Commissie voor Grondwet en Institutionele Vernieuwing

Commission de la Constitution et du Renouveau institutionnel

 

van

 

Woensdag 15 april 2026

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 15 avril 2026

 

Matin

 

______

 

La réunion publique de commission est ouverte à 11 h 03 et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 11.03 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

De voorzitter: Goedemorgen, mijnheer de premier. Welkom in onze commissie.

 

01 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "Het regeringsstandpunt over de onkosten die de taalgrensgemeenten hebben ingevolge hun taalstatuut" (56011235C)

01 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "La position du gouvernement sur les dépenses liées au régime linguistique des communes à facilités" (56011235C)

 

01.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, ik heb u al eens ondervraagd over het feit dat de taalgrensgemeenten ten gevolge van een specifiek taalstatuut met extra kosten en lasten opgezadeld worden. In uw antwoord van 16 september lees ik: "Er bestaat ter zake een zekere spanning. Enerzijds is het de federale wetgever, die door de wet van 18 juli 1966 het faciliteitenstatuut heeft opgelegd, waardoor bijkomende administratieve en financiële lasten ontstaan. Anderzijds zijn het de gewesten, die verantwoordelijk zijn voor de financiering en ondersteuning van hun gemeenten. Daardoor drukken de lasten van de federale regering in de praktijk op het gewest en de betrokken gemeenten. Daar bestaat dus inderdaad enige spanning die institutioneel moet worden vastgelegd en die wat mij betreft ook best zou worden opgelost."

 

Ik heb een gelijkaardige vraag aan de minister van Binnenlandse Zaken gesteld. Ik heb hem daarbij gewezen op het feit dat de federale overheid in een gelijkaardig geval, waarin de wetgever ook tweetaligheid oplegt, al in een financiële compensatie voor bepaalde gemeenten voorziet. In het verleden is een begrotingsfonds van 25 miljoen euro opgericht ter compensatie van de taalpremies die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op gemeentelijk niveau ook worden gefinancierd. In zijn antwoord komt de minister van Binnenlandse Zaken over die problematiek echter met een heel ander verhaal dan u. Hij zegt dat het regeerakkoord niet voorziet in de toekenning van een specifiek budget om die gemeenten toe te laten om uitgaven te financieren die voortvloeien uit de taalwetgeving in bestuurszaken. Dat is volgens hem ook niet de bedoeling, aangezien, ik citeer: "er geen geldige reden is die een dergelijke maatregel zou rechtvaardigen en er geen enkele reden is om wat dan ook ter discussie te stellen."

 

Mijnheer de eerste minister, het klopt dat dat niet in het regeerakkoord staat, maar er staat veel niet in het regeerakkoord. Daarom heb ik toch een aantal vragen. Wat is het standpunt van de regering hierover? Treedt u de minister van Binnenlandse Zaken bij dat er geen enkele geldige reden is die een dergelijke maatregel zou rechtvaardigen? Is dat het regeringsstandpunt?

 

Treedt u hem bij dat er geen enkele reden is om wat dan ook ter discussie te stellen? Is dat ook het regeringsstandpunt?

 

Wat denkt u over de piste van het begrotingsfonds, dat eigenlijk al bestaat?

 

01.02 Eerste minister Bart De Wever: U verwijst naar het antwoord dat ik u op 16 september heb gegeven. Ik herbevestig dat antwoord vandaag. Inhoudelijk is er niets gewijzigd. Iedereen kan daar zijn eigen opinie over hebben, maar er is geen regeringsstandpunt. Er is niets over voorzien in het regeerakkoord. Er bestaat ook geen eensgezindheid over in de meerderheid. Dat weet u ook.

 

Bovendien zou zelfs dat slechts een beperkt belang hebben, want het wijzigen van het statuut van die gemeenten – wat ik persoonlijk uiteraard zeer graag zou doen – vergt een bijzondere meerderheid, die in het Parlement eenvoudigweg niet te vinden is, in de verste verte niet. Zolang dat het geval is, zal er inderdaad een institutionele spanning blijven bestaan. Het is immers de federale wetgever, die dat statuut heeft ingevoerd bij wet van 18 juli 1966, die u hebt aangehaald. Intussen heeft de gewestvorming, die sindsdien op gang is gekomen, er echter toe geleid dat de gewesten de voogdijoverheid van die gemeenten zijn en bevoegd zijn voor organisatie, financiering en ondersteuning.

 

Ik erken dat probleem en u kent mijn persoonlijke opinie daarover. Ik denk dat die niet zo ver afligt van de uwe, maar voor dat probleem is in het halfrond in de verste verte geen meerderheid om het op te lossen. Ik kan dat betreuren en ik kan dat samen met u betreuren, maar dat is helaas de realiteit.

 

U mag mij die vraag dus nog 20 keer stellen, maar het antwoord zal – vrees ik – tot het einde van de legislatuur hetzelfde blijven. Ik erken het probleem, ik vind het jammer, we denken daar hetzelfde over, maar het vergt een zeer grote meerderheid om het op te lossen en die is er niet.

 

01.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, over het begrotingsfonds hebt u niet gesproken, maar ik neem aan dat ook dat, zoals steeds, onder dezelfde noemer valt, namelijk dat u het graag wilt, maar dat u er niets aan kunt veranderen, omdat ervoor geen meerderheid is. Zoals over heel veel zaken heeft de regering daar geen standpunt over. Zoals in veel dossiers is er in uw meerderheid geen eensgezindheid. Dan rijst natuurlijk de vraag of een en ander nog de moeite loont gelet op de punten waarover wel eensgezindheid bestaat.

 

Ik zal de kwestie alleszins blijven opvolgen en kan niet anders dan opnieuw samen met u vast te stellen dat er communautair alleen maar borrelnootjes in uw regeerakkoord zitten en dat zelfs die tot op vandaag nog niet gerealiseerd geraken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Interpellatie van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "Het contact met de Brusselse regering over de niet-naleving van de taalwetgeving" (56000225I)

02 Interpellation de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "Le contact avec le gouvernement bruxellois à propos du non-respect de la législation linguistique" (56000225I)

 

02.01  Barbara Pas (VB): Dit is iets waarvoor geen grote bijzondere meerderheden nodig zijn, mijnheer de eerste minister, dus daar moet u deze keer al niet mee afkomen. Het is ook niet de eerste keer dat ik u hierover een vraag stel. Ik zal daarover vragen blijven stellen, want het is een zeer wraakroepende situatie. De taalwetgeving, die van openbare orde is, wordt met de voeten getreden. De resultaten op het terrein zien we jaar na jaar in de rapporten van de vicegouverneur steeds dramatischer worden.

