|
Commissie voor Financiën en Begroting |
Commission
des Finances et du Budget |
|
van Woensdag 25 maart 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 25 mars 2026 Après-midi ______ |
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 01 et présidée par M. Xavier Dubois.
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.01 uur en voorgezeten door de heer Xavier Dubois.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
01.01 Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, deze vraag betreft een concreet voorbeeld dat ik van een burger heb gekregen. Ik wil graag weten of de informatie klopt.
Ik krijg eigenlijk van veel burgers signalen dat de fiscus strenge procedures toepast. Dat is op zich geen enkel probleem, want het is de rol van de fiscus om streng te zijn, maar het blijkt daarbij om zeer kleine bedragen te gaan.
Ik geef u het voorbeeld dat ik heb gekregen van een burger. Hij ontving recent een bericht van wijziging voor een correctie van amper 60 euro op de belastbare basis. Dat betekent in de praktijk dat het niet gaat om 60 euro in de kas van de overheid, maar om een kleiner bedrag, waarschijnlijk ongeveer 25 à 30 euro.
Daarover vraag ik me af of dat kostenefficiënt is. Voor een zelfstandige betekent dat soms een tot twee uur verloren tijd, omdat die zelfstandige iemand moet bellen en daar soms zelfs een bezwaar tegen indient. Zodoende gaan voor die zelfstandige twee uur inkomsten verloren. Ook voor de fiscus kost dat geld.
Ik stel mij dus vragen bij de proportionaliteit van die werkwijze. Uw administratie heeft in zulke gevallen een dossier geopend, een gemotiveerd bericht opgesteld, dat aangetekend verstuurd, het antwoord verwerkt, en dat allemaal voor 25 of 30 euro.
Mijnheer de minister, hoeveel berichten van wijziging werden er het afgelopen aanslagjaar verstuurd naar burgers waarbij de uiteindelijke impact op het netto te betalen bedrag lager lag dan 100 euro?
Ten tweede, heeft uw administratie berekend wat de gemiddelde verwerkingskosten zijn, zoals personeelskosten, drukwerk en verzending, per verstuurd bericht van wijziging?
Ten derde, geeft u instructies om prioriteit te geven aan hogere bedragen, in plaats van aan dossiers van 30 euro?
01.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Bertrand, voor 21.453 dossiers inzake personenbelasting werd in 2025 een tweede of latere inkohiering vastgesteld. In die latere inkohiering kan er een suppletieve aanslag zijn, met uitsluiting van manuele inkohieringen, voor een te betalen bedrag tussen 0 en 100 euro, zoals u gevraagd hebt, naar aanleiding van een correctie of een controleprocedure.
Van die 21.453 dossiers waren er 519 voor het aanslagjaar 2022, 9.067 voor het aanslagjaar 2023, 10.869 voor het aanslagjaar 2024 en 998 voor het aanslagjaar 2025.
Om dat bovendien in perspectief te plaatsen: er zijn meer dan 7 miljoen aanslagbiljetten. Het gaat dus om 0,014 % van de dossiers.
Zoals u weet, hebben de fiscale ambtenaren een discretionaire appreciatiebevoegdheid bij het behandelen van hun dossiers. De geverifieerde dossiers vertrekken doorgaans van een risicoselectie die, naast globaliteit, proportionaliteit nastreeft tussen de ingezette middelen en de te verwachten resultaten. Het is niet wenselijk om de inkohiering van dossiers onder een drempel van 100 euro niet uit te voeren, omdat dat voorbijgaat aan de feitelijke elementen aanwezig in een individueel dossier dat desgevallend gecontroleerd kan worden voor meerdere aanslagjaren samen, en waarbij een inkohiering in voorkomend geval ook een impact kan hebben op toekomstige aanslagen.
Ik wil u wel meegeven dat deze regering de bijna automatische belastingverhoging van 10 % bij een controle heeft afgeschaft. Er kan dus een correctie zijn, maar in veel gevallen zal dat gebeuren zonder automatische sanctie.
Wat uw tweede vraag betreft, omdat ieder dossier specifiek is en een andere moeilijkheidsgraad heeft, wat een sterke invloed heeft op het aantal brieven en op de verwerkingstijd, is het niet mogelijk of redelijk om gemiddelde werkingskosten voor personeel, drukwerk en verzending mee te delen.
Uw derde vraag vind ik een interessant voorstel, dat ik nader zal onderzoeken. Maar, zoals ik zei, zo’n klein bedrag wordt dikwijls ook rechtgezet met het oog op de toekomstige dossiers. Het is dus genuanceerd.
01.03 Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Ik hoor wat u zegt, ook over de toekomst. Op zich kan ik dat allemaal volgen, maar ik vind het bijzonder inefficiënt. We hebben het in de commissie voor Financiën heel vaak over fraudebestrijding en u moet – misschien vergis ik mij, ik noem het getal uit het hoofd – daarmee 600 miljoen euro ophalen. Daarop moet de focus liggen. Dat betekent niet dat u alle kleine dossiers moet negeren. Dat beweer ik absoluut niet. De fiscus mag streng zijn, maar er moet wel een cost-benefit approach zijn. De fiscus besteedt nu immers tijd aan kleine dossiers.
Wat ik u nog niet heb verteld, is dat in het voorbeeld dat ik aanhaalde, die burger zijn case ook nog heeft gewonnen. Die mensen voelen zich zodanig getroffen en vinden een en ander echt niet correct. Hij heeft zijn zaak gewonnen. Hij heeft er waarschijnlijk twee uur tijd in gestoken en de fiscus nog meer. Vervolgens krijgt hij te horen dat zijn dossier in orde is.
Dat is dus gewoon inefficiënt. Zoals ook leden van andere partijen soms herhalen, we weten dat er voor miljoenen euro's gefraudeerd wordt. Ik zou dan ook liever hebben dat de fiscus daar zijn energie in steekt en daarin streng optreedt.
Misschien kan artificiële intelligentie daarmee in de toekomst helpen. Dat is zeker een mogelijke piste.
Als we al beperkt zijn inzake middelen en personeel, vind ik het nutteloos om iemand te achtervolgen voor 25 euro. Wij hebben al weinig middelen. Misschien kunt u zich dus focussen op grotere fraude.
Ik hoor dat u mijn derde vraag, namelijk of er instructies zijn gegeven, misschien wilt overwegen. Ik dank u daarvoor. Ik zal het wel horen in de toekomst.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De voorzitter: Aan de orde zijn vraag nr. 56013173C van de heer Freilich en interpellatie nr. 56000222I van de heer Keuten, maar beiden zijn afwezig.
02.01 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je souhaite revenir sur votre réponse à
ma question orale n° 5600900C, selon laquelle la position administrative
figurant au point 12/243 du Commentaire sur les conventions préventives de
double imposition ne serait plus applicable, au motif qu’une société de gestion
étrangère ne pourrait pas être considérée comme le bénéficiaire effectif des
droits d’auteur ou droits voisins perçus. Il en résulterait qu’une application
du taux conventionnel ne serait possible qu’à la condition d’obtenir une
attestation de résidence fiscale pour chacun des membres de ces organismes.
Face à cette position, quelques
clarifications s’imposent.
a) Les sociétés de gestion disposent de
prérogatives patrimoniales légales et agissent en qualité de propriétaires
fiduciaires, ou à tout le moins de mandataires fiduciaires, des droits
concernés. Elles négocient de manière autonome les conditions de rémunération,
déterminent librement les modalités et la périodicité des répartitions, et
financent leur fonctionnement via des retenues variables. Leur rentabilité est
directement liée aux intérêts économiques de leurs membres, et le risque de
non-perception repose entièrement sur elles.
b) Plusieurs États reconnaissent
explicitement la qualité de bénéficiaire effectif aux sociétés de gestion,
indépendamment de la redistribution ultérieure des droits. Citons par exemple
les décisions allemandes et italiennes, les directives de l’administration
fiscale polonaise ou encore la reconnaissance, par l’administration fiscale
américaine, du statut de bénéficiaire effectif.
c) Un sondage auprès des principaux
organismes étrangers montre que très peu de membres ne sont pas résidents
fiscaux de l’État d’établissement de la société de gestion. Et ceux qui ne le
sont pas bénéficient en règle d’une autre convention bilatérale. Le gain
financier potentiel pour la Belgique serait dès lors marginal, avec comme
corollaire un coût administratif additionnel considérable, puisque plus d’un
million de titulaires de droits seraient susceptibles d’introduire une demande
individuelle de réduction ou de remboursement du précompte mobilier.
