Commissie voor Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Dinsdag 28 april 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 28 avril 2026

 

Après-midi

 

______

 

Le développement des questions commence à 16 h 26. La réunion est présidée par M. Ismaël Nuino.

De behandeling van de vragen vangt aan om 16.26 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Ismaël Nuino.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

01 Samengevoegde vragen van

- Wouter Raskin aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De veelplegersdatabank" (56015170C)

- Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De uitwerking van een veelplegersdatabank" (56015644C)

01 Questions jointes de

- Wouter Raskin à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La base de données des récidivistes" (56015170C)

- Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La création d'une base de données des récidivistes" (56015644C)

 

01.01  Wouter Raskin (N-VA): Mevrouw de minister, de ontwikkeling van de veelplegersdatabank is een belangrijke ambitie van de regering op het vlak van verkeersveiligheid en de strijd tegen recidive. Ik heb u daarover al herhaaldelijk vragen gesteld. Eind januari hebt u in uw beleidsnota aangekondigd dat u verder werkt aan die databank. Ik heb daarover twee eenvoudige vragen.

 

Wat is de stand van zaken?

 

Welke concrete stappen hebt u de afgelopen maanden gezet en welke stappen zult u de komende maanden nog zetten?

 

01.02  Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de ingediende vraag.

 

De oprichting van een goed uitgewerkte veelplegersdatabank werd al herhaaldelijk aangekondigd als belangrijk instrument in het kader van recidivebestrijding, de aanpak van georganiseerde en herhaalde criminaliteit en van een betere gegevensuitwisseling in strafzaken. Tot op heden is een dergelijke veelplegersdatabank nog steeds niet volledig uitgerold als afzonderlijke databank die alle veroordelingen centraliseert.

 

Wat is de stand van zaken m.b.t. de uitwerking en effectieve implementatie van een veelplegersdatabank?

 

Waarom is deze veelplegersdatabank nog steeds niet operationeel? Welke obstakels liggen er in de weg?

 

Welke gegevens zullen er worden gekoppeld, denken we aan bijvoorbeeld GAS-boetes, verkeersinbreuken, correctionele veroordelingen?

 

Welke instanties zullen er toegang kunnen krijgen? De politie (zowel lokale als federale) kunnen hierbij een belangrijke partner zijn. Heeft er overleg ter zake plaatsgevonden met de minister van Binnenlandse Zaken?

 

01.03 Minister Annelies Verlinden: Collega’s, de ontwikkeling van een centrale recidivedatabank voor veelplegers in het verkeer is een prioritaire doelstelling voor deze regering. Dit project kan enkel worden gerealiseerd via een nauwe samenwerking tussen alle betrokken stakeholders. De FOD Justitie en de FOD Mobiliteit coördineren dit project gezamenlijk en dat in samenwerking met het openbaar ministerie, de geïntegreerde politie, de hoven en rechtbanken, de gefedereerde entiteiten en wetenschappelijke partners zoals Vias en het NICC.

 

De voorbije maanden werden concrete stappen gezet. Het boeteplatform van de FOD Justitie stelde in december 2025 in overleg met het openbaar ministerie een eerste grondige nota op, waarin de belangrijkste juridische en technische uitdagingen werden geïdentificeerd. Naast overlegmomenten met de FOD Mobiliteit vond in februari 2026 een vergadering plaats met verschillende stakeholders en partners, waaronder Vias en het NICC, om dit eveneens wetenschappelijk te kunnen kaderen.

 

Momenteel loopt een juridische analyse die de voornaamste uitdagingen in kaart brengt en voor elk daarvan een juridisch sluitende oplossing uitwerkt. Parallel wordt een technische analyse uitgevoerd om te bepalen welke aanpassingen aan de bestaande IT-systemen noodzakelijk zijn, dan wel of de ontwikkeling van bijkomende systemen noodzakelijk blijkt.

 

De centrale recidivedatabank zal in eerste instantie focussen op strafrechtelijke verkeersinbreuken. De opname van administratieve sancties, zoals GAS-boetes, vereist een samenwerkingsakkoord met de gewesten en een afzonderlijk juridisch traject. Dat is een reële ambitie, maar wel een die bijkomende interfederale afstemming vraagt. Correctionele veroordelingen behoren tot een andere juridische context en vereisen eveneens een afzonderlijke analyse alvorens ze kunnen worden geïntegreerd.

 

Welke instanties toegang krijgen tot de databank wordt bepaald na afhandeling van de analyses, in samenspraak met alle partners. Overleg met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en de geïntegreerde politie maakt daarbij integraal deel uit van dit traject. De omvang van het overleg en de vereiste grondigheid van de analyses verklaren de tijd die nodig is. Een halfslachtige oplossing die bij een juridische betwisting onderuitgaat dient niemand en zeker niet de verkeersveiligheid. U kunt erop rekenen dat de beleidscel en alle partners er alles aan doen om zo snel mogelijk vooruitgang te kunnen boeken wat betreft deze databank.

 

01.04  Wouter Raskin (N-VA): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik ben deze keer iets meer opgetogen over uw antwoord dan de vorige keer, toen u een weinigzeggend antwoord gaf. Nu zijn er wel degelijk een aantal stappen gezet, hoor ik. Ik begrijp heel goed dat dit tijd vraagt en dat het een technisch en juridisch bijzonder uitdagend vraagstuk is. U hebt gelijk dat we niets zijn met halfslachtige oplossingen en een kaduuk juridisch kader, dat nadien onderuit wordt gehaald.

 

Ik wil u vanop mijn plaats blijven aanmoedigen om voldoende energie in dit dossier te blijven steken en voldoende vaart te blijven maken. We pleiten, samen met veel andere collega’s, al jaren voor zoiets als een veelplegersdatabank. Dat is van groot belang in de strijd tegen recidive. Het is ook van het allergrootste belang voor deze regering om zich op dat vlak van vorige regeringen te onderscheiden.

 

Dank u om een en ander te blijven opvolgen. Ik zal dat vanop mijn plaats ook doen. We spreken elkaar hierover binnen enkele weken of maanden opnieuw.

 

01.05  Marijke Dillen (VB): Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik begrijp natuurlijk dat halfslachtige oplossingen moeten worden vermeden. Ik begrijp ook dat het juridisch en technisch geen sinecure is om een dergelijke veelplegersdatabank op te zetten. U bent bezig met analyses en ik kan begrijpen dat die belangrijk zijn, maar hebt u enig zicht op een timing? Ik wil u niet vastpinnen op een exacte datum, maar zal dit nog maanden duren? Zal dat nog dit jaar georganiseerd worden?

 

Ik kan ook best begrijpen dat er voor de correctionele veroordelingen een ander kader nodig is. Bent u daar al bezig met het uitvoeren van analyses? Wanneer zal daar werk van worden gemaakt?

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Question de Lydia Mutyebele Ngoi à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La lutte contre la victimisation secondaire des victimes de violences sexuelles" (56015204C)

02 Vraag van Lydia Mutyebele Ngoi aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De bestrijding van de secundaire victimisatie van slachtoffers van seksueel geweld" (56015204C)

 

02.01  Lydia Mutyebele Ngoi (PS): Madame la ministre, plusieurs affaires récentes largement médiatisées, ainsi que de nombreux travaux académiques et institutionnels, mettent en lumière la problématique persistante de la victimisation secondaire des victimes de violences sexuelles dans le cadre des procédures judiciaires.

 

Cette notion, reconnue notamment au niveau international, désigne les traitements délétères que peuvent subir les victimes de violences sexuelles, majoritairement des femmes, en raison du fonctionnement même de la procédure pénale ou du comportement des acteurs institutionnels. Elle peut se manifester lors du dépôt de plainte, au cours de l’instruction, mais également lors des audiences. Des témoignages font état de situations dans lesquelles les victimes sont confrontées à des interrogatoires intrusifs, à la remise en cause systématique de leur crédibilité ou encore à l’exposition d’éléments particulièrement intimes de leur vie privée, parfois sans lien direct avec les faits poursuivis. De telles pratiques peuvent entraîner une aggravation du préjudice subi par ces victimes de violences sexuelles. Par ailleurs, plusieurs études soulignent que seule une minorité de victimes de violences sexuelles se tourne vers les autorités de police ou vers la justice.

 

Cette réalité pose la question de la capacité de notre système judiciaire à offrir un cadre à la fois rigoureux au regard des droits de la défense et respectueux de la dignité des victimes. Dans ce contexte, et notamment au regard des engagements internationaux de la Belgique, il apparaît nécessaire d’évaluer les garanties actuellement offertes pour prévenir ce phénomène.

 

Madame la ministre, quelles mesures concrètes sont-elles actuellement mises en œuvre afin de prévenir les situations de victimisation secondaire des victimes de violences sexuelles tout au long de la procédure pénale, et en particulier lors des audiences où certaines pratiques peuvent porter atteinte à leur dignité? Envisagez-vous de renforcer le cadre juridique ou les lignes directrices applicables aux acteurs judiciaires, notamment en matière de formation, d’encadrement des techniques d’interrogatoire ou de limitation de l’usage d’éléments relevant de la vie privée des victimes, afin de mieux concilier les droits de la défense avec la protection des victimes?

 

02.02  Annelies Verlinden, ministre: Collègue Mutyebele, comme vous l'indiquiez, prévenir la victimisation secondaire est essentiel dans la prise en charge des victimes de violences sexuelles. Les victimes qui cherchent de l'aide ne doivent pas être, à nouveau, confrontées à l'incrédulité, à la répétition inutile de leur récit ou à d'autres obstacles institutionnels. Une approche attentive, respectueuse et sensible aux traumatismes protège les victimes contre ces dommages supplémentaires et renforce leur sentiment de sécurité et de dignité.

 

De nombreuses mesures ont déjà été prises en ce sens. Comme demandé, je vous en donne un aperçu succinct et non exhaustif. La création et le déploiement progressif des Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS) ont constitué une étape importante. Comme vous le savez, un tel centre est le fruit d'une collaboration entre trois partenaires primaires, à savoir un hôpital, la police et le ministère public. Chaque partenaire contribue, selon son domaine d'expertise, à l'accueil et/ou au soutien des victimes de violences sexuelles. Ces centres proposent des soins holistiques gratuits 24 heures sur 24 et 7 jours sur 7. Des professionnels spécifiquement formés y sont présents en un seul lieu. L'encadrement par une équipe multidisciplinaire et la possibilité de déposer plainte auprès des policiers formés à cet effet augmente également la propension de ces victimes à porter plainte.

 

Les auditions audiovisuelles, dites auditions TAM, constituent une autre avancée notable. Disponibles depuis 2000 dans les espaces dédiés au sein des commissariats et des CPVS, elles permettent d'éviter de soumettre les victimes à des auditions répétées ou à des témoignages en audience publique. Lorsque le tribunal juge une comparution nécessaire, celle-ci peut se tenir par vidéoconférence, sauf si la victime souhaite témoigner en audience. Par ailleurs, le huis clos peut être ordonné dans les affaires de violences sexuelles à la demande d'une partie ou de la victime afin de protéger sa vie privée. Au-delà des salles d'audience, des espaces d'accueil dédiés aux victimes seront aménagés en 2026 dans les bâtiments judiciaires afin de contribuer à leur bien-être et à leur sentiment de sécurité.

 

Enfin, la prévention de la victimisation secondaire dépend aussi largement d'une formation ciblée afin d'éviter que les intervenants n'adoptent des comportements souvent involontaires, qui aggravent le traumatisme des victimes ou sapent leur confiance. Là aussi, des avancées importantes ont été réalisées au niveau de la justice. Depuis 2020, tous les magistrats sont tenus de suivre une formation sur les violences sexuelles et intrafamiliales complétées depuis la loi "Stop Féminicide" par des thèmes relatifs aux féminicides et homicides fondés sur le genre. L'Institut de Formation Judiciaire (IFJ) organise, chaque année, ces formations, par exemple sur les violences numériques, les CPVS et l'accueil des victimes.

 

Le barreau joue également un rôle important dans la prévention de la victimisation secondaire. En collaboration avec mon cabinet, nous examinons comment recourir à l'assistance d'un avocat spécialisé dès la première audition d'une victime de violences sexuelles. Ces avocats spécialisés garantissent ainsi aux victimes les mêmes droits qu'aux auteurs.

 

Le monde numérique facilite plus que jamais la victimisation secondaire. C'est pourquoi des organismes tels que Child Focus œuvrent à la suppression des images compromettantes diffusées sur internet afin de préserver les victimes d'une exposition permanente à leur traumatisme.

 

Toutes ces initiatives contribuent à ancrer progressivement et continuellement une approche centrée sur les victimes. L'élaboration prochaine d'un nouveau plan d'action national de lutte contre les violences basées sur le genre sera l'occasion, en concertation avec l'ensemble des acteurs concernés, de poursuivre et d'amplifier ces initiatives.

 

02.03  Lydia Mutyebele Ngoi (PS): Madame la ministre, merci beaucoup pour vos réponses dans lesquelles j'ai décelé une réelle volonté d'avancer.

 

En tant que femmes, en tant que représentantes de notre population, nous devons vraiment prendre en compte les témoignages de ces femmes, faire preuve d'empathie et réfléchir à des méthodes qui permettraient de garantir et de respecter l'intimité de ces femmes qui viennent porter plainte.

