|
Commissie voor Economie, Consumentenbescherming en
Digitalisering |
Commission
de l'Économie, de la Protection des consommateurs et de la Digitalisation |
|
van Dinsdag 16 juni 2026 Voormiddag ______ |
du Mardi 16 juin 2026 Matin ______ |
La réunion publique de commission est ouverte à 9 h 34 et présidée par M. Patrick Prévot.
De openbare commissievergadering wordt geopend om 9.34 uur en voorgezeten door de heer Patrick Prévot.
01.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mevrouw de minister, uit een recent onderzoek van een Britse denktank blijkt dat het merendeel van witwaspraktijken eigenlijk plaatsvindt via kleinere handelszaken. Ook de nationaal drugscommissaris riep op om het geweer van schouder te veranderen en er in plaats van het geld te volgen voor te zorgen dat het geld nooit tot aan de top kan geraken.
Dat kan ook via het burgerlijk vergunningenbeleid. Daardoor kan ervoor worden gezorgd dat ondermijnende zaken geen voet aan de grond krijgen of dat ze minstens worden gesloten door lokale besturen. Vandaar mijn vragen.
Mevrouw de minister, is de huidige federale wetgeving voldoende in staat om de lokale besturen de nodige kapstokken te geven om effectief te kunnen optreden? Welke federale diensten zijn op dit ogenblik in welke steden betrokken om collectieve acties te ondernemen tegen ondermijning en wat zijn de resultaten? Zijn er plannen om dat in de toekomst verder op te drijven? Zijn er specifieke diensten die daarvoor opgericht moeten worden?
Vaak is informatie beschikbaar waardoor bij federale diensten zoals de FOD Financiën, de RSZ en de Economische Inspectie al alarmbellen kunnen afgaan. Zijn er ook plannen om die diensten proactief in te schakelen? Reiken hun bevoegdheden in de praktijk op dit ogenblik ver genoeg? Hoe staat het met de informatiedoorstroming?
01.02 Minister Eléonore Simonet: Mevrouw Verkeyn, uw vraag verwijst naar de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen. Die wet stelt Belgische gemeenten in staat de georganiseerde criminaliteit te bestrijden door gebruik te maken van administratieve maatregelen. In dat kader kunnen gemeenten onder bepaalde voorwaarden integriteitsonderzoeken uitvoeren met betrekking tot de vestiging of uitbating van publiek toegankelijke inrichtingen.
De Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen, de DIOB, staat de gemeenten bij in de strijd tegen georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Zij staat in voor het verzamelen van relevante informatie met het oog op de evaluatie van de risico's verbonden aan de uitbating van de betrokken inrichtingen. Daartoe maakt zij gebruik van informatie afkomstig van verschillende federale overheidsdiensten, waaronder de federale sociale inspectiediensten, bijvoorbeeld de RSZ en het RSVZ, maar ook de Economische Inspectie en de belastingadministratie.
Zo kan een gemeente alvorens een beslissing te nemen met betrekking tot een inrichting een advies vragen aan de DIOB. Alvorens zijn advies uit te brengen, kan die dienst informatie opvragen bij zijn partners. Deze inlichtingen werden al eerder gevraagd en verstrekt. Op basis van het advies van de DIOB neemt de gemeente dan autonoom een beslissing die kan leiden tot de weigering, schorsing of intrekking van een vergunning, dan wel tot de sluiting van de inrichting.
Zoals vastgesteld in het regeerakkoord werkt mijn collega van Binnenlandse Zaken, de heer Quintin, momenteel aan de verbetering van die wet om een steviger juridisch kader te creëren waarmee samen met de lokale overheden doeltreffend kan worden opgetreden tegen malafide ondernemingen. Hij heeft de evaluatie al aan het Parlement voorgelegd en op basis daarvan worden momenteel wetteksten opgesteld met het oog op de politieke besprekingen.
In uitvoering van het actieplan sociale fraudebestrijding 2026-2027 zal verder worden bekeken hoe de gegevensuitwisseling tussen de verschillende partners kan worden geoptimaliseerd.
01.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Dank u wel, mevrouw de minister.
U weet dat ik uit Oostende kom. Oostende is de eerste stad die de integriteitsonderzoeken effectief kan uitvoeren op het terrein. We weten dus zeer goed waar het schoentje knelt, namelijk bij de administratieve last die bij de gemeente ligt. De objectieve parameters bijhouden en constant in de gaten houden is geen eenvoudige oefening. Ik meen dat er daarvoor bij de besturen van veel kleinere gemeenten minder capaciteit is. Er moet dus zeker gekeken worden naar andere mogelijkheden, want in de praktijk ziet men dat de core van bepaalde praktijken via de kleinere handelszaken verloopt.
Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een beperking van de vestigingsvergunningen. We bespreken trouwens straks de wet op de openingsuren. Voor de drie sectoren die al in de wet op de openingsuren vermeld stonden, bijvoorbeeld de nachtwinkels, kan men bijvoorbeeld denken een uitbreiding daarvan en dat niet meer beperken tot een bepaalde sector.
De lokale besturen dweilen eigenlijk met de kraan open. Zodra ze een bepaalde regelgeving uitvinden voor uitbatingsvergunningen of vestigingsvergunningen, werkt de DIOB, maar als in een gemeente geen voorafgaande vergunning nodig is voor een bepaalde winkel, kan men niet verhinderen dat er winkels openen.
Dan is er een andere verordening nodig, die men dan ook weer moet aannemen en moet monitoren aan de hand van objectieve factoren. Als dat dan gebeurd is, ziet men een verschuiving. Wil men bijvoorbeeld de kapperszaken aanpakken en heeft men de regelgeving op orde, dan ziet men plots overal pizzazaken verschijnen. Er is daar echt wel een gat in de markt, als ik het zo mag zeggen.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
02.01 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, une nouvelle circulaire vient d'être annoncée afin de faciliter l'accès des petites et moyennes entreprises aux marchés publics fédéraux.
L'objectif est pleinement légitime: les PME représentent l'essentiel du tissu économique du pays, mais restent trop souvent écartées de la commande publique au profit de grands opérateurs, faute de seuils, d'allotissement ou de procédures adaptées. L'expérience montre toutefois que les intentions en matière d'accès des PME aux marchés publics se heurtent régulièrement à l'absence d'objectifs mesurables et de suivi contraignant. Vous conviendrez qu’une circulaire n'a de valeur que si elle s'accompagne d'indicateurs vérifiables et d'une évaluation transparente.
Madame la ministre, quels sont les objectifs chiffrés et le calendrier que la circulaire fixe en matière de part des marchés publics fédéraux attribués aux PME? Ces objectifs ont-ils une portée contraignante ou simplement indicative? Quels sont les mécanismes de suivi et de reporting prévus pour mesurer l'effet réel de la circulaire? Quelles sont les mesures concrètes – allotissement, plafonnement des exigences financières, délais de paiement – que la circulaire impose aux pouvoirs adjudicateurs fédéraux pour lever les obstacles structurels rencontrés par les PME?
02.02 Eléonore Simonet, ministre: Monsieur De Smet, je vous
remercie de votre question.
S’agissant de la circulaire, mon
administration a pris contact avec les services compétents du SPF BOSA,
dont relève la politique fédérale d’achat, au sujet d’un projet de circulaire
auquel vous faites référence et qui serait en préparation. Selon les
informations dont je dispose, il apparaît qu’aucune circulaire de ce type
n’existe à ce stade.
Je ne peux donc que vous renvoyer à la
circulaire actuellement en vigueur, à savoir la charte "Accès des PME au
marché public", publiée au Moniteur belge le 2 février 2024 et
dont l’application est obligatoire pour les pouvoirs adjudicateurs fédéraux. Un
suivi de l’application de cette charte est en cours d’élaboration. Les
résultats sont attendus après l’été 2026, en concertation avec le
SPF BOSA.
Puisque vous m’interrogez sur un sujet
important, à savoir l’accès des PME au marché public, je me permets de vous
informer qu’un avant‑projet de loi modifiant diverses dispositions relatives aux marchés
publics et aux contrats de concession a été validé en Conseil des ministres le
30 avril dernier et sera prochainement soumis à la Chambre. Ce projet de
loi traduit notamment plusieurs mesures du Plan PME que j’ai eu l’occasion
de présenter concernant les marchés publics.
