Commissie voor Economie, Consumentenbescherming en Digitalisering

Commission de l'Économie, de la Protection des consommateurs et de la Digitalisation

 

van

 

Dinsdag 2 juni 2026

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 2 juin 2026

 

Matin

 

______

 

Le développement des questions commence à 11 h 22. La réunion est présidée par M. Roberto D'Amico.

De behandeling van de vragen vangt aan om 11.22 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Roberto D'Amico.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

01 Actualiteitsdebat over de solden en toegevoegde vragen van

- Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De soldenwetgeving" (56016233C)

- Vincent Van Quickenborne aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De gevolgen van de arresten van de Raad van State inzake de soldenregeling" (56016278C)

- Lieve Truyman aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De soldenwetgeving" (56016312C)

- Serge Hiligsmann aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De soldenregeling" (56016490C)

- Leentje Grillaert aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De toekomst van de soldenwetgeving en de sperperiode na uitspraken van de Raad van State" (56016515C)

01 Débat d'actualité sur les soldes et questions jointes de

- Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La législation relative aux soldes" (56016233C)

- Vincent Van Quickenborne à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les conséquences des arrêts du Conseil d'État sur la réglementation des soldes" (56016278C)

- Lieve Truyman à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La législation en matière de soldes" (56016312C)

- Serge Hiligsmann à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La réglementation des soldes" (56016490C)

- Leentje Grillaert à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’avenir de la législation sur les soldes et la période d'attente après les arrêts du Conseil d’État" (56016515C)

 

01.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, de Raad van State heeft zich uitgesproken tegen de regelgeving rond de sperperiode. In het verleden bogen we ons al vaker over de vraag of soldenperiodes nog zin hadden, of we die moeten verruimen dan wel afschaffen, of het systeem nog juridisch houdbaar was, kortom hoe we in de toekomst met soldenperiodes om moesten gaan.

 

Inderdaad, gelet op de opkomst van e-commerce, dringt de vraag zich op of soldenperiodes nog wel van deze tijd zijn. Er zijn ook heel wat internationale spelers actief en kortingsacties blijken ook vaak permanent te zijn. Hoe moeten we daar nu verder mee omgaan? Door de uitspraak van de Raad van State worden de boetes teruggedraaid. Dus alle remmen zijn de facto los en niemand zal zich nog iets aantrekken van de wetgeving.

 

Vindt u dat die sperperiodes moeten worden afgeschaft of aangepast aan de hedendaagse retailmarkt? Lagen er misschien al plannen op tafel om een en ander te herzien? Als dat zo is, op welke termijn? Hoe zou die nieuwe regelgeving er dan uitzien? Moeten we onze wetgeving afstemmen op die van de buurlanden? Welke voordelen en eventuele nadelen ziet u voor zelfstandige handelszaken als de beperkingen verder worden versoepeld? Zijn er al overlegmomenten geweest?

 

01.02  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik viel van mijn stoel toen ik hoorde dat de Economische Inspectie in ons land kledingzaken vervolgt, omdat ze het hele jaar door kortingen geven. De boetes lopen op tot meer dan 80.000 euro, omdat kledingzaken de beste prijs geven aan hun klanten.

 

Hoe absurd is het dat in ons land kledingzaken maar twee maanden per jaar, in juli en in januari, kortingen kunnen geven, terwijl intussen de hele wereld veranderd is? De mode verandert voortdurend, het weer is onvoorspelbaar en handelszaken hebben intussen internationale concurrentie, want consumentn kunnen wereldwijd kopen. En toch houden we vast aan absurde soldenregels, die onze winkeliers en onze handelszaken eigenlijk kapotmaken.

 

In plaats van al die absurde regels, in plaats van de inzet van zovele ambtenaren voor al die controles, in plaats van al die betutteling, maak het systeem vrij! Laat de mensen zelf kiezen. Laat de handelaars zelf kiezen wanneer ze koopjes geven. En geef de consument recht op goede prijzen.

 

Mijnheer de minister, het zal u niet verwonderen, maar ik voer de strijd tegen de soldenregeling al 26 jaar. Ik was de eerste in het Parlement die zei: weg met de soldenregeling, weg met de sperperiode, weg met al die betutteling. Stap voor stap is dat gelukt.

 

Ere wie ere toekomt, we zijn er 2009 met het bedrijf ZEB, met Luc Van Mol, in geslaagd de sperperiode en vervolgens het verbod op de koppelverkoop af te schaffen. Nu is het de beurt aan de koopjesperiode.

 

Ten eerste, erkent u dat de soldenperiode juridisch niet langer houdbaar is?

 

Ten tweede, zult u artikel 25 van de wet aanpassen of afschaffen?

 

Ten derde, wat betekent de uitspraak voor de lopende controles? Worden de boetes opgeschort?

 

Ten vierde, tegen wanneer mogen ondernemers een wetgevend initiatief of een duidelijk standpunt van de regering verwachten?

 

Weg met de koopjesperiode! Solden het hele jaar door!

 

01.03  Lieve Truyman (N-VA): Door de uitspraak van de Raad van State krijgen we inderdaad toch wel de indruk dat de soldenwetgeving op losse schroeven staat.

 

Die soldenwetgeving is een vorm van bescherming voor onze retailers, aangezien er een sperperiode geldt waarin het verboden is het woord solden te gebruiken en men dus niet met verlies mag verkopen. Ten gevolge van de uitspraak van de Raad van State zal men te allen tijde met verlies mogen verkopen.

 

De tijden zijn veranderd. Op onlineplatformen vliegen de kortingen vaak de consumenten om de oren. De uitspraak is voor heel veel zaken dus zeker een meerwaarde en positief. Anderzijds vormt ze ook een bedreiging voor onze middenstand en voor onze retailers met een fysieke winkel, die de strijd met die onlineplatformen moeten aangaan. Het is dus tijd is om de huidige wetgeving tegen het licht te houden en te onderzoeken hoe we een eerlijk speelveld kunnen creëren voor de onlineplatformen enerzijds en onze retailers anderzijds.

 

Mijnheer de minister, wat is de impact van het arrest van de Raad van State op de naleving van de Belgische soldenwetgeving tijdens de komende soldenperiode in juli?

 

Zal de Economische Inspectie nog controleren en sanctioneren? Of zullen handelaars inderdaad het hele jaar door met verlies mogen verkopen?

 

Bent u van oordeel dat de huidige soldenwetgeving nog actueel is, gezien de vele webshops die vanuit het buitenland verkopen en de wetgeving dus niet moeten respecteren?

 

Welke aanpassingen aan de huidige wetgeving zijn nodig, zodat Belgische winkeliers kunnen concurreren met handelaars uit onze buurlanden?

 

Bent u hierover al in overleg met de diverse sectoren?

 

01.04  Serge Hiligsmann (Les Engagés): Monsieur le ministre, dans ses arrêts rendus le 20 mai dernier, le Conseil d'État a annulé des amendes infligées par le SPF Économie à trois chaînes de magasins du textile pour avoir utilisé le terme "soldes" en dehors des périodes légalement prévues.

 

Selon le Conseil d'État, la législation belge en la matière entrerait en contradiction avec la directive européenne relative aux pratiques commerciales, laquelle ne prévoit pas une telle interdiction. Cette décision relance inévitablement le débat sur l'encadrement des soldes et des réductions commerciales dans notre pays.

 

J'aurai donc cinq questions à vous poser, monsieur le ministre.

 

Quelle est votre analyse quant à ces récents arrêts du Conseil d'État?

 

Cette décision implique-t-elle que le terme "soldes" pourrait désormais être utilisé toute l'année?

 

Une adaptation de la législation nationale relative aux soldes est-elle envisagée à la lumière de ces arrêts et du cadre européen?

 

Une telle évolution ne risquerait-elle pas de créer davantage de confusion dans l'esprit des consommateurs et d'encourager des pratiques commerciales encore plus agressives?

 

Dernière question: partagez-vous les inquiétudes exprimées par plusieurs organisations représentant les commerçants indépendants selon lesquelles une généralisation des promotions et l'utilisation du terme "soldes" tout au long de l'année risqueraient d'accentuer la pression concurrentielle sur les petits commerces et d'évincer davantage les détaillants indépendants au profit des grandes chaînes disposant de moyens commerciaux plus importants?

 

01.05  Leentje Grillaert (cd&v): Mijnheer de minister, ik had deze vraag ook al schriftelijk ingediend. Toen zag ik echter dat verschillende collega's dezelfde vraag ook mondeling wilden stellen. Daarom heb ik me daarbij aangesloten, waardoor dit een actualiteitsdebat is geworden.

 

De regeling inzake solden- en sperperiodes staat al enige tijd onder druk. Daar kan ik collega Van Quickenborne alleen maar in bijtreden. De opkomst van e-commerce en voortdurende promotiecampagnes hebben daar inderdaad toe bijgedragen. Wie een beetje rondkijkt, kan overal wel ergens een promotie spotten. Bovendien verwacht de consument vandaag een zeer snelle dienstverlening: vandaag bestellen en morgen levering. Verschillende actoren uit de sector wijzen erop dat de bestaande regelgeving onvoldoende aansluit bij de economische realiteit en daardoor concurrentieverstorend werkt.

 

We moeten echter niet alleen aandacht hebben voor de consument, maar ook voor onze retailsector. In de eerste plaats is de soldenwetgeving bedoeld om een verbod op verkoop met verlies in te stellen en zo een gelijk speelveld te creëren met de grote spelers en de e-commerce. Dat verbod bestaat dus met een reden. Het blijft belangrijk om onze zelfstandige handelaars te beschermen tegen die zware concurrentiële druk. U zult mij dan ook nooit horen pleiten voor een afschaffing van de solden.

 

U weet bovendien dat zelfstandige kledingwinkels hun collecties vooraf aankopen. Ze moeten een deel daarvan vooraf betalen en zitten dus met een stock. Voor hen vormt de soldenperiode dan ook vaak het moment om alsnog een zekere winst te realiseren op goederen die ze al hebben betaald. Daarnaast zijn we allemaal voorstander van levendige en bloeiende stads- en dorpscentra. Ook dat aspect mogen we niet uit het oog verliezen.

 

Mijnheer de minister, daarom is mijn vraag aan u hoe u daarmee verder zult omgaan. Collega Truyman vraagt terecht wat u zult doen, aangezien 1 juli snel dichterbij komt. Hoe evalueert u in de eerste plaats de recente uitspraken van de Raad van State? Hoe zult u omgaan met de concrete juridische gevolgen daarvan en met eventuele hervormingen? Welke aanpak wilt u volgen en hoe zult u de dialoog aangaan met de betrokken actoren om ervoor te zorgen dat het gelijke speelveld voor onze kleine zelfstandigen behouden blijft?

 

01.06 Minister David Clarinval: Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers, ik dank u voor uw vragen over de arresten van de Raad van State inzake de soldenwetgeving.

 

De FOD Economie voert momenteel een diepgaande analyse uit van de concrete gevolgen van de arresten. Ik kan u echter reeds in grote lijnen de situatie mededelen.

 

Dans ses arrêts, le Conseil d'État a estimé que la législation belge était contraire à l'harmonisation maximale visée par la directive sur les pratiques commerciales déloyales, dans la mesure où elle interdit ou restreint de manière générale l'utilisation du mot "soldes".

 

Actuellement, deux dispositions du Code de droit économique régissent l'utilisation du terme "soldes", à savoir l'article 5.25 qui interdit l'utilisation du terme "soldes" en dehors des périodes de janvier et de juillet et l'article 5.26 qui limite l'utilisation du terme "soldes" aux marchandises qui étaient déjà en stock depuis au moins un mois avant la mise en vente.

 

En revanche, le Code de droit économique contient deux autres dispositions qui ne sont pas directement liées à l'utilisation du terme "soldes", à savoir, l'article 5.117 qui autorise les commerçants à vendre à perte pendant la période des soldes et l'article 5.29 qui oblige les commerçants du secteur de la mode à respecter une période d'attente d'un mois avant le début de la période des soldes. Ces deux dernières dispositions ne sont donc pas affectées par les arrêts du Conseil d'État.

 

Zolang de wetgever de soldenwetgeving niet wijzigt of opheft, blijft die van toepassing en kan de Economische Inspectie controles uitvoeren. Echter, voor de regels inzake het gebruik van het woord solden hebben die controles nog weinig zin, aangezien er niet rechtsgeldig kan worden gesanctioneerd.

 

Ik wil benadrukken dat de arresten van de Raad van State geen invloed hebben op de verplichtingen van handelaars die voortvloeien uit het Europees recht. Enerzijds is dat het verbod op oneerlijke handelspraktijken tegenover consumenten. Wanneer handelaars promoties aankondigen, moet het om een daadwerkelijke korting gaan. De consument moet een reëel voordeel genieten. Anderzijds zijn handelaars verplicht om, wanneer zij een korting aankondigen, de vorige prijs te vermelden, namelijk de laagste prijs die in de dertig dagen voorafgaand aan de korting werd gehanteerd. Die regels blijven onverminderd van toepassing.

 

Mon cabinet et le cabinet de ma collègue Eléonore Simonet sont déjà en contact avec les fédérations sectorielles concernées. Nous examinons avec ces fédérations comment la législation belge relative aux soldes peut être mise en conformité avec le droit européen, sans pour autant remettre en cause l’objectif initial du législateur de garantir une concurrence loyale entre les commerçants. Mon intention est de parvenir, dans les semaines à venir, à une solution satisfaisante pour toutes les parties concernées.

 

01.07  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, de wetgeving is wat ze is, maar dergelijke uitspraken zorgen er wel voor dat alle remmen los gaan en dat niemand de huidige wetgeving nog zal respecteren. Sommigen zullen dat wel doen en anderen niet, dus het ongelijk speelveld wordt alleen maar groter omdat er geen rechtszekerheid meer is.

 

Het is een goede zaak dat u overleg pleegt met een aantal actoren, maar ik denk dat er maar één oplossing is en dat is de huidige soldenwetgeving afschaffen. Punt. We leven in een economische realiteit die veranderd is en die maakt dat men dat niet meer in stand kan houden. Punt. U kunt daar nog heel veel overleg over plegen en ik vind dat u vrij onduidelijk bent over de volgende stappen, maar u zou beter de Economische Inspectie inzetten om te zorgen voor controles die de consumenten beschermen. Ik denk daarbij aan het recht op cashbetalingen, iets wat in veel handelszaken stelselmatig wordt geweigerd omdat er te veel uitzonderingsmaatregelen in de wetgeving staan. Men lapt die wetgeving aan zijn laars, waarop dan wordt gezegd dat we daarop niet te veel controles kunnen doen en dat de sanctiemogelijkheden heel beperkt zijn.

 

De Economische Inspectie moet zich met andere zaken bezighouden. Als het aan ons ligt, dan gaat de soldenwetgeving op de schop, worden relevante wetsartikelen afgeschaft en klaar is Kees. Dan zult u in ons zeker een partner vinden. Waar wacht u nog op?

 

01.08  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik heb begrepen dat u in de maand juli geen controles meer zult laten uitvoeren door de Economische Inspectie op het gebruik van het woord 'solden'. Dat is duidelijk. Dat betekent dus dat het woord 'solden' voortaan altijd kan worden gebruikt.

 

U verwijst echter naar twee andere artikelen in het Wetboek van economisch recht die volgens u door de arresten van de Raad van State onaangetast zijn gebleven. Ten eerste, de sperperiode en ten tweede, het verbod op verkoop met verlies. Mijnheer de minister, ik wil u wijzen op twee belangrijke arresten: het WAMO-arrest van het Hof van Cassatie uit 2011 en het arrest Euronics uit 2013. Die twee verplichtingen zijn daarin ook al naar de vuilnisbak verwezen. Met andere woorden, collega's, de sperperiode is vandaag niet meer geldig. Dat is de realiteit. Hetzelfde geldt voor het verbod op verkoop met verlies.

 

Mijnheer de minister, ik begrijp dat u nog wat hoop probeert te geven aan de zelfstandigenorganisaties die al 26 jaar een hopeloze strijd voeren. Als het van hen afhing, zouden we beter het internet afsluiten en ons allemaal weer concentreren op onze lokale winkels. Ik heb alle respect voor lokale winkels. Ik ga er trouwens ook shoppen. Denken dat we de concurrentiestrijd zullen winnen met allerlei achterhaalde regels? Think again. Als u de binnensteden wilt doen herleven, moet u drie dingen doen. Ten eerste, veel ruimte geven aan de horeca. Ten tweede, uw parkeertarieven wat verlagen. Dat zal ook helpen. Wat ik bijvoorbeeld zie, is dat mensen gaan shoppen in winkelcentra waar geen parkeergeld moet worden betaald. Ten derde, moet u stoppen met het in stand houden van die achterhaalde regels.

 

Mijnheer de minister, uw overleg met die organisaties is allemaal goed en wel, maar stop met die halfslachtigheid. Dat is niet uw stijl. U bent geen halfslachtig mens. Enerzijds, anderzijds, schaf die regels gewoon af. Doe wat de Raad van State heeft gezegd en zorg voor echte concurrentie, lage prijzen voor de mensen en een bloeiend handelsapparaat. Dat is uw opdracht en dat is wat we ook verlangen.

 

01.09  Lieve Truyman (N-VA): Mijnheer de minister, het is positief dat u wel degelijk in overleg gaat met de sector en dat u met hen tot een gebalanceerde oplossing tracht te komen.

 

Ik hoor de heer Van Quickenborne immers stellen dat enkel investeren in horeca, parkeertarieven afschaffen en stoppen met wetgeving zoals de zondagssluiting de handelaars zal helpen om hun bedrijfsvoering te laten floreren. Die redenering is iets te kort door de bocht. Een handelaar gaat immers geen huur betalen voor zijn winkelpand omdat er geen parkeergeld meer moet worden betaald. De horecazaken gaan evenmin het huurgeld van het winkelpand betalen.

 

Een handelaar en een ondernemer dienen winst te maken om te kunnen ondernemen, maar ook om het eigen gezin te kunnen onderhouden. Als er geen ruimte meer is om te ondernemen en winst te genereren, zullen de handelszaken verder doodbloeden.

 

Wij leven in een nieuwe samenleving en in een gedigitaliseerde economische realiteit. Er wordt heel veel online geshopt, maar tegelijkertijd moeten wij ook oog blijven hebben voor de fysieke handelaars die met het fysiek winkelen hun brood verdienen en hun kost winnen. Wij moeten ervoor zorgen dat beide in evenwicht met elkaar verder kunnen gaan.

 

De deur sluiten voor die handelszaken en hen de boeken laten neerleggen, lijkt mij geen manier van overleg en zal evenmin de oplossing zijn. Ik heb er vertrouwen in dat u wel degelijk naar een gebalanceerde oplossing zult zoeken.

 

01.10  Serge Hiligsmann (Les Engagés): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses et pour l’attention que vous réservez à cette thématique, à l'instar de vos collègues.

