|
Commissie
voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken |
Commission
de l'Intérieur, de la Sécurité, de la Migration et des Matières
administratives |
|
van Woensdag 17 juni 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 17 juin 2026 Après-midi ______ |
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.25 uur en voorgezeten door de heer Ortwin Depoortere.
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 25 et présidée par M. Ortwin Depoortere.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De voorzitter:
Ik verwelkom de minister van Binnenlandse Zaken. Mijn excuses dat de regeling
van de werkzaamheden is uitgelopen.
01.01 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik zal proberen niet in herhaling te vallen, want we hebben daarover vorige week al van gedachten kunnen wisselen in de plenaire vergadering, maar misschien is deze commissievergadering beter geschikt om een aantal heel concrete vragen te stellen en, in de mate van het mogelijke, heel concrete antwoorden te krijgen. Ik veronderstel immers dat we rekening moeten houden met het politieonderzoek en het gerechtelijk onderzoek die wellicht lopende zijn.
Ik hoef de situatie niet meer te schetsen. Die is genoegzaam bekend: het vandalisme, de geweldplegingen, het aanvallen van hulpdiensten bijvoorbeeld door een brandweerwagen te beschadigen, het in brand steken van deelsteps, het vernielen van meubilair op straat en het aanvallen van politieagenten. De beelden toonden een klein slagveld in het hartje van Brussel, niet in de banlieues, maar aan het Centraal Station, een heel druk station met heel veel pendelaars. Ik ben ook een pendelaar die gretig gebruikmaakt van het openbaar vervoer en ben net op tijd ontsnapt aan de rellen. Ik was net voor de manifestatie in Brussel en heb op die manier al dat geweld kunnen ontwijken.
Mijnheer de minister, hoeveel personen zijn na de incidenten administratief of gerechtelijk aangehouden en hoeveel vervolgingen zullen er effectief worden uitgevoerd? Als ik de videobeelden bekijk, dan had en heb ik nog steeds de indruk dat allochtone relschoppers oververtegenwoordigd waren. Kunt u dat bevestigen aan de hand van de statistieken en de gegevens die u inmiddels wel van onze politiediensten zult hebben gekregen?
Een volgende vraag betreft de schade en de schadeclaims. Hoeveel schade werd vastgesteld aan het openbaar domein, aan handelszaken, aan infrastructuur in de stationsomgeving of aan privé-eigendommen? Hoe zal de schade op de daders verhaald worden?
In welke mate werden politiemensen en hulpverleners aangevallen, bekogeld of verwond?
De zonechef van Brussel-Hoofdstad, de heer Michel Goovaerts, verwees naar de grote link die er zou zijn met een extreemlinkse harde kern die de betogers heeft geïnfiltreerd en jongeren heeft opgehitst om effectief tot rellen over te gaan. Wordt dat ook door u bevestigd?
Heeft de politie afspraken kunnen maken met de organisatoren van de betoging?
Mijn tweede mondelinge vraag, mijnheer de minister, sluit daarbij aan. Hoe verklaart u dat sommige linkse en extreemlinkse partijen en groeperingen de focus zo snel hebben verlegd naar het vermeende geweld en de vermeende misplaatste gedragingen van onze politiediensten? Ik wil in alle objectiviteit van u ook vernemen wat daarvan aan is en of het om geïsoleerde incidenten gaat.
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat onze politiediensten en hulpverleners in zeer moeilijke omstandigheden de openbare orde moeten handhaven en dat zij onterecht worden geviseerd om de aandacht af te leiden van de werkelijke daders, namelijk de relschoppers zelf. Daarom wil ik vragen wat de feiten zijn die aan die verdachtmakingen ten grondslag liggen.
Uiteraard worden onze politiediensten gecontroleerd. Zoals ik al meermaals heb gezegd, zijn onze politiediensten een van de meest gecontroleerde overheidsdiensten van dit land. Er is het Comité P, maar ook de Algemene Inspectie, de zonechef, de interne inspectie, het COC enzovoort. Beweren dat politieagenten zomaar hun gang kunnen gaan zonder het risico te lopen gecontroleerd te worden, is de mensen blaasjes wijsmaken.
Dat brengt mij bij mijn derde vraag, mijnheer de minister. Ik verwees daarnet al naar de Brusselse korpschef, de heer Goovaerts. Hij stelde niet alleen dat de relschoppers steeds jonger worden, wat in de toekomst een probleem dreigt te worden. We moeten dus ook nadenken over de manier waarop we minderjarige relschoppers op een goede manier moeten aanpakken. Dat zal inderdaad een andere aanpak vergen, maar daarom mag het geen zachtere aanpak worden, integendeel.
Sommige splintergroepjes zoeken zeer doelbewust minderjarigen op en jutten hen op om vandalenstreken uit te halen en rel te schoppen, omdat ze zeer goed weten dat minderjarigen in ons land worden beschermd, misschien wel te vaak beschermd. Als men, zoals de korpschef in de media zei, een dertienjarige moet oppakken met een jerrycan benzine, dan is er iets aan de hand. Dan mag leeftijd volgens mij geen excuus meer zijn om die jongeren niet aan te pakken. Ik hoop dus dat u mij in die redenering volgt.
Bovendien zijn er ook steeds meer extreemlinkse groeperingen die zeer doelbewust onze agenten filmen, fotograferen en hun privégegevens verzamelen om hen onder druk te zetten. Zij verspreiden die gegevens ook onder het motto Wanted. Dat zijn praktijken die we niet uit de hand mogen laten lopen en die eigenlijk sowieso niet door de beugel kunnen. Ik hoop dat daar ook onderzoek naar zal gebeuren. Ik hoop eveneens dat de huiszoekingen die in het kader van Code Rood zijn uitgevoerd, daartoe hebben kunnen bijdragen. In dit democratische land is betogen inderdaad een recht, maar dergelijke praktijken mogen we niet zomaar laten passeren.
De voorzitter: De heer Vandemaele is verontschuldigd.
01.02 Xavier Dubois (Les Engagés): Des échanges ont effectivement déjà eu lieu la semaine passée en séance plénière. Notre rôle n'étant pas de mettre de l'huile sur le feu mais d'appréhender ces faits de manière posée et prudente, c'est en ce sens que nous devons agir et exercer notre rôle de contrôle parlementaire.
Bien sûr, les images nous ont tous interpellés. Elles mettent parfois en avant des versions assez divergentes des faits. Certains parlent de violences policières, et on a aussi constaté la présence de casseurs et d'individus violents qui ont fortement perturbé la manifestation.
Comme je l'ai dit, il faudra attendre la fin des enquêtes en cours au sein du Comité P et de la zone de police pour pouvoir se prononcer précisément sur les faits. En attendant, il y a toute une série de questions très concrètes que l'on peut et que l'on doit se poser.
Monsieur le ministre, selon une dépêche Belga, les services de police auraient été appuyés par l'armée. Si cette information est fausse, je vous invite à le dire. Si toutefois elle est correcte, plusieurs questions se posent. Combien de forces de police et combien de forces de l'armée étaient présentes? Sur quelle base la décision de déployer du personnel militaire a-t-elle été prise? Comment ce déploiement a-t-il été organisé? Quelles instructions ont été données? Sous quels ordres de commandement ces services ont-ils pu être mobilisés? Le recours à un appui militaire dans le cadre d'opérations liées au maintien de l'ordre public faisait-il partie des scénarios envisagés lors de la récente décision qui visait à renforcer la police fédérale par des moyens de la Défense? Je pense qu'il est important de clarifier ces points et de répondre de manière la plus posée.
On pourrait en effet poser beaucoup de questions sur ce qui s'est passé mais, pour y répondre, nous devrons attendre le résultat des enquêtes. Dès lors, au regard de ces difficultés, la question est de savoir comme identifier et isoler les individus violents au sein de cette manifestation sans remettre en cause le droit de manifester, bien entendu. D'autres mesures, d'autres outils pourraient-ils être utilisés pour une meilleure identification? Certaines pistes ont été évoquées, telles que la mise en place de périmètres de manifestation mieux encadrés ou des dispositifs d'accès contrôlés lors de certains rassemblements à risque. Ces options sont-elles à l'étude?
Je pense par ailleurs que la solution passe aussi par une meilleure anticipation des faits. Dans quelle mesure les services de police disposent-ils des moyens technologiques et juridiques nécessaires pour surveiller les réseaux sociaux et détecter – dans le respect des libertés fondamentales – d'éventuels appels à la violence ou des actions de perturbation de l'ordre public? Tout un volet de missions est potentiellement à développer au niveau des services de police.
Par rapport à ce qui s'est passé, qu'envisagez-vous en termes d'adaptation des dispositifs de maintien de l'ordre lors des manifestations afin de garantir simultanément le droit de manifester et la sécurité de tous?
Il a également été rapporté que le périmètre légal de la zone neutre n'aurait pas été strictement respecté lors de la manifestation. Est-ce effectivement le cas et quelle analyse faites-vous de cette situation?
Mes questions comportent donc deux volets: d'une part, la question de la présence potentielle de militaires, à laquelle vous pouvez peut-être répondre très rapidement et, d'autre part, la question de l'avenir. Comment anticiper, comment mieux doter nos services de police de moyens plus technologiques permettant de mieux identifier les fauteurs de troubles et arriver à faire la part des choses? C'est sans doute très compliqué quand on est face à un nombre important de manifestants. Il importe toutefois de pouvoir distinguer les manifestants qui sont là pour porter un message de ceux qui ne sont là que pour casser et brûler.
01.03 François De Smet (DéFI):
Sur les réseaux sociaux, de nombreuses vidéos circulent depuis jeudi dernier , dénonçant des violences
policières et un usage disproportionné de la force pour disperser la foule,
composée de nombreux adolescents, dans le cadre des manifestations
d’enseignants et d’élèves au centre de Bruxelles le 4 juin dernier
Des propos sexistes et racistes auraient
également été proférés par des policiers: il n’entre pas dans mes intentions de
jeter l’opprobre sur le travail des corps de police , mais de pouvoir exercer
un contrôle parlementaire sur ces faits, de quelque violence qu’elle soit
physique ou verbale, si ceux-ci sont avérés.
J’entends également que cette séquence ne
soit pas limitée à des policiers aux
prises avec l’extrême gauche , et caricature les oppositions, en gommant
l’activisme ou des comportements d’extrême droite. La ligue des droits humains
(LDH) a évoqué une "réaction policière disproportionnée", considérant
que la présence de nombreux adolescents aurait dû inciter les forces de l’ordre
à plus de retenue. Face aux images qui ont largement circulé sur les réseaux sociaux,
la Ville de Bruxelles a annoncé ouvrir une enquête, notamment après la
diffusion de séquences dans lesquelles on entend des policiers tenant des
propos racistes et sexistes.
En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il
me faire savoir:
si il entend également diligenter une
enquête au niveau de la police POLBRU si il s’avère que des violences
policières ont effectivement été commises?
La coordination policière qui s’est faite en amont de la manifestation?
si la relation des faits sera faite de
manière objective en évitant la polarisation des groupes?
Plusieurs médias lors du 9 juin 2026 confirment votre proposition de
rendre les organisateurs de manifestations responsables des dommages causés par
des casseurs — sous forme d’une « loi
casseur-payeur dans la suite des
manifestations du 4 juin dernier.
Vous avez ainsi déclaré : “Pour les
incendiaires et les casseurs, un principe simple doit s’appliquer :
casseurs-payeurs. Celui qui détruit doit payer. Conformément à l’accord de
gouvernement et aux engagements pris au sein de la majorité, cette loi doit
être adoptée dans les meilleurs délais afin que le coût des dégradations puisse
être récupéré auprès de ceux qui sont responsables des violences et des
dommages qu��ils causent”
Le droit de manifester est garanti par
l'article 26 de la Constitution belge et par l'article 11 de la Convention
européenne des droits de l'homme. La responsabilité civile pour les dommages
causés par des tiers heurte le principe de la faute personnelle codifié à
l'article 1382 du Code civil. La Cour européenne des droits de l'homme a, dans
les arrêts Frumkin c. Russie (2016) et Lashmankin c. Russie (2017), précisé
qu'une responsabilité objective des organisateurs peut avoir un effet dissuasif
disproportionné sur l'exercice du droit de réunion pacifique.
La loi française du 10 avril 2019 dite «
anti-casseurs » a fait l'objet d'une censure partielle par le Conseil
constitutionnel français (décision n° 2019-780 DC du 4 avril 2019).
En conséquence, Monsieur le ministre peut-il
me faire savoir:
- si le régime de responsabilité que vous
envisagez est une responsabilité objective ou fondée sur la faute prouvée, et comment il entend définir précisément le
fait générateur, et les garanties prévues pour les manifestants pacifiques et
leurs organisateurs ?
- si il entend engager une concertation
préalable avec les organisations syndicales, les associations de défense des
droits fondamentaux et le Conseil supérieur de la justice?
- Comment il entend garantir la compatibilité du dispositif avec les
arrêts CEDH Frumkin (2016) et Lashmankin (2017), et le retour d'expérience
qu’il entend tirer de la loi française
du 10 avril 2019 telle que rectifiée par la décision n° 2019-780 DC du Conseil
constitutionnel français ?
01.04 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, aan de terechte bemerkingen en vragen van collega Depoortere wil ik toevoegen dat ik dat soort protesten – deze keer gaat het om studentenprotesten – al zeer lang nauw opvolg en ook de beelden daarvan op sociale media aandachtig bekijk. Zowel in Brussel als in Namen vonden protesten plaats.
Ik stel telkens opnieuw vast dat die protesten ook een sterke islamitische inslag hebben. Op Instagram schreven jonge moslims naar aanleiding van de rellen in Namen: "We gaan erger doen dan Islamitische Staat." Daarnaast is op diverse video's te zien en te horen dat de jihadistische strijdkreet Allahu akbar wordt geroepen. Het lijkt er ook zeer sterk op dat minstens het gros van de relschoppers een islamitische achtergrond heeft, terwijl andere groepen met een migratieachtergrond, bijvoorbeeld Chinezen, maar ik kan er velen opnoemen, in dat soort straatrellen niet of zo goed als niet vertegenwoordigd blijken te zijn.
Mijnheer de minister, wilt u erkennen dat er een sterke islamitische invloed is in de rellen in Brussel en Namen?
Wordt opgespoord wie online of via chatgroepen, misschien besloten chatgroepen, oproept of aanzet tot dit soort vandalisme en geweld, zeker ook diegenen die verwijzen naar Islamitische Staat? Ik til daar zeer zwaar aan. Ik vind ook dat de regering daar zeer zwaar aan moet tillen.
Ik heb u ook het interessante artikel bezorgd van de Nederlandse psycholoog Timon Dias, die het heeft over wat hij de gangsterislam noemt, een term die hij heeft gemunt en waarvan hij zegt dat het de synthese is tussen criminaliteit, straatleven en de islam, een uniek Europees probleem. Die analyse neem ik als basis om dat soort rellen ook een vorm van straatjihad te noemen. Mijnheer de minister, ik verneem graag uw mening over die analyse. Is die volgens u van toepassing op die straatrellen? Zo ja, hoe zou u met uw beleid daarop kunnen inspelen?
01.05 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, vous avez sans doute, lorsque vous étiez plus jeune, manifesté dans les rues de Bruxelles ou ailleurs pour une cause qui vous tenait à cœur, pour défendre vos droits ou un élément essentiel de notre société. C'est précisément ce qu'ont fait, il y a quelques jours à Bruxelles, des milliers d'enseignants, de parents et de jeunes. Ils ont manifesté pacifiquement pour défendre l'enseignement francophone.
Parmi eux, on ne peut pas le nier, il y avait des casseurs. À leur égard, il ne peut y avoir aucune ambiguïté: une réponse ferme s'impose. Ces individus ne peuvent pas ternir la manifestation ni occulter les messages essentiels portés ce jour-là par les manifestants. Parmi ces derniers figuraient notamment des enseignants et des parents. Je pense notamment à Vanessa, cette mère de famille de 50 ans évoquée dans un reportage de BX1, qui tentait simplement de protéger un jeune qui venait d'être appréhendé par des personnes se présentant comme des policiers. Toute la lumière doit être faite sur ces événements.
Monsieur le ministre, j'ai tout d'abord une question concernant les militaires. Qui a demandé aux militaires présents à l'intérieur de la gare Centrale de quitter celle-ci afin d'assurer une présence sur l'espace public? Envisagez-vous, à l'instar de la zone de police Bruxelles-Ixelles, de demander l'ouverture d'une enquête du Comité P au regard des images qui ont été diffusées? Enfin, vous avez souvent déclaré souhaiter une police respectueuse, respectable et respectée. Or, dans cette exigence de respect, il y a aussi la nécessité d'une action humaine et digne de la part des forces de l'ordre. Considérez-vous que le comportement de certains policiers, qui nuit à l'image de l'ensemble du corps de police, répond à cette exigence de respect?
01.06 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, j'ai eu l’occasion de vous interroger spécifiquement au sujet des manifestations récentes. Je souhaitais dès lors aujourd’hui élargir le cadre.
Ma première question concerne l’obligation d’identification des policiers. En effet, lors des manifestations récentes mais aussi plus largement, de nombreux policiers présents pour la gestion des mobilisations dans l’espace public ne portent pas de signe qui permettent de les identifier. L'article 41 de la loi sur la fonction de police prévoit que "tout membre du cadre opérationnel en service doit pouvoir être identifié en toutes circonstances". Il s’agit en général d’un plaquette nominative, mais il est possible, pour certaines interventions, de la remplacer par un numéro d'intervention, à savoir le matricule. Le fait d’être identifiable constitue donc une obligation légale pour les membres du corps opérationnel, afin de pouvoir documenter et donner suite, le cas échéant, à des comportements ayant dépassé le cadre légal. Certains policiers interrogés quant à l’absence d'identification répondent que les velcros ne tiennent pas sur la plaquette, etc. Or le phénomène est récurrent et ne se limite pas à un ou deux membres isolés de la police; il concerne de nombreux policiers lors de manifestations. Ceci interroge sur la tolérance de ce comportement.
Quels sont vos moyens d'action pour vous assurer que l’obligation d’identification des policiers est bien respectée?
S’agissant de l’utilisation des gaz lacrymogènes pendant les manifestations, en 2023, le Comité P avait souligné dans un rapport une tendance au recours excessif à cette méthode, y compris de manière offensive. Il avait averti de ne pas en faire une habitude. Or, encore tout récemment, les sprays et grenades lacrymogènes ont à nouveau été massivement utilisés pour gérer les manifestations, y compris de façon offensive. J'ai consulté la circulaire ministérielle d’application actuellement, à savoir la circulaire OOP 41bis, qui décrit le spray collectif comme "un moyen non létal purement défensif dont l'utilisation doit rester limitée aux situations de violence collective ou individuelle grave commise contre la police ou contre des personnes, aux cas de légitime défense ou lorsque les fonctionnaires de police en charge de la protection de personnes, postes, biens dangereux ou lieux ne peuvent exercer cette protection autrement". Les grenades lacrymogènes sont considérées comme "un armement particulier" à utiliser dans les mêmes contextes. La circulaire ne mentionne pas le spray individuel, à moins que j’aie mal lu. Il est pourtant également utilisé par les policiers. Le gaz lacrymogène n’est pas inoffensif pour la santé, surtout en cas d’exposition prolongée ou récurrente. L’exposition des enfants à ces substance interroge encore davantage au vu de leur vulnérabilité accrue et leur système respiratoire moins résistant.
Je voudrais vous demander quels gaz sont utilisés par la police belge et comment le choix s'opère entre spray au poivre, CS, grenades lacrymogènes. Des autorisations particulières sont-elles nécessaires pour utiliser ces armes? Des évaluations sont-elles réalisées par la suite sur les utilisations? Des formations sont-elles données concernant la toxicité de ces gaz, les règles qui encadrent leur utilisation? Les utilisations individuelles ou collectives de spray ou les lancements de grenades lacrymogènes sont-ils répertoriés? Comment l'impact sur les enfants est-il pris en en compte lors de l'utilisation de ces gaz? Envisagez-vous de renforcer l'encadrement de l'utilisation des gaz lacrymogènes ou même, comme certains pays l'ont fait, de les interdire compte tenu de leur toxicité?
Ma troisième question porte sur l'usage de la nasse, soit le confinement temporaire. C'est une méthode policière "consistant à fixer une foule dans un espace restreint". La même circulaire ministérielle la décrit comme une "limitation de la liberté de mouvement" et non une privation de liberté. Dès lors, les limitations et obligations de l'article 5 de la Cour européenne des droits de l'homme (CEDH) ne s'appliquerait pas. Cette technique ne fait pas l'objet, en droit belge, d'un encadrement légal spécifique pouvant baliser cette mesure.
C'est ce qu'a constaté le tribunal de première instance francophone de Bruxelles dans un jugement en mars 2025, qui a condamné la zone de police PolBru et le bourgmestre de Bruxelles-Ville pour avoir ordonné et exécuté une mesure de nasse sans base légale, "en violation de l'article 5 de la CEDH, ou à tout le moins de l'article 2 du protocole additionnel n° 4".
Pourtant, depuis ce jugement, la nasse reste régulièrement utilisée par la police, en ce compris la zone de police condamnée.
Monsieur le ministre, quels enseignements tirez-vous de ce jugement? Comment comptez-vous adapter la loi sur la fonction de police ou la circulaire ministérielle pour tenir compte de ce jugement? L'utilisation de nasses fait-elle l'objet d'un reporting ou d'un monitoring depuis le jugement?
Ma dernière question a trait à la gestion négociée de l'espace public. La circulaire 4bis réaffirme que "l'approche conforme à la gestion négociée de l'espace public reste, dans une démocratie mature, la seule manière adéquate pour la police, les autorités et les partenaires de gérer cet espace public".
Cette stratégie repose essentiellement sur deux piliers, le dialogue et la désescalade, afin de "créer les conditions d'un déroulement sûr et harmonieux". Elle se concrétise en plusieurs phases: la prévention, la désescalade et ensuite l'évaluation et le feedback.
Comme le souligne cette circulaire, "il n'existe aucune alternative moderne, démocratique ou légitime à cette approche".
Lors des dernières manifestations, la question a pu se poser quant à l'application réelle de la gestion négociée de l'espace public.
Monsieur le ministre, pouvez-vous me confirmer que c'est bien l'approche privilégiée? Lorsque des manifestations se déroulent mal, quelle évaluation est menée de leur déroulement au regard de la gestion négociée de l'espace public? Comment assurez-vous le respect et la bonne application de cette circulaire par les zones de police en ce qui concerne la gestion négociée de l'espace public?
