Commissie voor Energie, Leefmilieu en Klimaat

Commission de l'Énergie, de l'Environnement et du Climat

 

van

 

Dinsdag 14 april 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 14 avril 2026

 

Après-midi

 

______

 

De behandeling van de vragen vangt aan om 14.15 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Jeroen Soete.

Le développement des questions commence à 14 h 15. La réunion est présidée par M. Jeroen Soete.

 

01 Vraag van Katrijn van Riet aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De creatie van een haalbaar kader rond CCS" (56014205C)

01 Question de Katrijn van Riet à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La création d'un contexte propice au CSC" (56014205C)

 

01.01  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, de Europese Commissie geeft haar goedkeuring voor bijkomende staatssteun aan het project Kairos@C voor koolstofafvang en -opslag (CCS). Dat is een gezamenlijk initiatief rond CO2-captatie van BASF en Air Liquide in de haven van Antwerpen. Volgens de projectontwikkelaar zou zo in de eerste vijftien jaar tot 20 miljoen ton uitstoot worden vermeden. Als die ambities worden waargemaakt, dan zie ik daarin een groenere toekomst voor onze chemie, want de infrastructuur voor CO2-opvang en CO2-transport dient als hefboom voor andere industriële spelers die hun emissies willen reduceren.

 

De kosten van het project zijn sinds 2021 fel gestegen. Ondanks 260 miljoen euro van Vlaanderen en 350 miljoen euro van Europese subsidies zijn er nog geen definitieve investeringsbeslissingen genomen. Als redenen geeft men de economische en de regelgevende onzekerheden en de bijkomende administratieve lasten op. Ik beklemtoon het graag nog eens: onze industrie moet ondersteund worden om op dat vlak te blijven investeren, want op die manier behouden we onze competitiviteit en alleen op die manier behalen we onze ambitieuze klimaatdoelstellingen.

 

Projecten zoals Kairos@C spelen een belangrijke rol in de decarbonisatie van onze energie-intensieve sectoren. Dat vereist echter een stabiele regelgeving en een realistisch economisch kader.

 

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u het belang van het project Kairos@C voor het behalen van de Belgische klimaatdoelstellingen en voor het behoud van de industriële activiteit in de haven van Antwerpen?

 

Op welke manier is de federale regering betrokken bij het creëren van een stabiel regelgevend kader voor CO2-transport en -opslag in België en de Noordzee?

 

Hoe reageert u op de onzekerheden van het project als het gaat over de noodzakelijke infrastructuur, vergunningen en huidige regelgeving? Welke stappen zult u zetten in overleg met Vlaanderen en de Europese instellingen om de investeringszekerheid van industriële klimaatprojecten te vergroten?

 

Hoe vermijdt u dat bedrijven door nieuwe klimaatverplichtingen of onzekerheden hun investeringen verplaatsen naar regio's met lagere energie- en productiekosten, bijvoorbeeld buiten Europa?

 

01.02 Minister Jean-Luc Crucke: Mevrouw Van Riet, projecten zoals Kairos@C zijn van cruciaal belang voor het behalen van de Belgische klimaatdoelstelling en voor het behoud en de verankering van industriële activiteit in de haven van Antwerpen. Koolstofafvang en -opslag is geen nicheoplossing, maar voor een aantal energie-intensieve sectoren simpelweg onmisbaar om op korte en middellange termijn emissies in belangrijke mate te verminderen.

 

De door de VUB op vraag van mijn administratie uitgevoerde studie toont aan dat een vermindering van 90 % van de industriële CO2-uitstoot tegen 2040-2050 ten opzichte van 2005 technisch haalbaar is in België. Die studie verwacht daarbij een substantiële bijdrage van koolstofafvang en -opslag, met name voor procesemissies in bijvoorbeeld de chemie-, cement- kalk- en staalsectoren. Ze benadrukt bovendien dat kritieke infrastructuur voor CO2-transport en -opslag absoluut noodzakelijk is en dat de komende vijf jaren beslissend zijn om de juiste investeringsbeslissingen te nemen. In die context is Kairos@C, dat moet worden uitgerold tot een CCS-hub voor meerdere industriële spelers, van groot strategisch belang.

 

Het regelgevend kader voor CO2-transport en -opslag is in België een gedeelde bevoegdheid. De gewesten zijn bevoegd voor het onshoretransport, terwijl de federale overheid instaat voor de internationale en grensoverschrijdende aspecten. Omdat België zelf geen opslaglocaties heeft, zetten we inderdaad sterk in op samenwerking met landen rond de Noordzee. De federale regering neemt daarbij een coördinerende rol op zich en heeft reeds bindende akkoorden gesloten met Denemarken, Nederland en Noorwegen onder meer voor het transport van CO2 via offshore-infrastructuur. Met andere partnerlanden zoals het Verenigd Koninkrijk lopen de contacten verder.

 

Ik erken ten volle dat investeringszekerheid cruciaal is. In de context van de geopolitieke instabiliteit en de hoge energieprijzen is een stabiele en voorspelbare regelgeving essentieel om industriële klimaatprojecten te doen slagen. België blijft daarom voluit het Europees emissiehandelssysteem (ETS) ondersteunen als centraal instrument voor de transitie. Een robuust ETS is zo van groot belang voor de businesscases van CCS-projecten. In dat kader pleiten we ervoor dat de ETS-inkomsten maximaal worden ingezet voor industriële decarbonisatie, onder meer via Europese financieringen, zoals het Innovatiefonds.

 

Daarnaast ondersteunen we initiatieven op Europees niveau om bijkomende financieringsinstrumenten te ontwikkelen, zoals een industriële decarbonisatiebank, zodat innovatiebedrijven kunnen blijven investeren in Europa. Om koolstoflekkage te vermijden, werd het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) ingevoerd, dat het gelijk speelveld moet bewaken. Bij de verdere hervorming van het ETS is een goede afstemming tussen het ETS en het CBAM essentieel.

 

Tot slot, de Europese Commissie werkt aan een wetgevend voorstel voor CO2-transportinfrastructuur en -markten. België en de gewesten zijn voorlopers op dat vlak en zetten zich ervoor in dat het Europees kader rekening houdt met onze realiteit. Alleen met een stabiele regelgeving en een stabiel economisch kader kunnen projecten zoals Kairos@C hun volle potentieel waarmaken en bijdragen aan een competitieve klimaatneutrale industrie in België.

 

01.03  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, ik ben blij te horen dat u het met ons eens bent en dat u in de nodige middelen wilt voorzien. Projecten zoals CO2-captatie zijn inderdaad belangrijk om de doelstellingen voor CO2-reductie tegen 2040 waar te maken. We moeten ook verder durven te kijken dan ETS2. U noemde zelf al het CBAM.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van Oskar Seuntjens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De duurzaamheidsregels voor fondsen" (56014242C)

02 Question de Oskar Seuntjens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Les règles de durabilité applicables aux fonds" (56014242C)

 

02.01  Oskar Seuntjens (Vooruit): Europa is de laatste tijd heel wat regels aan het vereenvoudigen, onder andere met betrekking tot duurzame fondsen, meer bepaald binnen de Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR). Dat konden we ook in de kranten lezen. Daarbij zouden fondshuizen niet langer verplicht worden om op bedrijfsniveau te rapporteren over zogeheten Principal Adverse Impacts en zouden nieuwe categorieën zoals sustainable, transition en ESG voortaan vrijwillig worden toegepast. Die maatregelen zijn ooit ingevoerd om greenwashing tegen te gaan.

 

De vraag is hoe België binnen de besluitvorming zal garanderen dat fondsen zich niet enkel duurzaam noemen, maar dat ze in de praktijk ook effectief duurzaam zijn. Vrienden van mij willen duurzaam beleggen en willen daarbij de garantie hebben dat hun beleggingen effectief duurzaam zijn. Hoe zal België erop toezien dat die besluitvorming over vereenvoudiging niet ten koste gaat van de oorspronkelijke doelstellingen?

