|
Commissie
voor Gezondheid en Gelijke Kansen |
Commission
de la Santé et de l'Égalité des chances |
|
van Woensdag 3 juni 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 3 juin 2026 Après-midi ______ |
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.03 uur en voorgezeten door de heer Jan Bertels.
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 03 et présidée par M. Jan Bertels.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De voorzitter: Collega’s, mevrouw Dedonder zal een tijdje afwezig zijn. Ik heb dus de eer om de vergadering voor te zitten. Mevrouw Depoorter neemt niet deel aan het debat, omdat zij in het buitenland is.
01.01 Katleen Bury (VB): Mijnheer de minister, komende vrijdag komen de Europese ministers van Volksgezondheid in spoedzitting bijeen over de ebola-uitbraak in Oost-Congo. De World Health Organization (WHO) schat het risico voor Congo als zeer hoog en voor de regio als hoog in. Tegelijk zien we dat verschillende landen bijkomende maatregelen nemen. De Verenigde Staten, Canada en Thailand hebben al aangekondigd dat ze extra voorzorgsmaatregelen nemen voor reizigers uit de getroffen regio's.
Bovendien heb ik vernomen dat de Congolese WK-selectie door de uitbraak een deel van haar voorbereiding naar België verplaatst. Aangezien de voetballers niet welkom zijn in Amerika en daar drie weken in quarantaine zouden moeten verblijven, komen ze naar België. Dat vind ik een vreemde keuze.
Ons land zal er rekening mee moeten houden dat er meer reizigers zijn vanuit een regio waar de situatie momenteel niet onder controle is. Tijdens de coronacrisis hebben we geleerd dat paraatheid en voorzorg geen overbodige luxe zijn.
Ik heb mijn belangrijkste vragen van de 22 gegroepeerd. Welke concrete risicoanalyse heeft België gemaakt voor reizigers afkomstig uit Congo, Oeganda en omliggende risicogebieden? Welke bijkomende maatregelen worden momenteel toegepast op het vlak van screening, opvolging van reizigers, contactopsporing en de voorbereiding van onze gezondheidszorg?
Welk standpunt zal België komende vrijdag verdedigen op het Europese spoedoverleg? Zal ons land pleiten voor een gecoördineerde Europese aanpak met gemeenschappelijke maatregelen inzake screening, monitoring en paraatheid?
Tot slot, vanaf welke epidemiologische drempel acht de regering extra voorzorgsmaatregelen noodzakelijk?
01.02 Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb vastgesteld dat allerhande informatie gemakkelijk terug te vinden is op de website van de FOD Volksgezondheid, maar ik heb nog enkele vragen. Ik beperk mijn betoog daartoe, aangezien de inleiding al werd gegeven.
Kunt u verduidelijken wat de respectieve rollen zijn van de FOD Volksgezondheid, Sciensano, het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) en de deelstaten, en welke andere instellingen of overheidsdiensten betrokken zijn bij de eboladreiging?
Wat is het referentiecentrum voor ebola in België? Wie coördineert in dat centrum?
Worden er specifieke maatregelen genomen op luchthavens of andere toegangspunten voor reizigers die aankomen uit of via de getroffen regio's?
Welke procedure geldt voor personen of georganiseerde groepen die vanuit de getroffen regio's naar België reizen, zoals de voetbalploeg waarnaar zopas werd verwezen?
Hoe worden de Belgische zorgverleners en ziekenhuizen geïnformeerd?
01.03 Carmen Ramlot (Les Engagés): Monsieur le ministre, le 16 mai, l’OMS a déclaré que la maladie Ebola causée par le virus Bundibugyo constitue une urgence de santé publique de portée internationale. Il s’agit du deuxième niveau d’alerte le plus élevé, mais il ne correspond pas aux critères d’une urgence pandémique. Cette annonce s’explique par le fait que d’importantes incertitudes subsistent quant au nombre réel de personnes infectées ainsi qu’à l’étendue géographique de la propagation, qu'il n’existe pas de traitement ou de vaccin contre le virus Bundibugyo, et que la situation constitue un risque de santé publique pour d’autres États en raison d’une possible propagation internationale de la maladie. Cette réalité nécessite une coordination, mais aussi une coopération internationale, afin de mieux comprendre l’ampleur de l’épidémie, de coordonner les activités de surveillance et de prévention et les réponses à apporter afin de garantir la mise en œuvre de mesures de contrôle adaptées.
Si certains experts estiment que tous les éléments sont réunis pour une épidémie de grande ampleur, d’autres se veulent plus rassurants et considèrent qu’il n’y a pas lieu de paniquer dans notre pays. Pour les pays non touchés par l’épidémie et ceux qui ne partagent pas de frontière avec les pays concernés, l’OMS ne recommande ni la fermeture des frontières, ni des restrictions de voyage, ni le screening des passagers en provenance des régions à risque. L'OMS préconise uniquement d’informer les voyageurs se rendant dans les zones affectées par le virus ou à risque ainsi que d'informer la population sur les mesures visant à réduire le risque d’exposition. Le 20 mai, l’OMS a jugé le risque épidémique de la flambée d’Ebola en RDC comme étant élevé au niveau national et régional, mais faible au niveau mondial.
Monsieur le ministre, pourriez-vous dresser un état des lieux de la situation pour les citoyens de notre pays? Combien de cas ont été confirmés? Combien de cas suspects sont en cours d’analyse? Combien de décès liés au virus ont été confirmés? Des citoyens belges sont-ils concernés? Quelle est l’étendue actuelle de la propagation du virus et quelle a été son évolution ces derniers jours? Pourriez-vous également nous éclairer sur le déplacement d’experts belges en RDC afin d’évaluer les besoins sur place? Enfin, où en est la recherche en matière de traitement ou de vaccin contre ce variant?
01.04 Jan Bertels (Vooruit): Mijnheer de minister, de collega's hebben het al gehad over de internationale noodsituatie die door de Wereldgezondheidsorganisatie is uitgeroepen, ook met betrekking tot de Bundibugyovariant, een stam waar momenteel nog geen operationeel erkend vaccin of ook nog geen specifieke antivirale behandeling voor klaar is. De WHO heeft ook tijdelijke aanbevelingen uitgevaardigd.
Hoe vertaalt de FOD Volksgezondheid, als belangrijke actor hierin, die tijdelijke aanbevelingen van de WHO naar ons grondgebied? Wordt er een specifieke screening of sensibilisering opgestart voor reizigers die direct of indirect uit de getroffen regio's aankomen op onze luchthavens en in onze zeehavens? Hoe zijn de Risk Assessment Group en Risk Management Group met die situatie omtrent ebola bezig? Hebben zij al een specifieke risicoanalyse gemaakt of laten maken?
01.05 Irina De Knop (Anders.): Zoals collega's hier al terecht hebben aangegeven, is het toch wel zeer zorgwekkend dat de Wereldgezondheidsorganisatie pas op 17 mei de uitbraak van ebola in Congo en Oeganda heeft uitgeroepen tot een public health emergency of international concern. Het gaat toch om een ernstige internationale gezondheidsnoodsituatie. Volgens de WHO is het risico inderdaad zeer groot in Congo en in de regio, maar blijkbaar relatief klein op mondiaal vlak. België heeft uiteraard een historische band met Congo en er wordt tot op vandaag nog gereisd tussen Congo, Oeganda en België.
In het kader van onze staatshervorming is het ons bekend dat Vlaanderen bevoegd is voor preventie en lokale infectieziektebestrijding, terwijl de federale overheid bevoegd is voor de nationale coördinatie, het crisisbeheer en alle eraan verbonden internationale aspecten. Zoals een aantal collega's al hebben opgemerkt, behoren de grenscontroles en de controles in luchthavens en havens tot de bevoegdheden van de federale overheid.
Ik wil niet in herhaling vallen met wat collega's al gezegd hebben, maar het is wel belangrijk om nog even te verwijzen naar de ebola-uitbraak in West-Afrika in 2015-2016, toen heel wat maatregelen werden genomen met betrekking tot screening, informatieverstrekking, informatiecampagnes voor reizigers en, als ik me niet vergis, een inreisverbod. Vandaar onze vragen.
Is er momenteel overleg tussen de federale overheid en de gemeenschappen over een gemeenschappelijke strategie? Zo ja, kunt u toelichten op welke manier de zaken worden aangepakt en wie welke acties onderneemt op korte termijn?
Overweegt u om, zoals destijds, een ebolacoördinator aan te stellen? Zo niet, waarom niet?
Wordt er momenteel gedacht aan de organisatie grenscontroles of controles op luchthavens? Wordt overwogen om vluchten te schrappen? Ik vernam dat KLM blijkbaar al de aankomende vluchten vanuit Oeganda heeft geschrapt.
Is er ondertussen advies van de Risk Assessment Group? Is de Risk Management Group betrokken bij de uitbraak en de implicaties ervan voor ons land?
01.06 Caroline Désir (PS): Monsieur le ministre, l'Organisation mondiale de la Santé a récemment alerté la communauté internationale sur la recrudescence préoccupante de l'épidémie d'Ebola en République démocratique du Congo, principalement dans la province de l'Ituri. Selon les dernières estimations de l'OMS, plusieurs centaines de cas suspects et de nombreux décès ont déjà été recensés, dans un contexte marqué par l'insécurité, les déplacements de population et de graves difficultés d'accès aux soins.
Le directeur général de l'OMS a indiqué que la situation présentait un risque "très élevé" au niveau national en RDC et "élevé" au niveau régional. Il a également été précisé que la souche actuellement en circulation, la souche Bundibugyo, ne dispose à ce stade ni de vaccin homologué ni de traitement approuvé.
Même si l'OMS estime actuellement le risque faible au niveau mondial et très faible en Europe, la multiplication des échanges internationaux et l'existence d'importantes diasporas rendent indispensable une vigilance accrue et une préparation adéquate des autorités sanitaires belges.
Dans ce contexte, monsieur le ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes. Le SPF Santé publique et les autorités sanitaires belges ont-ils procédé à une actualisation de leur évaluation du risque concernant cette nouvelle flambée d'Ebola en République démocratique du Congo? Des mesures spécifiques de surveillance sanitaire ont-elles été renforcées dans les aéroports belges ou dans les structures hospitalières susceptibles d'accueillir des cas suspects? La Belgique dispose-t-elle actuellement de protocoles opérationnels actualisés pour l'identification, l'isolement et la prise en charge rapide d'éventuels cas d'Ebola sur son territoire? Les stocks stratégiques d'équipements de protection individuelle et les capacités hospitalières de confinement sont-ils jugés suffisants? La Belgique participe-t-elle, directement ou via des mécanismes européens ou multilatéraux, à l'aide internationale destinée à soutenir la RDC et les pays voisins dans la lutte contre cette épidémie? Enfin, est-il prévu de renforcer les campagnes d'information à destination des professionnels de santé et des voyageurs revenant des zones concernées?
01.07 Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Als laatste in de rij is het natuurlijk moeilijk om nog iets toe te voegen. Ik denk dat eigenlijk al ongeveer alles is gezegd over de verspreiding van het virus en dat de situatie in de regio momenteel zeer zorgwekkend is.
Er is ook nog niet zoveel gebeurd sinds de officiële aankondiging, terwijl er intussen al zoveel gevallen worden geregistreerd. Er lijkt bovendien sprake te zijn van een zekere onderschatting. We zien dat de testcapaciteit nu wel toeneemt, maar niemand kent op dit moment de ware omvang en ernst van de uitbraak. Daarmee wil ik niet zeggen dat we ons niet bewust zijn van het feit dat het risico op internationale verspreiding momenteel zeer klein is. In Congo is de situatie echter bijzonder uitdagend, in een context waarin de medische noden al acuut zijn. Voor de hulpverleners op het terrein is het helemaal niet evident.
Welke bijstand levert ons land momenteel al om de epidemie de kop in te drukken en welke bijkomende hulp kan België bieden?
Er werd al verwezen naar de EU-top. Met welke voorstellen gaat u daarheen?
Hoe schat de FOD Volksgezondheid momenteel de risico's voor ons land in?
Ik sluit mij ook aan bij de collega's en bij de vragen van collega Désir over de emergency preparedness in onze ziekenhuizen. Daarnaast heb ik ook een vraag over de voorlichtingscampagnes: wat is er momenteel voorzien voor gezondheidswerkers en voor reizigers die terugkeren uit de betrokken gebieden?
01.08 Minister Frank Vandenbroucke: Collega's, op 15 mei signaleerde Africa CDC een uitbraak van het Bundibugyo-ebolavirus in de provincies Ituri, Noord-Kivu en Zuid-Kivu in de Democratische Republiek Congo. Daarna werden ook gevallen in het buurland Oeganda gerapporteerd.
De WHO verklaarde op 17 mei een internationale noodsituatie op het vlak van de volksgezondheid. Op 1 juni waren er volgens het ECDC in Congo 321 bevestigde gevallen, waaronder 48 bevestigde overlijdens, en 116 verdachte gevallen die worden opgevolgd. In Oeganda werden 15 bevestigde gevallen gerapporteerd, waaronder één bevestigd overlijden.
In alle rapporteringen die we ontvangen, wordt benadrukt dat we er epidemiologisch van moeten uitgaan dat er een belangrijke onderregistratie van zowel bevestigde als verdachte gevallen is. Er zijn momenteel geen Belgen onder de verdachte of bevestigde gevallen.
Hoe beoordeel ik het risico? Zoals de directeur-generaal van de WHO eind mei verklaarde, vormt de ebola-uitbraak in de Democratische Republiek Congo en Oeganda een dodelijke regionale bedreiging, maar het is onwaarschijnlijk dat de uitbraak een risico op een wereldwijde pandemie vormt.
Door de onzekerheid over het werkelijke aantal besmettingen, de beperkte epidemiologische informatie, de hoge mobiliteit, de onveiligheid en de zwakke gezondheidsinfrastructuur bestaat het risico dat de uitbraak in de DRC veel groter is dan momenteel wordt gedetecteerd. Daarom worden een aantal buurlanden die een landsgrens delen met de DRC beschouwd als landen met een hoog risico op verdere verspreiding.
Het risico voor de algemene bevolking in België en Europa wordt door het ECDC echter als zeer laag ingeschat. Er is een beperkte kans op import, vooral via luchthavens. In het zeldzame geval dat geïnfecteerde personen in Europa worden vastgesteld, mogen we verwachten dat zij snel worden geïsoleerd en behandeld en dat de bestaande maatregelen inzake infectiepreventie en -controle worden toegepast.
Daardoor zal verdere verspreiding of een uitbraak binnen Europa onwaarschijnlijk zijn.
Het ebolavirus wordt overgedragen door rechtstreeks contact met bloed of andere lichaamsvloeistoffen van besmette mensen en kan niet worden overgedragen via andere vormen van nauw contact. In die zin is ebola niet te vergelijken met bijvoorbeeld covid. Desalniettemin werd de paraatheid op Belgisch niveau en in de EU- en EER-landen na het afkondigen van de noodsituatie onmiddellijk versterkt en zal die verder aangepast worden naarmate de situatie zich verder ontwikkelt.
Er werd gevraagd welke maatregelen we hebben genomen. Afgezien van het nauwe interfederale overleg tussen de gezondheidsautoriteiten werd er de voorbije weken in de eerste plaats gewerkt aan het informeren van de bevolking, reizigers en zorgprofessionals. Zo werd een brief uitgestuurd naar alle huisartsen en de algemene directeurs, medische directeurs en contactpersonen voor infectiepreventie en controle van de Belgische ziekenhuizen, met informatie over de huidige ebola-uitbraak en een link naar onze website, die alle nodige en recent geüpdatete procedures bevat.
Via haar website stelt de FOD Volksgezondheid informatie beschikbaar voor alle zorgprofessionals over de verschillende types van virale hemorragische koorts, hoe de risico-inschatting en melding van virale hemorragische koorts gebeurt door de behandelende arts en hoe de risico-inschatting en melding van virale hemorragische koorts door regionale gezondheidsautoriteiten gebeurt. Dat vindt u dus op de website van de FOD.
Ook werden reeds een aantal maatregelen genomen op de luchthaven van Brussel, in lijn met de ECDC-aanbevelingen en in overleg met andere landen die rechtstreeks vluchten uit de regio ontvangen. Enerzijds zullen toekomende passagiers uit de regio een informatieflyer ontvangen met de vermelding om bij verdachte symptomen in de 21 dagen na terugkeer telefonisch contact op te nemen met hun huisarts of spoeddienst. Anderzijds werden ook informatieposters op de luchthaven voorzien in de aankomsthallen van de desbetreffende vluchten. Bij aankomst van de vluchten uit de desbetreffende regio is ook Saniportpersoneel zichtbaar aanwezig bij de ontscheping.
Voor de luchthavengemeenschap worden specifieke informatiesessies voorzien, evenals voor hun preventieadviseurs. Daarnaast zijn onze referentieziekenhuizen met een high-level isolation unit, met name het UZA en het UMC Sint-Pieter in Brussel, in gereedheid gebracht voor de opvang van zowel waarschijnlijke als bevestigde gevallen.
Mevrouw Gijbels, ik kom tot uw vraag over de geldende procedure voor personen of georganiseerde groepen die naar België reizen, bijvoorbeeld sportdelegaties. Zodra de reizigers terug zijn in België en een bevestigde blootstelling hebben gehad of zich met symptomen presenteren, gelden de hierna volgende krachtlijnen. Bij een bevestigde blootstelling of een risicocontact wordt de persoon geïnformeerd over de te volgen surveillancemaatregelen en gedurende 21 dagen dagelijks opgevolgd door de bevoegde regionale gezondheidsautoriteiten. Zolang de persoon asymptomatisch blijft, wordt hij of zij niet als besmettelijk beschouwd en zijn er geen bewegingsbeperkingen nodig. Als er symptomen optreden, wordt onmiddellijk het isolatie- en zorgprotocol geactiveerd.
Bij een verdacht geval wordt de persoon onmiddellijk behandeld volgens de geldende isolatie- en zorgprocedures en overgebracht naar een referentieziekenhuis, met name het UZA of het UMC Sint-Pieter, voor verdere evaluatie, testen en verzorging. De regionale gezondheidsautoriteiten blijven de situatie nauw opvolgen en starten waar nodig de identificatie en opvolging van nauwe contacten op.
Bij een bevestigd positief geval wordt het Belgische protocol voor hoogbesmettelijke ziekten geactiveerd. De patiënt wordt geïsoleerd en behandeld volgens strikte internationale protocollen in een referentieziekenhuis, met name het UZA of het UMC Sint-Pieter. Nauwe contacten worden geïdentificeerd, geïnformeerd en onder preventieve opvolging geplaatst.
Uw vraag over de voetballers dateert al van 22 mei en is dus niet echt nieuw. Dit staat op de radar van de RMG. Er zijn geen isoleermaatregelen van kracht. Ze worden als niet nodig gezien, vermits geen enkele speler van de WK-ploeg in Congo speelt. Meer nog, van de 26 spelers zijn er maar 6 in Congo geboren. De rest zijn Europeanen met dubbele nationaliteit. De technische ploeg komt uit Kinshasa en niet uit het oosten van het land, waar de outbreak is. Daar is vooralsnog geen bevestigd geval. Tot zover wat betreft deze sportdelegatie.