 

J'ai visité le CPVS de l'hôpital Saint-Pierre à plusieurs reprises. Je salue à nouveau le travail de toutes ces personnes qui font preuve d'empathie et de volonté.

 

Il conviendrait d'augmenter vos moyens, comme nous vous le disons toujours, afin de multiplier le nombre de CPVS. Pour toute la Région bruxelloise – même si elle n'est pas grande –, il y a un CPVS; cependant, parfois, il n'est pas évident pour les femmes victimes de violences sexuelles à Woluwe-Saint-Lambert d'aller jusqu'à la rue Haute pour être prises en charge de manière exhaustive. Par ailleurs, tous les commissariats de police ne disposent pas nécessairement d'un lieu ou d'un guichet spécial pour les femmes victimes de violences. Dès lors, décupler les moyens pour ce genre de politique serait bénéfique pour toutes ces femmes victimes de violences, qui sont traitées un peu comme des numéros quand elles se rendent aux guichets de la police; pas parce que les policiers sont de mauvaise foi, mais simplement parce qu'on manque de moyens pour encadrer de manière structurelle toutes ces femmes.

 

En tout cas, je vous remercie pour votre effort. J'ai entendu qu’un plan d'action sera mis en place l'année prochaine, je pense. J'aimerais bien sûr que vous nous teniez informés du calendrier et du début des travaux d'élaboration de ce plan d'action, qui sera nécessaire pour une harmonisation de la prise en charge de ces femmes dans tout le pays.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de Julien Ribaudo à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La surpopulation carcérale et la grève à la prison de Haren" (56015236C)

03 Vraag van Julien Ribaudo aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De overbevolking van de gevangenissen en de staking in de gevangenis van Haren" (56015236C)

 

03.01  Julien Ribaudo (PVDA-PTB): Madame la ministre, la situation dans nos prisons continue de se dégrader, et les événements récents à la prison de Haren en sont une nouvelle illustration inquiétante.

 

Ce jeudi 16 avril, un préavis de grève a été déposé pour la tenue d’une grève de 24 heures en front commun entre dimanche 19 et lundi 20 avril. Une décision lourde de sens, qui fait suite à plusieurs incidents violents survenus ces derniers jours.

 

Selon les organisations syndicales, ces agressions sont directement liées à deux facteurs que nous dénonçons depuis longtemps : la surpopulation et le manque de personnel. À Haren, ce sont aujourd’hui près de 170 détenus qui dorment sur un matelas à même le sol.

 

Les conséquences sont connues: tensions accrues, insécurité pour les agents comme pour les détenus, conditions de travail qui se dégradent encore davantage, et des équipes à bout.

 

Madame la ministre, quand le personnel en arrive à devoir arrêter le travail pour se faire entendre, c’est que la situation a franchi un cap supplémentaire.

 

Dès lors, j’ai plusieurs questions:

 

Avez-vous rencontré les organisations syndicales à la suite de l’annonce de ce mouvement ? Et quels constats en tirez-vous ?

 

Quelles mesures concrètes et immédiates comptez-vous prendre pour soulager les équipes sur place et garantir leur sécurité ?

 

Enfin, pouvez-vous nous préciser le coût de la surpopulation à Haren en 2026, notamment au regard des contrats de type PPP qui prévoient des pénalités lorsque la capacité est dépassée?​

 

03.02  Annelies Verlinden, ministre: Monsieur Ribaudo, à la suite du préavis de grève, une réunion extraordinaire du comité de concertation s'est tenue le 15 avril, au cours de laquelle les préoccupations du personnel ont été abordées. Les représentants de la direction régionale y assistaient.

 

Je tiens à rappeler, d'une part, les mesures supplémentaires approuvées par le gouvernement le 20 mars afin de lutter contre la surpopulation carcérale et, d'autre part, le plan social comprenant diverses actions. Les effets de ces mesures dépassent évidemment la question de Haren, puisqu'elles s'appliquent à tous les établissements pénitentiaires.

 

Afin de garantir la sécurité tant du personnel que des détenus, il convient en premier lieu de s'attaquer au problème général de la surpopulation carcérale et de réduire le nombre de détenus contraints de dormir sur un matelas à même le sol. Les mesures décidées par le gouvernement le 20 mars, que j'ai détaillées dans mes diverses réponses lors des réunions de commission de ces dernières semaines, y contribueront.

 

En ce qui concerne les coûts liés à la surpopulation, le contrat prévoit qu'un montant supplémentaire doit être versé au-delà d'un taux d'occupation de 115 %. Ce surcoût s'élève à 15 euros par détenu et par jour pour l'entretien. Le montant pour 2026 ne peut pas encore être communiqué, car en raison de la procédure DBFM (Design, Build, Finance, Maintain), nous payons trimestriellement. Or la facture du premier trimestre de cette année n'a pas encore été traitée. Je peux toutefois indiquer qu'au quatrième trimestre 2025, il s'agissait d'une correction de 42 595,80 euros.

 

03.03  Julien Ribaudo (PVDA-PTB): Madame la ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

La presse a rapporté le propos d'un délégué syndical: "Maintenant, c'est au gouvernement de réagir, parce qu'il y en a marre!" Je peux comprendre ces mots, qui sont durs, mais vrais. Vous avez parlé de mesures qui allaient contribuer à réduire le nombre de personnes qui dorment sur un matelas à même le sol. Or, cette semaine, nous en sommes à 784 détenus dans cette situation. Il y a urgence, madame la ministre.

 

Depuis que j'ai introduit ma question relative à la sécurité des agents à la prison de Haren, la situation ne s'est pas améliorée – bien au contraire! Entre-temps, une agression a été commise à la prison de Namur. Quelques jours plus tard, une autre fut perpétrée à la prison de Mons, blessant deux agents, avec pour résultat un nez cassé, une mâchoire déformée et une commotion cérébrale. Cette violence est choquante, à tel point qu'on parle dans les journaux de sang jusqu'à l'infirmerie.

 

Voici quelques semaines, vous nous aviez partagé les chiffres relatifs aux agressions, au nombre de 294, ayant entraîné une incapacité de travail. Quand nous observons la situation actuelle, avec des chiffres qui ne font qu'augmenter, nous pouvons nous assurer que ceux de 2025 et 2026 seront encore bien pires.

 

Dans nos prisons, la sécurité de tous doit être renforcée, celle des agents comme celle des détenus. Il s’agit d’un constat partagé à tous les niveaux, tant par les agents et les syndicats que par les directeurs de prison.

 

Le directeur de la prison de Mons déclarait dans la presse: "Nous marquons notre solidarité avec les blessés. Nous partageons le sentiment de découragement face aux conditions de travail difficiles engendrées par la surpopulation, le manque de personnel et la vétusté des infrastructures." Madame la ministre, les agents sont à bout, physiquement et mentalement. Un délégué disait: "Il n’y a plus personne qui veut travailler dans les prisons. On se fait taper dessus et on nous enlève tous les rares avantages qu’on avait encore dans notre métier."

 

La vraie question est donc la suivante, madame la ministre: qui veut encore travailler dans de telles conditions? Il manque des collègues, les agents courent partout, ils n’arrivent plus à prendre leurs congés ni même à souffler. Il faut agir sur les causes, non pas avec des mesures ponctuelles mais avec des moyens structurels. Ces agents accomplissent un travail essentiel et ils méritent plus que des mots, ils méritent des actes.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de Julien Ribaudo à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La disponibilité des téléphones DECT à la prison de Haren" (56015238C)

04 Vraag van Julien Ribaudo aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Beschikbare DECT-telefoons in de gevangenis van Haren" (56015238C)

 

04.01  Julien Ribaudo (PVDA-PTB): Madame la ministre, il y a deux mois, je vous interrogeais sur la disponibilité des téléphones DECT à la prison de Haren, outils essentiels pour garantir la communication et la sécurité du personnel ainsi que des intervenants externes.

 

À l’époque, vous indiquiez que certaines difficultés existaient, notamment liées à la gestion interne des appareils, et qu’un dossier était en préparation pour leur remplacement, ainsi qu’une procédure renforcée de suivi et de traçabilité. Deux mois plus tard, les retours du terrain restent pourtant inchangés. Les agents comme les services externes continuent de faire face à un manque de téléphones disponibles, avec des conséquences concrètes: perte de temps, difficultés à travailler correctement, et surtout des risques en matière de sécurité.

 

Dans ce contexte, j’aimerais vous poser les questions suivantes: où en est aujourd’hui le dossier de remplacement des téléphones DECT à la prison de Haren? La demande a-t-elle été validée par l’Inspection des finances et un calendrier de livraison est-il désormais fixé? La nouvelle procédure de gestion et de traçabilité des appareils est-elle pleinement opérationnelle? A-t-elle permis d’améliorer concrètement la disponibilité des DECT sur le terrain?

 

04.02  Annelies Verlinden, ministre: Collègue Ribaudo, comme je l'ai indiqué dans ma précédente réponse fin février, les difficultés signalées concernent pour l'instant essentiellement la gestion interne des appareils et ne remettent pas en cause le fonctionnement général du dispositif de sécurité.

 

Fin février, l'établissement de Haren a préparé un dossier en vue du remplacement des appareils. À l'heure actuelle, je ne suis toutefois pas en mesure de fournir des informations supplémentaires à ce sujet, car le dossier contenant les données corrigées et l'offre de prix n'a pas encore été reçu. J'ai demandé à l'administration d'insister auprès de la direction locale de Haren pour que ce dossier soit traité en priorité, afin que la situation soit clarifiée à court terme et que les prochaines étapes puissent rapidement être mises en œuvre.

 

04.03  Julien Ribaudo (PVDA-PTB): Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse et j'apprécie que vous ayez insisté. Sur le terrain, la réalité est très claire: sans les téléphones DECT, on ne sait plus travailler correctement. Il y a des jours où les travailleurs extérieurs ne savent même plus travailler du tout. Les agents pénitentiaires à l'intérieur et les intervenants extérieurs ne se sentent pas en sécurité.

 

Depuis ma question posée fin février, rien n'avance. Comme vous l'avez rappelé dans votre réponse précédente, il existe des boutons d'alarme fixes, mais vous savez très bien que ce n'est pas suffisant. Un bouton fixe, il faut pouvoir l'atteindre, alors qu'un DECT est un outil mobile et immédiat qui permet d'alerter, d'être localisé et d'intervenir sans perdre de temps. Dans une prison, chaque seconde compte. Une seconde peut faire la différence entre un incident maîtrisé et un drame. La semaine dernière encore, quatre agents à Haren ont dû travailler sans DECT, se retrouvant donc privés d'un outil essentiel à leur sécurité. Les DECT ne sont pas du confort, mais une condition minimale pour pouvoir travailler en sécurité.

 

Par ailleurs, les syndicats n'ont toujours aucune visibilité sur un calendrier clair. Il n'y a pas non plus de réponse concrète sur l'appel à projets. Le sentiment sur le terrain est très clair. Je cite un des délégués qui a relayé l'information: "Madame la ministre, on se sent abandonnés et on doit se débrouiller comme on peut."

 

Madame la ministre, ce n'est pas tenable. Ce que demandent les agents, ce n'est pas du confort, mais simplement de pouvoir travailler en sécurité. Je continuerai donc de vous interroger sur cette situation inacceptable.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van Jeroen Soete aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De politiecampagne "Game Over?!" voor geldezels" (56015361C)

05 Question de Jeroen Soete à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La campagne de la police "Game over?!" visant les mules financières" (56015361C)

 

05.01  Jeroen Soete (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, in Nederland werd de voorbije weken een spraakmakende campagne gelanceerd door het openbaar ministerie en de politie. In een eerste fase worden geblurde foto’s gepubliceerd van geldezels, verdachten in bankhelpdeskfraude, om zo druk op te voeren en verdachten de kans te geven om zich aan te geven. Vervolgens zal worden overgegaan tot publicatie van ongeblurde en dus herkenbare beelden van de verdachten. Doel is uiteraard om hen op te sporen, maar het dient ook als afschrikking. Ik las in de laatste update dat ondertussen 72 van de 100 verdachten op die manier geïdentificeerd zijn.

 

Dat wekt uiteraard mijn interesse, vooral omdat ik ook in de pers vernam dat het vanuit de Belgische parketten niet overwogen wordt. Het is misschien een afweging tussen enerzijds afschrikking en anderzijds de pakkans. We voeren dezelfde strijd en het is niet de bedoeling dat we de criminelen slimmer maken. Ik wil echter graag eens polsen bij u. Welke algemene overwegingen spelen mee om geen gelijkaardige campagne in België op te zetten?

 

Het spreekt immers tot de verbeelding. Die geldezels, vaak jongelui, laten zich door de lokroep van het snelle geld inschakelen, om snel een centje bij te verdienen, zonder veel rekening te houden met de grote schade die ze aanrichten aan de maatschappij en aan vele mensen. Daarom stel ik u vandaag toch eens deze vraag.