 

Ik vind ik dus bijzonder dat, na meer dan 600 dagen, eindelijk een regering van start kon gaan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en dat, wanneer blijkt dat de nieuwe minister-president functioneel eentalig is, de verontwaardiging bij de politici plots zo groot is. Ik heb op sociale media reacties gezien van uw minister, Theo Francken, die in een Facebookbericht stelt dat niet in de eigen taal bediend kunnen worden een vernedering is. Geert Bourgeois stelt dat het disrespectvol is ten aanzien van de hoofdstad om een regering aan te stellen waarin ministers de tweede taal niet kunnen spreken. Ik heb ook gelezen dat er sprake is van totaal misprijzen voor de Nederlandse taal. Koen Geens maakt de vergelijking met de verwachting die Franstaligen altijd hebben gehad dat Nederlandstaligen het Frans perfect beheersen, terwijl zij zelf niet bereid zijn ook maar een greintje Nederlands te leren. Cieltje Van Achter schreef op sociale media dat de zogezegde tweetaligheid een flinke grap is.

 

Al die kritiek, mijnheer de eerste minister, komt erop neer dat minister-president Dilliès als onderdeel van het bestuur van een tweetalig gebied het zich niet kan veroorloven de beide talen niet te beheersen. Hij zit al jaren in de Brusselse politiek, maar erkende nu plots zelf de noodzaak om Nederlands te leren en daar eindelijk werk van te maken. Hij heeft beloofd lessen Nederlands te zullen volgen.

 

Helaas kan niet hetzelfde worden gezegd van de 19 andere Brusselse gemeenten en OCMW’s en van de vele ambtenaren die, net zoals Dilliès, verbonden zijn aan het bestuur van een tweetalig gebied. Zij moeten zich houden aan de taalwetgeving in bestuurszaken. Zij zijn wettelijk verplicht een succesvol taalexamen af te leggen bij Selor. Blijkbaar vinden zij het echter niet noodzakelijk om de Nederlandse taal te beheersen.

 

Elk jaar opnieuw interpelleer ik de minister van Binnenlandse Zaken naar aanleiding van het rapport van de vicegouverneur over het schorsen, intrekken en vernietigen van illegale aanstellingen van ambtenaren die niet aan die verplichting voldoen. Dat is een verplichting volgens de Raad van State, geen keuze. Volgens de cijfers die we jaar na jaar van de Brusselse vicegouverneur krijgen, wordt die verplichting niet nageleefd.

 

Uit de recentste cijfers, die van 2024, blijkt dat bijna 75 % van de aangeworven ambtenaren illegaal is aangeworven, omdat ze die tweede taal onvoldoende beheersen. Noch de gemeentes zelf, noch de voogdijoverheid, de Brusselse overheid, hebben ook maar één van die illegale benoemingen, die door de Brusselse vicegouverneur terecht werden geschorst, vernietigd of ingetrokken, hoewel dat een verplichting zou moeten zijn. Het gaat bovendien niet om een klein aantal benoemingen. In 2024 was 85 % van de aanstellingen die de Brusselse vicegouverneur onderzocht, illegaal ten gevolge van een taalkundige tekortkoming. Dat aandeel was zo hoog dat in alle 19 Brusselse gemeenten meer dan de helft van de benoemingen illegaal was. De absolute koploper is Sint-Joost-ten-Node, waar 100 % van de aanstellingen niet conform bleek. De OCMW’s presteren niet beter. In 2024 was meer dan 90 % van de aanstellingen in de Brusselse OCMW’s illegaal. Ook daar werd geen enkele aanstelling die de vicegouverneur heeft geschorst, ingetrokken, noch door de OCMW’s, noch door de collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

 

Niet alleen het aanstellingsbeleid vormt een rampzalige schending van de taalwetgeving, ook de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen voldoet niet aan de wettelijke vereisten. Geen enkele Brusselse gemeente slaagt erin de voorgeschreven pariteit van hogere betrekkingen te bereiken. Nederlandstaligen worden sterk benadeeld. Ook in de verdeling van de lagere betrekkingen wordt Nederlandstaligen onrecht aangedaan, aangezien geen enkele Brusselse gemeente erin slaagt hun het wettelijk voorgeschreven aandeel van 25 % toe te wijzen.

 

Onder de Brusselse OCMW’s is er één dat erin slaagt de voorgeschreven pariteit van hogere betrekkingen te bekomen. De rest benadeelt de Nederlandstaligen. Drie OCMW’s zijn koploper en hebben geen enkele betrekking aan een Nederlandstalige toebedeeld.

 

De toebedeling van lagere betrekkingen bij de OCMW’s gebeurt uiteraard ook ten nadele van de Nederlandstaligen, daar geen enkel OCMW het voorgeschreven minimumpercentage van 25 % behaalt. De verontwaardiging die men op de sociale media uit over de Nederlandsonkundigheid van Dilliès zou hier nog veel groter moeten zijn. Er is een volstrekte politieke onwil om de taalwetgeving en de bijhorende rechtsspraak na te leven. De betrokken Brusselse overheden weigeren carrément die wetgeving na te leven, al decennia.

 

Wat ik hier al lang probeer diets te maken aan elke minister van Binnenlandse Zaken, al zolang ik hier zetel, is dat alleen de federale wetgever nog overblijft als instantie die het probleem kan verhelpen. Het is aan de federale wetgever om de vernietigingsbevoegdheid aan de vicegouverneur toe te kennen en weg te halen van de Brusselse overheden, die al decennia lang de vernietiging weigeren. Wij hebben daarover in de vorige legislaturen en ook in deze legislatuur telkens een wetsvoorstel ingediend, opdat de vicegouverneur in staat gesteld zou worden van de schorsingen die hij aanvoert vernietigingen te maken, waarmee er eindelijk komaf gemaakt wordt met de afhankelijkheid van die lakse en kwaadwillige bevoegden in Brussel.

 

Het gekke is, hoe groter de verontwaardiging op de sociale media over één persoon die er symbool voor staat, hoe kleiner de wil er iets aan te doen. Eigenlijk zou de verontwaardiging voor die toestanden groter moeten zijn. Van minister-president Dilliès hebben we tenminste nog de belofte gehoord dat hij Nederlands zou leren. Bij de Brusselse regering is er echter helemaal geen enkele kentering.

 

Toen wij ons voorstel in deze legislatuur hebben ingediend, in 2024, heb ik dat toegelicht in de commissie voor Binnenlandse Zaken, met een hele resem cijfers, maar niet één van de andere partijen vond het de moeite daarover te interveniëren. Ze hebben het gewoon weggestemd, terwijl ze op hun gsm zaten te kijken, zoals u dat nu doet, mijnheer de eerste minister. Men stemt het weg. Men neemt het niet au sérieux.

 

Het betreft twee maten en twee gewichten, zeer selectieve verontwaardiging, gespeelde verontwaardiging om toch maar geen imagoschade te lijden voor het grote publiek. Als het er echter echt op aankomt om die onrechtmatige taalpraktijken in Brussel aan te pakken, die dagelijks de leefwijze van Nederlandstalige Brusselaars bedreigen, doet men al jarenlang helemaal niets. Wetende dat het grote publiek hen op dat moment niet in de gaten houdt, kan al dat onrecht ongestoord voortduren. Er is nu een nieuwe Brusselse regering. Vandaar mijn vragen aan u, mijnheer de eerste minister.

 

Hebt u al contact opgenomen met de nieuwe Brusselse minister-president over de problematiek van aanhoudende taalwetovertredingen in Brussel?