01.07 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, ik wil het debat dat we in de plenaire vergadering hebben gevoerd niet helemaal overdoen, maar zoals de voorzitter al zei en zoals ikzelf en een aantal collega’s vorige week ook hebben gezegd, onze politie moet onder heel moeilijke omstandigheden functioneren, zeker in Brussel. De politie doet echt wel haar best en is dus in dezen zeker niet het probleem. Als fracties gelet op die omstandigheden alleen maar klagen over de politie, dan denk ik daar het mijne van. Volgens mij moet de politie de middelen waarover ze beschikt, zoals traangas, kunnen blijven gebruiken.
Nieuw sinds het debat van vorige week in de plenaire vergadering is dat er een brief is gekomen van de voorzitter van het Parlement van de Franstalige Gemeenschap. Wat is er tijdens die rellen in Brussel gebeurd? Er is een parlement bestormd. Als er in ons land een parlement wordt bestormd, dan is dat blijkbaar een fait divers. Als dat in andere landen gebeurt, dan is dat dagenlang het hoofditem in het nieuws; volgens mij terecht, want de bestorming van een parlement is democratisch gevaarlijk. Maar als dat in dit land gebeurt, zeker als het vanuit extreemlinkse hoek gebeurt, moeten we dat blijkbaar maar normaal vinden en moeten we dat maar laten passeren. Ik vind dat dus absoluut niet kunnen. Ik vind het schandalig en democratisch gevaarlijk dat een parlement bestormd kan worden, dat volksvertegenwoordigers bij de uitvoering van hun mandaat in gevaar kunnen worden gebracht door extremistische relschoppers die het parlement binnendringen.
De voorzitter van het Parlement van de Franstalige Gemeenschap zegt dat de neutrale zone niet correct gehandhaafd werd, dat verschillende keren contact werd opgenomen met de Brusselse politiediensten en met burgemeester Close om die neutrale zone op een correcte manier te laten handhaven, maar dat dat blijkbaar niet gelukt is. Ik weet niet hoe die contacten zijn verlopen, maar het zou toch echt schandalig zijn mocht inderdaad blijken dat de voorzitter van het Parlement van de Franstalige Gemeenschap heeft gezegd dat het Huis van de Democratie niet genoeg en niet volgens de wetgeving wordt beveiligd en dat de burgemeester van Brussel daar niet op is ingegaan.
Mijnheer de minister, kunt u daarover wat meer informatie geven? Zult u in de toekomst gesprekken voeren met de burgemeester van Brussel om ervoor te zorgen dat de neutrale zone wel wordt gerespecteerd? Is er een link tussen extremistische kringen en de relschoppers die het Parlement hebben bestormd? Zijn die mensen allemaal geïdentificeerd?
De voorzitter: Wensen leden zich aan te sluiten bij de vraagstelling in dit actuadebat?
01.08 Julien Ribaudo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, j'ai eu la chance d'échanger avec vous la semaine passée. Je ne vais donc pas refaire le débat. Toutefois, deux minutes de temps de parole ne suffisent pas pour poser toutes les questions que je voulais vous poser la semaine dernière. J'en ai une kyrielle pour vous aujourd'hui
Des plaintes ont-elles déjà été déposées auprès du Comité P? Le Comité P a-t-il ouvert une enquête sur l'ensemble des incidents et des enquêtes ont-elles été ouvertes par d'autres instances comme le service de l'Inspection générale de la police ou par un organe de contrôle interne de la police de la zone Bruxelles?
Par ailleurs, pour reprendre une question déjà soulevée par plusieurs collègues, comment se fait-il que de nombreux policiers n'avaient pas de badge d'identification et comment se fait-il que de nombreux policiers en civil lors de l'intervention n'avaient pas de signe reconnaissable? Comme c'est une obligation légale, comment faire en sorte qu'il y ait un numéro d'identification? Dans l'appel d'offres de votre nouvel uniforme, est-il prévu que les scratchs soient plus puissants pour éviter que les badges ne tombent pendant les interpellations?
La semaine passée, vous m'avez dit que nous n'avions pas la même lecture des chiffres que celle du Comité P. Je serais dès lors très intéressé d'avoir votre lecture du rapport d'activités de l'année 2025 du Comité P sorti la semaine passée. Comment comptez-vous répondre au Comité P par rapport à la systémisation du "réflexe enfant"? L'idée d'envoyer des jeunes dans des bootcamps a été évoquée ici et là et je voulais avoir votre avis, en tant que ministre de l'Intérieur, sur la pertinence de cette idée.
Enfin, j'ai des questions par rapport aux militaires. Les militaires ont-ils joué un rôle dans le maintien de l'ordre lors de cette manifestation? Si oui, sur quelle base légale et sur ordre de qui leurs actions ont-elles été menées? Enfin, des jeunes, des enseignants ou d'autres manifestants sont-ils entrés en confrontation directe avec les militaires?
01.09 Brent Meuleman (Vooruit): Mijnheer de minister, mijn vraag was niet aangekondigd. De voorbije dagen heb de agenda in de gaten had gehouden. Er was inderdaad een actuadebat aangekondigd, maar ik meende dat, door de vragen in de plenaire vergadering vorige week en de toevoeging van enkele vragen uit de commissie, er vandaag geen actuadebat meer zou plaatsvinden. Aangezien dat wel het geval is, sluit ik met mijn vragen aan.
Mijnheer de minister, ik vind het altijd merkwaardig dat wanneer zulke feiten plaatsvinden, in dit halfrond geldt dat hoe rechtser men staat op de politieke as, hoe exclusiever men focust op de relschoppers, en hoe linkser men staat op die as, hoe exclusiever men focust op het politieoptreden. Ik wil niet deelnemen aan dat politieke spel, want ik vind elke vorm van geweld verwerpelijk, of dat nu komt van de kant van een betoger of van een agent die zijn macht misbruikt. Beide vind ik even verwerpelijk.
Ik zal ook geen oordeel vellen. Ik heb immers gemerkt op sociale media dat men, zodra men op het ene of het andere focust of een uitspraak doet, al gauw in een bepaalde hoek wordt gezet. Dat is natuurlijk heel vervelend, want het debat wordt daarmee niet geholpen.
Mijn vraag aan u is heel eenvoudig. De titel ervan, het optreden van de politie, duidt daar al op. Wat is daarvan aan? Wat weet u daarvan? Wat kunt u ons daar vandaag over vertellen? Welke onderzoeken lopen er? Zijn er al zaken afgerond? Welke onderzoeken zullen nog lopen? Moeten we ons zorgen maken?
Ik heb ook een vraag gesteld over die identificatie, maar dat is een aparte vraag. Ik zou dus van u graag meer vernemen over het politieoptreden.
De voorzitter: Wenst iemand nog aan te sluiten bij de vraagstelling in dit actuadebat? (Neen)
01.10 Bernard Quintin, ministre: Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos différentes questions qui complètent en effet l’échange que nous avons pu avoir la semaine dernière en séance plénière.
Ik heb samen met jullie de uit de hand gelopen betogingen op 4 en 5 juni met argusogen gevolgd. De talrijke vragen dienaangaande herbevestigen mijn eerder geformuleerde zienswijze dat veroorzakers van de schade die ook dienen te vergoeden.
Comme je l’ai dit, "qui casse paye", un point c’est tout, et j’y reviendrai.
Eerst ga ik in op de kwestie van de eventuele inzet van militairen.
Les militaires n'étaient pas engagés, au même titre que la SPC, dans le dispositif de maintien de l'ordre initial. Cette manifestation était gérée par PolBru, comme il se doit, et personne n'avait imaginé qu'elle dégénérerait de la sorte. Les militaires étaient engagés dans le cadre des patrouilles mixtes avec la police des chemins de fer, comme chaque jour depuis plus de deux mois, afin de contribuer à la protection de nos citoyens dans les gares et les stations de métro de la capitale.
La patrouille mixte se trouvait dans la gare Centrale lorsque la situation s'est dégradée de manière imprévue en surface. Les policiers actifs au sein de cette patrouille ont alors reçu du Gold Commander, c'est-à-dire le chef de corps de PolBru responsable de la coordination du dispositif, l'instruction d'empêcher l'accès à la gare en fermant certains accès à celle-ci. Cette opération a pris un certain temps compte tenu de la coordination nécessaire avec nos partenaires de Securail et de la STIB. Il s'agit d'ailleurs d'un autre sujet auquel il faudra un jour s'attaquer en réunissant l'ensemble des acteurs concernés autour de la table. Avec un peu de bonne volonté, nous devrions pouvoir améliorer la rapidité de cette coordination en matière de sécurité. Les policiers se sont donc mis en ligne afin d'empêcher l'accès à la station pendant sa fermeture et ont, à un moment donné, été relayés par les militaires qui les accompagnaient.
Lors du débriefing organisé le jour même en présence du commandement militaire, il a été rappelé tant au personnel de la police des chemins de fer qu'aux militaires que, dans une telle situation, les policiers doivent se trouver en première ligne et les militaires en retrait. Je tiens à préciser que les militaires n'ont été présents qu'aux accès de la gare Centrale. D'ailleurs, sur les images qui ont circulé, on distingue clairement l'entrée concernée, celle de la rue de la Putterie si je ne me trompe.
Il n'existe pas d'autre base juridique que l'article 111 et les protocoles actuellement en vigueur. Il s'agit d'une situation circonstancielle mais, comme je l'ai indiqué, il a été rappelé tant aux membres de la police des chemins de fer qu'aux militaires les règles applicables quant à leur positionnement respectif. Il faut également comprendre que, dans ce contexte, la SPC se trouvait sous l'autorité du Gold Commander, conformément aux règles habituelles selon lesquelles la police fédérale appuie la police locale dans ses opérations. Quelques ajustements ont donc dû être apportés. Il n'y a eu aucune interaction entre les militaires et les manifestants, hormis leur présence aux accès de la gare.
Mijnheer Depoortere en anderen die de vraag hebben gesteld, inzake het uniform, de kentekens, de legitimatiekaart en andere middelen van identificatie van de leden van de politiediensten, heeft de Koning in uitvoering van artikel 141 van de wet op de geïntegreerde politie een uitvoeringsbesluit genomen dat de regeling vaststelt van het uniform, zonder het dragen van een badge of een specifiek embleem uitdrukkelijk te verbieden.
Je l’ai aussi répété: le matériel de la police est un matériel d’État. Il n’y a pas à y mettre de signe, quel qu’il soit, même pas un autocollant "J’aime ma maman" ou de club de foot, ni d’autres signes. Je suis très clair sur ce sujet. Je l’ai rappelé aussi. Je l’ai rappelé à la police fédérale qui est sous mon autorité. Je l’ai rappelé à la CPPL. Je pense que c’est très clair. On parle beaucoup de neutralité dans nos débats. S’il y a bien un corps de l’État qui doit être absolument neutre à tous les points de vue, c’est bien la police.
(…): (…)
01.11 Bernard Quintin, ministre: On doit aimer sa maman, mais on n’est pas obligé de le mettre sur un autocollant sur son uniforme. J’allais dire autre chose, mais je vais essayer d’être sérieux aujourd'hui.
Om bijzondere competenties, zoals die van motorrijder of hondengeleider, of het behoren tot bepaalde directies, te herkennen, heeft de ministeriële omzendbrief GPI 65 van 27 februari 2009 in de mogelijkheid voorzien om bepaalde onderscheidingstekens te dragen die geen deel uitmaken van de basisuitrusting, maar wel een onderdeel vormen van de uitrusting van een enigszins gespecialiseerde functie, zonder dat ze aan de drager enig specifiek gezag verlenen. Het behoort onder meer tot de bevoegdheid van de korpschef of de commissaris-generaal om dat toe te laten of op te leggen en dat onderdeel van de uitrusting ter beschikking te stellen van de betrokken personeelsleden. Het dragen van andere insignes is, zoals ik al zei, duidelijk verboden.
U zult begrijpen dat ik hier geen uitspraak kan doen over eventuele gepleegde feiten door politiemensen zolang het onderzoek daarnaar loopt. Het lijkt me aangewezen dat u de vraag over mogelijke klachten bij Comité P rechtstreeks aan Comité P richt, aangezien dat tot het Parlement behoort.
Mijnheer Van Rooy, de Belgische diensten verzamelen geen gegevens die toelaten om daders van misdrijven of verstoringen van de openbare orde te koppelen aan om het even welke religieuze overtuiging. In België bestaan er gelukkig geen gegevens over religie, etnische oorsprong, enzovoort.
Il n’y a pas de statistiques ethniques en Belgique et je m’en réjouis chaque jour qui passe.
In het kader van de EU Internet Referral Unit (EU IRU) zoeken de diensten FCCU-i²-IRU binnen de centrale directie van DJSOC online naar illegale terroristische content, waaronder oproepen tot terrorisme en de verspreiding van terroristische propaganda. Wanneer een Belgische link wordt vastgesteld, wordt een proces-verbaal opgesteld. Wanneer er geen Belgische link is, wordt de verwijdering van de betrokken content gevraagd. De dienst voert geen systematische monitoring uit van individuele profielen.
Oproepen die plaatsvinden in private groepen of via private communicatie kunnen daardoor niet worden opgemerkt. Wanneer de platformen die inhoud opmerken, kunnen ze daarvan, overeenkomstig artikel 18 van de Digital Services Act, een melding overmaken aan de DJO-Permanentie en DJSOC/Terro, die de informatie zullen behandelen. Als er Belgische IP-adressen beschikbaar zijn of als een nazicht van OSINT moet worden uitgevoerd, kan een beroep worden gedaan op DJSOC-i²-IRU om bijstand te verlenen.
Als het gaat om een gekende persoon, wordt die telkens besproken in de Local Task Force. Daar zal de nieuwe informatie worden overlopen. Ik beschik echter over geen informatie die erop wijst dat terroristische organisaties recent zouden hebben opgeroepen tot acties tegen de federale arizonaregering of tegen besparingsmaatregelen van de Federatie Wallonië-Brussel.
Daarentegen klopt het wel dat terroristische organisaties in het verleden hebben geprobeerd gevoelens van verlatenheid, uitsluiting en sociale en economische ongelijkheid bij jongeren met een migratieachtergrond te versterken, met het oog op indoctrinatie en rekrutering.
In het kader van de buitenlandse inmenging waarmee België wordt geconfronteerd, verspreiden vijandige staten via sociale media narratieven tegen de overheid om westerse regeringen in diskrediet te brengen, de bevolking te verdelen en extremistische of polariserende boodschappen te versterken. Deze analyse indachtig noem ik de rellen in Brussel en Namen straatprotesten.
Madame Hugon, comme je l'ai déjà confirmé précédemment, les obligations légales en matière d'identification des membres de services de police sont claires. Il appartient, comme je l'ai déjà indiqué, aux responsables hiérarchiques concernés d'assumer leurs responsabilités et d'effectuer ou de faire effectuer les contrôles nécessaires. Le cas échéant, lorsque l'absence d'un moyen d'identification ne peut être justifiée, les autorités compétentes peuvent intervenir dans le cadre de la procédure d'évaluation, au moyen de mesures d'ordre ou par l'engagement de procédures disciplinaires.
Concernant vos questions parfois très techniques relatives à l'utilisation de gaz lacrymogènes, je vous suggère de les soumettre par écrit, de manière à ce que je puisse rechercher le type de gaz.
Par rapport aux enfants, je comprends votre question, mais on peut aussi s'interroger, sans pour autant dire que les enfants n'ont pas le droit de manifester, sur la présence d'enfants dans des manifestations qui dérapent et dont on peut imaginer qu'elles peuvent devenir violentes à un moment, ce que je regrette bien entendu.
Quant à interdire les gaz lacrymogènes, cela me rappelle ce que j'ai déjà entendu au sein de cette Assemblée concernant l'interdiction des courses-poursuites. Je peux tout aussi bien interdire à la police de travailler, ce qui arrangerait peut-être certains, mais ce n'est certainement pas l'instruction que je donnerai.
Pour ce qui concerne la technique dite "de la nasse", je vous confirme que cette méthode ne fait pas partie de l'arsenal policier. Dans certaines actions de maintien de l'ordre bien spécifiques, les services déploient la méthode dite "du confinement", permettant en cas de stricte nécessité d'identifier les éventuels fauteurs de troubles, et ce, sous le contrôle et la direction du commandant du service d'ordre.
Je vous confirme qu'au sein de la zone de police de Bruxelles-Capitale-Ixelles, les principes de la gestion négociée de l'espace public, tels que prévus dans la CP4bis et la circulaire OOP41bis, sont d'application dans le cadre d'actions de maintien de l'ordre. Les directives données aux services visent à garantir la sécurité publique et le respect des droits fondamentaux. Lorsque des manifestations se déroulent mal, les instances de contrôle se penchent sur l'évaluation du déroulement.
Comme indiqué précédemment, les directives données aux services visent à garantir la sécurité publique et le respect des droits fondamentaux, tout en respectant le prescrit des CP4bis et OOP41bis, toutes deux relatives à la gestion négociée de l'espace public, la fameuse GNEP.
Les membres du personnel participant aux actions de maintien de l'ordre bénéficient d'une formation continue en matière de gestion des manifestations et de l'espace public, conformément aux standards légaux et déontologiques.
Monsieur Dubois, comme lors de chaque événement de cet ordre, les services de police veillent à préserver la zone neutre de tout débordement. À ce propos, il aura été rappelé par mes services la loi de 1952 sur la zone et la carte qui indique le périmètre de la zone neutre qui doit absolument être protégée.
Je rejoins aussi ce que dit M. Bergers. Comme j'ai eu l'occasion de le dire en séance plénière, si je me souviens bien, rentrer par effraction violente dans l'espace d'une enceinte d'un parlement est en effet un geste extrêmement grave qui ne peut en aucun cas être minimisé et chacun doit prendre ses responsabilités par rapport à cela.
Pour pallier tout risque potentiel, la zone de police Bruxelles-Capitale-Ixelles a mis en place des équipes d'arrestation spécifiques en vue de procéder à l'interpellation des protagonistes.
Chaque dispositif spécifique fait l'objet au préalable d'une analyse de risque quant à son utilisation dans le cadre d'un événement de maintien de l'ordre. Il ne s'agit en aucun cas d'envisager une certaine forme de systématisme. La zone de police Bruxelles-Capitale-Ixelles mobilise régulièrement certaines technologies comme celles liées à l'OSINT afin de collecter, analyser et exploiter les informations accessibles publiquement dans le but d'obtenir tout renseignement utile.
Mijnheer Bergers, ik herbevestig dat de neutrale zone werd beveiligd door de lokale politie, met een klein probleem ter hoogte van een deel van de Koloniënstraat. De militaire politie is daarentegen verantwoordelijk voor de beveiliging van het gebouw, zoals dat hier het geval is bij het federale Parlement. Er werd evenwel een toegangsdeur van een niet-publieke zij-ingang geforceerd, waarop de militaire politie de steun heeft verzocht van de lokale politie om binnendringing te vermijden. Daarover werden inmiddels verdere afspraken gemaakt.
De relschoppers die het Parlement probeerden te bestormen, konden niet onmiddellijk worden aangehouden, aangezien de betrokkenen zich na de feiten onder de menigte mengden en de vlucht namen.
Voor het gerechtelijk dossier, dat inmiddels werd geopend, verwijs ik naar de minister van Justitie.
Eu égard aux questions complémentaires, monsieur Ribaudo, relatives aux chiffres, il serait préférable de reposer la question ou d’y répondre par écrit. L’interprétation de l’augmentation des plaintes peut en effet varier, notamment en ce qui concerne celles jugées recevables ou non recevables, ce qui entretient une certaine confusion. C’est sur ce point que nos analyses peuvent diverger. Ne disposant pas des données sous les yeux à l’instant, je propose d’y revenir ultérieurement ou de fournir une réponse écrite.
Il ne vous aura pas échappé que je n'ai pas abordé le sujet des bootcamps. Je n'ai pas à en parler ici. J'ai par contre bien évoqué la question des militaires.
Mijnheer Meuleman, ik heb uw vragen niet beantwoord, maar ik ben het met u eens.
Je pense que la Voie du Milieu – en bon bouddhiste que je ne suis pas – est sans doute celle qu’il convient de suivre ici. Mais effectivement, l’examen de ces faits gagnerait à ne pas être mené sous un angle unique.
Ik heb het al vaak gezegd. De politie staat onder het toezicht van de tuchtraad en van de gerechtelijke systemen die gelden voor alle burgers. Bij gsm-beelden zien we ook vaak slechts een deel van het verhaal.
En effet – je l’ai toujours dit – je veux, je le répète, une police respectée, respectable et respectueuse, qui accomplit son travail tout en tenant compte des conditions difficiles dans lesquelles elle doit opérer. Ces difficultés sont d’autant plus réelles face à une nouvelle forme de violence qui, hélas, se manifeste trop souvent aujourd’hui lors de certaines mobilisations.
Je le répète à nouveau: je ne mets en cause en aucun cas la légitimité de ces manifestations. On a pleinement le droit de manifester pour défendre le droit des Palestiniens à avoir un État. On a tout autant le droit de manifester contre les mesures prises par ce gouvernement, peut‑être parce qu’elles ne sont pas toujours bien comprises. On a le droit de manifester contre les mesures prises par d’autres gouvernements, à d’autres niveaux de pouvoir en Belgique. On a même le droit de manifester pour soutenir l’action de ce gouvernement. Ce droit doit pouvoir s’exercer dans le calme, mais aussi dans le respect de la tranquillité et de l’ordre publics.
01.12 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoorden.
Ik wil toch even de puntjes op de i zetten. In een democratische rechtsstaat hebben we het monopolie van geweld aan onze politiediensten gegeven. Zomaar het zogenaamde geweld van de politie gelijkschakelen met het geweld van de relschoppers, vind ik helemaal van de pot gerukt. Integendeel, mijnheer de minister, we zouden politieke en morele steun moeten geven aan onze politiediensten. Zij verdienen dat en zij moeten beter beschermd worden tegen die relschoppers. U hebt weinig gezegd over het feit dat extreemlinks onze politieagenten probeert in kaart te brengen, foto's van hen neemt en hun privégegevens aan het verspreiden is. Ik hoop en ik reken erop dat u daar pal en perk aan stelt.
Ten tweede, wat ook maakt dat onze politiemensen soms gedemotiveerd zijn, is dat ze hun job wel goed doen, maar dat de straf en de vervolging achterwege blijft. Ik weet dat dat uw bevoegdheden overstijgt en dat we daarvoor bij de minister van Justitie moeten te rade gaan, maar ik verwacht van deze regering wel een vervolgingsbeleid zoals het hoort. Als ik verneem dat er maar 23 relschoppers zijn aangehouden en voor het gerecht worden gedaagd – met dan nog de vraag of ze zullen worden vervolgd – dan baart mij dat grote zorgen. Er is halvelings gesproken over het idee van bootcamps en ook over het verhalen van schade op de relschoppers. Ik vind dat allebei voorstellen die van gezond verstand getuigen. Wie niet horen wil, moet voelen, zeggen we in het Nederlands. Ik denk dat er in het Frans ook wel zo'n gezegde zal bestaan.
