Commissie voor Financiën en Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Dinsdag 16 juni 2026

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 16 juin 2026

 

Matin

 

______

 

De behandeling van de vragen vangt aan om 10.16 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Steven Vandeput.

Le développement des questions commence à 10 h 16. La réunion est présidée par M. Steven Vandeput.

 

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

 

01 Samengevoegde vragen van

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De cijfers van het Instituut voor de Nationale Rekeningen over 2025" (56015487C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De begrotingsinspanning van minstens 7 miljard" (56016175C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De haalbaarheid van een begrotingsakkoord tegen 21 juli" (56016202C)

- Alexia Bertrand aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De ontsporende begrotingscijfers, de waarschuwingen van het Rekenhof en de nakende saneringsronde" (56016971C)

- Frédéric Daerden aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De begrotingsinspanning" (56017064C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De begrotingsambitie van de regering-De Wever" (56017075C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De uitspraken van gouverneur Wunsch (NBB) over de begrotingsinspanning" (56017076C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De uitspraken van gouverneur Wunsch (NBB) over de netto-uitgavengroeinorm" (56017077C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De begroting in tweede zit" (56017084C)

- Alexia Bertrand aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De Europese voorjaarsprognose en de weerslag op onze koopkracht en overheidsfinanciën" (56016969C)

01 Questions jointes de

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les chiffres de l’Institut des comptes nationaux pour 2025" (56015487C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "L'effort budgétaire d'au moins 7 milliards" (56016175C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "La possibilité de parvenir à un accord budgétaire d’ici le 21 juillet" (56016202C)

- Alexia Bertrand à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Le dérapage budgétaire, les avertissements de la Cour des comptes et les prochains assainissements" (56016971C)

- Frédéric Daerden à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "L'effort budgétaire" (56017064C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "L’ambition budgétaire du gouvernement De Wever" (56017075C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les déclarations du gouverneur Wunsch (BNB) sur l’effort budgétaire" (56017076C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les déclarations du gouverneur Wunsch (BNB) sur la norme de croissance des dépenses nettes" (56017077C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Le budget en seconde session" (56017084C)

- Alexia Bertrand à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les prévisions de printemps de l'UE et l'effet sur notre pouvoir d'achat et nos finances publiques" (56016969C)

 

01.01  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, sta me toe vooreerst een opmerking te maken over de manier waarop de bespreking wordt georganiseerd. U of uw kabinet heeft ervoor gekozen om al mijn mondelinge vragen over de begroting en de begrotingsinspanning op een grote hoop te gooien, alsof het hier allemaal over een en dezelfde vraag zou gaan, alsof de INR-cijfers, de nieuwe ramingen van het Planbureau, de waarschuwingen van de Nationale Bank van België, de Europese uitgavennorm, de timing tot 21 juli en de haalbaarheid van de meerjarenbegroting zomaar in een grote pot kunnen worden gegooid. Mijnheer de minister, dat is geen ernstig begrotingsdebat. Zo probeert u de vis te verdrinken. De begrotingsuitdaging van dit land is te ernstig om procedureel te worden weggemoffeld. Als België afstevent op tekorten van 5,5 %, 6 % of meer van het bbp, als de schuldgraad verder ontspoort en als de rentelasten beginnen te wegen als een molensteen om de nek, dan verdient elk onderdeel een afzonderlijk en grondig debat.

 

U en uw kabinet mogen het Parlement niet behandelen alsof kritische vragen hinderlijk papierwerk zijn. Wij zitten hier niet om uw communicatieplan te verstoren, maar om controle uit te oefenen op een begroting die opnieuw dreigt te ontsporen. Wie alle vragen op een hoop gooit, wil blijkbaar vooral vermijden dat elk probleem afzonderlijk wordt bediscussieerd en blootgelegd.

 

De feiten zijn namelijk bijzonder zwaar. Volgens de recente berichtgeving volstaat de eerder genoemde 7 miljard euro waarschijnlijk niet meer. Er wordt nu gesproken over 8 tot 10 miljard euro. De Nationale Bank van België spreekt over 14 miljard euro en in Le Soir viel zelfs het cijfer van 14,7 miljard euro tegen 2029.

 

Tegelijk blijkt uit de cijfers van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) dat het tekort in 2025 oploopt tot 5,2 % van het bbp, slechter dan de 4,7 % die in het Europees meerjarenplan werd vooropgesteld. Het federale begrotingsniveau en de sociale zekerheid leveren opnieuw de grootste bijdrage aan de verslechtering. De inkomsten volgen de groei van het bbp niet, terwijl de uitgaven, de rentelasten en de schulden blijven stijgen. Dat is geen detail, dat is de kern van het probleem.

 

De regering-De Wever heeft zich verkocht als de regering die het land op orde zou zetten. Vandaag zien we echter vooral illusies over de begroting en terugverdieneffecten en doorschuifoperaties en worden nieuwe belastingen niet uitgesloten. In eigen documenten erkent de regering trouwens zelf dat de Belgische budgettaire toestand zorgwekkend is en dat de belastingdruk al te hoog ligt. Toch horen we opnieuw dezelfde recepten. Er wordt gemorreld aan de gezondheidszorg, gekeken naar sociale uitgaven en gezocht naar fiscale achterpoortjes, terwijl fundamentele keuzes over de Belgische staatsstructuur, migratiekosten, transfers, het politieke systeem en de Europese bijdragen opnieuw taboe blijven. Het Vlaams Belang wil daarentegen besparen op het systeem en niet op onze mensen.

 

Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen gebundeld, op basis van alles wat u op een hoop probeert te gooien. Ten eerste, bevestigt u dat de begrotingsinspanning tegen 2029 niet langer 6 tot 7 miljard euro bedraagt, maar veeleer richting 8 tot 10 miljard euro gaat, of zelfs 14 miljard euro, zoals de Nationale Bank van België aangeeft? Welk cijfer hanteert de regering officieel?

 

Ten tweede, staat de bijkomende inspanning los van de nog te vinden middelen voor de zogenaamde nulllijnoefening?

 

Ten derde, welke nieuwe economische parameters, ramingen of geopolitieke ontwikkelingen verklaren de stijging van de begrotingsinspanning ten opzichte van de eerdere doelstelling van 4,9 miljard euro?

 

Ten vierde, hoe reageert u op de INR-cijfers waaruit blijkt dat het tekort in 2025 oploopt tot 5,2 % van het bbp, tegenover 4,7 % in het Europees meerjarenplan?

 

Ten vijfde, hoe verklaart u dat vooral het federale niveau en de sociale zekerheid opnieuw de grootste bijdrage leveren aan de verslechtering van het begrotingssaldo?

 

Ten zesde, hoe beoordeelt u de analyse van de gouverneur van de Nationale Bank van België, de heer Wunsch, dat het begrotingstekort onhoudbaar is en dat minstens 14 miljard euro nodig is, of zelfs 14,7 miljard euro tegen 2029?

 

Ten zevende, wat is volgens u vandaag een houdbaar begrotingstekort voor België?

 

Ten achtste, volgt u de oproep om het tekort tegen 2028 terug te dringen tot 4% van het bbp? Zo ja, welke jaarlijkse inspanning plant de regering in 2027 en 2028?

 

Ten negende, hoe rijmt u de analyse van de Nationale Bank van België met de uitspraak van de eerste minister dat er dit jaar nog een laatste grote begrotingsoefening zou komen? Moet er het jaar daarna niet opnieuw een oefening gebeuren?

 

Ten tiende, hoe reageert u op de waarschuwing dat de Europese uitgavennorm onvoldoende kan zijn wanneer de overheidsinkomsten de groei van het bbp niet volgen?

 

Ten elfde, welk traject verwacht u voor de fiscale ontvangsten ten opzichte van het bbp? Hoe zult u een structurele daling opvangen zonder de belastingdruk verder te verhogen, zoals in het regeerakkoord staat?

 

Ten twaalfde, sluit u bijkomende belastingen, nieuwe heffingen of fiscale ingrepen categoriek uit, ja of nee?

 

Ten dertiende, hoe wilt u vermijden dat stijgende rentelasten en oplopende schuldgraden de toekomstige budgettaire ruimte verder uithollen?

 

Ten veertiende, bevestigt u dat de regering tegen 21 juli een volledig begrotingsakkoord wil bereiken, inclusief een actualisering van de meerjarenbegroting?

 

Ten vijftiende, op welke jaren zal de geactualiseerde meerjarenbegroting betrekking hebben?

 

Ten zestiende, wat is het concrete tijdspad tussen vandaag en 21 juli? Welke tussentijdse deadlines en beslissingsmomenten zijn er?

 

Ten zeventiende, acht u die timing nog realistisch, gelet op de verdeeldheid in uw meerderheid en de vele rode lijnen die ondertussen publiek werden getrokken?

 

Ten achttiende, wat gebeurt er als er tegen 21 juli geen akkoord is? Wordt de oefening dan doorgeschoven naar september of naar het najaar, vlak vóór de indiening bij Europa?

 

Ten negentiende, wat bedoelt de eerste minister precies met een tweede zit voor de begroting?

 

Ten twintigste, welke signalen krijgt u vandaag van de Europese Commissie over de dringendheid van bijkomende saneringsmaatregelen?

 

Ten eenentwintigste, waarom blijft de regering vooral kijken naar gezondheidszorg, sociale uitgaven en fiscale ingrepen, terwijl structurele besparingen op migratie-uitgaven, transfers, ontwikkelingssamenwerking, Europese bijdragen en het systeem buiten beeld blijven?

 

Dat zijn 21 vragen, mijnheer de minister. U begrijpt dat die zo uiteenlopend zijn dat alles op één hoop gooien, zoals u of uw kabinet de afgelopen uren hebben gedaan, het debat eigenlijk volledig fnuikt. Dat is niet optimaal. Ik richt mij ook tot u, mijnheer de voorzitter, om daar namens de commissie toch het kabinet en de minister op aan te spreken. U bent de hoeder van het Parlement, zodat we een optimaal debat kunnen voeren.

 

Dat men al die onderwerpen  in één debat verdrinkt, is eigenlijk geen normale manier van werken. Ik heb dat nog maar weinig gezien. Terwijl dit land voor alsmaar grotere begrotingsuitdagingen staat en de situatie alsmaar complexer wordt, wordt het debat hier gefnuikt. Dat is een zeer nefaste evolutie.

 

De voorzitter: Mijnheer Vermeersch, ik laat u enkel opmerken dat de agenda reglementair samengesteld is. In uw plaats zou ik, voor ik het heb over het fnuiken van debatten, wachten op het antwoord van de minister. Maar goed, dat is mijn keuze. Die doet ook niet ter zake op dit ogenblik.

 

01.02  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, ik ben verrast door het aantal aanwezige leden vandaag, want ik vind dat we met zeer weinig zijn voor zo'n belangrijk onderwerp. Het is eigenlijk het thema bij uitstek van de komende maanden en jaren. Ik dacht dat het ook dé prioriteit van deze regering was, maar ik zie heel weinig volk van de meerderheid, zelfs geen enkel parlementslid van de meerderheid, buiten de commissievoorzitter natuurlijk, onze trouwe voorzitter, die hier altijd zit en ook een goede commissievoorzitter is. De heer Vermeersch zit hier inderdaad ook heel vaak; daarover kunnen we niet klagen. Alle gekheid op een stokje, ik vind het zeer erg en zorgwekkend dat er zo weinig leden aanwezig zijn voor zo'n belangrijk thema.

 

Er gaat geen enkele dag voorbij, mijnheer de minister, zonder dat we nog slechter nieuws moeten lezen en ontdekken over de begroting. Als het niet gaat over het Rekenhof, gaat het over de prognoses van de economie van de Nationale Bank van België of de Europese Commissie. Of dan zegt de gouverneur van de Nationale Bank van België zaterdag dat jullie geen 6 à 7 miljard euro moeten vinden, maar eerder iets rond de 15 miljard euro. Dat is exact wat het Rekenhof heeft gezegd. Die twee instellingen kunnen blijkbaar tellen. Wat zij zeggen, is wel zorgwekkend.

 

Ook over de rentesneeuwbal had ik nog nooit iets gehoord of gelezen in een rapport van het Rekenhof. Hun bewoordingen waren dat ons land gevaarlijk dicht bij een rentesneeuwbaleffect zit.

 

We zien dat jullie technische correcties doorvoeren. Jullie werken aan een technische begrotingscontrole, maar jullie schuiven de structurele problemen op de lange baan. Dat is voor deze zomer, maar blijkbaar zelfs niet vóór 21 juli. Ik heb het nog nooit meegemaakt dat dat niet tegen 21 juli landt. Misschien vinden jullie de gewoonte van de voorlopige twaalfden ondertussen een goede gewoonte en gaan we dat volgend jaar opnieuw doen.

 

We gaan richting een begrotingstekort van meer dan 5 %. Zelfs met een inspanning van 6 tot 7 miljard euro blijven we nog ruim boven de 4 %.

 

Mijnheer de minister, hoe reageert u op de conclusies van het Rekenhof en van de gouverneur van de Nationale Bank van België dat 15 tot 20 miljard euro nodig is, terwijl de regering vandaag nog sprak over 6 tot 7 miljard euro? Ik heb de premier ook horen zeggen dat dat waarschijnlijk onvoldoende zal zijn en dat er meer moet gebeuren. Is dat ook het standpunt van u als minister van Begroting?

 

Wie communiceert eigenlijk namens de regering over de begroting? Welk bedrag is het uitgangspunt? U moet toch weten hoeveel u deze zomer gaat zoeken?