 

02.02 Minister Jean-Luc Crucke: Ik begrijp uw bezorgdheid. In het kader van de herziening van de Corporate Sustainability Reporting Directive voor bedrijven hebben we daarom steeds duidelijk gemaakt dat administratieve vereenvoudiging niet mag leiden tot het wegvallen van essentiële duurzaamheidsinformatie. Dezelfde vraag rijst nu bij de herziening van de Sustainable Finance Disclosure Regulation voor financiële marktdeelnemers. Er hebben zich in het verleden heel wat schandalen voorgedaan rond zogezegd duurzame fondsen. Ook het huidige voorstel baart me zorgen. Zo ligt er bijvoorbeeld een voorstel op tafel waarbij een duurzaamheidslabel kan worden toegekend wanneer een fonds voor 70 % duurzaam is, zonder dat er informatie beschikbaar is over de overige 30 %.

 

Ik zie de herziening echter ook als een kans om duidelijker te bepalen wat onder een duurzame investering wordt begrepen, de interpretatiemarges voor vermogensbeheerders te verkleinen en de vereiste inzage, transparantie en integriteit te versterken.

 

België heeft daaromtrent trouwens een duidelijk standpunt ingenomen. Voor ons mag vereenvoudigen nooit ten koste gaan van de geloofwaardigheid van duurzaamheidsinformatie. Daarom dringen wij erop aan dat de rapportering over de Principal Adverse Impacts verplicht blijft voor alle duurzame categorieën, zodat de ESG-prestaties van producten binnen dezelfde categorie vergelijkbaar blijven. We pleiten ook voor duidelijke definities van de verschillende fondscategorieën sustainable, transition en ESG, om verwarring en misbruik van die labels te vermijden en voor het verankeren van transparantie- en kwaliteitsvereisten in de wetgeving.

 

Aangezien de Ecofinraad een centrale rol speelt in de onderhandelingen, zou ik u willen vragen om dezelfde vragen eveneens aan de bevoegde ministers te stellen. Zij zijn namelijk als eerste aan zet in die financiële materie. U mag er in elk geval van uitgaan dat we dat dossier nauwgezet opvolgen en erop zullen toezien dat de herziening van de SFDR niet leidt tot minder transparantie of meer nieuwe mogelijkheden tot greenwashing.

 

02.03  Oskar Seuntjens (Vooruit): Mijnheer de minister, als ik het goed begrepen heb, kan ik mijn vraag ook best aan de minister van Financiën stellen. Ik ben deels blij met uw antwoord. Ik ben blij met het standpunt van België en waardeer dat u zich ook zorgen maakt en pleit voor een duidelijk en transparant kader.

 

Ik ben minder opgelucht als ik hoor wat er op tafel ligt. U spreekt over 70 % duurzaam en zegt dat we van de andere 30 % niet weten wat erachter zit. Ik maak me daarover zorgen, omdat ik merk dat in mijn omgeving, bij mensen die willen investeren in fondsen, vandaag al redelijk wat wantrouwen bestaat tegenover het duurzaamheidslabel. Misschien komt dat omdat banken nog niet de beste reputatie hebben, door al wat ze vroeger gedaan hebben. Als men ziet dat het dan mogelijk nog soepeler georganiseerd zal worden, maak ik me zorgen. Ik stel voor dat we dat zeker blijven opvolgen. Ik zal de vraag ook aan de minister van Financiën stellen.

 

Ik hoop dat België er alles aan zal doen op Europees niveau om dat tegen te houden. Het is immers belangrijk. Het gaat over transparantie, maar er is ook het feit dat de banken een wapen zouden moeten zijn in de strijd tegen de klimaatverandering, met beleggingen die duurzaam zijn en die de klimaatverandering tegengaan. Het lijkt eerder de andere richting op te gaan. Dat is iets wat we niet mogen onderschatten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van Jeroen Van Lysebettens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Het advies van het ECHA over het restrictievoorstel voor PFAS in de EU" (56014577C)

03 Question de Jeroen Van Lysebettens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'avis de l'ECHA concernant la proposition de restriction des PFAS dans l'UE" (56014577C)

 

03.01  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, we hebben het hier al een aantal keer over PFAS gehad. Ik heb zelf ook een voorstel van resolutie ingediend, dat de collega’s in al hun wijsheid hebben weggestemd.

 

In uw beleidsnota lees ik dat u op Europees niveau de geleidelijke afschaffing van het gebruik van PFAS zult verdedigen en dat u in afwachting daarvan op nationaal niveau maatregelen zult nemen om de impact op zowel de gezondheid als het leefmilieu te verminderen.

 

Ondertussen heeft het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen een duidelijk advies over PFAS uitgebracht. PFAS is schadelijk voor mens en milieu en de huidige maatregelen zijn absoluut ontoereikend. Eerder concludeerde de Europese Commissie al dat de kosten van PFAS-vervuiling tot honderden miljarden kunnen oplopen, als er geen verregaand verbod komt. Zeker de kostprijs voor drinkwaterzuivering kan, afhankelijk van het scenario, gigantisch oplopen.

 

Opvallend in dat rapport – en daarover ging ook mijn voorstel van resolutie – is dat PFAS in pesticiden en biociden niet onder het voorstel van de Commissie vallen en dat de PFAS-emissies via die weg ook niet in rekening zijn gebracht in de totale PFAS-emissies. Het Agentschap stelt daarom voor dat bijkomende regelgeving nodig is om PFAS-emissies door het gebruik van pesticiden te beperken. Ook dat stond in mijn voorstel tot resolutie. Ik ben blij dat het Europees Agentschap het met mij eens is.

 

Mijnheer de minister, zult u binnen de Europese besluitvorming pleiten voor een zo vergaand mogelijk verbod met slechts strikt noodzakelijke en tijdelijke uitzonderingen? Wanneer komt u, na het definitieve Europese advies, met het wetgevend werk met betrekking tot de geleidelijke afschaffing van het gebruik van PFAS? Wat is de stand van zaken in België met betrekking tot de uitfasering? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het gebruik van PFAS in verschillende sectoren in België en specifiek voor pesticiden en biociden?

 

Wat is het standpunt van de regering over de vaststelling dat uitzonderingen, zoals voor de landbouw, de effectiviteit van een PFAS-ban aanzienlijk kunnen ondergraven? Zult u bij uw collega-minister David Clarinval, bevoegd voor Landbouw, aandringen op bijkomende regelgeving om de uitfasering van PFAS in pesticiden of biociden te bespoedigen?

 

03.02 Minister Jean-Luc Crucke: Geachte mijnheer Van Lysebettens, bedankt voor uw vragen, die bijdragen tot een noodzakelijk parlementair debat over de PFAS-problematiek.

 

Het gaat om een complex en grensoverschrijdend dossier dat een gecoördineerde aanpak vereist op Europees, federaal en regionaal niveau. De regulering van PFAS situeert zich vandaag in een lopend Europees besluitvormingsproces binnen de REACH-verordening.

 

Hoewel het Comité voor risicobeoordeling (RAC) zijn advies heeft afgerond, heeft het Comité voor socio-economische analyse (SEAC) voorlopig alleen een ontwerpadvies gepubliceerd dat nog het voorwerp is van een openbare raadpleging. Het wetenschappelijke adviesproces is dus nog niet volledig afgerond. Pas na die fase zal de Europese Commissie een concreet voorstel voor een PFAS-restrictie uitwerken, dat vervolgens zal worden besproken met de lidstaten en het REACH-comité. In dit stadium is het daarom nog te vroeg om uitspraken te doen over de precieze inhoud, de timing of de eventuele uitzonderingen van het toekomstige Europese kader.

