Commissie voor Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Dinsdag 21 april 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 21 avril 2026

 

Après-midi

 

______

 

Le développement des questions commence à 16 h 45. La réunion est présidée par M. Ismaël Nuino.

De behandeling van de vragen vangt aan om 16.45 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Ismaël Nuino.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

Le président: Chers collègues, l'ordre du jour appelle une séance de questions orales à la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord. Comme j'ai déjà pu l'indiquer la semaine dernière, le Règlement sur les questions orales est en changement perpétuel. Pour information, les questions ayant déjà été reportées une première fois ne peuvent plus l'être. Il y en a un certain nombre aujourd'hui.

 

Mme Reuter n’est pas présente pour poser sa question n° 56013773C. M. Van Tigchelt n’est pas présent pour poser sa question n° 56013819C. Mme Schlitz n’est pas présente pour poser sa question n° 56014073C.

 

01 Vraag van Achraf El Yakhloufi aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De vervolging van Belgen in het Israëlische leger" (56014085C)

01 Question de Achraf El Yakhloufi à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les poursuites à l'encontre de Belges engagés dans l'armée israélienne" (56014085C)

 

01.01  Achraf El Yakhloufi (Vooruit): Mevrouw de voorzitster, mevrouw de minister, Israëlische gegevens en onderzoek van Declassified UK tonen aan dat minstens 406 Belgen in alle mogelijke rangen actief dienst verrichten in het Israëlische leger tijdens de oorlog die doorgaat in Palestina, maar ondertussen ook al in Libanon. Zoals u weet, erkent het Internationaal Gerechtshof het risico op genocide tegen de Palestijnse bevolking. Ik stel het duidelijk. Wat daar gebeurt, is genocide. Die 406 Belgen maken zich daar dus mogelijk ook mee schuldig aan.

 

België beschikt over wetgeving inzake universele jurisdictie, bedoeld om zware schendingen van het internationaal humanitair recht te vervolgen, ook wanneer die misdaden niet op ons eigen grondgebied plaatsvinden. Ook wanneer Israël onze jurisdictie niet erkent, hebben wij de mogelijkheid om mensen voor die ernstige misdaden tegen de mensheid te vervolgen.

 

In het kernkabinet van 2 september 2025, toen het akkoord over Gaza en Palestina is gesloten, werd de vervolging van Belgen expliciet opgenomen. Tot op vandaag is er echter niemand in België in verdenking gesteld en loopt er, voor zover bekend, geen enkel onderzoek. In het licht van de genocide is die passiviteit onaanvaardbaar. België moet garanderen dat onze burgers niet ongestraft kunnen deelnemen aan oorlogsmisdaden. Wij vragen daarom concrete actie. Ik stel u dan ook de hiernavolgende vragen.

 

Hoeveel gerechtelijke onderzoeken zijn er momenteel geopend naar Belgen die actief zijn in het Israëlische leger sinds oktober 2023?

 

Welke specifieke middelen stelt u ter beschikking van het federaal parket om de enorme groep van 406 potentiële verdachten of mogelijk meer individueel te screenen?

 

Hoe verloopt de samenwerking met internationale onderzoekers om informatie uit te wisselen over Belgische burgers die zich potentieel schuldig maken aan oorlogsmisdaden?

 

Welke juridische obstakels verhinderen momenteel de effectieve vervolging van die personen onder de wet op de universele jurisdictie?

 

Wanneer verwacht u de eerste concrete resultaten van de afspraken die in het kernkabinet zijn gemaakt?

 

Bent u bereid een formeel kader op te stellen dat Belgische burgers proactief waarschuwt voor de strafrechtelijke consequenties van dienstname in buitenlandse legers die betrokken zijn bij gedocumenteerde mensenrechtenschendingen?

 

Ten slotte, welk contact hebt u daarover gehad met de minister van Buitenlandse Zaken? Welke afspraken zijn daaruit voortgevloeid?

 

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

 

01.02 Minister Annelies Verlinden: Collega El Yakhloufi, op dit moment loopt er een gerechtelijk onderzoek naar een Belgisch-Israëlische onderdaan die in het Israëlische leger dient en die ervan wordt verdacht ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht te hebben gepleegd in de Gazastrook. Aangezien dit onderzoek nog bezig is, kunnen we geen informatie meedelen.

 

Het federaal parket heeft geen kennis van de door u vermelde 406 potentiële verdachten. Uiteraard is in dit soort dossiers internationale gerechtelijke samenwerking van groot belang, of het nu gaat om samenwerking met internationale rechtscolleges of mechanismen of om samenwerking met nationale gerechtelijke autoriteiten.

 

Wat betreft uw vraag met betrekking tot juridische belemmeringen, zijn er in theorie geen juridische belemmeringen, aangezien België extraterritoriale rechtsmacht heeft om een Belgische onderdaan te vervolgen die ervan wordt verdacht in het buitenland, ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht te hebben gepleegd. Niettemin wordt eraan herinnerd dat, zoals eerder reeds vermeld, het louter behoren tot het Israëlische leger op zich geen strafbaar feit vormt. Het is duidelijk dat elk dossier afzonderlijk een specifieke analyse vereist.

 

Wat het akkoord van 2 september 2025 betreft, het kernkabinet heeft beslist dat het positieve injunctierecht zou worden gebruikt om elke Belg of elke inwoner van België te vervolgen die zich schuldig maakte aan een ernstige schending van het internationaal humanitair recht of een terroristisch misdrijf pleegt in Israël of in de bezette Palestijnse gebieden. Het federaal parket bevestigt dat dergelijke feiten systematisch aanleiding geven tot het openen van een strafzaak.

 

Ik verwijs ook naar het antwoord op de mondelinge vraag nr. 56013829C van collega Mutyebele Ngoi. Naar aanleiding van het akkoord van de kern van 2 september heb ik een brief gestuurd naar de federale procureur waarin ik haar verzoek bijzondere aandacht te besteden aan deze problematiek. Daarnaast is er overleg georganiseerd tussen het federaal parket en mijn strategische cel om de opvolging van deze richtlijn te waarborgen met inachtneming van ieders bevoegdheden en rekening houdend met de beschikbare capaciteiten. Overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten vallen de beoordeling van de feiten, het instellen van onderzoeken en het eventueel instellen van vervolging uitsluitend onder de bevoegdheid van de gerechtelijke autoriteiten.

 

01.03  Achraf El Yakhloufi (Vooruit): Dank u wel voor uw niet-antwoorden.

 

Ik begrijp een aantal zaken niet. Het rapport waarover ik spreek – Declassified UK – is een openbaar document. Daarin wordt duidelijk gesteld dat er minstens 406 Belgen betrokken zouden zijn. U zegt dat u geen weet hebt van die 406 Belgen. Dat is problematisch. Als we een akkoord sluiten waar u en uw partij achter staan en we zeggen dat we ons daaraan verbinden, ga ik ervan uit dat we daar ook actief mee bezig zijn. Ik ben teleurgesteld wanneer u zegt dat er één gerechtelijk onderzoek loopt naar één onderdaan. Ik vind dat bijzonder.

 

U hebt het daarnaast over het lid zijn van het Israëlische leger. Iedereen die momenteel lid is van het Israëlische leger… Ik weet niet of u TikTok, Instagram of Facebook gebruikt. Ik zie u af en toe op sociale media verschijnen, dus dan kunt u ook zien wat er gebeurt. Dat zijn mensen uit dat leger.

 

Ik ben tevreden met wat u deels hebt gedaan, onder meer de brief en het standpunt dat werd ingenomen, maar de resultaten zijn voor mij te beperkt. We zijn inmiddels 21 april en ik weet dat u en uw partij zich inzetten voor de Palestijnse belangen. Dan kan ik u alleen vragen om daar extra op in te zetten en bijkomende druk te creëren.

 

Ik zal deze vraag opnieuw stellen. U mag mij over twee maanden opnieuw verwachten en ik hoop dat er dan meer te melden valt dan dat er één onderdaan wordt onderzocht. Dat moet beter.

 

Wat daar nu gebeurt, is niet oké, daarover zijn we het allemaal eens. Wat er in Palestina en stilaan ook in Libanon gebeurt, is onaanvaardbaar. Elke Belg die daaraan deelneemt, is voor mij een even grote terrorist als alle andere terroristen. Daarover moeten we duidelijk zijn.

 

Mevrouw de minister, ik kom dus binnen een maand of twee terug met dezelfde vraag en ik hoop dat er dan vooruitgang is geboekt.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Aan de orde zijn de twee samengevoegde vragen met dezelfde titel van mevrouw Verkeyn, nrs. 56014206C en 56014213C, over de impact van het nieuwe Strafwetboek op spookbedrijven en faillissementsfraude

 

01.04  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le président, pourrais-je poser ma question qui se trouvait au point 3 de notre ordre du jour? J'étais sur le pas de la porte quand la réunion de commission a commencé, mais les collègues n'étaient pas présents. Pourrais-je la poser maintenant, étant donné que je dois retourner dans une autre commission pour discuter des pensions, si les collègues sont d'accord?

 

01.05  Marijke Dillen (VB): Mijnheer de voorzitter, ik stel voor dat u de regel gewoon blijft toepassen die voor ons altijd geldt, namelijk dat men naar achteren schuift op de agenda als men te laat is. Ik heb vorige keer op het einde van de vergadering mijn grote ongenoegen geuit over het feit dat bij gebrek aan vraagstellers meer dan de helft van de vragen uitgesteld moest worden. Het gaat hier over uitgestelde vragen van de vorige keer. Ik durf er dus echt op aan te dringen dat u niet afwijkt van de regel die hier altijd geldt.

 

Le président: La règle générale veut que, lorsqu'on n'est pas présent au moment où on est appelé pour sa question, la question devient caduque. Dans ce cas-ci, j'applique la règle selon laquelle la question est renvoyée à la fin de l'ordre du jour. Je vous donne la parole, madame Schlitz, mais je ne lancerai pas un débat sur ce sujet.

 

01.06  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Mes trois collègues précédents n'étant pas présents, j'étais en route pour venir poser ma question. J'estime que c'est une application beaucoup trop stricte du Règlement.

 

Le président: Non, l'application stricte du Règlement, madame Schlitz, veut que je fasse tomber la question.

 

01.07  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Le Règlement prévoit en effet une telle règle. Je ne suis néanmoins pas responsable du fait que trois collègues sont absents. J'étais en route et je suis arrivée deux secondes à peine après que M. El Yakhloufi a commencé à parler. Est-ce à ce point inadmissible?

 

01.08  Pierre Jadoul (MR): Monsieur le président, l'étudiante qui arrive en retard à l'examen attend la fin de la matinée pour passer son examen. La règle vaut pour tout le monde. On ne va pas commencer à spéculer sur la question de savoir si un collègue va déborder de ses deux minutes de temps de parole ou si la ministre … Un délai et un ordre sont prévus. Respectons-les!

 

01.09  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): (…)!

 

Le président: Madame Schlitz, je vais être très clair sur ce point.

 

Depuis le départ, le Règlement prévoit que si vous n'êtes pas là au moment où votre question arrive, celle-ci devient caduque. Je ne le fais pas car j'entends qu'on peut être bloqué dans d'autres commissions. Je fais donc en sorte que cette question passe à la fin. Je le fais pour tout le monde.

 

01.10  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): (…)!

 

Le président: Les menaces ne me font pas peur, madame Schlitz! Vous pouvez partir, je vous en prie!

 

02 Samengevoegde vragen van

- Charlotte Verkeyn aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De impact van het nieuwe Strafwetboek op spookbedrijven en faillissementsfraude" (56014206C)

- Charlotte Verkeyn aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De impact van het nieuwe Strafwetboek op spookbedrijven en faillissementsfraude" (56014213C)

02 Questions jointes de

- Charlotte Verkeyn à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'impact du nouveau Code pénal sur les sociétés fantômes et les faillites frauduleuses" (56014206C)

- Charlotte Verkeyn à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L'impact du nouveau Code pénal sur les sociétés fantômes et les faillites frauduleuses" (56014213C)

 

02.01  Charlotte Verkeyn (N-VA): Mevrouw de minister, het nieuwe Strafwetboek hervormt het sanctiestelsel grondig door te werken met strafniveaus en door naast de klassieke geldboetes ook de geldstraf in te voeren voor op winstbejag gerichte misdrijven. Voor een aantal economische en financiële misdrijven valt de maximale klassieke geldboete in het nieuwe systeem soms terug tot maximaal 20.000 euro. De proportionaliteit van die straf moet dan door de nieuwe geldstraf worden opgevangen. Dat is een relevant aspect, vooral bij het fenomeen van de zogenaamde spookbedrijven in al hun vormen en gedaanten, zoals vennootschappen die via katvangers worden opgericht of geactiveerd en voorschotten innen.

 

Omdat de geldstraf een nieuwe straf is, rijzen veel vragen over de impact op feiten van vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek waarvan de vervolging of berechting nog loopt. Vooral in dossiers van economische fraude, zoals fraude via spookbedrijven of voorschotfraude, kan dat ertoe leiden dat de rechter telkens op de lage bijkomende geldboetes van het nieuwe systeem terugvalt, terwijl de geldstraf niet op vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek gepleegde feiten kan worden toegepast.

 

Mevrouw de minister, heeft de regering een impactanalyse gemaakt van het nieuwe sanctiestelsel op dossiers van faillissementsfraude en de gevolgen in de strijd tegen dergelijke spookbedrijven? Hoe beoordeelt u het risico dat in bepaalde dossiers alleen nog de lagere geldboetes van het nieuwe systeem kunnen worden toegepast voor feiten uit het verleden? Acht u het wenselijk dat in dergelijke dossiers eventueel meer op gevangenisstraffen moet worden teruggevallen, omdat de geldboetes minder afschrikkend zullen worden? Werden hierover al signalen ontvangen? Hoe staat u tegenover ons wetsvoorstel om via artikel 60 in een overgangsregeling te voorzien?

 

02.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Verkeyn, er werd geen impactanalyse uitgevoerd van het nieuwe sanctiestelsel op dossiers van fraude in faillissementszaken, noch van de gevolgen voor de strijd tegen schijnvennootschappen.

 

Bij de totstandkoming van het nieuwe Strafwetboek werd wel bijzondere aandacht besteed aan de coherentie en doeltreffendheid van het nieuwe sanctiestelsel, ook voor economische en financiële misdrijven. De invoering van de geldboete in de zin van een pecuniaire sanctie heeft precies tot doel de sanctie beter af te stemmen op dat type criminaliteit. In het kader van het Strafwetboek van 1867 kunnen geldboetes zeer hoog worden, in het bijzonder voor inbreuken op economisch of fiscaal vlak die voor de daders aanzienlijke winsten kunnen opleveren.