 

Les Engagés restent attachés à des campagnes de soldes et à des campagnes publicitaires limitées. Pour nous, les deux périodes actuelles de l’année, ainsi que les braderies locales, sont amplement suffisantes pour protéger les consommateurs et le commerce à taille humaine.

 

Il en va de même pour l’encadrement des campagnes et activités commerciales sur internet. Les moyens modernes nous en donnent la possibilité. De plus, ceux-ci sont adéquats pour encadrer l’ensemble, afin de protéger notre tissu socioéconomique, donc notre économie locale. Il s’agit également de protéger le système européen et d’éviter une consommation d’énergie et une production de déchets excessives. Nous y sommes particulièrement attentifs.

 

Je vous remercie.

 

01.11  Leentje Grillaert (cd&v): Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Ik heb begrepen dat u tijdens de nieuwe soldenperiode niet intensief op controles zult inzetten, wat mij gelet op de arresten logisch lijkt.

 

Ik denk dat niemand de nieuwe realiteit van de e-commerce en de klanten en consumenten die vaak alles heel snel willen, ontkent, maar zeggen dat handelaars liever het internet zouden afsluiten, is toch een karikatuur van onze lokale zelfstandigen die ik niet graag hoor, mijnheer Van Quickenborne. Ik denk dat zij die nieuwe realiteit moeten omarmen om te kunnen overleven en ik denk dat velen dat ook doen. Dat betekent echter niet dat we niet moeten kijken naar een gelijk speelveld, ook tijdens die soldenperiode en naar de verkopen die zij realiseren.

 

Daarom kijken wij uit naar uw initiatief, mijnheer de minister. Ik hoop dat u dat niet te lang zal laten liggen, want onzekerheid is ook zeer nefast voor onze ondernemers. Ik denk dat er snel duidelijkheid over nieuwe wetgevende initiatieven moet komen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56013369C de Mme Katleen Bury est transformée en question écrite.

 

02 Samengevoegde vragen van

- Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De economische impact van de geopolitieke onrust in het Midden-Oosten" (56013830C)

- Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De prijzen van de petroleumproducten" (56013930C)

02 Questions jointes de

- Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'impact économique de l'insécurité géopolitique régnant au Moyen-Orient" (56013830C)

- Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les prix des produits pétroliers" (56013930C)

 

02.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, de geopolitieke onrust in het Midden-Oosten zorgt ervoor dat energie- en elektriciteitsprijs en de prijzen aan de pomp blijven stijgen. Als die oorlog binnenkort een einde kent, zullen die prijzen op termijn waarschijnlijk weer dalen en normaliseren, maar als het conflict blijft aanslepen, zal dat onze mensen bijzonder veel geld kosten, aan de pomp en via de energierekening. Als dit blijft duren, dan zorgen die hogere energie- en olieprijzen voor een stijging van de inflatie. Tijdens de energiecrisis enkele jaren geleden hebben we al gezien waartoe dat kan leiden en een herhaling daarvan is iets wat we niet willen. Door een stijging van het algemene inflatiecijfer zullen onze bedrijven het immers moeilijk krijgen en de gestegen kosten op hun beurt moeten doorrekenen aan de consument, die zelf al steeds meer betaalt voor energie.

 

Mijnheer de minister, welke voorbereidingen treft u voor het geval dat deze situatie voortduurt? Welke scenario’s liggen er op tafel? Wat doet men voor de energie-intensieve bedrijven? Volgt u bepaalde indicatoren op om crisismaatregelen te kunnen nemen? Welke budgettaire impact zouden deze maatregelen hebben? Welke maatregelen zult u nemen als die energieprijsschokken aanhouden en zich vertalen in inflatie? Zijn er daarover afspraken gemaakt op Europees niveau?

 

De maximumprijzen voor huisbrandolie zijn wettelijk vastgelegd via de federale prijsregulering en worden ook gepubliceerd op de website van de FOD Economie. Die maximumprijs is samengesteld uit een aantal prijscomponenten en werd afgesproken via een overeenkomst tussen de minister van Economie en de sectorfederatie Energia.

 

We weten ook dat het verboden is om hogere prijzen aan te rekenen dan het maximum dat is vastgesteld. We hebben gezien dat ondanks dat prijsreguleringsmechanisme sommige stookoliehandelaars toch stookolie hebben verkocht boven de wettelijke maximumprijs. Die kan in de praktijk omzeild worden door bijkomende kosten aan te rekenen, maar dat lijkt ons toch een bijzonder vreemde situatie. Mijnheer de minister, er is iets wat faalt. Ofwel faalt de controle op het hele gebeuren, zodat zoiets überhaupt kan gebeuren, ofwel zit het systeem gewoon niet goed in elkaar.

 

Ik heb daarom enkele vragen. Hoe verklaart u de overschrijdingen die plaatsvinden ondanks het mechanisme dat vandaag bestaat? Er mogen inderdaad kosten worden aangerekend boven op de wettelijke prijs. Wat mag er effectief aangerekend worden? Hoe wordt nagegaan of die toeslagen niet worden misbruikt om de prijsregulering te omzeilen? Hoe wordt dat dan gecontroleerd? Voert de Economische Inspectie effectief controles uit om dat te vermijden en ervoor te zorgen dat de regelgeving inzake de maximumprijzen wordt nageleefd? Vindt u het systeem zoals dat vandaag bestaat voldoende doeltreffend of plant u aanpassingen aan het regelgevend kader? Ik kijk uit naar uw antwoord.

 

02.02 Minister David Clarinval: De geopolitieke situatie heeft de mondiale energiemarkt grondig verstoord, met aanzienlijke gevolgen voor de gas- en olieprijzen. De regering heeft haar verantwoordelijkheid opgenomen door tot 80 miljoen euro vrij te maken voor maatregelen die vooral gericht zijn op werknemers die met hun eigen voertuig naar het werk gaan, teneinde hen financieel te steunen bij de stijging van de brandstofkosten.

 

Op voorstel van de minister van Energie, de heer Bihet, heeft de ministerraad een ontwerp van koninklijk besluit goedgekeurd om een sectoraal noodplan voor aardolie vast te stellen, met het oog op het beheer van een eventuele toekomstige crisis in de bevoorrading van ruwe aardolie en/of aardolieproducten.

 

Voor de minister van Economie is het, gelet op de druk op de competitiviteit van onze ondernemingen, essentieel om de evolutie van de situatie van nabij op te volgen. Via de FOD Economie werd een monitoring opgestart aan de hand van een gecentraliseerd platform, om gegevens te verzamelen bij de federaties en snel sectoren in moeilijkheden te identificeren. Het doel was de impact nauwkeurig per sector te meten, zodat gerichte antwoorden kunnen worden geboden en onze competitiviteit kan worden gevrijwaard. De eerste resultaten wijzen erop dat de agro- en voedingssector en de transport- en energiesector bijzonder getroffen zijn en de meeste bezorgdheden hebben geformuleerd.

 

Bovendien kunnen we dankzij het mechanisme van de maximumprijs, zoals opgenomen in de programmaovereenkomsten, de gevolgen van de schommelingen van de internationale prijzen temperen, zodat consumenten niet onmiddellijk worden geconfronteerd met prijsstijgingen aan de pomp. Ik werk daarvoor nauw samen met mijn collega-minister van Energie. We hebben samen de situatie van nabij opgevolgd en gezocht naar een evenwichtige oplossing, die zowel de belangen van de consumenten beschermt als de economische stabiliteit en de werkbaarheid van de tankstations waarborgt.

 

Inzake uw vraag over bijkomende kosten verbonden aan goederen of diensten die niet onder de prijsreglementering vallen, kan ik zeggen dat ze mogen worden aangerekend op voorwaarde dat ze afzonderlijk vermeld worden en niet in een totaalprijs worden opgenomen. Bijkomende kosten mogen boven op de maximumprijs aangerekend worden voor alle bijkomende goederen of diensten die niet onder het prijsreguleringsmechanisme vallen. Het gaat dan bijvoorbeeld over producten die de kwaliteit van aardolieproducten verbeteren, zoals antivriesmiddelen.

 

Wat betreft uw vragen over de controles, de interventies vinden hoofdzakelijk plaats op basis van klachten en er worden regelmatig vaststellingen gedaan. De Economische Inspectie voert geen systematische prijscontroles uit in tankstations of op de websites van de leveranciers van stookolie, maar haar agenten kunnen bij interventies wel punctuele inbreuken vaststellen. De mogelijke sancties steunen op het begrip abnormale winst.

 

Een evaluatie van de programmaovereenkomst werd voorzien in het regeerakkoord. De FOD Economie voert nu een analyse uit, op vraag van minister Bihet en mezelf.

 

02.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, er zijn toch een aantal essentiële zaken waarop u niet hebt geantwoord. Eerst en vooral heb ik gezegd dat als dit scenario aanhoudt, de mensen daar cash voor zullen betalen. Alleen al de inflatie die er aankomt en die we nu al vertaald zien in de cijfers, zal daarvan het gevolg zijn. We moeten vermijden dat we terechtkomen in een gelijkaardig scenario als enkele jaren geleden.

 

U verwijst naar de maatregelen die zijn genomen rond het woon-werkverkeer. Dat is natuurlijk een druppel op een hete plaat. Het gaat om een zeer beperkte groep waarvoor u iets doet. Ik vrees bovendien dat die maatregelen onvoldoende zijn. U kampt met budgettaire krapte. Dat is allemaal goed en wel, maar ik wil toch in herinnering brengen dat als ik kijk naar het aandeel van wat mensen aan de pomp betalen, meer dan de helft, om niet te zeggen minstens 60 %, naar de staatskas terugvloeit. Als men dan zegt dat er weinig mogelijkheden zijn om daar iets aan te doen, geloof ik dat niet. De regering heeft eigenlijk iets teruggegeven in de vorm van maatregelen voor het woon-werkverkeer, goed voor enkele tientallen miljoenen euro. Vervolgens wordt gezegd: voilà, daarmee is de kous af. Ondertussen betalen de mensen wel meer dan 2 euro per liter aan de pomp. Dat is gewoonweg schandalig, mijnheer de minister.

 

U zegt dat er een sectoraal noodplan wordt opgesteld voor de aardoliesector, rond de bevoorrading met ruwe aardolie in de toekomst. Er mag echter zoveel voorraad ruwe aardolie zijn als men maar wil, de marktprijs zal altijd volgen. Dat is nu eenmaal de realiteit. Eender welke geopolitieke schok in de wereld heeft daarop een invloed. Of u nu meer voorraad aanhoudt of niet, dat verandert daar niets aan.

 

Tot slot wil ik nog ingaan op de petroleumproducten en de bijkomende kosten die bijvoorbeeld voor huisbrandolie worden aangerekend. U hebt daarop een erg vaag antwoord gegeven. Het is toch bijzonder toevallig dat net op het moment waarop die prijsstijgingen zich voordoen en de maximumprijzen op een of andere manier onvoldoende volgen, plots die creativiteit opduikt en leveranciers bijkomende kosten beginnen aan te rekenen die vroeger niet van toepassing waren. Ik vind dat er dan een mechanisme moet bestaan waarbij de Economische Inspectie de consument beschermt. Ofwel is er een probleem met het controleluik, ofwel is er een probleem met het systeem waarmee de prijzen tot stand komen. Zoals het vandaag werkt, is het in elk geval geen objectief systeem. Op een bepaald moment moet men immers gewoon een hele reeks bijkomende kosten betalen. Ik heb bovendien uit uw antwoord begrepen dat er wel een aantal regels bestaan, maar dat de creativiteit vandaag blijkbaar groot genoeg is om die te omzeilen.

 

Mijnheer de minister, om die redenen verwacht ik van u concrete maatregelen. Ik verwacht maatregelen voor de prijzen aan de pomp. Ik verwacht maatregelen rond de bijkomende kosten waarmee mensen geconfronteerd worden wanneer zij hun stookolietank willen laten vullen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Made in Europe" (56013831C)

03 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le "Made in Europe"" (56013831C)

 

03.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, het Europese plan voor een weerbaardere industrie, de Industrial Accelerator Act, zou in principe in december vorig jaar worden voorgesteld, maar dat werd naar maart van dit jaar uitgesteld. Daarbij zou men industriële producten die in Europa zijn gemaakt, van een label Made in Europe willen voorzien. Er zou ook een Europees competitiviteitsfonds worden opgericht.

 

We moeten toch vaststellen, mijnheer de minister, dat wanneer fondsen in de Europese Unie worden opgericht, in dit geval een competitiviteitsfonds, vooral de belangen van de grootste lidstaten worden gediend. In de praktijk betalen kleinere lidstaten mee, maar er komen uiteindelijk bijzonder weinig middelen terug.

 

Er zouden ook een aantal nieuwe regels voor overheidsopdrachten komen, waarbij niet alleen de prijs doorslaggevend is, maar ook de Europese oorsprong. De zogenaamde Made-in-Europeproducten zouden daarbij een bepaalde voorrang genieten.

 

Mijnheer de minister, welke positie verdedigt u in de Raad van de Europese Unie ten opzichte van de Industrial Accelerator Act? Wat is uw standpunt over het Europees Competitiviteitsfonds? Welke van de betrokken sectoren worden als strategisch aangemerkt?

 

Welke garanties hebt u dat we aan het fonds uiteindelijk niet meer zullen bijdragen dan we zullen terugkrijgen. Hoe zult u ervoor zorgen dat het Competitiviteitsfonds niet vooral de grote lidstaten met hun industriële massa zal bevoordelen en dat kleinschaligere economieën zoals de onze ook de vruchten van dezelfde regels of fondsen kunnen plukken?

 

Steunt u het principe van het keurmerk Made in Europe voor overheidsopdrachten? Welke waarborgen zijn er inzake controle en audit van de instrumenten? Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een Chinees bedrijf naar Europa komt en alles wel in China produceert, maar uiteindelijk alleen de assemblage nog in Europa uitvoert? Is dat dan ook Made in Europe?

 

Hoe zult u het federale standpunt afstemmen met het standpunt van de diverse gewesten?

 

03.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, de Industrial Accelerator Act is een industriebeleidsinstrument van de Europese Commissie. Het moet een antwoord bieden op bepaalde uitdagingen van de Europese industrie, de Europese waardeketens versterken, aan onze strategische autonomie bijdragen, de vraag naar koolstofarme Europese industriële producten creëren en de uitrol van industriële projecten versnellen. De situatie van de Europese industrie is zorgwekkend en vereist maatregelen op korte en middellange termijn. We moeten de erosie die aan de gang is, stoppen en we moeten herindustrialiseren.

 

België heeft positief gereageerd op het initiatief van de Commissie, ter gelegenheid van het politieke debat dat door het voorzitterschap werd gevoerd tijdens de Raad Concurrentievermogen van 28 mei jongstleden. Er is nog geen Belgisch standpunt bepaald over het instrument, dat momenteel wordt geanalyseerd. We raadplegen ook actief onze industrie voor een impactanalyse op Belgisch niveau met betrekking tot de waardeketens.

 

De keuze door de Europese Commissie van de strategische sectoren werd ingegeven door het feit dat de geselecteerde sectoren ten grondslagliggen van elke industriële activiteit en energie-intensief zijn. Het instrument is bedoeld voor de cement-, metaal- en aluminiumsector, met dien verestande dat andere sectoren daaraan zouden kunnen worden toegevoegd, zijnde sectoren of producten die noodzakelijk zijn voor de energietransitie, onder andere de sectoren van windenergie, zonne-energie, batterijen, warmtepompen en zonnepanelen.

 

Tot slot richt de Commissie zich specifiek op de markt voor de productie van elektrische voertuigen, een sector waarin Europa concurrentieverlies lijdt, met name ten opzichte van China.

 

De Industrial Accelerator Act (IAA) wil ook een structurele oplossing bieden voor het chronische probleem van de traagheid bij het verlenen van vergunningen via de invoering van een uniek loket in elke lidstaat voor het verlenen van vergunningen en de vaststelling van behandelingstermijnen. De lidstaten zullen bovendien ten minste één industriële versnellingszone waarin projecten sneller groen licht kunnen krijgen, moeten aanwijzen.

 

De Europese Commissie stelt voor zich gericht te beroepen op Europese voorkeur in het kader van overheidsopdrachten en overheidstussenkomsten. Die notie slaat, al naargelang het geval, ook onze handelspartners – vandaar de notie Made in EU –, zodat we onze engagementen in het kader van de overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en onze wederzijdse engagementen in het kader van vrijhandelsakkoorden nakomen.

 

Sommigen maken voorbehoud bij die benadering. Een dergelijk mechanisme kan bijkomende administratieve lasten met zich meebrengen voor onze administraties en ondernemingen. België zal daarvoor aandacht hebben en heeft tijdens de bijeenkomst van de Raad Concurrentievermogen van vorige week op die bezorgdheid gewezen.

 

Tegenover bepaalde grote economieën die overproduceren op basis van standaarden die ver afstaan van de onze en die hun ondernemingen buitensporig subsidiëren, moeten we proactief optreden om onze industrie en dus de creatie van waarde en werkgelegenheid op ons grondgebied te behouden.

 

Mijnheer Van Lommel, ik verwelkom het voorstel van verordening betreffende het Europees Concurrentievermogenfonds. Het beoogt het herstel van het Europese concurrentievermogen door het industriële potentieel van Europa te versterken dankzij onze troeven op het vlak van onderzoek en innovatie en door de toegang tot financiering voor ondernemingen, met inbegrip van kmo's, te vergemakkelijken.

 

België presteert beter dan het Europese gemiddelde op het vlak van investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Ik ben ervan overtuigd dat onze ondernemingen, en in het bijzonder onze kmo's, goed gebruik zullen maken van het Europees Competitiviteitsfonds. Elke lidstaat en elk gewest moet beschikken over een billijke toegang tot het Europees Competitiviteitsfonds zonder echte quota of begrotingsreservaties te introduceren. Het is de uitmuntendheid, die primeert.

 

De governance zal berusten op een nauwe aansturing door de Commissie, ondersteund door een strategische adviesraad en een thematisch comité waarbij de lidstaten betrokken zijn, om een evenwicht tussen expertise en ownership te verzekeren. In dit Europees dossier wordt het Belgisch standpunt zoals in andere dossiers bepaald in intra-Belgische coördinatie in de DGE en vervolgens verdedigd door onze Permanente Vertegenwoordiging op het niveau van de Raad.

 

03.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, het is vooral heel belangrijk dat Europa en bij uitbreiding ons land het geweer van schouder veranderen. We moeten stoppen met heiliger te zijn dan de paus, onszelf heel wat regels opleggen en aan regeldrift te doen, met regels die niet van toepassing zijn in andere landen van de wereld, zoals de Verenigde Staten, China en andere grootmachten.

