitaillement, la logistique sur le terrain, celles et ceux qui prennent des décisions, qui anticipent, qui surveillent et qui organisent.
Mais moi, depuis quelques jours, je vois aussi autre chose. Je vois une Fagne qui brûle. Notre Fagne. Ma Fagne. Heure après heure, c'est un paysage que nous connaissons, que nous avons parcouru, aimé, protégé, que nous voyons se consumer sous nos yeux.
Je ne vais pas faire semblant devant ce Parlement que c'est facile. Mais j'ai aussi vu la réponse se mettre en place très rapidement. Les moyens qui ont été déployés, les renforts qui sont arrivés, le dispositif adapté aux vents changeants, à l'évolution des foyers, les moyens terrestres qui ne pouvaient pas toujours suffire parce que la Fagne impose ses propres contraintes. Des moyens aériens belges, mais européens également, que le ministre a cités, sont venus appuyer les équipes au sol. Les moyens nécessaires ont été mobilisés rapidement. La Belgique a fait effectivement appel à la solidarité européenne. Ce n'est pas un aveu de faiblesse que de le faire. C'est d'ailleurs tout le principe du mécanisme européen de mutualiser rapidement des moyens, des capacités face à une catastrophe de cette ampleur.
Le ministre de l'Intérieur s'est rendu sur place à plusieurs reprises. Ce n'est pas un argument partisan. C'est un fait. Les autorités fédérales étaient présentes. Les moyens ont été mobilisés en appui de la gestion de crise. Sommes-nous invulnérables? Non! N'avions-nous pas anticipé? Non plus! Parce que se préparer, ce n'est évidemment pas pouvoir passer à côté de chaque crise.
Mais ce qui manque aujourd'hui, c'est la réalité qui manque au débat. La Fagne était particulièrement sèche, connaissait des conditions particulières, avec un incendie qui arrive plus tard dans la saison par rapport à ce que l'on peut connaître d'habitude dans un milieu spécifique, tourbeux où, à certains endroits, ni les véhicules ni même les hommes ne peuvent se rendre. Cette réalité, il faut la garder à l'esprit lorsqu'on entend, aujourd'hui, certaines certitudes. On parle des Canadairs, et des F-35 qui sont devenus une unité de mesure, depuis déjà quelque temps. "On aurait dû fermer les Fagnes depuis longtemps." "Avec nous, cela se serait passé autrement."
À un moment donné, il faut vraiment arrêter ce qui devient un cirque, où chacun arrive avec sa solution miracle, alors que certains ont sûrement découvert la Fagne ce week-end sur une carte ou via les réseaux sociaux et les images qu'ils ont pu y voir. Nous avons nos commentateurs de salon qui expliquent ce qu'il aurait fallu faire à celles et ceux qui étaient sur le terrain, qui le connaissent et qui y travaillent tous les jours. Il y a vraiment une forme d'indécence à réclamer des explications en commission, alors que la crise est toujours en cours et que les hommes sont toujours sur le terrain. C'est confondre le contrôle démocratique avec l'exploitation politique de cet événement, qui n'est pas encore terminé.
Certains disent qu'ils auraient fait les choses différemment s'ils avaient été aux commandes. Quelle ignominie de tenir de tels propos dans une situation de l'ampleur de celle que nous connaissons! Laisser entendre qu'avec une autre couleur politique, les choses se passeraient différemment, que les agriculteurs seraient arrivés plus vite, que les pompiers auraient fait mieux ou que la sécheresse aurait disparu, est insultant pour toutes celles et ceux qui se battent sur le terrain depuis vendredi, qui assument leurs responsabilités jour et nuit, avec peu ou pas de sommeil.
Moi-même, je les ai vus arriver, se relayer, essayer, puis recommencer après quelques heures de sommeil, quand ils ont pu en avoir. Nous devrons évidemment parler de nos capacités aériennes, de la prévention, de la gestion de nos espaces naturels et de notre préparation.
Le fait d'être mis sous tension fait également partie d'une crise. Cela ne signifie pas que la montée en puissance est négative. Au contraire, c'est normal. Cela ne veut pas dire non plus que nous n'étions pas préparés à faire face à la situation.
Ces questions devront être examinées ultérieurement, au moyen d'une analyse sérieuse fondée sur le retour d'expérience de celles et ceux qui ont réellement géré cette crise. Il faudra en tirer les enseignements le moment venu.
Je vois déjà des collègues s'agiter à l'extérieur de la salle de commission pour répondre à des interviews alors que nous sommes en plein débat. Je trouve cela complètement indécent et aberrant. Cela ne m'étonne guère de la part de certains partis de l'opposition, mais je considère malgré tout que leur comportement est particulièrement remarquable.
Ma colère, aujourd'hui, n'est évidemment pas dirigée contre les personnes qui interviennent sur le terrain, mais contre tous ceux qui font campagne sur des cendres encore chaudes.
Monsieur le ministre, vous avez déjà abordé certains de ces points, mais pouvez-vous déjà nous faire part de quelques enseignements que vous tirez de cette crise en matière de doctrine et de coordination des moyens? Cette crise a évidemment montré notre capacité à répondre collectivement aux défis, mais aussi certains points susceptibles d'être améliorés, comme je l'ai indiqué.
Pendant plusieurs jours, malgré l'incendie et un terrain que l'on ne maîtrise pas toujours, ils ont tenu la ligne, et ils la tiennent encore aujourd'hui, puisque cet incendie n'est pas encore éteint. Je tiens donc, une nouvelle fois, à remercier l'ensemble de nos hommes sur le terrain.
01.08 Catherine Delcourt (MR): Merci, madame Vandeberg, pour votre intervention, non seulement empreinte de réalisme, mais aussi d'émotion.
Je veux saluer ici le travail, évidemment, qui a été mené et qui est toujours mené par les pompiers, par les agents de la Protection civile, les agents du DNF, la police fédérale, la Défense, nos partenaires allemands, néerlandais, étrangers, aussi les agriculteurs, les bourgmestres, les services du gouverneur – tout qui est présent ou le fut sur le terrain.
Cet échange est organisé rapidement, donc merci monsieur le ministre d'être venu nous refaire la ligne du temps des faits. Le feu n'est pas totalement éteint et les équipes sont toujours engagées. Un debriefing devra avoir lieu, c'est une obligation légale. Il va devoir être organisé et là on va pouvoir tirer les enseignements techniques et opérationnels.
Je veux, avant de vous adresser quelques questions, m'inscrire en faux sur toutes ces déclarations qui visent à essayer de démontrer qu'il y a eu un manque d'anticipation. En 2005, j'ai moi-même piloté l'écriture du plan d'urgence pour les feux de Fagnes. Cela veut dire que les acteurs de terrain étaient déjà réunis autour de la table pour travailler ensemble et voir comment s'articuler.
Un plan d'urgence n'est pas un document qui pourrait prendre la poussière dans une armoire. C'est une base sur laquelle chacun développe, déploie. Et entre-temps, depuis l'écriture de ce plan d'urgence, il y a eu d'autres feux en Campines et dans les Fagnes en 2011, en 2023 à Eupen. Des formations ont eu lieu. Elles ont été réalisées en France, là où l'expertise était. Une doctrine a été déployée. Du matériel a été acquis, notamment des véhicules chenillés spécialisés, des citernes. On a même fait, en 2013, un exercice avec des Canadairs français qui venaient s'alimenter au lac d'Eupen pour tester l'opérationnalité d'une collaboration transfrontalière.
Je voudrais aussi m'inscrire en faux sur les personnes qui prétendent qu'il y aurait eu un manque de coordination. La phase provinciale, et avant elle la phase communale à Baelen, ont été déclenchées dans des délais extrêmement courts. Ces phases sont par nature la naissance de la coordination tant au niveau stratégique qu'opérationnel. Par ailleurs, l’appui fédéral n’a pas fait défaut. Il n’est pas nécessaire de déclencher une phase fédérale pour pouvoir bénéficier des moyens fédéraux. Dans certaines circonstances, changer de niveau de gestion d’un événement peut même ralentir la gestion sur le terrain.
Je voudrais également revenir sur un raccourci qui a été fait: celui qui consiste à dire que le recours à des moyens européens ou transfrontaliers démontrerait que la Belgique a été prise au dépourvu ou qu’elle serait devenue dépendante. Les Hautes Fagnes se situent dans une région transfrontalière. Au quotidien, les services allemands et néerlandais collaborent. Pourquoi en irait-il autrement en situation d’urgence? Quant à la flotte aérienne européenne, elle a précisément été mutualisée pour être déployée là où les besoins apparaissent. Y recourir n’est pas le signe d’un échec du système; c’est au contraire la raison d’être même de ce système.
J’en viens maintenant à quelques questions, que je vais regrouper afin de permettre au débat d’avancer.
Monsieur le ministre, concernant l’avenir de la Protection civile, l’incendie rappelle l’importance de disposer, au niveau fédéral, de capacités spécialisées et rapidement mobilisables. Nous avons déjà eu l’occasion d’en discuter ensemble. Disposez-vous aujourd’hui d’un plan concret pour mettre en œuvre l’accord de gouvernement qui prévoit un renforcement de la Protection civile, tant en personnel qu’en capacités opérationnelles et en moyens matériels?
Si tel est le cas, pourriez-vous nous indiquer à quel moment ce plan pourra être présenté?
Ma deuxième question dépasse quelque peu le cadre de la Protection civile et concerne plus largement la capacité à identifier rapidement les moyens opérationnels comme cela existe au niveau européen. Envisagez-vous de développer un outil permettant, en temps réel, d’identifier les moyens immédiatement mobilisables, qu’il s’agisse des services d’incendie, des zones de secours ou de la Protection civile, afin d’orchestrer plus efficacement la montée en puissance des dispositifs?
J’ai une question concernant les zones de secours. Un grand nombre de zones de secours ont été mobilisées. Estimez-vous qu'une coordination supralocale des zones de secours serait nécessaire? À quel niveau? Au niveau national? Au niveau régional? Ici, il s’agit de mécanismes de solidarité, de bonne volonté et d'engagement, de soutien des unes envers les autres. Estimez-vous qu'un organe de coordination supérieur devrait être mis en place?
Ma dernière question porte sur l'afflux d'aide spontanée. Nous avons vu les agriculteurs – c'est très visible – qui se sont proposés, déployés; ils ont été actifs sur le terrain. Mais d'autres personnes, organismes, particuliers se sont mobilisés et ont proposé leur aide. À un moment, sur les réseaux sociaux, nous avons vu, quelque part: "Stop, on apprécie énormément cette solidarité, mais l’afflux est trop important, et on a réponse aux besoins."
Nous avons déjà été confrontés à cette problématique de la gestion de l'aide et de l'afflux de dons lors des inondations de 2021. Envisagez-vous de créer ou de réfléchir à un dispositif qui pourrait à tout moment être activé pour gérer les aides?
01.09 Éric Thiébaut (PS): Merci au ministre pour son exposé très détaillé et très éclairant. Je crois tout d'abord qu'il faut vraiment féliciter tous les acteurs de terrain, à tous les niveaux: les politiques, les pompiers, les policiers, les agents de la Protection civile, les militaires aussi, les agriculteurs, les services communaux certainement, et tous les gens qui bénévolement se sont présentés pour donner un coup de main.
Monsieur le ministre, j'étais déjà inquiet depuis un bon moment au sujet de cette problématique. En effet, il y a pratiquement un mois, je vous ai interpellé en séance plénière sur les risques de feux de forêt. Je ne vous rappelle pas cela pour vous mettre en cause, parce que je pense que vous avez fait ce qu'il fallait. En un mois, de toute façon, il n'y avait pas moyen de faire beaucoup mieux. En attendant c'est vrai que 3000 hectares de fagne sont partis en fumée. C'est un drame humain et environnemental sans précédent dans notre pays.
Comme à d'autres occasions, nous allons ici faire une évaluation, des constats et un retour d'expérience, et je suis persuadé que ce que l'on va constater, c'est que les services ont très bien fonctionné, que tout le monde a fait son travail correctement et avec beaucoup de professionnalisme. Mais ce que l'on va constater aussi, c'est que le vrai problème est un manque de moyens et une dégradation de la qualité des services de secours, qui a commencé avec la réforme de la Protection civile. Je le rappelle ici souvent: avec le ministre Jambon sous le premier ministre Charles Michel, on a décapité la protection civile. Il y avait 400 agents de terrain à l'époque, aujourd'hui il ne sont plus qu'environ 200. Il y avait six casernes qui couvraient le territoire; il n'y en a plus que deux. C'est un constat, et ce n'est pas la première fois que nous le posons.
Souvenez-vous, en 2021, nous avons connu les inondations les plus dramatiques de l'histoire de notre pays avec 39 morts. Il y a eu des commissions. Du travail a été fait notamment à la Région wallonne. On a reçu ici en audition les acteurs de terrain, et on a finalement conclu toute une série de choses. On a vu qu'il y avait un manque de moyens. L'évaluation était faite, mais concrètement, rien n'a été fait pour améliorer la situation.
C’est cela que je déplore un peu. J'espère vraiment que quand on aura terminé ce travail d'évaluation par rapport à la crise que nous venons de vivre, on ne sera pas à nouveau simplement bloqués dans le stade de l'évaluation et qu'il y aura des actions concrètes, notamment par rapport à la Protection civile. Je vous le dis depuis déjà longtemps.
Si l’on reprend l'exemple des inondations, on avait constaté que les moyens d'action au niveau des bateaux n'étaient pas adaptés. Les bateaux de la Protection civile disponibles n'étaient pas assez maniables pour aller rechercher les gens qui étaient coincés par la montée des eaux. Depuis, la situation ne s'est pas améliorée. En pratique, on est toujours dans la même situation qu'avant les inondations, alors qu'il y a toute une série de constats qui ont été faits.
Par rapport aux moyens, vous rappelez les moyens que vous avez mis en œuvre pour augmenter le financement des zones de secours. Ce n'est pas mal, mais quand vous parlez de 30 millions d'euros et que l'on sait que pour la Défense, il y a un investissement de 34 milliards d'euros, il y a quand même un souci par rapport à la proportion entre ce qu'on va investir en Défense et ce qu'on investit pour la sécurité civile dans notre pays.
Aujourd'hui, nous avons un budget pour l'ensemble de la Protection civile – Protection civile ainsi que pompiers, tout compris – de 1,16 milliard d'euros globalement. On doit constater aussi, la presse l'a relevé, qu’on a une diminution du nombre de pompiers depuis 2023. C'est quand même un constat assez dramatique. La Protection civile, je l'ai dit, n'arrête pas de se dégrader. D'ailleurs, son patron a déjà fait quelques sorties médiatiques ces derniers jours pour vous appeler à prendre des mesures pour rétablir un certain équilibre par rapport au nombre du personnel et sans doute, un redéploiement. Concrètement, je pense qu'il est temps de prendre des mesures concrètes, donner les moyens suffisants aux zones de secours, redéployer la Protection civile et aussi certainement envisager une meilleure collaboration avec la Défense. Vous avez parlé de la Défense, mais vous n'avez pas cité le nom de votre ministre de la Défense.
Je pense qu'au niveau des zones de secours, on a fait des investissements. Dans ma zone de secours, on a acheté un camion spécialisé dans la lutte contre les feux de forêt et les zones voisines l'ont fait également. Je pense que dès qu'il y aura un problème de feux de forêt, les moyens se coordonneront pour pouvoir lutter contre les flammes.
Je donne souvent des petits conseils. Dans ce cas-ci, je pense que vous auriez intérêt à demander, par voie de circulaire, à toutes les zones de secours d'élaborer un plan d'intervention spécifique pour les zones boisées comprises sur leur territoire.
Par ailleurs, vous promettez depuis un certain temps déjà votre intention de présenter un plan de redéploiement de la Protection civile. Une nouvelle catastrophe est survenue et nous avons une nouvelle fois constaté qu'il manquait des moyens sur le terrain. Il est vraiment temps que vous présentiez ce plan et que vous prévoyiez des moyens supplémentaires, monsieur le ministre.
01.10 Pierre-Yves Dermagne (PS): Je vous remercie, monsieur le ministre.
Vous avez débuté votre intervention en rappelant un adage anglais, souvent attribué à tort à Winston Churchill: "Never let a good crisis go to waste." Effectivement, c'est important. Nous devons tenir compte des crises que nous traversons et en tirer les leçons. C'est d'ailleurs ce qu'a fait le gouvernement précédent, dont vous faisiez partie, en mettant en place le Centre d'analyse des risques liés au changement climatique (CERAC), quelques mois après les terribles inondations de juillet 2021.
À la lecture du site public du CERAC – un service qui dépend donc du gouvernement –, plusieurs constats apparaissent de manière éclairante.
Je citerai très brièvement l'un d'entre eux: "Longtemps abordés uniquement sous le prisme environnemental, les effets du changement climatique sont désormais amenés à affecter la sécurité publique et doivent être reconnus par les autorités. Feux de forêt, pénuries d'eau, perturbations des infrastructures critiques, tensions budgétaires dues aux catastrophes naturelles: ces risques sont appelés à s'intensifier à moyen terme et pourraient compromettre des services essentiels, tels que les interventions d'urgence, les communications et l'accès aux soins. Ces risques pourraient donc se transformer en crises sécuritaires. La Belgique reconnaît ces risques climatiques et environnementaux comme des menaces pour sa sécurité nationale, mais leur prise en compte dans les dispositifs opérationnels de sécurité reste largement insuffisante. L'une des causes de ce manque réside dans une gouvernance fragmentée – comme vous l'avez indiqué – où les responsabilités sont réparties entre différents niveaux de pouvoir, sans coordination suffisamment structurée. Les mécanismes de prévention, de préparation et de réponse aux crises demeurent cloisonnés, freinant l'émergence d'une approche globale des risques. Cette organisation montre ses limites face à la gestion et à l'anticipation de crises complexes et interconnectées, caractéristiques du dérèglement climatique."
Je cite le site internet de l’un des services du gouvernement et je pense que ces propos, ces écrits, sont aujourd’hui particulièrement éclairants. La seule différence, finalement, c’est que nous ne pouvons plus parler de moyen terme ni nous exprimer au conditionnel. Nous sommes désormais confrontés au cœur du problème et aux difficultés qu’il engendre, comme nous l’avons constaté ces derniers jours et comme nous continuons à le constater aujourd’hui. Je m’associe bien entendu aux remerciements adressés à l’ensemble des professionnels, qu’ils soient pompiers, militaires, membres de la Protection civile, responsables politiques ou "simples citoyens". Tous ont fait preuve d’un dévouement et d'un travail acharné sur le terrain.
Malheureusement, c’est l’un des maux de notre pays: trop souvent, nous commandons des rapports, nous réalisons des évaluations et nous formulons toute une série de recommandations et, trop fréquemment, malheureusement, nous peinons ensuite à les mettre en œuvre ou nous tardons à le faire. Je pense qu’il y a là un véritable enjeu et une responsabilité collective, tant pour la majorité que pour l’opposition – en démocratie, c'est changeant, et on peut passer très rapidement parfois de l’un à l’autre car les rôles évoluent, fort heureusement. Nous avons donc une responsabilité collective dans la prise en compte de ces risques, dans la mise en œuvre de mesures d’anticipation et de gestion de risque, mais aussi, bien entendu, dans la lutte contre les causes de ces dérèglements climatiques. Je ne doute pas que nous aurons encore l’occasion d’y revenir dans les prochaines semaines.
Je citerai pour ma part un autre adage anglais, attribué cette fois au père de Winston Churchill, Randolph: "The duty of an Opposition is to oppose". Le rôle de l’opposition est donc de s’opposer. Pas bêtement, ni systématiquement, bien sûr. Vous avez d’ailleurs rappelé que nous avions soutenu votre projet de loi mettant en œuvre l’une des revendications historiques de notre collègue M. Thiébaut, à savoir la prise en compte de l’indexation dans la loi des dotations aux zones de secours. Nous sommes donc capables de reconnaître, depuis les bancs de l’opposition, lorsqu’un ministre prend une bonne initiative. Mais nous devons aussi pouvoir confronter et analyser les choix politiques et budgétaires qui sont les vôtres à l’aune des rapports et recommandations existants, notamment ceux formulés par le Centre d'analyse des risques du changement climatique, dont la pertinence apparaît aujourd’hui avec une acuité particulière.
C’est le travail que nous devrons mener dans les prochains jours et dans les prochaines semaines. Nous devrons, je pense, le faire collectivement. Vous avez d’ailleurs vous-même évoqué la difficulté, en Belgique, liée à la répartition des compétences, tant au sein du gouvernement qu’entre les différents niveaux de pouvoir, lorsqu’il s’agit d’anticipation et surtout de gestion de crise. C’est la raison pour laquelle, afin de répondre notamment à la frustration exprimée tout à l’heure par notre collègue Van Lysebettens, j’ai demandé au président que le ministre Crucke soit invité à transmettre aux parlementaires l’ensemble des réponses qu’il a reçues après avoir communiqué le rapport du CERAC. Je pense en effet que nous devons nous atteler sérieusement à ce travail. Vous avez déjà pris une première initiative en chargeant le Centre de crise National de travailler spécifiquement sur la prise en compte et la gestion des feux de végétation, des feux de forêt, etc.
Mais je pense que nous devons justement éviter le cloisonnement. Nous devons décloisonner, parce que c'est une question qui dépend du ministre de l'Intérieur et du ministre de la Défense. Nous sommes quand même à un moment important, à un moment charnière.
Nous allons – puisque ce gouvernement l’a décidé – investir des milliards d'euros dans la Défense. Ces milliards d'euros ne peuvent pas uniquement servir à l'achat de F-35. Je le dis très platement ici. Je me fiche qu'on parle d'hélicoptères Chinook versus d'autres. Si les pompiers, si les gens de terrain nous disent que ce sont ces hélicoptères-là qui sont nécessaires, très bien, faisons-le, mais travaillons de manière décloisonnée.
Les moyens qui seront investis demain dans la Défense doivent aussi servir au soutien à la population belge, à la sécurité civile, à l'ordre public. On sait que les normes OTAN permettent justement de tenir compte de cela. Nous devons poser aujourd'hui les bons choix. Nous devons prendre les bonnes décisions. Le moment est historique, parce que jamais, je pense – et je l'espère – nous ne dépenserons autant d'argent en investissements de défense.
Nous devons donc le faire de manière stratégique, d'abord effectivement en collaboration avec nos alliés européens, mais aussi de sorte que les moyens de la Défense puissent servir, au quotidien, lorsqu'on doit gérer des crises, lorsqu'on doit venir en soutien de la population; qu’ils puissent servir à la sécurité publique, à la sécurité civile. C'est vraiment une réflexion décloisonnée que nous devons mener.
Cela a été dit tout à l'heure par Mme Delcourt: nous allons effectivement faire un débriefing de la gestion de cette crise particulière. Vous l'avez dit: tout n'a pas été parfait, et c'est normal. Jamais tout n’est parfait dans une gestion de crise. Il y a toujours des petits couacs. Il y a toujours des frictions. Il y a toujours des pertes d'information, des difficultés de communication. Nous devons tout faire pour les réduire à leur portion congrue, et faire en sorte que tout fonctionne.
Il faut quand même reconnaître ici que, dans notre malchance, on a joué de chance. Les moyens européens ont pu être déployés. Les incendies dans la forêt d'Anlier et à Wellin ont été maîtrisés relativement rapidement et ne se sont pas étendus. Que se serait-il passé si nous avions été confrontés à un deuxième front?
C'est à cela, malheureusement, que les années à venir risquent de nous confronter. Nous devons envisager la gestion de cette crise de manière totalement différente, décloisonnée, comme le CERAC y appelle, comme vous l'avez vous-même dit dans votre intervention tout à l'heure. C'est la raison pour laquelle je pense que nous devrons élargir le scope de notre travail, y compris au-delà de notre commission de l’Intérieur. Nous avons évoqué tout à l'heure la présence, ou plutôt l'absence, du ministre Crucke. Il faudra aussi avoir des échanges avec le ministre de la Défense, ainsi qu’avec la ministre de la Justice.
J'ai entendu un commandant de zone, qui a été formé en France à la détection des causes criminelles des incendies de forêt, dire que, finalement, chez nous, nous n’avons pas ce dispositif avec quelqu'un du parquet ou de l'instruction, quelqu'un de la police judiciaire et quelqu'un du DNF, en plus des pompiers.
Donc, tous les maillons de la chaîne vont devoir être mobilisés, ici au niveau du fédéral, mais aussi au niveau régional. On doit donc, et je plaide pour que l'on puisse le faire, sortir de ce cloisonnement. J'appelle cela de tous mes vœux. Pour moi, cela passe, dans un premier temps, par la mise en place d'une commission spéciale, pas pour pointer des responsabilités, mais pour voir comment faire mieux, comment mieux anticiper, comment mieux gérer les crises.
Il n'y a qu'une seule chose qui soit certaine, dans l'incertitude actuelle, c'est que ces événements vont s'intensifier, se répéter et devenir de plus en plus fréquents. On ne pourra donc pas dire qu'on ne savait pas. On ne pourra pas dire que nous n'avions pas reçu de recommandations. On ne pourra pas dire que les gens de terrain n'avaient pas averti. Donc il est de notre responsabilité – d'abord de celles et ceux qui sont aux commandes aujourd'hui –, mais aussi de la responsabilité des parlementaires que nous sommes, que nous soyons dans la majorité ou dans l'opposition, de travailler sur la mise en œuvre de ces recommandations, de décloisonner au maximum l'anticipation et la gestion de ces crises, de prendre des décisions et de poser des choix qui soient cohérents avec ces rapports et avec ces recommandations.