 

In het kader van de totstandkoming van de harmonisatiewetgeving, die tot de bevoegdheid van de FOD Justitie behoort, werd waar nodig gekozen om af te wijken van de bedragen ingeschreven in het nieuwe Strafwetboek, teneinde de wil van de wetgever te behouden en de bestaande sanctieniveaus te handhaven. Die optie werd niet gekozen door de auteurs van het wetsvoorstel tot invoering van de nieuwe pecuniaire straf. Voor de betreffende inbreuken zijn zeer hoge geldboetes dan ook niet langer noodzakelijk, aangezien de pecuniaire straf toelaat de sanctie te bepalen naargelang van het beoogde of verkregen voordeel uit de inbreuk. In dat geval blijft wel het risico bestaan dat feiten gepleegd voor 8 april 2026 slechts kunnen leiden tot lagere geldboetes, gelet op het beginsel van de toepassing van de strafwet in de tijd, zoals bepaald in artikel 2, dat inhoudt dat geen zwaardere straf, hoofdstraf of bijkomende straf kan worden uitgesproken dan dewelke van toepassing was op het ogenblik van de feiten.

 

De gevangenisstraf wordt in het nieuwe Strafwetboek opgevat als een werkelijk ultimum remedium. Artikel 27 herinnert er uitdrukkelijk aan dat ze alleen kan worden uitgesproken, als de doelstellingen van de straf, namelijk het uiting geven aan maatschappelijke afkeuring, de bevordering van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en het herstel van de schade door het misdrijf veroorzaakt, het bevorderen van maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader en de bescherming van de maatschappij, niet kunnen worden bereikt met andere sancties voorzien door de wet.

 

Bovendien zou het in de huidige context weinig coherent zijn om het gebruik van gevangenisstraffen te verhogen om de lage bedragen van geldboetes te compenseren. Voor bepaalde inbreuken, met name deze die aanzienlijke winsten kunnen genereren, speelt de geldboete een essentiële afschrikkende rol. We blijven uiteraard aandachtig voor de manier waarop de nieuwe bepalingen in de praktijk zullen worden toegepast en zullen in voorkomend geval rekening houden met eventuele moeilijkheden bij de interpretatie of bij de uitvoering.

 

02.03  Charlotte Verkeyn (N-VA): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord en ook voor uw eerlijkheid. U erkent immers voor het eerst het risico dat de nieuwe geldstraf beschouwd wordt als een volledig nieuwe straf, waardoor bepaalde misdrijven door de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek in feite veel minder zwaar bestraft worden dan wat het geval zou zijn volgens de oude wetsbepalingen en volgens de nieuwe wetsbepalingen met de spiegelstraf. Dat komt ook omdat de wetgever in de voorbereiding tot drie keer toe heeft gezegd dat de geldstraf een nieuwe straf is.

 

Het is nog niet te laat om dat euvel te verhelpen, temeer gelet op de stelling van leden van de commissie in een artikel dat zij voldoende kunnen motiveren dat de nieuwe geldstraf geen nieuwe straf is, maar moet worden gezien als een bijkomende geldboete, toegevoegd aan het oude systeem. Overigens werd ook in het advies over mijn wetsvoorstel met betrekking tot de harmonisering van het fiscaal strafrecht bevestigd dat dat een oplossing kan zijn.

 

Ik probeer al een hele tijd uit te leggen dat wij nu nog ervoor kunnen zorgen dat het risico zoveel mogelijk beperkt wordt. De zaak is volgens mij te belangrijk om er jarenlang, tot wanneer er een uitspraak is van het Hof van Cassatie, rechtsonzekerheid over te laten bestaan.

 

Heel wat ondernemingsbanken luiden nu al de noodklok dat ze over onvoldoende tools beschikken om spookbedrijven, een problematiek waar ik mij mee bezighoud, te sanctioneren en gedupeerde slachtoffers te hulp te schieten. Met die oplossing kunnen we spookbedrijven in de portemonnee raken en dergelijke misdrijven aanpakken. Heel wat oude zaken zullen in gevaar komen, als we de motivatie niet aanpassen. Ik kijk uit naar uw verdere stappen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- Kristien Van Vaerenbergh aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De omzetting van een gewone in een volle adoptie" (56014225C)

- Alain Yzermans aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De vraag van adolescenten naar een gelijke behandeling bij volle adoptie" (56015318C)

03 Questions jointes de

- Kristien Van Vaerenbergh à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La conversion d'une adoption simple en une adoption plénière" (56014225C)

- Alain Yzermans à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La demande des adolescents en faveur d'une égalité de traitement par rapport à l'adoption plénière" (56015318C)

 

03.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.

 

Mevrouw de minister, in uw antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 56-2-000735 stelt u dat een gewone adoptie kan worden omgezet in een volle adoptie, maar enkel zolang de geadopteerde minderjarig is. Voor meerderjarige geadopteerden bestaat die mogelijkheid niet, omdat adoptie volgens u in de eerste plaats een beschermingsmaatregel voor het kind is.

 

Nochtans zijn er situaties, bijvoorbeeld bij interlandelijke adopties, waarbij kinderen enkel een gewone adoptie konden krijgen omdat het recht van het land van herkomst geen volle adoptie kende. Zij blijven daardoor ook als volwassene gebonden aan dat statuut, met onder meer andere erfrechtelijke gevolgen.

 

Daarom mijn vragen:

 

Acht u het gerechtvaardigd dat deze personen levenslang aan dat statuut gebonden blijven, en bent u bereid te onderzoeken of onder strikte voorwaarden toch een omzetting naar volle adoptie voor meerderjarigen mogelijk kan worden gemaakt?

 

Indien een dergelijke mogelijkheid volgens u niet haalbaar is, bent u dan bereid te bekijken of de leeftijdsgrens waarbinnen een omzetting naar een volle adoptie kan worden aangevraagd, kan worden opgetrokken?

 

Welke belangen moeten volgens u in dat kader tegen elkaar worden afgewogen?​

 

03.02  Alain Yzermans (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, ik sluit mij aan bij de tussenkomst van mijn collega, maar ik wil toch een specifiek probleem onder de aandacht brengen bij bepaalde jongeren die geadopteerd zijn.

 

Wanneer zij geadopteerd worden, zijn ze vaak niet bezig met de juridische vorm van die adoptie, namelijk of het om een gewone dan wel een volle adoptie gaat. Dat verschil wordt pas later duidelijk en kan bijzonder zwaar doorwegen. Wanneer men op negentienjarige leeftijd, in volle persoonlijke ontwikkeling, vaststelt dat men door een leeftijdsgrens niet meer in aanmerking komt om over te gaan van een gewone naar een volle adoptie, heeft dat een grote impact. Dat leidt tot emotionele gevolgen, zoals een gevoel van leegte en onvolledigheid, ook in de erkenning van de familiebanden. Daarnaast zijn er ook belangrijke erfrechtelijke gevolgen.

 

Die situatie creëert volgens mij een vorm van ongelijkheid tussen jongeren, zeker wanneer zij geen reële band meer hebben met hun biologische ouders in het land van herkomst. De impact daarvan op gezinnen is aanzienlijk en soms zelfs verscheurend.

 

Daarom heb ik de volgende vragen. Erkent u dat de huidige wetgeving rond gewone en volle adoptie kan leiden tot gevoelens van uitsluiting en ongelijkheid? Welke stappen acht u mogelijk om dit probleem aan te pakken? Kunt u onderzoeken of er mogelijkheden zijn om meerderjarige geadopteerden alsnog de kans te bieden om over te gaan van een gewone naar een volle adoptie?

 

03.03 Minister Annelies Verlinden: Collega’s, op een interlandelijke adoptie is het buitenlands recht van toepassing. Als het betrokken buitenlands recht niet in volle adoptie voorziet, kan de interlandelijke adoptie bijgevolg niet als volle adoptie worden erkend in België. Om hieraan tegemoet te komen, heeft de wetgever het ook voor interlandelijke adopties mogelijk gemaakt om gewone adoptie te laten omzetten in een volle adoptie, als alle voorwaarden voor de totstandkoming van volle adoptie vervuld zijn en voor zover de adoptie in het buitenland de bestaande afstammingsband niet verbreekt.

 

De wet biedt derhalve de mogelijkheid om in het geval van de gewone interlandelijke adoptie van een minderjarige de omzetting te vragen naar een volle adoptie voor het kind de meerderjarigheid bereikt, waardoor het als volwassene dus niet gebonden blijft aan het statuut van de gewone adoptie. De beslissing tot omzetting naar een volle adoptie werkt terug tot op de datum van de indiening van het verzoekschrift, zodat het optrekken van de leeftijdsgrens voor deze omzetting dan ook niet nodig lijkt.

 

Bij een interlandelijke adoptie van een meerderjarige is er geen mogelijkheid tot omzetting naar een volle adoptie, aangezien de Belgische wet de volle adoptie van een meerderjarige niet toelaat. Dat is zo omdat de gewone en de volle adoptie een verschillende finaliteit hebben. De volle adoptie is een beschermingsmaatregel in het belang van het minderjarige kind. Volle adoptie maakt het mogelijk om kinderen wier ouders de opvoeding niet kunnen of willen waarnemen in een nieuw gezin op te nemen. De kern van de ratio legis van de volle adoptie is de opvoedende taak tot aan de meerderjarigheid van het kind. De gewone adoptie daarentegen is een aanvulling op de bestaande afstamming, met als belangrijk voordeel het behoud van het erfrecht in de biologische familie en het verkrijgen van het erfrecht van de adoptant. Ook de onderhoudsplicht van de oorspronkelijke ouders blijft bestaan, zij het in subsidiaire orde.

 

Zolang het kind minderjarig is, kan de vorm van adoptie gekozen worden, waarbij steeds rekening wordt gehouden met het belang van het kind. Daarnaast kan de omzetting van een gewone naar een volle adoptie ook door de adoptant zelf gevraagd worden. Vanaf de meerderjarigheid vervalt de beschermende functie van de adoptie, aangezien meerderjarige geadopteerden geacht worden bekwaam te zijn om hun eigen belangen te beschermen.

 

Het is dus op deze manier dat de huidige wetgeving moet worden gelezen.

 

03.04  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik heb inderdaad ook de wetgeving gelezen zoals u ze op dit ogenblik hebt geduid, maar dat kan wel leiden tot situaties waarin het besef pas later komt of waarin er te weinig tijd is om nog te beseffen dat er misschien stappen hadden moeten worden ondernomen. Dan is 18 jaar inderdaad nog heel jong.

 

Mag ik uit uw antwoord opmaken dat u het niet opportuun acht om te bekijken of die leeftijdsgrens van 18 jaar moet worden behouden en of er eventueel wetgevend in een bepaalde uitzondering zou kunnen worden voorzien? (Nee)

 

Ik dank u voor uw antwoord. We zullen nog bekijken op welke manier we daarmee zullen omgaan.

 

03.05  Alain Yzermans (Vooruit): Ik denk daar zelf ook over na. Het is belangrijk dat de leeftijdsgrens, die inderdaad aansluit bij het begrip van beschermingsmaatregelen, zoals u net aangaf, niet aansluit bij de familiale beleving. Dat is  volgens mij een anomalie die wij moeten proberen recht te zetten, want dat leidt in feite tot vervreemding, tot een zwaar gevoel bij bepaalde kinderen en tot misverstanden in families die in uitzonderlijke gevallen wel op de ene of de andere manier rechtgezet moeten kunnen worden.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n° 56014246C de Mme Taton, n° 56014257C de M. Van Tigchelt et n° 56014396C de Mme De Vreese sont sans objet.

 

04 Vraag van Charlotte Verkeyn aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De toepassing van de geldstraf bij een loutere besparing" (56014439C)

04 Question de Charlotte Verkeyn à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L'application de la peine pécuniaire en cas de simple économie" (56014439C)

 

04.01  Charlotte Verkeyn (N-VA): Mevrouw de minister, in de memorie van toelichting wordt gesteld dat de geldstraf kan worden uitgesproken voor alle misdrijven die alle vormen van vermogensvoordelen, met inbegrip van de ontwijking van een schuld, kunnen genereren. Daaronder kan dus ook een belastingschuld worden verstaan, zodat fiscale misdrijven eveneens met een geldstraf zouden kunnen worden bestraft.

 

Is een loutere besparing ook als een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel aan te merken voor de toepassing van de nieuwe geldstraf? Ik denk dan bijvoorbeeld aan milieumisdrijven waarbij de niet-naleving van de milieuregels een kostenbesparing oplevert.

 

04.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Verkeyn, de nieuwe geldstraf die wordt vastgesteld op basis van het verwachte of behaalde voordeel, maakt het mogelijk om de dader te veroordelen tot betaling van een som die kan oplopen tot het drievoud van de waarde van het vermogensvoordeel dat hij rechtstreeks of onrechtstreeks uit een misdrijf heeft verkregen of hoopte te verkrijgen. De straf steunt op het begrip vermogensvoordeel, een begrip dat al geruime tijd wordt gehanteerd in het kader van de verbeurdverklaring. Met het oog op de coherentie en rechtszekerheid dient het begrip, aangezien het om hetzelfde begrip gaat, dezelfde uitlegging te krijgen als dewelke in het kader van verbeurdverklaring wordt gehanteerd.

 

Het vermogensvoordeel omvat elk goed of elke waarde die de dader door middel van het misdrijf verwerft, ongeacht of het gaat om de prijs van de misdaad of van het contract, de tegenwaarde van de transactie of onrechtmatige winsten. De parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, waarbij de verbeurdverklaring bij equivalent in het Wetboek van strafvordering werd ingevoerd, bevestigt uitdrukkelijk dat vermogensvoordelen ook besparingen omvatten, bijvoorbeeld wanneer de dader vermijdt een belastingschuld te betalen. Bijgevolg kan een loutere besparing een vermogensvoordeel uitmaken, zowel in het kader van de verbeurdverklaring als van de geldstraf die wordt vastgesteld op basis van het verwachte of het uit het misdrijf behaalde voordeel.

 

04.03  Charlotte Verkeyn (N-VA): Mevrouw de minister, dank voor uw duidelijke antwoord. We hopen dat dat antwoord een procesgang in de toekomst zal kunnen vermijden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van Charlotte Verkeyn aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De facultatieve geldstraf" (56014440C)

05 Question de Charlotte Verkeyn à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La peine pécuniaire facultative" (56014440C)

 

05.01  Charlotte Verkeyn (N-VA): Mevrouw de minister, bij de invoering van Boek I van het nieuwe Strafwetboek stelden de vorige regering en vervolgens u als wetgever veel vertrouwen in de nieuwe geldstraf. Volgens de memorie van toelichting is het voor misdrijven die voor de dader een grote financiële opbrengst kunnen genereren, zoals faillissementsmisdrijven, valsheid in informatica, exploitatie van prostitutie van minderjarigen, mensenhandel en misbruik van vennootschapsgoederen, niet langer nodig te voorzien in zeer hoge geldboetes met het oog op het ontmoedigen tot het plegen van deze feiten, gelet op de invoering van de nieuwe geldstraf, die de spiegelstraf van het misdrijf moet vormen.

