|
Commissie
voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken |
Commission de l'Intérieur, de la Sécurité, de la
Migration et des Matières administratives |
|
van Woensdag 17 juni 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 17 juin 2026 Après-midi ______ |
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.25 uur en voorgezeten door de heer Ortwin Depoortere.
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 25 et présidée par M. Ortwin Depoortere.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De voorzitter: Ik verwelkom de minister van Binnenlandse Zaken. Mijn excuses dat de regeling van de werkzaamheden is uitgelopen.
01.01 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik zal proberen niet in herhaling te vallen, want we hebben daarover vorige week al van gedachten kunnen wisselen in de plenaire vergadering, maar misschien is deze commissievergadering beter geschikt om een aantal heel concrete vragen te stellen en, in de mate van het mogelijke, heel concrete antwoorden te krijgen. Ik veronderstel immers dat we rekening moeten houden met het politieonderzoek en het gerechtelijk onderzoek die wellicht lopende zijn.
Ik hoef de situatie niet meer te schetsen. Die is genoegzaam bekend: het vandalisme, de geweldplegingen, het aanvallen van hulpdiensten bijvoorbeeld door een brandweerwagen te beschadigen, het in brand steken van deelsteps, het vernielen van meubilair op straat en het aanvallen van politieagenten. De beelden toonden een klein slagveld in het hartje van Brussel, niet in de banlieues, maar aan het Centraal Station, een heel druk station met heel veel pendelaars. Ik ben ook een pendelaar die gretig gebruikmaakt van het openbaar vervoer en ben net op tijd ontsnapt aan de rellen. Ik was net voor de manifestatie in Brussel en heb op die manier al dat geweld kunnen ontwijken.
Mijnheer de minister, hoeveel personen zijn na de incidenten administratief of gerechtelijk aangehouden en hoeveel vervolgingen zullen er effectief worden uitgevoerd? Als ik de videobeelden bekijk, dan had en heb ik nog steeds de indruk dat allochtone relschoppers oververtegenwoordigd waren. Kunt u dat bevestigen aan de hand van de statistieken en de gegevens die u inmiddels wel van onze politiediensten zult hebben gekregen?
Een volgende vraag betreft de schade en de schadeclaims. Hoeveel schade werd vastgesteld aan het openbaar domein, aan handelszaken, aan infrastructuur in de stationsomgeving of aan privé-eigendommen? Hoe zal de schade op de daders verhaald worden?
In welke mate werden politiemensen en hulpverleners aangevallen, bekogeld of verwond?
De zonechef van Brussel-Hoofdstad, de heer Michel Goovaerts, verwees naar de grote link die er zou zijn met een extreemlinkse harde kern die de betogers heeft geïnfiltreerd en jongeren heeft opgehitst om effectief tot rellen over te gaan. Wordt dat ook door u bevestigd?
Heeft de politie afspraken kunnen maken met de organisatoren van de betoging?
Mijn tweede mondelinge vraag, mijnheer de minister, sluit daarbij aan. Hoe verklaart u dat sommige linkse en extreemlinkse partijen en groeperingen de focus zo snel hebben verlegd naar het vermeende geweld en de vermeende misplaatste gedragingen van onze politiediensten? Ik wil in alle objectiviteit van u ook vernemen wat daarvan aan is en of het om geïsoleerde incidenten gaat.
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat onze politiediensten en hulpverleners in zeer moeilijke omstandigheden de openbare orde moeten handhaven en dat zij onterecht worden geviseerd om de aandacht af te leiden van de werkelijke daders, namelijk de relschoppers zelf. Daarom wil ik vragen wat de feiten zijn die aan die verdachtmakingen ten grondslag liggen.
Uiteraard worden onze politiediensten gecontroleerd. Zoals ik al meermaals heb gezegd, zijn onze politiediensten een van de meest gecontroleerde overheidsdiensten van dit land. Er is het Comité P, maar ook de Algemene Inspectie, de zonechef, de interne inspectie, het COC enzovoort. Beweren dat politieagenten zomaar hun gang kunnen gaan zonder het risico te lopen gecontroleerd te worden, is de mensen blaasjes wijsmaken.
Dat brengt mij bij mijn derde vraag, mijnheer de minister. Ik verwees daarnet al naar de Brusselse korpschef, de heer Goovaerts. Hij stelde niet alleen dat de relschoppers steeds jonger worden, wat in de toekomst een probleem dreigt te worden. We moeten dus ook nadenken over de manier waarop we minderjarige relschoppers op een goede manier moeten aanpakken. Dat zal inderdaad een andere aanpak vergen, maar daarom mag het geen zachtere aanpak worden, integendeel.
Sommige splintergroepjes zoeken zeer doelbewust minderjarigen op en jutten hen op om vandalenstreken uit te halen en rel te schoppen, omdat ze zeer goed weten dat minderjarigen in ons land worden beschermd, misschien wel te vaak beschermd. Als men, zoals de korpschef in de media zei, een dertienjarige moet oppakken met een jerrycan benzine, dan is er iets aan de hand. Dan mag leeftijd volgens mij geen excuus meer zijn om die jongeren niet aan te pakken. Ik hoop dus dat u mij in die redenering volgt.
Bovendien zijn er ook steeds meer extreemlinkse groeperingen die zeer doelbewust onze agenten filmen, fotograferen en hun privégegevens verzamelen om hen onder druk te zetten. Zij verspreiden die gegevens ook onder het motto Wanted. Dat zijn praktijken die we niet uit de hand mogen laten lopen en die eigenlijk sowieso niet door de beugel kunnen. Ik hoop dat daar ook onderzoek naar zal gebeuren. Ik hoop eveneens dat de huiszoekingen die in het kader van Code Rood zijn uitgevoerd, daartoe hebben kunnen bijdragen. In dit democratische land is betogen inderdaad een recht, maar dergelijke praktijken mogen we niet zomaar laten passeren.
De voorzitter: De heer Vandemaele is verontschuldigd.
01.02 Xavier Dubois (Les Engagés): Des échanges ont effectivement déjà eu lieu la semaine passée en séance plénière. Notre rôle n'étant pas de mettre de l'huile sur le feu mais d'appréhender ces faits de manière posée et prudente, c'est en ce sens que nous devons agir et exercer notre rôle de contrôle parlementaire.
Bien sûr, les images nous ont tous interpellés. Elles mettent parfois en avant des versions assez divergentes des faits. Certains parlent de violences policières, et on a aussi constaté la présence de casseurs et d'individus violents qui ont fortement perturbé la manifestation.
Comme je l'ai dit, il faudra attendre la fin des enquêtes en cours au sein du Comité P et de la zone de police pour pouvoir se prononcer précisément sur les faits. En attendant, il y a toute une série de questions très concrètes que l'on peut et que l'on doit se poser.
Monsieur le ministre, selon une dépêche Belga, les services de police auraient été appuyés par l'armée. Si cette information est fausse, je vous invite à le dire. Si toutefois elle est correcte, plusieurs questions se posent. Combien de forces de police et combien de forces de l'armée étaient présentes? Sur quelle base la décision de déployer du personnel militaire a-t-elle été prise? Comment ce déploiement a-t-il été organisé? Quelles instructions ont été données? Sous quels ordres de commandement ces services ont-ils pu être mobilisés? Le recours à un appui militaire dans le cadre d'opérations liées au maintien de l'ordre public faisait-il partie des scénarios envisagés lors de la récente décision qui visait à renforcer la police fédérale par des moyens de la Défense? Je pense qu'il est important de clarifier ces points et de répondre de manière la plus posée.
On pourrait en effet poser beaucoup de questions sur ce qui s'est passé mais, pour y répondre, nous devrons attendre le résultat des enquêtes. Dès lors, au regard de ces difficultés, la question est de savoir comme identifier et isoler les individus violents au sein de cette manifestation sans remettre en cause le droit de manifester, bien entendu. D'autres mesures, d'autres outils pourraient-ils être utilisés pour une meilleure identification? Certaines pistes ont été évoquées, telles que la mise en place de périmètres de manifestation mieux encadrés ou des dispositifs d'accès contrôlés lors de certains rassemblements à risque. Ces options sont-elles à l'étude?
Je pense par ailleurs que la solution passe aussi par une meilleure anticipation des faits. Dans quelle mesure les services de police disposent-ils des moyens technologiques et juridiques nécessaires pour surveiller les réseaux sociaux et détecter – dans le respect des libertés fondamentales – d'éventuels appels à la violence ou des actions de perturbation de l'ordre public? Tout un volet de missions est potentiellement à développer au niveau des services de police.
Par rapport à ce qui s'est passé, qu'envisagez-vous en termes d'adaptation des dispositifs de maintien de l'ordre lors des manifestations afin de garantir simultanément le droit de manifester et la sécurité de tous?
Il a également été rapporté que le périmètre légal de la zone neutre n'aurait pas été strictement respecté lors de la manifestation. Est-ce effectivement le cas et quelle analyse faites-vous de cette situation?
Mes questions comportent donc deux volets: d'une part, la question de la présence potentielle de militaires, à laquelle vous pouvez peut-être répondre très rapidement et, d'autre part, la question de l'avenir. Comment anticiper, comment mieux doter nos services de police de moyens plus technologiques permettant de mieux identifier les fauteurs de troubles et arriver à faire la part des choses? C'est sans doute très compliqué quand on est face à un nombre important de manifestants. Il importe toutefois de pouvoir distinguer les manifestants qui sont là pour porter un message de ceux qui ne sont là que pour casser et brûler.
01.03 François De Smet (DéFI):
Sur les réseaux sociaux, de nombreuses vidéos circulent depuis jeudi dernier , dénonçant des violences
policières et un usage disproportionné de la force pour disperser la foule,
composée de nombreux adolescents, dans le cadre des manifestations
d’enseignants et d’élèves au centre de Bruxelles le 4 juin dernier
Des propos sexistes et racistes auraient
également été proférés par des policiers: il n’entre pas dans mes intentions de
jeter l’opprobre sur le travail des corps de police , mais de pouvoir exercer
un contrôle parlementaire sur ces faits, de quelque violence qu’elle soit
physique ou verbale, si ceux-ci sont avérés.
J’entends également que cette séquence ne
soit pas limitée à des policiers aux
prises avec l’extrême gauche , et caricature les oppositions, en gommant
l’activisme ou des comportements d’extrême droite. La ligue des droits humains
(LDH) a évoqué une "réaction policière disproportionnée", considérant
que la présence de nombreux adolescents aurait dû inciter les forces de l’ordre
à plus de retenue. Face aux images qui ont largement circulé sur les réseaux sociaux,
la Ville de Bruxelles a annoncé ouvrir une enquête, notamment après la
diffusion de séquences dans lesquelles on entend des policiers tenant des
propos racistes et sexistes.
En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il
me faire savoir:
si il entend également diligenter une
enquête au niveau de la police POLBRU si il s’avère que des violences
policières ont effectivement été commises?
La coordination policière qui s’est faite en amont de la manifestation?
si la relation des faits sera faite de
manière objective en évitant la polarisation des groupes?
Plusieurs médias lors du 9 juin 2026 confirment votre proposition de
rendre les organisateurs de manifestations responsables des dommages causés par
des casseurs — sous forme d’une « loi
casseur-payeur dans la suite des
manifestations du 4 juin dernier.
Vous avez ainsi déclaré : “Pour les
incendiaires et les casseurs, un principe simple doit s’appliquer :
casseurs-payeurs. Celui qui détruit doit payer. Conformément à l’accord de
gouvernement et aux engagements pris au sein de la majorité, cette loi doit
être adoptée dans les meilleurs délais afin que le coût des dégradations puisse
être récupéré auprès de ceux qui sont responsables des violences et des
dommages qu��ils causent”
Le droit de manifester est garanti par
l'article 26 de la Constitution belge et par l'article 11 de la Convention
européenne des droits de l'homme. La responsabilité civile pour les dommages
causés par des tiers heurte le principe de la faute personnelle codifié à
l'article 1382 du Code civil. La Cour européenne des droits de l'homme a, dans
les arrêts Frumkin c. Russie (2016) et Lashmankin c. Russie (2017), précisé
qu'une responsabilité objective des organisateurs peut avoir un effet dissuasif
disproportionné sur l'exercice du droit de réunion pacifique.
La loi française du 10 avril 2019 dite «
anti-casseurs » a fait l'objet d'une censure partielle par le Conseil
constitutionnel français (décision n° 2019-780 DC du 4 avril 2019).
En conséquence, Monsieur le ministre peut-il
me faire savoir:
- si le régime de responsabilité que vous
envisagez est une responsabilité objective ou fondée sur la faute prouvée, et comment il entend définir précisément le
fait générateur, et les garanties prévues pour les manifestants pacifiques et
leurs organisateurs ?
- si il entend engager une concertation
préalable avec les organisations syndicales, les associations de défense des
droits fondamentaux et le Conseil supérieur de la justice?
- Comment il entend garantir la compatibilité du dispositif avec les
arrêts CEDH Frumkin (2016) et Lashmankin (2017), et le retour d'expérience
qu’il entend tirer de la loi française
du 10 avril 2019 telle que rectifiée par la décision n° 2019-780 DC du Conseil
constitutionnel français ?
01.04 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, aan de terechte bemerkingen en vragen van collega Depoortere wil ik toevoegen dat ik dat soort protesten – deze keer gaat het om studentenprotesten – al zeer lang nauw opvolg en ook de beelden daarvan op sociale media aandachtig bekijk. Zowel in Brussel als in Namen vonden protesten plaats.
Ik stel telkens opnieuw vast dat die protesten ook een sterke islamitische inslag hebben. Op Instagram schreven jonge moslims naar aanleiding van de rellen in Namen: "We gaan erger doen dan Islamitische Staat." Daarnaast is op diverse video's te zien en te horen dat de jihadistische strijdkreet Allahu akbar wordt geroepen. Het lijkt er ook zeer sterk op dat minstens het gros van de relschoppers een islamitische achtergrond heeft, terwijl andere groepen met een migratieachtergrond, bijvoorbeeld Chinezen, maar ik kan er velen opnoemen, in dat soort straatrellen niet of zo goed als niet vertegenwoordigd blijken te zijn.
Mijnheer de minister, wilt u erkennen dat er een sterke islamitische invloed is in de rellen in Brussel en Namen?
Wordt opgespoord wie online of via chatgroepen, misschien besloten chatgroepen, oproept of aanzet tot dit soort vandalisme en geweld, zeker ook diegenen die verwijzen naar Islamitische Staat? Ik til daar zeer zwaar aan. Ik vind ook dat de regering daar zeer zwaar aan moet tillen.
Ik heb u ook het interessante artikel bezorgd van de Nederlandse psycholoog Timon Dias, die het heeft over wat hij de gangsterislam noemt, een term die hij heeft gemunt en waarvan hij zegt dat het de synthese is tussen criminaliteit, straatleven en de islam, een uniek Europees probleem. Die analyse neem ik als basis om dat soort rellen ook een vorm van straatjihad te noemen. Mijnheer de minister, ik verneem graag uw mening over die analyse. Is die volgens u van toepassing op die straatrellen? Zo ja, hoe zou u met uw beleid daarop kunnen inspelen?
01.05 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, vous avez sans doute, lorsque vous étiez plus jeune, manifesté dans les rues de Bruxelles ou ailleurs pour une cause qui vous tenait à cœur, pour défendre vos droits ou un élément essentiel de notre société. C'est précisément ce qu'ont fait, il y a quelques jours à Bruxelles, des milliers d'enseignants, de parents et de jeunes. Ils ont manifesté pacifiquement pour défendre l'enseignement francophone.
Parmi eux, on ne peut pas le nier, il y avait des casseurs. À leur égard, il ne peut y avoir aucune ambiguïté: une réponse ferme s'impose. Ces individus ne peuvent pas ternir la manifestation ni occulter les messages essentiels portés ce jour-là par les manifestants. Parmi ces derniers figuraient notamment des enseignants et des parents. Je pense notamment à Vanessa, cette mère de famille de 50 ans évoquée dans un reportage de BX1, qui tentait simplement de protéger un jeune qui venait d'être appréhendé par des personnes se présentant comme des policiers. Toute la lumière doit être faite sur ces événements.
Monsieur le ministre, j'ai tout d'abord une question concernant les militaires. Qui a demandé aux militaires présents à l'intérieur de la gare Centrale de quitter celle-ci afin d'assurer une présence sur l'espace public? Envisagez-vous, à l'instar de la zone de police Bruxelles-Ixelles, de demander l'ouverture d'une enquête du Comité P au regard des images qui ont été diffusées? Enfin, vous avez souvent déclaré souhaiter une police respectueuse, respectable et respectée. Or, dans cette exigence de respect, il y a aussi la nécessité d'une action humaine et digne de la part des forces de l'ordre. Considérez-vous que le comportement de certains policiers, qui nuit à l'image de l'ensemble du corps de police, répond à cette exigence de respect?
01.06 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, j'ai eu l’occasion de vous interroger spécifiquement au sujet des manifestations récentes. Je souhaitais dès lors aujourd’hui élargir le cadre.
Ma première question concerne l’obligation d’identification des policiers. En effet, lors des manifestations récentes mais aussi plus largement, de nombreux policiers présents pour la gestion des mobilisations dans l’espace public ne portent pas de signe qui permettent de les identifier. L'article 41 de la loi sur la fonction de police prévoit que "tout membre du cadre opérationnel en service doit pouvoir être identifié en toutes circonstances". Il s’agit en général d’un plaquette nominative, mais il est possible, pour certaines interventions, de la remplacer par un numéro d'intervention, à savoir le matricule. Le fait d’être identifiable constitue donc une obligation légale pour les membres du corps opérationnel, afin de pouvoir documenter et donner suite, le cas échéant, à des comportements ayant dépassé le cadre légal. Certains policiers interrogés quant à l’absence d'identification répondent que les velcros ne tiennent pas sur la plaquette, etc. Or le phénomène est récurrent et ne se limite pas à un ou deux membres isolés de la police; il concerne de nombreux policiers lors de manifestations. Ceci interroge sur la tolérance de ce comportement.
Quels sont vos moyens d'action pour vous assurer que l’obligation d’identification des policiers est bien respectée?
S’agissant de l’utilisation des gaz lacrymogènes pendant les manifestations, en 2023, le Comité P avait souligné dans un rapport une tendance au recours excessif à cette méthode, y compris de manière offensive. Il avait averti de ne pas en faire une habitude. Or, encore tout récemment, les sprays et grenades lacrymogènes ont à nouveau été massivement utilisés pour gérer les manifestations, y compris de façon offensive. J'ai consulté la circulaire ministérielle d’application actuellement, à savoir la circulaire OOP 41bis, qui décrit le spray collectif comme "un moyen non létal purement défensif dont l'utilisation doit rester limitée aux situations de violence collective ou individuelle grave commise contre la police ou contre des personnes, aux cas de légitime défense ou lorsque les fonctionnaires de police en charge de la protection de personnes, postes, biens dangereux ou lieux ne peuvent exercer cette protection autrement". Les grenades lacrymogènes sont considérées comme "un armement particulier" à utiliser dans les mêmes contextes. La circulaire ne mentionne pas le spray individuel, à moins que j’aie mal lu. Il est pourtant également utilisé par les policiers. Le gaz lacrymogène n’est pas inoffensif pour la santé, surtout en cas d’exposition prolongée ou récurrente. L’exposition des enfants à ces substance interroge encore davantage au vu de leur vulnérabilité accrue et leur système respiratoire moins résistant.
Je voudrais vous demander quels gaz sont utilisés par la police belge et comment le choix s'opère entre spray au poivre, CS, grenades lacrymogènes. Des autorisations particulières sont-elles nécessaires pour utiliser ces armes? Des évaluations sont-elles réalisées par la suite sur les utilisations? Des formations sont-elles données concernant la toxicité de ces gaz, les règles qui encadrent leur utilisation? Les utilisations individuelles ou collectives de spray ou les lancements de grenades lacrymogènes sont-ils répertoriés? Comment l'impact sur les enfants est-il pris en en compte lors de l'utilisation de ces gaz? Envisagez-vous de renforcer l'encadrement de l'utilisation des gaz lacrymogènes ou même, comme certains pays l'ont fait, de les interdire compte tenu de leur toxicité?
Ma troisième question porte sur l'usage de la nasse, soit le confinement temporaire. C'est une méthode policière "consistant à fixer une foule dans un espace restreint". La même circulaire ministérielle la décrit comme une "limitation de la liberté de mouvement" et non une privation de liberté. Dès lors, les limitations et obligations de l'article 5 de la Cour européenne des droits de l'homme (CEDH) ne s'appliquerait pas. Cette technique ne fait pas l'objet, en droit belge, d'un encadrement légal spécifique pouvant baliser cette mesure.
C'est ce qu'a constaté le tribunal de première instance francophone de Bruxelles dans un jugement en mars 2025, qui a condamné la zone de police PolBru et le bourgmestre de Bruxelles-Ville pour avoir ordonné et exécuté une mesure de nasse sans base légale, "en violation de l'article 5 de la CEDH, ou à tout le moins de l'article 2 du protocole additionnel n° 4".
Pourtant, depuis ce jugement, la nasse reste régulièrement utilisée par la police, en ce compris la zone de police condamnée.
Monsieur le ministre, quels enseignements tirez-vous de ce jugement? Comment comptez-vous adapter la loi sur la fonction de police ou la circulaire ministérielle pour tenir compte de ce jugement? L'utilisation de nasses fait-elle l'objet d'un reporting ou d'un monitoring depuis le jugement?
Ma dernière question a trait à la gestion négociée de l'espace public. La circulaire 4bis réaffirme que "l'approche conforme à la gestion négociée de l'espace public reste, dans une démocratie mature, la seule manière adéquate pour la police, les autorités et les partenaires de gérer cet espace public".
Cette stratégie repose essentiellement sur deux piliers, le dialogue et la désescalade, afin de "créer les conditions d'un déroulement sûr et harmonieux". Elle se concrétise en plusieurs phases: la prévention, la désescalade et ensuite l'évaluation et le feedback.
Comme le souligne cette circulaire, "il n'existe aucune alternative moderne, démocratique ou légitime à cette approche".
Lors des dernières manifestations, la question a pu se poser quant à l'application réelle de la gestion négociée de l'espace public.
Monsieur le ministre, pouvez-vous me confirmer que c'est bien l'approche privilégiée? Lorsque des manifestations se déroulent mal, quelle évaluation est menée de leur déroulement au regard de la gestion négociée de l'espace public? Comment assurez-vous le respect et la bonne application de cette circulaire par les zones de police en ce qui concerne la gestion négociée de l'espace public?
01.07 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, ik wil het debat dat we in de plenaire vergadering hebben gevoerd niet helemaal overdoen, maar zoals de voorzitter al zei en zoals ikzelf en een aantal collega’s vorige week ook hebben gezegd, onze politie moet onder heel moeilijke omstandigheden functioneren, zeker in Brussel. De politie doet echt wel haar best en is dus in dezen zeker niet het probleem. Als fracties gelet op die omstandigheden alleen maar klagen over de politie, dan denk ik daar het mijne van. Volgens mij moet de politie de middelen waarover ze beschikt, zoals traangas, kunnen blijven gebruiken.
Nieuw sinds het debat van vorige week in de plenaire vergadering is dat er een brief is gekomen van de voorzitter van het Parlement van de Franstalige Gemeenschap. Wat is er tijdens die rellen in Brussel gebeurd? Er is een parlement bestormd. Als er in ons land een parlement wordt bestormd, dan is dat blijkbaar een fait divers. Als dat in andere landen gebeurt, dan is dat dagenlang het hoofditem in het nieuws; volgens mij terecht, want de bestorming van een parlement is democratisch gevaarlijk. Maar als dat in dit land gebeurt, zeker als het vanuit extreemlinkse hoek gebeurt, moeten we dat blijkbaar maar normaal vinden en moeten we dat maar laten passeren. Ik vind dat dus absoluut niet kunnen. Ik vind het schandalig en democratisch gevaarlijk dat een parlement bestormd kan worden, dat volksvertegenwoordigers bij de uitvoering van hun mandaat in gevaar kunnen worden gebracht door extremistische relschoppers die het parlement binnendringen.
De voorzitter van het Parlement van de Franstalige Gemeenschap zegt dat de neutrale zone niet correct gehandhaafd werd, dat verschillende keren contact werd opgenomen met de Brusselse politiediensten en met burgemeester Close om die neutrale zone op een correcte manier te laten handhaven, maar dat dat blijkbaar niet gelukt is. Ik weet niet hoe die contacten zijn verlopen, maar het zou toch echt schandalig zijn mocht inderdaad blijken dat de voorzitter van het Parlement van de Franstalige Gemeenschap heeft gezegd dat het Huis van de Democratie niet genoeg en niet volgens de wetgeving wordt beveiligd en dat de burgemeester van Brussel daar niet op is ingegaan.
Mijnheer de minister, kunt u daarover wat meer informatie geven? Zult u in de toekomst gesprekken voeren met de burgemeester van Brussel om ervoor te zorgen dat de neutrale zone wel wordt gerespecteerd? Is er een link tussen extremistische kringen en de relschoppers die het Parlement hebben bestormd? Zijn die mensen allemaal geïdentificeerd?
De voorzitter: Wensen leden zich aan te sluiten bij de vraagstelling in dit actuadebat?
01.08 Julien Ribaudo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, j'ai eu la chance d'échanger avec vous la semaine passée. Je ne vais donc pas refaire le débat. Toutefois, deux minutes de temps de parole ne suffisent pas pour poser toutes les questions que je voulais vous poser la semaine dernière. J'en ai une kyrielle pour vous aujourd'hui
Des plaintes ont-elles déjà été déposées auprès du Comité P? Le Comité P a-t-il ouvert une enquête sur l'ensemble des incidents et des enquêtes ont-elles été ouvertes par d'autres instances comme le service de l'Inspection générale de la police ou par un organe de contrôle interne de la police de la zone Bruxelles?
Par ailleurs, pour reprendre une question déjà soulevée par plusieurs collègues, comment se fait-il que de nombreux policiers n'avaient pas de badge d'identification et comment se fait-il que de nombreux policiers en civil lors de l'intervention n'avaient pas de signe reconnaissable? Comme c'est une obligation légale, comment faire en sorte qu'il y ait un numéro d'identification? Dans l'appel d'offres de votre nouvel uniforme, est-il prévu que les scratchs soient plus puissants pour éviter que les badges ne tombent pendant les interpellations?
La semaine passée, vous m'avez dit que nous n'avions pas la même lecture des chiffres que celle du Comité P. Je serais dès lors très intéressé d'avoir votre lecture du rapport d'activités de l'année 2025 du Comité P sorti la semaine passée. Comment comptez-vous répondre au Comité P par rapport à la systémisation du "réflexe enfant"? L'idée d'envoyer des jeunes dans des bootcamps a été évoquée ici et là et je voulais avoir votre avis, en tant que ministre de l'Intérieur, sur la pertinence de cette idée.
Enfin, j'ai des questions par rapport aux militaires. Les militaires ont-ils joué un rôle dans le maintien de l'ordre lors de cette manifestation? Si oui, sur quelle base légale et sur ordre de qui leurs actions ont-elles été menées? Enfin, des jeunes, des enseignants ou d'autres manifestants sont-ils entrés en confrontation directe avec les militaires?
01.09 Brent Meuleman (Vooruit): Mijnheer de minister, mijn vraag was niet aangekondigd. De voorbije dagen heb de agenda in de gaten had gehouden. Er was inderdaad een actuadebat aangekondigd, maar ik meende dat, door de vragen in de plenaire vergadering vorige week en de toevoeging van enkele vragen uit de commissie, er vandaag geen actuadebat meer zou plaatsvinden. Aangezien dat wel het geval is, sluit ik met mijn vragen aan.
Mijnheer de minister, ik vind het altijd merkwaardig dat wanneer zulke feiten plaatsvinden, in dit halfrond geldt dat hoe rechtser men staat op de politieke as, hoe exclusiever men focust op de relschoppers, en hoe linkser men staat op die as, hoe exclusiever men focust op het politieoptreden. Ik wil niet deelnemen aan dat politieke spel, want ik vind elke vorm van geweld verwerpelijk, of dat nu komt van de kant van een betoger of van een agent die zijn macht misbruikt. Beide vind ik even verwerpelijk.
Ik zal ook geen oordeel vellen. Ik heb immers gemerkt op sociale media dat men, zodra men op het ene of het andere focust of een uitspraak doet, al gauw in een bepaalde hoek wordt gezet. Dat is natuurlijk heel vervelend, want het debat wordt daarmee niet geholpen.
Mijn vraag aan u is heel eenvoudig. De titel ervan, het optreden van de politie, duidt daar al op. Wat is daarvan aan? Wat weet u daarvan? Wat kunt u ons daar vandaag over vertellen? Welke onderzoeken lopen er? Zijn er al zaken afgerond? Welke onderzoeken zullen nog lopen? Moeten we ons zorgen maken?
Ik heb ook een vraag gesteld over die identificatie, maar dat is een aparte vraag. Ik zou dus van u graag meer vernemen over het politieoptreden.
De voorzitter:
Wenst iemand nog aan te sluiten bij de vraagstelling in dit actuadebat? (Neen)
01.10 Bernard Quintin, ministre: Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos différentes questions qui complètent en effet l’échange que nous avons pu avoir la semaine dernière en séance plénière.
Ik heb samen met jullie de uit de hand gelopen betogingen op 4 en 5 juni met argusogen gevolgd. De talrijke vragen dienaangaande herbevestigen mijn eerder geformuleerde zienswijze dat veroorzakers van de schade die ook dienen te vergoeden.
Comme je l’ai dit, "qui casse paye", un point c’est tout, et j’y reviendrai.
Eerst ga ik in op de kwestie van de eventuele inzet van militairen.
Les militaires n'étaient pas engagés, au même titre que la SPC, dans le dispositif de maintien de l'ordre initial. Cette manifestation était gérée par PolBru, comme il se doit, et personne n'avait imaginé qu'elle dégénérerait de la sorte. Les militaires étaient engagés dans le cadre des patrouilles mixtes avec la police des chemins de fer, comme chaque jour depuis plus de deux mois, afin de contribuer à la protection de nos citoyens dans les gares et les stations de métro de la capitale.
La patrouille mixte se trouvait dans la gare Centrale lorsque la situation s'est dégradée de manière imprévue en surface. Les policiers actifs au sein de cette patrouille ont alors reçu du Gold Commander, c'est-à-dire le chef de corps de PolBru responsable de la coordination du dispositif, l'instruction d'empêcher l'accès à la gare en fermant certains accès à celle-ci. Cette opération a pris un certain temps compte tenu de la coordination nécessaire avec nos partenaires de Securail et de la STIB. Il s'agit d'ailleurs d'un autre sujet auquel il faudra un jour s'attaquer en réunissant l'ensemble des acteurs concernés autour de la table. Avec un peu de bonne volonté, nous devrions pouvoir améliorer la rapidité de cette coordination en matière de sécurité. Les policiers se sont donc mis en ligne afin d'empêcher l'accès à la station pendant sa fermeture et ont, à un moment donné, été relayés par les militaires qui les accompagnaient.
Lors du débriefing organisé le jour même en présence du commandement militaire, il a été rappelé tant au personnel de la police des chemins de fer qu'aux militaires que, dans une telle situation, les policiers doivent se trouver en première ligne et les militaires en retrait. Je tiens à préciser que les militaires n'ont été présents qu'aux accès de la gare Centrale. D'ailleurs, sur les images qui ont circulé, on distingue clairement l'entrée concernée, celle de la rue de la Putterie si je ne me trompe.
Il n'existe pas d'autre base juridique que l'article 111 et les protocoles actuellement en vigueur. Il s'agit d'une situation circonstancielle mais, comme je l'ai indiqué, il a été rappelé tant aux membres de la police des chemins de fer qu'aux militaires les règles applicables quant à leur positionnement respectif. Il faut également comprendre que, dans ce contexte, la SPC se trouvait sous l'autorité du Gold Commander, conformément aux règles habituelles selon lesquelles la police fédérale appuie la police locale dans ses opérations. Quelques ajustements ont donc dû être apportés. Il n'y a eu aucune interaction entre les militaires et les manifestants, hormis leur présence aux accès de la gare.
Mijnheer Depoortere en anderen die de vraag hebben gesteld, inzake het uniform, de kentekens, de legitimatiekaart en andere middelen van identificatie van de leden van de politiediensten, heeft de Koning in uitvoering van artikel 141 van de wet op de geïntegreerde politie een uitvoeringsbesluit genomen dat de regeling vaststelt van het uniform, zonder het dragen van een badge of een specifiek embleem uitdrukkelijk te verbieden.
Je l’ai aussi répété: le matériel de la police est un matériel d’État. Il n’y a pas à y mettre de signe, quel qu’il soit, même pas un autocollant "J’aime ma maman" ou de club de foot, ni d’autres signes. Je suis très clair sur ce sujet. Je l’ai rappelé aussi. Je l’ai rappelé à la police fédérale qui est sous mon autorité. Je l’ai rappelé à la CPPL. Je pense que c’est très clair. On parle beaucoup de neutralité dans nos débats. S’il y a bien un corps de l’État qui doit être absolument neutre à tous les points de vue, c’est bien la police.
(…): (…)
01.11 Bernard Quintin, ministre: On doit aimer sa maman, mais on n’est pas obligé de le mettre sur un autocollant sur son uniforme. J’allais dire autre chose, mais je vais essayer d’être sérieux aujourd'hui.
Om bijzondere competenties, zoals die van motorrijder of hondengeleider, of het behoren tot bepaalde directies, te herkennen, heeft de ministeriële omzendbrief GPI 65 van 27 februari 2009 in de mogelijkheid voorzien om bepaalde onderscheidingstekens te dragen die geen deel uitmaken van de basisuitrusting, maar wel een onderdeel vormen van de uitrusting van een enigszins gespecialiseerde functie, zonder dat ze aan de drager enig specifiek gezag verlenen. Het behoort onder meer tot de bevoegdheid van de korpschef of de commissaris-generaal om dat toe te laten of op te leggen en dat onderdeel van de uitrusting ter beschikking te stellen van de betrokken personeelsleden. Het dragen van andere insignes is, zoals ik al zei, duidelijk verboden.
U zult begrijpen dat ik hier geen uitspraak kan doen over eventuele gepleegde feiten door politiemensen zolang het onderzoek daarnaar loopt. Het lijkt me aangewezen dat u de vraag over mogelijke klachten bij Comité P rechtstreeks aan Comité P richt, aangezien dat tot het Parlement behoort.
Mijnheer Van Rooy, de Belgische diensten verzamelen geen gegevens die toelaten om daders van misdrijven of verstoringen van de openbare orde te koppelen aan om het even welke religieuze overtuiging. In België bestaan er gelukkig geen gegevens over religie, etnische oorsprong, enzovoort.
Il n’y a pas de statistiques ethniques en Belgique et je m’en réjouis chaque jour qui passe.
In het kader van de EU Internet Referral Unit (EU IRU) zoeken de diensten FCCU-i²-IRU binnen de centrale directie van DJSOC online naar illegale terroristische content, waaronder oproepen tot terrorisme en de verspreiding van terroristische propaganda. Wanneer een Belgische link wordt vastgesteld, wordt een proces-verbaal opgesteld. Wanneer er geen Belgische link is, wordt de verwijdering van de betrokken content gevraagd. De dienst voert geen systematische monitoring uit van individuele profielen.
Oproepen die plaatsvinden in private groepen of via private communicatie kunnen daardoor niet worden opgemerkt. Wanneer de platformen die inhoud opmerken, kunnen ze daarvan, overeenkomstig artikel 18 van de Digital Services Act, een melding overmaken aan de DJO-Permanentie en DJSOC/Terro, die de informatie zullen behandelen. Als er Belgische IP-adressen beschikbaar zijn of als een nazicht van OSINT moet worden uitgevoerd, kan een beroep worden gedaan op DJSOC-i²-IRU om bijstand te verlenen.
Als het gaat om een gekende persoon, wordt die telkens besproken in de Local Task Force. Daar zal de nieuwe informatie worden overlopen. Ik beschik echter over geen informatie die erop wijst dat terroristische organisaties recent zouden hebben opgeroepen tot acties tegen de federale arizonaregering of tegen besparingsmaatregelen van de Federatie Wallonië-Brussel.
Daarentegen klopt het wel dat terroristische organisaties in het verleden hebben geprobeerd gevoelens van verlatenheid, uitsluiting en sociale en economische ongelijkheid bij jongeren met een migratieachtergrond te versterken, met het oog op indoctrinatie en rekrutering.
In het kader van de buitenlandse inmenging waarmee België wordt geconfronteerd, verspreiden vijandige staten via sociale media narratieven tegen de overheid om westerse regeringen in diskrediet te brengen, de bevolking te verdelen en extremistische of polariserende boodschappen te versterken. Deze analyse indachtig noem ik de rellen in Brussel en Namen straatprotesten.
Madame Hugon, comme je l'ai déjà confirmé précédemment, les obligations légales en matière d'identification des membres de services de police sont claires. Il appartient, comme je l'ai déjà indiqué, aux responsables hiérarchiques concernés d'assumer leurs responsabilités et d'effectuer ou de faire effectuer les contrôles nécessaires. Le cas échéant, lorsque l'absence d'un moyen d'identification ne peut être justifiée, les autorités compétentes peuvent intervenir dans le cadre de la procédure d'évaluation, au moyen de mesures d'ordre ou par l'engagement de procédures disciplinaires.
Concernant vos questions parfois très techniques relatives à l'utilisation de gaz lacrymogènes, je vous suggère de les soumettre par écrit, de manière à ce que je puisse rechercher le type de gaz.
Par rapport aux enfants, je comprends votre question, mais on peut aussi s'interroger, sans pour autant dire que les enfants n'ont pas le droit de manifester, sur la présence d'enfants dans des manifestations qui dérapent et dont on peut imaginer qu'elles peuvent devenir violentes à un moment, ce que je regrette bien entendu.
Quant à interdire les gaz lacrymogènes, cela me rappelle ce que j'ai déjà entendu au sein de cette Assemblée concernant l'interdiction des courses-poursuites. Je peux tout aussi bien interdire à la police de travailler, ce qui arrangerait peut-être certains, mais ce n'est certainement pas l'instruction que je donnerai.
Pour ce qui concerne la technique dite "de la nasse", je vous confirme que cette méthode ne fait pas partie de l'arsenal policier. Dans certaines actions de maintien de l'ordre bien spécifiques, les services déploient la méthode dite "du confinement", permettant en cas de stricte nécessité d'identifier les éventuels fauteurs de troubles, et ce, sous le contrôle et la direction du commandant du service d'ordre.
Je vous confirme qu'au sein de la zone de police de Bruxelles-Capitale-Ixelles, les principes de la gestion négociée de l'espace public, tels que prévus dans la CP4bis et la circulaire OOP41bis, sont d'application dans le cadre d'actions de maintien de l'ordre. Les directives données aux services visent à garantir la sécurité publique et le respect des droits fondamentaux. Lorsque des manifestations se déroulent mal, les instances de contrôle se penchent sur l'évaluation du déroulement.
Comme indiqué précédemment, les directives données aux services visent à garantir la sécurité publique et le respect des droits fondamentaux, tout en respectant le prescrit des CP4bis et OOP41bis, toutes deux relatives à la gestion négociée de l'espace public, la fameuse GNEP.
Les membres du personnel participant aux actions de maintien de l'ordre bénéficient d'une formation continue en matière de gestion des manifestations et de l'espace public, conformément aux standards légaux et déontologiques.
Monsieur Dubois, comme lors de chaque événement de cet ordre, les services de police veillent à préserver la zone neutre de tout débordement. À ce propos, il aura été rappelé par mes services la loi de 1952 sur la zone et la carte qui indique le périmètre de la zone neutre qui doit absolument être protégée.
Je rejoins aussi ce que dit M. Bergers. Comme j'ai eu l'occasion de le dire en séance plénière, si je me souviens bien, rentrer par effraction violente dans l'espace d'une enceinte d'un parlement est en effet un geste extrêmement grave qui ne peut en aucun cas être minimisé et chacun doit prendre ses responsabilités par rapport à cela.
Pour pallier tout risque potentiel, la zone de police Bruxelles-Capitale-Ixelles a mis en place des équipes d'arrestation spécifiques en vue de procéder à l'interpellation des protagonistes.
Chaque dispositif spécifique fait l'objet au préalable d'une analyse de risque quant à son utilisation dans le cadre d'un événement de maintien de l'ordre. Il ne s'agit en aucun cas d'envisager une certaine forme de systématisme. La zone de police Bruxelles-Capitale-Ixelles mobilise régulièrement certaines technologies comme celles liées à l'OSINT afin de collecter, analyser et exploiter les informations accessibles publiquement dans le but d'obtenir tout renseignement utile.
Mijnheer Bergers, ik herbevestig dat de neutrale zone werd beveiligd door de lokale politie, met een klein probleem ter hoogte van een deel van de Koloniënstraat. De militaire politie is daarentegen verantwoordelijk voor de beveiliging van het gebouw, zoals dat hier het geval is bij het federale Parlement. Er werd evenwel een toegangsdeur van een niet-publieke zij-ingang geforceerd, waarop de militaire politie de steun heeft verzocht van de lokale politie om binnendringing te vermijden. Daarover werden inmiddels verdere afspraken gemaakt.
De relschoppers die het Parlement probeerden te bestormen, konden niet onmiddellijk worden aangehouden, aangezien de betrokkenen zich na de feiten onder de menigte mengden en de vlucht namen.
Voor het gerechtelijk dossier, dat inmiddels werd geopend, verwijs ik naar de minister van Justitie.
Eu égard aux questions complémentaires, monsieur Ribaudo, relatives aux chiffres, il serait préférable de reposer la question ou d’y répondre par écrit. L’interprétation de l’augmentation des plaintes peut en effet varier, notamment en ce qui concerne celles jugées recevables ou non recevables, ce qui entretient une certaine confusion. C’est sur ce point que nos analyses peuvent diverger. Ne disposant pas des données sous les yeux à l’instant, je propose d’y revenir ultérieurement ou de fournir une réponse écrite.
Il ne vous aura pas échappé que je n'ai pas abordé le sujet des bootcamps. Je n'ai pas à en parler ici. J'ai par contre bien évoqué la question des militaires.
Mijnheer Meuleman, ik heb uw vragen niet beantwoord, maar ik ben het met u eens.
Je pense que la Voie du Milieu – en bon bouddhiste que je ne suis pas – est sans doute celle qu’il convient de suivre ici. Mais effectivement, l’examen de ces faits gagnerait à ne pas être mené sous un angle unique.
Ik heb het al vaak gezegd. De politie staat onder het toezicht van de tuchtraad en van de gerechtelijke systemen die gelden voor alle burgers. Bij gsm-beelden zien we ook vaak slechts een deel van het verhaal.
En effet – je l’ai toujours dit – je veux, je le répète, une police respectée, respectable et respectueuse, qui accomplit son travail tout en tenant compte des conditions difficiles dans lesquelles elle doit opérer. Ces difficultés sont d’autant plus réelles face à une nouvelle forme de violence qui, hélas, se manifeste trop souvent aujourd’hui lors de certaines mobilisations.
Je le répète à nouveau: je ne mets en cause en aucun cas la légitimité de ces manifestations. On a pleinement le droit de manifester pour défendre le droit des Palestiniens à avoir un État. On a tout autant le droit de manifester contre les mesures prises par ce gouvernement, peut‑être parce qu’elles ne sont pas toujours bien comprises. On a le droit de manifester contre les mesures prises par d’autres gouvernements, à d’autres niveaux de pouvoir en Belgique. On a même le droit de manifester pour soutenir l’action de ce gouvernement. Ce droit doit pouvoir s’exercer dans le calme, mais aussi dans le respect de la tranquillité et de l’ordre publics.
01.12 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoorden.
Ik wil toch even de puntjes op de i zetten. In een democratische rechtsstaat hebben we het monopolie van geweld aan onze politiediensten gegeven. Zomaar het zogenaamde geweld van de politie gelijkschakelen met het geweld van de relschoppers, vind ik helemaal van de pot gerukt. Integendeel, mijnheer de minister, we zouden politieke en morele steun moeten geven aan onze politiediensten. Zij verdienen dat en zij moeten beter beschermd worden tegen die relschoppers. U hebt weinig gezegd over het feit dat extreemlinks onze politieagenten probeert in kaart te brengen, foto's van hen neemt en hun privégegevens aan het verspreiden is. Ik hoop en ik reken erop dat u daar pal en perk aan stelt.
Ten tweede, wat ook maakt dat onze politiemensen soms gedemotiveerd zijn, is dat ze hun job wel goed doen, maar dat de straf en de vervolging achterwege blijft. Ik weet dat dat uw bevoegdheden overstijgt en dat we daarvoor bij de minister van Justitie moeten te rade gaan, maar ik verwacht van deze regering wel een vervolgingsbeleid zoals het hoort. Als ik verneem dat er maar 23 relschoppers zijn aangehouden en voor het gerecht worden gedaagd – met dan nog de vraag of ze zullen worden vervolgd – dan baart mij dat grote zorgen. Er is halvelings gesproken over het idee van bootcamps en ook over het verhalen van schade op de relschoppers. Ik vind dat allebei voorstellen die van gezond verstand getuigen. Wie niet horen wil, moet voelen, zeggen we in het Nederlands. Ik denk dat er in het Frans ook wel zo'n gezegde zal bestaan.
Ten slotte, mijnheer de minister, dient u het taboe te doorbreken. U zegt dat u blij bent dat onze politiediensten de etnische afkomst niet registreren. Mag ik u er even op wijzen, mijnheer de minister, dat wij een van de weinige Europese landen zijn die dat niet doen? In Nederland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Duitsland en Oostenrijk houdt men bij wat de etnische afkomst is. Dat is ook logisch, omdat we niet kunnen ontkennen dat er wel degelijk een link bestaat tussen die relschoppers en hun allochtone afkomst. Als u dat blijft ontkennen, dan zal de oplossing achterwege blijven, en dat betreur ik ten stelligste.
Le président: Monsieur Dubois, je suis sûr que vous avez une autre opinion.
01.13 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le président, je ne vais pas rebondir sur vos propos. Je soutiens bien entendu ce que le ministre a dit. Je pense que nous ne devons pas arriver à ce genre d’outils chez nous. Même si cela existe dans d’autres pays, il y a de nombreux autres pays dans lesquels cela n’existe pas. On peut aussi faire le listing de tous les pays qui n'ont pas ce genre d'outils et, fort heureusement, il y en a beaucoup.
Monsieur le ministre, concernant vos réponses sur les militaires, je pense qu’il était bien nécessaire de faire la clarté. Il y a effectivement eu une intervention, limitée, dans un cadre qui était prévu à l'origine en collaboration avec la police des chemins de fer. J'entends qu’un rappel a été fait. Bien entendu, il faudrait être attentif à ce que cela ne se produise plus, mais je pense qu’il est clairement intéressant de le dire ici pour éviter les fausses rumeurs et les fausses informations. Il y a effectivement eu une intervention très limitée, et un rappel à l'ordre a été fait.
Concernant la zone neutre, je partage aussi ce que vous avez dit. Il est totalement inacceptable de voir ce type de comportements au niveau de ce qui protège notre démocratie. Pareillement, un rappel a été fait. Il sera peut-être nécessaire d'être encore plus vigilants les prochaines fois concernant le respect et à la protection de cette zone neutre, qui est absolument importante.
Pour terminer, sur les dispositifs particuliers, vous mettez plutôt en avant le fait qu'une analyse des risques est faite au cas par cas et que les dispositifs de contrôle nécessaires sont prévus à chaque manifestation. J'entends que des outils technologiques sont déjà utilisés pour essayer d'identifier de potentiels appels à la violence ou appels à venir mettre en difficulté ces manifestants. Il serait intéressant de revenir dessus.
Je reviendrai avec une question plus précise pour savoir quelles sont les technologies utilisées, et peut-être voir aussi ce qu’il se passe dans d'autres pays pour pouvoir identifier et anticiper davantage ce genre de comportements.
Bien entendu, le débat ne s'arrête pas là, mais nous serons attentifs aux résultats des enquêtes en cours pour faire toute la lumière sur ce qu’il s'est passé lors de ces événements. Merci pour vos réponses.
01.14 François De Smet (DéFI): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui corroborent ce que vous aviez déjà expliqué en plénière. Merci quand même d'avoir reprécisé ce que c'est que la nasse et d'avoir dit que cela ne faisait pas partie du dispositif. Il y a sans doute un petit débat à avoir pour mieux comprendre la différence entre la nasse et le confinement. On aura l'occasion d'en parler. Pour le reste, je crois que c'est vraiment important, en effet, de condamner toute violence subie par les policiers, comme celle que les policiers peuvent parfois, malheureusement, exercer parce qu'il y a une jeunesse, comme je vous l'ai dit, qui ne casse pas et qui a néanmoins peur de la police.
Je suis peut-être un peu distrait, mais je n'ai pas l'impression d'avoir eu de réponse à toute ma deuxième série de questions sur la loi anti-casseurs. Ce n'est pas grave, je vais donc la reposer. La prochaine fois, je lirai donc mes questions plutôt que de me laisser naïvement bercer par l'idée que je fais gagner du temps à la commission.
Ce n'est pas grave, je réintroduirai donc ma
question sur votre dispositif anti-casseurs sur lequel vous êtes en train de
travailler, parce que cela fait assurément partie de la solution, mais il y a
une série de précautions à prendre. Nous en discuterons donc par la suite.