 

Hebt u er bij hem al op aangedrongen om de door de vicegouverneur uitgesproken schorsingen eindelijk effectief om te zetten in vernietigingen, wat wettelijk verplicht is? Heeft dat resultaat opgeleverd?

 

Welk belang hecht u eraan om de tweetaligheid in Brussel in ere te houden? Welke maatregelen zult u nemen om het toepassen van de taalwetgeving, dat vandaag ten koste van de Nederlandstalige Brusselaars niet gebeurt, eindelijk af te dwingen?

 

02.02 Eerste minister Bart De Wever: Ik zal de vragen beantwoorden in de volgorde waarin ze schriftelijk zijn ingediend. Dat begint met het belang dat ikzelf en de regering aan deze materie hechten. Die belangstelling is absoluut aanwezig binnen de regering.

 

Dat blijkt ook uit het regeerakkoord, dat met name focust op de noodzaak van tweetalige dienstverlening in de Brusselse zorg. Daar is het probleem het meest acuut en prangend, met de grootste gevolgen voor de betrokkenen. De minister van Volksgezondheid heeft naar die passage in het regeerakkoord ook duidelijk verwezen in zijn beleidsverklaring. Ik twijfel op geen enkel moment aan zijn intenties om dat ook uit te voeren. U kunt hem voor een actuele stand van zaken daarover zelf ondervragen.

 

U zult mij niet kwalijk nemen dat ik ook durf te verwijzen, hoewel dat niet tot mijn winkel behoort, naar het ToTaalplan Nederlands dat wordt geïmplementeerd door de Vlaamse regering, met name door minister Van Achter, die u hebt geciteerd. Ik zal niet in detail uiteenzetten wat daarin staat, aangezien het een plan van de Vlaamse regering betreft, maar ik durf wel aan te bevelen om het eens te bekijken.

 

Het is immers een mijlpaal: een plan dat focust op tweetalige dienstverlening, met name in de zorg. In een groot Brussels ziekenhuis werd al een pilootproject gelanceerd met betrekking tot een ziekenhuisbreed taalbeleid, met lessen Nederlands voor het personeel. Dat is concrete vooruitgang in een context die u zeer goed kent in Brussel, die allesbehalve evident is wat die problematiek betreft en er zeker niet op is verbeterd in de afgelopen jaren en decennia.

 

Wat uw tweede vraag betreft, kan ikzelf uiteraard de schendingen van de taalwetgeving niet persoonlijk een halt toeroepen. U zult mij willen geloven dat als dat het geval was, ik dat allang had gedaan. Het is de verantwoordelijkheid van iedere bestuurder en functionaris in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om beide landstalen in het gewest evenwaardig te behandelen. We weten echter – u hebt daar uitgebreid op gewezen – dat dat in de praktijk vaak dode letter blijft en dat de bestuurstaalwetgeving met voeten wordt getreden en in sommige gemeenten zelfs volkomen wordt genegeerd.

 

U zult mij natuurlijk graag horen pleiten voor een gewijzigd wetgevend kader en bijvoorbeeld voor het toekennen van vernietigingsbevoegdheid aan de vicegouverneur om de taalwetgeving te doen naleven. Zoals ik bij de vorige vraag ook al heb aangegeven, zijn de nodige meerderheden voor dergelijke institutionele hervormingen in het Parlement echter jammer genoeg in de verste verte niet te vinden.

 

Voor de goede orde wil ik er wel op wijzen dat u in uw schriftelijk ingediende vraag verkeerdelijk uitgaat van de veronderstelling dat de taalwet in bestuurszaken voorziet in een pariteit van de hogere betrekkingen en taalkaders binnen de Brusselse plaatselijke besturen, waardoor de Nederlandstaligen benadeeld zouden worden. Dat is niet correct. Op lokaal niveau moeten de hoogste ambtenaren een voldoende kennis hebben van de tweede landstaal omdat zij het personeel moeten kunnen evalueren in de moedertaal. Hetzelfde geldt voor Brusselse lokale ambtenaren die contact hebben met het publiek. Ook zij moeten over een taalattest beschikken. Los van die correctie is en blijft het evengoed duidelijk dat de Brusselse lokale besturen veel te veel mensen aanwerven, sommige zelfs uitsluitend, die niet over dat wettelijk vereiste attest beschikken.

 

In dezen wil ik wijzen op het feit dat ook de Vlaamse regering initiatieven probeert te nemen. In uitvoering van het ToTaalplan Nederlands heeft minister Van Achter een consultatieronde gehouden bij de 19 Brusselse lokale besturen en onderhoudt zij daarover een structureel overleg. Daarbij staan de versterking van de Nederlandstalige dienstverlening en de naleving van de wettelijke tweetaligheid centraal.

 

Waar mogelijk worden concrete afspraken gemaakt, bijvoorbeeld in de vorm van een charter dat engagementen vastlegt om de tweetaligheid te versterken. Het Huis van het Nederlands neemt een proactieve en ondersteunende rol op ten aanzien van de gemeentebesturen. Via een aanklampend aanbod worden lokale besturen aangespoord om hun personeel met onvoldoende taalkennis Nederlands te laten bijscholen. Er wordt concreet gemikt op een verdubbeling van het aantal bereikte besturen en personeelsleden.

 

Wat uw derde vraag betreft, heb ik de nieuwe Brusselse minister-president

tot heden nog maar één keer gezien en dat was in het kader van het Overlegcomité. Dit thema stond daar niet op de agenda, dus ik heb hem hierover nog niet gesproken.

 

Ik denk dat ik hiermee op uw ingediende vragen heb geantwoord.

 

02.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, u zegt dat de bekommernis over het belang van de tweetaligheid absoluut aanwezig is in uw regering. Het enige stukje daarover in uw regeerakkoord, waarnaar u zelf hebt verwezen, gaat over de zorg. Zelfs dat degelijk organiseren werkt echter niet.

 

Ik heb deze namiddag nog een vraag voor Frank Vandenbroucke, omdat men in de Vlaamse Rand nog altijd ambulances vanuit Brussel krijgt toegestuurd, waarin alleen Frans wordt gesproken. Nederlandstaligen kunnen zelfs voor dringende medische hulp niet in hun eigen taal worden verzorgd of behandeld. U zegt dat dat belang absoluut wordt erkend. Ik wil nog wel geloven dat dat bij u het geval is, maar niet bij uw regering. Bij degene die ervoor bevoegd is, minister Quintin, is dat besef absoluut niet aanwezig. Ik interpelleer hem elk jaar naar aanleiding van het rapport van de vicegouverneur over die dramatische cijfers in de Brusselse gemeenten en de OCMW’s. Hij weigert daar iets aan te doen. Hij zegt dat het niet in het regeerakkoord staat. Tot zover de absolute erkenning van dat besef. Het staat niet in het regeerakkoord en hij doet er niets aan.

 

Is dat dan absoluuut besef, mijnheer de eerste minister? Dat is de passiviteit van een konijn dat naar een lichtbak kijkt en vooral niets doet. De situatie is al dramatisch. Ik wist niet dat ze nog erger kon worden, maar het rapport van de vicegouverneur toont elk jaar aan dat ze nog dramatischer wordt. Zelfs toen u de bevoegde minister had, met Jan Jambon als minister van Binnenlandse Zaken tussen 2014 en 2019, heeft hij altijd carrément geweigerd om daar iets aan te doen.