C'est la raison pour laquelle, nous appelons de tous nos vœux, depuis les bancs de l'opposition et ceux du groupe socialiste, à la mise en place d'une commission spéciale le plus rapidement possible. Je le répète, ce n'est pas pour pointer des responsabilités, ce n'est pas notre rôle, et ce n'est pas mon envie non plus. Vous avez d'ailleurs entendu dans la bouche de mon collègue Thiébaut la reconnaissance du travail qui a été fourni, et en particulier par vous. Mais on doit effectivement faire en sorte que ces rapports et ces recommandations ne restent pas lettre morte. Il en va de notre responsabilité politique à chacune et à chacun d'entre nous. Merci.
De voorzitter: Dit is een goede gelegenheid om de commissie vijf minuutjes te schorsen voor een sanitaire stop.
De openbare commissievergadering wordt geschorst van 16.02 uur tot 16.11 uur.
La réunion publique de commission est suspendue de 16 h 02 à 16 h 11.
Het woord is aan mevrouw Merckx voor de PVDA-PTB-fractie.
01.11 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Chers collègues, je tiens à remercier l'ensemble des services de secours: les pompiers, la protection civile, les agriculteurs, les agents communaux, les agents provinciaux, les militaires, les policiers ainsi que les services de secours des pays voisins venus en renfort pour lutter contre l'incendie dans les Fagnes. Cela a montré, une fois de plus, que cette solidarité incroyable est capable de déplacer des montagnes.
Mais aujourd’hui, même si le feu est désormais encerclé, la lutte contre l’incendie est loin d’être terminée. Elle se poursuivra encore pendant des semaines, voire des mois. Il sera donc essentiel d'apporter le soutien nécessaire aux services de secours dans les semaines à venir.
Fin juin, la Belgique a connu une période de canicule, qui a entraîné plus de 2 000 décès. Ensuite, il y a eu les feux de forêt en France. Monsieur le ministre, je vous remercie pour la chronologie que vous avez retracée. Néanmoins, le ministère de l'Intérieur a-t-il pris conscience du risque de feux de forêt à la fin du mois de juin et au début du mois de juillet? Des réunions ont-elles été organisées? Une anticipation a-t-elle été mise en place et, le cas échéant, quelles mesures ont été prises? Sur ce point, je n'ai pas obtenu de réponse.
Nous savions pourtant que les feux de forêt constituaient un risque. J'en veux pour preuve la publication, le 25 juin, d'un visuel sur la page Facebook du Centre de crise National invitant les citoyens à être attentifs au risque de feux de forêt. À ce moment-là, le risque était donc connu. Dès-lors, des réunions ont-elles été organisées ou des mesures préventives ont-elles été prises avant le drame qui a débuté le 13 août?
Monsieur le ministre, un élément a particulièrement retenu mon attention dans la chronologie que vous avez présentée. Vous indiquez que le vendredi 14 aout à 13 h 06, les premiers pompiers étaient sur place. Vous précisez également qu'à 14 h, un premier hélicoptère de la police était opérationnel pour effectuer des largages d'eau. Pouvez-vous m'indiquer si cet hélicoptère effectuait déjà des largages à ce moment-là?
Ce qui me frappe également, c'est que vous expliquez qu'aux alentours de 19 h, le même jour, le mécanisme européen d'assistance a été activé. Une demande d'aide a donc été adressée à l'Europe dès le vendredi soir, notamment pour obtenir un soutien aérien. L'espace aérien a, par ailleurs, été fermé. Or, si je vous ai bien entendu, ce n'est que le lendemain – le samedi donc – à 17 h 25 que le premier hélicoptère néerlandais est devenu opérationnel, soit plus de 24 heures après le début de l'incendie.
C'est, à mes yeux, une question importante à laquelle nous souhaiterions obtenir une réponse. Même si, comme vous l'avez rappelé, la lutte contre l'incendie se mène avant tout au sol, l'appui aérien constitue une aide précieuse. Comment expliquez-vous que ce soutien soit arrivé plus de 24 heures après le début de l'incendie alors que l'hélicoptère de la police dont nous disposions était, selon vos propres explications, opérationnel dès 14 h?
Or, l'hélicoptère dont nous disposons, celui de la police comme vous l'indiquez, n'était opérationnel qu'à 14 h. Je pense que c'est la deuxième question qui se pose: comment expliquer un délai aussi long? Lorsque le feu commence à se développer, il faut agir rapidement. Chaque minute compte, c'est ce que nous savons tous.
Ce délai me paraît malgré tout très important et j'aimerais obtenir des explications à ce sujet. Par ailleurs, si nous avions disposé nous-mêmes de moyens aériens plus puissants, aurions-nous pu intervenir plus rapidement ou non?
Monsieur le ministre, je dois tout de même vous dire que j’ai été assez étonnée de vous entendre affirmer que nous étions prêts et que tout ce qu’il fallait avait été mis en place. Pourtant, sur le terrain, de nombreuses voix ont exprimé de sérieuses inquiétudes. Déjà en 2022, les pompiers alertaient sur le fait que nous n’étions pas suffisamment préparés aux feux de forêt.
Vous avez également indiqué vouloir investir dans la protection civile, mais vous avez passé sous silence la fermeture de quatre des six casernes de la protection civile. Vous ne l’avez pas évoqué.
Votre formation politique était au pouvoir et vous la représentez. Et le Mouvement réformateur a décidé de fermer quatre des six casernes. Aujourd'hui, on veut savoir: déplorez-vous ces choix? C’est la question que nombre de citoyens et d'acteurs de première ligne se posent sur le terrain.
Par ailleurs, les effectifs de la protection civile sont passés d’environ 420 personnes à près de la moitié. Dans le même temps, nos services d’incendie comptent aujourd’hui moins de 17 000 pompiers?
Pouvez-vous réellement affirmer aujourd’hui que des investissements suffisants ont été réalisés dans ce domaine au cours de ces dernières années? Au contraire, ce qui nous revient du terrain fait état de manques importants, tant sur le plan du matériel que des ressources humaines. Avez-vous répondu à ces besoins ou avez-vous, au contraire, procédé à des économies?
Si je vous interpelle directement sur cette question, c’est parce que j’estime qu’en votre qualité de ministre, vous devez aussi vous exprimer quant aux choix qui ont été posés par les majorités auxquelles votre formation politique a participé. La protection civile elle-même a encore récemment souligné des insuffisances, notamment le manque de citernes d’eau et de pompes destinées à faire face aux inondations.
Trois rapports ont alerté sur la situation et ils pointent le manque de préparation de la Belgique justement. Celui de le CERAC pointe notamment le manque au niveau du matériel humain, au niveau de la coordination de la collecte des données et au niveau des systèmes d’alerte.
Effectivement, vous dites que vous avez fait des achats, mais quels sont-ils précisément? Pouvez-vous nous les envoyer par écrit, par exemple? Pouvez-vous nous les détailler? En tout cas, il n'y a pas eu d'achat pour le soutien aérien, cela, c'est sûr.
Aujourd’hui, la Belgique dispose-t-elle d’un plan national de lutte contre les feux de forêt, comme le recommande le CERAC? Je ne le pense pas. Vous nous parlez d’un futur plan de résilience. Très bien. Mais si la lutte contre les feux de forêt doit être intégrée à ce plan et que vous annoncez sa mise en place, cela signifie qu’à l’heure actuelle, nous ne disposons pas encore d’un tel dispositif. Pourquoi est-ce le cas?
En ce qui concerne l’aide et les investissements dans les moyens aériens, une question vous avait déjà été posée en commission en avril 2025. À l’époque, vous aviez répondu à une question orale en déclarant que “le risque de feux de forêt n’est certainement pas négligeable, mais il ne justifie pas à lui seul de capter tant de moyens budgétaires”. Si les achats n’ont pas été réalisés et si les investissements nécessaires n’ont pas été consentis en matière de prévention, de matériel ou de moyens humains, ce n’est donc pas parce que nous ignorions le risque. C’est parce qu’un choix budgétaire a été posé. Ou alors, démontrez-moi le contraire! Démontrez-moi qu’aujourd’hui, vous êtes prêt à dégager les moyens nécessaires pour répondre aux recommandations très précises qui ont été formulées.
Au mois de mars de cette année, un rapport pointait les défaillances de la Belgique en matière de prévention et de gestion des feux de forêt. Ce rapport soulignait également que, malgré l’aggravation du changement climatique, des investissements adéquats permettraient de mieux combattre ces incendies. Aujourd’hui, on évoque des contraintes techniques pour justifier l’absence d’investissements, notamment dans les moyens aériens. Il s’agissait avant tout d’une décision politique.
J’ai donc envie de poser une question simple: si nous n’avons pas investi pour des raisons budgétaires, combien cette situation nous coûte-t-elle aujourd’hui? Quel est le coût de ce qui se passe actuellement dans les Fagnes? Quel est le coût de la destruction d’espaces naturels qui ont nécessité parfois 50 ans d’efforts de préservation et qui ont été balayés en six jours? Quel est le coût des atteintes à la biodiversité, de la pollution de l’eau, de l’épuisement des pompiers, dont certains ont peut-être été intoxiqués lors des opérations? Quel est le coût de la baisse de l’activité touristique dans la région ou encore des conséquences sanitaires pour la population?
Aujourd’hui, nous avons le sentiment d’être face à une contradiction. D’un côté, on nous explique que les moyens manquent, même si vous avez laissé entendre qu’ils pourraient être dégagés à l’avenir, ce que nous espérons. De l’autre, des milliards sont mobilisés pour les dépenses militaires. M. Francken affirme, aujourd’hui, qu’il faut accélérer les investissements dans les hélicoptères militaires. Mais ce dont nous avons besoin, ce sont des moyens pour la protection civile et pour nos services de secours. Nous n’avons pas besoin d’un plan militaire contre les incendies. Nous avons besoin d’un plan civil.
Lorsque l’incendie est exceptionnel et que la situation devient particulièrement dramatique, la Défense peut venir en appui. Mais c'est le monde à l'envers quand on constate qu'on utilise du matériel militaire pour répondre à des catastrophes naturelles liées aux changements climatiques, alors même que ces événements risquent de devenir de plus en plus fréquents.
De voorzitter: De afspraak was tien minuten per fractie, maar ik geef mevrouw Eggermont graag het woord in een tweede ronde. Ik wil eerst de andere fracties aan de beurt laten, daarna krijgt zij het woord.
01.12 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le président, je vais être très attentif au temps. Merci pour ce rappel.
Monsieur le ministre, merci pour votre rapport très détaillé. Je me joins bien entendu à vos pensées, ainsi qu’à celles des collègues, concernant toutes les personnes qui ont participé à la lutte contre cette catastrophe naturelle. Les pompiers, bien sûr, les policiers, les militaires qui sont intervenus aussi, la protection civile, mais aussi tous les bénévoles. Je pense aussi aux agriculteurs, aux entreprises qui ont prêté du matériel, etc. Il faut souligner cette participation collective à la lutte contre cette catastrophe importante.
Comme le collègue M. Thiébaut l'a rappelé, il y a un mois, je vous ai aussi interpellé en séance plénière sur la question des feux de forêt. Nous évoquions à l'époque le cas de la forêt de Fontainebleau, près de Paris. J’avais basé mon intervention sur un rapport du CERAC, qui mettait en avant l'augmentation du risque chez nous également, mais qui évoquait plutôt, pour ce type d'incendie, un horizon temporel de 5 à 10 ans.
Il n'a malheureusement pas fallu attendre 5 à 10 ans. Cela montre bien que les efforts qui ont déjà été réalisés doivent être renforcés. Ils doivent être accélérés, de sorte que nous soyons prêts pour d'autres nouvelles crises, puisqu'il y en aura. Le réchauffement climatique est là; nous savons, bien entendu, qu'il y aura d'autres événements à gérer à l'avenir sur l'ensemble de notre territoire.
Sur le déroulement des faits, je tiens à vous remercier, parce que le rapport était extrêmement détaillé, tant sur la ligne du temps que sur tous les moyens engagés. Nous prendrons bien sûr le temps de relire en détail tout ce que vous nous avez fourni. Il serait compliqué d'intervenir ici de manière très précise là-dessus.
Comme cela a été dit, nous faisons aujourd'hui un premier tour. L'utilité de cette audition est qu’elle apporte toute une série d'éléments sur le déroulement des faits. Il faudra surtout faire le bilan avec les acteurs qui ont géré cette crise, mais nous n’allons pas le faire maintenant, puisqu'ils sont toujours dans la gestion de crise. Il faut aussi laisser le temps à ces personnes de venir faire le point, lorsque cela sera nécessaire. J'entends certains qui proposent des commissions spéciales. Là aussi, faisons d'abord l'évaluation et voyons ensuite comment avancer avec tous ces éléments.
Sur la gestion de crise et sur la planification d'urgence, il faut quand même rappeler qu’un gros travail a été réalisé en 2021 à la suite des inondations malheureusement meurtrières – près de 39 personnes ont perdu la vie. Tout un travail sur la gestion de crise avait été organisé, qui a abouti à un livre blanc. Je pense que ce livre blanc est vraiment le cadre de référence par rapport auquel nous devons réagir et analyser la crise que nous venons de vivre ici.
Vous avez évoqué tout le déroulement de la gestion de crise et de la planification d'urgence. Vous avez expliqué – c'était une de nos questions – pourquoi la phase fédérale n'a pas été enclenchée. J'entends votre explication, et je la soutiens. Je pense qu'il n’est effectivement pas nécessaire d'enclencher la phase fédérale. Les autorités fédérales étaient présentes tout au long de la gestion de crise. Des moyens fédéraux ont été mobilisés. Des moyens étrangers ont été mobilisés. On peut se poser des questions sur le timing, etc. Mais en tout cas, le fédéral était bien présent. Je pense qu'il faut le dire.
Mais il serait intéressant de voir dans quelle mesure le Centre de crise National devrait réaliser l'évaluation globale de ces crises. Qui sera responsable de cette évaluation? Nous l'évoquons. Mais pour nous, le Centre de crise National devra avoir son rôle à jouer et devra aussi permettre d'impliquer les experts du CERAC dans le cadre particulier de ces types de catastrophes, pour pouvoir évaluer correctement, et faire les recommandations nécessaires et pouvoir améliorer notre approche en la matière.
Au cœur de la crise se trouvent nos pompiers. On a parlé, bien sûr, des zones de secours, on a parlé de plus de 500 pompiers mobilisés. Toute la question, est de pouvoir mobiliser, lorsque c'est nécessaire, les effectifs en quantité, mais aussi en qualité, c'est-à-dire bien formés, et bien équipés. Pour cela, les pompiers doivent être suffisamment présents et aussi bénéficier d'un financement stable. Dans ce cadre, je pense que certains collègues l'ont dit aussi, on constate malheureusement une diminution globale du nombre de pompiers par rapport à la situation d'il y a quelques années.
La question est double. Comment faire en sorte que le métier de pompier soit beaucoup plus attractif? Tout un travail est à faire sur le statut de pompier. On vous a déjà interrogé sur la question. Quand viendrez-vous avec une réforme globale du statut de pompier pour faire en sorte qu'on ait une attractivité importante, tant pour les pompiers professionnels que pour les pompiers volontaires?
La deuxième question est la question du financement des zones de secours. Des moyens complémentaires ont été prévus au budget en 2026, tant à Bruxelles que dans les autres zones. On parle de 17 millions d'euros. Il faut le souligner, on a enfin voté l'indexation automatique des dotations fédérales vers les zones de secours. Mais quand on fait le compte, on est encore très loin de l'équilibre 50-50 entre le financement fédéral et le financement des autorités locales. En Wallonie, quand on regarde les derniers chiffres qu'on a pu obtenir, on est à même pas 30% de financement fédéral, et 70 % de financement local.
On a déjà eu l'occasion de le mettre en avant, mais il est nécessaire, et il est plus que temps, qu'au niveau fédéral, on augmente les moyens, davantage que ce qui a déjà été fait, pour faire en sorte de pouvoir soutenir nos zones de secours.
Vous avez évoqué le fait que près de deux tiers des zones de secours ont participé à cette gestion de crise. Il est important d'assurer le financement de toutes les zones de secours. Les risques sont différents dans chaque territoire mais, finalement, elles participent toutes à la gestion des risques et des crises de grande ampleur. Donc, ma question ici concerne quelque chose qui est prévu, d'ailleurs, dans l'accord du gouvernement: quand vous présenterez-vous avec cette trajectoire qui permettra d'augmenter la part du fédéral dans le financement des zones de secours? C'est primordial. Les autorités locales font leur travail, mettent à disposition les moyens et les équipements. Le fédéral doit dès lors jouer son rôle également.
Plusieurs collègues ont parlé de la Protection civile. Il est clair que la réforme de 2017 a fortement réduit ses moyens, tant en termes de casernes – le nombre de casernes a été diminué à deux –, qu'en termes d'effectifs – le nombre d'agents de la Protection civile a été quasiment réduit de moitié. Nous constatons également un vieillissement des effectifs. Par ailleurs, certaines missions spécialisées se développent, ce qui est une bonne chose.
Nous vous avons déjà interpellé sur cette question et, il y a environ un mois, vous avez indiqué disposer d'un plan qui devrait nous être présenté, si j'ai bon souvenir, au mois de septembre. Je vous demande de confirmer ce calendrier, puisqu'il est désormais primordial d'avancer avec des actions et des mesures très concrètes en la matière.
En ce qui concerne la protection civile, l'une des questions qui se posent est de savoir si nous ne devrions pas nous inspirer du modèle français. Nous constatons en effet que la protection civile y travaille de manière beaucoup plus étroite avec la Défense et qu'elle y est même, dans une certaine mesure, davantage intégrée.
N'est-ce pas un modèle que nous devrions développer, qui permettrait sans doute de bénéficier de la capacité logistique de la Défense, laquelle dispose désormais de moyens beaucoup plus importants, mais aussi, peut-être, d'intégrer les investissements nécessaires en matière de protection civile dans la norme de l'OTAN évoquée par certains? Je pense qu'il est important de pouvoir saisir cette opportunité.
S'agissant de la Défense, d'autres collègues ont souligné l'intervention du ministre Francken que nous avons entendu et qui a évoqué un plan d'action militaire contre les incendies. Avez-vous été contacté par le ministre à ce sujet? En connaissez-vous déjà certains éléments? Que souhaite-t-il mettre en place? En collaboration avec quels partenaires? Quelle serait la chaîne de commandement dans le cadre d'un plan militaire de lutte contre les incendies? Ce sont autant de questions importantes pour comprendre comment gérer, à l'avenir, les différents moyens qui pourraient être mobilisés en la matière.
Comme vous l'avez dit, la communication fait partie des recommandations fortes du Livre blanc. Il convient d'améliorer la communication, tant pendant la gestion de la crise qu'après celle-ci, bien entendu. Vous avez indiqué que le système BE-Alert avait fonctionné. Il serait nécessaire, dans le cadre de l'évaluation globale de la crise, d'accorder une attention particulière à la communication, puisque nous avons entendu toute une série de remarques faisant état de différences dans la gestion de l'information selon certaines communes ou certaines régions. Il est important de disposer d'une évaluation complète à cet égard.
J'aimerais encore aborder deux derniers points. De nombreux collègues ont également évoqué la capacité héliportée de la sécurité civile. Sauf erreur de ma part, nous sommes l'un des seuls pays, en tout cas parmi ceux qui nous entourent, à ne pas disposer d'une capacité héliportée propre à la sécurité civile. Comme vous l'avez rappelé, nous disposons bien entendu des hélicoptères de la police fédérale. Ceux-ci sont intervenus à juste titre.
On a pu bénéficier de l'aide des pays étrangers, mais comme on l'a dit et vous l'avez rappelé, les pays étrangers viennent nous aider pour autant que cela ne mette pas à mal leur propre capacité à gérer leur situation. Il faut donc trouver le juste milieu. On ne peut pas se dire qu'on va équiper la Belgique de sept hélicoptères et deux avions qui sont actuellement mobilisés sur le terrain, mais il faut se poser la bonne question: ne serait-il quand même pas nécessaire d'avoir une capacité minimale héliportée au niveau de la Sécurité civile belge pour pouvoir faire face aux premières heures d'intervention? Il est absolument primordial de pouvoir intervenir très rapidement, en attendant bien entendu que les supports étrangers arrivent.
Enfin, dernière question en ce qui me concerne, c'est celle du Fonds de solidarité européen. Nous l'avons évoqué, nous demandions l'intervention du Fonds de solidarité européen pour la partie reconstruction. En effet, on l'a dit, c'est une catastrophe naturelle. C'est une catastrophe en termes écologiques. Il faudra donc que l'on puisse intervenir, mobiliser des moyens importants pour pouvoir réparer les dégâts de cette catastrophe majeure. On l'a fait lors des inondations de 2021. Plus de 80 millions d'euros ont pu être mobilisés au niveau européen pour la reconstruction. Nous donc devrons le faire. Plaiderez-vous également, comme nous le faisons, pour l'activation de ce Fonds de solidarité européen?
Pour terminer en ce qui me concerne, je pense que, dans ce type de crise, il faut à la fois faire preuve de responsabilité – je pense qu'ici tous les acteurs que nous avons pu évoquer l'ont fait –, mais aussi d'humilité. Je pense que vous l'avez fait aussi, puisque vous avez dit que tout n'a pas été parfait. Il sera donc nécessaire, sur la base de ce constat, de venir avec des améliorations nécessaires pour améliorer la gestion de la crise et limiter les risques à l'avenir.
Je laisse la parole, s'il y a encore du temps, à mon collègue Frank, mais j'ai peut-être été trop long.
Le président: Au deuxième tour.
Monsieur Weydts, la parole est à vous.
01.13 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, laat mij uiteraard ook om te beginnen mijn allergrootste waardering en respect uitspreken ten aanzien van de vele hulpdiensten die op dit moment nog steeds volop in de weer zijn om deze catastrofe te bestrijden. Het gaat over heel veel hulpdiensten en ook dat is mooi om te zien. Het gaat over brandweer, politie, Defensie en inderdaad ook over de lokale bevolking die helpt. Dat is een mooi teken van een goede samenwerking.
Het gaat ook over buitenlandse hulp. Voor alle duidelijkheid, en de minister heeft daar absoluut gelijk in, het feit dat buitenlandse diensten ons komen helpen, is geen falen van ons beleid. Dit is solidariteit in de praktijk. Dit is Europese solidariteit op het terrein. Hulde daarvoor! Dat zijn de enige woorden die in dat verband passen. Ik ben zeer blij om te zien dat we kunnen rekenen op onze Europese partners en dat onze Europese partners ook op ons kunnen rekenen. Ook onze Defensie was begin deze zomer ter plaatse in Frankrijk bij de hevige bosbranden die daar hebben gewoed. Dat is Europese solidariteit in de praktijk en absoluut geen falen.
Wat deze brand wel aantoont, collega's, is dat we misschien toch onvoldoende voorbereid zijn en dan vooral op het vlak van onze capaciteit. We moeten daar niet flauw over doen. We hebben te weinig zware bluscapaciteit en te weinig personeel. En hoe komt dat? Dat komt niet door ideologische discussies, mijnheer Bergers, over het al dan niet aankopen van Chinooks. Dat komt daar niet door. Dat komt doordat de Zweedse coalitie destijds zwaar heeft bespaard op de Civiele Bescherming.
Er is van zes kazernes naar twee kazernes gegaan. Rapporten daarover stellen heel duidelijk dat dat resulteert in minder personeel, minder capaciteit en langere aanrijtijden. Dat is de realiteit die u ook onder ogen moet durven te zien. Nog een reden waarom we misschien onvoldoende capaciteit hebben, dat we onvoldoende voorbereid zijn of beter voorbereid hadden kunnen zijn, is dat sommige partijen gewoon hun kop in het zand steken. Er zijn hier al ettelijke betogen gehouden waarin het woord klimaatverandering zelf niet voorkwam.
Sommige partijen steken hun kop in het zand en willen niet praten over de klimaatcrisis. Ze willen niet praten over wat er op ons afkomt. Ze willen voortdoen zoals we bezig zijn. Ze willen geen verandering. Dat is niet verstandig. Dat is overigens niet mijn persoonlijke standpunt. Als je spreekt met verschillende veiligheidsexperts – en in het kader van mijn defensie-expertise spreek ik heel vaak met generaals, ex-generaals en experts op het vlak van defensie – en je vraagt hun wat op dit moment de grootste bedreigingen voor ons land en onze maatschappij zijn, dan zijn zij het er unisono over eens dat Rusland en de klimaatcrisis op de eerste en tweede plaats staan. En ik heb het hier niet bepaald over linkiewinkies, hé.
De generaals zeggen heel duidelijk dat Rusland op de eerste plaats en de klimaatcrisis op de tweede de twee grootste bedreigingen zijn die op onze maatschappij afkomen. Dat zijn niet mijn woorden, dat is de mening van experts ter zake.
Er zijn zelfs partijen die verkiezen om de discussie te verleggen naar wie die brand heeft aangestoken en het zo snel mogelijk vinden van de dader. Als er een dader is, dan hoop ik uiteraard dat we die opsporen en zwaar straffen, maar dat is ook de kop in het zand steken. Als de droogte en de hitte niet zo extreem waren geweest, dan had die brand misschien ook niet zo snel kunnen uitbreiden. Er is hier dus wel degelijk een veel dieper liggend probleem.
Wat is dan wel de essentie? Dat wat er op dit moment overal in Europa aan het gebeuren is een verschrikkelijke ramp is. In Europa brandt het letterlijk overal. Dat zorgt voor een gigantische uitstoot van CO2 en voor een verwoesting van natuur, waarvan de experts zeggen dat het herstel misschien wel eeuwen zal vergen. Het gaat over een nooit eerder in ons land geziene ecologische catastrofe. Ook de heropbouw zal ons miljoenen kosten, dus niet investeren in goed materieel voor onder andere de Civiele Bescherming en Defensie kost ons op termijn veel meer, want al wat nu moet worden hersteld zal ook miljoenen kosten.