 

Deze misdrijven worden momenteel bestraft met een maximum geldboete van 4 miljoen euro, inclusief de opdeciemen. Binnen de bandbreedte van het minimum- en maximumbedrag moet de rechter een geldboete als hoofdstraf of bijkomende straf opleggen. Artikel 55 van het nieuwe Strafwetboek bepaalt echter dat de rechter elk van de daders kan veroordelen tot een geldstraf gelijk aan een som die overeenstemt met maximum het drievoud van de waarde van het vermogensvoordeel dat de dader of daders rechtstreeks of onrechtstreeks uit het misdrijf hebben behaald of hoopten te behalen. Dat hebt u daarnet al bevestigd.

 

Het gaat ons over het woord ‘kan’. Aangezien het voorlopig nog over een nieuwe straf gaat, hoe moet het woord ‘kan’ begrepen worden? Veronderstelt dit een bijzondere of hogere motiveringsgraad in het vonnis? Zal dit niet meer aanleiding geven tot beroep- en cassatieprocedures? Hoe verhoudt zich dat tot de verplichte of bijzondere verbeurdverklaringen?

 

05.02 Minister Annelies Verlinden: Wat uw eerste vraag betreft, kan ik u meedelen dat overeenkomstig het Wetboek van strafvordering de rechter verplicht is de door hem opgelegde straf te motiveren. In dat verband bepaalt artikel 195 dat het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt waarom de rechter, wanneer de wet hem daartoe een vrije beoordeling laat, een bepaalde straf of maatregel uitspreekt. Hij verantwoordt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel. Hieruit volgt dat deze motiveringsplicht geldt ongeacht het verplichte dan wel facultatieve karakter van de straf.

 

De geldboete die wordt vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel betreft inderdaad een facultatief op te leggen straf. Het facultatieve karakter houdt op zich geen zwaardere motiveringsplicht in in vergelijking met andere straffen. Overeenkomstig het Wetboek van strafvordering is de rechter immers in alle gevallen verplicht zowel de keuze van de opgelegde straf als de strafmaat te motiveren, ongeacht of die straf verplicht dan wel facultatief is.

 

Wat uw tweede vraag betreft, verleent het nieuwe Strafwetboek aan de verbeurdverklaring een reëel karakter. De verbeurdverklaring strekt er immers in de eerste plaats toe de dader te beroven van de wederrechtelijke goederen waarvan hij misbruik heeft gemaakt of die hij naar aanleiding van het misdrijf heeft verkregen.

 

Gelet hierop bestaat er geen beletsel voor de rechter om eveneens een geldboete op te leggen die wordt vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel, teneinde de veroordeelde financieel te bestraffen. Het lijkt dan ook aangewezen om naast de verbeurdverklaring degene die bij het plegen van het misdrijf een winstoogmerk nastreefde op significante wijze financieel te bestraffen, niet alleen door het wederrechtelijk verkregen voordeel af te nemen, maar ook door hem te veroordelen tot het betalen van een som die overeenstemt met maximum het drievoud van dat vermogensvoordeel.

 

De geldboete die wordt vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel kan worden uitgesproken als hoofdstraf van niveau 1 of als facultatieve bijkomende straf voor de andere niveaus. Evenzo is de verbeurdverklaring een hoofdstraf van niveau 1 en komt ze in de andere niveaus voor als bijkomende straf. De rechter heeft dus de mogelijkheid om beide straffen te combineren.

 

05.03  Charlotte Verkeyn (N-VA): Ik vind het toch een enigszins gevaarlijke respons om dat aan de rechter over te laten, mevrouw de minister. Als de rechter de dader al een geldboete opgelegd heeft en nog een spiegelstraf wil opleggen, dan heeft hij geen handvatten om die te motiveren. U zegt dat er geen bijzondere motiveringsverplichting is. De rechter moet dus zelf uitzoeken of hij aan de motiveringsplicht voldoet volgens de geldende rechtspraak van het Hof van Cassatie.

 

In het verleden zijn er al jarenlange discussies gevoerd en werden vernietigingsarresten geveld, omdat er wel of niet met bepaalde individuele omstandigheden rekening moest worden gehouden. Men zou eigenlijk een aantal parameters in de motivering moeten kunnen meenemen om bijkomend een bepaalde geldstraf als spiegelstraf te kunnen opleggen. Ik vrees dat dit opnieuw de route zal volgen van wat het Hof van Cassatie van de motiveringsplicht verwacht.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de Claire Hugon Lecharlier à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La procédure de désignation du juge belge à la Cour de justice de l’Union européenne" (56014453C)

06 Vraag van Claire Hugon Lecharlier aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De procedure voor de benoeming van de Belgische rechter bij het Europees Hof van Justitie" (56014453C)

 

06.01  Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Madame la ministre, le mandat de juge belge à la Cour de justice de l’Union européenne, actuellement occupé par M. Koen Lenaerts, arrive à expiration l’année prochaine, en 2027. Le mois dernier, nous avons appris que le gouvernement proposait la reconduction du juge Lenaerts pour 6 ans. J’ai interrogé le premier ministre, qui m’a indiqué le 24 mars dernier que cette décision avait été prise sur votre proposition. Je me permets donc de vous interroger sur ce dossier.

 

Pourriez-vous m’indiquer quelle procédure encadre, au niveau européen et au niveau belge, la désignation ou le renouvellement des juges à la Cour de justice et au Tribunal de l’Union européenne?

 

Dans le cas précis de la désignation du juge belge à la Cour de justice pour le mandat 2027-2033, quelle publicité a été organisée? La vacance a-t-elle été rendue publique? Dans l’affirmative, quand? Quels étaient les délais pour déposer une candidature? Auprès de qui celle-ci devait-elle être entrée? Combien de candidatures ont été déposées? Quelle procédure de sélection a été organisée par le gouvernement? Un jury a-t-il été constitué? Si oui, qui en étaient les membres et en quelle qualité? Quels étaient les critères de sélection?

 

06.02  Annelies Verlinden, ministre: Madame la députée, le 20 mars, le Conseil des ministres a en effet marqué son accord sur ma proposition de désigner Koen Lenaerts pour un nouveau mandat de juge à la Cour de justice de l’Union européenne pour la période 2027-2033. Koen Lenaerts est l’actuel président de la Cour de justice. Il va de soi que nous essayons de maintenir des Belges aux postes stratégiques au niveau européen. Le candidat sera auditionné par le comité prévu par l’article 255 du Traité, composé de sept personnalités choisies parmi d’anciens membres de la Cour de justice et du Tribunal. Ce comité remettra un avis sur l’adéquation des candidats par rapport au profil recherché. La Conférence des représentants des gouvernements des États membres procédera ensuite à la nomination.

 

06.03  Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Comme j'avais dû le remarquer avec le premier ministre, je constate que je n’ai pas du tout reçu les réponses que j’attendais. Je déduis de l’absence de réponses qu’il n’y a pas eu de procédure, pas de publicité, pas de sélection. Il a simplement été décidé de maintenir la personne déjà en poste.

 

Vous dites que le comité 255 remettra un avis, mais si je ne m’abuse, ce comité est censé remettre un avis avant que les gouvernements des États membres ne se prononcent et ne procèdent aux désignations. Ce qui est intéressant avec cet avis, c’est qu’il met en œuvre le principe selon lequel la nomination des juges doit absolument être fondée sur des critères objectifs de compétence et d’indépendance. Évidemment, la compétence de M. Lenaerts n’est absolument pas remise en question. Je pense que personne ici ne pourrait le faire. Mais il y a les principes, quand même: quand un poste d’une telle ampleur stratégique est à pourvoir, il me paraîtrait quand même utile, en matière de transparence et de confiance en les décisions, d'organiser les choses avec un peu plus de transparence et de publicité.

 

De plus, vous comprenez bien que le contexte dans lequel j’ai posé cette question tient au fait que des informations ont circulé, selon lesquelles la personne concernée aurait pu jouer un rôle dans les négociations sur la politique migratoire prévue dans le programme Arizona. Or la Cour de justice sera prochainement amenée à se prononcer sur certaines politiques appliquées sur la base de ce même accord de majorité. Cela rendait donc d’autant plus important de disposer de toutes les assurances d'un examen impartial et transparent des différentes candidatures ayant pu être envisagées pour ce poste.

 

Je regrette dès lors de constater que le gouvernement n’a pas du tout fait le choix de la transparence. Et ce n’est malheureusement pas la première fois que cela se produit pour ce type de fonction. Les postes de juges internationaux sont des fonctions d’une importance telle qu’il me semble vraiment dommage de se priver de la transparence qui pourrait pourtant renforcer la confiance dans les décisions prises.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Samengevoegde vragen van

- Alexander Van Hoecke aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Ernstige problemen bij de controle over de bewindvoeringen" (56014510C)

- Kristien Van Vaerenbergh aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De controle op bewindvoeringen na het HRJ-onderzoek" (56014625C)

07 Questions jointes de

- Alexander Van Hoecke à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "De graves problèmes en ce qui concerne le contrôle en matière d'administration de biens" (56014510C)

- Kristien Van Vaerenbergh à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le contrôle relatif aux administrations après l'enquête réalisée par le CSJ" (56014625C)

 

07.01  Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, de Hoge Raad voor de Justitie heeft na een aantal klachten van burgers en een mail van de korpschef een bijzonder onderzoek gevoerd naar het vredegerecht in Zaventem. De Hoge Raad heeft daar ernstige problemen vastgesteld bij de wijze waarop de controle over de bewindvoeringen gebeurt.

 

In totaal stelt de Hoge Raad maar liefst 48 onwettige praktijken vast en spreekt hij van een samenhangend patroon van dysfuncties in de selectie en aanwijzing van bewindvoerders, de administratieve opvolging, de financiële controle, de toekenning van vergoedingen en de aanpak van belangenvermenging en fraude. De Hoge Raad heeft ook aangiften van die feiten gedaan bij het Brusselse parket-generaal en heeft zijn verslag aan u bezorgd.

 

Mevrouw de minister, zijn er indicaties van gelijkaardige problemen bij andere vredegerechten? Hebt u daaromtrent berichten ontvangen? Zo ja, welke?

 

De Hoge Raad formuleert naar aanleiding van dat bijzonder onderzoek zes aanbevelingen, waarvan er vier gericht zijn aan de wetgever. Wat is uw visie met betrekking tot die aanbevelingen? Plant u zelf concrete wetgevende initiatieven te nemen? Zo ja, op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

 

Wat kan er volgens u nog verder ondernomen worden om de controle op de bewindvoeringen aan te scherpen? Plant u bijkomende maatregelen? Zo ja, wanneer mogen we die verwachten?

 

07.02  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijn collega heeft de situatie en de problematiek geschetst en mijn vragen liggen in dezelfde lijn. Ik verwijs dus naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.

 

Mevrouw de minister, de Hoge Raad voor de Justitie publiceerde recent de resultaten van een bijzonder onderzoek naar het vredegerecht in Zaventem, waarin tekortkomingen werden vastgesteld met betrekking tot de controle op bewindvoeringen.

 

In het verslag worden verschillende aandachtspunten en aanbevelingen geformuleerd, onder meer met betrekking tot de organisatie van het toezicht en de toepassing van de bestaande regelgeving.​

 

Mijn vragen:

 

Beschikt u over aanwijzingen dat gelijkaardige problemen zich ook in andere vredegerechten voordoen? Zo ja, kunt u een stand van zaken geven van het aantal meldingen en klachten hierover in de voorbije jaren en hoe deze werden opgevolgd?

 

Hoe beoordeelt u de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie en welke acht u prioritair? Hoe zullen deze concreet worden opgevolgd?

 

Overweegt u bijkomende wetgevende initiatieven rond de controle op bewindvoeringen? Zo ja, welke pistes worden momenteel onderzocht en binnen welke termijn?

 

Welke maatregelen acht u aangewezen om de controle op bewindvoeringen in de praktijk te versterken? Plant u bijkomende initiatieven op het vlak van richtlijnen, toezicht of ondersteuning van de vredegerechten?

 

Acht u het aangewezen om wetgevend te voorzien in een verbod op de aanwijzing van plaatsvervangende vrederechters als bewindvoerder binnen hun eigen kanton, gelet op mogelijke belangenconflicten?​

 

07.03 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer de voorzitter, collega’s, bewindvoering is een delicate aangelegenheid en de controle daarop door de vrederechters is van essentieel belang.

 

Ter herinnering, als minister van Justitie kan ik geen gedetailleerde richtlijnen geven aan korpschefs of vrederechters, gelet op het principe van de scheiding der machten.

 

Na ontvangst van het bijzonder onderzoek heb ik onmiddellijk contact opgenomen met de vertegenwoordigers van het College van de hoven en rechtbanken om te evalueren welke concrete maatregelen zij nodig achten. Daarnaast heb ik de voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige balies aangeschreven met de vraag welke maatregelen zij zullen nemen.

 

We mogen ervan uitgaan dat het overgrote deel van de bewindvoeringen correct verloopt, maar het blijft noodzakelijk om verdere controles in te bouwen en maatregelen te nemen om het beheer te verbeteren. Het is de eerste keer dat wij op de hoogte worden gesteld van een bijzonder onderzoek dat betrekking heeft op een vredegerecht in het kader van bewindvoering en van de vaststellingen die daaruit voortvloeien.

 

In 2019 heeft de Hoge Raad voor de Justitie een globale audit uitgevoerd over de wijze waarop vrederechters toezicht uitoefenen op bewindvoerders van beschermde personen, gevolgd door een opvolgingsrapport in 2022, telkens met verschillende aanbevelingen. Tot op heden zijn er geen andere gestaafde meldingen die erop wijzen dat gelijkaardige problemen zich in andere vredegerechten voordoen.

 

De aanbevelingen uit de rapporten van 2019 en 2022 hebben geleid tot de wet van 8 november 2023 betreffende het statuut van de bewindvoerder van een beschermde persoon. Een deel van die wet, met betrekking tot de omkadering van de aanwijzing en het toezicht op bewindvoerders, zal op 1 september 2027 in werking treden.