01.15 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
"Allahu akbar" en "We gaan erger doen dan Islamitische Staat", dat roepen horden jonge moslims offline en online. Ze grijpen elke gelegenheid aan om een straatjihad te voeren tegen onze samenleving, daarbij soms ook aangevuurd door islamocommunisten. Dat zal komende zomer alleen maar erger worden aan onze kust, op onze recreatiedomeinen en op ons openbaar vervoer.
Het is al erg genoeg dat de vaak minderjarige daders er steeds vanaf komen met een fopstrafje, als ze al opgepakt worden. Minstens even erg is het feit dat de regering niet eens erkent dat het hier om een straatjihad gaat en dat ze die verwerpelijke cultuur blijft importeren.
De enige oplossing is om al die daders met hun families het land uit te zetten.
01.16 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, merci pour vos réponses, et merci aussi d’avoir éclairci les choses par rapport à la présence des militaires. Merci d’avoir bien précisé qu’en réalité, ceux-ci n’étaient pas prévus dans le dispositif et qu’il s’agissait d’un malentendu qui a vite été corrigé. Je voudrais rappeler ce que j’ai dit précédemment: il y a, d’une part, les casseurs, qu’il faut punir et à qui il faut apporter une réponse ferme et sans ambiguïté. D’autre part, il y a celles et ceux qui manifestent, expriment leurs droits et leur mécontentement, et qui constituaient la majorité des gens présents lors des manifestations. Aujourd’hui, une majorité de policiers et policières ne se retrouvent pas dans les violences dont se rendent coupables certains policiers. On l’a vu, les images ne sont pas truquées: des vidéos éloquentes et sans ambiguïté existent. Vous parlez d’une police respectable, respectée et respectueuse. Je compte sur vous, monsieur le ministre, pour qu’elle soit aussi respectueuse et qu’elle agisse avec dignité et humanité.
Enfin, une petite précision par rapport à la question de la zone neutre: la rue des Colonies en fait-elle partie?
01.17 Bernard Quintin, ministre: Vous devez assez logiquement dépasser les deux entrées latérales du Parlement de la Communauté française de Belgique, à savoir un garage et une porte. La rue du Gentilhomme est celle qui remonte et qui est réservée au bus. Il est vrai que le périmètre affiche une excroissance qui comprend cette rue.
01.18 Ridouane Chahid (PS): J’aimerais des précisions sur ce point parce que, même à nous, qui sommes des parlementaires qui avons le droit de passer par la zone neutre, on a parfois dit qu’on ne pouvait pas accéder au Parlement. Il m’est arrivé deux fois de devoir rebrousser chemin sur injonction du policier qui avait reçu l’instruction de ne laisser passer personne.
01.19 Bernard Quintin, ministre: Je vous jure que cela ne venait pas de moi! Il faut vraiment préciser qu’en effet, cette partie de la rue des Colonies jusqu’à la rue du Gentilhomme, fait partie de la zone neutre. J’ai aussi envoyé une note pour rappeler, tant à la police locale que fédérale, que toute personne munie du badge gris avec un laissez-passer pour la zone neutre doit pouvoir rentrer. Il y a sans doute eu un peu d’excès de zèle de ce point de vue.
01.20 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Je confirme que j'ai moi-même parfois dû négocier plusieurs minutes avec des agents pour pouvoir pénétrer dans la zone neutre et arriver au Parlement. Cela peut arriver, mais je pense que leurs instructions ne sont pas toujours très claires.
Merci d'avoir rappelé que l'identification est obligatoire, parce que je pense qu'il y a un problème d'application sur le terrain, en tout cas dans certaines zones de police, et que cela mérite de l'attention, aussi pour renforcer la confiance dans les services de police.
Concernant les gaz, soyez sûr que je déposerai donc une question écrite en suivi. Je voudrais tout de même réagir sur la présence d'enfants. Je pense que dire que les enfants ne devraient pas venir manifester parce qu'une manifestation pourrait mal tourner n'est pas juste. On ne peut jamais prévoir qui viendra s'adjoindre à la manifestation pour commettre des dégradations. En revanche, on peut vraiment attendre de la police qu'elle y réponde de façon ciblée, proportionnée, individualisée, et que les manifestations ne deviennent pas un endroit où on a peur d'emmener ses enfants, parce que la manifestation doit aussi être ouverte aux enfants. Les mineurs, eux aussi, ont le droit de venir exprimer leurs revendications. Il ne faudrait pas qu'on s'abstienne de manifester parce que cela pourrait être dangereux.
Concernant la nasse, je note bien que cela ne fait pas partie de l'arsenal policier, mais je ne vois pas la différence avec le confinement. La Ligue des Droits Humains (LDH) annonce aujourd'hui même un nouveau recours concernant l'utilisation de la nasse en 2025. Cela montre bien que, même si elle ne fait pas partie de l'arsenal, elle est quand même utilisée sur le terrain.
Sur la gestion négociée de l'espace public, merci de reconfirmer que c'est bien toujours ça qui est d'actualité. Cependant, il me semble que, particulièrement ces derniers jours, la désescalade a fait défaut. J'aimerais vraiment pouvoir me dire que, dans le futur, nous pourrons compter sur les forces de police qui encadrent les manifestations, pour vraiment mettre en œuvre une désescalade face à des débordements qui peuvent arriver, y répondre de façon ciblée et proportionnée, et éviter les réponses collectives qui ont pour conséquence que les manifestants pacifiques ne sont pas en sécurité dans une manifestation.
01.21 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoorden. Het is goed dat u initiatieven neemt om ervoor te zorgen dat wie het potje breekt, het potje betaalt, zoals dat in het Vlaams wordt gezegd. Les casseurs-payeurs rijmt en dat klinkt ook tof.
We steunen u daarin volledig. Het is ook goed dat u contact hebt opgenomen met de lokale politie en de burgemeester van Brussel om ze nog eens te wijzen op de regelgeving rond de neutrale zone, want we kunnen een escalatie niet tolereren.
Ik betreur dan ook dat er geen enkele arrestatie is verricht bij de mensen die het parlement hebben bestormd. Dat zou in de toekomst toch beter moeten worden aangepakt, al hoop ik in de eerste plaats dat het in de toekomst niet meer gebeurt. We moeten er wel alert voor zijn en lessen trekken.
De voorzitter: Daarmee sluiten we het actualiteitsdebat.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
Interpellatie nr. 56000276I van mevrouw Pas en vraag nr. 56017056C van de heer Demon over het jaarrapport van de vicegouverneur van Brussel worden op hun verzoek uitgesteld. Vraag nr. 56014139C van mevrouw Vandeberg zal schriftelijk worden behandeld. De heer Aouasti is niet aanwezig voor zijn vraag nr. 56014283C.
02.01 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le ministre, ma question porte sur un rapport de recherche publié par deux chercheuses de l'ULB il y a un petit temps déjà – je pense que ma question avait été déposée il y a déjà quelques semaines et reportée à plusieurs reprises.
Il s'agit donc d'une recherche réalisée sur une période de 16 mois, aux cours desquels une observation de différentes zones de police de Bruxelles a permis de révéler la persistance de pratiques et de discours racistes au sein du personnel.
Bien entendu, il ne s'agit pas de mettre tout le monde dans le même sac, mais bien de faire la part des choses. Le rapport suscite néanmoins toute une série de questions. Il évoque notamment des propos ouvertement racistes tenus par certains policiers, parfois banalisés sous le couvert de l'humour ou de la culture de groupe; une sous-valorisation systématique des compétences linguistiques et culturelles des policiers racisés, pourtant essentielles dans une ville où près de 80 % de la population est d'origine étrangère; des soupçons récurrents de double allégeance pesant sur ces policiers, pouvant aller jusqu'à des injonctions implicites de se distancier de leur communauté d'origine; une sorte de plafond de verre manifeste pour les policiers d'origine étrangère qui sont absents des grades supérieurs; une tentation du racisme exprimée par certains policiers qui disent se sentir progressivement influencés par les pratiques de leurs collègues et une culture institutionnelle insuffisamment outillée pour prévenir, sanctionner et transformer ces dynamiques, malgré l'existence de nombreux policiers engagés et ouverts à la diversité.
Cette recherche a été réalisée dans certaines zones de la police de Bruxelles. Nous avions a déjà entendu parler de ce genre de faits – avérés ou soupçonnés – dans d'autres zones du pays.
Mes questions sont donc finalement assez simples, monsieur le ministre. Avez-vous pris connaissance de ce rapport? Que vous inspire-t-il?
Quelles mesures concrètes prévoyez-vous dès lors de prendre au regard de cette problématique de comportements ou de suspicion de comportements racistes au sein de la police? Des intentions sont bien sûr exprimées dans le plan stratégique, mais je n'y ai pas vu de mesures concrètes, précises et explicites.
Cette étude apporte un éclairage certainement utile sur certaines perceptions et dynamiques internes. C’est la raison pour laquelle j’ai demandé que les services en réalisent une analyse approfondie - analyse qui est actuellement en cours, l’étude étant particulièrement fouillée.
Il n’y a évidemment aucune place pour le racisme au sein de la police. C’est pourquoi tant la police fédérale que les zones de police locale disposent de mécanismes internes permettant de prévenir, d’identifier et de traiter tout fait de racisme ou de discrimination.
Lorsque de tels faits sont portés à la connaissance de l’autorité, ils font l’objet d’un examen au regard des obligations déontologiques et disciplinaires applicables aux membres du personnel. Et lorsqu’un comportement raciste est établi à charge d’un membre du personnel, il peut donner lieu à l'application de sanctions disciplinaires, conformément au cadre statutaire en vigueur. Les faits de racisme ou de discrimination sont dès lors pris en compte dans les procédures disciplinaires, le cas échéant en combinaison avec d’autres éléments du dossier.
Par ailleurs, la police fédérale applique une politique active de prévention et de sensibilisation en matière de diversité et de non‑discrimination. Cette politique s’appuie notamment sur la collaboration avec Unia dans le cadre de la circulaire COL 13 de 2013 du Collège des procureurs généraux, relative à la politique de recherche et de poursuite en matière de discrimination et de délits de haine. Adoptée en 2013 et actualisée en 2024 afin de tenir compte des évolutions législatives et des orientations récentes, cette circulaire demeure juridiquement la même COL 13/2013 et constitue un cadre de référence pour l’action policière dans ce domaine.
Cette politique est complétée par des actions de formation, dont le module, dit le running CP5 Pro Profile, développé en partenariat avec l'Institut Hannah Arendt, visant à promouvoir des pratiques professionnelles respectueuses et à prévenir toute forme de discrimination.
Par ailleurs, la police fédérale a adhéré à la charte Diversité et inclusion de la Fonction publique fédérale et élabore actuellement son premier plan global en matière de diversité, en collaboration avec Actiris et Unia. Ce plan vise à promouvoir une approche systémique et intersectionnelle de la diversité, en accordant une attention prioritaire aux origines, à l’âge et au genre. Il se traduira concrètement par des actions internes portant notamment sur le recrutement, les processus RH ou encore la communication interne.
De manière plus transversale, les services participent à l'élaboration du futur plan d'action interfédéral contre le racisme piloté par le service Égalité des Chances.
Enfin, j’entends examiner dans quelle mesure les faits de discrimination avérés, qu’ils aient été commis dans le cadre professionnel ou, le cas échéant, en dehors de celui-ci, peuvent être pris en compte dans l’évaluation et le parcours de carrière des membres du personnel (ce que l'on appelle le screening de carrière), que je suis occupé à mettre en place, dans le respect des garanties légales applicables
Il n’y a donc, comme je l’ai déjà indiqué, aucune place pour le racisme ou toute autre forme de discrimination au sein de la police.
S’agissant de ce que vous avez qualifié de "plafond de verre", il s’agit également d’un un travail à accomplir de manière résolue, tout en reconnaissant qu’il s’inscrit dans le temps. Cela étant, des actions concrètes peuvent être entreprises en la matière. À cet égard, je peux témoigner, sur la base de mon expérience au sein du Comité de direction du SPF Affaires étrangères, de l’importance de parler non plus de politique de genre, mais de politique de genre et de diversité. Car il existe plusieurs plafonds de verre que l'on doit faire "exploser" dans nos différentes administrations.
Maintenant, de manière concrète, s'agissant de cette recherche, j’entends qu’une analyse est en cours au sein des services. Je ne sais pas si vous avez une idée du temps que prendra cette analyse. En tout cas, cela m’intéresse. Je reviendrai sur les résultats de cette analyse pour voir très concrètement, relativement à ce que ces chercheuses ont pointé, ce qui a pu être déterminé et quelles sont les mesures concrètes et pratiques concernant ce rapport.
C’est une question importante. Comme vous l’avez dit, il existe plusieurs plafonds de verre, pas seulement dans la police, malheureusement. Nous devons donc être attentifs et adopter une approche globale autour de cette problématique dans l’ensemble de notre administration. Je suis sûr que vous y veillerez. Merci, en tout cas, pour le suivi apporté.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
03.01 Sam Van Rooy (VB): Mijn vraag werd natuurlijk al een tijdje geleden ingediend. Er zijn ondertussen nieuwe ontwikkelingen.
Toen ik mijn vraag opstelde, was het parket van West-Vlaanderen een onderzoek gestart naar de zware valpartij in de Ronde van Brugge, die veroorzaakt werd door de bekende Brugse klimaatactivist Wouter Mouton. Hij werd opgepakt voor het kwaadwillig belemmeren van het verkeer en het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen.
Tijdens de Ronde van Brugge ging Mouton midden op de rijbaan zitten, op 30 kilometer van de finish, met een slogan op zijn t-shirt. Hij zou ook lijm hebben meegebracht om zich aan de weg vast te kleven. "Compleet onverantwoord, want met zijn actie bracht hij zowel de renners als de toeschouwers en medewerkers in gevaar, mogelijk zelfs in levensgevaar." Dit zijn niet mijn woorden, maar die van Christophe Impens van organisator Golazo.
Door de levensgevaarlijke klimaatactie van Mouton werd de koers vervalst en liepen diverse renners verwondingen op, maar het had nog veel slechter kunnen aflopen. Mouton en dit soort klimaatactivisten brengen de gezondheid en de job in gevaar van professionele wielrenners, die zeer hoge snelheden halen, alsook van motards, fotografen, medewerkers en fans.
Er werd een klacht ingediend door de organisator van die wielerwedstrijd, alsook door vier wielerploegen.
Minister, ik wil graag uw reactie horen op de zoveelste levensgevaarlijke actie van klimaatactivisten in dit land.
Hoeveel keer werden Mouton en de anderen van zijn slag al opgepakt, en uiteraard weer vrijgelaten, zoals dat gaat in dit land? Om welke reden en voor welke feiten?
Tot slot is er de hamvraag. Welke maatregelen neemt u om onze samenleving, en zeker wielerkoersen – waar ik als ex-wielrenner uiteraard een zwak voor heb – te beveiligen tegen dat soort klimaaatgekken?
03.02 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel, mijnheer de voorzitter. Ik ben zelf jammer genoeg niet zo sportief als de vorige spreker, maar als kijker beleef ik ook zeer veel plezier aan de koers.
Eigenlijk doet dat er op zich niet toe, mijnheer de minister. We hebben in dit land al een aantal keren gemerkt dat klimaatactivisten – het gaat eigenlijk altijd om Wouter Mouton – wielerwedstrijden in gevaar brengen. Op 25 maart veroorzaakte Mouton een zeer zware valpartij tijdens de Ronde van Brugge, waarbij onder andere Juan Sebastián Molano, de titelverdediger en een van de favorieten, zwaar ten val kwam.
Dat is levensgevaarlijk, want wielrenners dragen niet de allergrootste bescherming wanneer ze aan het fietsen zijn. Ze rijden tegen een hoge snelheid en als ze dan ten val komen, gebeuren er soms drama’s. Als die drama’s een ongeluk zijn, is dat bijzonder jammer en staan we daarbij stil. Wanneer ze evenwel doelbewust worden uitgelokt door een beroepsbetoger, een relschopper die het klaarblijkelijk leuk vindt om sport te misbruiken voor zijn acties en om wielrenners, fans en organisatoren in gevaar te brengen, dan is dat compleet waanzinnig. Dan moeten we daartegen ageren. Klaarblijkelijk wordt er echter te weinig geageerd tegen Wouter Mouton in het bijzonder – maar ook tegen relschoppers in het algemeen – want hij blijft gewoon voortdoen.
Het is natuurlijk moeilijker om een wielerwedstrijd te beveiligen dan een andere sportwedstrijd, omdat het om een heel uitgestrekt parcours gaat, maar deelt u onze mening dat er echt nood is aan een signaal, aan een duidelijke actie om ervoor te zorgen dat de straffeloosheid die Mouton ervaart, stopt? Welke maatregelen wilt u in de toekomst nemen om wielerwedstrijden te beveiligen? Dringt zich volgens u ook een verzwaring van het strafkader voor dat soort acties op?
03.03 Minister Bernard Quintin: Heren, het komt mij niet toe specifieke informatie mee te delen over een welbepaalde persoon. Zoals gewoonlijk verwijs ik voor vragen met betrekking tot gerechtelijke vervolgingen naar de minister van Justitie. In het algemeen kan ik wel meedelen dat de betrokken persoon goed bekend is bij de politiediensten en al meermaals bestuurlijk werd aangehouden voor het verstoren van evenementen.
Ondanks de aanzienlijke politieaanwezigheid bij wielerwedstrijden kan een snelle individuele actie nooit volledig worden uitgesloten. Ik kan dus slechts herhalen wat ik u al heb geantwoord in deze commissie op 8 oktober 2025 naar aanleiding van een soortgelijke mondelinge vraag, namelijk dat bij een wielerwedstrijd de lokale bestuurlijke overheden en de politiediensten uiteraard contact moeten hebben met de organisatoren. Mogelijke protestacties zijn daarbij een van de punten die voorafgaand aan een evenement moeten worden besproken als de operationele risicoanalyse wordt opgesteld.
03.04 Sam Van Rooy (VB): Dank u, minister, voor uw korte antwoord. De politiek zou toch ook eens de hand in eigen boezem moeten steken. De klimaathysterie en de apocalyptische doembeelden in media, onderwijs en politiek – die ook door de meeste politici in dit parlement werden verspreid – hebben ertoe geleid dat er klimaatgekken zijn opgestaan die vandalisme plegen of zelfs mensenlevens op het spel zetten.
Door de levensgevaarlijke klimaatactie van Wouter Mouton werd de koers vervalst en liepen renners zware verwondingen op. Het had nog veel slechter kunnen aflopen. Dat klimaattuig bracht de job, de gezondheid en de toekomst van professionele wielrenners, maar ook van begeleiders op de motor, fotografen en wielerfans in gevaar. Als ex-coureur en wielerliefhebber maakt mij dat extra kwaad, minister.
Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Zulke klimaatgekken zouden nooit meer in de buurt van een wielerwedstrijd of gelijk welk ander evenement mogen komen.
03.05 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik begrijp dat u zich over het gerechtelijk onderzoek op de vlakte houdt. Ik denk wel dat het belangrijk is dat er vanuit de politiek een sterk signaal wordt gegeven dat we dat echt niet aanvaarden.
We moeten ook eens kijken naar de straffen, zodat tenminste de straffeloosheid die de heer Mouton ervaart, ophoudt. Gezien het feit dat hij een beroepsrelschopper is die zich geregeld op koersen richt, moeten we daar misschien over nadenken. We geven relschoppers met oudejaarsavond huisarrest. Misschien moeten we Wouter Mouton huisarrest geven telkens wanneer er een koers plaatsvindt in dit land. Misschien begrijpt hij dan de les.
L'incident est
clos.
Het incident
is gesloten.
04.01 Khalil Aouasti (PS): Monsieur le ministre, ce n'est pas un reproche, c'est factuel, mais à l'époque, on avait pu découvrir dans la presse que le bourgmestre de la ville de Ninove allait à la rencontre des commerçants pour leur enjoindre de parler le néerlandais dans leurs commerces.
Vous savez que c'est un sujet qui est important pour moi parce que cette instruction était destinée à réaffirmer le caractère flamand de la commune. J'ai envie de dire qu'il n'y a rien là de très étonnant de part d'une administration du Belang, mais je vous avoue ne pas comprendre l'inquiétude de certaines personnes selon laquelle une identité serait menacée par l'expression libre d'une autre langue, quelle qu'elle soit. À l'inverse, j'ai la conviction qu'une langue vit, une langue évolue sous l'influence en réalité des autres langues. La richesse de la langue néerlandaise, bien que je ne la pratique pas dans mon quotidien, qui est nourrie d'ailleurs par d'autres langues, n'est à mon sens plus à démontrer et n'est à mon sens pas menacée par l'expression libre d'une autre langue.
Au-delà de cette inquiétude irrationnelle, il convient de rappeler que la liberté fondamentale du choix de la langue employée par les citoyens en Belgique est protégée par l'article 30 de la Constitution et que les seules exceptions à cette liberté sont les actes de l'autorité publique et les affaires judiciaires. Donc, rien en rue, à la maison, dans un commerce ne peut entraver l'usage libre d'une langue. C'est la liberté dans un régime libéral qui doit régner. Peu importe les langues que l'on parle dans les magasins, les parcs, les rues d'une ville, que ce soit à Ninove, à Arlon, à Ostende ou à Bruxelles, rien ne peut l'entraver.
Dès lors, monsieur le ministre, comptez-vous rappeler à l'ordre la commune de Ninove ou son bourgmestre et protéger les droits fondamentaux et constitutionnels de ses commerçants et de ses concitoyens?
04.02 Bernard Quintin, ministre: Monsieur Aouasti, comme j'ai déjà eu l'occasion de le préciser en réponse à plusieurs questions relatives à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative, je tiens à rappeler une nouvelle fois que j'attache une grande importance au strict respect de cette législation par tous les services publics auxquels elle s'applique, et aussi par les bourgmestres. Comme vous l'avez rappelé, l'emploi des langues est libre en Belgique, et c'est heureux. La loi ne peut en réglementer l'usage que pour les actes des autorités publiques et en matière judiciaire. Le Conseil d'État a d'ailleurs eu l'occasion de rappeler à plusieurs reprises ces principes fondamentaux de notre État libéral. Je n'utiliserai pas d'autre qualificatif que celui que vous avez vous-même employé à ce sujet. Je vous invite d'ailleurs à la manifestation que je vais organiser en soutien; M. Chahid vous communiquera les détails.
La tutelle sur les actes des communes et de leurs organes relève de la compétence des régions. Depuis certaines réformes de l'État, sauf dans de rares exceptions, je ne dispose plus d'aucune compétence de tutelle à l'égard des bourgmestres dans cette matière. Il va de soi que si des personnes estiment avoir subi des pressions et décident de porter plainte, nous entrons alors dans un autre cadre juridique. En Belgique, l'emploi des langues n'est réglementé que pour les actes administratifs et judiciaires. Il est toujours utile de le rappeler.
Je pense par ailleurs que nous avons tous à gagner à parler plusieurs langues. C'est quelque chose qui nourrit à la fois l'esprit et le cœur.
04.03 Khalil Aouasti (PS): Merci, monsieur le ministre, pour ce rappel élémentaire mais parfois nécessaire. Il est important de rappeler que la liberté doit prévaloir et que l'usage des langues est libre dans notre pays, sauf dans les domaines où il est spécifiquement réglementé, notamment en matière administrative et judiciaire. Il est bon de pouvoir rappeler que, quelle que soit la langue utilisée dans l'espace public, dans les commerces ou dans la vie quotidienne, cette liberté doit régner.
Je trouve d'ailleurs préoccupant de constater que certains parmi ceux qui prétendent défendre certaines libertés sont parfois les premiers à les restreindre dans les faits. Je voudrais également rappeler à toutes celles et tous ceux qui nous écoutent que, s'ils estiment être victimes de harcèlement ou de pressions dans leur vie quotidienne, quelle qu'en soit l'origine, ils peuvent saisir la justice. Chacun doit pouvoir vivre librement sur l'ensemble du territoire, quelle que soit la commune dans laquelle il réside.
Ce n'est pas à un bourgmestre de se substituer à la loi ni d'imposer des règles qui ne relèvent pas de ses compétences.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: De vragen nrs. 56014674C van mevrouw De Vreese, 56014699C van mevrouw Schiltz en 56014958C van de heer De Smet worden schriftelijk behandeld.
Les questions n°s 56015194C et 56015195C de M. Thiébaut sont reportées. La question n° 56015221C de M. Dufrane est traitée par écrit.
De voorzitter: De heer Meuleman is verontschuldigd.
05.01 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik had die vragen eerst schriftelijk gesteld, maar ik kreeg antwoorden die volledig naast de kwestie waren. Op de vragen die ik stelde, kreeg ik geen antwoord, maar ik kreeg wel informatie over zaken waarover ik geen vragen had gesteld. De verbeteracties die worden voorgesteld, staan vandaag al in de wet. Dat zijn dus geen verbeteracties, tenzij de politie zegt dat ze zich tot nu niet aan de wet heeft gehouden, maar dat vanaf nu wel zal doen.
Mijnheer de minister, ik kan dus alleen maar mijn vragen herhalen.
Welke wapens, oefenwapens, radio's, munitie en uniformen zijn in de afgelopen vijf jaar bij de federale politie verdwenen? Kunt u mij een overzicht geven van de goederen die verdwenen zijn per jaar, per gebouw en per site? Ik heb dezelfde vraag voor de lokale politie.
Welke nieuwe maatregelen zullen worden genomen? Gewoon de wet toepassen, is natuurlijk geen maatregel. Het is goed dat het gebeurt en ik ben blij dat de wet wordt gevolgd, ook al heeft het enige tijd geduurd voor de federale politie vond dat ze de wet moest volgen.
Welke maatregelen worden genomen om verdwenen wapens te recupereren? Daarop kreeg ik geen antwoord.
Welke maatregelen of tuchtmaatregelen zijn genomen tegen agenten die betrokken zijn bij het doen verdwijnen van wapens?
Waarom wil de federale politie niet eerlijk antwoorden? Als burger en als parlementslid vraag ik aan de federale politie hoeveel wapens er zijn kwijtgespeeld en hoeveel wapens er zijn gestolen. De federale politie wil daar gewoon niet op antwoorden. Ik vind dat zeer zorgwekkend.
Ik kijk uit naar uw antwoorden. Ik hoop dat u nu wel een overzicht zult geven van het aantal wapens dat verdwenen is en niet van het aantal pv's dat is opgesteld. Het systeem waarnaar wordt verwezen, is ook onvolledig. Ik weet uit verschillende bronnen dat een aantal cijfers die u mij hebt bezorgd, gewoon niet kloppen.
05.02 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Vandemaele, u hebt uw bronnen binnen de politie, maar dat wil niet zeggen dat ze la parole d'évangile spreken. Het is zeker niet zo dat ik of de politie informatie achterhoudt. Informatie die beschikbaar en deelbaar is in geval van eventueel lopende onderzoeken, wordt op vraag gedeeld. Ik kan uw frustratie begrijpen, maar u begrijpt dat niet alle uitdagingen tegelijk kunnen worden aangepakt.
De beschikbare details met betrekking tot verdwenen wapens, oefenwapens, radio’s, munitie en uniformen bij zowel de federale als de lokale politie in de voorbije vijf jaar werden dan ook uitvoerig behandeld in het antwoord op schriftelijke vraag nr. 924. Ik kan dus niet anders dan naar het antwoord op die vraag te verwijzen. In mijn antwoord op mondelinge vraag nr. 56012103C in de commissie van 13 januari en op schriftelijke vraag nr. 924 heb ik aangegeven dat er maatregelen werden genomen.
Graag herinner ik hierbij nogmaals aan de maatregelen die specifiek verband houden met de verdwijning van het FN SCAR-wapen in de lokalen van de Directie Beveiliging. Er werd onmiddellijk een proces-verbaal opgesteld en een intern onderzoek opgestart. Daarnaast werd een fysieke controle uitgevoerd van alle wapenkoffers voor collectieve wapens in alle opslagplaatsen die door de betrokken eenheden worden gebruikt. Tegelijkertijd werden dringende aanvullende veiligheidsmaatregelen ingevoerd, onder meer met betrekking tot de badging, doorgangsprocedurecodes en de installatie van camerabewaking in de betrokken wapenkamer. Tot slot heeft de betrokken directie een actieplan opgesteld om de aanbevelingen van de Algemene Inspectie strikt te volgen en om de beveiliging en het beheer van alle wapenkamers verder te versterken.
Elke directie van de bestuurlijke politie moet ook minstens eenmaal per jaar een volledige visuele controle uitvoeren van zowel de collectieve als de individuele bewapening. In geval van verlies of diefstal van wapens binnen de diensten van de geïntegreerde politie bestaat er dus een duidelijk vastgelegd kader inzake melding, informatie en opvolging. Er wordt systematisch een proces-verbaal opgesteld en een intern onderzoek wordt opgestart. Afhankelijk van de aard en de ernst van de feiten kunnen bijkomende veiligheids- en beheersmaatregelen worden genomen. In het kader van schriftelijke vraag nr. 924 van 30 januari 2026 werd toegelicht hoe dat kader in de praktijk wordt toegepast.
Wat de tuchtmaatregelen betreft, dient te worden benadrukt dat elk dossier afzonderlijk wordt beoordeeld op basis van de concrete feiten en de vastgestelde verantwoordelijkheden. In 2022 werd één medewerker gesanctioneerd met een terugzetting in weddeschaal. Voor de jaren 2021, 2023 en 2024 werden er geen dergelijke feiten vastgesteld, waardoor er ook geen tuchtprocedure is gevolgd. Voor 2025 kan ik nog geen uitspraken doen, gezien de eventueel nog lopende procedures.
05.03 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik ben bijzonder ontgoocheld door uw antwoord. Ik zal mijn bronnen laten weten dat ze wellicht niet zo betrouwbaar zijn.
Ik heb evenwel processen-verbaal gezien waarin verloren materiaal vermeld staat dat niet in uw overzicht voorkomt. U mag mij belazeren, dat is geen enkel probleem. Als de federale politie u echter de informatie geeft die u mij nu hebt doorgegeven, dan wordt u gewoon bedot, want dan geeft de federale politie u foute informatie.
Dat vind ik veel problematischer dan dat ik als eenvoudig parlementslid voor de gek gehouden word door de federale politie. Ik heb daar geen enkel probleem mee, ze doen maar. Als men u als minister evenwel ook voor de gek houdt, als dat echt de informatie is die u krijgt, dan hebt u een huizenhoog probleem. Er bestaan namelijk processen-verbaal die niet in het antwoord staan. Ofwel zijn dat dus valse pv’s, ofwel is het antwoord niet juist. Het is een van de twee.
Ik vroeg hoeveel wapens er zijn gestolen. Ik vind het ontstellend dat we daar in 2026 gewoon niet op kunnen antwoorden. In het antwoord verwijst u naar pv’s en naar vaststellingen in een bepaald systeem – waarvan de naam me nu ontsnapt – maar u verwijst niet naar het aantal wapens.
Een van de redenen waarom we destijds de rijkswacht hebben omgevormd tot de federale politie, na de best wel turbulente jaren 80 en 90, is dat er in de jaren 80 massaal veel wapens verdwenen bij de rijkswacht. Ook toen wilde men daar niet over communiceren. Ik stel alleen maar vast dat er vandaag opnieuw wapens verdwijnen en dat de rijkswacht – want misschien moeten we de federale politie vanaf nu gewoon weer de rijkswacht noemen – mordicus weigert te antwoorden op vragen van een parlementslid.
Ik herhaal het dus, mijnheer de minister: u wordt door de rijkswacht, ofwel de federale politie, voor de gek gehouden. Dat is gevaarlijk voor onze veiligheid
L'incident est
clos.
Het incident
is gesloten.
De voorzitter: Vraag nr. 56015262C van de heer Bilmez vervalt. Vraag nr. 56015366 van de heer Depoortere wordt schriftelijk behandeld. Ook de vragen nr. 56015461 en nr. 56015463 van de heer Cornillie worden schriftelijk behandeld. Dat geldt eveneens voor vraag nr. 56015476 van de heer Depoortere, vraag nr. 5601515502 van de heer Meuleman en vraag nr. 56015513 van de heer Bayet.
06.01 Ridouane
Chahid (PS): Monsieur le Ministre,
Il a fallu près de 5 mois pour vérifier les
informations relatives aux survols de drones. Pourtant, lors des commissions
réunies du 27 janvier, vous affirmiez devant les députés que ces intrusions
étaient « très probablement liées à la Russie ». Le reportage de Pano remet
aujourd’hui en question cette affirmation, ce qui suggère que cette allégation
a été exprimée avant même que les données ne soient analysées, et interroge dès
lors sur la fiabilité des informations transmises à la Chambre.
Votre collègue Francken a longuement été
interrogé en commission tant sur la procédure « urgente » et sans concurrence
qu’il a lancée ainsi que sur un potentiel conflit d’intérêts dans son chef.
Dans ses réponses, peu convaincantes, il a indiqué que 80 à 90 % des
signalements étaient des faux positifs. Ces éléments montrent que les données
disponibles au moment des premières communications étaient très incertaines
créant une panique injustifiée dans la population, ce qui renforce également
les interrogations sur les informations données à la Chambre – fin janvier
alors que les faits dataient de novembre ! – et sur l’adéquation des moyens
déployés. S’agissait-il d’erreurs, de précipitations ou de mensonges ? En tout
cas, aucune correction n'a été apportée au Parlement si la VRT n'avait pas
enquêté.
Il est important de rappeler que les survols
de drones ne concernent pas uniquement des sites militaires. Malgré cela, aucun
dispositif de protection spécifique n’a été prévu pour les sites civils, in
fine, les 50 millions d’euros ont été mobilisés exclusivement pour des
capacités militaires. Là aussi, cela semble contredire ce que le gouvernement
disait en commission.
Monsieur le Ministre,
Confirmez vous aujourd’hui l’hypothèse d’une
implication russe ou admettez vous que cette conclusion n’était pas établie au
moment où vous l’avez présentée comme « très probable », et que la Chambre a
ainsi reçu une information non vérifiée, voire factuellement erronée ?
Quelles mesures de protection sont
actuellement en place pour les infrastructures civiles critiques face aux
survols de drones ?
Au niveau de votre SPF, quelles mesures et
investissement ont finalement été réalisés ? La police fédérale a-t-elle ou
va-t-elle recevoir de nouveaux moyens ?
Je vous remercie pour vos réponses.
06.02 Bernard Quintin, ministre: Monsieur Chahid, dans la mesure où l'enquête est toujours en cours, je m'abstiendrai de toute déclaration supplémentaire sur le sujet, a fortiori lorsque aucun opérateur ni aucun drone n'a été intercepté.
Je pense néanmoins, et c'est la raison pour laquelle je maintiens mes propos précédents, qu'il ne faut pas faire preuve de naïveté. Depuis des années, nos services de renseignement et de sécurité nous alertent sur les actions hybrides menées par la Russie, qui n'hésite pas à recourir à la désinformation, au sabotage, à l'intimidation voire à l'empoisonnement d'opposants et même probablement à leur assassinat en Pologne, dans le but d'affaiblir les démocraties occidentales.
Il m’est donc permis d'établir un lien avec la Russie, dans un contexte où notre pays faisait l'objet de fortes pressions afin de débloquer les milliards d'euros d'avoirs russes immobilisés pour financer l'effort de guerre ukrainien contre la Russie.
Les exploitants d'entités critiques sont principalement responsables de leur propre sécurité et ont l'obligation légale de prévoir la sécurisation de leur site face aux risques, tant en matière de safety que de security, qu'ils ont identifiés sur la base de leur analyse de risques.
Lorsque l'analyse des risques fait apparaître que les drones constituent un risque de perturbation du fonctionnement ou de destruction de l'entité critique, ces exploitants, mais également les gestionnaires d'autres sites sensibles, sont tenus de mettre en place une géozone comme partie intégrante de leurs mesures internes de sécurité.
De cette manière, ils pourraient réglementer, donc autoriser ou interdire, surveiller et suivre le trafic aérien de drones au sein de leur géozone. En cas de tentative d'entrée ou d'entrée effective d'un drone non autorisé dans leur géozone, les services de police seraient avertis. Afin de permettre une réaction effective et rapide face aux drones non autorisés dans les géozones des sites sensibles et des entités critiques, la loi relative aux communications électroniques devra également être étendue.
En novembre 2025, le gouvernement a prévu, au sein des crédits consacrés à la sécurité intérieure du plan défense, un budget de 68 millions d'euros au bénéfice de la police. L'affectation de ces moyens se fera en étroite collaboration avec la défense et sera intégrée dans le projet pluriannuel de la défense en matière de counter-UAS, en cours de préparation par ses services.
06.03 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, merci. Vous confirmez donc bien, contrairement à M. Francken, que la police fédérale sera partie prenante dans le système anti-drone qui sera acheté par le gouvernement et qu’elle aura aussi les moyens de se protéger d'éventuelles intrusions, qu'elles soient russes ou autres.
Pour le reste, monsieur le ministre, grâce à la pression qui a été mise par les membres de l'opposition, un audit va pouvoir – je l'espère – éclaircir la situation rapidement concernant l'achat de ces drones et le marché public qui a été lancé. Nous attendrons les résultats de l'information judiciaire qui a été ouverte par le parquet.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56015609C van de heer Bergers wordt schriftelijk behandeld.
07.01 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de feiten in mijn vraag dateren ondertussen al van enige tijd geleden, dus ik zal niet het hele relaas doen. Mijn vraag betreft de terreurdaden die Ashab al-Yamin heeft opgeëist in het buitenland, maar ook in ons land. Wat is daaromtrent de stand van zaken? Kunt u meer informatie geven, vooral over de manier waarop onze veiligheidsdiensten daarmee omgaan?
07.02 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, ik ondervraag u en deze regering wederom over antisemitisme, omdat op 25 april, niet toevallig in de metro van Brussel, een Joodse man in elkaar werd geslagen. Zijn ketting met een davidster werd afgerukt en hij werd uitgescholden voor vuile Jood. De daders waren, u raadt het nooit, drie zogenaamde jongeren.
Ondertussen vond in het Verenigd Koninkrijk een zoveelste antisemitische, jihadistische aanslag plaats, in de Joodse wijk van Londen werden twee Joden neergestoken. Ik ontvang ook nog steeds dagelijks meldingen van antisemitische incidenten in de stad waar ik woon en gemeenteraadslid ben, namelijk Antwerpen. Zo werd onlangs nog een Joodse vrouw door een schoenenverkoper de winkel uitgejaagd, met de mededeling dat zij daar niet welkom was om schoenen te kopen. Dat is een van de vele antisemitische incidenten in Antwerpen.
Het antisemitisme swingt de pan uit, zowel online als offline. Professor Wouter Duyck – u wellicht bekend – sprak met een Joodse student die niet meer naar de UGent durft te gaan. Filosoof Maarten Boudry ontving een hartverscheurend bericht van een Joodse professor aan de Universiteit Antwerpen, die na 40 jaar zowel de stad als de universiteit verlaat wegens het antisemitisme en de radicalisering. Zijn zoon werd op straat uitgescholden voor kindermoordenaar en kreeg te horen dat hij moest oprotten. Ook hij verlaat Antwerpen, samen met zijn gezin en wellicht in de toekomst ook België.
Mijnheer de minister, mijn vraag is evident. Bent u het met mij eens dat het vijf over twaalf is? Welke maatregelen neemt deze regering tegen antisemitische belaging en geweld?
Dan kom ik bij de daaraan gekoppelde vraag. Zopas werd bekend dat de Islamitische Republiek achter recente antisemitische aanslagen in Europa en België zit. De door de Amerikanen opgepakte Iraakse jihadist Mohammed al-Saadi heeft in totaal 18 jihadistische aanslagen gepleegd in Europa. Een pittig detail is dat hij trots vertelde dat hij hier meerdere teams van jihadisten runt en dat het in Europa, in ons land, heel eenvoudig is om jihadisten te rekruteren.
Graag verneem ik uw reactie daarop, mijnheer de minister. Hoe komt het dat het hier zo eenvoudig is om jihadisten te rekruteren en hoe gaat het beleid dat tegen?
Uit een bericht op Alhurra bleek dat de IRGC (Islamic Revolutionary Guard Corps) drones en wapenonderdelen naar Europa smokkelt om hier jihadistische aanslagen te plegen. Dat zou onder andere via diplomatieke kanalen gebeuren. Dat is trouwens al gebeurd. Iraanse sleepers, die van oudsher worden ingezet voor spionage en moordaanslagen, zouden vervolgens op geheime werkplaatsen in Europa drones met explosieven fabriceren en samenstellen.
Mijnheer de minister, in hoeverre zijn onze veiligheidsdiensten daarvan op de hoogte? Worden daarover contacten onderhouden met andere veiligheidsdiensten? De hamvraag is wat wordt ondernomen om ervoor te zorgen dat – het is al vaak genoeg gebeurt – de IRGC, de Islamitische Republiek Iran, hier geen aanslagen meer kan plegen?
Tot slot vernamen we dat Europol de aanval opende op online terreurpropaganda van de Islamitische Republiek Iran, waaraan onder andere Nederland deelneemt. Er werden al liefst 14.200 berichten van de IRGC offline gehaald. Is ook ons land daarbij betrokken? Kunt u daarover een toelichting geven?
De hamvraag na al het voorgaande, mijnheer de minister, luidt of u vindt dat een regime zoals de Islamitische Republiek Iran, dat hier dus letterlijk jihadistische aanslagen pleegt, nog diplomatieke instellingen en personeel op ons grondgebied mag hebben? Zo ja, wat ik zou betreuren, wordt al het diplomatiek personeel van de Islamitische Republiek Iran dan extra gescreend en in de gaten gehouden, zodat ze geen jihadistische aanslagen kunnen plannen op ons grondgebied?
07.03 François De Smet (DéFI): Le journal De Morgen révèle que les attentats antisémites ayant visé Liège et Anvers s’inscrivaient en réalité dans un plan d’envergure européenne, orchestré par un seul individu. Au-delà de l’émotion que ces faits suscitent légitimement au sein de la communauté juive, et aussi pour tous les démocrates de ce pays, ces révélations posent de sérieuses questions opérationnelles.
À quel moment précis les services belges de Sûreté de l’État (OCAM, police fédérale) ont-ils été informés du caractère transnational de ce plan? Quels ont été les échanges concrets avec les homologues européens?
Le dispositif de protection statique et dynamique des sites communautaires juifs en Belgique a-t-il été réévalué à la suite de ces révélations? Des moyens supplémentaires ont-ils été dégagés et selon quelle articulation avec les zones de police locales?
Où en est la stratégie nationale de prévention de la radicalisation, en particulier sur le volet des acteurs isolés, qui constituent aujourd’hui le profil de menace dominant? Comment le gouvernement entend-il renforcer la coopération antiterroriste à l’échelle de l’Union européenne, notamment l’intégration de la Belgique dans les mécanismes d’alerte rapide et le partage de renseignements opérationnels?
07.04 Minister Bernard Quintin: Ik tracht de verschillende aspecten te bespreken, maar wat de diverse gerechtelijke aspecten betreft, weet u dat ik naar collega Verlinden moet verwijzen.
Inzake de inzet van militairen aan Joodse sites verlopen de eerste weken ordelijk en volgens de gemaakte afspraken. In de huidige geopolitieke context, waarin doelwitten met Joodse belangen een verhoogd risico lopen, draagt hun aanwezigheid bij tot de bescherming van gevoelige locaties en tot een verhoogd veiligheidsgevoel. Het blijft een tijdelijke en ondersteunende maatregel, die van nabij wordt opgevolgd.
Wat de actie van Europol tegen IRGC online betreft, heeft de dienst FCCU/i2 van de centrale directie DJSOC inderdaad deelgenomen aan de Referral Action Day.
Er is een goede en intensieve internationale samenwerking van onze diensten met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, zowel op politioneel als op inlichtingenvlak. Onze diensten werden door de Amerikaanse partners ingelicht over de arrestatie. Op het eerste gezicht lijkt er inderdaad een positieve impact te zijn. Die groepering heeft sindsdien schijnbaar geen aanslagen meer opgeëist. Dat betekent echter niet dat de bredere dreiging vanuit Iraanse of jihadistische hoek afgenomen is. Onze diensten blijven uiterst aandachtig en de maatregelen blijven gelden.
Wat de persoon betreft die bij Sciensano werkt of zou werken, stel ik voor dat de veiligheidsdiensten hun werk doen. De mechanismen van Strategie T.E.R. zijn meer dan robuust genoeg om uit te maken of dat geval opvolging verdient. Gelet op het publieke karakter neem ik aan dat ook Sciensano zelf op de hoogte is en gepaste maatregelen overweegt.
Over het actieplan Antisemitisme verwijs ik u door naar collega Beenders.
Monsieur De Smet, votre question, toutefois légitime, porte sur un sujet particulièrement sensible. D’une part, le contenu des échanges concrets entre nos services de sécurité et nos partenaires internationaux n’a pas forcément vocation à être rendu public. Je dirais même qu’un des éléments de leur efficacité, c’est de ne pas être plus public que nécessaire. D’autre part, certaines informations que vous sollicitez sont couvertes par le secret de l'instruction et je n’ai pas la compétence de vous les livrer. Enfin, vous comprendrez que je tiens à garder une certaine discrétion quant aux dispositifs de protection déployés.
Je peux toutefois vous assurer que, dès qu’un
risque a été recensé pour la communauté juive, des mesures de protection ont
été immédiatement décidées. J’ai déjà eu l’occasion de m’exprimer à ce sujet.
Ainsi, des militaires ont notamment été progressivement engagés sur le terrain
dans différentes villes de notre pays. Par ailleurs, il est évident que de
telles mesures impliquent une réévaluation permanente de la situation à l’aune
des informations disponibles. Nos services de sécurité collaborent étroitement
à cet effet, sous la houlette coordinatrice du Centre de crise national. Je vous remercie.
07.05 Jeroen Bergers (N-VA): Ik dank u voor uw antwoord.
07.06 Sam Van Rooy (VB): Minister, in België komen de jaren dertig niet alleen letterlijk, maar ook maatschappelijk snel dichterbij.
Een BV schrijft dat hij iedere Jood die hij tegenkomt, een puntig mes los door de keel wil rammen en wordt niet gestraft. Een moslim roept op om de Joden te verbranden en wordt niet gestraft. Een socialistische minister weert een Joodse topdirigent. Een liberaal parlementslid kakelt op de Vlaamse Al Jazeera dat de Joden met hun geld de wereld regeren. Op zogenaamde pro-Palestijnse betogingen mag ongestraft worden opgeroepen tot intifada oftewel Jodenmoord. Joodse studenten worden weggepest door gemaskerde Hamas-wannabees. Er wordt een aanslag gepleegd op een synagoge, enzovoort.
Minister, de regering bestrijdt antisemitisme niet. Ze importeert en tolereert de facto antisemitisme.
Ondertussen stelt de Iraakse jihadist Mohamad al-Saadi dat het in België heel eenvoudig is om jihadisten te rekruteren. Trots vertelde hij dat hij in Europa meerdere teams van jihadisten runt.
De Islamitische Republiek pleegt ondertussen aanslagen op ons grondgebied. Zo ver is het vandaag gekomen. De Islamitische Republiek zal dat blijven proberen, want ze wil de Islamitische Revolutie ook exporteren naar de rest van de wereld en naar ons.
Ondertussen blijft de Islamitische Republiek aan de lopende band onschuldige Iraniërs martelen en executeren. Ondertussen worden hier de aanhangers van dat verderfelijke islamitische regime en de vlaggenzwaaiers met die verschrikkelijke terreurvlag geen strobreed in de weg gelegd.
Elke diplomaat van de Islamitische Republiek moet worden beschouwd en behandeld als een jihadistische terrorist.
07.07 François De Smet (DéFI): Monsieur le président, je remercie simplement le ministre pour sa réponse prudente et donc évidemment frustrante, mais je comprends. Pas de souci.
07.08 Bernard Quintin, ministre: Je comprends votre frustration mais je ne peux pas faire autrement.
Je voulais simplement dire – je le dis en français parce que je ne vais pas faire l'effort de le dire en néerlandais – que je proteste vivement quand le député Van Rooy dit que ce gouvernement tolère, voire importe l'antisémitisme. Ces propos sont absolument scandaleux et doivent être portés à sa seule responsabilité, mais on ne peut pas dire tout et n'importe quoi, même à la Chambre des représentants.
07.09 Sam Van Rooy (VB): Dan zal ik het gewoon nog eens herhalen, mijnheer de minister. Hoe noemt men een land, een overheid, waar men straffeloos kan oproepen om elke Jood een mes door de strot te rammen? Hoe noemt men een land waar men straffeloos kan oproepen om de Joden te verbranden? Dat wordt getolereerd.
07.10 Minister Bernard Quintin: (…)
07.11 Sam Van Rooy (VB): Begin maar te roepen. Ik weet dat dat zeer lastig is, mijnheer de minister. Vestig er maar de aandacht op. Ondertussen importeert deze regering massaal de islamitische jihad en het antisemitisme uit de islamitische wereld en de Palestijnse gebieden. Deze regering importeert, tolereert en faciliteert antisemitisme. Ik zal dat blijven zeggen en onderbouwen met de talloze voorbeelden die er zijn.