Collega's, ik wil ook naar de toekomst kijken. Mijn fractie wil naar de toekomst kijken. We willen proberen werken aan maatregelen die ervoor zorgen dat we dergelijke rampen kunnen voorkomen en ons beter kunnen beschermen. Ook dat is immers werken aan onze weerbaarheid. Zoals ik al heb gezegd, moeten we in eerste instantie investeren in onze civiele bescherming. In het regeerakkoord staat duidelijk dat we dat zullen doen en u hebt dat ook aangehaald in uw inleiding, mijnheer de minister. We juichen dat toe en hopen dat u daar snel werk van kunt maken.
In tweede instantie moeten we lessen trekken uit het verleden, uit de rampen die al hebben plaatsgevonden op ons grondgebied. Ik denk aan de overstromingen in de Vesdervallei, aan eerdere branden die hebben plaatsgevonden op de Hoge Venen en op de Kalmthoutse Heide. Er bestaan daarover rapporten met lessons learned, conclusies en aanbevelingen. Laat ons die aanbevelingen zo snel mogelijk implementeren en lessen trekken uit deze crisis. Mijnheer de minister, u hebt gelijk wanneer u zegt never waste a good crisis. Laat ons lessen trekken uit deze crisis en de zaken die minder goed zijn gegaan oplijsten, rapporteren, daaruit conclusies trekken en aanbevelingen formuleren voor de toekomst.
Collega's, het zal u niet verbazen dat ik het ook even over Defensie wil hebben. Hulp aan de natie is en blijft een zeer belangrijke taak voor Defensie en dat moet het altijd blijven. Ik wil de hele discussie over Defensie niet verengen tot het al dan niet aankopen van Chinooks. Het gaat veel verder dan dat.
Waarom is de taak van hulp aan de natie voor Defensie zo belangrijk en waarom kan die ook een voordeel zijn voor Defensie? Eerst en vooral is er, voor ons allemaal en voor onze begroting, die er al niet fantastisch uitziet, het aspect van dual use. Als iets door onze Defensie kan worden gebruikt in het kader van onze collectieve verdediging en als Defensie de reflex heeft om daarvoor bijkomende kits of bijkomende capaciteiten te bestellen, zoals Bambi Buckets, laten we dat dan ook doen. Er bestaat bijvoorbeeld een kit om het A400M-transportvliegtuig ook in te zetten bij hevige natuurbranden. Laat ons dat dus doen, dan hoeven we dat geld geen twee keer uit te geven. We moeten sowieso onze NAVO-verantwoordelijkheid nakomen in het kader van de collectieve verdediging. Laten we die middelen dan ook voor dual use inzetten en ter beschikking stellen in het kader van hulp aan de natie.
Defensie doet daarbij ook ervaring op. Als Defensie zich vandaag op het terrein begeeft en samenwerkt met verschillende overheden en diensten, levert dat ook praktijkervaring op. Die ervaring kan worden ingezet in het kader van de andere opdrachten van Defensie, maar laat ons hopen dat dat niet nodig is. Een zichtbare en hulpvaardige Defensie zorgt ervoor dat onze burgers meer vertrouwen hebben in onze krijgsmacht, als ze die effectief aan het werk zien. Defensie zal altijd klaarstaan, ongeacht welke gouverneur een vraag stelt. Defensie zal de middelen waarover ze beschikt altijd ter beschikking stellen.
Collega's, we mogen Defensie echter niet in de plaats van de civiele veiligheid zetten. De civiele veiligheid, de Civiele Bescherming en de brandweer, moet altijd de eerste prioriteit blijven. Defensie kan bijspringen als dat nodig is, als de middelen niet volstaan of als er een grotere capaciteit nodig is.
We mogen ons niet verschuilen achter het feit dat Defensie de komende jaren veel geld zal uitgeven in het kader van onze NAVO-opdracht en daaruit besluiten dat we op civiel vlak niets meer hoeven te doen. Dat is absoluut niet de bedoeling. Ook op civiel niveau zullen we moeten blijven investeren.
Die investeringen in materiaal gaan uiteraard ook over zware middelen. De hele discussie over de Chinook heeft zelfs nog niet plaatsgevonden binnen de regering. In de strategische visie staat heel duidelijk dat er zware transporthelikopters zullen worden aangekocht. Als dat moet worden versneld, dan kan die discussie in de federale regering worden gevoerd. Dan zullen we dat met open vizier bekijken. We stellen geen veto tegen de Chinook, maar mag het even dat we af en toe vragen stellen bij de aankoop van Amerikaans materiaal?
Mag het even, met een president als Trump aan het hoofd van de Amerikaanse administratie, die toch niet echt het toonbeeld is van een partner op wie we kunnen rekenen, van een partner die we kunnen vertrouwen? Mag het even, dat wij met Vooruit in de regering af en toe vragen of we niet té veel Amerikaans materiaal zouden aankopen?
Dat gebeurt niet, voor alle duidelijkheid, want ik heb die cijfers opgevraagd. Ik heb ze gevraagd aan de commissie voor Landsverdediging en aan de minister. 7 % van al onze defensie-uitgaven gaat naar de Verenigde Staten. 7 %. Ik denk dat dat nogal meevalt, maar ik vind het ook niet meer dan normaal dat we af en toe de vraag stellen of er geen Europees alternatief bestaat dat even goed is. Ik ben ook van het principe dat onze mensen op het terrein alleen het beste materiaal verdienen.
Kortom, mijnheer de minister, wend uw blik naar de toekomst. Wij wensen u heel veel succes met uw investeringsplannen in de Civiele Bescherming. Wij geloven ook in een sterke defensie die de natie helpt. Beste collega's, ook dat is werken aan onze weerbaarheid. Mijnheer de minister, het doet me heel veel plezier dat u dit hele gebeuren ook zult opnemen in het Nationaal Weerbaarheidsplan. Wij kijken daar met heel veel interesse naar uit.
Ik heb nog enkele concrete vragen ter afsluiting. Mijnheer de minister, bent u bereid, zoals aangekondigd in het regeerakkoord, om de Civiele Bescherming daadwerkelijk opnieuw uit te bouwen? Betekent dat ook een uitbreiding van het aantal operationele posten? Kan de minister een timing geven voor de uitvoering van de passage uit het regeerakkoord over de versterking van onze Civiele Bescherming?
Zullen er daarnaast ook lessen uit deze crisis worden getrokken? Zullen daar ook lessons learned-rapporten over worden gemaakt, zodat we hieruit kunnen leren en we ons in de toekomst nog beter kunnen voorbereiden?
01.14 Tine Gielis (cd&v): Mijnheer de minister, uiteraard willen ook wij van cd&v in de eerste plaats alle hulpverleners, vrijwilligers, landbouwers en alle anderen die betrokken zijn bij het crisisbeheer danken voor hun volharding en inzet om die natuurbrand het hoofd te kunnen bieden.
Als er één ding is dat we als beleidsmakers moeten doen na een dergelijk incident, dan is het evalueren en bekijken welke lessen we kunnen trekken voor de toekomst, zoals u zelf ook al aangaf. Ondertussen leert de huidige aanpak ons dat samenwerking loont. Brandweer, Civiele Bescherming, Defensie en politie hebben de krachten gebundeld en samen tegen het vuur gevochten.
Dat blijkt echter niet echt voldoende. Ik heb u dan ook vooral horen praten over reactieve acties, maar niet echt over preventieve acties. In die context hoorden we al enkele plannen van onder meer de minister van Defensie, die wees op de noodzaak van bijkomende investeringen en op een militair brandinterventieplan waarmee hij naar dit Parlement zou willen komen.
De voorzitter van de Belgische Brandweerfederatie, Marc Gilbert, stelde hetzelfde vast. Hij pleit onder meer voor een vloot van Europese blusvliegtuigen, maar ook voor meer beroepsbrandweerlieden.
Cd&v vindt dat we in elk geval beredeneerd te werk moeten gaan en ook werk dienen te maken van preventie. Zoals de afgelopen dagen is gebleken, moet samenwerking het sleutelwoord zijn.
Deze regering investeert in veiligheid en Defensie. Vanuit cd&v blijven we herhalen dat de extra middelen voor Defensie ook onze binnenlandse veiligheid ten goede moeten komen. We willen dat punt nogmaals herhalen. We vragen dat u als minister van Binnenlandse Zaken samen met de minister van Defensie bekijkt wat de meest dringende noden zijn en hoe er maximaal kan worden samengewerkt om aan die noden te voldoen, zodat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet.
Mijnheer Bergers, in die context had ik uw insinuatie graag enigszins willen nuanceren. Voor de aankoop van het materiaal zijn we altijd heel duidelijk geweest. We stellen geen veto, maar we geven wel de voorkeur aan Europese aankopen, waar en wanneer dat kan. Als dat niet lukt, staan we open voor andere oplossingen, zoals de Chinooks. Dat is echter niet hetzelfde als zomaar een blanco cheque geven aan de Amerikanen.
De Raad van de Europese Unie heeft in juni een aanbeveling gedaan voor het geïntegreerd beheer van het risico op natuurbranden. In die aanbeveling staan ketengerichte samenwerkingsvormen, het in kaart brengen van noden en middelen en het delen van data en informatie centraal. Daar liggen belangrijke verantwoordelijkheden bij andere bestuursniveaus, zoals de gewesten, de provincies en de lokale besturen. De aanbeveling kan dan ook een aanleiding vormen om de koppen opnieuw bij elkaar te steken en na te gaan op welke manier de bestaande samenwerkingen nog kunnen worden versterkt. Mijnheer de minister, kan er op het federale niveau een initiatief ter zake worden genomen?
Het Cerac waarschuwde vorig jaar dat we in ons land rekening moeten houden met een toenemend risico op grote natuurbranden, waarop we onvoldoende voorbereid zijn. De Vlaamse regering heeft daartoe, onder impuls van onze minister Brouns, intussen al een half miljard euro voor de Blue Deal uitgetrokken. Die deal zet in op het tegengaan van verdroging, het langer vasthouden van water, het herstellen en creëren van wetlands en het gezonder maken van de bodems. Dergelijke initiatieven zijn van belang voor het verkleinen van het risico op natuurbranden. Het moet duidelijk zijn dat cd&v niet wil dat daarop wordt bespaard.
In antwoorden op vragen in deze commissie stelde u voor het zomerreces dat er bij de hulpverleningszones een evaluatie lopend was van de bestaande capaciteit in de strijd tegen natuurbranden. Op basis van die evaluatie zouden eventuele noodzakelijke aanpassingen worden bestudeerd. Mijnheer de minister, kunnen we die evaluatie versnellen, zodat we daarmee vlugger aan de slag kunnen gaan?
De afgelopen jaren werden we geconfronteerd met meerdere natuurincidenten, zoals de overstromingen van 2021. Uw voorgangster, onze cd&v-collega Annelies Verlinden, heeft onder meer naar aanleiding daarvan een evaluatie van het crisisbeheer in ons land en een evaluatie van de Civiele Bescherming laten opmaken. Dat heeft onder meer geresulteerd in een wetsontwerp tot hervorming van de noodplanning en het crisisbeheer. In het regeerakkoord hebben we de afspraak gemaakt om deze legislatuur verder te gaan met de implementatie van dat ontwerp. De situatie in de Hoge Venen toont aan dat we daarmee niet langer mogen wachten. De tijd dringt om daarin stappen vooruit te zetten. We zijn dan ook benieuwd naar het stappenplan dat u daartoe zult hanteren.
Voor het zomerreces zei u ook dat u bij de start van het parlementaire jaar met een toekomstplan voor de Civiele Bescherming zou komen. In het regeerakkoord hebben we onder meer afgesproken om het federale investeringsbeleid en dat van de zones beter op elkaar af te stemmen. De provinciegouverneurs kunnen daarbij een coördinerende rol spelen. We juichen dan ook toe dat u hen vorige week, naar aanleiding van de brand in de Hoge Venen, al rond de tafel hebt gebracht, mijnheer de minister.
De cd&v-fractie heeft voor u de volgende vragen.
Ten eerste, zult u of zal de federale regering het initiatief nemen om de aanbevelingen van de Raad van de Europese Unie over het geïntegreerd beheer van het risico op natuurbranden uit te voeren? Wordt daarover op korte termijn een interfederaal overleg georganiseerd en zult u de coördinatie daarvan op u nemen?
Ten tweede, kunt u een stand van zaken geven over het wetsontwerp inzake noodplanning en crisisbeheer, dat werd afgesproken in het regeerakkoord en waarvan u melding maakt in uw beleidsnota? Welke tijdslijn hanteert u daarvoor?
Ten derde, we lezen dat 90 % van de natuurbranden bewust of onbewust door menselijk handelen wordt veroorzaakt. Ik wil uiteraard niet vooruitlopen op de evaluatie of het onderzoek, maar mijn vraag is of we preventief hadden kunnen handelen door het gebied beter te beschermen of eventueel zelfs af te zetten in die extreme omstandigheden. Als burgemeester heb ik de voorbije weken herhaaldelijk aanvragen voor kampvuren moeten weigeren. Dat was voor mij het signaal dat mensen er geen idee van hebben hoe ernstig de situatie wel is op het terrein.
Ten vierde, ik hoor u herhaaldelijk het nationaal weerbaarheidsplan benoemen. Dat lijkt een correcte eerste aanzet. Wat moeten we daaronder verstaan? Wat is de timing? Kunt u daarover wat concreter zijn? Betekent dat ook dat er opnieuw wordt geïnvesteerd in de Civiele Bescherming? Dat betekent immers investeren in de nabijheid, wat voor ons als cd&v-fractie uiteraard heel belangrijk is.
Ik kijk uit naar uw antwoorden.
01.15 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, cela fait maintenant une semaine que les Fagnes, notre patrimoine naturel, brûle. Nous avons vu 6 000 hectares partir en fumée, entraînant une perte irréversible de biodiversité. Des villages ont été évacués. Nos pompiers, nos travailleurs du DNF, de la protection civile, les associations de défense des animaux, les agriculteurs, la Croix-Rouge, les agents et mandataires communaux, des pilotes étrangers, des citoyens locaux mais aussi d'un peu partout en Belgique, ont agi jour et nuit et je veux les remercier du fond du cœur pour leur dévouement sans limite.
Mais je ne peux pas mentionner ce dévouement sans attirer votre attention sur les conditions dans lesquelles les professionnels et les pompiers volontaires opèrent. Depuis plusieurs jours, les langues se délient, et laissez-moi ici me faire le relais des interpellations qu'ils vous ont adressées au travers, notamment, d'interviews dans la presse.
Les pompiers sur le terrain décrivent des problèmes structurels. Ils ne savent pas faire face à une crise de cette ampleur car lorsqu'ils sont sollicités pour envoyer des renforts dans les Fagnes, ils disposent assez logiquement de moins de moyens ailleurs. Ils sont inquiets. Comment feront-ils quand deux crises de cette ampleur surviendront simultanément en Belgique? Ils vous adressent cette question. Ils pointent également un déséquilibre entre pompiers volontaires et pompiers professionnels.
Aujourd'hui, nous sommes face à une situation intenable. Le nombre des pompiers volontaires représente le double de celui des pompiers professionnels. Vous me dites non! Vous contredisez les professionnels. Je me réjouis d'entendre votre réponse. Ils nous interpellent sur le fait qu'ils comptent 12 000 volontaires pour 6 000 professionnels. C'est ce qu'on peut lire dans la presse, mais vous me donnerez d'autres chiffres. Je me réjouis de vous entendre.
Nous apprenons également par des retours de terrain que certains pompiers volontaires sont également des pompiers professionnels. Cela veut dire que ces personnes ne peuvent pas être mobilisées au même moment pour gérer une crise de l'ampleur de celle que nous connaissons aujourd'hui.
Monsieur le ministre, pouvez-vous nous éclairer sur la situation réelle et sur les moyens qui vont être potentiellement débloqués pour faire en sorte que la situation soit tenable sur le long terme?
J'aimerais également aborder la question de la protection civile, qui vous alerte également sur le manque de moyens, notamment à travers un courrier qui vous est parvenu le 21 mai dernier, pour vous prévenir et vous alerter sur les difficultés par rapport au manque de personnel, au personnel vieillissant et au nécessaire recrutement qu'il s'agit d'effectuer. En effet, depuis la réforme de 2017 mise en place par le gouvernement Michel, MR-N-VA, qui a fermé quatre des six casernes dans le pays et réduit les effectifs de moitié, ils estiment ne plus être en mesure de mener leur mission efficacement alors que tous les rapports nous alertent sur le fait que les crises que nous connaissons actuellement dans les Fagnes, mais que nous avons également connues en 2021 avec les inondations qui ont tué 42 personnes dans notre pays, sont amenées à se reproduire et à s'intensifier.
Monsieur le ministre, allez-vous renforcer les effectifs dans les zones de secours et les équiper en matériel spécifique, tel qu'ils le demandent? Combien de pompiers et de membres de la protection civile sont-ils formés à la prévention, à l'extinction des feux de forêt et des milieux naturels?
Combien sont-ils réellement disponibles pendant l'été? Combien de pompiers volontaires sont-ils en fait des pompiers professionnels, également volontaires dans une autre zone de secours? Combien d'effectifs avons-nous réellement, au total, en tenant compte de ces doublons?
Autre élément: le président de la Fédération des pompiers de Belgique dit que pour ce genre d'incendie, les commandants des zones de secours communiquent sur WhatsApp. Ils y demandent des camions-citernes, des autopompes. C'est sur cette base que les commandants de zones, selon la disponibilité, envoient du matériel et du personnel.
Cette situation est pour le moins chaotique, monsieur le ministre. Confirmez-vous ces éléments? Avez-vous prévu de revoir les modalités et l'échelle de coordination à cet égard?
Le président du réseau des zones de secours wallonnes et le commandant de la zone la plus concernée ont appelé à structurer la coordination des zones pour mutualiser les moyens, renforcer la disponibilité des pompiers, développer des moyens héliportés. Allez-vous proposer des mesures allant dans cette direction?
Envisagez-vous également d'impulser une initiative commune avec les Pays-Bas et le Luxembourg pour acheter et gérer une flotte mutualisée d'avions et/ou d'hélicoptères bombardiers d'eau? Je vous rejoins sur le fait qu'il faut travailler à l'échelle européenne, mais en conséquence et de manière congruente avec les défis à venir. Car ces événements sont, en effet, nous le savons, amenés à se reproduire et à s'intensifier. Sommes-nous prêts? Je ne le pense pas.
Envisagez-vous d'intégrer les bénévoles? On l'a cité: des bénévoles présents en nombre n’ont malheureusement pas pu être mobilisés à la hauteur de l'énergie et de leur volonté d'agir et de soutenir les professionnels dans leur mission.
Pour nous, il est essentiel de faire en sorte de structurer cette mobilisation. Nous l’avons déjà vu en 2021 et malheureusement, aucun dispositif permettant de structurer cette action n'a été mis en place. Qu'attendons-nous?
Voici mes questions par rapport à la gestion et au suivi de telles catastrophes.
Monsieur le ministre, vous ne serez pas étonné de m'entendre dire que je suis un peu choquée de n'entendre le mot "climat" n'être prononcé qu'après plus d'une heure d'interventions devant cette commission. Nous savons tous ici que cette catastrophe est la conséquence du dérèglement climatique. Nous le savons. Nous le savions.
Je regrette profondément l'absence du ministre Crucke, parce que je préférerais pouvoir l'entendre ici, dans un échange structuré dans le cadre de mon mandat de députée, plutôt que de devoir lire chaque jour ses interventions dans la presse. En effet, je pense qu’il serait plus sérieux de pouvoir intervenir directement avec lui, ici, dans cette commission.
Ce qui m’attriste le plus, et ce qui me met le plus en colère, c’est que nous savions que ce qui vient de se produire pouvait arriver. Cela fait des décennies que la communauté scientifique alerte la classe politique sur les conséquences très concrètes des émissions de gaz à effet de serre. Je ne vous apprends rien. Plus récemment encore, et de manière plus spécifique, une carte publiée en 2025 par l'Agence Wallonne de l'Air et du Climat (AWAC), à la demande des ministres écologistes wallons, identifiait les territoires wallons les plus exposés au risque d’incendie. Trois zones particulièrement sensibles y étaient pointées: le parc naturel de Gaume, une zone boisée au Nord de Mons et les Fagnes. Qu’a-t-on fait de ce rapport? Des exercices ont-ils été organisés dans les Fagnes? Quelles actions ont-elles été mises en place par votre gouvernement à la suite de ces informations scientifiques qui vous avaient été communiquées?
En 2025, le CERAC, mis en place par votre prédécesseure, Zakia Khattabi, publiait une analyse consacrée aux feux de végétation. Sa conclusion était très claire: sous l’effet du changement climatique, les incendies pourraient augmenter significativement au cours des quinze à vingt prochaines années, gagner en intensité et se déclarer simultanément en plusieurs endroits, mettant sous pression nos services de secours. Quelles actions ont été entreprises à la suite de la réception de ce rapport?
En mars 2026, le Belgian Wildfire Network (BWN, réseau belge des feux de forêts), réunissant les universités de Gand et de Liège, a remis au ministre compétent un rapport formulant huit recommandations majeures à destination des autorités publiques. Ce document pointait notamment des lacunes dans la collecte des données, la nécessité d’une meilleure évaluation des risques, l’importance du recours à des outils de simulation et de modélisation pour évaluer les risques de propagation des incendies, ainsi que le besoin de renforcer la formation et l’équipement des services de première ligne. Qu’avez-vous fait de ce rapport? Quelles recommandations ont été mises en œuvre?
Monsieur le ministre, vous nous avez détaillé, minute après minute, et je vous remercie pour cet exercice de précision, le déroulement des opérations depuis le début de l’incendie. Je ne mets, à aucun moment, en doute le professionnalisme des acteurs de terrain, qui ont tout donné, jour et nuit, pour sauver ce qu’ils pouvaient de nos Fagnes. Mais ce qui m’intéresse réellement, c’est la préparation en amont. Car c’est là que tout se joue. Ce que je veux savoir, c’est si nous étions préparés à faire face à cette catastrophe et comment nous l’étions, alors même que nous savions qu’un tel événement présentait une probabilité élevée de se produire. Qu’avez-vous mis en place avant de partir en vacances?
Ce sont les réponses à ces questions que je souhaite obtenir dans cette commission. Vous rigolez? En effet, c'est très drôle!
La désinvolture de votre gouvernement face à la canicule qui sévissait déjà avant la pause parlementaire m’a profondément choqué. Il y a eu 2 000 décès et un premier ministre qui refuse de répondre aux questions des parlementaires et des journalistes sur la manière dont notre pays était en capacité de faire face à cet événement climatique extrême.
Et puis, des messages de BE-Alert remettent la responsabilité entièrement sur le dos des citoyens et sur les actions individuelles qu'ils doivent entreprendre. Puis, on a vu le 21 juillet des gouvernements – le gouvernement wallon, dans lequel siègent les membres de votre parti – toucher du bois pour que l'été se passe bien.
Voilà le niveau d'anticipation auquel nos citoyens ont droit dans ce pays! C'est bien en deçà de ce que nous méritons, mais également de ce dont nous sommes capables. Nous avons les éléments scientifiques tangibles pour mener nos actions.
Des propositions concrètes pour lutter contre l'augmentation des émissions de gaz à effet de serre – car c'est aujourd'hui qu'il faut agir, il y en a des dizaines, voire des milliers, qui ont été émises par des tas de colloques et de consortiums scientifiques. Nous savons ce qu'il y a à faire. Et pourtant, force est de constater que ces actions ne sont pas mises en place aujourd’hui, voire que certaines ambitions en matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre sont aujourd'hui détricotées, aussi bien au niveau européen que fédéral.
Dernière question liée à l'action au niveau européen. Vu le nombre de feux qui ont ravagé des pays à travers l'Europe, une réunion avec les ministres européens est-elle prévue? Début 2026, l'Union européenne a rappelé aux États membres l'importance pour chacun de disposer d'effectifs suffisants de sapeurs-pompiers.
Quelle réponse, la Belgique spécifiquement, a-t-elle apporté à cette demande? La Belgique doit soumettre un plan de restauration de la nature auprès de la Commission européenne. Le ministre Crucke a déclaré, avant-hier, qu'il ne serait pas en mesure de remettre ce plan dans les temps.
En fait, d'une certaine manière, je suis rassurée. Il vaut mieux prendre un peu de temps pour amener un plan de qualité plutôt qu'un plan bâclé en septembre. Et il vaut mieux tirer les conséquences de ce qui s'est passé ici, pendant cet été, pour venir avec un plan à la hauteur des enjeux.
Donc je vous le dis, prenez le temps qu'il faut pour réaliser ce plan.
Voilà, monsieur le ministre, je vous remercie pour les réponses précises que vous pourrez apporter à mes questions.
01.16 Arthur Orlians (Anders.): Mijnheer de voorzitter, ook mijn partij wil haar grootste respect en dankbaarheid uitspreken voor alle mensen die ook nu nog op het terrein aan de slag zijn. Ik wil ook de minister bedanken om naar het Parlement te komen en een heel uitgebreide toelichting te geven over wat er allemaal gebeurd is. Dat was heel professioneel en met een duidelijke tijdsaanduiding.
Het is belangrijk om het daarover nu al te hebben in het Parlement. Ook al is men nog op het terrein bezig, als parlementsleden kunnen wij wel degelijk al bepaalde vragen stellen en pijnpunten kritisch bespreken. Dat is immers veel moeilijker als men dat pas een paar maanden na de feiten doet. Nu is dat nog actueel en zit alles bij iedereen nog vers in het geheugen, waardoor men de juiste vragen kan stellen.
Mijn eerste vraag gaat over wat er op dergelijke momenten gebeurt in ons land. Welke alarmbellen gaan er af als er waarschuwingen worden gegeven en rapporten worden geschreven? Dan heb ik het niet zozeer over algemene rapporten over klimaatverandering. We weten immers dat we meer moeten doen op dat vlak en dat ook de vorige regeringen meer hadden moeten doen. Ik heb het eerder over waarschuwingen dat er bosbranden dreigen te ontstaan. Er waren een paar weken geleden bosbranden in Spanje en in Frankrijk en uit recente rapporten bleek dat ons land er niet klaar voor was mocht dat hier ook gebeuren.
