Commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen

Commission des Affaires sociales, de l'Emploi et des Pensions

 

van

 

Woensdag 24 juni 2026

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 24 juin 2026

 

Matin

 

______

 

Le développement des questions commence à 11 h 53. La réunion est présidée par M. Denis Ducarme.

De behandeling van de vragen vangt aan om 11.53 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Denis Ducarme.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

01 Vraag van Jeroen Van Lysebettens aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De sociale bescherming bij grensoverschrijdende mobiliteit (2)" (56015567C)

01 Question de Jeroen Van Lysebettens à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La protection sociale dans le cadre de la mobilité transfrontalière (2)" (56015567C)

 

01.01  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

 

In een social media post van 21 april stelt u dat "wie pech heeft in het leven, verdient bescherming." Dit is geheel terecht, en hierbij is het belangrijk om bestaande beschermingskaders uit te voeren, en waar mogelijk uit te breiden. In deze context wil ik graag nog wat verder doorgaan op mijn vorige vraag m.b.t. de toepassing van EU verordening 883/2004 over sociale besherming bij grensoverschrijdende mobiliteit (cf. 56014419C). Zoals in de vraag gesteld, ontvangen wij signalen dat betrokkenen die pech hebben in het buitenland hun sociale rechten niet erkend zien.

 

Er onstaat bijgevolg een vermoeden dat de toepassing van het unierecht (namelijk EU verordening 883/2004) aan een ondergeschikt wordt gemaakt aan een verouderd nationaal kader, namelijk het KB van 20 juli 1971 die de uitkerings- en moederschapsverzekering regelt voor zelfstandigen in België. Hierbij moet opgemerkt worden dat dit KB wel werd aangepast door een KB van 7 oktober 2022 om beter te voorzien in de situatie van gerechtigden die in een andere staat wonen of verblijven en onder het toepassingsgebied van de Europese verordeningen of internationale coördinatie-instrumenten vallen.

 

Ik heb de volgende vragen:

Bevestigt u dit vermoeden? Wordt of werd de toepassing van het unierecht ondergeschikt het KB van 20 juli 1971? Is er sinds 2022 een verandering merkbaar?

Betreft de gewijgerde dossiers m.b.t de toekenning van een Belgische pro-rata invaliditeitsuitkering, in hoeveel grensoverschrijdende invaliditeitsdossiers werd het KB van 20 juli 1971 gebruikt als beslissende weigeringsgrond? Kunt u mij de cijfers geven voor elk van de afgelopen 5 jaar?

Welke statistische gegevens over grensoverschrijdende invaliditeitsdossiers onder Verordening (EG) nr. 883/2004 worden door het RIZIV of andere bevoegde Belgische instanties bijgehouden, en aan welke Belgische of Europese instanties worden die gegevens meegedeeld?

Waarom wordt in individuele weigeringen niet systematisch een zichtbare en controleerbare pro-rata berekening meegedeeld?

Indien dergelijke gegevens bestaan of worden meegedeeld, waarom zijn zij dan niet publiek of parlementair controleerbaar beschikbaar, minstens in geanonimiseerde en geaggregeerde vorm?

 

01.02 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Van Lysebettens, het RIZIV bevestigde mij dat de instellingen van de Belgische ziekte- en invaliditeitsverzekering de primauteit van het Europees recht ten aanzien van het nationale recht respecteert. De verordeningen EG 883/2004 en EG 987/2009 voorzien in een coördinatie van de nationale socialezekerheidssystemen, niet in een harmonisatie ervan. Daardoor blijft elke lidstaat exclusief bevoegd om de toekenningsmodaliteiten te bepalen, waaronder socialezekerheidsprestaties. Ook het recht op invaliditeitsuitkeringen wordt toegekend op grond van de eigen nationale wetgeving.

 

Zoals ik in mijn antwoord op uw vorige mondelinge vragen daarover toelichtte, tijdens de commissievergadering van 20 mei, betekent dit dat de ziekenfondsen rekening houden met verzekeringstijdvakken die vervuld zijn onder de wetgeving van andere EU-lidstaten alsof die in België waren vervuld, wanneer een Belgisch verzekerde zelfstandige op basis van uitsluitend Belgische bijdragetijdvakken niet voldoet aan de verzekerbaarheidsvoorwaarden.