Voorzitter: Reccino Van Lommel.
Président: Reccino Van Lommel.
Je citerai notamment la mesure 73,
relative au droit à l’erreur et au défaut de signature; la mesure 77,
portant sur l’assouplissement des critères de sélection pour les marchés
publics en dessous des seuils de publicité européenne; ainsi que la
mesure 79, introduisant le concept de "circuit court" comme
critère de sélection dans les marchés publics.
L’adoption de ce texte par la Chambre
permettra de réduire une part significative des obstacles structurels auxquels
se heurtent nos PME dans l’accès au marché public. Parallèlement à cet avant‑projet de loi, je poursuis évidemment aussi la mise en œuvre des autres
mesures du Plan dédiées aux marchés publics, en collaboration avec le premier
ministre.
02.03 François De Smet (DéFI): Je remercie tout simplement Mme la ministre pour sa réponse exhaustive.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
03.01 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, uit een gelekt document van het Cypriotische voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie blijkt dat tientallen lopende Europese wetsvoorstellen jaarlijks tot 45 miljard euro aan bijkomende lasten en 40 miljard euro aan eenmalige implementatiekosten voor bedrijven zouden betekenen. Alleen al de geplande Industrial Accelerator Act zou meer dan 6 miljard euro aan jaarlijkse kosten voor bedrijven veroorzaken. Een belangrijk onderdeel van die act is de zogenaamde made-in-Europeverplichting, waardoor ondernemingen bij aanbestedingen en productieprocessen aan bijkomende Europese oorsprongs- en productievoorwaarden zullen moeten voldoen. Die verplichtingen leiden tot extra administratieve lasten, hogere productiekosten, alsook tot een vermindering van de concurrentiekracht van onze ondernemingen.
Dat staat toch wel in contrast met de beweringen van de Europese Commissie dat zij de administratieve lasten voor ondernemingen en in het bijzonder voor de kmo's zou willen verminderen. Mevrouw de minister, u bent bevoegd voor de kmo’s. Hebt u analyses laten uitvoeren naar de impact van de made-in-Europeverplichtingen op onze ondernemingen en dan heel specifiek op de kmo's? Wat zijn de gevolgen voor de concurrentiepositie van onze ondernemingen ten opzichte van niet-Europese concurrenten? Buiten Europa gelden die uiteraard niet.
Welke sectoren dreigen daardoor vooral getroffen te worden?
Welke maatregelen plant u om ondernemingen te ondersteunen bij de toename van de kosten ten gevolge van de naleving van de verplichtingen?
Hoe rijmt u de nieuwe lasten met de doelstelling van de Europese Commissie om de administratieve lasten met 25 % voor bedrijven en met 35 % voor kmo's te verminderen?
Ten slotte, hoe zult u vermijden dat die Europese verplichtingen leiden tot hogere prijzen en meer inflatie?
03.02 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Van Lommel, de besprekingen over de Industrial Accelerator Act of IAA, zijnde de verordening voor de industriële versnelling, bevinden zich momenteel nog in een preliminaire fase.
Tijdens de Europese Raad Concurrentievermogen van 28 mei 2026 heeft België al duidelijke standpunten ingenomen. Wij beschouwen de IAA als een belangrijke stap om onze industrie en de werkgelegenheid te ondersteunen gezien de noodzakelijke herindustrialisering van onze economieën. Wij hebben ook aangegeven dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de beperking van de administratieve lasten voor kmo's. Voor België moet de IAA eenvoudig, coherent en geharmoniseerd blijven. Dat zijn essentiële voorwaarden voor een goed functionerende interne markt.
Wat de Europese voorkeur voor made in Europe betreft, pleit België voor een aanpak die gebaseerd is op wederkerigheid en evenredigheid. Het gebruik van overheidsopdrachten kan een gerichte strategische hefboom vormen, op voorwaarde dat de beginselen van de vrije markt worden gehandhaafd.
Het is namelijk duidelijk dat kmo's een cruciale rol spelen in de betrokken waardeketens en dat maatregelen zoals het vereenvoudigen van vergunningsprocedures, het ondersteunen van investeringen in decarbonisatie en het stimuleren van de productie van schone industriële goederen zowel directe als indirecte effecten kunnen hebben op hun activiteiten.
Met het voorstel wil de Europese Commissie via overheidsaankopen of publieke financiering in een bepaalde mate doelgerichte producten of sectoren bevorderen vanwege hun strategische belang voor de industriële basisproductie of vanwege onze strategische afhankelijkheid van bepaalde technologieën die noodzakelijk zijn voor de energietransitie.
Het doel is de productiecapaciteit en de werkgelegenheid in Europa voor die doelgerichte producten te behouden en de decarbonisatie van onze energie-intensieve industrieën te ondersteunen via vereisten inzake oorsprong en koolstofarme productie. Vanuit dat perspectief kan de IAA bijdragen aan het versterken van de Europese industriële basis en het garanderen van onze strategische autonomie. Meer specifiek zijn de sectoren die door het voorstel van de Europese Commissie worden gedekt, de energie-intensieve industrieën, de netzerotechnologieën en de automobielsector en zijn toeleveringsketen.
U vreest een stijging van de materiaalkosten en de kosten ten gevolge van de naleving van de verplichtingen. Ik onderstreep dat de geplande maatregelen zeer gericht zijn. Ze werden onderworpen aan een formele impactanalyse, sectorale raadplegingen en een kmo-test. Daarnaast werd ook een economische modellering uitgevoerd die competitiviteit, administratieve kosten, investeringen en decarbonisatie combineert. De Europese economische veiligheid brengt kosten met zich, maar die blijven lager dan de kosten van eerdere strategische afhankelijkheden.
De IAA zorgt er nu al voor dat de EU meer onderhandelingsmacht krijgt ten opzichte van derde partners, met name op het gebied van investeringen en machtstoegang. Het zal van cruciaal belang zijn om de uitvoering te volgen en ze te evalueren, zoals reeds in het wetgeving is ingeschreven.
03.03 Reccino Van Lommel (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister.
De IAA, die u een belangrijke stap in de herindustrialisering noemt, bevindt zich momenteel nog in een preliminaire fase. We zijn het erover eens dat herindustrialisering bijzonder belangrijk is. De industriële basis moet worden versterkt en er moet hard worden gewerkt aan de strategische onafhankelijkheid.
Mijn vrees bestaat er echter vooral in dat dergelijke maatregelen, hoe goed bedoeld ook, er toch op een of andere manier voor zullen zorgen dat bedrijven mee zullen moeten kunnen en dat kmo’s in tegenstelling tot grote bedrijven, die zich sneller aan nieuwe regelgeving kunnen aanpassen, het veel moeilijker zullen hebben om alles op te volgen en te implementeren.
De implementatiekosten op Europees niveau en de impact daarvan op bedrijven zijn bovendien niet gering en zij moeten door alle bedrijven worden gedragen, inclusief de kmo’s. Los daarvan, niets doen is uiteraard geen optie, mevrouw de minister, maar ik wil toch vragen om over de impact op de kmo's en vooral over de implementatiekosten voor de kmo's voldoende te waken. Er is al zoveel Europese regeldruk en die wordt alleen maar groter.
Men kan niet enerzijds zeggen dat men voor administratieve vereenvoudiging is, terwijl anderzijds weer nieuwe regels worden geïmplementeerd die het onze kmo's net moeilijker maken. De ambitie van de Europese Commissie was om de administratieve lasten met 35 % te verlagen. Ik ben benieuwd of ze die doelstelling zal halen. Ik vrees daar alvast voor gelet op haar werkwijze met de IAA.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
04.01 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, elektronische betalingen vormen hoe langer hoe meer een belangrijk onderdeel van het handelsverkeer. We stellen vast dat handelaars op dit moment van hun omzet maandelijks 0,2 tot 0,9 % aan transactiekosten betalen. Men kan dat niet veel vinden, maar dat is het wel. Heel wat handelaren verkopen bepaalde zaken voor kleine bedragen en aan lagere winstmarges. Dan scheelt dat toch wel een flinke slok op de borrel.