Loopt u er maar van weg. Dat is zeer veelzeggend voor uw beleid. U loopt ervan weg. U wilt blind blijven, met oogkleppen op, voor het antisemitisme dat elke dag in onze samenleving plaatsvindt, online en offline, zeker in de straten van Antwerpen en Brussel.
De voorzitter: Het incident is gesloten. Dat mag letterlijk genomen worden.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
Vraag nr. 56015613C van de heer Bergers wordt schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nrs. 56015615C en 56015616C van de heer Bergers komen straks aan bod, wanneer de heer Bergers terug aanwezig is. Vraag nr. 56015655C van mevrouw De Vreese en vraag nr. 56015677C van de heer Meuleman worden schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nrs. 56015756C van de heer Depoortere en 56016561C van de heer Bergers worden later gesteld, wanneer de heer Bergers terug is. Dat geldt ook voor de samengevoegde vragen nrs. 56015817C van de heer Bergers en 56016251C van de heer Depoortere. Vraag nr. 56015818C van de heer Bergers wordt schriftelijk behandeld.
08.01 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is al een tijdje geleden, maar op 3 mei was er de wedstrijd tussen Anderlecht en Club Brugge. Helaas moet ik zeggen dat daar opnieuw, het is bijna traditie, antisemitische gezangen klonken bij een deel van de supporters van Club Brugge. Het was niet de eerste wedstrijd waarop dat gebeurde en ik vrees dat het ook niet de laatste zal zijn. Eigenlijk gebeurt het gewoon telkens Anderlecht op bezoek komt in Brugge. Een miniem deel van de supporters – dat moet erbij gezegd worden – vindt het een goed idee om telkens opnieuw antisemitische liederen te zingen.
Het probleem is gekend. We hebben hier een hoorzitting gehad met Lorin Parys, die mij van mijn stoel deed vallen met zijn onnozele antwoord. Ik kan het niet anders formuleren. Lorin Parys zei me dat ik maar een omstaanderstraining moest volgen, zodat ik weet hoe ik daarmee moet omgaan wanneer zoiets gebeurt als ik in de tribune sta. Ik ben nog steeds kwaad over dat antwoord.
Het toont echter wel aan hoe de voetbalclubs dat fenomeen bekijken. De voetbalclubs wassen hun handen in onschuld. Ze denken dat het hun probleem niet is. De voetbalclubs weten over wie het gaat, maar doen niets. Niets doen, is in dezen medeplichtig zijn. Als men weet wie de dader is en niets doet, dan betekent dat dat men dat gewoon steunt. Ik kan het niet anders zeggen. Op de een of andere manier blijft het maar gebeuren. Er komt een verstrenging van de voetbalwet aan, maar dat maakt allemaal geen indruk. Geen enkele maatregel die wordt genomen, maakt indruk. Het blijft gewoon doorgaan.
Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat de clubs niet meewerken. De clubs kennen de idioten die daarvoor verantwoordelijk zijn. Zij kunnen hen aanwijzen en kunnen hun heel gemakkelijk een langdurig stadionverbod opleggen, maar blijkbaar gebeurt dat niet.
Welke maatregelen hebt u genomen? Welke maatregelen hebben de clubs genomen?
Werden er supporters bestraft het voorbije jaar?
Wat zult u doen om de clubs er eindelijk van te overtuigen hun verantwoordelijkheid op te nemen?
08.02 Ridouane Chahid (PS): Il y a un peu plus d’un an, les supporters du Club de Bruges étaient descendus dans les rues de Molenbeek-Saint-Jean pour organiser une ratonnade raciste. Nous avions alors débattu en commission de ces faits graves qui nous ont tous et toutes marqués. Nous avions même organisé un certain nombre d’auditions. Vous nous aviez d’ailleurs fait savoir que vous planchiez sur une réforme de la loi football qui serait, au plus tard, présentée fin de l’année dernière.
Un an plus tard, il y a un mois maintenant, de nouveaux faits se sont produits, toujours avec les mêmes prétendus "supporters": à nouveau des chants antisémites et racistes dans les tribunes du stade Roi Baudouin, avec une dégradation assez importante du mobilier. Il serait question de d’environ 70 000 euros de dégâts.
Dès lors, nous en sommes à nous poser la même question: quand ces clubs prendront-ils leurs responsabilités? Quand feront-ils en sorte que ces soi-disant supporters ne puissent plus avoir accès à nos stades? Quand nous présenterez-vous la nouvelle loi football, qui pourra enfin sévir vis-à-vis de ce genre d’actes scandaleux et que nous ne pouvons évidemment pas accepter?
08.03 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le ministre, je ne retracerai pas l’historique présenté par mes collègues. Il y a effectivement eu ces événements l’année dernière. Malheureusement, nous constatons encore aujourd’hui des comportements inacceptables au sein des stades de foot. Vous avez évoqué une réforme de la loi football et avez donné une conférence de presse, voici quelques mois, sur les principales évolutions annoncées. Où en êtes-vous dans le projet au regard de ces évolutions nécessaires?
S’agissant plus précisément du match opposant le Standard de Liège et le Sporting de Charleroi du 24 mai dernier, d’importants débordements y ont causé des blessés et des dégradations matérielles. Les forces de l’ordre ont dû intervenir, et plusieurs individus ont été arrêtés.
Comment avait été organisée la sécurité autour de ce match précis? Un grand nombre d’informations avaient en effet circulé sur les réseaux, incluant des menaces de certains supporters relativement à ce match. Le risque était donc manifestement encore plus élevé que d’habitude pour ce type de rencontres.
Quels sont précisément les faits qui ont été constatés? Quelles sanctions ont déjà été prises ou sont en voie de l'être? On sait qu'il est possible d'agir rapidement en la matière, notamment au moyen d'interdictions de stade. Des mesures de ce type ont-elles déjà été adoptées à la suite de ces événements?
Plus fondamentalement, et je rejoins ici plusieurs remarques formulées par mes collègues, il faut renforcer la responsabilisation des clubs. Je pense qu'il est nécessaire d'agir rapidement afin d'améliorer l'encadrement et de faire en sorte que chacun assume pleinement ses responsabilités, y compris dans leur aspect pécuniaire. À chaque incident, la réponse ne peut pas consister uniquement à mobiliser davantage de policiers et à faire payer le prix aux autorités locales. Certains clubs sont très rentables. Il me paraît donc légitime que les véritables responsables paient.
Je vous remercie pour vos réponses.
08.04 Minister Bernard Quintin: Er vindt structureel overleg plaats tussen de overheidsinstanties, met name de voetbalcel van de FOD Binnenlandse Zaken, de politiediensten, vertegenwoordigers van de clubs, de Pro League en de voetbalinstanties om de preventie en opsporing van dergelijk gedrag te verbeteren.
De voetbalwet voorziet overigens al verantwoordelijkheid van de clubs op het vlak van bewustmaking en naleving door supporters, specifiek wat betreft racistisch en xenofoob gedrag en racistisch en xenofoob geïnspireerde handelingen. Bovendien worden de clubs regelmatig aangemoedigd om gebruik te maken van de middelen waarover zij beschikken om de daders van strafbare feiten te identificeren op basis van hun huishoudelijk reglement.
Oui, les clubs doivent aussi prendre leurs responsabilités. Il est temps d’arrêter de penser que tout doit être pris en charge et réglé par l’autorité publique. Il est temps pour certains de cesser de se cacher derrière leur petit doigt. Je pense avoir déjà eu l’occasion de le dire, mais je le répète ici.
Deze feiten kunnen uiteraard – en dat is van cruciaal belang bij dergelijke daden – aanleiding geven tot gerechtelijke vervolging. Hoewel mijn administratie op basis van de voetbalwet systematisch administratieve procedures opstart tegen de daders van handelingen die aanzetten tot haat, is het immers essentieel en prioritair dat de rechterlijke macht de daders van dergelijke feiten vervolgt.
Voor het seizoen 2024–2025 hadden 29 processen-verbaal betrekking op feiten in verband met racisme of xenofobie. Daaronder bevonden zich 26 processen-verbaal wegens Hitlergroeten binnen een groep supporters van FC Brugge. Dat leidde in totaal tot 726 maanden gecumuleerd stadionverbod en 41.250 euro aan boetes. Daarnaast hadden 3 processen-verbaal betrekking op gevallen van discriminatie op grond van huidskleur en/of geloofsovertuiging, met in totaal 114 maanden gecumuleerd stadionverbod en 6.500 euro aan boetes.
Hoewel de richtlijnen voor de sanctiediensten in het kader van de huidige wetgeving duidelijk zijn, wil ik het overheidsoptreden op dit gebied nog verder versterken.
Wat preventie betreft, werd de laatste jaarlijkse voetbalsubsidie besteed aan projecten ter bestrijding van discriminatie en racisme in de voetbalwereld.
Dans le contexte de l’avant-projet de loi modifiant la loi sur le football, je propose d’inclure la notion de discrimination, qui n’a pas encore été incorporée au corps juridique.
J’ai l’intention d’augmenter les sanctions administratives, amendes et interdictions de stade contre les comportements et les actes racistes et discriminatoires. Je souhaite également renforcer l’échange d’informations sur les sanctions imposées avec les autorités locales, afin de garantir une meilleure identification et vigilance à l’égard des phénomènes locaux.
Wat de verantwoordelijkheid van de clubs betreft, wil ik ook dat er een nieuwe procedure van burgerrechtelijke uitsluiting wordt ingevoerd. Daarnaast ben ik van plan om de definitie van overtredend gedrag zelf aan te passen om interpretatiemarges te voorkomen bij de vaststelling van gepleegde handelingen. Zo kunnen er gemakkelijker processen-verbaal worden opgesteld en sancties worden opgelegd.
Pour ce qui concerne les faits de violences survenus en marge de la rencontre de football entre le Standard de Liège et Charleroi, ceux-ci sont totalement inacceptables, évidemment, et doivent donner lieu à des sanctions tant par les clubs que sur les plans administratif et judiciaire. Ils démontrent, si certains en doutaient, la nécessité de renforcer les dispositifs légaux, également en termes d'identification des auteurs, de les sanctionner le plus rapidement possible et d'assurer l'exécution effective des interdictions de stade.
Les moyens d'identification des auteurs doivent être renforcés. Comme je l'ai indiqué, l'avant-projet de loi révisant la loi football est en concertation au sein du gouvernement. Mon intention est de soumettre le dossier à brève échéance en première lecture au Conseil des ministres. J'aurais espéré l'avoir fait plus vite, comme je l'avais indiqué, mais j'ai appris, donc je ne donne plus de délais que je n'arrive pas à respecter. En effet, le rythme de travail avec des cabinets réduits et des administrations en tension n'est pas toujours facile.
En tout cas, je veux être très clair: il faut que chacun prenne ses responsabilités, parce que, je vous l'avoue, je suis parfois un peu fatigué qu'on se tourne tout de suite vers l'autorité. Les clubs ont une responsabilité. Ces hooligans, on les connaît, qu'ils soient masqués ou non, on sait très bien qui ils sont.
We weten wie ze zijn en de clubs weten wie ze zijn. Ze moeten dus ook hun verantwoordelijkheid nemen.
Je m’entretiens avec des présidents de clubs de football, et certains d’entre eux me disent en toute franchise qu'une des solutions est d'interdire les supporters de l'équipe de football visiteuse. Je prends note de cette idée, tout en trouvant dommage sur le principe que, parce que quelques bandes de hooligans veulent gâcher la fête, on gâcherait la fête pour l'écrasante majorité de supporters de clubs visiteurs qui veulent se rendre à un match. Toutefois, la violence, quelle qu'elle soit, est inacceptable. La violence en marge des matchs de football doit impérativement cesser.
J'ai également l'intention de revoir la loi sur la sécurité privée, ce qui permettra de revoir un équilibre entre ce qui est pris en charge par les clubs en matière de sécurité privée et ce qui est assuré par l'autorité publique en matière de maintien de l'ordre et, entre autres, de circulation sur l'espace public.
C'est un sujet capital qui me tient à cœur parce que je pense que le football, même si je n'en suis pas plus fan que nécessaire, est un sport extrêmement populaire qui doit précisément drainer des foules et rester dans l'esprit du sport. Nous devons tous travailler ensemble à ce sujet-là. Je vous remercie.
08.05 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik ben blij dat u hier zo duidelijk over bent. Het gaat gewoon niet op om iedere keer weer de verantwoordelijkheid naar de overheid te schuiven. Ik denk dat de clubs moeten stoppen met weg te kijken. Wegkijken is medeplichtig zijn.
De Pro League is in hetzelfde bedje ziek. Zolang er niet wordt ingegrepen, zolang de clubs niet ingrijpen, staan ze eigenlijk aan de kant van de racisten, aan de kant van de antisemieten, aan de kant van de homofoben, aan de kant van de relschoppers en aan de kant van de pyromanen. Daar staat de Pro League vandaag. Zij kiezen daarvoor, samen met een aantal clubs. Het gaat immers niet over alle clubs. Ik denk dat iedereen weet over welke clubs het gaat. Iedereen binnen die clubs weet over welke supporters het gaat.
Het is niet de bedoeling om nog veel extra wetgevende mogelijkheden te creëren, want die zijn er al. Die kunnen al worden toegepast, maar het zijn de clubs die weigeren ze toe te passen. Lorin Parys van de Pro League komt ons doodgemoedereerd zeggen: mijnheer Vandemaele, volg de omstaanderstraining en laat ons gerust. De clubs hebben daar niets mee te maken. Sorry, mijnheer Parys, maar u bent verantwoordelijk. Het wordt tijd dat we die clubs veel harder aanpakken, zodat ze verplicht worden om in te grijpen.
Ik ben tegen collectieve straffen, ik haat collectieve straffen, ik vind die totaal oneerlijk, maar ik ben er wel van overtuigd dat als men tegen Club Brugge zou zeggen dat ze twee keer in een leeg stadion moeten spelen, ze wel zullen ingrijpen. Met een boete van 5.000 euro of 50.000 euro lachen ze gewoon eens. Ze drinken er gewoon eentje op en het is gepasseerd, maar als ze twee keer in een leeg stadion moeten spelen, zullen ze onmiddellijk ingrijpen. Hetzelfde geldt voor de andere ploegen.
Het is jammer dat het op die manier moet gaan, maar ik denk dat we dat ultimatum dringend aan de clubs moeten opleggen. Grijp in of we grijpen naar dergelijke maatregelen. Daarmee staan we aan de kant van de goede supporters. Daar zou de Pro League moeten staan, aan de kant van de mensen die met hun kinderen rustig naar het voetbal willen komen kijken.
08.06 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, si j'ai évoqué la date de décembre 2025, c'est parce que vous l'aviez vous-même mentionnée. Honnêtement, je ne m'enferme pas dans un timing. Ce qui m'intéresse, c'est que vous présentiez un projet de loi solide, bien encadré juridiquement et susceptible d'apporter des réponses très claires face aux actes que l'on connaît aujourd'hui: des actes de racisme, d'antisémitisme, d'islamophobie, ainsi que de vandalisme dans les clubs. Voilà ce que j'attends et, si cela demande un peu plus de temps, prenez le temps qu'il faut, mais venez avec une loi vraiment complète.
Je pense effectivement, comme vous, que les supporters, de manière générale, n'ont pas à être sanctionnés parce que quelques individus viennent "foutre le bordel" dans les stades et commettre des actes honteux, scandaleux et inacceptables. Il faut épingler ces personnes et les responsabiliser.
J'irai même plus loin, en disant que les bourgmestres sont pénalement responsables des actes qui peuvent se produire sur leur territoire. Ils peuvent, par exemple, être condamnés pour un trou sur la chaussée ayant entraîné un décès lors d'un accident. Si les présidents de clubs n'ont pas envie de punir celles et ceux qui commettent ces actes, il faut, à mon sens, punir les présidents des clubs. Ils doivent être tenus responsables pénalement des actes des supporters qu'ils refusent de sanctionner. Voilà peut-être la solution, tout comme les bourgmestres sont responsables pénalement de ce qui se passe sur leur territoire. Dès lors, monsieur le ministre, si vous présentez le projet de loi que vous venez d'énoncer, vous pouvez évidemment compter sur notre soutien.
08.07 Xavier Dubois (Les Engagés): Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Concernant la rencontre Standard-Charleroi, j'ai entendu quelques éléments, mais j'avais des questions très précises. Je reviendrai avec une question écrite pour obtenir les réponses les plus précises possible.
Les collègues l’ont mis en avant, et vous l'avez dit vous-même: il faut vraiment responsabiliser très strictement les clubs. Ils ont déjà des outils pour pouvoir agir davantage, mais il faut que l'on se dote d'autres moyens. Vous en avez cité, dont l’intégration de la notion de discrimination, l'accélération des processus au niveau des constats et des sanctions. Là aussi, les clubs ont un rôle à jouer.
Je rappelle que j'ai déposé une proposition de loi en la matière. Nous avons essayé d'être attentifs à ce que vous avez annoncé pour que ce soit complémentaire et pas concurrent à ce que vous proposez. Il y a beaucoup à mettre en œuvre, et notamment la question des moyens financiers.
Je le disais: ce n'est pas aux communes, ce n'est pas à nous de payer pour cette sécurité privée. Les clubs doivent la payer. La collaboration avec la sécurité privée est donc essentielle en la matière.
L'objectif est, bien sûr, de faire en sorte que les vrais supporters puissent prendre du plaisir à aller voir des matchs de foot et que ces faux supporters qui ne recherchent que la violence et la haine soient véritablement punis. C'est le plus important. Merci, en tout cas, pour vos réponses.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 560115890C van de heer Depoortere wordt schriftelijk behandeld.
09.01 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, deze vraag betreft een communicatie van 8 mei van het parket van Limburg over een onderzoek naar een Turkse criminele organisatie. Er werden 26 huiszoekingen uitgevoerd in Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en Schaarbeek. Er werden cashgeld, vuurwapens, munitie, voertuigen en luxehorloges in beslag genomen en 18 personen werden gearresteerd. Dat lijkt mij dus een goed onderzoek.
Het is een feit dat een gekende Turkse maffiaclan actief is op ons grondgebied en dat moet ons zorgen baren. Ze zouden ook gebruikmaken van een knokploeg. Het gaat om jonge mannen met de Turkse nationaliteit die in Limburg wonen en die zouden worden ingezet voor uitvoerende geweldsopdrachten.
Mijnheer de minister, kunt u die feiten bevestigen? Uiteraard moeten de knokploegen worden aangepakt. Hebt u al een beeld van dergelijke situaties en dergelijke criminele netwerken in ons land? Wat dit specifieke geval betreft, bestaan er afspraken met Turkije om informatie uit te wisselen en politie te laten samenwerken? Beoordeelt u die samenwerking als constructief en goedlopend?
Ten slotte nog iets wat er niet helemaal mee te maken heeft. De premier riep ooit een taskforce in het leven. Dat had eerder te maken met de strijd tegen de Russen in onze hoofdstad, maar we zien toch overal tentakels van de georganiseerde misdaad. Kan de taskforce dus ook hier optreden? Hoe zit het eigenlijk met die taskforce?
Ik kijk uit naar uw antwoord.
09.02 Minister Bernard Quintin: We kunnen inderdaad stellen dat Limburg geconfronteerd wordt met buitenlandse maffiastructuren. Het vermoeden van de aanwezigheid van Turkse maffia bestaat al enige tijd. Gerechtelijke en politionele diensten werken daarvoor nauw samen. Ik wil de zeer goede samenwerking en het werk van zowel de federale als de lokale politie en andere diensten benadrukken. Tijdens een bezoek enkele weken geleden aan Limburg had ik een afspraak met de gerechtelijke politie. Samen met de andere diensten hebben die een zeer goed zicht op de fenomenen, met goede resultaten, zoals u al zei.
De modus operandi van criminele organisaties moet onderzocht en in kaart gebracht worden. Waar mogelijk moeten die fenomenen ook vermeden worden, enerzijds door barrières op te gooien via onder meer bestuurlijke handhaving, maar anderzijds ook door nauw samen te werken met scholen, inspectiediensten, de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en andere partners. De federale politie pleegt nauw overleg met die partnerdiensten om de informatie-uitwisseling verder te verbeteren.
België en Turkije hebben op verschillende niveaus afspraken en samenwerkingsmechanismen rond informatie-uitwisseling en politionele samenwerking. Die samenwerking verloopt deels via multilaterale kaders, maar ook via bilaterale contacten. België en Turkije zijn allebei lid van INTERPOL. Daarnaast is er voor specifieke gevallen de Belgische verbindingsofficier in Turkije. De politionele samenwerking met Turkije verloopt constructief, maar vereist blijvende afstemming, gezien de complexiteit en gevoeligheid van bepaalde dossiers.
Het vermogensonderzoek behoort tot de bevoegdheden van justitie. Turkije en België kunnen elkaar via internationale rechtshulp verzoeken sturen om bankgegevens en financiële transacties te onderzoeken. Dat staat ook op de radar van de taskforce. De echte bedoeling van de taskforce is ervoor te zorgen dat alle actoren samenwerken in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en de daarmee verbonden drugshandel. Dat zijn politie en justitie, maar ook volksgezondheid, financiën enzovoort. Die fenomenen behoren dus ook tot het werkterrein van de taskforce, als ik het zo mag zeggen, en die vormt daarbij een tandem met het nationaal drugscommissariaat.
09.03 Ortwin Depoortere (VB): Ik wil nogmaals benadrukken dat we op dezelfde lijn zitten wat het uitstekende werk van onze politiediensten betreft, zowel federaal als lokaal. Dat bewijst ook, mijnheer de minister, dat we niet alleen moeten investeren in de FGP in Brussel en Antwerpen, maar ook in de andere provincies. Dat werpt soms vruchten af. Mijnheer de minister, een niet-aflatende inspanning van uwentwege, zowel wat materieel als wat budgetten betreft, zal ik altijd steunen.
Ik ken intussen het opzet van de taskforce. Alleen blijf ik – na een half jaar, geloof ik – wat op mijn honger wat de resultaten betreft. Er staan veel nobele doelstellingen op papier, maar ik zie weinig concrete resultaten. Ik weet dat de nationale drugscommissaris daarin een grote rol te spelen heeft, maar ook zij is beperkt in haar bewegingsvrijheid. Zij kan wel adviezen geven, maar ze kan geen uiteindelijke beslissingen nemen. Dat moet de regering doen.
Ik ben het wel met u eens dat er op verschillende domeinen en rond verschillende aspecten moet worden samengewerkt: politie en justitie uiteraard, maar ook douane, vermogensdelicten, financiën en volksgezondheid. Dat hoort allemaal samen.
Als we met dergelijke fenomenen worden geconfronteerd zoals nu het geval is – ik hoop dat het daarbij blijft en dat het niet verder reikt in onze maatschappij dan wat nu naar buiten is gekomen – dan blijft uw aandacht geboden. Ik dank u voor uw antwoord en voor uw politieke verantwoordelijkheid hierin.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De samengevoegde vragen nrs. 56015919C en 56015923C van de heer Vandemaele worden schriftelijk behandeld.
10.01 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, ik hoop dat u al wat bent bekomen van uw uitbarsting daarnet. Ik vraag dat ook voor uw eigen gezondheid. Rust en kalmte zullen u redden. Probeer het dit keer vol te houden, mijnheer de minister, ook als…
(…): (…)
10.02 Sam Van Rooy (VB): U begint er weer door te praten. De frustratie is er blijkbaar nog altijd. Als u mij laat uitpraten, zal ik u straks ook laten uitpraten. U hebt trouwens geluk, want u bent net niet gefilmd op het moment dat u kwaad uw oortje weggooide. Anders zou dat een nog veel mooiere video hebben opgeleverd dan nu het geval zal zijn.
Mijnheer de minister, de Brussels Pride had op een gegeven moment laten weten dat mensen alleen mochten deelnemen als ze geen joodse symbolen, zoals davidsterren en Israëlische vlaggen, toonden. Die beslissing leidde tot verontwaardiging bij joodse en lgbt+-activisten, met name bij Mazal Pride, een groep die lgbt+-Joden in België vertegenwoordigt. Uiteindelijk werd de beslissing na overleg teruggedraaid.
Mijnheer de minister, wat is uw reactie daarop? Wat vindt u daarvan? Was dit een veiligheidskwestie of eerder een ideologische kwestie? In hoeverre was een overheidsinstantie of de politie betrokken bij de beslissing, bij het daaropvolgende overleg en bij het uiteindelijk – gelukkig – terugdraaien van de beslissing?
Tot slot kom ik bij de belangrijkste vraag. Werd de Brussels Pride, die in mei plaatsvond, dit jaar extra beveiligd? Na afloop vernamen wij immers dat drie artiesten die hadden opgetreden op de Brussels Pride, het slachtoffer werden van homofoob geweld op straat. Ze werden belaagd door een twintigtal zogenaamde jongeren. Ik neem aan dat ook u beseft dat dit geen Chinezen of hindoes waren, laat staan Joden, mijnheer de minister.
"Dit was de allereerste keer in mijn leven dat ik op straat werd aangevallen omdat ik gay ben", aldus een van de slachtoffers, vandaar de vraag of de Brussels Pride dit jaar extra beveiligd werd en, zo ja, wat was daarvoor de precieze aanleiding?
10.03 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Van Rooy, ondanks uw onbeleefdheid jegens mij zal ik uw vraag beantwoorden.
Volgens de informatie die de politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene heeft verstrekt, heeft de politie, zoals bij elk grootschalig evenement in de openbare ruimte, vooraf een risicoanalyse uitgevoerd met het oog op het bepalen van de nodige veiligheidsmaatregelen en de inzet van middelen. In het kader van die analyse werd rekening gehouden met de algemene veiligheidscontext en met de mogelijke impact van actuele geopolitieke spanningen op het verloop van het evenement. Daarbij werd vastgesteld dat bepaalde symbolen of uitingen, afhankelijk van de context, reacties van derden zouden kunnen uitlokken en aldus een bijkomend risico op verstoringen van de openbare orde konden vormen.
De politie heeft die risico-inschattingen, zoals gebruikelijk, meegedeeld aan de bevoegde overheden en aan de organisator. Vanuit haar opdracht inzake openbare orde en veiligheid kan de politie risico's identificeren en aanbevelingen formuleren om die risico's te beperken. De uiteindelijke beslissingen met betrekking tot de deelnamevoorwaarden en de organisatie van het evenement behoren evenwel tot de verantwoordelijkheid van de organisatoren en de bevoegde bestuurlijke overheden.
De Brussels Pride werd ook dit jaar beveiligd via een specifiek politiedispositief, zoals dat jaarlijks gebeurt bij evenementen van deze omvang. De inzet van middelen werd bepaald op basis van de uitgevoerde risicoanalyse. Het voorziene dispositief was in grote lijnen vergelijkbaar met dat van de voorgaande editie.
10.04 Sam Van Rooy (VB): Minister, het is u misschien nog niet opgevallen, maar na een aantal decennia van vooruitgang gaat het ondertussen helaas al vele jaren opnieuw achteruit met de veiligheid en dus de vrijheid van holebi's.
Jaren geleden al zei VRT-journalist Riadh Bahri al dat hij in bepaalde geïslamiseerde wijken in Brussel niet meer hand in hand durfde te lopen met zijn vriend. In Turnhout werd zopas de veertienjarige Maro mishandeld door moslims omdat hij biseksueel is. Uit het grootschalige onderzoek van dokter Ruud Koopmans blijkt dat ruim de helft van de Belgische moslims fundamentalistisch is en homo's wantrouwt. De islam is de meest homohatende religie – of eigenlijk ideologie – ter wereld.
Ik roep u dus op, minister, om eindelijk uw ogen te openen. Hoe meer islamisering er in dit land is en hoe islamitischer België wordt, hoe onvrijer en gevaarlijker het wordt voor lgbtqi+-personen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De samengevoegde vragen nrs. 56015615C en 56015616C van de heer Bergers worden schriftelijk behandeld.
11.01 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, met uw nieuwe Kadernota Integrale Veiligheid 2026-2029 hebt u grote ambities, althans op papier, en wilt u meerdere zaken aanpakken, zoals drugsgeweld, cybercriminaliteit, grootstedelijke onveiligheid en illegaal verblijf. Niets dan lof, mijnheer de minister, want dat zijn prioriteiten die ik met u deel en die moeten worden aangepakt.
Er zit wel een addertje onder het gras, namelijk de financiering ervan. Er is immers geen sprake van extra budgettaire middelen. Een en ander wordt doorgeschoven naar de toekomst. Er wordt ook verwezen naar de bestaande middelen binnen de betrokken diensten. Dat is problematisch, omdat onze politiediensten, zowel de federale politie als de lokale politie, al meermaals aan de noodrem hebben getrokken wegens een gebrek aan middelen en personeel. Er moet dringend een tandje worden bij gestoken. Ik weet dat u een erfenis van voorgangers hebt meegekregen. Dat kan niet van vandaag op morgen worden weggewerkt. De druk is enorm. Er zijn personeelstekorten en een verouderde infrastructuur. Men mag ook het zeer gebrekkige informaticasysteem niet vergeten, dat onder uw voorgangster volledig in de soep is gedraaid.
Mijnheer de minister, welke bijkomende federale middelen zult u aan de doelstellingen van die kadernota koppelen? Hoeveel extra politiepersoneel ambieert u? Wordt in extra capaciteit en financiële middelen voor de grootsteden voorzien, in het kader van uw clear-hold-build-aanpak?
Wat het illegaal verblijf betreft, denk ik niet dat er moet worden gewacht om illegalen op ons grondgebied op te pakken, op te sluiten en terug te sturen naar hun land van herkomst. Dat is een grote ergernis bij onze bevolking en ook bij onze politiediensten. Illegalen worden wel opgepakt, maar ze krijgen vervolgens eenvoudig een bevel om het grondgebied te verlaten, wat vervolgens dode letter blijft.
Het lijkt mij nuttig dat over die zaken en over de kadernota in het algemeen regelmatig verslag in de commissie voor Binnenlandse Zaken wordt uitgebracht. De commissie kan dat uiteraard regelen in haar werkzaamheden.
11.02 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dank u wel voor de soepelheid om de volgorde van de vragen enigszins te herschikken.
Mijnheer de minister, in de nieuwe Kadernota Integrale Veiligheid 2026-2029 wordt terecht de nadruk gelegd op een aantal thema's, zoals drugsgeweld, cyberdreigingen, hybride aanvallen en de bescherming van kritieke infrastructuur. Ook de link tussen bepaalde vormen van criminaliteit en illegaal verblijf in ons land wordt expliciet benoemd. Dat zijn belangrijke veiligheidsuitdagingen waarmee onze veiligheidsdiensten dagelijks worden geconfronteerd.
Het succes van de Kadernota zal echter afhangen van de concrete uitvoering op het terrein. Veiligheid staat of valt immers met capaciteit, samenwerking en een effectieve opvolging.
Mijnheer de minister, in welke bijkomende operationele capaciteit voorziet u specifiek voor de bescherming van kritieke infrastructuur, zoals de luchthaven van Zaventem, onze havens en andere gevoelige sites, tegen cyberaanvallen, sabotage en incidenten met onder andere drones?
Welke bijkomende stappen zullen worden gezet om de informatie-uitwisseling tussen de politie, justitie, de DVZ en de lokale besturen te verbeteren in dossiers rond radicalisering, georganiseerde criminaliteit en ondermijnende netwerken? Op welke manier zullen die maatregelen ook de bestuurlijke handhaving versterken?
Op basis van welke concrete indicatoren zal de regering evalueren of die kadernota daadwerkelijk resultaten oplevert?
Kunnen we periodiek een transparante stand van zaken ontvangen, zoals ook de commissievoorzitter vroeg?
11.03 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Depoortere, mijnheer Bergers, ik zal op uw verschillende vragen een gezamenlijk algemeen, alsook specifieke antwoorden geven.
De Kadernota Integrale Veiligheid, KIV, vormt het strategisch referentiekader voor het geïntegreerd veiligheidsbeleid in ons land. Ze is gericht op samenwerking, innovatie, preventie, reactie, repressie en nazorg.
De KIV legt de prioriteiten van de federale en de deelstatelijke regeringen vast voor de periode 2026-2029. Elk beleidsniveau is dan ook verantwoordelijk voor de uitvoering van de eigen beleidsmaatregelen.
De KIV is inderdaad niet gekoppeld aan een eigen budget, maar vereist dat alle betrokken actoren in middelen voorzien binnen hun eigen bevoegdheden, beleidsdomeinen en actieplannen. De concrete operationalisering ervan gebeurt dus via de actieplannen op verschillende beleidsniveaus.
Specifiek voor de politie gebeurt dat via het Nationaal Veiligheidsplan 2026-2029, dat tevens afgestemd is op de KIV 2026-2029. De prioriteiten van de kadernota voor de geïntegreerde politie zijn bijgevolg vertaald in het NVP 2026-2029 en, specifiek voor de federale politie, ook in haar strategisch plan 2025-2030.
Gelet op de autonomie van de politiezones worden de prioriteiten van de lokale politiediensten, zoals opgenomen in het NVP, verder doorvertaald in hun zonale veiligheidsplannen. De concrete inzet van middelen gebeurt dus ook binnen hun bestaande plannings- en budgettaire kaders. De versterking van de politiediensten gebeurt conform de beleidslijnen die zijn vastgesteld in het huidige regeerakkoord.
In deze context verwijs ik graag naar de extra financiële middelen en personele versterking die ik voor de politie heb verkregen. De concrete personeelsvolumes voor de aanwervingen per kader en graad voor de geïntegreerde politie zijn tevens bepaald in de jaarlijkse globale HR- en budgettaire kaders van de federale politie. De concrete personeelsinzet en eventuele versterkingen worden bepaald, rekening houdend met de voormelde prioriteiten en in functie van de operationele noden en beschikbare middelen. Duidelijk is dat daarbij bijzondere aandacht is besteed aan prioritaire fenomenen zoals georganiseerde drugscriminaliteit en economische en financiële criminaliteit.
Mijnheer Depoortere, de zogenaamde clear-hold-build-aanpak maakt deel uit van een geïntegreerde en gebiedsgerichte benadering van veiligheidsproblematieken. De concrete invulling en uitrol ervan gebeuren in nauw overleg en samenwerking met de betrokken actoren en partners binnen de bestaande veiligheids- en beleidsplannen.
Op mijn niveau verwijs ik in die context naar het Plan Grote Steden, met name Antwerpen, Brussel, Charleroi, Gent, Liège, Namur en Mons, dat op 2 oktober 2025 is goedgekeurd en waarvoor momenteel een eerste evaluatie loopt.
Met betrekking tot het illegale verblijf behoort de opvolging van bevelen om het grondgebied te verlaten in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de Dienst Vreemdelingenzaken. Indien u daaromtrent vragen hebt, nodig ik u uit om die te stellen aan mijn collega-minister bevoegd voor Asiel en Migratie.
De politiediensten werken in dit kader nauw samen met de bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke autoriteiten. Wanneer personen zonder wettig verblijf betrokken zijn bij feiten van criminaliteit of ernstige overlast, wordt dat behandeld volgens de geldende strafrechtelijke procedures en kan dat aanleiding geven tot verdere maatregelen in het kader van het vreemdelingenrecht. Voor vragen daaromtrent verwijs ik naar de minister van Justitie.
Mijnheer Bergers, wat betreft uw specifieke vragen over de bijkomende operationele capaciteit voor de kritieke infrastructuren, de bescherming van kritieke infrastructuur behoort tot de kerntaken van de veiligheidsdiensten en vormt een expliciete prioriteit in de Kadernota Integrale Veiligheid. De regering investeert daarom verder in de versterking van de cyberweerbaarheid, de detectie van hybride dreigingen en de bescherming van gevoelige infrastructuur. De concrete inzet van capaciteit wordt bepaald op basis van dreigings- en risicoanalyses en gebeurt in nauwe samenwerking met de betrokken veiligheids-, inlichtingen- en politiediensten. Het lijkt mij omwille van veiligheidsredenen niet opportuun om publiekelijk operationele details over capaciteit of beveiligingsmaatregelen bekend te maken.
De strijd tegen radicalisering, georganiseerde criminaliteit en ondermijnende netwerken vereist een maximale samenwerking tussen alle betrokken actoren. Daarom zetten we verder in op een betere en veilige informatie-uitwisseling tussen politie, Justitie, de Dienst Vreemdelingenzaken, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de lokale besturen. Daarbij bouwen we voort op bestaande samenwerkingsstructuren en digitale overlegplatformen, zoals de JDC's, die binnen de veiligheidsdiensten een breed draagvlak hebben en hun vruchten afwerpen. Dat alles gebeurt met respect voor de wettelijke regels inzake gegevensbescherming en beroepsgeheim.
Tot slot en in antwoord op uw beider vragen over de opvolging en de evaluatie van het veiligheidsbeleid, zoals net aangehaald, is de Kadernota een strategisch beleidskader dat door de bevoegde partners wordt vertaald in concrete actieplannen. De opvolging zal gebeuren aan de hand van de gerealiseerde acties, de versterkte samenwerking tussen de betrokken actoren en de vooruitgang die wordt geboekt binnen de verschillende veiligheidsprioriteiten. De beste graadmeter voor het succes van deze Kadernota zal uiteindelijk zijn of we erin slagen omo onze burgers beter te beschermen tegen de veiligheidsdreigingen van vandaag en morgen.
Voor de uitvoering van de KIV zijn een tussentijdse evaluatie in 2027-2028 en een eindtoetsing in 2029 voorzien. Die zullen gebeuren op basis van indicatoren, zoals de evolutie van prioritaire veiligheids- en criminaliteitsfenomenen, de uitvoering van de maatregelen en de versterking van de samenwerking tussen de betrokken actoren en partners. Die opvolging zal het mogelijk maken om de voortgang van de prioriteiten te monitoren en het beleid van het federale en deelstatelijke beleidsniveau waar nodig bij te sturen. De aansturing daarvan gebeurt door de minister van Justitie. Graag verwijzen wij u voor specifieke vragen daaromtrent dan ook door naar haar.
Mijnheer Depoortere, de opvolging van de uitvoering van het NVP en dus van de politionele maatregelen verloopt via de bestaande overlegfora en rapporteringsmechanismen. In dat kader heb ik gevraagd dat de voortgang van het NVP jaarlijks wordt opgevolgd in de Federale Politieraad. Ook daarover zijn de voorbereidende werkzaamheden lopende.
Ik ben net als mijn diensten altijd ter beschikking van het Parlement en van de commissie.
Inzake het budget weet u dat er een conclaaf aan de gang is. U weet ook dat ik een dotatie van 450 miljoen euro heb gekregen. Die dotatie gebruik ik om de diensten te versterken, bijvoorbeeld de DSU en andere diensten, zoals vastgelegd in ons regeerakkoord. Zelfs als dat niet in ons regeerakkoord zou zijn opgenomen, gebruik ik die dotatie daarvoor als dat nodig is.
11.04 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitvoerige antwoord. Ik heb niettemin een aantal bemerkingen.
Over één zaak zijn wij het alleszins eens. Het zullen de resultaten zijn die bewijzen of zowel de Kadernota Integrale Veiligheid als het Nationaal Veiligheidsplan en ook de lokale veiligheidsplannen – het lokale niveau is zeker een belangrijke partner in het veiligheidsbeleid – inderdaad tot resultaten leiden. Uiteindelijk is dat wat de bevolking vraagt en wenst, niet wie waarvoor bevoegd is. Ik weet dat een en ander uiteraard moet worden gerespecteerd op federaal niveau en op beleidsniveau, maar de burger wil vooral resultaten zien.
Ik hoop dat uw verwijzingen naar andere ministers, zoals de minister van Justitie en de minister van Asiel en Migratie, niet een afschuiven van verantwoordelijkheid is, maar integendeel betekent dat ook daar de daad bij het woord wordt gevoegd. Als ik wijs op de illegalenproblematiek, hoop ik inderdaad dat minister Van Bossuyt en de Dienst Vreemdelingenzaken daar werk van maken en niet enkel illegalen opnieuw onze samenleving insturen met een briefje om het grondgebied te verlaten, maar dat zij effectief werk maakt van de illegalenproblematiek.
De dotatie van 450 miljoen euro die u aanhaalt, is naar ik vrees net iets te beperkt om alle noden te dekken die momenteel leven binnen onze politiediensten. U weet dat wellicht zelf ook wel. Ik hoop op meer.
Ik verwijt u dat niet persoonlijk, maar van een regering, en zeker van de premier op kop die beweert dé veiligheidsregering bij uitstek te zijn, verwacht ik ook meer zout op de patatten, zoals wij in Vlaanderen zeggen. Ik wens ook meer financiële middelen te zien dan nu het geval is.
11.05 Jeroen Bergers (N-VA): Dank voor uw antwoord, mijnheer de minister. We zullen uitkijken naar hoe die kadernota wordt vertaald in concrete actieplannen. We zullen dat hier ook zeker opvolgen.
Specifiek over de kritieke infrastructuur vond ik het interessant dat u in uw antwoord verwijst naar het Plan Grote Steden. We staan uiteraard achter dat plan, dat weet u. We vinden het ook geen probleem dat het werkingsgebied van dat plan, zoals opgenomen in het regeerakkoord, wordt uitgebreid. Onze fractie vindt het belangrijk dat u bij de evaluatie van het plan bijzondere aandacht schenkt aan de focus op de luchthavenzone en de focus op politiezone VIMA, zoals opgenomen in het regeerakkoord. Daar zijn de noden inzake kritieke infrastructuur, veiligheid en de overlast door daklozen immers zeer groot. Wat ons betreft, stellen we dus de vraag om bij de uitbreiding van dat plan naar andere zones zeker ook extra aandacht te besteden aan die twee zones bij de evaluatie.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
12.01 Jeroen Bergers (N-VA): De faculteit Bio-ingenieurswetenschappen van de UGent werd op 22 april 2026 door een groep relschoppers bezet. De bezetting was illegaal, heeft vijf weken geduurd en is in plat vandalisme geëindigd, vooral in het rectoraat, maar ook in andere gebouwen van de UGent. Vrij frappant was dat in het aankondigingsfilmpje van de bezetting de activisten zich uitdrukkelijk verkleedden als de terroristische groepering Hamas. Blijkbaar wordt die terroristische groepering dus verheerlijkt door de mensen die de UGent bezetten.
De rector van de UGent, Petra De Sutter, dacht de bezetting met overleg op te lossen, maar werd gewoon weggestuurd. De bezetters wilden haar zelfs niet ontvangen. Dat was een pijnlijke vernedering.
Die bezetting viel ook samen met het moment waarop de Nederlandse AIVD en de minister van Justitie en Veiligheid, David van Weel, waarschuwden voor de link tussen dergelijke protesten en Hamas in heel Europa, ook in Nederland.
Een aantal linken zijn zeer duidelijk. Youlian Burnham en Basile Peeters, die de UGent hebben gevandaliseerd, zijn lid van de PVDA. De woordvoerder van de bezetting van de UGent is ook de woordvoerder van Code Rood. End Fossil Gent is een van de vzw's die mee achter de bezetting en het vandalisme aan de UGent zitten. Dat is dezelfde vzw die achter Code Rood zit, waarvoor het OCAD ook waarschuwt.
Die linken zijn dus zeer duidelijk en doen de vraag rijzen of er een verband bestaat tussen de bezetting van de UGent en Hamas. Mijnheer de minister, wat is uw analyse van die bezetting en van de linken met andere extreemlinkse verenigingen en met de PVDA? Welke maatregelen zullen daartegen worden genomen? Wat zijn uw bevindingen over de arrestaties die bij het einde van de bezetting zijn verricht?
12.02 Ortwin Depoortere (VB): Ik dank de heer Bergers omdat hij de situatie geschetst heeft. Het was een correcte weergave van de feiten, lijkt me.
Er waren 44 arrestaties en 2 agenten geraakten gewond. Het begint er meer en meer op te lijken dat er een georganiseerd extreemlinks netwerk achter al die acties zit. Het was niet de eerste keer dat dergelijke acties worden ontwikkeld. Nu was de UGent aan de beurt.
Wat mij betreft, was dit trouwens een bezetting die veel te lang heeft aangesleept en waar de rector – haar achtergrond kennend – wellicht veel te laks mee is omgegaan. Er had veel sneller moeten worden ingegrepen. De vele arrestaties en de gewonde agenten zijn het bewijs dat die actievoerders niet vreedzaam zijn, maar gewelddadig.
Mijnheer de minister, deelt u de bedenking dat extreemlinkse netwerken als Comac en Code Rood wel degelijk een invloed uitoefenen en zelfs de organisatoren zijn van dergelijke protesten? Hebt u daarvoor intussen al meer aanwijzingen?
Uiteraard wens ik dat daaraan een vervolg wordt gekoppeld. Het is niet voldoende de bezetting te breken en enkele arrestaties te verrichten, al dan niet bestuurlijk. Hier moet een grens worden getrokken en tot vervolging worden overgegaan. Mijnheer de minister, kunt u ter zake wat klaarheid brengen?
12.03 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Troosters, mijnheer Bergers, de politie laat weten dat de actievoerders weigerden zich te identificeren en ook de identificatie via vingerafdrukken bemoeilijkten. Momenteel loopt de identificatie verder op basis van fotodossiers en andere elementen binnen de diensten van de geïntegreerde politie. Een tiental kon al geïdentificeerd worden, waarvan een aantal bij onze diensten gekend zijn in het kader van bepaalde groeperingen.
Het moge duidelijk zijn dat het niet alleen actievoerende studenten aan de UGent betreft. Ik heb van onze diensten nog geen informatie gekregen die wijst op een rol van Hamas binnen de bezetting van lokalen aan de UGent en ook niet op infiltratie of aansturing door Code Rood of andere. Ik benadruk dus dat we geen informatie hebben gekregen of het al dan niet waar is.
We zien wel een analogie op het vlak van technieken en tactieken van de actievoerders met links-extremistische groeperingen, onder andere in de wijze van zich onherkenbaar te maken en zich te onttrekken aan de politiediensten en aan identificatie.
Wanneer er aanwijzingen of elementen zijn van propaganda van een ideologie die geweld verheerlijkt, treden de mechanismen van Strategie T.E.R. (Strategie Extremisme en Terrorisme) in werking. Deze opvolging gebeurt in nauwe samenwerking tussen de veiligheidsdiensten en het openbaar ministerie. Er werden ondertussen drie processen-verbaal opgesteld en het onderzoek loopt.
12.04 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel voor uw antwoorden, mijnheer de minister. Het is onaanvaardbaar dat, als de politie zegt dat ze niet meewerken aan de identificatie, dat toch niet is gebeurd. Desnoods hadden ze die mensen 48 uur lang moeten vasthouden en alle mogelijke middelen moeten inzetten om ze te identificeren. Ik hoop toch dat de politie tot het uiterste gaat om die mensen te identificeren. U bent zeer voorzichtig over de link met Code Rood en dat begrijp ik. U moet u baseren op wat de diensten u aanleveren.
Ik ben mij aan het vastbijten in dat dossier en in alle schimmige achterkamernetwerken. Ik kan alleen maar de suggestie doen om te kijken naar de werking van de vzw End Fossil Gent, waarvoor expliciet gewaarschuwd wordt in het rapport van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD). Die vzw heeft via haar socialemediakanalen zeer publiekelijk opgeroepen om mee vandalisme aan te richten aan de UGent. Er is volgens mij toch een zeer duidelijke link. Het is niet mijn verdienste, want De Morgen heeft aangetoond dat de woordvoerder van de bezetting dezelfde persoon is als de woordvoerder van Code Rood. Journalisten weten natuurlijk met wie ze bellen. Die linken moeten dus verder worden onderzocht.
Ik heb misschien nog één vraag. Het staat u vrij daarop te antwoorden of niet. De bezetting van de UGent heeft een vijftal weken geduurd. De rector van de UGent heeft zeer goede connecties in de Wetstraat. Heeft zij op enig moment contact opgenomen met uw kabinet met de vraag om hulp om die bezetting te beëindigen? Dat lijkt mij toch relevant.
12.05 Minister Bernard Quintin: Niet dat ik weet. Het geeft mij wel de mogelijkheid om te zeggen dat, zoals u weet, in de eerste plaats de lokale politie, dus de lokale politiezone Gent, verantwoordelijk is, met de steun van de federale politie. Ik weet niet of er rechtstreeks contact is geweest tussen de rector van de UGent en de lokale politie. Daarvan ben ik niet op de hoogte.
12.06 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister, om dat te verduidelijken. Ik wist ook dat in de eerste plaats de lokale politiezone verantwoordelijk is, maar gezien de escalatie had het mij gepast geleken dat contact was opgenomen met de federale diensten en met uw kabinet. Dat dat niet is gebeurd, is uiteraard bijzonder jammer..
12.07 Ortwin Depoortere (VB): Dat was ook mijn bijkomende vraag. Wie was daar in de eerste plaats verantwoordelijk? Het was de lokale politie, dat is duidelijk, en de federale politie is waarschijnlijk nadien bijgesprongen om steun te verlenen.
Bij mij kan het er gewoon niet in dat men er niet verder op ingaat als dergelijke actievoerders weigeren zich te identificeren en zich onttrekken aan politionele controle. De politie heeft hier haar werk niet gedaan zoals het moet, want ik vind dat onaanvaardbaar. Als iemand een strafbaar feit pleegt, dan moet die op zijn minst geïdentificeerd kunnen worden, want anders is er geen sprake van vervolging of iets anders. Dan is er sprake van straffeloosheid, die we onmogelijk kunnen aanvaarden bij dergelijke acties.