 

Daarnaast wordt voor een zelfstandige die laatst in een andere EU-lidstaat verzekerd was en een buitenlandse invaliditeitsuitkering ontvangt op grond van de wetgeving van die lidstaat, in principe ook het recht op een Belgische pro rata invaliditeitsuitkering onderzocht, voor zover er bij de buitenlandse invaliditeitsaanvraag tevens sprake was van een Belgische verzekeringsloopbaan. Hetzelfde geldt voor een zelfstandige die als Belgisch verzekerde invalide wordt erkend krachtens het koninklijk besluit van 20 juli 1971 en een verzekeringsverleden heeft in een andere lidstaat.

 

Met betrekking tot het aantal aanvragen om een Belgische pro rata invaliditeitsuitkering die werden afgewezen wegens het niet vervullen van de voorwaarden uit het koninklijk besluit van 20 juli 1971, gaf het RIZIV voor de periode van 22 juni 2023 tot 22 juni 2026 de volgende gegevens.

 

Er zijn 13 weigeringen wegens het niet vervullen van de voorwaarden inzake wachttijd en behoud van recht, 7 weigeringen wegens het niet vervullen van de voorwaarden inzake de erkenning van de invaliditeitstoestand en 1 weigering wegens het verlies van de hoedanigheid van gerechtigde gedurende meer dan dertig dagen.

 

Er wordt enkel een pro rata invaliditeitsuitkering berekend wanneer is vastgesteld dat de administratieve en medische toekenningsvoorwaarden vervuld zijn. Het RIZIV publiceert momenteel stelselmatig, in het kader van een barometer voor de opvolging van de evolutie van de arbeidsongeschiktheid, algemeen geaggregeerde statistieken over de evoluties binnen de wettelijke uitkeringsverzekering voor werknemers en zelfstandigen. Specifieke statistieken over grensoverschrijdende invaliditeitsdossiers worden daarbij, voor zover beschikbaar, momenteel niet gepubliceerd.

 

Het RIZIV heeft wel de ambitie om verder te werken aan de versterking van de publicatie van de beschikbare statistische gegevens. Bovendien worden de cijfers over het aantal geëxporteerde Belgische invaliditeitsprestaties binnen de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk meegedeeld aan de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels in het kader van de jaarlijkse statistische rondvraag inzake cross-border pensions. De resultaten van die jaarlijkse rondvraag onder lidstaten worden ook publiek ter beschikking gesteld op de website van het DG Employment.

 

01.03  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mevrouw de minister, dank u voor uw verhelderende en gedetailleerde antwoord. Het voldoet in grote mate aan wat ik gevraagd heb.

 

Ik heb nog één kleine bijvraag. Ik had statistieken gevraagd voor een periode van vijf jaar. U hebt cijfers gegeven voor de periode 2023-2026, dat zijn drie jaar. Komt dat doordat de statistieken voor de periode daarvoor niet beschikbaar zijn? Ik bedoel te vernemen of het zin heeft dat ik daarover een schriftelijke vraag indien.

 

01.04 Minister Eléonore Simonet: Eerlijk gezegd, het RIZIV gaf mij de gegevens van de periode 2023-2026, maar ik kan bevestigen dat ik cijfers voor vijf jaar had gevraagd. Dat is misschien voer voor een andere schriftelijke of mondelinge vraag.

 

01.05  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Dank u wel.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- Nahima Lanjri aan Eléonore Simonet (Middenstand, Zelfstandigen en Kmo's) over "Het rouwverlof bij zwangerschapsverlies" (56016758C)

- Anne Pirson aan Eléonore Simonet (Middenstand, Zelfstandigen en Kmo's) over "De erkenning van zwangerschapsverlies voor vrouwelijke zelfstandigen" (56016835C)

02 Questions jointes de

- Nahima Lanjri à Eléonore Simonet (Classes moyennes, Indépendants et PME) sur "Le congé de deuil après une fausse couche" (56016758C)

- Anne Pirson à Eléonore Simonet (Classes moyennes, Indépendants et PME) sur "Une reconnaissance des pertes de grossesse pour les travailleuses indépendantes" (56016835C)

 

02.01  Nahima Lanjri (cd&v): Mevrouw de minister, in de vorige legislatuur heb ik ervoor kunnen zorgen dat het rouwverlof werd uitgebreid van 3 dagen naar 10 dagen, ook bij zwangerschapsverlies na 180 dagen zwangerschap.

 

Intussen werd voor federale en Vlaamse ambtenaren voorzien in twee dagen rouwverlof bij zwangerschapsverlies vóór 180 dagen zwangerschap. Dat is een positieve evolutie. Minister Matz wil daarin nog een stap verder gaan door die twee dagen rouwverlof ook toe te kennen wanneer de zwangerschap nog niet aan de werkgever was gemeld. Dat zou kunnen gebeuren op basis van een verklaring op eer. Die regeling zou gelden voor zowel de vrouw als haar partner. Ze werd inmiddels goedgekeurd door de regering en ligt nu voor ter advies bij de Raad van State.