We zien ook dat de kosten voor betalingen met internationale kaarten, zoals Visa en Mastercard, in de voorbije jaren heel sterk zijn gestegen. Het Prijzenobservatorium heeft op zijn beurt vastgesteld dat de maatregelen om bepaalde kostencomponenten te verlagen helemaal niet hebben geleid tot een algemene daling van de factuur voor de handelaars. Vooral de kleine ondernemingen krijgen moeilijk zicht op de verschillende kostenstructuren en tarieven.
Mevrouw de minister, ik heb de volgende vragen. Hoe verklaart u dat de totale kosten voor elektronische betalingen voor veel handelaars hoog blijven, ondanks eerdere ingrepen om bepaalde tarieven te verlagen? Hoe zijn die kosten voor elektronische betalingen voor kmo's in de voorbije vijf jaar geëvolueerd? Vindt u dat de stijgende tarieven van internationale kredietkaarten, zoals Visa en Mastercard, de concurrentiepositie van kleine ondernemingen onder druk zetten?
Hebt u een overleg gehad met een aantal actoren en zijn daar concrete engagementen uit voortgevloeid? Om de kostenstructuren voor de elektronische betalingen transparanter te maken voor kleine handelaars werd een prijsvergelijkingstool aangekondigd, maar ook dat sleept al jaren aan. Wanneer zal die operationeel zijn? Zal de prijsvergelijker de afzonderlijke kostencomponenten vermelden? Hoe zal worden vermeden dat bepaalde kosten verborgen blijven in bepaalde bundelformules? Tot slot, welke andere initiatieven neemt u om elektronische betalingen betaalbaar te houden voor de kmo’s?
04.02 Sophie Thémont (PS): Madame la ministre, aujourd'hui, les paiements électroniques sont devenus incontournables pour les commerçants dans de nombreux établissements. Ils représentent désormais la majorité des transactions.
Une étude récente de l'Observatoire des prix du SPF Économie rappelle cependant que cette évolution n'est pas sans conséquence pour les commerçants. Chaque paiement électronique génère une série de frais qui viennent directement grever leurs marges, qu'il s'agisse de la location des terminaux, de frais de services, des commissions sur les transactions ou encore des coûts liés aux différents intermédiaires. L'étude montre également que ces coûts varient fortement selon les moyens de paiement utilisés. Plus préoccupant encore, elle pointe un manque de transparence important, particulièrement pour les petits commerçants qui peinent souvent à identifier précisément les frais qui leur sont facturés.
Pour les grandes enseignes, ces coûts peuvent être plus facilement négociés ou absorbés. Pour de nombreux indépendants, commerces de proximité, cafés ou restaurants, ils représentent une charge supplémentaire qui pèse directement sur des marges déjà fortement fragilisées.
Madame la ministre, quel regard portez-vous sur les conclusions de cette étude du SPF Économie? Comment expliquez-vous le manque de transparence dénoncé par l'Observatoire des prix concernant les frais liés aux paiements électroniques? Soutenez-vous la mise en place d'un outil de comparaison qui va permettre aux commerçants d'identifier plus facilement les offres les plus avantageuse? Enfin, quelles mesures envisagez-vous afin de limiter l'impact de ces frais sur les indépendants et les PME?
04.03 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Van Lommel, mevrouw Thémont, de kostprijs van een elektronische betaling bestaat uit drie componenten. Een fee voor het kaartschema, een fee voor de verwerker van de transactie, en een interchange fee voor de bank. Het Europese wetgevend kader, meer bepaald de verordening 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad inzake de afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties en de daaraan gelinkte beslissing van de vorige regering, hebben één van die drie deelcomponenten van de transactievergoeding geplafonneerd, met name de interchange fee, de vergoeding die de bank krijgt voor het uitgeven van een kaart met het betrokken betaalschema. De SHIM-fees en de service fees, de twee overige kostencomponenten vallen buiten het toepassingsgebied van die verordening.
Uit de studie van het Prijzenobservatorium en uit Europese studies blijkt dat de SHIM-fees van de buitenlandse betaalschema’s in de voorbije jaren aanzienlijk gestegen zijn en zo de verplichte daling van de interchange fees tenietdeden. Het Prijzenobservatorium stelde ook algemeen vast dat vele handelaars, in het bijzonder kmo’s, niet beschikken over de nodige expertise om de tariefstructuren van de verschillende aanbieders te ontcijferen en te vergelijken.
La structure tarifaire des paiements électroniques est effectivement trop complexe et peu lisible pour les commerçants. Comme je vous le disais, elle comprend plusieurs couches – les frais d’interchange, les frais de schéma, les frais d’acquéreur, les frais fixes, les coûts par canal, etc. – qui varient selon les contrats, les volumes et les prestataires. Cette opacité est également renforcée par le caractère international du marché.
Met betrekking tot de cijfermatige evolutie van de kosten voor kmo’s over de voorbije vijf jaar, verwijs ik u naar de studie van het Prijzenobservatorium. Het rapport van dit observatorium stelt zwart op wit vast dat Bancontact met zijn lagere scheme fee een prijsdrukkend effect heeft op de scheme fees van Mastercard en Visa en bijgevolg op de kosten voor de handelaar.
Selon l’Observatoire des prix, il est clair que Bancontact a freiné de nouvelles hausses tarifaires de la part des grands acteurs internationaux du monde des paiements. Autrement dit, Bancontact reste encore aujourd'hui un casseur de prix.
C’est pourquoi j’en appelle, et je l’ai déjà fait plusieurs fois, au secteur bancaire: continuez d’investir dans Bancontact et déployez-le pour les paiements mobiles. Car aujourd'hui, les paiements par téléphone, à l’exception d’une seule banque, se font exclusivement via des schémas étrangers. Je pense que c’est une occasion manquée et, à terme, une augmentation des coûts pour chaque commerçant belge. Dans mes contacts avec les banques belges, je continue de soulever systématiquement ma demande de soutien.
Ik kan ook expliciet verwijzen naar maatregel nr. 34 uit mijn kmo-plan, die expliciet het volgende stelt: “De regering zal de ontwikkeling en invoering van innovatieve, veilige betaaloplossingen, die verankerd zijn in Europa, aanmoedigen om de strategische autonomie van België en de Europese Unie te versterken. Het doel is om de afhankelijkheid ten opzichte van niet-EU-operatoren te verminderen en een eerlijke, betaalbare en concurrerende toegang tot betaalmiddelen te garanderen voor handelaars, kmo's en consumenten.” Ik verwacht dat de financiële sector deze maatregelen mee onderschrijft en er een positief gevolg aan geeft.
De aangekondigde prijsvergelijkingstool is momenteel in ontwikkeling. Samen met minister Clarinval streef ik ernaar de tool operationeel te maken tegen het einde van dit jaar.
Afin de soutenir les commerçants dans leurs choix, l'outil indiquera donc précisément – j'espère avant la fin de l'année – le coût total et, dans la mesure du possible, le détail des différentes composantes tarifaires, y compris pour les vouchers sociaux et les chèques dont les coûts restent nettement plus élevés.
De prioriteit ligt nu bij het zo goed mogelijk informeren van onze handelaars via de prijsvergelijkingstool, zodat ze in functie van hun noden en klanten de juiste keuzes kunnen maken voor de aanvaarding en verwerking van elektronische betaaltransacties.
Ik heb na de publicatie van het rapport
samen met collega Clarinval aan het National Retail Payments Committee, een
groep opgericht door de NBB, gevraagd om bij zijn leden input te verzamelen om
na te gaan op welke manier de kosten van elektronische betalingen in ruime zin
kunnen verminderen. Onze beide
kabinetten zullen dit verder opvolgen.
Compte tenu du fonctionnement international du marchés des paiements, le règlement sur les services de paiement, le PSR, dont l'approbation définitive est attendue à l'automne 2026, constituera aussi un complément important. En effet, l'article 31A du PSR impose de nouvelles obligations de transparence aux opérateurs de systèmes de paiement par carte et aux entités de traitement. Ils doivent catégoriser et communiquer de manière comparable les coûts facturés, notamment les scheme fees, aux prestataires de services de paiement que l'on appelle les acquiers. Par ailleurs, ils doivent communiquer toute nouvelle charge ou modification tarifaire au moins six mois à l'avance et tenir un registre européen public de toutes les règles et coûts de schémas.