 

Wat is de impact van de huidige begrotingsopdracht op de geplande fiscale hervorming en dus op de fameuze lastenverlaging die u beloofd hebt? U hebt die al grotendeels uitgesteld tot de volgende legislatuur, tot 2030. Er is echter nog steeds een lastenverlaging in de personenbelasting voorzien ter waarde van 3 miljard euro. Wat zult u daarmee doen?

 

Ik hoor ook dat de deadline van 21 juli geen harde deadline is. Mikt u nog steeds op een zomerakkoord, of komt er een herfstakkoord, een Sinterklaasakkoord of een kerstakkoord? Verschuift de timing naar de Europese deadline in oktober?

 

Wat zal de ratio tussen uitgaven en inkomsten zijn? We horen daarover zoveel verschillende zaken. Wij hebben een besparingsplan voorbereid voor 17 miljard euro en delen dat heel graag met u. Dat plan richt zich op de uitgaven. Het toont aan dat het mogelijk is om 17 miljard euro te besparen aan de uitgavenkant. Hebt u dat besparingsplan onderzocht? Hebt u het ontvangen? Anders kunnen wij dat snel oplossen. Ik denk dat u daarin inspiratie kunt vinden. Wat is uw ideale verhouding tussen inkomsten en uitgaven?

 

Bent u van plan om nog nieuwe belastingen in te voeren? Deze regering heeft immers al meer belastingen ingevoerd dan ze heeft gesnoeid aan de uitgavenkant. Bent u van plan om nog verder te gaan met nieuwe belastingen?

 

01.03  Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, complémentairement aux diverses questions qui ont été posées, j'aimerais revenir avec vous sur la méthode et le calendrier pour les débats budgétaires à venir.

 

En effet, ce week-end, le gouverneur de la Banque nationale annonçait que la Belgique devait fournir un effort de 14 milliards d'euros d'ici 2028.

 

Mes questions sont les suivantes. Au même titre que le gouverneur de la Banque nationale, estimez-vous l'effort pour l'ensemble de la Belgique à 14 milliards d'euros d'ici 2028? Comment répartissez-vous cet effort entre les entités?

 

Sans surprise, le gouverneur observe ce week-end un décrochage entre la croissance du PIB et les recettes. Sur la période 2024-2028, les recettes se sont érodées à hauteur de 1,2 % du PIB: moins de recettes de l'impôt des sociétés, baisse de la contribution du secteur nucléaire, phasing out du Fonds de relance européen.

 

M. Wunsch précise que, sans un débat sur les recettes, un assainissement sérieux n'est pas envisageable. De ce point de vue, les efforts du gouvernement portent, à ce stade, en très grande majorité sur les dépenses.

 

Monsieur le ministre, allez-vous déposer sur la table du gouvernement des propositions en recettes, notamment une contribution des épaules les plus larges et des entreprises qui réalisent des surprofits?

 

Le gouvernement a-t-il pu préciser son objectif concernant les efforts budgétaires à venir?

 

Quel calendrier comptez-vous proposer au gouvernement à la suite de la publication du rapport du Comité de monitoring en juillet? Merci d'avance pour vos réponses.

 

01.04 Minister Vincent Van Peteghem: Geachte Kamerleden, de cijfers van het INR herbevestigen inderdaad de druk op onze overheidsfinanciën. Deze regering heeft bij haar aantreden steeds gewezen op de precaire budgettaire situatie van ons land. Daarom zijn structurele hervormingen noodzakelijk en moeten moeilijke en noodzakelijke beslissingen worden genomen om de overheidsfinanciën in ons land niet verder te laten ontsporen.

 

Het is belangrijk om te benadrukken dat reeds rekening werd gehouden met die cijfers in het jaarlijkse voortgangsverslag, het annual progress report, dat eind april aan de Europese Commissie werd overgemaakt. Ze komen dus niet onverwacht en maken integraal deel uit van het huidige begrotingskader.

 

Ook de Europese voorjaarsprognoses bevestigen dat we opereren binnen een bijzonder onzekere internationale context, met een tragere groei en een hogere inflatie dan eerder verwacht. Een lagere economische groei heeft onvermijdelijk een impact op onze begroting door lagere ontvangsten en hogere uitgaven en onderstreept de noodzaak om onze overheidsfinanciën op een houdbaar pad te brengen. De regering blijft daarom vasthouden aan haar doelstelling om via structurele hervormingen en een geleidelijke, maar geloofwaardige sanering het tekort terug te dringen en de schuldgraad op middellange termijn te stabiliseren.

 

Om de komende begrotingsinspanning te bepalen, kijken we uit naar het volgende rapport van het Monitoringcomité, dat rond 6 juli wordt verwacht. Natuurlijk zal daarin ook de evaluatie van de uitgavennorm opgenomen zijn. Zoals altijd al gezegd, is de inspanning die we in het kader van het uitgavenaggregaat moeten invullen de ondergrens. Ik heb in de commissie voor Financiën al vaak geantwoord over de verhouding tot de 3 % norm, wat de uitgavennorm wel en niet is en of dat een goede budgettaire graadmeter is. Mijn visie daarop is niet gewijzigd.

 

Die ondergrens van de uitgavennorm wordt momenteel geraamd op bijna 7 miljard euro, volgend op de prognoses van maart en april inzake het conflict in het Midden-Oosten. Dat is al bijzonder ambitieus als we dat vergelijken met de begrotingsoefeningen uit het verleden. Aan de basis van die inschatting van 7 miljard euro liggen vooral de verhoogde inflatievooruitzichten, die de uitgaven omhoog duwen en de uitgavennorm dus strenger maken.

 

De nullijnoefening is niet zozeer een bijkomende oefening op de inschatting van 7 miljard euro. De inschatting van het Monitoringcomité gaat namelijk telkens uit van de laatst gemaakte raming van de maatregelen die de verschillende administraties over de regeringsbeslissingen bezorgen. De nullijnoefening maakt dus eveneens een heel conservatieve politieke inschatting van de realisatiegraad van het regeringsbeleid.

 

Mijnheer Vermeersch, het bedrag waarnaar u verwijst, is echter de delta ten aanzien van de initieel geraamde rendementen. Veel punten van die delta zijn trouwens al vervat in de basis van het rapport van het Monitoringcomité.

 

Ces 7 milliards constituent donc le seuil minimal de notre effort. J'ai également entendu le gouverneur de la Banque nationale dire qu'un effort de 14 milliards était nécessaire et qu'un débat sur les recettes et les soins de santé était, à cet égard, crucial. C'est tout à fait vrai. Cet effort de 7 milliards ne suffira pas à nous permettre de retrouver une situation budgétaire sereine. Mais je préfère 7 milliards d'euros de mesures qui contribuent fortement au budget à long terme plutôt que de répéter l'erreur du passé en proposant des mesures cosmétiques à court terme.

 

Dat neemt natuurlijk niet weg dat een spoedige terugdringing van het begrotingstekort naar 3 % van het bbp voor de gezamenlijke overheid een doelstelling moet blijven.

 

Wat het proces en de timing betreft, het is geen geheim dat ik stappen ondernomen heb om het begrotingsproces wat te objectiveren en ook te vervroegen. Zo hebben al tal van vergaderingen in werkgroepen plaatsgevonden, over heel verschillende aspecten van de begrotingsopmaak voor 2027. De deadline ligt voor mij op de dag dat we een voldoende ambitieus akkoord hebben dat de budgettaire toestand van ons land verbetert. Wat de premier bedoelde met de tweede zit, vraagt u best aan hemzelf, mijnheer Vermeersch, want ik was een voorbeeldig student, dus dat concept is me behoorlijk vreemd.

 

Hoe dan ook is het van belang dat, in tegenstelling tot in het verleden, er voldoende tijd is om midden oktober een gesubstantieerd ontwerp van begrotingsplan in te dienen bij de Europese Commissie. De oproep daartoe van de Europese Commissie en het recentelijk gepubliceerde voorstel voor landenspecifieke aanbevelingen waren daarover bijzonder duidelijk.

 

01.05  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, ik kan u aangeven dat ik ook geen tweede zit heb gehad, vandaar mijn vraag wat de premier daar juist mee bedoelt.

 

Ik dank u voor uw antwoord, maar de essentie blijft natuurlijk overeind. We horen veel hoop bij u, veel intenties en veel procesmatige stappen. Wat we echter niet horen en niet zien bij deze regering, zijn duidelijke keuzes en duidelijke garanties.

 

De realiteit drukt ons steeds harder met de neus op de feiten. Een paar maanden geleden sprak uw regering nog over een inspanning van 5 miljard euro. Herinnert u zich dat? Daarna werd dat 7 miljard euro. Vandaag spreken regeringsbronnen ondertussen over 8 à 10 miljard euro. De gouverneur van de Nationale Bank van België spreekt sinds vrijdag heel duidelijk over 14 à 15 miljard euro. Het tekort blijft dus verder oplopen. Dat tonen de cijfers aan.

 

Dat is niet het beeld van een regering die wil laten uitschijnen dat zij de begroting onder controle heeft, wel integendeel. De regering-De Wever werd aangekondigd als de regering van de grote sanering die het land op orde zou brengen. Na anderhalf jaar debat blijkt de rekening echter groter te worden in plaats van kleiner.

 

Wat mij vooral opvalt in uw antwoord, mijnheer de minister, is dat telkens wanneer de cijfers verslechteren, wordt verwezen naar externe factoren. Eerst was er Oekraïne, daarna economische en geopolitieke spanningen, vervolgens de rente en nu Iran. België had echter al een begrotingsprobleem vóór Iran. België had al een begrotingsprobleem vóór de geopolitieke spanningen. België had al een begrotingsprobleem vóór de olieprijzen begonnen te stijgen.

 

Het echte probleem is dat de regering geen structurele keuzes durft te maken. De migratie-uitgaven blijven bijvoorbeeld nog altijd buiten schot. Bij de laatste begrotingscontrole hebt u daarvoor zelfs meer geld gevraagd. De transfers blijven buiten schot. Het politieke systeem wordt onvoldoende aangepakt. Wanneer miljarden moeten worden gevonden, kijkt u echter naar de gezondheidszorg, vooral die van onze eigen mensen, naar de sociale uitgaven en naar nieuwe fiscale ingrepen, lees: bijkomende belastingen. Precies daarom heeft de bevolking vandaag steeds minder vertrouwen in deze begrotingsoefening en ook in uw regering. Dat heeft de peiling van afgelopen vrijdag aangetoond.

 

De Nationale Bank van België, het Federaal Planbureau, het Instituut voor de Nationale Rekeningen en Europa waarschuwen. De enige vraag is of de regering nog luistert. Als zelfs 7 miljard niet meer volstaat, blijkt dat de begroting waarop de regering haar geloofwaardigheid heeft gebouwd, opnieuw op drijfzand is gebaseerd.

 

Tot slot nog iets over uw nullijnoefening, die nooit met dit Parlement werd gedeeld. Ze werd alleen gedeeld met Het Nieuwsblad. Dat kan natuurlijk niet. Er is bovendien een inconsistentie in wat u hier komt vertellen, mijnheer de minister. Een Monitoringcomité dat in juli met nieuwe cijfers komt, gaat er natuurlijk van uit dat wat beslist is ook effectief wordt uitgevoerd. Uw nullijnoefening toont net het omgekeerde aan, namelijk dat heel wat van wat is beslist, helemaal niet wordt uitgevoerd. Uw verhaal dat u hier in deze commissie komt vertellen, klopt dus niet. U kunt zich niet beroepen op het verslag van het Monitoringcomité, want we moeten vaststellen dat heel wat maatregelen van uw regering vertraging oplopen of niet worden uitgevoerd zoals beloofd.

 

Tot daar, mijnheer de minister, onze opmerkingen. Ik ben er echter zeker van dat we daar in de volgende vragen nog verder op kunnen ingaan.

 

01.06  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, ik heb geen probleem met een tweede zit. Ik ken studenten die een tweede zit hebben gehad en die in het leven veel verder zijn geraakt dan studenten die voorbeeldig zijn geweest. Het probleem is echter dat dit geen tweede zit is. Dit is de vierde of de vijfde zit. Dit is echter op kosten van de overheid, want wie betaalt voor al die studenten die twee of drie keer bissen? Dat is de overheid.

 

U bent oorspronkelijk begonnen met een ambitie van 32 miljard euro. Ondertussen hebben alle economen aangetoond dat u van die 32 miljard euro tegen het einde van de legislatuur amper een derde zult hebben gerealiseerd. U zegt dat u blijft mikken op structurele hervormingen. Welke dan, mijnheer de minister? Die hervormingen zijn ondertussen doorgevoerd en uitgehold, met tal van uitzonderingen. Dat geldt voor de pensioenhervorming, die tegen het einde van de legislatuur meer dan 600 miljoen euro minder zal opbrengen dan voorzien. Dat geldt voor de arbeidsmarkthervorming en de beperking van de werkloosheid in de tijd. Ook die maatregelen zijn uitgevoerd en uitgehold. De ambitie is verlaagd.

 

Welke structurele hervormingen bedoelt u? U zegt dat de vorige regering cosmetische maatregelen nam op korte termijn en dat wil u niet. Die maatregelen waren niet cosmetisch, mijnheer de minister. U weet dat, want u was verantwoordelijk voor de schuld. Ze waren van korte termijn, omdat we niet konden hervormen, daar hebt u gelijk in, maar die besparingen werden altijd gerealiseerd. Dat is het grote verschil met deze regering. U realiseert niet wat u belooft. De ambitie wordt nooit gerealiseerd. Daarom spreken we over een vierde of een vijfde zit.