 

Als we die regeling invoeren voor ambtenaren, lijkt het logisch om na te gaan of we ze ook kunnen doortrekken naar werknemers en zelfstandigen. Daarom wil ik u, als minister bevoegd voor zelfstandigen, vragen wat uw visie daarover is.

 

Bent u bereid een gelijkaardige regeling uit te werken voor zelfstandigen, zodat ook zij bij zwangerschapsverlies vóór 180 dagen zwangerschap aanspraak kunnen maken op een vorm van rouwverlof, bijvoorbeeld via een onderbrekingsuitkering? Bent u van plan daarvoor een initiatief te nemen? Zo ja, op welke termijn kunnen we dat verwachten?

 

Hebt u hierover al advies gevraagd of zult u nog advies vragen aan onder meer de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO en het ABC, zodat een eventuele regeling voldoende gedragen is door de betrokken zelfstandigen?

 

Voor zelfstandigen werd die regeling voor zwangerschapsverlies na 180 dagen tijdens de vorige legislatuur via mijn wetsvoorstel ingevoerd. Voor zwangerschapsverlies vóór die termijn bestaat vandaag echter nog geen gelijkaardige regeling.

 

02.02  Anne Pirson (Les Engagés): Madame la ministre, la perte d'une grossesse constitue une épreuve difficile, quelle que soit sa survenance au cours du parcours de parentalité. Ces dernières années, plusieurs initiatives ont été prises pour mieux reconnaître cette réalité et offrir un accompagnement plus adapté aux personnes concernées.

 

Dans ce contexte, la ministre de la Fonction publique, Vanessa Matz, a récemment fait évoluer la réglementation applicable aux agents de la fonction publique. L'objectif est de leur permettre de bénéficier de deux jours de congé de circonstance en cas de perte de grossesse, y compris lorsque cette grossesse n'a pas encore été déclarée à l'employeur.

 

Cette évolution s'inscrit dans un mouvement plus large qui vise à mieux prendre en considération les conséquences humaines, psychologiques ou encore professionnelles de ces situations.

 

Nous avons aussi déposé un texte pour étendre un mécanisme comparable aux travailleurs salariés du secteur privé. Cette réflexion témoigne vraiment d'une volonté de renforcer progressivement l'égalité de traitement entre les différentes catégories de travailleurs confrontés à une telle épreuve.

 

Mais on constate que les travailleuses indépendantes ne disposent encore aujourd'hui d'aucun dispositif comparable. Elles peuvent être confrontées aux mêmes conséquences psychologiques et physiques qu'une salariée ou qu'une fonctionnaire, tout en devant souvent reprendre rapidement leur activité professionnelle, faute de cadre adapté.

 

Sans préjuger des modalités qui pourraient être retenues, la question mérite selon nous d'être examinée dans une perspective d'équité entre statuts et de soutien aux personnes concernées. Nous avons récemment déposé un texte à la Chambre afin d'étendre le dispositif aux travailleuses indépendantes.

 

Madame la ministre, quel regard portez-vous sur l'opportunité de mettre en place un dispositif spécifique en faveur des travailleuses indépendantes confrontées à une perte de grossesse avant 180 jours de gestation? Une réflexion est-elle en cours au sein de votre département ou avec l'INASTI concernant une éventuelle adaptation du statut social des indépendantes sur ce point?

 

Dans l'affirmative, envisagez-vous de prévoir un financement spécifique relevant de votre département pour soutenir une telle mesure, à l'instar de l'extension récente du congé de naissance au profit des travailleurs indépendants?

 

02.03  Eléonore Simonet, ministre: Je vous remercie, mesdames, pour vos questions.

 

Ik ben het natuurlijk met u eens dat zwangerschapsverlies een ingrijpende gebeurtenis is. Dat verlies is een van de moeilijkste ervaringen die een ouder kan meemaken, ongeacht wanneer dat gebeurt, ook vroeg in de zwangerschap. De impact ervan op beide ouders mag niet worden onderschat.

 

Vous le savez, madame Lanjri, puisque, si je vous ai bien compris, c'était vous qui avez porté la proposition. Très honnêtement, je ne le savais pas.

 

Een zelfstandige die bevalt van een doodgeboren kindje, kan terugvallen op verschillende uitkeringen, met name de moederschapsuitkering, de rouwuitkering en de vaderschaps- en geboorte-uitkeringen. Het klopt evenwel dat de wetgeving en het sociaal statuut de toekenning van die uitkeringen koppelt aan een zwangerschapsduur van minstens 180 dagen.