04.04 Reccino Van Lommel (VB): Dank u wel, mevrouw de minister. Eigenlijk gaat u akkoord met mijn analyse. U zegt eigenlijk dat de eerdere inspanningen die zijn gebeurd, in dit geval de geplafonneerde interchange fee, volledig zijn tenietgedaan door het vrij spel dat men voor de twee overige componenten heeft gekregen.
Het is goed dat u zegt dat Bancontact op dit moment de prijzenbreker is. Het is ook het meest gebruikte betaalplatform in ons land, denk ik.
Niettemin wil ik erop wijzen dat ook uw voorganger heeft beloofd om een vergelijkingstool op te stellen. Ik denk dat ik ondertussen al zeker vijf jaar regelmatig vraag waar de vergelijkingstool voor elektronische betalingen voor handelaars blijft, want zij zien door de bomen het bos niet meer. Er zijn heel wat verdoken kosten en het is een dure oplossing. Vandaag bestaan er verschillende systemen, dus er is echt wel vraag naar zo'n tool. Waarom moet het jaren duren voor deze tool er is? U zegt dat het in ontwikkeling is en tegen het einde van dit jaar operationeel zou moeten zijn. Ik neem u op uw woord, mevrouw de minister. Als die tool tegen het einde van dit jaar niet operationeel is, kom ik hierop terug. Laat ons hopen dat die er nu wel echt komt, want het is echt broodnodig.
Als die tool wordt ontwikkeld, is het ook
belangrijk dat de vergelijking ook een echte vergelijking is, zonder bijkomende
verdoken kosten. Als men dan kiest voor de goedkoopste oplossing of voor een
bepaalde service, dan weet men ook dat men bij een bepaalde partij het beste
aanbod heeft. Anders zou het een
maat voor niets zijn.
04.05 Sophie Thémont (PS): Merci, madame la ministre, pour vos réponses complètes. Je resterai évidemment attentive à la suite de ce dossier car, sur le terrain, la réalité est claire: les petits indépendants sont confrontés à des coûts croissants et à des charges supplémentaires. J'entends néanmoins qu'en matière de transparence, le règlement PSR, dont l'approbation est attendue à l'automne 2026, introduira une série d'obligations.
Je prends également note de votre mesure n° 34 du plan PME qui prévoit que le gouvernement stimulera le développement de schémas innovants afin de renforcer la stratégie européenne et de devenir moins dépendant des opérateurs non européens. Je ne manquerai donc pas de vous réinterroger sur la suite des opérations en la matière.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
05.01 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, het conflict in het Midden-Oosten is al een tijd bezig. Laten we hopen dat er snel verbetering komt en dat wat nu zichtbaar wordt ook in de komende weken voor meer rust kan zorgen. We zien immers dat de verstoringen van de internationale handelsstromen en de mondiale toeleveringsketens een zeer zware impact hebben op kmo's. Die impact is zelfs groter voor kmo's dan voor pakweg grote ondernemingen, omdat kmo's vaak over minder financiële reserves beschikken om stijgende kosten of toeleveringsproblemen op te vangen.
Ik breng ook in herinnering dat onze kmo's de voorbije jaren al veel crisissen hebben moeten doorstaan. We hebben COVID-19 gehad, de energiecrisis en de inflatiegolf, die niet integraal kon worden doorgerekend. Nu komt daar ook dit conflict nog bij. Het kan natuurlijk niet blijven duren. Voor kmo's wordt het daardoor bijzonder moeilijk.
Voka schat in dat de impact van dat conflict vooral gevolgen heeft voor de rentabiliteit, de investeringscapaciteit en de concurrentiepositie van onze kmo's. De organisatie waarschuwt echter ook dat de grootste economische gevolgen voor die ondernemingen nog moeten komen en dat we nog maar aan het begin staan van wat mogelijk volgt.
Welke signalen ontvangt u over de gevolgen van dat conflict voor de rentabiliteit en de financiële gezondheid van kmo's? Hebt u aanwijzingen dat het conflict leidt tot toenemende liquiditeitsproblemen of betalingsachterstanden? Hebt u ook zicht op het aandeel ondernemingen dat leveringen uitvoert met zeer beperkte marges, vaak om klantenrelaties te kunnen behouden? Zijn de bancaire instellingen vandaag voldoende bereid om die ondernemingen door moeilijke wateren te loodsen?
Welke sectoren binnen het kmo-landschap worden het zwaarst getroffen? Beschikt u over analyses van de impact op de investeringsbereidheid van kmo's?
Als we vervolgens specifiek inzoomen op uw kmo-plan, welke onderdelen bieden dan een antwoord op de uitdagingen die ik heb geschetst? Hoe meet u de resultaten van die maatregelen en wat hebben ze tot nu toe opgeleverd?
Zijn er scenarioanalyses opgesteld over de potentiële impact op het aantal faillissementen en stopzettingen als de huidige problematiek zich de komende maanden verder zou doorzetten?
Tot slot, welke ondersteuningsmaatregelen worden voorbereid voor het geval dat het conflict toch langdurig aanhoudt en de gunstige vooruitzichten op korte termijn niet kunnen worden bevestigd?
05.02 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Van Lommel, het is momenteel nog vroeg om een volledig en gedifferentieerd beeld te hebben van de totale impact van het conflict in het Midden-Oosten op het Belgische kmo-landschap. De signalen die we ontvangen, hebben vooral betrekking op stijgende energieprijzen en verhoogde onzekerheid in internationale toeleveringsketens. De directe impact situeert zich in de eerste plaats bij olie, gas en transportkosten, met duidelijke volatiliteit op de energiemarkten. Indirect en op kortere termijn ligt het grootste risico voor onze kmo's in een inflatoire druk, met name in de bredere kerninflatie.
We beschikken op dit moment niet over gegevens waaruit een rechtstreeks verband blijkt tussen het conflict in het Midden-Oosten en eventuele toenames van liquiditeitsproblemen of betalingsachterstanden bij Belgische kmo's. De blokkade van de Straat van Hormuz en de daaruit voortvloeiende spanningen op de energiemarkten zijn relatief recent, waardoor de nodige analyses ontbreken om dergelijke effecten al op een betrouwbare manier te objectiveren. Om dezelfde reden beschikken we momenteel evenmin over gegevens die toelaten het aandeel ondernemingen te bepalen dat ervoor kiest leveringen uit te voeren met zeer beperkte marges om klantenrelaties te behouden.
Wat uw tweede vraag betreft, de impact zal zich naar verwachting het sterkst manifesteren in energie-intensieve kmo-sectoren, in het bijzonder de bouwsector en de transportsector. Die sectoren worden rechtstreeks geconfronteerd met hogere brandstof- en energiekosten en met verstoringen in internationale logistieke ketens.
Wat uw derde vraag betreft, het is momenteel te vroeg om definitieve statistische analyses te maken over de impact van het conflict op de investeringsbereidheid van kmo's. Wel verwachten we een verhoogde terughoudendheid bij investeringsbeslissingen van onze Belgische kmo's in deze context van onzekerheid en kostenstijgingen.
Maatregel 41 van mijn kmo-plan lijkt mij bijzonder relevant. Die maatregel voorziet dat de minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s en haar administratie in crisissituaties rechtstreeks deelnemen aan de structurele crisiscoördinatie tussen de bevoegde overheden, met als doel de veerkracht van kmo's te versterken via een gecentraliseerde communicatie van veiligheidsinstructies en ondersteuningsmaatregelen.
De eerste krijtlijnen en coördinatiemechanismen zijn uitgewerkt, maar de verdere operationalisering vereist nog bijkomende afstemming tussen de betrokken administraties en beleidsniveaus. Hierdoor zijn er vandaag nog geen definitieve meetbare resultaten beschikbaar. De maatregel is echter specifiek bedoeld om in crisissituaties, zoals verstoringen van de energiebevoorrading of internationale handelsstromen, sneller en gerichter ondersteuning en informatie naar kmo’s te kunnen kanaliseren.
Het Kmo-observatorium van de FOD Economie volgt de evolutie van faillissementen bij Belgische kmo’s nauwlettend op, met bijzondere aandacht voor sectorale verschillen. Deze opvolging gebeurt op basis van officiële administratieve gegevens, die systematisch worden geanalyseerd en opgevolgd in de tijd.