 

Nu moet u kijken naar de gezondheidszorg. Veel succes, mijnheer de minister, want de heer Vandenbroucke heeft al gezegd: “Not in my backyard”. NIMBY, NIMBY, dat is precies het punt van Moody’s. Men gelooft niet dat u nog in staat bent om nieuwe structurele hervormingen door te voeren.

 

Ik kijk ernaar uit, maar een antwoord heb ik vandaag niet gekregen, behalve dat uw ambitie op 7 miljard euro ligt. Dat is uw ondergrens, maar dat zal niet volstaan.

 

01.07  Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse. Je pense qu'un budget reprenant une trajectoire soutenable est nécessaire. Je suis également content de l'entendre de votre bouche, même si cela ne se traduit pas sur le plan des exercices budgétaires.

 

Comment cet effort doit-il être réparti? À ce stade, le gouvernement s'en prend essentiellement au pouvoir d'achat, aux familles et aux pensionnés. Le gouverneur de la Banque nationale indique lui-même que l'érosion des recettes explique une part importante de la dégradation budgétaire.

 

Il faut plus de justice sociale. La crédibilité budgétaire exige cette justice fiscale. De même, une contribution pus importante des hauts revenus et des entreprises dégageant des surprofits est indispensable.

 

En tout cas, je suis certain que nous aurons l'occasion d'en reparler.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "Het interne document over de onrealistische begrotingsramingen" (56015497C)

- Alexia Bertrand aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De uitsplitsing van de niet-gerealiseerde besparingen ter waarde van 3,8 miljard euro" (56015544C)

- Barbara Pas aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De herziening van de centenindex bij de begrotingsopmaak" (56016293C)

02 Questions jointes de

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Le document interne relatif aux estimations budgétaires irréalistes" (56015497C)

- Alexia Bertrand à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "La ventilation des 3,8 milliards d'euros d'économies non réalisées" (56015544C)

- Barbara Pas à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "La révision de l'indexation en centimes lors de la confection du budget" (56016293C)

 

De voorzitter: Mevrouw Pas heeft haar vraag nr. 56016293C ingetrokken.

 

02.01  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, uit de berichtgeving in Het Nieuwsblad waarover wij het daarnet al hadden, met name over uw fameuze nullijnoefening, blijkt dat een intern document van uw kabinet aantoont dat een aanzienlijk deel van de aangekondigde besparingen en hervormingen van de regering-De Wever minder oplevert dan oorspronkelijk geraamd.

 

In totaal zou het gaan om 3,8 miljard euro aan niet-gerealiseerde of overschatte besparingen. Vooral binnen het beleidsdomein Asiel en Migratie blijkt er een groot verschil te bestaan tussen de ingeschreven besparingen en de effectieve realisatie. In 2026 zou bijvoorbeeld een besparing van 717 miljoen euro niet worden gehaald. Dat bedrag kan oplopen tot 1,3 miljard euro tegen het einde van de legislatuur als bijkomende maatregelen uitblijven.

 

Ook andere maatregelen, zoals het verminderen van de opvangcapaciteit en de hervormingen in de sociale bijstand, blijken minder snel of minder effectief te worden uitgevoerd dan gepland. Veel woorden dus, maar geen cijfers op dit moment.

 

Bovendien wordt vastgesteld dat ook de pensioenhervorming minder oplevert dan voorzien. Waar initieel werd uitgegaan van een opbrengst van 2,4 miljard euro tegen het einde van de legislatuur, zou dat met de huidige maatregelen slechts 1,6 miljard euro bedragen.

 

Die vaststellingen roepen natuurlijk vragen op over de betrouwbaarheid van de begrotingsramingen, de inschatting van de terugverdieneffecten en de haalbaarheid van de vooropgestelde besparingstrajecten, zeker in het licht van de ambitie om bij de komende begrotingsoefening minstens 7 miljard euro extra te vinden.

 

Ten eerste, hoe verklaart u dat er volgens de eigen administratie sprake is van 3,8 miljard euro aan verloren of overschatte besparingen?

 

Ten tweede, in welke mate werden de terugverdieneffecten bij de begroting systematisch te optimistisch ingeschat?

 

Ten derde, welke bijkomende maatregelen plant de regering om de tekorten binnen onder meer Asiel en Migratie en de pensioenen alsnog op te vangen?

 

Ten vierde, hoe garandeert u dat de komende begrotingsopmaak wel gebaseerd zal zijn op realistische en haalbare ramingen? Met andere woorden, zullen wij in 2027 opnieuw een nullijnoefening zien verschijnen die nog groter is?

 

Ten vijfde, kunt u bevestigen dat deze tegenvallers een impact zullen hebben op de geplande begrotingsinspanning? Indien dat het geval is, hoe groot zal de impact zijn?

 

Tot slot, kunt u bevestigen dat er eerst compenserende maatregelen voor de onzekere 3,8 miljard euro worden getroffen alvorens een tweede oefening te maken om bijkomend nog eens minstens 7 miljard euro te vinden?

 

02.02  Alexia Bertrand (Anders.): We gaan richting een tekort van 5,4 % in 2027. We zaten nog op 4,6 % in 2024. Dat is uiteraard ronduit alarmerend. Vervolgens vernemen we dat voor 3,8 miljard euro aan afgesproken besparingen en hervormingen uit het regeerakkoord niet gerealiseerd zijn. Dat is die fameuze nullijnoefening die gereserveerd wordt voor de pers, niet voor het Parlement. Dat roept fundamentele vragen op over de geloofwaardigheid van onze begrotingsinspanning.

 

Als we dat van dichterbij bekijken, zien we dat er op Asiel en Migratie een gat is van tot 1,3 miljard euro in 2029. Bij de pensioenen lopen de kosten nog verder op. Ik sprak eerder over meer dan 600 miljoen euro, maar het gaat om 800 miljoen euro die we kwijt zijn, met al uw extra uitzonderingen en uithollingen. Zelfs bij de overheidssubsidies en het Regie der Gebouwen blijven de beloofde efficiëntieoefeningen uit.

 

Er zijn weliswaar positieve signalen op de arbeidsmarkt, wat goed is, maar die besparingen worden deels tenietgedaan door stijgende kosten bij de OCMW's.

 

Mijnheer de minister, ik heb een paar vragen. Kunt u bevestigen wat de referentiedatum is van die nullijnoefening? Als u die met ons wilt delen, deel ik graag ons besparingsplan met u. Ik verwacht dan ook dat u uw nullijnoefening met mij deelt. Dat lijkt mij een kwestie van wederkerigheid.

 

Kunt u specifiek toelichten welk deel van dit tekort u al beschouwt als geïncasseerd verlies? Dat is uiteraard geen begrotingsterm, maar u begrijpt wat ik bedoel. Waarop mikt u nog en wat beschouwt u als verloren voor de eeuwigheid? Dat is eigenlijk mijn vraag in mensentaal.

 

Hoe zult u garanderen – en dat vind ik een zeer belangrijke vraag, nu u hebt aangekondigd dat uw ambitie op 7 miljard euro ligt – dat het opnieuw geen fictieve besparing wordt? U zult misschien nog in gesprek moeten gaan met de gouverneur van de Nationale Bank van België, die dacht dat u meer dan het dubbele moest doen.

 

Hoe zult u ervoor zorgen dat de toekomstige afgesproken maatregelen nu wel effectief uitgevoerd worden? Van de 32 miljard euro waarmee u aan het begin van de legislatuur uitpakte, blijft immers minder dan een derde over.

 

02.03 Minister Vincent Van Peteghem: Collega‘s, dit is een terugkerend fenomeen in deze vragensessies, de nullijnoefening. Laat me eerst nog even herhalen wat de nullijnoefening wel en niet is. De nullijnoefening is een interne politieke oefening, waarbij we kritisch bekijken welk beleid is uitgevoerd, in bespreking is of nog niet is uitgevoerd. Vervolgens maken we een conservatieve budgettaire inschatting op basis van de status van een maatregel en de laatst beschikbare informatie, waarbij we die budgettaire inschatting afwegen tegen hetgeen in de notificaties werd opgenomen in de opmaak van 2025 of 2026.

 

Dit is niet de oefening die de administraties maken bij elk rapport van het Monitoringcomité, waarin een herraming van de maatregel wordt gemaakt, hoewel er veel gelijkenissen zijn tussen de herraming die dan gebeurt en onze nullijnoefening. De 3,8 miljard euro waarover de media en u het hebben, is dan ook louter een delta op horizon 2029 ten aanzien van initiële ramingen en niet ten aanzien van de basis van het rapport van het Monitoringcomité.

 

De nullijnoefening is een doorlopende politieke oefening die constant blijft evolueren en de begrotingsoefeningen blijft voeden. Het is immers belangrijk om voor bijkomende inspanningen eerst te bekijken wat we allemaal hebben afgesproken en wat er al effectief is gerealiseerd, want ook de evenwichten moeten worden gerespecteerd. Zoals ik hier al vaak heb gezegd, kunt u hopelijk begrijpen dat ik dergelijke lopende interne begrotingsoefeningen van de regering niet deel met het Parlement. Wel kan er uiteraard inzicht geboden worden in de cijfers die de administratie gebruikt voor het rapport van het Monitoringcomité, dat de basis vormt van de begroting. Als er daartoe een verzoek zou komen, dan deel ik die oefening met plezier.

 

Mevrouw Bertrand, u had het in uw vraag over de Regie der Gebouwen. Het klopt dat de bevoegde minister heeft aangegeven dat de beoogde besparingsdoelstelling van 250 miljoen euro niet haalbaar lijkt met de huidige, gekende behoeften. De werkgroepen werden geïntensiveerd om de besparing toch zo groot mogelijk te maken en op korte termijn te kunnen realiseren.

 

Wat betreft de gesprekken inzake de begrotingsopmaak en al deze vragen, weet dat ik altijd zal antwoorden dat die gesprekken in de eerste plaats binnen de regering moeten worden gevoerd. Ik houd mij dus aan dat voornemen.

 

02.04  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, het fundamentele probleem is natuurlijk dat dit Parlement blind moet debatteren. U verwijst naar een interne politieke oefening. Die is zodanig intern dat ze te lezen staat in Het Nieuwsblad. Die fameuze nulllijnoefening heb ik hier in deze commissie al herhaaldelijk opgevraagd. U krijgt er ook herhaaldelijk vragen over, omdat we ze nog niet hebben gezien. We hollen hier in het Parlement voortdurend achter de feiten aan. Dat mag ook eens gezegd worden. Als in de pers circuleert dat een begrotingsinspanning van 7 miljard euro nodig is, antwoordt u hier op mondelinge vragen nog dat het om 5 miljard euro gaat. Vandaag circuleert in de pers een bedrag van 8 à 10 miljard euro, terwijl u hier spreekt over 7 miljard euro. Dit Parlement wordt voortdurend achter de feiten geduwd, ook door u en uw kabinet. Ik vind dat niet kunnen. Op die manier kunnen we geen eerlijk en correct debat voeren over een toch wel prangend probleem. Dan druk ik mij nog voorzichtig uit.

 

Het Monitoringcomité vertrekt bovendien vanuit de logica dat wat de regering heeft beslist ook effectief wordt uitgevoerd. Ik heb dat daarnet al aangehaald. Uw nulllijnoefening toont exact het omgekeerde aan en lijkt dus precies het omgekeerde te bewijzen, namelijk dat een aanzienlijk deel van wat in de begroting staat, niet wordt uitgevoerd of niet oplevert wat werd aangekondigd. Dat roept fundamentele vragen op over de geloofwaardigheid van de begrotingscijfers die we krijgen van u en van de regering-De Wever. Als de regering-De Wever zelf bijkomende oefeningen moet maken om na te gaan welke maatregelen werkelijk zullen renderen, hoe kunnen we dan nog vertrouwen hebben in de officiële begrotingstabellen die door u en uw regering worden gepubliceerd? Dat kunnen we natuurlijk niet.

 

02.05  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, ik begrijp niet waarom u dat niet met ons deelt, want het staat in de pers. Het staat in de pers en dus klopt het. Wie beschermt u eigenlijk? Wat hebt u te verbergen? Neen, ik snap het niet. Het is een nullijnoefening, maar eigenlijk is ze zero waard. Daarmee krijgt men zelfs geen tweede zit.

 

Ik vind het absurd. U vraagt aan experts zich te buigen over de begroting. Ik zou het nuttig vinden als die experts ook kunnen zien wat al dan niet gerealiseerd is, wat de concrete situatie is. Als die experts zich over die begroting mogen buigen, dan moet het Parlement zich ook over die oefening kunnen buigen. Het is dus intern omdat u het intern noemt. Ons besparingsplan was ook intern, tot het moment waarop we dat met de wereld hebben gedeeld, en heel graag met u. Neen, het is geen manier van werken.

 

Ik herinner mij hoe we dat vroeger deden. U  zat erbij, mijnheer de minister. Begin 2023 zijn we op zoek gegaan naar 1,8 miljard extra. Dat hebben we gedaan. In oktober 2023 hebben we gesteld nog eens op zoek te gaan naar 1,2 miljard extra inspanning. We hebben dat gedaan. Dat was dus 3 miljard boven op de inspanning in het regeerakkoord. We zijn echter niet beginnen goochelen met cijfers. Zeg gewoon wat u gaat doen, doe het en realiseer het.