Ten slotte, mijnheer de minister, dient u het taboe te doorbreken. U zegt dat u blij bent dat onze politiediensten de etnische afkomst niet registreren. Mag ik u er even op wijzen, mijnheer de minister, dat wij een van de weinige Europese landen zijn die dat niet doen? In Nederland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Duitsland en Oostenrijk houdt men bij wat de etnische afkomst is. Dat is ook logisch, omdat we niet kunnen ontkennen dat er wel degelijk een link bestaat tussen die relschoppers en hun allochtone afkomst. Als u dat blijft ontkennen, dan zal de oplossing achterwege blijven, en dat betreur ik ten stelligste.
Le président: Monsieur Dubois, je suis sûr que vous avez une autre opinion.
01.13 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le président, je ne vais pas rebondir sur vos propos. Je soutiens bien entendu ce que le ministre a dit. Je pense que nous ne devons pas arriver à ce genre d’outils chez nous. Même si cela existe dans d’autres pays, il y a de nombreux autres pays dans lesquels cela n’existe pas. On peut aussi faire le listing de tous les pays qui n'ont pas ce genre d'outils et, fort heureusement, il y en a beaucoup.
Monsieur le ministre, concernant vos réponses sur les militaires, je pense qu’il était bien nécessaire de faire la clarté. Il y a effectivement eu une intervention, limitée, dans un cadre qui était prévu à l'origine en collaboration avec la police des chemins de fer. J'entends qu’un rappel a été fait. Bien entendu, il faudrait être attentif à ce que cela ne se produise plus, mais je pense qu’il est clairement intéressant de le dire ici pour éviter les fausses rumeurs et les fausses informations. Il y a effectivement eu une intervention très limitée, et un rappel à l'ordre a été fait.
Concernant la zone neutre, je partage aussi ce que vous avez dit. Il est totalement inacceptable de voir ce type de comportements au niveau de ce qui protège notre démocratie. Pareillement, un rappel a été fait. Il sera peut-être nécessaire d'être encore plus vigilants les prochaines fois concernant le respect et à la protection de cette zone neutre, qui est absolument importante.
Pour terminer, sur les dispositifs particuliers, vous mettez plutôt en avant le fait qu'une analyse des risques est faite au cas par cas et que les dispositifs de contrôle nécessaires sont prévus à chaque manifestation. J'entends que des outils technologiques sont déjà utilisés pour essayer d'identifier de potentiels appels à la violence ou appels à venir mettre en difficulté ces manifestants. Il serait intéressant de revenir dessus.
Je reviendrai avec une question plus précise pour savoir quelles sont les technologies utilisées, et peut-être voir aussi ce qu’il se passe dans d'autres pays pour pouvoir identifier et anticiper davantage ce genre de comportements.
Bien entendu, le débat ne s'arrête pas là, mais nous serons attentifs aux résultats des enquêtes en cours pour faire toute la lumière sur ce qu’il s'est passé lors de ces événements. Merci pour vos réponses.
01.14 François De Smet (DéFI): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui corroborent ce que vous aviez déjà expliqué en plénière. Merci quand même d'avoir reprécisé ce que c'est que la nasse et d'avoir dit que cela ne faisait pas partie du dispositif. Il y a sans doute un petit débat à avoir pour mieux comprendre la différence entre la nasse et le confinement. On aura l'occasion d'en parler. Pour le reste, je crois que c'est vraiment important, en effet, de condamner toute violence subie par les policiers, comme celle que les policiers peuvent parfois, malheureusement, exercer parce qu'il y a une jeunesse, comme je vous l'ai dit, qui ne casse pas et qui a néanmoins peur de la police.
Je suis peut-être un peu distrait, mais je n'ai pas l'impression d'avoir eu de réponse à toute ma deuxième série de questions sur la loi anti-casseurs. Ce n'est pas grave, je vais donc la reposer. La prochaine fois, je lirai donc mes questions plutôt que de me laisser naïvement bercer par l'idée que je fais gagner du temps à la commission.
Ce n'est pas grave, je réintroduirai donc ma question sur votre dispositif anti-casseurs sur lequel vous êtes en train de travailler, parce que cela fait assurément partie de la solution, mais il y a une série de précautions à prendre. Nous en discuterons donc par la suite.
01.15 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
"Allahu akbar" en "We gaan erger doen dan Islamitische Staat", dat roepen horden jonge moslims offline en online. Ze grijpen elke gelegenheid aan om een straatjihad te voeren tegen onze samenleving, daarbij soms ook aangevuurd door islamocommunisten. Dat zal komende zomer alleen maar erger worden aan onze kust, op onze recreatiedomeinen en op ons openbaar vervoer.
Het is al erg genoeg dat de vaak minderjarige daders er steeds vanaf komen met een fopstrafje, als ze al opgepakt worden. Minstens even erg is het feit dat de regering niet eens erkent dat het hier om een straatjihad gaat en dat ze die verwerpelijke cultuur blijft importeren.
De enige oplossing is om al die daders met hun families het land uit te zetten.
01.16 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, merci pour vos réponses, et merci aussi d’avoir éclairci les choses par rapport à la présence des militaires. Merci d’avoir bien précisé qu’en réalité, ceux-ci n’étaient pas prévus dans le dispositif et qu’il s’agissait d’un malentendu qui a vite été corrigé. Je voudrais rappeler ce que j’ai dit précédemment: il y a, d’une part, les casseurs, qu’il faut punir et à qui il faut apporter une réponse ferme et sans ambiguïté. D’autre part, il y a celles et ceux qui manifestent, expriment leurs droits et leur mécontentement, et qui constituaient la majorité des gens présents lors des manifestations. Aujourd’hui, une majorité de policiers et policières ne se retrouvent pas dans les violences dont se rendent coupables certains policiers. On l’a vu, les images ne sont pas truquées: des vidéos éloquentes et sans ambiguïté existent. Vous parlez d’une police respectable, respectée et respectueuse. Je compte sur vous, monsieur le ministre, pour qu’elle soit aussi respectueuse et qu’elle agisse avec dignité et humanité.
Enfin, une petite précision par rapport à la question de la zone neutre: la rue des Colonies en fait-elle partie?
01.17 Bernard Quintin, ministre: Vous devez assez logiquement dépasser les deux entrées latérales du Parlement de la Communauté française de Belgique, à savoir un garage et une porte. La rue du Gentilhomme est celle qui remonte et qui est réservée au bus. Il est vrai que le périmètre affiche une excroissance qui comprend cette rue.
01.18 Ridouane Chahid (PS): J’aimerais des précisions sur ce point parce que, même à nous, qui sommes des parlementaires qui avons le droit de passer par la zone neutre, on a parfois dit qu’on ne pouvait pas accéder au Parlement. Il m’est arrivé deux fois de devoir rebrousser chemin sur injonction du policier qui avait reçu l’instruction de ne laisser passer personne.
01.19 Bernard Quintin, ministre: Je vous jure que cela ne venait pas de moi! Il faut vraiment préciser qu’en effet, cette partie de la rue des Colonies jusqu’à la rue du Gentilhomme, fait partie de la zone neutre. J’ai aussi envoyé une note pour rappeler, tant à la police locale que fédérale, que toute personne munie du badge gris avec un laissez-passer pour la zone neutre doit pouvoir rentrer. Il y a sans doute eu un peu d’excès de zèle de ce point de vue.
01.20 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Je confirme que j'ai moi-même parfois dû négocier plusieurs minutes avec des agents pour pouvoir pénétrer dans la zone neutre et arriver au Parlement. Cela peut arriver, mais je pense que leurs instructions ne sont pas toujours très claires.
Merci d'avoir rappelé que l'identification est obligatoire, parce que je pense qu'il y a un problème d'application sur le terrain, en tout cas dans certaines zones de police, et que cela mérite de l'attention, aussi pour renforcer la confiance dans les services de police.
Concernant les gaz, soyez sûr que je déposerai donc une question écrite en suivi. Je voudrais tout de même réagir sur la présence d'enfants. Je pense que dire que les enfants ne devraient pas venir manifester parce qu'une manifestation pourrait mal tourner n'est pas juste. On ne peut jamais prévoir qui viendra s'adjoindre à la manifestation pour commettre des dégradations. En revanche, on peut vraiment attendre de la police qu'elle y réponde de façon ciblée, proportionnée, individualisée, et que les manifestations ne deviennent pas un endroit où on a peur d'emmener ses enfants, parce que la manifestation doit aussi être ouverte aux enfants. Les mineurs, eux aussi, ont le droit de venir exprimer leurs revendications. Il ne faudrait pas qu'on s'abstienne de manifester parce que cela pourrait être dangereux.
Concernant la nasse, je note bien que cela ne fait pas partie de l'arsenal policier, mais je ne vois pas la différence avec le confinement. La Ligue des Droits Humains (LDH) annonce aujourd'hui même un nouveau recours concernant l'utilisation de la nasse en 2025. Cela montre bien que, même si elle ne fait pas partie de l'arsenal, elle est quand même utilisée sur le terrain.
Sur la gestion négociée de l'espace public, merci de reconfirmer que c'est bien toujours ça qui est d'actualité. Cependant, il me semble que, particulièrement ces derniers jours, la désescalade a fait défaut. J'aimerais vraiment pouvoir me dire que, dans le futur, nous pourrons compter sur les forces de police qui encadrent les manifestations, pour vraiment mettre en œuvre une désescalade face à des débordements qui peuvent arriver, y répondre de façon ciblée et proportionnée, et éviter les réponses collectives qui ont pour conséquence que les manifestants pacifiques ne sont pas en sécurité dans une manifestation.
01.21 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoorden. Het is goed dat u initiatieven neemt om ervoor te zorgen dat wie het potje breekt, het potje betaalt, zoals dat in het Vlaams wordt gezegd. Les casseurs-payeurs rijmt en dat klinkt ook tof.
We steunen u daarin volledig. Het is ook goed dat u contact hebt opgenomen met de lokale politie en de burgemeester van Brussel om ze nog eens te wijzen op de regelgeving rond de neutrale zone, want we kunnen een escalatie niet tolereren.
Ik betreur dan ook dat er geen enkele arrestatie is verricht bij de mensen die het parlement hebben bestormd. Dat zou in de toekomst toch beter moeten worden aangepakt, al hoop ik in de eerste plaats dat het in de toekomst niet meer gebeurt. We moeten er wel alert voor zijn en lessen trekken.
De voorzitter: Daarmee sluiten we het actualiteitsdebat.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
Interpellatie nr. 56000276I van mevrouw Pas en vraag nr. 56017056C van de heer Demon over het jaarrapport van de vicegouverneur van Brussel worden op hun verzoek uitgesteld. Vraag nr. 56014139C van mevrouw Vandeberg zal schriftelijk worden behandeld. De heer Aouasti is niet aanwezig voor zijn vraag nr. 56014283C.
Il s'agit donc d'une recherche réalisée sur une période de 16 mois, aux cours desquels une observation de différentes zones de police de Bruxelles a permis de révéler la persistance de pratiques et de discours racistes au sein du personnel.
Bien entendu, il ne s'agit pas de mettre tout le monde dans le même sac, mais bien de faire la part des choses. Le rapport suscite néanmoins toute une série de questions. Il évoque notamment des propos ouvertement racistes tenus par certains policiers, parfois banalisés sous le couvert de l'humour ou de la culture de groupe; une sous-valorisation systématique des compétences linguistiques et culturelles des policiers racisés, pourtant essentielles dans une ville où près de 80 % de la population est d'origine étrangère; des soupçons récurrents de double allégeance pesant sur ces policiers, pouvant aller jusqu'à des injonctions implicites de se distancier de leur communauté d'origine; une sorte de plafond de verre manifeste pour les policiers d'origine étrangère qui sont absents des grades supérieurs; une tentation du racisme exprimée par certains policiers qui disent se sentir progressivement influencés par les pratiques de leurs collègues et une culture institutionnelle insuffisamment outillée pour prévenir, sanctionner et transformer ces dynamiques, malgré l'existence de nombreux policiers engagés et ouverts à la diversité.
Cette recherche a été réalisée dans certaines zones de la police de Bruxelles. Nous avions a déjà entendu parler de ce genre de faits – avérés ou soupçonnés – dans d'autres zones du pays.
Mes questions sont donc finalement assez simples, monsieur le ministre. Avez-vous pris connaissance de ce rapport? Que vous inspire-t-il?
Quelles mesures concrètes prévoyez-vous dès lors de prendre au regard de cette problématique de comportements ou de suspicion de comportements racistes au sein de la police? Des intentions sont bien sûr exprimées dans le plan stratégique, mais je n'y ai pas vu de mesures concrètes, précises et explicites.
Cette étude apporte un éclairage certainement utile sur certaines perceptions et dynamiques internes. C’est la raison pour laquelle j’ai demandé que les services en réalisent une analyse approfondie - analyse qui est actuellement en cours, l’étude étant particulièrement fouillée.
Il n’y a évidemment aucune place pour le racisme au sein de la police. C’est pourquoi tant la police fédérale que les zones de police locale disposent de mécanismes internes permettant de prévenir, d’identifier et de traiter tout fait de racisme ou de discrimination.
Lorsque de tels faits sont portés à la connaissance de l’autorité, ils font l’objet d’un examen au regard des obligations déontologiques et disciplinaires applicables aux membres du personnel. Et lorsqu’un comportement raciste est établi à charge d’un membre du personnel, il peut donner lieu à l'application de sanctions disciplinaires, conformément au cadre statutaire en vigueur. Les faits de racisme ou de discrimination sont dès lors pris en compte dans les procédures disciplinaires, le cas échéant en combinaison avec d’autres éléments du dossier.
Par ailleurs, la police fédérale applique une politique active de prévention et de sensibilisation en matière de diversité et de non‑discrimination. Cette politique s’appuie notamment sur la collaboration avec Unia dans le cadre de la circulaire COL 13 de 2013 du Collège des procureurs généraux, relative à la politique de recherche et de poursuite en matière de discrimination et de délits de haine. Adoptée en 2013 et actualisée en 2024 afin de tenir compte des évolutions législatives et des orientations récentes, cette circulaire demeure juridiquement la même COL 13/2013 et constitue un cadre de référence pour l’action policière dans ce domaine.
Cette politique est complétée par des actions de formation, dont le module, dit le running CP5 Pro Profile, développé en partenariat avec l'Institut Hannah Arendt, visant à promouvoir des pratiques professionnelles respectueuses et à prévenir toute forme de discrimination.
Par ailleurs, la police fédérale a adhéré à la charte Diversité et inclusion de la Fonction publique fédérale et élabore actuellement son premier plan global en matière de diversité, en collaboration avec Actiris et Unia. Ce plan vise à promouvoir une approche systémique et intersectionnelle de la diversité, en accordant une attention prioritaire aux origines, à l’âge et au genre. Il se traduira concrètement par des actions internes portant notamment sur le recrutement, les processus RH ou encore la communication interne.
De manière plus transversale, les services participent à l'élaboration du futur plan d'action interfédéral contre le racisme piloté par le service Égalité des Chances.
Enfin, j’entends examiner dans quelle mesure les faits de discrimination avérés, qu’ils aient été commis dans le cadre professionnel ou, le cas échéant, en dehors de celui-ci, peuvent être pris en compte dans l’évaluation et le parcours de carrière des membres du personnel (ce que l'on appelle le screening de carrière), que je suis occupé à mettre en place, dans le respect des garanties légales applicables
Il n’y a donc, comme je l’ai déjà indiqué, aucune place pour le racisme ou toute autre forme de discrimination au sein de la police.
S’agissant de ce que vous avez qualifié de "plafond de verre", il s’agit également d’un un travail à accomplir de manière résolue, tout en reconnaissant qu’il s’inscrit dans le temps. Cela étant, des actions concrètes peuvent être entreprises en la matière. À cet égard, je peux témoigner, sur la base de mon expérience au sein du Comité de direction du SPF Affaires étrangères, de l’importance de parler non plus de politique de genre, mais de politique de genre et de diversité. Car il existe plusieurs plafonds de verre que l'on doit faire "exploser" dans nos différentes administrations.
Maintenant, de manière concrète, s'agissant de cette recherche, j’entends qu’une analyse est en cours au sein des services. Je ne sais pas si vous avez une idée du temps que prendra cette analyse. En tout cas, cela m’intéresse. Je reviendrai sur les résultats de cette analyse pour voir très concrètement, relativement à ce que ces chercheuses ont pointé, ce qui a pu être déterminé et quelles sont les mesures concrètes et pratiques concernant ce rapport.
C’est une question importante. Comme vous l’avez dit, il existe plusieurs plafonds de verre, pas seulement dans la police, malheureusement. Nous devons donc être attentifs et adopter une approche globale autour de cette problématique dans l’ensemble de notre administration. Je suis sûr que vous y veillerez. Merci, en tout cas, pour le suivi apporté.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
03.01 Sam Van Rooy (VB): Mijn vraag werd natuurlijk al een tijdje geleden ingediend. Er zijn ondertussen nieuwe ontwikkelingen.
Toen ik mijn vraag opstelde, was het parket van West-Vlaanderen een onderzoek gestart naar de zware valpartij in de Ronde van Brugge, die veroorzaakt werd door de bekende Brugse klimaatactivist Wouter Mouton. Hij werd opgepakt voor het kwaadwillig belemmeren van het verkeer en het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen.
Tijdens de Ronde van Brugge ging Mouton midden op de rijbaan zitten, op 30 kilometer van de finish, met een slogan op zijn t-shirt. Hij zou ook lijm hebben meegebracht om zich aan de weg vast te kleven. "Compleet onverantwoord, want met zijn actie bracht hij zowel de renners als de toeschouwers en medewerkers in gevaar, mogelijk zelfs in levensgevaar." Dit zijn niet mijn woorden, maar die van Christophe Impens van organisator Golazo.
Door de levensgevaarlijke klimaatactie van Mouton werd de koers vervalst en liepen diverse renners verwondingen op, maar het had nog veel slechter kunnen aflopen. Mouton en dit soort klimaatactivisten brengen de gezondheid en de job in gevaar van professionele wielrenners, die zeer hoge snelheden halen, alsook van motards, fotografen, medewerkers en fans.
Er werd een klacht ingediend door de organisator van die wielerwedstrijd, alsook door vier wielerploegen.
Minister, ik wil graag uw reactie horen op de zoveelste levensgevaarlijke actie van klimaatactivisten in dit land.
Hoeveel keer werden Mouton en de anderen van zijn slag al opgepakt, en uiteraard weer vrijgelaten, zoals dat gaat in dit land? Om welke reden en voor welke feiten?
Tot slot is er de hamvraag. Welke maatregelen neemt u om onze samenleving, en zeker wielerkoersen – waar ik als ex-wielrenner uiteraard een zwak voor heb – te beveiligen tegen dat soort klimaaatgekken?
03.02 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel, mijnheer de voorzitter. Ik ben zelf jammer genoeg niet zo sportief als de vorige spreker, maar als kijker beleef ik ook zeer veel plezier aan de koers.
Eigenlijk doet dat er op zich niet toe, mijnheer de minister. We hebben in dit land al een aantal keren gemerkt dat klimaatactivisten – het gaat eigenlijk altijd om Wouter Mouton – wielerwedstrijden in gevaar brengen. Op 25 maart veroorzaakte Mouton een zeer zware valpartij tijdens de Ronde van Brugge, waarbij onder andere Juan Sebastián Molano, de titelverdediger en een van de favorieten, zwaar ten val kwam.
Dat is levensgevaarlijk, want wielrenners dragen niet de allergrootste bescherming wanneer ze aan het fietsen zijn. Ze rijden tegen een hoge snelheid en als ze dan ten val komen, gebeuren er soms drama’s. Als die drama’s een ongeluk zijn, is dat bijzonder jammer en staan we daarbij stil. Wanneer ze evenwel doelbewust worden uitgelokt door een beroepsbetoger, een relschopper die het klaarblijkelijk leuk vindt om sport te misbruiken voor zijn acties en om wielrenners, fans en organisatoren in gevaar te brengen, dan is dat compleet waanzinnig. Dan moeten we daartegen ageren. Klaarblijkelijk wordt er echter te weinig geageerd tegen Wouter Mouton in het bijzonder – maar ook tegen relschoppers in het algemeen – want hij blijft gewoon voortdoen.
Het is natuurlijk moeilijker om een wielerwedstrijd te beveiligen dan een andere sportwedstrijd, omdat het om een heel uitgestrekt parcours gaat, maar deelt u onze mening dat er echt nood is aan een signaal, aan een duidelijke actie om ervoor te zorgen dat de straffeloosheid die Mouton ervaart, stopt? Welke maatregelen wilt u in de toekomst nemen om wielerwedstrijden te beveiligen? Dringt zich volgens u ook een verzwaring van het strafkader voor dat soort acties op?
03.03 Minister Bernard Quintin: Heren, het komt mij niet toe specifieke informatie mee te delen over een welbepaalde persoon. Zoals gewoonlijk verwijs ik voor vragen met betrekking tot gerechtelijke vervolgingen naar de minister van Justitie. In het algemeen kan ik wel meedelen dat de betrokken persoon goed bekend is bij de politiediensten en al meermaals bestuurlijk werd aangehouden voor het verstoren van evenementen.
Ondanks de aanzienlijke politieaanwezigheid bij wielerwedstrijden kan een snelle individuele actie nooit volledig worden uitgesloten. Ik kan dus slechts herhalen wat ik u al heb geantwoord in deze commissie op 8 oktober 2025 naar aanleiding van een soortgelijke mondelinge vraag, namelijk dat bij een wielerwedstrijd de lokale bestuurlijke overheden en de politiediensten uiteraard contact moeten hebben met de organisatoren. Mogelijke protestacties zijn daarbij een van de punten die voorafgaand aan een evenement moeten worden besproken als de operationele risicoanalyse wordt opgesteld.
03.04 Sam Van Rooy (VB): Dank u, minister, voor uw korte antwoord. De politiek zou toch ook eens de hand in eigen boezem moeten steken. De klimaathysterie en de apocalyptische doembeelden in media, onderwijs en politiek – die ook door de meeste politici in dit parlement werden verspreid – hebben ertoe geleid dat er klimaatgekken zijn opgestaan die vandalisme plegen of zelfs mensenlevens op het spel zetten.
Door de levensgevaarlijke klimaatactie van Wouter Mouton werd de koers vervalst en liepen renners zware verwondingen op. Het had nog veel slechter kunnen aflopen. Dat klimaattuig bracht de job, de gezondheid en de toekomst van professionele wielrenners, maar ook van begeleiders op de motor, fotografen en wielerfans in gevaar. Als ex-coureur en wielerliefhebber maakt mij dat extra kwaad, minister.
Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Zulke klimaatgekken zouden nooit meer in de buurt van een wielerwedstrijd of gelijk welk ander evenement mogen komen.
03.05 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik begrijp dat u zich over het gerechtelijk onderzoek op de vlakte houdt. Ik denk wel dat het belangrijk is dat er vanuit de politiek een sterk signaal wordt gegeven dat we dat echt niet aanvaarden.