Men vraagt mij via welk nationaal of internationaal waarschuwingsoverleg en monitoringmechanisme dit wordt opgevolgd. De Belgische gezondheidsautoriteiten volgen de situatie op via en nemen actief deel aan het Health Security Committee. Er zijn meetings geweest op 20, 24 en 26 mei. Ze nemen ook deel aan het overleg met het ECDC, waarmee er meetings waren op 21 en 28 mei. Ook met de WHO en Africa CDC zijn er regelmatig briefings waaraan België deelneemt. We gebruiken ook het Early Warning and Response System van de EU om informatie uit te wisselen. De uitbraak werd daarnaast ook besproken door de Risk Assessment Group op 18 en 20 mei en door de Risk Management Group op 20 en 25 mei. Zoals u weet zijn alle volksgezondheidsministers en administraties van de verschillende bevoegdheidsniveaus vertegenwoordigd in de RMG.
Men vraagt mij naar de rol van de FOD versus onder andere Sciensano en het ITG. De FOD Volksgezondheid staat in voor de federale coördinatie, de afstemming met de Europese en internationale waarschuwingssystemen en de middelen die onder de federale bevoegdheid vallen, zoals Saniport, dat de toegangspunten, waaronder de luchthavens, sanitair opvolgt.
Sciensano ondersteunt de epidemiologische en wetenschappelijke opvolging en coördineert de Risk Assessment Group, die het risico voor België beoordeelt en voorstellen formuleert voor preventie- en controlemaatregelen, waarna de Risk Management Group de beleidsmatige opvolging verzekert.
De deelstaten zijn bevoegd voor de infectieziektenbestrijding op hun grondgebied, waaronder de melding en opvolging van verdachte of bevestigde gevallen, de risico-inschatting op het terrein, contactopsporing, communicatie met zorgverleners en instellingen en de toepassing van eventuele maatregelen inzake isolatie of opvolging van risicocontacten.
Het ITG levert gespecialiseerde wetenschappelijke, klinische en laboratoriumexpertise inzake tropische infectieziekten en virale hemorragische koortsen en beschikt ook over een grote onderzoeksexpertise ter plaatse. Dat hebt u ook kunnen volgen in het nieuws. We zijn daar fier op en dankbaar ten aanzien van onze experts die dat werk doen.
Men vraagt wat het referentiecentrum is. Het ITG is samen met het UZA het nationaal referentiecentrum voor virale hemorragische koortsen, zoals ebola en marburg. Voor de opvang van vermoedelijke of bevestigde patiënten zijn het UZ Antwerpen en het UMC aangeduid als referentieziekenhuizen. De coördinatie gebeurt via de Risk Management Group.
Zullen we een ebolacoördinator aanstellen? Dat is in het verleden gebeurd met professor Erika Vlieghe. Momenteel is de aanstelling van een ebolacoördinator niet aan de orde. De reden is dat België sinds COVID-19 beschikt over een versterkt en permanent kader voor crisisbeheer, waarin de Risk Management Group fungeert als centraal beleidscoördinatieorgaan voor de volksgezondheid. Professor Vlieghe is zeer actief betrokken bij deze overlegstructuren. Het biedt een belangrijke meerwaarde dat we op de expertise van professor Vlieghe en haar team kunnen blijven rekenen. We zijn daar ook dankbaar voor.
Hebben we voldoende isolatiecapaciteit? Ja. Zoals ik net heb gezegd, beschikken we over een gespecialiseerde isolatiecapaciteit, de HLIU, gepast beschermingsmateriaal en geavanceerde laboratoriumdiagnostiek voor hoogrisicopathogenen, dankzij onze twee nationale referentiecentra in Antwerpen en Brussel. We beschikken ook over een uitgebreid bioveiligheidskader en organiseren regelmatig simulatieoefeningen. Mocht die capaciteit op een bepaald moment onvoldoende blijken, dan zijn er ook overeenkomsten met een aantal buitenlandse centra.
Waar vindt men de informatie op een website? Burgers kunnen terecht op de website van de FOD Volksgezondheid, die ook werd aangevuld met informatie specifiek over het ebolavirus Bundibugyo.
Welke concrete steun leveren we bilateraal of via de EU aan de bestrijding in de DRC? Dat vind ik een zeer belangrijke vraag. Ik denk dat we daar een rol kunnen spelen, maar ik moet daarvoor verwijzen naar mijn collega, de minister van Buitenlandse Zaken.
Zoals ik al heb gezegd, hebben we experts ter plaatse gestuurd. Het team van het ITG, onder leiding van dokter Liesenborghs, is ter plaatse in Bunia. Naast de opsporing zullen ze ook veelbelovende medicatie uittesten. Ze werken samen met het Institut National de Recherche Biomédicale uit Kinshasa op drie domeinen: sequencing, diagnostiek en klinisch onderzoek naar mogelijke behandelingen.
Mevrouw Depoorter, die hier nu niet aanwezig is, stelde een vraag die eveneens tot de bevoegdheid van de minister van Buitenlandse Zaken hoort.
Ten slotte waren er de vragen over het onderzoek, onder meer van mevrouw Ramlot. Voor de Bundibugyovariant bestaat geen erkend vaccin of specifiek goedgekeurde behandeling. Behandelingen zijn daarom in de eerste plaats gebaseerd op snelle detectie, isolatie en ondersteunende of palliatieve zorg. Tegelijk staat het internationale onderzoek niet stil. Diverse internationale organisaties hebben kandidaat-behandelingen en kandidaat-vaccins geïdentificeerd die prioritair in klinische studies moeten worden onderzocht, waaronder bepaalde monoklonale antilichamen en mogelijke antivirale middelen.
In de Europese Unie coördineert HERA, in nauwe samenwerking met het EMA, de DG RTD (Directorate-General Research and Innovation) en andere instanties, zoals de Coalition for Epidemic Preparedness Innovations, een gemeenschappelijk afgestemde strategie inzake vaccinontwikkeling en klinisch onderzoek naar mogelijke behandelingen.
België draagt indirect bij aan de ontwikkeling van vaccins en antivirale middelen tegen zeldzame ebolavarianten via onze deelname aan Europese programma's. We ondersteunen onderzoek dat in de Europese Unie wordt gefinancierd, onder meer via HERA en andere Europese onderzoeksmechanismen.
Wat lessons learnt betreft, de sleutelvraag, sinds de covidpandemie zijn we beter voorbereid. Ik zeg dat, net zoals ik dat al deed naar aanleiding van de uitbraak van het hantavirus, met de nodige voorzichtigheid en zonder zelfgenoegzaamheid en beweer niet dat alles in België en Europa perfect is. De Europese landen hebben volgens mij wel laten zien dat ze zeer alert zijn voor mogelijke dreigingen die tot een gezondheidscrisis kunnen leiden en dat er een grote bereidheid is om snel te mobiliseren, informatie te delen en samenwerking te organiseren. Dat geldt zowel op Europees als op Belgisch niveau. Het werk van de voorbije jaren rond pandemische paraatheid werpt vruchten af.
De nodige procedures voor het risicobeheer van virale hemorragische koorts bij gezondheidsmedewerkers zijn intussen geüpdatet. Recent vond nog een simulatieoefening voor ebola plaats. Via de Risk Management Group en de communicatielijnen tussen de Belgische bevoegdheidsniveaus verloopt de samenwerking zeer direct. Ik hoor dat die samenwerking uitstekend loopt en dat de overheden elkaar versterken.
01.09 Katleen Bury (VB): Mijnheer de minister, ik ben absoluut niet gerustgesteld. We spreken hier over een agressief virus dat in een op de twee gevallen dodelijk is. Er is geen medicijn. U zegt zelf dat we bij besmette personen inzetten op verzorging en vaak op palliatieve begeleiding.
Ik hoor niets over inreisbeperkingen en over medische controles op luchthavens, terwijl Congolese voetballers hier wel komen trainen en supporters gewoon vrij mee kunnen reizen.
01.10 Minister Frank Vandenbroucke: Hebt u geluisterd naar wat ik zei over de Congolese voetballers?
01.11 Katleen Bury (VB): Ik wil het niet op flessen trekken, maar u antwoordt dat u het zorgpersoneel hebt ingelicht via een e-mail en dat er een flyer op de luchthaven wordt uitgedeeld. Ik vind dat zeer verontrustend.
01.12 Minister Frank Vandenbroucke: Hebt u gehoord wat ik zei over de Congolese voetballers? Die spelen niet in Congo.
01.13 Katleen Bury (VB): Waarom nemen landen zoals de Verenigde Staten, Canada en Thailand draconische maatregelen en wij niet? Hebben die landen meer informatie?
Wat de Congolese selectie voetballers betreft, u zegt letterlijk dat zij niet afkomstig zijn uit Congo, behoudens een vijf- tot zestal spelers. Vervolgens argumenteert u dat zij uit een andere regio van het land komen.
01.14 Minister Frank Vandenbroucke: U moet beter luisteren. Ik heb het over de technische ploeg.
01.15 Katleen Bury (VB): Dan gaat het toch om het personeel rond de ploeg? De Verenigde Staten weigeren hen niet, maar willen dat ze drie weken in isolatie gaan. Waarom kan dat daar dan niet gebeuren? Hiermee nemen wij toch onnodige extra risico’s?
Zult u dus op het Europees overleg komende vrijdag uitleggen dat de betrokkenen welkom zijn in België? Zult u aan de andere lidstaten vragen wat zij ervan denken? Als iedereen het een verstandige beslissing vindt, hebt u uw antwoord, maar ik vind het belangrijk om de vraag op zijn minst voor te leggen op het overleg. Voorts wil ik me niet uitspreken over de kwestie; ik vind de gang van zaken wel een beetje verontrustend.
U had het vervolgens over de staat van paraatheid in de gezondheidszorg; u besprak wat er allemaal bestaat en wat er mogelijk is als er daadwerkelijk ziektegevallen worden gemeld. Toch blijft voor mij de eerste vraag hoe besmettingen vermeden kunnen worden.
01.16 Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden.
Ik denk dat onze gedachten in eerste instantie bij de inwoners van de DRC moeten zijn. Het is daar alle hens aan dek. Laten we hopen dat de epidemie zo snel mogelijk de kop wordt ingedrukt.
Verontrustend vind ik vooral de onderregistratie ten gevolge van het wantrouwen van de bevolking tegenover de overheid, waardoor men volgens mij niet veel vat op de situatie heeft en men ook weinig zicht heeft op wat er precies gebeurt. Daarmee zal wellicht rekening worden gehouden bij de te nemen maatregelen. Dat de variant die nu de rond doet, minder dodelijk lijkt dan eerdere varianten en de kans op verspreiding dus groter is, is evenmin geruststellen.
Het is goed dat we zelf experts hebben die we kunnen uitzenden, enerzijds om onze expertise te delen en anderzijds om meer expertise hierheen te brengen. Lag het ITG destijds niet mee aan de basis van de ontdekking van het ebolavirus destijds? Ik verwijs graag naar zijn app Wanda, waarop veel waardevolle informatie terug te vinden is, niet alleen over het ebolavirus dat nu de ronde doet, maar ook over andere virussen in andere landen.
Tot slot geef ik een pluim voor de website. De informatie op de website en de kruisreferenties van andere websites vanuit Vlaanderen en vanuit het ITG naar de website van de FOD vind ik echt sterk. Ik denk dat de bevolking deze keer echt wel weet waar men de informatie kan vinden.
01.17 Carmen Ramlot (Les Engagés): Monsieur le ministre, à côté du hantavirus, dont nous avons déjà parlé, Ebola fait presque figure d’enfant de chœur. Je pense qu’il faut être vigilant. Je vous remercie d'être attentif à cela, ce dont je ne doute absolument pas.
01.18 Jan Bertels (Vooruit): Mijnheer de minister, dank voor uw omstandig antwoord. Ik onthoud vier zaken.
Ten eerste is het belangrijk dat België hulp verleent voor de ernstige situatie in Oost-Congo en Oeganda, onder meer met de expertise van het ITG.
Ten tweede moeten onze paraatheidsdiensten, de RAG en de RMG, Saniport en de regionale gezondheidsautoriteiten paraat staan. We moeten daarbij attent zijn, ernstig handelen en niet aan paniekzaaierij doen.
Ten derde moeten we, zoals we in het verleden al hebben bewezen, in het kader van het internationaal onderzoek waarnaar u verwezen hebt, meehelpen om op zoek te gaan naar kandidaat-behandelingen en kandidaat-vaccins, zoals u het hebt genoemd. Die moeten snel in klinisch onderzoek kunnen gaan en, al dan niet in noodsituaties, getest kunnen worden, zodat er ook voor deze stam van het ebolavirus vaccins kunnen worden ontwikkeld en beschikbaar kunnen komen, uiteraard voor de inwoners van de getroffen regio's.
Ten vierde vind ik net zoals mevrouw Gijbels dat de website van de FOD Volksgezondheid voor de bevolking voldoende en begrijpbare informatie verstrekt over ebola met een heleboel richtlijnen, preventiemaatregelen, symptomen en een risico-inschatting.
01.19 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, het is duidelijk dat we klaarstaan voor wanneer zich een groter probleem zou aandienen. Het is fijn dat u daarop zo uitgebreid hebt geantwoord.
Ik heb op een aantal vragen geen antwoord gekregen, met name op de vraag of zou worden voorzien in een coördinatie.
01.20 Minister Frank Vandenbroucke: Ik denk dat ik heb gezegd dat we geen coördinator zullen aanstellen, omdat de RMG nu echt up and running is. Trouwens, mevrouw Vliegen, de vroegere coördinator zit in de RMG. Toen stonden dit soort structuren helemaal niet zo goed klaar. Nu werkt dat goed. De RMG is eigenlijk onze coördinator. Dat was mijn antwoord.
01.21 Irina De Knop (Anders.): Ik dank u voor die verduidelijking.
Misschien heb ik het niet gehoord, maar ik heb u niet horen zeggen of er een advies is vanuit de Risk Management Group of wat de inhoud van dat advies tot op heden is. Wat ons natuurlijk sterk bezighoudt, is dat we tot op de dag van vandaag geen inreisverbod hebben. Gelet op de intensieve contacten en de regelmatige vluchten naar en van Congo, lijkt het mij niet overbodig om alvast bijkomende voorzorgsmaatregelen te nemen, hetzij een inreisverbod, hetzij een bijkomende screening van de reizigers. Op dat vlak ben en blijf ik toch heel erg bezorgd.
01.22 Caroline Désir (PS): Monsieur le président, je voudrais remercier le ministre pour sa réponse très circonstanciée. Je ne partage évidemment pas l'avis qui a été émis selon lequel Ebola serait un enfant de chœur. Il s'agit d'un virus qui tue au Congo. Il faut donc quand même être attentifs à ce que nous disons.
Il tue au Congo, en Ouganda, on l'a dit. L’aide que nous pouvons apporter depuis la Belgique dépend davantage de votre collègue, le ministre des Affaires étrangères. Mais pour ce qui concerne vos compétences, monsieur le ministre, vous nous avez répondu de manière très complète.
Je pense que nous sommes mieux préparés aujourd'hui à faire face à des risques pareils. En termes de prévention, de contrôle et d'information, les objectifs sont largement atteints à ce stade. Nous avons d'ailleurs eu l'occasion avec la commission de visiter l'hôpital Saint-Pierre, qui nous a expliqué comment il se préparait à accueillir des patients atteints d'Ebola, le cas échéant.
L'équipement est donc à la pointe, avec des hôpitaux de référence qui sont capables de faire face. Je trouve cela plutôt rassurant. Évidemment, il faut que nous restions bien vigilants pour la suite. En tout cas, je suis satisfaite de la réponse.
Je me joins à mes collègues qui ont souligné à quel point les informations disponibles sur le site du SPF Santé publique sont pertinentes et complètes. Elles ont d’ailleurs encore évolué depuis la dernière fois que nous en avons débattu.
01.23 Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij de dankbetuigingen voor uw uitgebreide antwoord, dat op heel veel vragen een goed antwoord biedt.
Het debat over veiligheid is een breed debat. Wij debatteren hier vaak over veiligheid en daarbij gaat het vaak over militaire uitgaven of Defensie. Het eboladossier toont echter dat veiligheid veel meer is dan dat. Ook investeren in Ontwikkelingssamenwerking behoort tot veiligheid, net als investeren in de gezondheidszorg, een goede civiele bescherming en emergency preparedness. Ook dat alles behoort tot het veiligheidsdebat.
Wij zullen er dan ook voor blijven pleiten om die tegenstelling duidelijk op tafel te leggen. Het is een heel breed debat en volgens ons worden daarin budgettair soms niet de juiste keuzes gemaakt. Dat toont hoe belangrijk het is dat wij daarvoor aandachtig blijven.
Le président: Madame Ramlot, vous souhaitez intervenir. Est-ce sur le débat d’actualité, qui est clos, ou à propos d’autre chose?
01.24 Carmen Ramlot (Les Engagés): Monsieur le président, mea culpa. J’ai inversé hantavirus et Ebola. Je m’en suis rendu compte en entendant Mme Désir. C’est en effet le hantavirus qui est un enfant de chœur à côté d’Ebola. Merci.
Le président: Nous avions compris cela ainsi, mais les mots étaient un peu différents.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
02.01 Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, de studenten verpleegkunde hebben een petitie opgestart, “Wij zorgen voor anderen, wie voor ons?” waarin ze vragen dat er een structurele onkostenvergoeding komt voor hun stagejaar. Daar hebben ze gelijk in. Het gaat over studenten verpleegkunde. Het is de bedoeling dat zij studeren en in hun laatste jaar een stage doen om in de praktijk te kunnen bijleren. De realiteit beantwoordt vandaag niet echt aan dat ideaalbeeld. In de eerste plaats moeten ze hard werken. U weet dat er een groot personeelstekort is in de zorg en in de realiteit worden die studenten er vaak ingegooid. Ze doen vroege en late shiften en nachtdiensten. Ze stropen hun mouwen op en staan er soms alleen voor.
Daarnaast moeten zij daarvoor heel veel betalen, want er zijn veel kosten. Alleen al de parkeerkosten bedragen soms tot 1.200 euro per jaar. Daarbovenop komt dan ook nog eens het inschrijvingsgeld van meer dan 1.000 euro, werkkledij en schoenen. Zij hebben wisselende uren, met vroege, late en nachtdiensten, waardoor ze vaak niet de mogelijkheid hebben om daarnaast nog een studentenjob te doen. Dat maakt het heel moeilijk. Ze zijn aan het studeren, maar eigenlijk moeten ze werken en heel veel betalen. De kosten liggen voor die studenten hoger dan in de ons omringende landen. Dat lijkt mij toch niet het signaal dat de overheid wil geven aan jonge mensen die zich willen engageren voor een carrière in de zorg.
We vernemen bovendien dat sommige studenten hun opleiding stopzetten om financiële redenen. Dat is helemaal onbegrijpelijk. Zij staan al jarenlang op de barricades om oplossingen te bekomen en krijgen wel iets van de Vlaamse overheid, maar dat is helemaal niet structureel. In het regeerakkoord staat dat er een structureel statuut voor hen zal worden voorzien, dus ik ben benieuwd hoe het daar op dit moment mee staat. Het laatste dat minister Demir daarover heeft gezegd, is dat Vlaanderen niet meer zal bijspringen. Het pingpongspel is begonnen en ik ben benieuwd hoe u daarmee aan de slag zult gaan.