 

05.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Soete, de strijd tegen geldezels is, zoals u zelf ook aangeeft, van cruciaal belang. Het publiceren van foto’s van verdachten lijkt in België evenwel geen geschikte aanpak. Een dergelijke maatregel kan dan ook niet worden onderschreven, aangezien het vermoeden van onschuld voor ons een heel fundamenteel beginsel van onze rechtsstaat uitmaakt. Bovendien legt het Belgische en Europese wettelijke kader inzake de bescherming van de privacy en persoonsgegevens strenge beperkingen op aan dergelijke praktijken, in het bijzonder voor het portretrecht.

 

Een dergelijke maatregel moet op een duidelijke wettelijke grondslag berusten, een legitiem doel dienen en het evenredigheidsbeginsel in acht nemen. De vraag kan ook worden gesteld of die aanpak wel doeltreffend is, aangezien geldezels vaak kwetsbare personen zijn die door georganiseerde criminele netwerken worden gerekruteerd. Het risico bestaat dat de aanpak vooral de uitvoerders treft, zonder dat de leiders van de netwerken zelf worden geraakt.

 

Een dergelijke aanpak moet volgens de informatie die wij krijgen gereguleerd, noodzakelijk en evenredig zijn. Daarom wordt in het huidige stadium niet voor die aanpak gekozen.

 

05.03  Jeroen Soete (Vooruit): Ik dank u voor uw antwoorden.

 

Ten eerste, het portretrecht van die crimineel is niet het meest overtuigende argument in dit geval. Na de dramatische verhalen die ik nog elke dag binnenkrijg, is dat misschien ook wel boontje komt om zijn loontje.

 

Ten tweede, uw antwoord geeft deels het idee dat u niet achter de kleine criminelen, de geldezels, aangaat. Ik snap dat want bij drugdealers wordt ook gefocust op de grote netwerken en de grote criminelen achter de carrousels. In dit geval is de schade die wordt aangericht door de medewerking van de geldezels voor mij echter van een heel andere orde. Cannabis verkopen aan iemand die cannabis wil roken, is iets anders dan iemands geld stelen en zijn spaarrekening leegroven.

 

Doeltreffendheid lijkt mij uiteraard een argument dat moet worden meegenomen in de evaluatie. Van de 100 verdachten die zwart op wit verdacht waren van het afhalen en pinnen van geld van andere mensen, zijn er 72 opgepakt. Nederlands is daarbij niet lichtzinnig te werk gegaan. Het feit dat 72 van de 100 verdachten zijn opgepakt, geeft ook het signaal aan de geldezels, die vaak erg jong en soms kwetsbaar zijn, dat zij daar niet zomaar mee zullen kunnen wegkomen.

 

Ik dank u echter voor uw antwoorden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van Alexander Van Hoecke aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De interpretatie van het begrip 'magazijn' bij semi-automatische vuurwapens" (56015454C)

06 Question de Alexander Van Hoecke à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L'interprétation de la notion de "chargeur" pour les fusils de chasse semi-automatiques" (56015454C)

 

06.01  Alexander Van Hoecke (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Het gebruik van semi-automatische vuurwapens bij de jacht is aan voorwaarden onderworpen.Vanuit de administratie wordt meer en meer verwezen naar het feit dat de lader van een semi-automatisch vuurwapen vast moet bevestigd zijn aan het vuurwapen.Art 9 van het Vlaamse Jachtvoorwaardenbesluit vestigt in het tweede lid,1° een verbod op het gebruik van “semiautomatische of automatische geweren waarvan het magazijn meer dan twee patronen kan bevatten".In deze bepaling wordt geen gebruik gemaakt van de term “lader", maar wel van “magazijn".Onder “magazijn" wordt in algemene zin het onderdeel van een vuurwapen verstaan waarin patronen worden opgeslagen en van waaruit zij één voor één naar de kamer worden toegevoerd.“Lader" wordt in de praktijk vaak als synoniem gebruikt, maar heeft een meer specifieke invulling.In de Wapenwet wordt een “lader" immers expliciet gedefinieerd als een uitneembaar onderdeel dat patronen bevat en deze in een vuurwapen kan brengen.“Magazijn"daarentegen wordt niet afzonderlijk gedefinieerd, wat erop wijst dat het een ruimere betekenis heeft. De gemeenschappelijke kern van alle definities is dat een magazijn functioneel wordt omschreven als een systeem voor opslag en toevoer van munitie, ongeacht of dit vast ingebouwd of uitneembaar is.Ook de Europese Vuurwapenrichtlijn, met name Richtlijn (EU) 2021/555 van 24 maart 2021, bevestigt deze benadering. Overweging 34 verwijst expliciet naar zowel vuurwapens met een vast magazijn als vuurwapens met een afneembaar magazijn met hoge capaciteit.

 

1. Is de minister op de hoogte van het feit dat haar administratie systematisch lijkt uit te gaan van de interpretatie dat het magazijn vast aan het semi-automatisch vuurwapen bevestigd moet zijn?

2. Op welke juridische grondslag baseert de administratie deze interpretatie, gelet op het feit dat de regelgeving zelf geen onderscheid maakt tussen vaste en afneembare magazijnen?

3. Deelt de minister de analyse dat het begrip “magazijn" in de relevante regelgeving functioneel wordt ingevuld en zowel vaste als afneembare systemen omvat?

4. Is de minister van oordeel dat de huidige beperkende interpretatie door haar administratie in overeenstemming is met de Benelux-regelgeving, de Europese Vuurwapenrichtlijn (EU) 2021/555 en de gangbare internationale terminologie?

5. Is de minister bereid haar administratie opdracht te geven om af te stappen van deze beperkende interpretatie dat het magazijn noodzakelijk vast aan het vuurwapen moet bevestigd zijn, teneinde rechtszekerheid te bieden aan jagers en betrokken actoren?

 

06.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, als minister van Justitie ben ik verantwoordelijk voor de correcte toepassing en de handhaving van de federale wapenwet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. Die wet bepaalt de algemene regels voor het bezit, de overdracht en de opslag van vuurwapens, beperkt zich tot het indelen van de wapens in categorieën en verbindt aan elke categorie de nadere regels voor de uitoefening van economische en individuele activiteiten met die wapens. Ze spreekt zich niet uit over de voorwaarden waaronder de jacht mag worden beoefend, aangezien de voorwaarde voor het gebruik van semiautomatische vuurwapens bij de jacht onder de exclusieve bevoegdheid van de gewesten valt. Als de gewestelijke administraties strengere technische eisen stellen aan laders of magazijnen specifiek voor de uitoefening van de jacht, dan is dat een uitvoering van de regionale jachtdecreten.

 

Ik heb geen formele kennis van, noch zeggenschap over de interne instructies van gewestelijke administraties aan hun jachtinspecteurs. Ik zou moeten voorstellen dat u die vraag richt aan mijn collega-ministers in de gewestelijke regering, aangezien zij bevoegd zijn voor het natuurbeheer en de jacht.

 

06.03  Alexander Van Hoecke (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik noteer dat de gewesten bevoegd zijn en zal de vraag doorgeven aan collega's in het Vlaamse Parlement, want, zoals u weet, kan ik geen vragen rechtstreeks richten aan de gewestelijke ministers.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de Claire Hugon Lecharlier à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La transposition de la directive sur la criminalité environnementale" (56015472C)

07 Vraag van Claire Hugon Lecharlier aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De omzetting van de richtlijn milieucriminaliteit" (56015472C)

 

07.01  Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Madame la ministre, il y a bientôt deux ans, le Parlement européen et le Conseil ont adopté la directive 2024/1203 relative à la criminalité environnementale, qui établit des infractions et des sanctions pénales afin de protéger plus efficacement l’environnement et pour mettre fin à l’impunité en matière environnementale au sein de l’Union européenne. Cette révision de la directive de 2008 a constitué une avancée majeure. L’Union européenne s’est ainsi dotée de l’une des législations les plus ambitieuses au monde pour lutter plus efficacement contre les crimes environnementaux et pour mieux protéger les personnes qui pâtissent souvent de ces atteintes. Le délai de transposition par les États membres expire, si je ne me trompe pas, le 21 mai prochain.

 

Dès lors, madame la ministre, je souhaiterais savoir où en est le travail de transposition de cette directive par la Belgique. Serons-nous prêts à temps? Concernant les choix que vous entendez opérer, la directive n’établissant que des normes minimales, laissant ainsi aux États membres la possibilité d’adopter des mesures plus ambitieuses au niveau national, la Belgique a-t-elle l’intention d’aller au-delà de ces exigences minimales? Si tel est le cas, quelles options sont-elles actuellement envisagées?

 

Je souhaite attirer votre attention plus particulièrement sur le fait que la directive laisse aux États membres le choix entre deux possibilités en matière d’amendes infligées aux entreprises: celles-ci peuvent être fixes ou en pourcentage du chiffre d’affaires mondial de l’entreprise concernée. Il s’agit donc d’un choix important à opérer lors de la transposition de la directive. Opter pour des montants fixes pourrait, je le crains, conduire à des situations un peu absurdes, qui ne tiennent pas compte de la situation financière de l'entreprise. Je souhaiterais donc savoir si la Belgique envisage de privilégier des amendes proportionnelles au chiffre d’affaires.

 

07.02  Annelies Verlinden, ministre: Collègue Hugon Lecharlier, les travaux relatifs à la transposition de la directive en sont actuellement à un stade avancé de préparation. La transposition s'effectue par le biais de modifications apportées tant à la législation environnementale régionale qu'à une série de lois spéciales fédérales. Concrètement, les Régions assument une part importante de cette transposition, étant donné que ces infractions environnementales relèvent, en grande partie, de leurs compétences en Belgique.

 

Bien que tous les efforts soient déployés pour transposer la directive dans les meilleurs délais, force est de constater que le délai de transposition fixé au 21 mai 2026 ne sera pas respecté. Cela s'explique notamment par le caractère transfrontalier et transversal de la directive et par la coordination nécessaire entre les entités compétentes. Chaque entité prépare, dans le cadre de ses compétences respectives, les initiatives réglementaires nécessaires.

 

En ma qualité de ministre de la Justice et de la Mer du Nord, je me limiterai aux aspects relevant de mes compétences et renverrai pour les autres éléments à mes collègues du niveau fédéral et des entités fédérées.

 

Une grande partie de la directive est déjà couverte par le droit pénal belge existant et le nouveau Code pénal. Seules des adaptations limitées et ciblées sont nécessaires. Ainsi, le délit d'écocide a été introduit par l'article 94 du nouveau Code pénal, dont la définition a été légèrement adaptée afin de se conformer à la directive européenne. Cette modification est reprise dans la loi de réparation du 16 mars 2026. La loi relative au milieu marin est également mise en conformité avec les dispositions de la directive sur la criminalité environnementale.

 

L'accord de gouvernement prévoit que, lors de l'élaboration de nouvelles législations, il convient de veiller à éviter ce que l'on appelle le gold plating ou surtransposition afin de ne pas pénaliser inutilement la compétitivité intra-européenne de nos entreprises. Il n'y aura donc pas de gold plating.

 

L'article 7, alinéa 3 de la directive stipule que les personnes morales doivent pouvoir être sanctionnées par des amendes proportionnelles à la gravité de l'infraction et à la capacité financière de l'entreprise. Dans ce cadre, toutes les entités compétentes examinent attentivement les différentes possibilités, y compris tant les amendes fixes que les sanctions liées au chiffre d'affaires. Lors de la mise en œuvre concrète, il sera tenu compte de la gravité des faits, du préjudice environnemental potentiel et de la capacité financière des personnes morales concernées.

 

Je tiens à souligner que le système juridique belge prévoit déjà un large éventail de sanctions et de mesures supplémentaires à l'égard des personnes morales. Il s'agit notamment de mesures de réparation, d'interdiction d'exploitation et de fermeture d'établissement.

 

Dans certains cas, ces mesures peuvent entraîner un certain impact au moins aussi significatif que l'amende elle-même et elles constituent donc un élément essentiel de l'arsenal de sanctions.

 

07.03  Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Madame la ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

Je conçois bien qu'il est compliqué de transposer une directive lorsqu'elle concerne des compétences qui, en Belgique, sont éclatées entre plusieurs entités. Néanmoins, il est dommage que le délai de transposition ne pourra pas être respecté. À ce titre, j'avais noté que, dans votre note de politique générale, vous mentionniez certaines directives comme devant être transposées en raison de leur importance. Or celle-ci n'en faisait pas partie.

 

Serait-il possible d'obtenir une vision relative à la transposition des articles de la directive par telle ou telle entité? Si je dépose une question écrite, madame la ministre, vous pourriez me transmettre une réponse sur la manière dont la directive sera ventilée dans notre législation. Peut-être pourrez-vous ainsi nous transmettre une information.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van Maaike De Vreese aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De instemmingswet tot het verdrag Belgie-Cambodja inzake de tussenstaatse overbrengingen" (56015473C)

08 Question de Maaike De Vreese à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La loi d’assentiment au traité Belgique-Cambodge concernant les transfèrements interétatiques" (56015473C)

 

08.01  Maaike De Vreese (N-VA): Mevrouw de minister, recent stelde ik u een schriftelijke vraag over de tussenstaatse overbrengingen van veroordeelde personen. U antwoordde dat het verdrag tussen België en Cambodja recent werd ondertekend. We konden dat trouwens ook vernemen in de pers.