 

We prijzen onszelf uit de markt. Als u niets doet aan die regeldrift en alles blijft zoals het vandaag is, dan kunt u nog 500 competitiviteitsfondsen oprichten, die zullen weinig zoden aan de dijk brengen. De vraag blijft hoe ver Made in Europe gaat. Ik heb daarstraks het voorbeeld gegeven van Chinese spelers die produceren in China, in Europa de uiteindelijke samenbouw doen of een laatste handeling stellen aan een bepaald product en dan beweren dat het made in Europe is, terwijl dat eigenlijk niet het geval is. Een en ander moet heel sterk worden bijgeschroefd.

 

Wat onderzoek en innovatie betreft, we stonden daar vroeger inderdaad heel sterk in, maar ook op dat vlak zijn we langs alle zijden ingehaald en zien we dat andere landen of continenten veel verder staan op het vlak van onderzoek en innovatie en dat we achterlopen. Als we hier dan toch bepaalde zaken ontwikkelen, dan hebben we niet eens de garantie dat de productie hier ook later zal plaatsvinden. Daar zit de sleutel, mijnheer de minister, zorgen dat wat hier geïnnoveerd wordt, ook effectief hier blijft.

 

Last but not least, we moeten vermijden dat die competitiviteitsfondsen ervoor zorgen dat we opnieuw nettobetaler zijn aan de Europese Unie. We hebben hetzelfde gezien met het plan voor herstel en veerkracht, waar we veel meer hebben betaald dan we uiteindelijk hebben teruggekregen. Doe dat niet en geef het geld rechtstreeks aan de bedrijven in eigen land die het nodig hebben.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van Charlotte Verkeyn aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De bankkosten voor zichtrekeningen van verenigingen van mede-eigenaars" (56014046C)

04 Question de Charlotte Verkeyn à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les frais bancaires pour les comptes courants des associations de copropriétaires" (56014046C)

 

04.01  Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de minister, de eigenaars van appartementen hebben het alsmaar moeilijker. Ze worden geconfronteerd met hogere kosten. Tot voor enkele jaren betaalden verenigingen van mede-eigenaars een kleine 40 euro per jaar aan beheerskosten voor een zichtrekening. Nu rekenen veel banken ongeveer 200 tot 250 euro per jaar aan beheerskosten per VME-rekening aan. Die kosten zijn forfaitair. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleine VME's. Voor VME's bestaande uit twee tot vier kavels wegen die bankkosten uiteraaard door in de totale kosten.

 

Mijnheer de minister, wat is volgens u de reden waarom de bankkosten voor een zichtrekening van een VME zo fors zijn gestegen?

 

Wat maakt voor een bank het beheer van een zichtrekening van een VME zo duur? Is een differentiatie in de grootte van een VME afhankelijk van het aantal kavels niet aangewezen?

 

Is er naar uw mening voldoende mededinging in het aanbod van soorten bankrekeningen voor VME's, of wordt de concurrentie in de praktijk beperkt doordat syndici de keuze beperken tot enkele financiële instellingen waarmee zij doorgaans werken?

 

Tot slot, waarom bedraagt het maximale tarief voor een basisbankdienst voor een VME net als die voor andere ondernemingen 420 euro per jaar?

 

04.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Verkeyn, ik ben mij bewust van het feit dat de verschillende banken in de voorbije jaren hun tarieven voor VME’s verhoogd hebben. Er is geen officiële studie beschikbaar die de evolutie en de redenen van die prijsstijging verklaart. De officieuze informatie waarover ik beschik, wijst erop dat het beheer van VME-rekeningen voor banken complexer geworden is, als gevolg van onder meer de Europese en de Belgische antiwitwasregelgeving.

 

VME’s, ongeacht hun grootte, moeten door banken behandeld worden als professionele klanten. Het beheer van professionele rekeningen vereist een aangepaste opvolging en brengt bijkomende verplichtingen met zich mee, zoals het beheer van mandaten.

 

Met uitzondering van de basisbankdiensten behoort de prijszetting tot de commerciële autonomie van de banken. Het staat hen vrij om wel of niet een differentiatie toe te passen, bijvoorbeeld op basis van de grootte van de VME of het aantal transacties.

 

Wat de concurrentie op de markt betreft, wil ik zeggen dat de VME’s volledig vrij zijn om zich aan te sluiten bij een bank naar keuze. De syndicus heeft niet het recht om een VME te verplichten samen te werken met één bepaalde bank.

 

Ik moet ook opmerken dat er digitale banken actief zijn in België die rekeningen aanbieden aan VME’s voor minder dan 80 euro per jaar per rekening. Het is de taak van de syndicus om die alternatieven voor te stellen aan de VME.

 

Wat de basisbankdienst betreft, wil ik onderstrepen dat die niet bedoeld is als een alternatief van normale bankrekeningen. De basisbankdienst is een tijdelijke noodoplossing voor wie geen rekening kunnen openen op de reguliere markt.

 

Het maximumtarief is hetzelfde voor VME's en ondernemingen, omdat beide groepen door banken moeten worden behandeld als professionele klanten.

 

04.03  Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de minister, ik noteer vooral uit uw antwoord dat in feite nog niet echt is onderzocht hoe dat komt en dat u vermoedt dat het misschien te maken heeft met gewijzigde regelgeving.

 

Wij hebben echter aanleiding om te geloven dat dat niet het volledige verhaal is en dat zich wel degelijk structuren organiseren waardoor voldoende mededinging niet speelt wanneer het gaat over verenigingen van mede-eigenaars.

 

Aangezien de vragen nog niet zijn beantwoord, willen wij er dan ook op aandringen dat u een en ander met uw kabinet en binnen uw functie toch eens bekijkt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Les questions n° 56014247C et n° 56015491C de Mme Taton sont reportées.

 

05 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het doemscenario van een recessie" (56014446C)

05 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le scénario catastrophe d'une récession" (56014446C)

 

05.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik verwees in mijn vorige vraag al naar het feit dat we mogelijk vertrokken zijn voor een nieuwe golf van inflatie, vanwege de stijgende energieprijzen, gelet op de problematiek in het Midden-Oosten.

 

We weten dat onze economie in België bijzonder kwetsbaar is voor elke energieschok, omdat heel wat kosten gekoppeld zijn aan de index. Dat vertaalt zich in bedrijven die geconfronteerd worden met hogere prijzen, niet alleen voor energie, maar ook van hun leveranciers. Heel wat bedrijven krijgen te maken met de ene prijsstijging na de andere. We zien echter dat dit meestal slechts in één richting gaat, prijzen stijgen, maar dalen later niet meer. Dit zal echter verder worden doorgerekend aan de gezinnen, waardoor hun koopkracht wordt aangetast.

 

De vooruitzichten voor de economische groei in ons land zijn niet erg positief. Dat heb ik in het verleden al vaak gezegd. Ze zijn zelfs bijzonder laag en werden ondertussen verder naar beneden bijgesteld.

 

Mijnheer de minister, welke maatregelen neemt u om de impact van die stijgende energieprijzen op zowel huishoudens als bedrijven te beperken? Worden eventuele steunmaatregelen overwogen voor sectoren die momenteel het kwetsbaarst zijn?

 

Op welke manier worden de strategische industrieën in ons land beschermd tegen langdurige energiecrisissen? Wordt een herziening van energieheffingen of belastingen overwogen om de koopkracht te beschermen?

 

Welke maatregelen zult u nemen om een doemscenario van stagflatie of recessie te vermijden? Stel – en dit is mijn grootste bezorgdheid - dat we terechtkomen in een situatie van stagflatie, waarbij de inflatie hoog blijft terwijl de economie niet groeit of zelfs krimpt en we in een recessie terechtkomen. Ik vrees dat we dan in een horrorscenario belanden. Ik denk dat we er alles aan moeten doen om dat te vermijden.

 

05.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, de rechtstreekse impact van het conflict in het Midden-Oosten op de energiebevoorrading van België blijft op dit ogenblik beperkt. De voornaamste gevolgen uiten zich in een stijging van de energieprijzen op de internationale markten, met weerslag op de inflatie, de consumptie en de competitiviteit van ondernemingen. De regering heeft verschillende structurele maatregelen genomen om de weerbaarheid van onze economie te versterken. De minister van Energie heeft met name een energienorm ingevoerd om te garanderen dat de energiekosten van onze ondernemingen competitief blijven ten opzichte van die van onze buurlanden. Die maatregel is bijzonder belangrijk voor de elektro-intensieve sectoren.

 

Wat uw tweede vraag betreft, is het van essentieel belang te beschikken over een nauwkeurige diagnose om alert te kunnen ingrijpen. Daarom heb ik de FOD Economie gevraagd een sectorale monitoring in te voeren om de impact van de internationale situatie op onze economie op te volgen. Die regeling is erop gericht snel de meest blootgestelde sectoren te identificeren, de ondervonden moeilijkheden te evalueren en, indien nodig, gerichte maatregelen voor te bereiden op basis van objectieve gegevens. De eerste resultaten wijzen erop dat de agrovoedingssector en de transport- en energiesector het zwaarst getroffen zijn en de meeste bezorgdheden hebben geformuleerd.

 

Wat uw derde vraag betreft, handelt de regering in de eerste plaats om de weerbaarheid van onze industrie duurzaam te versterken. Via het plan MAKE2025-2030 werken we aan het veiligstellen van onze toeleveringsketens, het verminderen van strategische afhankelijkheden en het verbeteren van de concurrentievoorwaarden van onze ondernemingen. We steunen ook de Europese initiatieven om de industriële soevereiniteit van de Unie te versterken, met name op het vlak van energie, kritieke grondstoffen en strategische technologieën. Het doel is onze kwetsbaarheid voor externe schokken te verminderen.

 

Voor de fiscale vragen verzoek ik u zich te richten tot mijn collega, de minister van Financiën.

 

Wat uw vijfde vraag betreft, bestaat de beste aanpak erin de fundamenten van onze economie te versterken. De regering handelt in die zin door de loonkosten te verlagen, de arbeidsmarkt te hervormen, een energienorm in te voeren en het plan MAKE2025-2030 uit te rollen om investeringen, innovatie en industriële competitiviteit te ondersteunen.

 

05.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, u hebt een overzicht gegeven, bijvoorbeeld van de sectorale monitoring, waarbij de meest blootgestelde sectoren zijn geïdentificeerd. U weet ondertussen welke sectoren dat zijn, maar vanzelfsprekend is het de bedoeling dat daar ook de noodzakelijke maatregelen aan worden gekoppeld.

 

Er is al heel veel gezegd over het plan MAKE2025-2030. Er bestaan veel ambities. Er wordt altijd verwezen naar gesprekken die worden gevoerd, maar sta mij toe te zeggen, mijnheer de minister, dat er partners zijn die mee aan die tafel hebben gezeten en daar weinig hoop in stellen. In een aantal gevallen doen zij zelfs relatief lacherig over wat met dat plan wordt bewerkstelligd. Laten we hopen dat dat niet het geval is, maar over dat plan wordt al heel lang gesproken en concrete resultaten blijven uit. Daar wachten we nog altijd op.

 

Een aantal zaken moet uiteraard fundamenteel worden versterkt, maar we bevinden ons nu in een situatie die bijzonder precair kan worden. Ik heb verwezen naar een scenario van stagflatie of een recessie. Laat ons hopen dat geen van beide zich voordoet. Stagflatie zou heel erg zijn. Wat gaan we doen als dat scenario zich voltrekt? We staan daar niet zo ver van af en het is evenmin iets wat alleen in onze verbeelding kan voorkomen. Het is dichterbij dan men zou denken en als dat van toepassing wordt op onze economie, hebben we echt een zeer groot probleem, mijnheer de minister. Op mijn vraag daarover antwoordt u dat we een aantal zaken fundamenteel moeten versterken, maar ik vrees dat dat vandaag niet zal volstaan. Ik had gehoopt dat u iets meer over dat fenomeen had nagedacht en dat we daarover ook meer in discussie konden treden.

 

Ik stel alleen maar vast dat u telkens wanneer ik over een eventuele recessie of over de economische toestand spreek, verwijst naar een aantal gesprekken en naar een aantal zaken die misschien in de toekomst zullen gebeuren. Jammer genoeg vrees ik dat dat allemaal veel te weinig zal zijn en dat het veel geblaat en weinig wol zal blijken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Questions jointes de

- Anthony Dufrane à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La protection juridique de la voix et de l'image face à l'IA et le métier de doubleur" (56014517C)

- Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La prédation économique et culturelle de l’IA" (56016518C)

06 Samengevoegde vragen van

- Anthony Dufrane aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De juridische bescherming van stem en afbeelding tegen gebruik door AI en het beroep van stemacteur" (56014517C)

- Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De economische en culturele plundering door AI" (56016518C)

 

06.01  Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, les technologies IA permettent aujourd'hui de cloner une voix à partir d'une brève séquence audio et de reproduire un visage de manière indiscernable du réel. Récemment, une téléspectatrice a perdu 410 000 euros en étant trompée par une fausse voix générée par IA imitant celle d'une animatrice télé. Des ministres étrangers ont reçu de faux messages vocaux usurpant l'identité du secrétaire d'État américain.

 

Ces exemples illustrent une triste réalité dans laquelle notre voix et notre visage sont devenus des données piratables à volonté, sans consentement ni compensation. Cette problématique dépasse la fraude individuelle. Elle touche directement le secteur professionnel du doublage et de l'audiovisuel.

 

Régulièrement, des comédiens découvrent leurs voix reproduites par IA sans autorisation. La question se pose également de la recréation numérique de voix de comédiens décédés. À l'instar de ce que le mouvement français "Touche pas à ma VF" dénonce activement, ceci crée un vide juridique et éthique. Le Danemark a adopté dernièrement une loi pionnière assimilant la voix et l'image à une œuvre protégée par le droit d'auteur, interdisant leur utilisation par IA sans consentement explicite.

 

En Belgique, si le droit à l'image et la voix existent en tant que droit de la personnalité, le cadre de responsabilité reste insuffisamment consolidé face aux usages inédits permis par l'IA.

 

Monsieur le ministre, le cadre juridique belge actuel, fondé sur le droit à l'image et la voix, offre-t-il une protection suffisante contre le clonage vocal et les deepfakes? Envisagez-vous de légiférer pour renforcer ce cadre en vous inspirant du modèle danois éventuellement?

 

La recréation numérique par IA de la voix de comédiens décédés et l'utilisation non consentie de la voix d'artistes vivants pour entraîner des modèles d'IA, constituent-t-elles une violation du droit belge actuel?

 

Des mesures spécifiques de protection du secteur professionnel du doublage sont-elles envisagées pour garantir que le développement de l'IA ne conduise pas à la destruction économique d'un métier artistique?

 

06.02  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, l'intelligence artificielle est une révolution dont il est difficile de mesurer les conséquences de façon concrète. Bien malin celui ou celle qui pourra en définir les contours et voir quelles en seront au final les avancées.

 

Toute nouvelle avancée technologique porte évidemment en elle un pendant positif, qui peut étendre l'émancipation de l'être humain, ainsi qu’un pendant négatif.

 

Concernant l'IA, on évoque la perspective de pertes d'emplois par exemple. Tout cela reste très flou. Même les expertes et les experts que nous avons déjà entendus sur le sujet sont bien incapables d'estimer les gains et les pertes.

 

Il y a en tout cas une conséquence claire et concrète de l'utilisation massive des logiciels d'IA: c'est évidemment la prédation économique et culturelle à l'égard des autrices et auteurs. Ils et elles le vivent. J'ai d'ailleurs pu m'entretenir récemment avec la coprésidente de Belgian Voices.

 

Pour s'entraîner, ces logiciels pillent, volent sans dédommagement. Jusqu'à présent c'est à l'autrice ou à l'auteur de faire valoir son droit d'opposition, partant du principe d'une présomption d'accord et d'une gratuité effective.

 

Avec mon groupe, je compte d'ailleurs déposer prochainement une proposition de loi qui va dans le sens du rapport Voss adopté par une majorité d'eurodéputés.

 

Monsieur le ministre, pourrions-nous avoir votre retour sur le pillage culturel que mènent les logiciels d'IA, dont les chiffres d'affaires sont impressionnants? Comment le gouvernement se positionne-t-il quant au rapport Voss, qui promeut justement une présomption d'utilisation? Êtes-vous en contact avec les sociétés représentatives des artistes, qui vivent un tournant majeur et peut-être funeste pour leur activité?

 

06.03  David Clarinval, ministre: Messieurs les députés, vous m'avez chacun interpellé sur la question de la protection des artistes face à certaines pratiques rendues possibles grâce à l'intelligence artificielle.

 

En effet, les métiers artistiques et créatifs, notamment le secteur du doublage, se retrouvent aujourd'hui confrontés à une transformation numérique sans précédent avec les dernières avancées de l'intelligence artificielle générative. La Belgique s'est montrée très attentive à la protection des titulaires de droits lors des négociations de l'AI Act et également lors des discussions sur le Code de pratique de l'IA à usage général. J'ai d'ailleurs pu en faire part à plusieurs sociétés de gestion de droits d'auteur qui avaient partagé avec moi leurs inquiétudes.

 

À l'heure actuelle, la législation belge me semble permettre de contrer ces problèmes liés à l'usage de l'IA sans devoir procéder à une modification législative. En effet, nous disposons de plusieurs moyens pour protéger les droits de la personnalité comprenant la voix, le corps et les traits du visage, sans qu'il soit nécessaire de créer des mesures spécifiques. Les droits de la personnalité et le droit au respect de la vie privée sont le fondement du droit à l'image et peuvent s'appliquer de manière analogue à la voix, qui est elle aussi un élément intrinsèque de la personnalité. En particulier, nous disposons d'un instrument puissant tel que le RGPD, qui octroie à chaque citoyen un droit d'opposition en cas d'utilisation de ses données à caractère personnel sans son consentement. Les images, la voix et tout autre trait humain permettant d'identifier une personne et utilisés pour produire et diffuser, par exemple, des deepfakes peuvent être considérés comme des données à caractère personnel. L'Autorité de protection des données peut donc agir contre les modèles d'IA générative abusive et les citoyens peuvent porter plainte et faire valoir leurs droits en vertu du RGPD.

 

En outre, l'utilisation de l'IA pour simuler l'apparence et/ou la voix d'une personne réelle à des fins trompeuses, afin de lui faire dire ou faire des choses qu'elle n'a jamais dites ou faites, pourrait également être qualifiée d'usurpation d'identité et entraîner des poursuites judiciaires. J'ai moi-même été victime de ce genre de pratiques, puisqu'on a détourné mon image et ma voix pour vendre des cryptomonnaies, ce qui a engendré des arnaques dont des personnes de ma commune ont été victimes. Je peux en témoigner.

 

Le Digital Services Act offre également une série de moyens pour lutter contre les contenus illégaux en ligne. L'AI Act, quant à lui, impose des obligations en matière de transparence et d'étiquetage afin que les contenus générés par l'intelligence artificielle soient clairement identifiés comme tels.

 

Je pense donc que notre pays dispose des outils nécessaires pour lutter contre ces dérives de l'IA générative.