We moeten ook eens kijken naar de straffen, zodat tenminste de straffeloosheid die de heer Mouton ervaart, ophoudt. Gezien het feit dat hij een beroepsrelschopper is die zich geregeld op koersen richt, moeten we daar misschien over nadenken. We geven relschoppers met oudejaarsavond huisarrest. Misschien moeten we Wouter Mouton huisarrest geven telkens wanneer er een koers plaatsvindt in dit land. Misschien begrijpt hij dan de les.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
04.01 Khalil Aouasti (PS): Monsieur le ministre, ce n'est pas un reproche, c'est factuel, mais à l'époque, on avait pu découvrir dans la presse que le bourgmestre de la ville de Ninove allait à la rencontre des commerçants pour leur enjoindre de parler le néerlandais dans leurs commerces.
Vous savez que c'est un sujet qui est important pour moi parce que cette instruction était destinée à réaffirmer le caractère flamand de la commune. J'ai envie de dire qu'il n'y a rien là de très étonnant de part d'une administration du Belang, mais je vous avoue ne pas comprendre l'inquiétude de certaines personnes selon laquelle une identité serait menacée par l'expression libre d'une autre langue, quelle qu'elle soit. À l'inverse, j'ai la conviction qu'une langue vit, une langue évolue sous l'influence en réalité des autres langues. La richesse de la langue néerlandaise, bien que je ne la pratique pas dans mon quotidien, qui est nourrie d'ailleurs par d'autres langues, n'est à mon sens plus à démontrer et n'est à mon sens pas menacée par l'expression libre d'une autre langue.
Au-delà de cette inquiétude irrationnelle, il convient de rappeler que la liberté fondamentale du choix de la langue employée par les citoyens en Belgique est protégée par l'article 30 de la Constitution et que les seules exceptions à cette liberté sont les actes de l'autorité publique et les affaires judiciaires. Donc, rien en rue, à la maison, dans un commerce ne peut entraver l'usage libre d'une langue. C'est la liberté dans un régime libéral qui doit régner. Peu importe les langues que l'on parle dans les magasins, les parcs, les rues d'une ville, que ce soit à Ninove, à Arlon, à Ostende ou à Bruxelles, rien ne peut l'entraver.
Dès lors, monsieur le ministre, comptez-vous rappeler à l'ordre la commune de Ninove ou son bourgmestre et protéger les droits fondamentaux et constitutionnels de ses commerçants et de ses concitoyens?
04.02 Bernard Quintin, ministre: Monsieur Aouasti, comme j'ai déjà eu l'occasion de le préciser en réponse à plusieurs questions relatives à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative, je tiens à rappeler une nouvelle fois que j'attache une grande importance au strict respect de cette législation par tous les services publics auxquels elle s'applique, et aussi par les bourgmestres. Comme vous l'avez rappelé, l'emploi des langues est libre en Belgique, et c'est heureux. La loi ne peut en réglementer l'usage que pour les actes des autorités publiques et en matière judiciaire. Le Conseil d'État a d'ailleurs eu l'occasion de rappeler à plusieurs reprises ces principes fondamentaux de notre État libéral. Je n'utiliserai pas d'autre qualificatif que celui que vous avez vous-même employé à ce sujet. Je vous invite d'ailleurs à la manifestation que je vais organiser en soutien; M. Chahid vous communiquera les détails.
La tutelle sur les actes des communes et de leurs organes relève de la compétence des régions. Depuis certaines réformes de l'État, sauf dans de rares exceptions, je ne dispose plus d'aucune compétence de tutelle à l'égard des bourgmestres dans cette matière. Il va de soi que si des personnes estiment avoir subi des pressions et décident de porter plainte, nous entrons alors dans un autre cadre juridique. En Belgique, l'emploi des langues n'est réglementé que pour les actes administratifs et judiciaires. Il est toujours utile de le rappeler.
Je pense par ailleurs que nous avons tous à gagner à parler plusieurs langues. C'est quelque chose qui nourrit à la fois l'esprit et le cœur.
04.03 Khalil Aouasti (PS): Merci, monsieur le ministre, pour ce rappel élémentaire mais parfois nécessaire. Il est important de rappeler que la liberté doit prévaloir et que l'usage des langues est libre dans notre pays, sauf dans les domaines où il est spécifiquement réglementé, notamment en matière administrative et judiciaire. Il est bon de pouvoir rappeler que, quelle que soit la langue utilisée dans l'espace public, dans les commerces ou dans la vie quotidienne, cette liberté doit régner.
Je trouve d'ailleurs préoccupant de constater que certains parmi ceux qui prétendent défendre certaines libertés sont parfois les premiers à les restreindre dans les faits. Je voudrais également rappeler à toutes celles et tous ceux qui nous écoutent que, s'ils estiment être victimes de harcèlement ou de pressions dans leur vie quotidienne, quelle qu'en soit l'origine, ils peuvent saisir la justice. Chacun doit pouvoir vivre librement sur l'ensemble du territoire, quelle que soit la commune dans laquelle il réside.
Ce n'est pas à un bourgmestre de se substituer à la loi ni d'imposer des règles qui ne relèvent pas de ses compétences.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: De vragen nrs. 56014674C van mevrouw De Vreese, 56014699C van mevrouw Schiltz en 56014958C van de heer De Smet worden schriftelijk behandeld.
Les questions n°s 56015194C et 56015195C de M. Thiébaut sont reportées. La question n° 56015221C de M. Dufrane est traitée par écrit.
De voorzitter: De heer Meuleman is verontschuldigd.
05.01 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik had die vragen eerst schriftelijk gesteld, maar ik kreeg antwoorden die volledig naast de kwestie waren. Op de vragen die ik stelde, kreeg ik geen antwoord, maar ik kreeg wel informatie over zaken waarover ik geen vragen had gesteld. De verbeteracties die worden voorgesteld, staan vandaag al in de wet. Dat zijn dus geen verbeteracties, tenzij de politie zegt dat ze zich tot nu niet aan de wet heeft gehouden, maar dat vanaf nu wel zal doen.
Mijnheer de minister, ik kan dus alleen maar mijn vragen herhalen.
Welke wapens, oefenwapens, radio's, munitie en uniformen zijn in de afgelopen vijf jaar bij de federale politie verdwenen? Kunt u mij een overzicht geven van de goederen die verdwenen zijn per jaar, per gebouw en per site? Ik heb dezelfde vraag voor de lokale politie.
Welke nieuwe maatregelen zullen worden genomen? Gewoon de wet toepassen, is natuurlijk geen maatregel. Het is goed dat het gebeurt en ik ben blij dat de wet wordt gevolgd, ook al heeft het enige tijd geduurd voor de federale politie vond dat ze de wet moest volgen.
Welke maatregelen worden genomen om verdwenen wapens te recupereren? Daarop kreeg ik geen antwoord.
Welke maatregelen of tuchtmaatregelen zijn genomen tegen agenten die betrokken zijn bij het doen verdwijnen van wapens?
Waarom wil de federale politie niet eerlijk antwoorden? Als burger en als parlementslid vraag ik aan de federale politie hoeveel wapens er zijn kwijtgespeeld en hoeveel wapens er zijn gestolen. De federale politie wil daar gewoon niet op antwoorden. Ik vind dat zeer zorgwekkend.
Ik kijk uit naar uw antwoorden. Ik hoop dat u nu wel een overzicht zult geven van het aantal wapens dat verdwenen is en niet van het aantal pv's dat is opgesteld. Het systeem waarnaar wordt verwezen, is ook onvolledig. Ik weet uit verschillende bronnen dat een aantal cijfers die u mij hebt bezorgd, gewoon niet kloppen.
05.02 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Vandemaele, u hebt uw bronnen binnen de politie, maar dat wil niet zeggen dat ze la parole d'évangile spreken. Het is zeker niet zo dat ik of de politie informatie achterhoudt. Informatie die beschikbaar en deelbaar is in geval van eventueel lopende onderzoeken, wordt op vraag gedeeld. Ik kan uw frustratie begrijpen, maar u begrijpt dat niet alle uitdagingen tegelijk kunnen worden aangepakt.
De beschikbare details met betrekking tot verdwenen wapens, oefenwapens, radio’s, munitie en uniformen bij zowel de federale als de lokale politie in de voorbije vijf jaar werden dan ook uitvoerig behandeld in het antwoord op schriftelijke vraag nr. 924. Ik kan dus niet anders dan naar het antwoord op die vraag te verwijzen. In mijn antwoord op mondelinge vraag nr. 56012103C in de commissie van 13 januari en op schriftelijke vraag nr. 924 heb ik aangegeven dat er maatregelen werden genomen.
Graag herinner ik hierbij nogmaals aan de maatregelen die specifiek verband houden met de verdwijning van het FN SCAR-wapen in de lokalen van de Directie Beveiliging. Er werd onmiddellijk een proces-verbaal opgesteld en een intern onderzoek opgestart. Daarnaast werd een fysieke controle uitgevoerd van alle wapenkoffers voor collectieve wapens in alle opslagplaatsen die door de betrokken eenheden worden gebruikt. Tegelijkertijd werden dringende aanvullende veiligheidsmaatregelen ingevoerd, onder meer met betrekking tot de badging, doorgangsprocedurecodes en de installatie van camerabewaking in de betrokken wapenkamer. Tot slot heeft de betrokken directie een actieplan opgesteld om de aanbevelingen van de Algemene Inspectie strikt te volgen en om de beveiliging en het beheer van alle wapenkamers verder te versterken.
Elke directie van de bestuurlijke politie moet ook minstens eenmaal per jaar een volledige visuele controle uitvoeren van zowel de collectieve als de individuele bewapening. In geval van verlies of diefstal van wapens binnen de diensten van de geïntegreerde politie bestaat er dus een duidelijk vastgelegd kader inzake melding, informatie en opvolging. Er wordt systematisch een proces-verbaal opgesteld en een intern onderzoek wordt opgestart. Afhankelijk van de aard en de ernst van de feiten kunnen bijkomende veiligheids- en beheersmaatregelen worden genomen. In het kader van schriftelijke vraag nr. 924 van 30 januari 2026 werd toegelicht hoe dat kader in de praktijk wordt toegepast.
Wat de tuchtmaatregelen betreft, dient te worden benadrukt dat elk dossier afzonderlijk wordt beoordeeld op basis van de concrete feiten en de vastgestelde verantwoordelijkheden. In 2022 werd één medewerker gesanctioneerd met een terugzetting in weddeschaal. Voor de jaren 2021, 2023 en 2024 werden er geen dergelijke feiten vastgesteld, waardoor er ook geen tuchtprocedure is gevolgd. Voor 2025 kan ik nog geen uitspraken doen, gezien de eventueel nog lopende procedures.
05.03 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik ben bijzonder ontgoocheld door uw antwoord. Ik zal mijn bronnen laten weten dat ze wellicht niet zo betrouwbaar zijn.
Ik heb evenwel processen-verbaal gezien waarin verloren materiaal vermeld staat dat niet in uw overzicht voorkomt. U mag mij belazeren, dat is geen enkel probleem. Als de federale politie u echter de informatie geeft die u mij nu hebt doorgegeven, dan wordt u gewoon bedot, want dan geeft de federale politie u foute informatie.
Dat vind ik veel problematischer dan dat ik als eenvoudig parlementslid voor de gek gehouden word door de federale politie. Ik heb daar geen enkel probleem mee, ze doen maar. Als men u als minister evenwel ook voor de gek houdt, als dat echt de informatie is die u krijgt, dan hebt u een huizenhoog probleem. Er bestaan namelijk processen-verbaal die niet in het antwoord staan. Ofwel zijn dat dus valse pv’s, ofwel is het antwoord niet juist. Het is een van de twee.
Ik vroeg hoeveel wapens er zijn gestolen. Ik vind het ontstellend dat we daar in 2026 gewoon niet op kunnen antwoorden. In het antwoord verwijst u naar pv’s en naar vaststellingen in een bepaald systeem – waarvan de naam me nu ontsnapt – maar u verwijst niet naar het aantal wapens.
Een van de redenen waarom we destijds de rijkswacht hebben omgevormd tot de federale politie, na de best wel turbulente jaren 80 en 90, is dat er in de jaren 80 massaal veel wapens verdwenen bij de rijkswacht. Ook toen wilde men daar niet over communiceren. Ik stel alleen maar vast dat er vandaag opnieuw wapens verdwijnen en dat de rijkswacht – want misschien moeten we de federale politie vanaf nu gewoon weer de rijkswacht noemen – mordicus weigert te antwoorden op vragen van een parlementslid.
Ik herhaal het dus, mijnheer de minister: u wordt door de rijkswacht, ofwel de federale politie, voor de gek gehouden. Dat is gevaarlijk voor onze veiligheid
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
De voorzitter: Vraag nr. 56015262C van de heer Bilmez vervalt. Vraag nr. 56015366 van de heer Depoortere wordt schriftelijk behandeld. Ook de vragen nr. 56015461 en nr. 56015463 van de heer Cornillie worden schriftelijk behandeld. Dat geldt eveneens voor vraag nr. 56015476 van de heer Depoortere, vraag nr. 5601515502 van de heer Meuleman en vraag nr. 56015513 van de heer Bayet.
06.01 Ridouane Chahid (PS):
Monsieur le Ministre,
Il a fallu près de 5 mois pour vérifier les
informations relatives aux survols de drones. Pourtant, lors des commissions
réunies du 27 janvier, vous affirmiez devant les députés que ces intrusions
étaient « très probablement liées à la Russie ». Le reportage de Pano remet
aujourd’hui en question cette affirmation, ce qui suggère que cette allégation
a été exprimée avant même que les données ne soient analysées, et interroge dès
lors sur la fiabilité des informations transmises à la Chambre.
Votre collègue Francken a longuement été
interrogé en commission tant sur la procédure « urgente » et sans concurrence
qu’il a lancée ainsi que sur un potentiel conflit d’intérêts dans son chef.
Dans ses réponses, peu convaincantes, il a indiqué que 80 à 90 % des
signalements étaient des faux positifs. Ces éléments montrent que les données
disponibles au moment des premières communications étaient très incertaines
créant une panique injustifiée dans la population, ce qui renforce également
les interrogations sur les informations données à la Chambre – fin janvier
alors que les faits dataient de novembre ! – et sur l’adéquation des moyens
déployés. S’agissait-il d’erreurs, de précipitations ou de mensonges ? En tout
cas, aucune correction n'a été apportée au Parlement si la VRT n'avait pas
enquêté.
Il est important de rappeler que les survols
de drones ne concernent pas uniquement des sites militaires. Malgré cela, aucun
dispositif de protection spécifique n’a été prévu pour les sites civils, in
fine, les 50 millions d’euros ont été mobilisés exclusivement pour des
capacités militaires. Là aussi, cela semble contredire ce que le gouvernement
disait en commission.
Monsieur le Ministre,
Confirmez vous aujourd’hui l’hypothèse d’une
implication russe ou admettez vous que cette conclusion n’était pas établie au
moment où vous l’avez présentée comme « très probable », et que la Chambre a
ainsi reçu une information non vérifiée, voire factuellement erronée ?
Quelles mesures de protection sont
actuellement en place pour les infrastructures civiles critiques face aux
survols de drones ?
Au niveau de votre SPF, quelles mesures et
investissement ont finalement été réalisés ? La police fédérale a-t-elle ou
va-t-elle recevoir de nouveaux moyens ?
Je vous remercie pour vos réponses.
06.02 Bernard Quintin, ministre: Monsieur Chahid, dans la mesure où l'enquête est toujours en cours, je m'abstiendrai de toute déclaration supplémentaire sur le sujet, a fortiori lorsque aucun opérateur ni aucun drone n'a été intercepté.
Je pense néanmoins, et c'est la raison pour laquelle je maintiens mes propos précédents, qu'il ne faut pas faire preuve de naïveté. Depuis des années, nos services de renseignement et de sécurité nous alertent sur les actions hybrides menées par la Russie, qui n'hésite pas à recourir à la désinformation, au sabotage, à l'intimidation voire à l'empoisonnement d'opposants et même probablement à leur assassinat en Pologne, dans le but d'affaiblir les démocraties occidentales.
Il m’est donc permis d'établir un lien avec la Russie, dans un contexte où notre pays faisait l'objet de fortes pressions afin de débloquer les milliards d'euros d'avoirs russes immobilisés pour financer l'effort de guerre ukrainien contre la Russie.
Les exploitants d'entités critiques sont principalement responsables de leur propre sécurité et ont l'obligation légale de prévoir la sécurisation de leur site face aux risques, tant en matière de safety que de security, qu'ils ont identifiés sur la base de leur analyse de risques.
Lorsque l'analyse des risques fait apparaître que les drones constituent un risque de perturbation du fonctionnement ou de destruction de l'entité critique, ces exploitants, mais également les gestionnaires d'autres sites sensibles, sont tenus de mettre en place une géozone comme partie intégrante de leurs mesures internes de sécurité.
De cette manière, ils pourraient réglementer, donc autoriser ou interdire, surveiller et suivre le trafic aérien de drones au sein de leur géozone. En cas de tentative d'entrée ou d'entrée effective d'un drone non autorisé dans leur géozone, les services de police seraient avertis. Afin de permettre une réaction effective et rapide face aux drones non autorisés dans les géozones des sites sensibles et des entités critiques, la loi relative aux communications électroniques devra également être étendue.
En novembre 2025, le gouvernement a prévu, au sein des crédits consacrés à la sécurité intérieure du plan défense, un budget de 68 millions d'euros au bénéfice de la police. L'affectation de ces moyens se fera en étroite collaboration avec la défense et sera intégrée dans le projet pluriannuel de la défense en matière de counter-UAS, en cours de préparation par ses services.
06.03 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, merci. Vous confirmez donc bien, contrairement à M. Francken, que la police fédérale sera partie prenante dans le système anti-drone qui sera acheté par le gouvernement et qu’elle aura aussi les moyens de se protéger d'éventuelles intrusions, qu'elles soient russes ou autres.
Pour le reste, monsieur le ministre, grâce à la pression qui a été mise par les membres de l'opposition, un audit va pouvoir – je l'espère – éclaircir la situation rapidement concernant l'achat de ces drones et le marché public qui a été lancé. Nous attendrons les résultats de l'information judiciaire qui a été ouverte par le parquet.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56015609C van de heer Bergers wordt schriftelijk behandeld.
07.01 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de feiten in mijn vraag dateren ondertussen al van enige tijd geleden, dus ik zal niet het hele relaas doen. Mijn vraag betreft de terreurdaden die Ashab al-Yamin heeft opgeëist in het buitenland, maar ook in ons land. Wat is daaromtrent de stand van zaken? Kunt u meer informatie geven, vooral over de manier waarop onze veiligheidsdiensten daarmee omgaan?
07.02 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, ik ondervraag u en deze regering wederom over antisemitisme, omdat op 25 april, niet toevallig in de metro van Brussel, een Joodse man in elkaar werd geslagen. Zijn ketting met een davidster werd afgerukt en hij werd uitgescholden voor vuile Jood. De daders waren, u raadt het nooit, drie zogenaamde jongeren.
Ondertussen vond in het Verenigd Koninkrijk een zoveelste antisemitische, jihadistische aanslag plaats, in de Joodse wijk van Londen werden twee Joden neergestoken. Ik ontvang ook nog steeds dagelijks meldingen van antisemitische incidenten in de stad waar ik woon en gemeenteraadslid ben, namelijk Antwerpen. Zo werd onlangs nog een Joodse vrouw door een schoenenverkoper de winkel uitgejaagd, met de mededeling dat zij daar niet welkom was om schoenen te kopen. Dat is een van de vele antisemitische incidenten in Antwerpen.
Het antisemitisme swingt de pan uit, zowel online als offline. Professor Wouter Duyck – u wellicht bekend – sprak met een Joodse student die niet meer naar de UGent durft te gaan. Filosoof Maarten Boudry ontving een hartverscheurend bericht van een Joodse professor aan de Universiteit Antwerpen, die na 40 jaar zowel de stad als de universiteit verlaat wegens het antisemitisme en de radicalisering. Zijn zoon werd op straat uitgescholden voor kindermoordenaar en kreeg te horen dat hij moest oprotten. Ook hij verlaat Antwerpen, samen met zijn gezin en wellicht in de toekomst ook België.
Mijnheer de minister, mijn vraag is evident. Bent u het met mij eens dat het vijf over twaalf is? Welke maatregelen neemt deze regering tegen antisemitische belaging en geweld?
Dan kom ik bij de daaraan gekoppelde vraag. Zopas werd bekend dat de Islamitische Republiek achter recente antisemitische aanslagen in Europa en België zit. De door de Amerikanen opgepakte Iraakse jihadist Mohammed al-Saadi heeft in totaal 18 jihadistische aanslagen gepleegd in Europa. Een pittig detail is dat hij trots vertelde dat hij hier meerdere teams van jihadisten runt en dat het in Europa, in ons land, heel eenvoudig is om jihadisten te rekruteren.
Graag verneem ik uw reactie daarop, mijnheer de minister. Hoe komt het dat het hier zo eenvoudig is om jihadisten te rekruteren en hoe gaat het beleid dat tegen?
Uit een bericht op Alhurra bleek dat de IRGC (Islamic Revolutionary Guard Corps) drones en wapenonderdelen naar Europa smokkelt om hier jihadistische aanslagen te plegen. Dat zou onder andere via diplomatieke kanalen gebeuren. Dat is trouwens al gebeurd. Iraanse sleepers, die van oudsher worden ingezet voor spionage en moordaanslagen, zouden vervolgens op geheime werkplaatsen in Europa drones met explosieven fabriceren en samenstellen.
Mijnheer de minister, in hoeverre zijn onze veiligheidsdiensten daarvan op de hoogte? Worden daarover contacten onderhouden met andere veiligheidsdiensten? De hamvraag is wat wordt ondernomen om ervoor te zorgen dat – het is al vaak genoeg gebeurt – de IRGC, de Islamitische Republiek Iran, hier geen aanslagen meer kan plegen?
Tot slot vernamen we dat Europol de aanval opende op online terreurpropaganda van de Islamitische Republiek Iran, waaraan onder andere Nederland deelneemt. Er werden al liefst 14.200 berichten van de IRGC offline gehaald. Is ook ons land daarbij betrokken? Kunt u daarover een toelichting geven?
De hamvraag na al het voorgaande, mijnheer de minister, luidt of u vindt dat een regime zoals de Islamitische Republiek Iran, dat hier dus letterlijk jihadistische aanslagen pleegt, nog diplomatieke instellingen en personeel op ons grondgebied mag hebben? Zo ja, wat ik zou betreuren, wordt al het diplomatiek personeel van de Islamitische Republiek Iran dan extra gescreend en in de gaten gehouden, zodat ze geen jihadistische aanslagen kunnen plannen op ons grondgebied?