 

Conform het regeerakkoord blijf ik echter pleiten voor een verregaande en juridisch robuuste Europese restrictie, gericht op een geleidelijke afschaffing van PFAS, met slechts strikt noodzakelijke, proportionele en waar nodig tijdelijke uitzonderingen. De effectiviteit van het kader zal immers afhangen van de coherentie van het toepassingsgebied en het strikte beheer van afwijkingen.

 

Wat de timing betreft, moet worden vastgesteld dat de interne procedures binnen de Europese Commissie de afgelopen jaren aanzienlijk complexer zijn geworden. Op basis van de huidige stand van zaken lijkt een commissievoorstel ten vroegste in 2027 realistisch. De daaropvolgende onderhandelingen tussen de lidstaten zullen, afhankelijk van de gevoeligheid van het dossier, verder tijd vergen.

 

In afwachting daarvan blijf ik het debat actief aankaarten op Europees niveau. Zo heb ik in de marge van de raden verschillende bilaterale uitwisselingen gehad met mijn ambtsgenoten met het oog op het behouden van de politieke druk op het dossier en het versterken van de convergentie tussen de lidstaten ten gunste van een ambitieuze aanpak. Ik verwacht in dat verband uiterlijk in 2027 een formeel standpunt van de Europese Commissie. Bij uitblijven van een dergelijk antwoord zal ik het Litouws voorzitterschap verzoeken om de kwestie op de agenda van de Raad te plaatsen, om een expliciet politiek debat tussen de lidstaten te waarborgen. Mijn Litouwse collega is al op de hoogte.

 

De Belgische positie zal, overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 17 oktober 2011, worden gecoördineerd binnen het Belgische REACH-comité, in overleg met de bevoegde federale en regionale overheden.

 

Parallel aan dat Europees traject werk ik aan een nationale strategie van anticipatie. Daartoe werd eind 2025 een diepgaande impactanalyse opgestart naar de milieu-, gezondheids-, economische en sociale effecten van een mogelijk nationale PFAS-regelgeving, evenals naar de beschikbaarheid van alternatieven. De studie is operationeel en een tussentijds rapport wordt verwacht in juni en een eindrapport in november. Die analyse zal het fundament vormen voor toekomstige beleidskeuzes inzake een Belgische uitfasering.

 

Wat het gebruik van PFAS in België betreft, bestaan er reeds verschillende informatiebronnen. Zo biedt de studie van de FOD Economie uit 2023 een sectoraal overzicht, aangevuld met gegevens uit Fytoweb en met het rapport van het Rekenhof van april 2025, dat wijst op de uitdagingen inzake regelgeving, monitoring en controle.

 

Gewasbeschermingsmiddelen vallen onder de bevoegdheid van de minister van Landbouw. Vragen over hun toelating en regulering behoren dus tot de bevoegdheid van mijn collega David Clarinval.

 

Biociden ressorteren daarentegen onder mijn bevoegdheid en worden gereguleerd via verordening nr. 528/2012. In dat kader werden zeven actieve stoffen als PFAS geïdentificeerd. Vier daarvan worden in België effectief op de markt gebracht. In de periode 2020-2024 gaat het om een gemiddeld jaarlijks volume van ongeveer 11 kilogram PFAS-houdende actieve stoffen, tegenover bijna 28 ton actieve stof in de biocidensector als geheel.

 

Er zijn momenteel echter geen specifieke gegevens beschikbaar om de PFAS-emissies ten gevolge van het gebruik van biociden nauwkeurig te kwantificeren. Dat bevestigt het belang van een strikte opvolging van de lopende Europese evaluatie en herevaluatieprocedures, waaraan België actief deelneemt en van waaruit een geleidelijke uitfasering van PFAS-houdende stoffen wordt beoogd. Het debat over eventuele uitzonderingen, onder andere voor landbouwtoepassingen, is vandaag nog niet formeel beslecht, aangezien noch het Europese restrictievoorstel, noch de wetenschappelijke adviezen definitief zijn. Ik deel echter de analyse dat de doeltreffendheid van een toekomstig PFAS-beleid staat of valt met de beperking en strikte omkadering van uitzonderingen.

 

Tot slot wil ik benadrukken dat de problematiek binnen de regering gecoördineerd wordt aangepakt. In december 2025 heb ik in de ministerraad voorgesteld om te werken aan een federaal begeleidingsplan, gericht op de anticipatie van de Europese normen en de ondersteuning van de overgang naar PFAS-vrije alternatieven. Die piste zal opnieuw met mijn collega's worden besproken zodra de lopende evaluaties zijn afgerond, opdat we ons als België coherent, geloofwaardig en proactief positioneren in de transitie naar een economie zonder PFAS.

 

03.03  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Ik wil nog een aantal elementen aanhalen.

 

Ten eerste, u spreekt van een gecoördineerde aanpak. Over de PFAS-problematiek bevraag ik verschillende ministers en daarbij valt me altijd op dat daarop geen gecoördineerd antwoord komt. U hebt zelf weer het goede voorbeeld gegeven door te zeggen dat pesticiden tot de bevoegdheid van minister Clarinval behoren. Dat klopt inderdaad volgens de bevoegdheidsverdeling, maar ik denk dat het beeld van een gecoördineerde aanpak wel versterkt kan worden als de onderlinge antwoorden ook een beetje op elkaar worden afgestemd.

 

Waar u mijn analyse deelt dat men het volledige plaatje moet bekijken en uitzoeken waar elk PFAS-lek in onze maatschappij aangepakt en ten minste kritisch bediscussieerd moet worden, is minister Clarinval, bevoegd voor Landbouw, het daarmee niet altijd eens. Dat is natuurlijk geen gecoördineerde aanpak. Het is een disparate aanpak die symbolisch is voor deze regering.

 

Ten tweede, u verwijst naar heel veel Europese debatten, maar die moeten nog plaatsvinden. Bij verschillende vorige reglementeringen, die zelfs niets met PFAS te maken hebben, komen we evenwel altijd tot de conclusie dat wanneer er eenmaal een Europees voorstel is, men plots de tijd veel te kort vindt voor een omschakeling. Daarom vind ik het raadzaam om vandaag al verregaande stappen te zetten en bijvoorbeeld in de verordening voor biociden, waarvoor u zelf bevoegd bent, zoals u hier vandaag bevestigt, alvast de vlucht vooruit te nemen en te zeggen dat de PFAS-bevattende biociden er op termijn uit moeten. Dan kan men vandaag al beginnen met zich voor te bereiden op alternatieven. De wetenschappelijke evidentie zegt immers duidelijk dat PFAS schadelijk is voor mens en milieu, in zodanige mate dat we een aantal verboden zullen moeten invoeren.

 

Ten slotte hoor ik dat u ook op interregionaal vlak werkt om een Belgisch plan te maken. Ik heb genoteerd dat daarvoor in juni een eerste draft zou gemaakt worden en in november een definitieve versie. Ik nodig u vriendelijk uit om dat ook in onze Kamercommissie voor Energie te presenteren, zodat we de discussie daarover kunnen voeren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- Kurt Ravyts aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De mogelijke waterstofvoorraad in de Belgische ondergrond" (56014584C)

- Marc Lejeune aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De witte waterstof in de Moezelstreek en de strategische opportuniteit voor België" (56014647C)

- Jeroen Van Lysebettens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De mogelijke waterstofbubbel onder België" (56014649C)

- Oskar Seuntjens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Witte waterstof" (56014698C)

04 Questions jointes de

- Kurt Ravyts à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La possible présence d'un gisement d'hydrogène dans le sous-sol belge" (56014584C)

- Marc Lejeune à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'hydrogène naturel en Moselle et l'opportunité stratégique qui s'offre à la Belgique" (56014647C)

- Jeroen Van Lysebettens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La possible présence d'un gisement d'hydrogène dans le sous-sol belge" (56014649C)

- Oskar Seuntjens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'hydrogène blanc" (56014698C)

 

04.01  Kurt Ravyts (VB): In de bouurt van de Franse stad Metz is bij een boring op een recorddiepte van 3.600 meter een gigantisch waterstofreservoir gevonden. Wetenschappers vermoeden dat die aanwezigheid zich niet beperkt tot het Franse grondgebied en mogelijk ook doorloopt naar de buurlanden, waaronder ons land. Het gaat om zogenaamd witte waterstof die uit de bodem komt. Dat is een derde variant, naast groene en grijze waterstof. In onze regio’s werden tot nog toe geen dergelijke voorraden vastgesteld.