Ten tweede, en mijnheer Bergers heeft er ook terecht naar verwezen, ik vind het zeer vreemd dat u geen extra informatie krijgt, mijnheer de minister, over de link met Code Rood en Comac, terwijl het OCAD in zijn jaarverslag zeer duidelijk stelt dat er wel degelijk banden zijn met een extreemlinks netwerk. We zien dat niet alleen hier aan de UGent. We zien dat bijna overal waar die extreemlinkse groeperingen denken te moeten manifesteren op een zeer agressieve, gewelddadige manier, met het vernielen van privé-eigendommen, maar ook met het beletten van staatsbezoeken, om maar een paar voorbeelden te geven. Daar moet paal en perk aan worden gesteld. Er moet meer gebruik worden gemaakt van de informatie-uitwisseling tussen lokale en federale politie, maar ook met die van de Staatsveiligheid en het OCAD. Dat zou soelaas kunnen bieden.
L'incident est
clos.
Het incident is gesloten.
De voorzitter: Vraag nr. 56015818C van de heer Bergers wordt schriftelijk behandeld.
13.01 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, het is jammer dat de heer Daerden niet aanwezig is, want zijn vreemde vraag triggerde mij om ook een vraag in te dienen.
We hebben allemaal samen al verschillende keren vastgesteld dat de politiezones in dit land te klein georganiseerd zijn en dat daar efficiëntieoefeningen mogelijk zijn om de steeds complexere vormen van criminaliteit met onze politiezones te kunnen aanpakken. Nu is de kleinste politiezone van het land een dergelijke fusie aan het onderzoeken. Het lijkt mij een heel goede zaak dat er werk wordt gemaakt van schaalvergroting, maar dat wordt door sommigen in vraag gesteld en er wordt een communautair spelletje van gemaakt. Dat is het volgens mij niet en daarom heb ik enkele vragen.
Bevestigt u dat het in de eerste plaats tot de bevoegdheid en de autonomie van de betrokken burgemeesters en korpschefs behoort om een eventuele fusie zodanig uit te tekenen dat de basispolitiezorg gegarandeerd blijft? Bevestigt u dat een fusie perfect mogelijk is – ik ben er zeker van dat u dat zult doen – met behoud van een sterke lokale verankering, interne werking, identieke aanrijtijden, lokaal onthaal, wijkwerking en effectieve aanwezigheid van de politie op het terrein? Deelt u de analyse dat schaalvergroting in bepaalde gevallen net kan bijdragen tot een sterkere en meer performante dienstverlening door de politie?
13.02 Minister Bernard Quintin: Ik kan dat bevestigen.
Mijnheer Bergers, inzake de bevoegdheidsverdeling bevestig ik dat het in de eerste plaats de lokale overheden, de burgemeesters, het politiecollege en de korpschef toekomt om de opportuniteit van een fusie te beoordelen en in voorkomend geval de modaliteiten ervan vast te leggen op zodanige wijze dat een kwaliteitsvolle basispolitiezorg gewaarborgd blijft.
Zoals hierboven in herinnering gebracht, vertrouwt artikel 44 van de wet op de geïntegreerde politie de leiding, de organisatie en de taakverdeling binnen het korps toe aan de korpschef. Het komt de minister van Binnenlandse Zaken niet toe zich voor die organisatorische keuzes in de plaats te stellen van de lokale verantwoordelijken. Een fusie brengt op zich geen enkele vermindering van de lokale verankering met zich mee.
De minimumnormen, vastgelegd in het koninklijk besluit van 17 september 2001, waaronder de basisfunctionaliteiten zoals het onthaal, de wijkwerking en de interventie, blijven onverkort van toepassing op de uit de fusie ontstane zone. Het behoud van een laagdrempelig onthaal, een effectieve aanwezigheid op het terrein en gelijkwaardige aanrijtijden behoren tot de interne organisatie van de zone, die de korpschef dient te structureren op basis van de lokale risicoanalyse. Talrijke meergemeentezones tonen aan dat het perfect mogelijk is een grotere schaal te verzoenen met een sterke lokale aanwezigheid.
Ik deel overigens de analyse dat een schaalvergroting in bepaalde gevallen de kwaliteit en de performantie van de lokale politiezorg kan versterken. Zoals u terecht opmerkte, worden heel kleine zones geconfronteerd met stijgende personeelskosten, steeds complexere vormen van criminaliteit die meer specialisatie vereisen en belangrijke infrastructuurinvesteringen. Het bundelen van middelen laat net toe ruimte vrij te maken voor specialisatie, expertise en investeringen ten bate van de veiligheid van de inwoners.
Ten slotte zal ik, zoals bij elk fusieproject van zones, aandacht hebben voor de territoriale samenhang van het project enerzijds en de operationele meerwaarde die de fusie motiveert anderzijds.
Zoals gezegd, overweeg ik zodra de wet is gepubliceerd een ronde langs de provincies te maken, bij de gouverneurs en de burgemeesters, om daarover na te denken en fusies aan te moedigen.
13.03 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke en uitstekende antwoord. Het is ontzettend jammer dat de heer Daerden niet aanwezig is om uw antwoord te kunnen aanhoren. Hij zal het verslag echter ongetwijfeld heel aandachtig lezen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
14.01 Ortwin Depoortere (VB): De Raad van State heeft zich uitgesproken over de
bevordering van een Kortrijkse politiecommissaris, die verbonden was aan het
kabinet van de toenmalige minister van Justitie Paul Van Tigchelt, tot
hoofdcommissaris. Ook toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Annelies
Verlinden verdedigde de beslissing. Een beslissing die duidelijk onwettig was
gelet op een eerdere uitspraak van de Raad van State in 2016.
Deze kwestie roept ernstige vragen op.
Niet alleen over deze concrete benoeming, maar ook over de integriteit van het
bevorderingssysteem binnen de politie. Gewone politieambtenaren moeten jaren
ervaring opbouwen, selectieproeven afleggen, opleidingen volgen en zich
bewijzen op het terrein. Maar wie dicht genoeg bij het kabinet staat, lijkt met
één politieke pennentrek een graad hoger te kunnen springen.
Welke concrete gevolgen verbindt u als
huidige minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid aan dit arrest? Zal u
werk maken van het terugdraaien van deze onwettige bevordering?
Zal u een intern onderzoek laten voeren
naar de rol van de betrokken kabinetten, administraties en ministers bij deze
bevordering?
Bent u bereid dit dossier over te maken
aan het parket, zodat kan worden nagegaan of er sprake is van samenspanning,
machtsmisbruik of ambtelijke corruptie?
Is dit arrest besproken binnen de
regering met betrekking tot minister Annelies Verlinden, die hier opnieuw in
opspraak komt?
Erkent u dat dit het vertrouwen in de
politie en de werklust van onze politiemensen aantast?
Wat onderneemt u om dit soort onwettig
favoritisme te voorkomen in de toekomst?
14.02 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, ik probeerde niet te veel te insinueren in mijn vraag, maar nu weet uiteraard iedereen over wie het gaat.
Dat doet er eigenlijk niet toe, want er zijn de laatste tijd wel wat artikels verschenen over commissarissen en hoofdcommissarissen die bepaalde moves deden in hun carrière zonder daarvoor het juiste pad te hebben gevolgd. Nu is er een zeer specifiek geval van iemand die bij het SAT heeft gewerkt en op basis daarvan kon doorschuiven.
De Raad van State zou hebben geoordeeld dat dat absoluut onwettig is en niet kan.
De vraag is natuurlijk hoe dat is kunnen gebeuren en hoe we ervoor kunnen zorgen dat dat niet meer gebeurt. De Raad van State kan die benoeming immers niet schorsen of ongedaan maken. Die bevordering is er nu, maar het blijft een vreemde situatie: er is sprake van een problematische benoeming, de onwettigheid daarvan wordt vastgesteld, maar we kunnen daar eigenlijk niets meer aan doen. Vandaar mijn vragen.
Wie heeft het initiatief genomen voor die benoeming? Hoe komt het dat niet werd opgemerkt dat er een probleem was in het benoemingsdossier? Dat dossier moet blijkbaar gewoon gepasseerd zijn. Wie heeft daar de fout gemaakt dat niet op te merken?
Werd in de motivering iets opgenomen over het functioneren bij het SAT Justitie en de gelijkstelling daarvan met een functie binnen de beleidscel? Werd er vooraf juridisch advies ingewonnen over de wettigheid? Welke rol speelde het kabinet bij de voorbereiding, beoordeling en goedkeuring?
Werd de wettelijk voorziene evaluatie uitgevoerd voor de betrokkene of is dat niet gebeurd?
Zijn er gevolgen verbonden aan het advies van de Raad van State?
Ten slotte, hoe zorgen we ervoor dat dit in de toekomst niet meer gebeurt?
14.03 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Depoortere, mijnheer Vandemaele, ik dank u voor uw aandacht voor deze specifieke kwestie.
Ik deel uw bezorgdheid inzake de wens tot gelijke behandeling van alle politiemedewerkers die aan de basisvoorwaarden voldoen om in aanmerking te komen om eventueel bevorderd te worden tot de graad van hoofdcommissaris van politie. Het komt me als huidig minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken echter niet toe te oordelen over de manier waarop de toenmalige ministers hier destijds mee zijn omgegaan. Om in één zin op jullie vele vragen te antwoorden: ondertussen is er een wetsvoorstel goedgekeurd om artikel 135ter van de Exoduswet te herroepen, zodat dergelijke benoemingen niet langer mogelijk zullen zijn.
Ik moet zeggen dat ik een beetje verbaasd was, als gewezen diplomaat, dat iemand die voor een kabinet of een SAT werkt en misschien heel goed werk levert, automatisch in aanmerking voor zo’n bevordering komt. Die elementen moeten in een dossier komen waarin staat "heel goed gewerkt", maar ze geven niet automatisch recht op een bevordering. Ik heb dat afgeschaft.
14.04 Ortwin Depoortere (VB): Dank u voor uw korte en heldere antwoord. De wetswijzing komt geen dag te vroeg, zou ik zeggen. We zijn het erover eens dat het absoluut niet kan dat iemand omdat hij toevallig op een kabinet werkt, een streepje voor heeft om benoemd te worden als hoofdcommissaris. Dat is echt van de pot gerukt.
Het creëert inderdaad geen goede solidariteit binnen het politiekorps, dat kan ik verzekeren. Ik meen dat de heer Vandemaele dat ook kan verzekeren. U ziet, over alle partijgrenzen heen wensen wij aan dit favoritisme een einde te maken.
14.05 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Dit kan nu inderdaad niet meer gebeuren. Dat is uiteraard een zeer goede zaak.
De vraag is natuurlijk of dat nu niet rechtgezet moet worden. Iemand is benoemd in een positie waarin hij helemaal niet benoemd mag worden. Hoe gaan we dat oplossen? Hoe gaan we die benoeming ongedaan maken? De Raad van State stelt vast dat het niet wettelijk is, maar de benoeming is niet ingetrokken. Iemand krijgt een gunst. Er is een oordeel van de Raad van State dat die gunst onwettig was. Dan kan men die gunst toch niet behouden?
Ik vind dat wel heel vreemd. U kunt perfect zeggen dat uw voorgangster het verknald heeft. Oké, ik zal uw voorgangster ook bevragen. Ik doe dat graag. De vraag is echter vooral hoe we dat rechtzetten. Mag die man misschien gewoon blijven zitten? Dat is eigenlijk wat er nu gebeurt. Er is een fout gemaakt, maar de man mag blijven zitten en heeft zijn benoeming verdiend. Ze is onwettig, maar hij behoudt ze wel. Dat vind ik vreemd.
De Raad van State heeft geen bevoegdheid om die beslissing te vernietigen. De Raad van State heeft geoordeeld dat ze illegaal is, dat het niet conform de wet is, maar de Raad van State kan die benoeming niet vernietigen.
Voor de toekomst is het opgelost en ik ben blij dat dat zo is, maar de conclusie blijft wel dat iemand illegaal is benoemd bij de lokale politie en dat we die gewoon gaan laten zitten. Ik vind het heel bijzonder dat we dat doen. Ik zal uw voorgangster bevragen over hoe het fout is gelopen, want ik denk dat daar echt zware fouten zijn gemaakt, bewust.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
15.01 Ridouane
Chahid (PS): Monsieur le Ministre,
Mercredi dernier en séance plénière, dans
mon intervention sur votre projet de fusion des zones de police, je vous posais
une question sans appel: serez-vous le dernier Ministre fédéral de l'Intérieur?
Mes inquiétudes sont en effet grandes.
Votre partenaire gouvernemental nationaliste
vise très clairement à régionaliser une police fédérale dont le Ministre Jambon
a largement diminué les budgets et effectifs. D'autre part, vous avez décidé
dans les faits de recourir à l'armée pour toute une série de missions plus ou
moins structurelles comme la surveillance de sites sensibles et d'entités
critiques. Et maintenant, nous apprenons que vous allez mettre en oeuvre ce que
prévoyait déjà l'accord de gouvernement en privatisant certaines tâches policières.
Votre volonté est d'élargir le rôle de la sécurité privée pour
"libérer" des policiers de certaines tâches jugées
"périphériques". On parle du visionnage d’images aux contrôles
d’accès, en passant par les prisons et les stades.
Vous le comprendrez, nous ne partageons ni
l'analyse ni vos recettes qui constituent, pierre après pierre, à une remise en
cause de cette tâche régalienne qu'est l'Intérieur et la police et l'importance
des effectifs et missions de la police fédérale.
Monsieur le Ministre, que contient
exactement votre avant-projet de loi relatif à cette volonté de privatisation
de certaines tâches de la police? De quelles tâches parle-t-on et selon quels
garde-fous et quel contrôle (élargissemblent des compétences du Comité P par
exemple)? Concernant cette intention, combien de policiers souhaitez-vous ainsi
"libérer" et pour quoi faire ? Que ce soit ces tâches privatisées ou
celles militarisées, où en sont vos engagements depuis votre entrée en fonction
au sein de la police fédérale et les cadres manquants en ETP notamment pour la
police aéroportuaire, des chemins de fer, de la PJF ou de la DAB?
Je vous remercie pour vos réponses.
15.02 Bernard Quintin, ministre: Monsieur Chahid, j'ai une longue réponse, dont la moitié est en néerlandais pour Mme De Vreese.
Je peux toutefois m’en tenir au premier paragraphe, car il ne s'agit pas d'une privatisation de la police mais d'une réflexion sur la meilleure manière de recentrer les policiers sur leurs missions régaliennes essentielles et sur les tâches qui nécessitent l'exercice de prérogatives de puissance publique.
Ce débat n'est pas neuf. Comme vous le savez, je travaille à redessiner l'architecture de sécurité, car je pense que c'est nécessaire après 25 ans, au regard de l'évolution de la société et de la situation sécuritaire. À cet égard, plusieurs chantiers sont en cours: la fusion des zones de police, pour parvenir à une soixantaine de zones plus fortes et mieux organisées; le refinancement des zones de police locale, sur lequel je travaille actuellement dans le cadre des négociations au sein du gouvernement; ainsi que la réforme de la police fédérale, qui fera également l’objet d’une restructuration.
De ce point de vue, l'accord de gouvernement nous demande de travailler sur la loi relative à la sécurité privée. Penons l'exemple du football. Lors de grands événements, tels les matchs de foot, certaines tâches sont aujourd'hui exercées par la police. Mais toutes ces missions relèvent-elles réellement de l'exercice de la violence légitime qui appartient exclusivement à l'État – ce qui constitue évidemment une ligne rouge pour moi? Ainsi, la gestion de la circulation sur l'espace public relève clairement de la police et non de la sécurité privée.
Nous connaissons bien le stade Roi Baudouin. Entre la rue, le parking et le stade, il y a matière à réflexion. Cela permettrait non seulement de libérer des forces de police pour des missions strictement policières, mais aussi de rééquilibrer les budgets dans la mesure où les organisateurs d'événements privés financent la sécurité privée.
Mon objectif n’est donc en aucun cas de privatiser la police, mais bien, dans le cadre de la révision de l'architecture de sécurité en Belgique, de clarifier et encadrer le rôle de la sécurité privée, en fixant des balises. Cette discussion, nous l'aurons ensemble, puisqu'il s'agit de modifier une loi.
15.03 Ridouane Chahid (PS): Merci, monsieur le ministre, pour ces éclaircissements et pour vos réponses. Effectivement, pour nous, il est important que les missions de service public de la police restent à la police; il n’y a pas d’ambiguïté à ce sujet. Si la question est de se demander si les organisateurs d’événements de type privé ne peuvent pas eux-mêmes organiser leur propre sécurité, pourquoi pas? Ouvrons cette discussion, cela ne nous pose aucun problème.
Faites néanmoins en sorte que les missions de service public restent confiées à la police. De même, si aujourd’hui la police doit s’occuper de missions qui ne sont pas les siennes, et que votre intention est dorénavant de dire “Libérons cette capacité policière pour mieux la gérer sur l’espace public”, alors oui, nous sommes d’accord pour dire que les missions de service public doivent être garanties et que la police doit être là pour intervenir sur le terrain. Aujourd’hui, par exemple, lorsque vous êtes accueillis à l’entrée du Palais 12, c’est par des vigiles privés. Dès lors, si c’est ce principe-là, évidemment que cela ne nous pose aucun problème. Pour nous, il est essentiel que les missions qui sont aujourd’hui celles de la police restent les missions de la police.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De vragen nrs. 56016090C en 1056016092C van mevrouw De Vreese, 56016094C en 56016096C van de heer Depoortere en 56016103C en 56016104C van mevrouw De Vreese worden schriftelijk behandeld. Ook de samengevoegde vragen nrs. 56016106C van de heer Vandemaele en 56016181C van mevrouw Demesmaeker worden schriftelijk behandeld. Vraag nr. 56016122C van de heer Depoortere wordt eveneens schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nrs. 56016126C van de heer Depoortere en 56016129C van mevrouw De Vreese worden uitgesteld. De vragen nrs. 56016130C van de heer Meuleman en 56016134C van de heer Depoortere worden schriftelijk behandeld. Vraag nr. 56016156C van mevrouw Daems vervalt daar ze afwezig is. De vragen nrs. 56016227C en 56016228C van de heer Vandemaele en 56016237C van de heer Van den Heuvel worden schriftelijk behandeld.
16.01 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik zou deze vraag in verband met de nationaliteitsvereiste bij de politiediensten graag mondeling beantwoord zien. Het is echter een korte vraag.
Ik hoor dat er plannen zouden bestaan om de nationaliteitsvereiste zoals die nu bestaat te versoepelen. Ik vind dat geen goede zaak, maar ik hoor eerst en vooral graag van u of die plannen om de nationaliteitsvoorwaarde te versoepelen of af te schaffen gegrond zijn. U zult mij daarover willen antwoorden. Alvast bedankt.
16.02 Minister Bernard Quintin: Op het niveau van mijn ambt zijn er geen initiatieven of besprekingen lopende over de versoepeling of afschaffing van de Belgische nationaliteitsvoorwaarde om aangeworven te worden als operationeel lid van de politie.
In 2024 heeft de Directie van het personeel van de federale politie die problematiek van mogelijke aanwervingen al onderzocht. De bedoeling daarvan was de visvijver van kandidaten voor operationele betrekkingen te vergroten en de diversiteit binnen de politie te bevorderen. Daarbij werden ook een aantal Europese landen geïdentificeerd waar dit mogelijk is. Concreet gaat het om Duitsland en een aantal Zwitserse kantons.
Hoe dit in die landen mogelijk is gemaakt, rekening houdend met de hierna vermelde moeilijkheden, is niet onderzocht. Vanwege de door hierna aangegeven knelpunten inzake de gelijkwaardigheid van diploma's en het moraliteitsonderzoek, alsook de adviezen daaromtrent intern binnen de politie, heeft dit dossier geen verder gevolg gekregen.
16.03 Ortwin Depoortere (VB): Bedankt voor uw antwoord.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56016252C van de heer Depoortere wordt schriftelijk behandeld, net als de vragen nrs. 56016272C en 56016275C van de heer Vandemaele.
17.01 Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de voorzitter, deze vraag sluit aan bij de vragen van daarnet over Code Rood en de bezetting van de UGent. Sinds 2011 is het overal in België strafbaar om zich op publiek toegankelijke plaatsen te begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat men niet herkenbaar is. In de volksmond wordt dat ook wel het boerkaverbod genoemd, dat mede dankzij mijn partij tot stand is gekomen. Helaas laat de handhaving van dat verbod duidelijk te wensen over.
Ten eerste zien we in het straatbeeld steeds meer moslima's die dat verbod proberen te omzeilen door hun hoofddoek te combineren met een mondmasker. Wordt daarop eigenlijk gehandhaafd, of is deze omzeiling succesvol in die zin dat dit eigenlijk moet worden toegestaan en dus geen overtreding vormt van de bestaande wetgeving, vanwege die combinatie van hoofddoek met mondmasker?
Ten tweede zien we dat extreemlinkse activisten voor het klimaat en voor zogenaamd Palestina zich steeds vaker maskeren met een arafatsjaal of met een aaneengesloten wit pak. We kennen allemaal de beelden van onder meer de bezetting van de UGent recent. Gemaskerde studenten stuurden zelfs videoboodschappen de wereld in en gaven interviews, onder andere aan de VRT. Wekenlang werd hen geen strobreed in de weg gelegd.
Mijnheer de minister, mijn vraag is evident. Vindt u dit normaal? Waarom worden gemaskerde activisten en demonstranten niet onmiddellijk opgepakt en afgevoerd? Laat de wetgeving dat niet toe? Mag of durft de politie dat niet doen? Wie zal het zeggen? Ik vraag het u.
Indien de wetgeving het niet toelaat om die gemaskerde activisten onmiddellijk op te pakken en af te voeren, vindt u dan dat de wetgeving ter zake moet worden aangepast? Ik alvast wel.
Ten slotte, indien van toepassing, wilt u ervoor ijveren dat gesluierde moslima's die zich onherkenbaar maken door naast hun sluier ook een mondmasker te dragen, eveneens worden beboet en dat daarvan een prioriteit wordt gemaakt? Zo niet, dan hoor ik graag waarom niet.
17.02 Minister Bernard Quintin: Mijnheer Van Rooy, artikel 563bis van het Strafwetboek bepaalt dat het verboden is om zich op voor het publiek toegankelijke plaatsen te begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat men niet herkenbaar is, behoudens enkele uitzonderingen.
Artikel 563bis gaat over een zogenaamde gemengde inbreuk. Het dragen van een mondmasker kan onder het toepassingsgebied van artikel 563bis vallen wanneer het de identificatie van de persoon verhindert. Naargelang van de concrete invulling van het vervolgingsbeleid op het grondgebied van de gemeente, strafrechtelijk of administratief, zal de politie een proces verbaal of een administratief verslag opstellen. Dit beëindigt de interventie van de politie.
Tijdens betogingen is het de bestuurlijke overheid die discretionair beslist of de openbare orde verstoord wordt en of er moet worden overgegaan tot arrestatie van de betrokken personen. Met andere woorden, het is niet aan mij of de politiediensten om autonoom te beslissen om wel of niet op te treden. De politie voert de beslissingen van de gerechtelijke en de bestuurlijke overheden uit.
Uw vraag wordt dus beter gericht aan minister Verlinden of de lokale overheden.
17.03 Sam Van Rooy (VB): Minister, niets staat u in de weg om de vraag door te verwijzen naar minister Verlinden. U doet dat wel vaker. Ik zal de vraag dan ook aan haar stellen. Ik wil echter toch gezegd hebben dat u minister van Veiligheid bent en dat ik vind dat wie zo laf is zijn gezicht te bedekken, of het nu om Hamas-wannabe’s of als antifascisten vermomde fascisten gaat, of over vrouwen met nikab of boerka, in dit land weinig te vrezen heeft en dus een gevaar vormt voor onze openbare orde, onze veiligheid.
De wetgeving hiertegen, die bekend staat als het boerkaverbod, maar die natuurlijk breder gaat, wordt nauwelijks gehandhaafd, zeker wanneer moslima’s die wetgeving proberen te omzeilen door in combinatie met hun hoofddoek een mondmasker te dragen, wat we helaas steeds meer in het straatbeeld zien, zeker in grote steden als Brussel of Antwerpen.
Minister, er moet nultolerantie zijn tegen diegenen die zich onherkenbaar maken, tegen de Hamas-wannabe’s, tegen de zogenaamde antifa’s en tegen boerka’s, nikabs en dat soort pogingen om het boerkaverbod te omzeilen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56016365C van de heer Depoortere wordt schriftelijk behandeld.
18.01 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, wij steunen de uitbreiding van het gebruik van bodycams naar brandweerpersoneel en personeel van het openbare vervoer. Wie dagelijks instaat voor de veiligheid en openbare dienstverlening, verdient maximale bescherming tegen agressie en geweld. Dat heeft de actualiteit jammer genoeg nogmaals bevestigd.
Wij verwelkomen
absoluut uw initiatief en kijken ernaar uit, maar hoe zult u dat operationeel
en juridisch invullen? U mag zich niet beperken tot een louter symbolische
maatregel; dat vindt u ongetwijfeld ook. Hoe zult u bijvoorbeeld garanderen dat
beelden van bodycams effectief bruikbaar zijn voor de identificatie, vervolging
en sanctionering van de daders van agressie tegen hulpverleners en personeel
van het openbaar vervoer? Zal het gebruik van bodycams gepaard gaan met
bijkomende investeringen in opleiding, opslagcapaciteit en uniforme procedures,
zodat het personeel ook voldoende rechtszekerheid krijgt over de beelden?
Overweegt u om de regeling nog verder uit te bereiden naar andere
risicoberoepen of veiligheidsfuncties die frequent geconfronteerd worden met
agressie? Beschikt u over cijfers of proefprojecten die aantonen welke impact
bodycams hebben op het aantal agressiegevallen, klachten en vervolgingen?
18.02 Minister Bernard Quintin: Ten eerste, de opgenomen beelden mogen uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden die bij wet zijn vastgesteld. De opnamen worden gedurende een beperkte termijn bewaard en moeten volledig kunnen worden getraceerd. Elke activering van een camera, elke raadpleging en elke extractie van beelden wordt geregistreerd, teneinde een doeltreffende controle op het gebruik van het systeem mogelijk te maken.
De betrokken personen genieten de rechten waarin de regelgeving inzake gegevensbescherming voorziet. Zij kunnen een klacht indienen bij de verwerkingsverantwoordelijke, bij de Gegevensbeschermingsautoriteit of in voorkomend geval bij de bevoegde gerechtelijke autoriteit. Wat meer in het bijzonder de civiele veiligheid betreft, maakt het voorontwerp eveneens het gebruik van bodycams mogelijk als instrument voor operationele ondersteuning in real time.
Bij bepaalde complexe interventies of interventies met een hoog risico kan de technologie bijdragen tot een betere veiligheid van degenen die de interventie doen, de coördinatie van de operaties vergemakkelijken en de kwaliteit van de beoordeling van de situatie op het terrein versterken.
Tot slot zal de Gegevensbeschermingsautoriteit worden geraadpleegd in het kader van de wetgevingsprocedure. De regering zal de geformuleerde opmerkingen met de nodige aandacht onderzoeken, teneinde een passend evenwicht te waarborgen tussen de bescherming van personeelsleden die met geweld worden geconfronteerd, en de eerbiediging van de grondrechten van de burgers.
Ik heb de studie hier niet, maar we zien dat de bodycams in andere landen een echt belangrijk de-escalatie-effect sorteren.
18.03 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister. Wij kijken uit naar het wetsontwerp.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Vraag nr. 56015830C van mevrouw Verkeyn is zonder voorwerp. De vragen nrs. 56016454C van de heer De Smet en 56016512C van de heer Orlians worden schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nr. 56016516C van de heer Legasse en nr. 56016563C van de heer Bergers worden uitgesteld. De samengevoegde vragen nrs. 56016519C van de heer Thiébaut, 56016543C van de heer Dubois, 56016556C van mevrouw Daems, 56016558C van mevrouw Jacquet, 56016584C van de heer Dubois, 56016626C van de heer De Smet en 56017118C van de heer Dubois worden uitgesteld. Vraag nr. 56016531C van mevrouw Hugon Lecharlier is zonder voorwerp. De samengevoegde vragen nrs. 56016533C van de heer Vandemaele en 56016552C en 56016557C van de heer Meuleman worden schriftelijk behandeld. De samengevoegde vragen nrs. 56016379C van de heer De Smet en 56016458C van de heer Van Rooy worden schriftelijk behandeld.
19.01 Arthur Orlians (Anders.):
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.
In
De Tijd lezen we vandaag een artikel dat minister Quentin werk maakt van een
premie voor politieagenten in de Rand rond Brussel. De premie moet het verschil
in loon tussen een politieagent in Brussel en een politieagent in de Rand
verkleinen. Daarom heb ik twee vragen:
Is dit de juiste aanpak, want gaat dit
niet als een olievlek werken? Het verschil tussen de Rand enerzijds en de
politiezones náást de Rand gaat nu groter worden?
Om welke premie gaat het juist? Hoe hoog
is de premie?
19.02 Minister Bernard Quintin: Welkom, mijnheer Orlians.
Eerst en vooral wil ik melden dat het politieke besluitvormingsproces omtrent de randpremie lopende is. Ik wil hier niet op vooruitlopen. Het voorstel ligt op de regeringstafel.
Ik wil de toekenning van een randpremie aan de politiezones die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest uitvoeren conform het regeerakkoord. In het huidige voorstel houd ik me dan ook aan een strikte interpretatie van dat akkoord: "Om de aantrekkelijkheid van de specifieke politiezones in de rand rond Brussel te verhogen voeren we een premie in voor deze politiemensen."
Terloops merk ik op dat er tussen de Nederlandstalige en Franstalige versie van het regeerakkoord een verschil bestaat.
En effet, en français nous disons: "afin d'augmenter l'attractivité de certaines zones de police dans la périphérie bruxelloise, nous étudions la possibilité d'introduire une prime pour ces policiers".
Het is misschien wat laat geworden in de Militaire School.
Concreet heb ik gezocht naar een evenwichtige en coherente toekenning die enerzijds positief is voor de betrokken politiezones en anderzijds geen nefaste effecten heeft op andere politiezones of entiteiten van de federale politie die eveneens kampen met personeelstekort.
De randpremie die ik voorstel, is geïnspireerd op de bestaande toelage voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en bedraagt een percentage daarvan, rekening houdend met de omvang van het betrokken korps. De precieze bedragen zullen worden vastgelegd in het koninklijk besluit dat binnenkort aan de regering wordt voorgelegd.
Belangrijk is dat de bestaande toelage voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest haar volle uitwerking en aantrekkelijkheid blijft behouden voor de personeelsleden van de politie in dat arrondissement, te meer omdat daar een belangrijke fusieoperatie van de zes Brusselse politiezones loopt en op het niveau van de federale politie een reorganisatietraject aan de gang is.
Ik wil de perimeter geografisch begrenzen om de deur niet op een kier te zetten voor andere politiezones, die op basis van criminaliteitscijfers of andere uitdagingen eveneens aanspraak zouden willen maken op een dergelijke premie. Zo hebben bijvoorbeeld ook politiezones op de rechtstreekse verbindingswegen van en naar Brussel mij herhaaldelijk gewezen op uitdijende criminaliteitsfenomenen en personeelstekort. Het doorslaggevende en objectieve criterium blijft de geografische grens met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aangevuld met het vastgestelde personeelstekort in de betrokken, veel te kleine korpsen.
Wat de impact betreft, de effecten van deze maatregel op rekrutering, retentie en samenwerking tussen zones zullen worden opgevolgd. Het is bovendien duidelijk dat de randpremie slechts één element is binnen een breder pakket. Alleen inzetten op een financiële toelage zou betekenen dat uitsluitend geloof wordt gehecht aan de extrinsieke motivatie van het politiepersoneel, wat onvoldoende is. Daarom heb ik in sectorale onderhandelingen opgestart, waarin ik niet alleen een loonsverhoging voor de operationele personeelsleden voorzie, maar ook een reeks maatregelen om de aantrekkelijkheid van de politie als organisatie en werkgever structureel te verhogen. We zijn daarover aan het onderhandelen, dus ik zal daar niet over uitweiden.
Alle politiezones, ook die in de rand rond Brussel, zullen worden begunstigd door de brede maatregelen van het sectoraal akkoord. Boven op de randpremie zullen zij ook aanspraak kunnen maken op die verhogingen.
Ik maak van de gelegenheid gebruik om een lans te breken voor de fusie van de politiezones, ook in Vlaams-Brabant, want 23 politiezones in Vlaams-Brabant, is veel te veel. Ze zijn veel te klein en kampen niet alleen met een tekort, maar ook met organisatorische problemen door hun kleinheid.
19.03 Arthur Orlians (Anders.): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw interessant antwoord.
Een randpremie zou de aantrekkelijkheid ten opzichte van Brussel verhogen, maar zorgt die manier van werken er niet gewoon voor dat de spreekwoordelijke olievlek uitdeint en het probleem telkens opschuift? U geeft immers een randpremie aan de randgemeenten rond Brussel, maar de gemeenten die daar net naast liggen krijgen dan weer een concurrentieel nadeel. Is dat wel de juiste manier van werken? Het probleem verschuift immers voortdurend en ook andere politiezones zullen daarvan de gevolgen ondervinden.
Ik denk daarom dat een bredere aanpak nodig is, waarbij men naar alle politiezones kijkt en de capaciteitsproblemen probeert op te lossen met algemene maatregelen, in plaats van telkens een specifieke maatregel te treffen, ook in de rand. Volgens mij is dat niet de juiste aanpak.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: De agenda van de minister laat niet toe om nog meer vragen te stellen. Ik wil de aanwezige leden wel nog vragen of zij hun geagendeerde vragen schriftelijk willen laten behandelen.
19.04 Arthur Orlians (Anders.): Mijnheer de voorzitter, die werkwijze is nog nieuw voor mij. Betekent dat dat ze direct worden beantwoord en dat we dus niet wekenlang op de antwoorden moeten wachten? Oké, dan mogen ze allemaal aan het verslag worden toegevoegd.
19.05 Frank Troosters (VB): Mijnheer de voorzitter, ook mijn vier mondelinge vragen mogen schriftelijk worden behandeld.
19.06 Ortwin Depoortere (VB): Voor mijn vragen mag dat ook.
De voorzitter: Mijnheer de minister, bedankt voor het toch zeer groot aantal vragen dat u hebt beantwoord.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.58 uur.
La réunion publique de commission est levée à 17 h 58.
De antwoorden werden door de
Les réponses ont été fournies par
Monsieur le Ministre,
Cette question nous vient directement du
terrain, plus précisément des zones de secours qui nous interpellent sur
l’application concrète du principe de l’aide adéquate la plus rapide.
Le principe du double départ systématique et
complet du service d’incendie territorialement compétent et du service
d’incendie dit « le plus rapide » a été introduit en 2008 à titre expérimental
et transitoire.
Or, une circulaire de 2013, relative à
l’application de l’arrêté royal du 10 novembre 2012, a clairement indiqué que
ce principe avait été abandonné, qu’il ne devait plus constituer qu’une
exception, et que seuls les moyens réellement nécessaires à l’intervention
devaient être engagés. Cette même circulaire souligne que le double départ
systématique doit être évité autant que possible, notamment en raison des coûts
qu’il engendre, et encourage la conclusion de conventions entre services afin
de prévenir ces situations.
Pourtant, dans la pratique, les zones nous
indiquent que le double départ reste largement appliqué.
Par ailleurs, si la loi prévoit le recours
au service d’incendie le plus rapide lorsque certaines parties du territoire ne
peuvent être desservies rapidement par le service territorialement compétent,
le terrain constate aujourd’hui des situations inverses : dans de nombreux
endroits, le service territorialement compétent est objectivement le plus
rapide, mais un service voisin est malgré tout engagé.
Les zones pointent également le rôle du
logiciel CITIGIS dans la détermination des délais. Selon les informations qui
nous remontent du terrain, une orientation introduite en 2014, sous la Ministre
Milquet, conduirait à l’envoi des deux services dès qu’il y a une différence
d’une seconde. Cette pratique engendrerait plusieurs effets problématiques :
une course à l’intervention, avec des risques accrus pour la sécurité routière,
ainsi que des situations opérationnelles peu cohérentes, où plusieurs autopompes
arrivent simultanément sur les lieux et se gênent mutuellement.
Les zones soulignent en outre qu’en
l’absence de dispatching provincial, il n’existe pas de vision d’ensemble
claire sur les moyens engagés.
Elles relèvent également que les temps
moyens calculés par CITIGIS, ou par les zones elles-mêmes, présentent parfois
des écarts de l’ordre de deux à trois minutes. Selon elles, la manière de
calculer n’est pas bonne, ce qui conduit, dans la pratique, à ne pas
systématiquement engager le service effectivement le plus rapide.
Un exemple concret nous a été rapporté à
Plombières : lors d’une intervention, le service considéré comme « le plus
rapide », celui de La Calamine, devait engager une autopompe avec six pompiers,
conformément aux règles en vigueur relatives aux effectifs minimaux prévues par
l’arrêté royal du 10 novembre 2012, mais ne disposait pas des effectifs requis.
En dépit de ce cadre légal, une autopompe
est néanmoins partie avec cinq pompiers, renforcée par quatre pompiers de
Lontzen, en plus du départ du service territorialement compétent.
Résultat : plus de vingt pompiers mobilisés
pour une seule intervention, illustrant une mobilisation excessive des moyens
et les dérives de l’application actuelle du principe.
Dès lors, Monsieur le Ministre,
pourriez-vous préciser :
Quelle est aujourd’hui l’interprétation
officielle du principe de l’aide adéquate la plus rapide ;
Si des évolutions ou clarifications
réglementaires sont envisagées afin d’aligner la pratique sur le droit et sur
les réalités du terrain ?
Et si une évaluation du fonctionnement du
logiciel CITIGIS, notamment en ce qui concerne le calcul des temps de parcours
et son impact sur l’engagement des moyens, est envisagée ?
Je vous remercie.
Antwoord -
Réponse:
L’article 2 de la loi du 15 mai 2007
relative à la Sécurité civile définit l’aide adéquate la plus rapide comme «
les services opérationnels qui peuvent, avec les moyens adéquats, être sur les
lieux d'une intervention dans le délai le plus court ».
L’article 6, §2, de cette loi dispose que
les zones de secours concluent entre elles des conventions qui règlent les
modalités financières et de mise en œuvre de l’aide adéquate la plus rapide.
C’est par le biais de ces conventions qu’une
zone de secours peut renoncer à intervenir sur son propre territoire et même à
être avertie par le 112 lorsque des pompiers d’une autre zone de secours sont
appelés à intervenir sur la base du principe de l’aide adéquate la plus rapide.
La circulaire du 10 juillet 2013 que vous
évoquez dans votre question insiste sur la nécessité de réduire le double
départ systématique, dans l'intérêt d'une utilisation efficace et rationnelle
des finances publiques.
Lors d’un appel pour une intervention
relevant de l’aide adéquate la plus rapide, le 112 envoie un message XML au
dispatching dont relève le poste de la zone le plus rapide et, s’il est
différent, au dispatching de la zone territorialement compétente. Chaque
message contient un des trois codes suivant: « compétent et le plus rapide », «
le plus rapide mais pas compétent » ou « compétent mais pas le plus rapide ».
Comme mentionné précédemment, une zone de secours peut, suite à une convention,
demander au 112 de ne plus recevoir les messages avec le code « compétent mais
pas le plus rapide ».
L’envoi d’un double départ résulte donc,
soit de l’absence de convention entre zones de secours, soit de la décision du
dispatching de la zone territorialement compétente d’envoyer un second départ
malgré la convention.
Dans les deux cas, le double départ est une
conséquence de décisions relevant de l’autonomie zonale et non de la
réglementation fédérale qui ne doit donc pas être modifiée sur ce point. Il
revient à chaque zone d’organiser son service afin d’utiliser ses ressources
financières de la manière la plus efficace possible pour éviter les dérives que
vous citez.
En ce qui concerne le mode de calcul du
poste zonal de secours le plus rapide, il est important de noter que chaque
application permettant de calculer un itinéraire, tels que CityGIS, Google
Maps, Waze, OpenStreetMap, etc., présente ses propres particularités et que les
logiciels utilisés par les citoyens ne tiennent généralement pas compte des
règles spécifiques applicables aux véhicules prioritaires.
De plus, la cartographie est un domaine
complexe qui évolue en permanence (nouvelles routes, embouteillages, travaux,
déviations, etc.). L’objectif des centrales d’urgence 112 est naturellement de
se rapprocher le plus possible de la réalité et, le cas échéant, d'améliorer le
calcul des délais. Mon administration invitera l’organe représentatif des
sapeurs-pompiers (BBSPB) à examiner, en collaboration avec l’entreprise CityGIS
et la SA Astrid, les optimisations qui pourraient encore être apportées, en tenant
compte du fait que le logiciel CityGIS est également utilisé pour la gestion de
l’aide médicale urgente.
Geachte minister,
Intrafamiliaal geweld blijft een van de
meest hardnekkige en complexe problemen in onze maatschappij. Het gaat vaak om
terugkerende, escalerende situaties met een grote impact op slachtoffers,
plegers én kinderen. Een duurzame doorbreking van die geweldcyclus vraagt niet
alleen een snelle politionele en justitiële reactie, maar ook een
gecoördineerde aanpak waarin informatiedeling, risico-inschatting en opvolging
essentieel zijn.
De Veilige Huizen spelen hierin een
sleutelrol als netwerkorganisatie waar politie, justitie en hulpverlening
structureel samenwerken, dossiers afstemmen en expertise bundelen. Die
samenwerking kan pas efficiënt functioneren wanneer er vanuit de politiezones
voldoende en stabiele capaciteit is om de brug te maken: verbindingspersonen
die het aanspreekpunt zijn, de doorstroom en terugkoppeling organiseren, en mee
waken over kwaliteit, continuïteit en veiligheid.
In het federale regeerakkoord is
expliciet opgenomen dat politiezones worden gevraagd om voldoende
verbindingspersonen vrij te stellen zodat de brug kan worden gemaakt tussen de
politiezones en de Veilige Huizen. Vanuit het werkveld bereiken ons signalen
dat die invulling vanuit het federale niveau vandaag nog niet gerealiseerd is.
Dat is problematisch, net omdat deze verbindingsrol essentieel is voor een
effectieve aanpak van intrafamiliaal geweld, betere bescherming van
slachtoffers en het beperken van recidive.
Daaromtrent volgende vragen:
1.
Welke stappen heeft de minister al gezet om politiezones formeel aan te
zetten en te ondersteunen om deze capaciteit vrij te maken?
2.
Welke middelen en omkadering voorziet de minister om deze vrijstelling
haalbaar te maken binnen de lokale politie, gezien de algemene capaciteitsdruk?
3.
Welke timing koppelt de minister aan de volledige uitvoering van dit
engagement?
4.
Hoe zal de minister de uitvoering monitoren en handhaven?
5.
Welke stappen heeft de minister ondernomen om politie te stimuleren
structureel overzichtsdossiers op te maken bij risicovolle situaties en aan te
melden bij Veilig Huis met het oog op intersectorale infodeling en een
eventueel verder traject?
Antwoord - Réponse:
Mevrouw De Vreese,
In het Regeerakkoord is inderdaad een
passage opgenomen voor het Vlaams initiatief “Veilig Huis”: “We faciliteren
optimaal de werking van de Veilige Huizen door het gebruik van het
overzichtsdossier in WIDA (elektronisch dossierbeheerssysteem) en vragen de
politiezones om voldoende verbindingspersonen vrij te stellen zodat de brug kan
gemaakt worden tussen de politiezones en de Veilige Huizen.”
In die context heb ik dit punt op 26
maart 2026 geagendeerd tijdens mijn maandelijks overleg met de voorzitters van
het Coördinatiecomité van de Geïntegreerde Politie, met name de Voorzitter van
de Vaste Commissie van de Lokale Politie (VCLP) en de Commissaris-generaal van
de Federale Politie, aangezien het initiatief de beide componenten van de
Geïntegreerde Politie aanbelangt.
Ik heb hen daarbij gewezen op de twee
relevante bepalingen uit het Regeerakkoord met betrekking tot de Veilige
Huizen.
Wat de verbindingspersonen van de Politie
in de Veilige Huizen betreft, wil ik in de eerste plaats benadrukken dat het
Regeerakkoord niet bepaalt dat hiervoor federale middelen moeten worden
voorzien of vrijgemaakt. De federale middelen dienen prioritair te worden
ingezet voor de eigen federale projecten rond gendergerelateerd, seksuele
delicten en intrafamiliaal geweld, naast andere belangrijke en ernstige
fenomenen in onze samenleving.
De federale regering neemt deze
problematiek ook zeer ter harte door diverse initiatieven ter zake te
ontplooien, voor de Politie in overleg met Justitie en Gelijke Kansen.
Voorbeelden hiervan zijn de maatregelen opgenomen in de Kadernota Integrale
Veiligheid 2026-2029 en het Nationaal Veiligheidsplan 2026-2029 voor de
Politie.
Daarnaast kan het niet de bedoeling zijn
dat het federaal beleidsniveau de financieringsinspanningen van de deelstaten
overneemt als blijkt dat deze laatsten deze inspanningen op termijn niet meer
kunnen/mogen verzekeren.
Conform het Regeerakkoord heb ik op het
voormeld overleg van 26 maart laatsleden de opdracht gegeven aan de VCLP om
- de politiezones hierop te wijzen en
specifiek aan de Vlaamse politiezones te vragen om voldoende
verbindingspersonen vrij te stellen voor de Veilige Huizen;
- mij een stand van zaken te bezorgen
over de inzet van de verbindingspersonen van de politiezones in de Veilige
Huizen (Vlaanderen), Olista (Brussel) en Divico (Wallonië). Zo kan ik nagaan
‘of’ er hiermee problemen zijn en ‘welke’ oplossingen zich mogelijk aandienen.
Bij uw verschillende vragen wil ik toch
de volgende bemerkingen formuleren. Eerst en vooral heb ik geen enkele
instructie ter zake te geven aan de lokale politie met betrekking tot de
(overzichts)dossiers in de Veilige Huizen aangezien deze opdrachten van
gerechtelijke politie betreffen en de aansturing ervan onder de bevoegdheid
valt van het Parket.
Ook gaat om “bovenlokale”
samenwerkingsverbanden en komt het de deelnemende Politiezones toe om te na te
gaan wat mogelijk/wenselijk is aan politionele capaciteit in deze centra. Dit
zone per zone, of fenomeen per fenomeen, analyseren en/of bepalen op mijn
niveau, heeft geen zin. Het stimuleren van fusies tussen Politiezones is
wellicht een structurele oplossing die op termijn moet helpen om dit
capaciteitsvraagstuk op te vangen.
De nieuwe financieringswet met in begrip
van de federale dotaties, die ik voorbereid voor de Lokale Politie, moet haar
in staat stellen om bovenop de gemeentelijke dotaties, de eigen lokale
basispolitiezorg alsook de federale opdrachten ten behoeve van de Geïntegreerde
Politie te verzekeren.
Ad-hoc-financieringen voor afzonderlijke
initiatieven of fenomenen – hoe lovenswaardig/noodzakelijk ook – worden naar de
toekomst toe niet langer beoogd.
Tot slot zult u begrijpen dat dit complex
en moeilijk fenomeen zich niet alleen in Vlaanderen voordoet maar ook in
Brussel en Wallonië. Het lijkt me dan ook billijk dat ik, met respect voor het
deelstatelijk beleid (waaronder de Veilige Huizen in Vlaanderen, Olista in
Brussel en Divico in Wallonië), voor de Politie toch een landelijke coherent en
uniform beleid nastreef.
Wat betreft de informatiedeling tussen de
Politie en het Veilige Huis via de Focus-WIDA-link, kan ik alvast positief
nieuws melden. Nadat deze informatiedeling ook wettelijk werd geregeld (art 458
van het Strafwetboek over de verwerking van persoonsgegevens in het
casusoverleg), zijn afgelopen maanden de functionele en technische analyses
verricht bij de Politie, in overleg met Vlaanderen. Zowel de Federale (DGR/DRI)
als de Lokale Politie (Focus-team) hebben hiervoor de nodige capaciteit, tijd
en financiële middelen ingezet.
De API-poort tussen FOCUS en WIDA werkt,
wat betekent dat de twee applicaties nu geconnecteerd zijn. Het is nu technisch
mogelijk dat Politie via FOCUS inlogt in de WIDA-omgeving om de gegevens IFG te
synchroniseren. Momenteel kunnen er echter nog geen gegevens worden
uitgewisseld.
Zowel DGR/DRI als FOCUS geven aan dat
Vlaanderen voor WIDA nog een bijkomende ontwikkeling en configuratie moet
uitvoeren voordat de gegevensuitwisseling effectief kan plaatsvinden (gepland
in mei 2026). Pas daarna kan de flux van gegevens tussen FOCUS en WIDA worden
getest en, indien succesvol, in productie worden gebracht (planning mei/juni
2026).
In onderling overleg (Vlaanderen &
Politie) is overeenkomen om de daadwerkelijke uitrol niet tijdens de
zomermaanden (omwille van de verlofperioden) door te voeren maar wel in
september, bij de start van het gerechtelijk jaar.