07.03 François De Smet (DéFI): Le journal De Morgen révèle que les attentats antisémites ayant visé Liège et Anvers s’inscrivaient en réalité dans un plan d’envergure européenne, orchestré par un seul individu. Au-delà de l’émotion que ces faits suscitent légitimement au sein de la communauté juive, et aussi pour tous les démocrates de ce pays, ces révélations posent de sérieuses questions opérationnelles.
À quel moment précis les services belges de Sûreté de l’État (OCAM, police fédérale) ont-ils été informés du caractère transnational de ce plan? Quels ont été les échanges concrets avec les homologues européens?
Le dispositif de protection statique et dynamique des sites communautaires juifs en Belgique a-t-il été réévalué à la suite de ces révélations? Des moyens supplémentaires ont-ils été dégagés et selon quelle articulation avec les zones de police locales?
Où en est la stratégie nationale de prévention de la radicalisation, en particulier sur le volet des acteurs isolés, qui constituent aujourd’hui le profil de menace dominant? Comment le gouvernement entend-il renforcer la coopération antiterroriste à l’échelle de l’Union européenne, notamment l’intégration de la Belgique dans les mécanismes d’alerte rapide et le partage de renseignements opérationnels?
07.04 Minister Bernard Quintin: Ik tracht de verschillende aspecten te bespreken, maar wat de diverse gerechtelijke aspecten betreft, weet u dat ik naar collega Verlinden moet verwijzen.
Inzake de inzet van militairen aan Joodse sites verlopen de eerste weken ordelijk en volgens de gemaakte afspraken. In de huidige geopolitieke context, waarin doelwitten met Joodse belangen een verhoogd risico lopen, draagt hun aanwezigheid bij tot de bescherming van gevoelige locaties en tot een verhoogd veiligheidsgevoel. Het blijft een tijdelijke en ondersteunende maatregel, die van nabij wordt opgevolgd.
Wat de actie van Europol tegen IRGC online betreft, heeft de dienst FCCU/i2 van de centrale directie DJSOC inderdaad deelgenomen aan de Referral Action Day.
Er is een goede en intensieve internationale samenwerking van onze diensten met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, zowel op politioneel als op inlichtingenvlak. Onze diensten werden door de Amerikaanse partners ingelicht over de arrestatie. Op het eerste gezicht lijkt er inderdaad een positieve impact te zijn. Die groepering heeft sindsdien schijnbaar geen aanslagen meer opgeëist. Dat betekent echter niet dat de bredere dreiging vanuit Iraanse of jihadistische hoek afgenomen is. Onze diensten blijven uiterst aandachtig en de maatregelen blijven gelden.
Wat de persoon betreft die bij Sciensano werkt of zou werken, stel ik voor dat de veiligheidsdiensten hun werk doen. De mechanismen van Strategie T.E.R. zijn meer dan robuust genoeg om uit te maken of dat geval opvolging verdient. Gelet op het publieke karakter neem ik aan dat ook Sciensano zelf op de hoogte is en gepaste maatregelen overweegt.
Over het actieplan Antisemitisme verwijs ik u door naar collega Beenders.
Monsieur De Smet, votre question, toutefois légitime, porte sur un sujet particulièrement sensible. D’une part, le contenu des échanges concrets entre nos services de sécurité et nos partenaires internationaux n’a pas forcément vocation à être rendu public. Je dirais même qu’un des éléments de leur efficacité, c’est de ne pas être plus public que nécessaire. D’autre part, certaines informations que vous sollicitez sont couvertes par le secret de l'instruction et je n’ai pas la compétence de vous les livrer. Enfin, vous comprendrez que je tiens à garder une certaine discrétion quant aux dispositifs de protection déployés.
Je peux toutefois vous assurer que, dès qu’un risque a été recensé pour la communauté juive, des mesures de protection ont été immédiatement décidées. J’ai déjà eu l’occasion de m’exprimer à ce sujet. Ainsi, des militaires ont notamment été progressivement engagés sur le terrain dans différentes villes de notre pays. Par ailleurs, il est évident que de telles mesures impliquent une réévaluation permanente de la situation à l’aune des informations disponibles. Nos services de sécurité collaborent étroitement à cet effet, sous la houlette coordinatrice du Centre de crise national. Je vous remercie.
07.05 Jeroen Bergers (N-VA): Ik dank u voor uw antwoord.
07.06 Sam Van Rooy (VB): Minister, in België komen de jaren dertig niet alleen letterlijk, maar ook maatschappelijk snel dichterbij.
Een BV schrijft dat hij iedere Jood die hij tegenkomt, een puntig mes los door de keel wil rammen en wordt niet gestraft. Een moslim roept op om de Joden te verbranden en wordt niet gestraft. Een socialistische minister weert een Joodse topdirigent. Een liberaal parlementslid kakelt op de Vlaamse Al Jazeera dat de Joden met hun geld de wereld regeren. Op zogenaamde pro-Palestijnse betogingen mag ongestraft worden opgeroepen tot intifada oftewel Jodenmoord. Joodse studenten worden weggepest door gemaskerde Hamas-wannabees. Er wordt een aanslag gepleegd op een synagoge, enzovoort.
Minister, de regering bestrijdt antisemitisme niet. Ze importeert en tolereert de facto antisemitisme.
Ondertussen stelt de Iraakse jihadist Mohamad al-Saadi dat het in België heel eenvoudig is om jihadisten te rekruteren. Trots vertelde hij dat hij in Europa meerdere teams van jihadisten runt.
De Islamitische Republiek pleegt ondertussen aanslagen op ons grondgebied. Zo ver is het vandaag gekomen. De Islamitische Republiek zal dat blijven proberen, want ze wil de Islamitische Revolutie ook exporteren naar de rest van de wereld en naar ons.
Ondertussen blijft de Islamitische Republiek aan de lopende band onschuldige Iraniërs martelen en executeren. Ondertussen worden hier de aanhangers van dat verderfelijke islamitische regime en de vlaggenzwaaiers met die verschrikkelijke terreurvlag geen strobreed in de weg gelegd.
Elke diplomaat van de Islamitische Republiek moet worden beschouwd en behandeld als een jihadistische terrorist.
07.07 François De Smet (DéFI): Monsieur le président, je remercie simplement le ministre pour sa réponse prudente et donc évidemment frustrante, mais je comprends. Pas de souci.
07.08 Bernard Quintin, ministre: Je comprends votre frustration mais je ne peux pas faire autrement.
Je voulais simplement dire – je le dis en français parce que je ne vais pas faire l'effort de le dire en néerlandais – que je proteste vivement quand le député Van Rooy dit que ce gouvernement tolère, voire importe l'antisémitisme. Ces propos sont absolument scandaleux et doivent être portés à sa seule responsabilité, mais on ne peut pas dire tout et n'importe quoi, même à la Chambre des représentants.
07.09 Sam Van Rooy (VB): Dan zal ik het gewoon nog eens herhalen, mijnheer de minister. Hoe noemt men een land, een overheid, waar men straffeloos kan oproepen om elke Jood een mes door de strot te rammen? Hoe noemt men een land waar men straffeloos kan oproepen om de Joden te verbranden? Dat wordt getolereerd.
07.10 Minister Bernard Quintin: (…)
07.11 Sam Van Rooy (VB): Begin maar te roepen. Ik weet dat dat zeer lastig is, mijnheer de minister. Vestig er maar de aandacht op. Ondertussen importeert deze regering massaal de islamitische jihad en het antisemitisme uit de islamitische wereld en de Palestijnse gebieden. Deze regering importeert, tolereert en faciliteert antisemitisme. Ik zal dat blijven zeggen en onderbouwen met de talloze voorbeelden die er zijn.
Loopt u er maar van weg. Dat is zeer veelzeggend voor uw beleid. U loopt ervan weg. U wilt blind blijven, met oogkleppen op, voor het antisemitisme dat elke dag in onze samenleving plaatsvindt, online en offline, zeker in de straten van Antwerpen en Brussel.
De voorzitter: Het incident is gesloten. Dat mag letterlijk genomen worden.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
Vraag nr. 56015613C van de heer Bergers wordt schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nrs. 56015615C en 56015616C van de heer Bergers komen straks aan bod, wanneer de heer Bergers terug aanwezig is. Vraag nr. 56015655C van mevrouw De Vreese en vraag nr. 56015677C van de heer Meuleman worden schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nrs. 56015756C van de heer Depoortere en 56016561C van de heer Bergers worden later gesteld, wanneer de heer Bergers terug is. Dat geldt ook voor de samengevoegde vragen nrs. 56015817C van de heer Bergers en 56016251C van de heer Depoortere. Vraag nr. 56015818C van de heer Bergers wordt schriftelijk behandeld.
08.01 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is al een tijdje geleden, maar op 3 mei was er de wedstrijd tussen Anderlecht en Club Brugge. Helaas moet ik zeggen dat daar opnieuw, het is bijna traditie, antisemitische gezangen klonken bij een deel van de supporters van Club Brugge. Het was niet de eerste wedstrijd waarop dat gebeurde en ik vrees dat het ook niet de laatste zal zijn. Eigenlijk gebeurt het gewoon telkens Anderlecht op bezoek komt in Brugge. Een miniem deel van de supporters – dat moet erbij gezegd worden – vindt het een goed idee om telkens opnieuw antisemitische liederen te zingen.
Het probleem is gekend. We hebben hier een hoorzitting gehad met Lorin Parys, die mij van mijn stoel deed vallen met zijn onnozele antwoord. Ik kan het niet anders formuleren. Lorin Parys zei me dat ik maar een omstaanderstraining moest volgen, zodat ik weet hoe ik daarmee moet omgaan wanneer zoiets gebeurt als ik in de tribune sta. Ik ben nog steeds kwaad over dat antwoord.
Het toont echter wel aan hoe de voetbalclubs dat fenomeen bekijken. De voetbalclubs wassen hun handen in onschuld. Ze denken dat het hun probleem niet is. De voetbalclubs weten over wie het gaat, maar doen niets. Niets doen, is in dezen medeplichtig zijn. Als men weet wie de dader is en niets doet, dan betekent dat dat men dat gewoon steunt. Ik kan het niet anders zeggen. Op de een of andere manier blijft het maar gebeuren. Er komt een verstrenging van de voetbalwet aan, maar dat maakt allemaal geen indruk. Geen enkele maatregel die wordt genomen, maakt indruk. Het blijft gewoon doorgaan.
Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat de clubs niet meewerken. De clubs kennen de idioten die daarvoor verantwoordelijk zijn. Zij kunnen hen aanwijzen en kunnen hun heel gemakkelijk een langdurig stadionverbod opleggen, maar blijkbaar gebeurt dat niet.
Welke maatregelen hebt u genomen? Welke maatregelen hebben de clubs genomen?
Werden er supporters bestraft het voorbije jaar?
Wat zult u doen om de clubs er eindelijk van te overtuigen hun verantwoordelijkheid op te nemen?
Un an plus tard, il y a un mois maintenant, de nouveaux faits se sont produits, toujours avec les mêmes prétendus "supporters": à nouveau des chants antisémites et racistes dans les tribunes du stade Roi Baudouin, avec une dégradation assez importante du mobilier. Il serait question de d’environ 70 000 euros de dégâts.
Dès lors, nous en sommes à nous poser la même question: quand ces clubs prendront-ils leurs responsabilités? Quand feront-ils en sorte que ces soi-disant supporters ne puissent plus avoir accès à nos stades? Quand nous présenterez-vous la nouvelle loi football, qui pourra enfin sévir vis-à-vis de ce genre d’actes scandaleux et que nous ne pouvons évidemment pas accepter?
08.03 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le ministre, je ne retracerai pas l’historique présenté par mes collègues. Il y a effectivement eu ces événements l’année dernière. Malheureusement, nous constatons encore aujourd’hui des comportements inacceptables au sein des stades de foot. Vous avez évoqué une réforme de la loi football et avez donné une conférence de presse, voici quelques mois, sur les principales évolutions annoncées. Où en êtes-vous dans le projet au regard de ces évolutions nécessaires?
S’agissant plus précisément du match opposant le Standard de Liège et le Sporting de Charleroi du 24 mai dernier, d’importants débordements y ont causé des blessés et des dégradations matérielles. Les forces de l’ordre ont dû intervenir, et plusieurs individus ont été arrêtés.
Comment avait été organisée la sécurité autour de ce match précis? Un grand nombre d’informations avaient en effet circulé sur les réseaux, incluant des menaces de certains supporters relativement à ce match. Le risque était donc manifestement encore plus élevé que d’habitude pour ce type de rencontres.
Quels sont précisément les faits qui ont été constatés? Quelles sanctions ont déjà été prises ou sont en voie de l'être? On sait qu'il est possible d'agir rapidement en la matière, notamment au moyen d'interdictions de stade. Des mesures de ce type ont-elles déjà été adoptées à la suite de ces événements?
Plus fondamentalement, et je rejoins ici plusieurs remarques formulées par mes collègues, il faut renforcer la responsabilisation des clubs. Je pense qu'il est nécessaire d'agir rapidement afin d'améliorer l'encadrement et de faire en sorte que chacun assume pleinement ses responsabilités, y compris dans leur aspect pécuniaire. À chaque incident, la réponse ne peut pas consister uniquement à mobiliser davantage de policiers et à faire payer le prix aux autorités locales. Certains clubs sont très rentables. Il me paraît donc légitime que les véritables responsables paient.
Je vous remercie pour vos réponses.
08.04 Minister Bernard Quintin: Er vindt structureel overleg plaats tussen de overheidsinstanties, met name de voetbalcel van de FOD Binnenlandse Zaken, de politiediensten, vertegenwoordigers van de clubs, de Pro League en de voetbalinstanties om de preventie en opsporing van dergelijk gedrag te verbeteren.
De voetbalwet voorziet overigens al verantwoordelijkheid van de clubs op het vlak van bewustmaking en naleving door supporters, specifiek wat betreft racistisch en xenofoob gedrag en racistisch en xenofoob geïnspireerde handelingen. Bovendien worden de clubs regelmatig aangemoedigd om gebruik te maken van de middelen waarover zij beschikken om de daders van strafbare feiten te identificeren op basis van hun huishoudelijk reglement.
Oui, les clubs doivent aussi prendre leurs responsabilités. Il est temps d’arrêter de penser que tout doit être pris en charge et réglé par l’autorité publique. Il est temps pour certains de cesser de se cacher derrière leur petit doigt. Je pense avoir déjà eu l’occasion de le dire, mais je le répète ici.
Deze feiten kunnen uiteraard – en dat is van cruciaal belang bij dergelijke daden – aanleiding geven tot gerechtelijke vervolging. Hoewel mijn administratie op basis van de voetbalwet systematisch administratieve procedures opstart tegen de daders van handelingen die aanzetten tot haat, is het immers essentieel en prioritair dat de rechterlijke macht de daders van dergelijke feiten vervolgt.
Voor het seizoen 2024–2025 hadden 29 processen-verbaal betrekking op feiten in verband met racisme of xenofobie. Daaronder bevonden zich 26 processen-verbaal wegens Hitlergroeten binnen een groep supporters van FC Brugge. Dat leidde in totaal tot 726 maanden gecumuleerd stadionverbod en 41.250 euro aan boetes. Daarnaast hadden 3 processen-verbaal betrekking op gevallen van discriminatie op grond van huidskleur en/of geloofsovertuiging, met in totaal 114 maanden gecumuleerd stadionverbod en 6.500 euro aan boetes.
Hoewel de richtlijnen voor de sanctiediensten in het kader van de huidige wetgeving duidelijk zijn, wil ik het overheidsoptreden op dit gebied nog verder versterken.
Wat preventie betreft, werd de laatste jaarlijkse voetbalsubsidie besteed aan projecten ter bestrijding van discriminatie en racisme in de voetbalwereld.
Dans le contexte de l’avant-projet de loi modifiant la loi sur le football, je propose d’inclure la notion de discrimination, qui n’a pas encore été incorporée au corps juridique.
J’ai l’intention d’augmenter les sanctions administratives, amendes et interdictions de stade contre les comportements et les actes racistes et discriminatoires. Je souhaite également renforcer l’échange d’informations sur les sanctions imposées avec les autorités locales, afin de garantir une meilleure identification et vigilance à l’égard des phénomènes locaux.
Wat de verantwoordelijkheid van de clubs betreft, wil ik ook dat er een nieuwe procedure van burgerrechtelijke uitsluiting wordt ingevoerd. Daarnaast ben ik van plan om de definitie van overtredend gedrag zelf aan te passen om interpretatiemarges te voorkomen bij de vaststelling van gepleegde handelingen. Zo kunnen er gemakkelijker processen-verbaal worden opgesteld en sancties worden opgelegd.
Pour ce qui concerne les faits de violences survenus en marge de la rencontre de football entre le Standard de Liège et Charleroi, ceux-ci sont totalement inacceptables, évidemment, et doivent donner lieu à des sanctions tant par les clubs que sur les plans administratif et judiciaire. Ils démontrent, si certains en doutaient, la nécessité de renforcer les dispositifs légaux, également en termes d'identification des auteurs, de les sanctionner le plus rapidement possible et d'assurer l'exécution effective des interdictions de stade.
Les moyens d'identification des auteurs doivent être renforcés. Comme je l'ai indiqué, l'avant-projet de loi révisant la loi football est en concertation au sein du gouvernement. Mon intention est de soumettre le dossier à brève échéance en première lecture au Conseil des ministres. J'aurais espéré l'avoir fait plus vite, comme je l'avais indiqué, mais j'ai appris, donc je ne donne plus de délais que je n'arrive pas à respecter. En effet, le rythme de travail avec des cabinets réduits et des administrations en tension n'est pas toujours facile.
En tout cas, je veux être très clair: il faut que chacun prenne ses responsabilités, parce que, je vous l'avoue, je suis parfois un peu fatigué qu'on se tourne tout de suite vers l'autorité. Les clubs ont une responsabilité. Ces hooligans, on les connaît, qu'ils soient masqués ou non, on sait très bien qui ils sont.
We weten wie ze zijn en de clubs weten wie ze zijn. Ze moeten dus ook hun verantwoordelijkheid nemen.
Je m’entretiens avec des présidents de clubs de football, et certains d’entre eux me disent en toute franchise qu'une des solutions est d'interdire les supporters de l'équipe de football visiteuse. Je prends note de cette idée, tout en trouvant dommage sur le principe que, parce que quelques bandes de hooligans veulent gâcher la fête, on gâcherait la fête pour l'écrasante majorité de supporters de clubs visiteurs qui veulent se rendre à un match. Toutefois, la violence, quelle qu'elle soit, est inacceptable. La violence en marge des matchs de football doit impérativement cesser.
J'ai également l'intention de revoir la loi sur la sécurité privée, ce qui permettra de revoir un équilibre entre ce qui est pris en charge par les clubs en matière de sécurité privée et ce qui est assuré par l'autorité publique en matière de maintien de l'ordre et, entre autres, de circulation sur l'espace public.
C'est un sujet capital qui me tient à cœur parce que je pense que le football, même si je n'en suis pas plus fan que nécessaire, est un sport extrêmement populaire qui doit précisément drainer des foules et rester dans l'esprit du sport. Nous devons tous travailler ensemble à ce sujet-là. Je vous remercie.
08.05 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik ben blij dat u hier zo duidelijk over bent. Het gaat gewoon niet op om iedere keer weer de verantwoordelijkheid naar de overheid te schuiven. Ik denk dat de clubs moeten stoppen met weg te kijken. Wegkijken is medeplichtig zijn.
De Pro League is in hetzelfde bedje ziek. Zolang er niet wordt ingegrepen, zolang de clubs niet ingrijpen, staan ze eigenlijk aan de kant van de racisten, aan de kant van de antisemieten, aan de kant van de homofoben, aan de kant van de relschoppers en aan de kant van de pyromanen. Daar staat de Pro League vandaag. Zij kiezen daarvoor, samen met een aantal clubs. Het gaat immers niet over alle clubs. Ik denk dat iedereen weet over welke clubs het gaat. Iedereen binnen die clubs weet over welke supporters het gaat.
Het is niet de bedoeling om nog veel extra wetgevende mogelijkheden te creëren, want die zijn er al. Die kunnen al worden toegepast, maar het zijn de clubs die weigeren ze toe te passen. Lorin Parys van de Pro League komt ons doodgemoedereerd zeggen: mijnheer Vandemaele, volg de omstaanderstraining en laat ons gerust. De clubs hebben daar niets mee te maken. Sorry, mijnheer Parys, maar u bent verantwoordelijk. Het wordt tijd dat we die clubs veel harder aanpakken, zodat ze verplicht worden om in te grijpen.
Ik ben tegen collectieve straffen, ik haat collectieve straffen, ik vind die totaal oneerlijk, maar ik ben er wel van overtuigd dat als men tegen Club Brugge zou zeggen dat ze twee keer in een leeg stadion moeten spelen, ze wel zullen ingrijpen. Met een boete van 5.000 euro of 50.000 euro lachen ze gewoon eens. Ze drinken er gewoon eentje op en het is gepasseerd, maar als ze twee keer in een leeg stadion moeten spelen, zullen ze onmiddellijk ingrijpen. Hetzelfde geldt voor de andere ploegen.
Het is jammer dat het op die manier moet gaan, maar ik denk dat we dat ultimatum dringend aan de clubs moeten opleggen. Grijp in of we grijpen naar dergelijke maatregelen. Daarmee staan we aan de kant van de goede supporters. Daar zou de Pro League moeten staan, aan de kant van de mensen die met hun kinderen rustig naar het voetbal willen komen kijken.
08.06 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, si j'ai évoqué la date de décembre 2025, c'est parce que vous l'aviez vous-même mentionnée. Honnêtement, je ne m'enferme pas dans un timing. Ce qui m'intéresse, c'est que vous présentiez un projet de loi solide, bien encadré juridiquement et susceptible d'apporter des réponses très claires face aux actes que l'on connaît aujourd'hui: des actes de racisme, d'antisémitisme, d'islamophobie, ainsi que de vandalisme dans les clubs. Voilà ce que j'attends et, si cela demande un peu plus de temps, prenez le temps qu'il faut, mais venez avec une loi vraiment complète.
Je pense effectivement, comme vous, que les supporters, de manière générale, n'ont pas à être sanctionnés parce que quelques individus viennent "foutre le bordel" dans les stades et commettre des actes honteux, scandaleux et inacceptables. Il faut épingler ces personnes et les responsabiliser.
J'irai même plus loin, en disant que les bourgmestres sont pénalement responsables des actes qui peuvent se produire sur leur territoire. Ils peuvent, par exemple, être condamnés pour un trou sur la chaussée ayant entraîné un décès lors d'un accident. Si les présidents de clubs n'ont pas envie de punir celles et ceux qui commettent ces actes, il faut, à mon sens, punir les présidents des clubs. Ils doivent être tenus responsables pénalement des actes des supporters qu'ils refusent de sanctionner. Voilà peut-être la solution, tout comme les bourgmestres sont responsables pénalement de ce qui se passe sur leur territoire. Dès lors, monsieur le ministre, si vous présentez le projet de loi que vous venez d'énoncer, vous pouvez évidemment compter sur notre soutien.