 

Op 27 maart hebt u een nota voorgelegd aan de federale ministerraad met het oog op een grootschalig onderzoek naar de Belgische ondergrond door de Geologische Dienst van België voor een totaalbudget van 3,5 miljoen euro. In een eerste fase wordt 1,5 miljoen euro voorzien, gefinancierd via de ETS1-inkomsten, aangezien dat uiteraard moet worden gefinancierd.

 

In een eerste fase zullen geologen een gedetailleerd overzicht maken van alle mogelijke voorraden op basis van kennis over de vorming van witte waterstof en gegevens over de bodem. Die modellering is – laten we dat niet vergeten – volgens de Geologische Dienst van België nog nooit uitgevoerd met betrekking tot waterstof. In een tweede fase zullen onderzoekers met metingen aan de oppervlakte in bestaande putten nagaan waar effectief waterstof kan worden gedetecteerd. In een volgende fase kunnen eventueel – ik blijf voorzichtig – dure exploitatieboringen worden overwogen, in samenwerking met privébedrijven.

 

Op termijn zouden we hierdoor aan een strategische grondstof en brandstof kunnen geraken die belangrijk is voor diverse industriële processen. In de huidige geopolitieke context, zowel op het vlak van energie als klimaat, is dat van groot strategisch belang.

 

Alleen blijf ik daarbij wel heel voorzichtig. Alleen grote, relatief zuivere en toegankelijke voorraden met voldoende hoge concentraties zouden commercieel kunnen worden geëxploiteerd. Ik merk dat ik mijn tijd te buiten ga en stel daarom enkele concrete vragen.

 

Kunt u meer toelichting geven bij de opdracht gegeven aan de Geologische Dienst van België? Wat is de tijdstabel en wat is het kostenplaatje? Kunt u het aangehaalde jaar 2028 voor een eerste tussentijdse evaluatie bevestigen en kunt u het budget bevestigen? In hoeverre kunt u rekenen op bijkomende Europese steun en vooral ook op samenwerking met de buurlanden?

 

De voorzitter: Dank u wel, collega Ravyts, voor deze doorwrochte inleiding tot het onderwerp. Ik weet niet of de collega’s erin zullen slagen om nog iets toe te voegen, maar ik geef u wel de gelegenheid, mijnheer Lejeune.

 

04.02  Marc Lejeune (Les Engagés): Merci, monsieur le président.

 

Évidemment, c'est une nouvelle qui a fait beaucoup de bruit et c'était tellement important aujourd'hui pour l'énergie au niveau international dans le contexte économique que l'on vit.

 

Et donc, monsieur le ministre, cette découverte majeure d'hydrogène a été annoncée en Moselle à proximité immédiate de nos frontières, une découverte qui a fait parler d'elle car les estimations sont énormes. On parle en effet d'un gisement d'environ 34 millions de tonnes, soit près d'un tiers de la consommation mondiale annuelle. C'est donc excessivement important et ces chiffres donnent la mesure du potentiel que nous aurions éventuellement sous nos pieds, fort probablement.

 

Cet hydrogène naturel pourrait donc constituer un levier stratégique important dans la transition énergétique que nous devons mener et dans un contexte où nous et l'Europe cherchons à réduire notre dépendance aux importations d'énergie fossile. Une terre ressource, si elle est confirmée et exploitable, pourrait donc jouer un rôle extrêmement important. Cette découverte nous interpelle donc directement, car le gisement s'étend fort probablement en partie vers la Belgique, d'autant plus que notre pays dispose, nous le savons aussi, d'un savoir-faire reconnu, notamment avec des acteurs comme Fluxys pour les infrastructures ou Solhyd pour les technologies liées à l'hydrogène.

 

Vous avez d'ailleurs dit, monsieur. le ministre, que vous aviez pris ce sujet à bras-le-corps et on l'a bien entendu parce que vous avez directement proposé de mobiliser plus de trois millions d'euros, ce qui est important, pour lancer un programme de recherche vers le Service géologique de Belgique.

 

C'est une démarche que nous saluons car elle montre que la Belgique entend ne pas subir, mais anticiper. J'ai donc deux questions à vous poser. Pouvez-vous nous confirmer la hauteur du financement qui a été validé par le Conseil des ministres du 27 mars? A-t-il été validé? Pouvez-vous nous préciser le montant? Comment comptez-vous financer ces investissements et avez-vous déjà un calendrier concret du programme de recherche?

 

Deuxièmement, comment ce programme va-t-il s'articuler? On parle déjà de cartographie, c'est certainement la première des choses, mais quant au forage et à la détection, qu'en est-il et dans quel délai pouvons-nous l'espérer? Le sujet est bien évidemment sur toutes les lèvres. Quand pouvons-nous espérer disposer des premières conclusions fiables sur le potentiel belge sous nos pieds? Ce serait une "première" énorme depuis, finalement, la découverte du charbon puisque peu de ressources propres sont sous nos pieds. Celle-là pourrait changer la donne au niveau de l'énergie dans notre pays. C'est une véritable opportunité qui se dégagerait.

 

04.03  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, collega’s, enige voorzichtigheid is hier toch aangewezen. Voor zover ik weet, is er in België geen waterstof aangetroffen. Er is ooit een proefboring uitgevoerd in Mol en daarbij is nooit waterstof gevonden. Het voorstel van de minister is om, naar aanleiding van een waterstofbel in Frans Lotharingen op 3,5 kilometer diepte en in een totaal andere geologische context dan in België, een gelijkaardig onderzoek in België te starten. Wetenschappelijk onderzoek kan uiteraard altijd iets opleveren.

 

Wij zijn geïnteresseerd in de concrete stappen en een tijdlijn, maar eveneens in de verwachtingen die aan dit onderzoek worden gekoppeld en waarop die verwachtingen gebaseerd zijn. In een interview heb ik u, mijnheer Crucke, horen zeggen dat het volgens uw intuïtie vooral zou zitten in de steenkoolbekkens in België. Intuïtie lijkt mij echter geen voldoende wetenschappelijke basis om een dergelijk onderzoek op te starten. De vraag rijst dan ook of dat onderzoek over heel België zal worden gevoerd of op specifieke locaties. Indien het om specifieke locaties gaat, is het belangrijk te verduidelijken waarom net die plaatsen geselecteerd worden.

 

Daarnaast is er de vraag hoe de ontwikkeling van witte waterstof zich verhoudt tot de Belgische waterstofstrategie. De milieu-impact van de ontginning van waterstof moet in het onderzoek worden meegenomen. Voor de winning ervan zouden immers mijnbouwactiviteiten nodig zijn, wat steeds zeer intrusief is.

 

Wat de financiering betreft, wordt aangegeven dat die uit ETS-middelen zou komen. Die middelen zijn bedoeld om onze infrastructuur te vergroenen en CO2-vrij te maken. Welke CO2-winst kan dat onderzoek dan opleveren? Welk concreet potentieel is er op dat vlak?