Ik kan u verzekeren dat ik dit project
van nabij opvolg. Dit doe ik door van vanuit mijn Kabinet en samen met de
Politie deel te nemen aan de Intersectorale Stuurgroep Veilig Huis (de geplande
meeting van 20 maart 2026 vanuit Vlaanderen werd echter afgelast) en door bij
de Politie na te gaan welke vorderingen er worden geboekt.
Monsieur le Ministre,
Aujourd'hui, des outils officiels développés
par l'État belge — tels que MyGov — permettent aux citoyens d'accéder à leurs
données d'identité via smartphone. Pourtant, ces outils ne sont pas encore
reconnus comme preuve valable dans toutes les situations de la vie courante :
contrôle de police, présentation d'une carte d'identité, production d'un permis
de conduire, et bien d'autres encore.
Cette situation est d'autant plus
difficilement justifiable que le cadre juridique européen ouvre clairement la
voie à une telle reconnaissance.
Le règlement eIDAS 2.0 (règlement UE
2024/1183), dont la transposition s'impose aux États membres, pose les bases
d'une identité numérique reconnue à l'échelle de l'Union européenne.
La Belgique, qui dispose pourtant d'une
tradition solide en matière d'identité électronique depuis la loi du 25
novembre 2018 relative à la carte d'identité électronique, se trouve
aujourd'hui en retard par rapport à plusieurs États membres — notamment l'Estonie,
les Pays-Bas et l'Allemagne — qui ont déjà engagé des réformes ambitieuses en
ce sens.
L'incohérence est donc double :
- d'une part, l'État investit dans des
outils numériques officiels qu'il ne reconnaît pas pleinement sur le terrain ;
- d'autre part, une obligation européenne de
transposition reste sans réponse législative adéquate.
Ce retard prive les citoyens d'une facilité
qu'offre le numérique alors qu'ils en assument de nombreux inconvénients.
À l'heure où la digitalisation des services
publics est érigée en priorité nationale et européenne, il devient impératif de
sécuriser, d'harmoniser et de légaliser pleinement l'usage des preuves
numériques dans toutes les circonstances où un document d'identité physique est
aujourd'hui exigé.
Monsieur le Ministre :
- Où en est la transposition du règlement
eIDAS 2.0?
- Quel chemin votre Gouvernement
envisage-t-il de prendre pour de conférer aux données sur smartphone le statut
de document d'identité reconnu en toutes circonstances ?
Antwoord -
Réponse:
Le règlement (UE) 2024/1183, dit « eIDAS 2.0
», est entré en vigueur le 20 mai 2024 et, en tant que règlement, il est
directement applicable. Il ne nécessite donc pas, en tant que tel, une
transposition classique, mais bien des mesures d’exécution et d’adaptation de
notre droit interne pour en permettre la mise en œuvre concrète. En Belgique,
nous devons définir clairement quelles données des citoyens pourront être
traitées pour cette finalité, et à quelles conditions. Or, à ce stade, toutes
les spécifications européennes relatives aux données d’identification
personnelle ne sont pas encore définitivement arrêtées. Il serait donc
prématuré de figer dans la loi belge une liste de données qui pourrait devoir
être revue à très court terme.
Par ailleurs, il est important de rappeler
que le règlement eIDAS 2.0 ne crée pas une « carte d’identité numérique »
utilisable en toutes circonstances comme substitut à la carte d’identité
physique. Il encadre avant tout l’identité numérique pour les usages en ligne
(authentification, signatures électroniques, attestations d’attributs).
En ce qui concerne la dématérialisation de
la carte d’identité électronique, les institutions européennes ne se sont pas
prononcées de manière formelle comme elles l’ont fait pour le permis de
conduire (mDL) ou le passeport (DTC).
Pour évoluer vers une identité numérique
conforme au règlement eIDAS, et en conséquence présenter des attestations comme
les versions digitales du permis de conduire ou de la carte d’identité, myGov
devra intégrer le Person Identification Data (PID) et être certifié par une
autorité belge spécifiquement désignée dans ce cadre. Or, actuellement, ni le
contenu du PID ni les schémas de certification ne sont définitivement établis
au niveau européen. Je tiens à vous rassurer, nous ne sommes donc pas en retard.
En outre, en ce qui concerne la
dématérialisation de la carte d’identité physique, les données aujourd’hui
disponibles via myGov ne permettent pas encore, à elles seules, d’assurer
l’ensemble des garanties nécessaires à une utilisation comme document d’identité
dématérialisé en toutes circonstances .Pour déterminer les données nécessaires,
il reste des règles essentielles à définir avec tous les acteurs fédéraux
concernés. Il s’agit, par exemple, de l’âge d’attribution, de la
dématérialisation des documents de séjour ou non ; de la validité d’une carte
d’identité numérique lors d’un contrôle de police ou d’un contrôle lors d’un
voyage, etc.
En fonction de ces choix, un autre obstacle
majeur concerne l’authentification sur base d’un document dématérialisé. En
effet, un document affiché sur un smartphone ne peut pas être validé
visuellement par des éléments de sécurité physique. Les autorités doivent
pouvoir vérifier son authenticité, son intégrité et sa validité via des outils
adaptés, qui ne sont actuellement pas disponibles. De plus, cette vérification
doit être rendue totalement opérante via une gestion du cycle de vie stricte
des informations reprises sur l’attestation. Par exemple, en cas de contrôle ou
de voyage, un agent d’État doit pouvoir identifier si le document doit être
retiré ou invalidé.
le SPF intérieur travaille activement avec
d’autres partenaires fédéraux pour
l’intégration du PID dans le digital wallet et le développement d’un système de
gestion des attestations, ou les services de contrôle pour préparer le passage
au numérique.
Le Gouvernement entend poursuivre résolument
la mise en œuvre du règlement eIDAS 2.0, tant au niveau juridique
qu’opérationnel.
Sur le plan juridique, les travaux
d’adaptation du cadre légal belge sont en cours afin de permettre le déploi
notamment la signature électronique qualifiée à distance. Une première lecture
d’un projet de texte est d’ailleurs planifiée à la mi-juin en Commission de
l’Intérieur.
Sur le plan opérationnel, les différents
services concernés au niveau des développements sont aussi occupés à tester
cette signature digitale à distance.
Toutefois, dans une matière aussi sensible
que l’identité numérique et les services de confiance, qui touchent directement
à la sécurité juridique, à la lutte contre la fraude et à la confiance des
citoyens dans les documents officiels, il importe de ne pas confondre vitesse
et précipitation.
Je peux à nouveau vous rassurer: l’ambition
du Gouvernement est donc d’avancer rapidement, mais avec les garanties
techniques, juridiques et opérationnelles nécessaires afin de garantir une
solution réellement fiable et sécurisée.
Depuis
le transfert de la compétence en matière de bien-être animal aux régions, il existe au sein de chacune
d’elles un service d’inspection composé
d’agents de terrain ayant des compétences élargies pour la constatation
et la poursuite des infractions.
Les services sont cependant en sous-effectif
par rapport au nombre de dossiers entrant chaque année.
Ce qui est remarqué sur le terrain, c'est
que certaines zones de police ont tendance à considérer que le bien être
animal n'est plus de la compétence de la
police puisque la matière a été transférée aux régions, ce qui n’est pas tout à
fait correct puisque la police est compétente pour constater toutes les
infractions.
La prise en charge des dossiers de bien-être
animal varie donc d'une zone à l'autre
en fonction de la sensibilité des policiers et chefs de corps à la thématique.
La formation des policiers est assez limitée. Il existe un cours pour les
aspirants mais il est optionnel.
Le Code flamand du bien-être des animaux
entend imposer la présence d'au moins un référent animal par zone de police,
processus qui a été validé par le
Conseil d’Etat en application de la théorie des pouvoirs implicites.
En Région bruxelloise , via le label
"commune amie des animaux", les communes ont été incitées à
former les policiers et les agents communaux via l'octroi d'une subvention,
avec l’objectif également de les sensibiliser à la thématique et que chaque
zone de police dispose au moins d'un référent animaux. Bon nombre de zones de
police sont intéressées par des formations mais elles n'ont pas de budget pour
les payer.
En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il
me faire savoir:
sans préjudice de la compétence “ratione
materiae” des Régions en matière de bien-être animal, si ses services disposent
d’éléments démontrant l’intérêt des zones de police en matière de lutte contre
la maltraitance animale?
dans l’affirmative, si des formations au
profit de policiers sont potentiellement finançables au sein des zones de
police, au besoin en concertation avec les Régions?
Antwoord -
Réponse:
Tout d'abord, je souhaiterais commencer par
rappeler que, pour ce qui concerne le bien-être animal, comme dans de
nombreuses matières régionalisées, le principe qui prévaut est que la police
agira/contrôlera à titre subsidiaire. Ce sont principalement les fonctionnaires
désignés qui établissent les constatations.
Au vu de la diffusion récente de la
note-cadre sécurité et du Plan National de Sécurité 2026-2029, les zones de
police sont actuellement en train de rédiger leur nouveau plan zonal de
sécurité.
La formation des policiers en matière de
bien-être animal fait l'objet de travaux actifs au sein de la Police
Intégrée.
Un groupe de travail dédié a été mis en
place afin de dresser un inventaire des formations existantes dans les écoles
de police (contenu et volume horaire), d'identifier les besoins opérationnels —
notamment en matière de saisie d'animaux —, et de viser une harmonisation des
formations.
Cette harmonisation est rendue
particulièrement nécessaire par les différences réglementaires entre Régions :
les infractions applicables et les procédures de saisie varient selon la région
d'intervention, ce qui implique des besoins de formation distincts pour les
policiers.
Au sein de ce groupe de travail, les écoles
néerlandophones sont actives dans le sillage de l'adoption de la Vlaamse Codex
Dierenwelzijn, qui a profondément rénové le cadre législatif flamand en matière
de bien-être animal. Les écoles francophones ont également marqué leur intérêt
à participer activement aux travaux, notamment en vue d'une mise à jour des
formations.
La thématique du bien-être animal est déjà
présente dans la formation de base des aspirants inspecteurs. Les adaptations
concrètes des programmes suivront les conclusions du groupe de travail.
Enfin, je terminerai en vous disant que
l’'organisation des formations est assurée en fonction des compétences,
capacités et budgets propres à chaque école de police.
Monsieur le Ministre,
La situation sécuritaire à Charleroi demeure
particulièrement préoccupante. Le sentiment d’insécurité y est élevé : près
d’un Carolo sur quatre déclare se sentir « toujours ou souvent en insécurité »,
un niveau supérieur à celui observé dans d’autres grandes villes. Cette
inquiétude s’inscrit dans un contexte marqué par une intensification des
violences, en particulier celles liées au trafic de stupéfiants.
Sur le terrain, les services de police et
les autorités judiciaires font face à des difficultés structurelles
importantes. Au niveau local, il manquerait près d’une centaine de policiers
pour atteindre un cadre complet, ce qui limite fortement les capacités
d’intervention et d’enquête.
Si la criminalité reste globalement stable
(environ 30 000 faits enregistrés par an), sa nature évolue vers une violence
accrue. Près de 150 faits impliquant des armes à feu ont été recensés sur une
année, soit plus d’un tous les trois jours. Dans certains quartiers, comme la
Ville-Haute, des affrontements liés au trafic de drogue dégénèrent
régulièrement, parfois avec usage d’armes blanches, impactant directement les
habitants et les commerçants.
Ce phénomène dépasse désormais largement
l’échelle locale. Les autorités soulignent leur difficulté à agir face à des
réseaux structurés et à des flux qui relèvent en grande partie du niveau
fédéral, appelant dès lors à un soutien renforcé.
Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser
les questions suivantes :
1.
Quelle évaluation actualisée faites-vous de
la situation sécuritaire à Charleroi, notamment en ce qui concerne l’évolution
de la violence liée au trafic de stupéfiants ?
2.
Comment expliquez-vous le sentiment
d’abandon exprimé par les autorités locales et une partie de la population, au
regard des moyens actuellement déployés ?
3.
Quelles mesures concrètes entendez-vous
prendre afin de renforcer les effectifs policiers et les moyens opérationnels à
Charleroi ?
4.
Envisagez-vous un renforcement du soutien
fédéral, y compris par des dispositifs exceptionnels tel que un déploiement
militaire, afin de faire face à cette situation ?
5.
Comment garantissez-vous une répartition
équitable des moyens de sécurité entre les différentes grandes villes du pays
confrontées à des problématiques similaires ?
Antwoord -
Réponse:
L’évolution de la situation sécuritaire à
Charleroi, en particulier des violences liées au trafic de stupéfiants, fait
l’objet d’un suivi étroit à travers plusieurs sources. Un monitoring national
assuré par la Police Judiciaire Fédérale permet de suivre spécifiquement les
faits de violence liés aux stupéfiants et d’objectiver les tendances
observées.
Par ailleurs, les opérations judiciaires
menées par la taskforce conjointe PJF–ZP Charleroi ont permis, en 2025, de
mettre fin à une guerre de territoire entre plusieurs groupes criminels et de
réduire significativement les violences. Les faits actuellement recensés
relèvent principalement d’une enquête locale ciblée et de situations isolées.
Une analyse statistique récente, réalisée à
l’occasion de ma visite à la PJF de
Charleroi du 1er avril, confirme l’absence de recrudescence généralisée, tout
en soulignant des phénomènes ponctuels suivis de manière continue.
Si les données du Moniteur de sécurité 2024
du Hainaut montrent effectivement que la zone de police de Charleroi présente
un niveau de sentiment d’insécurité plus élevé que les autres zones de la
province, ce ressenti exprimé au niveau local s’inscrit principalement dans des
dynamiques et des facteurs contextuels qui relèvent du périmètre
d’intervention des autorités locales,
non seulement au niveau de la police mais aussi des autres acteurs de terrain
comme les gardiens de la paix ou la sécurité privée. La Police Fédérale de
Charleroi continue d’assurer pleinement ses missions d’appui, en étroite
coordination avec la Police Locale. Le renforcement policier à Charleroi repose
sur un appui fédéral ciblé, la mobilisation de capacités spécialisées lorsque
nécessaire et une coordination renforcée entre les niveaux local et fédéral,
dans le cadre du Plan Grandes Villes, auquel Charleroi est associée au même
titre que les autres grandes villes belges et pour lequel le suivi est assuré
par le Comité stratégique de sécurité Plan Grande Villes.
La situation sécuritaire à Charleroi, et en
particulier l’évolution de la violence liée au trafic de stupéfiants, nécessite
un engagement constant et renforcé de l’ensemble des acteurs concernés. Le
niveau fédéral assume pleinement ses responsabilités en soutenant une approche
intégrée et structurelle, dans laquelle les mesures répressives et préventives
sont indissociablement liées.
D’une part, la lutte contre le trafic de
drogues et la criminalité qui y est associée est traitée de manière prioritaire
par les services de police, au moyen d’opérations ciblées et d’une présence
accrue sur le terrain. D’autre part, il est essentiel de s’attaquer également
aux problématiques sous-jacentes liées à la consommation de drogues et aux
nuisances qui en découlent.
Dans ce cadre, la ville de Charleroi
bénéficie d’un soutien fédéral substantiel est prévu pour Charleroi via le Plan
stratégique de sécurité et de prévention (PSSP). Ces moyens sont notamment
mobilisés pour des initiatives de travail de rue et de réduction des
risques.
Ces mesures sont indispensables pour agir de
manière structurelle tant sur l’offre que sur la demande de drogues et
contribuent à réduire le sentiment d’insécurité au sein de la population.
Quid de l’armée@ Ferre: va t-elle aussi être
déployée près des synagogues?
Sinds 1 januari 2025 gelden in het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest nieuwe technische normen en geluidsnormen voor
speciale geluidstoestellen op hulpvoertuigen. Vanuit het terrein bereiken mij
signalen dat deze regeling de operationele inzet van politievoertuigen kan
bemoeilijken tijdens dringende opdrachten, in het bijzonder bij interventies in
code 3, escorteopdrachten en situaties waarbij politievoertuigen een ambulance
of een ander prioritair voertuig begeleiden of kort opvolgen.
Dat roept ernstige vragen op. Een
prioritair voertuig moet in de praktijk immers voldoende hoorbaar en herkenbaar
zijn om veilig doorgang te kunnen krijgen. Wanneer een gewestelijke regeling de
technische mogelijkheden van sirenes sterk beperkt, rijst de vraag of men niet
verder gaat dan een loutere milieunorm en in werkelijkheid raakt aan de
federale bevoegdheden over politie en verkeersveiligheid.
Werd u, uw kabinet of de Federale Politie
vóór of na de inwerkingtreding van deze Brusselse normen geïnformeerd over
mogelijke veiligheidsproblemen of operationele hinder? Door welke actoren
gebeurde dat?
Werden hierover signalen of
waarschuwingen gegeven via overlegstructuren waarin de Brusselse
politiediensten of de lokale Brusselse politiezones vertegenwoordigd zijn?
Beschikt u over een federale juridische
of operationele analyse over de impact van deze Brusselse normen op de inzet
van prioritaire politievoertuigen, in het bijzonder wanneer politievoertuigen
in code 3 achter een ander prioritair voertuig rijden?
Werd onderzocht of deze Brusselse
beperkingen de hoorbaarheid en herkenbaarheid van politievoertuigen verminderen
en daardoor het risico op gevaarlijke situaties verhogen?
Hoe worden nieuwe voertuigen van de
Federale Politie vandaag technisch uitgerust op het vlak van sirenes? Wordt
daarbij uitgegaan van één federale standaard voor het hele land, of moeten
voertuigen die in Brussel worden ingezet voldoen aan strengere Brusselse
beperkingen dan voertuigen die in Vlaanderen of Wallonië rijden?
Heeft u onderzocht of het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest met deze voorschriften de federale bevoegdheid over
politie en verkeersveiligheid doorkruist?
Welk initiatief zult u nemen om de
operationele veiligheid te garanderen?
Antwoord - Réponse:
Zowel de Federale Politie als de Vaste
Commissie van de Lokale Politie hebben in 2022 een advies uitgebracht over het
voorontwerp, waarbij verschillende opmerkingen werden geformuleerd over de
operationele haalbaarheid van de invoering van een nieuwe geluidsnorm. Na de
inwerkingtreding heeft mijn kabinet geen enkel signaal opgevangen van
operationele hinder of geïdentificeerde veiligheidsproblemen.
Mijn kabinet beschikt niet over een
recente federale juridische of operationele analyse die zich in het bijzonder
focust op de impact van de nieuwe geluidsnorm op prioritaire verplaatsingen van
politievoertuigen en is niet op de hoogte van een eventueel onderzoek naar de
impact van de nieuwe geluidsnorm op de hoorbaarheid en herkenbaarheid van
politievoertuigen en/of andere prioritaire voertuigen van de overige
hulpdiensten.
Alle voertuigen van de Federale Politie
zijn administratief ingeschreven in Brussel, ook al worden deze in de praktijk
over het volledige Belgische grondgebied ingezet.
Het is bijgevolg onmogelijk om voertuigen te identificeren die
uitsluitend binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden ingezet. De enige
uitzondering hierop vormen de voertuigen van het Veiligheidsdetachement bij het
Koninklijk Paleis, die uitgerust zijn met een geluidstoestel dat conform is aan
de Brusselse normering.
De geluidstoestellen die momenteel door
de ombouwers van politievoertuigen worden geleverd, laten het op dit moment
niet toe om beide standaarden te
combineren in één systeem.
De voertuigen van de federale politie
beschikken wel over een geluidstoestel met een dag- en nachtstand.
De Federale Politie behoudt haar huidige
geluidstoestellen om te vermijden dat voertuigen in bepaalde contexten buiten
Brussel — zoals op snelwegen, een prioritair actieterrein van de Federale
Politie — onvoldoende hoorbaar zouden zijn.
Aangezien er op heden geen indicaties
zijn dat de operationele veiligheid in het gedrang komt, lijkt het nemen van
initiatieven op dit ogenblik niet nodig. Het is tot slot aan het Grondwettelijk
Hof om te oordelen of er al dan niet sprake is van een bevoegdheidsoverschrijding.
La question de l'inscription administrative
des personnes issues des Gens du Voyage demeure un enjeu important en matière
d'accès aux droits fondamentaux.
À cet égard, le recours à une adresse de
référence constitue souvent une solution indispensable pour les personnes ne
disposant pas d'un domicile fixe ou vivant en habitation mobile (caravane,
péniche, etc.). En pratique, plusieurs dispositifs coexistent selon les régions
: en Flandre, des organisations telles que Caritas Vlaanderen jouent un rôle de
boîte aux lettres pour ces publics; en Wallonie, des structures comme le Centre
social des bateliers assurent également cette mission, aux côtés des CPAS. Il existe
par ailleurs la possibilité de se domicilier auprès d'une personne physique.
Toutefois, il apparaît que de récentes
circulaires ont complexifié le recours à cette dernière option. Désormais, il
serait notamment exigé de fournir des informations détaillées sur les
itinéraires de déplacement, des attestations de séjour sur des lieux officiels,
voire des preuves matérielles telles que des tickets de carburant.
Ces exigences administratives soulèvent des
inquiétudes quant à leur faisabilité pour les personnes concernées et quant au
respect de leur mode de vie.
Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser
les questions suivantes :
1. Pouvez-vous confirmer l'existence de
nouvelles directives ou circulaires encadrant plus strictement l'inscription à
une adresse de référence, en particulier auprès d'une personne physique ?
2. Quels sont précisément les justificatifs
désormais requis pour les personnes vivant en habitat mobile, notamment issues
des Gens du Voyage ?
3. Comment ces exigences sont-elles
conciliées avec la réalité de leur mode de vie itinérant ?
4. Avez-vous évalué l'impact de ces mesures
sur l'accès aux droits fondamentaux (soins de santé, allocations, etc.) des
personnes concernées ?
5. Une harmonisation des pratiques entre les
Régions est-elle envisagée afin de garantir une égalité de traitement ? Quel
rôle est joué par le Fédéral ?
6. Enfin, un dialogue a-t-il été engagé avec
les représentants des Gens du Voyage et les associations de terrain, telle que
le Centre de Médiation des Gens du voyage, afin d'adapter ces dispositifs à
leurs réalités ?
Antwoord -
Réponse:
Par circulaire ministérielle du 18 septembre
2018 concernant l’inscription dans les registres de la population des personnes
qui résident dans une demeure mobile, un rappel de la législation et une
clarification de la réglementation a été transmise aux autorités locales.
Cette circulaire faisait suite à une
recommandation d’Unia du 29 novembre 2017 portant sur l’adresse de référence
pour les personnes qui séjournent dans une demeure mobile. Elle a été rédigée
par mon administration en concertation rapprochée et en accord avec Unia et le
Service de lutte contre la pauvreté, la précarité et l'exclusion sociale afin
d’apporter certaines clarifications dans la réglementation pour uniformiser les
décisions des communes dans l'attribution ou non d'une adresse de référence ou dans
la prise d'une radiation d'office en cas de contrôle ultérieur, afin d'être
conformes au cadre légal en vigueur.
Une liste indicative de pièces
justificatives raisonnables prouvant une existence itinérante que la commune
peut demander y a également été reprise en tenant compte du mode de vie
itinérant des Gens du voyage afin de garantir leurs droits fondamentaux par une
inscription dans les registres de la population.
La recommandation d’Unia a donc été suivie
et les dispositions reprises dans cette circulaire sont toujours d’application
actuellement.
Récemment, mon administration a également
pris connaissance du rapport d’Unia du 8 avril 2026 portant sur la
discrimination à l’égard des Roms et des Gens du voyage en Belgique et en
particulier les recommandations politiques afin de garantir le droit au
logement des Gens du voyage en rendant réellement possible la création de
terrains privés pour les Gens du voyage, en créant suffisamment d’emplacements
pour les Gens du voyage et qui ressort des compétences des Régions , et enfin
concernant le Fédéral, en rétablissant la possibilité de recours administratif
en cas de litige concernant l’adresse de référence auprès de mon
administration.
Une analyse est donc en cours dans mon
administration concernant cette recommandation et une réunion de concertation
sera ensuite organisée avec Unia et par son intermédiaire, avec des
associations représentant des Gens du voyage.
Aucune nouvelle circulaire fédérale n’a
récemment été adoptée afin de durcir les conditions applicables aux adresses de
référence pour les personnes vivant en demeure mobile. Les règles actuellement
applicables restent celles prévues par la circulaire du 18 septembre 2018.
Le statut des pompiers professionnels
prévoit un régime de travail particulier, incluant un nombre conséquent
d'heures et de jours de récupération. Ce dispositif vise notamment à garantir
le repos nécessaire après les interventions et à assurer la disponibilité
optimale des agents avant leur prochaine prise de garde.
Toutefois, il apparaît que, compte tenu de
ces périodes de récupération, de nombreux pompiers professionnels exercent
parallèlement une ou plusieurs activités complémentaires, que ce soit en tant
qu'indépendant ou comme salarié.
Dans ce contexte, je souhaiterais poser les
questions suivantes :
Quelle est la proportion de pompiers
professionnels qui exercent une activité complémentaire en plus de leur
fonction principale ?
Quelle est la proportion de pompiers
professionnels qui exercent deux activités complémentaires en plus de leur
fonction principale ?
Quelle est la proportion de pompiers
professionnels qui exercent plus de deux activités complémentaires en plus de
leur fonction principale ?
Les zones de secours étant des structures
relativement récentes, une étude a-t-elle déjà été menée afin d'évaluer
l'incidence de ces activités professionnelles complémentaires sur le
fonctionnement des services de la zone de secours, notamment en termes de
disponibilité, de fatigue ou de qualité des interventions ?
Certaines zones de secours envisageraient de
limiter le cumul des activités complémentaires. Quel est l'avis du ministre à
ce sujet ? Une réflexion ou une harmonisation à l'échelle nationale est-elle
envisagée ?
Je remercie le ministre pour les éléments de
réponse qu'il pourra apporter à ces questions.
Antwoord -
Réponse:
Je peux vous indiquer qu’une enquête a été
réalisée par l’organe national représentatif des zones de secours sur le nombre
de demandes de cumul faites par les pompiers professionnels au 1er janvier
2024. Il ressort de cette enquête qu’en moyenne 33% de pompiers professionnels
exercent une autre activité en cumul. Toutefois, il apparaît d’une analyse plus
approfondie que ce chiffre ne reflète pas la situation réelle. L’enquête ne
reprenait pas clairement qu’il fallait également mentionner les cumuls comme pompier
volontaire et ambulancier volontaire dans une autre zone, ni le cumul comme
instructeur dans un centre de formation pour la sécurité civile. Il en résulte
que certaines zones n’ont pas donné d’information à ce sujet. D’autre part, les
informations du service d’incendie et d’aide médicale urgente de la Région de
Bruxelles-Capitale ne figurent pas dans l’enquête. Or, le SIAMU représente près
d’1/5e des pompiers professionnels du pays.
Il en résulte qu’une nouvelle enquête est
nécessaire pour disposer de données complètes et fiables permettant de répondre
à vos questions.
Pour ce qui concerne une éventuelle étude
permettant d'évaluer l'incidence de ces activités professionnelles
complémentaires sur le fonctionnement des zones de secours, notamment en termes
de disponibilité, de fatigue ou de qualité des interventions, je peux vous
indiquer qu’il n’y a pas eu d’étude menée au niveau fédéral.
Vorige week werd in Watermaal-Bosvoorde
een bijeenkomst met de Franse politicus Florian Philippot op het laatste moment
verboden door burgemeester David Leisterh van de MR. Als reden werd
"openbare orde" ingeroepen. Philippot zag zich genoodzaakt zijn
toespraak geïmproviseerd op straat te houden.
Ik stel helaas vast dat dergelijke
verboden blijven plaatsvinden, denk bijvoorbeeld aan NatCon. Dit telkens met
dezelfde drogreden van "openbare orde". Onze overheden hebben niet
enkel de plicht om zich van censuur te onthouden, maar ook om actief de
vrijheid van meningsuiting te beschermen.
Heeft u kennis genomen van het verbod op
de bijeenkomst met de heer Philippot in Watermaal-Bosvoorde? Heeft u hierover
contact opgenomen met de betrokken burgemeester?
Hoe beoordeelt u de beslissing van uw
partijgenoot-burgemeester?
Bent u het ermee eens dat het structureel
verbieden van rechtse politieke bijeenkomsten omwille van drogredenen
onverenigbaar is met onze democratische rechtsstaat?
Welke concrete maatregelen neemt u om te
voorkomen dat burgemeesters de "openbare orde" blijven misbruiken als
politiek instrument om sprekers het zwijgen op te leggen?
Is de federale overheid bereid
richtlijnen uit te vaardigen aan lokale besturen over de grenzen van het verbod
op politieke bijeenkomsten?
Antwoord - Réponse:
De federale overheid heeft kennisgenomen
van de beslissing van de burgemeester van Watermaal-Bosvoorde.
De federale overheid oefent geen
voorafgaand toezicht op individuele beslissingen van bestuurlijke politie
genomen door de lokale besturen. Deze beslissing behoort in eerste instantie
tot de autonomie van het lokaal bestuur en wordt door een lokale risicoanalyse
ingegeven.
Burgemeesters beschikken over de
bevoegdheid om preventieve maatregelen te nemen ter bescherming van de openbare
orde, rekening houdend met de noodzakelijkheid, proportionaliteit van de
maatregel. Het is niet aan mij maar wel aan de rechterlijke macht om te
oordelen of een specifieke beslissing aan deze voorwaarden voldoet.
Systematische beperkingen op politieke
bijeenkomsten, louter op basis van abstracte of onvoldoende onderbouwde
risico’s voor de openbare orde, zijn niet verzoenbaar met vde fundamentele
rechten.
Het begrip “openbare orde” mag dan ook
geen algemeen of politiek instrument worden om ongewenste meningen preventief
te weren. Onze rechtsorde voorziet reeds in belangrijke waarborgen, zoals:
· de motiveringsplicht van de
bestuurlijke handelingen;
· de mogelijkheid tot schorsing en
vernietiging ervan door de Raad van State;
· een mogelijke strafrechtelijke
procedure op basis van artikel 151 van het Strafwetboek van 1867;
· en een eventuele burgerrechtelijke
vordering a posteriori.
De federale overheid blijft het belang
benadrukken van een terughoudend en zorgvuldig gebruik van maatregelen van
bestuurlijke politie wanneer fundamentele rechten in het geding zijn.
België nam in 2023 een voortrekkersrol
met de wet "Stop Feminicide". Deze wet is essentieel om
gendergerelateerd geweld niet langer als een optelsom van individuele feiten te
zien, maar als een structureel maatschappelijk probleem. Echter, uit het
grootschalige EU-GBV-onderzoek van 2026 blijkt dat de kloof tussen de
wettelijke ambitie en de realiteit op het terrein onrustwekkend groot blijft.
Hoewel de oprichting van het
wetenschappelijk comité voor de analyse van feminicides een feit is, verwachten
we hun eerste aanbevelingen pas over twee jaar. Daarnaast zullen de eerste
officiële cijfers over feminicide waarschijnlijk pas eind 2026 gepubliceerd
worden. Dit komt mede doordat een noodzakelijk koninklijk besluit over welke
gegevens politie en justitie moeten verzamelen, nog altijd op zich laat
wachten. Dit is bijzonder pijnlijk, zeker als we weten dat naar schatting elke
twee weken een vrouw wordt vermoord in ons land en dit cijfer ontoelaatbaar
hoog blijft.
Daarnaast waarschuwen experts voor een
aanzienlijk 'dark number'. Dat zijn verdwijningen of zelfdodingen na
intrafamiliaal of seksueel geweld, die onterecht niet als feminicide worden
geregistreerd en onderzocht.
Wat is de exacte status van de
uitvoeringsbesluiten van de wet van 13 juli 2023?
De wet voorziet in verplichte opleidingen
voor politiediensten om signalen van feminicide en partnergeweld beter te
herkennen. Hoeveel politieagenten hebben deze opleiding intussen effectief
gevolgd?
De wet maakt tevens risicotaxatie
verplicht bij meldingen van geweld. Wordt deze risicotaxatie vandaag effectief
en systematisch toegepast door alle politiezones, en hoe wordt dit
gecontroleerd?
Hoe verklaart u dat 40,5% van de
slachtoffers van stalking niet tevreden is over de politie-interventie? Welke
concrete instructies zijn er om "victim blaming" en minimalisering
aan het onthaal tegen te gaan?
Bestaat er een plan om in elke
politiezone gespecialiseerde eenheden of referentiepersonen aan te stellen voor
álle vormen van gendergerelateerd geweld, naar analogie met de zedeninspecteurs
bij seksueel geweld?
Er blijken in verschillende dossiers
signalen gemist te worden. Welke concrete richtlijnen bestaan er vandaag voor
de politiediensten om verdachte verdwijningen of onopgeloste overlijdens
systematisch te screenen op feminicide, om zo het 'dark number' proactief aan
te pakken?
Antwoord - Réponse:
De wet van 13 juli 2023 voor de preventie
en de bestrijding van feminicides en gendergerelateerde dodingen vervolledigt
de omzetting van Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van
20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in
strafprocedures en van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de
Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de
ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter
vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.
Die omzetting werd niet uitgevoerd door
Binnenlandse zaken maar wel door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen
en mannen, dat niet afhangt van de minister van Binnenlandse zaken. Het lijkt
me dus redelijk om de betrokken vragen aan de minister van Gelijke Kansen te
stellen.
De uitvoering van de wet van 13 juli 2023
vereist een nauwe samenwerking tussen verschillende federale actoren, waaronder
Gelijke Kansen, Justitie en Binnenlandse Zaken. Voor wat de politiediensten
betreft, wordt actief verder gewerkt aan de operationalisering van
verschillende bepalingen van de wet.
Tot op heden is één uitvoeringsbesluit effectief aangenomen,
namelijk: het KB van 26 april 2024 tot oprichting van het Wetenschappelijk
Comité voor de analyse van feminicides en gendergerelateerde dodingen. Voor een
aantal bepalingen van de wet worden de uitvoeringsmodaliteiten momenteel verder
uitgewerkt, onder meer inzake gegevensverzameling, risicotaxatie en
operationele procedures. De betrokken ontwerpen van koninklijk besluit bevinden
zich momenteel in een advies- en overlegfase. Een eerste ontwerp betreft het
verzamelen door de politiediensten en de diensten van Justitie van de relevante
gegevens met het oog op de uitvoering van artikelen 9, 10 en 11 van de wet van
13 juli 2023 en met het oog op het bestuderen van de oorzaken en gevolgen,
frequentie en de veroordelingspercentages, alsmede de doeltreffendheid van de
maatregelen inzake feminicide, gendergerelateerde dodingen en het geweld dat
daar aan voorafgaat en het onderzoeken van de omvang van en de ontwikkeling
binnen alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag
van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen
vrouwen en huiselijk geweld.
De Koning moet, na advies van het
Controleorgaan op de Politionele Informatie, de verdere uitsplitsing bepalen
van de te verzamelen gegevens, de bevoegde diensten alsook de wijze waarop een
jaarlijkse evaluatie van de gegevensverzameling en de statistieken uitgevoerd
zal worden (artikel 9 van de wet van 13 juli 2023);
Een tweede advies heeft betrekking op de
aangifte van het geweld. De politiediensten bezorgen een kopie van de aangifte
van het geweld aan het slachtoffer na het verhoor. Op verzoek van het
slachtoffer wordt zo spoedig mogelijk een vertaling van de belangrijkste
elementen van de aangifte in een voor hem of haar begrijpelijke taal
toegezonden.
De Koning bepaalt de wijze waarop deze
vertaling dient te gebeuren (artikel 15, § 3, van de wet van 13 juli 2023);
Een derde ontwerp betreft et
risicotaxatie- en risicobeheersinstrument waarin rekening zal gehouden worden
met de integratie van een genderperspectief en een intersectioneel perspectief.
De Koning bepaalt er de uitwerking van (artikel 16 van de wet van 13 juli
2023);
Tot slot dient de Koning overeenkomstig
artikel 26 van de wet van 13 juli 2023 de datum van inwerkingtreding van
bepaalde artikelen van de wet vast te leggen.
Sinds 2024 tot en met 24 april 2026
volgden reeds 1543 politiemensen opleidingen in het kader van intrafamiliaal
geweld. In de loop van 2026 en 2027 wordt een nationale opleiding uitgerold met
als thema genderbased violence-intrafamiliaal geweld. In België bestaat er
sinds 2016 het Risicotaxatie-Instrument Partnergeweld (RTI-PG), dat ter
beschikking is gesteld aan alle politiezones.
De COL 15/2020 voorziet dat bij tussenkomsten inzake intrafamiliaal
geweld een risicotaxatie wordt uitgevoerd en toegevoegd aan het
proces-verbaal.
De toepassing ervan wordt verder
ondersteund via de integratie in de FOCUS-applicatie, die een betere
operationele opvolging en statistische analyse mogelijk maakt. De uitrol van
FOCUS/IFG is momenteel lopende in de politiezones.
De resultaten van de EU-GBV-enquête tonen
aan dat blijvende aandacht nodig is voor een slachtoffergerichte en
gendersensitieve aanpak binnen de politiediensten.
Daarom wordt in de nieuwe opleidingen
specifiek gewerkt rond het vermijden van secundaire victimisatie, het correct
inschatten van risicopatronen en het professioneel onthaal van slachtoffers.
Bij meldingen van stalking of intrafamiliaal geweld wordt steeds een
proces-verbaal opgesteld en, waar van toepassing, een risicotaxatie uitgevoerd
die wordt overgemaakt aan het bevoegde parket.
Binnen de politiezones bestaan reeds
referentiepersonen intrafamiliaal geweld, analoog aan de referentiepersonen
seksueel geweld. Deze medewerkers zijn vaak verbonden aan gespecialiseerde
diensten zoals jeugd en gezin, maatschappelijke cellen of sociale recherchediensten
en behandelen voornamelijk de meer complexe dossiers.
Daarnaast worden nationale terugkomdagen
georganiseerd om expertise-uitwisseling en verdere professionalisering te
ondersteunen.
Bij onrustwekkende verdwijningen en
verdachte overlijdens bestaan reeds specifieke procedures en
samenwerkingsmechanismen tussen politie en parket. Daarnaast kunnen
gespecialiseerde medewerkers (‘scouts bij verdachte overlijdens’) worden
ingezet om mogelijke aanwijzingen van criminele feiten te detecteren en
hierover advies te verlenen aan de bevoegde magistraat.
De feminicidewet en de verdere
ontwikkeling van gegevensanalyse moeten bijdragen tot een nog betere detectie
en opvolging van gendergerelateerd geweld en mogelijke feminicides
Monsieur le Ministre,
Conformément à l'art. 123 de notre Règlement
et faute de réponse à ma question écrite dans les délais impartis, je me
permets de vous déposer cette question orale.
En ma qualité de bourgmestre d'une commune,
je dispose, comme d'autres bourgmestres et responsables institutionnels, d'une
ligne d'urgence fournie via une carte SIM du réseau ASTRID (Blue Light Mobile).
Ces lignes ont pour vocation de garantir que les autorités locales puissent
être jointes à tout moment en cas de situation d'urgence ou de crise. Or,
ASTRID m'a récemment confirmé par écrit que l'option eSim n'est pas encore
disponible pour les cartes Blue Light Mobile. Le déploiement de l'eSIM serait
conditionné à la mise en place préalable d'une nouvelle plateforme technique,
et ne serait envisagé qu'à l'horizon de la fin du premier semestre 2026. 1.
Comment expliquez-vous le retard accumulé par ASTRID dans le déploiement de
l'eSIM pour les cartes Blue Light Mobile, alors que cette technologie est
disponible depuis plusieurs années sur le marché belge? 2. Ce retard est-il
principalement dû: - à des contraintes techniques spécifiques au réseau ASTRID;
- à un manque de moyens financiers; - à des choix stratégiques internes; - ou à
un soutien insuffisant du pouvoir fédéral? 3. Estimez-vous acceptable qu'un
réseau national destiné aux communications d'urgence et de sécurité accuse un
tel décalage technologique par rapport aux opérateurs commerciaux? 4. Quelles garanties
peuvent être apportées aux bourgmestres et aux autorités concernées quant à la
fiabilité, à la modernisation et à l'adaptabilité future du réseau ASTRID,
notamment face à l'évolution rapide des terminaux mobiles? 5. Le gouvernement
envisage-t-il: - d'accélérer le calendrier annoncé; - d'allouer des moyens
supplémentaires; - ou de mettre en place des solutions transitoires afin
d'éviter que des responsables locaux se retrouvent limités dans leur capacité à
être joignables en situation de crise?
Antwoord -
Réponse:
Je confirme le calendrier que vous indiquez.
La technologie eSIM a été implémentée sur le plan technique au sein du réseau
Blue Light Mobile. Le lancement opérationnel est prévu après la finalisation
des tests externes et le traitement des améliorations qui en découleront, et
est actuellement planifié pour septembre 2026.
Cette introduction sera réalisée
simultanément à la mise en service de la nouvelle plateforme MyASTRID 3.0 à
destination des utilisateurs, car l'eSIM requiert un système de provisionnement
entièrement automatisé pour la création et la distribution sécurisées de codes
QR.
Sur la question du prétendu retard
technologique, je souhaite apporter une clarification importante. Je rappelle
que Blue Light Mobile, développé par ASTRID, était une première mondiale belge
lors de son lancement il y a une dizaine d’années.
En combinant plusieurs réseaux mobiles avec
priorité pour les acteurs clés de la chaîne de sécurité, il s’agit d’une
technologie avancée qui reste aujourd’hui une référence à l’international.
Bien que la technologie eSIM existe depuis
plusieurs années, sa pénétration effective sur le marché belge est restée
relativement limitée jusqu'à récemment. La grande majorité des terminaux
mobiles disponibles combinaient encore une carte SIM physique avec une
fonctionnalité eSIM complémentaire, et la demande exprimée par les utilisateurs
du réseau Blue Light Mobile est demeurée faible pendant cette période.
ASTRID est une société de droit public qui
gère des moyens publics avec rigueur. À ce titre, elle n'engage des
investissements structurants que lorsque la demande est suffisante et que la
maturité technologique le justifie, et non en réponse à chaque évolution du
marché grand public.
Déployer prématurément une infrastructure
complexe, aux coûts opérationnels et de maintenance significatifs, avant que
les conditions soient réunies, n'aurait pas constitué une bonne gestion des
deniers publics.
Le moment est désormais venu, pour plusieurs
raisons convergentes :
• anticiper la transition à moyen terme vers
un parc de terminaux majoritairement eSIM ;
• assurer l'alignement avec NextGenCom,
futur réseau à large bande d'ASTRID, qui reposera exclusivement sur l'eSIM ;
• offrir aux utilisateurs un processus de
provisionnement entièrement automatisé, plus rapide, plus efficace et
disponible 24h/24.
Lors du lancement de MyASTRID 3.0, prévu en
septembre 2026, et dont l’ensemble des utilisateurs Blue Light Mobile sera
informé, vous aurez la possibilité de remplacer votre carte SIM physique
actuelle par une eSIM.
Mijnheer de minister,
Het jaarverslag van de Vaste Commissie
voor Taaltoezicht (VCT) van 2025 bewees weeral hoe schrijnend de toestand voor
het Nederlands is, zeker in het Brusselse.
Ook de luchthaven van Zaventem passeerde
enkele keren de revue. De luchthaven van Zaventem is, zoals u weet, gelegen in
het homogeen Nederlands taalgebied.
Overeenkomstig artikel 11 van de
Bestuurstaalwet dienen de plaatselijke diensten, die in het Nederlands
taalgebied gevestigd zijn, berichten en mededelingen die voor het publiek
bestemd zijn in het Nederlands op te stellen.
Toch zien we dat er vaak exclusief
gebruik wordt gemaakt van het Engels.
Logischerwijs zijn daar ook klachten over
behandeld door de VCT.
Gezien het internationaal karakter van de
luchthaven van Zaventem, is het gebruik van Engels natuurlijk niet onbelangrijk
of absoluut uit den boze.
Toch heeft de VCT heeft al meermaals
gesteld dat berichten of mededelingen ten aanzien van een internationaal
publiek in het gebied van de luchthaven van Zaventem slechts in meerdere talen
gesteld kunnen zijn op voorwaarde dat deze berichten of mededelingen aan het
publiek eveneens gesteld zijn in drie landstalen (Nederlands, Frans en Duits)
met voorrang voor het Nederlands.
De N-VA zal zich altijd blijven inzetten
voor het respect voor het Nederlands, een pracht van een taal. Dat men in
Brussel, maar ook in de luchthaven van Zaventem, de voeten veegt aan de
taalwetgeving, veroordelen we sterk.
Vandaar volgende vragen:
- Wat zijn uw bevindingen van het
jaarverslag van de VCT?
- Hoe kijkt u naar de klachten over de
luchthaven van Zaventem?
- Welke stappen zal u ondernemen om het
correct naleven van de taalwetgeving op de luchthaven van Zaventem te
garanderen?
Alvast bedankt voor uw antwoord.
Antwoord - Réponse:
Zoals elk jaar biedt het jaarverslag van
de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT) een algemeen overzicht van de
klachten waarover zij zich heeft uitgesproken.
Het is aan elk beleidsniveau en aan de
betrokken diensten om hieruit lessen te trekken en oplossingen uit te werken.
Op federaal niveau blijkt uit het
jaarverslag niet dat de taalwetten op grote schaal worden miskend. De klachten
blijven zeer divers. Dit toont niettemin aan dat alle overheidsdiensten,
openbare instellingen en bedrijven voortdurend aandacht moeten besteden aan de
naleving van alle bepalingen van de Bestuurstaalwet en zich hieraan in alle
opzichten moeten houden.
De jurisprudentie van de VCT kan daarbij
als inspiratiebron dienen, onder meer met betrekking tot het Duits, de
voorwaarden waaronder het gebruik van het Engels is toegestaan, enz.
Het jaarverslag maakt ook melding van
overtredingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in de gemeenten van
datzelfde Gewest. In dit verband kan ik u bevestigen dat mijn kabinet in
contact staat met het kabinet van de Brusselse minister van Ambtenarenzaken om
een volledig overzicht van dit dossier te krijgen en de nodige maatregelen te
nemen, met name in het licht van hun regeerakkoord.
Wat de luchthaven Brussel-Nationaal
betreft, is er inderdaad een klacht ingediend wegens een overtreding door de
Brussels Airport Company (BAC) met betrekking tot communicatie die uitsluitend
in het Engels was opgesteld. De VCT heeft er terecht op gewezen dat dergelijke
mededelingen weliswaar in een andere taal mogen worden opgesteld, maar dan ook
in onze drie landstalen, met prioriteit voor het Nederlands.
Het is aan elke minister om de wetten te
doen naleven in de instellingen waarvoor hij bevoegd is. In dit kader is het de
taak van de minister die bevoegd is voor de luchthaven Brussel-Nationaal om
ervoor te zorgen dat de taalwetten door de Brussels Airport Company worden
nageleefd. Dit is mogelijk via verschillende instrumenten
(exploitatievergunning, positie van de Staat in de raad van bestuur van de
BAC). Wat dit punt betreft, verzoek ik u dan ook om mijn collega, de minister
van Mobiliteit, hierover te bevragen.
Geachte mijnheer de minister,
Het regeerakkoord bevat duidelijke
ambities om het statuut van de vrijwillige brandweerman aantrekkelijker te
maken, onder meer via de invoering van de zogenaamde “vrijwilliger 2.0”. Dat
veronderstelt niet alleen inhoudelijke hervormingen, maar ook de nodige
financiële middelen.
Vandaag bereiken ons echter signalen dat
er in de praktijk nauwelijks nog budgettaire ruimte is om deze ambities waar te
maken. Tegelijk blijft de instroom van brandweervrijwilligers dalen en staan
hulpverleningszones onder zware druk.
Tegen die achtergrond stel ik mij
ernstige vragen bij de haalbaarheid van uw plannen.
Daarom heb ik volgende vragen:
1)
Kan u duidelijk aangeven welk concreet budget vandaag nog beschikbaar is
voor de hervorming van het statuut van brandweervrijwilligers en de invoering
van de “vrijwilliger 2.0”?
2)
Klopt het dat er in de praktijk geen of onvoldoende bijkomende middelen
meer voorzien zijn om deze hervormingen effectief uit te voeren?
3)
Hoe rijmt u dat met de duidelijke engagementen uit het regeerakkoord om
het statuut aantrekkelijker te maken?
4)
Betekent dit dat de hervorming van de “vrijwilliger 2.0” in de feiten
wordt uitgesteld of afgezwakt?
5)
Welke concrete maatregelen kan u, binnen de huidige budgettaire
beperkingen, nog wél nemen om de wervingscrisis bij de brandweer aan te pakken?
Bij voorbaat dank voor uw antwoord.
Antwoord - Réponse:
Er is in de begroting geen afzonderlijk
budget voorzien om het concept “vrijwilliger 2.0” of andere aanpassingen aan
het statuut in te voeren. Ik heb dus geen “vast budget” om hier aan te
spenderen.
Dat betekent echter niet dat er geen
hervormingen mogelijk zijn om de functie van vrijwilliger in een
hulpverleningszone aantrekkelijker te maken. Een efficiëntere inzet van
middelen kan leiden tot meer optimale resultaten. Zoals u weet heeft het
nationaal orgaan voor de hulpverleningszones haar conceptnota gefinaliseerd in
december 2025. Hierin staan voorstellen om de werving en het behoud van
vrijwilligers in de hulpverleningszone te kunnen garanderen, zoals over de
geschiktheidsattesten of het uitvoeren van aangepaste taken aan het eind van
hun “loopbaan”. Zoiets hoeft geen extra kost te betekenen, maar kan ook bereikt
worden door de inzet van dezelfde middelen op de juiste plaats.