 

Als u zegt dat u geen tweederdemeerderheid hebt en er dus niets aan kunt doet – uw stokpaardje, het tweede argument op de debatfiche dat telkens opnieuw opduikt – dan moet u meerderheden zoeken. Als elke Vlaamse partij of zelfs elke partij die zegt dat ze daar iets aan wil doen consequent een voorstel zou goedkeuren dat een oplossing biedt, namelijk die vernietigingsbevoegdheid bij de vicegouverneur leggen, dan zou dat al soelaas brengen.

 

Er is maar één minister van Binnenlandse Zaken geweest die de culot heeft gehad om een positief advies te geven over ons wetsvoorstel daarover, namelijk Pieter De Crem. Dat heb ik van minister van Binnenlandse Zaken Jambon nooit gezien en op basis van de antwoorden die ik krijg, zal ik het van minister Quintin helaas ook niet zien.

 

De taalwetgeving is van openbare orde. Die afdwingen zou niet onder een communautaire stilstand mogen vallen. Daarvoor hebt u helemaal geen institutionele hervorming nodig, dat kan met een gewone meerderheid goedgekeurd worden. Het is een kwestie van niet willen. Misschien begrijpt u het beter in het Latijn. Ik citeer Seneca: Nihil volentibus arduum. Voor wie wil, is niets te moeilijk. Het is helemaal niet moeilijk. Het is een wetsvoorstel waarvoor u gemakkelijk een meerderheid kunt vinden, als u tenminste de juiste partners zoekt.

 

Mijnheer de voorzitter, het is duidelijk dat hieraan door de regering helemaal niets wordt gedaan. We zien alleen heel hypocriet zogenaamde verontwaardiging wanneer een minister-president geen vermaledijd woord Nederlands kent. Waar de verontwaardiging zou moeten zitten, weigert de regering carrément om er iets aan te doen.

 

De regering heeft dus een motie van aanbeveling nodig om daar iets aan te doen. Ik heb ze heel eenvoudig gehouden. Ik zie geen reden waarom ze geen brede steun zou kunnen vergaren als wij er bij de regering op aandringen om bij de Brusselse minister-president druk uit te oefenen. Dat is blijkbaar nog niet gebeurd, zo blijkt uit uw antwoord. Er dient druk te worden uitgeoefend om de schorsingen die door de vicegouverneur zijn uitgesproken eindelijk effectief om te zetten in vernietigingen.

 

Als de huidige Brusselse regering daar ook niet op ingaat, net zoals dat al decennialang het geval was met de vele vorige regeringen, vraag ik in mijn motie van aanbeveling een tweede maatregel, namelijk om bij onwil van die Brusselse voogdijoverheden zelf de nodige stappen te zetten om de vernietigingsbevoegdheid over te dragen aan de Brusselse vicegouverneur.

 

Het is niet moeilijk, het voorstel bestaat al. U kunt het kopiëren. Als u voorstellen van het Vlaams Belang niet wilt goedkeuren, zorg er dan voor dat het een eigen voorstel is. Wij zullen graag constructief een meerderheid leveren.

 

Moties

Motions

 

De voorzitter: Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

 

Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Barbara Pas en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van mevrouw Barbara Pas

en het antwoord van de eerste minister,

- rekening houdende met de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken;

- overwegende de vele schorsingen van aanwervingen en benoemingen binnen de Brusselse plaatselijke besturen wegens overtredingen van de taalwetten, uitgesproken door de Brusselse vicegouverneur;

- gelet op de uitspraak van de Raad van State dat het schorsen, intrekken en vernietigen van illegale aanstellingen van ambtenaren wegens taalwetovertredingen geen keuze maar een plicht is;

- gelet op de systematische weigering van de Brusselse voogdijoverheden om schorsingen om te zetten in vernietigingen;

- overwegende dat een overdracht van de vernietigingsbevoegdheid naar het niveau van de Brusselse vicegouverneur een aanpassing aan de reeds bestaande taalwetgeving zou zijn die een functionele efficiëntie zou bekomen;

dringt er bij de regering op aan om:

- er bij de Brusselse minister-president op aan te dringen de door de vicegouverneur uitgesproken schorsingen eindelijk effectief om te zetten in vernietigingen;

- de nodige stappen te ondernemen om bij onwil vanwege de Brusselse voogdijoverheden de vernietigingsbevoegdheid over te dragen aan de Brusselse vicegouverneur."

 

Une motion de recommandation a été déposée par Mme Barbara Pas et est libellée comme suit:

"La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de Mme Barbara Pas

et la réponse du premier ministre,

- eu égard aux lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative;

- considérant les nombreuses suspensions de recrutements et de nominations au sein des pouvoirs locaux bruxellois prononcées par le vice-gouverneur de Bruxelles en raison d'infractions aux lois sur l'emploi des langues;

- considérant l'arrêt du Conseil d'État selon lequel la suspension, le retrait et l'annulation de nominations illégales de fonctionnaires pour cause d'infractions à la législation relative à l'emploi des langues ne constituent pas un choix mais une obligation;

- eu égard au refus systématique des autorités de tutelle bruxelloises de convertir les suspensions en des annulations;

- considérant qu'un transfert de la compétence d'annulation au niveau du vice-gouverneur de Bruxelles constituerait une modification de la législation linguistique existante lui conférant une efficacité fonctionnelle;

demande instamment au gouvernement:

- d'insister auprès du ministre-président bruxellois pour qu'il convertisse finalement et effectivement les suspensions prononcées par le vice-gouverneur en annulations;

- de prendre les mesures nécessaires pour transférer, en cas de réticence des autorités bruxelloises, la compétence d'annulation au vice-gouverneur de Bruxelles."

 

Over de motie zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur la motion aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

 

03 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De uitschakeling v.d. bestuursdeelneming van de Brusselse Vlamingen in de eengemaakte politiezone" (56013822C)

03 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "La suppression de la participation des Flamands bruxellois à la gestion de la zone de police unifiée" (56013822C)

 

03.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, deze regering, in het bijzonder minister Quintin, maakt werk van de fusie van de zes Brusselse politiezones tot één enkele zone. Eindelijk, dat is naar onze mening een goede zaak. Het wetsontwerp werd ondertussen al ruim bediscussieerd in de commissie voor Binnenlandse Zaken.

 

Communautair gezien is dat echter geen neutrale operatie, met de wetteksten zoals die nu voorliggen. Ik heb dat in de besprekingen aangehaald bij minister Quintin, maar hij had daar geen oren naar. Aangezien het een communautaire aangelegenheid betreft, wil ik dat aan u voorleggen.