 

04.04  Oskar Seuntjens (Vooruit): Ik denk dat ik nog weinig zinnigs kan toevoegen na de vorige sprekers, behalve dat ik het als wetenschapper echt megacool vind dat die energiebron mogelijk onder onze grond zit. Er zijn nog heel wat obstakels, maar we zouden tegelijkertijd ook zot zijn om niet te onderzoeken welk potentieel dat mogelijk heeft. In dat opzicht ben ik ook wel benieuwd naar welke tijdslijn u voor ogen hebt, hoe u het wilt aanpakken en of u ook zult samenwerken met de Franse autoriteiten. Dus ik ben benieuwd naar welke informatie u daarover kunt geven.

 

04.05 Minister Jean-Luc Crucke: Collega’s, ik dank u voor uw belangstelling voor dit dossier.

 

Het onderzoek kadert duidelijk in een anticiperende aanpak. Niets is vandaag gegarandeerd, maar net daarom wil ik dat België zich tijdig en zorgvuldig positioneert mocht blijken dat die energiebron aanwezig is in onze ondergrond.

 

Rien n’est acquis à ce stade mais si cette ressource existe, il est de notre responsabilité de nous préparer dès maintenant.

 

Ik kan bevestigen dat de financiering van een eerste onderzoeksfase werd goedgekeurd tijdens de ministerraad van 27 maart, voor een periode van twee jaar, van het tweede kwartaal van 2026 tot het tweede kwartaal van 2028. Het voorziene budget bedraagt ongeveer 1,5 miljoen euro, inclusief personeelskosten en werkingsmiddelen, en wordt gefinancierd via ETS-middelen.

 

De opdracht aan de Geologische Dienst van België betreft een nationaal wetenschappelijk onderzoeksprogramma naar het mogelijk voorkomen van natuurlijke, zogenaamd witte waterstof in de Belgische ondergrond. Het programma is modulair opgevat en bestaat uit twee fasen, waarbij de overgang naar een tweede fase afhankelijk is van het resultaat van het eerste deel.

 

De eerste fase focust op gegevensverzameling, analyse en gerichte terreinverkenningen. Ze omvat onder meer het samenbrengen en herinterpreteren van bestaande geologische en geochemische data, voorbereidende veldmetingen, eerste cartograferingen en modelleringen in potentiële aandachtsgebieden. Tegen midden 2027 wordt een tussentijds rapport verwacht, dat zal aangeven of en waar er indicaties zijn van waterstof. Tegen 2028 moet een eerste gefundeerde conclusie beschikbaar zijn over het potentieel in de onderzochte zones.

 

Een tweede fase, die zou kunnen lopen tot ongeveer 2030, zou, indien de resultaten dat rechtvaardigen, bestaan uit verdere verfijning van modellen, bijkomende metingen en bredere kartering. Het budget daarvan wordt momenteel geraamd op 1,7 tot 2 miljoen euro, maar een beslissing daarover volgt pas op basis van de resultaten van fase 1.

 

Het Instituut voor Natuurwetenschappen heeft een sterke traditie van internationale samenwerking. Vanuit die logica sta ik positief tegenover de ontwikkeling van een Europees onderzoeksprogramma, zodat de resultaten kunnen worden vergeleken, synergieën kunnen worden benut en overlappingen worden vermeden.

 

Une coopération européenne est également pertinente pour préparer, le cas échéant, un cadre réglementaire cohérent.

 

Samenwerking met buurlanden ligt voor de hand en Frankrijk is daarbij een evidente partner. Er zijn al contacten en kennisuitwisseling en die zullen verder worden versterkt.

 

Vandaag zijn er geen concrete resultaten over de aanwezigheid van witte waterstof in de Belgische ondergrond. In regio’s zoals Lotharingen worden hypotheses onderzocht, maar ook daar is het wetenschappelijk bewijs nog beperkt. Hoewel sommige geologische kenmerken ook in België voorkomen, betekent dat geenszins dat er automatisch sprake is van economisch winbare voorraden. Het onderzoek zal daarom niet beperkt blijven tot een regio, maar het volledige grondgebied bestrijken, rekening houdend met de diversiteit van de Belgische geologie.

 

Wat hoeveelheden, generatiesnelheid en economische haalbaarheid betreft, moeten we heel eerlijk zijn. Die zijn vandaag volledig onbekend. Dat is net de reden waarom dit onderzoeksprogramma wordt opgestart. Het is vandaag te vroeg om witte waterstof al een plaats toe te wijzen binnen de Belgische waterstofstrategie. Mocht echter blijken dat het potentieel zowel technisch als economisch relevant is, dan kan die vorm van waterstof op termijn een aanvullende rol spelen, met name inzake infrastructuur en bevoorrading van industriële clusters. Dat zal onder meer afhangen van de volumes, de mate van de hernieuwing van de bron en de kostprijs. Die elementen zullen pas in een later stadium duidelijk kunnen worden.

 

Milieu-impactanalyse maakt op dit moment geen deel uit van de geowetenschappelijke exploratie, aangezien we nog niet in de fase van een mogelijke exploitatie zitten. Dat neemt echter niet weg dat milieu- en veiligheidsaspecten essentieel zijn. Die aandachtspunten zullen nadrukkelijk aan bod moeten komen zodra een eventuele exploitatie wordt overwogen, bij voorkeur in een Europees kader.

 

Zoals bij elke ondergrondse activiteit zijn er potentiële risico’s, onder meer op het vlak van boorveiligheid, gasbeheer en grondwaterbescherming. In vergelijking met fossiele brandstoffen gaat het echter niet om risico’s van grootschalige vervuiling of van directe CO2-uitstoten. De grootste onzekerheid zit vandaag vooral in het gebrek aan kennis. Het onderzoeksprogramma heeft precies dat doel, namelijk een solide wetenschappelijke basis creëren inzake het potentieel, de vorming en de migratie van natuurlijke waterstof in de Belgische ondergrond. Pas op basis daarvan kan op een verantwoorde manier worden nagedacht over een eventueel beleid of over volgende industriële stappen.

 

In dit stadium kunnen we geen uitspraak doen over exploitatie, timing, of economische valorisatie. Laat ik daarover heel duidelijk zijn. Witte waterstof is vandaag geen zekerheid, maar wel een piste die verdient ernstig en met een wetenschappelijke onderbouwing te worden onderzocht. We staan voor de opdracht een robuuste energiemix uit te bouwen waarin verschillende vormen van waterstof een plaats kunnen krijgen. Dit onderzoek is dus geen sprong in het duister, maar een weloverwogen investering in kennis en strategische autonomie.

 

Ik hoop dan ook dat u, waarde volksvertegenwoordigers, die aanpak wil steunen, zodat België voorbereid is op alle realistische opties voor zijn energietoekomst.

 

Je dois dire que depuis que ce point a été approuvé par le gouvernement, j'ai rarement vu autant d'entreprises de type industriel mais aussi de recherche – parfois les deux vont ensemble – s'intéresser au sous-sol belge et me dire qu'elles avaient des informations.

 

Je ne suis pas scientifique – j'ai eu le plaisir pendant 35 ans d'être avocat – mais je trouve ce dossier passionnant, et je me demande quand même pourquoi tant de personnes disposant d'informations ne les ont pas communiquées plus rapidement. On aura peut-être de l'or blanc, comme l'ont appelé certains, dans le sous-sol. Ce que je sais, c'est que si on ne cherche pas, on ne le trouvera pas. Je trouve que, trop souvent, les femmes et les hommes politiques sont critiqués pour des positionnements d'attente ou des pas qu'ils ne posent pas. Je préfère, dans mon cas, faire le pas, en espérant que, s'il y a quelque chose un jour, on se dira que notre génération y a contribué aussi.

 

04.06  Kurt Ravyts (VB): Ik dank u voor het uitgebreide antwoord, mijnheer de minister.

 

Ik ben het eens met uw anticiperende aanpak. We moeten dat onderzoeksprogramma opstarten. Als er voorraden zouden zijn, kan de bevoorrading van bepaalde industriële clusters eventueel op termijn worden aangevuld.