 

We hebben al van alles gehoord. Vorig jaar vond de heer Bouchez dat men 20 miljard moest vinden. U kwam toen met een lager cijfer, ik weet zelfs niet meer hoeveel dat was, misschien 12 miljard. Uiteindelijk bent u geëindigd met een wel zeer mager cijfer. Misschien was het Einstein die zei dat telkens dezelfde dingen op dezelfde wijze doen tot niets leidt, om het vriendelijk te stellen. Misschien moet u de methodologie veranderen, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De kredietwaardigheidsbeoordeling door S&P" (56015625C)

03 Question de Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "L'évaluation de solvabilité publiée par S&P" (56015625C)

 

03.01  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, op vrijdag 24 april publiceerde het ratingsagentschap Standard & Poors een kredietwaardigheidsbeoordeling van België, de zoveelste downgrade. Ook evalueerde Moody’s in navolging van de ratingverlaging van België de ratings van Vlaanderen, de Franse Gemeenschap, en het Waals Gewest, die alle drie verlaagd werden.

 

Mijnheer de minister, kunt u de bevindingen van Standard & Poors toelichten? Hoe reageert u op de kredietwaardigheidsbeoordeling?

 

Wat zal volgens u de impact van de rating zijn op de houdbaarheid van de schuld?

 

Hoe verhoudt die rating zich volgens u tot de beoordelingen van andere agentschappen, en de recente verlagingen door Moody’s.

 

Hoe verhoudt deze rating zich volgens u tot de ratings van de andere deelstaten?

 

Hoe kijkt u naar het feit dat er besmetting optreedt van de rating van de deelstaten? Met andere woorden, Vlaanderen wordt meegesleurd.

 

Acht u bijkomende maatregelen nodig? Zo ja, welke?

 

Tot slot, wanneer vond de recentste gegevenswisseling tussen de regering en haar kabinetten en de kredietbeoordelaar plaats? Zijn er überhaupt gegevensuitwisselingen geweest?

 

03.02 Minister Vincent Van Peteghem: Mijnheer Vermeersch, de beoordeling van Standard & Poors moeten we uiteraard ernstig nemen. Het ratingbureau heeft de Belgische langetermijnrating met één trap verlaagd, van AA naar AA-, met een stabiele vooruitblik. Standard & Poors verwijst daarbij naar de aanhoudende structurele begrotingstekorten, het oplopende tekort in 2025 en de geleidelijke sanering die voor de periode 2026-2029 gepland is, en die volgens het agentschap risico’s inhoudt.

 

Daarnaast verwacht het ratingbureau dat de netto overheidsschuld verder zal stijgen van ongeveer 103 % van het bbp in 2025 tot 109 % in 2029, terwijl ook de rentelasten toenemen. Tegelijkertijd erkent het agentschap uitdrukkelijk de structurele sterktes van onze economie, wat vertaald wordt in een stabiele outlook.

 

Die ratingwijziging is dan ook geen reden tot fatalisme, maar wel een duidelijke aansporing om vast te houden aan het begrotingstraject dat wij hebben uitgetekend. België behoudt nog steeds een hoge kredietwaardigheid en toegang tot de financiële markten onder gunstige voorwaarden. Er is geen rechtstreekse impact te zien op de Belgische obligatiemarkt, net zoals bij de ratingverlaging door Moody's.

 

De boodschap van Standard & Poor’s is echter duidelijk. Duurzame schuldhoudbaarheid vergt de consequente uitvoering van de aangekondigde hervormingen, in het bijzonder op het vlak van werkgelegenheid, pensioenen en de beheersing van de uitgavengroei. Het antwoord op een ratingverlaging bestaat dus niet uit ad-hocmaatregelen maar wel uit een geloofwaardig beleid dat consequent wordt uitgevoerd.

 

De beoordeling moet bovendien worden bekeken in een bredere context. Ze sluit aan bij eerdere signalen van andere agentschappen. Moody's verlaagde recent eveneens de rating van ons land en paste vervolgens ook de ratings van de verschillende deelstaten neerwaarts aan. Dat illustreert de sterke verwevenheid van de Belgische overheidsfinanciën. Het is niet zozeer een oordeel over het individuele beleid van één entiteit, maar wel een weerspiegeling van het feit dat de financiële markten de Belgische institutionele realiteit als een geheel beoordelen. Dat onderstreept de noodzaak van samenwerking en de gedeelde verantwoordelijkheid tussen alle beleidsniveaus.

 

De regering onderhoudt een regelmatige en transparante dialoog met de kredietbeoordelaars. In het kader van hun periodieke evaluaties vinden gegevensuitwisselingen en technische toelichtingen plaats met de bevoegde administraties en kabinetten. Daarbij worden de begrotingsvooruitzichten, de hervormingsagenda en de macro-economische aannames toegelicht. De beste garantie op een sterke kredietwaardigheid blijft evenwel niet de kwaliteit van onze presentaties, maar wel de geloofwaardige uitvoering van het beleid waarvoor deze regering alle verantwoordelijkheid draagt.

 

03.03  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, dat is geen technisch rapport, maar wel een duidelijk alarmsignaal. De financiële markten zeggen wat wij al maanden in de commissie voor Financiën zeggen: België is een ziek land en uw regering weigert de juiste diagnose te stellen. Erger nog, zelfs de deelstaten worden meegesleurd in dat geheel. Dat is geen solidariteit, maar een besmetting van de deelstaten door het zieke België.

 

U kunt natuurlijk, zoals u ook in uw antwoord doet, alles proberen te minimaliseren. De feiten zijn echter hard, namelijk een ontsporende schuld, een begroting die er niet goed voor staat en steeds minder vertrouwen van buitenaf, want uiteindelijk betekent zo'n rating een maatstaf voor het vertrouwen van buitenaf. U verwijst ook naar stabiele vooruitzichten, maar dat betekent dat de situatie chronisch is. België is chronisch ziek. Het blijft stabiel in die richting; er is geen enkel teken van verbetering.

 

Wat doet uw regering? Ze schuift de problemen door. Dat zien we nu ook, want de deadline van 21 juli is absoluut geen harde deadline. U rekent zich rijk met allerlei maatregelen, waarvoor ik opnieuw verwijs naar uw nullijnoefening, en u hoopt dat niemand het merkt.

 

Dat is natuurlijk buiten de kredietagentschappen gerekend, en uiteraard ook buiten de oppositie. Die kredietbeoordelaars zeggen ondertussen voor een stuk wat wij ook zeggen, namelijk dat men de problemen binnen het politiek haalbare blijkbaar niet meer kan oplossen. Dat staat ook in de rapporten. Men schurkt aan tegen wat politiek nog haalbaar is binnen België. De boel saneren, is bijzonder moeilijk. Men verwijst daarbij ook naar het institutionele aspect. Veel experts zullen zeggen dat u de begrotingsknoop alleen kunt ontwarren als u ook naar de structuur van dit land kijkt.

 

Zo'n kredietverlaging is eigenlijk een vertrouwensbreuk van de internationale financiële markten. België was al een van de slechtste leerlingen van de klas in Europa en deze ratingverlaging komt daar nog bovenop. Zoals steeds geldt dat als België zinkt, het Vlaanderen meesleurt naar beneden. Het is tijd dat wij ons daarvan bevrijden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De budgettaire weerslag van de investeringen in het kader van de gemotoriseerde brigade" (56015661C)

- Frédéric Daerden aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De NAVO-norm" (56015665C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De afbouw van het defensiebudget binnen de begroting" (56016236C)

04 Questions jointes de

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "L'incidence budgétaire des investissements dans le cadre de la brigade motorisée" (56015661C)

- Frédéric Daerden à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "La norme OTAN" (56015665C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "La diminution progressive du budget de la défense dans le budget global" (56016236C)

 

04.01  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, de partijvoorzitter van uw partij, cd&v, de heer Mahdi, verklaarde in De Morgen dat het defensiebudget opnieuw omlaag moet. Hij stelde letterlijk voor om de NAVO-norm van 2 % van het bbp tijdelijk terug te brengen naar 1,8 %, om zo ongeveer 600 miljoen euro voor andere begrotingsprioriteiten vrij te maken. Hij viseerde daarmee nadrukkelijk grote defensie-investeringen, waaronder de aankoop van Amerikaanse raketten. Daarbij ging hij met zijn uitspraak “jammer voor tiger Theo” ook expliciet de confrontatie aan met de minister van Defensie. Dat zijn opmerkelijke uitspraken van de voorzitter van een regeringspartij, zeker omdat de regering zich internationaal engageerde om de defensie-uitgaven net substantieel op te trekken, in de context van een oorlog op het Europese continent, toenemende geopolitieke instabiliteit en zware NAVO-verplichtingen.

 

Mijnheer de minister, hoe reageert u op de uitspraken van uw partijvoorzitter om het defensiebudget opnieuw te verlagen van 2 % naar 1,8 %? Is dat ook uw standpunt als minister en vice-eersteminister aan de regeringstafel?

 

Klopt het dat die maatregel volgens de huidige begrotingsramingen ongeveer 600 miljoen euro zou opleveren? 0,2 % van een bbp van ongeveer 650 miljard euro lijkt volgens onze bescheiden berekeningen 1,3 miljard euro te zijn. Maakte uw partijvoorzitter een rekenfout?

 

Bestaat er in de regering nog steeds volledige consensus over het engagement om de defensie-uitgaven op te trekken naar 2 % van het bbp? Dat is een zeer belangrijke vraag. Ik denk dat de regering-Trump het antwoord zeker volgt.

 

Heeft de regering al het scenario onderzocht waarbij defensie-uitgaven worden uitgesteld of teruggeschroefd met het oog op een bijkomende begrotingsinspanning van minstens 7 miljard euro, zoals u daarnet zei, of misschien zelfs 8 tot 10 miljard euro, zoals regeringsbronnen nu al in de pers aangeven?

 

Acht u het geloofwaardig dat België enerzijds bijkomende militaire engagementen aangaat zoals de verhoging van het defensiebudget naar 2,5 % in 2034, maar dat er anderzijds in de meerderheid zelfs publiek wordt gepleit om die inspanningen opnieuw af te bouwen?

 

Hoe rijmt u het engagement om in 2034 2,5 % en in 2035 5 % van het bbp uit te geven aan defensie met de oproep tot besparingen op datzelfde percentage?

 

Welke garanties kunt u geven dat de begrotingssanering niet zal gebeuren door het terugschroeven van essentiële investeringen in defensie en veiligheid?

 

Vervolgens heb ik nog een meer gedetailleerde vraag over de budgettaire weerslag van de investeringen in de gemotoriseerde brigade. Op de ministerraad van 24 april 2026 zou beslist zijn om 623 miljoen euro te investeren in de modernisering van de voertuigenvloot van de landmacht. Die investering zou zijn toegekend aan Thales Belgium en kadert in een plan om de gemotoriseerde brigade tegen 2030 volledig operationeel te maken.

 

Kunt u de omvang van de investering bevestigen? Kunt u bevestigen of u advies hebt gegeven over die aankoop en of dat advies positief dan wel negatief was? Ik herinner u aan een aantal negatieve adviezen van u over defensieaankopen.

 

Kunt u ten slotte toelichten of die investering reeds werd opgenomen in de uitgavenbegroting voor 2026, dan wel of zij daar nog bovenop komt?

 

04.02  Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, en juin 2025, soit il y a un an, votre majorité s'est accordée au sommet de l'OTAN de La Haye pour porter la norme de dépenses de défense à 5 % du PIB. Pour notre pays, cela représente potentiellement quelque 35 milliards d'euros par an. Depuis lors, des interprétations très différentes circulent au sein du gouvernement quant à la portée de cet engagement, à son calendrier de mise en œuvre, à sa souplesse ainsi qu'à la définition des dépenses dites "duales".

 

Dans un document actualisé au 16 avril 2026 et disponible sur le site de l'Alliance, on en apprend davantage sur cette norme. Il y est notamment précisé que certaines dépenses relevant d'autres départements, par exemple de l'Intérieur, peuvent être prises en compte, mais sous des conditions particulièrement strictes.

 

Monsieur le ministre, quelle est, à ce jour, la décision du gouvernement concernant la norme de 2 % de l'OTAN et l'engagement vers les 5 % pris au sommet de La Haye? Comment les montants concernés sont-ils ventilés entre dépenses militaires stricto sensu, investissements duaux et autres catégories de dépenses? Le gouvernement entend-il intégrer cet engagement dans la trajectoire budgétaire au-delà de 2029 afin de refléter correctement les conséquences des engagements pris aujourd'hui sur le solde budgétaire futur?

 

Pour 2025, la Belgique a-t-elle atteint la norme des 2 %? Quel budget liquidé pour la défense a été communiqué à l'Alliance? Ces montants ont-ils été entièrement engagés et liquidés au titre de dépenses militaires dites pures ou certaines sommes ont-elles été mises à la disposition d'autres SPF? Le cas échéant, pouvez-vous en préciser le montant? Pouvez-vous fournir les mêmes informations sur la base des données disponibles au 1er avril 2026 ainsi que la trajectoire budgétaire précise, année par année, jusqu'à la fin de la législature, des dépenses militaires exprimées en valeur absolue?

 

Selon la Cour des comptes, pour 2025, la standardisation des dépenses s'élève à 167,5 millions d'euros, montant entièrement supporté par les pensions militaires. Confirmez-vous ce chiffre? En sera-t-il de même en 2026, comme l'indique également la Cour dans son rapport? Par ailleurs, qu'en est-il pour les années 2027 à 2029, compte tenu de l'objectif gouvernemental de 750 millions d'euros de standardisation? Quelles dépenses le gouvernement entend-il standardiser et selon quel calendrier budgétaire?