 

Comme vous l'avez rappelé à juste titre, madame Pirson, si la fausse couche survient avant ce délai, la travailleuse indépendance ne peut, en l'état actuel de la législation, prétendre à ces prestations. Une condition similaire s'applique actuellement aux salariées. Je m'engage ici à approfondir cette analyse, en collaboration avec mon administration. La question doit être – et sera – examinée dans son ensemble et je ne manquerai pas non plus de soumettre à l'avis des partenaires sociaux d'éventuelles propositions à ce sujet.

 

02.04  Nahima Lanjri (cd&v): Mevrouw de minister, zoals ik daarnet zei, heb ik in de vorige legislatuur een wetsvoorstel ingediend om het rouwverlof uit te breiden tot 10 dagen. Ik had daarin ook opgenomen dat dat zou gelden voor zwangerschappen vanaf 180 dagen en voor zowel werknemers, zelfstandigen als ambtenaren.

 

Ik vind het positief dat we nu ook aandacht hebben voor vrouwen en hun partners die hun kindje verliezen vóór die 180 dagen. Minister Matz heeft op dat vlak alvast een eerste stap gezet voor de ambtenaren. Voor alle duidelijkheid, die regeling bestond al sinds 2024 voor ambtenaren, waarbij zij twee dagen rouwverlof kregen bij zwangerschapsverlies. Dat gold echter alleen wanneer de zwangerschap al aan de werkgever was gemeld. Nu kan dat ook als de zwangerschap nog niet gemeld was, wat ik begrijp. Soms wil men immers wachten met het melden van een zwangerschap aan de werkgever tot men zeker is of tot na een bepaalde periode. Nu kan het dus ook zonder voorafgaande melding, met een verklaring op eer dat het kindje verloren is gegaan.

 

Ik vind het wel belangrijk dat we in die zaken de verschillende statuten gelijk proberen te behandelen. Of men nu moeder is als zelfstandige, werknemer of ambtenaar, een zwangerschapsverlies is altijd even ingrijpend en hangt niet af van het statuut. Het is dus goed, mevrouw de minister, dat u dit samen met uw administratie en de sociale partners zult onderzoeken. Dat is ook wat we vragen. Ik hoop wel dat we vooruitgang kunnen boeken op de drie domeinen voor de drie doelgroepen en dat we ook deze legislatuur een stap vooruit kunnen zetten in de uitbreiding van het rouwverlof.

 

02.05  Anne Pirson (Les Engagés): Je voulais simplement vous remercier, madame la ministre, pour votre prompte disposition à prendre cette problématique en main et à essayer d'avancer sur la question, même si – permettez-moi ce compliment – cela ne m'étonne pas de votre part s'agissant de ce genre de préoccupations.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Chers collègues, la question n°56016906C de Mme Nathalie Muylle sera traitée par écrit et la question n° 56017050C de M. Patrick Prévot est reportée.

 

03 Questions jointes de

- François De Smet à Eléonore Simonet (Classes moyennes, Indépendants et PME) sur "Les accréditations liées au statut d'indépendant des travailleurs du sexe" (56017241C)

- Anne Pirson à Eléonore Simonet (Classes moyennes, Indépendants et PME) sur "L'effectivité du statut d’indépendant des travailleurs du sexe" (56017322C)

03 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Eléonore Simonet (Middenstand, Zelfstandigen en Kmo's) over "De administratieve regeling van het statuut van zelfstandige voor sekswerkers" (56017241C)

- Anne Pirson aan Eléonore Simonet (Middenstand, Zelfstandigen en Kmo's) over "De robuustheid van het zelfstandigenstatuut van sekswerkers" (56017322C)

 

03.01  Anne Pirson (Les Engagés): Madame la ministre, la Belgique a profondément modifié son approche du travail du sexe ces dernières années, notamment par la dépénalisation de l'activité entre adultes consentants et, plus récemment, par l'instauration d'un cadre permettant l'exercice de cette activité sous contrat de travail salarié.

 

Si l'attention médiatique s'est principalement concentrée sur ce nouveau statut de salarié, plusieurs travailleurs du sexe continuent toutefois d'exercer sous statut d'indépendant.

 

Plusieurs acteurs de terrain soulignent que, malgré les avancées législatives intervenues ces dernières années, certains travailleurs du sexe indépendants se heurteraient encore à des difficultés dans l'exercice concret de leur activité professionnelle. Des obstacles seraient notamment signalés en matière d'accès aux services bancaires, aux assurances, à certains services professionnels ou encore à l'accompagnement entrepreneurial.