02.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Eggermont, kosten voor studenten zijn inderdaad voor mij en voor mijn partij een grote bekommernis. We zitten natuurlijk ook met een bevoegdheidsverdeling. U spreekt van pingpongen, maar ik denk daar anders over. In een land waar men toch nog probeert – dat is althans wat ik denk dat we moeten doen – solidariteit te organiseren, ook binnen en tussen onze instellingen, moeten de verantwoordelijkheden wel duidelijk zijn. Als de verantwoordelijkheden duidelijk zijn, kunnen de burger en u als parlementslid op de juiste plaats druk uitoefenen wanneer een oproep nodig is om actie te ondernemen.
Ik wil toch benadrukken dat het gaat om praktijkstages die integraal deel uitmaken van de opleiding verpleegkunde. Die stages zijn noodzakelijk om het basisdiploma te kunnen behalen. Praktijkstages vallen daarom onder de onderwijsbevoegdheid van de gemeenschappen en niet onder het beroepsrechtelijke kader van onze federale wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. De gemeenschappen beschikken over ruime bevoegdheden om maatregelen te nemen, ook structurele maatregelen, die verband houden met opleidingen, zoals het toekennen van studietoelagen, het voorzien van leercontracten of het eventueel verlagen van inschrijvingsgelden. Ik ga mij daar niet mee bemoeien, aangezien dat vandaag niet mijn bevoegdheid is. Daar ligt wel die bevoegdheid.
Wij zijn natuurlijk niet vrij van verantwoordelijkheid. Ik denk dat we op federaal niveau binnen onze bevoegdheden toch initiatieven nemen. Zo richten we ons op het verbeteren van de mentor- en begeleidingsmogelijkheden in ziekenhuizen. Al sinds 2000 kunnen ziekenhuizen een voltijdse begeleidingsverpleegkundige inzetten om studenten en nieuwe medewerkers goed te ondersteunen en zo uitval te voorkomen. In de begroting voor 2024 is daarvoor een bedrag van bijna 9,7 miljoen euro voorzien, waarmee ruim 117 voltijdse begeleiders kunnen worden gefinancierd.
Dat is een investering die we doen en naar mijn mening ook moeten doen in de retentie van verpleegkundigen, juist in de startfase van hun loopbaan. Ik denk dat we daar maatregelen moeten nemen.
U hoort mij niet zeggen dat dat het laatste is wat we kunnen doen. Misschien moeten we ook in het kader van het sociaal akkoord nadenken, maar ik wil dan natuurlijk wel luisteren naar wat de vakbonden en werkgevers prioritair vinden, over wat we binnen onze bevoegdheden nog kunnen doen om mensen in de loopbaan te houden.
Binnen het onderwijscurriculum zelf optreden, is echter echt niet onze bevoegdheid. Als ik zo'n maatregel zou nemen, zouden de instanties die mij bewaken, zoals de Inspectie van Financiën, zeggen dat ik gewoonweg niet mag doen.
02.03 Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik had mij daar natuurlijk voor een stuk op voorbereid.
U hebt niet echt geantwoord op de vraag waar we momenteel staan met de aanpassing van het statuut, wat toch wel een federale bevoegdheid is.
02.04 Minister Frank Vandenbroucke: Maar daar moeten wij niets voor doen. Er is geen statuut nodig opdat de Vlaamse regering of de Franse Gemeenschap kosten zou kunnen vergoeden voor studenten tijdens hun opleiding. Dat heeft niets met een statuut te maken. We moeten daarvoor geen statuut maken.
02.05 Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Als ik het goed begrepen heb, zou een statuut voor een structurele verankering zorgen en dan is een en ander niet afhankelijk van de goodwill van de Vlaamse minister van Onderwijs.
02.06 Minister Frank Vandenbroucke: Neen, dat is volgens mij niet juist.
02.07 Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Goed, dat is duidelijk.
Uw antwoord houdt dan wel in dat het de collega's van de Vlaamse overheid toekomst om dat in handen te nemen. U hebt gezegd dat u zich daar niet mee zult moeien. Ik begrijp dat antwoord, maar ik denk dat veel mensen dat niet begrijpen, wat ik ook wel versta. Wat er nu gebeurt, is dat een Vlaamse minister van de N-VA zegt dat het de federale minister van Volksgezondheid van Vooruit toekomt om dat te regelen. Mensen worden zo van het kastje naar de muur gestuurd, terwijl beide partijen N-VA en Vooruit deel uitmaken van zowel de federale als de Vlaamse regering.
U zegt dat u zich daar niet mee mag bemoeien, maar u hebt toch de telefoonnummers van uw collega's? U hebt waarschijnlijk ook het telefoonnummer van collega Demir. U bent toch ook bezorgd over het personeelstekort in de zorg? Als u daar echt op wilt inzetten, denk ik dat u meer kunt doen dan zich verschuilen achter een institutionele, bureaucratische lasagne. Dat is mijn tip.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
03.01 Irina De Knop (Anders.): De federale overheid heeft een tijd geleden een bewustmakingscampagne opgezet rond hormoonverstorende stoffen, specifiek gericht op zwangere vrouwen en jonge ouders. In die campagne staat terecht het voorzorgsprincipe centraal, aangezien steeds meer studies wijzen op mogelijke gezondheidsrisico's.
Tegelijk wordt vanuit de wetenschappelijke wereld ook gewezen op de beperkingen van een aanpak die sterk inzet op individuele verantwoordelijkheid. Hormoonverstorende stoffen zijn wijdverspreid aanwezig in onze leefomgeving en kunnen zelfs in kleine hoeveelheden schadelijk zijn. Voor burgers is het dan ook niet evident om zich er afdoende tegen te beschermen.
Hoe evalueert u de effectiviteit van de bewustmakingscampagnes, gelet op het feit dat individuele gedragsaanpassingen vaak beperkt blijven doordat de stoffen in kwestie alomtegenwoordig zijn?
In welke mate acht u het wenselijk om naast die bewustmaking ook sterker in te zetten op maatregelen aan de bron en strengere regulering van hormoonverstorende stoffen in consumentenproducten? Als ik me niet vergis, bent u daar als minister van Volksgezondheid ook verantwoordelijk voor.
Welke stappen worden gezet om de blootstelling aan die stoffen structureel te verminderen, in het bijzonder voor kwetsbare groepen zoals zwangere vrouwen en jonge kinderen?
Hoe ziet u de samenwerking tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus?
Tot slot, wordt er binnen het Nationaal Actieplan ook gewerkt aan duidelijke normen of beperkingen voor het gebruik van die stoffen in producten zoals plastics, cosmetica of huishoudproducten? Loopt er momenteel wetenschappelijk onderzoek naar de impact van de cocktail van de verschillende hormoonverstorende stoffen? Worden de resultaten daarvan meegenomen in het beleid?
03.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw De Knop, de campagne waar u naar verwijst, vertrekt vanuit het voorzorgsbeginsel en heeft als doel de blootstelling van jonge kinderen aan hormoonverstoorders te verminderen. Dat gaat zowel over stoffen die als dusdanig zijn geïdentificeerd, als over stoffen die nog worden geëvalueerd. Omdat die stoffen wijdverspreid aanwezig zijn in onze leefomgeving, is het moeilijk ze volledig te vermijden. De aanpak richt zich daarom op het zo veel mogelijk beperken van de blootstelling.
Regelgevende maatregelen, zoals verboden of beperkingen, worden hoofdzakelijk op Europees niveau vastgesteld. Dat gebeurt via wetenschappelijke beoordelingsprocessen en overleg tussen de lidstaten, wat tijd vraagt. In die context speelt een bewustmakingscampagne een belangrijke aanvullende rol. Ze informeert het publiek over de problematiek en stimuleert het gebruik van veiligere alternatieven, waar die beschikbaar zijn.
In antwoord op uw tweede vraag is het, naast bewustmaking, nodig de regelgeving verder aan te scherpen om de aanwezigheid van hormoonverstoorders in consumentenproducten te beperken. De regelgevende aanpak vormt dan ook een belangrijk onderdeel van het Nationaal actieplan voor hormoonverstoorders (NAPED), naast bewustmaking en wetenschappelijk onderzoek. Voor bepaalde hormoonverstoorders gelden vandaag al verboden. Andere beperkingen treden geleidelijk in werking. Mijn administratie zal in Europese werkgroepen pleiten voor een ruimer verbod op deze stoffen in consumentenproducten.
Ten derde is voor jonge kinderen bijvoorbeeld bisfenol A al verboden in voedselverpakkingen voor de leeftijdsgroep van 0 tot 3 jaar. Op Europees niveau hebben we ook een verbod op hormoonverstorende stoffen in speelgoed afgedwongen. Die bepaling treedt pas in 2030 in werking, zodat bedrijven de tijd krijgen om hun producten aan te passen. Daarnaast gelden er verboden op bepaalde ftalaten, die van toepassing zijn zonder leeftijdsonderscheid. Voor zwangere vrouwen zijn sinds 2023 specifieke beschermingsbepalingen opgenomen in de Belgische arbeidswetgeving, met als doel hun blootstelling aan hormoonverstorende stoffen te voorkomen.
Het NAPED wordt opgevolgd door een taskforce met vertegenwoordigers van de verschillende beleidsniveaus, die samenwerken tijdens vergaderingen en via e-mail. Daarnaast is er binnen het Nationaal Actieplan Leefmilieu-Gezondheid (NEHAP3) 2024-2029 een specifieke werkgroep rond hormoonverstoorders actief, onder de coördinatie van de Nationale Cel en de interministeriële conferentie Leefmilieu-Gezondheid.
Ten vijfde, een van de doelstellingen van het NAPED-plan is bij te dragen aan een verdere versterking van de wetgeving ter bescherming van kwetsbare groepen. In dat kader zal mijn administratie tijdens Europese onderhandelingen pleiten voor een breed verbod op hormoonverstoorders in consumentenproducten. Op Europees niveau lopen momenteel verschillende trajecten die relevant zijn voor een verbod op hormoonverstoorders, namelijk de geplande herziening van REACH, het horizontale kader, de voorbereiding van een herziening van de cosmetica-verordening en sectorspecifieke regelgeving voor materialen die in contact komen met voeding, met al casusgerichte verboden, zoals voor bisfenolen.
Ten slotte houdt de huidige Europese wetgeving nog onvoldoende rekening met de effecten van mengsels van chemische stoffen. Dat is een belangrijke lacune die moet worden aangepakt. Dat onderstreept ook het belang van campagnes die inzetten op het zoveel mogelijk beperken van de blootstelling van kwetsbare groepen.
Wat onderzoek betreft, financiert het NAPED verschillende wetenschappelijke projecten. Zo voert VITO momenteel een studie uit naar de gezondheidseffecten van mengsels van chemische stoffen, met bijzondere aandacht voor hormoonverstoorders. De resultaten worden verwacht tegen eind 2026.
03.03 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, u hebt meermaals verwezen naar EU-kaders en EU-regelgeving die volgens u momenteel niet ver genoeg gaan. U zegt ook dat u zelf standpunten inneemt om tot een verbod op hormoonverstoorders in producten te komen. Ik zou graag vernemen tijdens welke vergaderingen en naar aanleiding van welke evenementen u die standpunten hebt ingenomen. Ik vraag mij ook af of u die standpunten hebt ingenomen namens de Belgische regering. Desnoods zal ik daarover bijkomende opvolgingsvragen stellen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: Mevrouw Muylle en mevrouw Depoorter zijn niet aanwezig.
04.01 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, de National Health Service wil 1,2 miljoen mensen met een BMI hoger dan 27 die eerder al een hartaanval, beroerte of ernstige circulatieproblemen hadden, gratis het vermageringsmiddel Wegovy aanbieden. Op die manier wil de National Health Service blijkbaar het risico van een nieuwe hartaanval of beroerte verminderen.
We hebben vernomen dat onder meer cardioloog Pedro Brugada dat een goed idee vindt. In een ideale wereld zou hij zelfs iedereen die kampt met obesitas een geneesmiddel zoals Ozempic gratis willen aanbieden. Die cardioloog wijst erop dat het risico van nieuwe hartproblemen met 25 % vermindert door de inname van dat geneesmiddel en dat dit type geneesmiddel ook preventief kan werken. Hij ziet het gratis ter beschikking stellen aan patiënten met een BMI van 30 en meer als een vorm van preventie.
Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover de intentie van de National Health Service?
Bent u bereid om te onderzoeken of die maatregel ook zinvol is in België en wat de kostprijs en de besparingen op langere termijn zouden zijn, waarbij het geneesmiddel niet noodzakelijk gratis ter beschikking moet worden gesteld, maar eventueel ook op een andere, kostenefficiëntere manier kan worden aangeboden?
04.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw De Knop, u vraagt wat ik denk over de ontwikkeling in Engeland en hoe ik de terugbetaling zie.
Terugbetaling gebeurt, zoals u weet, door middel van procedures bij de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen. De firma die Wegovy op de markt brengt, en ook de firma die Mounjaro op de markt brengt, hebben een aanvraag ingediend voor de terugbetaling van die geneesmiddelen in de indicatie obesitas.
Wegovy is zeer grondig door de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen onderzocht. Men heeft daarover een negatief advies gegeven, dat ik heb gevolgd.
Ik zal hier niet alle argumenten van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen herhalen, maar het komt erop neer dat er, naast de kosten voor de sociale zekerheid en de samenleving, te veel onzekerheid bestaat over de langetermijneffecten van het gebruik van Wegovy. Uit verschillende studies blijkt wel duidelijk dat het om medicatie gaat die op lange termijn moet worden gebruikt. Mensen komen immers zeer snel weer aan wanneer ze dat geneesmiddel niet meer gebruiken. De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen is dus niet over één nacht ijs gegaan. Ik ben evenmin over één nacht ijs gegaan bij de vraag of we dat al dan niet zouden terugbetalen. Uiteindelijk hebben we beslist om het advies van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen te volgen en het geneesmiddel niet terug te betalen.
Uit de wetenschappelijke studies blijkt dat mensen relatief snel in gewicht bijkomen nadat men stopt met de therapie of de medicatie. De beschikbare studies wijzen er bovendien op dat men sneller weer in gewicht toeneemt na het stopzetten van een therapie op basis van die medicatie, dan na een therapie die gebaseerd is op levensstijlverandering. Een therapie gebaseerd op levensstijlverandering heeft dus een duurzamer effect.
Dat geheel van overwegingen brengt ons ertoe om te zeggen dat we dat geneesmiddel niet zullen terugbetalen. Dat zijn moeilijke beslissingen, waarbij we altijd voor ogen moeten houden dat een euro die we investeren in de ene therapie, niet in een andere therapie kan worden geïnvesteerd.
Daarmee is niet het laatste woord gezegd over dat soort medicatie in de strijd tegen obesitas. Ik kan mij voorstellen dat die medicatie voor zeer specifieke doelgroepen van patiënten, in het kader van een multidisciplinaire en brede therapeutische aanpak, zinvol kan zijn. Dat moet echter verder op punt worden gesteld. Dat was ook niet de aanvraag van het bedrijf in kwestie. De aanvraag ging gewoon over dat geneesmiddel en daarover is dus een negatief advies uitgebracht.
Dat de obesitasepidemie zorgwekkend is, daar ben ik het helemaal mee eens. Dat betekent ook dat we acties moeten ondernemen. U weet wellicht dat we al een en ander hebben ondernomen met betrekking tot obesitas bij kinderen. We hebben een zorgtraject in de eerste lijn uitgewerkt, evenals een ondersteuningssysteem via pediatrische multidisciplinaire obesitascentra die ondertussen operationeel zijn in de tweede lijn. De capaciteit van die pediatrische medische obesitascentra bedraagt 5.000 kinderen met ernstige obesitas. Dat systeem is operationeel, maar moet nog zijn volledige omvang krijgen.
We werken ondertussen ook aan een zorgtraject obesitas voor volwassenen. Als u het mij vraagt, zou ik graag nog meer actie ondernemen, ook met betrekking tot voeding. Ik ben ook een gesprek gestart met de voedingsindustrie. Eerlijk gezegd reageert die niet erg enthousiast op verschillende voorstellen die ik doe. Dat vind ik jammer. Ik merk wel steun, bijvoorbeeld bij de distributiesector, voor een idee zoals het veralgemenen van de vermelding van de nutriscore in publiciteit, maar ook daarover heb ik nog geen beslissing genomen. Daarover bestaat nog wel enige discussie.
Ik denk dat we echt meer stappen moeten zetten om obesitas tegen te gaan. Ik denk ook niet dat obesitas de schuld is van de mensen die eraan lijden. Ik wil niet in dat soort model vervallen. Daartegenover kunnen we evenmin meegaan in het idee dat er een eenvoudige oplossing bestaat in de vorm van een medicament. Dat is, zeer kort samengevat, mijn reactie op uw vraag.
04.03 Irina De Knop (Anders.): Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Zelf was ik nog niet op de hoogte van uw beslissing om een negatief advies te geven over de terugbetaling en om dat verder te onderzoeken.
Zoals u zelf zegt, zouden heel wat mensen met een bepaalde BMI of vanaf een bepaalde grenswaarde absoluut geholpen zijn met een terugbetaling van die geneesmiddelen.
In dat verband vraag ik mij af, maar daar moet ik mij verder over bevragen, of u geen beslissing tot terugbetaling had kunnen nemen die specifiek betrekking heeft op mensen met een dergelijk hoge BMI. Zoals u terecht zegt, is het misschien begrijpelijk dat het geneesmiddel moeilijk voor iedereen kan worden terugbetaald, aangezien dat mogelijk voorbijgaat aan te nemen preventiemaatregelen en aan het promoten van een gezonde levensstijl. Daarmee ben ik het absoluut eens.
Dat neemt niet weg dat heel wat mensen wel degelijk baat zouden hebben bij een terugbetaling van dat geneesmiddel en bij wie de gezondheids- en financiële effecten gunstig kunnen zijn, zowel op het vlak van de gezondheid als van het totale gezondheidsbudget. Als we ervoor kunnen zorgen dat die mensen een lagere BMI krijgen, kunnen we ook heel wat andere gezondheidsrisico's uitsluiten.
Ik heb ook goed geluisterd naar wat u zei over het zorgtraject voor volwassenen. Ja, dat lijkt mij ook een prioriteit. U bent natuurlijk de bevoegde minister en ik hoop dat u daar zelf de nodige prioriteit aan zult geven. Dat hoeft geen jaren meer te duren, want op dat vlak is er al heel wat wetenschappelijke evidentie. Vaak komt het erop aan om de nodige prioriteit te geven en die op te leggen.
Uw overleg met de voedingssector vind ik erg moedig en is ook erg nodig. In de marge wil ik wel meegeven dat de nutriscore vooral een score geeft binnen een productgroep, zoals u wel weet. Heel veel mensen interpreteren die score foutief en denken dat een product met een A op de verpakking zeker gezond moet zijn. Dat is natuurlijk niet noodzakelijk het geval, want ook chips kunnen een A krijgen wanneer ze iets minder vet bevatten dan alle andere chips. Ook op dat vlak is dus enige voorzichtigheid geboden.
Mijnheer de voorzitter, bedankt om mij iets meer tijd te geven voor de repliek. Dat wordt zeer geapprecieerd.