In september 2024 was er al een rapport van het Nationaal Crisiscentrum over het toenemend risico op natuurbranden. In februari 2025 werd in een rapport van het Cerac gesteld dat we onvoldoende voorbereid zijn en in november 2025 duidde een ander rapport van het Cerac op een gebrek aan middelen en strategie wat betreft bosbranden. In maart 2026 was er een rapport van het Belgian Wildfire Network dat stelde dat we niet klaar zijn om bosbranden te bestrijden. Op 7 juli werd vanuit de hulpverleningszone gesignaleerd dat er een toenemend brandgevaar was en op 8, 13, 16 en 28 juli kwamen er waarschuwingen vanuit de Waalse overheid. Op 29 juli zei de gouverneur dat er een verhoogd waakniveau moest zijn, dat er brandgevaar dreigde en dat we naar code oranje en zelfs rood moesten gaan.
Er zijn dus heel veel specifieke waarschuwingen uitgestuurd voor brandgevaar. De vraag is dan wat er in ons land gebeurt om ons daarop voor te bereiden en dat zo goed mogelijk aan te pakken.
Mijn tweede vraag, die daarop aansluit, gaat over de politieke leiding en verantwoordelijkheid. Ik ben het met u eens, mijnheer de minister, dat het opschalen naar een federale fase niet altijd leidt tot een efficiënter beheer of dat dat noodzakelijk is om een ramp beter te kunnen aanpakken. Het opschalen naar een federale fase zorgt immers niet ineens voor extra middelen, noch verhindert de provinciale fase de samenwerking met andere provincies of met het buitenland. Het maakt inderdaad niet zoveel uit of men in een federale of provinciale fase zit. Wat veel belangrijker is, is dat er binnen zo'n fase een duidelijke commandostructuur is. Ik stel me wel de vraag of die altijd heel duidelijk is.
Is het bijvoorbeeld logisch dat het de gouverneur is – en niet de minister van Binnenlandse Zaken – die een beroep moet doen op dat Europees solidariteitsprincipe, waarbij vliegtuigen aan het buitenland worden gevraagd? Is het logisch dat de gouverneur het Nationaal Crisiscentrum contacteert en dat de minister van Binnenlandse Zaken daarbij niet wordt betrokken? Of wordt u wel betrokken? Ik zou daarover graag wat meer duidelijkheid krijgen: hoe werkt die flow om een beroep te kunnen doen op buitenlandse vliegtuigen?
Hetzelfde geldt voor het inschakelen onze eigen Belgische Defensie. Wie vraagt dat concreet in deze fase? Is dat de gouverneur? Betrekt die daarbij het Nationaal Crisiscentrum? Of vraagt de gouverneur dat rechtstreeks aan Defensie? Of is het gouverneur, Binnenlandse Zaken en dan Defensie? Dat is een specifieke vraag, los van de vraag of men nu naar een federale of een provinciale fase moet gaan.
Op het vlak van politieke coördinatie kunnen we er ook inderdaad niet omheen dat er heel veel gecommuniceerd werd door de minister van Defensie. U kondigde hier vandaag aan dat u met een nationaal weerbaarheidsplan zult komen en een plan om dergelijke zaken nog beter aan te pakken. De minister van Defensie zei ook al dat hij met een militair brandactieplan zal komen. Ik hoop niet dat er nu twee plannen zullen komen. Het is logisch dat u samenzit en dat er één plan komt vanuit de federale regering. Hoe zullen die twee plannen zich tot elkaar verhouden?
Mijn derde vraag gaat over het materiaal. Hadden we ons op dat vlak beter kunnen voorbereiden?
Als ik het goed begrepen heb, beschikt ons land over vijf politiehelikopters die kunnen blussen. Bij de natuurbrand in de Hoge Venen werden er echter slechts twee ingezet. Daarnaast hebben we vliegtuigen aan het buitenland gevraagd. Waar waren evenwel die andere drie politiehelikopters? Of hebben we wel vijf helikopters, maar slechts twee Bambi Buckets? Het zou toch vreemd zijn dat we over vijf politiehelikopters beschikken die kunnen blussen, maar slechts over twee van die waterzakken? Kunnen we dergelijke zaken niet beter oplijsten en daarnaar handelen?
Die politiehelikopters moeten we bovendien niet onderschatten. Er wordt heel vaak over de Chinooks gesproken. Ik heb de laatste cijfers opgevraagd – misschien hebt u andere cijfers gegeven, maar het ging iets te snel in het Frans – en de Chinooks hebben samen 1,1 miljoen liter water gedropt, maar die twee politiehelikopters toch ook 575.000 liter. Dat valt niet te onderschatten. We zouden dus nog meer een beroep moeten kunnen doen op die politiehelikopters. Als men weet dat er van de vijf maar twee zijn ingezet, vraag ik mij af hoe dat komt. Hoe kan men de inzet daarvan versterken?
Wat het materiaal betreft, wil ik heel specifiek duidelijkheid krijgen over de bestelde helikopters. Ik heb begrepen dat er met het defensiebudget vijftien of twintig helikopters werden besteld. Zijn dat extra toestellen? Hoeveel zijn er voor Defensie bestemd en hoeveel voor de politie? Gaat het om vervangingen of om extra toestellen? Ik wil gewoon heel duidelijk weten wat de juiste cijfers zijn, omdat daar verschillende versies over circuleren.
01.17 François De Smet (DéFI): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre présence et votre exposé.
Il s'agit d'un désastre environnemental et économique majeur: 3 000 hectares brûlés, deux des trois tourbières hautes actives détruites. À côté de cela, il faut aussi constater qu'aucune victime civile n'est à déplorer et aucune habitation n'a été perdue. Cela est dû au travail des 15 zones de secours, de la protection civile, de la police, de la Défense et des nombreux agriculteurs venus prêter main-forte avec leurs propres citernes. Nous leur devons à tous une reconnaissance sans réserve.
Je peux rejoindre un certain constat général: à ce stade, tout ce qui pouvait être fait avec les moyens dont nous disposions a visiblement été fait par les acteurs de terrain concernés. La question est donc de savoir si notre pays disposait de tous les moyens nécessaires pour faire face à une telle catastrophe alors même que nous savions qu'elle était possible et que nous devions nous préparer davantage.
Soyons honnêtes: cette question ne concerne pas seulement ce gouvernement. Nous observons depuis longtemps un certain attentisme du monde politique à l'égard des questions climatiques, des canicules, des inondations, de l'environnement en général et de la préparation face aux catastrophes.
Ce qui est arrivé cet été doit, selon moi, nous réveiller définitivement afin que nous nous préparions mieux à l'avenir, y compris lorsque l'agenda nous offrira très rapidement des occasions de passer à autre chose. En effet, ces catastrophes, qui surgissent soudainement et détruisent en un instant, se préparent en réalité dans le silence et dans l'ombre de nos renoncements, de nos paresses ou tout simplement d'autres urgences.
Cela étant, monsieur le ministre, nous avons tout de même une certaine légitimité à cibler plus particulièrement ce gouvernement Arizona en particulier, car nous avons parfois constaté chez certains de ses membres une forme de nonchalance sur ces sujets.
Pour rappel, nous avons un premier ministre qui, au début du mois de juillet, refusait de répondre à nos questions sur la canicule, mais trouvait le temps, lors d'un déplacement au Japon, d'aller prier les dieux de la météo. Nous avons également un ministre de la Défense qui, après deux jours de chaleur, se moquait des alarmistes et invitait chacun à profiter de la vie en prenant une bière au bord d'une piscine. Quant à vous, monsieur le ministre de l'Intérieur, je sais que vous n'êtes pas nonchalant.
Toutefois, interrogé spécifiquement en commission au mois d'avril par notre collègue Thiébaut, si je ne m'abuse, vous aviez déclaré ceci: "Un investissement dans des moyens aériens spécifiques de la sécurité civile serait non seulement fort coûteux, mais son maintien, l'entretien du matériel et la formation des pilotes représenteraient également une dépense récurrente considérable. Le risque de feu de forêt n'est certainement pas négligeable, mais il ne justifie pas à lui seul d'engager des moyens budgétaires tels qu'ils hypothèqueraient notre capacité à répondre à d'autres risques."
Diriez-vous la même chose aujourd'hui, à peine quatre mois plus tard, ou avez-vous changé d'avis? Ce serait tout à fait honorable, le réel constituant un motif parfaitement admissible pour faire évoluer une opinion politique.
Le gouvernement considère-t-il aujourd'hui que le risque de feu de forêt ne justifie pas les investissements nécessaires? Je vous ai évidemment écouté attentivement. Je n'ai pas entendu grand-chose dans votre exposé qui revienne sur ces propos et qui permette de le dire.
Vous avez juste reconnu, je cite, que "cette question va se poser" – vous ne prenez pas trop de risques en disant cela – et que les moyens aériens ne remplacent pas le combat du feu au sol, mais le soutiennent.
Oui, sauf que tout le problème exposé par l'incendie des Fagnes nous rappelle que, justement, dans ce pays, bon nombre d'endroits sont très difficilement accessibles par le sol. Cela ne concerne pas que les Fagnes, d'ailleurs. Je songe à certaines larges zones forestières en province de Luxembourg, par exemple.
En mars 2026, le Belgian Wildfire Network, qui regroupe les facultés de bio-ingénierie de l'UGent et de l'Université de Liège, remettait un rapport à tous les ministres compétents du pays. On y lit que la Belgique est particulièrement vulnérable en raison d'une expertise limitée, d'un manque de données et d'un imbroglio administratif. On y lit que les moyens aériens de la police fédérale sont, je cite, "en nombre limité et ne sont pas intégrés de manière structurelle dans une stratégie nationale". Et on y lit que des mesures urgentes doivent être prises.
Le constat factuel que nous venons de vivre, c'est que le feu a été combattu avec le soutien d'au moins neuf aéronefs, deux hélicoptères néerlandais, deux allemands, etc. Les seuls appareils belges engagés, vous l'avez rappelé, sont les deux hélicoptères de la police fédérale.
Monsieur le ministre, vous nous dites: "dire que l'on n'était pas préparé, c'est faux! La preuve est que sur le terrain, ça fonctionne".
Je ne suis pas d'accord. Les faits n'ont pas prouvé que nous étions préparés. Les faits ont prouvé que nos secours ont tenu. Les faits ont prouvé que nous étions fortement dépendants de la solidarité européenne.
Que se passera-t-il, demain, si la Belgique n'a toujours pas les moyens aériens de lutter contre ses incendies et que nos voisins sont eux-mêmes en train d'utiliser leurs propres hélicoptères parce qu'ils auront leurs propres catastrophes à gérer?
La leçon de ces derniers jours, c'est que nous avons basculé dans un monde où les printemps et étés secs vont devenir la norme. Rester dans cette dépendance choisie du privé et de l'étranger, c'est suicidaire, parce que cela diminue le temps de réaction, et parce que nous serons aussi toujours, en cas de crise simultanée, les seconds choix.
Plus nous aurons des années de sécheresse, plus la possibilité de devoir gérer plusieurs incendies en même temps augmente.
Ce que cet été nous montre, c'est que l'investissement, que vous aviez l'air de juger encore relativement superflu en avril, est en réalité absolument nécessaire. Les fameux hélicoptères américains dont disposent les Pays-Bas – ce pays si boisé et recouvert de forêts, comme chacun le sait – et que nous n'avons pas, nous qui avons les Fagnes et les Ardennes, coûtent un peu plus de la moitié d'un F-35.
Je n'ai pas de souci avec le matériel américain en tant que tel. Cela ne me dérange pas d'acheter américain, si c'est pour échanger un F-35 contre deux hélicoptères anti-feu. Cela paraîtrait même de bon sens, si c'est possible au sein du même budget de la Défense, de, pourquoi pas, troquer une partie de nos armes de dissuasion envers nos ennemis géopolitiques contre ces outils de lutte effective contre les incendies; parce que les incendies, eux, ne sont pas arrêtés par des armes de dissuasion.
Enfin, il y a la protection civile. Je vais me ranger à ce qu'une série de mes collègues ont dit. Je rappelle aussi les mots du président de la Fédération royale des pompiers de Belgique, qui a déclaré: "À la protection civile, il n'y a plus personne." C'est devenu en effet une deuxième ligne, et c'est le fruit de choix politiques que nous dénonçons depuis qu'ils ont été opérés en 2018, depuis le désinvestissement massif organisé sous la coalition suédoise, depuis que nous sommes passés de 1 207 à 457 agents.
Vous avez annoncé votre intention de la renforcer. C'est fort bien, mais peut-être aurait-il fallu commencer par ne pas démanteler, même si ce n'était pas vous personnellement. Si vous pensez, monsieur le ministre, en votre for intérieur, si j'ose dire, que la réforme de 2018 était une erreur, ce qu'on pourrait peut-être comprendre de certaines de vos réactions, dites-le clairement, c'est le moment ou jamais! On ne vous en voudra pas!
Une question de terrain, enfin: est-il normal de constater, Mme Schlitz en a parlé, que les commandements de zone ont dû se coordonner par messagerie WhatsApp pour se répartir autopompes et camions citernes? Enfin, en conclusion, vous nous annoncez un plan incendie, ce qui est très bien. Le ministre de la Défense et le ministre du Climat ont annoncé des intentions du même genre. J'espère que le premier ministre ne va pas non plus, demain, nous annoncer une task force, sinon on sera définitivement noyés. Peu importe l'outil, mais s'il vous plaît coordonnez-vous et revenez-nous avec du concret! Prouvez-nous que l'action est lancée!
De voorzitter: Alle fracties zijn aan bod gekomen binnen de afgesproken spreektijd.
Zijn er nog bijkomende vragenstellers? Ik zie mevrouw Eggermont en de heren Vandemaele en Frank. Mag ik vragen om het zo kort mogelijk te houden? Het is niet de bedoeling om nog lange beschouwingen te geven.
01.18 Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Ik zal bondiger zijn dan de minister, mijnheer de voorzitter.
Collega's, ik heb vanochtend nog gebeld met de voorzitter van Brandweervereniging Vlaanderen, die ook aangesloten is bij het ACV. Hij was dit weekend op het terrein en heeft daar heel veel opoffering en miserie bij de brandweerlieden gezien. Tegelijkertijd zag hij ook een hartverwarmende solidariteit tussen de mensen op het terrein en de brandweerlieden van de buurlanden.
We zien dus tegelijkertijd de moeilijkheden, maar ook de hoop en de solidariteit ter plaatse. Het is heel mooi om te zien wie zich allemaal enorm heeft ingezet om de brand te bedwingen: de brandweer, de Civiele Bescherming, de politie, het leger, alle vrijwilligers, hulp uit onze buurlanden en ook de boeren die water kwamen leveren.
Het is nog niet gedaan. Collega's, we zitten hier nu, maar de brand is nog niet onder controle. Er zal waarschijnlijk nog weken of maanden gevochten moeten worden om de situatie helemaal onder controle te krijgen. Het is belangrijk dat we dat in het achterhoofd houden.
Een centraal gegeven in het debat vandaag is dat veel van de hulpverleners ter plaatse de brand te lijf gaan met een tekort aan mensen en middelen. Er is hier al vermeld dat de vorige regering, waar uw fractie deel van uitmaakte, de hakbijl heeft gezet in de Civiele Bescherming, met grote gevolgen: van zes naar twee kazernes. Van de 420 personeelsleden is er nu nog maar iets meer dan de helft over. De noden bij de Civiele Bescherming zijn dan ook groot, en collega Weydts heeft dat durven te benoemen. Er is een veel grotere watercapaciteit nodig, met tanks, en zwaar blusmaterieel. Niet enkel voor branden is er overigens extra materiaal nodig; er zijn ook pompen met hoge capaciteit nodig om water op te pompen in geval van overstromingen.
De noden zijn dus enorm. Dat is de situatie in een land waarin de regering wel 34 miljard euro vindt voor wapens, maar waarin onze brandweer en de Civiele Bescherming overstromingen en branden bij wijze van spreken met de blote handen te lijf moeten gaan.
U zegt dan: “We waren goed voorbereid”. Ik lees een citaat van de directeur van de Civiele Bescherming, Nicolas Tuts, die zei: “Ik nodig de ministers uit om de realiteit op het terrein te komen bekijken, om vast te stellen wat jaren van personeelsverminderingen, budgettaire beperkingen en uitgestelde investeringen concreet betekenen voor onze federale hulpdienst.” Dat is de situatie vandaag. Het getuigt toch wel van een gebrek aan zelfreflectie om nu te zeggen dat we eigenlijk wel goed waren voorbereid.
Er zijn de voorbije jaren verschillende waarschuwingen en rapporten geweest waarin stond dat dit land onvoldoende voorbereid is. Ik denk dat er ook nog te weinig argumenten zijn gekomen om op basis van de aanbevelingen en rapporten en de situatie van vandaag te besluiten dat u voldoende voorbereid bent. De signalen op het terrein klinken alleszins anders.
We dachten dat we nu, naar aanleiding van die brand, eindelijk onze zeven ministers van Klimaat zouden horen, maar wie het meest van zich laat horen in de pers is de minister van Defensie, Theo Francken, die zich nu wil profileren als de grote brandblusser van het land. Dat is eigenlijk wel ironisch, want het is natuurlijk zijn partij die zo hard op de Civiele Bescherming heeft bespaard. Wat is de reactie van deze regering als men de hele Civiele Bescherming en de brandweer heeft uitgehold en er is een grote brand? Dan komt men niet met een civiel, maar met een militair brandplan.
De brand wordt aangegrepen om meteen de aankoop van 11 Chinookhelikopters, goed voor 1,3 miljard euro, te versnellen. De minister, die een tijdje geleden nog niet het verschil tussen een drone en een politiehelikopter kende, is ondertussen specialist in brandmateriaal. Daarnet werd herhaald dat de eerste bezorgdheid van de mensen op het terrein is dat die Chinookhelikopters er komen, omdat we het beste materiaal nodig hebben. Ik heb ook met veel brandweermannen en met de vakbonden gesproken. Die zijn niet onder de indruk van die uitspraak. Ze zeggen dat het niet aan de politiek is om te zeggen welk soort helikopter of vliegtuig nodig is. Laat de brandweer de brand blussen en zorg voor voldoende investeringen. Wat nu vooral nodig is, is personeel op het terrein dat getraind is om natuurbranden te blussen. Er moet vooral respect komen voor het personeel op het terrein. Zij werken onder heel zware omstandigheden. Dat is een enorm zwaar beroep.
Daarnet werd gezegd dat degenen die nu willen investeren in veiligheid en Civiele Bescherming dan maar moeten zwijgen als er aan de sociale zekerheid wordt geraakt. Ik ben benieuwd wat u van die redenering vindt.
Ik denk niet dat de brandweermannen en -vrouwen achter de regering staan als die zegt dat er tot 67 jaar moet worden gewerkt voor een lager pensioen, terwijl er dan dure helikopters voor Theo Francken zouden worden gekocht.
Daarom is het volgens mij goed dat we effectief de vakbonden kunnen horen en hoorzittingen kunnen organiseren over wat de specifieke noden zijn en of – zoals er hier gezegd is – de noodzaak van die aankoop effectief de eerste les is die we moeten trekken. Ik hoor van de brandweerlieden dat er een oplossing moet komen. Ik hoor van hen dat ze vragen naar een erkenning van hun zwaar beroep en naar een oplossing voor de eindeloopbaanregeling. De gemiddelde leeftijd van overlijden van brandweerlieden in dit land is 69,5 jaar. Die kunnen niet werken tot 67 jaar. Het gaat niet alleen over materiaal, maar ook over hoe we omgaan met de mensen die elke dag op het terrein bezig zijn.
Jullie project bestaat uit besparingen op de sociale zekerheid en op de militarisering van de samenleving, maar als we dat geld nu eens gebruiken, dan kunnen we én de sociale zekerheid versterken én investeren in de Civiele Bescherming.
Wat minister Francken er ook niet bij zegt – en wat daarstraks ook niet is gedaan – is dat als er vanuit Defensie Chinook-helikopters worden aangekocht, dan zijn die in de eerste plaats niet bedoeld om branden te blussen. Dat zijn zware, militaire transporthelikopters die bedoeld zijn voor het vervoer van troepen, materieel en gewonden. Die helikopters passen in de ambitie van minister Francken om onder meer militair opnieuw sterkere posities in Afrika in te nemen. Hij koopt dus geen elf helikopters om die dan in België paraat te houden totdat er ergens een natuurbrand uitbreekt. Hij doet dat om het Belgisch leger gemakkelijker ver buiten de landsgrenzen in te zetten. Dat is de prioriteit, en dat steekt hij ook niet onder stoelen of banken. Dat zit in de strategische visie.
Maar wat als het in België brandt terwijl onze helikopters ondertussen bezig zijn in de Sahel, Congo of Gabon? Bevestigt u dat dat de consequentie is als we vanuit militair oogpunt dergelijk materiaal aankopen? We zitten toch in een tegenstelling want ofwel komt er een militair brandplan, ofwel komt er een civiel brandplan dat vertrekt vanuit de civiele noden. Waarom komt de regering niet met een civiel brandplan?
Tot slot sluit ik me aan bij de collega's die vragen waarom het hier pas zo laat over het klimaat gaat en waarom minister Crucke hier vandaag niet mocht aansluiten. Dat is echt de ogen sluiten voor de samenhang tussen de verschillende zaken. Vandaag zien we dat de klimaatverandering een realiteit is. We worden geconfronteerd met langdurige droogtes, hittegolven en branden, gevolgd door hevige regenval en overstromingen. Het is belangrijk om al die zaken en de noden die ze creëren samen te bekijken. Dat vraagt serieuze investeringen in de civiele bescherming en alle hulpdiensten.
Het is ook een wake-upcall om te spreken over hoe we de klimaatverandering kunnen aanpakken en tegenhouden. Als er vandaag, op het moment dat heel Europa in brand staat en we ook in België een van de grootste rampen uit onze geschiedenis meemaken, wordt gezegd dat het niet dringend is om te spreken over hoe we de klimaatverandering gaan tegenhouden, dan is dat een heel straffe uitspraak.
01.19 Luc Frank (Les Engagés): Werte Kolleginnen und liebe
Kollegen, zunächst möchte ich meiner Kollegin Victoria Vandeberg mein Mitgefühl
aussprechen. Ich möchte Ihnen vor allem sehr viel Kraft in diesen schwierigen
Zeiten und Momenten wünschen. Wie Sie wissen, komme ich aus derselben Region.
Das bedeutet auch für mich, dass ein Teil meiner Heimat gerade im Moment noch
brennt.
Je tiens aussi particulièrement à remercier tous ceux qui sont sur place, que ce soit les policiers, les pompiers, les volontaires, les fermiers, les militaires, la Protection civile, ainsi que tous ceux qui sont venus de l'étranger pour nous aider. Et je tiens tout particulièrement à remercier le ministre de l'Intérieur, qui était aussi disponible pour nous le weekend. Lorsqu'on lui a posé des questions, il a réagi très vite. Il était disponible pour répondre aux questions qu'on avait sur le terrain.
J'ai deux questions.
Premièrement, comme la collègue Delcourt l'a déjà expliqué, on se trouve dans une région transfrontalière. Normalement, des structures existent et doivent fonctionner. Il y a ce qu'on appelle l’EMRIC – Euregio Meuse-Rhine Incident Response and Crisis Management. Mais les gens sur le terrain m’ont dit que cela n'avait pas si bien fonctionné. Les contacts personnels qu'on a à travers la frontière ont mieux fonctionné, surtout du côté allemand. Ils ont été informés très tardivement dans le cadre de cette structure. Avez-vous les mêmes retours et, si oui, que peut-on faire à l'avenir?
Concernant l'organisation et les volontaires, on a effectivement constaté qu’il y a eu très vite, très spontanément beaucoup de volontaires. Mais la question a été de savoir comment coordonner toute cette aide proposée. Il y a là une suggestion. Que pourrait-on prévoir comme dispositif demain pour avoir – relativement vite à partir du moment où une cellule de crise est déclenchée – un alter ego qui coordonne toute cette aide qui se met spontanément en place?
J'ai encore deux questions par rapport à cela. Comment la collaboration avec les fermiers a-t-elle été coordonnée? Il y a beaucoup de fermiers qui ont aidé spontanément. Comment vont-ils être remerciés?
Merci beaucoup.
01.20 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw inleiding.
Collega's, niemand zal het mij kwalijk nemen als ik begin met de grondoorzaak. Die branden zijn een gevolg van de klimaatopwarming. Collega's die het al 20 jaar hebben over "haalbaar en betaalbaar", dit is wat "haalbaar en betaalbaar" in de praktijk betekent. Het zal ons eeuwen kosten om die schade te herstellen. Ook de economische kosten zijn groot en dan heb ik het niet alleen over wat er nu gebeurt in de Hoge Venen, maar ook over de 2.000 extra hittedoden aan het begin van deze zomer. Al twee jaar proberen wij de premier te laten antwoorden op vragen over het klimaat, maar dat doet hij niet. Hij komt alleen antwoorden op getelefoneerde vragen vanuit de meerderheid. Aan die 2.000 hittedoden heeft hij zelfs geen woord vuil gemaakt, niet in de commissie en ook niet in de plenaire vergadering. Dat zegt genoeg.
De reden dat we minister Crucke hier hadden willen horen, is natuurlijk dat men wel over de crisis kan discussiëren, maar dat men het ook over de oorzaak moet hebben. Het antwoord van de Kamervoorzitter was echter veelzeggend: het is niet urgent genoeg. Collega's, 2.000 hittedoden en een van de grootste branden ooit in ons land zijn blijkbaar niet urgent genoeg voor de regering. Dat zegt heel veel.