 

04.03 Minister Vincent Van Peteghem: Collega’s, ik bevestig dat de ministerraad een investering van 623 miljoen euro voor de gemotoriseerde brigade voor de periode 2025-2030, goedkeurde. Het betreft 305 miljoen investeringskredieten en 318 miljoen werkingskredieten. Een exacte verdeling kunt u altijd verkrijgen via een schriftelijke vraag.

 

Op 22 april 2026 werd een gunstig advies uitgebracht, op voorwaarde dat de uitgaven strikt binnen de genormeerde kredieten van Defensie opgevangen kunnen worden.

 

Wat de begroting voor 2026 betreft, werd de wet houdende de militaire programmering op het gebied van investeringen, personeel en technologische versterking voor de periode 2026-2034 gepubliceerd op 31 december 2025. Het project en de bijhorende kredieten komen overeen met de bedragen die zijn opgenomen in de Strategische Visie.

 

En ce qui concerne la norme OTAN, je renvoie, monsieur Daerden, au plan budgétaire de la Défense du 11 avril 2025, qui a été partagé en commission. Le gouvernement continue de soutenir sans réserve les engagements pris par la Belgique dans le cadre de l'OTAN. Cet engagement est essentiel pour notre crédibilité vis-à-vis de nos alliés et pour le renforcement de notre propre sécurité dans un contexte géopolitique particulièrement instable.

 

Onze verantwoordelijkheid nemen betekent dat we op een realistische manier onze defensiecapaciteit moeten opschroeven. Wat de ambitie voor de vanaf 2035 in het vooruitzicht gestelde verhoging betreft, mocht ik mij daar nu al definitief over uitspreken, dan zou men terecht zeggen dat ik beslissingen neem voor toekomstige regeringen. Mijn taak als minister van Begroting is niet om het beleid van 2034 vast te leggen, maar wel om ervoor te zorgen dat toekomstige regeringen over voldoende budgettaire ruimte beschikken om hun verantwoordelijkheid te nemen. Daarom moeten we vandaag ook buffers opbouwen en onze overheidsfinanciën versterken.

 

Laat ik duidelijk stellen. Iedereen in onze samenleving zal de geleverde inspanningen voelen. Elke euro die we investeren, moet efficiënt en doelmatig worden ingezet, want het is de taak van de regering om veiligheid en budgettaire verantwoordelijkheid met elkaar te verzoenen. Defensie-investeringen kunnen niet los worden gezien van de effectieve capaciteit van de industrie om te leveren, de absorptiecapaciteit van Defensie zelf en de noodzaak om publieke middelen op een verantwoorde manier in te zetten. De veiligheidsuitdaging vereist dat we snel, flexibel en daadkrachtig optreden, terwijl de sterke stijging van de defensie-uitgaven ook betekent dat de controle wordt versterkt, zodat de schaarse middelen zorgvuldig worden besteed.

 

04.04  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, u had het in uw antwoord, heel opmerkelijk, over het aanleggen van buffers. Ik heb de cijfers nog eens goed bekeken, maar ik heb nog geen enkele buffer in uw begrotingen gevonden. Ik vind dat woord dus, zeker in de aangehaalde context, totaal ongepast. Er zijn helemaal geen buffers. Er zijn alleen facturen, die worden doorgestuurd.

 

U kunt zich niet uitspreken over 2034. Ik herinner u eraan dat uw regering engagementen heeft gemaakt tot 2034 en 2035. Dat u zich niet uitspreekt over 2034, als minister van Begroting, daar kan ik nog deels inkomen, maar u spreekt zich ook niet uit over de uitspraken van uw eigen partijvoorzitter voor 2026. Ik vroeg expliciet naar het standpunt van de regering en naar uw reactie op die duidelijke uitspraken. U antwoordt daarop niet.

 

Wat ons vooral opvalt, is de totale chaos in uw meerderheid, als het gaat over defensie en over de begroting. Enerzijds engageert de regering zich internationaal tot hogere defensie-uitgaven, naar 2 % en zelfs richting 5 % van het bbp tegen 2035, maar anderzijds zegt uw partijvoorzitter plots om daar maar een paar honderden miljoenen euro af te snijden. Ik zie dus fundamentele politieke onenigheid over de kerntaak van een staat, het waarborgen van de veiligheid van de bevolking.

 

De regering-De Wever kan zichzelf internationaal niet ernstig nemen, als de regeringspartijen engagementen ondertekenen en ze tegelijkertijd publiekelijk afbreken. Men kan niet tegelijkertijd pleiten voor hogere NAVO-engagementen, waarmee minister Francken eender waar ter wereld te koop loopt, en partijvoorzitters laten pleiten voor lagere defensiebudgetten. Dat strookt niet. Die interne onenigheid is tekenend voor de staat van de regering-De Wever.

 

04.05  Frédéric Daerden (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse, mais elle ne dissipe pas l'ambiguïté qui entoure toujours cet engagement. Je dirais simplement que le gouvernement a souscrit à un objectif dont le coût se chiffre en dizaines de milliards d'euros, mais que ni le Parlement ni les citoyens ne disposent aujourd'hui d'une programmation financière transparente.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Samengevoegde vragen van

- Alexia Bertrand aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De SWA-begroting, het bindende en het terugvalmechanisme" (56015670C)

- Alexia Bertrand aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De SWA-begroting, het bindende en het terugvalmechanisme" (56015671C)

05 Questions jointes de

- Alexia Bertrand à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Le budget des accords de coopération, le mécanisme contraignant et le mécanisme de repli" (56015670C)

- Alexia Bertrand à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Le budget des accords de coopération, le mécanisme contraignant et le mécanisme de repli" (56015671C)

 

05.01  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, u hebt een samenwerkingsakkoord afgesloten. U noemt dat een historisch akkoord. Ik weet niet of het historisch is, maar het is zeker een stap in de goede richting. Het is zeker goed dat u daarvan werk maakt.

 

De bindende kracht zou volgens u bestaan in het feit dat wanneer België op Europees niveau een boete krijgt, de deelstaten die de netto-uitgavengroeinorm overschrijden, pro rata zouden moeten bijdragen aan die boete. Natuurlijk heeft Europa nog nooit effectief een boete opgelegd, dus dat blijft een zeer theoretisch sanctiemechanisme, waarvan nog moet blijken of het ooit wordt toegepast. Bovendien verandert dit akkoord niets aan de hiërarchie van de normen. Dat weet u ook. De federale overheid kan de deelstaten nog steeds geen eenzijdige begrotingsinspanningen van bovenaf opleggen.

 

In uw akkoord staan volgende bepalingen. Indien binnen het Overlegcomité geen akkoord wordt bereikt, valt men automatisch terug op verdeelsleutel 3. Dat is interessant, het is wel een beetje technisch. Verdeelsleutel 3 is een sleutel die de finale uitgaven en de eigen ontvangsten een gelijk gewicht geeft. Er staat wel in dat de Hoge Raad weliswaar voor sleutel 3 kiest, maar tegelijkertijd uitdrukkelijk ruimte laat voor een alternatieve invulling ervan. Ambiguïteit vanaf het begin dus. Dat staat op pagina 31 van het advies van de Hoge Raad van Financiën. U mag dus afwijken van uw verdeelsleutel.

 

Hoe kijkt u naar een mogelijke koppeling tussen het sanctiemechanisme en de bijzondere financieringswet? Als u echt iets bindend had willen doen, dan had u bijvoorbeeld moeten voorzien dat dotaties geheel of gedeeltelijk kunnen worden ingehouden, in plaats van een sanctiemechanisme over een boete die weinig overtuigend is.

 

Wat vindt u van sleutelen aan de bijzondere financieringswet om ervoor te zorgen dat dotaties geheel of gedeeltelijk kunnen worden ingehouden? Los van de politieke haalbaarheid daarvan zou ik graag uw advies kennen over dergelijk mechanisme.

 

Waarom wordt er in verdeelsleutel drie voor die optie gekozen? Waarom wordt er uiteindelijk gekozen voor een gelijke weging van uitgaven en ontvangsten? We weten dat het probleem van de begroting vooral aan de uitgavenzijde ligt. U hebt zelf die uitgavengroeinorm onderhandeld. De bedoeling daarvan is om de groei van de uitgaven onder controle te houden en te beperken. Zou het dan niet logischer geweest zijn om de uitgaven zwaarder te laten doorwegen dan de ontvangsten? Zou een verdeelsleutel met een groter gewicht voor de uitgaven niet meer aangewezen zijn?

 

Hoe moet volgens u het historische en werkelijk bindende karakter van het samenwerkingsakkoord precies worden begrepen als het sanctiemechanisme in de praktijk zonder voorwerp zal blijven omdat de Europese Unie nog nooit een boete heeft opgelegd? Wat is volgens u dan de incentive voor de verschillende regeringen om toch tot een andere verdeling te komen?

 

Verwacht u tot slot dat er in de praktijk wel akkoorden gesloten zullen worden in het Overlegcomité, waardoor het terugvalmechanisme uiteindelijk niet nodig zal zijn?

 

05.02 Minister Vincent Van Peteghem: Ik ben, om eerlijk te zijn, een beetje verbaasd. U hebt dus de inhoud van ons samenwerkingsakkoord in een wetsvoorstel gegoten en dat ingediend, waarna u achteraf komt vragen wat er juist in staat. Dat vind ik toch wat verbazend.

 

Alle gekheid op een stokje, ik geloof dat dit samenwerkingsakkoord in de huidige institutionele context een grote vooruitgang is en ook de noodzakelijke afdwingbaarheid, zoals u zelf aangeeft, zal verhogen.

 

Als u mij vraagt naar aanpassingen van de bijzondere financieringswet, weet ik – los van de politieke haalbaarheid trouwens – niet goed wat u in dit kader precies wilt horen. Juridisch staat ons uiteraard niets in de weg om aanpassingen aan de verschillende bijzondere wetten te voorzien die een inhouding op dotaties aan de gemeenschappen en gewesten mogelijk maken, bijvoorbeeld om eventuele sancties te voorkomen.

 

Voor de verantwoording van de tijdens deze legislatuur gehanteerde sleutel verwijs ik graag naar het advies van de Hoge Raad van Financiën van 2024. Dat advies is publiek raadpleegbaar. De evaluatie is daar gebeurd op basis van de beschikbaarheid van de budgettaire hefbomen, de mate van fiscale autonomie en de hoeveelheid schuld die uit het verleden is geërfd, in combinatie met de verwachte beperkte schuldopbouw voor de gemeenschappen en gewesten.

 

De HRF, waarin toch heel wat experts samengebracht worden, waaronder op dat moment ook nog de huidige Brusselse minister van Begroting, heeft op basis van die evaluatie bij consensus de verdeelsleutel die we nu toepassen als voorkeurssleutel bepaald, de zogenaamde verdeelsleutel 3. Het nieuwe uitgaventraject simpelweg reduceren tot het beheersen van de uitgaven is iets te simplistisch. Dat weet u natuurlijk, maar de ontvangstmaatregelen kunnen tevens als discretionary revenue measures worden opgenomen in de bepaling van het traject.

 

Wat betreft het sanctiemechanisme, het samenwerkingsakkoord voorziet in een afdwingingsmechanisme op drie manieren. Ten eerste, er wordt een verplichte rapportering aan het Overlegcomité over een remediërend traject ingevoerd om de begrotingsdoelstelling te bereiken wanneer de toegelaten afwijking op de controlerekening overschreden wordt. Vervolgens wordt afgesproken dat er bewarende maatregelen, zoals administratieve blokkeringen, moeten worden voorzien ten belope van de vastgestelde afwijking. Als er uiteindelijk toch nog financiële negatieve gevolgen zouden voortvloeien uit het niet-naleven van de afspraken, de zogenaamde boetes, worden deze verdeeld tussen de entiteiten, in verhouding tot de vastgestelde tekortkomingen.

 

Wat betreft de toekomstige verdelingen, ik ga ervan uit dat de federale loyaliteit nog altijd hoog in het vaandel wordt gedragen door elke entiteit. Afhankelijk van de budgettaire context die op het moment van een nieuw plan geldt, zullen de gesprekken lopen. Bovendien is het ook mijn aanvoelen dat een verdeling van een volgend uitgaventraject, waarschijnlijk bij de start van nieuwe regeringen, ook nauw zal samenhangen met een eventuele herziening van de bijzondere financieringswet. Het is moeilijk om daar vandaag veel extra uitspraken over te doen, zoals ik al zei bij het begin van mijn antwoord.

 

05.03  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, ik denk dat er een misverstand is. Ik vraag u niet wat er in het samenwerkingsakkoord staat. Ik vraag uw mening over de mogelijke beperkingen van uw samenwerkingsakkoord vanwege de zwaktepunten.

 

U hebt in uw antwoord nogmaals bevestigd dat u rekent op de federale loyaliteit. Dat is een heel mooi principe en misschien is dat vandaag mogelijk met spiegelcoalities, maar wie weet wat er de volgende keer op ons afkomt. Zonder spiegelcoalities is die zogenaamde federale loyaliteit in het verleden soms dode letter gebleven en mijn vrees is dat dat in de toekomst ook het geval zou kunnen zijn.

 

Daarom heb ik een wetsvoorstel ingediend om werk te maken van iets meer bindends dat echt voorziet in een aanpassing. U bevestigt het zelf. Niets belet om aanpassingen door te voeren aan de bijzondere financieringswet. Dat is mijn doel. Misschien werkt een en ander voor de huidige legislatuur, maar ik denk ook aan de toekomst. Wij weten immers nooit wat zich in de toekomst zal afspelen.