De voorzitter: De nutriscore hebben we deze voormiddag al besproken.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
05.01 Dominiek Sneppe (VB): Mijnheer de minister, de federale Planningscommissie-medisch aanbod heeft in maart haar advies uitgebracht over het aantal artsen dat in 2032 en 2033 tot het beroep mag toetreden. Daarbij valt een opvallende en moeilijk te verantwoorden evolutie op. Vroeger sloot de verdeelsleutel grosso modo aan bij de bevolkingsverdeling, ongeveer 60 % voor Vlaanderen en 40 % voor Wallonië of Franstalig België, terwijl er vandaag een duidelijke verschuiving naar 53 % tegenover 47 % geldt.
Concreet betekent dat dat Vlaanderen relatief minder artsen toegewezen krijgt, terwijl aan Franstalige zijde een veel sterkere groei wordt toegestaan. Aan Franstalige zijde gaat het om een groei van 11 %, tegenover slechts 2 % in Vlaanderen. Nochtans heeft Vlaanderen zich jarenlang loyaal opgesteld door via een toelatingsexamen de instroom in de geneeskundestudies te reguleren, in lijn met de federale quota. Aan Franstalige zijde werd die instroom lange tijd minder strikt, of eigenlijk niet, gecontroleerd. Die evolutie roept fundamentele vragen op over zowel de methodologie als de legitimiteit van de Planningscommissie.
Klopt het dat parameters zoals de veronderstelling dat artsen in de toekomst 20 % minder zullen werken en dat taakdelegatie beperkt blijft, sterk bepalend zijn voor de uiteindelijke quota? In welke mate zijn die aannames wetenschappelijk onderbouwd?
Hoe verklaart u dat Vlaamse artsen vandaag systematisch meer voltijdse prestaties leveren dan Franstalige artsen? Waarom leidt dat verschil niet tot een correctie in het voordeel van Vlaanderen? Hoe zit het met het budget? Als er minder vte's zijn aan Franstalige zijde, moet dat dan ook niet leiden tot een lager budget?
Acht u het wenselijk dat binnen de Planningscommissie adviezen kunnen worden goedgekeurd zonder evenwichtige vertegenwoordiging van de taalgroepen en zonder stemrecht voor de gemeenschappen zelf?
Hoe voorkomt u dat die evolutie leidt tot een toekomstige overproductie van artsen in bepaalde regio's, met mogelijke gevolgen voor de kwaliteit en de doelmatigheid van de zorg?
Bent u ten slotte bereid de werking en de samenstelling van de Planningscommissie te herbekijken, zodat communautaire evenwichten en transparante en objectieve criteria beter worden gewaarborgd?
05.02 Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, de Planningscommissie-medisch aanbod heeft een voorstel gedaan om 53 % van de RIZIV nummers voor artsen in 2032 toe te kennen aan Nederlandstalige zijde en 47 % aan Franstalige zijde. Dat is een grote afwijking van de gebruikelijke 60/40-verhouding.
Ondertussen is bekend welke beslissing de federale regering heeft genomen met betrekking tot de RIZIV-nummers. Er is wel wat bijgestuurd ten opzichte van het advies van de Planningscommissie en we komen nu aan 57 % voor Vlaanderen en 43 % voor Wallonië. Dat is jammer genoeg nog steeds niet die 60/40-verhouding die logisch lijkt. Ondertussen is ook geweten wat de startquota zijn die vanuit Vlaanderen werden vooropgesteld. Ik zal mijn vraag dus wat aanpassen, aangezien de vragen die ik had ingediend ietwat achterhaald zijn.
Een eerste vraag betreft de werking en de parameters die worden gehanteerd door de Planningscommissie. Zij redeneert dat een arts in Wallonië minder uren presteert dan een arts in Vlaanderen, waardoor er een scheeftrekking ontstaat in de toekenning van RIZIV-nummers. Vindt u dat terecht of zult u ervoor zorgen dat een arts in Wallonië en een arts in Vlaanderen evenveel waard zijn en dus verondersteld worden even hard en even goed te werken?
Ten tweede, zult u ervoor zorgen dat de deelstaten een stem krijgen binnen de Planningscommissie?
Ten slotte, op welke manier wordt de consumptie van het RIZIV-budget gemonitord in de verschillende gewesten?
05.03 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, deze vraag werd al een tijdje geleden ingediend en ondertussen zijn er al wat beslissingen bekendgemaakt. Ik wil toch nog even in herinnering brengen dat het advies van de Planningscommissie-medisch aanbod was om naar een verhouding te gaan van 53 % voor Vlaanderen en 47 % voor Wallonië. Dat werd een beetje bijgesteld, maar niet fundamenteel.
De Planningscommissie heeft erop gewezen dat specialismen die buiten het kader van de ziekteverzekering worden beoefend, zoals arbeidsgeneeskunde, verzekeringsgeneeskunde, medische en gerechtelijke expertise en administratieve functies waarvoor klinische ervaring of opleiding vereist is, ook beantwoorden aan de noden van volksgezondheid.
Vandaag zijn die profielen zeer moeilijk te vinden, denk maar aan adviserend artsen en arbeidsartsen. De behoefte eraan wordt almaar groter.
De commissie vraagt ook om de specialismen klinische farmacologie en farmaceutische geneeskunde op te nemen in de planning van het medisch aanbod. Daarnaast vraagt ze maatregelen om de beschikbare opleidingsplaatsen aan te passen aan de quota en pleit ze voor een gedifferentieerde financiering voor specialismen waarin het moeilijk is om artsen aan te werven of waarvoor de organisatie van de opleidingsplaatsen complexer is.
Blijkbaar heeft de commissie onvoldoende zicht op de retentie en de uitstroom. Daarom vraagt ze ook daarvoor meer middelen.
Mijn eerste vraag aan de minister is enigszins gelijklopend met die van mevrouw Gijbels. Hoe verklaart u de verhouding tussen het quotum voor Vlaanderen en dat voor Wallonië? Wordt er ook rekening gehouden met het feit dat Wallonië zich in het verleden nooit heeft gehouden aan de beperking van de instroom van geneeskundestudenten en dat afstuderende artsen er steeds een RIZIV-nummer kregen, terwijl Vlaanderen zich klaarblijkelijk wel altijd aan de afspraken heeft gehouden? Wordt er ook rekening gehouden met de intensiteit waarmee artsen in beide landsdelen werken?
Zou het kunnen dat er te weinig specialisten worden opgeleid in vergelijking met het buitenland? Ik heb mogen vernemen dat de Planningscommissie-medisch aanbod daar toch op die manier naar kijkt. De commissie vraagt om een aantal specialismen op te nemen in het quotum en om er ook specialismen in op te nemen die buiten de ziekteverzekering opereren. Hoe staat u daartegenover?
Zult u overleggen met de gemeenschappen om ervoor te zorgen dat er voldoende opleidingsplaatsen zijn? Acht u een gedifferentieerde financiering van die opleidingsplaatsen nodig?
De commissie zegt onvoldoende zicht te hebben op de retentie en de uitstroom, wat essentieel is voor de inschatting van haar werkzaamheden en voor de planning van de komende jaren. Zult u daarvoor de nodige budgetten vrijmaken?
Vindt u tot slot, gelet op het tekort aan artsen, het systeem van quota op federaal niveau en de beperking van de instroom in de artsenopleiding nog steeds zinvol?
05.04 Minister Frank Vandenbroucke: De ministerraad heeft op 13 mei de volgende beslissing genomen. Voor de artsenquota gericht op de jaren 2032-2033, geldt 1.427 kandidaten voor de Vlaamse Gemeenschap, 1.089 kandidaten voor de Franse Gemeenschap. Voor de tandartsenquota, die voor een langere periode zijn vastgelegd, namelijk 2031-2036, geldt 266 kandidaten voor de Vlaamse Gemeenschap, 158 kandidaten voor de Franse Gemeenschap.
Vergeleken met vorig jaar is dat een lichte verhoging van de artsenquota en een forse verhoging van de tandartsenquota. Het gaat om ontwerpen van besluiten, die voor advies voorgelegd zijn aan de Raad van State. Ik zal u dadelijk uitleggen hoe we daarop komen.
Ik blijf planning belangrijk vinden voor de kwaliteit van de opleidingen. Men moet opleidingen om te beginnen niet overspoelen met veel meer studenten dan er uiteindelijk afgestudeerden nodig zijn of dan de opleidingen kunnen absorberen. Men moet onderwijsinstellingen in staat stellen het goed te doen. Natuurlijk is onder andere financiering van opleidingen niet onze bevoegdheid, maar met de planning dragen we ons steentje bij aan de goede organisatie ervan.
Nog belangrijker is dat we ons steentje bijdragen aan een voldoende aanbod van zorgverleners, niet te veel en niet te weinig, in dit geval artsen en tandartsen, met dien verstande dat de verdeling tussen specialismen een bevoegdheid is van de deelstaten, waarin wij dus niet tussenbeide komen.
Ik herinner eraan dat de quota gestoeld zijn op een scenario van de Federale Planningscommissie, die op een zorgvuldige en een gedocumenteerde manier rekening houdt met de mogelijke evolutie van het aanbod, de zorgbehoeften van de bevolking, nationaal en regionaal, de sociaal-economische omstandigheden en de gezondheidstoestand in ons land.
Die commissie kijkt ook naar de gemiddelde arbeidsinzet. Dat wordt allemaal erg transparant besproken en gedocumenteerd, onder andere met experts uit het werkveld. Wat de methodologie betreft, de commissie gebruikt gegevens uit het kadaster van de gezondheidszorgbeoefenaars, gekoppeld aan data van onder meer het RIZIV en het Datawarehouse Arbeidsmarkt. Die worden aangevuld met projecties van de evolutie van de workforce via een planningsmodel. De veronderstelde daling van de arbeidstijd van artsen sluit aan bij structurele evoluties en wordt onderbouwd door onder meer het rapport Werktijd voor de Huisartsen, waaruit blijkt dat huisartsen hun werkweek aanpassen. Ook technologische ontwikkelingen en taakdelegatie werden in rekening gebracht.
Op basis van wat op tafel is gelegd door de Federale Planningscommissie, zou men voor de artsen een verdeling hebben van 53 % voor Vlaanderen en 47 % voor de Franse Gemeenschap. Voor de tandartsen is de verhouding 63 % voor Vlaanderen en 37 % voor de Franse Gemeenschap. Een verhouding van 40-60 is dus niet noodzakelijk het goede uitgangspunt. Daarvoor moet men de behoeften en criteria in kaart brengen. Als men dan voor de tandartsen een sterke inhaalbeweging moet doen in Vlaanderen en die leidt tot meer dan 60 % voor Vlaanderen, terwijl het voor de artsen omgekeerd is, dan kan dat in balans wel degelijk legitiem zijn.
Voor alle duidelijkheid, bij de heropstart van de werkgroep artsen in het najaar zal men in de Federale Planningscommissie al die hypotheses en methodes opnieuw bespreken. Men zal dat nog grondig bekijken. Zoals mevrouw Gijbels al heeft gezegd, hebben we in de federale ministerraad nog een kleine wijziging aangebracht. We wilden een scenario waarin er geen rekening werd gehouden met de buitenlandse instroom, het autonomiescenario, en dat resulteert in een opwaartse correctie van de cijfers. Daarnaast wilden we dat de historisch opgebouwde achterstand voor Vlaanderen sneller wordt afgebouwd. Dat brengt ons tot een verhouding voor de artsen van 57 % voor Vlaanderen en 43 % voor de Franse Gemeenschap met de cijfers die ik bij het begin heb aangehaald. Wat de tandartsen betreft, hebben we niets gewijzigd. Daar blijft de verhouding 63% tegenover 37%. Ik denk dat dat zeer aannemelijk is.
Mevrouw Sneppe, de gemiddelde activiteit in Franstalig België is voor een aantal disciplines lager dan in Vlaanderen, bijvoorbeeld voor de huisartsen. Die verdienen dus gemiddeld minder dan die in Vlaanderen.
Men kan opwerpen dat dat samenhangt met de keuze om iets minder te werken in termen van uren. Daar houdt de Planningscommissie rekening mee. Het kan toch niet de boodschap zijn dat Vlaamse huisartsen per se minder moeten werken en dus minder moeten verdienen? We houden dus rekening met de behoeften en de aspiraties inzake werktijd en impliciet inkomen uit het veld en die ook uit de praktijk blijken. Ik vind dat legitiem.
Er waren vragen over de quota in verband met bepaalde specialismen. De commissie beveelt aan om de nieuwe specialismes farmaceutische geneeskunde en klinische farmacologie buiten de quota te houden. Die aanbeveling zal verder worden geanalyseerd met het oog op de volgende quotabepaling.
De samenstelling van de Federale Planningscommissie wordt momenteel herbekeken. Een ontwerp van koninklijk besluit daartoe werd voor het eerst besproken op de ministerraad van 13 mei.
De deelstaten zullen zowel bij het aanleveren van de parameters als bij de uitwerking van alternatieve projectiescenario’s actief betrokken worden.
Wat de opvolging door het RIZIV betreft van de evolutie van de prestaties en de budgetten per regio, we doen dat soort regionale analyses niet langer structureel. In de thematische rapporten die het RIZIV publiceert, zult u zien dat daarin altijd regionale uitsplitsingen worden gemaakt.
Samenvattend, ik denk dat planning nodig is. Ik ben een beetje verbaasd, mevrouw De Knop, dat u de indruk geeft dat de vorige regering verkeerde beslissingen heeft genomen, want ik denk dat uw partij daar deel van uitmaakte. Ik zou die beslissingen van de vorige regering ook durven te verdedigen. We nemen nu verdere stappen om het proces goed te organiseren en een voldoende ruim aanbod in de toekomst te voorzien.
05.05 Dominiek Sneppe (VB): Dank u wel, mijnheer de minister. Ik heb nog enkele extra vragen. U zegt dat de samenstelling van de commissie wordt herbekeken. Er is ook een ontwerp van koninklijk besluit in de maak. Of ligt dat al op tafel? De deelstaten zullen actief worden betrokken. Kunt u verduidelijken hoe de samenstelling precies zal veranderen? Een verandering is immers niet altijd een verbetering. Vanuit de commissie kwam wel vaker de klacht over communautaire scheeftrekkingen. Wordt de samenstelling van de commissie in die zin herbekeken? Hoe ziet u dat?
De quota blijven natuurlijk een bijzonder gevoelig punt. Mijnheer de minister, u hebt in 2022 de stok achter de deur, namelijk zonder contingenteringsattest geen RIZIV-nummer, laten vallen. Wij hebben u daarvoor gewaarschuwd, maar u had daar geen oor naar. U was toen zeer blij en klopte zich op de borst, omdat u een akkoord had bereikt met de Franse Gemeenschap, en er dus geen stok achter de deur meer nodig was. Intussen blijkt dat aan Franstalige zijde de quota nog altijd worden overschreden. Er is geen stok achter de deur meer. De Franse Gemeenschap houdt ook weinig rekening met uw overeenkomst. Zij wordt eigenlijk nog altijd beloond voor de niet-naleving van de afspraken. Dat is niet juist en niet rechtvaardig. Dat is in het nadeel van onze Vlaamse studenten, onze Vlaamse artsen en onze Vlaamse patiënten. Het Vlaams Belang zal dat zeker blijven opvolgen en u daar regelmatig over bevragen.
05.06 Frieda Gijbels (N-VA): Dank u, mijnheer de minister. Wij vinden het jammer dat in de vorige legislatuur de 60-40-verhouding is gesneuveld. Laten we eerlijk zijn, het is niet dat Wallonië zich daar ooit aan hield. Wij hebben dan ook grote twijfels bij de werking van de Planningscommissie. De manier waarop zij haar oordeel velt en haar berekeningen maakt, lijkt weinig wetenschappelijk onderbouwd. Ze gebruikt een zeer creatieve formule, met als gevolg dat Wallonië nooit wordt geresponsabiliseerd en nooit zal moeten terugbetalen.
Wallonië heeft al meer dan 2.000 toekomstige RIZIV-nummers opgebruikt en zal die blijkbaar nooit moeten terugbetalen. Vlaanderen heeft daaruit zijn conclusies getrokken en beslist dat zelf te bepalen hoeveel studenten kunnen starten rekening houdend met de opleidingskwaliteit en de opleidingscapaciteit, die wij belangrijk vinden. Een quotum blijft dus noodzakelijk. Ik vraag me trouwens af of dat in Wallonië nog wel prioritair is en of de opleidingskwaliteit daar nog altijd op peil is.
Die beslissing ligt ook in lijn met onze partijvisie. Wij zijn voor zelfbestuur en voor het feit dat elke deelstaat zijn eigen beleid kan bepalen. Zolang de gezondheidszorg federaal wordt gefinancierd, moeten wij echter wel heel streng zijn voor overconsumptie. Wij zien toch dat de overconsumptie zich vooral ten zuiden van de taalgrens situeert. Dat kunnen wij niet accepteren.
Mijnheer de minister, wij rekenen ook op u. Laat de Franstaligen doen wat zij willen met hun quota. Dat is op zich geen probleem. Zij moeten dat dan wel alleen met hun deel van de federale middelen doen. Houd de consumptie daar van onder andere scans, preventieve tandzorg en mammografieën maar eens tegen het licht en zie erop toe dat de middelen correct worden gebruikt.
05.07 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.
Ik moet bekennen dat ik niet al te blij word als ik hier sommige opmerkingen hoor. Het lijkt wel alsof wij in twee landen leven. Nochtans maakt de N-VA ondertussen wel vlot deel uit van de federale regering. Meer zelfs, ze leidt die regering. Het is altijd moeilijk om hier verkiezingspropaganda te moeten aanhoren.
Het betreft inderdaad een heel complexe problematiek. Ik vraag mij alsmaar vaker af – die vraag leeft in onze fractie – of wij zulke strenge quota moeten opleggen, gelet op het grote tekort aan huisartsen en gelet op het feit dat intussen al een arts op de zeven artsen hier in het buitenland wordt opgeleid, om nog maar te zwijgen van de tekorten in andere sectoren waar artsen nodig zijn. Wij kunnen voor dergelijke zaken niet blind blijven.
Ik ben het wel eens met mevrouw Gijbels dat we de werking van de Federale Planningscommissie grondig onder de loep nemen. Als het systeem van de quota gehandhaafd blijft, moet het gebaseerd zijn op objectieve data en correct in de twee regio’s van het land worden toegepast. Mijnheer de minister, u zei dat planning belangrijk is voor de kwaliteit van de opleiding, maar dan moet een en ander in de twee landsdelen op dezelfde manier worden benaderd.
Anderzijds blijft het belangrijk dat al onze universiteiten voldoende artsen van welk specialisme ook kunnen blijven opleiden.
Ik heb geen antwoord gehoord op de vraag hoe u rekening zult houden met de nood aan specialismen die niet de quotaberekening werden meegenomen. Misschien kunt u daarop nog even terugkomen. Zo niet moeten we daarover nog bijkomende vragen stellen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
06.01 Dominiek Sneppe (VB): Mijnheer de minister, de hervorming van de nomenclatuur is een van de meest ingrijpende hervormingen binnen onze gezondheidszorg van de afgelopen jaren. In dat kader wordt gewerkt met verschillende werven, zoals de zogenaamde ACA-werf voor consultaties en adviezen en de herziening van de technische prestaties binnen ATMC en AMTAA.