Ook relevant is het recent goedgekeurde voorstel rond het vaststellen van een noodplan voor de bevoorradingszekerheid van ruwe aardolie en aardolieproducten. Dit noodplan beoogt bij verstoringen van de internationale olievoorziening de continuïteit van de bevoorrading te waarborgen en aanbodschokken op te vangen.
Dat is belangrijk voor onze kmo’s, omdat olie- en petroleumproducten een essentiële input vormen voor transport, logistiek en tal van productieprocessen. Bij een verstoring van de bevoorrading kan dit leiden tot snelle stijgingen van energie- en transportkosten en tot bredere inflatiedruk, met een directe impact op de kostenstructuren en marges van onze ondernemingen.
Het noodplan voor de bevoorradingszekerheid van ruwe aardolie en aardolieproducten speelt hierop in door een gecoördineerd interventiekader te voorzien dat bij ernstige verstoringen de continuïteit van de bevoorrading moet helpen waarborgen en zo de impact van dergelijke prijsschokken op de economie helpt te temperen.
05.03 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, u geeft aan dat het nog vroeg is om de totale impact op dit moment te berekenen. De nodige analyses ontbreken vandaag nog. Ik begrijp dat u voor een aantal aspecten over te weinig gegevens beschikt om een analyse te maken en daar conclusies uit te trekken. Ik kan mij echter wel inbeelden dat u zodra er binnenkort meer cijfers beschikbaar zullen zijn, bereid zult zijn een en ander in kaart te brengen en daar de nodige conclusies uit te halen, al is het maar met het oog op de toekomst. Wanneer dergelijke situaties zich opnieuw voordoen, moeten wij voorbereid zijn.
Dat is immers niet de enige geopolitieke spanning die wij momenteel meemaken. Er zullen er in de toekomst nog veel volgen. Hopelijk is dat niet het geval maar wij moeten wel voorbereid zijn. Die spanningen hebben een aanzienlijke invloed op onze bedrijven en onze kmo's. Daarom moeten wij structureel nadenken over een en ander.
U stelt dat een aantal krijtlijnen zijn uitgewerkt. Ik had graag gehad dat u in uw antwoord iets dieper was ingegaan op een aantal concrete maatregelen, want op dat vlak bleef het antwoord nogal vaag.
De invloed is vandaag inderdaad vooral voelbaar in het olie- en gastransport. Olie wordt echter gebruikt voor veel producten en in veel sectoren die daarvan afhankelijk zijn voor hun productieprocessen. Veel bedrijven krijgen ondertussen al enkele maanden te maken met de ene prijsstijging na de andere. Die inflatiegolf is dus bezig. De hogere kosten van hun inkopen zullen moeten worden doorgerekend aan de klanten, wat op zijn beurt opnieuw voor inflatie zal zorgen. U hebt er ook op gewezen dat het risico bestaat dat er inflatoire druk zal ontstaan.
Er zal dus iets moeten gebeuren. Er moet worden ingegrepen, want onze economische groei is al zo laag dat als daar nog bijkomende inflatoire druk bovenop komt, wij het risico lopen in stagflatie terecht te komen. Dat zou nefast zijn voor onze economie, maar ook voor de koopkracht van de mensen in ons land.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
06.01 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, mijn volgende graag gaat over de doorgroei van start-ups naar scale-ups. Het is niet onbelangrijk om daar even bij stil te staan, want als we kijken naar het Europese gemiddelde blijkt dat het aantal scale-ups in ons land met 0,25 % aanzienlijk onder het Europese gemiddelde van 0,79 % blijft.
De Europese Commissie heeft vastgesteld dat de bedrijfsdynamiek in ons land achterblijft ten opzichte van veel andere Europese lidstaten. Men wijst op een aantal factoren die de doorgroei van ondernemingen bemoeilijkt. Zo is het ondersteuningsbeleid onvoldoende gericht op ondernemingen in een opschalingsfase. Ook bestaande innovatie- en ondernemingssteun komt niet altijd terecht bij bedrijven met het grootste groeipotentieel.
In uw kmo-plan hebt u aangekondigd te willen inzetten op ondernemerschap, innovatie en doorgroei van ondernemingen, mevrouw de minister. Hoe beoordeelt u de vaststelling dat het aantal scale-ups in dit land aanzienlijk onder dat van het Europees gemiddelde blijft? Welke beleidsaanpassingen overweegt u naar aanleiding daarvan? Beschikt u over cijfers van de voorbije vijf jaar van het aantal start-ups dat naar scale-up is doorgegroeid? Wat zijn de voornaamste knelpunten voor ondernemingen die willen doorgroeien van start-up naar scale-up? Welke maatregelen uit uw kmo-plan zijn specifiek gericht op ondernemingen in die opschalingsfase? Met welke KPI’s wordt het succes van deze maatregelen gemeten? Met welke instrumenten gaat u scale-ups ondersteunen die internationaal willen uitbreiden?
06.02 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Van Lommel, ik heb uiteraard kennisgenomen van de publicatie van het recente sociaaleconomische profiel van België door de Europese Commissie op 3 juni. Mijn kabinet analyseert momenteel de aanbevelingen.
Wat uw eerste vraag betreft, wil ik onderstrepen dat de indicator met betrekking tot het aandeel scale-ups op zich geen afdoende basis vormt om het economisch succes van ons land te beoordelen. Dat blijkt uit het door de Europese Commissie gepresenteerde start-up- en scale-upscorebord, dat op dezelfde cijfers gebaseerd is en België op de 9de plaats van de 27 Europese landen plaatst wat betreft start-ups en scale-ups.
Wat uw tweede vraag betreft, bestaat er geen studie die toelaat daarop een precies antwoord te geven. Statbel publiceert wel cijfers over snelgroeiende ondernemingen in de industrie en de marktdiensten. Daaruit blijkt dat het aantal snelgroeiende ondernemingen is toegenomen van 2.156 bedrijven in 2022 tot 2.573 bedrijven in 2023, een stijging met 19,34 %.
Wat uw derde vraag betreft, heb ik binnen mijn bevoegdheden in de federale regering afgelopen januari het kmo-plan voorgesteld. Ik heb toen al gewezen op de internationale vergelijkingen inzake innovatie en groei, die inderdaad tot een verontrustende vaststelling leiden: 263 unicorns in de Europese Unie, tegenover 1.539 in de Verenigde Staten en 387 in China.
Dat toont aan dat we onze inspanningen verder moeten opvoeren om een ecosysteem te creëren dat innovatie en doorgroei sterker ondersteunt. Het kmo-plan voorziet daarom in het versnellen van de visumprocedures voor oprichters en ervaren werknemers, het ondersteunen van de ontwikkeling van spin-offs, het inzetten van regelluwe experimenteerzones, het bevorderen van aandelenfinanciering, het herzien van bepaalde belastingvoordelen, de degressieve afschrijving van digitale investeringen, octrooien, milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling en energiebesparende investeringen. Het voorziet ook in het vergemakkelijken van de toegang tot overheidsopdrachten en in een reeks maatregelen om de administratieve lasten te verminderen.
In dezelfde geest van de versterking van het ondernemersecosysteem voorziet het kmo-plan eveneens in een hervorming van de taxshelter voor start-ups en scale-ups. Die regeling, die sinds 2016 van kracht is, heeft de ondersteuning mogelijk gemaakt van 2.784 start-ups en 38 scale-ups.
Wat uw vierde vraag betreft, het is vandaag nog niet mogelijk om met een eenduidige indicator te werken, precies omdat er nog verschillende definities bestaan van start-ups, scale-ups, spin-offs en innovatieve ondernemingen. De Europese Commissie heeft recent voorstellen gepubliceerd om tot geharmoniseerde definities te komen. Dat moet het mogelijk maken om op Europees niveau een consistenter en vollediger beeld te krijgen van de dynamiek en de vitaliteit van innovatief ondernemerschap.
Wat betreft uw laatste vraag over de beschikbare instrumenten ter ondersteuning van scale-ups die internationaal willen uitbreiden, verwijs ik u naar maatregel 40 van het kmo-plan. Deze maatregel beoogt een gecentraliseerde en publiek toegankelijke informatieverstrekking aan Belgische ondernemingen over de evolutie van de handelstarieven, zodat zij hun risico's beter kunnen inschatten. In dit bredere kader van ondersteuning van de internationalisering van ondernemingen speelt het Agentschap voor Buitenlandse Handel eveneens een belangrijke rol bij de bevordering van de buitenlandse handel en de begeleiding van Belgische ondernemingen op internationale markten.