 

U hebt gelijk. De uitgavengroeinorm gaat theoretisch niet alleen over de uitgaven. De mensen die dat op Europees niveau hebben onderhandeld, hebben ervoor gezorgd dat landen aan die toets kunnen voldoen door ook de inkomsten en dus de belastingen te doen stijgen. Dat is heel jammer want dat is natuurlijk niet de filosofie van die uitgavengroeinorm. Dat weet u ook. Wat is de filosofie? De filosofie is ervoor te zorgen dat de uitgaven niet sneller groeien dan onze economie. Als u dan stelt dat dat mag worden gecompenseerd via extra belastingen, komt u niet tegemoet aan de noden van onze huidige economie. Uw stelling klopt dus, maar is geen structurele oplossing.

 

Ik begrijp dat u bevestigt dat niets belet de bijzondere financieringswet aan te passen. Ik zal mijn wetsvoorstel ooit hier in de commissie toelichten, nu iedereen de zwaktes of mogelijke valkuilen van het samenwerkingsakkoord voor de toekomst kent.

 

De voorzitter: Ik kijk ernaar uit.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Samengevoegde vragen van

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De nieuwe Europese meerjarenbegroting" (56015774C)

- Arthur Orlians aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De bijdrage van de deelstaten" (56016681C)

- François De Smet aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De voorstellen van het Cypriotische EU-voorzitterschap over de meerjarenbegroting" (56017041C)

06 Questions jointes de

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Le nouveau budget pluriannuel européen" (56015774C)

- Arthur Orlians à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "La contribution des entités fédérées" (56016681C)

- François De Smet à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les proposiitions de la présidence chypriote de l'UE en termes de budget pluriannuel" (56017041C)

 

06.01  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, de meerjarenbegroting van de Europese Unie legt voor elk beleidsdomein de maximale uitgavenplafonds vast voor een periode van zeven jaar. Het volgende MFK loopt van 2028 tot en met 2034 en moet op 1 januari 2028 in werking treden.

 

Op dinsdag 28 april keurde het Europees Parlement in de plenaire vergadering een tussentijds verslag over het MFK goed. Het Europees Parlement vraagt een budget van 1,78 biljoen euro voor Europese programma's, met daarbovenop 149 miljard euro voor de rente- en aflossingskosten van het Europees herstelfonds NextGenerationEU.

 

Een MFK van 1,78 biljoen euro betekent hogere nationale bijdragen. België is structureel nettobetaler. Vlaanderen draagt een disproportioneel groot aandeel van die Belgische Europese bijdragen. Bij elke budgetstijging weegt dat structureel onevenwicht zwaarder door.

 

De Europese Unie leende 750 miljard euro voor NextGenerationEU. De terugbetaling van het subsidiegedeelte, ongeveer 420 miljard euro, start in 2028 en loopt tot 2058. De totale kosten, de rente en de hoofdsom samen, worden geraamd op ongeveer 20 tot 25 miljard euro per jaar voor de gehele Europese Unie.

 

Voor Nederland bedraagt dat een extra afdracht van ongeveer 1 miljard euro per jaar in 2028, afnemend tot 0,8 miljard euro in 2058, naarmate de schuld afloopt. Voor België ligt het aandeel vergelijkbaar. Vlaanderen absorbeert als nettobetaler binnen de Belgische bijdrage structureel het grootste deel van die extra last.

 

Bovendien weerspiegelt de terugbetalingslogica van het Europees herstelfonds een solidariteitstransfer. Landen die het meest profiteerden van de subsidies betalen pro rata terug op basis van het BNI, terwijl nettobetalers als België en dus bij uitstek Vlaanderen relatief meer bijdragen aan de schuldaflossing dan ze ontvingen.

 

Mijnheer de minister, kent u de overeenkomstige bedragen voor België van de extra afdracht voor NextGenerationEU, vergeleken met de 1 miljard euro per jaar in 2028 en de 0,8 miljard euro per jaar in 2058 voor Nederland? We zouden graag het overeenkomstige bedrag voor België kennen.

 

Ten tweede, welk standpunt neemt de federale regering in de Raad van de Europese Unie in over de eis van het Europees Parlement om de schuldaflossing buiten de MFK-plafonds te houden? Wat is de impact daarvan op de Belgische begroting na 2028?

 

Ten derde, de Europese Raad, waarin de nationale regeringen van de 27 lidstaten zetelen, dus ook u voor België, beslist met unanimiteit over het meerjarig financieel kader. Elke lidstaat beschikt over een vetorecht. Is de regering bereid om dat vetorecht te gebruiken als het voorstel van de Raad leidt tot een verhoging van de nationale bijdrage zonder evenredige correctiemechanismen voor nettobetalers zoals België en, in het bijzonder, Vlaanderen?

 

Ten vierde, verwacht België, naar het voorbeeld van Nederland, te onderhandelen over een structurele korting op de Europese afdrachten in het nieuwe meerjarig financieel kader? Heel wat Europese landen hebben dergelijke kortingen al bedongen. België heeft daar nooit over onderhandeld. Het wordt hoog tijd dat ook wij dat doen.

 

06.02  Arthur Orlians (Anders.): Mijnheer de minister, in het algemeen zijn we voorstander van samenwerking op Europees niveau en van het bekijken welke zaken beter gezamenlijk kunnen worden aangepakt. We vinden wel dat niet elke bijkomende bevoegdheid automatisch gepaard moet gaan met extra middelen. Mijn vraag gaat vandaag evenwel niet over de kwestie of er meer of minder geld naar Europa moet gaan, maar wel over de manier waarop we in België onze eigen begroting opstellen.

 

In het verslag van het Rekenhof lezen we dat de federale regering vanaf 2028 rekent op 500 miljoen euro extra inkomsten van de deelstaten om bij te dragen aan de Europese begroting. In datzelfde verslag lezen we ook dat daarover nog geen afspraken zijn gemaakt met de deelstaten. Die vraag werd ook gesteld in het Vlaams Parlement. Minister-president Diependaele heeft daar bevestigd dat er inderdaad nog geen afspraken bestaan en dat in de Vlaamse begroting voorlopig nul komma nul euro voor die bijdrage is ingeschreven. Mijn vraag is dan ook of u het als minister van Begroting verstandig vindt om inkomsten van de deelstaten in de federale begroting op te nemen, terwijl de deelstaten die uitgaven nog niet in hun begrotingen hebben voorzien. Het is het een of het ander. Ofwel moet Vlaanderen die uitgaven inschrijven, ofwel moet de federale overheid die inkomsten schrappen. Het lijkt me logisch dat daarover overleg plaatsvindt en dat u als minister van Begroting werk maakt van een betere begrotingscoördinatie.

 

Mijnheer de minister, vindt u het verstandig om die 500 miljoen euro al in de federale begroting in te schrijven?

 

Hoe wilt u de begrotingscoördinatie in dit land verbeteren?

 

06.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, la présidence chypriote du Conseil de l’Union européenne a proposé une réduction de 2 % du cadre financier pluriannuel de l’Union pour la période 20282034, par rapport à la proposition initiale de la Commission.

 

Ces négociations, qui se déroulent dans le contexte du Conseil Ecofin du 12 juin dernier, auront des conséquences directes sur le volume des fonds structurels, de cohésion, de recherche et de transition climatique dont bénéficie la Belgique, ainsi que sur lambition globale du projet européen.

 

Monsieur le ministre, pouvezvous mindiquer la position officielle de la Belgique face à cette proposition de réduction de 2 % du budget pluriannuel européen? Parmi les postes budgétaires tels que le Fonds de cohésion, le Fonds pour la transition climatique, la politique agricole commune ou encore Horizon Europe, quels sont ceux que la Belgique considère comme intouchables ou prioritaires dans les négociations? La Belgique estelle en coalition avec dautres États membres pour défendre le maintien de lambition budgétaire de la Commission? Si oui, avec lesquels? Enfin, comment le gouvernement évaluetil limpact concret pour la Belgique dune réduction de 2 % du cadre financier pluriannuel en termes de fonds perçus sur la période de cinq ans concernée?

 

Je vous remercie.

 

06.04 Minister Vincent Van Peteghem: De discussies over het federale standpunt over de Belgische MFK-bijdrage lopen volop op het federale en interfederale niveau. Ook in de Europese Unie zijn de onderhandelingen gaande. Uiteindelijk zal een evenwicht moeten worden gevonden tussen de omvang van onze Europese ambities, de bereidheid van de lidstaten om zelf bij te dragen, en de mate waarin men de Europese Unie van eigen inkomstenbronnen wil voorzien.

 

Over de aanpak van de terugbetaling van NextGenerationEU bestaat nog geen eensgezindheid. De jaarlijkse bijdrage van België zou wel meer dan 300 miljoen euro bedragen. Het spreekt voor zich dat een uitstel op korte termijn een positieve impact zou hebben en een verschuiving van de budgettaire impact impliceert, aangezien de interesten in ieder geval wel verder oplopen.

 

Wat onze stem en het bijbehorende vetorecht in de Raad betreft, moeten we de MFK-bijdrage natuurlijk bekijken vanuit een pakketbenadering en daarin streven naar de voor België meest gunstige uitkomst. Aan het MFK zijn veel modaliteiten verbonden, die in beide richtingen een significante budgettaire impact kunnen hebben. Het Belgische standpunt is alvast om de BNI-bijdrage beheersbaar te houden, gelet op de budgettaire uitdagingen van ons land.

 

De ingenomen positie dient ook coherent te zijn. Een kleiner MFK betekent uiteraard toegeven op inhoudelijke standpunten met betrekking tot Europese ambities. Een lagere BNI-bijdrage kan ceteris paribus alleen bij een kleiner MFK en dus lagere EU-ambities of meer eigen middelen.

 

Monsieur De Smet, en ce qui concerne votre question relative à la réduction du budget, il est pour l'instant trop tôt pour indiquer sur quoi une éventuelle économie sera imputée. Je peux toutefois vous indiquer qu'une réduction de 10 % du budget de l'Union européenne, sans tenir compte d'éventuelles nouvelles ressources propres, entraînerait une baisse de la contribution RNB de 7,04 milliards d'euros à 6,55 milliards d'euros.

 

Promouvoir une Union européenne forte ne se résume pas à un budget généreux. Les négociations portent notamment sur les gains d'efficacité au niveau de l'Union européenne, les modalités de paiement de la contribution RNB, etc.

 

En ce qui concerne les priorités de la Belgique, je renvoie à ce que j'ai déjà dit dans ma note de politique. Pour la Belgique, la défense et la sécurité, la migration, la simplification administrative, la politique agricole commune et la compétitivité économique méritent une attention particulière.

 

Over de bijdrage van de deelstaten ten belope van 500 miljoen euro vanaf 2028 hebben de eerste gesprekken met de deelentiteiten plaatsgevonden. Het lijkt mij logisch dat, als de federale overheid jaar na jaar geconfronteerd wordt met een hogere BNI-bijdrage voor de financiering van de Europese Unie, zij daarvoor ook een inspanning van de deelentiteiten kan vragen, want zij genieten de vruchten van die financiering.

 

Mijnheer Orlians, het klopt ook niet dat het inschrijven van opbrengsten per se een rechtstreekse uitgave ten laste van de deelentiteiten moet betekenen. Het is ook mogelijk dat alternatieve pistes worden bekeken die kaderen in een bijdrage van de deelentiteiten aan het MFK, zoals een verhoogd aandeel van het federale niveau in het volgende NRPP of een bijkomende toekenning van ETS-middelen.

 

Dat is geen rekenkunde van de Aldi, zoals uw collega, mevrouw D’Hose* beweert maar een responsabiliserend begrotingsbeleid waarbij inspanningen van elke entiteit worden gevraagd. Ze kunnen dus op verschillende wijzen worden ingevuld.

 

06.05  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, het debat gaat niet over de cijfers in een Europese begrotingstabel. Het gaat over de vraag wie uiteindelijk opnieuw de rekening zal betalen.

 

Het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie vragen steeds meer Europa, meer schulden en meer bijdragen. Niemand durft hier echter eerlijk te melden hoeveel dat beleid België en vooral Vlaanderen zal kosten. Nederland heeft de berekening gemaakt, maar u hebt ze gewoonweg niet of wenst ze niet te delen met het Parlement.

 

NextGenerationEU of het Europees Herstelfonds werd verkocht als een uitzonderlijk en tijdelijk relancefonds maar tijdelijk blijkt een permanent schuldenbeleid te worden.

 

Vlaanderen is al nettobetaler in België en België is een nettobetaler in Europa. Als Europa de geldkraan meer openzet, weten wij natuurlijk wie de factuur krijgt. U kunt toch moeilijk aan de Vlaming uitleggen dat hij langer moet werken, meer belastingen moet betalen en tegelijk meer miljarden naar Europa moet sturen?

 

Dat is geen Europese solidariteit. De EU is een permanente transferunie en dat is natuurlijk iets helemaal anders. Vlaamse gezinnen mogen opdraaien voor de rekening van Europa. Nederland onderhandelde kortingen, maakte ook de berekeningen en verdedigde uiteindelijk de nationale belangen. Waarom zou België dat niet doen? Waarom zouden Vlaamse politici dat niet doen? Of is de regering-De Wever opnieuw de braafste leerling van de klas? Op het vlak van begroting zijn we de slechtste leerling van de klas, op het vlak van Europa zijn we de braafste leerling van de klas.

 

De regering spreekt voortdurend over begrotingsdiscipline in dit land, maar zodra Europa meer geld vraagt, is plots alles mogelijk. Dat wordt niet ter discussie gesteld. Wij vinden dat het debat daarover eindelijk mag worden gevoerd, zeker aangezien u binnenkort op zoek moet gaan naar minstens 7 miljard euro.