Compte tenu de ce qui précède, pouvez-vous
confirmer le maintien de la position administrative antérieure, permettant
l’application du taux conventionnel aux sociétés de gestion étrangères, et
préciser que la réponse du 13 janvier 2026 ne constitue pas une
nouvelle ligne directrice?
02.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Piedboeuf, compte tenu des éléments complémentaires qui sont apparus depuis la précédente question parlementaire, et qui n'étaient pas encore connus à l'époque, je peux aujourd'hui compléter et affiner ma réponse.
Nous maintenons notre position de principe selon laquelle le commentaire sur les conventions préventives de double imposition n'est plus pertinent en ce sens qu'il repose sur un traitement transparent dans lequel les membres sont considérés comme les bénéficiaires effectifs tout en étant réputés résidents du pays de la société de gestion étrangère. Les précisions complémentaires permettent toutefois de conclure que les sociétés de gestion étrangères, elles-mêmes, peuvent être qualifiées de bénéficiaires effectifs. Cette position est également la plus pragmatique en ce qu'elle s'aligne sur celle des administrations étrangères et permet dès lors d'éviter une surcharge des services chargés du traitement des demandes de remboursement. Dans cette optique, nous confirmons la pratique administrative consistant à accorder l'exonération ou la réduction conventionnelle aux sociétés de gestion étrangères.
02.03 Benoît Piedboeuf (MR): Merci beaucoup, monsieur le ministre.
C'est évidemment avec beaucoup de satisfaction que j'entends votre réponse qui va vraiment simplifier la vie des sociétés de gestion. C'est une très bonne nouvelle, et je vous en remercie.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
03.01 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, plusieurs entreprises et conseillers
spécialisés en matière de recherche et développement ont récemment fait état
d’une évolution préoccupante dans l’interprétation administrative de la
dispense partielle de versement du précompte professionnel prévue à l’article
275/3 du Code des impôts sur les revenus 1992.
Lors de contrôles fiscaux récents, certains
agents du SPF Finances soutiendraient que, pour les entreprises visées à
l’article 275/3, §1er, alinéa 3 du CIR 92, seules les activités de
recherche et développement au sens strict pourraient être prises en compte dans
le calcul de la dispense, à l’exclusion de toute autre tâche liée aux projets
ou programmes de R&D, telles que le suivi, la planification,
l’organisation, l’ingénierie ou les activités de support.
Cette interprétation semble aller au-delà du
texte légal, ainsi que des positions administratives actuellement publiées par
le SPF Finances, et paraît difficilement conciliable avec les références
internationales en matière de R&D, notamment le Manuel de Frascati de
l’OCDE, qui reconnaît que des activités de soutien peuvent faire partie
intégrante d’un projet de recherche.
Une telle lecture restrictive est de nature
à réduire considérablement le champ d’application de la mesure, à remettre en
cause des pratiques établies de longue date et à créer une insécurité juridique
importante pour les entreprises concernées, alors même que le cadre légal n’a
pas été modifié.
Dès lors, je souhaiterais vous poser les
questions suivantes.
Pouvez-vous préciser la position du
gouvernement quant à l’interprétation de l’article 275/3 du CIR 92, et
indiquer si, pour l’application de cette disposition, les activités directement
liées et indissociables de projets ou programmes de recherche et développement
peuvent être prises en compte dans le calcul de la dispense, conformément à la
pratique administrative antérieure?
Afin de garantir la sécurité juridique des
entreprises actives en R&D, pouvez-vous indiquer si des instructions ont
récemment été données aux services de contrôle du SPF Finances à ce sujet et,
le cas échéant, si une clarification officielle de la position de
l’administration est envisagée, notamment par voie de circulaire ou de
communication formelle assurant une application uniforme de la mesure?
Je vous remercie de vos réponses.
03.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Piedboeuf, conformément aux dispositions légales, la dispense de versement du précompte professionnel pour la recherche et le développement réservée aux entreprises qui ne peuvent être qualifiées de young innovative companies vise exclusivement les chercheurs engagés dans des projets ou programmes de recherche ou de développement et qui sont détenteurs d'un des diplômes qualifiants.
Conformément aux dispositions exécutoires, sont considérés comme des chercheurs les scientifiques ou les ingénieurs travaillant à la conception ou la création de connaissances, produits, procédés, méthodes ou systèmes nouveaux.
Il résulte de ce qui précède que les travailleurs qui, notamment, travaillent en étroite collaboration avec ces chercheurs pour assurer le soutien technique indispensable aux travaux de recherche et développement expérimental ou qui ont en charge l'organisation, la coordination et la planification du projet dans ses aspects administratifs, juridiques, financiers et technologiques, ne peuvent ouvrir le droit à la dispense de versement du précompte professionnel pour ces entreprises.
L'attention est cependant attirée sur le fait que les dirigeants employés dans des projets ou programmes de recherche ou de développement qui disposent d'un diplôme éligible et qui répondent à la définition de chercheur, peuvent entrer en considération pour la mesure des dispenses. C'est le cas, par exemple, d'un manager de recherche et de développement qui établit les plans de contrôle des aspects scientifiques et techniques du projet de recherche ou de développement et qui contribue à la recherche et au développement par ses activités dirigeantes de coordination et d'encadrement, étant entendu que ledit manager doit disposer d'un diplôme éligible.
Pour répondre à votre deuxième question, les instructions adressées aux services de contrôle du SPF Finances concernant ce sujet sont à ce jour inchangées. Les services de contrôle agissent conformément aux positions exposées dans la circulaire AGFisc n° 17/2015 du 8 mai 2015. Ces positions respectent le principe développé dans la première réponse.
Je tiens encore à vous préciser, monsieur Piedboeuf, que je suis conscient de la problématique qui n'est évidemment pas nouvelle. Mon objectif est d'apporter davantage de sécurité juridique au cours de cette législature.
03.03 Benoît Piedboeuf (MR): Voilà qui est très clair, monsieur le ministre. Je vous remercie.
Le président: Il y avait donc deux questions sur le même sujet. On est bien d'accord.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Les questions jointes n° 56013289C de M. Vander Elst et n° 56014130C de Mme Huybrechts relatives aux taxes sur les billets d'avion sont reportées.
04.01 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, la Belgique dispose depuis 2003 d'une
mesure d'aide destinée à soutenir les investissements nationaux en recherche et
développement, qui consiste en une exonération partielle de précompte
professionnel pour les employeurs occupant des chercheurs et développeurs. Par
la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les
générations (M.B. 30 décembre 2005), l’exonération a été étendue à
deux nouvelles catégories de contribuables:
1) Les young innovative companies, qui
paient ou attribuent des rémunérations à leur personnel scientifique, employé
en tant que travailleur salarié au sein de ces sociétés;
2) Les "Entreprises" qui
paient ou attribuent des rémunérations à des chercheurs qui sont engagés dans
des projets ou programmes de recherche ou de développement et qui ont un
diplôme qualifiant.
La contradiction qui existe entre certaines
interprétations administratives et les textes officiels entraîne une insécurité
juridique pour de nombreux contribuables qui appliquent (ou souhaitent
appliquer) ce dispositif fiscal.