06.03 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik begrijp dat het op zich niet de basis is om economisch succes in het algemeen te beoordelen, maar ik stel wel vast dat er ook op dit vlak te weinig cijfers en studies voorhanden zijn en dat onderzoek nodig is. Het begint al met het feit dat er verschillende definities zijn van wat een start-up of een scale-up is, zoals u zelf zegt. Als we geen duidelijke definities hebben, dan wordt het ook moeilijk om een beleid te voeren.
Wat we nodig hebben, is dus het definiëren van wat start-ups en scale-ups precies zijn en het maken van een grondige analyse. We moeten daarvoor niet wachten op Europa, maar we moeten kijken naar de situatie in ons land op basis van die definities en dan een heel gericht beleid voeren. Wat u nu hebt gedaan, is een aantal concretere maatregelen opsommen, waar ik per definitie niet tegen ben, maar wanneer u niet duidelijk definieert wat de problematiek vandaag is, dan is het ook moeilijk om beleidsmaatregelen voor te stellen en te implementeren.
Ik wil tot slot nog zeggen dat start-ups laten doorgroeien naar scale-ups ongelooflijk belangrijk is, dus zet daarop in en voer ook daarvoor een beleid.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
07.01 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, u weet wellicht dat fysieke handelszaken en winkels het tegenwoordig bijzonder moeilijk hebben. De cijfers van Eurostat en Statbel wijzen heel duidelijk op een afkoeling van de activiteit in verschillende segmenten van de detailhandel. Er is sprake van een neerwaartse spiraal die al een tijd aan de gang is. Handelszaken worden niet alleen geconfronteerd met stijgende kosten en toenemende concurrentie van onlinespelers, klanten zijn in dit land blijkbaar ook voorzichtiger met hun uitgaven dan in andere Europese lidstaten. Een aanhoudende daling van de verkoop kan de rentabiliteit van fysieke winkels verder onder druk zetten. Wie zal het bovendien nog aandurven om in de toekomst een fysieke winkel op te starten? Vandaar een aantal vragen.
Hoe kijkt u als minister naar die situatie, meer bepaald naar de terugval van de detailhandelsverkoop en de mogelijke gevolgen daarvan?
Bent u van oordeel dat die terugval tijdelijk is, of gaat het om een structurele evolutie?
Welke factoren verklaren volgens u de zwakke prestaties in vergelijking met andere Europese lidstaten?
U ontvangt wellicht ook signalen vanuit de sector. Welke zijn dat, in het bijzonder met betrekking tot de rentabiliteit en de leefbaarheid van handelszaken?
Welke structurele knelpunten worden het vaakst aangehaald door ondernemers in de detailhandel?
Welke gevolgen verwacht u op langere termijn voor de aanwezigheid van handelszaken in onze stads- en dorpskernen als de huidige evolutie zich verder doorzet?
07.02 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Van Lommel, de daling van de detailhandelsverkopen moet zowel als een conjunctureel als een structureel fenomeen geïnterpreteerd worden. Op de korte termijn conjunctureel, als gevolg van de macro-economische en geopolitieke context, die leidt tot voorzichtiger consumentengedrag, uitstel van aankopen of een verschuiving naar essentiële goederen. Daarnaast wordt de detailhandel geconfronteerd met ingrijpende veranderingen in de sector, zoals digitaliseringskosten en een evolutie van de vraag.
Verschillende factoren kunnen de relatieve zwakke prestaties van de detailhandel in België ten opzichte van die in andere lidstaten verklaren.
Vooreerst lijkt de binnenlandse consumptie gematigder. Die wordt beïnvloed door de inflatoire periode, met name door de stijging van de energieprijzen. Daarbovenop komt een relatief hoog spaarniveau, wat wijst op een voorzorggedrag van de Belgische huishoudens. Bovendien is de concurrentie van e-commerce bijzonder sterk. België wordt gekenmerkt door een hoge penetratiegraad van onlinehandel en heeft door zijn geografische ligging een gemakkelijke toegang tot het buitenlandse aanbod.
Verder wordt het Belgische handelsweefsel gekenmerkt door een grote aanwezigheid van kleine, onafhankelijke winkels. Die actoren beschikken doorgaans over minder ruimte om economische schokken op te vangen, investeren moeilijker in digitalisering of in logistiek en zijn gevoeliger voor vraagschommelingen.
Daarnaast wordt de Belgische markt ook gekenmerkt door een sterke toename van het aantal vestigingen van grote distributieketens, die onderling een intense prijsconcurrentie voeren, wat leidt tot een neerwaartse druk op de prijzen en de marges, in het bijzonder voor onze kleinere handelaars.
Ten slotte worden beperkingen inzake bereikbaarheid en stedelijke omgeving regelmatig door de sector aangehaald. Het gaat met name om problemen met de toegankelijkheid van stadscentra, mobiliteit, parkeren, de diversiteit en complexiteit van lokale regelgeving en administratieve kosten. Die elementen dragen bij tot een afname van de bezoekersaantallen in fysieke winkels ten voordele van perifere winkelcentra en e-commerce.
Dan kom ik aan uw derde en vijfde vraag. De signalen van de sector wijzen op een toenemende druk op de rendabiliteit van de handelszaken. Analyses van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wijzen eveneens op nadelen voor fysieke winkels, met name een lagere flexibiliteit ten opzichte van online spelers en toenemende concurrentie, ook internationaal. In die context hangt de levensvatbaarheid van handelszaken steeds meer af van hun vermogen om zich aan te passen aan die structurele veranderingen.
In uw vierde vraag verwijst u terecht naar de toenemende concurrentie van online spelers. Online handelaars hebben een veel grotere flexibiliteit dan fysieke winkels, wat leidt tot concurrentieverstoringen. Het huidige wetgevend kader is niet langer aangepast aan de economische realiteit, die de voorbije twintig jaar aanzienlijk veranderd is. Het houdt geen rekening met de evolutie van de online handel en evenmin met de nieuwe gewoonten en wensen van de consumenten.
Daarom wil ik de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening moderniseren en aanpassen aan de nieuwe verwachtingen van consumenten en handelaars, om zo een level playing field te creëren tussen online handelaars en fysieke winkels.
Om daarop in te spelen voorziet mijn kmo-plan onder meer in een belangrijke administratieve vereenvoudiging, in het only-onceprincipe, digitalisering van procedures, een betere toegang tot financiering, inclusief alternatieven voor bankkredieten en fiscale stimuli, ondersteuning van digitalisering en e-commerce, een versterking van de tweede kans voor ondernemers en acties tegen oneerlijke concurrentie en ter versterking van het concurrentievermogen.
Het doel is de kosten te verlagen, de veerkracht van handelszaken te versterken en een aanpassing aan de nieuwe marktrealiteit te ondersteunen.
07.03 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, u maakt een interessante analyse. Een aantal zaken die u aangeeft, zijn niet bijzonder verrassend. Het is vooral belangrijk om te bekijken hoe de problematiek kan worden opgelost.
U hebt een aantal oplossingen opgesomd. Het wetsontwerp over de openingsuren dat wij zo dadelijk zullen bespreken, is daar inderdaad een van. Dat is al een stap om een gelijk speelveld te creëren.
Over de administratieve vereenvoudiging wordt heel veel gezegd, maar het blijft natuurlijk wachten op de concrete uitwerking daarvan in de komende periode. Ook de toegang tot financiering is heel belangrijk. Winkeliers en ondernemers geven vaak aan dat dat heel moeilijk is. Het is niet zo gemakkelijk om banken mee te krijgen.
Ik kijk dan ook uit naar de concrete uitwerking van een en ander, wat absoluut noodzakelijk is. U geeft immers aan dat de problematiek in de detailhandel niet alleen conjunctureel is, maar ook structureel. Als er niets verandert, zullen onze stads- en dorpskernen in de toekomst nog meer leeglopen, wat bijzonder jammer zou zijn.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
08.01 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, in de recente cijfers van de KMO-Barometer van UNIZO zien we dat het ondernemersvertrouwen ondertussen al 18 kwartalen op rij negatief is. Ondernemers geven aan dat hun marges onder druk staan en dat investeringen worden uitgesteld en een groeiende groep vreest moeilijkheden om hun financiële verplichtingen na te komen.