 

Mijnheer Van Lysebettens, ik was verrast dat over de steenkoolbekkens begon. U verwees naar wat de minister heeft gezegd. Bent u al in Frans Lotharingen geweest? In Metz zijn er oude steenkoolbekkens. Ik ga ervan uit dat de minister daarnaar verwees. Ik vond dat dus een logische uitspraak.

 

04.07  Marc Lejeune (Les Engagés): Monsieur le ministre, nous soutenons évidemment à 100 % votre programme de recherche, avec l’espoir d’aboutissement et de découvertes.

 

Vous l’avez dit, c’est une piste qui doit absolument être analysée de façon scientifique. Vous êtes un homme pragmatique. Nous ne doutons pas que les choses seront faites avec sérieux et avec toute l’énergie voulue.

 

Nous sommes ici en commission de l’Énergie; alors c’est évidemment une nouvelle qui nous interpelle et qui nous intéresse tous. Si une ressource d’énergie nouvelle était découverte pour notre pays, ce serait bénéfique à toute notre société.

 

Vous avez le soutien total de notre équipe. Vous le saviez déjà, mais nous vous le répétons. Merci beaucoup.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, voor het geval u eraan zou twijfelen, u hebt de volledige steun van uw fractie. Dat is altijd mooi meegenomen.

 

04.08  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer Ravyts, ik maakte die opmerking omdat die steenkoolmijnen zich in totaal andere geologische lagen bevinden dan waar men nu waterstof heeft gevonden. Op basis daarvan zeggen dat men ook in België waterstof zou kunnen vinden… Men kan evengoed zeggen dat er gras groeit in onze steelkoonbekkens, aangezien dat ook het geval is in Lotharingen. Dat argument snijdt geen hout.

 

Mijnheer de minister, de Geologische Dienst van België zou een opdracht hebben gekregen om dat overal in België te onderzoeken, maar men zou nog geen methode hebben. U zegt enerzijds dat het geen sprong in het duister is, maar anderzijds ook dat het op niks kan uitdraaien. Het is misschien geen sprong in het duister, maar wel potentieel een sprong in het diepe. Mijn grootste probleem daarmee is dat u de financiering haalt uit de ETS-middelen. Ik heb in de plenaire vergadering gezegd dat u die moest gebruiken, maar ik denk dat we vandaag voor een energiecrisis staan waarbij we op korte termijn met die ETS-middelen veel meer inspanningen kunnen doen die rechtstreeks en bewezen effect hebben voor onze industrie dan dit onderzoek te financieren. Dat betekent niet dat ik tegen het onderzoek ben. Ik vind dat het moet gebeuren, maar die ETS-middelen kunnen vandaag beter worden ingezet om onze industrie direct te vergroenen. Dat is mijn grootste kritiek op dat hele voorstel.

 

04.09  Oskar Seuntjens (Vooruit): Onze fractie is iets minder kritisch en dat heeft niet alleen te maken met het feit dat we in de meerderheid zitten en niet in de oppositie. Ik zou ontzettend onnozel zijn om indicaties van een potentieel gigantische energiebron die in onze grond zit niet meteen te onderzoeken of we er iets mee kunnen doen en hoe we die kunnen inzetten in de industrie.

 

Deze regering heeft meer dan een miljard voorzien aan steun voor de industrie. Die witte waterstof zou een gigantische troef kunnen zijn voor de industrie, indien ze aanwezig zou zijn. Men kan heel kritisch zijn en zeggen dat het een sprong in het diepe is. Dat is mogelijk, maar ik denk dat we in plaats daarvan niet dogmatisch moeten zijn en dat we vandaag elke mogelijke opportuniteit moeten aanboren die we kunnen vinden om ons minder strategisch afhankelijk te maken en te diversifiëren, zoals mensen dat noemen. Dus naast de onverwachte steun van de fractie van Les Engagés, hebt u ook de steun van de Vooruitfractie daarvoor.

 

De voorzitter: Is dat niet mooi? Afsluiten met een beetje voluntarisme.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de Marc Lejeune à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'interdiction d’exporter les déchets plastiques et la capacité de la Belgique pour absorber le choc" (56014644C)

05 Vraag van Marc Lejeune aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Het verbod op de export van plastic afval en de capaciteit van België om de schok op te vangen" (56014644C)

 

05.01  Marc Lejeune (Les Engagés): Monsieur le ministre, l'Union européenne a récemment décidé de durcir les règles en matière d'exportation de déchets, avec l'interdiction progressive d'exporter des déchets plastiques vers des pays hors OCDE. L'objectif est clair et légitime: mettre fin à l'exportation de nos déchets vers des pays qui ne disposent pas toujours des capacités de traitement adéquates, renforcer notre économie circulaire et réduire notre dépendance aux matières premières vierges.

 

Mais derrière cette ambition, une difficulté très concrète apparaît: aujourd'hui, une part importante de nos déchets plastiques, en particulier industriels, est encore exportée faute de capacités suffisantes en Europe. Des acteurs comme Valipac alertent déjà sur le risque réel de voir s'accumuler des volumes importants de déchets qui ne pourraient pas être recyclés localement, avec à la clé davantage d'incinérations et une pression accrue sur toute la chaîne de traitement. Autrement dit, une mesure vertueuse sur le plan environnemental pourrait, faute d'anticipation, produire des effets contraires à ses objectifs.

 

Monsieur le ministre, la Belgique dispose-t-elle aujourd'hui d'une capacité suffisante pour absorber, sur son territoire ou à l'échelle européenne, les volumes supplémentaires de déchets plastiques qui ne pourront plus être exportés hors OCDE? Quelles mesures concrètes le gouvernement entend-il prendre pour soutenir le développement rapide de capacités de recyclage en Belgique, notamment pour les plastiques industriels aujourd'hui peu valorisés? Enfin, comment le gouvernement compte-t-il éviter un effet pervers de cette réforme, à savoir une augmentation du recours à l'incinération – ce qui serait contraire à l'objectif recherché – faute de solutions de recyclage suffisantes à court terme?

 

05.02  Jean-Luc Crucke, ministre: Cher collègue, j'attire votre attention sur le fait qu'en Belgique, la gestion des déchets et la politique de recyclage relèvent des compétences des régions. Je dois donc vous inviter à interroger par collègues interposés les ministres régionaux compétents à ce sujet.

 

Cela étant dit, votre question soulève des enjeux importants qui dépassent la seule capacité de traitement. D'une part, la question de l'exportation des déchets plastiques pose un véritable enjeu éthique. L'exportation vers des pays tiers, même lorsqu'elle est encadrée, ne peut constituer une solution structurelle. Elle interroge notre responsabilité collective quant à la gestion de nos propres déchets et aux impacts environnementaux et sanitaires dans les pays de destination. Je peux d'ailleurs vous renvoyer vers un arrêt très récent de la Cour constitutionnelle qui est exemplaire, à mon sens, en termes de responsabilité pour un État qui exporte des déchets qui ne sont pas – et c'est le moins qu'on puisse dire – propres. D'autre part, cette évolution met en lumière la nécessité de réduire à la source notre consommation de plastique. Le développement d'une économie circulaire passe avant tout par la prévention, la réutilisation et l'éco-conception afin de limiter les volumes de déchets générés.

 

Par ailleurs, au niveau fédéral, nous contribuons à cet objectif à travers différentes compétences, notamment en matière de normes de produits mis sur le marché et de soutien à la transition vers des modèles plus durables. Ces leviers sont essentiels pour accompagner la réduction des déchets plastiques en amont et soutenir une gestion plus responsable à l'échelle nationale et européenne.

 

Enfin, cette situation montre à quel point la problématique des déchets plastiques est mondiale, requérant une solution mondiale. Je vous rappelle dans ce cadre que des négociations pour un traité mondial sur la pollution plastique sont en cours. Je les considère comme prioritaires et plaide pour qu'elles aboutissent à un traité ambitieux couvrant l'ensemble du cycle de vie du plastique, pour que ce traité soit fondé sur des principes importants tels que le principe du pollueur-payeur, le principe de précaution, la hiérarchie des déchets et l'importance d'une transition juste, et en même temps pour que ce traité soit effectivement global, afin de garantir des conditions équitables pour les acteurs industriels belges.