Uit de lopende discussies blijkt dat de hervorming niet louter een technische herijking is, maar potentieel een belangrijke herverdeling van middelen tussen disciplines, in het bijzonder tussen cognitieve en technische geneeskunde. Tegelijk zien we dat via systemen zoals de financiering van laagvariabele zorg verder wordt afgestapt van het klassieke fee-for-servicemodel en wordt geëvolueerd naar forfaitaire financiering. Dat roept enkele fundamentele vragen op.
In welke mate garandeert u dat de hervorming van de nomenclatuur effectief een herijking blijft en geen verkapte herverdeling wordt tussen medische disciplines?
Hoe wordt binnen de ACA-werf concreet gewaakt over een correcte waardering van intellectuele prestaties zonder dat dit leidt tot nieuwe scheeftrekkingen elders in het systeem?
Wat is de precieze rol en afbakening van de categorieën ATMC en AMTAA in de hervorming en hoe vermijdt u dat technische prestaties systematisch worden afgebouwd ten voordele van andere segmenten?
Welke impact verwacht u van de verdere uitrol van de financiering van laagvariabele zorg op de inkomsten van artsen en op het gedrag binnen ziekenhuizen? Bestaat er volgens u geen risico op onderbehandeling of standaardisering die onvoldoende rekening houdt met individuele patiëntennoden?
Ten slotte, wat is de stand van zaken van dit dossier en hoe zult u het Parlement betrekken bij deze hervorming, gelet op de grote budgettaire en inhoudelijke impact op ons gezondheidszorgsysteem?
06.02 Minister Frank Vandenbroucke: Wat uw eerste vraag betreft, het methodologisch kader van de hervorming steunt op objectieve parameters, zoals de inhoud van de verstrekking, de benodigde tijd, de complexiteit en het risico wat betreft het zuivere deel van het honorarium. Als er een kostencomponent is – welke kosten moeten worden gemaakt om een medische prestatie te kunnen organiseren –, wordt de reële kostenstructuur eveneens objectief vastgelegd.
De hervorming gaat natuurlijk wel over een herijking. We gaan om te beginnen dus een opsplitsing maken tussen het kostendekkende gedeelte, gebaseerd op objectieve financiële gegevens, en het professionele gedeelte aan de hand van de duur, de complexiteit en het risico van de prestatie.
Dat moet wel binnen de huidige budgettaire enveloppe blijven.
Ten tweede, we zullen het professionele deel van de intellectuele prestaties volgens dezelfde methodologie laten scoren als andere prestaties en die vervolgens allemaal samen op één interdisciplinaire relatieve waardeschaal uitzetten. In de ACA-werkgroep wordt gewaakt over een correcte waardering van intellectuele verstrekkingen over alle disciplines heen. De kern daarvan is een uniform referentiekader, waarbij raadplegingen en aanverwante verstrekkingen in eerste instantie worden gewaardeerd op basis van hun duur en eventueel ook hun complexiteit, met duidelijk omschreven toeslagen voor objectieve omstandigheden, bijvoorbeeld een raadpleging met een nieuwe patiënt, specifieke zorgcontexten of multidisciplinaire samenwerking.
De relatieve waardering van de prestaties voor het professionele deel gebeurt intradisciplinair en interdisciplinair, met zeer veel betrokkenheid van experts en artsen uit het werkveld. We beogen een coherente hervorming in één pakket van zowel raadplegingen, toezichten, dat komt uit de ACA-werkgroep, als chirurgische en medisch-technische prestaties. Als men dat als een geheel in één interdisciplinaire waardeschaal onderbrengt, moet men ook een coherente hervorming krijgen, zonder ongewenste effecten elders.
Ten derde, de categorie ATMC omvat alle medisch-technische verstrekkingen die door artsen worden uitgevoerd. In het deel AMTAA worden de geautomatiseerde medisch-technische verstrekkingen behandeld, onder meer het technische deel in de klinische biologie, de pathologische anatomie, de radiotherapie en de genetica.
Ten vierde, er komt geen verdere uitrol van de laagvariabele zorg, wel een all-inforfait per pathologie voor gehospitaliseerde patiënten, met het oog op de geobjectiveerde noden van de patiënt.
Door de effectief geleverde prestaties binnen het forfait op te volgen, kan het risico op onderbehandeling worden opgevangen.
Ik kom tot uw vijfde vraag. De hervorming van de nomenclatuur bevindt zich momenteel in een vergevorderde inhoudelijke fase, zowel voor de ACA als voor de ATMC en de AMTAA. De grote uitgangsprincipes en de methodologie die zijn uitgewerkt, worden ook besproken binnen de betrokken werkgroepen. We zullen dat alles natuurlijk ook allemaal zeer grondig bespreken met de medicomut.
In de verdere stappen zal het hele pakket inhoudelijk nader worden uitgewerkt. Dan gaat het ook over toepassingsregels en de impact op andere regelgeving. We moeten in kaart brengen wat de totale budgettaire massa is die kan worden besteed aan het professioneel deel van de honoraria en welk deel van de huidige honorariummassa moet worden besteed aan de kostendekking. We hopen relatief goed vooruit te kunnen gaan, zowel met die opsplitsing van het honorariumbudget als met het kunnen voorleggen van één geïntegreerde relatieve waardeschaal voor het professionele deel van alle prestaties.
Ik hoop dus dat we in de loop van de volgende maanden, en zeker in 2027, tot een echte deliberatie, consultatie, maar ook onderhandeling zullen kunnen komen met de vertegenwoordigers van de artsen, de ziekenfondsen en de ziekenhuiswereld, om die hervorming in de loop van 2027 af te ronden wat betreft de besluitvorming. Dat moet het mogelijk maken om in 2027 en in 2028 nog de nodige testen uit te voeren en de hervorming vanaf 2029 te implementeren.
06.03 Dominiek Sneppe (VB): Dank u wel, minister, voor uw toelichting. Ik zal een aantal zaken nog eens moeten herbekijken, het gaat om nogal ingewikkelde materie. Ik onthoud dat u met die werkgroepen nog altijd bezig bent en dat de hervorming zich in een vergevorderde inhoudelijke fase bevindt. Ik begrijp ook dat alles tegen het einde van het jaar afgerond zou moeten zijn, zodat in 2027 de nodige checks and balances kunnen worden uitgevoerd. Toch zou het dan nog duren tot 2029. Heb ik dat goed begrepen? Oké!
Ik hoop inderdaad dat u bij de verdere uitwerking niet alleen rapporteert over de budgettaire neutraliteit. Als ik het goed begrepen heb, zegt u dat we binnen het budget zullen blijven. Het gaat dus om een herijking, maar ook om een herverdeling tussen technische en cognitieve prestaties.
Ik hoop dat u daarbij ook rekening houdt met de organisatie van de zorg in de ziekenhuizen, de zorg aan het bed, de wachtdiensten, de fysieke aanwezigheid, de verpleegkundige ondersteuning, de brede inzetbaarheid van artsen en de leefbaarheid van disciplines die vandaag al onder druk staan.
Ik hoop ook dat u de opinietekst van dokter Stan Politis hebt gelezen, waarin hij zich toch zeer kritisch uitliet en dat u die opmerkingen meeneemt in de verdere besprekingen binnen uw werkgroepen. Hopelijk hebt u overleg met het werkveld en is het werkveld ook vertegenwoordigd in die werkgroepen en kunnen we de kwestie uiteindelijk in goede verstandhouding afronden.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
07.01 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, recente cijfers van sectorfederatie pharma.be tonen aan dat de Belgische biofarmaceutische sector, jarenlang een internationale voortrekker, duidelijk aan momentum verliest. In 2025 gingen vrijwel alle kernindicatoren achteruit. Het aantal jobs daalde, het aantal onderzoekers nam af met 2,5 %, de uitvoer kromp met bijna 7 % en het aantal octrooiaanvragen daalde met meer dan 15 %. Ook de investeringen zetten hun dalende trend verder.
Daarnaast blijkt uit recente bevragingen dat bijna de helft van de bedrijven verwacht dat investeringen in onderzoek en ontwikkeling verder zullen afnemen, terwijl 90 % vreest dat dit een negatieve impact zal hebben op de lancering van nieuwe geneesmiddelen in België.
De sector waarschuwt dat België aan aantrekkelijkheid verliest en dat wat vandaag naar het buitenland verdwijnt, niet snel terugkomt. Dat is niet alleen problematisch voor onze economie, het kan ook gevolgen hebben voor de toegang van patiënten tot innovatieve behandelingen. Ik verwijs naar het ons bekende farmaceutische ecosysteem, wanneer we het hebben over de farmaceutische sector en alles wat daarmee samenhangt in ons land.
Er rijzen ernstige vragen over het investerings- en innovatieklimaat in ons land en de impact daarop van het gevoerde beleid. Daarom heb ik de volgende vragen.
Hoe evalueert u die duidelijke terugval van de Belgische biofarmaceutische sector? Erkent u dat België aan aantrekkelijkheid verliest voor investeringen en klinisch onderzoek? In welke mate spelen het huidige prijs- en terugbetalingsbeleid en bijkomende heffingen volgens u een rol in die evolutie?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat innovatieve geneesmiddelen sneller beschikbaar worden voor patiënten in België? Hoe wilt u vermijden dat onderzoek, investeringen en jobs structureel naar het buitenland verschuiven? Bent u bereid om het huidige beleid te herbekijken om het innovatie-ecosysteem in ons land opnieuw te versterken?
07.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw De Knop, wij behoren gelukkig nog altijd tot de top drie in Europa op het vlak van het aantal klinische proeven per inwoner. We blijven ook maatregelen nemen om die aantrekkelijkheid te behouden en zo mogelijk zelfs te verbeteren. We mogen niet op onze lauweren rusten. Als we Europa immers vergelijken met andere werelddelen, dan klopt het inderdaad dat innovatief onderzoek binnen de Europese farmaceutische industrie wat afneemt ten opzichte van China en de Verenigde Staten.
Op Europees vlak worden daarom ook concrete maatregelen genomen om de Europese competitiviteit te verbeteren. Enkele jaren geleden is verordening nr. 536/2014 inzake klinische proeven aangenomen. Die verordening heeft voor meer harmonisatie tussen de lidstaten gezorgd, maar er is nog meer nodig. Daarom ligt de Biotech Act nu op tafel. Dat is wetgeving die tot doel heeft om de competitiviteit van Europa voor biofarmaceutisch onderzoek te verbeteren.
Dan kom ik aan uw tweede vraag. Vroeger waren we echt koploper in Europa. Door de verordening waarover ik het had, is er nu wel meer een level playing field voor multinationale klinische proeven tussen de lidstaten. Dat is een minder gemakkelijke uitgangspositie voor België als individueel land. Zoals gezegd blijven we initiatieven nemen om onze positie te versterken. België is een land dat bekendstaat om de expertise van onze klinische centra en teams op het vlak van klinische proeven. Het FAGG, samen met het College, zet daarop in en hanteert sinds begin dit jaar versnelde beoordelingstermijnen voor alle mononationale proeven. Daarnaast positioneert België zich actief als rapporterende lidstaat voor multinationale klinische proeven. Het FAGG neemt deel aan de FastEU-aanpak, wat de doorlooptijd voor multinationale proeven terugbrengt tot maximaal 70 kalenderdagen.
Nu kom ik tot uw derde vraag. Het terugbetalingsbeleid voor geneesmiddelen is natuurlijk voortdurend in evolutie. We streven er bij elke hervorming naar om dat beleid te verbeteren en ook efficiënter te maken. Dat neemt niet weg dat we rekening moeten houden met de budgettaire context waarin het volledige gezondheidszorgsysteem zich jaarlijks ontwikkelt.
Alle actoren leveren in dat kader de nodige inspanningen om de duurzaamheid van ons gezondheidszorgsysteem te waarborgen. De bijkomende heffingen die aan de farmaceutische industrie worden gevraagd, passen uitsluitend binnen die context. Vergelijkbare inspanningen worden ook gevraagd aan de andere actoren in de sector. Er is dan ook geen rechtstreeks verband tussen deze reguleringsmechanismen binnen het gezondheidszorgsysteem en hetgeen ik hiervoor zei.
U vraagt welke concrete maatregelen ik neem. Ik denk dat ik die wel heb aangestipt. Het FAGG vergroot ook zijn capaciteit voor de behandeling van dossiers inzake klinische proeven, wetenschappelijk advies, vergunningen voor het in de handel brengen en farmacovigilantie voor ATMP's. Zo maakt het dus van ATMP's ook een speerpuntdomein.
Ten vijfde vraagt u hoe we willen vermijden dat onderzoek, investeringen en jobs naar het buitenland verschuiven. Wel, dat is precies waarom het FAGG vandaag een aantal initiatieven rond competitiviteit en klinisch onderzoek neemt. Samen met het College binnen de FOD Volksgezondheid bereiden we een hervorming voor, onder meer van de ethische comités, wat zowel in meer kwaliteit als in meer efficiëntie van die procedures moet resulteren.
U vraagt ten slotte of ik een en ander wil herbekijken en evalueren. Ja, dat wil ik absoluut. Er zijn initiatieven die we nu wel eerst echt moeten implementeren, maar we zullen natuurlijk de verwachte impact daarvan bekijken.
07.03 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord, maar u gaf een zeer beknopt antwoord en u beperkte zich tot een aantal algemeenheden.
We weten dat België in de top drie zit voor klinische studies, maar u weet ook zeer goed dat we de grote groei aan aanvragen missen. Voorlopig blijven we misschien staan, maar de bijkomende klinische studies gaan naar andere landen, soms ook buiten Europa. Onze leiderspositie zijn we duidelijk kwijt.
Inzake de aantrekkelijkheid in België voor investeringen en klinisch onderzoek hebt u eigenlijk helemaal niet geantwoord. U verwees opnieuw naar een aantal maatregelen in de Europese Unie. Ja, we weten dat er een Europese verordening bestaat, maar dan nog hebben we daar als land rekening mee te houden en moeten we proberen in te spelen op die veranderende omstandigheden om onze leiderspositie proberen te behouden. Wij hebben toch wel vaak het gevoel dat dat niet uw grootste prioriteit is.
Nogmaals, alle kernindicatoren van de Belgische biofarmasector staan in het rood. Jobs, investeringen, octrooien, terugbetalingen: al die zaken evolueren niet in gunstige zin. Het is geen toeval dat de sectorfederatie nu aan de boom schudt. Het is een alarmsignaal voor ons land en het heeft potentieel verstrekkende economische en strategische gevolgen als we nu niet ingrijpen.
Daarnet zei u nog dat u een bepaald geneesmiddel niet wilt terugbetalen. We weten dat u in de helft van de gevallen de geneesmiddelen die worden aangevraagd, niet terugbetaalt in de gezondheidszorg. Dat heeft onmiddellijk een impact.
Bovendien zijn de gehanteerde termijnen om tot een beoordeling te komen, veel te lang. Daardoor ondervinden we een concurrentieel nadeel.
Mijnheer de minister, mijn vraag aan u is dus om de problematiek vast te pakken met veel meer urgentie en ervoor te zorgen dat de bedrijven zich gedragen en gesteund voelen door de federale overheid. Op basis van alle contacten die ik heb met de in België actieve bedrijven die voor ernstige werkgelegenheid zorgen, kan ik zeggen dat ik bij al die bedrijven grote bezorgdheden hoor over het beleid dat u voert.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
08.01 Jean-François Gatelier (Les Engagés): Monsieur le Ministre,
Le don de moelle osseuse fait l'actualité en
France suite au vécu d'Elio, un petit garçon de 4 ans, souffrant d'une
leucémie, qui a urgemment besoin d'une greffe de moelle osseuse mais pour qui
les donneurs compatibles sont rares. Sa famille a donc lancé un appel aux
donneurs.
Comme indiqué sur le site de la Croix-Rouge,
"le registre des donneurs de moelle osseuse collabore avec des centres de
don et des hôpitaux. Un candidat donneur peut s'y inscrire et s'y faire
prélever un échantillon de sang. Le registre gère l'inscription et rassemble
toutes les données relatives aux candidats donneurs et à leurs types de tissu.
Dès qu'une demande d'un patient lui parvient, le registre se met en quête de
donneurs dont les types de tissu sont identiques. Pour ce faire, il consulte
les registres de donneurs et les banques de sang de cordon, au niveau belge
comme international. Dès qu'un donneur compatible a été identifié, nous
coordonnons le suivi administratif jusqu'à la transplantation finale."
Monsieur le Ministre, je souhaiterais avoir
davantage d'informations sur le don de moelle osseuse en Belgique. Mes
questions sont donc les suivante :
Pourriez-vous nous éclairer sur l'évolution
du nombre de donneurs inscrits dans le registre belge des donneurs de moelle
osseuse ces dernières années et sur l'évolution des besoins?
Quels sont les freins au développement du
don de moelle osseuse en Belgique (information et sensibilisation, collecte du
don, analyses en laboratoires, suivi)? Qui supporte les coûts de ces
différentes étapes?
Quelles actions envisagez-vous pour
renforcer la sensibilisation et augmenter le nombre de donneurs? Une campagne
spécifique de sensibilisation au don de moelle osseuse est-elle prévue? Ne
pourrait-on pas envisager une sensibilisation lors de tout don de sang?
Je vous remercie pour vos réponses.
08.02 Frank Vandenbroucke, ministre: Le Marrow Donor Program Belgium Registry (MDPB) exerce à nouveau, pour une période de 6 ans, la fonction de registre de sang de cordon. À la suite de l'appel à candidature du 25 septembre 2024, une seule organisation a introduit une candidature. Celle-ci répond à l'ensemble des conditions prévues à l'article 1er, § 2, de l'arrêté royal concerné. Les données disponibles dans le cadre de la procédure de renouvellement du MDPB couvrent la période jusqu'en 2023 inclus. Les chiffres plus récents ont été demandés au MDPB et seront transmis ultérieurement. Un projet a été lancé avec l'INAMI le 1er septembre 2008 en vue du recrutement de nouveaux donneurs et s'est déroulé jusqu'au 1er septembre 2013. L'INAMI a pris en charge une partie du financement du typage tissulaire de ces donneurs. L'objectif était d'élargir la base de données de 10 000 nouveaux donneurs sur une période de cinq ans.
En 2014, une convention complémentaire a été conclue pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2018, suivie en mai 2019 de la conclusion d'une nouvelle convention couvrant la période du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2023. En 2024, le MDPB était en concertation avec l'INAMI, mais ceci n'a pas abouti à un renouvellement de cette convention. Cette concertation devra dès lors être reprise. Le nombre de donneurs enregistrés dans le registre belge du 31 décembre 2023 s'élève à 80 833. Le nombre d'unités de sang de cordon (CBU) est de 21 831. Lorsque l'on compare la base de données actuelle des donneurs de cellules souches à celle de 2008, on observe un rajeunissement marqué de la population de donneurs. En 2008, 11 % des donneurs avaient moins de 35 ans et 31 % moins de 45 ans. En 2023, 31 % des donneurs ont moins de 35 ans et 63 % moins de 45 ans. Le MDPB organise différentes campagnes. Il collabore étroitement avec 6 centres de donneurs belges, 9 centres de collecte, 11 centres de transplantation et 10 banques de cellules souches hématopoïétiques. Par ailleurs, il entretient des partenariats avec 5 banques de sang de cordon.