08.07 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Concernant la rencontre Standard-Charleroi, j'ai entendu quelques éléments, mais j'avais des questions très précises. Je reviendrai avec une question écrite pour obtenir les réponses les plus précises possible.
Les collègues l’ont mis en avant, et vous l'avez dit vous-même: il faut vraiment responsabiliser très strictement les clubs. Ils ont déjà des outils pour pouvoir agir davantage, mais il faut que l'on se dote d'autres moyens. Vous en avez cité, dont l’intégration de la notion de discrimination, l'accélération des processus au niveau des constats et des sanctions. Là aussi, les clubs ont un rôle à jouer.
Je rappelle que j'ai déposé une proposition de loi en la matière. Nous avons essayé d'être attentifs à ce que vous avez annoncé pour que ce soit complémentaire et pas concurrent à ce que vous proposez. Il y a beaucoup à mettre en œuvre, et notamment la question des moyens financiers.
Je le disais: ce n'est pas aux communes, ce n'est pas à nous de payer pour cette sécurité privée. Les clubs doivent la payer. La collaboration avec la sécurité privée est donc essentielle en la matière.
L'objectif est, bien sûr, de faire en sorte que les vrais supporters puissent prendre du plaisir à aller voir des matchs de foot et que ces faux supporters qui ne recherchent que la violence et la haine soient véritablement punis. C'est le plus important. Merci, en tout cas, pour vos réponses.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 560115890C van de heer Depoortere wordt schriftelijk behandeld.
09.01 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, deze vraag betreft een communicatie van 8 mei van het parket van Limburg over een onderzoek naar een Turkse criminele organisatie. Er werden 26 huiszoekingen uitgevoerd in Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en Schaarbeek. Er werden cashgeld, vuurwapens, munitie, voertuigen en luxehorloges in beslag genomen en 18 personen werden gearresteerd. Dat lijkt mij dus een goed onderzoek.
Het is een feit dat een gekende Turkse maffiaclan actief is op ons grondgebied en dat moet ons zorgen baren. Ze zouden ook gebruikmaken van een knokploeg. Het gaat om jonge mannen met de Turkse nationaliteit die in Limburg wonen en die zouden worden ingezet voor uitvoerende geweldsopdrachten.
Mijnheer de minister, kunt u die feiten bevestigen? Uiteraard moeten de knokploegen worden aangepakt. Hebt u al een beeld van dergelijke situaties en dergelijke criminele netwerken in ons land? Wat dit specifieke geval betreft, bestaan er afspraken met Turkije om informatie uit te wisselen en politie te laten samenwerken? Beoordeelt u die samenwerking als constructief en goedlopend?
Ten slotte nog iets wat er niet helemaal mee te maken heeft. De premier riep ooit een taskforce in het leven. Dat had eerder te maken met de strijd tegen de Russen in onze hoofdstad, maar we zien toch overal tentakels van de georganiseerde misdaad. Kan de taskforce dus ook hier optreden? Hoe zit het eigenlijk met die taskforce?
Ik kijk uit naar uw antwoord.
09.02 Minister Bernard Quintin: We kunnen inderdaad stellen dat Limburg geconfronteerd wordt met buitenlandse maffiastructuren. Het vermoeden van de aanwezigheid van Turkse maffia bestaat al enige tijd. Gerechtelijke en politionele diensten werken daarvoor nauw samen. Ik wil de zeer goede samenwerking en het werk van zowel de federale als de lokale politie en andere diensten benadrukken. Tijdens een bezoek enkele weken geleden aan Limburg had ik een afspraak met de gerechtelijke politie. Samen met de andere diensten hebben die een zeer goed zicht op de fenomenen, met goede resultaten, zoals u al zei.
De modus operandi van criminele organisaties moet onderzocht en in kaart gebracht worden. Waar mogelijk moeten die fenomenen ook vermeden worden, enerzijds door barrières op te gooien via onder meer bestuurlijke handhaving, maar anderzijds ook door nauw samen te werken met scholen, inspectiediensten, de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en andere partners. De federale politie pleegt nauw overleg met die partnerdiensten om de informatie-uitwisseling verder te verbeteren.
België en Turkije hebben op verschillende niveaus afspraken en samenwerkingsmechanismen rond informatie-uitwisseling en politionele samenwerking. Die samenwerking verloopt deels via multilaterale kaders, maar ook via bilaterale contacten. België en Turkije zijn allebei lid van INTERPOL. Daarnaast is er voor specifieke gevallen de Belgische verbindingsofficier in Turkije. De politionele samenwerking met Turkije verloopt constructief, maar vereist blijvende afstemming, gezien de complexiteit en gevoeligheid van bepaalde dossiers.
Het vermogensonderzoek behoort tot de bevoegdheden van justitie. Turkije en België kunnen elkaar via internationale rechtshulp verzoeken sturen om bankgegevens en financiële transacties te onderzoeken. Dat staat ook op de radar van de taskforce. De echte bedoeling van de taskforce is ervoor te zorgen dat alle actoren samenwerken in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en de daarmee verbonden drugshandel. Dat zijn politie en justitie, maar ook volksgezondheid, financiën enzovoort. Die fenomenen behoren dus ook tot het werkterrein van de taskforce, als ik het zo mag zeggen, en die vormt daarbij een tandem met het nationaal drugscommissariaat.
09.03 Ortwin Depoortere (VB): Ik wil nogmaals benadrukken dat we op dezelfde lijn zitten wat het uitstekende werk van onze politiediensten betreft, zowel federaal als lokaal. Dat bewijst ook, mijnheer de minister, dat we niet alleen moeten investeren in de FGP in Brussel en Antwerpen, maar ook in de andere provincies. Dat werpt soms vruchten af. Mijnheer de minister, een niet-aflatende inspanning van uwentwege, zowel wat materieel als wat budgetten betreft, zal ik altijd steunen.
Ik ken intussen het opzet van de taskforce. Alleen blijf ik – na een half jaar, geloof ik – wat op mijn honger wat de resultaten betreft. Er staan veel nobele doelstellingen op papier, maar ik zie weinig concrete resultaten. Ik weet dat de nationale drugscommissaris daarin een grote rol te spelen heeft, maar ook zij is beperkt in haar bewegingsvrijheid. Zij kan wel adviezen geven, maar ze kan geen uiteindelijke beslissingen nemen. Dat moet de regering doen.
Ik ben het wel met u eens dat er op verschillende domeinen en rond verschillende aspecten moet worden samengewerkt: politie en justitie uiteraard, maar ook douane, vermogensdelicten, financiën en volksgezondheid. Dat hoort allemaal samen.
Als we met dergelijke fenomenen worden geconfronteerd zoals nu het geval is – ik hoop dat het daarbij blijft en dat het niet verder reikt in onze maatschappij dan wat nu naar buiten is gekomen – dan blijft uw aandacht geboden. Ik dank u voor uw antwoord en voor uw politieke verantwoordelijkheid hierin.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De samengevoegde vragen nrs. 56015919C en 56015923C van de heer Vandemaele worden schriftelijk behandeld.
10.01 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, ik hoop dat u al wat bent bekomen van uw uitbarsting daarnet. Ik vraag dat ook voor uw eigen gezondheid. Rust en kalmte zullen u redden. Probeer het dit keer vol te houden, mijnheer de minister, ook als…
(…): (…)
10.02 Sam Van Rooy (VB): U begint er weer door te praten. De frustratie is er blijkbaar nog altijd. Als u mij laat uitpraten, zal ik u straks ook laten uitpraten. U hebt trouwens geluk, want u bent net niet gefilmd op het moment dat u kwaad uw oortje weggooide. Anders zou dat een nog veel mooiere video hebben opgeleverd dan nu het geval zal zijn.
Mijnheer de minister, de Brussels Pride had op een gegeven moment laten weten dat mensen alleen mochten deelnemen als ze geen joodse symbolen, zoals davidsterren en Israëlische vlaggen, toonden. Die beslissing leidde tot verontwaardiging bij joodse en lgbt+-activisten, met name bij Mazal Pride, een groep die lgbt+-Joden in België vertegenwoordigt. Uiteindelijk werd de beslissing na overleg teruggedraaid.
Mijnheer de minister, wat is uw reactie daarop? Wat vindt u daarvan? Was dit een veiligheidskwestie of eerder een ideologische kwestie? In hoeverre was een overheidsinstantie of de politie betrokken bij de beslissing, bij het daaropvolgende overleg en bij het uiteindelijk – gelukkig – terugdraaien van de beslissing?
Tot slot kom ik bij de belangrijkste vraag. Werd de Brussels Pride, die in mei plaatsvond, dit jaar extra beveiligd? Na afloop vernamen wij immers dat drie artiesten die hadden opgetreden op de Brussels Pride, het slachtoffer werden van homofoob geweld op straat. Ze werden belaagd door een twintigtal zogenaamde jongeren. Ik neem aan dat ook u beseft dat dit geen Chinezen of hindoes waren, laat staan Joden, mijnheer de minister.
"Dit was de allereerste keer in mijn leven dat ik op straat werd aangevallen omdat ik gay ben", aldus een van de slachtoffers, vandaar de vraag of de Brussels Pride dit jaar extra beveiligd werd en, zo ja, wat was daarvoor de precieze aanleiding?
10.03 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Van Rooy, ondanks uw onbeleefdheid jegens mij zal ik uw vraag beantwoorden.
Volgens de informatie die de politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene heeft verstrekt, heeft de politie, zoals bij elk grootschalig evenement in de openbare ruimte, vooraf een risicoanalyse uitgevoerd met het oog op het bepalen van de nodige veiligheidsmaatregelen en de inzet van middelen. In het kader van die analyse werd rekening gehouden met de algemene veiligheidscontext en met de mogelijke impact van actuele geopolitieke spanningen op het verloop van het evenement. Daarbij werd vastgesteld dat bepaalde symbolen of uitingen, afhankelijk van de context, reacties van derden zouden kunnen uitlokken en aldus een bijkomend risico op verstoringen van de openbare orde konden vormen.
De politie heeft die risico-inschattingen, zoals gebruikelijk, meegedeeld aan de bevoegde overheden en aan de organisator. Vanuit haar opdracht inzake openbare orde en veiligheid kan de politie risico's identificeren en aanbevelingen formuleren om die risico's te beperken. De uiteindelijke beslissingen met betrekking tot de deelnamevoorwaarden en de organisatie van het evenement behoren evenwel tot de verantwoordelijkheid van de organisatoren en de bevoegde bestuurlijke overheden.
De Brussels Pride werd ook dit jaar beveiligd via een specifiek politiedispositief, zoals dat jaarlijks gebeurt bij evenementen van deze omvang. De inzet van middelen werd bepaald op basis van de uitgevoerde risicoanalyse. Het voorziene dispositief was in grote lijnen vergelijkbaar met dat van de voorgaande editie.
10.04 Sam Van Rooy (VB): Minister, het is u misschien nog niet opgevallen, maar na een aantal decennia van vooruitgang gaat het ondertussen helaas al vele jaren opnieuw achteruit met de veiligheid en dus de vrijheid van holebi's.
Jaren geleden al zei VRT-journalist Riadh Bahri al dat hij in bepaalde geïslamiseerde wijken in Brussel niet meer hand in hand durfde te lopen met zijn vriend. In Turnhout werd zopas de veertienjarige Maro mishandeld door moslims omdat hij biseksueel is. Uit het grootschalige onderzoek van dokter Ruud Koopmans blijkt dat ruim de helft van de Belgische moslims fundamentalistisch is en homo's wantrouwt. De islam is de meest homohatende religie – of eigenlijk ideologie – ter wereld.
Ik roep u dus op, minister, om eindelijk uw ogen te openen. Hoe meer islamisering er in dit land is en hoe islamitischer België wordt, hoe onvrijer en gevaarlijker het wordt voor lgbtqi+-personen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De samengevoegde vragen nrs. 56015615C en 56015616C van de heer Bergers worden schriftelijk behandeld.
11.01 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, met uw nieuwe Kadernota Integrale Veiligheid 2026-2029 hebt u grote ambities, althans op papier, en wilt u meerdere zaken aanpakken, zoals drugsgeweld, cybercriminaliteit, grootstedelijke onveiligheid en illegaal verblijf. Niets dan lof, mijnheer de minister, want dat zijn prioriteiten die ik met u deel en die moeten worden aangepakt.
Er zit wel een addertje onder het gras, namelijk de financiering ervan. Er is immers geen sprake van extra budgettaire middelen. Een en ander wordt doorgeschoven naar de toekomst. Er wordt ook verwezen naar de bestaande middelen binnen de betrokken diensten. Dat is problematisch, omdat onze politiediensten, zowel de federale politie als de lokale politie, al meermaals aan de noodrem hebben getrokken wegens een gebrek aan middelen en personeel. Er moet dringend een tandje worden bij gestoken. Ik weet dat u een erfenis van voorgangers hebt meegekregen. Dat kan niet van vandaag op morgen worden weggewerkt. De druk is enorm. Er zijn personeelstekorten en een verouderde infrastructuur. Men mag ook het zeer gebrekkige informaticasysteem niet vergeten, dat onder uw voorgangster volledig in de soep is gedraaid.
Mijnheer de minister, welke bijkomende federale middelen zult u aan de doelstellingen van die kadernota koppelen? Hoeveel extra politiepersoneel ambieert u? Wordt in extra capaciteit en financiële middelen voor de grootsteden voorzien, in het kader van uw clear-hold-build-aanpak?
Wat het illegaal verblijf betreft, denk ik niet dat er moet worden gewacht om illegalen op ons grondgebied op te pakken, op te sluiten en terug te sturen naar hun land van herkomst. Dat is een grote ergernis bij onze bevolking en ook bij onze politiediensten. Illegalen worden wel opgepakt, maar ze krijgen vervolgens eenvoudig een bevel om het grondgebied te verlaten, wat vervolgens dode letter blijft.
Het lijkt mij nuttig dat over die zaken en over de kadernota in het algemeen regelmatig verslag in de commissie voor Binnenlandse Zaken wordt uitgebracht. De commissie kan dat uiteraard regelen in haar werkzaamheden.
11.02 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dank u wel voor de soepelheid om de volgorde van de vragen enigszins te herschikken.
Mijnheer de minister, in de nieuwe Kadernota Integrale Veiligheid 2026-2029 wordt terecht de nadruk gelegd op een aantal thema's, zoals drugsgeweld, cyberdreigingen, hybride aanvallen en de bescherming van kritieke infrastructuur. Ook de link tussen bepaalde vormen van criminaliteit en illegaal verblijf in ons land wordt expliciet benoemd. Dat zijn belangrijke veiligheidsuitdagingen waarmee onze veiligheidsdiensten dagelijks worden geconfronteerd.
Het succes van de Kadernota zal echter afhangen van de concrete uitvoering op het terrein. Veiligheid staat of valt immers met capaciteit, samenwerking en een effectieve opvolging.
Mijnheer de minister, in welke bijkomende operationele capaciteit voorziet u specifiek voor de bescherming van kritieke infrastructuur, zoals de luchthaven van Zaventem, onze havens en andere gevoelige sites, tegen cyberaanvallen, sabotage en incidenten met onder andere drones?
Welke bijkomende stappen zullen worden gezet om de informatie-uitwisseling tussen de politie, justitie, de DVZ en de lokale besturen te verbeteren in dossiers rond radicalisering, georganiseerde criminaliteit en ondermijnende netwerken? Op welke manier zullen die maatregelen ook de bestuurlijke handhaving versterken?
Op basis van welke concrete indicatoren zal de regering evalueren of die kadernota daadwerkelijk resultaten oplevert?
Kunnen we periodiek een transparante stand van zaken ontvangen, zoals ook de commissievoorzitter vroeg?
11.03 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Depoortere, mijnheer Bergers, ik zal op uw verschillende vragen een gezamenlijk algemeen, alsook specifieke antwoorden geven.
De Kadernota Integrale Veiligheid, KIV, vormt het strategisch referentiekader voor het geïntegreerd veiligheidsbeleid in ons land. Ze is gericht op samenwerking, innovatie, preventie, reactie, repressie en nazorg.
De KIV legt de prioriteiten van de federale en de deelstatelijke regeringen vast voor de periode 2026-2029. Elk beleidsniveau is dan ook verantwoordelijk voor de uitvoering van de eigen beleidsmaatregelen.
De KIV is inderdaad niet gekoppeld aan een eigen budget, maar vereist dat alle betrokken actoren in middelen voorzien binnen hun eigen bevoegdheden, beleidsdomeinen en actieplannen. De concrete operationalisering ervan gebeurt dus via de actieplannen op verschillende beleidsniveaus.
Specifiek voor de politie gebeurt dat via het Nationaal Veiligheidsplan 2026-2029, dat tevens afgestemd is op de KIV 2026-2029. De prioriteiten van de kadernota voor de geïntegreerde politie zijn bijgevolg vertaald in het NVP 2026-2029 en, specifiek voor de federale politie, ook in haar strategisch plan 2025-2030.
Gelet op de autonomie van de politiezones worden de prioriteiten van de lokale politiediensten, zoals opgenomen in het NVP, verder doorvertaald in hun zonale veiligheidsplannen. De concrete inzet van middelen gebeurt dus ook binnen hun bestaande plannings- en budgettaire kaders. De versterking van de politiediensten gebeurt conform de beleidslijnen die zijn vastgesteld in het huidige regeerakkoord.
In deze context verwijs ik graag naar de extra financiële middelen en personele versterking die ik voor de politie heb verkregen. De concrete personeelsvolumes voor de aanwervingen per kader en graad voor de geïntegreerde politie zijn tevens bepaald in de jaarlijkse globale HR- en budgettaire kaders van de federale politie. De concrete personeelsinzet en eventuele versterkingen worden bepaald, rekening houdend met de voormelde prioriteiten en in functie van de operationele noden en beschikbare middelen. Duidelijk is dat daarbij bijzondere aandacht is besteed aan prioritaire fenomenen zoals georganiseerde drugscriminaliteit en economische en financiële criminaliteit.
Mijnheer Depoortere, de zogenaamde clear-hold-build-aanpak maakt deel uit van een geïntegreerde en gebiedsgerichte benadering van veiligheidsproblematieken. De concrete invulling en uitrol ervan gebeuren in nauw overleg en samenwerking met de betrokken actoren en partners binnen de bestaande veiligheids- en beleidsplannen.
Op mijn niveau verwijs ik in die context naar het Plan Grote Steden, met name Antwerpen, Brussel, Charleroi, Gent, Liège, Namur en Mons, dat op 2 oktober 2025 is goedgekeurd en waarvoor momenteel een eerste evaluatie loopt.
Met betrekking tot het illegale verblijf behoort de opvolging van bevelen om het grondgebied te verlaten in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de Dienst Vreemdelingenzaken. Indien u daaromtrent vragen hebt, nodig ik u uit om die te stellen aan mijn collega-minister bevoegd voor Asiel en Migratie.
De politiediensten werken in dit kader nauw samen met de bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke autoriteiten. Wanneer personen zonder wettig verblijf betrokken zijn bij feiten van criminaliteit of ernstige overlast, wordt dat behandeld volgens de geldende strafrechtelijke procedures en kan dat aanleiding geven tot verdere maatregelen in het kader van het vreemdelingenrecht. Voor vragen daaromtrent verwijs ik naar de minister van Justitie.
Mijnheer Bergers, wat betreft uw specifieke vragen over de bijkomende operationele capaciteit voor de kritieke infrastructuren, de bescherming van kritieke infrastructuur behoort tot de kerntaken van de veiligheidsdiensten en vormt een expliciete prioriteit in de Kadernota Integrale Veiligheid. De regering investeert daarom verder in de versterking van de cyberweerbaarheid, de detectie van hybride dreigingen en de bescherming van gevoelige infrastructuur. De concrete inzet van capaciteit wordt bepaald op basis van dreigings- en risicoanalyses en gebeurt in nauwe samenwerking met de betrokken veiligheids-, inlichtingen- en politiediensten. Het lijkt mij omwille van veiligheidsredenen niet opportuun om publiekelijk operationele details over capaciteit of beveiligingsmaatregelen bekend te maken.
De strijd tegen radicalisering, georganiseerde criminaliteit en ondermijnende netwerken vereist een maximale samenwerking tussen alle betrokken actoren. Daarom zetten we verder in op een betere en veilige informatie-uitwisseling tussen politie, Justitie, de Dienst Vreemdelingenzaken, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de lokale besturen. Daarbij bouwen we voort op bestaande samenwerkingsstructuren en digitale overlegplatformen, zoals de JDC's, die binnen de veiligheidsdiensten een breed draagvlak hebben en hun vruchten afwerpen. Dat alles gebeurt met respect voor de wettelijke regels inzake gegevensbescherming en beroepsgeheim.
Tot slot en in antwoord op uw beider vragen over de opvolging en de evaluatie van het veiligheidsbeleid, zoals net aangehaald, is de Kadernota een strategisch beleidskader dat door de bevoegde partners wordt vertaald in concrete actieplannen. De opvolging zal gebeuren aan de hand van de gerealiseerde acties, de versterkte samenwerking tussen de betrokken actoren en de vooruitgang die wordt geboekt binnen de verschillende veiligheidsprioriteiten. De beste graadmeter voor het succes van deze Kadernota zal uiteindelijk zijn of we erin slagen omo onze burgers beter te beschermen tegen de veiligheidsdreigingen van vandaag en morgen.
Voor de uitvoering van de KIV zijn een tussentijdse evaluatie in 2027-2028 en een eindtoetsing in 2029 voorzien. Die zullen gebeuren op basis van indicatoren, zoals de evolutie van prioritaire veiligheids- en criminaliteitsfenomenen, de uitvoering van de maatregelen en de versterking van de samenwerking tussen de betrokken actoren en partners. Die opvolging zal het mogelijk maken om de voortgang van de prioriteiten te monitoren en het beleid van het federale en deelstatelijke beleidsniveau waar nodig bij te sturen. De aansturing daarvan gebeurt door de minister van Justitie. Graag verwijzen wij u voor specifieke vragen daaromtrent dan ook door naar haar.
Mijnheer Depoortere, de opvolging van de uitvoering van het NVP en dus van de politionele maatregelen verloopt via de bestaande overlegfora en rapporteringsmechanismen. In dat kader heb ik gevraagd dat de voortgang van het NVP jaarlijks wordt opgevolgd in de Federale Politieraad. Ook daarover zijn de voorbereidende werkzaamheden lopende.
Ik ben net als mijn diensten altijd ter beschikking van het Parlement en van de commissie.