Velen onder u dachten dat de klimaatverandering iets is voor de andere kant van Europa, dat wij daar niet zoveel last van zouden hebben, dat dat iets is voor binnen 20 of 30 jaar. Neen, collega's, het is voor hier en voor nu. Het garanderen van de veiligheid is een kerntaak van de overheid en dus ook het garanderen van de veiligheid van de eigen burgers als het gaat over het onheil dat gepaard gaat met de klimaatverandering. Ik ben blij dat u op dat vlak stappen wilt zetten. Ik hoop dat het niet bij een plan blijft en dat het geen papieren tijger wordt die stof ligt te vergaren in een kast, maar dat er ook echte acties zullen worden ondernomen op het niveau van de grondoorzaak, het klimaat.
Ik weet dat sommigen dat niet graag horen, maar ik zal dat toch blijven herhalen.
Veel collega's hebben het al gedaan, maar ik wil het toch nog even hebben over de Civiele Bescherming, die in 2019 kaltgesteld werd door minister Jambon. Sorry, we kunnen dat blijven herhalen, maar het is de waarheid.
(Opmerkingen
van de heer Bergers)
U kunt straks antwoorden, mijnheer Bergers, maar de Civiele Bescherming werd dus kaltgesteld door de N-VA. Men zou kunnen zeggen dat we niet al die kazernes nodig hebben, maar natuurlijk betekent minder personeel, minder vrijwilligers en minder gespecialiseerd materiaal dat men minder goed voorbereid is op rampen. We kunnen daarover onze kop in het zand steken, maar de waarheid is wat ze is.
Dan kom ik tot het regeerakkoord. Ik wil mijn spreektijd beperken en zal niet alles voorlezen wat er over de Civiele Bescherming in het regeerakkoord staat, maar daarin wordt aangekondigd dat er zal worden geïnvesteerd. Er zal opnieuw – en dat herhaalt u hier vandaag, mijnheer de minister – worden geïnvesteerd in de Civiele Bescherming. Ik heb gepolst bij de Civiele Bescherming, en daar viel men steil achterover.
U hebt een brief gekregen van het ACOD, twee keer zelfs deze zomer, waarin de Civiele Bescherming aangeeft met de handen in het haar te zitten en geen service meer te kunnen leveren omdat de dienst volledig kapot is. U hebt die brief ontvangen, want u hebt twee keer een ontvangstbewijs gestuurd, maar u hebt er niet op geantwoord. Dan vraag ik me af, mijnheer de minister, wat er nodig is voordat u antwoordt en voordat u daadwerkelijk de Civiele Bescherming zult versterken. Voor mij gaat het niet over het organisme, de Civiele Bescherming op zich; voor mij gaat het over de taken die de Civiele Bescherming opneemt. Hoe we dat dan organiseren, daarover wil ik gerust discussiëren, maar dat die taken nodig zijn als tweede lijn, daarover bestaat volgens mij geen discussie.
Veel collega's hebben al naar verwezen naar het rapport van het Centrum voor Risicoanalyse van Klimaatverandering, of naar het rapport van het Belgian Wildfire Network, al die rapporten die de afgelopen anderhalf jaar op uw tafel terecht zijn gekomen. Verschillende leden van de regering – u niet alleen – hebben de afgelopen anderhalf jaar verschillende signalen gekregen dat er echt wel een probleem is. Dat probleem is altijd hetzelfde: het is een probleem van materiaal, van personeel en opleiding van dat personeel, van coördinatie en van dataverzameling. Dat zijn in feite de vier problemen die uit al die studies en uit al die brieven iedere keer weer naar boven komen.
De vraag is natuurlijk wat daarmee is gebeurd. Als die studies op uw bureau terechtkomen, wat gebeurt er dan mee? Sommige studies zijn nog maar een maand oud. Ik begrijp dat u daarmee nog maar weinig hebt kunnen aanvangen, dat is logisch. Sommige van die studies zijn echter anderhalf jaar oud. Dan zou men toch mogen verwachten dat er al stappen vooruit zijn gezet. Ik ben dus benieuwd naar wat er gebeurd is met al dat materiaal dat bij u en bij de regering is terechtgekomen.
U kunt natuurlijk wel zeggen dat alles perfect is verlopen en dat u goede contacten hebt op het terrein. Wij hebben die contacten evenwel ook. We hebben ook gesproken met mensen van de brandweer, de Civiele Bescherming, het leger en de politie en zij zijn minder positief dan u. Zeggen zij dat alles rampzalig slecht is? Uiteraard niet, dat zou er nog aan moeten mankeren. Uiteraard is er heel veel goeds gebeurd en hebben de mensen op het terrein geweldig goede dingen gedaan. Daarover bestaat geen enkele discussie. Alle eer voor hen. Wij moeten als politici echter ook ons steentje bijdragen en ons deel van het werk doen. Daarom moeten we stappen vooruit zetten op de vier assen die ik daarstraks heb gedefinieerd.
Mijn vraag is dus heel concreet, mijnheer de minister, wat u zult doen voor het materiële aspect. Ik hoor u zeggen dat het probleem niet op het niveau van de luchtsteun zit. Ik heb al die documenten evenwel gelezen en bijna iedereen zegt dat het probleem voor een groot deel wel op het niveau van de luchtsteun zit. Het kan natuurlijk dat u het beter weet dan onze universiteiten en de mensen uit de praktijk, maar ik denk dat we toch een evenwicht moeten vinden tussen wat ons wordt aangereikt vanuit de praktijkervaring op het terrein en vanuit de academische wereld, en wat we daarmee doen, beste collega's.
Voor mij is het verder heel duidelijk: onze uitstoot moet naar beneden en onze weerbaarheid moet omhoog. We mogen onze kop niet in het zand steken. Heel concreet vragen we een onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen van de afgelopen week. We willen ook dat er hoorzittingen komen in deze commissie, zodat we de mensen van het terrein rechtstreeks kunnen bevragen: de Civiele Bescherming, het leger, de politie en de brandweer, maar ook de vakorganisaties. Zo kunnen we een beter inzicht krijgen in wat er volgens hen speelt.
Ik hoop oprecht dat de minister van Klimaat zijn vakantie wil onderbreken en met het Parlement wil spreken over wat er is gebeurd en vooral over wat hij zal doen om dat aan te pakken.
Last but not least heb ik nog drie dingetjes.
De begroting komt eraan, beste collega's. We kunnen allemaal onze kop in het zand steken, maar het zal ook een beetje geld kosten. We kunnen de Civiele Bescherming en haar taken niet op een goede manier herinvullen en vormgeven, zonder dat het een euro kost. Dat zal geld kosten. Ik hoop dus dat jullie dat ook in de begrotingsbesprekingen meenemen. Als we ons weerbaar moeten maken tegen de klimaatuitdagingen, mogen dat niet alleen mooie woorden en mooie zinnetjes op papier zijn, maar moet dat in de praktijk ook echt iets worden.
Ik rond af, mijnheer de minister. Er staat dit najaar een hervorming op de planning met betrekking tot de federale politie. Er staat ook een hervorming op de planning met betrekking tot de brandweer. Dat zijn de twee grote assen waarop u aan het werken bent. Dat is natuurlijk ook een kans om met die hervorming meteen de juiste structuren te creëren om nog adequater om te gaan met dat soort crisissen en om uw weerbaarheidsplan meteen om te zetten in de praktijk.
Beste collega's, ik sluit af en hoop echt dat dit een wake-upcall is en dat we dat gezwets over haalbaarheid en betaalbaarheid nu eindelijk in de vergeethoek kunnen duwen en echt onze ogen op de toekomst en op oplossingen richten.
01.21 Maaike De Vreese (N-VA): Ik twijfelde om nog even tussen te komen. Ik hoor hier immers verschillende mensen, niet alleen uit de oppositie, maar ook uit de meerderheid, verwijzen naar de hervorming die werd doorgevoerd onder de Zweedse regering, de regering-Michel, met toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon. Het ging om een hervorming van de Civiele Bescherming waarover alle experts het eens waren dat ze moest gebeuren.
Een hervorming is echter nooit gemakkelijk. We waren er met de N-VA en ook met MR van overtuigd dat die noodzakelijk was. Heel wat experts waren die mening ook toegedaan. Na 2019, was er echter een andere regering, met Ecolo-Groen en nog een aantal andere partijen die hier vandaag kritiek uiten. Die hervorming staat of valt natuurlijk met de operationele uitvoering en de manier waarop men ze invult. Het is dan ook die verdere operationele uitvoering die de minister zal moeten opvolgen. We zullen inderdaad met deze regering investeren in de Civiele Bescherming.
Wat we niet zullen doen, is onze kop in het zand steken en ons niet verdedigen ten opzichte van een hervorming die absoluut nodig was. In Frankrijk valt de civiele bescherming ook onder defensie. Spreken we daar over een militarisering? Ik dacht het niet. Ze valt daar onder defensie en staat ook de lokale brandweer bij. Wat we hier doen, is een mooie samenwerking tussen het militaire en het civiele, tussen het federale en het lokale, op een manier waarop het moet. Kan dat beter? Absoluut. De manier waarop hier nu naar de Civiele Bescherming wordt gekeken, alsof die hervorming niet noodzakelijk was, vind ik echter niet correct. Die hervorming was absoluut noodzakelijk.
Crisnée ligt het dichtst bij de brandhaard. Er is inderdaad bekeken naar de overhead aan administratief personeel. Dat moet men altijd doen. De mensen die operationeel inzetbaar waren, zijn naar andere diensten verschoven, dus ze zijn er nog steeds. Er was echter absoluut nood aan een duidelijke taakverdeling. Er werden immers zaken dubbel gedaan en zaken die helemaal niet bestemd waren voor een gespecialiseerde civiele bescherming.
U hebt het hier vandaag over het feit dat gespecialiseerde steun nodig is voor deze brandhaard. Daarover is iedereen het eens. Als men echter een hervorming in die zin heeft doorgevoerd, krijgt men nu kritiek. Ik begrijp dat helemaal niet, want die hervorming was absoluut nodig.
Dus, minister, kunt u nog eens zeggen dat die hervorming bij de Civiele Bescherming noodzakelijk was? Kunt u ook nog eens bevestigen dat u inderdaad de noodzakelijke middelen zult voorzien voor die Civiele Bescherming en dat de operationele uitvoering nog bijsturing nodig heeft? Dat is correct en die analyse hebben we tijdens de regeringsvorming ook gemaakt.
De voorzitter: Collega's, de minister vraagt een kleine pauze om zijn antwoorden te kunnen voorbereiden. Ik stel voor dat we tien minuten schorsen.
De openbare commissievergadering wordt geschorst van 17.42 uur tot 17.52 uur.
La réunion publique de commission est suspendue de 17 h 42 à 17 h 52.
La parole est au ministre pour ses réponses.
01.22 Bernard Quintin, ministre: Je vais essayer de répondre aux nombreuses questions qui ont été posées, en tout cas à celles qui relèvent de mon domaine de compétence et de ma responsabilité politique.
En ce qui concerne l’évaluation de cet incident, comme je l’ai déjà indiqué, il est encore trop tôt pour en tirer toutes les conclusions. Nous procéderons à une évaluation mais il faut être conscient que nos services de secours sont toujours pleinement mobilisés sur le terrain. Nous demeurons d’ailleurs en phase provinciale, ce qui signifie que le gouverneur continue d’assurer la coordination de l’ensemble des opérations.
De voorstellen en de geïdentificeerde verbeterpunten moeten deel uitmaken van ons Nationaal Weerbaarheidsplan.
Je l'ai déjà dit. J'y reviendrai plus tard.
De heer Depoortere, mevrouw Delcourt, de heer De Smet en anderen vroegen of we voldoende zijn voorbereid. Ik heb in mijn inleiding uitgebreid toegelicht wat er in België al is gebeurd en nog is gepland, onder meer in het weerbaarheidsplan, ook in antwoord op de studies en rapporten.
Er waren ook nog opmerkingen over de blusoperaties vanuit de lucht.
Je le répète, et ce n’est pas moi qui le dis – certes, je suis sur le terrain, mais avant même de m’y rendre, j’écoute les gens qui savent de quoi ils parlent: les pompiers, la Protection civile, je ne suis pas de ceux qui pensent avoir la science infuse –, les pompiers sont formels: un feu s'éteint au sol. Les moyens aériens sont nécessaires et constituent un appui, mais ils ne sont pas suffisants. C’est une réalité de terrain qu’il faut pouvoir entendre.
Le mécanisme européen sert à cela. Comme je l’ai indiqué, nous réaliserons une évaluation. Faut-il disposer de moyens supplémentaires? J’en profite également pour répondre à une question de M. Orlians. Je constate qu’il n’est plus présent, mais je lui répondrai malgré tout. S’il revient, tant mieux; sinon, ce sera pour une prochaine occasion. Lorsque vous me demandez si nous étions prêts à faire face à cette crise, ma réponse est la suivante: nous avons fait face à cette crise avec l’ensemble des moyens dont nous disposions. Cela étant, je vais revenir sur un certain nombre des préoccupations qui ont été exprimées.
Nous avons également évoqué le rôle joué par les agriculteurs.
Ik wil nogmaals mijn oprechte dank uitspreken aan alle landbouwers, lokale ondernemingen, vrijwilligers en burgers, die de voorbije dagen spontaan mensen, materiaal en middelen ter beschikking hebben gesteld. Die lokale solidariteit was indrukwekkend en bijzonder waardevol voor de mensen op het terrein. Met hun tractoren, watertanks, materialen en kennis van het terrein, heel belangrijk, hebben de landbouwers een belangrijke rol gespeeld bij de watervoorziening en de ondersteuning van onze hulpdiensten. Vanaf dag 1 waren onze hulpverleners aanwezig. Hun bijdrage is van onschatbare waarde geweest.
Tot en met zondag vond deze inzet op vrijwillige basis plaats. De gemobiliseerde landbouwers konden, net als de hulpdiensten, gebruikmaken van de tankpunten die in het kader van het crisisbeheer ter beschikking waren gesteld. Sinds maandag zijn sommige landbouwers formeel opgevorderd. Ik wil hierover heel duidelijk zijn. Zodra er sprake is van een formele opvordering, wordt hun inzet vergoed.
Pour être très précis, j'ai indiqué dès samedi soir que, s'il devait y avoir réquisition, elle devait être effectuée et que la Direction générale de la Sécurité civile, qui dépend du SPF Intérieur – qui, si je suis bien informé, relève de ma compétence –, prendrait ces frais en charge.
J'aimerais néanmoins partager un constat avec vous, et je reviendrai également sur le mécanisme européen. Je ne dis pas qu'il n'y a pas eu de difficultés ni d'éléments à améliorer – j'y reviendrai ultérieurement –, mais c'est souvent l'indécision qui constitue un problème. Je l'ai constaté: lorsqu'il s'est agi d'envisager une réquisition, j'ai perçu une hésitation. J'ai donc demandé pourquoi cette hésitation était présente. On m'a répondu que c'était parce qu'on ne savait pas qui allait payer. C'est alors que j'ai demandé qui devait prendre ces frais en charge. La réponse a été la Direction générale de la Sécurité civile. J'ai alors rappelé devant tout le monde, en présence du chef de cabinet et des 25 personnes qui participaient à la réunion, lesquelles pourront en témoigner, que la Direction générale de la Sécurité civile dépend du SPF Intérieur et que le SPF Intérieur relève de ma responsabilité. J'ai donc indiqué clairement qu'il fallait réquisitionnez les moyens nécessaires et que nous en assumerons le coût.
Dans une crise en effet, une chaîne de commandement claire est l'élément fondamental. Les responsables appelés à prendre des décisions doivent les assumer pleinement. Tel a été le cas depuis le début de cette crise et tel demeure le cas aujourd'hui. La gestion est restée au niveau communal pendant environ une heure, puis la décision de passer au niveau provincial a été prise rapidement. Depuis lors, les décisions continuent d'être prises.
Il en va de même pour le mécanisme européen. J'entends bien les interrogations exprimées. Je ne dis pas qu'il ne faut pas réfléchir à la question de moyens aériens propres, et je reviendrai d'ailleurs sur le travail mené avec la Défense à cet égard. Toutefois, lors de la dernière conversation que j'ai eue avec la commissaire européenne Hadja Lahbib, celle-ci m'a indiqué qu'il était positif que la Belgique ait fait appel au mécanisme européen très rapidement. En effet, sous la pression de l'opinion publique, des médias ou encore de certains responsables politiques, de nombreux gouvernements hésitent parfois à recourir à ce mécanisme, par crainte d'être accusés d'incurie. En conséquence, ils y font appel trop tard. Je pense donc que chacun doit prendre ses responsabilités à cet égard.
Le mécanisme existe pour soutenir les États membres. Il ne s'agit pas d'un instrument exogène mais bien endogène. Il s'agit de notre mécanisme. L'Union européenne, c'est nous. On présente parfois ce mécanisme comme quelque chose d'extérieur, alors qu'il ne s'agit pas de l'étranger, mais de l'Union européenne. En l'occurrence, il ne s'agit d'ailleurs pas uniquement de l'Union européenne, puisque dix États non membres participent également à ce mécanisme. Utilisons donc tous les moyens dont nous disposons pour faire face à ce type de crise.
Pour ce qui est de la coopération avec la Défense, je note que, directement, dans la nuit, comme je l'ai indiqué, les arroseuses de la Défense, qui sont des arroseuses d'aéroport en fait, sont arrivées. Ce sont des moyens dont personne d'autre ne dispose, et elles ont fait leur travail.
Je reviendrai sur la sécurité et sur la Protection civile. Il est évident que dans le cadre d'une réflexion au niveau des investissements pour l'armée, il faut voir dans quelle mesure un certain nombre d'investissements supplémentaires peuvent être faits. Ils sont aussi au service des crises civiles, dans le cadre de l'aide à la nation, et avec ce qu'on appelle le matériel dual use. Les cinq hélicoptères que la police doit acheter pour renouveler sa flotte sont payés par le budget de la Défense. Ce sont des dizaines de millions d'euros que nous ne devons pas dépenser au niveau du civil, car ils sont dépensés au niveau militaire. Ce n'est pas mon modèle politique, ce n'est pas Churchill mais Margaret Thatcher. Je sens bien qu'on va me reprocher de la citer, mais ce n'est pas grave. Elle avait quand même de bonnes phrases, comme nos amis britanniques en ont toujours: "There is no such thing as public money". Qu'on le dépense pour la Défense ou qu'on le dépense pour le civil, c'est quand même toujours de l'argent public. Et l'argent public, c'est le fruit de nos impôts.
Dire qu'on ne doit plus acheter de F‑35, mais qu'on doit acheter des hélicoptères, c'est non. On doit acheter des F‑35 et des hélicoptères. Et profitons de cet effort colossal que nous devons faire pour nous mettre enfin à niveau dans nos dépenses militaires, pour voir justement dans quelle mesure, en termes de dual use, on peut utiliser ces budgets militaires, ce que nous faisons déjà. Je pense que c'est aussi important à dire.
Je reviens sur les agriculteurs, mais aussi sur toutes les personnes qui ont proposé leur aide. C'est déjà un des premiers points d'amélioration que j'ai signalés. Dès samedi soir – ou c'était dimanche, vous m'excusez si je me trompe de jour –, j'ai indiqué aux services du gouverneur qu'un des premiers points d'amélioration que nous pouvons avoir, c'est que dès qu'on déclenche une phase de crise, on ait un système – je sais que cela existe déjà dans certaines communes – de numéros à appeler, avec des gens qui peuvent récolter les propositions d'aide, faire des tableaux Excel dynamiques, et qu'on ait cet élément de coordination qui peut être versé au niveau de la cellule stratégique ou éventuellement du PC-Ops, c'est encore à déterminer. Voilà un premier élément.
Monsieur Frank, un deuxième élément d'amélioration, c'est en effet le système EMRIC. Il n'a pas fonctionné comme il aurait dû fonctionner, donc c'est certainement aussi un point d'amélioration que nous devons examiner. Ce sont déjà deux éléments. Il y en a bien sûr d'autres qui surgiront quand nous ferons l'évaluation de ce qui s'est passé.
Wat de aantrekkelijkheid van het beroep van brandweerman of -vrouw betreft, heeft het brandweerorgaan zijn visie daarover uitgeschreven. Dat gebeurde na consultatie van heel wat actoren. De aantrekkelijkheid van de functie van brandweerman of -vrouw maakt daar deel van uit, maar ik herhaal nogmaals dat er op dit moment geen probleem is wat de attractiviteit van de job van professionele brandweerman of -vrouw betreft. De uitdaging ligt vooral in de retentie.
Ce n'est pas la même chose. Lorsqu'un poste de pompier est ouvert, il n'y a pas de problème de recrutement. Il y a davantage de candidats que de places disponibles. Le problème se situe plutôt au niveau de la rétention du personnel. Ce n'est pas un problème que je néglige, mais encore faut-il bien identifier de quoi nous parlons.
Madame Schlitz, vous m'avez demandé des chiffres précis. En 2025, on comptait 10 088 pompiers volontaires pour 6 895 pompiers professionnels. En 2020, ces chiffres étaient respectivement de 10 906 volontaires et 6 407 professionnels. Nous constatons donc une légère augmentation du nombre de professionnels et, à l'inverse, une diminution du nombre de volontaires. J'ai entendu certains, notamment le très actif président de la Fédération francophone et germanophone des pompiers, plaider pour un corps composé exclusivement de pompiers professionnels. Je peux vous le dire, puisque je l'ai suffisamment lu et entendu à plusieurs reprises.
Cela étant, les représentants des pompiers volontaires accueillent cette proposition avec une certaine réserve (?). La question du cumul entre une activité de pompier professionnel et celle de pompier volontaire dans une autre zone constitue une problématique qu'il faut prendre à bras-le-corps. Le fait que des pompiers professionnels sont en même temps volontaires dans une autre zone de secours et exercent une autre activité, constitue un sujet de préoccupation. Un pompier qui effectue bien son travail est un pompier qui dort et qui prend le temps de se reposer.
Je regrette, d'ailleurs, sincèrement que les organisations syndicales des pompiers aient refusé de participer à la journée de travail et au conclave que nous avons organisés avec le secteur. Elles ont fait le choix de ne pas y prendre part. Je ne suis pas convaincu que ce soit la meilleure manière de mener un dialogue constructif. À l'inverse, les représentants des pompiers volontaires ont, eux, participé à ces réunions. Je rappelle également que nous sommes dans ce beau pays qu'est la Belgique, où le ministre de l'Intérieur est responsable du cadre légal de travail et de la dotation des zones de secours.
Certains considèrent que les dotations fédérales sont insuffisantes. Je pense même que, si elles étaient triplées, certains continueraient à les juger insuffisantes. Néanmoins, j'ai pris mes responsabilités. Les dotations ont été augmentées de 17,5 millions d'euros et elles seront, désormais, indexées automatiquement. La responsabilité de l'organisation des services d'incendie demeure toutefois locale. Cela explique beaucoup des éléments évoqués aujourd'hui. Mais nous sommes aussi dans un pays qui, si nous n'y prenons pas garde, risque parfois de s'enfermer dans un excès de sous-localisme.
Ce n’est pas moi qui détermine le nombre de pompiers professionnels et volontaires nécessaires. Cette responsabilité revient à chaque zone de secours. Et dans ce contexte de sous-localisme, lorsqu’on parle de moyens, il existe déjà une marge permettant d’en dégager jusqu’à 30 % supplémentaires.
Ma directrice générale de la Sécurité civile le sait, car je lui répète régulièrement: je souhaite avancer très rapidement vers la mise en place d’une centrale d’achat obligatoire pour le matériel des pompiers. Aujourd’hui, un camion de pompiers – une autopompe classique, je ne parle pas ici du matériel spécifique – coûte environ 30 % plus cher en Belgique qu’en France. Pourquoi? Parce qu’en France, il existe une centrale d’achat unique.
En Belgique, en revanche, chacun, dans son coin, pense être plus malin que l’autre et savoir mieux que les autres quel camion il lui faut. Je parle bien du véhicule de base. Lorsque je dis cela, on n’ose pas me contredire parce que cela relève tout simplement du bon sens. Mais quand viendra le moment de le mettre en œuvre, je compte sur chacun d’entre vous et surtout ceux qui opinent du chef – M. Thiébaut aime souvent parler de mon langage corporel mais je parle aussi du sien – pour m’appuyer lorsque vous retournerez auprès de vos zones de secours pour leur dire: "Les gars, ce n’est peut-être pas une si mauvaise idée, finalement!"
Puisque nous parlons du matériel, il est faux de dire que nous n’avons rien fait. C’est tout simplement faux! À un moment donné, il faut quand même pouvoir dire la vérité. Des zones de pompiers – vous l’avez dit aussi monsieur Thiébaut –ont commencé à acheter du matériel spécifique pour lutter contre les feux de forêt. Nous avons également formé des pompiers. Le problème, de nouveau, c’est que lorsqu’un pompier part se former en France pour acquérir une expertise en la matière, afin de pouvoir repérer l'origine du feu et savoir s’il est criminel ou non, certains, au lieu de s’en réjouir, prétendront que ce n’est pas à lui de le faire, que cette prérogative incombe à la police, à la police judiciaire. Et cela devient alors un reproche. Si je ne me trompe pas, le cas concerne le chef de corps de la zone Luxembourg.
Peut-être! Mais il faut aussi être capable de regarder ce qui se passe et se fait concrètement. Je ne suis pas de ceux qui exigent qu’on dise que tout ce que je fais est bien. Ce n’est pas du tout ce que j’attends. En un an et demi, en tant que ministre, j’ai d’ailleurs bien compris qu’il ne fallait pas y compter. Mais il faut quand même, à un moment donné, regarder la réalité et reconnaître ce qui se fait.