 

Par ailleurs, au-delà des aspects strictement juridiques, l'un des objectifs poursuivis par les réformes récentes était également de favoriser une meilleure inclusion sociale et économique des personnes concernées ainsi qu'un accès effectif aux protections sociales auxquelles tout travailleur indépendant peut prétendre.

 

Une évaluation du nouveau cadre légal est annoncée pour la fin de cette année. Celle-ci constituera une occasion importante d'évaluer non seulement le recours au nouveau statut salarié, mais également la situation des travailleurs du sexe exerçant toujours sous statut indépendant.

 

Dès lors, madame la ministre, disposez-vous d'informations ou de signalements concernant les difficultés auxquelles se heurtent les travailleurs du sexe indépendants dans leurs relations avec les banques, les compagnies d'assurances, les guichets d'entreprises ou d'autres prestataires de services? Les caisses d'assurances sociales et les guichets d'entreprises ont-ils reçu des instructions et développé des pratiques spécifiques afin d'accompagner ces travailleurs qui souhaitent exercer sous statut indépendant? Le gouvernement dispose-t-il déjà d'éléments permettant d'évaluer si les réformes intervenues ces dernières années ont effectivement amélioré l'accès des travailleurs du sexe indépendants aux droits sociaux et aux dispositifs d'accompagnement auxquels eux aussi peuvent prétendre?

 

03.02  François De Smet (DéFI): Ma collègue a très bien résumé la question. Je vais renvoyer au texte écrit de ma question. Je ne pourrai pas répliquer madame la ministre, mais j'écouterai avec grande attention votre réponse et je vous en remercie.

 

La presse a consacré la semaine du 15 juin un dossier relatif à  la mise en œuvre de la loi régulant le travail du sexe, qui ouvre notamment la possibilité pour les travailleuses et travailleurs du sexe d'exercer sous statut d'indépendant.

 

Ce dossier  pointe des difficultés pratiques dans le processus d'accréditation administrative nécessaire à l'exercice effectif de ce statut.

 

La loi belge du 21 mars 2022 a profondément réformé le droit pénal sexuel en Belgique, et  a décriminalisé le travail du sexe entre adultes consentants, en le retirant du Code pénal

 

Complémentairement à cette dépénalisation, la possibilité d'exercer avec un contrat de travail salarié a été instaurée  par la loi du  3 mai 2024, en vigueur depuis le 1er décembre 2024.

 

Le statut des travailleurs du sexe continue de faire débat  sur la question du lien de subordination

 

L'articulation entre ce cadre pénal et le droit du travail et de la sécurité sociale applicable aux indépendants reste un point de friction signalé par plusieurs acteurs de terrain depuis l'entrée en vigueur de la réforme.

 

En conséquence, madame la ministre peut-elle me faire savoir:

 

1° Combien de personnes exerçant une activité de travail du sexe ont obtenu le statut d'indépendant depuis l'entrée en vigueur de la loi du 21 mars 2022?

 

2°les difficultés administratives concrètes identifiées dans le processus d'accréditation, et par quels acteurs de terrain vous ont-elles été signalées?

 

3° si une simplification de la procédure d'accréditation est à l'étude, et selon quel calendrier?

 

03.03  Eléonore Simonet, ministre: Madame Pirson, l'Institut national d'assurance sociale pour travailleurs indépendants, l'INASTI, ne dispose pas de données spécifiques concernant cette catégorie de travailleurs indépendants, dans la mesure où ce groupe professionnel ne fait pas l'objet de codes professionnels spécifiques ou de codes NACE-BEL distincts. Il existe toutefois un code englobant ce type d'activité, mais celui-ci reprend également d'autres activités qui ne présentent aucun lien avec les travailleurs du sexe, ce qui ne permet pas d'isoler ces données.

 

Les travailleurs du sexe qui souhaitent exercer leur activité en tant que travailleurs indépendants ont les mêmes obligations que tout autre travailleur indépendant, entre autres s'affilier à une caisse d'assurance sociale. Les instructions générales relatives à l'affiliation des travailleurs indépendants s'appliquent ici à l'attention des caisses d'assurance sociale. Pour cela, et je réponds à M. De Smet, ils n'ont pas besoin d'un agrément spécifique, puisqu'un tel agrément n'est requis que pour les personnes qui agissent en tant qu'employeurs et souhaitent employer des travailleurs du sexe dans le cadre d'un contrat de travail. Les conditions à cet effet sont régies par la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail. Les travailleurs du sexe indépendants ne relèvent toutefois pas de cette législation. Par conséquent, la question de M. De Smet ne relève pas de ma compétence en tant que ministre des Indépendants mais de celle de mes collègues habilités à accorder cet agrément, à savoir le ministre du Travail et la ministre de la Justice.