 

De instemmingswet wordt momenteel voorbereid door de FOD Justitie en de FOD Buitenlandse Zaken. U zei dat de Brugse onderdaan Tanguy Taller bijgevolg al een aanvraag kon indienen voor zijn overbrenging. We weten allemaal dat hij al een zevental jaar in een Cambodjaanse gevangenis opgesloten zit en dat er al verschillende keren, ook door uw voorganger, de heer Van Tigchelt, contacten werden gelegd om hem naar België over te brengen en zijn straf hier te laten uitzitten.

 

Het verdrag werd op 23 januari 2026 officieel ondertekend in Phnom Penh. U zei in uw antwoord op mijn schriftelijke vraag dat de heer Taller een aanvraag tot overbrenging kon indienen en ik heb uit heel goede bron vernomen dat dit onmiddellijk na de ondertekening van het verdrag ook is gebeurd. Betrokkene verblijft reeds sinds 2018 in Cambodja in detentie. Tegen die achtergrond is het belangrijk te weten waar de procedure vandaag precies staat en wat dit concreet betekent voor zijn effectieve overbrenging, zeker omdat blijkt dat de specifieke aanvraag waarnaar u in uw schriftelijk antwoord verwees reeds geruime tijd geleden werd ingediend.

 

Het verdrag met Cambodja dat werd ondertekend, heeft niet alleen Tanguy Taller zelf, maar ook zijn familie, stiefvader en vrienden hoop gegeven dat hij eindelijk naar hier zou kunnen worden overgebracht. Zij wachten daar al heel lang op. U hebt wellicht ook de zaak van Olivier Vandecasteele gevolgd. Dat was heel confronterend voor hen, omdat zij Tanguy nog niet terugkregen, terwijl dat ook voor hem toch zou moeten kunnen.

 

Ik heb daarom de volgende vragen. Wat is vandaag de precieze stand van zaken van de instemmingswet houdende instemming met het verdrag tussen België en Cambodja over de overplaatsing van veroordeelden? Wilt u daarop wachten en waarom? Daarover had onder andere uw voorganger, de heer Vantigchelt, immers een andere mening.

 

Welke stappen zijn intussen al gezet in dit dossier en wanneer verwacht u effectieve stappen te zullen zetten? Welke concrete implicaties heeft het uitblijven van de instemmingswet vandaag? Welke stappen kunnen in individuele dossiers wel al worden gezet en welke nog niet? De vrees bestaat immers dat het na de ondertekening van een dergelijke instemmingswet nog lang kan duren omdat er daar niet echt een termijn aan verbonden is. Ik weet dat uit ervaring omdat ik die dossiers in het verleden heb opgevolgd, maar u mag mij verbeteren als dat niet juist zou zijn.

 

Welke obstakels verhinderen vandaag nog de effectieve overbrengingen vanuit Cambodja en binnen welke termijn verwacht u vooruitgang? Bedankt.

 

08.02 Minister Annelies Verlinden: Collega De Vreese, zoals u weet, heb ik zelf aangedrongen op het bilaterale verdrag met Cambodja met het oog op de overbrenging van de heer Taller. Ik kaartte dat onder meer vorig jaar aan in een onderhoud met de eerste minister van Cambodja. Ik heb ook aan mijn diensten gevraagd te bekijken of een voorlopige toepassing van het verdrag mogelijk is in afwachting van de ratificatie. Helaas blijkt dat juridisch niet mogelijk en is de ratificatie door beide verdragspartijen een noodzakelijke voorwaarde. De procedure is momenteel nog lopende.

 

De nota met het voorontwerp van instemmingswet werd bezorgd aan de Inspectie van Financiën voor advies. Zolang die fase niet is afgerond, is het niet mogelijk een precieze timing naar voren te schuiven. We volgen het dossier echter nauwgezet op en het wordt actief verder behandeld.

 

Aangezien de instemmingswet nog niet is aangenomen, kunnen nog geen formele uitvoeringsstappen worden gezet. Wel hebben mijn diensten via de FOD Buitenlandse Zaken verduidelijkt dat de betrokkene al een individueel verzoek tot overbrenging kan indienen. Het dossier evolueert dus verder binnen de bestaande mogelijkheden, al blijft voorzichtigheid geboden wat de verdere timing betreft. U kunt er evenwel op rekenen dat we er alles aan doen binnen onze controle om zo snel mogelijk vooruitgang te boeken.

 

08.03  Maaike De Vreese (N-VA): Bedankt, minister. Het pijnlijke in die zaak en in uw antwoord is natuurlijk dat in het verleden wel werd beloofd dat betrokkene vanaf het moment van ondertekening van het verdrag onmiddellijk zou worden overgebracht en dat niet moest worden gewacht op dat instemmingsverdrag. Er worden toch ook mensen bilateraal overgebracht zonder dat er zelfs een verdrag is ondertekend. Is dat zo of niet? Waarom kan er in dezen dan toch niet sneller worden gegaan? We hebben al gesprekken gehad met Cambodja. Ook de timing blijft voor mij moeilijk in te schatten, want volgens mij moet Cambodja ook nog ondertekenen. Heb ik dat mis? Ligt de bal alleen in ons kamp en kunnen er daarna verdere stappen worden gezet, of zijn we ook nog afhankelijk van een ondertekening door de Cambodjaanse autoriteiten?

 

Zijn vraag is ingediend onmiddellijk na de ondertekening van het verdrag. Ik begrijp dat zijn familie en vrienden nu met heel grote vragen zitten over de timing. Ik wil u dan ook echt ondersteunen in de zoektocht naar mogelijke oplossingen voor de overbrenging van de heer Taller, in nauw contact met zijn dichte familie, de consul en de Cambodjaanse autoriteiten.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de Claire Hugon Lecharlier à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La mise en place des recommandations du rapport 2025 de Myria" (56015479C)

09 Vraag van Claire Hugon Lecharlier aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De uitvoering van de aanbevelingen uit het Myriaverslag 2025" (56015479C)

 

09.01  Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Madame la ministre, le Centre fédéral Migration (Myria) a récemment présenté en commission son rapport annuel 2025 consacré à la traite et au trafic des êtres humains. Cette année, le rapport met l’accent sur les vulnérabilités psychologiques des victimes et sur la manière dont les différents acteurs, en particulier ceux du monde judiciaire, les prennent en compte afin de prévenir la victimisation secondaire. Le rapport documente notamment des conséquences graves de l’exploitation, comme le stress posttraumatique, la dissociation ou encore laltération de la mémoire, etc. Autant d’éléments qui doivent impérativement guider les pratiques daudition et, plus largement, lensemble de la prise en charge judiciaire.

 

Ce rapport s’inscrit par ailleurs dans un contexte européen important, puisque l’Union européenne a adopté en 2024 la directive 2024/1712, qui modifie la directive antitraite précédente. Cette nouvelle directive impose aux États membres de nouvelles obligations en matière de prévention, de protection des victimes et de réponse pénale. Elle prévoit notamment lorganisation de formations régulières et spécialisées, étendues à un plus grand nombre de professionnels susceptibles d’être en contact avec les victimes. Or, au moment où Myria a clôturé son rapport, en septembre 2025, aucun projet de transposition n’était encore connu. La Belgique devra pourtant, si je ne me trompe pas, se conformer à cette directive au plus tard pour le 15 juillet 2026.

 

Madame la ministre, concernant la transposition de la directive, pouvezvous nous indiquer où en sont les travaux? Sur quels aspects entendezvous mettre la priorité dans le cadre de la transposition? Disposezvous dun calendrier pour le dépôt dun projet de loi?

 

S’agissant des formations, Myria recommande que la magistrature puisse bénéficier de formations spécifiques et régulières portant sur les vulnérabilités psychologiques et les besoins spécifiques des victimes. Quelles mesures concrètes avezvous déjà mises en place ou envisagezvous dans ce cadre? Quels échanges avezvous avec vos collègues compétents pour les autres catégories professionnelles visées par la directive, comme les policiers, les services dassistance et daide, les inspecteurs du travail, les services sociaux ou encore les professionnels de la santé? 

 

Le rapport formule également une recommandation spécifique visant à porter le délai de réflexion accordé aux victimes de 45 jours à trois mois, afin de mieux tenir compte des effets du traumatisme, qui ne permet pas toujours aux personnes concernées d’être prêtes à temps. Seriezvous disposée à soutenir une telle évolution? Par ailleurs, Myria demande de garantir à toutes les victimes l'accès à une assistance juridique gratuite dès le début de l’enquête et tout au long de la procédure. Comptezvous donner suite à cette recommandation et, le cas échéant, de quelle manière? Enfin, les plans d’action nationaux relatifs à la traite et au trafic des êtres humains sont arrivés à échéance, si je ne m’abuse, à la fin de l’année 2025. Pouvezvous nous indiquer quand de nouveaux plans daction seront présentés et quelles en seront les priorités?

 

09.02  Annelies Verlinden, ministre: Collègue Hugon Lecharlier, concernant la transposition de la directive, un groupe de travail dirigé par mon administration et associant des magistrats spécialisés a rédigé un projet de texte répondant aux exigences de la nouvelle directive. Le projet est à ce stade soumis à mon cabinet pour la poursuite des travaux. Comme la Belgique respecte déjà partiellement les prescrits de cette nouvelle directive, nous notifierons une mise en œuvre partielle à ce stade, mais il est bien dans mon intention que les dernières adaptations puissent être adoptées cette année.

 

Les formations sur la traite des êtres humains existent et sont dispensées régulièrement dans les différentes administrations, qu'il s'agisse de la magistrature, des services de police ou d'autres départements. À titre d'exemple, la direction thématique TEH de l'ONSS organise une formation principalement axée sur l'exploitation économique pour tous les inspecteurs sociaux qui entrent en service au sein de l'ONSS. Elle organise également ponctuellement une formation destinée aux inspecteurs seniors de l'ONSS.

 

À l'heure actuelle, il n'est pas prévu de prolonger le délai de réflexion pour les victimes: d'une part la matière des titres de séjour relève de ma collègue en charge de l'Asile et de la Migration, d'autre part prolonger ce délai peut également avoir des effets pervers. En effet, à la suite des discussions antérieures, il avait été relevé qu'un délai de 45 jours fixait aussi un cadre pour les victimes. Par ailleurs, la prolongation des délais peut aussi avoir comme conséquence d'engorger la capacité des centres d'accueil, qui reste limitée. Je privilégierais dès lors plutôt une réflexion sur les possibilités de prolongation dans ces cas exceptionnels.

 

En matière d'assistance juridique de deuxième ligne, le système actuel est fondé sur une absence de revenus générale, ou sur l'urgence qui permet de soutenir les victimes les plus vulnérables.

 

Enfin, les projets de nouveau plan d'action ont été présentés en cellule interdépartementale de coordination, dont la réunion s'est tenue le 2 avril. Ils sont donc dans une étape ultérieure de validation et nous espérons pouvoir les adopter prochainement. Le plan d'action visant à lutter contre la traite des êtres humains s'axe sur différents aspects: la transposition de la directive, la mise en œuvre de certaines recommandations du Parlement et la sensibilisation du public des mineurs d'âge.

 

09.03  Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Merci, madame la ministre, pour ces éclaircissements. Vous avez effectivement apporté des éléments utiles en réponse à mes questions.

 

En ce qui concerne la prolongation du délai de réflexion, j'entends bien qu'elle ne figure pas à l'ordre du jour actuellement et que cette décision ne dépend pas uniquement de vous. Mais cette prolongation est une recommandation de la commission parlementaire spéciale. Il serait donc utile d'y réfléchir à nouveau. J'entends bien aussi l'argument selon lequel nous risquerions d'engorger les centres d'accueil. Cependant, on peut, effectivement, prévoir de dégager les moyens nécessaires pour accueillir toutes les victimes qui y ont droit. Il semble y avoir un large consensus parmi les experts pour considérer que ce délai de 45 jours peut s'avérer insuffisant. Je note votre intention de pouvoir adopter prochainement les plans d'action ainsi que votre engagement à adopter les dernières adaptations liées à la transposition de la directive révisée cette année encore. C'est une bonne nouvelle.

 

Quant aux formations, Myria met réellement l'accent sur cet aspect. Sa recommandation n° 7, dans son rapport 2025, invite d’ailleurs à encourager la prise en compte du fonctionnement de la mémoire lors des auditions, car celui-ci peut expliquer certaines incohérences dans les récits des victimes, etc. Elle insiste sur la nécessité de développer des formations spécifiques portant sur ces vulnérabilités psychologiques.

 

On notera aussi des souhaits relatifs à l'octroi d'assistance juridique gratuite à toutes les victimes de traite. L'accord de gouvernement prévoit déjà une telle aide pour les victimes d'infractions graves, portant atteinte à leur intégrité physique et sexuelle. Myria recommande d'étendre cette assistance juridique à l'ensemble des victimes de traite. J'espère que cette mesure sera intégrée dans les prochaines étapes de vos travaux.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van Alain Yzermans aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De recidivemonitor" (56015483C)

10 Question de Alain Yzermans à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le moniteur de la récidive" (56015483C)

 

10.01  Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, de recidive of de graad van terugval van veroordeelden is meestal een referentie voor de doeltreffendheid van een strafsysteem. De bepaling van de recidive staat ook als een van de uitdagingen in het regeerakkoord. Het is belangrijk dat we de recidive naar beneden krijgen. Lagere recidive wijst immers op een beter maatschappelijk klimaat en op een dynamischer detentiebeleid, wat leidt tot meer integratie en reclassering. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat de bepaling van de recidivegraad niet zo eenduidig is.