 

Volgens die wet moet een persoon voortaan ingeschreven zijn op een lijst om als professioneel bewindvoerder te kunnen worden aangewezen. Die inschrijving, die om de twee jaar moet worden vernieuwd, is afhankelijk van het voldoen aan bepaalde voorwaarden inzake bekwaamheid en integriteit, zoals het volgen van opleidingen, de naleving van deontologische regels en de afwezigheid van strafrechtelijke of tuchtrechtelijke sancties.

 

De wet zal ook de controlemechanismen versterken, onder meer met betrekking tot plaatsvervangende vrederechters die ook professioneel bewindvoerder zijn. Die maatregel moet voorkomen dat eenzelfde persoon achtereenvolgens als rechter en als bewindvoerder in hetzelfde dossier optreedt of dat het toezicht wordt beïnvloed door collegiale of vriendschappelijke banden.

 

We zullen onderzoeken of het nodig is om nog een stap verder te gaan en een onverenigbaarheid in te voeren tussen de rol van plaatsvervangend rechter en die van bewindvoerder binnen hetzelfde kanton, en wat daarvan de operationele gevolgen zouden zijn.

 

Mijn administratie zal op basis van de praktijk en de toepassing van de wet nagaan of bijkomende ondersteuningsmaatregelen voor magistraten nodig zijn. Daarbij wordt onder meer onderzocht of het steunpunt bewindvoering, dat in de praktijk al bestaat en ondersteuning biedt aan rechtszoekenden, kan worden geïnstitutionaliseerd.

 

De aanbevelingen van de Hoge Raad uit het recente onderzoek met betrekking tot de toepassing van artikel 497/5 van het oud Burgerlijk Wetboek en tot de vergoeding van de technische adviseur, vereisen een nadere analyse door mijn administratie, aangezien het om nieuwe aanbevelingen gaat.

 

Tot slot zijn er tijdens de vorige legislatuur verschillende pogingen ondernomen om de vredegerechten van Brussel een eigen beheerstructuur te geven, maar die hebben niet tot een politiek akkoord geleid. Intussen hebben nieuwe besprekingen plaatsgevonden met de voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg, die ook optreden als korpschefs van de vrederechters en politierechters in Brussel.

 

Dit is geen ideale situatie, en daarom plan ik op korte termijn op basis van een concreet voorstel van remediëring de bespreking binnen de regering op te starten. Een beheersstructuur voor de vredegerechten van Brussel is een van de aanbevelingen die gemaakt zijn na het onderzoek van de Hoge Raad.

 

07.04  Alexander Van Hoecke (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister.

 

Uit dat bijzonder onderzoek van de Hoge Raad voor de Justitie komen bijzonder ernstige feiten naar voren. Het is dan ook goed dat u onmiddellijk in contact getreden bent met onder meer de hoven en de rechtbanken.

 

Als ik het goed begrijp, zegt u dat de aanbevelingen die de Hoge Raad doet aan de wetgevende macht, nog onderworpen zullen worden aan een bijkomende analyse. We zullen dat dan ook blijven opvolgen. Het zijn nieuwe aanbevelingen, die nog niet volledig vervat zijn in de wet die in 2027 in werking zal treden.

 

We zullen dat verder opvolgen, en we zullen u in de nabije toekomst opnieuw bevragen over wat de analyse heeft opgeleverd, want die aanbevelingen lijken me wel nuttig te zijn. Zeker gelet op de ernst van de problemen die opgedoken zijn, is de situatie allesbehalve ideaal.

 

07.05  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister.

 

Het zijn inderdaad ernstige feiten. We kijken dan ook uit naar het effect van de nieuwe wetgeving, die nog in werking moet treden.

 

Ik zal later uiteraard terugkomen op dit dossier, zodra u hebt kunnen onderzoeken of er een verbod komt op het feit dat een plaatsvervangend vrederechter in hetzelfde kanton ook bewindvoerder kan zijn, dan wel of u van oordeel bent dat een versterking van de controle daartoe zou bijdragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Samengevoegde vragen van

- Alexander Van Hoecke aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De gevolgen van de malaise binnen de DAB voor de overbrenging van gevangenen" (56014685C)

- Kristien Van Vaerenbergh aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De transportproblemen en het gebruik van videoconferenties" (56014842C)

- Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Videozittingen in strafzaken" (56014882C)

08 Questions jointes de

- Alexander Van Hoecke à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les conséquences du malaise régnant au sein de la DAB sur le transfèrement des détenus" (56014685C)

- Kristien Van Vaerenbergh à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les problèmes de transport et la visioconférence" (56014842C)

- Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Des audiences par vidéoconférence pour des affaires pénales" (56014882C)

 

08.01  Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, in 2025 konden bijna 4.000 gevangenen door 3.721 voorvallen, gemiddeld 10 per dag, niet naar een verhoor of naar de rechtbank worden gebracht.

 

Dat zijn cijfers die ik heb opgevraagd naar aanleiding van twee heel ernstige feiten die in de pers zijn verschenen. Blijkbaar zou het al om drie zaken gaan waarbij een beklaagde, een verdachte crimineel, werd vrijgesproken omdat hij zijn eigen rechtszaak niet en zelfs meermaals niet kon bijwonen. Uit die cijfers blijkt dat bijna 4.000 keer op één jaar tijd de aangevraagde transfer tussen de gevangenis en de rechtbank niet werd uitgevoerd. Het gaat in totaal om 7,2 % van de transfers. Een jaar eerder, in 2024, ging het om 6,9 % van de aangevraagde transfers. De gevolgen zijn desastreus. Er zijn drie zaken geweest in Brugge, Gent en Mechelen waarin de verdachten vrijuit gingen.

 

Achter die cijfers schuilt blijkbaar een erg grote malaise bij de Directie beveiliging (DAB) van de federale politie. In het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde werd bijvoorbeeld maar liefst 21 % van alle aanvragen niet uitgevoerd. In Oost- en West-Vlaanderen ligt dat percentage respectievelijk op 12 % en 13 %. Ook is er een problematiek binnen de werking van de gevangenissen zelf.

 

Zowel bij de vrijspraak in Brugge als die in Gent voorbije winter moesten verdachten uit de gevangenis van Haren worden overgebracht. Wij zien dat net die gevangenis er met kop en schouders bovenuit steekt als de inrichting waar de meeste problemen opduiken met transporten.

 

De DAB zou bovendien kampen met de gevolgen van de overbevolking in de gevangenissen, wat natuurlijk behoorlijk voor zich spreekt. Het aantal niet-uitgevoerde transporten zit immers in stijgende lijn. Ook het aantal aanvragen voor overbrengingen steeg vorig jaar met meer dan 7.000.

 

Die problematiek kunnen wij niet langer negeren. We hebben de resultaten ervan gezien, zeker als we rekening houden met het feit dat een niet-overbrenging op termijn wel degelijk kan leiden tot een strafrechtelijke vrijspraak.

 

Ik kom tot mijn vragen.

 

Ten eerste, wat is uw reactie op de malaise binnen de DAB?

 

Wij hebben dat probleem al ter sprake gebracht, maar gezien de cijfers die wij nu hebben en het totaalplaatje van het probleem, hoor ik graag uw algemene reactie hierop.

 

Ten tweede, hebt u al overleg gepleegd met uw collega, de minister van Binnenlandse Zaken, om de problematiek te bespreken? Hoe vaak? Wanneer vond het laatste overleg plaats? Wat was het resultaat?

 

Ten derde, welke initiatieven zult u, al dan niet in samenspraak met de minister van Binnenlandse Zaken, in de nabije toekomst nemen om de problematiek binnen de DAB te verhelpen?

 

Ten vierde, ook binnen de gevangenissen loopt een en ander fout. Denk bijvoorbeeld aan de organisatie binnen de gevangenis van Haren, waar gevangenen naar verluidt zelf een transfer moeten aanvragen. Welke maatregelen zult u treffen om de problemen aan te pakken? Hoe verklaart u bovendien de grote verschillen tussen de gevangenissen?

 

Ten slotte, binnen welk tijdsbestek kunnen wij resultaten verwachten voor dit bijzonder dringende en ernstige probleem?

 

08.02  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.

 

Mevrouw de minister, uit recente cijfers blijkt dat een aanzienlijk aantal zittingen niet kan doorgaan omdat gedetineerden niet tijdig kunnen worden overgebracht naar de rechtbank. Dit heeft niet alleen een impact op de efficiëntie van justitie, maar ook op slachtoffers en alle betrokken partijen.

 

U gaf eerder aan dat “videoconferentie één van de oplossingen vormt, dat het wettelijk kader intussen werd aangepast en dat verdere uitrol in voorbereiding is". Tegelijk blijft de fysieke zitting vandaag nog steeds het uitgangspunt en verloopt de implementatie gefaseerd.

 

In de praktijk lijkt de afhankelijkheid van transport echter nog steeds zeer groot.

 

Mijn vragen:

 

In welke mate wordt videoconferentie vandaag effectief gebruikt in strafzaken, en in hoeveel dossiers vormt dit reeds een volwaardig alternatief voor fysieke overbrenging?

 

Welke concrete obstakels verhinderen vandaag nog een bredere toepassing in de praktijk (technisch, organisatorisch of juridisch)?

 

Tegen wanneer voorziet u dat videoconferentie op ruime schaal kan worden ingezet, zodat transportproblemen minder bepalend worden voor het al dan niet doorgaan van zittingen?

 

Wordt daarnaast overwogen om zittingen structureel binnen gevangenissen zelf te organiseren, bijvoorbeeld in grote instellingen zoals Haren, om het aantal transporten te beperken? Zo ja, welke stappen zijn daar reeds gezet?

 

Hoe ziet u de verhouding op termijn tussen fysieke zittingen, videoconferentie en zittingen in gevangenissen, en welke plaats krijgen deze alternatieven binnen de verdere modernisering van justitie?

 

08.03  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, de wet van 25 april 2024 over de organisatie van zittingen per videoconferentie is in werking getreden. Naar aanleiding van de problematiek van het niet tijdig kunnen overbrengen van gedetineerden naar de rechtbank, gaan er stemmen op om zittingen te organiseren via videoconferentie.

 

De Orde van Vlaamse Balies is nochtans zeer kritisch. Het structureel inzetten van videosessies houdt aanzienlijke risico’s in voor de rechten van verdediging. Denk bijvoorbeeld aan de moeilijkheid van vertrouwelijk overleg tussen advocaat en cliënt, aan het verlies van non-verbale communicatie en de mogelijke impact op het tegensprekelijke karakter van het debat. Dat kan leiden tot een afstandelijke behandeling en een minder kwalitatieve tegensprekelijkheid, wat raakt aan fundamentele beginselen zoals het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces.

 

In overeenstemming met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zou verschijning via videoconferentie enkel bij uitzondering mogelijk mogen zijn. Hoewel digitalisering en efficiëntie in de rechtsbedeling belangrijke doelstellingen zijn, rijst de vraag in welke mate die mogen primeren op de waarborgen van fundamentele procesrechten.

 

Bent u bereid het principe van fysieke aanwezigheid van de beklaagden als norm expliciet te verankeren?

 

Hoe beoordeelt u het kritische standpunt van de Orde van Vlaamse Balies inzake het gebruik van videoconferentie in strafzaken? Heeft er inmiddels overleg plaatsgevonden met de OVB en Avocat.be over uw plannen? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo niet, zal dat nog worden georganiseerd?

 

Kunt u mij mededelen in welke mate er vandaag al gebruik wordt gemaakt van videozittingen in strafprocedures en voor welke rechtbanken? Ik krijg daarbij graag een opsplitsing in raadkamer, KI, correctioneel en hof van beroep. Welke maatregelen zijn hierbij genomen om het gebruik van videoconferentie te omkaderen?

 

Tot slot, welke garanties bestaan er om de rechten van de verdediging, waaronder het vertrouwelijk overleg tussen advocaat en cliënt, te waarborgen tijdens videozittingen?

 

08.04 Minister Annelies Verlinden: Dank u wel, collega’s.

 

De problematiek van de overbrenging van gedetineerden naar de zittingen wordt samen met de betrokken actoren, waaronder de rechterlijke orde (RO), het gevangeniswezen en de DAB van de federale politie, van nabij gevolgd. We zoeken ook samen naar oplossingen om de situatie te verbeteren.

 

De oorzaken van het probleem zijn divers. Het is niet alleen een kwestie van personeelstekorten bij de DAB, maar de problemen zijn ook van organisatorische aard bij de DAB en de RO. Uiteraard heeft ook de overbevolking een niet te miskennen impact op de organisatie.

 

De problematiek moet op verschillende fronten worden aangepakt, met investeringen in personeel en ondersteunende middelen bij de DAB en met efficiëntere communicatie tussen alle betrokken actoren. Het aantal verplaatsingen van gedetineerden moet eveneens worden beperkt, bijvoorbeeld door meer gebruik te maken van videoconferentie voor zittingen die slechts enkele minuten duren, zoals die van de raadkamer of de KI. Daarover werden concrete afspraken gemaakt in het regeerakkoord.

 

De ruimere inzet van videoconferentie in gerechtelijke procedures, in lijn met de hervormingen die bij Justitie worden uitgevoerd, biedt bijkomende mogelijkheden om, waar passend, een aantal overbrengingen te vermijden zonder afbreuk te doen aan de rechten van verdediging of aan het statuut van slachtoffers. Initiatieven om meer zittingen in de gevangenis te organiseren, worden in overleg met de magistratuur en de advocatuur onderzocht. Die pistes worden stap voor stap ontwikkeld, met oog voor de werkbaarheid en rechtswaarborgen.

 

Wat videoconferenties betreft, is het belangrijk de ratio legis te herhalen. De wet van 25 april 2024 is duidelijk en vermeldt uitdrukkelijk dat het niet de bedoeling is het gebruik van videoconferenties te veralgemenen of tot regel te verheffen. De norm blijft dat alle deelnemers fysiek aanwezig zijn voor de behandeling van zaken ten gronde. Voor strafzaken is dat expliciet verankerd in artikel 556, § 2, van het Wetboek van strafvordering. Een videoconferentie is in die optiek een aanvulling en geen vervanging. Er loopt momenteel een project om videoconferenties technisch en juridisch in te voeren in de raadkamers en de kamers voor inbeschuldigingstelling, op basis van het regeerakkoord.

 

Wat de implementatie op het terrein betreft, loopt sinds 2022 een gefaseerde uitrol, met als resultaat dat vandaag meer dan 200 sites zijn uitgerust met videoconferentieapparatuur. In 2024 werd met het project JustCourt een pilootfase uitgevoerd op vier sites in het kader van correctionele zittingen. Die pilootprojecten maakten het mogelijk om in reële omstandigheden niet alleen de organisatie te testen, maar ook functionaliteiten zoals vertaling en het gebruik van afzonderlijke virtuele ruimtes voor vertrouwelijk overleg tussen advocaat en cliënt. Op basis van de feedback zijn verschillende verbeteringen doorgevoerd die dit jaar verder worden getest en op grotere schaal kunnen worden uitgerold.