 

Mes collègues du gouvernement et moi-même ne manquerons toutefois pas de suivre les difficultés éventuelles dans leur mise en œuvre pratique pour y apporter les solutions requises.

 

06.04  Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je vais les analyser et je souhaite insister sur le fait que la problématique touche de nombreuses compétences. L’impact sur l’emploi et sur l’économie demeure bien évidemment central.

 

La protection de la propriété intellectuelle et celle des personnes doivent être garanties, sans quoi les abus profitant de lacunes juridiques risquent de se développer et pourraient fragiliser le secteur du doublage, en plus des fraudes inhérentes à cette technologie.

 

06.05  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, je finalise actuellement une proposition de loi qui vise à aller plus loin.

 

J’ai évoqué tout à l’heure la coprésidente de Belgian Voices. J’ai également eu un entretien avec un professeur d’université spécialisé en intelligence artificielle. Le constat est identique:  même si on ne dispose pas toutes les clés, l’arsenal législatif actuel ne permet pas de tout contrer.

 

Le chantier est très vaste, mais selon les personnes que j’ai pu entendre, notamment les premières victimes de ce pillage et de cette prédation tant économique que culturelle, il apparaît que nous pourrions – et que nous devrions – aller plus loin. C’est modestement ce que je vais tenter de défendre avec la proposition de loi dont nous aurons évidemment l’occasion de débattre ici.

 

J’ai vraiment le sentiment qu’il faut accorder une attention particulière à nos autrices et à nos auteurs, qui voient – et verront malheureusement encore – leur activité réduite à peau de chagrin.

 

Dans quelques heures ou quelques jours, le texte sera déposé et nous aurons l’occasion d’en débattre au sein de cette commission.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56014531C de Mme Irina De Knop est sans objet.

 

07 Question de François De Smet à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le phénomène de de-risking et la rupture des relations banques/clients particuliers" (56014718C)

07 Vraag van François De Smet aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De-risking en het beëindigen van de relatie met particuliere klanten door banken" (56014718C)

 

07.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, certains particuliers ou associations le découvrent parfois soudainement: en Belgique, une banque peut rompre unilatéralement la relation client (clôture de compte) sans justification obligatoire, souvent pour des raisons de conformité (ce qu’on appelle le de-risking relatif au blanchiment) ou de comportement. À cet égard, un préavis de deux mois est généralement requis, mais la fermeture peut être immédiate en cas de fraude ou de non-respect des règles.

 

Même s'il n’a pas un caractère exclusif, le phénomène du de-risking est souvent associé, en Belgique, au respect des obligations issues de la loi du 18 septembre 2017 sur la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme. Cependant, cette attitude frôle parfois la discrimination, notamment lorsque des décisions sont prises sur la base de critères apparemment généraux ou stigmatisants, en ne respectant pas les exigences d'une évaluation individuelle des risques.

 

Je suis interpellé par de nombreux citoyens qui dénoncent des relations de plus en plus compliquées avec leur banque, au-delà de l’exclusion pure et simple, et une diminution du service bancaire de base de manière générale. De plus en plus souvent, des particuliers ou des associations se voient expulsés de leur banque, parfois sans même savoir pourquoi.

 

Monsieur le ministre, vos services sont-ils déjà informés d’une recrudescence de ce phénomène? Ne serait-il pas opportun d'organiser des états généraux du de-risking, réunissant les différents acteurs concernés (régulateurs, banques, entreprises et législateurs)? Enfin, entendez-vous proposer d’instaurer des mécanismes d'accompagnement pour les clients frappés, parfois sans véritable justification, par cette pratique afin de les aider à améliorer leur conformité et à réintégrer le circuit financier?

 

07.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le député, sachez que je partage tout à fait vos préoccupations sur le sujet. Garantir l'accès aux services bancaires et lutter contre le de-risking fait, du reste, partie de mes priorités depuis le début de mon mandat en tant que ministre de l'Économie.

 

Quant à savoir si mes services constatent une recrudescence du de-risking, ni la Banque nationale, qui supervise la loi anti-blanchiment, ni l'Inspection économique, qui supervise les services bancaires de base, ne disposent de données indiquant une recrudescence de ce phénomène. Cependant, ayant comme vous reçu de nombreux témoignages allant dans ce sens et issus de nombreux secteurs socioéconomiques, mais aussi de diplomates, voire d'expatriés, j'ai demandé, l'année dernière, à ces deux autorités d'accorder une attention particulière au de-risking, dans le cadre de leur contrôle et de prendre les mesures appropriées à l'encontre des banques qui recourent à ce phénomène.

 

En ce qui concerne le service bancaire de base et le de-risking dans le cadre des relations bancaires professionnelles, j'ai organisé en novembre 2025 une table ronde réunissant les régulateurs, les fédérations sectorielles et les banques – ce que vous appelez à bon escient des "états généraux". Ce terme est d'ailleurs plus indiqué que "table ronde". Une évaluation du service bancaire de base a ensuite été réalisée, ainsi qu'une consultation écrite des secteurs concernés.

 

Sur la base de ces résultats, je présenterai au Conseil des ministres, encore avant le mois de juillet, un projet de loi comportant des mesures ciblées, car des actions concrètes sont possibles à ce sujet.

 

En ce qui concerne les services bancaires de base et le de-risking dans le cadre des relations bancaires particulières, je tiens à vous informer que des travaux sont en cours au sein de l'Union européenne. L'Autorité européenne de lutte contre le blanchiment de capitaux (AMLA) et l'Autorité bancaire européenne (ABE) ont été chargées d'émettre d'ici 2027 des orientations sur la mise en œuvre de règles anti-blanchiment dans le cadre des services bancaires de base, y compris en ce qui concerne les relations d'affaires les plus touchées par ces pratiques. Il va sans dire que mes services suivent ces travaux de très près.

 

07.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je me réjouis de votre réponse et des actions que vous avez entreprises et que vous allez poursuivre.

 

Je pense que l'un n'empêche pas l'autre: on peut tout à fait, d'une part, souhaiter lutter contre le blanchiment d'argent et même renforcer le rôle des banques – pour me référer à une actualité récente, des anomalies se sont tout de même produites, puisque certaines banques réagissent assez lentement lorsque des dépôts de sommes en liquide sont effectués – et, d'autre part, constater que des particuliers, qui sont à mille lieues de telles pratiques et ne peuvent être soupçonnés de pratiques frauduleuses ni de blanchiment d'argent, se retrouvent soudainement privés d'un accès à leur banque avec laquelle ils travaillaient pourtant parfois depuis des années. Vous soulignez à juste titre que le phénomène touche tous les milieux: petits commerçants, diplomates, associations, etc. Le problème est manifeste.

 

Je me réjouis dès lors de découvrir votre projet de loi visant à assurer un service bancaire minimal et à encadrer suffisamment ce genre de pratiques – même si une banque doit rester libre au bout du compte – pour que les citoyens ne soient pas pris au dépourvu et démunis d'un accès bancaire minimal.

 

07.04  David Clarinval, ministre: Je sais que ce n'est pas la coutume, mais, si monsieur le député m'y autorise, je voudrais déjà lui dévoiler une partie des résultats de nos travaux, parce qu'ils vont dans son sens. Ce que j'ai pu constater en confrontant les parties impliquées – chacune se renvoyant en effet la patate chaude – c'est que certains se retranchaient derrière la législation sur l'anti-blanchiment pour faire du de-risking, et que d'autres s'en servaient parfois pour faire des économies.

 

Nous avions finalement une conjonction d'événements à la suite de laquelle des diplomates, des représentants de pays étrangers, parfois même présents en Belgique, des entrepreneurs à l'étranger, mais aussi des petits commerçants, des ASBL, des syndics d'immeubles, des diamantaires, des équipes de football et d'autres encore se trouvaient confrontés à cette situation.

 

Ce que vous dites est donc exact, et j'espère que nous pourrons aller plus loin dans les discussions lorsque je présenterai, dans quelques semaines, les propositions d'action en la matière.

 

07.05  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie tout simplement pour ce complément d'information.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56014799C de M. Matti Vandemaele est reportée. La question n° 56014806C de M. Achraf El Yakhloufi et la question n° 56014831C de Mme Els Van Hoof sont sans objet.

 

08 Question de Anthony Dufrane à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "BelExpo et l'Exposition universelle de Riyad 2030" (56014854C)

08 Vraag van Anthony Dufrane aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "BelExpo en de Wereldtentoonstelling van Riyad 2030" (56014854C)

 

08.01  Anthony Dufrane (MR): L'Exposition universelle de Riyad se tiendra du 1er octobre 2030 au 1er avril 2031. À moins de quatre ans de l'événement, la Belgique n'a toujours pas officiellement confirmé sa participation. Le cas échéant, c'est BelExpo, au sein du SPF Économie, qui organiserait la participation belge, tandis que la Régie des bâtiments assumerait le rôle de maître de l'ouvrage.

 

Cette structure permanente, créée après l'Expo 2015 de Milan pour rassembler l'État fédéral et l'ensemble des entités fédérées, soulève des questions quant à son fonctionnement actuel, ses moyens disponibles et la coordination nécessaire avec les différentes entités pour respecter les délais inhérents à une telle participation.

 

La Belgique a-t-elle officiellement notifié au Bureau international des expositions son intention de participer à l'Expo 2030 de Riyad? Si non, dans quel délai cette décision doit-elle être prise, et quels sont les obstacles politiques, diplomatiques ou budgétaires qui retardent cet engagement?

A) Quel est le budget annuel actuel de BelExpo et quelles réserves financières ont été constituées depuis la création de la structure en 2017?

b) Sur quelle base la clé de répartition entre l'État fédéral et les entités fédérées est-elle établie pour le financement d'une participation?

Comment BelExpo coordonne-t-il concrètement la concertation avec les entités fédérées impliquées et à quelle fréquence ces instances se réunissent-elles?

Compte tenu des délais de conception, d'appel d'offres et de construction d'un pavillon, quel est le calendrier prévisionnel des décisions à prendre en 2026 pour garantir une participation belge dans des conditions optimales, et la Régie des bâtiments a-t-elle déjà été associée aux réflexions préparatoires?

 

08.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le député, la Belgique ne doit pas notifier sa participation au Bureau International des Expositions mais elle doit répondre à l'invitation de l'Arabie saoudite. Aucune décision formelle n'a encore été prise à ce jour par le gouvernement. Celle-ci relève du gouvernement après concertation avec les entités fédérées. Veuillez noter que BelExpo ne dispose pas d'un budget structurel et fonctionne via les budgets des expositions. Des moyens sont encore disponibles en 2026 suite à l'exposition 2025 d'Osaka, mais aucun budget n'est prévu au-delà.

 

Concernant la clé de répartition, le financement est déterminé au cas par cas. Conformément à l'accord de coopération de 2017, une clé similaire est appliquée depuis 2020. La clé se compose de 6 % pour la Région bruxelloise, 9 % pour le gouvernement wallon, 9 % pour la Communauté française, 0,45 % pour la Communauté germanophone, 21 % pour le gouvernement flamand et 54,55 % pour le fédéral.

 

BelExpo intervient après décision de participation du gouvernement. La coordination s'effectue via un comité technique et un comité de gestion. Un comité stratégique, introduit pour l'exposition Osaka, a donné de bons résultats et pourrait être reconduit. Enfin, l'évaluation d'Osaka est en cours avec la Régie des Bâtiments. L'année 2026 est déterminante pour prendre des décisions stratégiques et lancer les premières procédures.

 

Monsieur le député, je me permets d'ajouter en plus du texte que les événements au Moyen-Orient font que le gouvernement ne s'est pas encore prononcé sur cette question.

 

08.03  Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse claire et complète. La situation a évidemment évolué depuis le dépôt de ma question en avril, comme vous le disiez, monsieur le ministre. Je vous remercie vraiment pour vos clarifications.

 

BelExpo ainsi que les expositions universelles en général sont une vitrine pour notre pays. Comme lors de missions diplomatiques, nos compétences et notre soft power sont mis en avant.

 

Je ne doute pas que vous continuerez à suivre ce dossier au gouvernement, au vu des répercussions pour notre économie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56014911C de M. Sandro Di Nunzio et la question n° 56015082C de Mme Nele Daenen sont sans objet.

 

09 Vraag van Francesca Van Belleghem aan Anneleen Van Bossuyt (Asiel, Migratie, Maatschappelijke Integratie, belast met Grootstedenbeleid) over "De studie van de bevolkingsgroei" (56015219C)

09 Question de Francesca Van Belleghem à Anneleen Van Bossuyt (Asile, Migration, Intégration sociale, chargée de la Politique des Grandes Villes) sur "L'étude de la croissance démographique" (56015219C)

 

09.01  Francesca Van Belleghem (VB): Mijnheer de minister, bij de start van de regering werd aangekondigd dat er een studie door de Nationale Bank van België, Statbel en het Federaal Planbureau zou komen naar realistische scenario's voor de bevolkingsgroei in de komende decennia en de rol die migratiestromen daarin spelen, alsmede de impact van die scenario's over alle beleidsdomeinen heen. Ik had mijn vraag initieel gericht aan de minister van Asiel en Migratie, maar de vraag is doorverwezen naar u.

 

Een jaar geleden stelde de minister van Asiel en Migratie dat ze reikhalzend naar die studie uitkeek. Een paar maanden geleden bleek dan dat die studie nog altijd niet was besteld. Dat is wel bijzonder opmerkelijk te noemen.

 

Mijnheer de minister, kregen voornoemde instanties intussen al formeel of officieel de opdracht om dat onderzoek te starten? Tegen wanneer mogen wij resultaat verwachten? Wat is de stand van zaken?

 

09.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Van Belleghem, al jaren stelt het Federaal Planbureau in samenwerking met Statbel jaarlijks bevolkingsvooruitzichten voor de lange termijn op. Vooruitzichten zijn onvermijdelijk gebaseerd op hypothesen. Voor de bevolkingsvooruitzichten worden hypothesen op het gebied van vruchtbaarheid, sterfte en internationale migratiesaldo opgesteld met behulp van wetenschappelijke werkgroepen bestaande uit academici en vertegenwoordigers van regionale instellingen. De meest recente vooruitzichten werden in februari 2026 gepubliceerd. Volgens die vooruitzichten zou België 13,1 miljoen inwoners tellen in 2080. Migratie ondersteunt de bevolkingsgroei, aangezien het migratiesaldo gedurende de gehele periode van de vooruitzichten ruimschoots positief blijft met een stabilisatie rond 36.000 personen vanaf de jaren 2030. Het natuurlijke saldo daarentegen, dat al sinds het begin van de jaren 2020 negatief is, blijft negatief als gevolg van de vergrijzing van de bevolking en de dalende trend van de geboorten. Dat natuurlijk tekort zal de komende decennia nog toenemen, wat erop wijst dat de toekomstige bevolkingsgroei voornamelijk het gevolg is van immigratie.

 

De bevolkingsvooruitzichten vormen in de eerste plaats een hulpinstrument voor de besluitvorming. Zij zijn er niet op gericht om de toekomst nauwkeurig te voorspellen, maar om een referentiekader te bieden op basis van beleid dat momenteel van kracht is. Ze worden dus regelmatig aangevuld met alternatieve scenario's om rekening te houden met onzekerheden die verband houden met de evolutie van de bevolking.

 

Die vooruitzichten dienen met name om de effecten van de vergrijzing op de sociale uitgaven, de arbeidsmarkt en de economische groei te evalueren. Volgens het laatste rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing, gepubliceerd in juli 2025, zouden de sociale uitgaven tussen nu en 2070 blijven stijgen, maar minder uitgesproken dan in de vorige vooruitzichten, met name dankzij de aangekondigde hervormingen.

 

09.03  Francesca Van Belleghem (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

De minister van Asiel en Migratie liet uitschijnen dat een nieuwe studie zou worden besteld, een echt volledig aparte studie over de bevolkingsgroei en de impact over de beleidsdomeinen heen.

 

Uw antwoord gaat veeleer over de bestaande meerjaarlijkse evaluaties die worden gemaakt. Ik zal een en ander dus opnieuw proberen uit te klaren bij de minister van Asiel en Migratie, met name over wat zij met haar antwoord bedoelde. Wij volgen het dossier dus verder op de voet op, dus misschien tot binnenkort.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56015470C de Mme Nahima Lanjri est sans objet.

 

10 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De impact van de Europese besluitvorming" (56015581C)

10 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'incidence du processus décisionnel européen" (56015581C)

 

10.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, in april zei de Europese Ombudsman dat er meer transparantie nodig is om het vertrouwen in het EU-beleid te behouden. De conclusie in het jaarrapport was dat het voor burgers en ondernemingen almaar moeilijker wordt om de Europese besluitvorming tijdig en volledig op te volgen. Men verwijst vooral naar de toegang tot bepaalde documenten en de transparantie. Dat zijn en blijven pijnpunten. Mijnheer de minister, wij zijn ook van mening dat dit essentieel om tot een goed functionerende interne markt te komen.

 

Mijnheer de minister, wat is volgens u de impact van een beperkte toegang tot Europese beleidsinformatie op de rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor onze ondernemingen? Hoe ziet u erop toe dat met versnelde Europese besluitvormingstrajecten de impact op die ondernemingen voldoende transparant is en blijft?

 

Vindt u de link tussen de Europese besluitvorming en het concurrentievermogen van onze economie voldoende duidelijk? Bent u van mening dat we samen met de deelstaten de informatieverstrekking over Europese besluitvorming moeten verbeteren, zodat onze burgers een beter zicht krijgen op de inhoud en de impact van Europese beleidskeuzes?

 

10.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, de vaststellingen van de Europese Ombudsvrouw onderstrepen het belang van een transparant en toegankelijk Europees besluitvormingsproces. Transparantie, toegang tot informatie en participatie zijn immers essentieel voor het democratische functioneren van de Europese Unie en dragen rechtstreeks bij tot de rechtszekerheid en het vertrouwen van burgers en ondernemingen.

 

De Europese constructie vormt een belangrijk economisch, politiek en sociaal voordeel voor België. Zij biedt ondernemingen toegang tot een ruime interne markt en tot regels die eerlijke concurrentie, innovatie en handelsverkeer bevorderen, evenals wederzijdse erkenning en geharmoniseerde normen. Voor de burgers waarborgt zij rechten, bescherming en een meer voorspelbare economische omgeving. De kwaliteit en de leesbaarheid van het Europese besluitvormingsproces zijn dan ook bepalend om die voordelen ten volle te benutten.

 

In antwoord op uw eerste vraag kan ik meegeven dat een beperkte of onvoldoende leesbare toegang tot informatie over het Europees beleid de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid kan aantasten die ondernemingen nodig hebben. Wanneer informatie onvolledig of laattijdig beschikbaar is, kunnen ondernemingen geconfronteerd worden met grotere onzekerheden en bijkomende aanpassingskosten.