 

We hebben vernomen dat u van het NICC voorlopige resultaten hebt ontvangen. Wat zijn die resultaten?

 

Wat is het verdere traject daaromtrent?

 

Wanneer mogen we de eerste resultaten of de eindresultaten van die recidivemonitor kennen?

 

Tot nu toe hanteren we als parameter voor de recidive in België meestal 70 % en dat is zeer hoog in vergelijking met andere Europese landen. Zijn er indicaties dat de recidive hier toch lager is dan 70 %, wat meestal als gemiddelde wordt gehanteerd.

 

10.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Yzermans, het NICC rondt samen met de FOD Justitie de werkzaamheden in verband met de recidivemonitor op basis van het Centraal Strafregister. Het NICC zal voor de zomer een samenvattende wetenschappelijke publicatie verspreiden, met daarin de voornaamste cijfers, trends en patronen op basis van die monitor.

 

Het werk van het NICC behelst trouwens het opstellen van meerdere monitoren, waaronder ook een monitor over wederopsluiting, en het opzetten van een evaluatieonderzoek, waarbij wordt gekeken naar de effecten van straffen of maatregelen en de uitvoering daarvan. Dat is een langetermijnopdracht, waarbij het NICC wordt geconfronteerd met de uitdaging om data uit verschillende databanken, zowel van binnen als van buiten Justitie, aan elkaar te koppelen, nog los van de uitdagingen op het vlak van toegang tot die data.

 

Er is geen internationale of Europese benchmark voor recidive van ex-gedetineerden. Internationaal hangt de meting van recidive sterk af van wat en hoe wordt gemeten, bij welke groepen, hoelang wordt gemeten en op basis van welke bronnen. Het courantst gebeurt dat op basis van arrestaties, vervolgingen of veroordelingen tot een vrijheidsstraf. Er moet dus op worden toegezien dat dezelfde zaken met elkaar worden vergeleken om trends te kunnen ontwaren.

 

Een pas verschenen studie uit Frankrijk wijst bijvoorbeeld op circa 60 % recidive van ex-gedetineerden binnen de vijf jaar na vrijlating. Die cijfers lijken vrij constant. Het NICC werkt aan een gelijkaardig onderzoek dat de komende zomer zal worden gepubliceerd, waarin zowel recidive als wederopsluiting wordt onderzocht. De eerste resultaten wijzen alvast op vrij vergelijkbare cijfers met de Franse studie.

 

10.03  Alain Yzermans (Vooruit): Wetenschappelijk gebaseerd detentiebeleid heeft nood aan dergelijke instrumenten. We kijken uit naar de eerste resultaten van dat rapport en hopen daar ook conclusies uit te kunnen trekken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van Alexander Van Hoecke aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De problemen bij de Moslimraad van België" (56015516C)

11 Question de Alexander Van Hoecke à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les problèmes au sein du Conseil musulman de Belgique" (56015516C)

 

11.01  Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, het is al even geleden dat ik vragen over de Moslimraad van België heb gesteld. Recent heeft ons een brief bereikt van de Brusselse leden van de algemene vergadering van de Moslimraad, waarin zij aangeven dat ze weigeren deel te nemen aan de vergadering die op 25 april gepland was. In die brief geven ze aan dat ze ernstige en aanhoudende bezorgdheden hebben over het bestuur, de transparantie en de institutionele werking van de Moslimraad. Die brief zou ook aan uw kabinet zijn gericht. Mevrouw de minister, ik heb hierover een heel aantal vragen.

 

Ten eerste, kunt u een stand van zaken geven met betrekking tot de werkzaamheden van de Moslimraad in 2026? U weet dat het tijdelijk mandaat vorig jaar werd verlengd. Zij hebben geen definitieve erkenning gekregen. Het mandaat werd tot 25 juni van dit jaar verlengd, dus nog ongeveer twee maanden. Ik vraag me af welke werkzaamheden ondertussen hebben plaatsgevonden. Zijn er nog specifieke problemen opgedoken? Zo ja, dewelke? Werd u daarvan op de hoogte gebracht en hoe? Hoe werd ondertussen werk gemaakt van een meer representatieve vertegenwoordiging? Dat was een van de kernpunten waarom geen definitieve erkenning kon worden verleend.

 

Ten tweede, hoe volgt u zelf de werkzaamheden van de Moslimraad op? Heeft er dit jaar al een fysiek overleg plaatsgevonden tussen u en vertegenwoordigers van de Moslimraad? Zo ja, wanneer en waarover ging dat overleg? Brengt de Moslimraad ook periodiek verslag van haar werkzaamheden uit? Daar heb ik vorig jaar ook op gehamerd. Dat is iets dat blijkbaar niet echt gebeurde.

 

Ten derde, kunt u wat meer toelichting geven bij het schrijven van de Brusselse leden van de algemene vergadering van de Moslimraad? Hebt u dat schrijven beantwoord? Kunt u toelichten waarover dit concreet gaat? Hebt u naar aanleiding van het schrijven van de leden van de algemene vergadering contact opgenomen met de voorzitter van de Moslimraad? Zo ja, wat was de reactie? Zo neen, waarom niet en zult u dat nog doen?

 

11.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, ik verwijs u, ten eerste, graag naar mijn antwoorden op eerdere mondelinge vragen nrs. 6.318, 6.468 en 10.875 en naar de interpellatie nr. 95 die u, de heer Yzermans en mevrouw Yigit stelden met betrekking tot de Moslimraad.

 

De vzw Moslimraad van België werd bij koninklijk besluit van 12 juni 2023 op initiatief van de toenmalige minister van Justitie voor een periode van twee jaar erkend als voorlopig representatief orgaan van de islamitische eredienst in België. Die erkenning werd bij koninklijk besluit van 16 juni 2025 verlengd tot 26 juni 2026.

 

De Moslimraad werd daarbij belast met het opzetten van een proces voor de vernieuwing van het orgaan en met het garanderen van de continuïteit van de taken van algemeen belang met betrekking tot het beheren van de temporaliën. Conform artikel 21 van de Grondwet, dat de onafhankelijkheid van de eredienst ten aanzien van de staat waarborgt, voert de Moslimraad die taken in alle onafhankelijkheid uit.

 

Sinds mijn aantreden als minister van Justitie heeft de Moslimraad mijn diensten en mij op verschillende momenten geïnformeerd over zijn werkzaamheden, ook in 2026. Er vinden geregeld contacten plaats met de administratie en met diverse overheidsinstanties op federaal en regionaal niveau over lopende dossiers die de islamitische eredienst aanbelangen.

 

De Moslimraad blijft benadrukken een organisatie te willen zijn die losstaat van buitenlandse invloeden en neemt initiatieven om diverse stromingen en etnische achtergronden rond de tafel te brengen. De Moslimraad blijft ook aangeven open te staan voor samenwerking met alle stromingen. De statuten leggen dat ook structureel vast.

 

De Moslimraad zet met andere woorden zijn traject voort en garandeert op die manier de continuïteit van de dienstverlening. Het is voor de overheid belangrijk te kunnen rekenen op een transparant, representatief orgaan dat een zo breed mogelijk draagvlak nastreeft. De Moslimraad zet met die ambitie zijn traject voort. Daarbij is het aan de moslimgemeenschap zelf om zich te organiseren.

 

Ik heb kennisgenomen van de brief van enkele Brusselse leden van de algemene vergadering van de Moslimraad. Het gaat niet om alle Brusselse leden, zoals betrokkenen doen uitschijnen. Ik verneem dat enkele en telkens dezelfde leden kritiek uiten op het bestuur van de Moslimraad sinds de bestuurswissel in 2025. Het is niet helemaal duidelijk op basis van welke feiten dat gebeurt en evenmin wat daarmee wordt beoogd. In elk geval hebben mijn diensten op dit moment geen weet van onregelmatigheden.

 

Het is vanzelfsprekend niet aan de minister van Justitie om zich uit te spreken over louter interne aangelegenheden. De interne bestuurlijke werking van de vzw Moslimraad van België wordt beheerst door de vzw-wetgeving. Mijn diensten blijven evenwel, zoals voor de andere erkende erediensten en de vrijzinnigheid en zonder zich te mengen in interne aangelegenheden, de administratieve samenwerking op periodieke wijze opvolgen. De Moslimraad rapporteert ook daaromtrent.

 

11.03  Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, eerst en vooral mijn dank om te verwijzen naar de vele mondelinge vragen die ik en andere collega’s hierover al hebben gesteld.

 

Ik heb toch een beetje een déjà-vugevoel. De deadline om een beslissing over de Moslimraad te nemen, ligt nog maar twee maanden in het verschiet. U stelt dat er op dit moment geen problemen zijn. De Moslimraad staat open voor alle stromingen en etniciteiten en er is geen sprake van buitenlandse inmenging. Ik ben eerlijk gezegd zeer benieuwd wat dat over twee maanden zal geven. De brief waarin vier Brusselse leden van de algemene vergadering verklaren dat ze de algemene vergadering niet meer willen bijwonen, is een teken aan de wand dat het daar nog steeds een rommeltje is.

 

Tot slot blijf ik benadrukken dat de belangrijkste reden voor het uitblijven van een definitieve erkenning het gebrek aan representativiteit van de Moslimraad was. In de praktijk betekent dat dat Diyanet en Milli Görüş geen deel uitmaken van de Moslimraad. Diyanet en Milli Görüş zijn instrumenten van buitenlandse inmenging, daar kan niemand omheen. Als u zegt dat u de Moslimraad niet zult erkennen omdat deze organisaties er nog steeds niet in zitten, houdt u eigenlijk een pleidooi voor buitenlandse inmenging. Dat heb ik al vaker gezegd. Ik vrees dat het scenario van vorig jaar zich zal herhalen en we over twee maanden opnieuw zullen moeten vaststellen dat het een rommeltje blijft en er geen definitieve beslissing genomen zal worden. We zullen zien wat het oplevert. Ik ga er alleszins vanuit dat we hier over maximaal twee maanden weer zitten.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de Aurore Tourneur à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les moyens de la justice face aux procès d'exception" (56015519C)

12 Vraag van Aurore Tourneur aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De middelen van de justitie voor uitzonderlijke processen" (56015519C)

 

12.01  Aurore Tourneur (Les Engagés): Madame la ministre, jeudi dernier s’est ouvert à Mons le procès de StrépyBracquegnies. Ce dossier me touche particulièrement, car je suis originaire de cette région et je nai pas oublié ce matin du 20 mars 2022 où une communauté entière a été dévastée: sept morts et des dizaines de blessés qui portent encore aujourdhui les séquelles de ce drame. Ce procès est donc, vous l’imaginez, extrêmement attendu. Je tiens également à saluer un acquis important de cette législature, porté par vous, sous l’impulsion des Engagés: l’introduction de l’homicide routier comme infraction autonome dans le nouveau Code pénal. Il s'agit là d'une revendication de longue date des associations de victimes.

 

Mais précisément parce que ce procès revêt une importance humaine et symbolique majeure, les conditions dans lesquelles il se déroule sont profondément préoccupantes. Il s’agit d’un procès hors norme: 180 parties civiles, près de 270 témoins, une cour d’assises délocalisée au Lotto Mons Expo. Ce procès repose, selon les autorités judiciaires ellesmêmes, sur la bonne volonté du personnel. Des heures supplémentaires seront nécessaires, des juges et des huissiers à la retraite ont dû être rappelés, aucun renfort d'effectifs n’est prévu, et la salle d’audience n’a été disponible pour son aménagement que deux ou trois jours avant l’ouverture des débats.

 

Madame la ministre, le recours aux heures supplémentaires et à des magistrats retraités pour assurer un procès d’assises d’une telle ampleur met en lumière un manque structurel de personnel judiciaire. Quelles mesures concrètes envisagezvous afin de doter durablement les juridictions de première ligne des effectifs nécessaires à la tenue de procès exceptionnels? Existetil un plan dinvestissement destiné à moderniser et à adapter le parc immobilier de la justice aux réalités des grands procès contemporains? Si oui, où en estil aujourdhui?

 

Enfin, plus largement, à l’image du procès de StrépyBracquegnies, ne faudraitil pas prévoir en amont un mécanisme budgétaire spécifiquement dédié aux procès hors norme, afin que la justice puisse être rendue dignement, à la hauteur de la souffrance des victimes, sans reposer sur les épaules dun personnel déjà épuisé?

 

12.02  Annelies Verlinden, ministre: Madame Tourneur, vos préoccupations concernant le manque structurel de personnel judiciaire sont justifiées et je les partage. Cependant, il n'existe pas de solution simple et globale dans ce contexte budgétaire difficile.

 

Comme vous le savez, j'ai élaboré un plan d'impulsion avec les partenaires de l'Ordre judiciaire, dont l'une des mesures concerne l'attention portée aux personnes et aux moyens.