Ik wil erop wijzen dat de hervorming van
de “vrijwilliger 2.0” al opgestart werd eind 2023. Toen werden al een aantal
quickwins gerealiseerd om de functie van brandweervrijwilliger aantrekkelijker
te maken. De hervorming van het statuut van de brandweervrijwilligers blijft
doorgaan. Op het conclaaf voor de Brandweer, dat ik eind juni organiseer, zal
de situatie van de vrijwilligers een prominente plaats innemen.
56015615C
Mijnheer de minister,
Het aantal minderjarige verdachten in
zware terrorismeonderzoeken is de voorbije drie jaar meer dan verdubbeld,
waarschuwt het federaal parket in zijn jaarverslag. In 2019 waren er 15
terreuronderzoeken met minderjarigen, in 2025 waren het er 51.
De stijging zou veel te maken hebben met
de verhoogde online aanwezigheid van jongeren. Minderjarigen lopen daar het
risico in parallelle onlinewerelden terechtkomen van jihadisme of andere vormen
van extremisme, zonder dat het snel wordt opgemerkt door familie of
politiediensten.
In 2024 waarschuwden de
veiligheidsdiensten al dat het aantal potentiële tienerterroristen op hun radar
maar blijft toenemen. Die bezorgdheid blijkt dus terecht.
Het federaal parket is uiteraard bevoegd
voor de opvolging en afhandeling van terrorismedossiers, maar als er
minderjarigen betrokken zijn, worden die dossiers bij de lokale parketten
gehouden. Dat lijkt me voor zulke materie toch onwenselijk en potentieel
gevaarlijk.
Ik stelde, naar aanleiding van een
onderzoek van de Nederlandse politie, al eerder vragen over online
radicalisering op TikTok. De N-VA zal zich altijd verzetten tegen elke vorm van
terreur en radicalisering. Verder is de N-VA van mening dat terrorismedossiers
het best behandeld worden door de diensten die daar de meeste expertise toe
hebben, in casu het federale parket.
Vandaar de volgende vragen:
- Erkent de minister de problematiek van
online radicalisering?
- Welke maatregelen neemt de regering om
online radicalisering en extremisme tegen te gaan?
- Is er weet van jongeren in België die
werd geradicaliseerd door dit soort propaganda?
- Over welke slakracht beschikt OCAD,
Veiligheid van de Staat en de federale politie tegen dit soort praktijken?
- Hoe worden de sociale media platformen
zelf geresponsabiliseerd?
- Deelt de minister de analyse dat
terrorismedossiers waarbij minderjarigen zijn betrokken moeten worden behandeld
door het federale parket, in plaats van lokale parketten? Indien ja, welke
maatregelen zullen daartoe worden genomen?
Alvast bedankt voor uw antwoord.
56015616C
Mijnheer de minister,
VRT NWS meldde begin april dat een
rechtbank in Leeuwarden een minderjarige jongen heeft veroordeeld voor de
voorbereiding van een terreuraanslag op het Vlaams Parlement.
De jongen is veroordeeld tot
voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.
Ook moet hij behandeling ondergaan bij het Landelijke Steunpunt Extremisme. Hij
was 12 jaar op het moment van de strafbare feiten.
De jongen had een Telegramgroep
opgericht, waar hij mensen opruide om terroristische aanslagen te plegen. Ook
zou hij iemand geld hebben geboden om de aanslag in Brussel te plegen. De
betreffende persoon reageerde echter niet meer op de berichten van de jongen.
De jongen is aanhanger van
rechts-extremistisch gedachtegoed. Hij is voorstander van een rassenoorlog en
een witte etnostaat, zo staat in de uitspraak van de rechtbank.
De jongen durfde niet over zijn ideeën te
vertellen aan de mensen in zijn omgeving. Hij communiceerde via Telegram met
gelijkgestemden.
Ik stelde eerder al vragen over online
radicalisering die leidt tot terreur. De N-VA zal zicht altijd tegen eender
welke vorm van die twee zaken verzetten.
Daarom mijn vragen:
- Welke maatregelen neemt deze regering
om online radicalisering tegen te gaan?
- Beschikken onze politie en parketten
over voldoende personeel met expertise op dit domein?
- Hoe verliep in dit concrete geval de
samenwerking met de Nederlandse diensten?
Alvast bedankt voor uw antwoord!
Antwoord - Réponse:
Uiteraard erken ik dat online
radicalisering een belangrijk en groeiend fenomeen vormt. Het internet speelt
een steeds centralere rol in radicalisering, door de snelheid van verspreiding,
het grensoverschrijdende karakter en de toegankelijkheid van extremistische
content, en vooral jongeren zijn vatbaar.
De aanpak van de Strategie TER is
multidisciplinair:
preventieve maatregelen, onder meer via
onderwijs, lokale actoren en sociale diensten
veiligheidsmaatregelen, zoals opvolging
van de LTF en binnen de GGB T.E.R.
gerechtelijke maatregelen, met focus op
opsporing en vervolging van strafbare feiten
informatie-uitwisseling tussen federale,
regionale en lokale niveaus
lokale multidisciplinaire opvolging,
onder meer via de LIVC R om vroegtijdige detectie van signalen van
radicalisering te garanderen
De digitale ecosystemen van vandaag maken
ook de opkomst van nieuwe, minder gestructureerde vormen van extremisme
mogelijk, zoals gewelddadig nihilisme, waarbij ideologie minder centraal staat
en geweld op zich een doel kan worden.
Ook responsabilisering van sociale
mediaplatformen is nodig, en gebeurt in hoofdzaak binnen het Europees
regelgevend kader, met name via de TCO-verordening (Terrorist Content Online
Regulation) en de Digital Services Act.
De Europese Commissie is momenteel bezig
met de evaluatie van deze regelgeving, met het oog op het beoordelen van de
doeltreffendheid en eventuele verdere versterking van het kader.
België blijft deze Europese aanpak actief
ondersteunen en pleit voor een doeltreffende en proportionele
responsabilisering van platformen, waaronder binnen de EU Internet Forum.
Geachte meneer de minister,
Tijdens de tweede hoorzitting over de
situatie van de Federale Politie, gehouden op 30 september 2025 voor de
commissie voor Binnenlandse Zaken, bevestigde commissaris-generaal Eric Snoeck
dat het stelsel van nevenactiviteiten since 2018 grondig is gewijzigd: van een
regime waarbij nevenactiviteiten slechts bij uitzondering werden toegestaan,
naar een principe van toelating waarbij ze a priori zijn toegelaten. Hij
erkende dat duizenden politieambtenaren inmiddels een nevenactiviteit
uitoefenen en dat dit, zoals ook de GRECO benadrukt, integriteitsrisico's met
zich meebrengt. De commissaris-generaal steunde dan ook de vraag tot
herbekijking van het principe van toelating op de middellange termijn (DOC 56
0999/002, blz. 36).
Op 19 november 2025 antwoordde u in de
commissie Binnenlandse Zaken (CRIV 56 COM 246) op mijn mondelinge vraag over nevenactiviteiten
bij de politie en de daaraan verbonden integriteitsrisico's. U stelde toen dat
een paritaire technische werkgroep een eerste ontwerp van herziene omzendbrief
voor het operationeel kader had besproken, en dat de finale bespreking was geagendeerd
voor het eerste trimester van 2026. Nadien zou een aangepaste omzendbrief
volgen. U kondigde ook een uniforme registratie van nevenactiviteiten aan in de
bestaande HR-systemen, zodat voor het eerst een betrouwbaar databeeld zou
ontstaan.
Het eerste trimester van 2026 is
inmiddels verstreken. Ik wens dan ook de stand van zaken op te volgen.
Daaromtrent volgende vragen:
Is de herziene omzendbrief voor het
operationeel kader inmiddels definitief goedgekeurd? Zo niet, wat is de reden
van de vertraging en wanneer verwacht u de publicatie? Wat is er gewijzigd
t.o.v. de bestaande?
Is de aangekondigde uniforme registratie
van nevenactiviteiten in de HR-systemen operationeel? Zo ja, hoeveel
geregistreerde nevenactiviteiten zijn er momenteel bij de Federale Politie?
Welke gegevens over de Lokale Politie zijn vandaag al centraal beschikbaar,
welke nog niet, en vanaf wanneer verwacht u volledige centrale rapportering? Zo
niet, wanneer wordt het systeem uitgerold?
In november 2025 gaf u aan dat er geen
officiële gegevens beschikbaar waren over nevenactiviteiten die tot
operationele problemen of integriteitsschendingen hadden geleid, en dat een
eventueel verband met absenteïsme nog niet was bestudeerd. Is dat onderzoek
ondertussen opgestart of gepland?
Hoeveel aanvragen voor nevenactiviteiten
werden in 2025 ingediend, toegekend en geweigerd bij de Federale Politie? Zijn
er al cijfers voor 2026?
Antwoord - Réponse:
Dit voorjaar is een ontwerp van de nieuwe
omzendbrief over de nevenactiviteiten binnen de GPI gefinaliseerd door de
technische werkgroep samengesteld uit leden van de lokale en de federale
politie alsook de syndicale organisaties. Dit ontwerp had betrekking op de
goedkeuringsprocedure van nevenactiviteiten binnen het huidig wetgevend kader.
Hierin werd ook de implementatie van een aantal HR-beheersinstrumenten
waaronder de registratie van nevenactiviteiten op niveau van de GPI geregeld.
Dit ontwerp van omzendbrief kon echter de
goedkeuring niet wegdragen van noch het Coördinatiecomité van de Geïntegreerde
Politie noch mezelf. Reden hiervoor was dat dit ontwerp volgens de politietop
en mezelf niet vergaand genoeg was om de problematiek van nevenactiviteiten
binnen de politie te regelen. Hiervoor is echter een wetgevend initiatief tot
wijziging van de artikelen 134 en 135 WGP vereist.
De wijziging beoogt een principieel
verbod, tenzij voorafgaande toestemming. Gezien de niet goedkeuring van dit
ontwerp van omzendbrief zijn de werkzaamheden hieromtrent nog niet afgerond.
Een uniforme registratie van nevenactiviteiten in de HR-systemen van de politie
moet dus nog verder uitgewerkt worden.
De federale politie beschikt wel over
haar eigen registratie; ongetwijfeld gebeurt dit ook in elke korps van de
lokale politie. Maar een gecentraliseerde en gestructureerd systeem via de DB
GALop voor alle personeelsleden van de GPI is er niet.
Wat betreft de vraag over het onderzoek
naar de mogelijke linken tussen nevenactiviteiten, integriteitsschendingen en
absenteïsme kan ik u melden dat dit nog niet is gestart, gegeven voormelde
stand van zaken.
De federale politie kan wel voor haar
eigen operationele personeelsleden (2024-2025) een ad hoc analyse leveren over
de nevenactiviteiten gelinkt aan integriteitsschendingen en absenteïsme.
Wat betreft de cijfers van de
nevenactiviteiten bij de federale politie betreft, kan ik nog volgende
meegeven.
In 2025 zijn er 727 aanvragen ingediend,
waarvan er 108 werden geweigerd. Op datum van 13/05/2026 zijn er reeds 245
aanvragen ingediend, waarvan 19 geweigerd.
Er is dus nog werk voor de boeg op vlak
van nevenactiviteiten binnen de politie (en inzonderheid de financiële redenen
waarom politiemensen vaak een nevenactiviteit aanvatten). Ik heb dan ook
beslist dit op te nemen in het nieuw samen met de syndicale organisaties af te
sluiten kwantitatief luik van het sectoraal akkoord (in casu via een voorstel
van defiscalisatie van een deel van de overuren), gezien ook de directe link
van de beoogde maatregel in het kader van de aantrekkelijkheid van het
politieberoep.
De Casualty Extraction Teams (CET’s) zijn
cruciaal voor het redden van levens in de meest kritieke omstandigheden, zoals
incidenten met een hoog risico. Hoewel het belang van deze teams uitgebreid
werd erkend na de aanslagen van 22 maart 2016, moeten we vaststellen dat het
politieke momentum door de jaren heen volledig is verdwenen. Vandaag wordt er
geen effectieve en structurele ondersteuning meer geboden door het Ministerie
van Binnenlandse Zaken (IBZ), noch vanuit het voormalige KCCE.
Dit gebrek aan ondersteuning is bijzonder
zorgwekkend in het huidige internationale veiligheidsmilieu, waarin de dreiging
van een terroristische aanslag, gelet op de escalerende situatie in het
Midden-Oosten, reëler is geworden. De CET’s dreigen hun operationele
capaciteiten volledig te verliezen door ernstige structurele problemen
De voornaamste aandachtspunten zijn o.a:
ontbreken van structurele medewerking of aansturing vanuit IBZ of het
voormalige KCCE, het feit dat er nog steeds geen formel alarmprocedures
bestaan, ontbreken van opleidings- en trainingsondersteuning, gebrek aan een
georganiseerd federaal samenwerkingskader met D3, vervallen of niet-conforme
persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) kunnen niet vervangen wordenn…
Dit leidt tot een situatie waarin IBZ en
de brandweerzones naar elkaar wijzen inzake de financiële verantwoordelijkheid,
waardoor de CET’s langzaam maar zeker een stille dood tegemoet gaan.
Daarom heb ik de volgende vragen:
Erkent u de geschetste tekortkomingen in
de werking en ondersteuning van de CET’s?
Hoe wordt de inzetbaarheid van de CET’s
vandaag gegarandeerd, rekening houdend met de verhoogde terroristische
dreiging?
Waarom bestaan er tot op heden geen
formeel goedgekeurde federale alarmprocedures voor de inzet van de CET’s, en
wanneer wordt hierin voorzien?
Bent u bereid te voorzien in structurele
ondersteuning, meer bepaald: een jaarlijks federaal budget, verplichte en
duidelijke samenwerkingsafspraken met D3, ondersteuning voor opleiding en
training; formele erkenning en duidelijke communicatie over de rol van de CET’s
binnen de geïntegreerde hulpverlening?
Antwoord - Réponse:
De CET-ploegen werden opgericht in de
nasleep van de aanslagen in Zaventem en Maalbeek uit 2016 en de aanslagen in
Parijs uit 2015. Het toenmalige klimaat noodzaakte om snel een antwoord te
formuleren op dergelijke grootschalige incidenten met een groot aantal
(potentiële) slachtoffers.
Vanuit de overheid werd toen een project
opgestart, in samenwerking met de betrokken brandweerzones, om op een snelle en
efficiënte manier een oplossing te hebben in geval van dergelijke
interventies.
Ik zal met de betrokken actoren bekijken
welke tekortkomingen er momenteel zouden zijn en deze gezamenlijk aanpakken om
zo een optimale ondersteuning te garanderen. De CET-ploegen die momenteel
operationeel zijn in de zone Centrum, Luik zone 2 (IILE), Zone
Henegouwen-centrum en Brussel zijn doeltreffend in hun werking. Afhankelijk van
de zone is er, zoals bv in Brussel het geval is, een 24u bezetting zodat er
direct een ploeg kan vertrekken uit de kazerne indien er zich een incident
voordoet waarbij deze gespecialiseerde hulp noodzakelijk is.
Andere zones, zoals bv Luik, hebben ook
een 24 u permanentie maar deze kan ook met een oproepingssysteem worden
uitgevoerd zodat CET-leden opgeroepen kunnen worden bij incidenten.
Elke zone is vrij in keuze in hoe zij de
invulling maken voor de inzetbaarheid van deze ploegen. Over het hele land is
het gegarandeerd dat deze ploegen snel inzetbaar zijn in geval van een incident
waar hun inzet noodzakelijk is. De samenwerking met de betrokken politiezones
van de lokale politie en de gespecialiseerde niveaus van de federale politie
loopt zeer vlot.
Elke zone staat in rechtstreeks contact
met de gespecialiseerde ploegen van de politie die zij hebben in hun
hulpverleningszone en de omliggende zones. Door jaarlijks meerdere gezamenlijke
oefeningen te organiseren verloopt hun samenwerking uitstekend.
Ik ben op de hoogte van de vragen vanuit
de CET-zones, en sinds 2015 werden er verschillende initiatieven in gang gezet
om bepaalde zaken te ontwikkelen en implementeren. Zo werd er samen met de
Directie 112 en de CIC’s van de geïntegreerde politie samengezeten om een
alarmeringsprocedure uit te werken.
In de praktijk bleek echter zeer vaak dat
de gespecialiseerde ploegen GPI 81 van de lokale politie (BBT’s & SUA’s)
vaak zelf contact opnamen met de CET-ploegen omdat dit een betere werking gaf.
Ook het verschil in oproepbaarheid in de verschillende zones van een CET-ploeg
heeft bijgedragen aan de diversificatie in oproepmogelijkheden.
De middelen die aangekocht werden om 5
zones uit te rusten met materialen zoals PBM’s, medische materialen en andere
zaken werden aangekocht op een toenmalig interdepartementaal fonds dat gebruikt
werd om “anti-terreur materialen” aan te kopen. Ook de federale politie heeft
toen via dit fonds extra materialen kunnen aankopen. Dit budget was echter een
“one-shot investment” waardoor dit geen structurele investering kon
worden.
De verschillende zones worden ook geacht
zelf te investeren in deze specialisatie zoals ze ook doen voor andere
specialisaties zoals “gaspakdrager” of “duiker”.
Mijnheer de minister,
De wet op de private veiligheid voorziet
in verdere uitvoering via een Koninklijk Besluit dat essentieel is voor de
concrete toepassing op het terrein. Tot op heden blijft de publicatie van dit
besluit echter uit.
Nochtans zorgt deze vertraging voor
rechtsonzekerheid bij ondernemingen in de private veiligheidssector, die nood
hebben aan een duidelijk en stabiel regelgevend kader om hun activiteiten
correct te organiseren.
Daarom heb ik de volgende vragen:
• Wat vormt vandaag concreet de
belemmering voor de publicatie van dit Koninklijk Besluit?
• In welke fase van de besluitvorming
bevindt het dossier zich momenteel (adviesrondes, interkabinettenoverleg, Raad
van State, …)?
• Tegen wanneer mogen de betrokken
actoren finaal duidelijkheid verwachten?
• Welke impact heeft deze vertraging
volgens u op het functioneren van de private veiligheidssector?
Alvast bedankt voor uw antwoord!
Antwoord - Réponse:
De wet tot regeling van de private en
bijzondere veiligheid heeft meer dan 50 uitvoeringsbesluiten. Dit geheel
voorziet in een regelgevend kader voor de ondernemingen, diensten en personen
binnen de private veiligheidssector.
Recent werden nog een aantal van deze
besluiten aangepast en geactualiseerd zoals het KB Honden en zijn wijzigingen
in voorbereiding inzake de regels aangaande de identificatiekaarten en de
verplichte opleidingen.
Deze werkzaamheden vormen evenwel geen
belemmering van uitoefening van activiteiten of een gekende bron van
rechtsonzekerheid.
Het is tevens op te merken dat er inzake
de wet tot regeling van de private opsporing een aantal belangrijke
uitvoeringsbesluiten uitgewerkt worden met oog op een stabiel en duidelijk
regelgevend kader.
Zo liggen momenteel de ontwerpteksten
inzake de persoonsvergunningen, de regels inzake de veiligheidsverificatie en
de procedures tot vergunning op ondernemings- en dienstniveau voor de vereiste
adviezen bij ondermeer de Gegevensbeschermingsautoriteit en de Inspectie van
Financiën. Navolgend zal het verplicht advies van de Raad van State verzocht
worden. De betrachting is om deze besluiten zo spoedig mogelijk in werking te
laten treden na ontvangst en verwerking van deze adviezen.
Op 1 mei trok een zogenoemde
“revolutionaire" optocht van radicaal-links door Sint-Gillis. Volgens
berichtgeving op basis van een politietelling namen zowat 1.500 manifestanten
deel. De optocht ontaardde in vernielingen: ramen werden verbrijzeld, straatmeubilair
beschadigd en gevels van woningen beklad met graffiti. De politie kreeg
bovendien verfprojectielen naar zich toe gegooid.
In uw beleidsnota hamert u op veiligheid
in onze steden en respect voor onze ordediensten. Dit extreemlinkse vandalisme
toont echter hoe het betogingsrecht wordt misbruikt als dekmantel voor
vernielingen en geweld tegen de politie. Burgers wier eigendom beschadigd
wordt, verwachten dat de overheid optreedt en dat daders niet verdwijnen in
anonimiteit. Daarbij rijst ook de vraag of een tussenkomst werd overwogen, maar
niet uitgevoerd om redenen van proportionaliteit.
Antwoord - Réponse:
Zoals bij elk evenement wordt er een
grondige risicoanalyse uitgevoerd op basis van de beschikbare informatie en
eerdere gebeurtenissen. Ongeveer 400 politieagenten werden ingezet voor deze
ordedienst. Het risico werd vooraf beoordeeld op basis van een risicoanalyse,
uitgevoerd op basis van de beschikbare informatie en de voorafgaande
inlichtingen. Geen enkele arrestatie werd verricht in het kader van dit
evenement. In totaal zijn er 10 processen-verbaal opgemaakt.
De beschikbare beelden zijn in beslag
genomen en geanalyseerd (politie, stad en particulieren, waaronder handelaars).
Tot op heden kon geen enkele dader
worden geïdentificeerd, met name omdat de betrokken personen gemaskerd waren en
de menigte dicht en ondoorzichtig was.
De voornaamste vastgestelde feiten
betreffen: - beschadigingen door graffiti, - schade aan straatmeubilair, -
evenals beschadigingen aan gevels van gebouwen. Op dit moment is er nog geen
globale raming van de kosten van de schade beschikbaar.
Voor vragen over eventuele gerechtelijke
procedures verwijs ik u door naar mijn collega die verantwoordelijk is voor
Justitie.
56015919C
Geachte minister, onderzoeksjournalisten
van onder meer Correctiv publiceerden op 5 mei 2026 een onderzoek naar geheime
gegevensverwerkingssystemen binnen Europol. Volgens het onderzoek zou Europol
jarenlang persoonsgegevens hebben verwerkt via interne IT-systemen buiten het
formele wettelijke kader en buiten het toezicht van de Europese Toezichthouder
voor Gegevensbescherming (EDPS). De berichtgeving roept vragen op over de
verwerking van persoonsgegevens afkomstig van nationale politiediensten, de betrokkenheid
van lidstaten en de naleving van fundamentele rechten. Hierover heb ik de volgende vragen:
56015923C
Met toepassing van artikel 123, lid 5
van het Kamerreglement wens ik mijn schriftelijke vraag nr. 1082 om te zetten
in een mondelinge vraag betreffende het gebruik van analysetools en
technologieën door Europol. Aangezien de wettelijke antwoordtermijn verstreken
is zonder antwoord, wens ik de minister hierover mondeling te ondervragen. Ik herhaal hierbij kort mijn vragen:
Antwoord - Réponse:
Wat uw MV 15923 betreft, verzoek ik u de
inhoud schriftelijk bij mij op te halen.
De federale politie heeft geen kennis
van het bestaan van zogeheten geheime
gegevenswerkingssystemen bij Europol.
Uit contactname met
Europol blijkt dat het gaat om een interne analyse-
en verwerkingstool die in een aparte en beveiligde IT-omgeving
werd ondergebracht om data, ook afkomstig van open bronnen, te verwerken die
technisch gezien (bijvoorbeeld te groot volume of bij risico
op malware,...) niet binnen die IT-omgeving kan worden verwerkt.
Volgens onze informatie heeft
Europol hier steeds transparant
en pro-actief, met de European
Data Protection Supervisor (EDPS) over
gecommuniceerd. De EDPS heeft, als gevolg van dit persartikel, nog niet
formeel gereageerd of verzocht om een onverwachte inspectie bij Europol.
Volgens een artikel
in Politico zou de autoriteit tijdens de voorstelling
van haar jaarrapport wel al hebben gecommuniceerd dat het geen
geheime databanken heeft gevonden en daarmee lijkt de EDPS de
aannames zelf te weerleggen. Op basis van deze informatie
heeft België dit onderwerp noch binnen de Raad van de Europese
Unie, noch binnen andere Europese overlegfora aangekaart.
Europol is op dit moment al met
voorsprong het meest gecontroleerde agentschap omdat de
EDPS debevoegdheid rond het
zogeheten "prior consultation" erg strikt toepast. Immers,
voor iedere nieuwe verwerkingstool of voor iedere wijziging van bestaande
tools dient Europol voorafgaand toestemming te krijgen van de EDPS. Europol
heeft tot nu toe altijd gevolg gegeven aan de aanbevelingen van de EDPS
tijdens de talloze procedures die er de voorbije jaren al geweest zijn. De
systemen waarvan sprake in het artikel hebben daar ook deel van uitgemaakt.
Aangezien het gegevenstoezicht op
Europol op dit moment al heel
robuust is, zie ik dan ook geen nood
om bijkomend onderzoek te vragen of om bijkomende maatregelen voor te
stellen.
56016063C
Meneer de minister,
Op 28 juni plant de Amerikaanse
ambassadeur een groot privéfeest (met enkel toegang voor de naar eigen zeggen
"8000" genodigden) op de Cinquantenaire.
De Amerikaanse ambassadeur liet de pers
ook ook al meermaals weten dat u naar dit feest zou komen om daar een toespraak
te houden. Naar eigen zeggen plant hij het overvliegen van B F-35-, F-16- en
A-400-gevechtsvliegtuigen, en vliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog. Ook zou
hij de bogen van het Jubelpark te willen versieren met enorme „Stars and
Stripes“-vlaggen, 2000 Amerikaanse, een groot concert organiseren en "het
grootste vuurwerk ooit gehouden in Europa" willen uitvoeren. Voor dit
evenement in het hart van Europa zou Commissievoorzitter Von der Leyen ook
uitgenodigd zijn om - in de woorden van de Amerikaanse ambassadeur - "om
een grote taart mee te nemen". In een aantal interviews over dit evenement
lijkt het toestaan van dit evenement gelieerd aan nauwelijks verholen
dreigementen dat Amerikaanse militaire steun & Amerikaanse investeringen
afhangen van het toestaan van dat giga-evenement. Ook de financiering van het
hele gebeuren zou grotendeels gebeuren door Belgische bedrijven die zich deels
onder druk gezet voelden om dit te doen, in een mail vanuit de Amerikaanse
ambassade die aan tal van bedrijfsleiders én vice-premier Clarinval gericht
was. De timing van het evenement valt ook bijna samen met de "4th of
July" deadline die de VS heeft gezet in het handelsconflict met de
Europese Unie.
Volgens minister Matz en volgens de
burgemeester van Brussel zijn de gesprekken over de veiligheidsmaatregelen
volop bezig, inclusief over de inzet van de politie en over de
veiligheidsbuffers tussen het evenement en omgeving die eveneens afgezet zouden
moeten worden.
Daarom volgende vragen, meneer de
minister:
1 Is er al duidelijkheid over de
veiligheidsmaatregelen die genomen zullen moeten worden, inclusief de mate
waarin park en omringende straten zullen afgezet worden voor niet-genodigden?
2 Welke inzet van federale en lokale
politie voorziet u?
3 Wordt dit privé-evenement
georganiseerd door de Amerikaanse ambassade, Freedom 250 LLC,, of nog een
andere entiteit?
4 Wie zal de veiligheidskosten van dit
evenement dragen?
5 Zal u zelf deelnemen aan dit
evenement?
56016271C
Mijnheer de minister,
Naar aanleiding van Freedom 250, het
evenement dat de Amerikaanse ambassade op 28 juni in het Jubelpark organiseert,
zou de Stad Brussel op 18 mei een politiebesluit hebben genomen dat gedurende
twaalf dagen controles aan de in- en uitgangen van het Jubelpark mogelijk
maakt. Volgens de ons bezorgde informatie zou daarbij ook een private
bewakingsfirma worden ingezet, mogelijk in opdracht van de Amerikaanse
ambassade.
Dat roept fundamentele vragen op. Het
Jubelpark is geen afgesloten private site, maar een van de grote publieke
parken van Brussel, dagelijks gebruikt door bewoners, pendelaars, bezoekers en
gezinnen. Het park beslaat tientallen hectare en vormt een belangrijke groene
long in de Europese wijk.
De vraag is dus hoe ver een tijdelijk
veiligheidsregime mag gaan wanneer een publiek park gedurende meerdere dagen
onderworpen wordt aan toegangs- en identiteitscontroles, en welke rol private
bewaking daarin wettelijk kan opnemen.
Daarom heb ik volgende vragen:
Antwoord - Réponse:
De toelating voor het evenement en de
beslissing over het afzetten van straten of toegangen voor het publiek hangen
af van de lokale overheden.
De inzet van de private bewakingssector
bij een evenement, ook indien dit geheel of ten dele op de openbare
weg of op publiek domein plaatsvindt, is mogelijk onder de bepalingen van de
Wet Private Veiligheid. Deze wet is onverkort van toepassing ongeacht of de
dienstverlening verricht wordt ten aanzien van een klant uit de private of
publieke sector, en ongeacht of de opdrachtgever een Belgische of buitenlandse
achtergrond heeft.
De uitoefening van private
bewakingsactiviteiten hoeft zich dan ook niet te beperken tot de
private plaatsen. Ook op publieke domeinen en op de openbare weg is het
mogelijk om in bepaalde gevallen private bewakingsagenten in te zetten.
De Wet Private Veiligheid voorziet in
dit laatste geval evenwel strikte voorwaarden. Zo vereist de inzet van private
bewakingsagenten bij een evenement op de openbare weg een politiereglement dat
de afbakening van de bewaakte zone of perimeter bepaalt evenals de duur van
deze inzet. Ook mogen er geen aanwijzingen zijn dat de openbare orde zal worden
verstoord. Maar deze elementen zijn, zoals aangegeven, de verantwoordelijkheid
van de lokale overheid.
Mijnheer de minister,
In antwoord op mijn schriftelijke vraag
nummer 710 deelde u mee dat de verdere concretisering en validatie van de
parameters werd uitgevoerd onder leiding van de Université libre de Bruxelles.
Er werd gewerkt met een minimale capaciteit en een vangnet waarbij geen enkele
zone middelen verliest t.o.v. de huidige federale dotatie, aangevuld een
afvIakkingsmechanisme. Er werd een interactieve simulator ontwikkeld voor de
werking en impact van het model.
IDEA Consult en ULB (DULBEA) bevestigden
volgens u de gekozen aanpak: een normatief model gebaseerd op een minimale
capaciteit per zone, op basis van objectieve en beschikbare parameters
(bevolking, oppervlakte, aantal politiekantoren, functionele vereisten),
aangevuld met het in aanmerking nemen van supralokale taken en federale
opdrachten. De norm was niet meer gebaseerd op gegevens over de werklast.
Het eindrapport werd eerst verwacht in
het eerste kwartaal van 2026. De concrete budgettaire impact zou blijken uit de
resultaten van de lopende studie, een factor waar rekening mee moest worden
gehouden in de verdere besluitvorming. Een simulator om verschillende
scenario's en de budgettaire gevolgen ervan te evalueren, werd uitgewerkt.
Het model werd half mei voor de eerste
keer toegelicht. U had de ambitie om voor de zomer van 2026 een ontwerp van
koninklijk besluit bij de regering in te dienen.
Het was volgens u ook belangrijk te
benadrukken dat deze hervorming een onderdeel is van een bredere reflectie op
de politiestructuur. De complexe geïntegreerde politie gestructureerd op twee
autonome niveaus moest een financieringsmodel krijgen dat consistent is met de
al even complexe veiligheidsstructuur.
Hierover
volgende vragen:
Antwoord - Réponse:
De budgettaire impact van het nieuwe
financieringsmodel is op dit ogenblik nog niet definitief vastgesteld. Die
impact hangt af van een aantal politieke beslissingen die binnen de regering
nog moeten worden genomen met betrekking tot de calibrering van de parameters
van het nieuwe model.
De politieke besprekingen hierover zijn
lopende. Het ontwerp van koninklijk besluit zal nog voor de zomer aan de
regering worden voorgelegd. Ik ben bereid om het model, zodra de
politieke keuzes binnen de regering zijn gevalideerd, nader toe te lichten aan
het Parlement.
In algemene termen beoogt het nieuwe
model een betere afstemming van de federale financiering op de objectieve noden
van de politiezones. In tegenstelling tot de huidige KUL-norm, die steunde op
een theoretische capaciteitsberekening op basis van gemeentelijke kenmerken,
vertrekt het nieuwe model van de reële uitgaven van de zones.
De federale dotatie wordt bepaald op
basis van vier objectieve en coherente componenten, waaronder met name de
federale opdrachten die aan de zones worden toevertrouwd (MFO),
de supralocaliteit van de zone en de financiële draagkracht van de gemeenten.
Het model voorziet in de mogelijkheid
van een moduleerbare vangnetclausule die ervoor zorgt dat geen enkele zone bij
de invoering nominaal middelen verliest ten opzichte van de huidige federale
dotatie, alsook in een afvlakkingsmechanisme om abrupte schommelingen in de
dotaties te vermijden.
In algemene termen kunnen zones die
vandaag onderbedeeld zijn ten opzichte van hun objectieve lasten de grootste
relatieve vooruitgang verwachten. Het is evenwel voorbarig om op dit ogenblik
definitieve uitspraken te doen over de precieze budgettaire impact per
categorie van zones.
De wijze waarop eventuele meerkosten
zullen worden gefinancierd, maakt deel uit van de lopende budgettaire en
politieke besprekingen binnen de regering. Het is op dit ogenblik dan ook
voorbarig om vooruit te lopen op concrete budgettaire verschuivingen.
Deze hervorming maakt deel uit van een
coherent geheel dat verband houdt met een bredere herziening van de
veiligheidsarchitectuur.
Schaalvergroting van de
politiestructuren, herfinanciering van de zones en de aantrekkelijkheid van het
beroep om die structuren daadwerkelijk in te vullen, zijn drie onlosmakelijk
verbonden pijlers. Het uiteindelijke doel blijft een kwalitatieve, slagkrachtige
en toegankelijke politiedienstverlening aan de burger.
Mijnheer de minister,
In antwoord op mijn schriftelijke
vraag nummer 762 deelde u mee dat het directiecomité van de federale politie
zijn analyse had afgerond, met mogelijke opties om de federale politie te
vereenvoudigen en te versterken. Verschillende scenario's droegen elk op hun
manier bij aan minder versnippering, minder bureaucratie, sterkere operationele
diensten en een evenwichtiger inzet van middelen en managementcapaciteit.
In antwoord op mijn mondelinge vraag
liet u weten dat een expertengroep werd opgericht. De structurele hervorming
van de federale politie blijft een absolute noodzaak. De doelstellingen waren
opgenomen in het regeerakkoord. Wij hebben ze nog eens op scherp gesteld in ons
tien puntenplan. De verkokering binnen de federale politie moet dringend worden
aangepakt. Dat begint aan de top en kan dan worden doorgetrokken naar beneden.
Aangezien we in België beschikken over
een geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus, moet de structurele
hervorming van de federale politie hand in hand gaan met de hervorming van de
lokale politieorganisatie. Zolang die blijven opereren als twee autonome
niveaus, lukt dat natuurlijk moeilijk. De geïntegreerde werking is dan het kind
van de rekening. Het lijkt op het mysterie van de Heilige Drievuldigheid.
Hierover volgende vragen:
Antwoord - Réponse:
Midden vorig jaar heb ik, samen met mijn
collega, de voogdijminister van Justitie, de Federale Politie de opdracht
gegeven een interne doorlichting uit te voeren.
Deze opdracht heeft eind
2025 geleid tot de oprichting van een expertengroep, samengesteld uit
de voornaamste actoren binnen de politiegouvernance (de
Commissaris-generaal, de Vaste Commissie van de Lokale Politie, het College van
procureurs-generaal, de gouverneurs, de Algemene Inspectie van de Federale en
van de Lokale Politie en de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken).
Deze expertengroep heeft als
opdracht zich te buigen over de operationele uitvoerbaarheid en de externe
draagkracht van het binnen het regeerakkoord
beoogde hervormingstraject.
Het verwachte verslag zal
voorstellen bevatten voor een nieuwe structuur van de Federale Politie, evenals
een realisatietraject voor de implementatie ervan.
Het zal navolgend worden
besproken in de schoot van de Ministerraad en kan, na goedkeuring,
aanleiding geven tot wetgevende initiatieven.
Zondagavond 10 mei rond 18.45 uur vond
er een schiet- en vechtpartij plaats aan het station van Leuven. Een 17-jarige
werd in de voet geschoten. Een tweede slachtoffer werd geslagen en geschopt.
Intussen werd een 16-jarige verdachte
opgepakt. De andere betrokkenen worden nog opgespoord. Het parket opende een
gerechtelijk onderzoek wegens poging tot moord, inbreuken op de wapenwetgeving
en bendevorming. Dit is dus geen banale 'jongerenruzie'.
Een station is een plaats waar
pendelaars, studenten, scholieren, buurtbewoners en reizigers zich veilig
moeten kunnen verplaatsen. Wanneer minderjarigen daar met vuurwapens opduiken,
zitten we met een ernstig veiligheidsprobleem. Zeker omdat stationsomgevingen
ook knooppunten zijn waar daders zich snel kunnen verplaatsen tussen
verschillende steden en politiezones.
Antwoord - Réponse:
Meneer Depoortere,
Het betreft hier een gerechtelijk
onderzoek onder leiding van de onderzoeksrechter. Ik zal zoals u wel
weet op geen enkele van uw vragen naar daderprofiel enzovoort
ingaan. U kan uw vragen over het onderzoek beter aan de minister van
Justitie stellen.
De korpschef van Leuven laat weten
dat de stationsomgeving van Leuven en het park achter
het station zeer frequent
door politiepatrouilles worden aangedaan, zowel met zichtbare
politieploegen als anoniem.
Naar aanleiding van de
feiten is deze patrouilleoriëntatie aangehouden om de
omwonenden en pendelaars gerust te stellen dat de politie aanwezig is
op het openbaar domein.
Maandag 27 april werd beëdigd tolk
Gabriela Kürti, 65 jaar, tijdens een politieverhoor in Hoogstraten zwaar
aangevallen door een 22-jarige Roemeense verdachte van poging tot moord. De
verdachte zou eerder die ochtend betrokken zijn geweest bij een steekpartij in
Merksplas.
Tijdens het verhoor sloeg hij de tolk
plots met een vuist in het gezicht. De gevolgen zijn bijzonder zwaar: een
gebroken neusregio, een verzakte oogkas, zenuwschade, gevoelloosheid aan lip en
tanden. Er zou zelfs een kaakoperatie met titaniumplaat volgen.
Tolken vervullen bij politieverhoren een
essentiële rol. Zonder hen kunnen politiediensten hun werk in heel wat dossiers
niet correct uitvoeren. Dat dit soort geweld kon plaatsvinden tijdens een
verhoor, in een politiekantoor, is zeer verontrustend.
Antwoord - Réponse:
Het geval waar u naar verwijst
is een bijzonder ernstig feit. Ik spreek mijn volledige steun uit aan het
slachtoffer en onderschrijf de onmisbare rol van tolken in het goede
verloop van politie- en gerechtelijke procedures.
Politieverhoren verlopen binnen een
strikt wettelijk kader, dat de rechten van de gehoorde personen evenals de
veiligheid van alle betrokkenen moet waarborgen.
De organisatie van
verhoren berust op een voorafgaande risicoanalyse, waarbij onder meer
rekening wordt gehouden met de aard van de feiten en het profiel van de
gehoorde persoon. Op basis daarvan worden aangepaste maatregelen genomen.
Tijdens de verhooropleidingen die worden
gegeven, worden deze veiligheidsmaatregelen in herinnering gebracht om de
veiligheid van alle betrokkenen te waarborgen.
De veiligheid van tolken maakt integraal
deel uit van deze logica. Zij worden geïnformeerd over het verloop van het
verhoor, met inbegrip van de veiligheidsaspecten.
Zoals bij elke politie-interventie kan
een restrisico evenwel nooit volledig worden uitgesloten, en daarom wordt elk
incident nauwgezet opgevolgd. Het huidige geval wordt zeer ernstig
genomen. Overeenkomstig de geldende referentiekaders wordt elk incident
geanalyseerd om de precieze omstandigheden vast te stellen en er nuttige lessen
uit te trekken. Het komt toe aan de betrokken korpschef, de bevoegde
gerechtelijke overheden en de controle-instanties om de feiten volledig op te
helderen en eventuele disfuncties vast te stellen.
De vraag naar een eventuele bijkomende
opleiding voor tolken behoort niet tot mijn bevoegdheden.
Tot slot voorziet het
Strafwetboek reeds in mechanismen om rekening te houden met de ernst
van de feiten. Elke eventuele wijziging valt onder de bevoegdheid van de
minister van Justitie.
Mijnheer de minister,
Het regeerakkoord voorziet een
hervorming van de veiligheids- en preventieplannen en ex-veiligheidscontracten.
Dat gefragmenteerde financieringssysteem dient samen met de financiering
van gemeenschapswachten te worden omgevormd tot een objectief systeem dat inzet
op de ontwikkeling van een duurzaam integraal veiligheidsbeleid door steden en
gemeenten (of een samenwerking van gemeenten) en impulsen voorziet voor lokale
innoverende projecten in het lokaal veiligheids- en preventiebeleid.
In uw beleidsnota van 2025 lazen we dat
de krachtlijnen van het hervormingsvoorstel in de ministerraad besproken en
goedgekeurd dienen te worden zodat in 2026 het reglementaire kader kon worden
aangepast.
We moesten erover waken dat de middelen
optimaal werden ingezet en verdeeld. U zou met uw collega's van de andere
departementen en de deelstaten de nodige informatie verzamelen over de diverse
subsidiestromen ter ondersteuning van het lokale veiligheids- en
preventiebeleid.
U stelde ook dat een oplossing werd
uitgewerkt voor de huidige juridische geschillen binnen het subsidiebeleid.
We moesten volgens u ook inzetten op de
bevordering van de samenwerking binnen grotere veiligheidsentiteiten.
Hierover
volgende vragen:
Antwoord - Réponse:
Momenteel lopen de politieke besprekingen
over de geplande hervorming van het subsidiebeleid. In dat kader werden reeds verschillende
interkabinettenwerkgroepen (IKW’s) georganiseerd. Het is de bedoeling om
binnen een redelijke termijn tot een gedragen voorstel te komen, zodat het
hervormingsdossier vervolgens aan de Ministerraad kan worden voorgelegd.
Met deze hervorming wordt een grondige
modernisering van het subsidiebeleid beoogd, met bijzondere aandacht voor
transparantie, objectiviteit en juridische robuustheid. De hervorming heeft als
doel een duurzaam, geïntegreerd en toekomstgericht lokaal veiligheidsbeleid te
ondersteunen, waarbij een evenwicht wordt nagestreefd tussen lokale autonomie
en federale strategische sturing. Binnen het huidige subsidiebeleid wordt
intergemeentelijke samenwerking al aangemoedigd. Met deze hervorming willen we dat
aspect verder versterken en nog actiever stimuleren.
De hervorming focust in het bijzonder op
een meer objectieve selectie van de begunstigde gemeenten en een transparantere
toekenning van de middelen. Daarnaast vormt administratieve vereenvoudiging een
belangrijk aandachtspunt, zowel voor de lokale besturen als voor de federale
overheid als subsidiërende instantie.
Vandaag beheert de FOD Binnenlandse
Zaken twee belangrijke financiële instrumenten ter ondersteuning van het lokaal
veiligheidsbeleid:
- de Strategische Veiligheids- en
Preventieplannen (SVPP), met inbegrip van de bijkomende financiering voor
gemeenschapswachten voor een bedrag van 44.645.376 EUR
- de voormalige Veiligheids- en
Samenlevingscontracten (ex-VSC) voor een bedrag van 15.329.000 EUR
Daarnaast is er voor de Brusselse
gemeenten eveneens een federaal budget van 20 miljoen euro voorzien, dat samen
met de middelen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt verdeeld in het
kader van de buurtpreventieplannen. Wat betreft uw vraag over het
juridisch contentieux en het gevolg dat zal worden gegeven aan de arresten van
de Raad van State, kan ik meedelen dat momenteel wordt onderzocht of voor de
jaren 2018, 2019 en 2020 nog een oplossing kan worden uitgewerkt om te
vermijden dat de voor die jaren toegekende voorschotten zouden moeten worden
teruggevorderd wegens het ontbreken van een voldoende juridische basis.
Deze problematiek zal mee worden
opgenomen in het hervormingsvoorstel, rekening houdend met de opmerkingen van
de Raad van State en de Inspectie van Financiën ter zake.
Mijnheer de minister,
In antwoord op mijn schriftelijke vraag
nummer 628 stelde u dat het drugsfonds of impulsfonds de concrete uitwerking
betrof van het regeerakkoord. Dat stelt dat de meeropbrengsten die de
efficiëntere vervolging en inning teweegbrengen, bij de jaarlijkse begrotingsopmaak,
prioritair worden ingezet om de budgettaire noden en investeringen bij de
veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen.
Terwijl de FIOD er moet zorgen voor dat
we meer crimineel vermogen recupereren, moet het drugsfonds er volgens u voor
zorgen dat de meeropbrengsten op een slimme, innovatieve manier worden geherinvesteerd,
bovenop de reguliere middelen. Zonder de FIOD geen extra opbrengsten, zonder
een gestructureerd fonds zouden de opbrengsten in de algemene begroting
verdwijnen zonder gerichte impact.
Er werd gewerkt aan de verdere
uitwerking van de modaliteiten inzake governance, beheer en herverdeling van
het drugsfonds. Het was van essentieel belang dat er een robuust juridisch en
operationeel kader kon worden voorgelegd. Zodra deze modaliteiten waren
afgerond, zou het wetsontwerp worden ingediend.
Vorige week lazen we dat de miljoenen
die via justitie in de schatkist belanden, op termijn via het 'crimorgfonds'
moeten terugvloeien naar politie en justitie. Het wetsvoorstel tot vaststelling
van aangescherpte maatregelen ter bestrijding van de drugshandel en de
georganiseerde criminaliteit richt via artikel 11 tot 13 het “Fonds ter
bestrijding van de drugshandel en de georganiseerde misdaad" op.
Hierover
volgende vragen:
Antwoord - Réponse:
De termen "drugsfonds",
"impulsfonds" of "crimorgfonds" verwijzen in wezen naar
hetzelfde beleidsinitiatief, namelijk de invoering van een mechanisme waarmee
een deel van de extra inkomsten die worden gegenereerd door de bestrijding van
de georganiseerde criminaliteit en de drugshandel, opnieuw in de
veiligheidsketen kan worden geïnvesteerd. De terminologie is tijdens de
voorbereidende werkzaamheden geëvolueerd, maar het gaat wel degelijk om
dezelfde beleidsdoelstelling zoals vastgelegd in het regeerakkoord.
De FIOD en het fonds vullen elkaar aan.
De FIOD heeft tot doel de strijd tegen criminele vermogens te versterken en de
mogelijkheden voor het terugvorderen van opbrengsten uit misdrijven te
vergroten. Het fonds heeft daarentegen tot doel een deel van de aldus
gegenereerde extra inkomsten te herinvesteren in de veiligheidsketen, met name
ten behoeve van de politie, justitie en multidisciplinaire projecten die
verband houden met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
De samenhang is dus gebaseerd op een
logica van “follow the money” en “recover the money”,
waarbij de teruggewonnen extra inkomsten opnieuw kunnen worden geïnvesteerd in
de versterking van de capaciteiten voor de bestrijding van de georganiseerde
criminaliteit.
De werkzaamheden met betrekking tot het
bestuur, het beheer en de herverdeling van het fonds zijn in een vergevorderd
stadium. Ik ben daarover nog in overleg met de minister van Justitie,
waarna een concreet voorstel binnen de Regering verder zal besproken worden.
De verschillende mogelijkheden met
betrekking tot het juridische en operationele kader
zijn reeds besproken tussen de betrokken overheidsdiensten en
kabinetten.
De artikelen 11 tot en met 13 van
wetsontwerp 56 1473 sluiten aan bij de doelstellingen van het regeerakkoord,
namelijk de versterking van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en
de herinvestering van de extra inkomsten in de veiligheidsketen. Zoals bij elk
mechanisme van dit type moet echter bijzondere aandacht worden besteed aan het
concrete bestuur, de integratie in de begroting, de rechtszekerheid en de
operationele haalbaarheid van de regeling.
Het Nationaal Drugscommissariaat speelt
een belangrijke coördinerende rol in deze denkoefening. Er wordt met name
overwogen dat het bijdraagt aan het vaststellen van prioriteiten, de
coördinatie van multidisciplinaire actieplannen en de opvolging van gefinancierde
projecten. In dit stadium is er nog geen definitief besluit genomen over een
eventuele rechtstreekse toewijzing van middelen aan het Nationaal
Drugscommissariaat.
De budgettaire impact van het mechanisme
hangt rechtstreeks af van de extra inkomsten die daadwerkelijk worden
gegenereerd door verbeurdverklaringen, boetes, strafrechtelijke schikkingen en
andere terugvorderingen in het kader van de strijd tegen de georganiseerde
criminaliteit. Het principe van het systeem bestaat er juist in slechts een
deel van de daadwerkelijk gegenereerde meerwaarden te herinvesteren. Dit maakt
het mogelijk een negatieve structurele impact op de algemene begroting te
vermijden en tegelijkertijd gerichte aanvullende investeringen in de
veiligheidsketen mogelijk te maken.