Faut-il continuer à le faire? Bien entendu! Il faut continuer à investir dans la formation. Il faut continuer à investir dans le matériel.
Concernant les Fagnes, pour celles et ceux qui s’y sont déjà rendus – cela faisait longtemps pour ma part, mais évidemment j’y suis allé lorsque j’étais scout dans une autre vie - l’un des principaux problèmes rencontrés sur le terrain est que la Fagne est inaccessible, voire strictement inaccessible.
Il faudra donc s’y préparer. J’ai eu l’occasion d’en discuter avec les acteurs de terrain. Que me disent les pompiers, la protection civile et les agents du DNF? Parce qu'on a oublié de parler du SPW. De nombreux intervenants étaient présents, mais soit.
Pour protéger la Fagne, ne faudra-t-il pas penser, à un moment, à l’un ou l’autre chemin qui la traverse? Là, il y aura une vraie question. Nous allons nous retrouver, entre autres, avec nos amis Ecolo-Groen, qui portent peut-être plus que d’autres ce combat-là. Il faudra voir ce que nous voulons faire; mais nous ne pouvons pas avoir le beurre, l’argent du beurre et le sourire de la crémière. Cela ne marche pas!
Ce n’est pas un fait personnel, que je sache, mais il y aura des répliques!
01.23 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): (…)
01.24 Bernard Quintin, ministre: Qu’est-ce que j’ai dit?
Le président: Vous aurez l’occasion de répliquer, madame Schlitz, après les réponses du ministre.
01.25 Bernard Quintin, ministre: Je sors peut-être de mon rôle, parce que la préparation du territoire, comme je l’ai dit, ne ressort pas du fédéral, mais des Régions.
Vous avez regretté l’absence de mon collègue M. Crucke. Je ne vais pas me prononcer sur le sujet. C’est une décision du président de la Chambre. Cela regarde la Chambre. Mais il faudra avoir des discussions sur le sujet. Cela me paraît assez évident, mais j’avais compris que cette commission-ci se concentrait sur cette crise-ci et la gestion de cette crise.
J’en viens aux hélicoptères.
Ik heb al gezegd dat er vijf nieuwe helikopters voor de politie worden aangekocht met middelen van Defensie. De helikopters behoren dus tot Defensie, maar worden aan de politie ter beschikking gesteld. De federale politie en Defensie hebben daarvoor een convenant ondertekend. Dat lijkt me een interessant model.
S'agissant de l'avenir de la Protection civile, je vous ai déjà dit que je partage avec vous une certaine frustration de ne pas être venu plus tôt avec les plans et de ne pas encore pouvoir les présenter aujourd'hui. La journée ne compte que 24 heures et tout le monde travaille beaucoup, tant dans mon cabinet qu'au sein de l'administration.
Mijnheer Vandemaele, ik heb inderdaad niet geantwoord op de brieven van Nicolas Tuts, maar ik heb hem uitgenodigd in mijn bureau. Dat leek me nuttiger om een antwoord te geven. We hebben een uur samengezeten met nog andere collega's om na te gaan wat zijn ideeën waren.
On connaît les constats. On a une Protection civile qui a été réformée à partir de 2019 dans deux casernes. Je connais les défis face auxquels elle est confrontée, mais la Protection civile, c'est une deuxième ligne. J'espère qu'on est tous d'accord avec cela.
Er zijn de hulpverleningszones. De brandweer is de eerste lijn en de Civiele Bescherming is de tweede lijn.
Elle n'a donc pas vocation à arriver sur le terrain dans les cinq minutes. Les pompiers arrivent, évaluent la situation et la Protection civile intervient ensuite avec ses propres moyens. Elle dispose de moyens lourds. J'ai notamment entendu qu'il y avait des problèmes de tankers pour l'approvisionnement en eau. Dat is absoluut niet waar. La protection civile dispose de camions-citernes de 25 000 litres qui ont été déployés sur le terrain.
Les agriculteurs ont, pour leur part, apporté une contribution absolument fondamentale à deux égards. Tout d'abord, comme nous l'avons également observé en France, le fait d'acheminer l'eau au plus près des pompiers au moyen de leurs propres citernes a permis de faire gagner un temps précieux aux hommes du feu. Cela est venu compléter l'action des grands tankers.
Nous avons cependant été confrontés dans les Fagnes à une situation absolument inédite, d'une ampleur elle aussi inédite. C'est dans ce contexte qu'il a fallu mobiliser l'ensemble des moyens disponibles.
Le second apport fondamental des agriculteurs, aux côtés des véhicules arroseurs de la police et de la Défense, a concerné l'ennoyage. J'ai d'ailleurs appris ce terme à cette occasion. Il s'agissait de saturer les terrains en eau afin d'empêcher, ou à tout le moins de limiter, la progression de l'incendie. Cet apport a donc été absolument indispensable.
Pour en revenir à la Protection civile, oui, je l'ai confirmé aux membres de la Protection civile présents sur le terrain, la protection civile a un avenir. Pour tout vous dire, sans entrer dans les détails, trois options sont actuellement à l'étude. Nous en examinons la faisabilité et nous en évaluons le coût. C'est sur cette base que je reviendrai vers vous dans les prochaines semaines, probablement avec un plan unique si les deux autres options ne sont pas faisables ou peut-être avec deux plans et une manière de décider, pourquoi pas, ensemble.
Quoi qu'il en soit, il existe aujourd'hui trois possibilités pour assurer l'avenir de la Protection civile. Lorsque je parle de garantir cet avenir, je ne parle pas simplement du maintien de la situation actuelle. Bien entendu, il faudra renouveler les cadres. Bien entendu, le matériel qui doit être remplacé devra l'être. Bien sûr, monsieur Thiébaut, certains équipements devront être changés ou renouvelés, comme vous l'avez souligné. Pour cela, il faudra effectivement trouver des moyens. Nous les dégagerons lorsque nous aurons pu décider, dans les semaines qui viennent, de la manière dont nous entendons assurer et pérenniser la Protection civile ainsi que l'engagement de toutes les personnes qui y travaillent, qu'elles soient professionnelles ou volontaires.
Ik kom tot de rapporten van het Cerac en het Belgian Wildfire Network.
We hebben twee rapporten van het Cerac gekregen. Een rapport heeft een risicoanalyse gemaakt van de impact van de klimaatverandering op onze samenleving, met onder meer natuurbranden. In dat rapport van het Cerac wordt ook aandacht geschonken aan overstromingen, pandemieën en de voedselproductie die nog grotere risico's vormen.
C'est le Centre de crise National, comme j'ai pu l'indiquer, qui a demandé justement au CERAC de faire une analyse pour savoir à quel type de risque de feu de nature on allait faire face dans les quinze à vingt années qui viennent. Cela a été dit par l'une ou l'un d'entre vous. Même le CERAC posait un délai de cinq ans, ou entre cinq et dix ans. On doit constater que cela va beaucoup plus vite. Nous devons évidemment tenir compte de ce fait. Bien sûr, nous mettons en œuvre, au fur et à mesure, en tout cas pour ce qui me concerne, dans les services qui sont sous mon autorité d'une manière ou d'une autre, les recommandations qui sont faites dans ces différents rapports.
Er is ook het rapport van het Belgian Wildfire Network (BWN). Zowel de ADCV als het Nationaal Crisiscentrum hebben een structurele samenwerking met het BWN en wisselen gegevens uit. Onze diensten nemen die aanbevelingen ter harte.
Sinds 2023 waren er 4.220 deelnames aan de specifieke opleiding die door de Algemene Directie Civiele Veiligheid over natuurbranden wordt gegeven. Ook de aankopen worden al sinds verschillende jaren naar natuurbranden geheroriënteerd. U weet dat de hulpverleningszones autonoom over de aankopen beslissen.
Comme je l’ai dit. J'espère pouvoir travailler à cette situation.
Die thematiek staat centraal bij de Civiele Bescherming, rekening houdend met de andere behoeften. Ook de aanbeveling dat er meer gebruik moet worden gemaakt van data en satellietbeelden, is direct geïmplementeerd. Het Paragonplatform wordt op alle crisisniveaus gebruikt. De data is voor iedereen beschikbaar.
Je reviens à l’aide européenne, pour compléter la réponse sur l’aide aérienne. Nous avons, pour être précis, cinq équipages qui peuvent piloter des hélicoptères avec Bambi bucket.
Iedereen begrijpt dat met een helikopter vliegen een ding is, maar dat een helikopter met een Bambi Bucket waarin een ton water zit een heel andere manier van vliegen vereist.
De opleiding is dus heel belangrijk. We hebben vier à vijf teams die daarvoor zijn opgeleid, maar vijf teams betekent niet dat we vijf helikopters kunnen sturen. Die teams moeten ook slapen en rusten.
We hebben tot nu toe drie Bambi Buckets, waarvan er één een paar defecten heeft. Die moeten we dus herstellen of vervangen.
Ik kom terug op de samenwerking met Defensie. We moeten de komende weken bekijken in wat we precies zullen investeren: al dan niet helikopters, NH, Chinook of iets anders. Dat zullen we moeten bekijken.
Je pense que ce qui est important, et je l’ai dit, c’est que nous y avons fait appel très rapidement. C’est la direction générale…
Het is de ADCV die dat doet. Kolonel Tuts van de Civiele Bescherming was daar en dat was de link. Hij behoort tot de directie-generaal. Dat is normaal voor Europa. Het zou een beetje moeilijk worden als elke brandweerzone een beroep zou doen op dat mechanisme. Dat gebeurt via het federale systeem, maar wordt op het terrein meteen gelinkt met de mensen in het Crisiscentrum.
Madame Merckx, il est vrai que les premiers hélicoptères de nos partenaires européens sont arrivés le lendemain, mais je rappelle quand même qu'il y avait deux hélicoptères de la police.
Sur le terrain, on a une très bonne explication. Ce qui est aussi intéressant, c'est la diversité des moyens aéroportés, depuis des hélicoptères avec 800 litres, qui peuvent faire des choses extrêmement précises quand c'est nécessaire, jusqu'à 7 000 litres pour les Chinooks néerlandais qui, eux, un peu à l'instar des Canadairs, déversent vraiment un tapis d'eau.
Il faut savoir qu’on ne jette pas 7 tonnes d'eau sur le sol sans qu'il y ait des conséquences. Je l'ai expliqué. La première chose, c'est qu’il faut avoir une excellente coordination sur le terrain pour éviter qu'il y ait des gens qui soient en dessous de ces 7 tonnes d'eau – ou même de 800 litres d'eau, mais ce n'est pas de la même nature.
On avait donc 800 litres, 1 200 litres, 2 000 litres, 3 000 litres et 7 000 litres. La combinaison de ces moyens constitue un défi incroyable. Quand les Néerlandais sont arrivés avec les Chinooks, le premier moment a été un peu compliqué. Je signale que les Chinooks appartiennent à l'armée néerlandaise. Ils ont dit: "Très bien, mais personne d'autre ne peut voler en même temps que nous."
Pourquoi? Parce que c'est grand, parce qu'il y a 7 000 litres d'eau. Je suis un modeste historien du Moyen-Âge, mais j'imagine bien que, lorsqu'un feu fait des centaines ou des milliers de degrés et que vous y jetez 7 tonnes d'eau, vous créez des conditions atmosphériques locales qui imposent une manière de piloter extrêmement particulière.
Je l'ai dit dans la presse et j'ai eu l'occasion de le dire à sa majesté le roi quand il est venu, je salue et j'ai trouvé extraordinaire cette capacité des équipes à s'adapter très rapidement aux réalités.
Un couloir a d’abord été défini, dans lequel les Chinooks allaient travailler. Puis, il y a eu les avions suédois. Cela a été séparé en trois zones, puis en quatre zones, pour s'assurer qu'il n'y ait pas de croisement entre les hélicoptères et les avions, que chacun dans sa zone ait un point d'eau qui lui permette non seulement de faire des allers-retours rapides, mais d'aller de ci à là sans se croiser, avec tous les dangers que cela peut représenter.
Quant aux moyens aériens, les deux avions suédois disposent chacun d’une capacité d’emporter3 000 litres d’eau. Ce ne sont pas les grands Canadairs, comme on voit les images de Canadairs qui viennent prendre de l'eau, par exemple, dans le Rhône. Pour ceux qui vont de temps en temps à côté de la Meuse et puis à côté du Rhône, vous constaterez qu'il y a une sensible différence de largeur. Nos cours d'eau n’ont pas les surfaces les plus grandes.
Mme Delcourt l'a rappelé: des exercices ont été faits il y a 10 ans sur le lac du barrage d’Eupen, qui ont bien fonctionné.
À cet égard, je vous rejoins. Bien sûr qu’il existe des effets du changement climatique. Ce n’est certainement pas moi qui vais prétendre le contraire. L’un de ces effets est la sécheresse. Et quelles en sont les conséquences? Entre autres, une baisse du niveau des cours d’eau et des retenues d’eau, notamment au barrage d'Eupen. Dans le cas présent, il n’a pas été possible pour certains petits avions de s’y approvisionner en eau, car le niveau était trop bas et les conditions de vent étaient défavorables. Nous avons immédiatement pris contact avec le SPW afin d’identifier une autre voie d’eau pouvant être utilisée. Le canal Albert a alors été envisagé. J’ai directement contacté la police de la navigation afin qu’elle puisse interrompre la circulation sur le canal Albert. Mais il faut bien comprendre que toutes ces démarches ne se réalisent pas en un simple claquement de doigts. Il faut identifier et prendre des contacts. Sur le canal Albert circulent des péniches, des bateaux de plaisance, etc. Tout cela doit être pris en compte. Et tout cela a été fait “op een vlotte manier".
Les pilotes ont effectué deux passages avant de conclure que, compte tenu de la proximité des habitations avec les berges ainsi que de la présence de lignes à haute tension, l’opération ne pouvait pas être réalisée. Ce n’est pas grave. Nous avons alors pris contact avec nos collègues allemands. Les avions ont pu s’approvisionner dans un lac situé à proximité, en Allemagne. Tout cela s’organise, tout cela fonctionne, mais tout cela demande forcément un peu de temps. Malheureusement, les choses ne se mettent pas en place instantanément. Si je disposais d’une formule magique permettant qu’au moment même où la crise est déclenchée, tous les moyens soient déployés et pleinement opérationnels dans l’heure qui suit, je l’utiliserais bien volontiers. Mais ce n’est malheureusement pas la réalité.
Je terminerai rapidement par la question de la communication sur le terrain. Il est vrai que l’un des colonels m’a indiqué qu’il était parfois particulier de devoir travailler avec WhatsApp. Je rappelle toutefois que le réseau ASTRID reste le système de communication de référence entre les services de secours. Deux colonels m’ont demandé s’ils pouvaient, à titre expérimental, activer un dispositif qu’ils avaient en réserve, dans le centre de coordination du renforcement interzonal. J’ai évidemment donné mon accord immédiatement.
Il faut rappeler que nous comptons 35 zones de pompiers dans notre pays. Cela implique nécessairement la mise en place de mécanismes de coordination interzonale. Je pense donc qu’une réflexion mérite d’être menée sur ce point. Enfin, concernant le plan d’action, comme je l’ai déjà indiqué, plusieurs mesures avaient été identifiées.
Mijnheer Vandemaele, ik heb nooit het woord 'perfect' gebruikt. Ik heb dat niet gedaan en zal dat ook niet doen. Het is niet perfect verlopen. Er zijn zaken die beter moeten worden gedaan.
Je reviens à "never waste a crisis". On doit prendre la mesure de ce qui s'est passé et en tirer les conclusions. J'ai bien entendu ce qui a été dit sur un plan militaire contre le feu, et sur un plan civil. Ce n'est pas comme ça qu'il faut voir les choses. C'est pour cela que je suis revenu plusieurs fois avec le plan de résilience. Le plan de résilience doit être en fait la coupole faîtière de tous ces plans que nous devons faire. Dans ce plan, et on y travaille déjà concomitamment, se trouvera un plan de lutte contre les incendies de nature et les incendies de forêt. Dans cette colonne "lutte contre les incendies de forêt et de nature", quel est le rôle du civil? Quel est le rôle du militaire? Quels sont les moyens dont on dispose? C'est ça que nous devons faire, c'est ce à quoi nous travaillons. Là encore, je vais le dire: j'aimerais bien aller plus vite. Oui, j'aimerais bien aller plus vite, mais on fait, je vous l'assure, aussi vite que l'on peut, en fonction, entre autres, des moyens dont nous disposons à notre niveau.
Daarmee hoop ik op nagenoeg alle vragen geantwoord te hebben. Ik dank u, mijnheer de voorzitter.
De voorzitter: En ik dank u, mijnheer de minister, voor uw bijkomende antwoorden, want u had al veel uitleg gegeven tijdens de inleiding.
Het laatste woord is aan de fracties, voor de replieken.
01.26 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel voor uw antwoorden, mijnheer de minister. U hebt niet alle vragen beantwoord, maar ik begrijp het, het is een zeer hectische periode geweest. We zullen de discussie nog wel voeren. Ik denk dat u heel veel aan uw hoofd hebt en dat u daar ook de nodige steun in verdient.
Ik heb me tijdens sommige betogen een beetje zitten opvreten. Niet tijdens uw antwoord, mijnheer de minister, maar er is gewoon ongelooflijk veel onzin verteld. Wat er hier wordt gezegd over de hervormingen die bij de Civiele Bescherming zijn doorgevoerd, is waanzinnig.
In 2015 heeft minister Jan Jambon een brandweerhervorming doorgevoerd en is het statuut van onze brandweerlieden verbeterd. Ik lees voor uit de nota van de toenmalige directeur-generaal van de Civiele Bescherming; in 2017 zei die letterlijk: "De hervorming van de Civiele Bescherming is een absolute noodzaak, vanuit organisatorisch standpunt, zodat vermeden wordt dat de hulpverleningszones en de Civiele Bescherming dezelfde taken behartigen.” Vervolgens kwam er, door de situatie bij de Civiele Bescherming, een structurele wervingsstop in de periode 2009-2014. Tiens, mijnheer Weydts, collega's van Groen, collega's van de PS, dat was de regering-Di Rupo. De regering-Di Rupo heeft gezegd dat er geen enkele aanwerving meer zou komen bij de Civiele Bescherming.
Ik ga verder met mijn citaat. "De hoge gemiddelde leeftijd van het huidige personeel en het daaruit voortvloeiende, steeds acutere gebrek aan leidinggevenden maken dat de organisatie haar huidige opdracht niet meer naar behoren kan uitvoeren. Ten slotte heeft de hervormde brandweer met een betere omkadering, meer carrièrekansen en een beter administratief en geldelijk statuut tot gevolg dat de Civiele Bescherming leegloopt ten voordele van de hulpverleningszones. Zonder hervorming verliest de Civiele Bescherming haar bestaansreden, maar zal ze ook niet meer in staat zijn om de huidige taken uit te voeren.” Dat zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de directeur-generaal van de Civiele Bescherming ten tijde van de hervorming.
Weet u wat de Inspectie van Financiën als advies heeft gegeven over de hervorming van de Civiele Bescherming die op 1 januari 2019 is ingegaan? De Inspectie gaf een negatief advies omdat de hervorming te veel geld kostte, omdat het een te grote investering was om de statuten en de verloning – het gaat over de arbeiders, mevrouw Eggermont – gelijk te trekken bij de Civiele Bescherming in vergelijking met de brandweer. Dat zijn de feiten!
En hoeveel personeelsposten zijn er geschrapt? Ik heb van de PVDA gehoord dat er 600 personeelsposten zijn gesneuveld bij de Civiele Bescherming. Robin Tonniau zegt dat, heel interessant, maar er hebben nooit 600 personeelsleden gewerkt voor de Civiele Bescherming.
Er hebben nooit 600 personeelsleden gewerkt voor de Civiele Bescherming. Met de hervorming werden er operationeel 11 vte’s geschrapt door Jan Jambon.
Daarna kwam de Vivaldiregering, waarin u wel zat, mijnheer Vandemaele. U werkte toen op het kabinet van de vicepremier. U hebt toen niets gedaan voor de Civiele Bescherming: geen enkele investering. Er is toen veel meer personeel geschrapt dan de 11 operationele vte's die door Jan Jambon zijn geschrapt. Vivaldi heeft zeker niet geïnvesteerd in de Civiele Bescherming.
De hervorming van Jan Jambon was ten eerste noodzakelijk. Dat zijn de woorden van de directeur-generaal van de Civiele Bescherming zelf. Ten tweede werden er amper 11 operationele vte's geschrapt. Die 11 mensen hadden op het terrein tijdens de brand in de Hoge Venen zeker niet het verschil gemaakt.
Ik hoor ook dat het schandalig is dat we van 6 naar 2 kazernes zijn gegaan. Collega De Vreese zei het al: in Frankrijk – toch iets groter dan België – is de civiele bescherming geïntegreerd in het leger en zijn er drie posten voor het hele land.
De post die het dichtst bij de Hoge Venen ligt, werd behouden. De capaciteit die de Civiele Bescherming in 2019 voor bosbranden had, bestond uit 4x4-watertankwagens. Die werden verplaatst naar Crisnée, de kazerne die het dichtst bij de Hoge Venen ligt. Door het zogenaamd schandalige schrappen van vier kazernes – kazernes die dus verder van het rampgebied lagen – bevindt de capaciteit van de Civiele Bescherming zich nu dus dichter bij de natuurbrand. Ook de kazerne waar het operationeel personeel zit, ligt dichterbij.
Ik hoor hier een heleboel collega's die ik nog nooit in de commissie voor Binnenlandse Zaken heb gezien, uitspraken doen zonder enige vorm van dossierkennis. Cijfers worden uit de duim gezogen en uitspraken over besparingen kloppen totaal niet.
In de hervorming van Jan Jambon ging het om 11 operationele vte's. Als die hervorming dan zo schandalig was en die investeringen zo schandalig waren – de Inspectie van Financiën zei dat het te veel geld zou kosten –, dan vraag ik mij af waarom er tijdens de vijf jaar Vivaldi door minister Verlinden, Groen, Vooruit en Ecolo in de regering helemaal niets werd gedaan.
Mijnheer de minister, u zei inderdaad ook – en zeer terecht – dat in het regeerakkoord staat dat we zullen investeren in de Civiele Bescherming. Dat is volgens mij een goede zaak, maar onder één belangrijke voorwaarde. In het regeerakkoord staat eveneens dat de Civiele Bescherming geïntegreerd moet worden in de brandweer. Dat is cruciaal. We moeten in dit land af van het idee dat we voor elk probleem een eigen overheidsdienst moeten oprichten, met een eigen kleur, een eigen administratie, eigen problemen en een eigen overhead.
We moeten investeren in de Civiele Bescherming en in een nationale capaciteit, maar die moet geïntegreerd zijn in de brandweer. We moeten ervoor zorgen dat dat efficiënt gebeurt en dat de verkokering wordt tegengegaan. U noemt dat sous-localisme, mijnheer de minister, en daar hebt u gelijk in. Als die hervorming op die manier gebeurt, zullen we u daarin absoluut steunen.
De partijen die tijdens de vorige legislatuur exact het omgekeerde hebben gedaan, mogen mij eens uitleggen waarom. Ik herhaal het voor alle personen die klagen over de besparingen bij de Civiele Bescherming: Jan Jambon heeft amper 11 operationele vte's geschrapt. Vergelijk dat eens, mijnheer Vandemaele, met de cijfers van Vivaldi. Dat is heel pijnlijk voor u, dat weet ik.
Nog een heel belangrijk punt is dat er hier wordt gesproken over een tegenstelling tussen de brandweer en het leger. Volgens de PVDA-fractie zijn de investeringen in bluscapaciteiten bij het leger een stiekeme poging om Afrika opnieuw te koloniseren. Ik vind het waanzinnig dat u zo'n uitspraak durft te doen.
Groen bedankt op sociale media alle partijen – zelfs dierenverlossers die hebben geholpen – behalve Defensie, terwijl onze militairen wel op het terrein aan het blussen waren.
Er is helemaal geen tegenstelling tussen het leger, de politie en de brandweer. Die hebben heel goed samengewerkt om deze crisis onder controle te krijgen. Ik vind die houding schandalig. Ons leger en onze militairen verdienen meer respect. Ook onze brandweermannen verdienen meer respect.
Op één vlak ben ik het zeker eens met wat er gezegd is: er moet ook gekeken worden naar het personeel, niet alleen naar het materiaal. Professionele en vrijwillige brandweermannen worden vandaag fiscaal afgestraft. Als zij meer uren willen presteren, worden zij fiscaal benadeeld. Ze worden minder verloond als ze meer willen werken. Collega Piedboeuf heeft een wetsvoorstel ingediend om die fiscale afstraffing van professionele brandweermannen en vrijwilligers af te schaffen. Ook collega Verkeyn en ikzelf hebben daarvoor een wetsvoorstel ingediend. Ik stel voor dat iedereen die hier een grote mond heeft opgezet – daarbij niet gehinderd door enige dossierkennis over respect voor onze brandweer en over meer investeringen in personeel – dat wetsvoorstel steunt en na het reces voor stemt.
Tot slot, de PVDA-fractie zei dat er zeker niet in helikopters mag worden geïnvesteerd die ook voor Defensie kunnen worden gebruikt. De PVDA vindt het schandalig dat een investering in onze veiligheidsinfrastructuur voor meer dan alleen het blussen van branden zou kunnen worden ingezet. Ondertussen pleit die partij op de sociale media voor vliegtuigen. Dat vind ik waanzinnig. Er zijn immers ontzettend weinig plaatsen in ons land waar er genoeg aaneengeschakelde watervlakken zijn. Men moet twee kilometer rechtdoor kunnen vliegen om met een vliegtuig water te scheppen. Daarom zijn helikopters veel interessanter voor ons land. Een eenvoudige zoekopdracht via Google had u dat kunnen leren. In Vlaanderen is het Albertkanaal een van de enige plaatsen waar dat mogelijk is, maar dan moet men tussen twee bruggen water scheppen. Als ik met onze mensen op het terrein spreek, met onze zonecommandanten, dan zeggen zij dat dat levensgevaarlijk is. Men kan daar officieel water scheppen, maar het is levensgevaarlijk. Kom dus alsjeblieft niet af met dat soort onzin. In ons land zijn helikopters veel interessanter.