Pouvez-vous confirmer que les travailleurs
titulaires d’un diplôme qualifiant et effectivement employés dans un projet ou
programme de recherche ou de développement, qui apportent un soutien technique
à la recherche et au développement expérimental du projet ou programme ou qui
assurent l’organisation et la planification de ceux-ci sur le plan
technologique ou financier, peuvent être pris en compte pour l’application de
la dispense partielle de précompte professionnel?
Pouvez-vous confirmer également que les travailleurs titulaires d’un diplôme qualifiant et effectivement employés dans un projet ou programme de recherche ou de développement ne peuvent être exclus de l’application de la dispense partielle de précompte professionnel pour la seule raison du titre officiel de fonction mentionné dans le contrat de travail ou la structure organisationnelle, et qu’il est toujours tenu compte des tâches réellement exercées?
04.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Piedboeuf, le Code des impôts sur les revenus 1992 (CIR 1992) prévoit effectivement une dispense partielle de versement du précompte professionnel pour les young innovative companies, définies par ce Code, ainsi que pour les entreprises qui payent ou attribuent des rémunérations à des chercheurs qui sont engagés dans des projets ou programmes de recherche ou de développement et qui sont détenteurs d'un des diplômes qualifiants énumérés par ce Code.
Pour ce qui concerne les young innovative companies, la dispense de versement du précompte professionnel s'applique aux rémunérations payées ou attribuées au personnel scientifique. Ce personnel scientifique est constitué de chercheurs, de techniciens de recherche et de gestionnaires de projets de recherche et de développement, à l'exclusion du personnel administratif et commercial. Pour la définition de ces notions, je vous renvoie au CIR et à la circulaire administrative du 8 mai 2015 relative à cette problématique.
En revanche, pour les entreprises autres que les young innovative companies, la dispense de versement du précompte professionnel vise exclusivement les chercheurs engagés dans des projets ou programmes de recherche ou de développement et qui sont détenteurs d'un des diplômes qualifiants. Les rémunérations des techniciens de recherche et des gestionnaires de projets de recherche et de développement qui font l'objet de votre question ne sont pas visées par cette dispense.
Enfin, je peux vous confirmer que ce sont les tâches réellement effectuées par les travailleurs qui détermineront si ceux-ci peuvent être considérés comme des chercheurs ouvrant le droit à la dispense de versement du précompte professionnel qui leur est réservé.
04.03 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, merci beaucoup pour cet éclaircissement indispensable.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
05.01 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, la nécessité de revoir les quotas du
télétravail est régulièrement à l'ordre du jour en Benelux mais aussi avec la
France. On sait que l'initiative prise, de façon plus large, au niveau UE lors
de la présidence belge n'a pas abouti et que le sujet a été renvoyé à l'OCDE.
Mes questions:
1. Avez-vous un retour des avancées de
l'OCDE à ce sujet?
2. Pensez-vous avancer sur ce sujet
lors de la prochaine rencontre de La Gaichel prévue avec le Gouvernement
Luxembourgeois, quand on sait que les associations professionnelles et le
gouvernement luxembourgeois sont favorables à un extension à 1 jour par
semaine?
3. Quelle évolution vous semble
possible au niveau Benelux, le parlement Benelux s'étant prononcé également en
ce sens?
05.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Piedboeuf, ma réponse est malheureusement brève. Il n'y a pas encore de nouvelles de l'Organisation de coopération et de développement économiques (OCDE) à ce sujet. Comme vous le savez, nous sommes en concertation avec les pays voisins. Au final, il s'agit d'une question budgétaire pour tous les États concernés. J'espère donc qu'un renforcement au niveau du Benelux nous permettra également de trouver une solution.
05.03 Benoît Piedboeuf (MR): C'est en effet à ce niveau-là que l'effort doit se porter. Je crois que nous avons ensemble des habitudes de travail. Nous avons une vision assez proche. Je sens que le premier ministre est tout à fait orienté vers cette réflexion. Je vous remercie pour la réponse, en attendant que l'OCDE ait réfléchi davantage.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
06.01 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, on le sait, depuis le COVID, le
télétravail a connu une évolution importante, on connaît son intérêt dans la
mesure où il est bien cadré (réduction de la production de CO² lié à la
mobilité, souplesse dans l’organisation du travail,…).
On sait que les situations divergent d’un
pays à l’autre et que l’initiative prise par votre prédécesseur dans le cadre
de la présidence de l’UE par notre pays n’a pas pu aboutir et que la mission a
été confiée à l’OCDE.
Néanmoins, le parlement Bénélux a, à
plusieurs reprises, fait des recommandations pour la mise en œuvre d’un nombre
de jours de travail autorisés plafonnés à 48 jours.
Dans le cadre des relations entre Belgique
et Luxembourg, le chiffre était passé lors des accords de la Gaichel, de 24 à
34 jours. Le ministre luxembourgeois de l’Economie était initialement
réticent à une augmentation suite à une perte d’activités dans l’Horeca, les
commerces de détails,…etc tandis que le ministre luxembourgeois de la Mobilité
y était, lui, favorable. Des contacts que j’entretiens avec les organismes de
représentation des entreprises au Luxembourg, il ressort qu’il n’y a plus
d’objections et que tout le monde s’accorde sur un modèle de 25 % du temps
de travail (+/-48 jours).
Dans la perspective des prochaines
rencontres dites « de la Gaichel » entre nos gouvernements respectifs vous
serait-il possible de réaborder cette discussion?
Cette évolution permettrait d’établir un
cadre clair et définitif entre la Belgique et le Luxembourg (voir Pays-Bas) et
de donner l’impulsion à l’OCDE sur base des accords particuliers nés de l’UEBL.
Je vous remercie pour votre réponse.
06.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Piedboeuf, la problématique est connue. Des concertations ont déjà eu lieu entre les différentes administrations fiscales du Benelux. En définitive, la discussion se résume à une question budgétaire. En effet, c’est l’État d’emploi qui percevra l’impôt. L’augmentation du nombre de jours de télétravail a dès lors un impact budgétaire pour les États membres.
Je vous remercie toutefois pour vos suggestions et je continue à rechercher une solution avec mes deux collègues.
06.03 Benoît Piedboeuf (MR): Je vous remercie, monsieur le ministre.
En effet, depuis le début de ces problématiques, l’Union des Entreprises Luxembourgeoises s’est clairement prononcée en faveur du jour de télétravail par semaine. Le ministre de l’Économie luxembourgeois, qui était réticent au départ – parce que cela faisait perdre un peu d’argent aux commerçants et aux restaurants – y est désormais favorable. Nous avons donc, du côté grand-ducal, des signaux positifs tant en matière de finances, d’économie et, évidemment, de mobilité.
Je vous remercie dès lors de bien vouloir poursuivre ce travail en vue de la prochaine rencontre, qui devrait avoir lieu avant la fin de l’année.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
07.01 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, il arrive régulièrement que des
travailleurs frontaliers bénéficient d’un véhicule de société immatriculé au
Grand Duché de Luxembourg, la plupart du temps sans restriction par rapport à
l’utilisation privée. Dans ce cadre-là, sont autorisés de conduire le véhicule
en Belgique, le travailleur bien sûr mais également et exclusivement les
personnes domiciliées avec lui, s’il n’est pas dans le véhicule. Cependant
lorsqu’un couple est séparé ou divorcé et que les enfants sont domiciliés chez
l’ex-conjoint, ils se trouvent dans l’impossibilité d’utiliser le véhicule sous
peine d’amende et d’obligation de ré immatriculation du véhicule. Cette
situation n’existerait pas si les enfants étaient domiciliés avec lui. Il y a
là une discrimination de plus en plus fréquente compte tenu de l’augmentation
de séparations et de divorces.
Monsieur le ministre, est-il possible
d’envisager un traitement plus judicieux concernant ces enfants?