Inzake het budget weet u dat er een conclaaf aan de gang is. U weet ook dat ik een dotatie van 450 miljoen euro heb gekregen. Die dotatie gebruik ik om de diensten te versterken, bijvoorbeeld de DSU en andere diensten, zoals vastgelegd in ons regeerakkoord. Zelfs als dat niet in ons regeerakkoord zou zijn opgenomen, gebruik ik die dotatie daarvoor als dat nodig is.
11.04 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitvoerige antwoord. Ik heb niettemin een aantal bemerkingen.
Over één zaak zijn wij het alleszins eens. Het zullen de resultaten zijn die bewijzen of zowel de Kadernota Integrale Veiligheid als het Nationaal Veiligheidsplan en ook de lokale veiligheidsplannen – het lokale niveau is zeker een belangrijke partner in het veiligheidsbeleid – inderdaad tot resultaten leiden. Uiteindelijk is dat wat de bevolking vraagt en wenst, niet wie waarvoor bevoegd is. Ik weet dat een en ander uiteraard moet worden gerespecteerd op federaal niveau en op beleidsniveau, maar de burger wil vooral resultaten zien.
Ik hoop dat uw verwijzingen naar andere ministers, zoals de minister van Justitie en de minister van Asiel en Migratie, niet een afschuiven van verantwoordelijkheid is, maar integendeel betekent dat ook daar de daad bij het woord wordt gevoegd. Als ik wijs op de illegalenproblematiek, hoop ik inderdaad dat minister Van Bossuyt en de Dienst Vreemdelingenzaken daar werk van maken en niet enkel illegalen opnieuw onze samenleving insturen met een briefje om het grondgebied te verlaten, maar dat zij effectief werk maakt van de illegalenproblematiek.
De dotatie van 450 miljoen euro die u aanhaalt, is naar ik vrees net iets te beperkt om alle noden te dekken die momenteel leven binnen onze politiediensten. U weet dat wellicht zelf ook wel. Ik hoop op meer.
Ik verwijt u dat niet persoonlijk, maar van een regering, en zeker van de premier op kop die beweert dé veiligheidsregering bij uitstek te zijn, verwacht ik ook meer zout op de patatten, zoals wij in Vlaanderen zeggen. Ik wens ook meer financiële middelen te zien dan nu het geval is.
11.05 Jeroen Bergers (N-VA): Dank voor uw antwoord, mijnheer de minister. We zullen uitkijken naar hoe die kadernota wordt vertaald in concrete actieplannen. We zullen dat hier ook zeker opvolgen.
Specifiek over de kritieke infrastructuur vond ik het interessant dat u in uw antwoord verwijst naar het Plan Grote Steden. We staan uiteraard achter dat plan, dat weet u. We vinden het ook geen probleem dat het werkingsgebied van dat plan, zoals opgenomen in het regeerakkoord, wordt uitgebreid. Onze fractie vindt het belangrijk dat u bij de evaluatie van het plan bijzondere aandacht schenkt aan de focus op de luchthavenzone en de focus op politiezone VIMA, zoals opgenomen in het regeerakkoord. Daar zijn de noden inzake kritieke infrastructuur, veiligheid en de overlast door daklozen immers zeer groot. Wat ons betreft, stellen we dus de vraag om bij de uitbreiding van dat plan naar andere zones zeker ook extra aandacht te besteden aan die twee zones bij de evaluatie.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
12.01 Jeroen Bergers (N-VA): De faculteit Bio-ingenieurswetenschappen van de UGent werd op 22 april 2026 door een groep relschoppers bezet. De bezetting was illegaal, heeft vijf weken geduurd en is in plat vandalisme geëindigd, vooral in het rectoraat, maar ook in andere gebouwen van de UGent. Vrij frappant was dat in het aankondigingsfilmpje van de bezetting de activisten zich uitdrukkelijk verkleedden als de terroristische groepering Hamas. Blijkbaar wordt die terroristische groepering dus verheerlijkt door de mensen die de UGent bezetten.
De rector van de UGent, Petra De Sutter, dacht de bezetting met overleg op te lossen, maar werd gewoon weggestuurd. De bezetters wilden haar zelfs niet ontvangen. Dat was een pijnlijke vernedering.
Die bezetting viel ook samen met het moment waarop de Nederlandse AIVD en de minister van Justitie en Veiligheid, David van Weel, waarschuwden voor de link tussen dergelijke protesten en Hamas in heel Europa, ook in Nederland.
Een aantal linken zijn zeer duidelijk. Youlian Burnham en Basile Peeters, die de UGent hebben gevandaliseerd, zijn lid van de PVDA. De woordvoerder van de bezetting van de UGent is ook de woordvoerder van Code Rood. End Fossil Gent is een van de vzw's die mee achter de bezetting en het vandalisme aan de UGent zitten. Dat is dezelfde vzw die achter Code Rood zit, waarvoor het OCAD ook waarschuwt.
Die linken zijn dus zeer duidelijk en doen de vraag rijzen of er een verband bestaat tussen de bezetting van de UGent en Hamas. Mijnheer de minister, wat is uw analyse van die bezetting en van de linken met andere extreemlinkse verenigingen en met de PVDA? Welke maatregelen zullen daartegen worden genomen? Wat zijn uw bevindingen over de arrestaties die bij het einde van de bezetting zijn verricht?
12.02 Ortwin Depoortere (VB): Ik dank de heer Bergers omdat hij de situatie geschetst heeft. Het was een correcte weergave van de feiten, lijkt me.
Er waren 44 arrestaties en 2 agenten geraakten gewond. Het begint er meer en meer op te lijken dat er een georganiseerd extreemlinks netwerk achter al die acties zit. Het was niet de eerste keer dat dergelijke acties worden ontwikkeld. Nu was de UGent aan de beurt.
Wat mij betreft, was dit trouwens een bezetting die veel te lang heeft aangesleept en waar de rector – haar achtergrond kennend – wellicht veel te laks mee is omgegaan. Er had veel sneller moeten worden ingegrepen. De vele arrestaties en de gewonde agenten zijn het bewijs dat die actievoerders niet vreedzaam zijn, maar gewelddadig.
Mijnheer de minister, deelt u de bedenking dat extreemlinkse netwerken als Comac en Code Rood wel degelijk een invloed uitoefenen en zelfs de organisatoren zijn van dergelijke protesten? Hebt u daarvoor intussen al meer aanwijzingen?
Uiteraard wens ik dat daaraan een vervolg wordt gekoppeld. Het is niet voldoende de bezetting te breken en enkele arrestaties te verrichten, al dan niet bestuurlijk. Hier moet een grens worden getrokken en tot vervolging worden overgegaan. Mijnheer de minister, kunt u ter zake wat klaarheid brengen?
12.03 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Troosters, mijnheer Bergers, de politie laat weten dat de actievoerders weigerden zich te identificeren en ook de identificatie via vingerafdrukken bemoeilijkten. Momenteel loopt de identificatie verder op basis van fotodossiers en andere elementen binnen de diensten van de geïntegreerde politie. Een tiental kon al geïdentificeerd worden, waarvan een aantal bij onze diensten gekend zijn in het kader van bepaalde groeperingen.
Het moge duidelijk zijn dat het niet alleen actievoerende studenten aan de UGent betreft. Ik heb van onze diensten nog geen informatie gekregen die wijst op een rol van Hamas binnen de bezetting van lokalen aan de UGent en ook niet op infiltratie of aansturing door Code Rood of andere. Ik benadruk dus dat we geen informatie hebben gekregen of het al dan niet waar is.
We zien wel een analogie op het vlak van technieken en tactieken van de actievoerders met links-extremistische groeperingen, onder andere in de wijze van zich onherkenbaar te maken en zich te onttrekken aan de politiediensten en aan identificatie.
Wanneer er aanwijzingen of elementen zijn van propaganda van een ideologie die geweld verheerlijkt, treden de mechanismen van Strategie T.E.R. (Strategie Extremisme en Terrorisme) in werking. Deze opvolging gebeurt in nauwe samenwerking tussen de veiligheidsdiensten en het openbaar ministerie. Er werden ondertussen drie processen-verbaal opgesteld en het onderzoek loopt.
12.04 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel voor uw antwoorden, mijnheer de minister. Het is onaanvaardbaar dat, als de politie zegt dat ze niet meewerken aan de identificatie, dat toch niet is gebeurd. Desnoods hadden ze die mensen 48 uur lang moeten vasthouden en alle mogelijke middelen moeten inzetten om ze te identificeren. Ik hoop toch dat de politie tot het uiterste gaat om die mensen te identificeren. U bent zeer voorzichtig over de link met Code Rood en dat begrijp ik. U moet u baseren op wat de diensten u aanleveren.
Ik ben mij aan het vastbijten in dat dossier en in alle schimmige achterkamernetwerken. Ik kan alleen maar de suggestie doen om te kijken naar de werking van de vzw End Fossil Gent, waarvoor expliciet gewaarschuwd wordt in het rapport van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD). Die vzw heeft via haar socialemediakanalen zeer publiekelijk opgeroepen om mee vandalisme aan te richten aan de UGent. Er is volgens mij toch een zeer duidelijke link. Het is niet mijn verdienste, want De Morgen heeft aangetoond dat de woordvoerder van de bezetting dezelfde persoon is als de woordvoerder van Code Rood. Journalisten weten natuurlijk met wie ze bellen. Die linken moeten dus verder worden onderzocht.
Ik heb misschien nog één vraag. Het staat u vrij daarop te antwoorden of niet. De bezetting van de UGent heeft een vijftal weken geduurd. De rector van de UGent heeft zeer goede connecties in de Wetstraat. Heeft zij op enig moment contact opgenomen met uw kabinet met de vraag om hulp om die bezetting te beëindigen? Dat lijkt mij toch relevant.
12.05 Minister Bernard Quintin: Niet dat ik weet. Het geeft mij wel de mogelijkheid om te zeggen dat, zoals u weet, in de eerste plaats de lokale politie, dus de lokale politiezone Gent, verantwoordelijk is, met de steun van de federale politie. Ik weet niet of er rechtstreeks contact is geweest tussen de rector van de UGent en de lokale politie. Daarvan ben ik niet op de hoogte.
12.06 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister, om dat te verduidelijken. Ik wist ook dat in de eerste plaats de lokale politiezone verantwoordelijk is, maar gezien de escalatie had het mij gepast geleken dat contact was opgenomen met de federale diensten en met uw kabinet. Dat dat niet is gebeurd, is uiteraard bijzonder jammer..
12.07 Ortwin Depoortere (VB): Dat was ook mijn bijkomende vraag. Wie was daar in de eerste plaats verantwoordelijk? Het was de lokale politie, dat is duidelijk, en de federale politie is waarschijnlijk nadien bijgesprongen om steun te verlenen.
Bij mij kan het er gewoon niet in dat men er niet verder op ingaat als dergelijke actievoerders weigeren zich te identificeren en zich onttrekken aan politionele controle. De politie heeft hier haar werk niet gedaan zoals het moet, want ik vind dat onaanvaardbaar. Als iemand een strafbaar feit pleegt, dan moet die op zijn minst geïdentificeerd kunnen worden, want anders is er geen sprake van vervolging of iets anders. Dan is er sprake van straffeloosheid, die we onmogelijk kunnen aanvaarden bij dergelijke acties.
Ten tweede, en mijnheer Bergers heeft er ook terecht naar verwezen, ik vind het zeer vreemd dat u geen extra informatie krijgt, mijnheer de minister, over de link met Code Rood en Comac, terwijl het OCAD in zijn jaarverslag zeer duidelijk stelt dat er wel degelijk banden zijn met een extreemlinks netwerk. We zien dat niet alleen hier aan de UGent. We zien dat bijna overal waar die extreemlinkse groeperingen denken te moeten manifesteren op een zeer agressieve, gewelddadige manier, met het vernielen van privé-eigendommen, maar ook met het beletten van staatsbezoeken, om maar een paar voorbeelden te geven. Daar moet paal en perk aan worden gesteld. Er moet meer gebruik worden gemaakt van de informatie-uitwisseling tussen lokale en federale politie, maar ook met die van de Staatsveiligheid en het OCAD. Dat zou soelaas kunnen bieden.
L'incident est
clos.
Het incident is gesloten.
De voorzitter: Vraag nr. 56015818C van de heer Bergers wordt schriftelijk behandeld.
13.01 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, het is jammer dat de heer Daerden niet aanwezig is, want zijn vreemde vraag triggerde mij om ook een vraag in te dienen.
We hebben allemaal samen al verschillende keren vastgesteld dat de politiezones in dit land te klein georganiseerd zijn en dat daar efficiëntieoefeningen mogelijk zijn om de steeds complexere vormen van criminaliteit met onze politiezones te kunnen aanpakken. Nu is de kleinste politiezone van het land een dergelijke fusie aan het onderzoeken. Het lijkt mij een heel goede zaak dat er werk wordt gemaakt van schaalvergroting, maar dat wordt door sommigen in vraag gesteld en er wordt een communautair spelletje van gemaakt. Dat is het volgens mij niet en daarom heb ik enkele vragen.
Bevestigt u dat het in de eerste plaats tot de bevoegdheid en de autonomie van de betrokken burgemeesters en korpschefs behoort om een eventuele fusie zodanig uit te tekenen dat de basispolitiezorg gegarandeerd blijft? Bevestigt u dat een fusie perfect mogelijk is – ik ben er zeker van dat u dat zult doen – met behoud van een sterke lokale verankering, interne werking, identieke aanrijtijden, lokaal onthaal, wijkwerking en effectieve aanwezigheid van de politie op het terrein? Deelt u de analyse dat schaalvergroting in bepaalde gevallen net kan bijdragen tot een sterkere en meer performante dienstverlening door de politie?
13.02 Minister Bernard Quintin: Ik kan dat bevestigen.
Mijnheer Bergers, inzake de bevoegdheidsverdeling bevestig ik dat het in de eerste plaats de lokale overheden, de burgemeesters, het politiecollege en de korpschef toekomt om de opportuniteit van een fusie te beoordelen en in voorkomend geval de modaliteiten ervan vast te leggen op zodanige wijze dat een kwaliteitsvolle basispolitiezorg gewaarborgd blijft.
Zoals hierboven in herinnering gebracht, vertrouwt artikel 44 van de wet op de geïntegreerde politie de leiding, de organisatie en de taakverdeling binnen het korps toe aan de korpschef. Het komt de minister van Binnenlandse Zaken niet toe zich voor die organisatorische keuzes in de plaats te stellen van de lokale verantwoordelijken. Een fusie brengt op zich geen enkele vermindering van de lokale verankering met zich mee.
De minimumnormen, vastgelegd in het koninklijk besluit van 17 september 2001, waaronder de basisfunctionaliteiten zoals het onthaal, de wijkwerking en de interventie, blijven onverkort van toepassing op de uit de fusie ontstane zone. Het behoud van een laagdrempelig onthaal, een effectieve aanwezigheid op het terrein en gelijkwaardige aanrijtijden behoren tot de interne organisatie van de zone, die de korpschef dient te structureren op basis van de lokale risicoanalyse. Talrijke meergemeentezones tonen aan dat het perfect mogelijk is een grotere schaal te verzoenen met een sterke lokale aanwezigheid.
Ik deel overigens de analyse dat een schaalvergroting in bepaalde gevallen de kwaliteit en de performantie van de lokale politiezorg kan versterken. Zoals u terecht opmerkte, worden heel kleine zones geconfronteerd met stijgende personeelskosten, steeds complexere vormen van criminaliteit die meer specialisatie vereisen en belangrijke infrastructuurinvesteringen. Het bundelen van middelen laat net toe ruimte vrij te maken voor specialisatie, expertise en investeringen ten bate van de veiligheid van de inwoners.
Ten slotte zal ik, zoals bij elk fusieproject van zones, aandacht hebben voor de territoriale samenhang van het project enerzijds en de operationele meerwaarde die de fusie motiveert anderzijds.
Zoals gezegd, overweeg ik zodra de wet is gepubliceerd een ronde langs de provincies te maken, bij de gouverneurs en de burgemeesters, om daarover na te denken en fusies aan te moedigen.
13.03 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke en uitstekende antwoord. Het is ontzettend jammer dat de heer Daerden niet aanwezig is om uw antwoord te kunnen aanhoren. Hij zal het verslag echter ongetwijfeld heel aandachtig lezen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
14.01 Ortwin Depoortere (VB): De Raad van State heeft zich uitgesproken over de
bevordering van een Kortrijkse politiecommissaris, die verbonden was aan het
kabinet van de toenmalige minister van Justitie Paul Van Tigchelt, tot
hoofdcommissaris. Ook toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Annelies
Verlinden verdedigde de beslissing. Een beslissing die duidelijk onwettig was
gelet op een eerdere uitspraak van de Raad van State in 2016.
Deze kwestie roept ernstige vragen op.
Niet alleen over deze concrete benoeming, maar ook over de integriteit van het
bevorderingssysteem binnen de politie. Gewone politieambtenaren moeten jaren
ervaring opbouwen, selectieproeven afleggen, opleidingen volgen en zich
bewijzen op het terrein. Maar wie dicht genoeg bij het kabinet staat, lijkt met
één politieke pennentrek een graad hoger te kunnen springen.
Welke concrete gevolgen verbindt u als
huidige minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid aan dit arrest? Zal u
werk maken van het terugdraaien van deze onwettige bevordering?
Zal u een intern onderzoek laten voeren
naar de rol van de betrokken kabinetten, administraties en ministers bij deze
bevordering?
Bent u bereid dit dossier over te maken
aan het parket, zodat kan worden nagegaan of er sprake is van samenspanning,
machtsmisbruik of ambtelijke corruptie?
Is dit arrest besproken binnen de
regering met betrekking tot minister Annelies Verlinden, die hier opnieuw in
opspraak komt?
Erkent u dat dit het vertrouwen in de
politie en de werklust van onze politiemensen aantast?
Wat onderneemt u om dit soort onwettig
favoritisme te voorkomen in de toekomst?
14.02 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, ik probeerde niet te veel te insinueren in mijn vraag, maar nu weet uiteraard iedereen over wie het gaat.
Dat doet er eigenlijk niet toe, want er zijn de laatste tijd wel wat artikels verschenen over commissarissen en hoofdcommissarissen die bepaalde moves deden in hun carrière zonder daarvoor het juiste pad te hebben gevolgd. Nu is er een zeer specifiek geval van iemand die bij het SAT heeft gewerkt en op basis daarvan kon doorschuiven.
De Raad van State zou hebben geoordeeld dat dat absoluut onwettig is en niet kan.
De vraag is natuurlijk hoe dat is kunnen gebeuren en hoe we ervoor kunnen zorgen dat dat niet meer gebeurt. De Raad van State kan die benoeming immers niet schorsen of ongedaan maken. Die bevordering is er nu, maar het blijft een vreemde situatie: er is sprake van een problematische benoeming, de onwettigheid daarvan wordt vastgesteld, maar we kunnen daar eigenlijk niets meer aan doen. Vandaar mijn vragen.
Wie heeft het initiatief genomen voor die benoeming? Hoe komt het dat niet werd opgemerkt dat er een probleem was in het benoemingsdossier? Dat dossier moet blijkbaar gewoon gepasseerd zijn. Wie heeft daar de fout gemaakt dat niet op te merken?
Werd in de motivering iets opgenomen over het functioneren bij het SAT Justitie en de gelijkstelling daarvan met een functie binnen de beleidscel? Werd er vooraf juridisch advies ingewonnen over de wettigheid? Welke rol speelde het kabinet bij de voorbereiding, beoordeling en goedkeuring?
Werd de wettelijk voorziene evaluatie uitgevoerd voor de betrokkene of is dat niet gebeurd?
Zijn er gevolgen verbonden aan het advies van de Raad van State?
Ten slotte, hoe zorgen we ervoor dat dit in de toekomst niet meer gebeurt?
14.03 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Depoortere, mijnheer Vandemaele, ik dank u voor uw aandacht voor deze specifieke kwestie.
Ik deel uw bezorgdheid inzake de wens tot gelijke behandeling van alle politiemedewerkers die aan de basisvoorwaarden voldoen om in aanmerking te komen om eventueel bevorderd te worden tot de graad van hoofdcommissaris van politie. Het komt me als huidig minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken echter niet toe te oordelen over de manier waarop de toenmalige ministers hier destijds mee zijn omgegaan. Om in één zin op jullie vele vragen te antwoorden: ondertussen is er een wetsvoorstel goedgekeurd om artikel 135ter van de Exoduswet te herroepen, zodat dergelijke benoemingen niet langer mogelijk zullen zijn.
Ik moet zeggen dat ik een beetje verbaasd was, als gewezen diplomaat, dat iemand die voor een kabinet of een SAT werkt en misschien heel goed werk levert, automatisch in aanmerking voor zo’n bevordering komt. Die elementen moeten in een dossier komen waarin staat "heel goed gewerkt", maar ze geven niet automatisch recht op een bevordering. Ik heb dat afgeschaft.
14.04 Ortwin Depoortere (VB): Dank u voor uw korte en heldere antwoord. De wetswijzing komt geen dag te vroeg, zou ik zeggen. We zijn het erover eens dat het absoluut niet kan dat iemand omdat hij toevallig op een kabinet werkt, een streepje voor heeft om benoemd te worden als hoofdcommissaris. Dat is echt van de pot gerukt.
Het creëert inderdaad geen goede solidariteit binnen het politiekorps, dat kan ik verzekeren. Ik meen dat de heer Vandemaele dat ook kan verzekeren. U ziet, over alle partijgrenzen heen wensen wij aan dit favoritisme een einde te maken.
14.05 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Dit kan nu inderdaad niet meer gebeuren. Dat is uiteraard een zeer goede zaak.
De vraag is natuurlijk of dat nu niet rechtgezet moet worden. Iemand is benoemd in een positie waarin hij helemaal niet benoemd mag worden. Hoe gaan we dat oplossen? Hoe gaan we die benoeming ongedaan maken? De Raad van State stelt vast dat het niet wettelijk is, maar de benoeming is niet ingetrokken. Iemand krijgt een gunst. Er is een oordeel van de Raad van State dat die gunst onwettig was. Dan kan men die gunst toch niet behouden?
Ik vind dat wel heel vreemd. U kunt perfect zeggen dat uw voorgangster het verknald heeft. Oké, ik zal uw voorgangster ook bevragen. Ik doe dat graag. De vraag is echter vooral hoe we dat rechtzetten. Mag die man misschien gewoon blijven zitten? Dat is eigenlijk wat er nu gebeurt. Er is een fout gemaakt, maar de man mag blijven zitten en heeft zijn benoeming verdiend. Ze is onwettig, maar hij behoudt ze wel. Dat vind ik vreemd.
De Raad van State heeft geen bevoegdheid om die beslissing te vernietigen. De Raad van State heeft geoordeeld dat ze illegaal is, dat het niet conform de wet is, maar de Raad van State kan die benoeming niet vernietigen.