Les actions planifiées ont été demandées au MDPB. Les conventions ont, en outre, été conclues entre l'INAMI et le MDPB concernant l'intervention financière en vue de l'extension de la base de données belge des donneurs de cellules souches.
Entre 2017 et 2023, le MDPB a mis en place diverses actions ciblées de communication et de recrutement visant à renforcer et à diversifier le registre belge des donneurs de cellules souches. Ces actions ont, notamment, porté sur les donneurs plus jeunes, les hommes et les personnes d'origine non caucasienne qui sont sous-représentés dans le registre.
Un exemple concret est la campagne menée en 2022, spécifiquement destinée aux jeunes hommes d'origine turque, nord-africaine et subsaharienne et axée sur la reconnaissance et la diffusion d'une information correcte ainsi que sur la levée des idées reçues. La campagne a bénéficié d'une large diffusion via les réseaux sociaux, les affiches des influenceurs et les canaux propres au MDPD et a conduit à une augmentation temporaire marquée des inscriptions, en particulier au sein du public cible.
08.03 Jean-François Gatelier (Les Engagés): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse. Cependant, je constate que l'historique que vous avez dressé est tout à fait correct. Vous m'avez informé de l'évolution du nombre de donneurs, des campagnes de sensibilisation qui ont été effectuées il y a un petit temps. Mais, si j'ai bien compris, depuis 2023, plus aucune action nouvelle n’a été mise en place pour sensibiliser au don de moelle, et par ailleurs aucune nouvelle convention n’a été signée.
Par conséquent, plus rien n’est actuellement entrepris pour augmenter le nombre de donneurs ou pour renforcer la sensibilisation, à moins que vous ne disposiez d’informations complémentaires?
08.04 Frank Vandenbroucke, ministre: Je vous ai exposé l'historique. Il importe donc, désormais, de reprendre la concertation – c'est une évidence!
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
09.01 Jean-François Gatelier (Les Engagés): Monsieur le Ministre,
L'arrêté royal du 25 octobre 2018 concernant
l'évaluation des critères d'exclusion temporaire, et les périodes d'exclusion
connexes, pour les donneurs concernant le comportement sexuel prévoit que la DG
soins de santé doit établir un rapport sur la concertation annuelle, en
collaboration avec l'AFMPS, les établissements de transfusion sanguine,
Sciensano et le Conseil supérieur de la Santé.
Le dernier rapport de la concertation sur
les critères d'exclusion temporaire et les périodes d'exclusion disponible date
de décembre 2024.
S'il est clair que notre priorité doit être
d'assurer la qualité et la sécurité du sang, des évolutions méritent notre
attention: qu'il s'agisse de la législation dans d'autres pays qui prévoit la
suppression de la période d'exclusion pour les HSH ou du fait que l'usage de la
PrEP rend la détection d'une infection plus difficile.
Monsieur le Ministre, il me semble important
de faire le point sur la situation. Mes questions sont donc les suivantes:
Pourriez-vous nous éclairer sur la
concertation sur les critères d'exclusion temporaire et les périodes
d'exclusion qui devait être menée fin 2025 ? Cette concertation a-t-elle été
menée? Quand est-ce que le rapport de cette concertation sera disponible sur le
site du SPF Santé publique?
Est-ce que les données scientifiques
concernant les dons de sang par les HSH ont évolué? Est-ce que les
recommandations concernant la période d'exclusion pour les dons de sang par les
HSH ont évolué?
Est-ce que les données des pays qui ont
supprimé la période d'exclusion pour les HSH ont été analysées? Si oui, quelles
sont les conclusions de cette analyse? Si non, pourquoi?
Est-ce que la question de l'impact de
l'utilisation de la PrEP sur la qualité du sang a été analysée dans ce
cadre? Quelles sont les conclusions de
cette analyse? Est-ce qu'une exclusion des utilisateurs de la PrEP du don de
sang est envisagée?
09.02 Frank Vandenbroucke, ministre: S'agissant de votre première question, conformément à l'arrêté royal du 25 octobre 2018, la concertation annuelle sur les critères d'exclusion temporaire en matière de don de sang a effectivement eu lieu le 8 décembre 2025, en collaboration avec le SPF Santé publique, l’AFMPS, Sciensano, le Conseil Supérieur de la Santé et les établissements de transfusion sanguine.
Le rapport d'évaluation correspondant est en cours de concertation et sera rendu public après finalisation de la procédure de publication.
S'agissant de votre deuxième question, en 2024, aucune séroconversion au VIH n'a été observée chez les donneurs de sang. Parallèlement, les chiffres de l'hépatite B et de l'hépatite C sont en diminution, tandis que le nombre de cas de syphilis augmente fortement, en particulier chez les donneuses.
En outre, les signalements d'informations post-dons, pertinentes pour la sélection des donneurs mais non mentionnées lors de l'anamnèse, sont en nette augmentation, notamment ceux liés à des comportements sexuels à risque et à d'autres facteurs de risque.
Dans la population générale, de nouveaux diagnostics du VIH continuent d'être posés, avec 662 diagnostics en 2024. Parmi ces infections, 50 % ont été transmises par des contacts hétérosexuels et 44 % par des rapports sexuels entre hommes, les populations les plus touchées étant les hommes belges ayant des relations sexuelles avec des hommes, ainsi que des hommes et femmes originaires d'Afrique subsaharienne.
S'agissant de votre troisième question, les instances concernées reconnaissent que plusieurs pays ont évolué depuis 2022, passant de critères d'exclusion basés sur des groupes à une évaluation du risque fondée sur le comportement individuel.
À ma demande, les instances concernées ont été chargées d'élaborer un avis sur les critères d'exclusion applicables aux HSH dans le don de sang, sur la base de l'analyse internationale et épidémiologique. Cet avis tiendra compte de la sécurité des produits, de la proportionnalité, de la non-discrimination et de la faisabilité pratique, en vue d'éventuelles adaptations du cadre légal.
S'agissant de votre quatrième question, la réponse est oui. L'évaluation annuelle inclut une analyse internationale des pratiques en Europe, ainsi qu'au Canada, aux États-Unis, au Royaume-Uni et en Australie. Elle montre que plusieurs pays ont remplacé le critère HSH par un dépistage basé sur les comportements, sans augmentation observée des infections transmissibles par transfusion à ce stade.
Toutefois, ces résultats doivent être interprétés avec prudence en raison des différences de contexte. Les expériences internationales sont suivies de près, mais ne justifient pas à elles seules une modification de la politique sans évaluation du contexte belge.
Pour répondre à votre cinquième question, l'impact de la PrEP et de la PEP a été explicitement abordé lors de la concertation annuelle. Les institutions et les parties prenantes concernées s'accordent à dire que leur utilisation peut compliquer la détection du VIH et conduire à un faux sentiment de sécurité, avec une diminution potentielle de la disposition de donneurs à déclarer un statut VIH positif ou leur recours à la PrEP.
Dans le contexte transfusionnel, la PrEP et la PEP sont en outre considérées comme des indicateurs de comportement potentiellement à haut risque.
Il convient en outre de préciser que les donneurs utilisant la PrEP ou la PEP peuvent déjà faire l'objet d'une exclusion sur la base des critères d'exclusion existants prévus par la législation relative au sang. La loi prévoit en effet que tant l'usage de médicaments en fonction de la nature du médicament prescrit, de son mécanisme d'action et de la pathologie traitée que les comportements ou activités associés à un risque accru de maladies infectieuses transmissibles par le sang peuvent justifier une exclusion, éventuellement temporaire, du don.
09.03 Jean-François Gatelier (Les Engagés): Merci, monsieur le ministre. Vous avez répondu avec précision à toutes mes questions et je n'ai rien à ajouter.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
10.01 Jean-François Gatelier (Les Engagés): Monsieur le ministre, comme vous le savez, la revalorisation de la profession de sage-femme fait partie des débats réguliers en commission de la Santé. Vous vous en préoccupez d'ailleurs également.
Le budget dégagé par la création d'un ticket modérateur pour les prestations réalisées par les sages-femmes va permettre de revaloriser ces professionnelles de la santé. C'est positif mais il faut aller plus loin.
Nous avons déposé une proposition de loi qui vise à mieux valoriser le travail réalisé par les sages-femmes en modifiant la rémunération liée aux actes de soins qu'elles posent, afin, d'une part, de reconnaître le travail réel effectué par les sages-femmes qui prennent souvent en charge plusieurs patients (la mère, l'enfant ou les enfants en cas de naissances multiples) en leur permettant d'attester les prestations pour chacune des personnes prises en charge et en prévoyant que les nombres maxima de prestations pour les consultations de surveillance et de soins postnatals et les consultations autour de l'allaitement s'appliquent pour chaque personne prise en charge. D'autre part, il s'agit de permettre à la sage-femme d'attester des prestations pour la prise en charge de l'enfant, même en l'absence de la maman, notamment dans les cas d'adoption, de familles homoparentales et de décès maternel. En effet, ces situations sont actuellement "oubliées" dans la nomenclature.
Monsieur le ministre, ces situations sont-elles intégrées dans la réforme de la nomenclature? La revalorisation de la profession de sage-femme est-elle envisagée dans le cadre du plan de cohésion sociale ainsi que dans le cadre de l'accord social prévu en 2028 et 2029? Pourriez-vous nous éclairer sur le travail mené par la commission de convention entre les sages-femmes et les organismes assureurs au sujet de la proposition visant à introduire un ticket modérateur pour les prestations effectuées par les sages-femmes et à revaloriser leurs honoraires? Qu'en est-il de l'élaboration d'un meilleur modèle de financement et d'organisation pour les sages-femmes et des propositions qui contribuent à la simplification administrative?
10.02 Frank Vandenbroucke, ministre: La commission de convention sages-femmes/organismes assureurs examine régulièrement les propositions d'amélioration de la nomenclature, entre autres concernant une rémunération spécifique pour les soins du nouveau-né. Mais concernant votre proposition sur les facturations multiples lorsque plusieurs patients sont pris en charge, je rappelle que la nomenclature des sages-femmes est pour le moment construite autour de la mère. Si telle est la volonté de corriger cela, une proposition doit venir du secteur, en accord avec les OA, afin de développer un plan de la nomenclature autour du nouveau-né également.
Pour information, nous n'avons reçu à ce jour aucune proposition de la commission de convention avec une proposition de réforme de la nomenclature. Ces dernières doivent venir du terrain avant tout.
Deuxièmement, l'accord social n'a pas encore été concrétisé, mais se portera à hauteur de maximum 427 millions d'euros en 2029. J'ai dit maximum parce que l'enveloppe inclut aussi des possibilités pour des dépenses supplémentaires afin de répondre à des priorités en soins de santé. Mais c'est une enveloppe qui est destinée aussi à financer des besoins prioritaires en soins de santé, pas seulement l'accord social.
Troisièmement, point a), la commission de convention a élaboré un système de tickets modérateurs fixes simples avec des montants différenciés pour trois catégories de prestations et un tarif différencié pour les patients BIM et les patients non-BIM. La base légale permettant l'introduction d'un ticket modérateur pour les sages-femmes est en cours de publication. Dès que cette base légale aura été fixée, le projet d'arrêté royal d'exécution pourra être transmis aux organes compétents.
Troisièmement, point b), un groupe de travail interdisciplinaire trajet périnatal pour les grossesses à bas risque se réunit actuellement à l'INAMI avec notamment les organisations professionnelles des sages-femmes. L'un des objectifs est de renforcer le rôle des sages-femmes dans le suivi des grossesses à faible risque et de créer un cadre attractif pour les sages-femmes de première ligne. Cela s'inscrit dans la réflexion sur l'organisation et le financement des soins périnataux.
Troisièmement, point c), la commission a
transmis plusieurs propositions qui contribuent à la simplification
administrative au comité de l'assurance. Elle attend de savoir si une approche
harmonisée et des moyens nécessaires seront prévus pour avancer sur les
thématiques pour lesquelles elle a une compétence.
10.03 Jean-François Gatelier (Les Engagés): Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Je suis toutefois étonné que le secteur ne se soit pas manifesté et n'ait pas fait de proposition au niveau de la commission de convention, comme vous l’avez noté. Donc je vais leur en faire part.
Encore une fois, j’aimerais que l’on n'oublie pas ces situations où la maman est absente parce que soit elle est décédée, soit l'enfant est adopté ou en famille homoparentale. Nous reviendrons bien entendu sur ce sujet.
Je sais que vous suivez cela de près. Il est certain que l’on ne peut pas se contenter uniquement du ticket modérateur et qu'il faudra une nomenclature adaptée à la situation réelle de ce métier qui, je le dis encore et on l'a déjà souvent dit, est sous-valorisé et dont on a besoin. Vous avez parlé d'un trajet pour les grossesses à faible risque. Je pense qu’il s’agit d’une très bonne idée. Cela permet de valoriser leur positionnement là-dedans, étant donné le manque criant d'obstétriciens dans nos hôpitaux et dans les suivis, que ce soit des grossesses, mais aussi en postnatal.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
11.01 Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, de voorbije maanden kwamen meerdere dossiers van artsen die in het buitenland veroordeeld, geschorst of zelfs geschrapt werden, maar toch zonder veel problemen in België actief zijn kunnen blijven, aan het licht. Toen we in december het probleem aankaartten dat België jaarlijks duizenden waarschuwingen ontvangt via het Europese IMI-systeem, maar dat die in de praktijk nauwelijks systematisch worden opgevolgd, legde u uit dat het systeem beperkingen kent en dat u op Europees niveau zou pleiten voor verbeteringen.
Ondertussen blijven de voorbeelden zich echter opstapelen. Onderzoek van De Tijd bracht al eerder aan het licht dat verschillende Franse artsen die veroordeeld waren voor onder meer seksuele agressie, zware medische fouten of ernstige professionele tekortkomingen, ondanks Europese waarschuwingen via het IMI-systeem, toch in België zijn blijven werken. Daarbij bleek opnieuw wat we al wisten: de IMI-berichten worden in ons land nauwelijks of zelfs helemaal nooit geraadpleegd, terwijl alle informatie wel voorhanden is.
Recent raakte nog bekend dat een Nederlandse cosmetisch arts, beter bekend als dokter Don, door het regionaal tuchtcollege in Zwolle was geschrapt na een mislukte facelift waarbij een patiënte blijvende gezichtsverlamming opliep, terwijl hij als cosmetisch arts in een Belgische privékliniek in Genk actief bleef. Hij werd uiteindelijk geschorst, maar dat heeft natuurlijk veel te lang geduurd. Ook in België waren al ernstige tekortkomingen vastgesteld inzake bekwaamheid, informatieverstrekking, nazorg en medische verslaggeving. Kortom, het ging duidelijk niet over de eerste procedure tegen de betreffende arts. Patiënten liepen intussen nodeloos gevaar. Het is maar een van de talrijke voorbeelden die onlangs in de pers werden beschreven.
Mijnheer de minister, die dossiers tonen opnieuw aan dat buitenlandse sancties België vaak te laat bereiken of gewoon onvoldoende worden opgezocht, terwijl patiënten er uiteraard van uitgaan dat artsen die in België actief zijn, ook effectief grondig gecontroleerd worden. Daarnet hadden we het nog in het debat over de quota en over de noodzaak om de kwaliteit van de opleidingen te waarborgen. Dat geldt uiteraard ook voor de zorg zelf. Het is toch bijzonder problematisch dat we journalistiek onderzoek nodig hebben om een dergelijke problematiek bloot te leggen en dat de politiek pas nadien in actie schiet.
Mijnheer de minister, kunt u nog eens toelichten hoe de IMI-waarschuwingen vandaag in de praktijk bij visum- en erkenningsaanvragen worden behandeld? Bestaat er ondertussen een systematische screening? Blijft het zo dat IMI pas bij twijfel wordt geraadpleegd? Of zult het anders aanpakken en een systematische IMI-check invoeren? Hebt u sinds december al concrete stappen ondernomen om die berichten systematisch te laten screenen en opvolgen? Zo ja, welke maatregelen werden genomen? Zijn die vandaag al operationeel?
Hoe verklaart u dat artsen die in het buitenland geschorst, geschrapt of veroordeeld werden, toch in België aan de slag kunnen? U hebt op eerdere vragen van mij al geantwoord dat men wel degelijk wordt gescreend en dat getuigschriften worden opgevraagd, maar blijkbaar zijn die controles toch niet zo sluitend als u ons tijdens de plenaire vergadering hebt voorgehouden.
Acht u het normaal dat het speurwerk van journalisten patiënten vandaag moet beschermen tegen malafide zorgverleners uit het buitenland en dat de diensten pas in actie lijken te komen na een schandaal in de pers?
Hoeveel IMI-waarschuwingen werden het afgelopen jaar tot nu daadwerkelijk gecontroleerd, geopend en nader onderzocht? In hoeveel gevallen leidde dat tot een maatregel in België?
U hebt ook aankondigingen gedaan over initiatieven op Europees niveau. Welke stappen zijn daarvoor concreet gezet? Wat is daarvan het resultaat? Zult u, in afwachting van Europese aanpassingen, bijkomende nationale waarborgen invoeren om te vermijden dat risicodossiers door de mazen van het net glippen?
Samengevat, wat zult u doen opdat zulks niet meer kan gebeuren?
11.02 Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, ten eerste, welke concrete operationele maatregelen hebt u sinds ons debat hierover eind vorig jaar genomen opdat de bevoegde instanties de IMI-waarschuwingen sneller, systematischer en actiever opvolgen?
Welke diensten of instanties in België zijn vandaag concreet bevoegd voor de raadpleging van die IMI-waarschuwingen, de inhoudelijke beoordeling ervan en de eventuele opvolging ervan met het oog op de uitreiking van een visum, de erkenning of de beroepsuitoefening?
Zijn er ten slotte ondertussen maatregelen genomen tegen artsen? U hoeft daarvoor natuurlijk niet in te gaan op individuele dossiers. Zo ja, welke maatregelen zijn genomen en, als dat niet het geval is, waarom nog niet?
11.03 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, vooreerst, klopt het dat er morgen ook een interpellatie over het thema aan de orde is?
De voorzitter: Er is morgen inderdaad een interpellatie van mevrouw De Knop, maar aangezien er voor vandaag vragen daarover werden geagendeerd en mevrouw Gijbels anders niet kan repliceren, worden ze vandaag aan de orde gesteld.
11.04 Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, de vragen waren ook al veel eerder ingediend.
11.05 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Gijbels, ik wil uw vragen wel beantwoorden; mijn opmerking is niet bedoeld als verwijt. Wij zullen het debat morgen dan maar opnieuw voeren.
De voorzitter: Mijnheer de minister, ik weet niet of u morgen hetzelfde zult antwoorden aan mevrouw De Knop als vandaag; de kans daarop is waarschijnlijk redelijk groot.
11.06 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, het is een belangrijk onderwerp, maar we hebben daarover al relatief vaak gesproken. Aangezien men mij vraagt om hierover niet te uitvoerig te zijn, verwijs ik om te beginnen naar een aantal zaken die ik eerder al heb toegelicht.