07.03 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, cela ne me pose aucun problème. Simplement, il s'agit en l'espèce de couples séparés dont les enfants sont domiciliés dans l'un des deux ménages. S'ils ne le sont pas chez le père, il leur est impossible de conduire le véhicule, alors qu'ils le pourraient normalement. Je vais donc me tourner vers le ministre de la Mobilité.
Merci, monsieur le ministre.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
08.01 François De Smet (DéFI): Au risque de couper le rythme, je vais me permettre de lire ma question, mais elle n'est pas très longue.
Monsieur le ministre, le lundi 23 février dernier, il a été annoncé que la suppression de l'allégement fiscal sur les allocations de chômage entrera en vigueur le 1er janvier 2026. Cette suppression aura pour conséquence une perte de 165 euros par mois pour les bénéficiaires. À ce jour, il semblerait que cela touche également les travailleuses et travailleurs des arts, déjà fragilisés par la réforme des pensions. Le nouveau calcul limitera la prise en compte de leur statut à 20 % de la carrière, soit au maximum 9 ans sur une carrière complète de 45 ans. Cette suppression sera un nouveau coup dur porté à ce secteur.
Monsieur le ministre, pouvez-vous me confirmer ou infirmer que les travailleurs de ce statut spécifique sont concernés par l'allégement fiscal et dans l'affirmative, pour quelles raisons?
08.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur De Smet, les allocations des travailleurs des arts sont des allocations de chômage telles que visées à l'article 146, 3e du Code des impôts sur les revenus 1992. Le projet de loi portant réforme de l'impôt des personnes physiques prévoit une diminution de la réduction d'impôt pour les allocations de chômage, donc aussi pour les allocations des travailleurs des arts, à partir de l'exercice d'imposition 2027, et la suppression de cette réduction d'impôt à partir de l'exercice d'imposition 2030. Les contribuables concernés bénéficieront toutefois aussi de l'augmentation de la quotité de revenu exemptée.
Comme mesure transitoire, le projet de loi prévoit la conservation dans son intégralité de la réduction ordinaire pour les contribuables isolés avec un ou deux enfants à charge. Pour les autres contribuables avec enfants à charge, la quotité exemptée est déjà assez élevée pour éviter une baisse forte pour les allocations les plus basses.
La perte de revenu net après impôt dépendra de plusieurs éléments tels que la hauteur des allocations, d'autres revenus imposables éventuels du travailleur des arts et sa situation familiale.
08.03 François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour les précisions apportées.
On en apprend donc un petit peu plus. Je crains, malgré les mesures transitoires que vous venez de décrire, que cela ne ravisse pas les travailleurs des arts.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: M. Coenegrachts n'étant pas présent, ses questions jointes n°s 56013649C et 56013682C sont sans objet. La question n° 56013655C de M. Daerden est reportée. M. Di Nunzio étant absent, sa question n° 56013697C est sans objet.
09.01 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, on essaie d’y voir un peu plus clair concernant la réforme de la TVA. Nous avons voté le budget en l’état la semaine passée, avec une colonne reprenant un montant de 475 millions de TVA, sans qu’aucune mesure ne soit prévue.
Le 4 mars, M. Bouchez a affirmé dans Het Laatste Nieuws que nous allions voter le budget de 2026 tel quel et que le reste serait discuté dans deux ou trois mois. Lors des discussions budgétaires, vous avez par contre indiqué qu’il fallait essayer de trouver au plus vite une mesure pour combler ce trou de 475 millions.
Monsieur le ministre, quelle est la position du gouvernement par rapport à ce manque de 475 millions de TVA? Est-ce celle de M. Bouchez, qui consiste à reporter la discussion à l’été, ou est-ce la vôtre, à savoir trouver une solution avant le 30 juin? Quelles sont les solutions actuellement sur la table? S’agit-il, par exemple, d’un relèvement du taux de TVA de 21 à 22 %, comme évoqué par Mme Van Peel, présidente de la N-VA, ou encore d’un passage de 6 à 9 %, également proposé par Mme Van Peel? Quelles autres pistes sont envisagées?
09.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur le président, c’est toujours une surprise avec le PTB. La même question a été envoyée par deux personnes et on ne sait jamais qui la posera. Aujourd’hui, il s’agit de Mme Merckx.
Madame Merckx, la discussion que vous mentionnez sera menée au sein du gouvernement lors du prochain contrôle budgétaire. Je renvoie à toutes mes autres réponses à ce sujet, tant lors des commissions précédentes, par exemple lors de l’examen de la note politique, que dans mes réponses en séance plénière. Ma réponse reste inchangée: une alternative devra être trouvée. Je ne vais pas anticiper toutes les alternatives possibles car, comme vous le dites, il y a plusieurs idées. Il appartient au gouvernement de trancher et de trouver la meilleure solution.
09.03 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, vous renvoyez au prochain contrôle budgétaire, mais cela fera l’objet d'une prochaine question. Quand allez-vous procéder à ce contrôle budgétaire? Cela reste un mystère. Nous essayons d’y voir clair, mais vous pourrez y répondre dans quelques instants.
Ce que je retiens en tout cas, c’est que vous êtes clair: ces 475 millions, vous comptez aller les chercher dans la poche des citoyens. Dans le contexte du prix de l’énergie – j’y reviendrai dans ma question suivante –, cela soulève de nombreuses interrogations.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
10.01 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Il est vrai que plusieurs députés du PTB ont déposé une question sur le même sujet. Cela ne sert à rien que nous venions tous ensemble. Cependant, pour toutes les questions traitées cet après-midi, le PTB est là et nous ne faisons pas faux bond, monsieur Jambon, même si l'annonce de cette séance de questions a été très tardive. J'avais d'ailleurs relevé lors de la Conférence des présidents que cela allait peut-être être un peu chaotique.
Monsieur le ministre, le débat est d'actualité. Les prix de l'énergie explosent. Le prix du litre du diesel est à 2,30 euros. Les gens sont très inquiets, car cela leur coûte très cher de faire le plein de leur voiture et leur facture de gaz augmente très fortement. Pour une famille, il s'agit d'une augmentation de 500 euros par an. Je n'ose même pas parler du prix de remplissage d'une cuve à mazout; heureusement que les températures sont un peu plus clémentes, car une famille qui doit le faire voit le coût augmenter d'un peu plus de 1 000 euros.
De nombreux gouvernements prennent des mesures, comme en Italie ou en Grèce par exemple, soit en diminuant les accises soit en bloquant le prix de l'essence. En Belgique, rien! Pire encore, et cela figure à la une de La Nouvelle Gazette d'aujourd'hui: M. De Wever dit qu'il ne fera pas de cadeaux. Il y a le prix de la guerre. La population voit les prix et les taxes augmenter. Et elle va douiller!
Monsieur le ministre, je ne comprends pas et les gens ne comprennent pas. Le gouvernement a la responsabilité de prendre des mesures. Allez-vous prendre des mesures fiscales pour alléger la facture des citoyens?
10.02 Niels Tas (Vooruit): Collega's, de analyse is vrij simpel. België produceert geen olie of gas en voor alle fossiele energie die we vandaag nodig hebben, hangen we af van het buitenland. Sinds extreemrechtse gekken, zoals Trump en Netanyahu, in het Midden-Oosten oorlog voeren, gaan de prijzen voor olie en gas door het dak. Dat laat zich direct voelen in de portemonnee van de mensen en in de facturen van onze ondernemingen. Er is eigenlijk maar één iemand die vandaag die oorlog kan stoppen en de energieprijzen opnieuw onder controle kan krijgen, en dat is Trump. Daarover moeten we elkaar geen blaasjes wijsmaken.
Vooruit wil ook dat we binnen onze mogelijkheden kijken naar wat we kunnen doen om de koopkracht van onze mensen en bedrijven te beschermen, maar we moeten daar ook eerlijk over zijn. Als klein land kan België deze hoge kosten niet alleen dragen. Daarvoor is samenwerking nodig, mogelijk ook binnen Europa. We kunnen niet tolereren dat, zelfs met deze begrotingscijfers, ons land geld zou verdienen op kap van onze economie en van de koopkracht van onze burgers.