 

06.06  Arthur Orlians (Anders.): Mijnheer de minister, ik wil uw standpunten dat, als deelstaten de vruchten van Europa plukken, het logisch is dat zij daarvoor bijdragen, en dat men de bijdrage ten belope van 500 miljoen ook op een andere manier kan regelen, bijvoorbeeld via de vermindering van een bijdrage van het federale niveau naar Vlaanderen, nog volgen. Het is echter niet zo logisch dat de bijdrage van 500 miljoen euro wordt ingeschreven zonder dat daarover al echt duidelijke afspraken zijn gemaakt. Dat staat ook in het rapport van het Rekenhof. Daar staat letterlijk in dat het gebrek aan begrotingscoördinatie ons land geld kost, omdat de kredietbeoordelaars de rating verlagen vanwege het gebrek aan begrotingscoördinatie. Dat staat letterlijk op pagina 24. Het gebrek aan begrotingscoördinatie tussen de verschillende overheden in ons land zorgt dus voor lagere ratings en kost ons land geld. Hoe sneller de afspraken duidelijk worden, hoe beter dat is voor de regeringen in ons land.

 

06.07  François De Smet (DéFI): Monsieur le président, je remercie tout simplement M. le ministre pour sa réponse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Questions jointes de

- François De Smet à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "L'avis contrasté des autorités européennes sur les finances publiques et la transition énergétique" (56016622C)

- François De Smet à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "La contribution belge au budget européen" (56016624C)

07 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De uiteenlopende aanbevelingen van Europa over de overheidsfinanciën en de energietransitie" (56016622C)

- François De Smet aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De Belgische bijdrage aan de Europese begroting" (56016624C)

 

07.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le président, je trouve quelque peu étonnant que ces questions soient jointes. Je ne vois pas de rapport flagrant entre l'avis des autorités européennes sur nos finances et la contribution belge. Pour éviter toute confusion, je vais renvoyer au texte écrit de mes deux questions.

 

La Commission européenne a adressé à la Belgique un message contrasté, relayé par la presse du 4 juin.

 

D'un côté, elle dresse un constat sévère sur l'état des finances publiques belges, sur les retards de la transition énergétique et sur les difficultés du marché du travail.

 

De l'autre, elle desserre l'étau budgétaire sur le volet énergétique.

 

Attaché à la responsabilité budgétaire comme à l’évaluation des politiques publiques, ces éléments  appellent des clarifications sur la trajectoire que le gouvernement entend suivre.

 

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:

 

La trajectoire budgétaire crédible que  le gouvernement entend présenter à la Commission européenne en réponse au constat sévère sur l'état des finances publiques?

 

Comment articuler l'exigence de rigueur budgétaire avec la nécessité d'investir dans la transition énergétique, alors même que la Commission pointe les retards de la Belgique en la matière?

 

Si l 'assouplissement obtenu sur le volet énergétique sera intégralement affecté à des investissements de transition, et selon quels critères de suivi et d'évaluation?

 

La négociation du prochain cadre financier pluriannuel (CFP) de l'Union européenne constitue l'un des enjeux budgétaires majeurs des prochaines années. Entre le remboursement de l'emprunt commun contracté pour le plan de relance, l'effort de défense, le soutien à l'Ukraine et les nouvelles priorités industrielles et climatiques, la pression sur les contributions nationales est appelée à s'accroître fortement.

 

Pour un pays comme la Belgique, contributeur net et déjà soumis à une trajectoire d'assainissement exigeante, ces arbitrages auront un impact direct sur les finances fédérales.

 

La presse économique de ce 3 juin (L'Echo) évoque un chiffre considérable: la Belgique pourrait être appelée à verser 2,5 milliards d'euros de plus par an au budget de l'Union. Un montant de cette ampleur, si il  se confirme, ne peut être engagé sans transparence.

 

Pour mon parti, résolument pro-européen, adhésion au projet européen suppose que ses coûts soient assumés et justifiés.

 

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:

 

Si le chiffre de 2,5 milliards d'euros de contribution annuelle supplémentaire est confirmé par le gouvernement ? À quel horizon et sur quelle base de calcul?

 

Comment cet effort s'articule avec la trajectoire budgétaire fédérale et les engagements de la Belgique vis-à-vis de la Commission?

 

La position que la Belgique défend dans la négociation du prochain CFP, notamment sur les ressources propres de l'Union et la répartition de l'effort entre États membres.

 

07.02  Vincent Van Peteghem, ministre: Le texte sur la question de la contribution belge au budget européen est identique à celui de votre première question, c'est la raison pour laquelle nous avons joint les deux questions. La réponse est la même.

 

La Commission européenne adresse en effet un message nuancé à la Belgique. Elle souligne les vulnérabilités persistantes de nos finances publiques, les défis auxquels est confronté notre marché du travail ainsi que le retard accumulé dans certains domaines de la transition énergétique.

 

Nous devons prendre cette analyse très au sérieux. La réponse du gouvernement consiste à s'en tenir à une trajectoire budgétaire crédible, fondée sur la mise en œuvre effective des réformes convenues et sur une réduction progressive du déficit, conformément à nos engagements européens.

 

La crédibilité ne se mesure pas à l'ambition des annonces, mais à la mesure dans laquelle celles-ci sont effectivement concrétisées.

 

Dans le même temps, il ne faut pas opposer discipline budgétaire et investissement dans l'avenir. La transition énergétique n'est pas une dépense facultative, mais un investissement stratégique dans notre compétitivité, notre indépendance énergétique et notre résilience économique. Continuer à reporter ces investissements finirait par entraîner des coûts sociaux et budgétaires plus élevés. Le défi consiste donc à faire des choix clairs et à donner la priorité aux dépenses qui renforcent le potentiel de croissance de notre économie et génèrent un rendement démontrable.

 

La flexibilité supplémentaire apportée par l'Europe pour certains investissements liés à l'énergie doit être considérée dans cette optique non comme un blanc-seing pour relâcher l'effort budgétaire, mais comme un moyen de soutenir de manière responsable les investissements nécessaires.

 

Toute marge budgétaire supplémentaire sera utilisée conformément à un objectif pour lequel elle a été créée, notamment pour les investissements contribuant réellement à notre transition énergétique, à l'efficacité énergétique, au renforcement de nos infrastructures et à la sécurité d'approvisionnement.

 

Cela suppose également un suivi et une évaluation rigoureux. Les moyens mis en œuvre à cet effet doivent s'accompagner de critères clairs en matière d'efficacité et d'impact.

 

À cet égard, il ne faut pas seulement tenir compte de l'impact budgétaire, mais aussi des résultats concrets tels que la réduction des émissions, les économies d'énergie, les investissements privés supplémentaires et le renforcement de notre sécurité énergétique.

 

Dans un contexte de ressources limitées, chaque euro investi doit pouvoir démontrer sa valeur ajoutée sociale. Le message de la Commission européenne est en fin de compte double: continuer à assainir nos finances publiques tout en accélérant les réformes et les investissements qui soutiennent notre prospérité future. C'est précisément cette double mission que ce gouvernement s'est fixée. Il s'agit d'allier la responsabilité budgétaire à des choix stratégiques qui rendent notre pays plus fort et plus durable. 

 

07.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, j'ai l'explication pour les deux questions pratiquement identiques. L'une d'elles était adressée originellement au premier ministre et vous a été renvoyée. Merci pour vos réponses.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Samengevoegde vragen van

- Alexia Bertrand aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De economische prognoses van de Nationale Bank van België" (56017005C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De uitspraken van gouverneur Wunsch (NBB) over de betalingsbalans" (56017078C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De economische begroting van het Federaal Planbureau en het rentesneeuwbaleffect" (56017079C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De analyses van de werkzaamheidsgraad door de NBB" (56017080C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De analyses van de groeivooruitzichten (NBB en FPB)" (56017081C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De analyses van de Nationale Bank over de verslechterde vooruitzichten" (56017082C)

- Wouter Vermeersch aan Vincent Van Peteghem (VEM Begroting, belast met Administratieve Vereenvoudiging) over "De analyses van de Nationale Bank over de inkomsten" (56017083C)

08 Questions jointes de

- Alexia Bertrand à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les projections économiques de la Banque nationale de Belgique" (56017005C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les déclarations du gouverneur Wunsch (BNB) sur la balance des paiements" (56017078C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Le budget économique du Bureau fédéral du Plan et l’effet boule de neige des intérêts" (56017079C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les analyses du taux d’emploi par la BNB" (56017080C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les analyses des prévisions de croissance (BNB et BFP)" (56017081C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les analyses de la Banque nationale portant sur la dégradation des prévisions" (56017082C)

- Wouter Vermeersch à Vincent Van Peteghem (VPM Budget, chargé de la Simplification administrative) sur "Les analyses de la Banque nationale portant sur les recettes" (56017083C)

 

08.01  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, we gaan naar een tekort van 5,7 % van het bbp tegen 2028. De gouverneur van de Nationale Bank van België heeft gezegd dat om het tekort onder 4 % te krijgen, een extra inspanning van ongeveer 13 à 15 miljard euro nodig is. De conclusie is dus dat de huidige doelstelling van 7 miljard euro helemaal niet volstaat. Alle politieke taboes en rode lijnen zullen moeten sneuvelen om een realistisch evenwicht te vinden.

 

Daarnaast vertaalt de economische dynamiek zich totaal niet in gezonde overheidsfinanciën. We zien dat de privésector behoorlijk goed presteert. Er is veerkracht bij de gezinnen en de bedrijven. De economische groei trekt de komende jaren aan tot 1,3 % in 2028, maar het zijn moeilijke tijden voor de bedrijven. We zien een enorm aantal faillissementen, onder meer in de chemische sector en de industrie. Dat is bijzonder pijnlijk voor onze bedrijven. Dat heeft verschillende oorzaken, zoals de energiekosten en de competitiviteit.

 

Mijnheer de minister, hoe evalueert u de ramingen van de Nationale Bank? Deelt u de conclusie dat de huidige begrotingsdoelstelling van 7 miljard euro ruimschoots onvoldoende is om het tekort te stabiliseren?

 

Als de economische groei alleen het tekort niet kan oplossen, welke structurele hervormingen aan de uitgavenzijde liggen er dan momenteel concreet op tafel om die 13 miljard euro te vinden, hoewel u eerder sprak over 7 miljard euro?

 

08.02  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de voorzitter, voor ik mijn vragen stel, wil ik opnieuw de opmerking maken dat de mondelinge vragen hier systematisch op één hoop worden gegooid. Recente analyses van de Nationale Bank en van het Federaal Planbureau tonen aan dat al die aspecten afzonderlijk aandacht verdienen. Op deze manier kan dat natuurlijk niet. Dat is bijzonder spijtig. Dat fnuikt het debat.

 

Mijnheer de minister, de Nationale Bank heeft vrijdag bijzonder onrustwekkende vooruitzichten gepubliceerd. Gouverneur Pierre Wunsch stelde onomwonden dat de begroting niet in de goede richting gaat, dat het tekort niet houdbaar is en dat de inspanningen van de regering verre van voldoende zijn.

 

Terwijl de regering vandaag nog uitgaat van een inspanning van minstens 7 miljard, stelt de Nationale Bank dat een inspanning van 11 miljard nodig is om het tekort tegen het einde van de legislatuur terug te brengen tot ongeveer 4 % van het bbp. Wanneer ook rekening wordt gehouden met de geplande lastenverlaging, loopt de noodzakelijke inspanning zelfs op tot 14 miljard of 15 miljard.

 

Tegelijkertijd krijgen we van verschillende instellingen dezelfde waarschuwing. De Nationale Bank waarschuwt dat het begrotingstekort stijgt tot 5,7 % van het bbp in 2028. Het Planbureau voorspelt dat het tekort tegen 2031 zal oplopen tot 6,4 % van het bbp, goed voor ongeveer 50 miljard euro. Dat is meer dan het dubbele van de zogenaamde Maastrichtnorm. Bovendien waarschuwt het Planbureau expliciet voor het zogenaamde rentesneeuwbaleffect, waarbij de gemiddelde rente vanaf 2031 hoger dreigt te worden dan de nominale economische groei, waardoor een opwaartse schuldenspiraal ontstaat.

 

Voor de weinige collega’s die nog aanwezig zijn, alleen van Anders. en van Vlaams Belang, we kunnen in deze commissie onder het voorzitterschap van de heer Vandeput geen aparte discussie houden over het rentesneeuwbaleffect. Dat is hallucinant, gegeven het feit dat al die instellingen daarvoor waarschuwen.

 

Aangezien wij niet meer de mogelijkheid krijgen om daarover nog een afzonderlijk debat te voeren tijdens de mondelinge vragen doordat alles op een hoop wordt gegooid, wil ik voor de goede orde en voor de regeling der werkzaamheden een oproep doen aan de diensten om hoorzittingen te organiseren over het rentesneeuwbaleffect.

 

Ik heb hierover enkele vragen. Ten eerste, neemt u inzake de begrotingsvooruitzichten de analyse van de Nationale Bank van België over dat de huidige inspanningen onvoldoende zijn om het tekort te stabiliseren of te doen dalen? Deelt u die analyse? Welke tekortcijfers verwacht u vandaag zelf voor 2028 en 2029?

 

De Nationale Bank van België gaat uit van een tekort van 5,7 % in 2028. Het Planbureau verwacht zelfs een volledige ontsporing richting 2031. Deelt u die analyse?