 

Tijdens de vijfde staatshervorming werd in elk van de huidige zes Brusselse politiezones een gewaarborgde beleidsparticipatie van de Brusselse Vlamingen ingevoerd. Toen werd bij wet het aantal mandaten voor de Brusselse Vlamingen in elk van die zes Brusselse politieraden vastgelegd. Dat was een belangrijk onderdeel van een communautair compromis tijdens die staatshervorming. De Brusselse Vlamingen kregen een aantal gewaarborgde mandaten in ruil voor het opdoeken van de dubbele meerderheid in de Brusselse gewestelijke instellingen. Uit de verslagen van de voorbereidende parlementaire werkzaamheden blijkt dat beide operaties toen uitdrukkelijk aan elkaar gekoppeld zijn, als wisselmunt voor dat communautaire compromis. Zoals dat bij staatshervormingen vaker het geval is geweest, gaat het om een zeer onevenwichtig compromis ten nadele van de Vlamingen, maar soit.

 

Het wetsontwerp dat deze regering voorlegt, doekt die politieraden volledig op, zonder dat er een alternatief is, zonder dat er een gewaarborgde beleidsdeelneming van de Brusselse Vlamingen wordt voorzien. Die waarborg zou eigenlijk moeten worden voorzien in het enige overblijvende bestuurlijke orgaan van die eengemaakte Brusselse politiezone, namelijk de politiecolleges.

 

De Brusselse Vlamingen komen daar niet meer aan te pas. We weten allemaal dat de Franstaligen daar aan het beleid zijn. Dat impliceert ook dat het communautaire compromis van de vijfde staatshervorming eenzijdig wordt doorbroken.

 

Mijnheer de eerste minister, mijn vraag is eenvoudig. Neemt deze regering maatregelen om het evenwicht in het communautaire compromis te herstellen door ofwel te voorzien in een alternatieve gewaarborgde beleidsparticipatie van de Brusselse Vlamingen in de eengemaakte Brusselse politiecolleges, ofwel door een initiatief te nemen om opnieuw de dubbele meerderheid in de Brusselse gewestelijke instellingen te herstellen?

 

03.02 Eerste minister Bart De Wever: Mevrouw Pas, de fusie van de Brusselse politiezones is in de eerste plaats nodig omdat de veiligheid in Brussel onder de institutionele versnippering lijdt. Daarover zijn we het eens. Zes politiezones op één stedelijk grondgebied staan een coherent veiligheidsbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de weg. Ik heb zelf ooit aan het hoofd van een politiezone in een stad gestaan. Ik kan me niet inbeelden hoe dat met verschillende zones zou kunnen functioneren. Ik denk dus dat het een goede zaak is dat we daarvoor eindelijk een meerderheid hebben gevonden. Het wetsontwerp maakt daar dus komaf mee: één zone, één operationeel veiligheidsplan en een snellere en coherente veiligheidsaanpak.

 

Aan Nederlandstalige kant bestaat daarover al heel lang een consensus. Daar ga ik alleszins van uit, want ik denk dat geen enkele Vlaamse partij daarover een andere opinie heeft. Jarenlang is vooral vanuit Vlaamse hoek in het Parlement verklaard hoe de versnippering op het niveau van de veiligheid in Brussel een slechte zaak is.

 

Nu we daar werk van maken, komt u met een communautair bezwaar. De politieraden verdwijnen, dat is waar, maar dat geldt voor het hele land. Met de hervorming wordt het bestuur in het politiecollege gecentraliseerd, maar tegelijkertijd – dat hebt u niet vermeld en dat is toch wel belangrijk – wordt ook de democratische controle via de gemeenteraden versterkt. Men kan daarop uiteraard kritiek hebben, maar dan moet u toch een afweging maken. Is deze hervorming inzake de veiligheid van Brussel belangrijk genoeg om ze door te voeren of is de positie in de politieraden belangrijker? U moet mij dan toch eens vertellen welke effectieve versterking zij in de praktijk voor de Nederlandstaligen hebben opgeleverd. Ik denk eerlijk gezegd geen enkele.

 

Dat communautaire bezwaar is dus, ten eerste, niet zo pertinent, gezien de controle die naar de gemeenteraden gaat en, ten tweede, het klopt niet dat we iets verliezen dat in het verleden een ongelooflijke effectiviteit heeft bewezen, wel integendeel.

 

Als men dat afweegt tegen wat we winnen met die hervorming op het vlak van de veiligheidsproblematiek, dan is het duidelijk is dat we dat moeten doen. Ik hoop dat dat breed kan worden ondersteund.

 

03.03  Barbara Pas (VB): Dank u wel, mijnheer de eerste minister, voor uw antwoord.

 

Dat die fusie van de zes Brusselse politiezones een goede zaak is, daar hoeven we elkaar niet van te overtuigen. We hebben jarenlang wetsvoorstellen ingediend om dat mogelijk te maken. Dat dat een goede zaak is en belangrijk genoeg is om door te voeren, dat is zeker.

 

U minimaliseert evenwel het effect van het wegvallen van de politieraden, zeker in Brussel. U kunt Brussel niet vergelijken met de rest van het land. De democratische controle gaat er niet op vooruit met een verslaggeving één keer per jaar in een gemeenteraad, tegenover rechtstreekse controle in een politieraad, zoals vandaag het geval is.

 

U slaagt er niet in om de weinige communautaire elementen die u in uw regeerakkoord hebt geschreven, de institutionele hervormingen, te realiseren. U slaagt er wel in om de communautaire compromissen die in het verleden zijn gemaakt, eenzijdig ten nadele van de Vlamingen op de schop te doen. Dat is een geweldige prestatie.

 

Het gaat er niet om of het al dan niet moet worden doorgevoerd. Het gaat erom dat met een amendement, zoals we ook bij de besprekingen heel veel amendementen hebben ingediend om de wetgeving te verbeteren, de gewaarborgde beleidsparticipatie van de Brusselse Vlamingen niet op de schop wordt gedaan. Een gewaarborgde beleidsparticipatie verloopt niet via een gemeenteraad en niet via een verslaggeving één keer per jaar in een gemeenteraad. Dat minimaliseren, zegt veel. De amendementen werden door minister Quintin niet gedragen.

 

Het is duidelijk dat u dat compromis uit het verleden eenzijdig ten nadele van de Vlamingen op de schop laat gaan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "Het overtreden van het verbod op politieke advertenties op sociale media" (56014167C)

04 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "La violation de l'interdiction de la publicité politique sur les réseaux sociaux" (56014167C)

 

04.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, Meta kondigde een tijd geleden aan dat politieke advertenties in de Europese Unie niet langer zijn toegelaten op Facebook en Instagram. Toch blijkt uit de advertentiebibliotheek van Meta dat bepaalde politici en partijvoorzitters nog steeds gesponsorde berichten posten op die platforms. Zowel uw partijvoorzitter als politici uit de partij die pleit voor een totaalverbod op politieke advertenties op sociale media, lappen de regelgeving op Meta aan hun laars.

 

De schemerzone is dun. De advertenties zouden bijvoorbeeld wel mogen gaan over zaken die niets met politiek te maken hebben, zoals posts die vragen om een pagina te volgen. Ik vind het allemaal bijzonder onduidelijk.

 

Wat is het standpunt van de regering daarover? Vindt u dat alle partijen een voorbeeld moeten stellen?

 

Hebt u daarover contact gehad met uw partijvoorzitter en de andere politici die dergelijke berichten posten?