Voor de toekomst is het opgelost en ik ben blij dat dat zo is, maar de conclusie blijft wel dat iemand illegaal is benoemd bij de lokale politie en dat we die gewoon gaan laten zitten. Ik vind het heel bijzonder dat we dat doen. Ik zal uw voorgangster bevragen over hoe het fout is gelopen, want ik denk dat daar echt zware fouten zijn gemaakt, bewust.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
15.01 Ridouane Chahid (PS):
Monsieur le Ministre,
Mercredi dernier en séance plénière, dans
mon intervention sur votre projet de fusion des zones de police, je vous posais
une question sans appel: serez-vous le dernier Ministre fédéral de l'Intérieur?
Mes inquiétudes sont en effet grandes.
Votre partenaire gouvernemental nationaliste
vise très clairement à régionaliser une police fédérale dont le Ministre Jambon
a largement diminué les budgets et effectifs. D'autre part, vous avez décidé
dans les faits de recourir à l'armée pour toute une série de missions plus ou
moins structurelles comme la surveillance de sites sensibles et d'entités
critiques. Et maintenant, nous apprenons que vous allez mettre en oeuvre ce que
prévoyait déjà l'accord de gouvernement en privatisant certaines tâches policières.
Votre volonté est d'élargir le rôle de la sécurité privée pour
"libérer" des policiers de certaines tâches jugées
"périphériques". On parle du visionnage d’images aux contrôles
d’accès, en passant par les prisons et les stades.
Vous le comprendrez, nous ne partageons ni
l'analyse ni vos recettes qui constituent, pierre après pierre, à une remise en
cause de cette tâche régalienne qu'est l'Intérieur et la police et l'importance
des effectifs et missions de la police fédérale.
Monsieur le Ministre, que contient
exactement votre avant-projet de loi relatif à cette volonté de privatisation
de certaines tâches de la police? De quelles tâches parle-t-on et selon quels
garde-fous et quel contrôle (élargissemblent des compétences du Comité P par
exemple)? Concernant cette intention, combien de policiers souhaitez-vous ainsi
"libérer" et pour quoi faire ? Que ce soit ces tâches privatisées ou
celles militarisées, où en sont vos engagements depuis votre entrée en fonction
au sein de la police fédérale et les cadres manquants en ETP notamment pour la
police aéroportuaire, des chemins de fer, de la PJF ou de la DAB?
Je vous remercie pour vos réponses.
15.02 Bernard Quintin, ministre: Monsieur Chahid, j'ai une longue réponse, dont la moitié est en néerlandais pour Mme De Vreese.
Je peux toutefois m’en tenir au premier paragraphe, car il ne s'agit pas d'une privatisation de la police mais d'une réflexion sur la meilleure manière de recentrer les policiers sur leurs missions régaliennes essentielles et sur les tâches qui nécessitent l'exercice de prérogatives de puissance publique.
Ce débat n'est pas neuf. Comme vous le savez, je travaille à redessiner l'architecture de sécurité, car je pense que c'est nécessaire après 25 ans, au regard de l'évolution de la société et de la situation sécuritaire. À cet égard, plusieurs chantiers sont en cours: la fusion des zones de police, pour parvenir à une soixantaine de zones plus fortes et mieux organisées; le refinancement des zones de police locale, sur lequel je travaille actuellement dans le cadre des négociations au sein du gouvernement; ainsi que la réforme de la police fédérale, qui fera également l’objet d’une restructuration.
De ce point de vue, l'accord de gouvernement nous demande de travailler sur la loi relative à la sécurité privée. Penons l'exemple du football. Lors de grands événements, tels les matchs de foot, certaines tâches sont aujourd'hui exercées par la police. Mais toutes ces missions relèvent-elles réellement de l'exercice de la violence légitime qui appartient exclusivement à l'État – ce qui constitue évidemment une ligne rouge pour moi? Ainsi, la gestion de la circulation sur l'espace public relève clairement de la police et non de la sécurité privée.
Nous connaissons bien le stade Roi Baudouin. Entre la rue, le parking et le stade, il y a matière à réflexion. Cela permettrait non seulement de libérer des forces de police pour des missions strictement policières, mais aussi de rééquilibrer les budgets dans la mesure où les organisateurs d'événements privés financent la sécurité privée.
Mon objectif n’est donc en aucun cas de privatiser la police, mais bien, dans le cadre de la révision de l'architecture de sécurité en Belgique, de clarifier et encadrer le rôle de la sécurité privée, en fixant des balises. Cette discussion, nous l'aurons ensemble, puisqu'il s'agit de modifier une loi.
15.03 Ridouane Chahid (PS): Merci, monsieur le ministre, pour ces éclaircissements et pour vos réponses. Effectivement, pour nous, il est important que les missions de service public de la police restent à la police; il n’y a pas d’ambiguïté à ce sujet. Si la question est de se demander si les organisateurs d’événements de type privé ne peuvent pas eux-mêmes organiser leur propre sécurité, pourquoi pas? Ouvrons cette discussion, cela ne nous pose aucun problème.
Faites néanmoins en sorte que les missions de service public restent confiées à la police. De même, si aujourd’hui la police doit s’occuper de missions qui ne sont pas les siennes, et que votre intention est dorénavant de dire “Libérons cette capacité policière pour mieux la gérer sur l’espace public”, alors oui, nous sommes d’accord pour dire que les missions de service public doivent être garanties et que la police doit être là pour intervenir sur le terrain. Aujourd’hui, par exemple, lorsque vous êtes accueillis à l’entrée du Palais 12, c’est par des vigiles privés. Dès lors, si c’est ce principe-là, évidemment que cela ne nous pose aucun problème. Pour nous, il est essentiel que les missions qui sont aujourd’hui celles de la police restent les missions de la police.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De vragen nrs. 56016090C en 1056016092C van mevrouw De Vreese, 56016094C en 56016096C van de heer Depoortere en 56016103C en 56016104C van mevrouw De Vreese worden schriftelijk behandeld. Ook de samengevoegde vragen nrs. 56016106C van de heer Vandemaele en 56016181C van mevrouw Demesmaeker worden schriftelijk behandeld. Vraag nr. 56016122C van de heer Depoortere wordt eveneens schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nrs. 56016126C van de heer Depoortere en 56016129C van mevrouw De Vreese worden uitgesteld. De vragen nrs. 56016130C van de heer Meuleman en 56016134C van de heer Depoortere worden schriftelijk behandeld. Vraag nr. 56016156C van mevrouw Daems vervalt daar ze afwezig is. De vragen nrs. 56016227C en 56016228C van de heer Vandemaele en 56016237C van de heer Van den Heuvel worden schriftelijk behandeld.
16.01 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik zou deze vraag in verband met de nationaliteitsvereiste bij de politiediensten graag mondeling beantwoord zien. Het is echter een korte vraag.
Ik hoor dat er plannen zouden bestaan om de nationaliteitsvereiste zoals die nu bestaat te versoepelen. Ik vind dat geen goede zaak, maar ik hoor eerst en vooral graag van u of die plannen om de nationaliteitsvoorwaarde te versoepelen of af te schaffen gegrond zijn. U zult mij daarover willen antwoorden. Alvast bedankt.
16.02 Minister Bernard Quintin: Op het niveau van mijn ambt zijn er geen initiatieven of besprekingen lopende over de versoepeling of afschaffing van de Belgische nationaliteitsvoorwaarde om aangeworven te worden als operationeel lid van de politie.
In 2024 heeft de Directie van het personeel van de federale politie die problematiek van mogelijke aanwervingen al onderzocht. De bedoeling daarvan was de visvijver van kandidaten voor operationele betrekkingen te vergroten en de diversiteit binnen de politie te bevorderen. Daarbij werden ook een aantal Europese landen geïdentificeerd waar dit mogelijk is. Concreet gaat het om Duitsland en een aantal Zwitserse kantons.
Hoe dit in die landen mogelijk is gemaakt, rekening houdend met de hierna vermelde moeilijkheden, is niet onderzocht. Vanwege de door hierna aangegeven knelpunten inzake de gelijkwaardigheid van diploma's en het moraliteitsonderzoek, alsook de adviezen daaromtrent intern binnen de politie, heeft dit dossier geen verder gevolg gekregen.
16.03 Ortwin Depoortere (VB): Bedankt voor uw antwoord.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56016252C van de heer Depoortere wordt schriftelijk behandeld, net als de vragen nrs. 56016272C en 56016275C van de heer Vandemaele.
17.01 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de voorzitter, deze vraag sluit aan bij de vragen van daarnet over Code Rood en de bezetting van de UGent. Sinds 2011 is het overal in België strafbaar om zich op publiek toegankelijke plaatsen te begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat men niet herkenbaar is. In de volksmond wordt dat ook wel het boerkaverbod genoemd, dat mede dankzij mijn partij tot stand is gekomen. Helaas laat de handhaving van dat verbod duidelijk te wensen over.
Ten eerste zien we in het straatbeeld steeds meer moslima's die dat verbod proberen te omzeilen door hun hoofddoek te combineren met een mondmasker. Wordt daarop eigenlijk gehandhaafd, of is deze omzeiling succesvol in die zin dat dit eigenlijk moet worden toegestaan en dus geen overtreding vormt van de bestaande wetgeving, vanwege die combinatie van hoofddoek met mondmasker?
Ten tweede zien we dat extreemlinkse activisten voor het klimaat en voor zogenaamd Palestina zich steeds vaker maskeren met een arafatsjaal of met een aaneengesloten wit pak. We kennen allemaal de beelden van onder meer de bezetting van de UGent recent. Gemaskerde studenten stuurden zelfs videoboodschappen de wereld in en gaven interviews, onder andere aan de VRT. Wekenlang werd hen geen strobreed in de weg gelegd.
Mijnheer de minister, mijn vraag is evident. Vindt u dit normaal? Waarom worden gemaskerde activisten en demonstranten niet onmiddellijk opgepakt en afgevoerd? Laat de wetgeving dat niet toe? Mag of durft de politie dat niet doen? Wie zal het zeggen? Ik vraag het u.
Indien de wetgeving het niet toelaat om die gemaskerde activisten onmiddellijk op te pakken en af te voeren, vindt u dan dat de wetgeving ter zake moet worden aangepast? Ik alvast wel.
Ten slotte, indien van toepassing, wilt u ervoor ijveren dat gesluierde moslima's die zich onherkenbaar maken door naast hun sluier ook een mondmasker te dragen, eveneens worden beboet en dat daarvan een prioriteit wordt gemaakt? Zo niet, dan hoor ik graag waarom niet.
17.02 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Van Rooy, artikel 563bis van het Strafwetboek bepaalt dat het verboden is om zich op voor het publiek toegankelijke plaatsen te begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat men niet herkenbaar is, behoudens enkele uitzonderingen.
Artikel 563bis gaat over een zogenaamde gemengde inbreuk. Het dragen van een mondmasker kan onder het toepassingsgebied van artikel 563bis vallen wanneer het de identificatie van de persoon verhindert. Naargelang van de concrete invulling van het vervolgingsbeleid op het grondgebied van de gemeente, strafrechtelijk of administratief, zal de politie een proces verbaal of een administratief verslag opstellen. Dit beëindigt de interventie van de politie.
Tijdens betogingen is het de bestuurlijke overheid die discretionair beslist of de openbare orde verstoord wordt en of er moet worden overgegaan tot arrestatie van de betrokken personen. Met andere woorden, het is niet aan mij of de politiediensten om autonoom te beslissen om wel of niet op te treden. De politie voert de beslissingen van de gerechtelijke en de bestuurlijke overheden uit.
Uw vraag wordt dus beter gericht aan minister Verlinden of de lokale overheden.
17.03 Sam Van Rooy (VB): Minister, niets staat u in de weg om de vraag door te verwijzen naar minister Verlinden. U doet dat wel vaker. Ik zal de vraag dan ook aan haar stellen. Ik wil echter toch gezegd hebben dat u minister van Veiligheid bent en dat ik vind dat wie zo laf is zijn gezicht te bedekken, of het nu om Hamas-wannabe’s of als antifascisten vermomde fascisten gaat, of over vrouwen met nikab of boerka, in dit land weinig te vrezen heeft en dus een gevaar vormt voor onze openbare orde, onze veiligheid.
De wetgeving hiertegen, die bekend staat als het boerkaverbod, maar die natuurlijk breder gaat, wordt nauwelijks gehandhaafd, zeker wanneer moslima’s die wetgeving proberen te omzeilen door in combinatie met hun hoofddoek een mondmasker te dragen, wat we helaas steeds meer in het straatbeeld zien, zeker in grote steden als Brussel of Antwerpen.
Minister, er moet nultolerantie zijn tegen diegenen die zich onherkenbaar maken, tegen de Hamas-wannabe’s, tegen de zogenaamde antifa’s en tegen boerka’s, nikabs en dat soort pogingen om het boerkaverbod te omzeilen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56016365C van de heer Depoortere wordt schriftelijk behandeld.
18.01 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, wij steunen de uitbreiding van het gebruik van bodycams naar brandweerpersoneel en personeel van het openbare vervoer. Wie dagelijks instaat voor de veiligheid en openbare dienstverlening, verdient maximale bescherming tegen agressie en geweld. Dat heeft de actualiteit jammer genoeg nogmaals bevestigd.
Wij verwelkomen
absoluut uw initiatief en kijken ernaar uit, maar hoe zult u dat operationeel
en juridisch invullen? U mag zich niet beperken tot een louter symbolische
maatregel; dat vindt u ongetwijfeld ook. Hoe zult u bijvoorbeeld garanderen dat
beelden van bodycams effectief bruikbaar zijn voor de identificatie, vervolging
en sanctionering van de daders van agressie tegen hulpverleners en personeel
van het openbaar vervoer? Zal het gebruik van bodycams gepaard gaan met
bijkomende investeringen in opleiding, opslagcapaciteit en uniforme procedures,
zodat het personeel ook voldoende rechtszekerheid krijgt over de beelden?
Overweegt u om de regeling nog verder uit te bereiden naar andere
risicoberoepen of veiligheidsfuncties die frequent geconfronteerd worden met
agressie? Beschikt u over cijfers of proefprojecten die aantonen welke impact
bodycams hebben op het aantal agressiegevallen, klachten en vervolgingen?
18.02 Minister Bernard Quintin: Ten eerste, de opgenomen beelden mogen uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden die bij wet zijn vastgesteld. De opnamen worden gedurende een beperkte termijn bewaard en moeten volledig kunnen worden getraceerd. Elke activering van een camera, elke raadpleging en elke extractie van beelden wordt geregistreerd, teneinde een doeltreffende controle op het gebruik van het systeem mogelijk te maken.
De betrokken personen genieten de rechten waarin de regelgeving inzake gegevensbescherming voorziet. Zij kunnen een klacht indienen bij de verwerkingsverantwoordelijke, bij de Gegevensbeschermingsautoriteit of in voorkomend geval bij de bevoegde gerechtelijke autoriteit. Wat meer in het bijzonder de civiele veiligheid betreft, maakt het voorontwerp eveneens het gebruik van bodycams mogelijk als instrument voor operationele ondersteuning in real time.
Bij bepaalde complexe interventies of interventies met een hoog risico kan de technologie bijdragen tot een betere veiligheid van degenen die de interventie doen, de coördinatie van de operaties vergemakkelijken en de kwaliteit van de beoordeling van de situatie op het terrein versterken.
Tot slot zal de Gegevensbeschermingsautoriteit worden geraadpleegd in het kader van de wetgevingsprocedure. De regering zal de geformuleerde opmerkingen met de nodige aandacht onderzoeken, teneinde een passend evenwicht te waarborgen tussen de bescherming van personeelsleden die met geweld worden geconfronteerd, en de eerbiediging van de grondrechten van de burgers.
Ik heb de studie hier niet, maar we zien dat de bodycams in andere landen een echt belangrijk de-escalatie-effect sorteren.
18.03 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister. Wij kijken uit naar het wetsontwerp.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56015830C van mevrouw Verkeyn is zonder voorwerp. De vragen nrs. 56016454C van de heer De Smet en 56016512C van de heer Orlians worden schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nr. 56016516C van de heer Legasse en nr. 56016563C van de heer Bergers worden uitgesteld. De samengevoegde vragen nrs. 56016519C van de heer Thiébaut, 56016543C van de heer Dubois, 56016556C van mevrouw Daems, 56016558C van mevrouw Jacquet, 56016584C van de heer Dubois, 56016626C van de heer De Smet en 56017118C van de heer Dubois worden uitgesteld. Vraag nr. 56016531C van mevrouw Hugon Lecharlier is zonder voorwerp. De samengevoegde vragen nrs. 56016533C van de heer Vandemaele en 56016552C en 56016557C van de heer Meuleman worden schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nrs. 56016379C van de heer De Smet en 56016458C van de heer Van Rooy worden schriftelijk behandeld.
19.01 Arthur Orlians (Anders.):
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.
In
De Tijd lezen we vandaag een artikel dat minister Quentin werk maakt van een
premie voor politieagenten in de Rand rond Brussel. De premie moet het verschil
in loon tussen een politieagent in Brussel en een politieagent in de Rand
verkleinen. Daarom heb ik twee vragen:
Is dit de juiste aanpak, want gaat dit
niet als een olievlek werken? Het verschil tussen de Rand enerzijds en de
politiezones náást de Rand gaat nu groter worden?
Om welke premie gaat het juist? Hoe hoog
is de premie?
19.02 Minister Bernard Quintin: Welkom, mijnheer Orlians.
Eerst en vooral wil ik melden dat het politieke besluitvormingsproces omtrent de randpremie lopende is. Ik wil hier niet op vooruitlopen. Het voorstel ligt op de regeringstafel.
Ik wil de toekenning van een randpremie aan de politiezones die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest uitvoeren conform het regeerakkoord. In het huidige voorstel houd ik me dan ook aan een strikte interpretatie van dat akkoord: "Om de aantrekkelijkheid van de specifieke politiezones in de rand rond Brussel te verhogen voeren we een premie in voor deze politiemensen."
Terloops merk ik op dat er tussen de Nederlandstalige en Franstalige versie van het regeerakkoord een verschil bestaat.
En effet, en français nous disons: "afin d'augmenter l'attractivité de certaines zones de police dans la périphérie bruxelloise, nous étudions la possibilité d'introduire une prime pour ces policiers".
Het is misschien wat laat geworden in de Militaire School.
Concreet heb ik gezocht naar een evenwichtige en coherente toekenning die enerzijds positief is voor de betrokken politiezones en anderzijds geen nefaste effecten heeft op andere politiezones of entiteiten van de federale politie die eveneens kampen met personeelstekort.
De randpremie die ik voorstel, is geïnspireerd op de bestaande toelage voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en bedraagt een percentage daarvan, rekening houdend met de omvang van het betrokken korps. De precieze bedragen zullen worden vastgelegd in het koninklijk besluit dat binnenkort aan de regering wordt voorgelegd.
Belangrijk is dat de bestaande toelage voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest haar volle uitwerking en aantrekkelijkheid blijft behouden voor de personeelsleden van de politie in dat arrondissement, te meer omdat daar een belangrijke fusieoperatie van de zes Brusselse politiezones loopt en op het niveau van de federale politie een reorganisatietraject aan de gang is.
Ik wil de perimeter geografisch begrenzen om de deur niet op een kier te zetten voor andere politiezones, die op basis van criminaliteitscijfers of andere uitdagingen eveneens aanspraak zouden willen maken op een dergelijke premie. Zo hebben bijvoorbeeld ook politiezones op de rechtstreekse verbindingswegen van en naar Brussel mij herhaaldelijk gewezen op uitdijende criminaliteitsfenomenen en personeelstekort. Het doorslaggevende en objectieve criterium blijft de geografische grens met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aangevuld met het vastgestelde personeelstekort in de betrokken, veel te kleine korpsen.
Wat de impact betreft, de effecten van deze maatregel op rekrutering, retentie en samenwerking tussen zones zullen worden opgevolgd. Het is bovendien duidelijk dat de randpremie slechts één element is binnen een breder pakket. Alleen inzetten op een financiële toelage zou betekenen dat uitsluitend geloof wordt gehecht aan de extrinsieke motivatie van het politiepersoneel, wat onvoldoende is. Daarom heb ik in sectorale onderhandelingen opgestart, waarin ik niet alleen een loonsverhoging voor de operationele personeelsleden voorzie, maar ook een reeks maatregelen om de aantrekkelijkheid van de politie als organisatie en werkgever structureel te verhogen. We zijn daarover aan het onderhandelen, dus ik zal daar niet over uitweiden.
Alle politiezones, ook die in de rand rond Brussel, zullen worden begunstigd door de brede maatregelen van het sectoraal akkoord. Boven op de randpremie zullen zij ook aanspraak kunnen maken op die verhogingen.
Ik maak van de gelegenheid gebruik om een lans te breken voor de fusie van de politiezones, ook in Vlaams-Brabant, want 23 politiezones in Vlaams-Brabant, is veel te veel. Ze zijn veel te klein en kampen niet alleen met een tekort, maar ook met organisatorische problemen door hun kleinheid.
19.03 Arthur Orlians (Anders.): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw interessant antwoord.
Een randpremie zou de aantrekkelijkheid ten opzichte van Brussel verhogen, maar zorgt die manier van werken er niet gewoon voor dat de spreekwoordelijke olievlek uitdeint en het probleem telkens opschuift? U geeft immers een randpremie aan de randgemeenten rond Brussel, maar de gemeenten die daar net naast liggen krijgen dan weer een concurrentieel nadeel. Is dat wel de juiste manier van werken? Het probleem verschuift immers voortdurend en ook andere politiezones zullen daarvan de gevolgen ondervinden.
Ik denk daarom dat een bredere aanpak nodig is, waarbij men naar alle politiezones kijkt en de capaciteitsproblemen probeert op te lossen met algemene maatregelen, in plaats van telkens een specifieke maatregel te treffen, ook in de rand. Volgens mij is dat niet de juiste aanpak.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: De agenda van de minister laat niet toe om nog meer vragen te stellen. Ik wil de aanwezige leden wel nog vragen of zij hun geagendeerde vragen schriftelijk willen laten behandelen.
19.04 Arthur Orlians (Anders.): Mijnheer de voorzitter, die werkwijze is nog nieuw voor mij. Betekent dat dat ze direct worden beantwoord en dat we dus niet wekenlang op de antwoorden moeten wachten? Oké, dan mogen ze allemaal aan het verslag worden toegevoegd.
19.05 Frank Troosters (VB): Mijnheer de voorzitter, ook mijn vier mondelinge vragen mogen schriftelijk worden behandeld.
19.06 Ortwin Depoortere (VB): Voor mijn vragen mag dat ook.
De voorzitter: Mijnheer de minister, bedankt voor het toch zeer groot aantal vragen dat u hebt beantwoord.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.58 uur.
La réunion publique de commission est levée à 17 h 58.
|
De schriftelijk behandelde mondelinge
vragen worden later aan het verslag toegevoegd. Les
questions orales traitées par écrit seront rajoutées au compte rendu ultérieurement. |