 

L'avis du Conseil d'État sur un premier avant-projet de loi visant à mettre en œuvre ce plan d'impulsion a été reçu. J'étudie actuellement cet avis et je soumettrai ensuite l'avant-projet à la Chambre.

 

Ce premier avant-projet comprend des modifications législatives sur la mobilité des magistrats et du personnel judiciaire. Il offre à la magistrature davantage de latitude dans le déploiement du personnel là où les besoins sont les plus importants. Il comprend également de nombreux incitants financiers pour rendre les fonctions au sein de la magistrature plus attrayantes et ainsi attirer des profils compétents.

 

Parallèlement, nous travaillons sur un second avant-projet de loi dans le plan d'impulsion qui se concentrera davantage sur les cadres des magistrats et du personnel. Nous élaborons dans un premier temps des propositions dans les limites des crédits disponibles. Je pense entre autres à l'adaptation des cadres réglementaires du personnel judiciaire sur la base des propositions même de l'Ordre judiciaire.

 

Deuxièmement, je souhaite proposer un système d'allocation des crédits mis à disposition par le gouvernement afin de renforcer de manière plus ciblée nos magistrats et le personnel judiciaire et de les affecter là où le besoin est le plus grand.

 

Le Code judiciaire prévoit aujourd'hui déjà la possibilité de faire appel pour les procès d'assises à des magistrats à la retraite. Compte tenu du temps que requiert un tel procès ainsi que l'importance de la maturité et de l'expérience des magistrats concernés, il est logique de donner aux premiers présidents des cours d'appel la possibilité de désigner, après leur accord, d'anciens magistrats dans ce cadre.

 

Comme l'illustre le procès de Strépy-Bracquegnies qui vient de s'ouvrir, une évaluation des besoins s'impose systématiquement, et cela en fonction des différents paramètres tels que les risques, le nombre d'inculpés et de parties civiles ou encore la médiatisation.

 

Chaque procès de cette nature appelle une approche pragmatique adaptée aux réalités locales et en concertation avec les différents acteurs.

 

C'est dans cet esprit que l'administration, en fonction de l'estimation des besoins, propose un ou plusieurs emplacements à l'Ordre judiciaire. Soulignons à cet égard le site Justitia à Bruxelles sur l'ancien site de l'OTAN, aménagé notamment pour accueillir le procès des attentats de 2016 et susceptible d'héberger des procès tels que celui qui se déroule actuellement à Mons.

 

Nous faisons le choix de pérenniser le site Justitia à court, moyen et long terme afin d’en faire un lieu permanent dédié à l’organisation de grands procès et de procédures présentant une dimension sécuritaire particulière. Cette orientation vise à garantir de manière structurelle que ces audiences puissent se tenir dans des conditions sûres, maîtrisées et ordonnées, répondant aux exigences les plus élevées en matière de sécurité, de fonctionnement de la justice et de respect de l’État de droit.

 

En ce qui concerne votre question relative à un mécanisme budgétaire spécifique pour l’organisation des procès d’exception, je prends bonne note de votre remarque. Grâce aux fonds supplémentaires obtenus pour le renforcement de la justice, une enveloppe distincte est créée pour l’organisation de tels procès. Celle-ci pourra être utilisée pour l’exploitation du site Justitia ou d’autres espaces spécifiques. Les aspects liés à la sécurité inhérents à ce type de procès, ainsi que la nécessité de disposer de matériel spécifique, pourraient également être pris en compte dans cette enveloppe.

 

12.03  Aurore Tourneur (Les Engagés): Merci madame la ministre pour ces éléments de réponse. Je salue la volonté que vous exprimez. Nous partageons, je crois, le même diagnostic: notre système judiciaire mérite mieux que de fonctionner en permanence à flux tendu. Ce procès a mis en lumière une réalité que les professionnels de terrain dénoncent depuis longtemps. Le dévouement des magistrats, des greffiers et des huissiers est réel et admirable, mais il ne peut constituer à lui seul le filet de sécurité de notre État de droit. Je forme dès lors le vœu que les engagements exprimés aujourd’hui se traduisent concrètement dans les arbitrages budgétaires à venir. Les victimes de Strépy-Bracquegnies, comme toutes celles qui suivront, le méritent pleinement.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De bescherming van het gevangenispersoneel en de afscherming van hun identiteit" (56015522C)

13 Question de Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La protection des membres du personnel pénitentiaire et la confidentialité de leur identité" (56015522C)

 

13.01  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, de veiligheid van de penitentiaire bewakingsassistenten, ook buiten de werkuren, moet een belangrijk aandachtspunt zijn binnen uw beleid. De al dan niet tijdelijke anonimiteit van het woon- of verblijfadres, en politiebescherming en psychologische ondersteuning bij bedreigingen moeten daarbij bijzondere aandacht krijgen. Ook de werkomstandigheden en de loopbaanmogelijkheden moeten verbeteren. Dat kan bijvoorbeeld door de invoering van een risicopremie voor cipiers die hun werkzaamheden uitoefenen in gevangenissen met een structureel personeelstekort en overbevolking. Dat is maar één voorbeeld.

 

In uw advies op mijn wetsvoorstel tot versterking van de bescherming van het statuut van het gevangenispersoneel, hebt u geantwoord dat u een initiatief voorbereidt voor de beschermingsregeling voor het personeel inzake de afscherming van hun identiteit, en dat het de voorkeur verdient om een initiatief van de regering af te wachten. Nochtans is dit een dringende aangelegenheid. Vandaar dat ik een aantal vragen heb.

 

Kunt u meer toelichting geven over de geplande initiatieven die in voorbereiding zijn? Wat is de stand van zaken? Wanneer mag een concreet initiatief worden verwacht?

 

13.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, de veiligheid van het penitentiair bewakingspersoneel is een belangrijk aandachtspunt in mijn beleid. Ik heb aan de administratie daarom gevraagd om een voorontwerp van wet uit te werken rond de anonimisering van persoonsgegevens. Momenteel wordt een thematisch voorontwerp van wet uitgewerkt, waarin een hoofdstuk is opgenomen over de afscherming van de identiteit van personeelsleden van de penitentiaire administratie.

 

Dat wordt uitgewerkt zonder afbreuk te doen aan de verplichting voor het personeel om in alle omstandigheden identificeerbaar te zijn. Er wordt eigenlijk niet gesproken over anonimisering, maar veeleer over pseudonimisering. Het is de bedoeling om de volledige voor- en achternaam te vervangen door de voornaam en een uniek identificatienummer, waardoor concrete identificatie op elk moment mogelijk blijft.

 

De nodige adviezen worden momenteel ingewonnen bij diverse administraties en adviesinstanties. Daarna zal het dossier binnen de regering worden besproken. Het is mijn ambitie om het voorontwerp van wet nog voor het zomerreces aan de ministerraad voor te leggen.

 

13.03  Marijke Dillen (VB): Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister, en zal de zaak blijven opvolgen. Ik hoop in elk geval dat het voorontwerp minstens voor het zomerreces kan worden goedgekeurd door de regering, zodat we er in het najaar onmiddellijk mee van start kunnen gaan.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Question de Pierre Jadoul à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le conseil disciplinaire des notaires et des huissiers de justice" (56015527C)

14 Vraag van Pierre Jadoul aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De tuchtraad voor de notarissen en gerechtsdeurwaarders" (56015527C)

 

14.01  Pierre Jadoul (MR): Madame la ministre, je vous ai déjà interrogée à plusieurs reprises au sujet de l'entrée en fonction du Conseil de discipline des notaires et huissiers de justice. C'est une instance fondamentale si on veut rétablir la confiance et lutter contre les abus mis en lumière dans le secteur des huissiers de justice.

 

Lorsque je vous interrogeais pour la dernière fois sur le sujet en octobre dernier, il y avait 33 affaires en attente de traitement devant le conseil disciplinaire et 12 en cours de dépôt devant le conseil de discipline. Mais aucune plainte visant un huissier de justice n'avait encore été examinée ! Seul un dossier urgent introduit à l'encontre d'un notaire avait été traité.

 

Bonne nouvelle: j'ai pris connaissance que l'arrêté royal portant approbation du règlement d'ordre intérieur (ROI) du conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice a été adopté le 6 avril 2026. C'est donc une étape fondamentale qui a été franchie, après de nombreux et regrettables retards dans ce dossier.

 

Madame la ministre, comment envisagez-vous la suite de l'entrée en fonction du Conseil de discipline? À quelle échéance, ledit Conseil sera-t-il pleinement opérationnel? Que reste-t-il éventuellement à régler? Les besoins spécifiques en matière d'IT qui faisaient défaut, ont-ils été rencontrés? En octobre dernier, vous indiquiez que votre unité opérationnelle avait pris les contacts nécessaires pour que cela soit mis en place dans les meilleurs délais. La question de la rémunération des magistrats qui siègent au Conseil disciplinaire a-t-elle été réglée? Je crois en effet savoir que cela représentait un gros point d'achoppement dans le dossier.

 

14.02  Annelies Verlinden, ministre: Collègue Jadoul, comme vous le soulignez, le règlement intérieur du conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice a été approuvé le 6 avril 2026 et publié au Moniteur belge. Il s’agit d’une étape importante vers la mise en place effective du conseil de discipline.

 

Par ailleurs, la loi du 8 février 2026 portant diverses dispositions techniques et urgentes est, entre-temps, entrée en vigueur. Elle contient plusieurs dispositions visant à faciliter le fonctionnement pratique du conseil de discipline et à actualiser, clarifier ou corriger différentes dispositions. De plus, il est désormais prévu de pouvoir remplacer le greffier désigné pour exercer la fonction de greffier auprès du conseil de discipline par le biais d’une nomination ou d’un recrutement en surnombre.

 

Concernant les besoins spécifiques en matière d’IT, je peux vous confirmer que le dépôt numérique de documents via e-Deposit est activé depuis le 22 janvier 2026 et que le système de traitement des dossiers est également opérationnel. Les problèmes informatiques sont donc résolus, permettant un traitement numérique et efficace des dossiers. En conséquence, tous les problèmes pratiques et juridiques ont été résolus et le conseil de discipline peut, en principe, reprendre ses activités.

 

Cependant, la question des indemnités accordées aux magistrats siégeant au conseil de discipline, telles que déterminées par l’arrêté royal du 25 juillet 2024, reste en suspens. Nous nous efforçons de trouver une solution à ce sujet en collaboration avec le Collège des cours et tribunaux.

 

14.03  Pierre Jadoul (MR): Madame la ministre, je vous remercie pour les éléments complémentaires de votre réponse.

 

Je forme évidemment le vœu que l’atterrissage du conseil soit le plus rapide possible, compte tenu des dossiers qui sont en souffrance et du sentiment d’impunité qui peut en découler dans le chef d’un certain nombre d’acteurs.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n°56015535C de M. De Smet est reportée.

 

15 Vraag van Alain Yzermans aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De opvolging van het arrest-Vasilescu en het Belgische actieplan voor 2026" (56015549C)

15 Question de Alain Yzermans à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le suivi de l'arrêt Vasilescu et le plan d'action belge 2026" (56015549C)

 

15.01  Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, het recentste actieplan met betrekking tot de overbevolking in onze gevangenissen naar aanleiding van het arrest-Vasilescu van het Comité van Ministers van de Raad van Europa toont aan dat de situatie in onze gevangenissen zorgwekkend blijft. Het bevestigt – niets nieuws onder de zon - dat de overbevolking en de mensonwaardige detentieomstandigheden niet incidenteel zijn, maar structureel in het Belgische strafbeleid verankerd zijn.

 

De cijfers in het rapport liegen er niet om: bijna 800 gedetineerden worden gedwongen om op de grond te slapen. Dat is een dramatisch cijfer. Er is een ernstig tekort aan ruimte, hygiëne en activiteiten. Het Comité noemt de mensonterende en vernederende omstandigheden in onze gevangenissen een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Hij roept ook uitdrukkelijk op om meer in te zetten op alternatieve straffen en minder op detentie.

 

De cijfers – ik heb het even berekend – staan haaks op die oproep dat gevangenisstraf het ultimum remedium, dus het laatste redmiddel moet zijn. Immers, in 2025 is het aantal alternatieve straffen met 6 % gedaald ten opzichte van 2024, namelijk van 30.841 naar 29.016. Dat is opmerkelijk. Ook het aantal mensen onder elektronisch toezicht is gedaald met meer dan 20 %, van 9.206 in 2024 naar 7.453. Daar zijn ongetwijfeld verschillende redenen voor.

 

In het nieuwe Strafwetboek wordt prioriteit gegeven en meer ingezet op alternatieve straffen. Anderzijds kunnen wij indirect concluderen dat door de daling van het aantal alternatieve straffen het aantal enkelbanden afneemt en dus de gevangenispopulatie toeneemt, wat bijdraagt aan de huidige overbevolking.

 

Het rapport geeft ook interessante cijfers over de prison population rate. Zo telt België 116 gedetineerden per 100.000 inwoners; de Europese mediaan is 105 per 100.000. Mocht België de vergelijking met Duitsland doorstaan, waar er maar 71 gedetineerden per 100.000 inwoners zijn, dan zouden we theoretisch over een capaciteit moeten beschikken voor 8.500 gedetineerden.