Ten eerste, op de achtergrond speelt het probleem met het Europese IMI-systeem. Wanneer zo'n IMI-alert bij ons binnenkomt, ontvangt onze administratie alleen een nummer. Het is dus niet onmiddellijk duidelijk of die melding betrekking heeft op een zorgverlener die al actief is in België. Om dat te onderzoeken, moet onze administratie elk IMI-alert manueel openen en vergelijken met het nationale kadaster. Dat is een omslachtig en weinig gebruiksvriendelijk proces, omdat er jaarlijks duizenden meldingen binnenkomen. Dat moet dus worden herbekeken.
Vervolgens heb ik ook al eerder uiteengezet dat bij elke visumaanvraag van in het buitenland opgeleide zorgverleners de FOD Volksgezondheid systematisch een uittreksel uit het strafregister vraagt, een verklaring van goed professioneel gedrag voor alle landen waar de kandidaat heeft gewoond of gewerkt, en sinds kort ook een verplicht bewijs van kennis van een van de drie landstalen. Die attesten worden afgeleverd door de bevoegde instanties van het land van herkomst.
Er zijn dus in het visumproces – er worden jaarlijks ongeveer 30.000 visa uitgereikt, waarvan er ongeveer 2.000 betrekking hebben op in het buitenland gediplomeerde zorgverleners – meerdere instrumenten om problemen te voorkomen of in te perken.
In ieder geval is het IMI-proces voor ons omslachtig.
Ten tweede, in de meeste van de bekende gevallen werd het IMI-alert pas jaren na het verlenen van het visum in België verstuurd. We nemen de volgende maatregelen. Om te beginnen hebben we de Toezichtscommissie versterkt met meer middelen en dus meer mankracht. We hebben ook de inspectiebevoegdheden versterkt, net als de armslag die de commissie heeft via een gewijzigde kwaliteitswet die op 13 mei werd goedgekeurd. De Toezichtscommissie kan nu wel een stevige rol spelen.
Ik vind het overigens ironisch, mevrouw De Knop dat u bij de totstandkoming van de betreffende wet hier een paar weken geleden kort samengevat en misschien enigszins kort door de bocht net het omgekeerde geluid liet horen, namelijk dat u hoopte dat de Toezichtscommissie toch niet te sterk zou worden.
Voorts heb ik in capaciteit bij onze administratie de komende zomerperiode voorzien om te onderzoeken hoe we het IMI-systeem beter en systematischer kunnen integreren bij de toekenning van een visum. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan het openen en analyseren van alerts die het meest relevant zijn, onder meer op basis van de herkomst van de betrokken zorgverlener in het kader van de visumaanvragen. Op die manier kunnen we gerichter nagaan in welke gevallen er een grotere kans bestaat op een match tussen de nationale gegevens waarover we beschikken, en IMI-waarschuwingen. De FOD Volksgezondheid legt op dit moment ook contacten met de weinige landen die wel systematisch met het Europese systeem weten te werken, zoals Noorwegen. We kunnen op die manier hopelijk leren van good practices en goede ervaringen in het buitenland.
We blijven ook met de bevoegde EU-instanties in gesprek over manieren om IMI gebruiksvriendelijker te maken. Een overleg daarover met de FOD Volksgezondheid, de Europese Commissie en de representatieve orde, in dit geval de Orde der artsen, staat gepland op 11 juni. De bedoeling is om alle relevante informatie tijdig en adequaat te verwerken in de bevoegde diensten, zodat we, waar nodig, snel en gepast kunnen optreden in het belang van de patiëntveiligheid. Ik ben daarover de voorbije periode in voortdurend contact geweest met de Orde der artsen.
Wat de Nederlandse arts waarnaar u verwijst, betreft, de FOD Volksgezondheid en de Orde der artsen zijn onmiddellijk na de publicatie van de feiten in Nederland met een onderzoek gestart. De IMI-alert werd de dinsdag nadien ingevoerd. Er waren geen eerdere IMI-alerts. Het betrof dus een arts die zijn visum al had. Pas later kwam dat bericht. Er is onmiddellijk opgetreden en er werden IMI-alerts ingevoerd, maar dat waren wel de eerste. U kon intussen uit de pers vernemen dat de betrokken kliniek de man intussen heeft geschorst. Vermoedelijk is hij vandaag niet actief. Er loopt dus een onderzoek zowel door de Orde der artsen als door de Toezichtscommissie.
Kortom, het IMI-systeem vertoont gebreken. Ik probeer het zo snel mogelijk te verbeteren en we zijn bezig met een aantal verbeteracties. Dat spoort ook met het feit dat we de Toezichtscommissie versterken. Ik ben ook in overleg met de Orde der artsen. Op 11 juni zullen we vergaderen en bekijken wat we verder nog kunnen doen. Daarbij is ook de Europese Commissie betrokken. We bevragen eveneens andere landen in Europa om te zien hoe we van hen kunnen leren om het systeem beter te laten werken.
11.07 Irina De Knop (Anders.): Het eerste wat in mij opkomt, wanneer ik uw antwoord hoor, is too little, too late.
We hebben de problematiek al aangekaart sinds september vorig jaar, als ik me niet vergis. Straks zijn we een jaar verder en ondertussen is er eigenlijk weinig gebeurd. Dat moet u toch toegeven, mijnheer de minister?
U zegt dat het IMI-proces omslachtig is. Als ik goed ben ingelicht, zouden heel wat van onze buurlanden, behalve Frankrijk, al die berichten wel systematisch openen. Gelet op de evolutie op het vlak van AI en de informaticamogelijkheden lijkt het mij toch straf dat we niet beter kunnen.
U zegt dat u de Toezichtscommissie hebt versterkt. Meer personeel resulteert niet automatisch in een beter systeem of een betere screening. Bovendien is de kwaliteitswet, als ik me niet vergis, vooral geënt op controle van artsen die in het binnenland actief zijn en minder op artsen die uit het buitenland komen aanwaaien.
Het is niet fair om alles nu op een hoop te gooien en alle heil van de Toezichtscommissie te verwachten. Men moet toch echt op een systematische manier met IMI-alerts kunnen omgaan.
Zoals u terecht zei, we zullen morgen zeker verder over de kwestie kunnen discussiëren. Ik wil u nu al vragen om wat proactiever te zijn in het zoeken naar oplossingen en ervoor te zorgen dat buitenlandse artsen die geschrapt zijn wegens bijvoorbeeld misdrijven in het buitenland, hier niet aan de slag kunnen. Maak daar echt een prioriteit van. Ik vind het trouwens zeer negatief voor de volksgezondheid en voor ons artsenkorps dat we voortdurend dergelijke berichten in de pers moeten lezen.
11.08 Frieda Gijbels (N-VA): Het is essentieel dat een patiënt kan vertrouwen op zijn of haar arts of zorgverstrekker. Hij moet ervan kunnen uitgaan dat het visum van iemand uit het buitenland wel degelijk werd gecontroleerd bij de aanvraag. Ik vind het moeilijk te begrijpen dat er blijkbaar wel gegevens in omloop zijn die niet gedetecteerd worden. Kan artificiële intelligentie daarin geen rol spelen of is dat te simplistisch geredeneerd? Er moeten toch patronen kunnen worden herkend in de gegevens die circuleren? Het is goed dat u daarover verder in overleg gaat met onder andere de Orde der artsen.
U spreekt over overleg met de Orde der artsen en dat is heel goed. Ik herinner u eraan dat er nog steeds geen orde van tandartsen is opgericht en dat is toch een lacune in het systeem. Wij zijn voorstander van de oprichting ervan en zijn in het regeerakkoord overeengekomen om na te gaan of die eventueel in de Orde der artsen kan worden ingekanteld. Dat zou toch nog een extra controlemechanisme kunnen zijn.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
12.01 Frieda Gijbels (N-VA): In Nederland werd begin april 2026 de medische softwareleverancier ChipSoft getroffen door een cyberaanval. De aanval was niet zoals anders, waarbij ziekenhuizen vooral het doelwit waren want in dit geval werden veeleer huisartspraktijken en apotheken geviseerd. In het begin was nog niet duidelijk of patiëntgegevens werden buitgemaakt, maar uiteindelijk bleek dat wel het geval te zijn.
Bij een zoektocht op internet blijkt dat ChipSoft in het verleden in opspraak is geweest wegens mogelijk misbruik van zijn dominante marktpositie. Er zou daarbij zelfs sprake zijn geweest van zwijgclausules in verband met de relatie van ziekenhuizen met die softwareleverancier. ChipSoft is ook bij ons actief. Daarom heb ik toch wel een aantal vragen.
Werden ook bij ons begin april 2026 problemen gedetecteerd met betrekking tot cybersecurity bij ChipSoft? Als dat het geval was, wat waren daarvan de consequenties? Het valt op dat ditmaal ook apotheken en huisartsen werden getroffen.
Zijn er bij ons ooit extramurale incidenten geweest met betrekking tot het hacken van patiëntgegevens? Indien ja, om welke incidenten ging het en wanneer zijn ze gebeurd? Op welke manier worden extramurale zorgverstrekkers ertoe aangezet voorzorgsmaatregelen te treffen?
Er werd eerder al gewezen op de zwakke wachtwoorden die worden gebruikt in medische settings. In Nederland bestaat het NEN 7510-kader. Dat is een specifieke norm voor cyberveiligheid in de zorg waaraan alle zorgverstrekkers moeten voldoen. Gezien de kwetsbaarheid en het grote belang van een veilige bewaring en uitwisseling van patiëntgegevens dringt de hiernavolgende vraag zich op.
Aan welke normen moeten onze zorgverstrekkers, in het bijzonder in de ambulante settings, voldoen? Op welke manier worden medische softwareleveranciers bij ons beoordeeld en gemonitord? Is er sprake van dominante marktposities van bepaalde leveranciers met mogelijk ongewenste gevolgen?
Hoe robuust is ons elektronisch medisch systeem in zijn geheel? Op welke manier wordt dat beoordeeld? Wie bepaalt de zwakke plekken en welke acties worden daaraan verbonden?
Tot slot, op welke manier wordt gecontroleerd of de middelen voor digitalisering in de zorg en cyberveiligheid effectief aan dat doel worden besteed? Hoeveel middelen worden daarvoor jaarlijks uitgetrokken? Worden de daarmee beoogde doelen ook behaald?
12.02 Minister Frank Vandenbroucke: Cybersecurity voor de zorgsector is inderdaad een zeer belangrijk aandachtspunt voor de komende jaren. Vanuit de FOD Volksgezondheid wordt, ook naar aanleiding van de NIS2-richtlijn, sterk ingezet op cybersecurity in de zorg.
Als sectorale autoriteit inzake cybersecurity zijn mijn diensten op de hoogte gesteld van de cyberaanval op ChipSoft. De gevolgen daarvan hadden voornamelijk betrekking op de patiëntenportalen van enkele ziekenhuizen in België. Die portalen werden door de ziekenhuizen afgekoppeld nadat ze de melding van het incident bij ChipSoft hadden ontvangen.
We kregen geen meldingen van diefstal van patiëntengegevens die verband hielden met dit incident. In dat kader zijn certificering van medische software en cybersecurity cruciaal voor artsen en zorginstellingen, aangezien digitale technologie en patiëntengegevens steeds vaker het doelwit zijn van cyberaanvallen. Relevante certificeringen en standaarden richten zich zowel op de software zelf als op de processen binnen de organisatie.
Het door u vermelde NEN 7510-kader, dat in Nederland wordt gebruikt, bestaat uit twee delen. Het eerste deel is identiek aan ISO 27001; het tweede deel is gebaseerd op ISO 27002 en ISO 27799. In België stelde het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) de CyberFundamentals Framework-standaard in in het kader van de implementatie van NIS2. Instellingen in België die voldoen aan ISO 27001, voldoen automatisch ook aan de NIS2-normen.
Individuele zorgverleners, ziekenhuizen en apothekers moeten bij het gebruik van software controleren of de fabrikant beschikt over de nodige certificeringen om de veiligheid van patiëntgegevens en de werking van het hulpmiddel te garanderen. Het eHealth-platform biedt daarbij basisdiensten aan die geïntegreerd moeten worden in software en toepassingen om veilige toegang en gegevensuitwisseling mogelijk te maken.
Via het Budget van Financiële Middelen (BFM) zorgt de FOD Volksgezondheid voor een aantal tegemoetkomingen om ziekenhuizen te ondersteunen. Zo is er een samenwerking met de vzw Shield voor onder meer de uitwisseling van processen, procedures en richtlijnen tussen ziekenhuizen met betrekking tot cybersecurity. Daarnaast zal de FOD jaarlijks een peerreview organiseren met de ziekenhuizen.
12.03 Frieda Gijbels (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister. U zegt dat de maatregelen die we nemen, vooral gericht zijn op ziekenhuizen en de software die in ziekenhuizen of instellingen wordt gebruikt. Ik denk dat er nog ruimte is voor verbetering voor ambulante zorg en om extramurale zorgverstrekkers minstens te sensibiliseren en ervoor te zorgen dat ze goede, sterke paswoorden gebruiken. Een certificering van de software alleen lijkt mij onvoldoende. Ik veronderstel dat die ChipSoft-software ook gecertificeerd was en in dat opzicht ʺin ordeʺ was. Het lijkt mij dan ook een blijvend aandachtspunt en een mogelijk zwakke schakel in onze zorgketen.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
13.01 Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, plus d’une année s’est écoulée depuis ma première question portant sur l'achondroplasie, une maladie rare – la forme la plus fréquente du nanisme – pour laquelle un médicament existe.
Ce médicament, le Voxzogo, développé par la firme BioMarin, n’est actuellement pas remboursé par l’INAMI. L’ASBL NoRA, qui rassemble des familles d’enfants touchés par la maladie, se bat sans relâche depuis de nombreuses années pour que ce traitement devienne financièrement accessible. Sans cela, ces enfants devront, une fois adultes, recourir à la chirurgie, avec toutes les complications que cela implique.
Le 7 mai 2025, une nouvelle demande a été introduite auprès de la Commission de remboursement des médicaments (CRM) par la firme qui produit ce médicament, déjà accessible et remboursé dans la plupart des États membres de l’Union européenne.
Les familles concernées – j'en connais personnellement – vivent cette attente avec beaucoup de stress. C’est pourquoi je souhaitais aujourd’hui refaire un point sur la situation. Le temps qui passe ne joue malheureusement pas en leur faveur.
Monsieur le ministre, pourriez‑vous nous indiquer où en est la procédure de traitement du dossier relatif au Voxzogo par la CRM? La CRM a‑t‑elle terminé son travail? Si oui, quelles en sont les conclusions? Quelles sont vos propres conclusions, en termes de décision politique? Si le travail n’est pas terminé, quand pouvons‑nous espérer des conclusions de la part de la CRM? Je vous remercie d’avance pour vos réponses.
13.02 Frank Vandenbroucke, ministre: Monsieur Prévot, hélas, j’ai une réponse qui sera frustrante pour vous, et surtout pour les familles concernées. La procédure de remboursement du Voxzogo est toujours en cours auprès de la Commission de remboursement des médicaments (CRM). Ses conclusions définitives ne sont pas encore disponibles et aucune décision ministérielle ne peut être communiquée à ce stade.
Le dossier a été suspendu à deux reprises à la demande de la firme: d’abord après le rapport d’évaluation provisoire, puis après la proposition provisoire de la CRM. Ces suspensions prolongent les délais réglementaires.
En l'état actuel de la procédure, la décision finale devra être prise au plus tard fin septembre de cette année.
13.03 Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, la réponse est davantage frustrante pour les familles et les enfants qui en souffrent. Je vous remercie néanmoins de m'apporter aujourd'hui une deadline, puisque vous avez dit que la procédure devra rendre ses conclusions avant la fin du mois de septembre, ce qui mine les familles en plus du fait de ne pas avoir de réponse et de ne pas savoir quand celle-ci interviendra.
Comme la demande a été réintroduite par la firme au niveau de la CRM le 7 mai 2025, le temps leur semble effectivement long. Les familles auront déjà un élément de réponse: la temporalité. On espère évidemment qu'à l'issue de cette procédure, elles pourront avoir un deuxième élément de réponse, et celui-ci positif, avec, on l'espère, le remboursement de ce médicament essentiel pour l'achondroplasie.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
14.01 Els Van Hoof (cd&v):
Mijnheer de minister,
Het Federaal Regeerakkoord bepaalt dat de
erkenning van geestelijke gezondheidszorgberoepen zal onderzocht worden om op
die manier het aantal professionals op het werkveld uit te breiden. In uw
beleidsnota voor 2026 verklaarde u dat het wettelijk kader inzake de erkenning
van de ondersteunende GGZ-beroepen zal verkend worden, en tijdens de bespreking
gaf u aan dat vooruitgang geboekt werd en adviezen ontvangen werden.
Met betrekking tot de psychotherapeuten
zou het proces moeizamer verlopen. U gaf u in de zomer van 2025 aan dat uw
administratie bezig was na te gaan of het opportuun is een formeel advies te
vragen aan de Federale Raad.
Ik heb voor u volgende vragen:
Kan u een stand van zaken geven over de
erkenning van de ondersteunende GGZ-beroepen? Welke stappen worden heel
concreet op dit moment doorlopen? Welke timing is daarvoor uitgerekend?
Kan u verduidelijken welke adviezen
concreet werden ontvangen? Wat is de strekking ervan?
Werd intussen een beslissing genomen inzake een adviesvraag rond de psychotherapeuten?
14.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Van Hoof, wij hebben in 2022 van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen een advies over de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen ontvangen. Dat advies toont dat een wettelijke regeling de integratie van die beroepen zou kunnen verbeteren. Het advies vormt een goede basis en beschrijft uitgebreid het competentieprofiel en de praktijk. Er zijn echter ook belangrijke praktische problemen bij het omzetten van dat advies in een koninklijk besluit. Concreet gaat het over het bepalen van welke opleidingen toegang geven, de erkenning van de beroepen en de samenwerking binnen het zorgveld.
Wat psychotherapie betreft, dat is momenteel volgens onze wetgeving geen erkend gezondheidszorgberoep, maar een behandeling. Daarom focussen we in een eerste fase op de ondersteunende beroepen die nog niet wettelijk zijn verankerd. We hebben momenteel echter een lawine aan dossiers. Door de vele dossiers die mijn administratie behandelt, is beslist om de verdere uitwerking van dit dossier na de zomer voort te zetten.
14.03 Els Van Hoof (cd&v): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord.
Het is inderdaad dringend tijd om daar werk van te maken, omdat dat al heel lang leeft. Er zijn al twee adviezen gekomen van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen. U hebt nu een nieuw advies gekregen. Ik hoop dat er in het najaar werk van kan worden gemaakt.
Uiteindelijk gaat het over het inkorten van de werklast van psychologen en de wachtlijsten bij psychiaters. Op die manier kunnen de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen toch mee instaan voor de diagnose, onder toezicht van een psychiater of psycholoog. Zij kunnen daar perfect voor worden ingeschakeld. Zij hebben een opleiding gevolgd en men kan hun een beroepstitel als ondersteunend GGZ-beroep geven. Maak daar dus werk van, in een eerste fase voor de ondersteunende GGZ-beroepen en in een tweede fase ook voor de psychotherapeuten. Daarover zult u ongetwijfeld veel vragen krijgen, net zoals ik. We moeten daar ernstig mee omgaan en bekijken of bepaalde handelingen mogelijk zijn om ook aan bepaalde groepen van psychotherapeuten een erkenning te geven.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
15.01 Carmen Ramlot (Les Engagés): Monsieur le ministre, les citoyens belges qui partent en voyage et qui suivent un traitement à base de médicaments contenant une substance visée par l'arrêté royal du 6 septembre 2017 réglementant les substances stupéfiantes et psychotropes doivent être munis d'un document attestant que ces médicaments leur ont été prescrits dans le cadre d'un traitement médical. Il s'agit notamment de somnifères, de calmants, d'antalgiques morphiniques et de médicaments pour le traitement du TDAH.