 

Zult u iets ondernemen om ervoor te zorgen dat politici en partijen de geest van de regelgeving respecteren en niet via achterpoortjes allerhande blijven adverteren op sociale media? Of kan iedereen de kantjes eraf lopen en zijn gang gaan?

 

04.02 Eerste minister Bart De Wever: Mevrouw Pas, u verwart me met Mark Zuckerberg, meen ik. U stelt me immers vragen over regels die Meta oplegt aan zijn klanten. Daar heb ik absoluut geen bevoegdheid over. Daar is in België geen enkel wettelijk kader over. Ik heb daar dus eigenlijk niets over te melden. De regering heeft ook geen plan ter zake. Wij hebben die regels niet gemaakt. Ze zijn hier ook niet wettelijk verankerd. Over de naleving ervan heb ik dan ook niets te zeggen. U moet zich tot de heer Zuckerberg en tot Meta wenden, als u vindt dat ze hun regels niet consequent toepassen.

 

Als politici van die niet-consequente toepassing gebruikmaken om te blijven adverteren, terwijl dat tegen de geest of de letter van de regels van Meta is, moet u vooral bij Meta uw beklag doen. Ik zou niet weten op basis waarvan u van mij iets verwacht, laat staan dat ik daarover met individuele politici contact zou opnemen.

 

Er bestaat in België geen enkel juridisch kader dat politieke advertenties verbiedt. Op Europees niveau zijn er wel transparantieregels inzake politieke reclame. Die moeten nageleefd worden. Als u van mening bent dat dat niet zo is, kunt u uiteraard op dat niveau actie ondernemen. Als u zelf voorstander bent van een Belgische, federale regeling inzake advertenties, kunt u uiteraard een wetgevend initiatief daartoe nemen.

 

04.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, de wetgevende initiatieven ter zake van verschillende partijen liggen hier in de commissie al ter bespreking.

 

Ik ben mij er ten zeerste van bewust dat er geen juridisch kader is in dit land, maar ik ging er in al mijn naïviteit van uit dat er ergens nog een deontologie was of dat een eerste minister aan partijvoorzitters en partijgenoten een suggestie op het vlak van deontologie zou doen, met name om een soort voorbeeldfunctie op te nemen. Bij dezen is het echter duidelijk dat dat helemaal niet het geval is.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Questions jointes de

- François De Smet à Bart De Wever (premier ministre) sur "La suppression programmée du Sénat" (56014920C)

- François De Smet à Bart De Wever (premier ministre) sur "La méthodologie de révision de l'article 195 de la Constitution" (56014959C)

- Khalil Aouasti à Bart De Wever (premier ministre) sur "Le manque de soutien des partis démocrates pour la suppression du Sénat" (56015107C)

05 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Bart De Wever (eerste minister) over "De geplande afschaffing van de Senaat" (56014920C)

- François De Smet aan Bart De Wever (eerste minister) over "De voor de herziening van artikel 195 van de Grondwet gehanteerde methode" (56014959C)

- Khalil Aouasti aan Bart De Wever (eerste minister) over "Het gebrek aan steun van de democratische partijen voor de afschaffing van de Senaat" (56015107C)

 

05.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le premier ministre, mes questions qui concernent la suppression du Sénat ne portent pas sur le fond. Nous avons déjà eu l’occasion d’échanger et nous l’aurons encore. Je pense toujours que cette suppression est une mauvaise idée, mais ce n’est pas le sujet ici.

 

Mes questions portent sur la méthode. Tout d'abord, il convient de comprendre ce que le gouvernement et vous-même entendez par "voix de partis extrémistes" dans votre accord de gouvernement. Le 3 avril dernier, la séance plénière du Sénat a entériné ce coup de force visant à réviser provisoirement l'article 195 de la Constitution afin de supprimer le Sénat avec 8 voix de l'extrême droite, 28 voix démocratiques, dont celles de tous les partis néerlandophones. Côté francophone, seules celles des Engagés – encore bravo à eux! – ont permis les préparatifs de l’enterrement du Sénat.

 

Or, votre déclaration gouvernementale est très claire: "Le premier ministre prendra les contacts nécessaires pour trouver un soutien parlementaire complémentaire sans l’appui des voix extrémistes afin d’atteindre les majorités nécessaires". Le 3 avril dernier, pourtant, le vote au Sénat ne serait pas passé sans les voix du Vlaams Belang. On voit bien qu’il y a des interprétations différentes au sein de votre coalition.

 

Monsieur le premier ministre, doit-on considérer que le principe de suppression du Sénat inscrit dans l’accord de coalition est une simple variable d’ajustement ou est-ce une vraie réforme institutionnelle? L’interprétation de l’accord de l'Arizona, selon laquelle le postulat est de ne pas recourir aux voix extrémistes pour adopter toute réforme institutionnelle, concerne-t-elle bien cette suppression du Sénat? Dans l’affirmative, qu’est-ce qu’une "voix extrémiste" pour le gouvernement? Est-ce une voix d’extrême droite? D’extrême gauche? Est-ce un vote positif, ou est-ce aussi une abstention? Parce qu’alors, le vote du 3 avril ne respecte déjà plus l’accord de gouvernement.

 

J’enchaîne avec ma deuxième question qui concerne l’article 195 de la Constitution et son usage. On connaît cette combine institutionnelle, que vous n’êtes pas le premier à employer, consistant à utiliser le fait que l’article 195 soit porté à révision (un seul parti avait voté contre cette mise à révision en mai 2024, c'était DéFI). On ouvre temporairement cet article et cela permet de réviser des articles qui n’étaient pas portés à révision. C’est une méthode qualifiée de "peu élégante" par certains sénateurs eux-mêmes. Cette méthode avait déjà été utilisée en 2012 par la coalition Di Rupo après la crise des 541 jours. À l’époque, la N-VA était très critique sur cette manière de faire.

 

Ce contournement de la procédure de révision de la Constitution constitue un dangereux précédent. La constitutionnaliste Mme Bourgaux de l'UMONS parle même de "boucherie constitutionnelle" si le processus de suppression du Sénat arrive à son terme par l’entremise de ces dispositions transitoires. Une professeure de l’Université d'Anvers, Mme Popelier, avait aussi dénoncé le caractère inconstitutionnel du procédé.

 

On va vers une normalisation d’une procédure qui demain pourrait toucher d’autres sujets tels que les droits fondamentaux, les garanties juridictionnelles, etc.

 

Monsieur le premier ministre, êtes-vous conscient qu’il s’agit d’une entorse grave au prescrit constitutionnel qui banalise l’entorse suivante? Vous portez-vous garant de l’application du principe de loyauté fédérale par rapport au caractère stratégique de cet article 195?

 

05.02  Khalil Aouasti (PS): Monsieur le premier ministre, effectivement, dans le cadre de l'accord Arizona, vous annonciez des réformes afin de moderniser l'État. Cet accord était très clair sur l'engagement que vous preniez, comme premier ministre et comme premier défenseur de cette majorité, de ne pas faire voter vos textes qui seraient déposés au Parlement, qui nécessitent des majorités spéciales, sans l'assurance que les voix de l'extrême droite ne soient pas nécessaires. Vous écriviez ceci: "Sur ce sujet, le premier ministre prendra les contacts nécessaires pour trouver un soutien parlementaire complémentaire sans l'appui des voix extrémistes, afin d'atteindre les majorités nécessaires."