 

Het huidige wettelijke kader laat het gebruik van videoconferentie nog niet in alle rechtsgebieden toe. Bovendien kunnen een aantal essentiële wettelijke garanties nog niet volledig worden gegarandeerd door de bestaande systemen. Een voorontwerp van wet om daaraan te verhelpen, werd op 3 april door de ministerraad goedgekeurd. Dat voorontwerp doorloopt nu de adviesprocedures en wordt daarna in het Parlement voorgelegd. Vervolgens komen er ook nog uitvoeringsbesluiten. Er wordt momenteel een analyse uitgevoerd van de behoeften, beperkingen en praktische uitvoeringsmodaliteiten. Daarna wordt een proof of concept gepland om de lessen uit die analyse te testen.

 

Tot slot neem ik de bezorgdheden van de Orde van Vlaamse Balies ernstig. Het vertrouwelijk overleg tussen advocaat en cliënt is een fundamentele garantie. Zo is het opnemen van zittingen standaard uitgeschakeld en zijn er virtuele breakout rooms beschikbaar.

 

De ordes worden, net als de andere terreinactoren, telkens geconsulteerd bij voorgestelde wijzigingen en hun aandachtspunten worden in de verdere uitwerking meegenomen. Die betrokkenheid is geen formaliteit, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een operationeel en juridisch sluitende invoering van de videoconferentie.

 

08.05  Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, u hebt op het merendeel van mijn vragen niet geantwoord. Ik had vragen over wat er fout loopt in de gevangenissen, de gevangenis van Haren op kop. U bent daar niet op ingegaan. U hebt geen maatregelen aangekondigd voor de gevangenissen zelf.

 

U zegt dat het om een samenloop van omstandigheden gaat. Ik heb de minister van Binnenlandse Zaken hierover vorige week ondervraagd. Hij zei dat dit zeer uitzonderlijk gebeurt, maar het is wel frappant dat het bijna 4.000 keer per jaar gebeurt dat gevangenen niet vanuit de gevangenis kunnen worden overgebracht.

 

U zegt dat het een samenloop van omstandigheden is. Natuurlijk ben ik het daarmee eens. De overbevolking in de gevangenissen doet hier uiteraard geen goed aan. Het is ook niet onlogisch dat de criminelen die zijn vrijgesproken – zaken die net voor kerst in de media zijn gekomen – illegale criminelen waren. De overbevolking van de gevangenissen kan niet los worden gezien van het feit dat er bijna 4.000 illegalen in onze gevangenissen zitten.

 

Ik vind het een teleurstellend antwoord. De minister van Binnenlandse Zaken minimaliseert het probleem. Hij zegt dat het zeer uitzonderlijk is. De cijfers tonen echter aan dat dit in stijgende lijn gaat, dat het meer dan 4.000 keer op één jaar tijd voorkomt.

 

Ik vind het zeer jammer dat u op het merendeel van de vragen niet antwoordt. U hebt het over videoconferentie – terechte vragen van mijn collega –, maar op de vraag wat er in de gevangenissen zelf fout loopt, antwoordt u niet. Ik vind dat zeer jammer.

 

Ik zou u willen oproepen om dit als een absolute prioriteit te beschouwen. Het feit dat criminelen dreigen vrij te komen, gewoon omdat ze hun eigen rechtszaak niet kunnen bijwonen, mogen we absoluut nooit aanvaarden. Het is georganiseerde straffeloosheid. Ik vrees dat we op deze manier volgend jaar opnieuw met een percentage van zeven procent of meer aan falende transporten zullen zitten.

 

08.06  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister.

 

Inderdaad, transporten die falen en niet kunnen doorgaan, moeten absoluut worden vermeden. Dat is veel te belangrijk. Die straffeloosheid moet worden tegengegaan.

 

Ik ben wel blij met uw antwoord en ik ben eveneens, in tegenstelling tot mevrouw Dillen, wel voorstander van het gebruik van videoconferenties in bepaalde zaken, zodat het aantal verplaatsingen kan worden beperkt bij de controle op de voorlopige hechtenis en bij zittingen voor de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat kan zeer nuttig zijn.

 

Het is ook goed dat intussen die uitrol van infrastructuur en technische middelen op een redelijk aantal sites gebeurd is. 200 als ik het goed heb begrepen.

 

Ik kijk uit naar het wetsontwerp dat de wettelijke obstakels zal wegwerken. We moeten inderdaad de weg inslaan van een moderne Justitie en men mag die technische middelen zeker niet onderbenut laten.

 

08.07  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik noteer dat vorige week een voorontwerp van wet is goedgekeurd door de ministerraad betreffende die videozittingen, dat nu het hele proces moet doorlopen, met de Raad van State enzovoort. We zullen de gelegenheid krijgen in deze commissie dit uitvoerig te bespreken. Het zal daarbij heel belangrijk zijn om degenen die op het terrein hiermee moeten werken, namelijk de advocaten, de magistraten en de griffiers, te horen.

 

Collega Van Vaerenbergh zegt nogal gemakkelijk dat zij voorstander is. Ik ben ook voorstander, mevrouw de minister, voor zaken die slechts enkele minuten in beslag nemen. Het gaat dan niet over de zittingen voor de raadkamer en de KI. Die kunnen soms een halfuur tot een uur duren, wanneer het gaat over grotere zaken waar er betwistingen zijn, bijvoorbeeld wat de aanhoudingen betreft. Met betrekking tot de inleidingszittingen voor de correctionele rechtbank wil ik u daarin volgen. Het gaat daar alleen over het vaststellen van conclusietermijnen en het opleggen van een pleitdatum. Daarvoor moeten die verplaatsingen inderdaad niet gebeuren, dat kan via videozitting. Daarmee ga ik volledig akkoord. Eens er echter uitvoeriger gepleit moet worden, is fysieke aanwezigheid bijzonder belangrijk.

 

Ik ben dus benieuwd naar het wetsontwerp, dat misschien nog voor het zomerreces naar de commissie kan komen. Ik kijk ernaar uit.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Chers collègues, nous passons au point suivant de l'ordre du jour. M. Matheï n'est pas présent. J'espère qu'il va bien.

 

09 Samengevoegde vragen van

- Steven Matheï aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De samenwerking met Limburg in het kader van de oprichting van het havenparket" (56014944C)

- Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De oprichting van een havenparket" (56014980C)

09 Questions jointes de

- Steven Matheï à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La coopération avec le Limbourg dans le cadre de la création du parquet portuaire" (56014944C)

- Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La création d'un parquet portuaire" (56014980C)

 

09.01  Marijke Dillen (VB): Mijnheer de voorzitter, het is geen verwijt, maar ik vind het enigszins vervelend dat ik vandaag mijn vraag toch moet stellen, omdat ze anders door de afwezigheid van de heer Matheï zou vervallen. Het Reglement is wat het is.

 

Mevrouw de minister, de Antwerpse haven speelt een heel belangrijke rol in de economie en wordt steeds vaker geconfronteerd met zware en georganiseerde criminaliteit in het algemeen en drugscriminaliteit in het bijzonder. De oprichting van een havenparket wordt al lange tijd aangekondigd. De beslissing is eindelijk gevallen. Er zal een havenparket worden opgericht dat zich specifiek zal toeleggen op de strijd tegen de drugscriminaliteit in en rond de haven van Antwerpen. De oprichting van dat havenparket is inderdaad broodnodig, maar hoe het er zal uitzien en welke bevoegdheden het zal krijgen, blijft onduidelijk.

 

Ten eerste, kunt u daarover wat meer toelichting geven? Welke bevoegdheden zal het havenparket krijgen? Hoe past dat initiatief in een brede, geïntegreerde aanpak van de georganiseerde misdaad?

 

Ten tweede, hoe zult u ervoor zorgen dat het havenparket complementair werkt met andere diensten? Wie zal aan het hoofd komen van het havenparket? Op welke manier zal het havenparket zich onderscheiden van het huidige parket en de bestaande structuren? Hoe zal de verhouding zijn met de procureur des Konings van Antwerpen? Zal de eindverantwoordelijkheid bij hem liggen?

 

Ten derde, hoeveel middelen zullen ter beschikking worden gesteld om het havenparket goed te laten functioneren? Ik denk aan het budget en personeel, maar ook – niet onbelangrijk – aan het aantrekken van experten. Zullen daarvoor bijkomende middelen worden vrijgemaakt boven op de middelen waarover Justitie vandaag beschikt?

 

Ten vierde, de aanpak van drugscriminaliteit zal hopelijk leiden tot meer vervolgingen. Op welke wijze zullen de rechtbanken worden versterkt om zich te kunnen toespitsen op het vervolgen van alle dossiers betreffende de georganiseerde criminaliteit in het algemeen en de drugscriminaliteit in het bijzonder?

 

Ten slotte, zijn er mogelijkheden tot samenwerking met internationale experten in een dergelijk gespecialiseerd parket?

 

09.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit is een prioriteit voor mij en voor de regering. Het Antwerpse havengebied verdient in die context bijzondere aandacht. Hoewel ook andere havens en regio’s een belangrijke rol spelen in de drugstrafiek, blijft de haven van Antwerpen ontegensprekelijk de belangrijkste draaischijf van de handel. Dat legt een bijzondere last op het parket van Antwerpen en in mindere mate op het parket van Oost-Vlaanderen. Dat noodzaakt dus een bijkomende investering, die op een geconcentreerde en doelgerichte manier moet worden gedaan.

 

Daarom heeft de regering op mijn voorstel tijdens de begrotingscontrole beslist om bijkomende middelen vrij te maken om te investeren in een dedicated haventeam, dat zal focussen op de strijd tegen de drugscriminaliteit in het Antwerpse havengebied. Daarvoor zal in 2026 2,5 miljoen euro worden vrijgemaakt en bij de opmaak van de begroting van 2027 kan dat bedrag verder worden opgeschaald. Het gaat concreet om bijkomende magistraten en gerechtspersoneel voor het parket van Antwerpen en mogelijk ook Oost-Vlaanderen. Er wordt tevens gekeken naar een gerichte versterking van de zetel. De verdere operationalisering van dat haventeam zal in de komende weken verder worden uitgewerkt in nauwe samenwerking met de bevoegde parketten. Zodra mogelijk, zal ik daarover verdere toelichting komen geven in het Parlement.

 

09.03  Marijke Dillen (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister.

 

Ik noteer twee zaken. Onder andere de werkwijze, de bevoegdheidsverdeling en de verhouding met de procureur, dat zult u nog allemaal uitwerken. Ik hoop dat de kwestie niet op de lange baan wordt geschoven, maar dat die vragen op zeer korte termijn hun beslag krijgen. Ik begrijp, mevrouw de minister, dat dat geen evidentie is en dat er grondige afspraken moeten worden gemaakt om dat op een degelijke manier te laten functioneren. Ik hoop toch dat u nog vóór het grote reces met meer toelichting naar onze commissie kunt komen.

 

U zegt dat er bijkomende middelen zijn vrijgemaakt in de begroting. Ik heb genoteerd dat er 2,5 miljoen is voor dit jaar en dat dat budget volgend jaar zal worden opgeschaald. Zitten de bijkomende middelen in dat grote pakket voor de gevangenissen en de versterking van de magistratuur, dat hier al herhaaldelijk is besproken, of gaat het om een afzonderlijk bijkomend budget?

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: M. Raskin a demandé le report de sa question n° 56015170C.

 

10 Samengevoegde vragen van

- Stefaan Van Hecke aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De vrijlating van minderjarige geweldplegers wegens plaatsgebrek en de opvolging door justitie" (56015179C)

- Pierre Jadoul aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De falende opvolging van minderjarige delinquenten door het gebrek aan plaatsen in jeugdinstellingen" (56015191C)

10 Questions jointes de

- Stefaan Van Hecke à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La libération de mineurs auteurs de violences par manque de places et le suivi par la justice" (56015179C)

- Pierre Jadoul à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La mauvaise prise en charge des mineurs délinquants due au manque de places en IPPJ" (56015191C)

 

10.01  Pierre Jadoul (MR): Madame la ministre, le manque de places en IPPJ pour les mineurs délinquants n'est pas une problématique nouvelle. Le parquet de Bruxelles avait déjà alerté sur la situation en automne dernier, et il vient à nouveau de tirer la sonnette d'alarme.

 

Faute de places en IPPJ, et en l'absence d'alternative éducative, le parquet de Bruxelles affirme en effet que dix mineurs interpellés récemment pour des faits graves (vols avec violences, extorsion, trafic de stupéfiants) ont été remis en liberté.

 

Selon le parquet, 162 jeunes francophones figurent sur les listes d'attentes des IPPJ en régime fermé et 98 autres attendent une prise en charge par une équipe mobile à Bruxelles.

 

Pour le procureur du Roi de Bruxelles, la crédibilité de la justice des mineurs serait inexistante avec le risque de créer un sentiment de toute-puissance chez ces jeunes ! Les mots sont forts.

 

Le manque de places serait particulièrement grave au sud de pays, créant une justice des mineurs à deux vitesses, selon qu'il est francophone ou néerlandophone.

 

On sait que la Fédération Wallonie-Bruxelles (compétente pour l'Aide à la jeunesse et les IPPJ) avait déjà pris certaines mesures face à cette situation : le déblocage de millions d'euros supplémentaires pour l'Aide à la Jeunesse, un plan d'action prévoyant une augmentation progressive des capacités en IPPJ (avec un passage de 245 places aujourd'hui, à 286 en 2028, et jusqu'à 301 en fin de législature), l'ouverture d'une nouvelle IPPJ à Forest prévue pour 2028, un renfort prévu de 64 nouveaux équivalents temps pleins, et un renforcement des équipes mobiles d'accompagnement. Mais force est de constater que cela ne semble pas suffire…

 

Madame la ministre,

 

- Combien de dossiers sont concernés par une absence de prise en charge des mineurs délinquants ?

 

- Un suivi est-il quand même mis en place par les autorités judiciaires (et policières) concernant ces jeunes qui sont en attente d'une place en IPPJ ?

 

- La Justice a-t-elle déjà eu des contacts avec les autres acteurs concernés pour résoudre ce problème ? Avez-vous des contacts à ce propos avec votre collège de l'Intérieur Bernard Quintin ?

 

- Avez-vous pris contact avec la Ministre en charge de l'Aide à la Jeunesse Valérie Lescrenier ?   Selon elle, des réponses auraient été apportées aux magistrats de la Jeunesse qui ont contacté la cellule de liaison. Avez-vous eu connaissance du contenu de ces réponses ?