 

Wat betreft uw tweede vraag, het gebruik van versnelde procedures kan in bepaalde contexten noodzakelijk zijn, met name om economische of geopolitieke redenen. Die procedures doen echter geen afbreuk aan de vereiste van transparantie. De Europese instellingen blijven gebruikmaken van de daartoe uitgewerkte instrumenten, zoals impactanalyses, de publicatie van wetgevingsdocumenten en de raadpleging van beleidsbelanghebbenden.

 

Op uw derde vraag kan ik antwoorden dat de samenhang tussen de besluitvorming op Europees niveau en het concurrentievermogen van de economie duidelijk en structureel is. Een aanzienlijk deel van de regels die het economisch handelen omkaderen, vloeit voort uit de Europese wetgeving, in het bijzonder op het vlak van de interne markt, de mededinging, de industrie, de energietransitie en de digitale transformatie.

 

De economische en concurrentiële gevolgen van Europese initiatieven worden systematisch geïntegreerd in het besluitvormingsproces, onder meer via effectenbeoordelingen.

 

Ten slotte, het is belangrijk dat onze burgers correct worden geïnformeerd over het Europese besluitvormingsproces. Er wordt een regelmatige dialoog onderhouden met het maatschappelijk middenveld voor de uitwerking van de Belgische standpunten via adviesorganen, zoals de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, of via rechtstreekse contacten met ngo's en sectorale en patronale federaties, evenals met representatieve ondernemingsorganisaties, onder meer in het kader van strategische werkzaamheden zoals MAKE2025-2030. Deze uitwisselingen dragen bij aan een betere kennis van de economische realiteit en aan een duidelijkere verspreiding van informatie over het Europese beleidskader.

 

10.03  Reccino Van Lommel (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik vind dat we in het algemeen veel te snel voorbijgaan aan de impact die Europese regelgeving heeft. Of het nu gaat om de bedrijven of de burgers, het is een fenomeen dat onderschat wordt, temeer daar de Europese regelgeving vaak een ver-van-mijn-bedshow is voor velen.

 

We zien ook dat de EU een machine van richtlijnen en verordeningen blijft. Het is ongelooflijk welke hoeveelheid aan Europese regelgeving er elk jaar geproduceerd wordt. Volg maar als bedrijf, als burger. Probeer maar eraan uit te kunnen. Het is gewoonweg niet eenvoudig.

 

Dat maakt dat ondernemen niet alleen moeilijk is in ons land maar in de Europese Unie in het algemeen. Voor kleine bedrijven is dat vaak een moeilijkheid. Die proberen er dan het beste van te maken, maar voor grote ondernemingen is het eenvoudiger. We zien welke beweging die maken: ze verlaten gewoon stelselmatig de Europese Unie, met alle gevolgen van dien.

 

Ik vind echt wel dat we te snel voorbijgaan aan die impact. Ik meen dat wat de EU-ombudsman heeft gesteld effectief wel een probleem is. U hebt daarnet in uw antwoord veel gezegd, maar eigenlijk hebt u niets gezegd. Ik blijf daar toch bezorgd over, mijnheer de minister. Het is een fenomeen dat op ons afkomt als een soort sneeuwbal. Er komen altijd maar meer en meer regels. Men verwacht van iedereen dat hij zich aanpast. Ik vrees dat het helaas zo niet werkt in de praktijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het recht op cash" (56015627C)

11 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le droit à l’argent liquide" (56015627C)

 

11.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de voorzitter, de problematiek van de bankautomaten en vooral de toegang tot cash in ons land is iets waar al veel over is gezegd en dat velen tot op vandaag blijft beroeren. Ik herinner aan het Batopin-akkoord dat in 2023 werd gesloten en waaromtrent heel wat te doen is geweest. We stelden toen vast dat bepaalde afspraken niet werden nagekomen. Dat is uiteindelijk bijgesteld. Toch zien we dat de engagementen die toen zijn genomen, niet volstaan. Deze regering stelde op een bepaald moment dat er nieuwe federale plannen zouden komen. Die zijn ook aangekondigd. Het wettelijk verankeren van het recht op cash in de wetgeving zou een van de opties zijn.

 

Mijnheer de minister, is het de bedoeling van die plannen om de bestaande engagementen om te zetten in bindende wettelijke verplichtingen? Als dat zou gebeuren, over welke normen spreken we dan precies? Welke punten binnen het huidige afsprakenkader zijn onvoldoende? Zijn er eventueel ondertussen ook nieuwe elementen ontstaan?

 

Is een heronderhandeling van het protocolakkoord noodzakelijk of niet?

 

Welke maatregelen overweegt u om het recht op cash te verankeren? Hoe zullen de kosten van die maatregelen worden verrekend? Zijn daarover afspraken gemaakt?

 

Kunt u ook garanderen dat het netwerk van geldautomaten voldoende robuust is en zal zijn in noodsituaties, zoals stroompannes, cyberincidenten of storingen in het elektronische betalingsverkeer, zodat de toegang tot cash effectief kan worden verzekerd?

 

Wordt in de evaluatie van het akkoord ook rekening gehouden met dergelijke crisisscenario's en met de nood aan fysieke toegang tot cash?

 

11.02 Minister David Clarinval: Op mijn initiatief werd een uitgebreide evaluatie van het ATM-protocol uit 2023 uitgevoerd. Dat heeft de beschikbaarheid en bereikbaarheid van cashgeld in een bredere context geplaatst. Uit die evaluatie blijkt dat de banken hun engagementen onder het ATM-protocol grotendeels hebben nageleefd en tot 2027 zullen blijven naleven. Tegen 2027 zullen er in België meer geldautomaten zijn dan bepaald in het ATM-protocol, inclusief geldautomaten met stortingsfunctie. Er zal tegen 2027 minstens één geldautomaat beschikbaar zijn in elke gemeente en de nationale dekkingsgraad zal beter zijn dan in 2021.

 

Niettemin is een beperkte bijkomende inspanning nodig om alle kwantitatieve vereisten van het ATM-protocol volledig te realiseren. De Nationale Bank van België raamt die inspanning op zeven bijkomende ATM-locaties in Vlaanderen en Wallonië en 33 bijkomende geldautomaten in Brussel, bovenop de al voorziene installaties tot eind 2027.

 

De conclusie van het evaluatierapport is dus niet zozeer dat er bijkomende kwantitatieve engagementen nodig zijn, maar wel dat er een consolidatie moet komen van de gerealiseerde en geplande verbeteringen, zodat de toegang tot cash gewaarborgd kan blijven, ook na 2027. Om dat te bereiken zal het huidige vrijwillige ATM-protocol vanaf 2027 door een bindend akkoord worden vervangen. Dat zal een wettelijke basis hebben in het Wetboek van economisch recht en onder toezicht van de Economische Inspectie staan.

 

Dat bindend akkoord zal eveneens concrete engagementen bevatten met betrekking tot de fysieke toegankelijkheid, de werking, de netheid en de veiligheid van de ATM-sites, evenals de telefonische bereikbaarheid van de operatoren tijdens de openingsuren van de ATM's in het geval van een technische storing. De wettelijke basis voor het bindend akkoord zal nog voor de zomervakantie aan de regering worden voorgelegd.

 

11.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, het is goed dat er een evaluatie is uitgevoerd. We weten dat het protocolakkoord loopt tot 2027, maar ik begrijp uit uw antwoord dat er een wettelijke basis zal komen. Dat is een engagement dat u aangaat. U zult tegen de zomer samen met de regering een en ander bekijken. Ik denk dat het absoluut een goede zaak is dat dit gebeurt.

 

Dat er meer automaten zijn dan voorzien, is uiteraard positief, maar ik wil daarbij wel meegeven dat de stortingsmogelijkheden vandaag een probleem blijven, zoals u zelf ook hebt aangehaald. Ik geef een voorbeeld in mijn eigen stad Turnhout. Daar zijn er op drie locaties cashpunten van Batopin, maar slechts op één van de drie locaties is het mogelijk om stortingen te doen. Dat is eigenlijk niet voldoende. Er zijn heel veel handelaars die aan het einde van de dag of van de week hun geld willen storten. Het kan niet de bedoeling zijn dat zij op zoek moeten gaan naar een locatie waar dat mogelijk is en dat zij, wanneer er een technisch probleem optreedt, naar een andere locatie moeten gaan. Ik wil dat aandachtspunt graag meegeven, mijnheer de minister, zodat daar voldoende aandacht voor is in de verdere onderhandelingen en besprekingen, want dat is daadwerkelijk een probleem.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les subsides fédéraux accordés à l’ASBL Belplant" (56015638C)

12 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De federale subsidies voor de vzw Belplant" (56015638C)

 

12.01  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, une enquête du magazine Imagine Demain le monde révélait que l'ASBL Belplant, représentante de l'industrie des pesticides, avait bénéficié, entre 2016 et 2024, de plus de 866 000 euros de subsides fédéraux dans le cadre du programme One Health, y compris, semble-t-il, pour un call center.

 

Comme l'a communiqué ma collègue du Parlement de Wallonie, la députée Valérie Dejardin, en date du 21 avril dernier, ce concept d'une seule santé est évidemment fondamental et largement soutenu par la communauté scientifique. Toutefois, ces révélations interrogent quant au risque d'instrumentalisation de ce concept par certains acteurs industriels.

 

Le ministre wallon de la Santé Yves Coppieters dit être – et je le cite pour ne pas travestir ses propos – "tombé de sa chaise relativement à la puissance de certains lobbys, mais aussi à des financements publics à des structures qui n'ont pas d'intérêt en matière de protection de l'environnement et encore moins de la santé publique". Le ministre Coppieters me renvoie par ailleurs vers vous pour, je le cite encore, "essayer de comprendre l'origine et les raisons pour lesquelles ce financement a perduré dans le temps".

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous tout d'abord me confirmer que des subsides fédéraux ont bien été accordés à l'ASBL Belplant entre 2016 et 2024? D'autres subsides fédéraux ont-ils été accordés en deçà ou au-delà de cette période, soit avant 2016 soit après 2024? Pourriez-vous nous communiquer le montant total reçu par l'ASBL Belplant de la part des autorités publiques? Pourquoi ce montant a-t-il été accordé et à quelles fins? Confirmez-vous que l'une des finalités de ce financement consistait à soutenir, en partie ou en totalité, un call center? Enfin, comment justifiez-vous que les autorités publiques puissent accorder des subsides fédéraux à un acteur industriel? Au moins une autre ASBL représentante de l'industrie des pesticides a-t-elle bénéficié de subsides fédéraux similaires à ceux octroyés à Belplant durant la même période?

 

12.02  David Clarinval, ministre: Ma réponse sera très brève, monsieur le président.

 

Le SPF Economie, PME, Classes moyennes et Énergie n’a pas alloué de subventions à l’ASBL Belplant. Quant au programme One Health, il relève de la compétence du vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé, M. Vandenbroucke. Je vous invite donc à lui adresser vos questions.

 

S’agissant de la déclaration de M. Coppieters, ce n’est pas la première fois qu’il "tombe de sa chaise". Je constate qu’il doit avoir un problème avec son menuisier.

 

12.03  Patrick Prévot (PS): Je vous remercie, monsieur le ministre, non pas uniquement pour le bon mot de la fin de votre réponse, mais aussi pour l’aiguillage correct que vous me suggérez. En effet, puisqu’il était question de subsides, il fallait commencer par identifier la compétence et le ministre concernés.

 

J’ai donc commencé par vous et je vous remercie de m’avoir orienté correctement. Cela m’évitera, en tout cas, de devoir faire le tour de vos collègues. Une question similaire sera évidemment adressée à votre collègue, le ministre Vandenbroucke.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les négociations concernant le UN Binding Treaty" (56015700C)

13 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De onderhandelingen over het UN Binding Treaty" (56015700C)

 

13.01  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, depuis plusieurs années, des négociations sont en cours au sein des Nations unies en vue de l'adoption d'un traité international juridiquement contraignant sur les entreprises et les droits humains (UN Binding Treaty – LBI). Ce traité vise à renforcer l'accès à la justice pour les victimes de violations des droits humains liées aux activités des entreprises transnationales, ainsi qu'à établir des règles internationales plus cohérentes en matière de prévention, de responsabilité, de réparation et d'accès à la justice pour les victimes.

 

Selon plusieurs informations récentes issues des discussions d'intersessions menées à Genève, la dynamique autour de ce processus semble s'accélérer. Une nouvelle consultation sur le préambule, l'article 1 ainsi que sur les suites du processus est prévue les 28 et 29 mai 2026, tandis que la 12e session de négociation se tiendra du 19 au 23 octobre 2026. Il apparaît également qu'un nouveau projet de texte ne serait élaboré qu'à l'issue de cette session.

 

Dans ce contexte, il ne fait pour nous aucun doute que l'Union européenne et ses États membres se doivent de participer pleinement et officiellement aux négociations. Or, à ce stade, l'Union européenne n'a toujours pas adopté de mandat formel de négociation.

 

La Belgique s'est régulièrement positionnée comme un "like-minded State" vis-à-vis de ce processus, affirmant sa volonté de jouer un rôle actif et constructif en faveur de l'élaboration de ce traité. Un tel instrument pourrait contribuer à établir des règles du jeu équitables au niveau mondial, renforcer l'acquis européen, notamment la directive sur le devoir de vigilance des entreprises (CSDDD) et éviter une fragmentation des normes internationales en matière de droits humains, d'environnement et de climat.

 

L'absence persistante d'un mandat européen apparaît d'autant plus difficile à comprendre lorsqu'on observe quotidiennement la volonté affichée par l'Union européenne de développer des partenariats internationaux durables et mutuellement bénéfiques dans le cadre de ses politiques commerciales, industrielles et d'approvisionnement stratégique.

 

Dans ce contexte, pouvez-vous préciser:

 

Quelles démarches concrètes la Belgique a entreprises ou compte entreprendre, au niveau européen, afin que l'Union européenne se dote enfin d'un mandat formel de négociation dans le cadre du UN Binding Treaty;

 

Quels sont, selon le gouvernement belge, les principaux blocages ou réticences qui empêchent encore l'adoption d'un tel mandat par l'Union européenne?

 

13.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, je pense que M. Prévot va me trouver très désagréable parce que mes réponses sont très courtes. Le programme des Nations Unies pour l'élaboration d'un traité contraignant sur les entreprises et les droits de l'homme est suivi par mon excellent collègue le ministre des Affaires étrangères. Je le renvoie donc vers M. Prévot.

 

13.03  Patrick Prévot (PS): J'ai l'impression d'être en commission Mobilité, tant je suis mal aiguillé sur mes deux questions. Une question identique sera donc posée à mon homonyme, M. Prévot.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56015743C de M. Michael Freilich est sans objet. Les question n° 56015885C et n° 56015886C de Mme Sophie Thémont sont reportées.

 

14 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het competitiviteitsdashboard" (56015895C)

14 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le tableau de bord de la compétitivité" (56015895C)

 

14.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, aangezien ik enorm veel belang hecht aan competitiviteit, heb ik een vraag over de lancering van de Belgian competitiveness dashboard door de FOD Economie. Dat moet een diagnose maken van onze economische positie en concurrentievermogen op basis van acht verschillende dimensies. Er wordt onder meer een vergelijking gemaakt van België met de buurlanden op het vlak van loonkosten, innovatie, energie, arbeidsmarkt en digitalisering.

 

Volgens de analyses van onder meer het Federaal Planbureau en de Europese Commissie kampt ons land met een aantal structurele problemen, zoals stijgende loonkosten, verlies aan exportmarktaandeel, hoge energieprijzen en oplopende overheidsschulden. Dat laatste is wel een understatement.

 

Hoe verklaart u dat België volgens de verschillende internationale analyses achterop blijft hinken inzake productiviteitsgroei? Er is zelfs geen sprake van groei, maar van stagnatie. Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de kloof te dichten? In welke mate houdt het dashbord rekening met de negatieve impact van de Europese klimaat- en energieregels op de competitiviteit van onze industrie, in het bijzonder van onze energie-intensieve ondernemingen?

 

Vindt u het voldoende dat het dashbord enkel vergelijkt met de buurlanden, terwijl volgens mij de concurrentie van lageloonlanden en niet-Europese economieën, zoals China, steeds zwaarder wegen op onze exportpositie? Was dat dus wel een verstandige keuze? Met welke maatregelen zult u de structurele handicap van de zwakke kostencompetitiviteit inzake lonen en energieprijzen wegwerken?

 

Tot slot, wordt er in het dashbord voldoende aandacht besteed aan de hoge fiscale druk op het investeringsklimaat? Ik kijk graag uit naar uw antwoord.

 

14.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, M. Van Lommel pose souvent plusieurs sous-questions. Il en résulte malheureusement des réponses assez longues.

 

Wat uw eerste vraag betreft, mijnheer Van Lommel, zowel de Belgian Competitiveness Overview als het jongste rapport van de Nationale Raad voor de Productiviteit toont aan dat de productiviteitsdynamiek in België de jongste tijd beter was dan in de buurlanden.

 

De afname van de productiviteitsgroei is overigens al meer dan twintig jaar waarneembaar in alle ontwikkelde economieën. Onder de factoren die specifiek zijn voor België, kunnen we in ieder geval de verminderde rol van de verwerkende industrie en de afname van de bijdrage van de totale factorproductiviteit aan de groei noemen. Die laatste component heeft een invloed op de meting van innovatie en de efficiëntie van het gebruik van productiemiddelen. Het concretiseren van de innovatie-inspanningen is dus essentieel om de dynamiek van de productiviteitsgroei in België te versterken.

 

Wat de tweede vraag betreft, de Belgian Competitiveness Overview onderstreept de hoge energie-intensiteit en de hoge uitstoot van broeikasgassen in sommige Belgische industriële sectoren. De regeldruk voor ondernemingen wordt eveneens in aanmerking genomen, zonder dat daarbij onderscheid tussen klimaat- en energieregelgeving en andere regelgeving wordt gemaakt. Hoewel de klimaat- en energietransitie op korte termijn kosten met zich meebrengt, blijven verbeteringen inzake energie-efficiëntie en decarbonisatie essentieel om de weerbaarheid van de Belgische economie te versterken en de impact van externe schokken te beperken.

 

Wat de derde vraag betreft, de keuze om België te vergelijken met Duitsland, Frankrijk en Nederland is ingegeven door het feit dat die landen onze belangrijkste handelspartners zijn en vergelijkbare economische structuren hebben. Die benadering sluit aan bij het traditionele kader voor de monitoring van het Belgische concurrentievermogen. De regering is zich er echter van bewust dat de internationale concurrentie tegenwoordig verder reikt dan alleen de buurlanden. Opkomende economieën en bepaalde landen met lage productiekosten oefenen een toenemende druk uit op onze industrie en export. Het belangrijkste doel van het dashbord is echter het volgen van de interne structurele determinanten van het Belgische concurrentievermogen.