 

Je vous avouerai, et nous avons eu l'occasion d'en discuter, que j'étais peu sensible à votre déclaration de politique générale, mais il y avait là une note positive. Cette garantie du cordon sanitaire était positive. Votre majorité gouvernementale ne s'appuierait pas, pour trouver une majorité des deux tiers, sur l'extrême droite, et elle ne s'appuierait que sur les groupes démocratiques.

 

Pourtant, le 3 avril dernier, les deux premiers textes visant la suppression du Sénat ont été soumis à cette assemblée. Il était clair que le vote du Vlaams Belang était nécessaire pour faire passer le texte. Malgré cela, tous les groupes de la majorité, à l'exception du Mouvement Réformateur, ont soutenu cette suppression.

 

Monsieur le premier ministre, comment expliquez-vous cet abandon de cet engagement fort dans votre accord de gouvernement? Comment expliquez-vous ce renoncement à une balise importante de votre majorité?

 

Ensuite, il faut également constater que la suppression du Sénat n'a été soutenue que par quatre sénateurs francophones. C'est du jamais vu! Ceux-ci, tous issus des Engagés, au vu du repentir de ce parti qui s'est exprimé par le biais du président du Sénat ce week-end, ne voteront pas à l'avenir les autres textes sans de nouvelles balises qui n'ont pas été négociées dans l'accord de gouvernement, mais qui devraient être renégociées maintenant.

 

Par ailleurs, la seule sénatrice germanophone a voté contre cette suppression, en l’absence de garanties fondamentales.

 

Dès lors, monsieur le premier ministre, en tant que chef du gouvernement d’une démocratie dans laquelle si peu de francophones et de germanophones – voire aucun germanophone – soutiennent cette réforme, comment pouvez-vous encore poursuivre, tête baissée, la suppression du Sénat avec l’appui d’un parti d’extrême droite?

 

05.03  Bart De Wever, premier ministre: Aucun germanophone? Il n'y en a qu'un. Donc, s'il ne vote pas…

 

05.04  Khalil Aouasti (PS): (…)

 

05.05  Bart De Wever, premier ministre: Je n’ai pas du tout dit cela, bien au contraire. Comme vous le savez, je m’exprime couramment en allemand. Je considère donc que les germanophones sont très importants et qu’il faut absolument trouver une solution pour leur représentation au niveau fédéral. Die Vertretung der deutschen Sprache ist ein wichtiges Problem, das wir lösen sollen.

 

La suppression du Sénat répond avant tout, selon moi, à l’objectif de moderniser et de simplifier notre système institutionnel. Comme expliqué dans l’exposé des motifs de la proposition de révision, le passage à un système monocaméral vise une plus grande efficacité, clarté et rapidité dans la prise de décision. Le maintien d’une seconde chambre aux compétences limitées entraîne des retards procéduraux et engendre des coûts importants sans apporter de valeur ajoutée proportionnelle. L’essence de la réforme réside dans une simplification du régime parlementaire fédéral et un renforcement de son efficacité.

 

Le gouvernement constate que la majorité des deux tiers requise dans ce dossier pouvait être atteinte même sans les voix du Vlaams Belang et du PVDA-PTB. En effet, si l'on ne tient pas compte de ces voix, il reste encore 28 voix pour et huit voix contre. La majorité requise a donc été largement atteinte. Les partis d'opposition Anders. et Ecolo-Groen ont apporté leur soutien explicite en appuyant sur le bouton vert.

 

En fait, le PS a été le seul parti politique à voter contre. Abstraction faite des partis que vous qualifieriez d'extrême gauche et d'extrême droite, 28 sénateurs ont voté pour et huit contre. Il s'agit donc d'une majorité de plus de 77 % des votants en faveur du texte. Les critiques formulées sont donc sans objet, je pense, et semblent surtout constituer un prétexte pour maintenir le Sénat en vie. Je pense que c'est à tort.

 

Concernant l'utilisation de l'article 195, monsieur De Smet, je renvoie en premier lieu à mon intervention au Sénat, au sein de la commission des Affaires institutionnelles, où je l'ai expliquée en long et en large. J'y ai abordé en détail la portée et l'application de l'article 195 de la Constitution.

 

Votre première question part du principe que la méthode suivie constituerait une dérogation inadmissible à la Constitution et banaliserait ainsi la procédure de révision. Je ne partage pas ce principe, parce que la méthode suivie est juridiquement correcte, comme l'a constaté la Commission de Venise.

 

Dans les limites de la déclaration de révision, l'assemblée constituante est en effet compétente pour modifier l'article 195 de la Constitution. Quiconque reconnaît que le législateur constitutionnel peut adapter la procédure de révision en tant que telle doit logiquement accepter qu'il soit également compétent pour y ajouter une telle disposition transitoire. Le principe selon lequel "qui peut le plus peut le moins" se révèle particulièrement pertinent en l'espèce.

 

Dans le passé, des dispositions transitoires dans le cadre de l'article 195 ont déjà été appliquées. Cette méthode a été amplement discutée dans la doctrine et est considérée comme valide pour une part importante de la doctrine constitutionnelle. De plus, le législateur constitutionnel belge l'a également légitimée.

 

En ce qui concerne votre deuxième question, je confirme que le principe de loyauté fédérale continue de faire partie intégrante de notre ordre juridique constitutionnel. Ce principe implique que l'autorité fédérale et les entités fédérées exercent leurs compétences dans le respect de leurs positions institutionnelles respectives et dans le souci du bon fonctionnement de l'État fédéral dans son ensemble. Ce principe n'est pas méconnu dans ce contexte: l'application de l'article 195 de la Constitution s'effectue dans le cadre des procédures constitutionnelles et selon les conditions fixées par la Constitution elle-même. A priori, la loyauté fédérale ne peut être invoquée pour délégitimer un débat constitutionnel mené selon les règles prévues à cet effet.

 

05.06  François De Smet (DéFI): Monsieur le premier ministre, je vous remercie de vos réponses.

 

S'agissant de l'article 195, nous ne sommes pas du tout d'accord. Si l'on part du principe que l'on peut réviser n'importe quel article de la Constitution en y ajoutant des dispositions transitoires, dont le 195, autant dire que l'on vide de sa substance tout le processus de révision. Mes références en doctrine diffèrent des vôtres. Plusieurs constitutionnalistes se montrent très critiques envers ce que vous avez fait il y a quelques jours ainsi qu'envers le gouvernement qui, après 541 jours de crise, s'était attelé à la même procédure. Votre interprétation va donc en surprendre quelques-uns.