 

Madame Pirson, à ce jour, je ne dispose pas de données exhaustives et systématiquement collectées concernant des difficultés concrètes rencontrées par les travailleurs du sexe indépendants dans leurs relations avec les institutions financières, compagnies d'assurance, guichets ou autres prestataires de services. Mais comme vous l'avez très bien souligné dans votre intervention, l'évaluation prévue du nouveau cadre légal d'ici la fin de l'année 2026 constituera un moment opportun pour examiner cela en profondeur sur la base des données étayées. À partir de cette même évaluation prévue fin 2026, d'éventuelles mesures pourront alors être envisagées notamment en matière de diffusion d'informations. Je vous remercie.

 

03.04  Anne Pirson (Les Engagés): Je voulais simplement vous remercier, madame la ministre. Nous attendrons les éléments contenus dans l’évaluation qui interviendra en fin d’année pour les examiner à la loupe.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van Vincent Van Quickenborne aan Eléonore Simonet (Middenstand, Zelfstandigen en Kmo's) over "Flexi-jobs voor zelfstandigen" (56017298C)

04 Question de Vincent Van Quickenborne à Eléonore Simonet (Classes moyennes, Indépendants et PME) sur "L'accès des indépendants aux flexi-jobs" (56017298C)

 

04.01  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, een maand geleden heb ik u voor de derde keer ondervraagd over de flexi-jobs bij zelfstandigen.

 

U weet dat het Algemeen Beheerscomité een positief advies heeft geformuleerd en een concreet voorstel heeft gedaan dat zo om te zetten is in een wettekst, namelijk maximaal 480 uur per jaar voor een zelfstandige die een flexi-job wil uitoefenen, alleen voor zelfstandigen in hoofdberoep en meewerkende echtgenoten en de vereiste van voorafgaande betalingen van sociale bijdragen.

 

Op 20 mei 2026 heb ik u de vraag gesteld. U hebt toen geantwoord dat u het advies aan het analyseren was en dat u zo spoedig mogelijk met een ontwerp naar de regering zou stappen.

 

Intussen hebben wij vorige week donderdag, 18 juni 2026, in aanwezigheid van de voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen, de heer Denis Ducarme, de wet op de veralgemening van de flexi-jobs goedgekeurd na een interessant debat in het Parlement tijdens de plenaire vergadering. Ik heb toen de vraag gesteld aan de heer Clarinval hoe het zit met de flexi-job voor zelfstandigen. Hij antwoordde dat hij alle vertrouwen had in mevrouw Simonet en dat zij dat dossier zou oplossen.

 

Mevrouw de minister, het is passend om daarover nu duidelijkheid te geven. Wij zijn opnieuw een maand later. Op 1 juli 2026 zal iedereen kunnen flexi-jobben, namelijk alle werknemers en alle ambtenaren, maar niet de zelfstandigen. Daarom is het tijd om kleur te bekennen.

 

Ten eerste, hebt u de analyse van het advies inmiddels afgerond? Het advies dateert van 17 maart 2026. Ik meen niet dat er vier maanden nodig zijn om een advies te analyseren. In het andere geval wil ik dat gerust voor u doen.

 

Ten tweede, hebt u al keuzes gemaakt? Is al een ontwerp aan de regering voorgelegd? Indien niet, wat houdt u tegen? Welke punten moeten nog worden uitgeklaard?

 

Ten derde, is er in de regering principiële steun van de vijf partijen voor de hervorming? Ik moet immers bekennen dat wij intussen het gevoel hebben dat de steun voor de flexi-jobs wegebt. Er zijn nog twee partijen die het dossier steunen, namelijk de MR en Anders. Bij de andere partijen is er twijfel. Bij de N-VA is er terughoudendheid en ook Vooruit en Les Engagés manen aan tot voorzichtigheid.

 

Wanneer komt u dus met een ontwerp naar de regering om ook zelfstandigen te laten flexi-jobben?

 

04.02 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Van Quickenborne, je vous ai dit la dernière fois qu’on allait l’analyser. Et bien, on l’a analysé!

 

Momenteel werkt mijn administratie aan een wetsontwerp op basis van de krijtlijnen die in het advies van het ABC werden uiteengezet. Mijn aanpak bestaat erin meer flexibiliteit te bieden aan zelfstandigen die daar nood aan hebben, terwijl tegelijk een stevig, billijk en coherent kader behouden blijft dat ongewenste effecten vermijdt en het evenwicht van ons systeem bewaart.