 

Waarom is het aantal alternatieve straffen en het elektronisch toezicht (ET) in de afgelopen jaren gedaald, terwijl de situatie in onze gevangenissen nijpend is?

 

Welke maatregelen neemt u nog ter verbetering van de leefomstandigheden van de gedetineerden, los van uw initiatieven voor de aanpak van het probleem van de grondslapers?

 

Ziet u mogelijkheden voor het ontwikkelen van een effectief preventief rechtsmiddel dat voldoet aan de eisen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?

 

Wat zijn op de lange termijn uw strategieën om het strafbeleid te hervormen en alternatieve straffen als model te promoten?

 

15.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Yzermans, de cijfers in het geactualiseerde Belgische rapport in de zaak-Vasilescu zijn afkomstig van de onderscheiden diensten van de gemeenschappen en vertonen inderdaad fluctuaties. Over een langere periode wordt vastgesteld dat de vrijheidsbeperkende straffen of de straffen die ten uitvoer gelegd worden in de gemeenschap in het algemeen en in het elektronisch toezicht in het bijzonder, globaal een toename hebben gekend.

 

Er zijn uiteraard meerdere oorzaken denkbaar voor die fluctuaties: die hebben niet enkel te maken met het aanbod en de werking van de diensten van de gemeenschappen, maar ook met rechterlijke beslissingen, de straftoemetingen en het globale strafrechtelijke beleid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan eerdere maatregelen tegen overbevolking, zoals het verleng penitentiair verlof.

 

Om de factoren van invloed beter in kaart te kunnen brengen, is diepgaander onderzoek nodig, en dat in relatie tot de andere toegemeten straffen, waaronder de gevangenisstraf. Evenwel zijn de experts het erover eens dat de cijfermatige evoluties wijzen op een toegenomen graad van repressief optreden op alle niveaus en een net widening effect bij de invoering en de ruimere toepassing van straffen die ten uitvoer worden gelegd in de gemeenschappen.

 

Om het nijpende probleem van het aantal grondslapers terug te dringen en meer globaal de penitentiaire overbevolking en de aangroei te beperken op korte termijn, heeft de regering op 20 maart beslist tot een nieuwe reeks noodmaatregelen. We hebben dat al meermaals in de commissie hier toegelicht.

 

De uitvoering ervan wordt gecoördineerd door het DG EPI.

 

Wat de noodmaatregelen betreft, wordt een voorontwerp van wet in de regering besproken. Daarbij wordt onder meer ingezet op het gebruik van elektronisch toezicht, wordt de huidige noodprocedure waar nodig bijgestuurd, wordt de regeling VIO (voorlopige invrijheidstelling overbevolking) in de tijd verlengd tot 31 december 2027, maar beperkt tot veroordeelden tot een gevangenisstraf van maximaal drie jaar, wordt het terugkeerbeleid versterkt en wordt er versneld ingezet op de uitbreiding van de gevangeniscapaciteit.

 

Wat het preventief rechtsmiddel betreft, is al heel wat voorbereidend werk verricht. Met medewerking van de Raad van Europa werd informatie uitgewisseld met lidstaten die al een preventief rechtsmiddel hebben ingevoerd. De recent aangepaste Franse wetgeving, die het Comité van Ministers als toereikend beschouwt, is een belangrijk voorbeeld en wordt nader onderzocht. Mijn beleidscel heeft ook advies gevraagd aan de Commissie overbevolking over de invoering van een doeltreffend preventief rechtsmiddel in het Belgisch rechtsbestel.

 

Voor de bevordering van straffen die ten uitvoer worden gelegd in de gemeenschappen, verwijs ik naar het nieuwe Strafwetboek, dat op 1 september in werking zal treden en waarin een grotere klemtoon zal worden gelegd op andere straffen dan de gevangenisstraf. Het is aan de rechters om de doelstellingen van een straf en vraag of de gevangenisstraf als ultimum remedium de meest aangewezen straf is, in hun beraadslaging in overweging te nemen. Daarom geef ik er de voorkeur aan om niet langer te spreken over alternatieve straffen, maar over straffen die in de gemeenschap worden uitgevoerd of vrijheidsbeperkende straffen.

 

De Commissie overbevolking heeft verder ook een werkgroep opgericht die zich zal buigen over de bestraffingscultuur bij de gerechtelijke overheden, de straftoemeting en de wettelijke strafmaten, en ook dat in vergelijking met buitenlandse wetgeving en praktijken.

 

15.03  Alain Yzermans (Vooruit): Ik denk dat dat een goede zaak is. Dat diepgaande onderzoek zal ons duidelijk kunnen maken wat de oorzaken zijn voor de fluctuaties en hoe dat in de praktijk in de cijfers wordt vertaald. Die fluctuaties moeten goed worden opgevolgd. In elk geval lijkt het mij belangrijk dat de taskforce en de Commissie overbevolking instrumenten creëren en voorzien in opleidingen voor de rechterlijke macht om die vormen van vrijheidsbeperkende maatregelen aan te moedigen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Question de Aurore Tourneur à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L’arrêt de la Cour de cassation relatif aux moyens de lutte contre la cybercriminalité" (56015630C)

16 Vraag van Aurore Tourneur aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Het arrest van het Hof van Cassatie over de middelen voor cybercriminaliteitsbestrijding" (56015630C)

 

16.01  Aurore Tourneur (Les Engagés): Madame la ministre, récemment, un arrêt de la Cour de cassation a mis en lumière une situation préoccupante. Dans le dossier de fraude informatique d'Euroclear, une décision de non-lieu avait été rendue, non pas pour absence d'infraction, mais faute de moyens d'enquête disponibles au sein de la police locale et fédérale. La Cour a fort heureusement cassé cette décision, rappelant qu'une insuffisance de moyens ne peut légalement justifier l'abandon d'une instruction.

 

Madame la Ministre, nous connaissons votre engagement pour moderniser notre appareil judiciaire. Cependant, les chiffres nous rappellent l'urgence : le Centre pour la cybersécurité en Belgique traite désormais plus de 40 000 signalements de phishing par jour. Les pertes financières pour nos concitoyens et nos entreprises se chiffrent en centaines de millions d'euros chaque année.

 

Derrière ces statistiques, il y a une réalité humaine: des citoyens qui perdent leurs économies et dont le sentiment d'impunité des fraudeurs fragilise la confiance envers nos institutions. Les magistrats spécialisés nous alertent: la criminalité "en tant que service" se complexifie et nécessite des experts que nous peinons parfois à recruter ou à conserver face au secteur privé.

 

Dès lors, madame la ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes:

 

Quelles mesures complémentaires entendez-vous prendre pour renforcer l'attractivité des carrières d'experts cyber au sein de la Police Judiciaire Fédérale, afin d'éviter que des dossiers ne soient classés faute de techniciens?

 

Certains juges d'instruction regrettent de devoir lutter "les mains derrière le dos" face aux délais de rétention des données. Envisagez-vous une initiative législative pour adapter ces délais aux réalités des enquêtes numériques complexes?

 

Au-delà de la répression, quelle est la position du gouvernement concernant la responsabilité des grandes plateformes numériques qui hébergent des publicités frauduleuses sans toujours collaborer activement avec la justice belge?

 

16.02  Annelies Verlinden, ministre: Madame Tourneur, la cybercriminalité constitue une menace croissante. L'arrêt de la Cour de cassation que vous mentionnez illustre concrètement les obstacles auxquels nos services se heurtent. Ce phénomène a, par ailleurs, été intégré aux missions clefs du plan stratégique de la police fédérale.

 

La question du caractère attrayant de la fonction d'expert en cybersécurité au sein de la police judiciaire fédérale relève de la compétence du ministre de l'Intérieur, un sujet qu'il a abordé lors du conclave sur l'attrait de la police fédérale. Des recrutements sont, par ailleurs, organisés au sein de la police judiciaire fédérale pour des profils spécifiques, tant dans le domaine financier que dans celui de la cybercriminalité. Je me permets de vous renvoyer à la question écrite n° 1022.

 

En ce qui concerne les délais de conservation des données, après plusieurs tentatives, la Belgique dispose à présent d'une législation stable, validée par la Cour constitutionnelle. Elle fonctionne, mais n'est pas sans limites. Les délais actuels sont de douze mois dans tous les arrondissements judiciaires, sauf à Eupen où ils sont de neuf mois. Ils ne sont pas toujours alignés sur les délais de prescription pénale, créant ainsi un risque réel de perte de preuves. Une révision unilatérale de la législation belge se heurterait cependant aux exigences de la Cour de justice de l'Union européenne en matière de conservation ciblée. C'est la raison pour laquelle la Belgique soutient activement une initiative européenne d'harmonisation minimale, suffisamment flexible pour permettre aux États membres d'imposer des obligations plus strictes selon leur situation nationale. Nous défendons cette position tant au niveau de l'Union européenne que dans nos contacts bilatéraux avec la Commission.

 

S'agissant de la responsabilité des grandes plateformes, les leviers tributaires du droit économique et de l'application du Digital Services Act ne relèvent pas de ma compétence. Je vous remercie de votre attention.

 

16.03  Aurore Tourneur (Les Engagés): Madame la ministre, je vous remercie de ces informations qui témoignent d'une prise de conscience véritable de l'ampleur du défi. Je souhaite sincèrement que nous gardions à l'esprit que le temps joue contre nous et que la criminalité numérique évolue plus vite que nos cadres législatifs et nos capacités de recrutement. Par conséquent, il nous incombe, dans cette majorité et donc avec votre collègue le ministre Quintin, de veiller à ce que les intentions se traduisent en textes et en budget dans les meilleurs délais. Je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Question de Ismaël Nuino à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Motherless.com, le viol en streaming, un crime de masse en impunité totale" (56015637C)

17 Vraag van Ismaël Nuino aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Motherless.com, straffeloos gestreamde en massaal bekeken verkrachtingen" (56015637C)

 

17.01  Ismaël Nuino (Les Engagés): Madame la ministre, en février, on dénombrait 62 millions de visites, en mars 81 millions, et au total 23 millions d’utilisateurs uniques. Il ne s’agit pas ici de Netflix ou d’une autre plateforme de divertissement, mais d’un site pornographique sur lequel des femmes sont droguées, inconscientes, filmées et parfois violées par leur compagnon, le tout à leur insu. Ces contenus sont consommés de manière massive à travers le monde et, malheureusement, très probablement aussi dans notre pays. Une enquête de CNN a mis en lumière ce que certains ont qualifié de véritable "académie du viol en ligne", avec des dizaines de milliers de vidéos classées dans la catégorie sleep porn. Plus je me suis informé sur ce sujet, plus j’ai été profondément choqué par ce que j’ai découvert.

 

Autour de ces contenus gravitent des réseaux Telegram, où des individus échangent des conseils, notamment sur la manière de doser des substances pour droguer leur compagne. Certaines vidéos de viol sont accessibles contre paiement, notamment en cryptomonnaie. Il s’agit d’un véritable écosystème criminel dont l’existence même ne peut être que fermement condamnée. Les victimes sont bien réelles. Ce sont des femmes qui subissent ces violences. Un peu plus d’un an après la fin du procès de l’affaire Gisèle Pelicot en France, on constate que ce phénomène est massif et touche des milliers de femmes dans le monde.

 

Madame la ministre, des enquêtes judiciaires ont-elles été ouvertes en Belgique visant ce site, ce réseau ou des utilisateurs belges identifiés? Si oui, des poursuites sont-elles envisagées? À ce stade, la presse évoque l’arrestation d’une seule personne en Pologne.

 

Des mécanismes ont-ils été activés en Belgique pour exiger le retrait immédiat de ces contenus illicites? Une réponse coordonnée au niveau européen est-elle envisagée?

 

Par ailleurs, certaines substances utilisées pour droguer les victimes seraient expédiées à l’international par des revendeurs en ligne. La Belgique a-t-elle identifié d'éventuelles filières liées à ces pratiques? Des poursuites ont-elles été engagées afin de les démanteler?

 

Enfin, face à ces victimes – des femmes qui découvrent parfois des années plus tard qu’elles ont été violées, filmées et exposées à des millions d’internautes –, quels moyens concrets la Belgique entend-elle mobiliser pour assurer leur accompagnement, tant sur le plan psychologique que juridique et financier? Je sais que l’accompagnement des victimes est une priorité pour vous et je ne doute pas qu’elle le reste dans ce domaine.

 

Je souhaite également relayer une inquiétude partagée par nombre de personnes qui s’interrogent sur ce qui est entrepris concrètement face à un phénomène d’une telle gravité.

 

Madame la ministre, je sais que nos moyens peuvent être limités. Sincèrement, c’est un combat important, que j’essaie de mener, que je sais que vous menez, et que d’autres ministres mènent également. En l'occurrence, il ne s'agit pas de créer une nouvelle législation, parce qu'elle existe. Ces incriminations sont prévues dans le Code pénal. Aujourd'hui, il faut que nous puissions agir. Ma question est donc de savoir ce qui est mis en œuvre, ce que nous pouvons concrètement mettre en œuvre pour que ces contenus ne soient simplement plus accessibles? Outre le traumatisme que cela peut représenter, il s'agit d'atteintes majeures à la vie privée de ces femmes.