Mijnheer de minister, ik heb daarom drie vragen voor u. Ten eerste, welke maatregelen wenst u te nemen om de koopkracht van de mensen te beschermen en de concurrentiekracht van onze bedrijven te verzekeren? Ten tweede, bent u bereid om de tijdelijke meeropbrengsten uit de btw op de prijzen aan de pomp te laten terugvloeien naar de consument? Tot slot, bent u bereid om op Europees niveau het voortouw te nemen om te bekijken of er via prijsregulering of op andere manieren gemeenschappelijke afspraken kunnen worden gemaakt?
10.03 Jan Jambon, ministre: Madame Merckx, monsieur Tas, comme indiqué dans mes réponses précédentes, ce n'est pas le moment de prendre des décisions précipitées. Actuellement, toutes les options sont étudiées avec l'administration et elles seront discutées au sein du gouvernement.
Nous avons organisé cette semaine un groupe de travail inter-cabinet (IKW) préparatoire sur différentes questions, à savoir les mesures qu'on pourrait éventuellement prendre, mais aussi la tool box que nous pourrions utiliser, le cas échéant, au niveau européen.
Voor aardgas bestaat er al een mechanisme om de prijzen te beschermen. Dat treedt in werking bij langdurig hoge prijzen. Mijn administratie heeft al onderzocht welke verbeteringen er eventueel kunnen worden aangebracht. Dat werd deze week besproken in de IKW. Voorlopig nemen we nog geen maatregelen, maar we volgen de zaak uiteraard op de voet op.
10.04 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, je trouve cela incroyable. L'Espagne, l'Italie, l'Autriche, la Hongrie, la Serbie, l'Allemagne, le Portugal prennent tous des mesures, qu'elles portent sur la diminution de la TVA ou des accises ou encore d'autres initiatives destinées à protéger la population. Et que fait-on en Belgique? On regarde, on fait du monitoring en demandant aux gens de ne pas paniquer. De surcroît, vous augmentez les accises sur le gaz et vous en êtes fier! Monsieur le ministre, c'est scandaleux! Comme M. Tas l'a clairement dit, avec la hausse des prix, vous bénéficiez d'une rentrée supplémentaire de la TVA. Quand le prix augmente, comme la TVA consiste en un pourcentage sur celui-ci, vous disposez d'une marge de manœuvre pour prendre des mesures.
La première chose que ce gouvernement doit accomplir est de tout faire pour arrêter la guerre, au lieu de s'y aventurer comme le souhaitent MM. Francken et Bouchez. La deuxième est, bien entendu, de protéger sa population des effets de la guerre. Or je constate que ce gouvernement souhaite apparemment envoyer la facture aux ménages.
Je
tenais aussi à dénoncer l'hypocrisie du MR, qui nous donnait la leçon lors de
la plénière de jeudi dernier en clamant qu'il allait diminuer les accises et
instaurer le cliquet inversé, ainsi que l'annonçait M. Bouchez sur tous
les réseaux sociaux, et alors même que nous ne voyons rien venir aujourd'hui.
Rien du tout, hormis une facture que les gens doivent payer. Si c'est votre
manière de faire de la politique, je trouve cela honteux. Faites ce que vous dites!
10.05 Niels Tas (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, de duurzaamste en eenvoudigste oplossing is ervoor te zorgen dat we steeds minder afhankelijk worden van het buitenland voor onze energiebevoorrading. Op dat vlak hebben we nog een hele weg te gaan en moeten we een aantal versnellingen hoger schakelen op het pad naar duurzame energie.
Op korte termijn zullen wij met Vooruit binnen de regering blijven strijden voor eerlijke belastingen en voor een sterke overheid in tijden van energiecrisis. Belangrijk daarbij is uiteraard dat wij ook de index blijven beschermen, want dat is de enige manier om de hoge prijzen van Trump en Poetin te bestrijden en de koopkracht van de mensen maximaal te beschermen. Wij zullen daaraan binnen de regering samen voortwerken.
Beste vrienden van de PVDA, het is echter ook belangrijk dat wij daarover eerlijk zijn. Wij hebben de cijfers van het Monitoringcomité deze week duidelijk gekregen. We kunnen hier vandaag niet met miljarden gaan zwaaien, want die hebben we simpelweg niet. Wij mogen de mensen ook geen blaasjes wijsmaken. Laten we dus stappen zetten die binnen onze mogelijkheden liggen.
Die strijd zullen wij binnen de regering met Vooruit absoluut voeren, voor de koopkracht van onze mensen maar uiteraard ook voor onze eigen economie en voor onze bedrijven, want ze staan nu en de komende maanden voor een gigantische onzekerheid.
Laten we hopen dat extreemrechtse figuren zoals Trump snel tot inzicht komen en de huidige oorlog snel stoppen, want daarin vallen alleen maar slachtoffers.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
11.01 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, le Comité de monitoring a publié son rapport. Je pense que le premier ministre a déjà pu réagir à ce sujet.
Le bulletin délivré par le Comité de monitoring n’est pas très positif: le déficit augmente et les chiffres ne sont pas bons du tout. Il faut également rappeler que l’avis du Comité repose sur une situation antérieure au déclenchement du conflit dans le Golfe, dont nous constatons aussi les effets.
Un certain nombre de propositions voient le jour. Par exemple, le Voka a avancé hier l’idée d’un saut d’index, ce qui rendrait la situation encore plus difficile pour la population. Parallèlement, M. Van Peteghem évoque la nécessité d’un effort supplémentaire de 1,4 milliard d’euros pour 2026.
Monsieur le ministre, quand ce gouvernement procédera‑t‑il au contrôle budgétaire et à un éventuel ajustement? À quel moment pouvons-nous nous attendre à ce travail et quel en sera le calendrier? Confirmez‑vous, comme l’indique M. Van Peteghem, qu’un effort supplémentaire de 1,4 milliard d'euros sera nécessaire en 2026? Ce montant inclut‑il les 475 millions d'euros manquants liés à la réforme de la TVA? Enfin, au vu de la crise qui s’annonce avec la guerre en Iran, quelle est la position du gouvernement face à l'idée d'un saut d'index proposée par le Voka?
11.02 Jan Jambon, ministre: Le rapport du Comité de monitoring est conforme aux attentes, après les chiffres que nous avions déjà reçus ces dernières semaines, notamment du Bureau du Plan et de la Banque nationale. En ce qui concerne le calcul de M. Van Peteghem, celui-ci inclut les deux mesures TVA qui ont été retirées.
Aussi, comme je l'ai déjà exprimé dans cette commission à plusieurs reprises, concernant les accises sur le gaz, la ligne dans le budget est trop élevée, il y a donc là une erreur de calcul. De même pour la taxe avion. Mais, avec ces quatre mesures ensemble, on n'arrive pas encore à 1,2 milliard. Je pense aussi aux subsides pour les CPAS, à la suite de la réforme du chômage. L'addition de ces éléments nous mène à 1,2 milliard pour 2026. Mais le Comité de monitoring, contrairement à ce que je pensais, n'était pas si négatif pour 2026. Cela devient moins bon dans la perspective de 2029, donc il y a certainement un effort à faire.
Ce point sera à l'agenda du gouvernement vendredi prochain. Il est clair que c'est notre défi pour les semaines et les mois à venir.
11.03 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Merci pour ces précisions.
Vous dites qu'il y aura une réunion ce vendredi, comme chaque vendredi en fait. Ce n'est pas très précis par rapport à la question que j'ai posée avant. Les discussions vont-elles avoir lieu maintenant, avec un contrôle budgétaire?