 

Je défends également la suppression progressive des produits chimiques préoccupants et des produits plastiques problématiques, ainsi qu’une interdiction d’importation et d’exportation des produits interdits par le traité. Ceci, afin d’assurer qu’il y ait, dans le futur, je l’espère, une solution mondiale à la situation préoccupante de la pollution plastique.

 

05.03  Marc Lejeune (Les Engagés): Comme vous l’avez dit, monsieur le ministre, il s’agit à la fois d’un enjeu éthique et de notre responsabilité collective. Nos bords de routes sont jonchés de plastique et un continent de plastique flotte sur nos mers. J’apprécie donc votre réponse. Il s’agit d’un problème mondial, mais nous devons nous montrer ambitieux – et nous le serons certainement – pour améliorer la vie sur Terre.

 

Comme vous l’avez dit, la première mesure est de ne pas produire un déchet. Il faut donc travailler sur l’économie circulaire, et travailler à la source afin d’utiliser moins de plastique dans nos modes de consommation et de vie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de Anthony Dufrane à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Les contrôles EUTR sur le commerce du bois" (56014852C)

06 Vraag van Anthony Dufrane aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De EUTR-controles op de houthandel" (56014852C)

 

06.01  Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, le SPF Santé publique a tout récemment publié les chiffres des contrôles 2025 sur le commerce du bois au regard du règlement européen EUTR. Sur 74 dossiers traités, 67 ont révélé une non-conformité, soit un taux de 90 % de non-conformité. Cinquante-cinq procès-verbaux ont été dressés. Les manquements concernent principalement la traçabilité de l'origine, l'identification des essences et l'évaluation des risques. Les produits les plus touchés sont les meubles et le papier, secteurs où les déclarations erronées sont les plus fréquentes.

 

Ces chiffres interpellent d'autant plus que le règlement EUTR est en vigueur depuis 2013 et que son successeur, l'EUDR, s'appliquera dès fin 2026. Au-delà des enjeux environnementaux, la présence de bois mal identifié dans des produits de consommation courante soulève des questions légitimes sur les risques sanitaires pour les citoyens.

 

Monsieur le ministre, sur quelle base les contrôles sont-ils ciblés? Quels secteurs, pays d'origine et types de produits font-ils l'objet d'une attention particulière, et comment ce ciblage a-t-il évolué depuis l'extension des contrôles aux meubles et au papier en 2024?

 

Quelles non-conformités sont-elles le plus fréquemment constatées? Des essences protégées ou interdites ont-elles été identifiées lors des analyses en laboratoire? Des retraits de marché ont-ils été ordonnés?

 

Des bois dont l'essence est mal déclarée peuvent contenir des traitements chimiques non autorisés. Des analyses toxicologiques sont-elles réalisées en complément de l'identification des espèces? Des risques pour la santé des consommateurs ont-ils été détectés par le SPF?

 

Quels moyens humains et budgétaires supplémentaires le plan d'action lancé en début 2026 mobilise-t-il? Comment la transition vers l'EUDR est-elle anticipée pour éviter un nouveau pic de non-conformités?

 

Je vous remercie d’avance, monsieur le ministre.

 

06.02  Jean-Luc Crucke, ministre: Je vous remercie, cher collègue.

 

Dans le cadre du plan Inspection que je porte, la Direction générale Environnement du SPF Santé publique a effectivement engagé quatre équivalents temps plein afin de renforcer son service d’inspection et de se préparer activement à la mise en œuvre du règlement européen sur la déforestation, dénommé EUDR.

 

Les contrôles sont ciblés sur la base d’une analyse de risque réalisée chaque année par le service d’inspection de la DG Environnement du SPF Santé publique, conformément au règlement EUTR sur le bois, en particulier à l’article 10. Cette analyse vise avant tout à identifier les pays présentant un risque accru de déforestation illégale. Cette évaluation se fonde notamment sur l’indice de perception de la corruption et sur l’Environmental Performance Index. Sur cette base, les contrôles ciblent ensuite les opérateurs qui importent des volumes significatifs de produits provenant de ces pays. Certains types de produits font également l’objet d’une attention particulière en raison de la complexité de leur traçabilité, ce qui augmente le risque de non-conformité, comme c’est le cas des meubles ou du papier fabriqué à partir de plusieurs essences de bois.

 

Cette approche ciblée permet de concentrer l’action publique là où elle est la plus efficace et d’adapter l’inspection aux réalités du commerce international. Elle permet également d’éviter de contrôler finalement des opérateurs pour lesquels le risque est moindre et qui se sentiraient, à juste titre, pourchassés. À titre d’exemple, certains pays tels que le Brésil, la Chine ou le Cameroun sont identifiés chaque année comme présentant un niveau de risque plus élevé, en raison des volumes importés en Belgique et des risques de déforestation illégale associés. D’autres pays, comme l’Ukraine, l’Argentine ou le Suriname, présentent un profil de risque plus faible, soit en raison de volumes d’importation plus limités, soit en raison d’un risque moindre de déforestation illégale. Ils ne sont dès lors pas nécessairement repris chaque année parmi les pays faisant l’objet d’une attention prioritaire dans le cadre des inspections.

 

Les constatations de non-conformité portent sur des éléments spécifiques des dossiers exigés par la réglementation EUTR, tels que l’existence ou non d’une procédure interne de diligence raisonnée EUTR, l’absence ou l’application insuffisante de cette procédure interne aux envois spécifiques, par exemple une collecte insuffisante d’informations, une évaluation et une atténuation des risques insuffisantes, ou encore une description incorrecte des essences de bois.

 

Si, au cours de l'inspection et des opérations d'échantillonnage, les inspecteurs en charge des dossiers EUTR constatent l'utilisation d'une essence protégée ou interdite dans la fabrication d'un produit, ceux-ci en informent leurs collègues en charge des inspections CITES. À l'heure actuelle, cette situation ne s'est présentée que de manière sporadique.

 

À noter toutefois que le règlement ne prévoit aucune compétence en matière de contrôle du niveau de toxicité des produits. Par conséquent, aucune analyse toxicologique n'a été effectuée. Les experts et les inspecteurs du SPF Santé publique constatent par ailleurs que la majorité de ces infractions sont de nature essentiellement administrative et traduisent une connaissance encore incomplète de certaines entreprises quant à leurs obligations réglementaires, en particulier dans les secteurs du meuble et du papier.

 

Je tiens à souligner que le fait que la plupart des infractions soient de nature administrative ne signifie néanmoins pas qu'aucun bois illégal n'est mis sur le marché. Ce constat met en évidence la nécessité d'agir non seulement par le contrôle mais également par un accompagnement renforcé des opérateurs. Ces actions sont d'autant plus nécessaires que les obligations légales incombant à ces professionnels vont se renforcer sensiblement avec l'entrée en vigueur du règlement EUDR sur la déforestation.

 

Afin d'éviter de nouveaux pics de non-conformité, l'action de la DG Environnement du SPF Santé publique s'inscrit dans une approche plus large, proactive et partenariale de mise en œuvre du règlement EUDR. Dans ce cadre, une communication active est menée, notamment via les réseaux sociaux, afin de sensibiliser et d'informer le plus largement possible les acteurs concernés par ce nouveau cadre réglementaire.

 

Parallèlement, la DG Environnement encourage une collaboration étroite avec les fédérations des secteurs concernés afin de diffuser l'information, d'anticiper les difficultés et de favoriser une appropriation progressive des nouvelles obligations.