 

Hoe verklaart u de verslechtering ten opzichte van de eerdere ramingen? Kunt u daarbij toelichten welke impact u toeschrijft aan respectievelijk ten eerste een neerwaartse herziening van de economische groei, ten tweede hogere rentevoeten, ten derde de versoepeling van bepaalde pensioenmaatregelen, ten vierde de schrapping van de btw-verhoging en ten vijfde de terugval van verschillende inkomstenbronnen? Worden de opbrengstverliezen van geschrapte maatregelen gecompenseerd via de aangekondigde nullijnoefening?

 

Ten tweede, inzake de schuldontwikkeling en het sneeuwbaleffect waarschuwt het Federaal Planbureau dat de rente-groeidynamiek vanaf 2030 en vooral vanaf 2031 kan omslaan, waardoor een klassieke schuldenspiraal ontstaat. Hoe beoordeelt u die analyse? Deelt u de bezorgdheid dat het sneeuwbaleffect zich effectief zal manifesteren wanneer de gemiddelde rente hoger wordt dan de nominale economische groei? Welke impact verwacht u daarvan op middellange en lange termijn voor de Belgische overheidsfinanciën? Welke maatregelen treft de regering om dat scenario te vermijden?

 

Ten derde heb ik een reeks vragen over de economische groei. De NBB verlaagt haar groeiverwachtingen voor 2026 tot 0,6 %. Het Federaal Planbureau is nauwelijks optimistischer. Welke groeivooruitzichten hanteert u momenteel voor 2026, 2027 en 2028? Welke risico's ziet u vandaag voor de Belgische economie? Welke budgettaire impact zal de lagere economische groei hebben op de ontvangsten en het begrotingstraject? Welke bijkomende maatregelen overweegt de regering om de economische groei structureel te versterken?

 

Mijn vierde reeks vragen betreft de arbeidsmarkt. Ondanks de activeringsmaatregelen verwacht de Nationale Bank van België dat de werkloosheid stijgt van 6,2 % naar 6,6 %. Dat staat toch in schril contrast met de ambitie uit het regeerakkoord om tegen 2029 naar een werkzaamheidsgraad van 80 % te evolueren.

 

Mijnheer de minister, hoe verklaart u, die tegenstelling? Blijft de regering vasthouden aan de doelstelling van een werkzaamheidsgraad van 80 %? Wordt bij de begrotingsramingen nog rekening gehouden met dergelijke terugverdieneffecten? Wat is volgens u de budgettaire impact van de stijgende werkloosheidsgraad?

 

Ten vijfde, over de inkomstenzijde van de begroting. De Nationale Bank van België wijst erop dat niet alleen de uitgaven problematisch zijn, maar vooral dat de inkomsten sneller dalen dan de niet-rente-uitgaven. De gouverneur verwijst daarbij naar, ten eerste, lagere opbrengsten uit de vennootschapsbelasting, ten tweede, het wegvallen van de bijdrage vanuit de nucleaire sector, ten derde, lagere stortingen in het Depositogarantiefonds , ten vierde, dalende accijnsontvangsten en ten vijfde, het uitdoven van Europese herstelmiddelen.

 

Hoe beoordeelt u die analyse? Welke budgettaire impact verwacht u van elk van die factoren op de meerjarenbegroting? Verwacht u dat nieuwe middelen uit het volgende meerjarig financieel kader die terugval gedeeltelijk kunnen opvangen? Waarschijnlijk niet, want alles zal duurder worden. Acht u het mogelijk dat de begroting structureel kan worden gesaneerd zonder ook de inkomstenzijde van het debat te voeren?

 

Ten zesde en ten slotte, over de externe positie van dit land. De Nationale Bank wijst erop dat het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans is opgelopen tot ongeveer 3,5 % van het bbp. Volgens gouverneur Wunsch is een tekort van 2 à 3 % op lange termijn niet houdbaar.

 

Hoe beoordeelt u die waarschuwing? Welke impact schrijft u toe aan de hogere energie-invoer? Welke impact ziet u van de sterk gestegen uitgaven van Belgen in het buitenland en van de invoer van diensten? Moet dat tekort volgens u worden teruggedrongen? Zo ja, tegen welke termijn en met welke maatregelen?

 

Mijnheer de minister, de rode draad doorheen al die vragen is duidelijk. De Nationale Bank, het Federaal Planbureau en andere instellingen geven aan dat de combinatie van tragere groei, stijgende rentelasten, dalende inkomsten en oplopende tekorten ons steeds verder van een houdbaar begrotingstraject brengen.

 

Mijn vraag is daarom eenvoudig. Deelt u de fundamentele conclusie van gouverneur Wunsch dat de huidige begrotingsinspanning onvoldoende is en dat België zonder bijkomende structurele maatregelen afstevent op een steeds moeilijker beheersbare schuld- en tekortontwikkeling? Zo ja, welke bijkomende keuzes bereidt deze regering vandaag concreet voor?

 

08.03 Minister Vincent Van Peteghem: Mevrouw Bertrand, mijnheer Vermeersch, de Nationale Bank en het Federaal Planbureau publiceerden vorige week inderdaad nieuwe vooruitzichten. Beide instellingen doen dat in volle onafhankelijkheid en geven ons ramingen waaraan we het begrotingsbeleid kunnen aftoetsen. We volgen ze uiteraard van nabij, zeker met de huidige geopolitieke onzekerheid.

 

Allereerst wil ik benadrukken dat beide instellingen, elk volgens hun eigen methodologie, tot een grotendeels gelijklopende diagnose komen. Het conflict in het Midden-Oosten en de daaruit volgende energieprijsschok wegen dit jaar tijdelijk op de groei en duwen de inflatie opwaarts, waarna een geleidelijk herstel wordt verwacht. Beide instellingen bevestigen ook dat de hervormingen en de consolidatiemaatregelen van deze regering effect hebben. Het primair tekort verbetert in 2026 en 2027 merkbaar en de arbeidsmarkthervormingen leiden volgens beide projecties tot een structurele verruiming van het arbeidsaanbod en een stijgende werkgelegenheidsgraad.

 

Dat die effecten geleidelijk op kruissnelheid komen, ligt ook in de aard van de structurele hervormingen. Zo evolueren een aantal inkomstenbronnen de komende jaren minder gunstig. Een deel van de redenen daarvoor ligt bij de evolutie van de structurele ontvangstentendensen, maar het gaat eveneens om ontvangsten met een uitzonderlijk of tijdelijk karakter. De vennootschapsbelasting normaliseert na een piek in 2024, de bijdrage van de nucleaire sector en de storting in het Depositogarantiefonds bouwen af en de Europese herstelmiddelen lopen per definitie af.

 

De analyse dat de ontvangsten minder dynamisch evolueren dan vroeger is niet onredelijk. Dat betekent evenwel niet dat de begrotingsinspanning uitsluitend via bijkomende ontvangsten zou moeten verlopen. Een evenwichtige oefening zal hoe dan ook kijken naar zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde. De focus blijft liggen op maatregelen die het structurele karakter van het tekort aanpakken en die tegelijk de economische groei niet ondergraven.

 

Beide instellingen wijzen tegelijk op de uitdagingen op middellange termijn, in het bijzonder de oplopende rentelasten en de uitgavendynamiek in de gezondheidszorg en Defensie.

 

Het Federaal Planbureau waarschuwt voor het zogenaamde sneeuwbaleffect, waarbij de impliciete rente op de schuld vanaf 2031 de nominale groei zou kunnen overstijgen. De regering neemt die waarschuwing uiteraard ernstig. Net daarom is een traject van structurele sanering ingezet, met respect voor het Europese begrotingskader.

 

Ik wijs er wel op dat die vooruitzichten, zoals steeds, worden opgesteld bij ongewijzigd beleid. Dat de projecties van het Planbureau na 2029 verslechteren, weerspiegelt mede de technische aanname dat na het lopende meerjarenbegrotingsakkoord 2026-2029 geen bijkomende inspanningen meer volgen. Het zou verkeerd zijn om die aanname te lezen als een voorspelling van beleid. De trajecten voor de periode nadien zullen natuurlijk het voorwerp uitmaken van de komende begrotingsrondes.

 

Wat de procedure betreft, blijft de normale werkwijze helder. De begrotingsopmaak en -controle vertrekken, zoals steeds, van het rapport van het Monitoringcomité, dat steunt op de economische begroting van het Planbureau. De vooruitzichten van de Nationale Bank vormen daarbij waardevolle bijkomende informatie, maar het begrotingsproces zal niet bij elke nieuwe uitspraak van de gouverneur worden heropgestart.

 

Tot slot past bescheidenheid over elk cijfer in de huidige context. De onzekerheid over het verloop van conflicten, de prille onderhandelingen en ook onzekerheid over energieprijzen, inflatie en conjunctuur blijven natuurlijk groot. De instellingen geven dat ook zelf aan. De regering zal de evolutie dus nauwgezet blijven opvolgen en waar nodig bijsturen tijdens de begrotingsbespreking op basis van de dan beschikbare parameters. Ik kijk er sowieso naar uit om het debat met het Parlement verder te zetten op basis van de begrotingsdocumenten.

 

Mijnheer Vermeersch, ik besef dat u nu zult zeggen dat ik niet op elk onderdeel van uw vraag heb geantwoord, die u trouwens amper 24 uur geleden hebt ingediend. Ik nodig u echter uit om alle cijfermatige vragen, die toch het grootste deel uitmaken van de vragen die u hebt gesteld, schriftelijk in te dienen. Op die manier kan ik u in alle transparantie, maar ook met alle nuance, een uitgebreid antwoord bieden, gestaafd met de nodige cijferevoluties.

 

08.04  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb daar drie reacties op.

 

Ik hoor dat u het concept van ongewijzigd beleid in twijfel trekt. Het is de eerste keer dat u die bocht maakt. U hebt helemaal gelijk, mijnheer de minister. Natuurlijk betekent dat niet dat de volgende regering niets zal doen. Dat is wat ik u al maanden probeer uit te leggen. Heel uw begrotingsbeleid was echter wel gebaseerd op dat concept van ongewijzigd beleid.

 

U hebt ons op het einde van de vorige regering cijfers getoond – ik heb dat nooit goed gesnapt, want u was toen verantwoordelijk voor de schuld – die aantoonden in welke richting we gingen. Dan moet u wel coherent blijven, mijnheer de minister. Dat kan niet gelden voor de vorige regering, maar niet voor de huidige regering.

 

Er zijn dus twee mogelijkheden. Ofwel zegt u dat dat concept absurd is – wat ook het Rekenhof heeft gezegd –, ofwel vergelijken we appelen met appelen en niet met peren. Ik hoor dus dat u een bocht aan het nemen bent. Dat is goed, parce qu’il n’y a que les cons qui ne changent pas d’avis.

 

Wat de ontvangsten en uitgaven betreft, wil ik misschien een kleine nuance aanbrengen. De ontvangsten dalen niet. Ze dalen als percentage van het bbp, maar blijven natuurlijk in absolute cijfers stijgen. Dat toont vooral aan dat de uitgaven de voorbije jaren ongelooflijk snel zijn gestegen. We kunnen de cijfers natuurlijk alles laten zeggen, maar zij liegen niet. Als men naar de uitgaven kijkt, ziet men dat ze blijven stijgen. Wat de ontvangsten betreft, moeten we ervoor zorgen dat de voorziene ontvangsten ook daadwerkelijk worden gerealiseerd, maar het is niet zo dat er extra belastingen nodig zijn in dit land.

 

U zegt dat elke nieuwe uitspraak van de gouverneur van de Nationale Bank van België (NBB) niet zal leiden tot een aanpassing van de begrotingsoefening. Prima. Dat is een klein steekje naar de gouverneur van de NBB. U zult echter wel de gevolgen van uw beleid moeten dragen. Dat betekent dus dat u richting een tekort van 6 % gaat. De gouverneur zal er dus niet voor zorgen dat u uw beleid aanpast, maar de slechte resultaten zullen er wel zijn.

 

08.05  Wouter Vermeersch (VB): Mijnheer de minister, met alle respect, u zegt dat “Het traject van structurele sanering is ingezet”, terwijl elke instelling momenteel de alarmbel luidt. Die instellingen zeggen dat uw begroting niet volstaat. De NBB zegt dat de huidige inspanning verre van voldoende is. De NBB zegt ook dat de minstens 7 miljard euro die u vandaag hebt genoemd, niet volstaat. Zij spreekt eerder van 11 tot 14 à 15 miljard euro die nodig zal zijn. Zonder bijkomende maatregelen stevenen we zelfs af op een tekort van 5,7 %, mogelijk zelfs meer dan 6 %. Dat zijn niet onze cijfers. Dat is niet de analyse van de oppositie. Dat zijn de cijfers en analyses van onafhankelijke instellingen.

 

Onze fundamentele vraag blijft onbeantwoord.

 

Deelt u deze analyse?

 

Tussen de ambitie van deze regering en de realiteit gaapt een steeds grotere kloof. De afstand tussen uw begroting en de reële cijfers bedraagt ondertussen vele miljarden euro. De Nationale Bank, het Federaal Planbureau en binnenkort ook het Monitoringcomité, alle indicatoren en instellingen wijzen in dezelfde richting: lagere groei, hogere rente, stijgende werkloosheid, dalende inkomsten en oplopende tekorten. De vraag is dus niet langer of er een probleem is. De vraag is of deze regering bereid is het probleem eindelijk onder ogen te zien.

 

Onze vraag blijft dus open. Als de Nationale Bank zegt dat 7 miljard onvoldoende is en dat eerder 11 tot 14 à 15 miljard nodig is, welke bijkomende maatregelen zal deze regering dan concreet nemen? Die vraag blijft ook vandaag onbeantwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.10 uur.

La réunion publique de commission est levée à 12 h 10.