 

Je vous remercie. ​

 

10.02  Annelies Verlinden, ministre: Cher collègue, je voudrais me référer aux réponses que j’ai déjà apportées à des questions orales similaires, notamment celles posées par le collègue Van Hoecke. Comme vous le savez, la prise en charge des mineurs délinquants relève de la compétence des communautés. Il existe bien entendu des contacts entre le pouvoir judiciaire et les administrations concernées.

 

En complément de mes réponses précédentes, j'ajoute qu’en cas de manque de places, un mineur est à nouveau placé en détention après quelques mois d’attente et transféré vers un établissement communautaire ou une IPPJ. Cela comporte toutefois deux risques: il arrive parfois que le jeune ait commis de nouveaux faits entretemps ou quil nait pas dadresse fixe et soit dès lors introuvable.

 

Malheureusement, les alternatives au placement s’accompagnent elles aussi de longs délais d’attente après la décision du juge, allant de quelques mois, par exemple pour un travail d’intérêt général, à un an par exemple pour un module de sensibilisation aux drogues.

 

En ce qui concerne plus particulièrement les IPPJ francophones, je peux vous communiquer les chiffres suivants. La liste d’attente pour le régime fermé francophone s’élève à 163 mineurs au 16 avril. Le premier sur cette liste a fait l’objet d’une demande le 2 janvier. La liste d’attente pour les IPPJ francophones en régime ouvert extra-muros compte 109 mineurs au 16 avril. Le premier sur cette liste a fait l’objet d’une demande le 12 février. La liste d’attente pour les IPPJ francophones en régime ouvert intra-muros s’élève à 103 mineurs au 16 avril, le premier ayant fait l’objet d’une demande le 6 février. Ces mineurs sont inscrits sur les listes à la demande des juges de la jeunesse, ce qui signifie que ceuxci estiment quun placement est nécessaire. Si le placement na pas lieu, cest uniquement en raison du manque de places disponibles.

 

10.03  Pierre Jadoul (MR): Merci, madame la ministre, pour ces éléments factuels complémentaires que vous apportez et qui sont relativement inquiétants au regard d’une situation qui ne relève pas, je ne dirais pas de l’impunité, mais en tout cas d’une absence de prise en charge de situations qui mériteraient davantage d’attention.

 

Je suis conscient que cela ne relève pas exclusivement de votre périmètre de compétences, mais je me permets néanmoins d’insister pour que les contacts avec les entités fédérées soient fréquents, réguliers, voire insistants afin que des évolutions puissent intervenir à cet égard.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de Pierre Jadoul à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le recouvrement des amendes pénales et les confiscations" (56015190C)

11 Vraag van Pierre Jadoul aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De invordering van penale boetes en de verbeurdverklaringen" (56015190C)

 

11.01  Pierre Jadoul (MR): En juillet dernier, un protocole d'accord était conclu entre le SPF Finances et le Collège du ministère public en vue d'améliorer le recouvrement des amendes pénales et des confiscations.

 

Lorsque je vous interrogeais sur le sujet l'été dernier, seulement 47,35% du total des amendes pénales infligées étaient effectivement perçues dans les caisses de l'État depuis 2019. En ce qui concerne les confiscations, moins de 20% des peines de confiscation finissaient dans les caisses de l'État. Il était donc important de redresser la barre!

 

Cet accord entre le SPF Finances et le Ministère public prévoyait des échanges d'informations plus cadrés (devant devenir à terme entièrement numérique) et l'automatisation de certaines tâches afin de décharger les magistrats. En outre, afin d'améliorer le taux de recouvrement, l'un des points majeurs du nouveau protocole était la volonté d'améliorer les enquêtes pénales d'exécution (EPE).

 

Cela fait aujourd'hui plusieurs mois que ce protocole est d'application et il semblerait que cela porte ses fruits ! Le SPF Finances a récemment communiqué des chiffres et une amélioration est constatée. Alors qu'en 2018, près de 38 % des amendes pénales cumulées sur les cinq dernières années avaient été recouvrées, on est en 2026, à près de 45 %.

 

En ce qui concerne les confiscations, on constate également une amélioration, sans doute plus modeste, avec une hausse de deux points en un an.

 

Madame la ministre, comment analysez-vous les derniers chiffres concernant les taux de recouvrement des amendes pénales et confiscations?

 

Quels sont les retours du terrain que vous avez reçus? Des difficultés ont-elles été rencontrées dans la mise en œuvre de cet accord entre le SPF Finances et le Ministère public? Si oui, lesquelles?

Un nouveau programme informatique dédié au recouvrement serait d'application. Pouvez-vous nous en dire plus?

 

Le SPF Finances annonce avoir aussi systématisé les EPE. Les moyens suivent-ils les ambitions à ce sujet?

 

J'ai pu lire dans la presse que le SPF Finances défend désormais deux idées : 1) une extension du code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales (Craf) aux amendes pénales et 2) l'introduction d'une facture récapitulative liée à une décision judiciaire. Qu'en pensez-vous ? Des initiatives législatives sont-elles prévues dans ce sens?

 

D'autres évolutions sont-elles envisagées en vue d'encore améliorer le recouvrement des amendes pénales et des confiscations?

 

11.02  Annelies Verlinden, ministre: Monsieur Jadoul, le ministère public me confirme que la perception et le recouvrement des amendes par les Finances s'est nettement améliorée par rapport à il y a 10 ans, tout comme la collaboration entre les Finances et les ministères publics. Le rapport des Finances fait état d'un taux de recouvrement de 47,35 % des amendes. Les classifications de ce rapport reposent toutefois sur le point de vue des Finances, ce qui ne permet pas de savoir clairement si les condamnations prononcées par les tribunaux de police y sont incluses: celles-ci augmentent considérablement le taux de recouvrement et donnent une image totalement différente.

 

L'accord de coopération avec les Finances porte tant sur les amendes que sur les confiscations spéciales en matière de condamnations correctionnelles, pour lesquelles le taux de recouvrement est de toute façon plus faible. Pour la plupart des annonces prononcées par les tribunaux de police, aucune enquête pénale d'exécution (EPE) ne peut d'ailleurs être ouverte en vertu de la loi.

 

L'accord de coopération entre le SPF Finances et le Collège des procureurs généraux a été signé le 2 juillet 2025 et est entré en vigueur le 1er septembre de l'année dernière. Il vise à améliorer l'échange d'informations en attendant que les services informatiques mettent en place un échange numérique direct de données entre les deux services. Il s'agit du projet dit General Intake. Il a ainsi été prévu de recourir provisoirement aux listes pré-EPE issues du programme informatique First du SPF Finances, en tenant compte des possibilités de ce programme afin d'éviter des requêtes manuelles fastidieuses. Ces listes sont transmises tous les six mois par le SPF Finances aux ministères publics, et ce depuis septembre 2025. En pratique, il s'avère que ces listes sont parfois incomplètes et que certaines données essentielles telles que le numéro de notice font défaut, ce qui rend leur traitement trop chronophage pour être exploitable. Des discussions et une analyse des possibilités d'ajustement sont déjà en cours. Quoi qu'il en soit, une évaluation de l'accord de coopération est prévue après un an.

 

11.03  Pierre Jadoul (MR): Je remercie Mme la ministre pour les informations communiquées et je me réjouis évidemment des effets produits par cet accord de coopération et la mise en œuvre de celui-ci. Vu la situation des finances publiques, on ne peut que se réjouir que la perception soit effectivement optimalisée. Je ferai le lien avec ma question suivante, qui porte sur la numérisation de la Justice.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de Pierre Jadoul à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le chantier de la numérisation de la Justice" (56015192C)

12 Vraag van Pierre Jadoul aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De digitalisering van Justitie" (56015192C)

 

12.01  Pierre Jadoul (MR): Madame la ministre, je souhaiterais faire le point avec vous sur le chantier fondamental de la numérisation de la justice. Je vous avais déjà interrogée sur le sujet et vous m'aviez indiqué que le processus de numérisation de la Justice se poursuivait, que des moyens supplémentaires avaient été débloqués et que vous alliez revoir la gouvernance au sein du SPF Justice. Rappelons d'ailleurs qu'un rapport de la Cour des comptes avait été très sévère en ce qui concerne le pilotage de la transformation numérique de la justice par l'État fédéral: gouvernance défaillante, dépendance excessive à la consultance, maitrise budgétaire insuffisante, etc.

 

Pour faire face à ces difficultés, deux avocats, dans une carte blanche publiée récemment, formulent cinq propositions concrètes: 1. La nomination d'un commissaire indépendant à la digitalisation; 2. Le renforcement des compétences internes; 3. Une meilleure association des praticiens de terrain; 4. Un pilotage clair, responsable et transparent; 5. Un groupe de travail sur l'IA.

 

Pouvez-vous faire le point sur l'identification des chantiers prioritaires, l'état d'avancement de ceux-ci et les moyens consacrés à la numérisation de la justice?

Où en est-on notamment dans la finalisation et l'amélioration de JustCase et JustJudgment? Les difficultés qui avaient été pointées du doigt par la Cour des comptes ont-elles été surmontées? La gouvernance au sein du SPF Justice a-t-elle été effectivement revue? De quelle manière? Le recours à des consultants externes a-t-il été revu à la baisse et les ressources internes ont-elles été renforcées? Comment réagissez-vous aux cinq mesures qui sont préconisées par ces deux avocats dans leur carte blanche? Allez-vous concrétiser ces mesures? Je pense notamment à la nomination d'un commissaire indépendant.

 

12.02  Annelies Verlinden, ministre: Monsieur Jadoul, la numérisation de la Justice est un domaine politiquement fondamental et je partage le constat de départ. Le rapport de la Cour des comptes était sévère, et à juste titre. Il pointait une gouvernance défaillante, une dépendance excessive aux consultants et une maîtrise budgétaire insuffisante. Autant de problèmes dont j’ai hérité, auxquels s’ajoute un sous-financement structurel du département depuis de nombreuses années.

 

Dès mon entrée en fonction, j’ai entrepris des actions concrètes pour y remédier. Les investissements ont été significativement augmentés. Un inventaire complet de tous les projets de numérisation et des budgets correspondants a déjà été établi dans une version minimale et a été communiqué à ce Parlement. Une professionnalisation plus poussée de ces informations est en cours. Nous avons également exigé un suivi beaucoup plus strict des processus d’achat.

 

En ce qui concerne JustJudgment, le déploiement est largement réalisé et opérationnel. L’ensemble des justices de paix et des tribunaux de police, ainsi qu’une grande partie des tribunaux correctionnels, sont désormais couverts. Le déploiement et la pseudonymisation se poursuivent afin de rendre publics les jugements et les arrêts.

 

JustCase progresse. Les modules civil, famille et entreprise sont en cours de développement et en phase de test. Toutefois, comme je l’ai déjà exposé devant ce Parlement, JustCase a connu de sérieuses difficultés, notamment lors de son déploiement pour les tribunaux de l’application des peines. J’y ai réagi en exigeant des mesures de remédiation concrètes et en chargeant le président ad interim du SPF Justice d’élaborer un plan d’action clair afin d’améliorer la gouvernance générale et le fonctionnement des projets de numérisation, en portant une attention particulière aux processus RH et à l’accompagnement, le cas échéant, par le recours à une expertise externe. Cette démarche s’est avérée indispensable pour obtenir une information fiable et garantir un suivi rigoureux. Nous avons également demandé l’établissement de rôles clairement définis, dans lesquels l’ordre judiciaire occupe une place centrale pour les décisions qui le concernent. Ces derniers mois, des avancées majeures ont été réalisées dans ce sens pour JustCase. Il s’agit désormais de les envisager à plus grande échelle.

 

Une évaluation approfondie a été menée à la suite du rapport de la Cour des comptes et a conduit à la résiliation de nombreux contrats externes. Les consultants n’occupent plus de fonctions de direction. Celles-ci ont été reprises par des profils internes. Une note-cadre est en cours de finalisation afin d’encadrer structurellement tout recours futur à des consultants, conformément à l’initiative portée par le SPF BOSA au niveau gouvernemental.

 

Je souscris à plusieurs des propositions formulées dans la récente carte blanche, notamment en ce qui concerne le renforcement des compétences internes, l’association systématique de praticiens de terrain, l’accroissement de la transparence ou encore la mise en place d'un groupe de travail sur l’intelligence artificielle. Des efforts importants vont déjà dans ce sens.

 

Concernant l’observatoire, il s’agit d’une piste sérieuse. Et pour ce qui est du commissaire indépendant à la numérisation, l’idée mérite réflexion. Cependant, pour être efficace, une telle fonction devrait couvrir l’ensemble de l’administration fédérale, et donc pas uniquement la Justice, et jouer un rôle de pilotage stratégique interdépartemental et pas seulement de contrôle. C’est d’ailleurs le modèle qui existe aux Pays-Bas.

 

Mon engagement demeure entier pour que la numérisation devienne un changement effectif et non une ambition sans lendemain.

 

12.03  Pierre Jadoul (MR): Madame la ministre, je vous remercie pour les informations que vous partagez.

 

Une vraie évolution a eu lieu depuis le rapport de la Cour des comptes. La présentation qui nous en avait été faite dans les premiers mois de la législature était relativement inquiétante. J’avais été quelque peu rassuré par les réponses aux questions données par la Cour des comptes, parce qu’elles présentaient un changement d’attitude dans le chef de la Cour. Je me réjouis qu’un certain nombre de projets soient pris en main, qu’il y ait une évolution en ce qui concerne le fonctionnement, que l’informatisation de la Justice reste à votre agenda et que vous fassiez ce qui est utile et possible pour faire progresser ce dossier.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Mme Mutyebele Ngoi a demandé le report de sa question n° 56015204C.

 

13 Vraag van Katja Gabriëls aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De telefonische wachttijd bij het parket Brussel" (56015224C)

13 Question de Katja Gabriëls à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les délais d'attente lors de contacts téléphoniques avec le parquet de Bruxelles" (56015224C)

 

13.01  Katja Gabriëls (Anders.): Mevrouw de minister, de lokale politiezones in Brussel ervaren sedert enige tijd moeilijkheden in het contacteren van de magistraten met wachtdienst. De telefonische wachttijd om de magistraat met wacht te bereiken, zou soms tot twee uur oplopen, wat onaanvaardbaar is.

 

De oorzaak daarvan is het tekort aan magistraten en ondersteunend personeel in Brussel. Op vraag van het parket Brussel zou de lokale politie nu een module of een app hebben ontwikkeld om op digitale wijze de magistraat te contacteren, in de hoop zo sneller een beslissing te bekomen.

 

Mevrouw de minister, klopt het dat de politiezones te lang moeten wachten op een reactie van de magistraat met wachtdienst omdat er te veel oproepen binnenkomen? Meent u dat het een taak van de politie is om dergelijke modules te ontwikkelen? Wat is de kostprijs voor ontwikkeling geweest en door wie werd die betaald? Voorziet u extra middelen om die kosten te compenseren?