 

Indicatoren met betrekking tot productiviteit, innovatie, energie en digitalisering maken het al mogelijk om ons vermogen om die wereldwijde concurrentie het hoofd te bieden, indirect te beoordelen.

 

Wat uw vierde vraag betreft, de regering neemt nu al concrete maatregelen om de energie- en loonkosten binnen de perken te houden. Om het concurrentievermogen op het vlak van energiekosten te versterken, stelt de regering een energienorm voor die de elektriciteitsprijs voor energie-intensieve bedrijven moet beperken, in ruil voor onder meer investeringen, efficiëntieverbeteringen en het koolstofarm maken van hun productie. We streven bovendien naar een verbetering van de energie-infrastructuur, terwijl we de kosten ervan voor bedrijven en burgers verlagen.

 

Wat uw laatste vraag betreft, de fiscaliteit beïnvloedt de economische aantrekkelijkheid en investeringen. Volgens de EY Attractiveness Survey 2025 was België in 2024 het achtste meest aantrekkelijke land van Europa, ondanks de risico's op het vlak van politieke instabiliteit, macro-economische omstandigheden en bevoorradingskosten. Het dashbord behandelt die uitdagingen rechtstreeks via economische indicatoren en competitiviteitsindicatoren.

 

14.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, over de vergelijking met de buurlanden valt natuurlijk veel te zeggen. U zegt dat het een heel bewuste keuze is geweest om alleen met de buurlanden te vergelijken. Het is nochtans goed om over de muur te kijken en te zien hoe het daar is gesteld. De bedreiging voor de competitiviteit van onze bedrijven en de toekomst van onze economie komt vandaag niet van de buurlanden, maar van landen uit andere werelddelen en uit andere continenten. Het gaat er bijgevolg om de volledige scope in een studie op te nemen. Ik verwijs naar de loonkosten, die in China zeer laag zijn, of nog naar de stand van zaken met betrekking tot technologische ontwikkelingen, waarin sommige landen een voorsprong hebben ten opzichte van Vlaanderen, België en Europa. Net dankzij technologische voorsprong, wat onze sterkte was, konden wij tot voor kort de competitiviteit hier op peil te houden, maar nu zijn we wat dat betreft terrein aan het verliezen.

 

U verwijst naar de decarbonisatie en het belang daarvan. Dat is allemaal goed en wel, mijnheer de minister, maar het is weer hetzelfde verhaal: probeer niet heiliger te zijn dan de paus. Ga ook niet te snel. Door te snel te willen decarboniseren, dreigt onze competitiviteit verder te worden aangetast. Vandaag zijn er immers nog niet zoveel alternatieven. Als er moet worden gedecarboniseerd, heb dan ook vertrouwen in de technologie en in de industrie die dat mogelijk moeten maken. Rome is niet in één dag gebouwd.

 

U zegt dat we op het vlak van de fiscale druk op het investeringsklimaat het achtste meest aantrekkelijke land zijn. Ik wil dat best geloven. We zijn echter ook het land met de hoogste belastingdruk. Als we het hebben over competitiviteit, moeten we ook durven te kijken niet alleen naar de lasten op arbeid, dus belastingen, maar ook naar de lasten op ondernemen. Ook daarin zijn we nog altijd kampioen. De belastingdruk blijft zeer hoog en op dat vlak moet er nog bizjonder veel gebeuren.

 

Tot slot, de productiviteit stagneert. We zullen daar wellicht ooit een inhaalbeweging maken met behulp van AI. Staar u daar echter niet blind op. AI is overal ter wereld in ontwikkeling. Ik vrees dat we waakzaam moeten zijn om de boot niet te missen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De voedselprijzen" (56015897C)

15 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les prix des denrées alimentaires" (56015897C)

 

15.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, met betrekking tot de voedselprijzen verwijs ik graag naar de analyse van de Britse Energy and Climate Intelligence Unit. Die stelt dat de voedselprijzen in het Verenigd Koninkrijk tegen eind dit jaar, vergeleken met de koopkrachtcrisis in 2021, tot 50 % hoger kunnen liggen. Als oorzaken worden een samenloop van hoge energieprijzen, internationale bevoorradingsproblemen, kunstmestkosten en weersomstandigheden aangehaald. Dat lijken mij allemaal risicofactoren die ook op België van toepassing kunnen zijn. Als die instelling die analyse maakt, zou een en ander later ook in ons eigen land gevolgen kunnen hebben. Vooral basisproducten zoals pasta, diepvriesgroenten, eieren, chocolade, rundvlees en olijfolie zouden sterk in prijs stijgen. De betaalbaarheid van voedingsproducten is belangrijk en moet daarom nauwlettend in het oog worden gehouden. Als bevoegd minister hebt u ongetwijfeld aandacht gehad voor die studie uit het Verenigd Koninkrijk.

 

Welke lessen trekt u uit die studie? Beschikt u over een risicoanalyse van de mogelijke impact van internationale voedselprijsstijgingen, specifiek op de Belgische markt? Bent u van mening dat België voldoende weerbaar is tegen internationale prijsschokken, meer bepaald op het vlak van de voedselvoorziening? Met welke structurele maatregelen wordt onze afhankelijkheid van buitenlandse productie en import beperkt?

 

Hebt u ook scenario’s uitgewerkt over de mogelijke economische gevolgen van een nieuwe voedselprijsschok voor de competitiviteit van onze bedrijven en de koopkracht van de gezinnen? Welke basisproducten zijn volgens u het kwetsbaarst voor nieuwe prijsstijgingen? Welke maatregelen zult u nemen om de betaalbaarheid van basisvoeding te verzekeren? Welke impact verwacht u dat dergelijke stijgingen van de voedselprijzen zullen hebben op de algemene inflatie in België, niet alleen dit jaar, maar ook in 2027?

 

15.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, ten eerste, de factoren die aan de oorsprong liggen van de stijging van de voedselprijzen, namelijk hoge kosten voor energie en meststoffen, verstoring van de toeleveringsketens en extreme klimaatomstandigheden, treffen heel Europa, inclusief België. Tussen het eerste kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2026 zijn de consumentenprijzen van levensmiddelen in België met 32 % gestegen.

 

Ten tweede, België beschikt over een performant agrovoedingssysteem met een productieoverschot in bepaalde sectoren, met name voor producten op basis van vlees en aardappelen. Dat draagt bij aan de bevoorradingszekerheid.

 

België blijft voor bepaalde grondstoffen en essentiële productiemiddelen evenwel afhankelijk van import, zoals energie, kunstmest, cacao, koffie en bepaalde graansoorten. De weerbaarheid van ons land wordt versterkt door het Europese kader via initiatieven die erop zijn gericht de afhankelijkheid van de import van meststoffen te verminderen, bevoorradingsrisico's op te volgen en de coördinatie tussen de lidstaten te verbeteren.

 

Die maatregelen dragen bij aan een grotere weerbaarheid van de voedselketen, ook al maken zij het niet mogelijk om de gevolgen van schommelingen op de wereldmarkten volledig weg te nemen.

 

Ten derde, mijn administratie volgt de prijsevolutie in de agrovoedingssector nauwgezet op. Het Prijzenobservatorium publiceert onder meer twee periodieke prijsverslagen die de evolutie van de consumentenprijzen en hun determinanten analyseren, evenals een specifieke studie over prijstransmissie en marges in de agrovoedingsketen. Die werkzaamheden laten toe om de doorwerking van kostenstijgingen in de verschillende schakels van de keten beter in te schatten en op te volgen.

 

Ten vierde, door de stijging van de energie- en kunstmestprijzen, evenals door de gevolgen van de klimaatverandering, kunnen de voedselprijzen toenemen. Om die kwetsbaarheid te beperken, is het van essentieel belang om de Europese kunstmestindustrie te versterken door de productie van strategische productiemiddelen, de toegang tot betaalbare energie en de ondersteuning van industriële innovatie.

 

De Europese Commissie heeft op 19 mei een actieplan voor meststoffen gepubliceerd. Dat initiatief is welkom, maar bijkomende maatregelen zullen nodig zijn om de Europese strategische autonomie te versterken, om de eigen productie te ondersteunen, om de circulariteit van nutriënten te bevorderen en om de competitiviteit van de Europese industrie te vrijwaren, die wordt geconfronteerd met stijgende energiekosten en concurrentie van producenten van buiten de EU.

 

Wat uw laatste vraag betreft, graanproducten, vlees- en zuivelproducten dragen in sterke mate bij aan de voedselinflatie. Volgens de vooruitzichten van het Federaal Planbureau van mei 2026 zou de inflatie 3,5 % bedragen in 2026 en 3 % in 2027, voornamelijk onder invloed van de energie-inflatie, eerder dan van de voedselinflatie.

 

15.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Een prijsverhoging van 32 % op vijf jaar tijd is bijzonder veel. Dat betekent dat er zo maar even een derde is bijgekomen. Dat is niet de 50 % die men voorspelt in het Verenigd Koninkrijk, maar het is en blijft gigantisch dat de verwachting is dat de inflatie dit jaar 3,6 % en volgend jaar 3 % zou bedragen. Dat is bovengemiddeld en nog altijd heel hoog.

 

Ik denk dat we absoluut moeten vermijden om opnieuw in een golf van inflatie terecht te komen. Voedselprijzen zijn immers essentieel voor iedereen. Elke inwoner van ons land wordt daarmee geconfronteerd. Iedereen moet naar de winkel gaan, ongeacht het inkomen of de koopkracht waarover men beschikt. Dat is een basisbehoefte.

 

Net daarom is het zo belangrijk en essentieel dat we de voedselzekerheid zo veel mogelijk in eigen handen houden en zorgen voor een sterke agro-industrie. Jaag die dus alstublieft niet weg. We hebben die nodig. Zorg voor een ander beleid. Als ik kijk naar de verschillende politieke beslissingen die in het verleden in dit land zijn genomen, dan lijkt het mij dat voedselzekerheid van ondergeschikt belang is geweest. Wees vooral niet afhankelijk van import, want dat zal de situatie alleen maar verergeren.

 

Opnieuw verwijst u naar een Europees kader. Het is altijd gemakkelijk om te verwijzen naar een Europees kader, om te zeggen dat Europa aan een aantal oplossingen werkt. Ik vraag mij dan altijd af wat u zelf doet. U verwijst naar een actieplan voor meststoffen. Ik merk in het algemeen dat u bijzonder veel aankondigt en zegt dat u zaken bestudeert, maar wanneer het er echt op aankomt, zie ik nooit concrete uitgewerkte maatregelen. Ik vrees dat, als dit zo blijft doorgaan, uw palmares op het einde van de legislatuur bijzonder klein zal zijn en blijven. Wanneer komt u eindelijk met resultaten en concrete maatregelen? Intenties hebben is leuk in de politiek, maar resultaten boeken is veel belangrijker.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het strategisch plan 2026-2029" (56015898C)

16 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le plan stratégique 2026-2029" (56015898C)

 

16.01  Reccino Van Lommel (VB): Het strategisch plan 2026-2029 van de FOD Economie bevat een aantal ambitieuze doelstellingen, onder meer inzake concurrentievermogen, strategische autonomie en consumentenbescherming. Er wordt ook duidelijk aangegeven dat er beter zou moeten worden ingespeeld op economische crisissen en internationale afhankelijkheden. Daarbij blijkt er aandacht te zijn voor de noodzaak van een vereenvoudiging van de regelgeving, maar ook voor een betere ondersteuning van onze economie in een competitieve internationale context.

 

Mijnheer de minister, met welke maatregelen zult u de ambities uit dat strategisch plan realiseren. Welke kerntaken krijgen daarbij prioriteit?

 

Ik hoop dat u meer zult zeggen dan “we denken” of “we zouden dat kunnen doen”. Volgende keer dat u zegt dat u dit of dat zult doen, kunt u daar misschien ook een timing aan koppelen. Dat maakt het voor ons als parlementsleden eenvoudiger om na te gaan of het effectief zal gebeuren.

 

Op basis van welke KPI's zal worden geëvalueerd of dit strategisch plan daadwerkelijk zal leiden tot een sterker concurrentievermogen van onze ondernemingen?

 

Hoe zult u vermijden dat Europese regelgeving en bijkomende rapporteringsverplichtingen de competitiviteit van onze ondernemingen verder onder druk zetten?

 

Welke rol ziet u voor de FOD Economie in het versterken van de strategische autonomie?

 

Wanneer zult u het Parlement tussentijds informeren over de uitvoering van de doelstellingen van dit strategisch plan, dat goede intenties heeft? Ik ga ervan uit dat er ook voldoende aan ons gerapporteerd zal worden?

 

16.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, wat uw eerste vraag betreft, door de FOD Economie werden in samenspraak met de bevoegde minister vijf strategische doelstellingen bepaald voor deze legislatuur, met name sterke strategische sectoren, technologische en digitale vooruitgang, vertrouwen en transparantie, een sterker geïntegreerde interne markt en een performante, betrouwbare en veilige overheidsorganisatie.

 

De uitvoering van een strategisch plan gebeurt via jaarlijkse operationele plannen, waarin de strategische doelstellingen concreet worden vertaald naar acties en projecten. Elk jaarlijks operationeel plan wordt opgesteld op basis van de beleidsnota en vertaalt dus mijn politieke prioriteiten.

 

Wat uw tweede vraag betreft, het operationeel plan van de FOD Economie bevat een 200-tal KPI's en ongeveer 100 projecten van diverse reikwijdte. Wat het concurrentievermogen betreft, zet ik in op studies en analyses om te weten welke strategische sectoren en ecosystemen onder druk staan, zodat we op die manier gepaste acties kunnen ondernemen. De uitvoering van de actieplannen van MAKE2025-2030 is daarbij cruciaal, maar er zijn ook andere concrete maatregelen, zoals de uitvoering van de screening van buitenlandse directe investeringen en de implementatie van de Critical Raw Materials Act.

 

Wat de derde vraag over de impact van Europese regelgeving betreft, er wordt ingezet op drie sporen. Ten eerste is er de proactieve beïnvloeding van Europese regelgeving, zodat de competitiviteit van bij de start wordt meegenomen. Ten tweede is er een doordachte nationale omzetting, waarbij men gold-plating vermijdt. Ten derde wordt ingezet op administratieve vereenvoudiging, onder meer via digitalisering en het principe only once voor gegevensuitwisseling.

 

Wat betreft uw vierde vraag, de FOD Economie speelt een belangrijke rol in het verzekeren van de energiebevoorrading en het versterken van industriële en strategische waardeketens, onder meer door monitoring, analyse en beleidsadvies. De FOD Economie levert via economische studies en vooruitzichten cruciale input om gericht te kunnen ingrijpen.

 

Tot slot, er is een gezamenlijke opvolging van de operationele plannen voorzien door de FOD Economie en mijn beleidscel. Over de KPI’s en projecten wordt er op kwartaalbasis gerapporteerd. Het Parlement kan de uitvoering hiervan opvolgen via de jaarlijkse activiteitenverslagen van de FOD Economie.

 

16.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, er is een jaarlijks operationeel plan waar dan acties uit voortvloeien, maar ik stel opnieuw vast dat u verwijst naar studies en monitoring. Zowat in elke vraag die ik stel, hebt u het daarover, ongeacht het onderwerp. Hier mis ik opnieuw een aantal heel concrete acties van uw kant. U zegt telkens opnieuw dat we gold-plating zullen vermijden, maar in de praktijk zie ik daar niet zo heel veel van.

 

U zei dat we het jaarlijkse activiteitenverslag kunnen opvragen om te zien wat er is gebeurd, maar het is wel heel vaak op basis van een activiteitenverslag en aanbevelingen dat ik vragen stel. Ik heb het gevoel dat we in een cirkel aan het draaien zijn en dat ik op vrijwel al mijn vragen een onduidelijk antwoord krijg.

 

Zo werkt het niet. Ik wil meer resultaten van u zien, mijnheer de minister. Als u nu eens zou beginnen met concrete, meetbare zaken te zeggen over wat u zult doen en tegen wanneer, dan zou het voor ons al een pak gemakkelijker zijn. Misschien hebt u dat zelf ook nodig, hebt u deadlines nodig om bepaalde zaken gerealiseerd te krijgen. Als ik uw antwoorden bekijk op de vele vragen die ik u deze legislatuur al heb gesteld in deze commissie, dan is uw palmares op het einde van de rit toch bijzonder klein. Laten we hopen dat we naar iets meer concreets kunnen gaan, want zoals het nu is, met de antwoorden die ik nu krijg, is het toch bijzonder mager.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 56015902C de M. Van Lommel est traitée par écrit.

 

17 Vraag van Steven Coenegrachts aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De tarieven van Unisono bij carnavals- en folkloristische stoeten" (56015962C)

17 Question de Steven Coenegrachts à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les tarifs d'Unisono pour les cortèges carnavalesques et folkloriques" (56015962C)

 

17.01  Steven Coenegrachts (Anders.): Mijnheer de minister, ik stelde u enkele maanden geleden al een vraag met betrekking tot de klachten van de folkloristische stoeten over de tarieven voor het afspelen van muziek. Het gaat dan over die stoeten die we in de winter zien met mooi verlichte tractoren, maar ook over carnavalstoeten, die daar eveneens onder vallen. U zei dat de Boerenbond en Unisono daarover een akkoord hebben gesloten en dat dit niet alleen voor de Boerenbond zou gelden, maar breder zou worden toegepast.

 

Ik hoor op het terrein dat niet iedereen daarvan evenveel merkt, zeker niet in de carnavalswereld. Daar kijkt men nog steeds met wat schrik naar de tarieven voor het afspelen van muziek.

 

Ik kom dus bij u terug met de vaststelling dat er op het terrein nog onduidelijkheden bestaan en met de vraag wat u kunt ondernemen om samen met Unisono de communicatie te verbeteren ten aanzien van organisatoren van dergelijke stoeten toe die we allebei, daarvan ben ik overtuigd, zeer belangrijk vinden.

 

17.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Coenegrachts, de tarieven worden vastgesteld door de beheersvennootschappen Sabam, PlayRight en SIMIM. Organisatoren van openbare evenementen kunnen die via het centrale platform Unisono betalen. Die tarieven moeten gebaseerd zijn op objectieve en niet-discriminerende criteria en moeten redelijk zijn in verhouding tot de economische waarde van het gebruik van de muziek in de betrokken context. De tarieven voor tractorstoeten en carnavalstoeten verschillen dus wegens de specifieke kenmerken van elke situatie.

 

Met betrekking tot het gebruik van muziek is uit de gesprekken tussen de Boerenbond, de Landelijke Gilden, de Groene Kring en Unisono onder meer gebleken dat een praalwagen tijdens een carnavalstoet gemiddeld groter is dan een tractor in een tractorstoet en dat er meer geluidsversterkende installaties aan boord zijn. Daarnaast verschillen ook de financiële stromen achter beide types stoeten.