 

Een dergelijk ontwerp vraagt de nodige tijd en reflectie. Ik kan u op dit moment dan ook geen uitsluitsel geven over de concrete timing. Ik dank u.

 

04.03  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Dank u, mevrouw de minister.

 

We zijn dus aan de volgende stap. Het wetsontwerp wordt nu geschreven door de administratie en dan zullen we zien of daarvoor politieke steun bestaat. Eerlijk gezegd durf ik daaraan te twijfelen. Ik denk niet dat de regering u daarin zal steunen.

 

Maar geen nood, wij zullen u vanuit de oppositie steunen. We zijn heel constructief. Als u bijvoorbeeld geen steun hebt van Vooruit, kunt u ons altijd contacteren. We hebben ook zonder hen een meerderheid in het Parlement en zullen dat met veel plezier goedkeuren.

 

We kijken uit naar de volgende stappen. Dank u.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Ceci conclut la réunion d’aujourd’hui. Merci à tous.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.20 uur.

La réunion publique de commission est levée à 12 h 20.

 

Schriftelijk behandelde mondelinge vragen

Questions orales traitées par écrit

 

De antwoorden werden door de minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMo's bezorgd.

Les réponses ont été fournies par la ministre des Classes moyennes, des Indépendants et des PME.

 

05 Vraag van Nathalie Muylle aan Eléonore Simonet (Middenstand, Zelfstandigen en Kmo's) over "Het pensioen van meewerkende echtgenoten" (56016906C)

05 Question de Nathalie Muylle à Eléonore Simonet (Classes moyennes, Indépendants et PME) sur "La pension des conjoints aidants" (56016906C)

 

Geachte minister,

 

In januari legde ik u via een schriftelijke vraag een specifieke situatie voor van een meewerkende echtgenote. Zij kwam niet in aanmerking voor de versoepelde regeling meewerkende echtgenoten, omdat zij niet aan de voorwaarde voldeed om minstens één kwartaal aangesloten te zijn in het maxistatuut tussen 1/1/2003 en 30/09/2005.

 

U stelde in uw antwoord dat 'de keuze' die zij maakte om zich niet minstens één kwartaal aan te sluiten in die periode nu negatief uitvalt voor haar pensioen. Maar de dame in kwestie kon zich op dat moment niet aansluiten, want zij was ziek op dat moment. Het betreft hier dus geen keuze, maar overmacht. In een normaal zelfstandigenstatuut zou deze periode gelijkgesteld worden wegens ziekte, maar doordat er voor de ziekteperiode van de meewerkende echtgenote in kwestie geen statuut was wordt dit niet gelijkgesteld. Zij is na haar ziekte opnieuw sociale bijdragen beginnen betalen in het kwartaal vanaf 1/10/2005, maar komt dus door haar ziekte niet in aanmerking voor de versoepelde regeling.

 

In die context heb ik volgende vragen:

 

Hoe ziet u deze problematiek en is uw visie veranderd nu u weet dat dit over ziekte en dus overmacht gaat?

Zal u initiatief nemen om de wetgeving rond meewerkende echtgenoten te versoepelen zodat sommige meewerkende echtgenoten die nu net uit de boot vallen, toch een waardig pensioen krijgen, aangezien ze al die jaren (sinds 2005) ook moesten bijdragen?

In uw antwoord op de schriftelijke vraag waarvan sprake geeft u ook aan dat er geen officiële cijfers zijn van meewerkende echtgenoten die ondanks het voldoen aan de leeftijdsvoorwaarden toch uit de boot vallen. Krijgt u dan geen signalen of vragen binnen op uw kabinet van gelijkaardige situaties zoals hierboven beschreven? Het lijkt mij hoogst onwaarschijnlijk dat het hier over een geïsoleerde situatie zou gaan.

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Muylle, 

 

Ik dank u voor het opnieuw onder de aandacht brengen van deze specifieke situatie.

 

Vooreerst wil ik benadrukken dat het wettelijk kader inzake de versoepelingen rond het minimumpensioen voor meewerkende echtgenoten tot stand is gekomen in een welbepaalde context, waarbij duidelijke toetredingsvoorwaarden werden vastgelegd. Zoals ik in mijn schriftelijk antwoord heb toegelicht, is de voorwaarde om minstens één kwartaal aangesloten te zijn geweest in het maxistatuut tussen 1 januari 2003 en 30 september 2005 een essentieel element binnen deze regeling. Meer bepaald werd de focus gelegd op meewerkende echtgenoten die zich niet konden aansluiten omwille van de afwezigheid van het statuut van meewerkende echtgenote. Vanaf 1 januari 2003 was deze aansluiting op vrijwillige basis mogelijk en vanaf 1 juli 2005 werd de regeling verplicht ingevoerd.