 

Bent u van plan om die module ook uit te rollen in andere parketten?

 

Hoe verhoudt dat lokale initiatief zich tot de nieuwe BEAM-applicatie, die door veel overheden gebruikt wordt? Is dat systeem al geëvalueerd?

 

13.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Gabriëls, het is juist dat de conferentie van korpschefs de procureur des Konings van Brussel heeft aangesproken over de wachttijd vooraleer de dienstdoende magistraat bereikbaar is.

 

De hoge telefonische belasting, met soms meer dan honderd oproepen per dienst, is een reëel knelpunt dat voor hoge werkdruk zorgt. Het project waarvan sprake is op eigen initiatief ontwikkeld door een aspirant-hoofdinspecteur als afstudeerproject aan de politieacademie en vervolgens overgedragen aan de politiezone Ukkel-Watermaal Bosvoorde-Oudergem, die de applicatie Magpol heeft laten ontwikkelen. Het gaat dus niet om een taak die aan de politie werd opgelegd, maar het is een lokaal initiatief, gedragen door betrokken politiemensen en dat de procureur des Konings aansprak.

 

De ontwikkeling is gedragen door de zone zelf in het kader van een academisch project. Er waren geen middelen van de FOD Justitie bij betrokken. Voor de exacte kostprijs verwijs ik naar de betrokken politiezone en naar de minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid. Mijn kabinet werd daarover slechts informeel geïnformeerd en heeft ter zake geen beslissing genomen over eventuele financiering of terugvordering van kosten. Daarvoor verwijs ik eveneens naar de minister van Binnenlandse Zaken.

 

De applicatie wordt momenteel nog niet operationeel ingezet. De procureur in Brussel stelde het initiatief voor tijdens de raad van de procureurs des Konings. De details moeten nog worden uitgewerkt. Men denkt aan een proefproject in Brussel, met een eventuele verdere uitrol. De governance moet in de eerste plaats door het openbaar ministerie en de betrokken politieoverheden worden beoordeeld in samenspraak met de betrokken administraties.

 

De verwijzing naar de BEAM-applicatie is relevant. BEAM is ontworpen voor beveiligde communicatie binnen de overheid, maar biedt volgens de betrokkenen onvoldoende oplossingen voor de specifieke context van nacht- en dagwachten en hoge volumes, die een specifieke workflow vereisen inzake dossieroverdracht en traceerbaarheid van beslissingen. Het staat de betrokken actoren vrij om dit in het kader van een gecontroleerd proefproject te evalueren, waarbij ook de administratieve last in rekening kan worden genomen. Ik wil mij op dit moment niet uitspreken over een eventuele brede uitrol of structurele inbedding, zolang een grondige evaluatie van het proefproject ontbreekt.

 

13.03  Katja Gabriëls (Anders.): Mevrouw de minister, dank voor die verduidelijking.

 

Het betreft dus de beginfase en het gebeurt op eigen initiatief van een ICT’er. Elk nieuw initiatief dat tot verbeteringen kan leiden, is positief. De bereikbaarheid van de wachtdienst is natuurlijk cruciaal. Het moet vooral werkbaar zijn voor alle actoren. Het is mij nu wel duidelijker in welke fase dat project zich bevindt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Les questions n° 56015236C et n° 56015238C de M. Ribaudo sont reportées, à sa demande.

 

14 Vraag van Alain Yzermans aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De detentiehuizen, een meerwaarde voor het detentielandschap" (56015319C)

14 Question de Alain Yzermans à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les maisons de détention, une valeur ajoutée pour le paysage carcéral" (56015319C)

 

14.01  Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, u hecht veel geloof aan het recept van kleinschalige detentiehuizen. De ambitie lag zeer hoog in de vorige legislatuur: 720 plaatsen, vooral als remediëring voor de overbevolking. Helaas is die capaciteit niet gehaald. Vandaag zijn er 192 plaatsen. De 57 in Vorst en 77 in Kortrijk waren al actief en recentelijk hebt u het detentiehuis van Olen geopend.

 

We zijn grote voorstanders van dit model, wegens de maatgerichtheid, de herstelgerichtheid en ook wegens de nabijheid van zulke kleinschalige detentievorm met vooral grote maatschappelijke winsten, in de eerste plaats als antwoord op de vraag naar meer re-integratie.

 

Detentiehuizen zijn ook in staat de recidivegraad enorm te verlagen. Dat is wetenschappelijk aangetoond. Ze vormen een geschikt antwoord voor de afbouw van de overbevolkingscijfers. Ze zorgen bovendien voor een algemeen stukje veiligheid. Kortom, detentiehuizen bieden een grote meerwaarde voor ons detentielandschap.

 

Toch blijven een aantal vragen openstaan.

 

Ten eerste, hoe komt het dat er in het zuidelijke landsgedeelte spijtig genoeg nog geen enkel detentiehuis is gerealiseerd? Welke stappen neemt u daartoe? Er staan er wel een aantal op het programma, maar tot heden zijn er nog altijd nul plaatsen.

 

Ten tweede, hoeveel bijkomende plaatsen verwacht u in totaal? Hoeveel in detentie- en hoeveel in transitiehuizen?

 

Ten derde, hoe staat het met het dossier in Genk? Iedereen weet dat het detentiehuis daar binnenkort moet opengaan. Hoe verlopen de voorbereidingen inzake personeel en organisatie? Hoe groot is de investering? Voor wanneer is de start effectief gepland?

 

Zet u ook in op specialisatie en differentiatie volgens doelgroepen, zoals vrouwen en jongeren?

 

14.02 Minister Annelies Verlinden: Zoals vorige week al werd toegelicht in de commissie is het mijn absolute ambitie om het netwerk van detentiehuizen verder uit te breiden. Zowel qua capaciteit als geografische spreiding zitten er momenteel verschillende projecten in de pijplijn, verspreid over het hele land.

 

Ik ben het met u eens dat het belangrijk is dat er ook in Wallonië detentiehuizen worden gerealiseerd. Op dat vlak boeken we momenteel vooruitgang. In Jemeppe-sur-Sambre en Doornik zijn concrete projecten in voorbereiding. Beide detentiehuizen zullen een capaciteit van 40 plaatsen hebben. De opening van het detentiehuis in Jemeppe is voorzien voor 2027 terwijl de opening in Doornik gepland is voor begin 2028. Daarnaast werken we aan bijkomende dossiers op andere locaties in Wallonië. Om de lopende gesprekken met de lokale besturen niet te bemoeilijken, wens ik hierover op dit moment echter nog geen verdere details te geven.

 

Wat het aantal bijkomende plaatsen in detentie- en transitiehuizen betreft, wens ik mij niet vast te pinnen op een totaal aantal dat we willen realiseren. We moeten namelijk ook niet aan aankondigingspolitiek doen. Elk voorstel en elke opportuniteit worden grondig bekeken en waar mogelijk benut. Ik geef uiteraard wel graag een stand van zaken van de dossiers die gekend zijn.

 

Na de opening van detentiehuizen in Olen, goed voor 60 plaatsen, zal het volgende detentiehuis dat in gebruik wordt genomen zich inderdaad in Genk bevinden, met een capaciteit van 40 plaatsen. De opening is voorzien dit najaar. Vervolgens volgen Antwerpen en Jemeppe in 2027, eveneens met telkens een capaciteit van 40 plaatsen. In 2028 staat de opening van detentiehuizen in Oostende en Doornik gepland, opnieuw elk goed voor 40 plaatsen. Daarnaast wordt actief gewerkt aan andere dossiers.

 

Wat de transitiehuizen betreft, kan ik melden dat na de officiële opening van het transitiehuis in Hamme vorige week, dit jaar nog twee bijkomende transitiehuizen zullen worden toegewezen. De nodige budgetten zijn daarvoor voorzien. Er is ook interesse vanuit organisaties om dergelijke projecten op te nemen.

 

Wat het detentiehuis in Genk betreft, verlopen de voorbereidende werken volgens de planning. Momenteel worden de units geplaatst en begin september zal het gebouw worden opgeleverd. Vervolgens kan worden gestart met de inrichting van het gebouw en met de uitwerking van de procedures.

 

Alles wordt in het werk gesteld om de eerste bewoners in november te kunnen ontvangen. Ondertussen wordt volop gewerkt aan de aanwerving van personeel, zodat de laatste vacatures tijdig ingevuld kunnen worden. De totale kostprijs van deze site, inclusief werken en units, bedraagt ongeveer 15,6 miljoen euro, inclusief btw.

 

Bij de verdere uitrol van detentiehuizen wil ik inderdaad inzetten op specifieke doelgroepen, in lijn met het regeerakkoord en de aanbevelingen uit de praktijk. In zekere mate gebeurt dat vandaag al, bijvoorbeeld met de 12 plaatsen voor vrouwelijke gedetineerden in het detentiehuis van Kortrijk. We zullen daarop verder inzetten en in Genk ook starten met een pilootproject gericht op een specifieke doelgroep.

 

14.03  Alain Yzermans (Vooruit): Ik wil u bedanken voor uw nauwgezette opvolging. We zullen de planning ook verder opvolgen.

 

Ik wil u feliciteren met de wijze waarop u deze projecten leidt. Deze aantallen blijven misschien een druppel op een hete plaat voor de overbevolking, maar het draagt alleszins bij tot een mindshift in de visievorming rond detentie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van Jeroen Soete aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Phishing" (56015338C)

15 Question de Jeroen Soete à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le phishing" (56015338C)

 

15.01  Jeroen Soete (Vooruit): Mevrouw de minister, de voorbije weken krijg ik een stortvloed aan getuigenissen van phishingslachtoffers in mijn mailbox. Het gaat stuk voor stuk om menselijke drama’s. Als voorbeeld noem ik een alleenstaande mama van wie de rekening is leeggeroofd voor een bedrag van 50.000 euro. Zij heeft twee kinderen en had twintig jaar gespaard. Een ander voorbeeld is een oudere dame, bij wie 13.000 euro verdween. Argenta ging zogezegd helpen om haar te beschermen, maar het bleek een val van bankhelpdeskfraude.

 

Ik kan u garanderen dat dergelijke feiten er serieus inhakken, uiteraard vooral bij de slachtoffers, maar ook bij mij, om al die verhalen te aanhoren, want dat zijn immers echte drama’s, niet alleen financieel maar ook emotioneel. Die mensen dragen het gebeurde vaak de rest van hun leven mee.

 

We hoeven u niet te vertellen dat er een enorme plaag aan phishing bezig is. Het is een epidemie. Als wij de cijfers van de parketten bekijken, kijken wij in 2026 aan tegen minstens een verdrievoudiging ten opzichte van 2024. Denkelijk is de situatie nog erger. Het parket in Antwerpen noteerde al 10 miljoen euro in de eerste drie maanden van 2026. Enkele jaren geleden ging het nog over 50 miljoen euro voor het hele land. In mijn ogen gaat het om een nationale crisis.

 

Wat mij enorm stoort, is dat de slachtoffers met lege handen achterblijven, vooral door het gebrek aan bijstand van de bank, ook al is die volgens de wet in vele gevallen verplicht om de slachtoffers te vergoeden. In plaats daarvan sturen de banken een juridische brief met dure woorden, waarin ze de slachtoffers verwijten dat het eigen schuld, dikke bult is, dat zij jammer genoeg slachtoffer zijn geworden en dat ze niets voor hen kunnen doen. Ze wensen hen tot slot veel succes met het gerechtelijk onderzoek.

 

Daar komt bij dat ik in de afgelopen weken telkens weer krantentitels las als: “Justitie phisht achter het net”, “Gerecht opent bijna 40 onderzoeken per dag wegens phishing, maar criminelen ontsnappen massaal aan vervolging”, “6 op de 10 phishingdossiers worden geseponeerd”. Ook het dossier van Isabel werd na drie maanden al geseponeerd met een brief van het parket.

 

Ik versta dat niet, echt niet. Als er massaal bankautomaten of banken zouden worden overvallen, zou dat elke dag aan het begin van de nieuwsuitzendingen komen. De criminele bendes daarachter zouden al lang opgerold zijn, want het gaat om geld van de banken dat wordt gestolen. Nu gaat het om het geld van de kleine man en gebeurt er veel te weinig.

 

Mevrouw de minister, daarmee werp ik geen steen naar u persoonlijk, maar ik wil u daarover wel bevragen. Hoe kijkt u naar het fenomeen van massale seponering? In mijn provincie werden in 2025 meer dan 8 op de 10 dossiers zonder gevolg geseponeerd. Justitie is dan wel de laatste schakel in de keten, maar voor mij ook de eerste. Zonder effectieve bestraffing en zolang er straffeloosheid is, zullen de daders blijven doorgaan en steeds driester te werk gaan.

 

Vandaar mijn eerste en belangrijkste vraag aan u, die ik ook al schriftelijk heb meegedeeld. Hoe zult u die problematiek als minister van Justitie aanpakken om tot een kentering te komen?

 

15.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Soete, ik ben het helemaal met u eens dat die problematiek kordaat moet worden aangepakt en dat we alle mogelijke middelen moeten inzetten. Dat gaat voor een stuk over preventie, maar ook over afspraken die we met de banken kunnen maken om overschrijvingen zodanig te organiseren dat die niet zo snel kunnen doorstromen naar de malafide criminelen zoals vandaag het geval is. Daarnaast doet justitie ook wat ze kan om vervolgingen voor cybermisdrijven uit te voeren. Uiteraard worden niet alle dossiers individueel vervolgd, ook omdat het in vele gevallen bijzonder moeilijk is om de daders van die criminele feiten te kunnen terugvinden. Dat betekent niet dat we niet inzetten op het aanpakken van de netwerken hogerop. De nadruk ligt op het vatten van de zogenaamde panelbouwers en mule herders, wat een veel efficiëntere manier is om het probleem aan te pakken.

 

Sta mij verder toe te verwijzen naar een project waaraan wordt gewerkt in de politiezone Rivierenland, met name het project Aidan. Dat kan toelaten om phishingdossiers sneller te linken en ook interessante dossiers te identificeren met kansen op vervolging. Daarom is het dus, zoals we altijd al hebben gezegd, wel degelijk de moeite om klacht in te dienen, omdat die informatie kan worden samengelegd.

 

Ook in Europees verband wordt op phishing gewerkt via Europol, waarbij twee elementen belangrijk zijn: Terminal en APAT. België is actief op die beide platformen en wisselt via het beveiligde kanaal Sienna voortdurend belangrijke berichten uit. Ook in België is men actief in een operationele taskforce in de materie.