 

Het tarief van Unisono bedraagt in principe 10 % van het totale bedrag aan vergoedingen dat de stad uitkeert aan alle verenigingen of praalwagens met muziek die deelnemen aan de carnavalsoptocht. In het geval van tractorstoeten ontvangen de deelnemers aan die optochten geen vergoeding voor hun deelname. Gezien de specifieke kenmerken van elke situatie is het dus begrijpelijk dat de prijszetting voor tractorstoeten en carnavalstoeten vandaag niet identiek is.

 

In het kader van de carnavalstoeten kan ik u meedelen dat de controledienst van de beheersvennootschappen van de FOD Economie tot op heden van organisatoren of deelnemers van carnavalsstoeten geen klachten over de tarifering van Unisono heeft ontvangen. Unisono bevestigt in dit verband ook dat zij dergelijke klachten nooit eerder ontvangen heeft. Sabam heeft echte aangegeven dat zij met enkele verenigingen uit het carnavalsleven in overleg is om na te gaan wat de noden en bezorgdheden van de sector zijn.

 

17.03  Steven Coenegrachts (Anders.): Mijnheer de minister, Sabam is vermoedelijk in gesprek naar aanleiding van een ongerustheid op het terrein en Unisono wordt daar dan toch het best bij betrokken. Als het die klachten liever apart ontvangt, zal ik dat signaal geven. Ik ben er zeker van dat ze die dan wel zullen krijgen.

 

De redenering achter de opsplitsing van die stoeten begrijp ik echter niet zo goed. Ik ken zelf zeer weinig carnavalisten die betaald worden om mee te lopen in een carnavalstoet. Dat heb ik nog niet vaak meegemaakt. Ik denk ook niet dat men de economische waarde van een carnavalsstoet kan afmeten aan het aantal gebruikte geluidsversterkers. Beide zijn tradities in ons land, zaken die we belangrijk vinden en die draaien op vrijwilligers. De eventuele economische waarde ligt toch vooral bij vzw's en niet bij bedrijven of bedrijfsmatige activiteiten. We zullen daar dus volgens mij anders naar moeten kijken. Ik onthoud dat Sabam in overleg is. Ik onthoud dat Unisono liever klachten ontvangt vooraleer het tot actie overgaat. Dat zullen we als signaal meenemen. Ik kom er later nog op terug, daarvan mag u overtuigd zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van Meyrem Almaci aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De verjaardag van de Verenigde Staten" (56015976C)

18 Question de Meyrem Almaci à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'anniversaire des États-Unis" (56015976C)

 

18.01  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, op 28 juni – dat weet u wel, want u hebt zelf een brief gekregen – heeft de Amerikaanse ambassadeur een groot privéfeest gepland – geen officieel, maar een privéfeest – met enkel toegang voor de naar eigen zeggen aangekondigde 8.000 genodigden op onze Cinquantenaire.

 

De Tijd berichtte eerder dit jaar dat de ambassadeur een e-mail had verstuurd aan zo'n 500 afgevaardigden van Amerikaanse bedrijven in Europa, Belgische en Europese ondernemingen met belangen in de Verenigde Staten en enkele politici, onder wie uzelf. De bedoeling was om de 4 miljoen dollar financiering voor dit evenement bij hen op te halen, zodat zij die kosten voor hun rekening zouden nemen.

 

De aangeschreven bedrijven konden kiezen uit vijf formules, gaande van 10.000 tot 250.000 dollar. De e-mailadressen van de ontvangers waren zichtbaar voor iedereen, zowel die van AB InBev-topman Michel Doukeris, John Porter van Telenet als die van uzelf als vice-eersteminister.

 

Fundraising is natuurlijk niets nieuws, maar in dit geval zijn er toch twee zaken die anders zijn. Ten eerste is er de schaal. Vroeger werden ambassadefeestjes voor 4 juli wel meegefinancierd voor veel minder dan 10.000 dollar, wat nu het laagste mogelijke bedrag is. De ambassadeur heeft daar nogal laconiek op gereageerd in de pers door te zeggen dat hij niemand heeft gechanteerd, maar dat het bij fundraising logisch is om eens te bellen om een nulletje aan een gift te laten toevoegen. Dat is blijkbaar zeer normaal en zeer Amerikaans in de kringen waarin zij zich bewegen.

 

Ten tweede is er natuurlijk ook de context. De ambassadeur is een zware criticus van ons land. Hij heeft ons antisemitisme verweten, volstrekt onterecht. Hij heeft de scheiding tussen Staat en Justitie al meermaals onder druk proberen te zetten. Hij is bovendien de vertegenwoordiger van een bijzonder transactionele president, Trump, die met handelstarieven zwaait als landen tegen zijn kar rijden en die volgens critici een insidereconomie creëert die het momenteel helemaal niet goed doet. Alleen diegenen uit het bedrijfsleven die hem gunstig gezind zijn, komen daarbij in aanmerking voor deals en overheidsopdrachten. Het evenement, dat nu gepland is, valt bovendien bijna samen met de deadline van 4 juli die de Verenigde Staten hebben gesteld in het handelsconflict met de Europese Unie. Dat is te veel toeval om nog toevallig te zijn.

 

Mijnheer de minister, wat was uw antwoord op de e-mail van de ambassadeur? Hebt u verder gevolg gegeven aan die vraag? Hebt u bijvoorbeeld zelf contacten gelegd bij bedrijven om te suggereren het evenement te sponsoren en zelf financieel bij te dragen of mee initiatieven te ondernemen binnen de federale regering rond dat evenement?

 

Hebt u de Amerikaanse ambassade meegedeeld dat een dergelijk grootschalige mailing, waarbij alle ontvangers zichtbaar waren, niet alleen behoorlijk ongepast is omdat hij druk zet om te doneren, maar bovendien in strijd is met de GDPR-regelgeving in Europa?

 

Wordt het evenement nu georganiseerd door de Amerikaanse ambassade, Freedom 250 of nog een andere entiteit?

 

Zult u zelf aanwezig zijn?

 

18.02 Minister David Clarinval: Uw eerste vraag, enkele weken geleden, toen ik ambassadeur White ontmoette, heeft hij mij mondeling uitgenodigd.

 

Uw tweede vraag, ik heb daarover met geen enkele onderneming gesproken.

 

Uw derde vraag, de Amerikaanse ambassade is verantwoordelijk voor de verzending van die e-mail. Als de inhoud ervan in strijd is met de wet, is het aan de bevoegde autoriteit om tussen te komen.

 

Uw vierde vraag, de organisatie van dat evenement valt onder de verantwoordelijkheid van de Amerikaanse ambassade.

 

Uw laatste vraag, ik ben in principe van plan dat evenement bij te wonen.

 

18.03  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Ik denk dat u daar meer zult zeggen dan wat u hier hebt gezegd. U hebt zich er in het Parlement, waar u daarover wordt bevraagd, van afgemaakt door zo kort mogelijk te antwoorden op toch wel belangwekkende vragen. Uw aanwezigheid daar geeft een signaal en ik vind dat een opmerkelijk signaal. Mijnheer De Wever gaat daarnaartoe. Bedrijven hebben aan de pers aangegeven dat ze zich bijna afgeperst en zwaar onder druk gezet voelden. Dan vind ik het vreemd dat u naar een privéfeest van een gecontesteerde Amerikaanse president gaat. Het gaat niet om een officieel feest. Dat u als minister van Economie naar een dergelijk privéfeest gaat, is opmerkelijk.

 

U verwijst naar andere bevoegde entiteiten, terwijl opnieuw grenzen zijn overschreden op het vlak van de GDPR. Die ambassadeur heeft ons land al meermaals in de problemen gebracht en zware imagoschade berokkend. Uw aanwezigheid daar zal de indruk wekken dat dat allemaal niet zo erg is. Wat u doet, is helemaal niet neutraal. Ik vind dat problematisch.

 

Als minister van Economie had u aan de kant van onze Belgische bedrijven moeten staan. Onze Belgische bedrijven worden gechanteerd met handelstarieven. Ze worden rechtstreeks onder druk gezet, telefonisch en met e-mails, waarbij u ook bij de geadresseerden staat. Zij geven aan dat dat een heel vreemde manier van werken is. Misschien is die werkwijze in het Amerika van Trump normaal, maar heel veel Amerikanen vinden die ook niet normaal. U normaliseert die handelswijze en dat is problematisch.

 

Men zou kunnen zeggen dat het voor de premier al op een slappe koord dansen is, maar u hoeft daar helemaal niet te zijn. U hebt hier een enorme kans gemist om dat te zeggen. U hebt een enorme kans gemist om duidelijk te maken dat wegens de aanpak van dat evenement op bedrijven die op u rekenen als hun vertegenwoordiger, het niet opportuun is dat u gaat. Blijkbaar wilt u liever feesten en daar veel praten - over zaken die wij niet zullen horen in het Parlement - dan hier een duidelijk signaal te geven en uw rol als minister op te nemen.

 

U had beter geluisterd naar Vredesactie, Greenpeace, Gaia en al die middenveldorganisaties die de alarmbel luiden over de posities van de Verenigde Staten ten aanzien van onze bedrijven, ten aanzien van ICE, ten aanzien van Israël enzovoort, dan dit af te doen met de korte mededeling dat u daar aanwezig zult zijn. Misschien trekt de blingbling u wat te veel aan en zou u de inhoud beter voorop zetten. Daar had ik u liever meer over gehoord. Ik hoop dat u met meer terugkomt dan een persoonlijk avondje vertier.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

19 Question de François De Smet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le contrôle des quotas tarifaires dans le cadre de l'AIC du traité UE-Mercosur" (56016053C)

19 Vraag van François De Smet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De controle op tariefcontingenten i.h.k.v. de iTA bij de handelsovereenkomst EU–Mercosur" (56016053C)

 

Présidente: Meyrem Almaci.

Voorzitster: Meyrem Almaci.

 

19.01  François De Smet (DéFI): Le magazine du secteur agricole Le Sillon Belge vient de consacrer tout récemment deux articles à l'accord commercial UE-Mercosur.

 

Le premier article annonce le feu vert politique à la signature d'un accord commercial intérimaire, incluant notamment un contingent de 30 000 tonnes de bœuf, en attendant la ratification complète par les États membres et l'assentiment du Parlement européen.

 

Le second soulève une question plus technique mais tout aussi déterminante: celle du contrôle des quotas tarifaires, qui constitue un enjeu considérable. À cet égard, si l'Union européenne centralisait jusqu'ici l'attribution des licences d'importation, le nouvel accord modifie potentiellement cet équilibre au détriment des opérateurs européens de taille modeste.

 

Pour l'agriculture belge – l'élevage bovin wallon en tête, les enjeux sont considérables, c’est ce qui a d’ailleurs justifié l'abstention de notre pays lors des décisions clés concernant l'accord de libre-échange entre l'Union européenne et le Mercosur.

 

L’accord UE-Mercosur signé le 17 janvier dernier comprend deux volets: l’accord de partenariat UE-Mercosur (APEM), qui est l’accord-cadre global, et un accord intérimaire sur le commerce (AIC), qui ne couvre que les compétences exclusives de l’UE (dont le commerce), ce dernier pouvant potentiellement débuter en 2026.

 

En conséquence, monsieur le ministre, pouvez-vous me faire savoir:

 

- ce qu'il en est du volet commercial de l’accord ,AIC, au niveau de la procédure de ratification au niveau européen;

- si le gouvernement a obtenu des garanties sur le maintien d'un contrôle européen centralisé des quotas d'importation;

- les mesures d'accompagnement prévues pour les filières agricoles belges directement exposées à la concurrence sud-américaine?

 

19.02  David Clarinval, ministre: Pour répondre à votre première question, monsieur le député, je peux vous dire que, le 9 janvier 2026, le Conseil a décidé à la majorité qualifiée la signature de l'accord avec le Mercosur. Le Parlement européen doit également donner son consentement, à la majorité simple. Ce dernier a toutefois, le 21 janvier, saisi la Cour de justice de l'Union européenne afin qu'elle examine la conformité juridique de l'accord de libre-échange avec les traités de l'Union européenne, suspendant, pour l'heure, le processus de ratification. La Cour devrait rendre sa décision dans un délai d'un à deux ans.

 

Le Conseil avait toutefois prévu une application provisoire de l'accord si la ratification ne pouvait intervenir rapidement. Les quatre pays du Mercosur ayant achevé leur procédure de ratification, l'accord est appliqué à titre provisoire depuis le 1er mai 2026. Dans l'attente de la finalisation du processus de ratification de l'Union, après l'approbation du Parlement européen, le Conseil devra encore adopter, à la majorité qualifiée, la décision de conclusion permettant l'entrée en vigueur de l'accord commercial intérimaire jusqu'à la ratification complète de l'accord par tous les États membres.

 

Dans le cadre du marché unique, la gestion des contingents tarifaires est centralisée au niveau de l'Union européenne, mais gérée au niveau national par l'Administration générale des Douanes et Accises. Pour de plus amples détails, je vous invite à vous adresser à M. Jambon, ministre des Finances.

 

Pour répondre à votre deuxième question, afin de répondre aux inquiétudes exprimées par de nombreux agriculteurs européens – y compris les agriculteurs belges – et de leur apporter des garanties et protections supplémentaires, la Commission européenne a prévu plusieurs mesures additionnelles, à savoir, outre les contingents d'importation limités pour les produits sensibles, des mesures de sauvegarde renforcées et plus faciles à prendre, des contrôles accrus sur les produits agricoles importés dans l'Union afin de garantir une application stricte et efficace des normes européennes en matière de santé et de sécurité alimentaire, un engagement concret à œuvrer à l'alignement des normes de production afin de garantir des conditions de concurrence équitables et, enfin, le doublement de la réserve agricole dans le prochain budget pluriannuel, dont la capacité totale atteindra 6,3 milliards d'euros.

 

19.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'espère que les mesures visant à protéger nos agriculteurs, ainsi que nos normes européennes vis-à-vis des produits qui vont être importés, seront strictement respectées. Je sais que vous êtes motivé sur la question. Merci encore.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La présidente: La question n° 56016167C de M. Patrick Prévot est reportée.

 

20 Question de François De Smet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La proposition d'interdire les jeux de hasard en ligne durant la nuit" (56016348C)

20 Vraag van François De Smet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het voorstel om online kansspelen ’s nachts te verbieden" (56016348C)

 

20.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, votre collègue en charge de la Protection des consommateurs, Rob Beenders (Vooruit), souhaite qu'il ne soit plus possible de jouer à des jeux de hasard pendant la nuit, estimant que lorsque le contrôle social disparaît, on constate que les personnes jouent davantage, et propose notamment que les jeux en ligne soient fermés de minuit à 6 h du matin et entend renforcer le contrôle de la limite obligatoire, avec une limitation de 250 euros par semaine.

 

Cette proposition intervient alors que cette compétence relève de votre administration et que votre parti n’est pas partisan d’un durcissement des règles relatives à la publicité pour les jeux d’argent. Ceci révèle des divergences profondes au sein de la majorité sur l'arbitrage entre rendement budgétaire et politique de santé publique. Je rappelle que les opérateurs de jeux en ligne ont vu leurs chiffres d'affaires exploser ces dernières années pendant que les structures d'aide aux joueurs pathologiques voyaient leur dotation stagner.

 

En conséquence, monsieur le ministre, comment le gouvernement entend-il procéder à cet arbitrage? Dans l’affirmative, quelle sera l’articulation entre rendement budgétaire et santé publique?

 

20.02  David Clarinval, ministre: Monsieur De Smet, en ce qui concerne les travaux relatifs aux jeux de hasard, la première phase de ces travaux a porté sur le transfert – en date du 1er juin – de la compétence en matière de jeux de hasard de la ministre de la Justice vers le ministre de l'Économie.

 

En ce qui concerne les autres travaux prévus dans l'accord de gouvernement, ceux-ci seront mis en œuvre en plusieurs phases. La deuxième phase, qui est en cours, porte sur la modernisation de la Commission des jeux de hasard afin de renforcer son efficacité et sa capacité d'action.

 

Dans une troisième phase, à partir de 2027, et sur la base de l'évaluation réalisée, la législation relative aux jeux de hasard sera modernisée afin de l'adapter à l'ensemble des nouvelles formes de jeux. Dans ce cadre, les différentes possibilités pour renforcer la protection des joueurs et la politique de canalisation seront examinées en veillant à tenir compte de leur impact réel – evidence-based –, de leur proportionnalité et de l'absence de discrimination. Il est notamment essentiel que les mesures de protection des joueurs ne produisent pas d'effets secondaires négatifs qui en excèdent les effets positifs. Je vous informe donc que cette proposition sera étudiée à ce moment-là, dans ce cadre-là.

 

20.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie. Il ne s'agit pas d'interdire aux gens de jouer, mais il y a une vraie faiblesse. On sait que le fait de jouer en pleine nuit, alors qu'on n'est plus tout à fait dans la même réalité, peut amener un certain nombre de personnes fragiles à miser ou à adopter des comportements de jeu qui peuvent réellement les mettre en difficulté. Je continue à penser qu'il y a un équilibre à trouver en la matière. On ne manquera évidemment pas de suivre vos travaux sur le sujet.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

21 Question de François De Smet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'accord commercial entre l'Union européenne et les États-Unis" (56016377C)

21 Vraag van François De Smet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het handelsakkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten" (56016377C)

 

21.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, la présidente de la Commission européenne a salué le nouvel accord commercial entre l’Union européenne et les ÉtatsUnis comme "un pas vers un commerce transatlantique équilibré". Il a également été communiqué que les deux entités – lUnion européenne et les ÉtatsUnis – partagent la relation économique la plus importante et la plus intégrée du monde.

 

La Fédération des Entreprises de Belgique (FEB) et le VOKA l’ont toutefois qualifié, avec moins d’enthousiasme, de "pas idéal, mais meilleur que l’incertitude", tout en appelant à une vigilance soutenue.

 

Les négociations se sont conclues deux semaines après que le président américain a menacé d’imposer des droits de douane de 25 % sur les voitures européennes si les Européens ne mettaient pas en œuvre avant début juillet l’accord conclu entre le président Trump et la présidente Ursula von der Leyen en Écosse à l’été 2025. Le "Turnberry Agreement", critiqué à juste titre par le Parlement européen et considéré comme déséquilibré, relève les droits de douane américains sur les produits européens jusqu’à 15 %.

 

Monsieur le ministre, quelle est aujourd’hui la position défendue par la Belgique au Conseil concernant cet accord? Quels intérêts sectoriels sont-ils mis en avant?  S'agit-t-il de la pharmacie, la chimie, l’agroalimentaire, le Port d’AnversZeebruges ou la sidérurgie?

 

Quelle est la position belge sur la clause de réexamen et sur la perspective d’une renégociation après 2028, en vue d’un mandat plus offensif en matière de standards sociaux et environnementaux? Enfin, quelle est votre appréciation de cet accord au regard de nos engagements à l’Organisation mondiale du commerce (OMC) et de la stratégie européenne de de-risking visàvis de la Chine?