56016106C
Uit recente berichtgeving blijkt dat
ongeveer 6.000 flessen lachgas, die eerder door de Brusselse politie in beslag
waren genomen in een drugsonderzoek, nadien werden gestolen uit een verzegelde
hangar in Halle. De partij zou een straatwaarde hebben van minstens 300.000
euro.
Volgens de berichtgeving werden de
flessen noodgedwongen ter plaatse achtergelaten omdat er geen veilige en
werkbare oplossing was voor de opslag of afvoer van deze gevaarlijke goederen.
De hangar werd verzegeld en er werd een nieuw hangslot geplaatst, maar bij een
latere controle bleek de loods volledig leeggehaald.
Daarom heb ik volgende vragen:
56016181C
Geachte minister,
Een absurd verhaal in Halle waar dieven
lachgas stelen dat door de politie in beslag was genomen. Al stelde in beslag
nemen in dit geval niet veel voor: men heeft het gas gewoon laten liggen, het
slot vervangen en de loods verzegeld. Lachgas is een bijzonder explosief gas en
de opslag ervan is een verhoogd risico. Als een explosie zou plaatsvinden is
het alle hens aan dek. Als burgemeester was ik niet op de hoogte van de opslag.
Ook de lokale politiezone Zennevallei noch de brandweer waren ingelicht.
Het goedje is blijkbaar te gevaarlijk
voor de gebouwen van justitie maar gewoon in een loods in de buurt van bewoning
vormt blijkbaar geen probleem.
Hoe kan het dat niemand op de hoogte was
van een potentieel veiligheidsrisico?
Waarom wordt de burgemeester niet op de
hoogte gesteld?
Waarom wordt de lokale politiezone niet
op de hoogte gesteld van de vondst en inbeslagname door het Brussels parket?
Waarom was de brandweer niet op de
hoogte?
Wie stond in voor de bewaking van de
loods?
Welke afspraken tussen politie en parket
zijn er bij de inbeslagnames van gevaarlijke goederen? Wat is er
voorgeschreven? Wie beslist over de plaats van opslag? Wie moet worden
ingelicht? Wie staat in voor de bewaking? Waarom werden deze niet nageleefd met
andere woorden wie heeft hier gefaald?
Als deze gebeurtenis wel volgens het
protocol is: zal u de minister van justitie verzoeken een nieuw protocol uit te
werken? Zullen de politiezones, brandweerzones en burgemeesters dan wel worden
betrokken?
Antwoord - Réponse:
Op dit moment bestaat er geen uniforme
regeling tussen de FOD Binnenlandse Zaken, Justitie en Volksgezondheid met
betrekking tot de praktische afhandeling van in beslag genomen lachgasflessen.
De modaliteiten voor het ophalen, de
tijdelijke opslag en de beveiliging worden nog steeds geval per geval behandeld
door de parketten en de politiediensten, wat leidt tot uiteenlopende
oplossingen. Het Drugscommissariaat kreeg de opdracht
om hier een voorstel tot oplossing uit te werken.
De lachgasflessen vormen effectief een
groot probleem vanwege hun potentieel explosieve karakter, waardoor ze niet op
de gebruikelijke plaatsen, zoals griffies, kunnen worden opgeslagen en er
tijdelijke, soms niet optimale oplossingen moeten worden gevonden.
Ik vernam dat voor de gerechtelijk inbeslaggenomen
lachgasflessen de FOD Justitie samen met de FOD Volksgezondheid
aan een nationaal raamakkoord werkt om de inzameling en vernietiging
van lachgas via gespecialiseerde firma’s op een gestructureerde manier te
organiseren. Dergelijk akkoord kan helpen om
de politionele afhandeling vlotter te laten verlopen.
Op 1 mei stond op het Albertinaplein in
Brussel de groep Anti-Skapitalista geprogrammeerd op een evenement van FGTB
Brussel. Op beelden is te zien hoe tijdens het optreden anti-politieleuzen
worden gescandeerd, waaronder “Tout le monde déteste la police".
Uit publiek beschikbaar materiaal blijkt
dat de groep ook een nummer “ACAB" in haar repertoire heeft. Die afkorting
staat internationaal bekend voor “All Cops Are Bastards". In de tekst
worden politiemensen collectief weggezet als uitvoerders van “state-sanctioned
inhumanity" en “crimes against humanity", met als expliciete
boodschap: “There are no good cops". Ook de code “1312", de
cijfercode voor ACAB, en verwijzingen naar molotovcocktails, barricades en
“Time to Riot" duiken op in de bredere online context.
Dat gaat verder dan kritiek op
politiebeleid. Dit viseert politiemensen als beroepsgroep. In uw beleidsnota
Veiligheid van 24 april 2025 schrijft u op pagina 3 letterlijk: “Het is
essentieel om de relatie tussen de burgers en de Staat te herstellen. Dit vereist
een eerlijk en efficiënt bestuur ten dienste van de bevolking, met respect voor
de hulpverleners en de ordediensten."
Antwoord - Réponse:
Volgens de informatie
die de ZP PolBr mij heeft verstrekt, Politie was
op voorhand op de hoogte van de aanwezigheid & het profiel van de
groepering. Tijdens de betoging is het niet steeds opportuun tussen te komen
voor het scanderen van dergelijke boodschappen/liederen en dit om escalatie te
vermijden. De organisator heeft inderdaad de aanwezigheid van de
groepering opgemerkt. Hij heeft dan ook de politiediensten op de hoogte
gebracht en zijn ongenoegen geuit. Het is echter niet de taak van de
organisator van een betoging om de politietaak op zich te nemen.
Er werd geen pv
opgesteld & op dit moment is het de politie niet bekend of er in
de toekomst nog soortgelijke evenementen zullen plaatsvinden die door dezelfde
groep worden georganiseerd.
Meneer de minister,
Na jarenlange politieke strijd, onder
meer op ons aandringen, is de fusie van de zes Brusselse politiezones tot één
eengemaakte zone eindelijk in zicht. Dit is een noodzakelijke en structurele
hervorming die komaf moet maken met de versnippering, eenheid van commando moet
garanderen en een slagkrachtige aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit
en bendegeweld mogelijk moet maken. Dit is cruciaal om de Brusselaars de
veiligheid te geven die ze verdienen.
Echter, twee cruciale elementen dreigen
de effectieve start en werking van de nieuwe zone te hypothekeren: de politieke
oppositie en de structurele onderfinanciering.
Daarom heb ik de volgende vragen:
1. Juridische sabotage. De Brusselse
burgemeesters hebben unaniem kritiek geuit en dreigen de wet aan te vechten
voor het Grondwettelijk Hof. Dit is een ernstige bedreiging voor de
rechtszekerheid en de implementatietermijn van de fusie, die tegen 1 januari
2028 rond moet zijn. Welke concrete garanties geeft u dat deze juridische
manoeuvres het proces van eenmaking niet zullen vertragen of ondermijnen?
2. Structurele onderfinanciering. Uit
analyses blijkt dat de Brusselse zones in de komende legislatuur 300 tot 500
miljoen euro aan inkomsten mislopen door een verouderde federale dotatie die
nog uitgaat van een theoretische bevolking van 900.000 inwoners, terwijl er in
de praktijk 1,2 miljoen inwoners zijn. U werkt aan een update van deze
verdeelsleutel. Tegen welke bindende datum garandeert u dat de nieuwe
verdeelsleutel operationeel zal zijn, zodat de eengemaakte politiezone vanaf
dag één de noodzakelijke middelen heeft om de extra kosten op te vangen en
efficiënt te werken?
3. Nabijheid en personeelstekort. De
fusie moet leiden tot een sterkere wijkwerking en de wettelijke verplichting
van één wijkagent per 2.000 inwoners. Gezien het huidige tekort van ongeveer
1.000 agenten in Brussel, hoe gaat u garanderen dat de eengemaakte zone niet louter
een 'stoplap' is, maar daadwerkelijk een antwoord biedt op het personeelstekort
en onmiddellijk de beloofde nabijheid en slagkracht op het terrein realiseert?
Alvast bedankt.
Antwoord - Réponse:
Ik dank u voor uw vragen.
Eerst over het juridische risico. Ja, de
Brusselse burgemeesters hebben hun verzet geuit, en ja, er werd een beroep
aangekondigd bij het Grondwettelijk Hof. Maar laat ons duidelijk zijn over wat
dat werkelijk betekent. Een beroep tot vernietiging is niet van rechtswege
schorsend. De indiening ervan stopt noch de inwerkingtreding van de wet, noch
de implementatiekalender.
En wat de grond van de zaak betreft, wil
ik dat we het advies van de Raad van State lezen voor wat het is: het
formuleert geen enkele opmerking, zelfs geen enkel voorbehoud, over het
verplichte karakter van de fusie in Brussel.
Men mag dit niet anders voorstellen. Ik
voeg daaraan toe dat deze fusie niet afhangt van enige aanvechtbare
uitvoeringshandeling: het territoriale ambtsgebied van de eengemaakte zone is
rechtstreeks in de wet ingeschreven, in artikel 9/1.
De inwerkingtreding van de tekst maakt
van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad automatisch één enkele
politiezone, zonder dat daarvoor enig koninklijk besluit of enige voorafgaande
aanvraag nodig is. De kalender is op zijn beurt veiliggesteld: een
voorbereidende fase van twaalf tot achttien maanden gaat vooraf aan de
operationele uitvoering, en in Brussel is die fase al aan de gang via 24
werkgroepen. De korpschefs organiseren zich en harmoniseren hun processen;
volgens de feedback waarover ik beschik, is de sfeer zeer constructief. Mijn
garantie is dus concreet: het proces gaat vooruit, en het zal vooruitgaan.
Zoals ik heb aangegeven, zal de nieuwe
financieringsnorm vóór de zomer van 2026 aan de regering worden voorgelegd; wij
werken hieraan samen met de ULB en de onderhandelingen zijn momenteel aan de
gang. Het nieuwe financieringsmodel zou uitwerking moeten hebben vóór de
eengemaakte zone operationeel wordt in januari 2028.
Ter herinnering: het regeerakkoord
voorziet uitdrukkelijk in deze aanvullende financiering. Ik moet het cijfer dat
circuleert echter nuanceren: het overzicht dat uitgaat van een half miljard
euro voegt heterogene elementen samen die noch op dezelfde rechtsgrond, noch op
hetzelfde begrotingsmechanisme steunen — sommige hebben specifiek betrekking op
Brussel, andere gelden voor alle zones van het land.
Dat betekent niet dat het probleem niet
bestaat. Ik erken het zonder dubbelzinnigheid: de studie van 2023
waarnaar Brulocalis verwijst, raamt de onderfinanciering op
ongeveer tien procent van het totale budget van de Brusselse zones.
Meer in het algemeen zijn de grote
stedelijke zones vandaag structureel ondergefinancierd. Dat is met name de
reden waarom wij de norm herzien. Tot slot is er, om specifiek de geboorte van
de eengemaakte zone te begeleiden, vijfenzestig miljoen euro voorzien — een
steun die verdubbeld is ten opzichte van de andere zones die vrijwillig zullen
fusioneren.
Tot slot over de nabijheid en de
personeelsbezetting. De norm van één wijkinspecteur per tweeduizend
gedomicilieerde inwoners is in de wet ingeschreven. Het gaat om een
referentienorm, die overal haalbaar is en wordt toegepast met respect voor de
lokale prioriteiten. Zij wordt gecombineerd met het behoud van artikel 10 over
toegankelijkheid en onthaal in elke gemeente, en met een nieuwe verplichting:
het zonaal veiligheidsplan zal voortaan gemeente per gemeente moeten preciseren
hoe de minimale dienstverlening wordt verzekerd, inclusief onthaal, en hoeveel
personeelsleden worden ingezet voor de nabijheidspolitie.
De evaluatie die in 2022 door IDEA
Consult en UGent werd uitgevoerd over
tien reeds gefusioneerde zones toont geen structurele achteruitgang
van de nabijheidspolitie aan.
Nabijheid hangt af van lokale
keuzes inzake organisatie en inzet, niet van de administratieve
omvang van de zone. De fusie creëert geen nieuwe kaders, dat beweer ik niet;
maar een grotere pool maakt het mogelijk om de schaarste beter te beheren, de
continuïteit van de dienstverlening te verzekeren en het hoofd te bieden aan
gelijktijdige situaties.
Door de stabiliteit van de teams te
versterken, creëert schaalvergroting betere voorwaarden om de nabijheid
duurzaam te behouden. En de digitalisering, die versnelt, maakt tijd vrij om de
personeelsleden opnieuw daar in te zetten waar zij nuttig zijn: op
het terrein, in contact met de burgers.
Laat daarover geen misverstand bestaan:
interventiecapaciteit en nabijheid staan niet tegenover elkaar, zij zijn twee
kanten van dezelfde medaille.
Volgens een bericht in Gazet van
Antwerpen van begin mei 2025 verliezen achttien Antwerpse havenarbeiders
voorlopig hun baan wegens drugfeiten in hun privéleven. In totaal zouden meer
dan 170 van de 8.500 havenarbeiders intussen een negatief veiligheidsadvies
hebben gekregen. De maatregel kadert in de verstrengde screening van
havenarbeiders in Antwerpen en Zeebrugge, havens die al jaren onder zware druk
staan door internationale drugscriminaliteit.
Opvallend is dat de Antwerpse
N-VA-havenschepen vooral waarschuwt voor de impact op bedrijven en pleit voor
een “evenwicht" tussen economische belangen en veiligheidsbelangen. Uw
federale regering schrijft in haar regeerakkoord nochtans dat blijvend moet
worden ingezet op de beveiliging van zeehavens en op een afdoende screening van
havenpersoneel. Ook uw beleidsnota Veiligheid stelt dat de strijd tegen drugs
en georganiseerde criminaliteit de volledige keten moet aanpakken, inclusief
logistiek en toegangspoorten.
Voor mij is de vraag eenvoudig: wie
toegang krijgt tot containers, terminals, kaaien of logistieke informatie, mag
niet chantabel zijn door druggebruik of contacten met het drugsmilieu. De
correcte havenarbeider moet beschermd worden tegen infiltratie, intimidatie en
corruptie.
Antwoord - Réponse:
Meneer Depoortere,
De dienst CG Screening van de
Federale Politie, die de in het Scheepvaartwetboek voorziene screenings
uitvoert, doet dit onverkort, en dusook bij druk van lokale
bestuurders of economische actoren.
Alle druggerelateerde feiten leiden tot
een negatief veiligheidsadvies, behalve het éénmalige drugsgebruik tijdens de
voorbije 5 jaar.
In 2025 heeft de Federale Politie 18.175
veiligheidsadviezen uitgebracht met betrekking tot de havensector. 310 daarvan
(1,7 % van het totale aantal adviezen) zijn negatieve veiligheidsadviezen. De
Federale Politie heeft geen statistieken ter beschikking per haven en
per reden.
Ik kan niet voor de Antwerpse
schepen spreken, maar volgens mij is een veilige haven de beste garantie om een
gunstig klimaat voor economische activiteit te creëren.
Uw vraag over de uitbreiding van de
screening naar andere havens stelt u beter aan de bevoegde minister.
Mijnheer de minister,
Volgens recente berichtgeving kunnen
meerdere politiezones al enkele weken geen volwaardige drugscontroles meer
uitvoeren in het verkeer omdat de voorraad speekselcollectoren voor
speekselanalyses uitgeput of bijna uitgeput is. Onder meer in de Kempen, maar
ook in delen van Oost-Vlaanderen, zouden politiezones daardoor zeer spaarzaam
moeten omspringen met de resterende voorraad.
De gevolgen zijn bijzonder ernstig. Een
eerste speekseltest kan wel nog aanwijzen dat een bestuurder mogelijk drugs
heeft gebruikt, maar zonder verdere speekselanalyse kan niet worden vastgesteld
om welke stoffen het gaat en of de wettelijke drempelwaarden overschreden zijn.
Daardoor dreigen bestuurders die uiterlijke tekenen van druggebruik vertonen of
positief testen, uiteindelijk niet vervolgd te kunnen worden. Sommige zones
geven aan dat controles hierdoor zelfs niet meer systematisch worden uitgevoerd.
Volgens de berichtgeving ligt de oorzaak
bij de overgang naar een nieuwe leverancier, nadat de vorige producent de
productie van de collectoren heeft stopgezet. De overheid zou hiervan al
maanden op de hoogte zijn. Intussen nadert de festivalzomer, waarin net
verhoogde controles op rijden onder invloed noodzakelijk zijn.
Daarover heb ik volgende vragen:
Antwoord - Réponse:
Mijn kabinet wordt via het
Administratief-Technisch Secretariaat (ATS) van Binnenlandse Zaken permanent op
de hoogte gehouden van de situatie inzake het tekort aan
speekselcollectoren. Deze informatie wordt verstrekt door CENTREX Wegverkeer.
Zodra duidelijk werd dat de momenteel nog lopende
aanbestedingsprocedure bij Justitie niet tijdig zou worden afgerond,
werd mijn kabinet regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken en de
evaluatie van de situatie.
Momenteel is er nog geen duidelijk zicht
op de politiezones die te maken hebben met een uitgeputte of kritieke voorraad.
In de afgelopen vijf jaar (periode 2021
t.e.m. 2025) waren er in totaal 65.120 vaststellingen inzake drugs in
het verkeer. Daarvan werden jaarlijks ongeveer 550 vaststellingen afgehandeld
via een bloedproef, meestal omdat er geen collectoren aanwezig waren.
Daarnaast zijn er nog de - eerder
beperkte - gevallen waarin betrokkene de speekselanalyse weigert. Globaal kan
worden gesteld dat er in de afgelopen vijf jaar ongeveer 61.000
speekselcollectoren effectief werden gebruikt.
De aankoop en de ter beschikkingstelling
van de speekselcollectoren alsook het vervolgingsbeleid behoren niet tot mijn
bevoegdheid. Ik moet u daarvoor doorverwijzen naar mijn collega, de minister
van Justitie en van de Noordzee.
In de Wegverkeerswet is voorzien dat er
kan worden overgegaan tot een bloedproef:
Indien er geen speekselcollectoren
beschikbaar zijn, kan nog steeds worden overgegaan tot een - weliswaar meer
tijdrovende - bloedproef. Momenteel kan nog niet worden bepaald welke exacte
impact dit heeft op het aantal controles.
Over de resterende voorraad - zo’n 1.750
stuks -kan ik u meedelen dat deze werd verdeeld op basis van het aantal
vaststellingen inzake drugs in het verkeer in 2024.
Het jaar 2025 kon nog niet als parameter
worden gebruikt, aangezien de cijfers over het aantal vaststellingen op het
ogenblik van de verdeling van de resterende voorraad nog niet bekend waren.
De herverdeling van de resterende
voorraad zal in de komende weken worden aangepast op basis van de
vaststellingen uit 2025.
Daarnaast werd ook rekening gehouden met
het aantal speekselcollectoren dat sinds 1 december 2024 aan de betrokken
entiteit van de Geïntegreerde Politie werd geleverd.
Mijnheer de minister,
De VVSG en Netwerk Brandweer trekken
opnieuw aan de alarmbel over de toenemende vuurwerkproblematiek in Vlaamse
grensgemeenten. Het Schakelpunt Grensbelemmeringen heeft deze problematiek
intussen erkend als grensbelemmering. De verschillen tussen de Belgische en
Nederlandse regelgeving zorgen ervoor dat Nederlanders vuurwerk aankopen in
Belgische grensgemeenten, waar consumentenvuurwerk het hele jaar door kan
worden verkocht. Dat leidt lokaal tot verkeershinder, parkeerdruk, zwerfvuil,
overlast en bijkomende risico's voor de openbare orde en de veiligheid van
inwoners en hulpdiensten.
Lokale besturen botsen daarbij op hun
grenzen. Gemeenten kunnen het gebruik van vuurwerk regelen, maar hebben geen
bevoegdheid over de verkoop ervan. Daardoor dreigt een waterbedeffect:
strengere regels in de ene gemeente verschuiven de problematiek naar een andere
gemeente. De VVSG en Netwerk Brandweer pleiten daarom voor een coherent
federaal kader, met onder meer een verbod op consumentenvuurwerk voor
particulieren, inclusief categorie F2.
Daarover heb ik volgende vragen:
Antwoord - Réponse:
Enerzijds is er de overlast die gepaard
kan gaan met het zogenaamde “vuurwerktoerisme” waarnaar u verwijst, zoals
verkeershinder, parkeerdruk en zwerfvuil. Anderzijds zijn er de
veiligheidsrisco’s die verbonden zijn aan het gebruik van vuurwerk zelf, zoals
het risico op lichamelijke letsels, brandgevaar en schade aan goederen.
Wat de veiligheidsaspecten betreft,
beschikken de gemeenten reeds over belangrijke instrumenten om in het kader van
hun bevoegdheden inzake de openbare veiligheid, brandveiligheid en
brandpreventie zelf passende maatregelen te nemen.
De problematiek waarnaar u verwijst,
lijkt evenwel voornamelijk betrekking te hebben op de overlast die ontstaat
naar aanleiding van de aankoop van vuurwerk, waarna dit vervolgens wordt
vervoerd naar de woonplaats en daar wordt gebruikt.
Ook voor dergelijke vormen van overlast
beschikken de gemeenten over de nodige bevoegdheden. Op basis van de artikelen
133 tot en met 135, §2 van de Nieuwe Gemeentewet kunnen zij maatregelen nemen
ter vrijwaring van de openbare orde, rust en veiligheid. Daarnaast biedt de
GAS-wet bijkomende mogelijkheden om bepaalde inbreuken op lokaal niveau te
handhaven en zo de lokale overlast op een proportionele en doeltreffende wijze
aan te pakken.
De politie laat weten geen cijfers te
hebben om te bepalen of criminele feiten, die worden gepleegd op het
grondgebied van de grensgemeenten, specifiek gelinkt kunnen worden aan
“vuurwerktoerisme”.
U vraagt ook naar mijn intenties om te
overleggen met Nederland, maar zoals gezegd behoort de aanpak van lokale
overlast in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de gemeentelijke overheden.
De invoering van een algemeen verbod op
vuurwerk, zou een wetgevend initiatief vanwege de minister van Economie
vereisen. Ook het uitwerken van een uniform kader voor consumentenvuurwerk is
een bevoegdheid van de FOD Economie.
Beste minister,
In het kader van crisisbeheer en civiele
bescherming wordt burgers nog steeds aangeraden om in hun noodpakket een
opwindbare radio of een radio te voorzien, zodat zij bij stroomuitval of
andere noodsituaties officiële informatie kunnen ontvangen. In de praktijk gaat
het daarbij vaak om toestellen die gebruikmaken van het FM-netwerk. Het signaal
is robuust, dringt goed door muren en is betrouwbaar ook bij storingen in het
digitale netwerk. Alle regionale publieke omroepen zenden verplicht uit op FM.
In een noodsituatie is FM de meest betrouwbare manier om overheidsinformatie te
ontvangen.
Tegelijk circuleren plannen en
verwachtingen dat FM-uitzendingen in Vlaanderen vanaf 2035 geleidelijk zouden
worden afgebouwd ten voordele van digitale radiotechnologieën. Dat roept
belangrijke vragen op over de robuustheid en toegankelijkheid van noodcommunicatie
tijdens crisissituaties.
Daarom heb ik volgende vragen:
Antwoord - Réponse:
Noodcommunicatie
dient steeds zo snel, laagdrempelig en robuust mogelijk te zijn.
Daarom is het belangrijk om in te zetten op een combinatie van
meerdere kanalen, zoals de verschillende kanalen in BE-Alert,
klassieke pers en sociale media.
Het Nationaal
Crisiscentrum heeft ook afspraken om met de ondersteuning
van meerdere partners de nodige boodschappen snel breed te
verspreiden.
Het spreekt voor zich dat publieke
omroepen een belangrijke partner zijn, zowel bij vaker voorkomende
noodsituaties als in het kader van nationale weerbaarheidsplanning. Met de
publieke omroepen wordt er tevens naar gestreefd om de infrastructuur
en beveiliging van de gebruikte technologieën zo robuust mogelijk te
maken. Heden benadrukt het Nationaal Crisiscentrum in haar aanbevelingen
voor een noodpakket het nut van multistandaard radios, voor zowel FM
als DAB+, naast het gebruik van batterijen of een oplaadfunctie. Vele actuele
toestellen voldoen reeds aan deze normen.
Hoewel een evolutie van het radionetwerk
naar DAB+-technologie in werkgroepen aan bod komt, is er nog geen
duidelijkheid over een definitieve stopzetting van FM. In geval van
een officieel signaal over de stopzetting van een technologie zullen de
aanbevelingen naar de bevolking daarop afgestemd worden.
Daarnaast wordt momenteel nog bestudeerd
welk nieuw potentieel voor alarmering of informatie aan de bevolking bij
noodsituaties de DAB+-technologie kan hebben. Tegelijk moet
vastgesteld worden dat DAB+ op dit moment nog beperkingen kent. Zo
bereikt het momenteel nog slechts een deel van de bevolking.
Daarom blijft de vermelde multikanaalbenadering
essentieel. Een snelle en robuuste crisiscommunicatie vormt vandaag al het
uitgangspunt van constructieve samenwerking tussen de federale overheid, de
gemeenschappen en de mediasector.
Deze samenwerking zal uiteraard nog
intensiever worden wanneer er ingrijpende veranderingen in de
alarmerings-en informatiemogelijkheden gepland staan.
In het kader van de
weerbaarheidsplanning werd het overleg met de publieke omroepen de
afgelopen maanden geïntensifieerd, met als doel tot uniforme procedures te
komen voor performante crisiscommunicatie en maximale redundantie. Om het
overleg tussen de crisisautoriteiten, de publieke omroepen en hun bevoegde
overheden te verankeren, worden momenteel de modaliteiten besproken van
een structureel overleg met de veiligheidsdiensten.
In uw antwoord op mijn schriftelijke
vraag nr. 842 over digitale drugsdistributie en drugs-on-demand-netwerken stelt
u dat de Algemene Nationale Gegevensbank wel tellingen toelaat, maar dat de
beschikbare variabelen niet toelaten om gegevens te verstrekken over digitale
drugsdistributie en drugs-on-demand-netwerken. Tegelijk erkent u dat criminele
organisaties digitale platformen en communicatiekanalen zoals Snapchat,
Telegram en WhatsApp gebruiken. U stelt bovendien dat steeds meer en steeds
jongere minderjarigen betrokken raken bij ernstige feiten die verband houden
met georganiseerde drugscriminaliteit.
In uw beleidsnota schrijft u letterlijk:
“We zullen niet toestaan dat drugsdealers en de georganiseerde misdaad zich
permanent in onze samenleving vestigen." U schrijft ook dat u niet gezien
wil worden als een minister die veel aankondigingen doet zonder zijn beloftes
na te komen.
Erkent u dat het ontbreken in de ANG van
de mogelijkheid om elke bruikbare afzonderlijke registratie voor digitale
drugsdistributie en drugs-on-demand-netwerken een ernstig probleem betekent in
de strijd tegen drugs?
Hoe kunt u dit fenomeen gericht
bestrijden wanneer u geen cijfers kunt geven over het aantal onderzoeken,
koeriers, organisatoren, minderjarige betrokkenen, onderschepte leveringen of
geografische spreiding?
Zal u een specifieke ANG-registratiecode
laten ontwikkelen om fenomenen zoals digitale drugsdistributie te registreren?
Zo ja wanneer? Zo neen, waarom niet?
Tegen wanneer zal u hierover overleg
plegen met de federale politie, lokale politiezones, DJSOC, FCCU, de parketten
en de nationale drugscommissaris?
Bent u bereid aan de Federale Politie te
vragen om jaarlijks te rapporteren over digitale drugsmarkten,
drugs-on-demand-netwerken, de inzet van minderjarigen en de capaciteitsimpact
op lokale recherche en cybercrime-eenheden?
Is de nodige personeelscapaciteit en het
budget aanwezig om dit te realiseren? Zal u hier een prioriteit van maken? Zo
neen, waarom niet?
Antwoord - Réponse:
Op basis van de politionele
criminaliteitsstatistieken, die worden opgesteld aan de hand van de Algemene
Nationale Gegevensbank (ANG), kan worden gerapporteerd over inbreuken op de
drugswetgeving (bezit, handel, invoer, uitvoer en productie). Op grond van de
beschikbare variabelen is het aldus mogelijk om algemene statistieken met
betrekking tot het fenomeen “drugs” te genereren.
De “digitale drugsdistributie” (via
Telegram, Snapchat, het ‘dark web’, enz.) of “drugs-on-demand”-netwerken vormen
geen afzonderlijke categorieën, maar zijn werkwijzen die verwijzen naar een
reeds bestaand strafbaar feit: de verkoop/handel.
Deze werkwijzen veranderen niets aan de
aard van het strafbare feit en de opvolging ervan door de politiediensten.
Er bestaat evenwel geen specifieke M.O.
(modus operandi) die gekoppeld is aan de verkoopkanalen; er bestaat echter wel
de mogelijkheid om de vermoedelijke wijze van verwerving van de drugs te
registreren, waardoor kan worden aangegeven of de verwerving via het internet
of via het ‘dark web’ zou zijn gebeurd, maar het operationele gebruik hiervan
varieert nog.
Het is dus niet mogelijk om, op het
niveau van de statistische exploitatie, te differentiëren of deze
drugsmisdrijven werden gepleegd via “digitale drugsdistributie” dan wel via
“drugs-on-demand netwerken”.
Drugs blijft een prioritaire materie
binnen de geïntegreerde politie, en de opvolging gebeurt via gespecialiseerde
structuren op federaal niveau. Het fenomeen wordt in al zijn
verschijningsvormen permanent gemonitord door het Centrex Drugs van de Federale
Politie. Dit centrum analyseert trends, modus operandi, smokkelroutes,
logistieke patronen en de dynamiek van criminele netwerken. Deze intelligence
vormt de basis voor gerichte prioriteiten en interventies. De Federale Politie
staat op deze wijze in voor de beeldvorming van het fenomeen, maar tevens voor
het opsporen en ontmantelen van criminele organisaties die achter deze
leveringen opzetten. De Lokale Politie vervult eenzelfde rol voor wat betreft
lokale dealers en bendes, met een focus op fysieke leveringen.
Ook het Nationaal Drugscommissariaat
vervult een belangrijke taak, aangezien het de opdracht heeft om de nationale
drugsstrategie te coördineren en de evoluties in het fenomeen op te volgen. Het
commissariaat verzamelt en synthetiseert informatie van alle
relevante partners - politie, douane,
parketten, gezondheidssector en internationale instanties - zodat beleidskeuzes
gebaseerd zijn op een breed en actueel beeld.
Tot slot wordt de kwaliteit van deze
opvolging verder versterkt via strategische overlegmomenten, internationale
vergaderingen en regelmatige uitwisselingen met experten. Deze fora bieden een
diepgaand en kwalitatief zicht op de belangrijkste dreigingen en risico’s, vaak
sneller en accurater dan klassieke telstatistieken. Ze laten toe om nieuwe
trends, verschuivende smokkelroutes en evoluerende criminele structuren tijdig
te detecteren.
3-6. Het zou in theorie wenselijk zijn
om nieuwe fenomenen zoals digitale drugsdistributie ook kwantitatief te kunnen
ondersteunen, en in dit opzicht zou een specifieke ANG-registratiecode
effectief als hulpmiddel dienen kunnen. Op heden zijn dergelijke termen zoals
‘digitale drugsdistributie’ vandaag niet zijn opgenomen in de ANG-codificatie.
Om praktische en inhoudelijke redenen is
het evenwel niet wenselijk of haalbaar om voor elk opkomend fenomeen nieuwe
ANG-codes te ontwikkelen. De belangrijkste redenen zijn de volgende:
De trends in de digitale drugsmarkt
evolueren bijzonder snel. Tegen de tijd dat een nieuwe ANG-code ontwikkeld,
gevalideerd, geïmplementeerd en opgeleid is, kan het fenomeen al verschoven
zijn naar nieuwe platformen, methoden of technologieën;
Een aanpassing van de ANG vergt tijd,
middelen en technische aanpassingen. De ANG is een nationaal systeem dat
uniform moet worden toegepast door alle politiediensten; elke wijziging vraagt
dus een aanzienlijke investering in ontwikkeling, opleiding en kwaliteitscontrole;
Hoe gedetailleerder men codeert, hoe
groter de foutenmarge. Een te fijnmazige codificatie verhoogt het risico op
uiteenlopende interpretaties en inconsistente registratie, wat de kwaliteit van
de gegevens net ondermijnt;
De ANG is in essentie ontworpen als een
instrument voor politionele controle en opvolging, niet als statistisch
analysekader. Ze is dus niet bedoeld om elk nieuw fenomeen afzonderlijk te
vatten, maar om de basisregistratie van feiten te ondersteunen
Tot slot wil ik nog het volgende
benadrukken.
Mijn ambitie als minister van Veiligheid
en Binnenlandse Zaken is dat politiemensen zoveel als mogelijk criminaliteit
bestrijden en onderzoeken naar criminele netwerken voeren.
We moeten van onze politiemensen geen
dactylo's maken die meer tijd moeten steken in registratie dan onderzoek. Hun
operationele databanken moeten ook hun finaliteit behouden. Het fenomeen dat u
benoemt, wordt effectief opgevolgd en aangepakt. Dat is de kern.
Mijnheer de minister,
Naar aanleiding van Freedom 250, het
evenement dat de Amerikaanse ambassade op 28 juni in het Jubelpark organiseert,
zou de Stad Brussel op 18 mei een politiebesluit hebben genomen dat gedurende
twaalf dagen controles aan de in- en uitgangen van het Jubelpark mogelijk
maakt. Volgens de ons bezorgde informatie zou daarbij ook een private
bewakingsfirma worden ingezet, mogelijk in opdracht van de Amerikaanse
ambassade.
Dat roept fundamentele vragen op. Het
Jubelpark is geen afgesloten private site, maar een van de grote publieke
parken van Brussel, dagelijks gebruikt door bewoners, pendelaars, bezoekers en
gezinnen. Het park beslaat tientallen hectare en vormt een belangrijke groene
long in de Europese wijk.
De vraag is dus hoe ver een tijdelijk
veiligheidsregime mag gaan wanneer een publiek park gedurende meerdere dagen
onderworpen wordt aan toegangs- en identiteitscontroles, en welke rol private
bewaking daarin wettelijk kan opnemen.
Daarom heb ik volgende vragen:
Werd uw administratie, de federale
politie of de Directie Private Veiligheid betrokken bij of geraadpleegd over
het politiebesluit van de Stad Brussel van 18 mei? Zo ja, welk advies werd
gegeven?
Op welke wettelijke basis kunnen private
bewakingsagenten aan alle in- en uitgangen van een publiek toegankelijk park
identiteitsdocumenten laten voorleggen of personen controleren die het park
willen betreden of verlaten?
Acht u het juridisch aanvaardbaar dat
een private firma, eventueel in opdracht van een buitenlandse ambassade,
gedurende twaalf dagen een centrale publieke ruimte mee controleert? Waar ligt
voor u de grens tussen toegangscontrole voor een evenement en feitelijke
privatisering van de publieke ruimte?
Welke waarborgen gelden voor
proportionaliteit, non-discriminatie, gegevensbescherming en
klachtenbehandeling bij dergelijke controles? Worden identiteitsgegevens
geregistreerd, gedeeld of bewaard?
Zal de FOD Binnenlandse Zaken nagaan of
de geplande controles conform zijn met de wet op de private en bijzondere
veiligheid en met de bevoegdheidsverdeling tussen politie en private bewaking?
Zo ja, wanneer en hoe zal u hierover duidelijkheid verschaffen?
Antwoord - Réponse:
De toelating voor het evenement en de
beslissing over het afzetten van straten of toegangen voor het publiek hangen
af van de lokale overheden.
De inzet van de private bewakingssector
bij een evenement, ook indien dit geheel of ten dele op de openbare weg of op
publiek domein plaatsvindt, is mogelijk onder de bepalingen van de Wet Private
Veiligheid. Deze wet is onverkort van toepassing ongeacht of de dienstverlening
verricht wordt ten aanzien van een klant uit de private of publieke sector, en
ongeacht of de opdrachtgever een Belgische of buitenlandse achtergrond
heeft.
De uitoefening van private
bewakingsactiviteiten hoeft zich dan ook niet te beperken tot de private
plaatsen. Ook op publieke domeinen en op de openbare weg is het mogelijk om in
bepaalde gevallen private bewakingsagenten in te zetten.
De Wet Private Veiligheid voorziet in
dit laatste geval evenwel strikte voorwaarden. Zo vereist de inzet van private
bewakingsagenten bij een evenement op de openbare weg een politiereglement dat
de afbakening van de bewaakte zone of perimeter bepaalt evenals de duur van
deze inzet. Ook mogen er geen aanwijzingen zijn dat de openbare orde zal worden
verstoord. Maar deze elementen zijn, zoals aangegeven, de verantwoordelijkheid
van de lokale overheid.
Meneer de minister,
Op 11 maart 2026 stelde de Federale
Politie haar jaarverslag 2025 voor. Daarbij werd onder meer benadrukt dat in
2025 voor meer dan 195 miljoen euro crimineel vermogen in beslag werd genomen.
Dat cijfer werd ook publiek gecommuniceerd als een belangrijk resultaat in de
strijd tegen georganiseerde criminaliteit.
Enkele weken later blijkt uit de
berichtgeving over het jaarverslag van het COIV dat het gerecht in 2025 voor
148 miljoen euro aan crimineel geld in beslag nam. Dat bedrag zou betrekking
hebben op de inbeslagnames die door het COIV werden beheerd en omvat dus niet
enkel dossiers van de Federale Politie, maar ook van andere actoren.
Dat roept vragen op. Het verschil tussen
beide cijfers bedraagt ongeveer 47 miljoen euro. Mogelijk gaat het om een
andere telmethode maar net daarom is transparantie essentieel.
Daarom heb ik volgende vragen:
Hoe verklaart u het verschil tussen het
cijfer van ruim 195 miljoen euro in het jaarverslag van de Federale Politie en
het cijfer van 148 miljoen euro in het jaarverslag van het COIV?
Welke exacte methodologie gebruikt de
Federale Politie voor dit cijfer? Gaat het om inbeslagnames die effectief in
2025 gebeurden, of ook om bedragen die in 2025 geregistreerd werden in dossiers
die al langer liepen?
Werden in het cijfer van de Federale
Politie ook goederen of bedragen opgenomen die niet door het COIV worden
beheerd? Zo ja, over welke categorieën gaat het?
Zal u ervoor zorgen dat toekomstige
jaarverslagen duidelijk vermelden welke telmethode wordt gebruikt, zodat
cijfers over crimineel vermogen correct kunnen worden geïnterpreteerd en
vergeleken?
Acht u het wenselijk dat zulke
kerncijfers vooraf extern of interinstitutioneel worden gevalideerd, zeker
wanneer ze publiek worden voorgesteld in aanwezigheid van de voogdijministers?
Antwoord - Réponse:
De cijfers uit het jaarverslag van de
Federale Politie en die uit het jaarverslag van het COIV (OCSC) zijn gebaseerd
op twee verschillende maar complementaire logica’s, die betrekking hebben op
verschillende fases in de gerechtelijke keten. De cijfers zijn dan ook niet
rechtstreeks vergelijkbaar.
Enerzijds heeft de Federale Politie tot
doel de operationele impact van gerechtelijke onderzoeken in kaart te brengen.
De cijfers zijn afkomstig uit de recherchemanagementtool die gekoppeld is aan
het dossierbeheerssysteem van de Algemene Directie van de gerechtelijke
politie. Het vermelde bedrag stemt overeen met de som van alle beslagen die in
2025 werden verricht naar aanleiding van een politionele tussenkomst in een
gerechtelijk onderzoek.
Dit kan zowel betrekking hebben op
onderzoeken die in 2025 werden opgestart als op onderzoeken die reeds in
voorgaande jaren liepen.
Deze registratie omvat alle goederen,
roerend en onroerend, waaraan een waardebepaling kan worden gekoppeld en die
eventueel in aanmerking komen voor latere recuperatie in het kader van een
vermogensonderzoek.
Dit betekent dat het cijfer niet alleen
effectief geïnde bedragen omvat, maar ook geschatte waarden van in beslag
genomen goederen en bepaalde indirecte resultaten van de onderzoeken, zoals
fiscale regularisaties of minnelijke schikkingen.
Anderzijds heeft het COIV als opdracht
een strikt boekhoudkundig en financieel beheer te verzekeren van in beslag
genomen gelden. De cijfers van het COIV zijn uitsluitend gebaseerd op de
bedragen die effectief op zijn rekeningen worden gestort. Het betreft dus een
latere fase in de gerechtelijke keten.
Bovendien worden niet alle door de
politie geregistreerde beslagen door het COIV beheerd. Zo gaat het onder meer
om:
- beslagen in het buitenland,
- roerende goederen die niet ten gelde
worden gemaakt,
- goederen die later aan benadeelde
partijen worden teruggegeven,
- of dossiers die in het kader van een
“Una via”-regeling worden overgemaakt aan de FOD Financiën.
Deze elementen verklaren waarom er
verschillen kunnen bestaan tussen beide cijfers.
Tot slot wordt er momenteel gewerkt aan
een versterkte samenwerking tussen de Federale Politie en het COIV, met name
door het opzetten van een technische koppeling tussen de systemen. Dit moet
toelaten om de opvolging van beslagen doorheen de volledige keten te verbeteren
(“chain of custody”) en kan op termijn bijdragen tot een optimalisatie van de
definitieve inning
Volgens recente berichtgeving is de
externe consultant die werd aangesteld als Chief Technology Officer bij de
federale politie, onder meer in het kader van de digitale transformatie en de
nasleep van i-Police, intussen opnieuw vertrokken. Eerder werd zijn overstap
naar de federale politie publiek aangekondigd als een opdracht rond
digitalisering, technologische samenhang en modernisering van de
politiediensten.
Het vertrek roept vragen op, zeker omdat
er signalen zijn dat de betrokkene na zijn laatste effectieve werkdag nog enige
tijd zou zijn doorbetaald, mogelijk zonder dat daar nog prestaties tegenover
stonden. In een dossier als i-Police, waar al zeer veel belastinggeld verloren
ging en waar de nood aan transparantie bijzonder groot is, moet elke euro
verantwoord kunnen worden.
Daarom had ik graag volgende vragen
gesteld:
Wanneer werd de betrokkene aangesteld
bij de federale politie, voor welke opdracht en met welke concrete
doelstellingen?
Was hij aangesteld als personeelslid in
loondienst, als zelfstandige consultant of via een vennootschap? Onder welk
statuut, welke contractvorm en welke bezoldigings- of vergoedingsregeling
gebeurde dat?
Wanneer was zijn laatste effectieve
werkdag bij de federale politie?
Zijn er aanwijzingen van
belangenvermenging? Werd de federale politie benadeeld door de werkwijze van
deze persoon? Loopt er een (gerechtelijke) procedure tegen deze man in het
kader van deze opdracht?
Wat was de reden van het ontslag / niet
verder zetten van het contract?
Werd de betrokkene na die laatste
effectieve werkdag nog vergoed of betaald? Zo ja, voor welke periode, voor welk
totaalbedrag en op welke juridische of contractuele basis?
Hoe werd de samenwerking beëindigd: via
ontslag, verbreking, opzeg, minnelijke beëindiging of op initiatief van de
betrokkene zelf?
Zijn er interne of externe adviezen,
controles of audits gevraagd over de beëindiging van dit contract en de
eventuele verdere betaling na stopzetting van de prestaties?
Antwoord - Réponse:
Sinds maart 2025 werd de betrokken
consultant ingezet voor een tijdelijke en afgebakende ondersteuningsopdracht
binnen de digitale transformatie van de
Federale Politie. Binnen het DTO was hij
actief gericht op het uitzetten van de strategie tot digitale
transformatie.
De samenwerking verliep via de
raamovereenkomst van Smals en binnen de daarvoor geldende budgettaire en
contractuele regels.
De controlemechanismes van de Federale
Politie, die toegepast worden voor het aanwerven of verlengen van consultants,
hebben elementen naar voor gebracht die ertoe geleid hebben dat er een
vertrouwensbreuk is ontstaan met de betrokken persoon. Hierdoor is na een
interne evaluatie door de Federale Politie beslist om het contract met deze
persoon te verbreken d.d. 30 april 2026. De laatste dag waarop deze persoon in
de gebouwen van de politie aanwezig is geweest was 24 april 2026.
De nodige stappen zijn gezet om alle
bevoegde diensten te informeren. Omwille van de vertrouwelijkheid en principes
van privacy kan er geen verdere publieke informatie verschaft worden.
De beëindiging van de samenwerking
gebeurde conform de contractuele bepalingen. Uitbetalingen gebeurden enkel voor
gepresteerde uren onder contract . Om redenen van vertrouwelijkheid kan ik niet
ingaan op verdere individuele contractmodaliteiten of vergoedingen.
Het ingestelde systeem voor controle op
consultancyopdrachten functioneert, en de opsporing van een risico verliep hier
snel en doeltreffend. Er lijkt in eerste instantie dan ook geen noodzaak voor
een aanvullende audit over dit geval, maar de controleorganen kunnen daartoe
uiteraard autonoom beslissen .
Het seizoen van het warme weer is
aangebroken, en ondertussen traditiegewijs gaat dit gepaard met geweld door
zogenaamde 'jongeren', veelal allochtonen.
Ook deze zondagavond was het prijs. Een
controle op vervoersbewijzen op de Kusttram in De Haan liep volledig uit de
hand. Maar liefst vijf medewerkers van De Lijn en twee politieagenten raakten
gewond nadat een groep 'jongeren' zonder geldig vervoersbewijs de controleurs
en de trambestuurder te lijf ging.
De voorbije jaren zagen we telkens
hetzelfde patroon: eerste warmte, eerste drukte aan zee, eerste vechtpartijen
met zogenaamde 'jongeren'.
Kunt u bevestigen hoeveel verdachten
intussen geïdentificeerd zijn?
Kunt u informatie geven omtrent hun
woonplaats, nationaliteit of afkomst, verblijfsstatuut… en of zij reeds gekend
waren bij politie of parket?
Erkent u de sterke
oververtegenwoordiging van grootstedelijke groepen jongeren, vaak met
allochtone achtergrond, bij geweld aan onze kust, op recreatiedomeinen en het
openbaar vervoer?
Welke bijkomende maatregelen neemt u
vóór de zomer rond de kust en recreatiedomeinen om orde en rust te garanderen?
Maakt u werk van openbaar vervoer- en
stationsverboden voor geweldplegers en veroorzakers van overlast?
Aan welke beleidswijzigingen werken u en
deze regering om geweld tegen personeel van het openbaar vervoer en
politieagenten onmiddellijk en zwaar te bestraffen?
Vindt u zelf nog dat preventie,
sfeerbeheer en gesprekjes volstaan wanneer mensen naar de spoed worden
geslagen?
Antwoord - Réponse:
Er werden reeds verschillende mogelijke
verdachten geïdentificeerd en opgepakt, maar dit maakt het voorwerp uit van het
strafonderzoek, waar ik geen verdere details over zal geven.
In de omzendbrief “Overlast in
recreatiedomeinen” van 17 mei 2023 staan instructies opgenomen over de
mogelijke preventieve en repressieve maatregelen om overlast tegen te gaan. In
de Omzendbrief staan ook bijkomende mogelijkheden om incidenten te voorkomen en
te beheersen, de modaliteiten voor de inzet van private bewaking en hun
mogelijkheden, de bevoegdheden tot fysieke en technische beveiliging en
tenslotte ook de repressieve maatregelen, naast een reeks aanbevelingen.
Met de grote vakantie die eraan komt,
zal ik deze omzendbrief actualiseren en daarbij een “toolbox” met best
practices ter beschikking stellen.
Vandaag hebben lokale besturen al de
mogelijkheid tot het opleggen van een busverbod aan individuen die zich
schuldig maken aan (herhaaldelijk) ernstig agressief gedrag op het openbaar
vervoer. Dit is weliswaar beperkt tot een bepaald traject op het grondgebied
van een gemeente. Indien die persoon dergelijk tijdelijk verbod negeert, kan
dat bestraft worden met een GAS-boete. Daarnaast beschikt een burgemeester ook
over de mogelijkheid om een plaatsverbod opleggen, zo bv voor wat betreft de
stationsomgeving in zijn gemeente.
En na onze discussie tijdens de vorige
plenaire sessie, bent u nog verder op de hoogte van mijn initiatief rond
bodycams voor de personeelsleden van de openbare vervoersmaatschappijen.
La presse annonce
la décision du gouvernement fédéral d'étendre l'usage des bodycams au-delà des
services de police, en équipant désormais les pompiers ainsi que les
conducteurs et accompagnateurs de trains et de bus.
Si la protection
des agents exposés à la violence est un objectif légitime, l'extension d'un
outil de surveillance audiovisuelle à des services qui n'avaient pas,
jusqu'ici, vocation à exercer une fonction de police soulève des questions
importantes en matière de protection des données et de libertés individuelles.
En conséquence,
Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
1. le cadre
juridique exact qui encadrera cette extension : nature des images captées,
durée de conservation, conditions d'activation, droit d'accès des personnes
filmées et autorité de contrôle compétente ?