 

En complément de ces actions de communication et d'accompagnement, la DG Environnement mène actuellement des dry runs, à savoir des contrôles préparatoires réalisés avec des entreprises volontaires. Ces exercices visent à tester concrètement l'application du règlement, à identifier les principales difficultés opérationnelles et à élaborer des documents d'aide destinés aux entreprises afin de soutenir une mise en conformité effective et proportionnée avec l'EUDR.

 

Comme vous l'avez compris, même si le taux élevé d'infractions est ce qu'il est, il doit pouvoir être bien compris et étudié. Il y a aussi tout un pan de collaboration avec les entreprises mené par l'inspection de manière à nous préparer à l'EUDR. Pouvoir certifier que les produits sont parfaitement en conformité avec les réglementations, c'est aussi ce qui fait la crédibilité des entreprises. C'est ainsi qu'on gagne la confiance des clients à l'intérieur comme à l'extérieur.

 

06.03  Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, je tiens à vous remercier pour vos réponses et, surtout, pour les clarifications apportées concernant les différents contrôles et les risques sanitaires liés au bois.

 

Les meubles et les biens produits peuvent paraître inoffensifs, mais ils peuvent dégager des émanations toxiques à long terme. Pour la santé de toutes et tous, il est essentiel de s’y intéresser. Il est également important de s’assurer que les bois importés respectent les normes de conformité, de concentrer les contrôles sur les pays de provenance les plus à risque et d’accompagner ainsi que d’informer les acteurs concernés, comme vous le prévoyez.

 

Pour conclure, je tiens à vous remercier pour votre implication dans ce dossier. Je constate en effet que vous l’avez pris en main. Je vous remercie pour le bon suivi.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de Éric Thiébaut à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Le plan social pour le climat" (56015086C)

07 Vraag van Éric Thiébaut aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Het sociaal klimaatplan" (56015086C)

 

07.01  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, pour atteindre ses objectifs climatiques, l'Union européenne mettra en place à partir de 2028 un nouveau marché du carbone dans des secteurs comme le bâtiment, les transports et les petites industries. Ce nouveau mécanisme, dit ETS2 – qui a déjà été évoqué plusieurs fois dans diverses discussions en commission –, entraînera une hausse du prix des combustibles fossiles. Heureusement, un Fonds social pour le climat a été créé pour aider les ménages vulnérables et les micro-entreprises à réaliser cette transition.

 

En octobre 2025, une clé de répartition intra-belge a été fixée. Le gouvernement fédéral recevra 13 % des moyens, soit environ 217 millions d'euros. Deux tiers seront destinés à des mesures visant les ménages et un tiers pour les microentreprises vulnérables. Dans un premier temps, vous aviez annoncé que les mesures seraient soumises à la Commission européenne pour le 30 juin 2025, comme c'était notamment repris dans votre note de politique d'avril 2025. Aux dernières nouvelles – et je me réfère à la discussion de votre note de politique 2026 du 3 février 2026 en commission du Climat –, vous ne pouviez pas encore annoncer la finalisation des mesures fédérales et vous affirmiez que celles-ci relèvent des compétences des ministres en charge des Finances et des PME.

 

Monsieur le ministre, quelles sont désormais les mesures prévues pour les ménages et les micro-entreprises vulnérables dans le cadre du plan social pour le climat? Où en est le dossier?

 

07.02  Jean-Luc Crucke, ministre: Cher collègue, les faits tels que vous les résumez sont parfaitement corrects. Les mesures fédérales ont été conçues pour accompagner les instruments et les investissements régionaux. L’objectif est toujours de garantir, grâce à la complémentarité des mesures qui se renforcent mutuellement, un soutien maximal aux ménages vulnérables et aux micro-entreprises. C’est pourquoi il a été décidé au niveau fédéral de miser principalement sur des mesures fiscales. Celles-ci peuvent avoir un effet de soutien pour les revenus du groupe cible ou, combinées à des primes régionales ou à des prêts sans intérêts, peuvent créer une marge budgétaire permettant au groupe cible d’investir dans des applications énergétiquement efficaces ou renouvelables, ce qui n’a jamais été aussi nécessaire qu’aujourd’hui.

 

En raison de contraintes liées à la mise en œuvre ou au suivi, plusieurs pistes ont jusqu’à présent été étudiées mais ont ensuite été abandonnées. Les deux mesures ci-dessous sont à l’étude et doivent encore être confirmées par le Conseil des ministres.

 

Dans le cas des ménages vulnérables, il s’agit actuellement d’une réduction partielle des accises sur l’électricité. Une telle réduction des accises s’inscrit dans la ligne des ambitions du gouvernement. Les ressources du Fonds social pour le climat permettent de réduire davantage les accises pour les ramener au niveau minimum de un euro par mégawatt, prévu par la directive européenne sur la taxation de l’énergie dont nous reparlerons ultérieurement. La réduction des accises s’appliquera au groupe cible éligible au tarif social de l’énergie qui, étant donné qu’il s’agit d’un indicateur largement basé sur le revenu, permet d’estimer le nombre de ménages vulnérables à l’impact sur les prix de l'ETS2. Ceci est chose acquise.

 

Pour les micro-entreprises, les travaux sont moins avancés en raison des contraintes techniques liées à l’identification correcte des micro-entreprises et des secteurs, ainsi qu’à la vérifiabilité à l’aide des données disponibles. Là encore, la piste d’une réduction des accises sur l’électricité est étudiée en détail, avec une éventuelle inclusion des secteurs vulnérables. D’autres pistes ont également été étudiées mais ont été abandonnées.

 

Où en est le dossier? Toutes les entités souhaitent que le plan soit soumis et validé dans les meilleurs délais, car plusieurs mesures sont déjà entrées ou entreront prochainement en vigueur afin d'atténuer l'impact sur les groupes cibles vulnérables. Le calendrier prévisionnel actuel tente une approbation du plan complet par le Comité de concertation pour le 19 mai 2026 et une soumission via la plateforme de la Commission européenne au cours du mois de juin, mais cette date – chat échaudé craint l'eau froide – est indicative. Au sein de la Commission nationale Climat, d'importants progrès ont été enregistrés dans l'élaboration du plan, entre autres depuis la désignation du SPF BOSA comme autorité nationale compétente.

 

Néanmoins, plusieurs obstacles subsistent en ce qui concerne les mesures et leur analyse d'impact obligatoire. Au plan fédéral, comme je l'ai dit, la mesure relative aux ménages est pratiquement au point, mais d'importantes questions subsistent quant à celle qui porte sur les micro-entreprises. À l'échelle flamande et wallonne, des dispositions ont été approuvées par les gouvernements respectifs. Toutefois, certaines d'entre elles présentent encore des lacunes qui empêchent leur intégration complète dans le plan. En raison de la récente formation du gouvernement bruxellois, aucune décision n'a encore été prise concernant des mesures. À tous les niveaux, une concertation régulière a lieu avec la Commission européenne, qui souhaite examiner de la manière la plus exhaustive possible la faisabilité, la budgétisation et le suivi de toutes les mesures au cours de cette phase préparatoire afin de pouvoir garantir ensuite une validation rapide du plan. Le mapping des instruments existants, une architecture de gouvernance et les outils de communication sont finalisés ou ont bien avancé.

 

Après la soumission, la Commission dispose de deux mois pour adresser une lettre d'observation à notre pays, qui est ensuite tenu d'intégrer autant que possible dans le plan les remarques et les observations formulées. L'ensemble du processus de validation dure au maximum cinq mois. Cela devrait permettre un démarrage en janvier 2027.

 

07.03  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, merci beaucoup pour cette réponse très détaillée.

 

Nous pouvons espérer une finalisation de ce dossier autour du mois de mai ou de juin, si je comprends bien. Je suppose que vous nous tiendrez au courant.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 56013876C van de heer Coenegrachts wordt uitgesteld.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.27 uur.

La réunion publique de commission est levée à 15 h 27.