 

17.02  Annelies Verlinden, ministre: Monsieur le président, vu le secret de l'information, je ne peux à ce stade ni confirmer ni infirmer l'existence d'une enquête pénale belge concernant ce site.

 

Le service i2 de la DJSOC de la Direction générale judiciaire de la police fédérale peut être sollicité dans le cadre du revenge porn  ou d'autres images illicites pour faire supprimer ce contenu, évaluer sa viralité et mener des recherches sur d'autres sites web sur lesquels ces images auraient pu être publiées. Dans le cadre de ce phénomène spécifique sleep porn, l'assistance de la DJSOC i2 n'a pas encore été sollicitée à ce jour.

 

Les victimes peuvent s'adresser à un Centre de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS) où un accompagnement adapté est prévu, que ce soit pour les soins médicaux et psychologiques dont la victime a besoin ou pour l'audition par un policier spécifiquement formé lors du dépôt de plainte au sein même du CPVS. La victime peut également être orientée de manière ciblée vers une aide et des services adéquats en dehors du CPVS. En outre, ces victimes peuvent se tourner, notamment de manière anonyme, vers des lignes téléphoniques d'aide générale comme Télé Accueil ou Tele-Onthaal ou des lignes spécialisées comme la ligne SOS Viol ou 1702 en Flandre.

 

Pour le signalement de la diffusion des images à une plateforme en ligne, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes (IEFH) offre de l'aide et de l'accompagnement dans les démarches à entreprendre pour supprimer les images diffusées.

 

Pour une aide financière, ces victimes peuvent s'adresser à la Commission pour l'aide financière aux victimes d'actes intentionnels de violence. Si les victimes sont dans les conditions, elles peuvent bénéficier de l'aide juridique de deuxième ligne.

 

Enfin, la vente de stupéfiants en ligne s'inscrit dans un système économique illégal, alimenté par les profits considérables générés par les organisations criminelles. La Justice, en collaboration avec les services de police et le département des Finances, s'attaque directement à ces réseaux afin de réduire la disponibilité des substances et de remonter les filières.

 

Le Commissariat national drogue, en coordination avec ces mêmes services, œuvre à la mise en place d'une stratégie visant à casser le modèle de revenu des criminels afin de tarir à la source le moteur de ce phénomène dont l'impact constitue une menace grave pour la santé et pour la sécurité de la population.

 

17.03  Ismaël Nuino (Les Engagés): Merci, madame la ministre, pour votre réponse et en particulier pour la réponse très complète en ce qui concerne l'accueil et l'accompagnement qui est donné aux victimes. Comme je le disais, je n'ai pas de doute sur le fait que c'est l'une de vos priorités, et on le sent.

 

J'avoue que l'une des questions qui me reste est certainement plus large. Comment peut-on faire lorsque les victimes ne sont pas au courant? Nous avons vécu des situations où les victimes sont au courant. On l'a vu en France, et franchement, il faut le souligner: quand les victimes déposent plainte et qu'un procès est engagé, on les croit. C'est le message que l'on doit envoyer. Les victimes peuvent être soutenues. Mais ici, on est dans le cadre où de nombreuses victimes ne sont parfois même pas au courant que cela s'est passé.

 

Je me pose sincèrement la question: comment peut-on faire en sorte que notre politique criminelle globale soit menée afin que, de manière proactive, même sans qu'une plainte n'ait été déposée, on puisse empêcher que de tels sites soient accessibles depuis notre territoire? Je vous avoue que je ne savais pas très bien quoi faire; j'ai donc juste transmis les informations au procureur du Roi. C'est une réflexion que nous allons devoir mener de manière urgente: comment peut-on faire, sans même qu'une victime ne dépose plainte, pour que des sites qui permettent la commission d'infractions et de délits sur notre territoire soient mis hors d'état de nuire rapidement? C'est un travail qu'il serait utile de mener.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De uitbreiding van slachtofferruimtes in bestaande en nieuwe gerechtsgebouwen" (56015641C)

18 Question de Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L’extension des espaces d’accueil des victimes dans les anciens et nouveaux palais de justice" (56015641C)

 

18.01  Marijke Dillen (VB): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

 

Een kwalitatief slachtofferonthaal is een essentieel onderdeel van een rechtvaardige en toegankelijke justitie. Het is cruciaal dat slachtoffers en hun naasten zich welkom, gerespecteerd en veilig voelen en dat de dienst slachtofferonthaal zijn werk in de best mogelijke omstandigheden kan uitvoeren. In de Beleidsnota Justitie werd er verwezen naar onderzoek om in bestaande en nieuwe gerechtsgebouwen speciaal uitgeruste slachtofferruimtes in te richten. Er werd in kaart gebracht welke functionele en materiële elementen slachtofferruimtes precies nodig hebben zodat ze optimaal aansluiten bij de noden van slachtoffers en bijdragen aan hun gevoel van veiligheid en welzijn.

 

Kan de minister mededelen wat de resultaten zijn van het uitgevoerde onderzoek? Kan de minister mij gedetailleerd mededelen welke functionele en materiële elementen slachtofferruimtes precies nodig hebben? Welke aanpassingen of inrichtingen in bestaande of nieuwe gerechtsgebouwen zijn het meest prioritair en haalbaar?

 

Wie was verantwoordelijk voor de uitvoering van dit onderzoek? Welke instanties hebben deelgenomen aan dit onderzoek? Wat was de kostprijs?

 

Er werd aangekondigd in de Beleidsnota dat in 2026 meerdere slachtofferruimtes worden ingericht. Welke initiatieven heeft de minister inmiddels  genomen en in welke gerechtsgebouwen? Wanneer mag de opening hiervan worden verwacht? Welke budgetten worden er hiervoor vrijgemaakt? Graag gedetailleerde toelichting.

 

18.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, in uitvoering van de beleidsdoelstelling inzake slachtofferonthaal wordt momenteel gewerkt aan een gefaseerde en geïntegreerde benadering van de inrichting van slachtofferruimtes binnen gerechtsgebouwen. De oefening kadert binnen een ruimer lopend verbeteringstraject rond het toekomstgerichte beheer van het gebouwenpark, waarbij consequent wordt uitgegaan van de doelstelling om te blijven streven naar minder, maar kwalitatief betere gerechtsgebouwen die toegankelijk en veilig zijn voor justitiabelen, medewerkers en magistratuur. Binnen die visie wordt bijzondere aandacht besteed aan functionaliteit, toegankelijkheid, veiligheid en welzijn van gebruikers, met inbegrip van slachtoffers en hun naasten.

 

Bij herinrichtingsprojecten en nieuwe bouwprojecten wordt in samenwerking met de Regie der Gebouwen in de uitvoering dan ook rekening gehouden met de noden van kwetsbare doelgroepen, waaronder de behoefte aan veilige, discrete en respectvolle slachtofferruimtes. Een concreet voorbeeld daarvan is terug te vinden in het recent gerenoveerde gerechtsgebouw aan de Britselei in Antwerpen, waar die aandachtspunten al werden meegenomen. De verdere uitwerking van slachtofferruimtes zal ook worden voortgezet binnen die globale en coherente benadering en geïntegreerd worden in toekomstige projecten.

 

In overleg met de gedeconcentreerde diensten wordt op mijn vraag momenteel nagegaan welke concrete mogelijkheden en optimalisaties binnen de bestaande infrastructuur kunnen worden gerealiseerd, met als doelstelling nog in 2026 de inrichting van bijkomende slachtofferruimtes te kunnen aanvatten. Over de concrete projecten en de invulling ervan lopen nog gesprekken tussen de centrale administratie en het terrein. Het is alvast mijn overtuiging dat door het voorzien van een ruimte voor slachtoffers en hun naasten, zij zich meer welkom, gerespecteerd en veilig kunnen voelen. Daartoe moeten ruimtes huiselijk of rustgevend worden ingericht, met bijzondere aandacht voor privacy en veiligheid, en voor kinderen en gezinnen.

 

Wat het voorziene budget betreft, kan ik u al meegeven dat binnen de op mijn vraag door de regering aan Justitie toegekende IDP een budget is voorzien voor de verbetering van de kwaliteit van de gerechtsgebouwen. Als onderdeel daarvan wordt ook het pilootproject voor het inrichten van haalbare en kwaliteitsvolle slachtofferruimtes binnen een eerste reeks bestaande gerechtsgebouwen uitgerold.

 

18.03  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik kan bevestigen dat die slachtofferruimtes bijzonder belangrijk zijn voor slachtoffers. Het is ook heel belangrijk dat ze iets aangenamer worden ingericht, voor zover het natuurlijk aangenaam kan zijn, minstens warmer en huiselijker dan de gewone zalen van vele rechtbanken.

 

Een concrete timing krijg ik nog niet. U zegt dat er in 2026 bijkomende slachtofferruimtes zullen worden ingericht. We zijn eind april, het jaar is toch al goed gevorderd. Wanneer u erin wilt slagen – en voor alle duidelijkheid, ik wens u daar veel succes mee – om dit jaar nog nieuwe slachtofferruimtes in te richten, zult u toch stilaan een concretere timing moeten kunnen geven. Ik zal het in elk geval verder blijven opvolgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Een snellere en efficiëntere toegang tot de justitie door modernere en kortere procedures" (56015643C)

19 Question de Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Un accès plus rapide et efficace à la Justice grâce à des procédures plus modernes et plus courtes" (56015643C)

 

19.01  Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.

 

De doorlooptijd van gerechtelijke procedures neemt vaak veel te veel tijd in beslag. In 2025 werd er een grondige denkoefening opgestart over de procedureregels en -praktijken om de hefbomen te identificeren die de doorlooptijd van procedures kunnen versnellen. Een eerste analyse waarin de in het Regeerakkoord geïdentificeerde hefbomen worden herhaald en verder uitgewerkt, evenals aanvullende voorstellen, werden ter advies voorgelegd aan een werkgroep van academici-experten om vanuit hun expertise deze mogelijke maatregelen en hervormingen te definiëren. De finale nota werd verwacht in het voorjaar 2026.

 

Wat zijn de resultaten van deze denkoefening? Kan de minister hierover een gedetailleerde toelichting geven?

 

Werd deze analyse inmiddels voorgelegd aan een werkgroep van academici-experten? Zo ja, wat is hier de stand van zaken? Welke academici-experten werden hierbij betrokken? Zo neen, wat is hiervan de reden en wanneer zal dit gebeuren?

 

Werden inmiddels ook reeds andere stakeholders op het terrein, waaronder de Orde van Vlaamse Balies en Avocats.be, het College van Hoven en Rechtbanken, het Hof van Cassatie en de Hoge Raad voor de Justitie, hierover bevraagd? Zo ja, wat zijn de resultaten en wat is hun inbreng? Zo neen, wanneer zal dit gebeuren?

 

19.02 Minister Annelies Verlinden: In het regeerakkoord is bepaald dat de procedureregels worden geëvalueerd en dat wordt bekeken welke maatregelen kunnen worden genomen om de gerechtelijke procedures efficiënter en sneller te kunnen laten verlopen. Daartoe heb ik een werkgroep opgericht, die bestaat uit zes deskundigen uit de academische wereld, gespecialiseerd in burgerlijke rechtspleging. Die deskundigen hebben de opdracht praktische maatregelen te onderzoeken en voor te stellen die snel ten uitvoer kunnen worden gebracht, om zo de gerechtelijke procedures te verbeteren.

 

In maart vond een eerste bijeenkomst plaats tussen de deskundigen, leden van mijn kabinet en de FOD Justitie, waarbij het referentiekader voor hen werd vastgesteld. Het regeerakkoord en onze beleidsverklaring vormen het uitgangspunt voor deze reflectie. De groep streeft niet naar een volledige en alomvattende hervorming van het Gerechtelijk Wetboek, maar wil concrete, efficiënte en snelle maatregelen in kaart brengen die vooral als quick wins kunnen worden beschouwd.

 

Veel actoren in het veld hebben ons voorstellen bezorgd om de werking van de gerechtelijke procedures te verbeteren. Die zijn ook aan bod gekomen tijdens onze ronde doorheen de ressorten, waar magistraten en medewerkers voorstellen hebben gesuggereerd. Al deze bijdragen worden ter overweging aan de werkgroep bezorgd.

 

De werkzaamheden worden voortgezet en in de loop van dit jaar wordt een verslag verwacht. Op basis daarvan zal de FOD Justitie de geformuleerde voorstellen bestuderen en een wetsontwerp voorbereiden, waarin met al die aanbevelingen rekening wordt gehouden. In voorkomend geval kan het wetsontwerp ter raadpleging worden voorgelegd aan de stakeholders in het veld, zoals het College van de hoven en rechtbanken, de Orde van Vlaamse Balies en Avocats.be.

 

19.03  Marijke Dillen (VB): Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik noteer dat er al een eerste bijeenkomst heeft plaatsgevonden. In de beleidsnota werd aangekondigd dat de finale nota in het voorjaar van 2026 werd verwacht, maar ik stel vast dat dit nog niet het geval is. Ik begrijp uit uw antwoord dat die finale nota nog dit jaar wordt verwacht. Ik zal dit in elk geval blijven opvolgen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56015646C de M. De Smet est reportée.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.05 uur.

La réunion publique de commission est levée à 18 h 05.