2. Si L'Autorité de
protection des données a été ou sera
consultée préalablement à cette décision
3. Si d’ores et
déjà des recours sont prévus pour les
agents eux-mêmes ainsi que pour les usagers filmés, en cas d'usage non conforme
des enregistrements ?
Antwoord -
Réponse:
L’avant-projet de
loi vise à apporter une réponse concrète à une réalité de terrain : les
agressions, menaces et violences auxquelles sont régulièrement confrontés les
pompiers, les agents des transports publics et d’autres personnels exerçant des
missions de service public au contact direct de la population.
L’objectif n’est
pas de généraliser la surveillance ni de filmer systématiquement les citoyens.
Il s’agit de permettre, dans des situations déterminées, l’utilisation de
caméras individuelles comme outil de prévention, de désescalade et de
protection tant des agents que des usagers.
Le gouvernement a
fait le choix d’inscrire ce dispositif dans le cadre de la loi du 21 mars 2007.
Les principes applicables aux bodycams seront donc définis
directement dans la loi : finalités autorisées, modalités d’utilisation, durée
de conservation, droits des personnes concernées, traçabilité des accès et
contrôles.
L’utilisation
des bodycams ne sera pas obligatoire. Chaque responsable du
traitement devra apprécier, sur la base d’une analyse opérationnelle et d’une
analyse d’impact relative à la protection des données, si le recours à cet
outil est nécessaire et proportionné au regard des missions exercées.
De opgenomen beelden mogen uitsluitend
worden gebruikt voor de doeleinden die bij wet zijn vastgesteld. De opnamen
worden gedurende een beperkte termijn bewaard en zijn onderworpen aan een
volledige traceerbaarheid. Elke activering van een camera, elke raadpleging en
elke extractie van beelden wordt geregistreerd teneinde een
doeltreffende controle op het gebruik van het systeem mogelijk te maken. De
betrokken personen genieten de rechten waarin de
regelgeving inzake gegevensbescherming voorziet. Zij kunnen een
klacht indienen bij de verwerkingsverantwoordelijke, bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit of, in voorkomend geval, bij de bevoegde
rechterlijke autoriteiten.
Wat meer in het bijzonder de civiele
veiligheid betreft, maakt het voorontwerp eveneens het gebruik
van bodycams mogelijk als instrument voor operationele ondersteuning
in realtime. Bij bepaalde complexe interventies of interventies met een hoog
risico kan deze technologie bijdragen tot een betere veiligheid van
de interveniënten, de coördinatie van de operaties vergemakkelijken en de
kwaliteit van de beoordeling van de situatie op het terrein versterken.
Ten slotte zal de
Gegevensbeschermingsautoriteit worden geraadpleegd in het kader van de
wetgevingsprocedure. De regering zal de geformuleerde opmerkingen met de nodige
aandacht onderzoeken teneinde een passend evenwicht te waarborgen
tussen de bescherming van personeelsleden die met geweld worden geconfronteerd
en de eerbiediging van de grondrechten van de burgers.
La presse du 28 mai
dernier indique que des agents russes
auraient posé des engins explosifs au port d'Anvers, illustrant de manière
concrète la réalité de la guerre hybride menée par la Russie contre des
infrastructures critiques de pays membres de l'OTAN.
En conséquence,
Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
si il confirme ces
révélations et peut préciser l'état
d'avancement de l'enquête judiciaire et si
des suspects ont été identifiés ou interpellés ?
les mesures de
sécurité prises pour protéger de manière
renforcée le port d'Anvers et les autres infrastructures critiques belges face
à la menace hybride russe ?
si la Belgique a
partagé ces informations avec ses partenaires de l'OTAN et de l'UE dans le
cadre des mécanismes de lutte contre les ingérences étrangères ?
Antwoord -
Réponse:
Les entités
critiques sont identifiées par l’autorité sectorielle sur base des critères de
la loi 19 décembre 2025 relative à la résilience des entités critiques.
Si la loi est
d’application, les entités critiques sont tenues de réaliser une évaluation des
risques portant sur l’ensemble des risques pertinents susceptibles de perturber
la fourniture de leurs services essentiels. Cette évaluation repose sur une
approche « all hazards » et prend en considération un large éventail de risques
et de menaces, y compris les menaces hybrides et autres menaces de nature
antagoniste.
Sur la base de
cette évaluation des risques, l’entité critique élabore un plan de résilience
comprenant des mesures techniques, organisationnelles et de sécurité
appropriées visant à prévenir les risques, à en réduire la probabilité ou à en
atténuer les conséquences.
Il appartient à
chaque entité critique de déterminer elle-même, en fonction de son profil de
risque spécifique, quelles mesures de résilience sont nécessaires et
proportionnées. Ces mesures peuvent notamment concerner la sécurité physique,
la planification d’urgence interne, la gestion de la continuité des activités,
la sécurité du personnel ainsi que la résilience de la chaîne
d’approvisionnement.
Conformément à
cette même loi, l’OCAM élabore une analyse des menaces pour les (sous-)secteurs
critiques. Il s’agit d’une analyse stratégique des menaces concernant un
secteur ou sous-secteur .
Les questions
concernant l’enquête judiciaire ne relèvent évidemment pas de mes compétences.
Op de nieuwe cover van het links
georiënteerde Franse weekblad Marianne staat: 'België in de greep van het
islamisme. Frankrijk binnen 10 jaar?'
Het betreft een reportage over de
islamisering van gemeenten als Molenbeek en Vilvoorde, het hart van 'Belgistan'
("coeur du Belgistan"), aldus het weekblad.
Op hetzelfde moment kwam het nieuwe
jaarrapport van OCAD uit (over 2025), waaruit blijkt dat maar liefst 86% van de
personen in de 'Gemeenschappelijke Gegevensbank Terrorisme, Extremisme,
Radicaliseringsproces' moslims zijn. 'Slechts' zo'n 8% van de bevolking in
België is moslim. Dit is dus een enorme oververtegenwoordiging.
Graag een reactie van de minister:
bevestigt zij deze enorme oververtegenwoordiging, en hoe komt dat volgens haar?
Ziet de minister een verband tussen
enerzijds de islamisering in dit land, zoals vastgesteld door het Franse
weekblad Marianne, en anderzijds de jihadistische terreurdreiging?
Hoe komt het dat, volgens hetzelfde
OCAD-rapport, de Joodse gemeenschap het belangrijkste doelwit blijft van de
islamitische jihad?
Hoe komt het dat de afgelopen 20 jaar
terreurdreigingsniveau 3, tot soms zelfs het allerhoogste niveau 4, het nieuwe
normaal is geworden?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord
werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été
fournie par le gouvernement dans les délais.
Recent werd een politieagent van de
politiezone Rivierenland in Mechelen zwaargewond nadat hij tijdens een verhoor
werd aangevallen in het commissariaat. Volgens berichtgeving is de betrokken
agent langdurig arbeidsongeschikt geraakt. De verdachte werd overmeesterd,
voorgeleid en vervolgens onder elektronisch toezicht geplaatst.
Dit incident staat niet op zichzelf.
Zowel recente analyses van de Algemene Inspectie van de Politie als het Comité
P bevestigen dat geweld tegen politieagenten een structureel
veiligheidsprobleem blijft in ons land.
Recente berichtgeving spreekt bovendien
over gemiddeld ongeveer 30 gevallen van agressie tegen politie per dag in
België, het hoogste niveau ooit.
Er bestaan reeds duidelijke federale
beleidskaders die bepalen dat geweld tegen politie prioritair en consequent
moet worden aangepakt omdat dergelijke feiten het openbaar gezag aantasten.
Minister Quintin verklaarde in zijn
beleidsnota het volgende: “Respect voor degenen die ons helpen en beschermen.
Geweld en bedreigingen tegen mensen in de uitoefening van een maatschappelijke
functie (zoals brand weer, politie, ambulancier, enz.) is onaanvaardbaar. In
zo'n gevallen is nultolerantie op zijn plaats. Net zoals mijn voorgangers zal
ik blijven pleiten voor passende juridische consequenties voor dergelijke
daden."
Kan de minister inzicht geven in de
meest recente cijfers inzake geweld tegen politieagenten, onder meer:
het aantal geregistreerde feiten;
het aantal feiten met
arbeidsongeschiktheid;
de evolutie tegenover vorige jaren
In hoeveel % van de gevallen moeten de
daders minstens een tijdje in de gevangenis verblijven?
Het gebrek aan plaatsen in de gevangenis
zorgt ervoor dat meer en meer mensen onder elektronisch toezicht worden
geplaatst. Rijmt dit volgens de minister met het aangekondigde zero
tolerance-beleid ten aanzien van geweld tegen politieagenten?
De rechterlijke macht handelt op basis
van de huidige wetgeving en de reële context zoals ze vandaag bestaat. Acht de
minister bijkomende wetgevende initiatieven nodig inzake zodat geweld tegen
politieagenten prioritair en consequent aangepakt kan worden?
Antwoord - Réponse:
Voor de statistische gegevens inzake
geweld tegen politieambtenaren zou ik het geachte lid willen vragen een
schriftelijke vraag in te dienen. Gelet op het technische karakter van deze
gegevens kunnen de meest recente en volledige cijfers het best via die weg
worden verstrekt.
Geweld tegen politieambtenaren is
onaanvaardbaar. De regering hanteert een duidelijke nultolerantie en blijft
zich inzetten voor een kordate aanpak van feiten die het openbaar gezag en de
veiligheid van onze politiemensen aantasten.
De beoordeling van individuele dossiers,
inclusief de keuze van voorlopige maatregelen of strafuitvoering, behoort tot
de onafhankelijke bevoegdheid van Justitie.
De regering blijft samen met de
betrokken partners onderzoeken welke maatregelen kunnen bijdragen tot een
doeltreffende bestrijding van geweld tegen politieambtenaren en een betere
bescherming van personeelsleden met een maatschappelijke veiligheidsfunctie.
Mijnheer de minister,
Volgens artikel 41 van de Wet op het
Politieambt moeten politieambtenaren en politieagenten in functie in alle
omstandigheden kunnen worden geïdentificeerd. Voor agenten in uniform gebeurt
dat in principe via een zichtbaar en leesbaar naamplaatje. Bij bepaalde
interventies kan onder bepaalde voorwaarden dat naamplaatje vervangen worden
door een interventienummer, op beslissing van de bevoegde leiding.
Uit een recente steekproef van MO*
tijdens betogingen in Brussel blijkt echter dat ongeveer één op twee agenten
geen zichtbaar identificatiekenteken zou dragen. Journalisten kregen daarbij
antwoorden als “dat zit in de was" of “ik heb dat niet". Bij
ordediensten tijdens betogingen is correcte identificatie essentieel voor
transparantie, controleerbaarheid en het recht van burgers om klacht in te
dienen wanneer zij menen slachtoffer te zijn van disproportioneel
politieoptreden.
Ook Comité P wees in het verleden al op
het belang van duidelijke identificatie bij openbare-ordeoperaties. Het gaat
dus niet om een formaliteit, maar om een fundamentele waarborg in een
democratische rechtsstaat.
Daarom heb ik volgende vragen:
Hoe evalueert u het gegeven dat
politieagenten tijdens betogingen vaak niet identificeerbaar zijn en nogal
laconiek reageren wanneer daarnaar gevraagd wordt?
Hoe wordt vandaag gecontroleerd of de
identificatieplicht, zoals bepaald in artikel 41 van de Wet op het Politieambt,
effectief wordt nageleefd tijdens ordediensten en betogingen?
Hoeveel klachten of meldingen ontving de
politie, de AIG of Comité P de voorbije vijf jaar over het ontbreken of
onleesbaar maken van identificatiekenmerken op politie-uniformen, opgesplitst
per jaar en per politiezone of federale dienst?
Hoe vaak wordt er gebruik gemaakt van de
uitzonderingsregels in artikel 41 van de Wet op het Politieambt? Wordt dit
voldoende gemotiveerd? Welke motivaties worden er gebruikt?
Welke richtlijnen gelden vandaag precies
voor het dragen van naamplaatjes, interventienummers of andere identificatiekenmerken
bij openbare-ordehandhaving?
Welke maatregelen zult u nemen opdat de
wet wordt nageleefd?
Antwoord - Réponse:
Mijnheer de Voorzitter,
Het is duidelijk dat dergelijk gedrag
onverenigbaar is met de bepalingen van de Wet op het politieambt (WPA), die het
referentiekader vormt voor de bescherming, door de politiediensten, van de
rechten en vrijheden van de burger.
Het is de taak van de leidinggevenden,
elk op hun eigen niveau – dat wil zeggen de sectiechefs, de
pelotonscommandanten en de officieren die belast zijn met de leiding en de
operationele coördinatie van de ordediensten – om zich er vóór aanvang van de
dienst van te vergewissen dat het personeel in alle opzichten voldoet aan de
professionele eisen, onder meer wat betreft identificatie, bescherming,
communicatiemiddelen en bewapening.
Ik beschik niet over cijfers met
betrekking tot de controleorganen of de lokale politiekorpsen.
Wat de diensten van de Federale Politie
betreft, bestaan er geen specifieke statistieken over het ontbreken of
onleesbaar maken van identificatiekenmerken op politie-uniformen tijdens
betogingen. Uit de beschikbare gegevens, namelijk de klachten die de afgelopen
vijf jaar werden ingediend, uitgesplitst per directie van de Federale Politie,
blijkt dat in 2025 en 2024 telkens één klacht werd geregistreerd, telkens met
betrekking tot de Directie Wegpolitie (DGA/DAH).
In 2023 werden drie klachten
geregistreerd, waarvan twee betrekking hadden op de Directie Wegpolitie
(DGA/DAH) en één op de Directie Spoorwegpolitie (DGA/SPC). In 2022 werd één
klacht geregistreerd bij DGJ/FGP Limburg, terwijl in 2021 geen klachten werden
vastgesteld.
De WPA bevat geen expliciete of
impliciete verplichting tot systematische registratie of rapportering van de
uitzonderingregels vervat in artikel 41 WPA. Ze werden ook niet bijgehouden.
Daardoor is het niet mogelijk om de frequentie ervan te meten of motiveringen
desbetreffend weer te geven en te evalueren.
Er zijn inzake de identificatieplicht
van politieagenten tijdens betogingen geen andere gepubliceerde richtlijnen dan
deze met betrekking tot de WPA (en inzonderheid artikel 41 WPA).
Het behoort tot de bevoegdheden van de
leidinggevenden om het algemeen of het specifiek interventieprofiel, per
opdracht, te bepalen. Eventuele lokale korpsonderrichtingen ter zake worden
niet centraal bijgehouden.
De wettelijke verplichtingen inzake
identificatie zijn duidelijk. Het behoort, zoals eerder gezegd, tot de
bevoegdheden van de respectieve leidinggevenden om hun verantwoordelijkheden op
te nemen en de nodige controles uit te voeren of te laten uitvoeren. Indien
nodig, zijnde wanneer het ontbreken van een identificatiemiddel niet
verantwoord is, kunnen de bevoegde
overheden optreden op evaluatieniveau,
door middel van ordemaatregelen of op tuchtgebied.
Meneer de minister,
Uit recente berichtgeving blijkt dat
tijdens demonstraties in Brussel, met name in de politiezone Brussel
Hoofdstad-Elsene, politieagenten geregeld zonder zichtbare identificatie
optreden. Nochtans verplicht artikel 41 van de wet op het politieambt agenten
in uniform om een leesbaar identificatieteken te dragen. Sinds 2014 gebeurt dit
via een identificatienummer, als evenwicht tussen privacybescherming en
democratische controle.
Volgens de berichtgeving geven agenten
uiteenlopende verklaringen voor het ontbreken van hun identificatiebadge, zoals
verlies, vergetelheid of laattijdige levering. Dit is bijzonder problematisch
tijdens ordediensten en demonstraties, waar transparantie en verantwoording
essentieel zijn. Zonder identificatie wordt het immers moeilijker om klachten
over mogelijk disproportioneel politieoptreden te onderzoeken.
Daarnaast formuleerde Comité P na de
gebeurtenissen rond La Boum (2021) aanbevelingen om agenten tijdens
ordediensten steeds identificeerbaar te maken. De vaststellingen doen vragen
rijzen over de uitvoering van die aanbevelingen.
Daarom heb ik volgende vragen:
Hoe beoordeelt de minister de
vaststelling dat politieagenten tijdens demonstraties geregeld zonder zichtbare
identificatie optreden?
Hoeveel meldingen of klachten hierover
werden de voorbije vijf jaar geregistreerd, opgesplitst per politiezone indien
mogelijk?
Werd de politiezone Brussel
Hoofdstad-Elsene hierover reeds aangesproken? Zo ja, welke maatregelen werden
genomen?
Welke procedures gelden wanneer een
agent niet beschikt over een identificatiebadge door verlies, beschadiging of
laattijdige levering?
Worden verliezen, diefstallen of
laattijdige leveringen van identificatiebadges geregistreerd? Zo ja, beschikt
de minister over cijfers voor de afgelopen vijf jaar?
Welke controlemechanismen bestaan om te
verzekeren dat agenten vóór aanvang van een ordedienst correct identificeerbaar
zijn?
Welke sancties volgen wanneer agenten
zich bewust of herhaaldelijk niet identificeren?
Welke stappen zal de minister ondernemen
om de aanbevelingen van Comité P effectief uit te voeren en te garanderen dat
agenten tijdens manifestaties steeds zichtbaar identificeerbaar zijn?
Antwoord - Réponse:
Mijnheer de Voorzitter,
Het is duidelijk dat dergelijk gedrag
onverenigbaar is met de bepalingen van de Wet op het politieambt (WPA), die het
referentiekader vormt voor de bescherming, door de politiediensten, van de
rechten en vrijheden van de burger.
Het is de taak van de leidinggevenden,
elk op hun eigen niveau – dat wil zeggen de sectiechefs, de
pelotonscommandanten en de officieren die belast zijn met de leiding en de
operationele coördinatie van de ordediensten – om zich er vóór aanvang van de
dienst van te vergewissen dat het personeel in alle opzichten voldoet aan de
professionele eisen, onder meer wat betreft identificatie, bescherming,
communicatiemiddelen en bewapening.
Ik beschik niet over cijfers met
betrekking tot de controleorganen of de lokale politiekorpsen.
Wat de diensten van de Federale Politie
betreft, bestaan er geen specifieke statistieken over het ontbreken of
onleesbaar maken van identificatiekenmerken op politie-uniformen tijdens
betogingen. Uit de beschikbare gegevens, namelijk de klachten die de afgelopen
vijf jaar werden ingediend, uitgesplitst per directie van de Federale Politie,
blijkt dat in 2025 en 2024 telkens één klacht werd geregistreerd, telkens met
betrekking tot de Directie Wegpolitie (DGA/DAH).
In 2023 werden drie klachten
geregistreerd, waarvan twee betrekking hadden op de Directie Wegpolitie
(DGA/DAH) en één op de Directie Spoorwegpolitie (DGA/SPC). In 2022 werd één
klacht geregistreerd bij DGJ/FGP Limburg, terwijl in 2021 geen klachten werden
vastgesteld.
De WPA bevat geen expliciete of
impliciete verplichting tot systematische registratie of rapportering van de
uitzonderingregels vervat in artikel 41 WPA. Ze werden ook niet bijgehouden.
Daardoor is het niet mogelijk om de frequentie ervan te meten of motiveringen
desbetreffend weer te geven en te evalueren.
Er zijn inzake de identificatieplicht
van politieagenten tijdens betogingen geen andere gepubliceerde richtlijnen dan
deze met betrekking tot de WPA (en inzonderheid artikel 41 WPA).
Het behoort tot de bevoegdheden van de
leidinggevenden om het algemeen of het specifiek interventieprofiel, per
opdracht, te bepalen. Eventuele lokale korpsonderrichtingen ter zake worden
niet centraal bijgehouden.
De wettelijke verplichtingen inzake
identificatie zijn duidelijk. Het behoort, zoals eerder gezegd, tot de
bevoegdheden van de respectieve leidinggevenden om hun verantwoordelijkheden op
te nemen en de nodige controles uit te voeren of te laten uitvoeren. Indien
nodig, zijnde wanneer het ontbreken van een identificatiemiddel niet
verantwoord is, kunnen de bevoegde
overheden optreden op evaluatieniveau,
door middel van ordemaatregelen of op tuchtgebied.
Mijnheer de Minister,
Het dramatisch ongeval met een schoolbus
in Buggenhout en het gebrek aan informatiedoorstroming ivm eerdere klachten
roept vragen op.
Dit is voornamelijk een Vlaamse
bevoegdheid en verantwoordelijkheid van De Lijn, maar natuurlijk controleert de
federale politie ook op (zware) verkeersinbreuken. Daarom deze vragen:
1. Worden verkeersovertredingen
systematisch bijgehouden in een databank?
2. Is er een Vlaamse en federale
databank, en bijstaat er uitwisseling tussen deze systemen?
3. Wordt het Vlaamse niveau of De Lijn
op de hoogte gesteld als chauffeurs die voor hen werken vaak (zware)
verkeersovertredingen maken? Is dat uberhaupt mogelijk en wenselijk volgens u?
Antwoord - Réponse:
Wat er is gebeurd, is uiteraard een
tragedie, en hoewel we dit al eerder hebben gezegd, wil ik hier nogmaals
benadrukken dat onze gedachten uitgaan naar de families van de slachtoffers van
deze ramp, en dat we hen veel sterkte toewensen om deze beproeving te
doorstaan.
Ja, alle verkeersovertredingen
vastgesteld door de Geïntegreerde Politie worden systematisch bijgehouden in
een databank. Er is een federale databank, de Algemene Nationale gegevensbank
voor verkeer, waarvan de gegevens, de toegang daartoe en de overdracht ervan
worden geregeld door de wetcop het politieambt.
Wanneer chauffeurs van de Lijn
overtredingen plegen met hun dienstvoertuig, wordt aan de titularis van de
nummerplaat van het voertuig, in dit geval De Lijn een vraag om inlichtingen
gestuurd nopens de identiteit van de bestuurder of van de persoon die verantwoordelijk
is voor het voertuig. De Lijn kan zo dus
over de overtredingen worden ingelicht.
De taak van politie beperkt zich tot het
vaststellen van overtredingen. De schuldvraag volgend op deze vaststellingen is
de verantwoordelijkheid van Justitie. Bijgevolg kan de
openbaarvervoersmaatschappij enkel kennis krijgen van eventuele veroordelingen
van bestuurders via een informatie-uitwisseling met de rechterlijke macht,
aangezien dergelijke informatie niet onder de verantwoordelijkheid van de
politiediensten valt.
Mijnheer de Minister,
Naar aanleiding van het CORESPO-rapport
waarover momenteel hoorzittingen plaatsvinden met de Federale Politie, is
aangekondigd dat u een nieuw extern wetenschappelijk onderzoek zou bestellen
dat integriteitsrisico’s en corrputiegevaren in kaart moet brengen.
Ik heb hierbij volgende vragen:
1. Klopt het dat u dit rapport nog voor
het zomerreces gaat bestellen en dat de (minstens voorlopige) oplevering van
het rapport tegen eind dit jaar verwacht wordt?
2. Welke anti-corruptiemaatregelen zijn
er sinds het CORESPO-rapport allemaal nog ondernomen?
Antwoord - Réponse:
Er werd inderdaad een extern en
onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek gevraagd naar ernstig ondermijnende
systemische corruptie binnen de Belgische Geïntegreerde Politie. De
aanbestedingsprocedure bevindt zich momenteel in de laatste fase van gunning en
het onderzoek zal, na de formele gunning van de opdracht, eind juni 2026
starten.
Het onderzoek is opgevat in twee delen,
met elk twee deelopdrachten, en zal naar verwachting een duurtijd hebben van
zes maanden. In het eerste deel wordt onderzoek gedaan naar de bepaling van de
scope van de risicodomeinen binnen de Geïntegreerde Politie en naar de
risicofactoren voor daders van corruptie. In het tweede deel wordt het
onderzoek effectief uitgevoerd en zullen naast de analyse ook
beleidsaanbevelingen worden geformuleerd.
De resultaten voor het eerst deel worden
na de zomer verwacht. De oplevering van de resultaten van het tweede deel is
voorlopig tegen eind november 2026 voorzien, met een finaal rapport tegen eind
december 2026. Deze timing blijft evenwel indicatief en is afhankelijk van het
verdere verloop van het onderzoek.
De werkzaamheden worden opgevolgd door
een begeleidingscomité samengesteld uit experten van binnen en buiten de
politie. Daarnaast hebben zowel de Lokale als de Federale Politie een SPOC
aangeduid om het project van nabij op te volgen.
Sinds het CORESPO-rapport werden
verschillende initiatieven genomen om de strijd tegen corruptie binnen de
politiediensten verder te versterken. Zo werd onder meer binnen de Federale
Gerechtelijke Politie een nota opgesteld en verspreid waarin het principe van
nultolerantie ten aanzien van corruptie wordt benadrukt en de mobilisatie tegen
dergelijk gedrag wordt ondersteund.
Daarnaast werd een kick-off
georganiseerd met het oog op de identificatie van kwetsbare processen binnen de
organisatie.
Daarnaast werden diverse structurele en
operationele maatregelen versterkt binnen de Federale Gerechtelijke Politie,
met focus op omkadering en controle (deontologie, tucht en databanktoegang),
risicobeheer binnen de directies, en begeleiding van medewerkers via onder meer
mentoring en versterkt leiderschap.
Op niveau van de Federale Politie, werd
de integriteitsdienst uitgebreid en versterkt, de uitbouw van het
integriteitsnetwerk werd verdergezet, het melkanaal Integriteit werd opgezet,
en verschillende acties inzake leadership en opleiding, en sensibilisering rond
integriteit en respect op de werkvloer werden ondernomen.
Voor de volledigheid kan worden
opgemerkt dat de herinnering aan de geldende regels inzake de raadpleging van
databanken reeds van vóór het CORESPO-rapport dateert.
Vorig jaar vroeg ik u via mijn
schriftelijke vraag nr. 0310 naar de herwaardering van de technische en
wetenschappelijke politie. U erkende toen dat deze eenheden cruciaal zijn voor
de federale gerechtelijke politie en dat de Europees verplichte accreditatie en
de opsplitsing in 14 CSI-eenheden en 5 FPL-laboratoria binnen een gesloten
personeelsenveloppe zijn gebeurd. De Algemene Directie van de Gerechtelijke
Politie stelde toen zelf vast dat bijkomende capaciteit noodzakelijk is en u
verwees naar een capaciteitsstudie, een inventaris van de noden en bijkomende
budgetten zodra de analyse afgerond zou zijn. Intussen zijn we bijna tien
maanden verder. De Federale Gerechtelijke Politie kondigde publiek een
uitzonderlijke rekruteringsgolf aan van meer dan 100 financiële profielen in
2026. Over de situatie bij de technische en wetenschappelijke politie zijn er
voor zover mij bekend geen concrete aantallen voor CSI, FPL of DJT terug te
vinden.
Is de aangekondigde capaciteitsstudie
over de technische en wetenschappelijke politie inmiddels afgerond? Zo ja, wat
zijn de conclusies en welke timing koppelt u daaraan? Zo neen, waarom niet?
Worden de CSI-eenheden, FPL-laboratoria
en de centrale directie DJT mee versterkt binnen de aangekondigde
personeelsuitbreidingen bij de federale gerechtelijke politie?
Hoeveel personeelsleden zijn er sinds
juli 2025 effectief bijgekomen binnen de technische en wetenschappelijke
politie, in het bijzonder bij CSI, FPL en DJT? Gaat het om netto bijkomende
capaciteit of om verschuivingen binnen de bestaande personeelsenveloppe?
Welke bijkomende budgetten worden in
2026 uitgetrokken voor gespecialiseerd materiaal, laboratoriumproducten,
infrastructuur en de naleving van de accreditatievereisten?
Wat is de stand van zaken van de nieuwe
modulaire CSI-opleiding? Is dat model goedgekeurd en hoeveel personeelsleden
hebben sinds 2025 een basis- of recyclageopleiding gevolgd?
Welke stappen zet u om een
gespecialiseerde loopbaan uit te bouwen, zowel voor operationele
personeelsleden als voor CALog-profielen? Wordt dit opgenomen in het
personeelsplan van de Federale Politie?
Antwoord - Réponse:
De werklastmeting bij de federale
gerechtelijke politie zit momenteel in een eindfase. Ik verwacht in de komende
weken de resultaten hiervan en zal deze vervolgens met mijn collega van
Justitie verder bespreken. Het is te vroeg om nu al conclusies te formuleren.
Ik kan u wel meegeven dat de resultaten en conclusies mee zullen opgenomen
worden in de werkzaamheden rond het personeelsplan.
Conform het regeerakkoord wordt de
prioriteit voor versterkingen momenteel gegeven aan de FGP Antwerpen, de FGP
Brussel en de speciale eenheden (DSU). In functie van de noden, zoals
vastgesteld in de werklastmetingen zullen er waar mogelijk (punctuele) versterkingen
worden overwogen, rekening houdend met het strikte budgettaire kader waarin we
allen werken. De Directie van de technische en wetenschappelijke politie (DJT)
beschikt op 10.06.2026 over 5 personeelsleden (instroom min uitstroom) meer dan
in juni 2025.
Dit is binnen de bestaande
personeelsenveloppe en komt de operationele diensten BIS (Biometric
Identification Service) en CDBV (Centrale Dienst Bestrijding Valsheden) ten
goede. Een deel van de nieuwe medewerkers DJT is via mobiliteit aangekomen, een
ander deel door detacheringen vanuit andere diensten.
Wat de capaciteit van de CSI betreft, is
deze tussen juli 2025 en 10 juni 2026 gestegen van 278 medewerkers tot 288, wat
neerkomt op een toename van 10 medewerkers. Voor de Forensic Police Laboratory
(FPL) is de capaciteit in dezelfde periode geëvolueerd van 123 naar 133
medewerkers, wat eveneens neerkomt op een stijging met 10 medewerkers.
4. Binnen de korte antwoordtermijn is
het echter onmogelijk hierover cijfers te geven. Ik nodig u uit om deze vraag
desgevallend als schriftelijke vraag te formuleren.
5. De herziening van de CSI-opleiding is
nog niet afgerond. Bij DJT is er één personeelslid dat samen met
terreinmedewerkers CSI hier de laatste hand aan legt.
In de afgelopen maanden zijn er ad hoc
opleidingsmodules (workshops) aangeboden aan de CSI- en FPL-medewerkers omtrent
specifieke technieken en tools. Voor de FIC (Forensic Incident Commander) werd
een heropfrissingscursus gegeven.
In het ruimere en lopende debat omtrent
de attractiviteit van het politieberoep nemen we ook dit onderdeel mee op.
Wat betreft de vertaling van de
gespecialiseerde functies naar het personeelsplan, wil ik in herinnering
brengen dat het personeelsplan een budgettair plan is. Op basis van de
beschikbare kredieten zal jaarlijks in het operationeel personeelsplan op basis
van de strategische prioriteiten (waaronder de gespecialiseerde opdrachten)
bepaald worden waar de aanwervingsprioriteiten gelegd zullen worden.
Op 14 april van dit jaar vaardigde u
omzendbrief SPV08 uit. Die verduidelijkt hoe private bewakingsondernemingen
kunnen worden ingezet door politiediensten of bepaalde taken kunnen opnemen die
vandaag nog door politieambtenaren worden uitgevoerd.
De politie kampt al jaren met
structurele capaciteitsproblemen. Deze omzendbrief kan helpen om
niet-politionele taken weg te halen bij politieambtenaren, zodat zij zich
opnieuw kunnen focussen op hun kerntaken: interventie, wijkwerking, recherche,
ordehandhaving en de strijd tegen georganiseerde criminaliteit.
Beschikt u over een concrete inventaris
van politietaken die vandaag nog door de lokale of federale politie worden
uitgevoerd, maar die volgens de nieuwe omzendbrief ook door private
bewakingsondernemingen mogen worden gedaan?
Over hoeveel politiecapaciteit gaat dit
potentieel, uitgedrukt in VTE of operationele uren?
Waar verwacht u de grootste
capaciteitswinst: bij de Lokale Politie of eerder bij de Federale Politie?
Welke taken wilt u prioritair overdragen
of via samenwerking aanpakken? Denkt u daarbij bijvoorbeeld aan de bewaking van
gebouwen, ambassades, koninklijke residenties, of de bewaking van
inbeslaggenomen goederen en voertuigen?
Hoe gaat u vermijden dat deze
omzendbrief een vrijblijvend instrument blijft? Komt er een concreet
implementatie- of begeleidingsplan voor de federale politie en voor de lokale
zones die hiervan gebruik willen maken?
Als private bewakingsondernemingen in de
toekomst vaker worden ingezet bij opdrachten met een verhoogd
veiligheidsrisico, bent u dan bereid te onderzoeken of hun wettelijke
beschermingsmiddelen moeten worden uitgebreid? Ik denk dan, in strikt
afgebakende situaties en na aangepaste opleiding, aan middelen zoals
pepperspray of handboeien, zoals vergelijkbare beschermingsmiddelen vandaag ook
in bepaalde andere niet-politionele veiligheidscontexten bestaan.
Antwoord - Réponse:
Wat de statistische gegevens betreft,
verzoek ik u mij een schriftelijke vraag te stellen.
De omzendbrief SPV08 heeft tot doel het
bestaande wettelijke kader te verduidelijken en de politiediensten, de
bestuurlijke overheden en de betrokken partners een duidelijker zicht te geven
op de mogelijkheden die vandaag reeds bestaan om, binnen de grenzen van de wet,
een beroep te doen op vergunde bewakingsondernemingen.
Het uitgangspunt is dat
politiecapaciteit zo veel mogelijk moet worden ingezet voor kerntaken die
effectief politionele bevoegdheden vereisen. Wanneer bepaalde opdrachten geen
gebruik van politionele bevoegdheden veronderstellen en binnen het wettelijke kader
van de private veiligheid kunnen worden uitgevoerd, kan samenwerking met
vergunde bewakingsondernemingen daartoe bijdragen.
De omzendbrief wijzigt het wettelijke
kader niet en legt geen verplichting op om taken over te dragen. De beoordeling
blijft gebeuren door de bevoegde overheden en politiediensten, rekening houdend
met de concrete veiligheidscontext, de aard van de opdracht, de risicoanalyse,
de beschikbare capaciteit en de prioriteiten.
Tot slot beoogt de omzendbrief geen
wijziging van de bevoegdheden of beschermingsmiddelen van private
bewakingsagenten. Die blijven bepaald door de wet van 2 oktober 2017 tot
regeling van de private en bijzondere veiligheid. Een eventuele uitbreiding van
beschermingsmiddelen vereist een afzonderlijke afweging over proportionaliteit,
opleiding, controle, aansprakelijkheid en de afbakening ten opzichte van de
politiefunctie. Er zijn verschillende werkgroepen aan de gang zoals de
werkgroep agressie in ziekenhuizen. Als er noden zijn vanuit het sector gaan
deze dan daar ook uitgedrukt worden en gecommuniceerd aan de bevoegde
ministers. Ik heb het al vermeld: ik vind dat securail agenten uitgerust moeten
worden en wapenstok moeten hebben. Ik zal dit bespreken binnen de regering.
In de nacht van 27 mei liep een controle
op geluidsoverlast in Mechelen bijzonder zwaar uit de hand. Een 18-jarige, al
gekend bij de politie, reed met een opgedreven brommer en sloeg op de vlucht
toen de politie hem wilde controleren.
Tijdens de verdere afhandeling
escaleerde de situatie. De jongeman zou een inspecteur rond de hals hebben
gegrepen, hem hard tegen de grond hebben gegooid en hem in een wurggreep hebben
gehouden. De politieman liep een heupfractuur op, moest worden geopereerd en
zou minstens zes maanden arbeidsongeschikt zijn. De verdachte werd aangehouden
onder elektronisch toezicht.
Deze geweldpleger werd naar huis
gestuurd met een enkelband.
Erkent u dat geweld tegen
politieambtenaren vandaag nog te vaak eindigt in vrijlating onder voorwaarden,
elektronisch toezicht, uitstel of andere gunstmaatregelen?
Wat onderneemt u om de straffeloosheid
die dit veroorzaakt, aan te pakken?
Zult u binnen de regering voorstellen om
elektronisch toezicht en andere gunstregimes uit te sluiten bij ernstige
geweldsfeiten tegen politieambtenaren?
Bent u bereid om, in samenspraak met de
minister van Justitie, recidive bij geweld tegen politieambtenaren automatisch
zwaarder te laten doorwegen in opvolging en bestraffing?
Zal u onderzoeken of specifieke
handelingen zoals een wurggreep, het omsingelen van politie, het afnemen van
dienstmateriaal of het aanzetten tot groepsgeweld tegen agenten afzonderlijk en
zwaarder kunnen worden bestraft?
Hoe verzekert u dat agenten die
slachtoffer worden van ernstig geweld ook de juiste ondersteuning, zorg en
compensatie krijgen na de feiten?
Hoe zit het met een statutaire erkenning
zoals 'zwaar beroep' voor de veiligheidsdiensten?
Antwoord - Réponse:
Gewelddaden tegen politieambtenaren
worden zeer ernstig worden genomen en hebben een specifiek kader, zowel op
politie- als op gerechtelijk niveau. Het komt mij niet toe mij uit te spreken
over individuele beslissingen genomen door de gerechtelijke overheden.
Over het algemeen kaderen maatregelen
zoals voorwaardelijke invrijheidstelling, elektronisch toezicht of uitstel in
het bestaande wettelijke kader en worden zij door de magistraten beslist op
basis van een beoordeling van de omstandigheden eigen aan elk dossier.
Geweld tegen politieambtenaren vormt een
blijvende prioriteit, die berust op een nauwe afstemming tussen het politionele
optreden en de gerechtelijke behandeling van deze feiten. Op politioneel niveau
wordt bijzondere aandacht besteed aan de zorgvuldige vaststelling van de
feiten, de correcte kwalificatie ervan en de overmaking aan de gerechtelijke
overheden, teneinde een doeltreffende opvolging van de dossiers mogelijk te
maken.
Er wordt ook bijzondere aandacht besteed
aan preventie, opleiding en de voortdurende verbetering van de praktijken, met
als doel het voorkomen van dergelijke feiten en het verbeteren van de aanpak
ervan.
De vermelde feiten — zoals het gebruik
van fysiek geweld, aantasting van de lichamelijke integriteit, weerspannigheid,
belemmering van het politieel optreden of het zich toe-eigenen van
dienstmateriaal — kunnen reeds strafrechtelijk kunnen worden gekwalificeerd
binnen het bestaande rechtskader.
De precieze juridische kwalificatie van
deze gedragingen, evenals de eventuele in aanmerking name van verzwarende
omstandigheden, behoort tot de beoordeling van de gerechtelijke overheden, op
basis van de elementen eigen aan elk dossier.
Uw vragen naar het bijsturen van de
strafuitvoering en het strafbeleid worden beter door de minister van Justitie
beantwoord. De opvang van slachtoffers wordt mee ondersteund via de omzendbrief GPI 72.
Naast deze begeleiding bestaan binnen de
Geïntegreerde Politie verschillende maatregelen die erop gericht zijn een
adequate ondersteuning na de feiten te verzekeren, zowel op professioneel vlak
als op het vlak van welzijn.
Wat de vergoeding van de schade betreft,
kadert deze in het bestaande wettelijke kader, dat onder meer voorziet in de
mogelijkheid tot schadeloosstelling van de geleden schade, overeenkomstig de
toepasselijke procedures.
De statutaire erkenning van bepaalde
functies als “zwaar beroep” kadert in een ruimer kader dat betrekking heeft op
de gehele veiligheidssector en, ruimer nog, op het openbaar ambt.
Dergelijke evoluties impliceren
structurele keuzes en dienen, in voorkomend geval, te worden onderzocht in het
kader van regeringsbesprekingen, evenals in het sociaal overleg met de
betrokken departementen.
De Peterboswijk in Anderlecht blijft een
bijzonder zorgwekkend veiligheidsdossier. In juni 2025 voerden politie en
parket er een grootschalige operatie uit in de woontorens van de Anderlechtse
Haard. Daarbij werden 271 appartementen gecontroleerd die leegstonden of geacht
werden leeg te staan, maar die volgens berichtgeving tegelijk dienst deden als
schuilplaats of uitvalsbasis voor drugsdealers en criminelen.
Daar komt nu een politiek explosieve
dimensie bij. De VRT-reportage van Pano over de Anderlechtse Haard bracht
ernstige beschuldigingen aan het licht: favoritisme, cliëntelisme en
verregaande politieke inmenging door Lotfi Mostefa, PS-schepen van Huisvesting
en voorzitter van de Anderlechtse Haard.
Beschikt u over verdere informatie
betreffende het gebruik van leegstaande appartementen in Peterbos als
schuilplaats, opslagplaats of uitvalsbasis voor drugshandel en georganiseerde
criminaliteit?
Werd onderzocht of de inname van
leegstaande sociale woningen door criminelen mogelijk werd gemaakt door
medewerking van personen binnen of rond de betrokken huisvestingsmaatschappij?
Kan u bevestigen welke rol de federale
politie en de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie momenteel
spelen in de lopende onderzoeken rond de Anderlechtse Haard?
Worden de banden tussen maffiaclans en
lokale politici in Brussel momenteel onderzocht? Zijn er aanwijzingen van
wangedrag?
Welke bijkomende maatregelen neemt u om
infiltratie, intimidatie of corruptie door georganiseerde misdaad binnen lokale
besturen, sociale instellingen en huisvestingsstructuren op te sporen en te
bestrijden?
Antwoord – Réponse
Vooeerst wens ik te verduidelijken dat
de grootschalige actie in de woontorens van de wijk Peterbos een operatie met
hoofdzakelijk een bestuurlijke en administratieve finaliteit betrof. De leiding
en coördinatie van deze operatie berustten integraal bij de lokale politiezone
Zuid en ook het Parket was betrokken. Gelet op de nood aan een verhoogde
personeelsinzet en expertise in het gerechtelijk domein werd de FGP Brussel
verzocht bijstand te leveren.
De eenheden van de FGP Brussel werden in
het dispositief geïntegreerd met als specifieke doelstelling de afhandeling van
eventuele ernstige gerechtelijke feiten die tijdens de operatie zouden worden
vastgesteld.
De dienst CDBC van DJSOC voert momenteel
een onderzoek naar de Anderlechtse Haard. Aangezien het dossier nog lopende is,
kan hierover inhoudelijk niet worden gecommuniceerd.
Voor details betreffende het lopende
dossier alsook over andere gerechtelijke onderzoeken die hiermee verband
houden, verwijs ik u naar de Minister van Justitie.
Daarnaast verwijs ik naar mijn antwoord
op de vraag van de heer Demon inzake het evaluatierapport van de Wet
Gemeentelijke Bestuurlijke Handhaving.
Op basis van dit rapport zal ik een
wetgevend initiatief nemen om die wet te optimaliseren, teneinde de lokale
strijd tegen ondermijnende criminaliteit te versterken. Het bestuurlijke
instrument van het gemeentelijk integriteitsonderzoek beoogt de innestelling
door criminale organisaties en netwerken in het lokale weefsel, en bijhorend
het uitbouwen van een machts- en invloedbasis in de zogenaamde ‘bovenwereld’,
een halt toe te roepen.
De klantendienst van de NMBS ontving
formele bedreigingen aan het adres van Securail-agenten met referentie naar de
Antifa-beweging. Daarop
werd formeel klacht ingediend.
'Nous sommes sur le
terrain, nous vous suivons les nazis de Sécumerde pour rappel, un bon Sécurail
est un Sécurail mort, nous n'attendrons plus longtemps avant de vous planter,
on est déja derrière eux, au sens propre du terme, toutes régions confondues',
zo klinkt het in niet mis te verstane woorden aan het adres van de
Securail-agenten.
In een interne boodschap aan haar
personeel vroeg de NMBS-leiding om alert en voorzichtig te blijven, te
vertrouwen op hun ervaring, de gekende veiligheidsprocedures te volgen en
niet-vertrouwde situaties te melden.
Kan de minister ontvangst van de geuite
bedreigingen bevestigen?
Hoe evalueert hij die?
Heeeft de minister over deze
bedreigingen contact gehad met zijn collega-minister van Mobiliteit? Zo ja, met
welk resultaat? Welke veiligheidsmaatregelen zullen genomen worden ten gunste
van de Securail-agenten? Zo neen, waarom niet?
Is de minister voorstander om de
Belgische terreurlijst verder uit te breiden en daar het extreemlinkse en
gewelddadige Antifa aan toe te voegen? Zo neen, waarom niet?
Welke maatregelen zal de minister nemen
om het voortdurend infiltreren van manifestaties door Antifa, het herhaaldelijk
verstoren van de openbare orde en het door hen voortdurend gebruik van extreem
geweld de kop in te drukken?
Antwoord - Réponse
Ik kan u bevestigen dat er
proces-verbaal werd opgesteld in verband met bedreigingen. Een
referentiemagistraat bij het Parket van Brussel zou zijn aangewezen. Het is
bijgevolg aan de gerechtelijke autoriteiten om hierover te communiceren.
Ik sta uiteraard in nauw contact met
mijn collega van mobiliteit, bijvoorbeeld om te bekijken hoe ik als minister
van veiligheid securail kan aansturen om beter in te passen in het
veiligheidsbeleid in de stations, conform het regeerakkoord.
België heeft geen terreurlijst. Justitie
beslist over terrorisme onderzoeken, nadat in de Joint Decision Centers de
informatie van alle veiligheidsdiensten samengelegd wordt.
We hebben wél de gemeenschappelijke
gegevensbank terrorisme, extremisme en radicalisering, waarbinnen entiteiten –
personen of groepen – opgenomen kunnen worden indien ze voldoen aan de criteria
die in de wet beschreven staan. Het zijn de veiligheidsdiensten die evalueren
of de criteria van toepassing zijn of niet
Het OCAD geeft mee dat ‘antifa’ geen
samenhangende en homogene groep is, maar een amalgaan van bewegingen en
individuen.
Concreet is de term ‘antifa’ in wezen
een label, een communicatiemiddel en geen groep op zich. Sommige van de groepen
die deze term gebruiken, zijn (duidelijk) potentieel gewelddadige
links-extremisten. Het is vanuit dit perspectief dat dit probleem moet worden
aangepakt, aangezien het, bij gebrek aan een echte groep, onmogelijk zou zijn
om ‘antifa’ te verbieden of op welke lijst dan ook te plaatsen met
daadwerkelijke gevolgen.
Ik wil ook opmerken dat dit gebruik van
het woord “antifa” als signatuur er handig voor zorgt dat geen bruikbare
informatie wordt gegeven over de groep die het gebruikt, wat volledig in lijn
is met de tot nu toe geconstateerde strategieën voor het gebruik van de term
“antifa”.
Voor wat betreft uw vraag tot de
maatregelen wijs ik op het bestaan van de Strategie T.E.R., de coördinatie door
het NCCN, de handhaving van de openbare orde, ...
Daarnaast werkt de regering nog steeds
aan haar voorontwerp van wet om een kader te schetsen waarbij gevaarlijke
radicale organisaties verboden kunnen worden.
Het WK Voetbal brengt altijd risico's
met zich mee om aanleiding te geven tot relschoppen, meer specifiek in Brussel.
Hoe evalueert de minister de events van
de laatste dagen/weken?
Welke acties zijn er ondernomen op het
terrein om de events niet te laten escaleren/kapen door relschoppers?
Hoe loopt coördinatie tussen politie,
burgemeesters, minister-president Brussel, en andere betrokken actoren. Zijn
deze op voorhand samengebracht?
Antwoord - Réponse
Het Wereldkampioenschap voetbal is
enkele dagen geleden van start gegaan. Dit is een groot evenement dat in de
eerste plaats een feestelijk karakter heeft en emoties oproept bij de
supporters van de verschillende deelnemende landen.
Tijdens de vorige toernooien werden
weinig incidenten geregistreerd, zowel tijdens wedstrijden van onze nationale
ploeg als tijdens wedstrijden van andere teams.
De ervaring uit het verleden heeft
echter aangetoond dat grote bijeenkomsten, hoewel ze door de overgrote
meerderheid van de deelnemers positief worden beleefd, in sommige gevallen ook
aanleiding kunnen geven tot diverse problemen.
Ze vereisen dan ook professionele
voorbereidingen en een doeltreffende omkadering.
Een eventuele politie-inzet wordt op
lokaal niveau bepaald op basis van een permanente en dynamische risicoanalyse.
De Federale Politie voorziet bovendien in een versterking van haar reserve naar
aanleiding van bepaalde wedstrijddagen.
De ministeriële omzendbrief van 12 juni
2024 betreffende de uitzending van voetbalwedstrijden op groot scherm op het
Belgisch grondgebied en de organisatie van voetbalgerelateerde evenementen
beschrijft dan ook het kader waarbinnen dergelijke activiteiten zich idealiter
dienen te organiseren, zodat ze veilig en in aangename omstandigheden kunnen
verlopen. Een multidisciplinaire aanpak op lokaal niveau wordt in het kader van
deze omzendbrief eveneens aanbevolen.
Ik hoop dat het sportieve en feestelijke
karakter van dit toernooi centraal zal staan. Tegelijk blijven de
politiediensten waakzaam en anticiperen zij op komende gebeurtenissen om zich
zo optimaal mogelijk voor te bereiden.