11.04 Jan Jambon, ministre: L'évaluation du rapport du Comité de monitoring figure à l'ordre du jour de la réunion de vendredi. Nous allons décider de ce que nous allons faire au sujet de ce rapport. Il est clair qu'avec la publication du rapport du Comité de monitoring démarre le contrôle budgétaire. Concernant le budget 2027 et les années suivantes, ce sera pour l'été.
11.05 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Donc vous me dites quand même que vous allez travailler en deux temps.
11.06 Jan Jambon, ministre: Cela se fait toujours en deux temps: il y a toujours d'abord un contrôle budgétaire, et puis la préparation du budget et le plan pluriannuel. Vendredi, nous allons discuter du calendrier de ces deux défis à réaliser.
11.07 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, voilà qui est déjà un peu plus clair. En tout cas, on sent bien que le gouvernement essaie de postposer certaines échéances, certaines décisions. Il n'est apparemment pas facile de prendre des décisions. On constate aussi pas mal de contradictions au sein du gouvernement sur la manière de résoudre l'équation.
Et la grande question que les gens se posent, monsieur Jambon, c'est de savoir si la facture sera envoyée aux citoyens et dans quelle mesure. Des recettes ne sont effectivement pas au rendez-vous pour le moment et, comme vous le dites, il y a eu des erreurs. Dès lors, vers qui ce gouvernement va-t-il se tourner? Ira-t-on chercher l'argent dans la poche des citoyens? On n'a pas encore mesuré tous les effets de cette guerre. Même si elle se termine rapidement, on prévoit des problèmes de prix et d'approvisionnement en énergie pour plusieurs mois. Ce gouvernement prendra-t-il des mesures en allant chercher l'argent là où il est ou puisera-t-il dans la poche des citoyens? Nous sommes très curieux de connaître la suite.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
12.01 Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, het Europese veiligheidsportaal Safety Gate registreert jaarlijks heel weinig onveilige kledij die op de Europese markt komt. Dat is een bericht van Apache. In 2023 waren er slechts 70 meldingen van kledingstukken met schadelijke chemicaliën, in 2024 42 en in 2025 62. België heeft sinds 2021 zelfs slechts 3 meldingen gedaan.
Dat is opvallend weinig, zeker aangezien organisaties zoals Greenpeace en Testaankoop in België al jaren wijzen op de aanwezigheid van toxische chemicaliën in kledij van bijvoorbeeld SHEIN. Zo vond Greenpeace in 2022 in 15 % van de SHEIN-kledij toxische stoffen terug, in 2025 zelfs in 32 % van de geteste kledij en later 40 %. SHEIN is daarbij niet de enige problematische producent en het probleem is ook niet beperkt tot China alleen, maar producten uit China blijken wel veruit de grootste problemen te geven.
Mijnheer de minister, er lijkt dus een groot probleem te zijn met betrekking tot de controle, specifiek door de douane. Naast een gebrek aan kennis ligt ook een gebrek aan mankracht en budget bij de douane aan de basis van de weinige controles op textiel. De administrateur-generaal van de douane riep destijds alvast op tot meer investeringen wat dat betreft.
Hoe zult u de bevoegdheid van de douane versterken? Gaat u extra middelen ter beschikking stellen om de binnenkomst van producten sterker te controleren? Welke sancties kunnen bij overtredingen worden opgelegd?
Hoe gaat u specifiek het eigen labo van de douane versterken? Overweegt u om dat labo ook gericht te laten zoeken naar schadelijke stoffen? Zo ja, welke middelen stelt u daarvoor ter beschikking?
Uw collega, minister Crucke, stelde in oktober een actieplan voor om de controles op consumptieproducten zoals kledij aan te scherpen. Uit een mail van eind januari van dit jaar blijkt echter dat de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen geen weet heeft van een dergelijk actieplan. In welke mate is uw administratie bij dat actieplan van collega Crucke betrokken? Hoe rechtvaardigt u de al dan niet betrokkenheid?
Ten slotte, welke stappen zult u samen met uw Europese collega’s zetten om de controle van douanegoederen te verscherpen?
12.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vanbesien, wat uw eerste vraag betreft, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen beschikt niet over specifieke teams voor de controle van dit type producten. De teams van de douane hebben controlebevoegdheden voor een brede waaier van fiscale en niet-fiscale criteria, waaronder de aspecten die verband houden met de gezondheid en met de veiligheid van producten. De controles worden uitgevoerd op basis van een risicoanalyse die de selectie van de te controleren goederen aanstuurt.
Wat uw tweede vraag betreft, op nationaal niveau gebeuren de controles en de handhaving onder meer op basis van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen. Voor de sancties verwijs ik naar hoofdstuk VI – Toezicht en sancties, van die wet. Voor het sanctioneren zijn de ministers Crucke en Verlinden bevoegd.
Wat uw derde vraag betreft, algemeen hanteert de douane de stopfunctie, de opschorting van de vrijgave voor het in vrij verkeer brengen. Bij een vermoeden van non-conformiteit van de producten contacteert de douane de bevoegde markttoezichtautoriteit voor verder advies in het kader van de productveiligheid, in casu de FOD Volksgezondheid of het DG Leefmilieu.
In het labo van de douane wordt soms textiel geanalyseerd. Ik ben dat recent nog gaan bekijken. Er zijn wel degelijk analyses van textiel. Deze analyses zijn echter enkel relevant voor het bepalen van de goederencode, bijvoorbeeld gewicht en samenstelling. Ze gaan niet bepalen of er schadelijke of toxische stoffen in textiel aanwezig zijn. Er is momenteel niet voorzien om het labo in deze materie te specialiseren. In het labo zijn op dit moment 24 medewerkers actief.
De douane bevraagt de verschillende markttoezichtautoriteiten om een periodiek overleg naar hun voorziene controleacties en plannen. Wij staan uiteraard open voor samenwerking. Op Europees niveau zal er door middel van de EU Customs Reform een grondige wijziging plaatsvinden van de werking van de douane. Er zal een centrale datahub gecreëerd worden, waardoor risicoanalyses en douanecontroles efficiënter kunnen verlopen. De thematiek van de EU Customs Reform zit in haar finale fase en onder het Cypriotische voorzitterschap hoopt men daarover een akkoord te hebben vóór eind juni. Dat akkoord is dus binnen bereik.
12.03 Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord.
Het probleem bevindt zich bij het begin, zoals u schetst. Er zijn namelijk geen teams voor dit type producten. U verklaart vervolgens dat de douane wel laboratoria heeft die textiel analyseren, maar zij analyseren die niet op toxische stoffen.
Verder verwijst u naar de handhaving en de sancties, die via minister Crucke en minister Verlinden verlopen. Als er echter niet wordt getest op toxische stoffen, zullen die ook niet worden ontdekt en dus evenmin aanleiding geven tot sancties. Daarom moeten we nadenken over hoe de controle kan worden versterkt, eventueel al bij binnenkomst in Europa.
Onlangs was er ook het probleem met zandbakzand waarin toxische stoffen aanwezig waren. In de toekomst moeten we beter controleren, met de nodige chemische laboratoria die analyses kunnen uitvoeren om schadelijke producten uit de markt te halen. Dit betreft immers de gezondheid van onze kinderen en inwoners.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions n°s 56013987C et 56014093C de M. Van Quickenborne sont reportées.
13.01 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, cher monsieur Jambon, les recettes
d'accises sur les produits alcoolisés affichent une baisse marquée en février 2026
par rapport à la même période de 2025. Selon les chiffres disponibles:
Alcools de bouche: 38,7 millions EUR
contre 40,0 millions EUR l'an passé
Vins tranquilles: 20,2 millions EUR
contre 21,2 millions EUR
Vins mousseux: 11,9 millions EUR contre
13,9 millions EUR
Produits intermédiaires: 2,1 millions
EUR contre 2,7 millions EUR
Bières: 20,2 millions EUR contre
22,6 millions EUR
Le total des recettes d'accises sur les
boissons alcoolisées s'élève ainsi à 93,1 millions EUR en
février 2026, soit près de 7,3 millions EUR de moins que l'année
précédente. La tendance est également observable sur la cotisation d'emballage,
qui passe de 50,3 à 48,7 millions EUR, et sur les boissons non alcoolisées
et le café, qui enregistrent également de légères diminutions.