De nieuwe nationale voorzitter van UNIZO heeft ook gesteld dat er een geleidelijke verzwakking is van het kmo-weefsel. Er is ondertussen – ik heb er in een eerdere vraag al naar verwezen – een langdurige opeenstapeling van kostenstijgingen, uitgestelde investeringen, laattijdige betalingen en een afnemende ondernemingsdynamiek, die weegt op onze kmo's.
Daartegenover staat dat de indicatoren van de Nationale Bank van België wijzen op een kleine verbetering van het vertrouwen, al blijft die sterk afhankelijk van de sector. Recente cijfers van SD Worx wijzen erop dat de aanwervingsintenties bij kmo's op een historisch laag niveau blijven.
Welke zijn volgens u, mevrouw de minister, de belangrijkste drempels die ondernemingen ervan weerhouden verder te groeien of nieuwe projecten op te starten?
Hoe verklaart u dat kmo's zich hoofdzakelijk richten op efficiëntie en kostenbeheersing en steeds minder ruimte ervaren voor groei-investeringen en aanwervingen?
Welke maatregelen kunnen bijdragen tot meer rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor ondernemers?
Met welke maatregelen wilt u de problematiek van laattijdige betalingen aanpakken? Dat is niet onbelangrijk, want het is een sneeuwbal die een hele keten kan verstoren.
Welke maatregelen uit het kmo-plan die een concrete verbetering voor kmo's zullen opleveren, zullen prioritair worden uitgevoerd? Welke doelstellingen en timing hebt u daarvoor vastgelegd, mevrouw de minister?
08.02 Minister Eléonore Simonet: Meneer Van Lommel, de signalen uit de KMO-Barometer van UNIZO tonen aan dat veel ondernemers vandaag voorzichtig blijven. We stellen vast dat ondernemingen geconfronteerd worden met een aantal structurele groeidrempels, zoals een tekort aan gekwalificeerd personeel, stijgende kosten, administratieve lasten, complexe regelgeving en moeilijkheden bij de toegang tot financiering.
Mijn plan speelt hierop in door deze structurele drempels gericht aan te pakken via een pakket van 89 maatregelen. Voor starters en groeibedrijven komen daar specifieke uitdagingen bij, zoals het aantrekken van risicokapitaal, het vinden van gespecialiseerd talent en de doorgroei van start-ups naar scale-ups. Daarom bevat het plan maatregelen die deze problemen identificeren en aanpakken, om ondernemerschap en groei te ondersteunen. Voorbeelden hiervan zijn de voorziene hervorming van de taxshelterregeling, een betere toegang tot alternatieve financiering, de vereenvoudiging van het statuut van student-ondernemer, de ondersteuning van spin-offs, het stimuleren van ondernemerschap bij vrouwen en de versnelling van aanwervingsprocedures voor internationaal talent. Met deze maatregelen wil de regering voorwaarden creëren waarmee ondernemers opnieuw meer vertrouwen krijgen om te investeren en te groeien.
Veel kmo's worden vandaag geconfronteerd met druk op hun marges, hogere financieringskosten en economische onzekerheid. In die context is het logisch dat zij eerst focussen op efficiëntie en kostenbeheersing alvorens nieuwe investeringen of aanwervingen te overwegen. Ook dat pakt het plan aan. We willen die investeringsruimte bij kmo's opnieuw vergroten. Zo worden de degressieve afschrijvingen voor digitaal innovatieve en energiebesparende investeringen opnieuw ingevoerd en wordt de toegang tot financiering verbeterd.
Wat uw derde vraag betreft, rechtszekerheid en voorspelbaarheid zijn essentieel voor ondernemers die investeringsbeslissingen nemen. De regering zet onder meer in op de uitbreiding van het only once-principe, de vereenvoudiging van het UBO-register, de verdere digitalisering van administratieve procedures en een meer uniforme toepassing van regelgeving. Daarnaast worden bepaalde fiscale en juridische regels verduidelijkt.
Het doel is om ondernemers meer duidelijkheid en vertrouwen te geven in hun dagelijkse activiteiten en investeringsbeslissingen.
Wat betreft uw vierde vraag, laattijdige betalingen blijven een belangrijk aandachtspunt voor kmo's, omdat zij rechtstreeks wegen op hun liquiditeit en investeringscapaciteit. Vooral kleinere ondernemingen worden hierdoor sneller kwetsbaar in hun cashflowbeheer. Het is belangrijk te benadrukken dat de aanpak van laattijdige betalingen in significante mate op Europees niveau wordt opgevolgd en verder uitgewerkt.
De Europese Commissie heeft in dat verband het bestaande kader rond betalingsachterstand geëvalueerd en een herziening van de Europese late payment-regels voorbereid, met als doel de betaaltermijnen verder te verstrengen en de handhaving te versterken. Deze Europese dynamiek moet zorgen voor een meer geharmoniseerde en doeltreffender aanpak binnen de interne markt. De positie van kmo's in de waardeketen wordt verbeterd via maatregelen rond economische afhankelijkheid en de evaluatie van hun rechtmatige bedingen in B2B-relaties, wat bijdraagt aan evenwichtigere contractvoorwaarden en betalingstermijnen.
08.03 Reccino Van Lommel (VB): Mevrouw de minister, u hebt een aantal zaken opgenoemd die er niet meteen voor zullen zorgen dat de bezorgdheid wordt weggenomen van ondernemers die zeggen dat hun marges onder druk staan en dat ze daarom investeringen moeten uitstellen. Het is niet zo dat zij op basis daarvan dat nu opeens wel zullen gaan doen. Wanneer de marges laag zijn, is er ook geen ruimte om te investeren. Er moet een return on investment zijn. Het gaat niet alleen om wat de investering opbrengt, men moet er ook voor zorgen dat de financiële middelen er zijn om die leasings te betalen, om de banken terug te betalen. Men kan wel zeggen dat men de drempels om financiering bij banken te krijgen zal verlagen, maar die financiering moet wel terugbetaald worden en met lage marges wordt dat bijzonder moeilijk.
Dat is wat ik hier vandaag wilde aankaarten, dat het ondernemersvertrouwen vandaag veel te laag is. Het klopt dat een aantal zaken moet gebeuren, zoals regels vereenvoudigen en het UBO-register vereenvoudigen, maar met een vereenvoudiging van het UBO-register zal men de marges niet opkrikken en zal men er niet voor zorgen dat investeringen mogelijk worden.
U zegt dat de problematiek van laattijdige betalingen op Europees niveau wordt opgevolgd. Het is goed dat dat daar wordt opgevolgd, maar wat doet ons land? Tijdens de vorige legislatuur werd een wetsontwerp aangenomen waardoor de wettelijke betalingstermijn maximaal 60 dagen na factuurdatum mag bedragen. Die wet wordt niet altijd toegepast. Moet die strenger gemaakt worden of niet? We moeten op dat vlak toch niet wachten op Europa om concrete maatregelen te nemen? Dat kunt u toch perfect zelf doen? Dat is nationale wetgeving, dat staat in het Wetboek van economisch recht. Als daar een aanpassing nodig is, dan moet u niet op Europa wachten, maar dan moet u dat gewoon zelf doen.
Mevrouw de minister, we delen de analyse, maar over de oplossingen verschillen we van mening.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
09.01 Jeroen Soete (Vooruit): Mevrouw de minister, phishing is vandaag een van de snelst groeiende vormen van fraude. We merken een merkwaardige beschermingskloof tussen consumenten en zelfstandigen.
Wanneer een consument slachtoffer wordt van phishing, biedt het Wetboek van economisch recht - in theorie weliswaar - een stevig vangnet. Bij een niet-toegestane betalingstransactie moet de bank het bedrag in beginsel onmiddellijk terugbetalen, uiterlijk de volgende werkdag. De aansprakelijkheid van het slachtoffer blijft beperkt tot maximaal 50 euro, tenzij de bank fraude of grove nalatigheid in een later stadium kan bewijzen. De bewijslast ligt met andere woorden bij de bank, niet bij het slachtoffer.