 

21.02  David Clarinval, ministre: Pour répondre à votre première question, tout en regrettant que cet accord affaiblisse la relation commerciale mutuellement bénéfique, le gouvernement reconnait qu'une finalisation rapide est nécessaire pour garantir un cadre stable et prévisible à nos entreprises.

 

L'accord intervenu entre les institutions européennes le 20 mai dernier constitue une étape importante du côté européen de la mise en œuvre des aspects tarifaires de la déclaration conjointe Europe-États-Unis du 21 août 2025.

 

Nous estimons crucial que les États-Unis reconnaissent les concessions importantes faites par l'Union dans ce cadre sur les questions commerciales et économiques et fassent dès lors preuve de fiabilité et respectent les obligations qui leur incombent en vertu de cet accord. Nous continuerons à plaider ces prochains mois en ce sens, en particulier afin que les exemptions annoncées par les États-Unis soient effectives.

 

Ensuite, la Belgique a apporté son soutien aux différents garde-fous visant à protéger les intérêts des entreprises et des opérateurs économiques européens, dont l'ajout de plusieurs conditions à l'entrée en vigueur des concessions tarifaires européennes et d'une clause de caducité, selon laquelle l'accord prendra fin début 2029, avant d'être réexaminé.

 

Enfin, l'Union s'engage à veiller à continuer à commercer avec le reste du monde dans le respect des règles de l'OMC, vu l'ouverture de l'économie européenne et de notre pays. Il importe de rester vigilants et d'examiner avec attention et de façon continue les différentes évolutions en matière de politique commerciale et leurs effets sur nos relations avec nos principaux partenaires, dont la Chine; et ce, en étroite collaboration avec la Commission.

 

21.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

22 Vraag van Steven Coenegrachts aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De toegankelijkheid van overheidsopdrachten voor familiale bouwbedrijven" (56016431C)

22 Question de Steven Coenegrachts à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'accessibilité des marchés publics aux entreprises de construction familiales" (56016431C)

 

22.01  Steven Coenegrachts (Anders.): Mijnheer de minister, uit de bouwsector komen steeds meer signalen dat familiale aannemers klagen over de toegang tot overheidsopdrachten. Dat komt natuurlijk door steeds complexer wordende regelgeving voor aanbestedingen. Ze merken op dat de selectiecriteria en de referentievereisten steeds strikter geïnterpreteerd worden, waardoor dergelijke ondernemingen zich steeds vaker genoodzaakt voelen tijdelijke handelsvennootschappen op te richten om toch te kunnen deelnemen aan bepaalde aanbestedingen.

 

Die ondernemingen wijzen op specifieke referentievoorwaarden die in de feiten de mededinging kunnen beperken, zoals de vereiste van quasi identieke referentieprojecten. Dat kan natuurlijk niet. Projecten zijn meestal uniek. Ook zijn de referenties beperkt geldig in de tijd, terwijl kleinere bedrijven gedurende meerdere jaren werken aan grote bouwprojecten.

 

Soms zijn er disproportionele voorwaarden inzake omzet, omvang of het aantal referenties. Die dreigen vooral grotere spelers te bevoordelen. U weet hoe belangrijk het kmo-landschap en het familiale ondernemerslandschap in België is.

 

Vandaar de vragen die ik u schriftelijk heb meegedeeld. Ik zal die nu niet allemaal herhalen.

 

22.02 Minister David Clarinval: Ten eerste, de regelgeving inzake overheidsopdrachten valt onder de bevoegdheid van de eerste minister. De ministerraad heeft op 30 april 2026 in eerste lezing een wetsontwerp goedgekeurd dat talrijke vereenvoudigingsmaatregelen omvat. De regering is zich bewust van het feit dat onze regelgeving inzake overheidsopdrachten te zwaar is voor onze ondernemingen.

 

Inzake het specifieke geval van de ondernemingen actief in de bouwsector kan ik u elementen van antwoord geven die rechtstreeks onder mijn bevoegdheden vallen op het vlak van het stelsel voor de erkenning van aannemers van werken. Het erkenningsstelsel van de wet van 20 maart 1990 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken vormt de basis voor de kwalitatieve selectie van bouwbedrijven bij overheidsopdrachten voor werken. De regelgeving bepaalt de minimumvereisten. Die vereisten volstaan doorgaans. Als een aanbestedende overheid verder wenst te gaan dan de erkenningsvoorwaarden, kan zij bijkomende en passende eisen opleggen.

 

De erkenningsvoorwaarden zijn vandaag aan herziening toe. De huidige uitvoeringsbesluiten van de wet zullen worden aangepast aan de ontwikkelingen in de bouwsector, de evolutie van de technieken en de behoeften van de aanbestedende overheden. Daartoe werd een technische werkgroep opgericht waarin alle belanghebbende partijen zijn vertegenwoordigd, met als doel met een zo breed mogelijk draagvlak een concreet voorstel uit te werken. Dat moet uiteindelijk leiden tot een grondige hervorming en modernisering van de reglementering, met bijzondere aandacht voor de kmo's.

 

De werkgroep heeft een beperkt aantal signalen ontvangen over strenge eisen die door bepaalde aanbestedende overheden zouden worden opgelegd. In zijn voorstel tot aanpassing van de erkenningscriteria heeft hij getracht daarvoor een oplossing te vinden, zodat kan worden verwacht dat in een nieuw systeem minder nood zal bestaan aan bijkomende strenge eisen.

 

Ten tweede, ik beschik niet over specifieke cijfers over de participatie van ondernemingen aan overheidsopdrachten voor bouwwerkzaamheden en evenmin in het bijzonder over familiebedrijven.

 

Voor de monitoring van overheidsopdrachten ben ik zo vrij u door te verwijzen naar de eerste minister.

 

Wat betreft de proportionaliteit en de naleving van de geldende regels voor overheidsopdrachten voor afnemers, herinner ik u eraan dat het algemeen principe is dat de gevraagde referenties passend en verantwoord moeten zijn en in verhouding moeten staan tot het voorwerp van de opdracht. De beoordeling daarvan behoort tot de bevoegdheid van de aanbestedende overheden.

 

De wet inzake de overheidsopdrachten bevat een aantal grondbeginselen en schrijft voor dat aanbestedende overheden ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze moeten behandelen en alleen transparant en op proportionele wijze moeten handelen. Bij schending hiervan kan een onderneming beroep aantekenen bij de bevoegde rechter.

 

Bovendien heeft de FOD Economie, in overleg met de federaties en de bevoegde administraties, een charter uitgewerkt over de toegang van kmo's tot overheidsopdrachten. In dit charter komt de kwestie van de proportionaliteit van de vereisten concreet aan bod. De federale aanbestedende overheden zouden opgeleid moeten worden voor de toepassing van dit charter. Wat betreft de opleiding van de aanbestedende overheden, ben ik zo vrij u te verwijzen naar mijn collega-minister van Ambtenarenzaken.

 

Het is volgens mij belangrijk dat de toegang tot overheidsopdrachten voor familiale bouwbedrijven gevrijwaard blijft en dat het niet de bedoeling kan zijn dat zij zich systematisch moeten organiseren in een tijdelijke maatschappij. Wat dit punt betreft, verzoek ik u om onze eerste minister te bevragen.

 

In het kader van mijn bevoegdheden op het niveau van de erkenning van de aannemers van werken vormt de toegang voor kmo's een belangrijke doelstelling. De bedoeling is zoals gezegd om in de toekomst te vermijden dat boven op de erkenning al te vaak bijkomende strenge eisen worden opgelegd. Dit kan onder meer door criteria te hanteren die voor kleine bedrijven haalbaar zijn, maar de aanbestedende overheden toch voldoende waarborgen bieden.

 

22.03  Steven Coenegrachts (Anders.): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Vooral in het begin zei u veel positieve dingen. U gaat de wetgeving moderniseren. U gaat ze vereenvoudigen. U gaat meer ruimte creëren voor kmo's. We kijken uit naar wat dat daadwerkelijk zal betekenen, maar ik hoorde toch al veel goede elementen en goede intenties in wat u zei.

 

Voor mijn andere vragen hebt u mij doorverwezen naar de eerste minister. Ik kijk uit naar het enthousiasme waarmee hij die vragen zal beantwoorden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

La réunion publique de commission est levée à 14 h 05.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.05 uur.

 

 

Schriftelijk behandelde mondelinge vragen

Questions orales traitées par écrit

 

De antwoorden werden door de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw bezorgd.

Les réponses ont été fournies par le vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et de l'Agriculture.

 

23 Vraag van Katleen Bury aan David Clarinval (Werk, Economie en Landbouw) over "Asbest in speelzand" (56013369C)

23 Question de Katleen Bury à David Clarinval (Emploi, Économie et Agriculture) sur "La présence d'amiante dans du sable de jeu" (56013369C)

 

De voorbije weken ontstond grote ongerustheid over de mogelijke aanwezigheid van asbest in speelzand. Na internationale signalen, onder meer uit Australië en Nederland, werd in België uit voorzorg de verkoop van speelzand tijdelijk stopgezet en werden scholen, crèches en consumenten gewaarschuwd.

Intussen blijkt uit recente communicatie dat laboratoria in ons land momenteel geen asbest hebben aangetroffen in de geteste stalen, wat een belangrijk nieuw element is. Tegelijk blijft de maatschappelijke onrust groot, zeker bij ouders en scholen, en rijzen er vragen over toezicht, import en online verkoopkanalen.  

Daarom had ik u graag volgende vragen voorgelegd:

1. Kan u toelichten welke conclusies vandaag voorlopig getrokken worden uit de lopende analyses van speelzand in België, en hoe representatief de reeds onderzochte stalen zijn?

2. Hoe organiseert de FOD Economie momenteel de controle op speelzand dat via online platforms wordt aangeboden, met bijzondere aandacht voor import van buiten de EU?

3. Acht u het bestaande toezichtskader voldoende om in een vroeg stadium gevaarlijke consumentenproducten op te sporen, of ziet u op basis van dit dossier nood aan bijkomende of structurele versterking van de controles?

4. Hoe wordt de communicatie naar scholen, kinderopvang en consumenten afgestemd op nieuwe onderzoeksresultaten, zodat voorzorgsmaatregelen proportioneel blijven en het vertrouwen behouden wordt?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Bury,

 

De vraag die u mij stelt, heeft betrekking op een onderwerp dat in februari leefde over de bezorgdheid rond de mogelijke aanwezigheid van asbest in speelzand voor kinderen. Wat de productveiligheid en -conformiteit betreft, en in dit geval de veiligheid van speelgoed, deel ik mijn bevoegdheid met de minister van Consumentenbescherming op basis van een protocol dat in onderling akkoord werd overeengekomen.

 

De aangehaalde materie valt bovendien onder de Europese verordening betreffende de veiligheid van speelgoed.

 

Op vijf (5) februari tweeduizend zes en twintig (2026) werd de FOD Economie via de media geïnformeerd over de resultaten van een onderzoek dat werd uitgevoerd door de Nederlandse media (Algemeen Dagblad) naar de aanwezigheid van asbest in speelzand dat onder meer online werd aangekocht via webwinkels en bekende platformen.

 

Gelet op deze informatie die in de Nederlandse pers verscheen, en gezien de gevoeligheid van het onderwerp, hebben minister Beenders en ikzelf gezamenlijk het initiatief genomen om een aantal voorzorgsmaatregelen in België te treffen.

 

Er werd steeds gecommuniceerd vanuit het voorzorgsprincipe en een FAQ werd snel beschikbaar gemaakt op de website van de FOD Economie met toelichting, duiding en aanbevelingen voor consumenten, scholen en kinderdagverblijven.  Als minister van Economie heb ik altijd de voorkeur gegeven aan communicatie op basis van bewezen feiten en evenredige voorzorgsmaatregelen. Er werd een taskforce, gecoördineerd door het Nationaal Crisiscentrum, samengebracht om de communicatie naar de doelgroepen vlotter te maken en te harmoniseren.

 

Op negen (9) en tien (10) februari tweeduizend zes en twintig (2026) werden twintig monsters van speelzand voor kinderen verzameld, waarvan er vijftien aangekocht waren in de winkel en vijf online.

 

De betrokken producten waren gekleurd zand, magisch zand, kinetisch zand of knutselzand voor kinderen, doorgaans verkocht in kleine verpakkingen. Uit voorzorg werden ook stalen geanalyseerd van voorverpakt zand voor zandbakken.

 

Deze twintig (20) monsters werden verzonden naar een geaccrediteerd laboratorium voor specifieke analyses voor de detectie van de aanwezigheid van asbest.

 

Na een grondig onderzoek door het laboratorium van de twintig (20) monsters die werden verzameld in fysieke winkels en online, bleek dat zij allemaal voldeden aan de veiligheidsvereisten van de Europese verordening betreffende de veiligheid van speelgoed.

 

Om te antwoorden op de vraag of het bestaande juridische kader voldoende bescherming biedt aan consumenten, wil ik benadrukken dat de verordening betreffende de veiligheid van speelgoed recent op Europees niveau werd herzien en dat de gezondheidsnormen met betrekking tot het punt dat ons vandaag bezighoudt niet in vraag werden gesteld. Deze nieuwe verordening inzake speelgoed zal van toepassing zijn vanaf één (1) augustus tweeduizend dertig (2030).

 

24 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (Werk, Economie en Landbouw) over "De Europese regeldruk" (56015902C)

24 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le fardeau réglementaire européen" (56015902C)

 

Volgens een gelekt document van het Cypriotische voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, zullen tientallen lopende Europese wetsvoorstellen tot 45 miljard euro jaarlijkse bijkomende lasten en 40 miljard euro eenmalige implementatiekosten voor bedrijven betekenen. Alleen al de geplande Industrial Accelerator Act (IAA) zou voor meer dan 6 miljard euro aan jaarlijkse kosten voor bedrijven veroorzaken.

 

Een belangrijk onderdeel van de IAA zijn de “Made in Europe"-verplichtingen, waarbij ondernemingen bij aanbestedingen en productieprocessen aan bijkomende Europese oorsprongs- en productievoorwaarden moeten voldoen. Dergelijke verplichtingen leiden tot extra administratieve lasten, hogere productiekosten en een verminderde concurrentiekracht van onze ondernemingen.

 

Dit staat in schril contrast met de bewering van de Europese Commissie, dat zij de administratieve lasten voor ondernemingen wil verminderen, in het bijzonder voor kmo's.

1. Welke analyses hebt u laten uitvoeren naar de impact van de “Made in Europe"-verplichtingen op onze ondernemingen, in het bijzonder op kmo's en exportgerichte bedrijven?

2. Wat zijn de gevolgen voor de concurrentiepositie van onze ondernemingen t.o.v. niet-Europese concurrenten?

3. Welke sectoren dreigen het zwaarst getroffen te worden door deze nieuwe Europese regelgeving?

4. Met welke maatregelen gaat u ondernemingen ondersteunen bij deze toename aan nalevingskosten en concurrentienadelen?

5. Hoe rijmt u deze nieuwe lasten met de doelstelling van de Europese Commissie om administratieve lasten met 25% voor bedrijven en 35% voor kmo's te verminderen?

6. Hoe gaat u vermijden dat deze Europese verplichtingen leiden tot hogere prijzen en meer inflatie?

 

Antwoord - Réponse:

 

De besprekingen over de “Industrial Accelerator Act” (IAA), de verordening voor de industriële versnelling, bevinden zich momenteel nog in een preliminaire fase. Het Belgische standpunt over de verordening is nog niet bepaald, ook al erkennen wij het belang van het initiatief, rekening houdend met het de-industrialiseringsproces dat aan de gang is.

 

Het ontwerp van verordening werd voorgelegd aan onze verschillende stakeholders in het kader van de SMEfilterprocedure in april tweeduizend vijf en twintig (2025). ’ Bovendien raadplegen wij de industriële sectoren rechtstreeks via ons overlegplatform Make tweeduizend vijf en twintig – tweeduizend dertig (2025-2030).

 

Ter gelegenheid van de Raad Concurrentievermogen van acht en twintig (28) mei wees België er ook op dat bijzondere aandacht besteed moet worden aan de beperking van de administratieve lasten voor kmo’s in het kader van deze verordening.

 

Het is namelijk duidelijk dat KMO’s een cruciale rol spelen in de betrokken waardeketens, en dat maatregelen zoals het vereenvoudigen van vergunningsprocedures, het ondersteunen van investeringen in decarbonisatie en het stimuleren van de productie van schone industriële goederen zowel directe als indirecte effecten kunnen hebben op hun activiteiten.

 

Met dit voorstel wil de Commissie via overheidsaankopen of publieke financiering, en dit in een bepaalde mate, bepaalde doelgerichte producten of sectoren bevorderen omwille van hun strategisch belang voor de industriële basisproductie of wegens onze strategische afhankelijkheid van bepaalde technologieën die noodzakelijk zijn voor de energietransitie. Het doel is productiecapaciteit en werkgelegenheid in Europa voor deze doelgerichte producten te behouden en de decarbonisatie van onze energie-intensieve industrieën te ondersteunen via vereisten inzake oorsprong en koolstofarme productie. Vanuit dat perspectief kan de IAA bijdragen aan ehet versterken van de Europese industriële basis en het garanderen van onze strategische autonomie.

 

Meer specifiek, zijn de sectoren die gedekt zijn door het voorstel van de Commissie de volgende:

- de energieintensieve industrieën;

- de netzero technologieën;

- en de automobielsector en zijn toeleveringsketen.

 

Deze sectoren werden gekozen omdat zij een sleutelrol spelen in zowel de industriële basis van Europa als in de transitie naar een klimaatneutrale economie.

 

U haalt de vrees aan voor een stijging van de materiaal- en de nalevingskosten. Ik wil allereerst benadrukken dat de geplande maatregelen zeer gericht zijn. Deze maatregelen werden onderworpen aan een formele impactanalyse, sectorale raadplegingen en kmo-tests. Daarnaast werd ook een economische modellering uitgevoerd die competitiviteit, administratieve kosten, investeringen en decarbonisatie combineert. Deze analyses hebben echter hun beperkingen wat betreft de impact van deze maatregelen op het strategisch gedrag van ondernemingen, de afwegingen inzake delokalisatie, de reële prijscompetitiviteit ten opzichte van China en de eventuele inflatie-effecten van deze maatregelen, al dan niet gecumuleerd met andere maatregelen. Het zal ongetwijfeld moeilijk zijn om vóór de uitvoering een nauwkeurig antwoord te geven voor onze Belgische ondernemingen. Tot slot nodig ik u uit de positieve effecten van deze maatregelen voor onze ondernemingen in overweging te nemen. Zij kunnen immers gunstig blijken in de mate dat zij meer lokale markten en de energietransitie bevorderen, zij het opnieuw in gerichte proporties. De opvolging van de uitvoering zal cruciaal zijn, evenals de evaluatie ervan, die reeds door het instrument is voorzien.