En ce qui concerne plus spécifiquement les
bières, la moins-value de 2,4 millions EUR confirme un phénomène déjà
perceptible en février 2025. Ces chiffres semblent indiquer une évolution
structurelle de la consommation et, surtout, une intensification des achats
transfrontaliers, en particulier vers le Luxembourg et la France, où la
fiscalité est plus avantageuse.
Monsieur le ministre, comment
interprétez-vous cette baisse généralisée des recettes d'accises sur les
boissons alcoolisées? Disposez-vous d'études ou de données récentes évaluant
l'ampleur des achats transfrontaliers et leur impact budgétaire? Quelles mesures
envisagez-vous pour enrayer cette perte de recettes fiscales et préserver la
compétitivité du secteur des boissons en Belgique?
13.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Piedboeuf, la baisse des recettes d'accises observée en février 2026 doit être interprétée avec prudence.
D'une part, l'analyse porte sur deux mois, ce qui limite les conclusions que l'on peut en tirer, les recettes d'accises pouvant être influencées par divers facteurs, comme par exemple des effets calendaires, des comportements de stockage et de mise en consommation des entreprises, etc. À titre d'illustration, l'évolution des recettes des mois de janvier et février 2025 était aussi fortement négative pour les vins tranquilles (- 4,5 %), les vins mousseux (- 4,6 %) et les alcools (- 9 %) par rapport à la même période en 2024. Mais sur toute l'année 2025, on observe que les recettes d'accises sur les vins tranquilles sont en légère baisse (- 0,9 %), tandis que celles sur les vins mousseux et sur les alcools sont en croissance, respectivement de 0,9 % pour les vins mousseux et de 2,8 % pour les alcools.
D'autre part, cette évolution s'inscrit dans un contexte plus large de transformation des habitudes de consommation, marquée notamment par une tendance à la baisse de la consommation d'alcool observée depuis plusieurs années et un engouement plus marqué pour les boissons non alcoolisées.
Pour comprendre les raisons de la diminution de la consommation d'alcool, une étude plus large reste nécessaire, mais il apparaît déjà que la population fait des choix de vie plus sains, tandis que la popularité croissante des alternatives sans alcool, l'évolution des habitudes sociales, le renforcement des contrôles liés à la circulation et les campagnes de sensibilisation sur l'alcool et la santé contribuent également à cette baisse.
En ce qui concerne les achats transfrontaliers, ceux-ci constituent effectivement un facteur potentiel susceptible d'influencer les recettes. Toutefois, l'administration ne dispose pas de données chiffrées précises ou d'analyses permettant d'en mesurer l'impact exact sur l'évolution mensuelle des recettes.
En réduisant les accises sur certains produits, nous pouvons décourager les achats transfrontaliers et, grâce à l'augmentation de la consommation intérieure, générer même davantage de recettes.
Comme vous le savez, plusieurs mesures sont prévues dans l'accord de gouvernement. Leur entrée en vigueur est prévue en 2027. J'espère donc pouvoir en discuter avec vous encore cette année au sein de cette commission.
13.03 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.
J'ai la même préoccupation que vous concernant les recettes de l'État. C'est la raison pour laquelle je posais cette question. Par ailleurs, je vois que les recettes au Grand-Duché de Luxembourg augmentent encore.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
14.01 Benoît Piedboeuf (MR): Je renvoie au texte écrit de ma question. Cependant je pense que celle-ci a trouvé une solution il y a quelques jours, avec les comptables et experts comptables.
Monsieur le ministre, cher monsieur
Jambon, l’Ordre des Experts-Comptables et Comptables Brevetés de Belgique
(OECCBB) a récemment attiré votre attention sur les conséquences de la
suppression de la tolérance administrative relative au dépôt des déclarations
de TVA durant la période estivale.
Cette décision soulève de nombreuses
inquiétudes au sein de la profession, notamment parmi les petits et moyens
cabinets comptables, pour lesquels la gestion du travail et la planification
des congés représentent déjà un défi important.
Depuis de nombreuses années, cette tolérance
estivale permettait de concilier de manière pragmatique les obligations
fiscales et les réalités de terrain, sans pour autant compromettre les recettes
de l’État.
Sa suppression est dès lors perçue par de
nombreux professionnels comme une mesure ajoutant une contrainte administrative
supplémentaire, sans réelle plus-value pour l’administration, et risquant de
fragiliser davantage un secteur essentiel au bon fonctionnement du système
fiscal.
Dans ce contexte, monsieur le ministre :
1. Comment justifiez-vous la
suppression de cette tolérance administrative, qui semblait allier respect des
obligations fiscales et souplesse organisationnelle?
2. Cette décision s’inscrit-elle dans
une démarche plus large de rationalisation des processus fiscaux? Si oui, quels
en sont les objectifs concrets?
3. Envisagez-vous, à la lumière des
réactions du secteur, de réintroduire ou d’adapter un mécanisme de tolérance
pendant la période estivale afin de soutenir les professionnels concernés?
4. Enfin, quelles mesures sont prévues
pour alléger la charge administrative des experts-comptables et comptables,
notamment durant les périodes de forte activité?
14.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Piedboeuf, la nouvelle chaîne TVA a profondément modifié le traitement des déclarations périodiques TVA, des paiements et du remboursement du crédit sur le compte courant des assujettis. Depuis l'introduction de la législation TVA en 1971, cette procédure n'avait quasiment pas changé. L'ancienne chaîne était complexe, peu flexible et nécessitait de nombreuses interventions manuelles.
La nouvelle chaîne TVA a été mise en œuvre de manière progressive à partir du 1er janvier 2025. Il s'agit d'un projet de digitalisation présentant de nombreux avantages pour les entreprises. Depuis le 1er janvier 2025, tous les déposants mensuels bénéficient du remboursement accéléré du crédit TVA. Auparavant, cela ne concernait que 15 % du groupe cible. La trésorerie de ces entreprises se trouve donc structurellement renforcée. Le délai de paiement et de dépôt a, quant à lui, été prolongé jusqu'au 25 du mois suivant pour les déposants trimestriels.
La phase suivante de la chaîne débutera le 1er mai 2026. Le compte provision TVA remplacera alors le compte courant. La circulaire du 27 janvier 2025 prévoyait que l'administration examinerait si le régime de vacances pouvait être maintenu après 2025. Une clarification a récemment été apportée à ce sujet. Le régime de vacances est supprimé, mais lorsque la déclaration est déposée cette année dans les délais de l'ancien régime de vacances, mon administration n'appliquera pas, à titre de mesure transitoire, d'amende pour dépôt tardif. L'impact de cette suppression sera donc fortement réduit cette année.
La décision de supprimer ce régime n'a pas été prise à la légère et plusieurs éléments ont joué un rôle. Premièrement, le régime de vacances actuel est complexe. Il ne concerne que le délai de dépôt, pas celui du paiement. Les entreprises souhaitant un remboursement accéléré doivent déposer leur déclaration à temps. Deuxièmement, la digitalisation présente de nombreux avantages, mais a aussi quelques inconvénients. La domiciliation nécessite un même délai pour le dépôt et le paiement. Le déplacement de la date de paiement influence le moment où les recettes de TVA parviennent à l'État belge, ce qui entraîne un besoin accru de préfinancement et donc des charges d'intérêt plus élevées. Un report de délai durant le mois d'été n'est dès lors pas possible. Troisièmement, la facturation électronique et la possibilité de traitement automatique des e-factures permettront aux comptables et experts comptables d'avoir un accès plus simple et plus rapide aux factures de leurs clients.