L'AFMPS indique sur son site que les citoyens qui voyagent au sein de l'espace Schengen doivent lui envoyer un formulaire au minimum 20 jours ouvrables (quatre semaines calendrier) avant la date de départ. Ce formulaire doit être complété par le médecin prescripteur, n'est valable que pour un seul médicament et pour une durée maximale de 30 jours et doit se voir apposer un cachet par l'AFMPS pour être validé.
Monsieur le ministre, tout en tenant compte du fait que les médicaments en question sont loin d'être anodins, je souhaiterais vous interroger sur cette procédure qui me semble être inadaptée à la réalité de nombreux citoyens.
Pourriez-vous expliquer les raisons de cette procédure administrative? Pourquoi n'existe-t-il pas une procédure d'urgence pour les cas où le voyageur a connaissance de son voyage moins de 20 jours ouvrables avant son départ, par exemple pour des voyages d'affaires ou des voyages familiaux en cas de maladie ou de décès, et qu'il ne peut donc pas transmettre le formulaire à l'AFMPS dans les temps?
Comptez-vous modifier cette réglementation afin de l'adapter à la réalité de nombreux citoyens? La mise en œuvre d'une procédure électronique plus rapide, via le médecin prescripteur par exemple, est-elle envisagée afin de faciliter la vie des citoyens concernés sans diminuer les exigences liées à la nature des médicaments concernés, que nous entendons bien? Je vous remercie.
15.02 Frank Vandenbroucke, ministre: Cette procédure découle de l'article 75 de la convention d'application de l'accord de Schengen, qui stipule que les voyageurs peuvent emporter les stupéfiants et psychotropes nécessaires à leur traitement médical s'ils produisent, lors de tout contrôle, un certificat délivré ou authentifié par une autorité compétente de l'État de résidence. Comme il s'agit d'une législation supranationale, la Belgique ne peut ni modifier le contenu du formulaire ni s'écarter de ce qui figure dans la convention. Une révision de cette procédure est néanmoins en cours de discussion afin de la simplifier dans la mesure du possible. La digitalisation de la procédure n'est pas jugée entièrement adaptée, car elle requiert que chaque patient possède soit un smartphone, soit un ordinateur et une imprimante. D'un point de vue pratique, s'il n'existe pas de procédure d'urgence officielle, elle existe néanmoins dans les faits, puisque les demandes reçues sont traitées par ordre chronologique en fonction de la date de départ du voyageur. Les demandes de dernière minute sont donc traitées en temps utile dans toute la mesure du possible.
15.03 Carmen Ramlot (Les Engagés): Merci, monsieur le ministre. Effectivement, je peux comprendre que cette question nous dépasse. Toutefois, si vous me permettez cette formule, il est clair qu'en matière de santé, la rigueur doit être de rigueur, mais cela n'exclut ni la modernité des moyens employés ni une approche conviviale à l'égard des citoyens et des patients concernés.
Dans ce dossier, vous l'avez dit, qui dépasse la Belgique, on a parfois l'impression que l'AFMPS s'accroche avec nostalgie à des prérogatives et à une procédure proches du XIXè siècle, alors que nous sommes au XXIè siècle; une attestation exclusivement papier, alors qu'il existe itsme et que l'on accède aujourd'hui à de nombreux documents officiels et privés de l'État par voie numérique, et cela indépendamment du fait qu'il faut respecter le délai de 20 jours ouvrables. J'entends bien que des dispositions rapides, même si elles ne sont pas formalisées dans la réglementation, sont possibles au sein de l'AFMPS. On dirait qu'il ne manque plus que le cachet de cire sur pli scellé, comme au bon vieux temps des coches postaux.
Monsieur le ministre, je pense qu'il faudrait essayer d'encourager les autorités compétentes à moderniser cette procédure. Vous savez qu'en tant que pharmacienne, je suis loin de plaider pour le laxisme lorsqu'il s'agit de médicaments qui doivent être pris au sérieux. J'ai presque envie de dire que cette procédure relève du surréalisme belge, mais malheureusement ce n'est pas forcément le meilleur domaine pour l'illustrer. Merci d'y être attentif à l'avenir.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
16.01 Caroline
Désir (PS): Monsieur le Ministre,
Selon des informations relayées dans la
presse, l'Hôpital universitaire de Bruxelles (HUB) a décidé de ne plus
rémunérer les gardes prestées par les étudiants au sein de son réseau. Selon
l'HUB, cette décision fait suite à un contrôle de l'ONSS. De son côté, l'ONSS
affirme ne pas avoir demandé la suppression des défraiements.
Suite à cette décision, plus de 90 % des
étudiants en médecine concernés envisagent de ne plus assurer leurs gardes si
celles-ci ne sont plus rémunérées.
Comme vous le savez, ces étudiants, souvent
en fin de cursus, participent activement à la prise en charge des patients,
dans des contextes parfois exigeants et sous pression.
Une telle évolution apparaît
particulièrement préoccupante, tant du point de vue de la qualité et de la
continuité des soins que des conditions de formation et de vie des étudiants.
Elle envoie également un signal problématique quant à la reconnaissance du
travail réellement fourni par ces futurs professionnels de santé.
Dans un contexte où notre système de soins
est déjà sous tension et confronté à des pénuries de personnel, fragiliser
davantage l'engagement des étudiants en médecine comporte un risque réel pour
l'organisation des gardes et, in fine, pour les patients.
Monsieur le Ministre,
Confirmez-vous que des gardes assurées par
des étudiants en médecine ne sont désormais plus rémunérées dans certains
établissements hospitaliers?
Considérez-vous que les prestations
réalisées dans ce cadre relèvent uniquement de la formation, ou
reconnaissez-vous qu'elles s'apparentent, au moins en partie, à un travail
contribuant directement à la prise en charge des patients? Qu'en est-il du
cadre légal actuel?
Une initiative est-elle envisagée pour
harmoniser les pratiques au niveau national et éviter des situations disparates
entre établissements?
Comment entendez-vous garantir une juste
reconnaissance de l'engagement des étudiants en médecine? Un défraiement dans
ce cadre est-il selon vous nécessaire?
Enfin, une concertation rapide avec les
représentants des étudiants, des universités et des hôpitaux est-elle prévue
afin d'aboutir à une solution équilibrée et durable?
Je vous remercie.
16.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Désir, ik begrijp bijzonder goed de bezorgdheden die de studenten uiten, maar het gaat over studenten die zich nog in hun basisopleiding bevinden. Ze zijn aanwezig in een ziekenhuis en ze beginnen aan hun basisopleiding, die behoort tot de bevoegdheid Onderwijs. Niet tot mijn bevoegdheid.
Ik ben wel bevoegd voor mensen die al beschikken over hun basisdiploma en die nog bijkomende opleidingen of stages volgen, binnen of buiten de ziekenhuizen. Bijvoorbeeld huisartsen in opleiding, of artsen-specialisten in opleiding. Voor die groepen bestaan er collectieve overeenkomsten, met arbeidsvoorwaarden, wachtdiensten, arbeidsduurvergoeding, enzovoort. Maar dat juridische kader is niet van toepassing op studenten die hun basisdiploma nog niet hebben behaald.
Même lorsque des cotisations sont dues, cela ne signifie pas que de telles indemnités seraient interdites. Par ailleurs, j'ai appris par voie de presse qu'un accord de principe avait été trouvé en quelques semaines entre les parties concernées, à savoir l'hôpital, l'université et les étudiants concernés.
Pour le reste, je renvoie aux autorités compétentes et aux parties directement impliquées dans ce dossier.
16.03 Caroline Désir (PS): Je vous remercie pour votre réponse, monsieur le ministre.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
La réunion publique de commission est levée à 16 h 52.
De
openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.52 uur.
De antwoorden werden door de
Les réponses ont été fournies par
De huidige medische nomenclatuur
vertoont ernstige leemten, waarbij essentiële en vaak levensreddende ingrepen
simpelweg niet gecodeerd zijn. Een stuitend voorbeeld hiervan is de pulmonale
trombectomie binnen de interventionele cardiologie. Hoewel deze complexe
ingreep tot wel drie uur medische tijd in beslag kan nemen en een enorme
verantwoordelijkheid met zich meebrengt, bestaat er geen enkel RIZIV-nummer
voor. In de praktijk
betekent dit dat een gespecialiseerd team deze handeling voor een tarief van 0
euro moet uitvoeren, terwijl de reële kosten duizenden euro's bedragen. Dit
dwingt ziekenhuizen en artsen om deze zorg feitelijk gratis te verlenen, wat op
termijn de beschikbaarheid van dergelijke hooggespecialiseerde zorg in het
gedrang brengt.
In de
interventionele cardiologie is er voor een pulmonale trombectomie geen
nomenclatuurcode voorzien, waardoor het tarief 0 euro bedraagt. Dit is nu niet
terugbetaald; hoe gaat u dit aanpassen zodat deze handeling correct vergoed
wordt?
2.Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4.Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
De moderne tandheelkunde is volledig
gedigitaliseerd, wat enorme investeringen vereist die niet in de nomenclatuur
zijn opgenomen. Cone beam (CBCT) toestellen voor 3D-imagerie kosten tussen
80.000 en 150.000 euro, terwijl digitale scanners voor afdrukken rond de 40.000
euro kosten. Deze
technologieën zijn cruciaal voor de veiligheid bij ingrepen zoals het trekken
van wijsheidstanden of het plaatsen van implantaten. Omdat de huidige
nomenclatuur geen rekening houdt met deze investeringen, wordt de tandarts gedwongen
te kiezen tussen kwaliteitsverlies of financiële onhoudbaarheid.
1. De zware
investeringen in CBCT-scanners en intra-orale scanners zijn onmisbaar voor
veilige zorg, maar worden niet weerspiegeld in de nomenclatuur. Deze
technologische noodzaak is nu niet terugbetaald of gedekt; hoe gaat u dit
aanpassen zodat kwalitatieve tandzorg economisch leefbaar blijft?
2. Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4.Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
We zien een
groeiende kloof tussen de door het RIZIV vastgestelde tarieven en de werkelijke
economische kosten van medische handelingen. In de dermatologie is cryotherapie
een dagelijkse handeling die structureel ondergewaardeerd is. Terwijl de reële
kostprijs, inclusief materiaal en personeel, op minstens 12 euro wordt geraamd,
bedraagt de officiële vergoeding amper 7 euro. Wanneer artsen gedwongen worden
om handelingen met verlies uit te voeren, komt de financiële levensvatbaarheid
van privé-kabinetten direct in gevaar, wat kan leiden tot een massale vlucht
naar ziekenhuisomgevingen of zelfs naar het buitenland.
Vragen:
De vergoeding voor
cryotherapie dekt met een tarief van 7 euro de reële kost van 12 euro niet. De
daadwerkelijke kost is nu niet terugbetaald en het is een handeling met
verlies; hoe gaat u dit financieel onevenwicht aanpassen?
2. Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4. Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
De complexiteit van bepaalde medische
expertises wordt totaal niet weerspiegeld in de huidige nomenclatuur. Een
gespecialiseerd neuro-oftalmologisch onderzoek vergt een grote expertise en
neemt tussen de 45 en 60 minuten in beslag. Toch is dit onderzoek óf niet gecodeerd, óf
wordt het vergoed aan een basistarief van ongeveer 72 euro. Gezien de tijdsduur en de
noodzakelijke apparatuur bedraagt de reële kost echter 140 euro. Deze chronische onderfinanciering heeft er al
toe geleid dat verschillende specialisten zijn gestopt met deze specifieke zorg
omdat het simpelweg niet langer rendabel is.
Het gespecialiseerd
neuro-oftalmologisch onderzoek ontbreekt als volwaardige code en dekt met 72
euro de werkelijke kost van 140 euro voor een consultatie van een uur bijlange
niet. De reële inzet is nu niet terugbetaald; hoe en wanneer plant u deze onderwaardering
aan te passen?
2. Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4.Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
ngen
zoals maculadegeneratie (DMLA) en glaucoom. De aankoop van zo'n toestel kost
ongeveer 70.000 euro en het moet om de vijf à zes jaar worden vernieuwd. Hoewel
de klinische richtlijnen vaak maandelijkse controles voorschrijven bij actieve
behandelingen, beperkt de nomenclatuur de terugbetaling tot slechts twee
onderzoeken per jaar. Aangezien er voor deze noodzakelijke extra onderzoeken
vaak geen supplementen mogen worden aangerekend, dragen de oogartsen zelf de
financiële last van deze noodzakelijke zorg.
De terugbetaling
van een OCT-scan is beperkt tot twee keer per jaar bij DMLA, terwijl
maandelijkse controles klinisch vereist zijn. Deze noodzakelijke extra
controles zijn nu niet terugbetaald; hoe gaat u dit aanpassen om de
nomenclatuur in lijn te brengen met de reële klinische noden van de patiënt?
2.Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4.Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
Om een kwalitatieve
zorgverlening te garanderen die voldoet aan de moderne standaarden, moeten
artsen voortdurend investeren in hoogtechnologisch materiaal. Binnen de neus-,
keel- en oorheelkunde (NKO) is een dynamisch posturografieplatform bijvoorbeeld
onmisbaar voor een correcte diagnose van evenwichtsproblemen en vestibulaire
aandoeningen. Een dergelijk toestel kost de arts ongeveer 20.000 euro. Ondanks
de bewezen klinische meerwaarde is er geen nomenclatuurcode voor dit onderzoek,
waardoor de kosten voor de aankoop, het onderhoud en de uitvoering volledig ten
laste van de arts blijven. Het is onaanvaardbaar dat de overheid innovatie in
de zorg aanmoedigt, maar weigert de bijbehorende kosten op te nemen in de
financiering.
Een dynamische
posturografie voor evenwichtstesten heeft geen code en wordt niet vergoed. Dit
is nu niet terugbetaald; op welke manier en binnen welke termijn gaat u de
nomenclatuur aanpassen om deze essentiële screening te integreren?
2.Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze onderfinanciering
te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien u in de kaderwet
deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk ?
4. Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
Vroege detectie van
huidkanker is van vitaal belang en dermatologen maken hiervoor gebruik van
geavanceerde digitale dermatoscopiesystemen die 30.000 tot 80.000 euro kosten.
De huidige nomenclatuurcode voor dit onderzoek is echter gebonden aan extreem
restrictieve voorwaarden, waardoor het onderzoek vaak slechts één keer per jaar
wordt vergoed voor een zeer beperkte groep patiënten, zoals zij met een
voorgeschiedenis van melanoom. Voor veel andere patiënten met een hoog risico
is de noodzakelijke regelmatige screening niet gedekt. Bovendien dekt de huidige vergoeding
van ongeveer 55 euro bijlange niet de kosten van deze levensreddende
technologie.
De digitale
dermatoscopie voor kankeropsporing kent zeer restrictieve
terugbetalingscriteria, waardoor veel patiënten uit de boot vallen voor
preventieve screening. Dit wordt voor velen nu niet adequaat terugbetaald; hoe
gaat u deze voorwaarden aanpassen en de nomenclatuur afstemmen op de
hedendaagse preventienoden?
2. Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4. Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
De nood aan geestelijke gezondheidszorg
is groter dan ooit, maar de financiering van de verstrekking hinkt ver
achterop. Voor een sessie psychotherapie van 45 minuten bedraagt de officiële
vergoeding ongeveer 86 euro. Rekening houdend met de noodzakelijke
voorbereiding, de praktijkkosten en de expertise, wordt de reële kostprijs
echter geraamd op 160 tot 180 euro. Deze discrepantie van bijna 100 euro per
sessie maakt het voor veel therapeuten onmogelijk om binnen het
conventiesysteem te werken, wat de toegankelijkheid van de zorg voor de patiënt
uiteindelijk alleen maar verslechtert.
1.Een sessie psychotherapie wordt
geraamd op een reële kost van 160 euro, maar krijgt slechts een vergoeding van
86 euro. Deze zorg is
momenteel niet correct terugbetaald; welke stappen gaat u ondernemen om deze
tariefkloof in de nomenclatuur aan te passen?
2.Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3.Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4.Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
De nomenclatuur is
niet alleen onvolledig voor nieuwe technologieën, maar negeert ook fundamentele
onderdelen van het zorgtraject. In de tandheelkunde is een zorgvuldige
postoperatieve opvolging na een ingreep cruciaal voor de veiligheid en het
herstel van de patiënt. Hoewel dit consult vaak minstens 20 minuten in beslag
neemt, bestaat er geen specifieke code voor deze nazorg. Tandartsen kunnen deze
tijd dus niet officieel factureren, wat neerkomt op onbetaald werk. Dit is een
structurele fout in de tarifering die voorbijgaat aan de noodzakelijke tijd en
verantwoordelijkheid die gepaard gaat met goede chirurgie.
1. Er bestaat
momenteel geen nomenclatuurcode voor de postoperatieve opvolging in de
tandheelkunde, waardoor deze tijd niet vergoed wordt. Dit is nu niet
terugbetaald; hoe gaat u deze situatie aanpassen zodat deze noodzakelijke
nazorg erkend en betaald wordt?
2. Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4. Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline ?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.
De huisartsgeneeskunde speelt een
centrale rol in onze eerstelijnszorg en de taakbelasting voor huisartsen neemt
alleen maar toe. Veel huisartsen investeren tegenwoordig in
echografie-apparatuur om sneller en efficiënter diagnoses te kunnen stellen,
wat de druk op de gespecialiseerde zorg kan verminderen. Een dergelijk onderzoek neemt gemiddeld 15
minuten in beslag. Echter, deze handeling is momenteel niet opgenomen in de
nomenclatuur voor huisartsen, waardoor het tarief op 0 euro blijft staan.
Terwijl de reële kost per onderzoek op minstens 20 euro wordt geraamd,
krijgt de huisarts geen enkele vergoeding voor zowel de tijd als de investering
in het materiaal.
1. Voor
echografieën uitgevoerd door de huisarts is momenteel geen vergoeding voorzien,
ondanks de geïnvesteerde tijd en middelen. Dit is nu niet terugbetaald; hoe en
wanneer gaat u dit aanpassen en hier een specifieke RIZIV-code voor creëren?
2. Zal u deze
onderfinanciering rechtzetten in het kader van de herijking van de nomenclatuur
? Is dit onderwerp van de onderhandelingen ?
3. Gelet op de vele
voorbeelden van onderfinanciering van prestaties, hoe denkt u deze
onderfinanciering te kunnen opvangen door middel van de richttarieven aangezien
u in de kaderwet deze richttarieven selectief wil in zetten en enkel tijdelijk
?
4. Indien u deze
tarieven niet aanpast door middel van een aangepaste nomenclatuur, dan zal de
financiering moeten komen van honorariumsupplementen. Hoe zal u deze
onderfinanciering en anderen in overweging nemen bij het bepalen van de
maximumhonorariumsupplementen voor elke afzonderlijke discipline
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le gouvernement dans les délais.