Ik denk dat het allesbehalve een schandaal is dat er dualuse-opportuniteiten zijn, en dat dat zowel interessant is voor onze militaire veiligheid, als voor onze brandveiligheid en voor de politie.
01.27 Ortwin Depoortere (VB): Ik hoop dat u uw hart wat hebt kunnen luchten, mijnheer Bergers. (Gelach in de zaal)
Ik zal het wat korter houden, mijnheer de minister.
Ik wens u uitdrukkelijk te bedanken voor de snelheid waarmee u het Parlement te woord hebt gestaan en de nodige uitleg hebt gegeven.
Ik wil me ook even persoonlijk richten tot mevrouw Vandeberg, die het zeer moeilijk heeft in haar thuisstad. Ik heb deze vergadering niet samengeroepen wegens een gebrek aan respect voor de inwoners daar. Het is echter wel noodzakelijk dat de politiek interesse toont in een natuurramp die zijn gelijke nog niet heeft gekend in dit land. Het is nodig om daarover de nodige vragen te stellen. Ik ben dan ook blij dat we dat vandaag hebben kunnen doen.
Voor het overige, mijnheer de minister, kijk ik uit naar twee zaken. Ten eerste kijk ik uit naar uw Nationaal Weerbaarheidsplan, dat blijkbaar alles zal overkoepelen. Eindelijk zal de heer Francken zijn plaats kennen, namelijk als onderdeel van uw Nationaal Weerbaarheidsplan. Ten tweede kijk ik uit naar het rapport van deze ramp zelf. Hoe we dat aangepakt hebben en welke lessen daaruit kunnen worden getrokken. Sommige collega's pleiten voor een meer objectieve analyse en studie. Ik weet niet of dat in deze echt nodig is. Ik denk dat het veel beter is om met de mensen op het terrein zelf te spreken en te kijken hoe zij dat hebben ervaren. Zij kunnen ook blootleggen welke pijnpunten er daadwerkelijk waren.
Ik neem u op uw woord, mijnheer de minister, wanneer u zegt dat u meer zult investeren in veiligheid. Het is trouwens een onderdeel van het regeerakkoord. Dan wil ik wel boter bij de vis, zoals we in Vlaanderen zeggen. Ik wil weten waar en hoe er zal worden geïnvesteerd. Dergelijke rampen moeten we toch beter kunnen coördineren. Daar blijf ik bij. We moeten ze echter ook met beter materiaal en meer personeelscapaciteit kunnen bestrijden. Dit zijn echter allemaal discussies die in het najaar wellicht nog zullen volgen in deze commissie, maar ook in andere commissies.
Ik wil ook ingaan op de opmerking van sommige collega's die zeggen dat wij alle discussies hebben samen gegooid. Ik heb vandaag alle bevoegdheden hier over de vloer gekregen, van defensie over klimaat en sociale zekerheid tot zware beroepen enzovoort. Ik wil er dan ook op wijzen dat wij in ons Parlement verschillende commissies hebben, met eigen bevoegdheden en eigen ministers. Het staat iedereen vrij om, net zoals ik, de verantwoordelijkheid te nemen en hun commissie te laten samenroepen. Daarmee wil ik besluiten.
01.28 Victoria Vandeberg (MR): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Je souhaitais également insister sur l’importance de l’expertise que nous sommes déjà allés chercher. On parle beaucoup des moyens, mais il est vrai que nous ne sommes pas, en Belgique, de grands habitués de ce type d’incendie. C’est pourquoi des formations ont été mises en place et des pompiers, ainsi que des membres de la Protection civile, ont suivi des formations, notamment en France, sur cette problématique.
À la suite de ces formations, des moyens ont également été développés au sein des zones. Vous avez d’ailleurs dit à juste titre que les moyens de terrain étaient importants. Si les moyens aériens jouent un rôle important pour diminuer l’incendie, c’est effectivement via l’intervention au sol qu’on peut en venir totalement à bout.
Dans cette perspective, des camions spécifiques ont été achetés dans les zones. Il me semble important de le préciser. Cependant, pour aboutir à ces moyens matériels, ceux-ci doivent s’accompagner de personnel formé. Or, ce travail est en cours et a déjà été engagé. Nous allons chercher l’expertise là où elle est la plus développée et nous constatons, au fil du temps, une anticipation. La préparation au risque d’incendie s’améliore donc continuellement. Cette crise permettra encore de l’améliorer.
Vous évoquiez également les questions qui seront posées par la suite concernant la protection de la Fagne et d’éventuels chemins d’accès permettant de mieux la protéger en partie, si cela devait encore arriver à l’avenir. Ces questions devront effectivement se poser et sans doute à un autre niveau que celui-ci.
Je vous remercie en tout cas pour vos réponses, pour l’attention que vous portez aux différents services et surtout, pour l’analyse qui sera réalisée a posteriori à la suite du débriefing qui me semble le plus important de cette crise – celui qui sera réalisé avec les acteurs de terrain et l’ensemble des disciplines concernées. Sur cette base, nous pourrons réfléchir aux suites à donner et évaluer les moyens à débloquer.
Je vous remercie.
01.29 Catherine Delcourt (MR): Monsieur le ministre, merci pour vos réponses et la qualité de vos explications.
Je pense qu'il était très important que vous soyez présent sur le terrain, et je vous en remercie, ainsi que le comité de coordination. C'est suffisamment rare que pour le souligner: un ministre qui se présente plusieurs fois dans un comité de coordination, qui participe à la gestion de la crise, en complément de sa présence sur le terrain. On voit aujourd'hui que vos réponses sont extrêmement documentées, évidemment par les services, mais aussi par votre expérience et votre vécu personnel. Je pense que c'est vraiment très important.
Deuxième aspect, merci d'avoir réitéré aujourd'hui votre soutien à la Protection civile et d'avoir évoqué trois scénarios possibles que vous étudiez de près. Je vous invite évidemment à choisir le meilleur et vous aurez notre soutien sur ce sujet.
Je ferai une dernière réflexion qui peut sembler à la marge, mais qui me semble assez importante. Je sais que vous essayez depuis des mois de renforcer les services du gouverneur par l'engagement de trois équivalents en plein. À ce stade, le ministre du budget trouve que les besoins en personnel ne sont pas clairement démontrés. Alors, si ça ne l'était pas, ce qui m'étonne déjà, je pense que cet été 2026, avec ses vagues de chaleur, sa sécheresse, ses incendies, ses pics de pollution, démontre quand même que les risques et les crises s'enchaînent et nécessitent des équipes renforcées à tous les niveaux, y compris dans les services un peu invisibilisés de par leur rôle. Si on ne renforce pas les services des gouverneurs, je pense que les communes risquent de se sentir abandonnées par le fédéral, qui les soutient à travers les gouverneurs, comme tout le monde le sait. Et si les communes se sentent abandonnées, ce seront les citoyens qui se sentiront abandonnés. Donc vous avez tout notre soutien, et j'espère que vous obtiendrez raison au sein de ce gouvernement pour renforcer aussi les services des gouverneurs.
Merci.
01.30 Éric Thiébaut (PS): Je vous remercie pour ces compléments d'information, monsieur le ministre.
Je dois vous dire qu'il était assez cocasse de constater que plusieurs collègues ont utilisé, dans ce débat, une réponse que vous aviez apportée à l'une de mes questions. Pour ma part, je ne l'ai pas fait. Certains m'ont demandé pourquoi je n'avais pas utilisé ce que vous m'aviez répondu l'année dernière. Je ne l'ai pas fait, tout simplement parce que j'estimais que cette réponse était cohérente et qu'il n'aurait pas été correct de l'utiliser contre vous à des fins politiques.
Vous aviez déclaré ceci: "Un investissement dans des moyens aériens spécifiques de la sécurité civile serait non seulement fort coûteux, mais son maintien, l'entretien du matériel et la formation des pilotes représentent une dépense récurrente considérable. Le risque de feu de forêt n'est certainement pas négligeable, mais il ne justifie pas à lui seul de capter tant de moyens budgétaires que ceux-ci hypothéqueraient la capacité de répondre aux autres risques."
J'aurais pu dire: "Vous voyez, vous affirmiez que ce n'était pas nécessaire." Mais je ne le ferai pas, car il est clair que nous ne pouvons pas acheter du matériel d'intervention aériens seulement pour un potentiel feu de forêt. En revanche, nous devons réfléchir à une utilisation commune de certains moyens avec la Défense. Cette question a d'ailleurs été évoquée dans la presse.
À ce titre, je vais vous lire un article paru en France dans le journal Le Monde. Vous savez sans doute qu'en Gironde, des tests avec l'A400M sont effectués. Nous disposons de sept appareils de ce type. Lors de ces tests, un A400M a été transformé en avion d'intervention de type Canadair. Avec une capacité d'environ 20 0000 litres, cet appareil peut s'avérer encore plus performant qu'un Canadair. Si l'on peut déverser 20 000 litres d'un coup, c'est évidemment mieux que de faire des allers retours avec un hélicoptère ne pouvant transporter que 1 000 litres. Je ne sais pas si vous vous imaginez ce que c'est, mais 1 000 litres, représentent seulement 1 m³ d'eau. Lorsque l'on parle d'un incendie ayant détruit quelque 3 000 hectares, il est légitime se demander si c'est suffisant. Avec un incendie d'une telle ampleur, il ne faut pas venir avec 1 m³ d'eau. Je ne suis pas spécialiste, mais si nous avons 20 000 m³ d'eau à déverser pour couper une progression de feu, c'est tout de même autre chose! C'est la raison pour laquelle je plaide pour qu'une réflexion soit menée dans cette direction. Nous disposons de sept A400M au sein de la Défense. Le ministre de la Défense a déjà envoyé du matériel pour aider les Français à lutter contre certains incendies. La Wallonie fait toujours partie de la Belgique et j'imagine donc que nous pourrons également travailler dans cette optique, en collaboration avec vous. Sur ce point, je pense sincèrement qu'une réflexion mérite d'être menée.
J'ai bien entendu mon collègue de la N-VA revenir sur la réforme du ministre Jambon. Chacun connaît ma position à cet égard et je ne la développerai pas à nouveau ici, mais affirmer qu'il était nécessaire de passer d'environ 400 à 200 personnes au sein de la Protection civile me paraît difficile à justifier. Je suis désolé, mais cela n'est pas cohérent. Chaque fois que la N-VA réduit un budget fédéral, elle considère avoir progressé dans la bonne gestion du pays. C’est une vision politique.
Dans le cas présent, nous sommes tout de même passés de six casernes de la Protection civile à seulement deux. La ministre Verlinden avait commandé une étude visant à évaluer cette réforme. J’étais déjà là à l’époque, puisque je siège dans cette Assemblée depuis bientôt vingt ans et que je suis le plus ancien en commission de l’Intérieur. Deux universités ont ainsi réalisé un rapport sur la réforme menée par le ministre M. Jambon sous la précédente législature. Et il y a un élément tout à fait étonnant: nous n’avons jamais retrouvé l’analyse qui justifie le choix des deux casernes. Pourtant, il paraît qu’une étude socio-économique concluait qu’il fallait maintenir les sites de Brasschaat et de Crisnée. C’est assez surprenant lorsque l’on observe leur localisation géographique. Elles sont très centrales! Elles sont à l'Est, presque en Hollande! Or, à l’époque, le bourgmestre de Brasschaat était ministre de l’Intérieur! Si j’avais eu une caserne dans ma commune et que, devenu ministre de l'Intérieur, j’avais décidé de supprimer toutes les autres tout en conservant celle de ma propre commune, je pense que je me ferais tuer! À moins, bien sûr, de pouvoir m’appuyer sur une étude solide démontrant que cette décision était objectivement justifiée. Mais cette étude, nous ne l’avons jamais retrouvée. Si vous parvenez à la retrouver, je suis d’ailleurs très intéressé à en prendre connaissance.
Je reste donc convaincu que cette réforme n’était pas une bonne réforme. D’ailleurs, les universités chargées de son évaluation ont elles-mêmes conclu qu’elle devait être revue. C’est pourquoi j’attends avec beaucoup d’intérêt le plan que vous préparez. Je sais bien qu’il n’y a que vingt-quatre heures dans une journée, mais je suis convaincu que vous reviendrez avec des propositions. Et vous savez que, si elles sont ambitieuses, elles pourront compter sur le soutien de notre groupe, même depuis les bancs de la minorité.
Vous avez également évoqué la création d’une centrale fédérale d’achat pour le matériel. Je plaide pour cette solution depuis de nombreuses années. Comme vous le savez, je préside une importante zone de secours en Wallonie couvrant vingt-huit communes. Nous avons créé notre propre centrale d’achat et plusieurs autres zones de secours, principalement dans le Hainaut, y ont adhéré. Je pense qu’aujourd’hui sept ou huit zones utilisent déjà ce mécanisme.
Mais ce n’est pas normal qu’une zone de secours doive elle-même se transformer en centrale d’achat alors que cette mission pourrait être assurée au niveau fédéral.
(…): (…)
01.31 Éric Thiébaut (PS): Ce n'est tout de même pas normal! Une autopompe coûte aujourd’hui près de 500 000 euros. Une auto-échelle coûte un million d’euros. Nous parlons donc d’équipements extrêmement coûteux.
(…): (…)
01.32 Éric Thiébaut (PS): Dès lors, lorsque l’on constate que certains matériels sont achetés jusqu’à 30 % plus cher que dans les pays voisins, notamment en France, il est évident qu’il y a un problème.
Il y a donc un véritable travail à mener. Nous avons également formulé des propositions concernant la formation et la création d’une commission spéciale. J’espère que nous serons entendus. Je précise qu’il ne s’agit pas d’une commission d’enquête, mais bien d’une commission spéciale chargée d’évaluer ce qui s’est passé, d’en tirer les enseignements et de formuler des recommandations pour l’avenir.
Nous espérons que, cette fois, nous serons entendus et que les conclusions tirées à la suite de cette catastrophe ne resteront pas sans suite. Elles doivent servir à déboucher sur des mesures concrètes.
01.33 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Voici quelques éléments. D'un côté, en ce qui concerne la Protection civile, monsieur le ministre, je pense qu'il faut appeler un chat un chat. La politique menée ces dernières années relève de mesures d’austérité dans les services publics. Ce matin encore à la radio, une personne responsable de la Protection civile présente sur place a évoqué le manque de matériel, entre autres. Je pense donc qu’il est nécessaire d’organiser des auditions afin que les personnes concernées puissent venir expliquer précisément quels sont leurs besoins, tant en ressources humaines qu’en équipements matériels.
Vous indiquez par ailleurs que vous n’avez pas encore eu le temps de présenter votre plan d’investissement pour la Protection civile. Ce que je constate, pour ma part, c’est que ce gouvernement a déjà mis en œuvre de nombreuses réformes: la fusion des zones de police, la réforme – disons la diminution – des pensions, la réforme du chômage, et bien d’autres encore. Lorsqu’il s’agit de réaliser des coupes économiques, les plans sont rapidement élaborés et appliqués. En revanche, lorsqu’il est question d’investir dans les services publics, à l’exception de la Défense, nous sommes toujours dans l’attente. Par conséquent, oui, il faut investir, oui, il faut objectiver.
Cela vaut également pour le suivi du rapport du CERAC. Je vous trouve toutefois un peu léger dans vos réponses. Vous évoquez des formations organisées et du matériel acheté, mais je pense que nous sommes en droit, monsieur le ministre, d’attendre des réponses précises. Je vous enverrai d’ailleurs aussi une question écrite afin d’obtenir des éléments concrets et précis à ce sujet. Là encore, des auditions me sembleraient très utiles.
Ce que je constate aujourd’hui, c’est que vous affirmez que nous étions prêts. Pourtant, si je vous comprends bien, nous n’avons pas encore de plan national de lutte contre les incendies de nature ou de forêt. Vous dites que vous allez élaborer ce plan. Cela signifie donc qu’il n’existe pas encore.
Par ailleurs, je n’ai pas obtenu de réponse à l’une de mes questions. Quelles mesures le gouvernement a-t-il prises à la fin du mois de juin, au début du mois de juillet ou durant le mois de juillet, lors de l’épisode de canicule, quand la sécheresse était déjà bien installée et quand des feux de forêt se déclaraient dans plusieurs pays voisins? Sur ce point, je n’ai reçu aucune réponse. Je ne sais donc pas si je dois en conclure qu’aucune mesure particulière n’a été prise, mais je m’étonne de l’absence de réponse à ce sujet.
Enfin, concernant les mécanismes d’aide aérienne nécessaires, si j’ai bien compris, l’alerte a été donnée le vendredi vers 13 heures. À 14 heures, l’hélicoptère de la police pouvait être opérationnel. En revanche, l’hélicoptère de l’aide internationale n’est arrivé que 28 heures plus tard.
Je ne vous ai pas entendu sur cette question du délai, qui demeure entière. Si nous avions disposé nous-mêmes du matériel nécessaire, l’intervention aurait-elle été plus rapide? Je ne me prononce pas sur la nature de ce matériel: ma collègue l’a rappelé, il appartient aux experts de déterminer ce qui est le plus adapté, qu’il s’agisse d’un avion, d’un hélicoptère ou encore de leur capacité d’emport. Mais la question demeure : aurions-nous gagné du temps avec nos propres moyens ou, à l’inverse, le mécanisme européen pourrait-il être activé plus rapidement ?
Il me semble qu’en 28 heures, le feu a pris une ampleur énorme. C'est une question à laquelle je n'ai pas de réponse. J'aimerais quand même avoir une réponse à ce sujet, monsieur le ministre.
Le président: Spécifiquement sur ce point-là!
01.34 Bernard Quintin, ministre: À ce propos, il faut en effet laisser parler les experts! Vous partez du principe que si nous avions eu ces hélicoptères avant, le feu n'aurait pas progressé. Quod non. Vous ne pouvez pas l'affirmer. Je ne peux pas l'affirmer non plus.
Excusez-moi, mais le feu, est un élément vivant. S’il suffisait de nombreux moyens aériens pour éteindre un feu, 20 000 ou 40 000 , je ne sais plus combien d'hectares de Gironde n’auraient pas brûlé. Je veux dire qu'il faut examiner cela. Je n'ai pas dit qu'on ne ferait pas autre chose. J'ai dit qu'il faut, en effet, voir les moyens aériens dont nous pouvons probablement essayer de disposer. J’ai même parlé de l'armée, qui a des moyens supplémentaires. Utilisons-les! Utilisons-les! On va voir!
Nous sommes occupés à y travailler. Vous ne pouvez pas dire que je n'ai pas répondu à vos questions. J'y ai répondu. Nous allons voir ce qui est nécessaire en propre, et puis en fonction des besoins. Et nous verrons où on les entrepose. Cela fait aussi partie de ce que j'ai dit. Il y a un avenir pour la protection civile, et c'est tout cela que nous devons coordonner.
Ce pour quoi je plaide, c'est qu'on ne fasse pas du plic-ploc – un morceau là, et puis on réfléchit à un autre morceau. Regardons justement, dans cette coupole du weerbaarheidsplan, du plan de résilience, comment faire pour agir de façon cohérente: examiner ce qui est à notre disposition, ce dont on a besoin, mais surtout utiliser les moyens avec efficacité et efficience. C'est la seule chose que j'ai dite.
01.35 Xavier Dubois (Les Engagés): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Voici quelques éléments sur lesquels je souhaite revenir.
Vous avez évoqué la question de l'attractivité du métier de pompier. Vous dites que ce n'est pas un problème d'attractivité, mais de rétention. Ma question maintenant est de savoir ce que vous allez proposer pour justement répondre à ce problème de rétention. Pardon? Qu'allons-nous répondre? Oui, en effet.
Il y a quand même la question du statut qui, lui, est défini par vous. Donc là, il y a quand même un travail fédéral à réaliser. Une initiative doit être prise à votre niveau aussi. Ce sera "nous", très bien, mais il faut quand même prendre l'initiative.
Deuxième aspect, le financement des zones de secours. Il y a des moyens supplémentaires, mais je rappelle quand même que dans l'accord de gouvernement, il est clairement écrit qu'on attend une trajectoire de croissance des dotations fédérales pour aller vers une situation équilibrée, rappelant donc le 50-50. En Wallonie, si on veut atteindre le 50-50, il manque 200 millions d'euros au niveau du fédéral. Donc, je pense que dans les débats budgétaires actuels, on ne peut pas y échapper. Il faudra prévoir cette structure, cette trajectoire de croissance pour arriver à un résultat beaucoup plus équilibré. Je suis réaliste, on ne va pas trouver ces 200 millions d'euros de suite, mais en tout cas, faire toujours peser la responsabilité sur les communes et les provinces, puisqu'en Wallonie, ce sont les provinces qui prennent le relais de manière assez forte, ne se peut plus. On ne peut pas continuer dans ces directions, le fédéral doit augmenter les moyens en la matière.
Concernant la protection civile, vous avez bien fait le teasing de votre plan, puisque vous avez parlé de trois possibilités, mais vous n'avez pas dit lesquelles. Je réinsiste, j'essaye d'obtenir une réponse. Quelles sont ces trois possibilités que vous étudiez, et surtout, quand présenterez-vous les résultats de l'étude? Vous aviez évoqué septembre, est-ce un calendrier réaliste? Ou devra-t-on attendre un peu plus longtemps pour l'avoir? Il vaut mieux étudier correctement ces trois possibilités, mais ce serait bien d'avoir un peu plus d'informations sur ces trois voies possibles.
Dernière remarque concernant l'aménagement du territoire. On a évoqué la difficulté d'accès dans les Fagnes. Il y a d'autres endroits aussi où d'autres difficultés sont à prendre en compte. On parle notamment de stratégies de pare-feu, et de coupe-feu. Je ne suis pas expert, mais j'utilise les termes que je peux utiliser. Cela relève sans doute de la responsabilité des Régions, mais c'est aussi un élément qui doit être pris en compte dans le plan de lutte qui doit être, lui, coordonné au niveau national fédéral. Donc, il faut travailler avec les Régions, et il faut travailler correctement et intelligemment. Chacun a ses responsabilités, mais nous estimons qu'une coordination sur ce point-là doit être d'ordre fédéral.
C'était un premier tour. Je pense qu'on aura l'occasion, au mois de septembre, de revenir avec beaucoup plus d'informations lorsque l'évaluation sera réalisée. On approfondira, bien entendu, toutes celles que vous avez données.
Je vous remercie encore pour le niveau de détail de vos réponses.
01.36 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, ik was eigenlijk niet van plan om te repliceren omdat ik het antwoord van de minister zeer goed vond. Ik wil u daarvoor uitdrukkelijk bedanken, mijnheer de minister.
We hebben vandaag veel bijgeleerd, maar ik wil mij toch even richten tot collega Bergers. Plus est en vous. U schimpt dat hier mensen aanwezig zijn die u anders nooit ziet in de commissie voor Binnenlandse Zaken en beweert dat zij geen dossierkennis hebben. Met alle respect, maar ik voel mij niet aangesproken. Ik ben inderdaad geen vast lid van deze commissie, maar ik heb mij wel goed voorbereid en ik heb wel wat ervaring als het gaat over de veiligheidsarchitectuur van ons land. Ik voel mij dus niet aangesproken.
Ik heb mij goed voorbereid en een van de zaken die ik de afgelopen dagen heb gelezen, is een studie over de hervorming van de Civiele Bescherming. Die studie werd besteld door minister Verlinden, dus na de hervorming. Niemand stelt hier in vraag dat de Civiele Bescherming moest hervormd worden. Hervormen kan en moet soms. Hervormen is soms noodzakelijk, maar het gaat over de manier waarop er werd hervormd. Ik heb die studie van 2022 gelezen en wil er een aantal zaken uit halen.
De beschikbaarheid van personeel is een belangrijk probleem. Door het beperkte personeelsbestand, de afname van het aantal vrijwilligers en onvoldoende dag- en nachtbezetting kan de Civiele Bescherming niet altijd tijdig of voldoende ondersteuning bieden. De aanrijtijden voor dringende gespecialiseerde interventies zijn vaak te lang en daardoor bouwen hulpverenigingszones zelf capaciteiten uit of zoeken ze alternatieven in de privésector of bij Defensie.
De huidige organisatie van de civiele veiligheid – de nieuwe dus, die van Jambon – is onvoldoende voorbereid op grootschalige crisissen. Dat staat letterlijk in dat rapport. De overstromingen van 2021 hebben duidelijk gemaakt dat crisisbeheersing op een schaal groter dan één hulpverenigingszone onvoldoende is uitgewerkt. De locatie van de kazernes kan efficiënter worden georganiseerd en een derde kazerne kan mogelijk een meerwaarde bieden. Dat zijn niet mijn woorden, dat staat in de studie over de hervorming van minister Jambon.
01.37 Jeroen Bergers (N-VA): (…)
01.38 Axel Weydts (Vooruit): Mijnheer Bergers, ik heb geen zin in een politieke discussie terwijl de mensen van de Civiele Bescherming nog op het terrein de branden aan het bestrijden zijn. Ik vind het jammer dat u niet durft te erkennen dat die hervorming niet goed is gedaan.
Daarom wil ik positief besluiten. We hebben samen vastgesteld dat het niet goed was en we hebben samen in het regeerakkoord gezet dat we opnieuw zullen hervormen, dat we opnieuw zullen investeren in de Civiele Bescherming. Ik wil de hand reiken om daarvoor samen te werken met minister Quintin en ervoor te zorgen dat onze Civiele Bescherming op het niveau komt dat het zou moeten hebben.