 

Quant au vote du Sénat voici quelques jours, nous ne sommes pas d'accord non plus. J'ai beau faire mes comptes, je pense que, sans au moins une voix du Vlaams Belang, cela ne passait pas. Il a fallu aussi l'entourloupe constituée par l'abstention du MR pour que cela passe. Quand j'écoute votre échange avec le collègue Aouasti, je ne comprends pas comment cette réforme du Sénat va pouvoir progresser ensuite, que ce soit à la Chambre ou au Sénat. En effet, je ne vois pas comment vous allez vous en sortir sans une négociation avec le Parti Socialiste, qui ne semble pas du tout demandeur de supprimer le Sénat. À ce stade, mon pronostic est que vous ne parviendrez pas à supprimer cette institution. Personnellement, cela me réjouit parce que je ne considère pas que nous ayons vocation à devenir l'un des seuls États fédéraux au monde doté d'un système monocaméral. Nous devons assurément réformer et transformer le Sénat, mais il est sous-utilisé, essentiellement parce que plusieurs partis en ont décidé ainsi. Il reste toujours, selon moi, une pierre d'équilibre dans notre système.

 

05.07  Khalil Aouasti (PS): Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Néanmoins, je pense que celles-ci procèdent de plusieurs errements.

 

Le premier errement est de considérer qu'une majorité des deux tiers peut ne reposer que sur quatre francophones. Si l'inverse avait été vrai, je pense qu'on aurait hurlé dans ce Parlement et on aurait dit qu'il n'y a que quatre néerlandophones qui soutiennent une réforme institutionnelle majeure. Jamais, cela ne peut passer.

 

Et je vais même un pas plus loin à la suite des déclarations faites par le président du Sénat samedi dernier. Dans votre raisonnement, si l'ensemble des Engagés s'étaient abstenus, comme leur chef de groupe l'a fait, vous auriez eu 24 voix pour, huit contre et plusieurs abstentions. Vous auriez toujours eu votre majorité des deux tiers et vous n'auriez eu aucun groupe francophone qui aurait soutenu, à l'exception peut-être du seul sénateur Ecolo s'il avait décidé d'être isolé en la matière.

 

Par conséquent, il est désastreux de ne pas entendre qu'il y a un fait communautaire et une violence communautaire derrière ce vote. C'est désastreux pour les équilibres politiques, mais c'est aussi désastreux pour les équilibres démocratiques de ce pays. Et considérer que cela relève simplement de la théorie du fait accompli "voilà un texte, positionnez-vous", sans négociations préalables avec des partenaires comme cela s'est toujours fait dans l'histoire pour essayer de trouver des majorités dans chaque groupe linguistique, est une erreur historique. Je vous le dis à vous qui êtes historien. Et c'est sans compter que la seule germanophone du Sénat, que par ailleurs vous défendez, a voté contre. La seule germanophone du Sénat a voté contre en l'absence de garantie suffisante pour l'avenir.

 

Et vous, qui, depuis tout à l'heure, défendez le caractère essentiel néerlandophone de Bruxelles, vous entendez – parce qu'on parle beaucoup des germanophones – supprimer la seule entité, la seule institution qui est finalement le résultat de notre État fédéral, où il y a une représentation garantie des néerlandophones de Bruxelles au niveau d'un Parlement fédéral. En effet, le Sénat garantit aujourd'hui une représentation flamande pour Bruxelles, ce que ne permettent pas les 16 sièges de la circonscription de Bruxelles à la Chambre des représentants.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van Barbara Pas aan Bart De Wever (eerste minister) over "De voorbereidingen van een nieuwe staatshervorming" (56014981C)

06 Question de Barbara Pas à Bart De Wever (premier ministre) sur "La préparation d'une nouvelle réforme de l'État" (56014981C)

 

06.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

 

Ik heb reeds een paar keer de gelegenheid gehad om de eerste minister te polsen omtrent zijn werkzaamheden om, dixit het regeerakkoord, “voorstellen, onder de vorm van wetteksten, voor te bereiden op het vlak van de bevoegdheidsverdeling, de financieringsregels, de instellingen". Dit met het oog op de gebeurlijke realisatie van een nieuwe staatshervorming vanaf 2029. Veel wijzer zijn we daarover echter nog niet geworden. Wat wij menen begrepen te hebben, is dat men vooral bezig is geweest met de voorbereiding en uitvoering van de opheffing van de Senaat en enkele institutionele details uit het regeerakkoord, maar niet met het voorbereiden van een staatshervorming, wat nochtans, conform het regeerakkoord, het enige opzet is van die cel.

 

In een recent vraaggesprek op de webstek Doorbraak wijst econoom Ivan Van de Cloot van de stichting Merito in verband hiermee terecht op het volgende:

 

“De recente biografie over Volksunie-topman Hugo Schiltz leert dat die jarenlang in de luwte een staatshervorming heeft voorbereid door met honderden mensen te spreken. Hij toetste discreet Waalse politici over de mogelijkheden. Op administraties werkten ambtenaren aan scenario's over de regionalisering van hun bevoegdheden.

 

De institutionele hervorming behoort tot het bevoegdheidspakket van de premier. Hij kan dus die staatshervorming van 2029 voorbereiden. Hij moet er wel zo snel mogelijk mee beginnen. Ook de Vlaamse ministers, zeker die van de N-VA, moeten hun diensten nu al instructies geven om die oefening voor te bereiden. Anders kunnen we nu al voorspellen dat na 2029 een staatshervorming zal falen."

 

Heeft de Eerste Minister tijdens zijn ambtsperiode zelf reeds initiatieven genomen in de zin zoals door de heer Van de Cloot wordt bedoeld en kan u die preciseren?

 

Is de aanvullende kabinetscel hiermee al bezig geweest en wat heeft hij op dat vlak al gedaan? Is er een concrete planning en zo ja hoe ziet die eruit? Indien niet, wanneer denkt de eerste minister die cel ter zake aan het werk te zetten?

 

Zijn er al grondwetspecialisten en experten betrokken en zo ja welke en over welke thema's?

Zijn er al ambtenaren aan het werk gezet om scenario's voor te bereiden voor verdere regionaliseringen?

 

06.02 Eerste minister Bart De Wever: Ik zou kunnen verwijzen naar het antwoord dat ik al vaak heb gegeven en dat u kent.

 

De institutionele cel van mijn kabinet, waarvan u hier links van mij of rechts van u iemand ziet, is zich erg bewust van de opdrachten en zal niet nalaten het nodige te doen.

 

We hebben de focus gelegd op de uitvoering van het institutionele programma dat in het regeerakkoord is opgenomen. De volgende taak die aan de orde is, is de taak waarover u mij nu een vraag stelt.

 

06.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, u kunt wel stellen dat het nodige wordt gedaan, maar met mijn vragen wil ik vernemen wat er al is gebeurd. Waarmee is de regering al bezig geweest? Kunt u preciseren aan welke thema’s specifiek wordt gewerkt? Welke Grondwetspecialisten en experten zijn daarbij al betrokken? Wie is, zowel op Vlaams niveau als in uw regering, al aan het werk gezet om welke scenario’s voor te bereiden? U hebt op die niveaus immers alles in handen. Over welke regionaliseringen gaat het?

 

Zolang u mist spuit, zal ik vragen blijven stellen, want het antwoord dat u het nodige doet, boezemt bijzonder weinig vertrouwen in.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mijnheer de premier, ik dank u voor uw aanwezigheid.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.58 uur.

La réunion publique de commission est levée à 11 h 58.