Bij zelfstandigen doen we echter een zeer pijnlijke vaststelling. Ik kan u garanderen dat ik heel wat schrijnende getuigenissen ontvang van mensen die jammer genoeg slachtoffer zijn geworden van phishing, onder wie heel wat zelfstandige ondernemers, maar ook vzw’s, zoals seniorenvereniging OKRA. Die verhalen komen regelmatig in de krant. Ik kreeg ook het verhaal van een vzw met een gepensioneerde mevrouw die slachtoffer is geworden van phishing.
Zij vallen niet onder die regelgeving, dat vangnet geldt niet automatisch. Omdat zij geen consument zijn, laat de wet immers toe dat de bank de beschermende bepaling uit het Wetboek van economisch recht contractueel buiten werking kan stellen in de algemene voorwaarden. Het gaat dus eigenlijk over de beperking van de aansprakelijkheid ingeval van phishing. Die kan door de bank buiten werking worden gesteld.
Dan komen we tot de pijnlijke vaststelling dat bij exact dezelfde gebeurtenis, dezelfde phishingaanval, de zelfstandige of de vzw volledig kan opdraaien voor het verlies, zonder al te veel verhaalrechten ten opzichte van de bank, dit in tegenstelling tot een consument. Twee slachtoffers van dezelfde fraude, maar met een totaal verschillende uitkomst, louter omdat de ene een professionele rekening gebruikt en de andere een consumentenrekening.
Erkent u dat zelfstandige micro-ondernemingen en vzw’s bij phishing aanzienlijk minder beschermd zijn dan consumenten? Welk standpunt verdedigt België in het PSD3-traject om die beschermingskloof voor onze ondernemers, maar ook onze vzw’s, te dichten?
09.02 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Soete, dank u voor uw vraag.
Ten eerste dien ik te verduidelijken dat er contractueel kan worden afgeweken van de aansprakelijkheidslimiet, zoals voorzien in artikel 7.44 van het Wetboek van economisch recht, en van de bewijslast, zoals voorzien in artikel 7.42. Op de regels inzake de voorwaardelijke terugbetaling, vervat in artikel 7.43, is echter geen contractuele uitzondering mogelijk.
Dat is conform de Europese wetgeving van PSD2, de zogenaamde Payment Services Directive 2. In de PSD 1, en later opnieuw in de PSD 2, bestond de mogelijkheid voor de lidstaten om te bepalen dat micro-ondernemingen, zoals omschreven in aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie, als consumenten werden behandeld.
In België werd daarover een uitgebreide consultatie van de stakeholders georganiseerd, onder meer bij de handelarenorganisaties. Daaruit bleek dat de handelaars geen vragende partij waren om het geheel van de bepalingen van de richtlijn en het regime van dwingend recht toe te passen op micro-ondernemingen. In het wetsontwerp werd dan ook voorgesteld om van die mogelijkheid geen gebruik te maken, teneinde een soepeler regime ten aanzien van niet-consumenten, met name tussen handelaars, te behouden. De lidstaten konden immers niet vrij kiezen om slechts bepaalde artikelen om te zetten.
In de PSD 3 werd diezelfde mogelijkheid opnieuw opgenomen. Het staat de lidstaten dus vrij om die optie in de toekomst alsnog te lichten. Daarbij dient echter te worden benadrukt dat dit moet gebeuren voor het geheel van de informatieverplichtingen en voor het geheel van de rechten en plichten met betrekking tot het aanbieden en gebruiken van betalingsdiensten.
09.03 Jeroen Soete (Vooruit): Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoord. U hebt de ontstaansgeschiedenis inderdaad correct geschetst. Het is inderdaad zo dat die optie niet werd gelicht, maar daardoor bestaat vandaag een pijnlijke beschermingskloof tussen consumenten en zelfstandigen, micro-ondernemingen of vzw's. Het is goed dat die optie opnieuw op tafel komt. Ik hoop dan ook dat u als minister van Zelfstandigen, maar uiteraard ook in ruimere zin als minister van de seniorenverenigingen en de vzw's, die al te vaak slachtoffer zijn van phishing en al hun zuurverdiende centen zien verdwijnen, die mensen in de toekomst een betere bescherming kunt bieden. Ik denk immers dat de gevolgen van die keuze, die nu al dramatisch zijn, steeds meer disproportioneel zullen doorwegen.
Ik denk ook dat uit de bevraging die ongetwijfeld opnieuw zal worden georganiseerd, zal blijken dat de inzichten geëvolueerd zijn en dat er misschien ook andere opmerkingen zullen komen, zowel vanuit UNIZO als vanuit het middenveld, om die optie en de bescherming van niet-consumenten in het licht van de toenemende phishingaanvallen toch opnieuw te bekijken. Dat is iets wat we in de toekomst zullen zien. Alvast bedankt voor uw antwoorden.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
10.01 Steven Coenegrachts (Anders.): Mevrouw de minister, de architectenwet dateert van 1939, een hele tijd geleden, en sindsdien is de wereld en de invulling van het beroep van architect veranderd. Er zijn taken bij gekomen, zoals veiligheidscoördinatie, naleving van verplichtingen inzake EPB-attesten, erfgoed en toegankelijkheid en opvolging van sloopplannen. Architecten signaleren ons dat de wet verouderd is en niet meer aangepast aan het takenpakket van vandaag. Ook worden op lokaal en zeker op Vlaams niveau initiatieven genomen die raken aan bijvoorbeeld de aansprakelijkheid van architecten. Wij hebben dat net nog gezien met het vrijstellingenbesluit van minister Brouns. Daarover heb ik nog een vraag aan minister Beenders.
Staat een modernisering van de wetgeving op de planning? Hoe ziet u dat? Met wie zult u daarover spreken? Wat is de concrete timing daarvoor?
Ik heb mijn vragen schriftelijk ingediend en zal ze niet allemaal voorlezen.
Ik kijk uit naar uw antwoord.
10.02 Minister Eléonore Simonet: Mijnheer Coenegrachts, ik leg vandaag een wetsontwerp aan het Parlement voor dat tegemoetkomt aan een aantal fundamentele bezorgdheden met betrekking tot de Orde van Architecten. Het wetsontwerp beoogt onder meer het verhogen van de transparantie bij de orde en de verzekering van een optimale besteding van de middelen. Voorts voorziet het in de afschaffing van de minimumleeftijd om mandataris te zijn bij de orde.
Parallel daaraan heb ik de sector gevraagd mij een voorstel te bezorgen tot modernisering van de architectenwetten van 20 februari 1939 die de toegang tot het beroep van architect regelt, en van 26 juni 1963 die de organisatie van de orde regelt. Volgens de informatie waarover ik beschik, lopen er gesprekken in de sector aangaande de modernisering van de wet van 1939, maar ligt de focus momenteel op de modernisering van de orde, dus op de wet van 1963. Indien het nodig blijkt, zal ik uiteraard andere actoren betrekken bij de besprekingen.
Als mijn eerste wetsontwerp wordt goedgekeurd, zal de jonge garde van architecten meer mogelijkheden hebben om aan de debatten deel te nemen. Ik denk dat dat geen slechte zaak zou zijn.
Ik zal daarop geen timing plakken. Die hangt uiteraard af van de evolutie van de gesprekken in de sector.
10.03 Steven Coenegrachts (Anders.): Mevrouw de minister, we bespreken inderdaad straks de modernisering van de orde. Er zitten zeker goede elementen in dat wetsontwerp. Dat mag echter geen rem zijn om ook de regels in verband met het beroep zelf te moderniseren. Het is positief om vanuit de basis te vertrekken, vanuit de architecten en de sector zelf. Als het werk echter daar blijft hangen, dan is er een politiek initiatief nodig om het vlot te trekken. We kijken het op dit moment dus nog even aan.
Als de nieuwe orde verkozen zal zijn, normaal gezien dit najaar, kunnen we misschien opnieuw met elkaar praten over de volgende stappen. Dan weten we ook meer over wat er achter de schermen is gebeurd. We kunnen in ieder geval niet met de armen over elkaar wachten tot de sector er zelf uit is. We zullen vanuit de politiek zelf moeten aanmanen tot een beetje bekwame spoed. Dat blijven wij alleszins vanuit de commissie doen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De behandeling van de vragen eindigt om 10.53 uur.
Le développement des questions se termine à 10 h 53.