01.39 Tine Gielis (cd&v): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw uitvoerige antwoorden.
Ik denk dat het op dit moment inderdaad wijzer zou zijn om even af te wachten totdat de natuurramp onder controle is. Dan kunnen we de nodige conclusies trekken uit de actiepunten en evaluatiemomenten en kunt u met een plan komen dat we hier uitvoerig kunnen bespreken. Daarmee zullen we hopelijk tot goede preventieve acties komen om zulke incidenten in de toekomst te vermijden.
01.40 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Je n'ai, toutefoi,s pas réellement obtenu de réponse à ma question centrale, qui portait précisément sur la manière dont nous étions préparés à cette catastrophe. De nouveau, vous nous avez présenté une série d'éléments qui sont tout à fait pertinents et qui font partie du débriefing général.
Mais lorsque vous nous expliquez qu'il a fallu, en temps réel, alors qu'un Canadair devait s'approvisionner dans le canal, rechercher le numéro de la personne chargée d'y interrompre le trafic, afin de suspendre le passage des péniches, vous nous indiquez vous-même que cela a pris du temps.
01.41 Bernard Quintin, ministre: Non, je n'ai pas dit cela! Je n'ai pas dit qu'il fallait chercher le numéro du responsable! Il ne faut pas mentir. J'ai dit qu'il fallait contacter la personne du SPW qui en est responsable et cela ne relève pas de ma compétence. Cette compétence est régionale, madame Schlitz! On peut dire beaucoup de choses, mais mentir, je ne l'accepte pas!
01.42 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Et comment le contacte-t-on?
Bref, lorsque vous nous dites que, quand on a besoin d'aller chercher de l'eau pour éteindre un incendie, on se demande comment interrompre le trafic, que cela prend du temps, que l'on se rend compte que cela ne convient pas et qu'il va falloir s'approvisionner ailleurs, c'est exactement le type d'information dont il fallait disposer à l'avance afin de savoir où ces appareils pouvaient s'approvisionner. C'est évident!
01.43 Bernard Quintin, ministre: Je ne suis pas d'accord! Vous n'avez pas écouté!
01.44 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): C'est normal de se poser la question, au moment où il faut aller chercher de l'eau pour éteindre l'incendie, de savoir où la trouver!? Bien sûr que j'ai écouté tout ce que vous avez dit. Je ne vous permets pas de dire ceci. Laissez-moi terminer!
Je pense effectivement qu'il y a un manque de préparation et ce à quoi nous assistons a quelque chose d'assez révélateur. Votre collègue de gouvernement pas très loyal, M. Crucke, a déclaré dans la presse que vous n'aviez pas participé à la réunion du 30 juin qu'il avait convoquée pour discuter précisément de ce fameux rapport contenant des pistes très concrètes concernant les Fagnes. Ce sont ses propos, pas les miens! Cette réunion, en pleine période de canicule, aurait peut-être justement constitué une occasion utile de préparation afin de réfléchir à la manière de gérer un incendie dans les Fagnes.
Vous nous parlez du problème des flexi-jobs chez les pompiers. Je vous invite à soumettre le point au bureau de parti. Car qui multiplie les flexi-jobs à tout va sans réfléchir aux conséquences, notamment en termes de sécurité? C'est votre collègue Clarinval.
C’est un sujet que j'ai soulevé pendant la commission, au moment où le texte a été discuté: la fatigue des travailleurs de première ligne qui font des pauses, qui travaillent de nuit et qui, après, vont enchaîner avec des flexi-jobs. Ces remarques ont été balayées de la main. Maintenant, vous venez nous dire: "Oui, c'est un vrai problème, il faut le mettre sur la table". Eh bien, allons-y! Mettons-le sur la table! Mais il aurait peut-être fallu y réfléchir au moment où on élaborait cette loi qui étendait les flexi-jobs à tous les secteurs.
Vous nous dites: "On verra bien la tête des Ecolo quand on va vouloir construire des routes dans les Fagnes pour accéder aux zones!" En fait, je pense que vous ne vous rendez pas bien compte de comment sont les Fagnes. On parle de tourbières. Il est même compliqué d'installer des caillebottis dans ce type d’environnement. Il y a, en effet, des solutions à mettre en place, notamment via la surveillance par drone ou d'autres moyens.
Je pense que, à nouveau, vous faites fausse route en voulant opposer la préservation de la nature, qui est indispensable à notre atténuation de l'impact des conséquences du changement climatique, d'une part, et les mesures de prévention, d’autre part.
On ne peut pas opposer les deux. On doit réfléchir justement à comment les intégrer et faire en sorte d'avoir un territoire le plus résilient possible, en sachant que la crise climatique est perverse et génère des phénomènes qui s'accentuent les uns les autres. C'est tout le principe et toute la difficulté à laquelle nous sommes confrontés. Prétendre qu'il faudrait détruire une partie des espaces naturels pour pouvoir les protéger, c'est un non-sens.
Par contre, vous pouvez vous estimer heureux que les gouvernements wallons précédents ont débloqué des budgets pour la restauration de la nature, grâce auxquels, dans le parc des Hautes Fagnes, ont été rebouchés les drains qui avaient été conçus par l'homme, remettant ainsi certaines zones sous eau. Cela a sans doute limité l'impact de l'incendie. Nous pourrons le savoir au moment de l'évaluation.
Ce sont des éléments pertinents pour rendre nos territoires plus résilients. Je peux vous donner d'autres idées. Arrêter, par exemple, de bétonniser à tout va nos espaces verts, nos zones inondables ou encore les rares derniers parcs que nous avons en ville. À 500 mètres de chez moi, il y a un espace vert sur lequel on veut construire un hôtel et des kots. Est-ce bien raisonnable, alors que nous suffoquons? Nous avons suffoqué tout l'été.
Je pense en effet qu’il faut des mesures radicales pour répondre à cette urgence. Cela ne fait aucun doute. Mais il ne faut pas opposer, d’une part les politiques d’adaptation et de limitation des émissions de gaz à effet de serre et, d’autre part, la protection des territoires. Ces deux dimensions sont complémentaires et doivent être mises en œuvre conjointement.
J’ai aussi entendu, du côté du MR, qu’on veut refinancer les provinces. C’est drôle. J’ai notamment entendu Mme Delcourt appeler à un refinancement des équipes du gouverneur. Je pense effectivement qu’il est indispensable de mettre en place une évaluation du fonctionnement de cette chaîne.
Aujourd’hui, nous ne pouvons plus continuer à fonctionner de cette manière. Le poste de gouverneur peut être mobilisé uniquement en période de crise, tandis qu’il est consacré à des missions moins urgentes le reste de l’année – je vous vois lever les yeux au ciel, c’est désagréable.
Selon moi, cette organisation ne correspond pas aux besoins actuels de notre population lorsqu’il s’agit d’assurer sa protection face à des cas tels que les inondations ou les incendies. Je crois que nous devrions nous inspirer, par exemple, du modèle français afin de faire évoluer cette fonction vers un modèle davantage adapté aux besoins d’aujourd’hui.
Monsieur le ministre, je comprends évidemment votre inquiétude. Nous n’avons pas pris la pleine mesure des événements. D’entrée de jeu, votre gouvernement a décidé de s’asseoir sur les questions climatiques. L’accord de majorité mentionne de manière extrêmement réduite l’enjeu auquel nous faisons face. Vous le saviez. De plus, cet accord conditionne systématiquement la prise en compte des enjeux climatiques à d’autres considérations, notamment notre compétitivité économique ou la santé de nos entreprises. Pourtant, aujourd’hui, nos entreprises elles-mêmes intègrent déjà le changement climatique dans leurs stratégies et leurs plans de développement. Elles montrent la voie. Ce sont les responsables politiques qui, sur ce sujet, sont à la traîne sur toute la ligne. Dès lors, l’heure est à l’action.
L’heure est d’une part à l’action pour adapter nos territoires. De nombreuses mesures existent déjà pour mettre en place cette adaptation. D’autre part, il faut continuer à limiter drastiquement nos émissions de gaz à effet de serre. Chaque tonne de CO2 injectée dans l’atmosphère contribue à aggraver le problème. Nous le savons. La bonne nouvelle, c’est que nous pouvons agir pour limiter ces émissions. Il y a des leviers. Des solutions sont prêtes et sont sur la table.
Aujourd’hui, la solution n’est certainement pas de ne pas agir. L’inaction n’est pas une option gratuite. C’est, au contraire, l’option qui consiste à payer cinq fois plus cher plus tard, avec des coûts humains, environnementaux et de qualité de vie dramatiques. C’est pourquoi j’en appelle réellement au gouvernement pour qu’il dépasse les guéguerres et les attaques, en particulier vos attaques sur Ecolo-Groen, où vous dites: "c’est la faute des écologistes", cela ne fait pas avancer le débat. Je vous invite plutôt à vous asseoir autour de la table afin de trouver des solutions et à prendre pleinement la mesure de ce qui vient de se produire. Trois mille hectares de Fagnes sont partis en fumée. Un joyau naturel et touristique a été détruit. Tout un secteur économique risque d’éprouver les plus grandes difficultés à se relever. J’espère donc que cette catastrophe n’aura pas été vaine. J’espère surtout que vous serez à la hauteur de la perte subie par la population. Et j’espère que vous reviendrez avec des budgets concrets, et pas seulement avec des intentions.
01.45 Victoria Vandeberg (MR): (…)
01.46 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Qu’ont encore fait les écologistes, selon vous?
01.47 Victoria Vandeberg (MR): (…)
01.48 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Le climato-scepticisme de votre gouvernement pendant des décennies a refusé de prendre la mesure de ce qui en train de se passer. Aujourd’hui, venir accuser de cette situation les écologistes me paraît incroyable. La ficelle est un peu grosse, madame Vandenberg.
(…): (…)
Le président: Madame Schiltz, vous avez la parole.
01.49 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Oui, je compte bien continuer.
Je pense qu'aujourd'hui, on a besoin d'un plan ambitieux qui intègre l'ensemble des citoyens et qui tienne compte des inégalités sociales. Parce qu'aujourd'hui, si on laisse les choses se mettre en place selon des actions individuelles, ce sont les inégalités sociales qui se répercuteront dans la façon dont les choses se mettent en place. Certains vont isoler leurs maisons, installer la clim, pouvoir se construire une piscine pour se protéger eux-mêmes et leurs familles des conséquences du dérèglement climatique. Et puis, il y a ceux qui sont locataires captifs dans des appartements surchauffés contre lesquels ils ne peuvent rien faire, et qui vont en subir les conséquences. Aujourd'hui, c'est pour cela que nous avons besoin d'une action publique forte, d'une action de votre gouvernement, une action coordonnée avec l'ensemble des gouvernements pour faire en sorte à la fois d'être prêts pour ce type de catastrophe et d'adapter nos sociétés à la nouvelle réalité que sont les dérèglements climatiques. Nous continuerons à insister sur cet aspect.
Je vous remercie.
01.50 Arthur Orlians (Anders.): Mijnheer de minister, ik wilde nog een paar detailvragen stellen, maar ik wil er nu bewust voor kiezen om positief te eindigen, omdat de sfeer van het laatste betoog totaal niet weergeeft wat we vanmiddag op een ernstige manier hebben gedaan. Dat wil ik benadrukken. De parlementsleden die de bijeenkomst van de commissie hebben gevraagd of ernstige vragen hebben gesteld, hebben daartoe zeker het recht. Dat is zelfs wenselijk. U bent ook direct op die vraag ingegaan, want twee dagen later zitten we al in deze commissie.
U hebt, samen met uw kabinet en alle diensten, zeer minutieus geantwoord. We hebben sowieso meningsverschillen, vooral over de voorbereiding en over hoever men daarin kan gaan. Een debat mag stevig zijn, maar als er niet meer naar elkaar wordt geluisterd en vooral als er elkaar woorden in de mond worden gelegd, geeft dat totaal niet de sfeer van de rest van de namiddag weer, die volgens mij wel heel constructief en professioneel was. Daarvoor wil ik u zeker bedanken.
Ik heb wel nog één opmerking. Ik vermoed dat u mijn vraag niet goed hebt begrepen. We hebben in ons land veel instanties die inderdaad grote rapporten schrijven over klimatologische veranderingen of de weerbaarheid van ons land op het vlak van natuurbranden. We hebben het Klimaatcentrum, het Cerac, de Federale Dienst Klimaatverandering en er komt ook nog een Wetenschappelijke Klimaatraad.
U hebt het over twee grote rapporten met heel veel aanbevelingen. Mijn vraag ging niet zozeer over die grote rapporten met algemene aanbevelingen, maar wel over de specifieke situatie waarin we in ons land met natuurbranden te maken dreigen te krijgen. Dan gaan er in ons land allerlei flikkerlichten af. Dan wordt code oranje of code rood ingeschakeld. Dan geeft een gouverneur een signaal. Of dan komt er een signaal vanuit een hulpverleningszone dat er extra brandrisico's zijn. Dan zijn er ook nog CELEX en CORTEX. Als dergelijke waarschuwingen worden gegeven, wat gebeurt er dan allemaal om alles zo veel mogelijk in gereedheid te brengen? Daarover kunnen we het zeker in de toekomst nog hebben. Het gaat mij echt over specifieke waarschuwingen dat er iets dreigt te gebeuren.
01.51 Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik wil ook de collega's bedanken voor hun tussenkomsten.
Ik wil meteen ingaan op de tussenkomst van de N-VA-fractie, die ons verschillende keren heeft genoemd. Collega Bergers, u moet echt wel een toontje lager zingen, zeker wat betreft de Civiele Bescherming. U hebt die immers kapotgemaakt! Het aantal kazernes is van zes naar twee gegaan en het personeel is bijna gehalveerd. Dat zeggen wij niet. Dat zegt de directeur van de Civiele Bescherming.
We hebben verschillende getuigenissen binnengekregen. Ik zal er een met u delen; ik stel voor dat u goed luistert. Iemand die bij de Civiele Bescherming werkt, zegt dat ze geen enkele slagkracht meer hebben en zwaar onderbemand zijn. U moet niet zuchten. Ze kunnen vandaag door een tekort aan werknemers al niet antwoorden op alle reguliere interventies gedurende de week, laat staan dat er nog onvoorziene rampen bijkomen. Om een voorbeeld te geven, vorige week zijn zij gaan helpen bij de gasontploffing in Brussel om bijstand te bieden. Diezelfde mensen zijn bij aankomst in de kazerne onmiddellijk vertrokken naar de Hoge Venen, terwijl ze al uitgeput waren, om daar de nacht door te werken tot de middag erna, terwijl hun shift om 7.00 uur eindigt. We hebben zoveel getuigenissen van mensen die op zijn. Zij zijn heel bezorgd over de toekomst met de huidige staat van de Civiele Bescherming.
Het is voor iedereen vandaag duidelijk dat de Civiele Bescherming meer dan ooit nodig is met alle overstromingen, branden en ontploffingen die op ons afkomen. Nu komt u hier dan bij hoog en laag beweren dat die hele 'hervorming', die gewoon een platte besparing was, namelijk het kapotmaken van de Civiele Bescherming, een goed idee was.
Dat is dus de visie van de N-VA: alles gaat goed, de klimaatverandering is fake, we zijn goed voorbereid op alles wat op ons afkomt en de complete afbraak van de Civiele Bescherming was nodig. We staan daarachter. Misschien zou het goed zijn om even stil te staan, zoals collega Weydts zei, om te zeggen dat het een vergissing was en dat we daarop moeten terugkomen. Het is ongelooflijk dat u dat zo enthousiast blijft verdedigen, dat dat een goede zaak is. U blijft ook gewoon knikken.
Dan hebt u gezegd dat ik zou hebben gezegd dat wij met de PVDA blusvliegtuigen zouden willen. Heeft iemand mij dat horen zeggen?. Ik denk dat ik heel duidelijk heb gezegd dat de brandweer zegt dat zij moet blussen. Laat het aan de brandweer. Laat hen beslissen. De politiek moet investeren. We hebben ons daar niet over uitgesproken. Wat ik wel heb gezegd, is dat u het mis hebt wanneer u zegt dat de eerste les is dat er nu Amerikaanse helikopters moeten worden aangekocht. Dat is verkeerd.
De N-VA wil nu zogezegd de brandweer helpen. Als u met de brandweer spreekt, zult u echter horen dat er in de eerste plaats moet worden geïnvesteerd in personeel. De N-VA wil de brandweer helpen en zal helikopters kopen. U laat de mensen echter langer werken voor een lager pensioen, tot 67 jaar, terwijl de gemiddelde leeftijd van overlijden van een brandweerman 69,5 jaar is. Er ligt een wetsvoorstel klaar om het hele statuut te hervormen. De vakbonden kaatsen het allemaal af. Als u zegt dat u de brandweer wilt beschermen, zult u die hervorming dan tegenhouden, ja of nee? Dat is de vraag die u zich moet stellen.
Tot slot zegt u dat het schandalig is dat ik heb gezegd dat Francken voet aan de grond wil krijgen in Afrika. Dat vind ik interessant, want dat is toch wat er in de krant stond. "Defensieminister Francken wil opnieuw voet aan de grond krijgen in Afrika en heeft een plan klaar voor militaire missies." Hij heeft dat zelf gezegd op VTM, in december 2025. Als ik het goed begrijp, collega Bergers, zegt u dat wat de minister daar heeft gezegd, niet klopt. Kunt u dan bevestigen dat dat niet klopt?
Als het wel klopt, is mijn stelling wel helemaal terecht. Indien er dan militaire helikopters worden gekocht en primair militair worden ingezet, kan dat in conflict komen met civiele doelstellingen. Daarop, mijnheer de minister, hebt u niet geantwoord. U zegt dat het verschil tussen militair en civiel niet uitmaakt en dat dat niet het debat is. Als die helikopters primair in de militaire strategie zitten en buitenlandse interventies deel uitmaken van die militaire strategie, kan het toch perfect gebeuren dat hier een helikopter nodig is, terwijl die in het buitenland is?
Tot slot, mijnheer de minister, heb ik nog één extra vraag, die net is binnengekomen. Die vraag gaat over de opvordering. U hebt gezegd dat u zou zorgen voor de vergoeding van onkosten. Mensen zijn echter ook bezorgd over verlofdagen en overuren. Mensen die in de privésector werken als vrijwillige brandweerlieden, zijn gaan helpen op het terrein, maar hebben daarvoor verlof moeten nemen omdat er geen opvordering was. Kan dat worden rechtgezet met een officiële opvordering? Zo wordt de arbeidsovereenkomst niet geschonden en moeten ze geen verlofdagen of overuren inzetten. Het zou fijn zijn als we dat nog kunnen verduidelijken.
Dank u wel.
01.52 Luc Frank (Les Engagés): Je tiens à remercier le ministre pour cette précision, mais aussi et surtout pour son dévouement.
01.53 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden.
Ik denk dat we vandaag veel geleerd hebben. Soms liet u uitschijnen dat wij zaten te hopen dat er dingen zouden verkeerd lopen. Dat is uiteraard niet zo. Iedereen, meerderheid en oppositie, wil natuurlijk dat alles zo goed mogelijk loopt. Ik erken ook dat er heel veel zaken zeer goed verlopen zijn. Anders stond het daar nog allemaal in brand. Dat is gelukkig niet het geval.
Als ik u hoor zeggen dat ASTRID niet kon worden gebruikt en dat er via WhatsApp werd gecommuniceerd, dan moeten we daar toch verder op ingaan, want het gaat over onze hulpverlening. ASTRID is net gemaakt om in dergelijke omstandigheden te worden gebruikt. Hoe zorgen we ervoor dat ASTRID op zo'n moment wel kan werken?
Hetzelfde geldt voor de luchtsteun. Ik denk niet dat onze meningen heel ver uit elkaar liggen. Ik heb ook niet gezegd dat er alleen extra luchtsteun moet komen. Ik zeg alleen dat in die rapporten overal staat dat er een tekort aan materieel is en dat er heel expliciet naar die luchtsteun wordt verwezen. Ik zou daar dus toch naar kijken.
In verband met de Civiele Bescherming heb ik u een brief van de ACOD getoond. U hebt met de centrumverantwoordelijke van een van de twee resterende kazernes gesproken. Misschien is het ook interessant om eens naar de vakorganisaties zelf te luisteren. Ze hebben u een brief geschreven en hebben daar nog altijd geen antwoord op gekregen.
Collega's van de N-VA, met alle respect, iedereen was het erover eens dat er een hervorming moest komen, maar niet die hervorming. U kunt dat nu mooi verpakken, maar als je vandaag met mensen van de Civiele Bescherming praat, komt het erop neer dat ze ten einde raad zijn. Ze weten het niet meer en zien het niet meer. Mevrouw De Vreese, ik hoor u zeggen dat u vanaf nu naar experten zult luisteren. Dat is veelbelovend in het kader van asiel en migratie.
Mijnheer Bergers, u zei dat we onzin uitkramen. U wekte even de indruk dat ik zelf in de regering-Di Rupo gezeten heb. Ik kan u geruststellen, ik was daar niet bij. Maar ik heb enkele zaken opgezocht. Bij de Civiele Bescherming zijn we begonnen bij Jan Jambon met 460 personeelsleden. Dat aantal is gezakt naar 331 en deze legislatuur verder naar 232. De 11 waar u het over hebt, is dus wellicht 11 maal 11. Als we daar de daling van deze legislatuur bij nemen, bedoelt u wellicht 14 maal 11. Met alle respect, dat gaat alleen maar over …
01.54 Jeroen Bergers (N-VA): (…)!
De voorzitter: Mijnheer Bergers, we gaan proberen op een goede manier af te ronden.
Mijnheer Vandemaele, ik wil u zeker niet onderbreken in uw repliek, maar ik wil u er wel op wijzen dat het hier gaat over een gedachtewisseling met de minister over de bestrijding van een natuurramp in de Hoge Venen. De discussie over de Civiele Bescherming zullen we volgens mij dit najaar meermaals kunnen voeren. We moeten nu niet alle leden van deze commissie gijzelen met een welles-nietesspel tussen de meerderheid en de oppositie, of de oppositie en N-VA. Ik denk niet dat dit nu het moment of de plaats hiervoor is, maar u mag gerust verdergaan. Ik heb tijd.
01.55 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, u hebt gelijk, maar het punt is natuurlijk wel dat wat er met de Civiele Bescherming is gebeurd een enorme impact heeft gehad op onze readiness in deze crisis. Natuurlijk is dat de reden waarom ik het hier aanhaal, temeer omdat er gewoon fake news verkocht wordt door een meerderheidspartij. Er zijn andere meerderheidspartijen die wel de ernst hebben om hier op een objectieve manier de zaken te benoemen. Het is natuurlijk oldskool N-VA: de partij voert eerst een tax cut uit en wordt daarna geconfronteerd met het feit dat er miljarden euro’s te weinig zijn. De Civiele Bescherming wordt afgebroken en achteraf botst men dan op een probleem. Telkens opnieuw is dat het recept van N-VA en dus mag u niet kwaad zijn dat wij vanuit de oppositie het daarover hebben.
Mijnheer de minister, ik wil het kort nog over de brandweer hebben. Ik heb met heel veel verschillende brandweerlieden gesproken, ook met een aantal mensen van de vakorganisaties. Het overleg over de conceptnota 2.0 verloopt heel erg stroef. Zij zeggen dat ze nog nooit een minister van Binnenlandse Zaken gehad hebben die zo weinig investeert in het Comité C. Nog nooit is er zo weinig overleg geweest met de syndicaten. Er bestaan daarvoor officiële fora, zoals het Comité C. Als het gaat over de conceptnota Brandweer 2.0, dan is de communicatie daar blijkbaar take it or leave it. Dat is natuurlijk geen overleg zoals wij dat gewoon zijn. De brandweer is een belangrijke speler in dit verhaal. Laten we dus daarin investeren om die relaties met de vakorganisaties opnieuw te revitaliseren in plaats van met getrokken messen tegenover elkaar te staan.
Beste collega's, ik rond af met het onderwerp waarmee ik begonnen ben. De klimaatuitdaging is iets dat niet ver weg is, en dat niet over 100 jaar zal plaatsvinden. Het is iets van nu en hier. Ik hoop echt dat alle partijen, zowel de meerderheid als de oppositie, beseffen dat we hier nu iets moeten aan doen, dat we nu de wetenschappelijke inzichten moeten volgen. Ik hoop dat het niet alleen met woorden en plannen zal zijn, maar ook met budgetten. Over een aantal weken krijgt u daartoe de kans om op dat vlak echt een verschil te maken. En dan hoop ik dat het veiligheidsbeleid meer zal zijn dan een Stella drinken aan het zwembad. De burger in ons land verdient beter dan die quatsch.
01.56 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): J'ai pu collecter les informations suite à la question que m'a adressée la collègue Vandeberg. Il s'agissait, concernant la candidature des Hautes Fagnes pour accéder au titre de parc naturel, d'un jury indépendant, lequel s'est penché sur le dossier et lequel, en effet, ne l'a pas repris. Cette décision a été validée par le gouvernement dont votre parti faisait partie. Qui faisait partie du jury indépendant pour le volet économique? Votre actuelle ministre, la ministre Neven. Donc, je vous propose de vous arranger directement avec elle.
Par ailleurs, vous apprendrez également qu'en compensation, la ministre Tellier a quand même débloqué 2,5 millions de budget pour permettre que des actions puissent malgré tout être réalisées dans le parc. Voilà pour le rapport.
Je vous remercie.
De voorzitter: Dank u voor de bijkomende informatie.
Ondanks de bij wijlen persoonlijke aanvallen tussen sommige leden, wil ik toch iedereen bedanken. Zeker de minister en de diensten. Dit was een eerste gedachtewisseling. Ik ben er zeker van dat we vanaf september nog meermaals op dit onderwerp zullen terugkomen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
Ik wens iedereen nog een fijne vakantie. Tot in september.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.28 uur.
La réunion publique de commission est levée à 19 h 28.