 

Het CCB werkt verder ook aan een malicious signals databank die door vele nationale en internationale partners kan worden gevoed om in realtime phishing te blokkeren. Het wettelijke kader om die realtime, geautomatiseerde en machinale infodeling op een transparante wijze te doen met voldoende waarborgen voor privacy staat echter nog niet op punt. Het gaat immers om zeer gevoelige gegevens.

 

Het IGO organiseert elk jaar een tweedaagse basisopleiding cybercrime, waarin onder meer het misdrijf phishing wordt toegelicht. De opleiding is verplicht voor alle magistraten in opleiding in het eerste jaar van de gerechtelijke stage. De opleiding maakt eveneens deel uit van het traject van verplichte initiële opleidingen van de magistraten van het openbaar ministerie die hun loopbaan aanvangen op basis van het slagen van het examen voor beroepsbekwaamheid op het mondeling examen. De opleiding staat ook open voor andere magistraten, parketjuristen en referendarissen die cyberdossiers behandelen. Naast die verplichte initiële opleiding organiseert het IGO ook een gespecialiseerde opleiding.

 

Tot slot wil ik benadrukken dat het College van procureurs-generaal binnenkort de herziening van de 'COL Phishing' zou goedkeuren, waarbij het zijn strafrechtelijk beleid aanpast aan de recentste ontwikkelingen van deze vorm van criminaliteit, om zo nog meer en nog korter op de bal te kunnen spelen.

 

15.03  Jeroen Soete (Vooruit): Dank u voor uw antwoorden, mevrouw de minister.

 

Er zijn overal te lande, in de magistratuur, in samenwerking met de politie, lovenswaardige initiatieven die een voorbeeld kunnen zijn voor andere parketten of arrondissementen. Dat klopt. Wat ik soms wel mis, is een gecentraliseerde aanpak – eenzelfde, niet versplinterde aanpak – om doelmatiger te werk te gaan.

 

Het voorbeeld dat een advocaat dit weekend gaf en dat hij aanklaagde, een geval van geldezels, gaat ook over de rechten van slachtoffers. Als de geldezels in verschillende provincies wonen en er verschillende geldezels betrokken zijn, dan moeten slachtoffers zich burgerlijke partij stellen en worden die zaken behandeld op vier verschillende locaties. Dat gaat niet alleen over een efficiëntere en doelmatige aanpak, maar ook over een menselijke justitie. Hoe komt dat over en hoe vermijden we drempels die maken dat mensen zich uiteindelijk geen burgerlijke partij stellen?

 

U hebt terecht aangehaald dat er een drempel bestaat om aangifte te doen. Het is nochtans bijzonder belangrijk dat mensen aangifte doen bij de politie. We weten dat er een groot dark number is bij phishingcriminaliteit, jammer genoeg omdat mensen nog altijd een groot gevoel van schaamte hebben. 'Hoe ben ik zo dom kunnen zijn om mij te laten vangen?' We zien dat slechts in een op de vijf gevallen effectief aangifte wordt gedaan bij de politie. Het werkelijke cijfer ligt dus veel hoger. Daarmee kom ik tot de crux van mijn vraag.

 

Als we de meldingsbereidheid willen verhogen, wat belangrijk is om het fenomeen sneller in kaart te brengen, dan is het ook belangrijk dat mensen het gevoel hebben dat hun aangifte iets zal opleveren. Het kan niet de bedoeling zijn dat acht op de tien zaken worden geseponeerd, zoals in mijn provincie, maar wel dat daders effectief belanden waar ze thuishoren, namelijk in de gevangenis.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Chers collègues, nous revenons donc aux questions qui n'ont pu être traitées précédemment.

 

16 Question de Sarah Schlitz à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les incertitudes quant au financement du projet SSADA" (56014073C)

16 Vraag van Sarah Schlitz aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De onzekerheid omtrent de financiering van het SSADA-project" (56014073C)

 

16.01  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame la ministre, je suis préoccupée par les difficultés auxquelles se heurte le projet SSADA, porté par l'ASBL Arpège-Prélude, originellement financé au moyen d’un budget de 10 millions d’euros attribué par le solde Fonds historique, dont la programmation était prévue jusqu’en 2027.

 

Cependant, à la suite des décisions de ce gouvernement de mettre fin ou de suspendre les subventions de plusieurs projets, les travailleuses et travailleurs de cette ASBL sont confrontés à de vives inquiétudes quant à la reconduction des financements issus du Fonds historique et, par conséquent, quant à la pérennité du projet SSADA. Cette situation plonge celui-ci, vous l'imaginez, dans une grave insécurité budgétaire.

 

En juillet 2025, vous aviez pourtant décidé de la reconduction des financements; ce qui a permis une reprise partielle du projet. La subvention n’a été effectivement versée qu’en janvier 2026, provoquant d’importantes difficultés de trésorerie pour l’ASBL, déjà cette année-là.

 

À ce jour, malgré des signaux rassurants émanant de l’administration, aucune garantie formelle n’a été fournie quant à la sécurisation des financements pour 2026 – vu que les fonds 2025 ont été versés en 2026, mais pas les fonds de 2026 – ni pour les années suivantes. Cette absence de confirmation officielle fragilise le projet, empêche l’engagement du personnel de manière pérenne et fait peser de nouveaux risques de licenciements. Or je ne pense pas devoir vous expliquer à quel point ce projet est indispensable. Le personnel travaille avec des individus qui sont tombés dans la délinquance, leur permettant de sortir de ce cycle et d'éviter la récidive. Dans le contexte actuel, on ne peut absolument pas en faire l'économie.

 

Madame la ministre, confirmez-vous le maintien, jusqu’en 2027, de l’affectation des moyens issus du solde Fonds historique aux projets validés en conférence interministérielle, dont le SSADA? Quelles mesures sont-elles envisagées afin de sécuriser juridiquement et budgétairement les financements liés à ce Fonds historique? Dans quels délais une confirmation formelle pourra-t-elle intervenir? J'ai conscience que ma question remonte à quelques semaines. Peut-être ce dossier a-t-il donc connu une évolution positive. J'espère pouvoir l'apprendre grâce à votre réponse.

 

16.02  Annelies Verlinden, ministre: Madame Schlitz, l'investissement dans l'application de peines et de mesures alternatives reste une priorité clairement affirmée. Le projet pilote SSADA, qui contribue à lutter contre la surpopulation carcérale, tout comme les différents volets du plan global, s'inscrit dans les priorités énoncées dans ma déclaration de politique générale et bénéficie donc de tout mon soutien.

 

Il convient de souligner que le solde historique dans le cadre du plan global ne peut pas être considéré comme une question de routine. En effet, ces moyens ne sont pas standardisés et doivent être sollicités chaque année dans la provision interdépartementale du SPF BOSA. En outre, bien qu'il s'agisse d'un dossier pluriannuel, celui-ci doit néanmoins être soumis chaque année à l'approbation du Conseil des ministres en vue du financement des projets pilotes; ce qui nécessite toujours une procédure approfondie au préalable. Cette procédure se déroule en collaboration avec les communautés, conformément au protocole d'accord du 6 juin 2016. Les communautés établissent chaque année les dossiers d'évaluation et de renouvellement qui sont examinés lors de la conférence interministérielle sur les Maisons de Justice. Le ministre fédéral de la Justice prend ensuite les mesures nécessaires pour octroyer le financement; ce qui nécessite notamment l'avis de l'Inspection des Finances et l'accord du ministre du Budget avant la soumission au Conseil des ministres et la fixation par arrêté royal.

 

Les moyens attribués à ces projets pilotes ne sont en effet pas directement prélevés sur le budget général des dépenses du SPF Justice et doivent être transférés à partir du budget interdépartemental, qui relève de la responsabilité du ministre du Budget. Un accord avait été conclu sous le précédent cabinet, selon lequel les crédits prélevés sur les High Security Funds du SPF BOSA pour un montant maximal de 9 991 000 euros doivent être remboursés sur une période de 5 ans. Sous réserve, le montant inscrit dans la provision doit être réparti entre les Communautés en fonction de leurs besoins, jusqu'à ce que le plafond précité de 10 millions d'euros soit atteint. Un tel mécanisme s'applique donc uniquement jusqu'à l'épuisement du solde historique susmentionné. Une fois ce montant atteint, il appartiendra aux Communautés de décider du financement des projets à poursuivre ou à arrêter.

 

Pour conclure, je tiens à souligner que cette méthode de travail entraîne une charge administrative considérable, tant pour les communautés que pour nos services. Afin d’éviter tout retard dans le paiement, nous étudions actuellement, en collaboration avec les entités fédérées, les moyens de simplifier cette procédure.

 

16.03  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): J’entends les complications et je vois bien à quoi vous faites référence. Néanmoins, pouvez-vous confirmer que, pour 2026, le SSADA fera bien partie des projets repris dans la provision interdépartementale ou cela nestil pas encore arrêté? C’est également là ma question.

 

16.04  Annelies Verlinden, ministre: ()

 

16.05  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Le fait qu’ils soient repris ou non n’est pas réellement confirmé pour 2026, n’estce pas?

 

16.06  Annelies Verlinden, ministre: (…)

 

16.07  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Vous répondez sur la structure de financement. J'en comprends la complexité, mais, à ce stade, je nentends pas que le SSADA figure bien parmi les projets financés pour 2026.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Question de Sarah Schlitz à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Le dossier Ryanair et l'auditorat du travail de Charleroi" (56014681C)

17 Vraag van Sarah Schlitz aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Het Ryanairdossier en het arbeidsauditoraat van Charleroi" (56014681C)

 

17.01  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame la ministre, l’auditorat du travail de Charleroi a repris tous les dossiers relatifs à Ryanair il y a 5 ans, concernant le contrôle des lois sociales à Bruxelles et à Charleroi. Les travailleurs ont transmis tous leurs dossiers au contrôle des lois sociales, qui a transmis ces dossiers à l’auditorat. Il me revient que cela fait 5 ans que l’auditorat demande aux représentants des travailleurs d’attendre que les citations pénales soient lancées avant de se constituer partie civile, ce qui leur permettra d’obtenir réparation et d’avoir accès aux dossiers complets.

 

Ceux-ci sont d’une complexité folle, notamment à cause des graves et répétitifs manquements dans la gestion de Ryanair. Le personnel concerné, pour la plupart étranger, attend depuis plusieurs années. Certains faits datent de 2012! Nous sommes interpellés par ce que me disent les représentants des travailleurs; bien sûr que c’est un des plus grand dossier jamais vu dans l’histoire du Pays, mais cela n’explique pas comment il est possible que ce dossier soit aussi lent, ni pourquoi l’auditorat ne répond plus aux travailleurs.

 

En 2023, ma collègue Cécile Cornet interrogeait encore une fois au sujet des 73 dossiers ouverts à l’auditorat, et le ministre de la justice lui avait répondu que des vérifications étaient en cours pour vérifier les comptes individuels de l’ensemble des travailleurs concernés depuis le 1er janvier 2016, et que Ryanair contestait les infractions et refusait de régulariser. Par ailleurs, le ministre précisait que des vérifications sur la mise à disposition de travailleurs portait sur plus de 1000 travailleurs.

 

On comprend que cela prenne du temps. Toutefois il est nécessaire de donner les moyens tant à l’auditorat qu’à la justice de faire son travail.

 

Madame la ministre, dans le respect de la séparation des pouvoirs, pouvez-vous me dire où en est ce dossier Ryanair à l’auditorat de Charleroi? Combien de dossiers ont été traités depuis 2021? Ont-ils été suivis de citations pénales? Dans combien de dossiers? Combien de personnes travaillent sur ces dossiers à l’auditorat?

 

L’auditorat aurait affirmé aux travailleurs être presque prêt en janvier 2026: connaissez-vous les raisons qui expliquent que deux mois plus tard, aucune citation n’ait été envoyée?

 

Je vous remercie.

 

17.02  Annelies Verlinden, ministre: Comme vous l'évoquez, cette durée, qui peut paraître longue, s'explique d'une part par le grand nombre de travailleurs concernés, comprenant pilotes et personnel de cabine, et d'autre part par la complexité du dossier, notamment son caractère international.

 

Néanmoins, les informations judiciaires dans ce dossier Ryanair se termineront dès réception des résultats d'un dernier devoir en cours au Royaume-Uni.

 

Ces dossiers ont été ouverts à l'auditorat du travail du Hainaut depuis 2017, dont deux depuis 2021, en cause de Ryanair et des sociétés liées. Pour plus de détails sur ces dossiers, je vous renvoie à la question parlementaire n° 55027882C du 17 mai 2022.

 

Pour rappel, ces dossiers recouvrent deux volets, l'un relatif aux travailleurs, l'autre relatif aux pilotes. Les citations seront prochainement envisagées, s'il y a lieu, par l'auditeur du travail à la clôture des informations.

 

Deux magistrats et deux membres du personnel administratif travaillent très régulièrement sur ces volumineux dossiers, en plus de leurs autres tâches habituelles. L'ensemble du personnel administratif du bureau pénal (six personnes) a en outre été mobilisé pour consulter et imprimer près de 2 000 registres nationaux de travailleurs et pilotes à informer dans le cadre du procès pénal qui s'annonce.

 

Ce dossier est en outre suivi scrupuleusement par l'auditorat général de Mons lors des réunions périodiques et spécifiques tenues avec les membres de l'auditorat du travail du Hainaut. L'auditorat général intervient ainsi en appui en raison du caractère très volumineux et complexe de ce dossier aux dimensions internationales.

 

Enfin, il est vrai que l'auditorat du travail était en effet presque prêt en janvier 2026, mais sans l'être totalement. Comme je viens de le préciser, un retour de devoir du Royaume-Uni est toujours attendu.

 

17.03  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Je souhaite simplement mentionner que, d’après les informations dont je dispose, l’auditorat a indiqué en janvier aux représentants des travailleurs que les personnes concernées pouvaient le contacter. Or, par la suite, ces personnes n’ont plus obtenu de réponse de l’auditorat. Elles se retrouvent donc dans une situation extrêmement compliquée. Évidemment, nous continuerons à suivre ce dossier. Il est vraiment important que l’on puisse rétablir la justice dans cette affaire et mettre fin à une situation illégale, qui porte atteinte aux droits sociaux des travailleuses et des travailleurs.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n° 56013773C de Mme Reuter, n° 56013819C de M. Van Tigchelt, n° 56014246C de Mme Taton, n° 56014257C de M. Van Tigchelt, n° 56014396C de Mme De Vreese, n° 56014851C de M. Matheï et n° 56015059C de Mme Tourneur sont retirées. Elles avaient déjà été reportées une fois et elles ne peuvent pas l’être une seconde fois.

 

La réunion publique de commission est levée à 18 h 30.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.30 uur.