 

Uw vraag vestigt de aandacht op een situatie waarbij betrokkene zich omwille van gezondheidsredenen niet kon aansluiten en zich pas vanaf 1 oktober 2005 aansloot. U begrijpt dat ik hier moeilijk kan ingaan op een individueel dossier waarvan ik niet alle details ken.

 

Maar ik ben bereid om de spécifieke situatie van de meewerkende echtgenote waaraan u verwijst te laten onderzoeken door mijn administratie in overeenstemming met de privacy wetgeving. 

 

Daarnaast roept het achteraf gelijkstellen van periodes waarvoor geen aansluiting heeft plaatsgevonden, hoe begrijpelijk de individuele situatie ook kan zijn, fundamentele vragen op naar de coherentie van het systeem.

 

Hoewel de situatie die u schetst uitnodigt tot reflectie, vergt het aanpassen van dergelijke voorwaarden een grondige analyse, onder meer van de budgettaire impact, de rechtszekerheid en de gelijkheid ten opzichte van andere categorieën van zelfstandigen.

 

Voor uw tweede vraag : Ik kan bevestigen dat ik niet over deze cijfers beschik. Mijn Kabinet ontvangt inderdaad brieven van meewerkende echtgenote, maar tot op heden heb ik nog geen geval gehad dat vergelijkbaar is met het beschreven geval. Ik kan geen uitspraken doen over de brieven die mijn vicepremier heeft ontvangen.

 

Ik dank u.

 

06 Question de Patrick Prévot à Eléonore Simonet (Classes moyennes, Indépendants et PME) sur "Les congés parentaux pour les indépendant(e)s" (56017050C)

06 Vraag van Patrick Prévot aan Eléonore Simonet (Middenstand, Zelfstandigen en Kmo's) over "Het ouderschapsverlof voor zelfstandigen" (56017050C)

 

Madame la ministre,

 

Le weekend dernier, nous fêtions la fête des pères.

 

En ouverture de son édition de 13h, la Une a présenté le congé parental pris par les pères, en supplément du congé pris suite à la naissance de leur nourrisson.

 

En 10 ans, nous observons une augmentation de 70 %. Le plus souvent, c'est la formule d'un jour de congé par semaine qui est privilégiée.

 

Néanmoins, ce système reste encore très mal rémunéré et ne profite pas encore à tous les pères.

 

Comme le rappelait le reportage diffusé dans le journal télévisé, les indépendants ne peuvent pas profiter de ce congé parental.

 

Madame la ministre,

 

Vous avez annoncé qu'à partir de 2028, les parents indépendants pourront bénéficier d'une semaine de congé parental.

 

La période sera graduellement augmentée pour arriver à quatre mois, comme les salariés.

 

Pourriez-vous nous détailler comment le régime s'adaptera "graduellement" vers une égalité de traitement entre une personne salariée et une personne indépendante?

Quelles seront les formules du congé parental indépendants?

Quelles seront ses conditions d'accès?

De quel montant bénéficieront les indépendant(e)s entrant dans les conditions du congé parental?

 

Je vous remercie pour vos réponses.

 

Antwoord - Réponse:

 

Monsieur Prévot,

 

La mise en place d'un régime de congé parental pour les travailleurs indépendants est en effet une mesure qui figure dans mon plan pour les PME. Cette forme de congé n’existe actuellement pas pour les indépendants, et j’entends l’introduire progressivement à leur bénéfice. Mon objectif est de permettre aux indépendants, à partir de 2028, de bénéficier d’une semaine de congé parental, puis d’augmenter progressivement ce congé jusqu’aux quatre mois auxquels les travailleurs salariés ont aujourd’hui droit.

 

La mise en œuvre de cette mesure en est encore au stade préparatoire et dépend également de la mise en œuvre du crédit familial. Donc à ce stade, aucune modalité concrète et définitivement arrêtée n’a encore été définie pour le déploiement du congé parental pour les indépendants.

 

Cela implique également qu’aucun plan définitif ne peut, à ce jour, être présenté quant à la concrétisation d’une extension "progressive", et que les étapes précises ainsi que le calendrier ne pourront être fixés qu’à l’issue de travaux complémentaires de préparation politique et de considérations budgétaires.

 

Je vous assure toutefois que ces éléments seront élaborés en temps utile afin de permettre la mise en œuvre du congé parental pour les indépendants à partir de 2028.

 

Je vous remercie pour votre question.