L'ancien régime de vacances n'est pas compatible avec un système digitalisé moderne et efficace. Cette conclusion ne provient pas uniquement des services informatiques de mon administration. Une enquête menée auprès des autres États membres de l'Union européenne montre en effet qu'aucun autre État membre ne connaît un régime de vacances similaire à celui de la Belgique.
14.03 Benoît Piedboeuf (MR): Merci, monsieur le ministre.
La tolérance pour cette année permettra à tout le monde de se mettre à niveau afin que le nouveau régime puisse s'installer sans dommages.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: La question n° 56014131C de Mme Huybrechts est reportée.
15.01 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, dans
le courant de l’année 2023, les producteurs-assembleurs de boissons végétales
belges 100% bio ont été informés par l’administration de l’existence d’une
cotisation d’emballage à acquitter sur leurs produits.
Cette cotisation d’emballage est due sur les
récipients individuels contenant des boissons, à un taux de 9,86 €/hl pour les
emballages non réutilisables, alors que les récipients contenant du lait et des
boissons à base de lait sont explicitement exonérés de cette cotisation.
Concrètement, les producteurs de boissons végétales supportent environ 10
centimes de taxe d’emballage par litre, alors que le lait de vache en est
exonéré. Deux produits qui remplissent une fonction alimentaire comparable se
trouvent donc traités de manière radicalement différente par la fiscalité.
Cette situation pénalise des alternatives
souvent choisies pour réduire l’empreinte environnementale, crée une distorsion
de concurrence au détriment des boissons végétales et constitue un frein à
l’innovation alimentaire et à la diversification agricole. Pour un producteur,
cette taxe représente près de 0,10 €/l sur un coût de production d’environ 1
€/l, pour un impact final de plus de 0,20 €/l pour le consommateur, ce qui
n’est pas négligeable en période de crise.
Dans ce contexte, monsieur le ministre:
1. Comment se justifie le maintien de cette différence de traitement
entre lait d’origine animale, exonéré de cotisation d’emballage, et boissons
végétales, qui en restent pleinement redevables?
2. Cette situation résulte-t-elle d’un choix
ou d’un retard d’adaptation de notre fiscalité aux nouvelles réalités de la
transition alimentaire, envisagez-vous une révision du cadre légal ou
réglementaire en ce sens?
3. Pouvez-vous examiner la possibilité
d’aligner le régime applicable aux boissons végétales sur celui du lait, afin
de garantir une équité de traitement et de ne pas décourager l’innovation et
les alternatives plus durables pour les consommateurs?
Je vous remercie de vos réponses.
La loi sur la réduction des coûts du 19 décembre 2025 a également introduit un taux d'accises nul pour les autres boissons végétales. Toutefois, à l'instar des autres boissons non alcoolisées soumises à un taux nul, la cotisation d'emballage s'applique. Ces récents changements constituent une première étape dans les mesures visant à lutter contre les achats transfrontaliers, ainsi que le prévoit l'accord de coalition fédérale. Par ailleurs, cette mesure visait à éliminer partiellement les désavantages concurrentiels du secteur des boissons végétales par rapport à celui des boissons à base de soja et de riz.
Ensuite, la situation actuelle résulte principalement d'une classification fiscale historique selon laquelle le lait était exclu tant du champ d'application des accises que de la cotisation d'emballage, tandis que la plupart des boissons végétales étaient, elles, considérées comme des boissons non alcoolisées. Cela a conduit à un traitement qui est désormais progressivement corrigé. Je souligne que ces adaptations visent explicitement à moderniser un cadre devenu obsolète et à éliminer les distorsions concurrentielles. Cela démontre que nous révisons activement la réglementation afin de l'adapter aux évolutions actuelles du marché de l'alimentation.
Enfin, en ce qui concerne la possibilité d'aligner pleinement le régime applicable aux boissons végétales sur celui du lait, je puis vous indiquer que des progrès importants ont déjà été enregistrés. Les boissons à base de soja et de riz étaient déjà traitées de la même manière que le lait. Depuis la fin de l'année 2025, les autres boissons végétales sans sucre ajouté bénéficient aussi d'un taux d'accises nul. Toutefois, une différence subsiste puisque les boissons végétales, tout comme les autres boissons non alcoolisées soumises à un taux nul, restent assujetties à la cotisation d'emballage, tandis que le lait en est exempté. Les récentes réformes visaient expressément à réduire les désavantages concurrentiels des autres boissons végétales par rapport aux variantes à base de soja et de riz et s'inscrivent dans une politique plus large en faveur d'une fiscalité plus neutre et plus moderne.
De mon point de vue, une harmonisation plus poussée reste donc possible et défendable dans le cadre de la modernisation fiscale déjà engagée.
15.03 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie beaucoup.
De réponse en réponse, nous voyons en effet que cette législature va servir à nettoyer beaucoup de choses et à remettre les choses en place. Je vous remercie donc beaucoup pour cette réponse et vous souhaite une bonne fin de journée.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: La question n° 56014289C de M. Daerden est reportée.
16.01 Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, les chiffres de l’étude Cimabel pour le quatrième trimestre 2025 sont alarmants. Près de 45 % des cigarettes consommées en Belgique échappent désormais au circuit légal. Ce basculement massif vers le marché noir est alimenté par la contrefaçon qui, elle, est en hausse de plus de 360 % en un an. Les flux provenant des Balkans représentent un manque à gagner abyssal de près de 3 milliards d’euros pour les finances publiques. Au‑delà du préjudice fiscal, l’aspect sanitaire est critique: ces produits, qui ne sont pas contrôlés et sont fabriqués hors de tout cadre, peuvent présenter une toxicité accrue pour nos concitoyens.
Monsieur le ministre, les services de l’Administration générale des Douanes et Accises confirment-ils l’explosion de la part des produits contrefaits sur notre territoire? Combien d’usines de production clandestines ont-elles été démantelées ces dernières années?
Avec un manque à gagner de 3 milliards d’euros, n’avons-nous pas atteint un point de bascule où l’augmentation des accises ne génère plus de recettes supplémentaires, mais alimente exclusivement les réseaux criminels?
Les services des douanes disposent-ils de moyens suffisants pour identifier les flux suspects en provenance du Luxembourg, de la Bulgarie ou de la Turquie?
Comment expliquez-vous la situation spécifique de Louvain, qui affiche le taux de consommation illégale le plus élevé du pays? Des actions de contrôle ciblées dans les commerces de détail et les night shops de cette zone sont-elles reprogrammées?
Enfin, comptez‑vous lancer, avec votre collègue en charge de la Santé publique, une campagne de sensibilisation choc sur les dangers spécifiques des cigarettes contrefaites?
16.02 Jan Jambon, ministre: Monsieur Dufrane, l’Administration générale des Douanes et Accises ne mène pas d’études statistiques sur la consommation ou la part de marché des cigarettes illicites en Belgique. Toutefois, le nombre de cigarettes contrefaites saisies en Belgique reste structurellement élevé. En 2024, 188 134 896 cigarettes contrefaites ont été saisies. En 2025, ce chiffre s’élevait à 159 415 654. Au cours de cette même année, les douanes belges ont démantelé plusieurs usines clandestines de cigarettes ainsi que des sites de stockage liés à la production illicite de produits du tabac. Neuf sites de production illégale de cigarettes ont ainsi été démantelés, ainsi qu’une fabrique illégale de tabac à chicha, un site de découpe de tabac et huit entrepôts utilisés dans le cadre de cette production illégale.
En ce qui concerne l’évolution géographique, rien n’indique un déplacement structurel spécifique vers des villes comme Louvain ou Anvers. Il apparaît cependant que les organisations criminelles opèrent de manière agile et implantent leurs activités en fonction d’opportunités logistiques telles que la disponibilité d’entrepôts, les infrastructures de transport et l’anonymat. Ces activités peuvent concerner tant des zones rurales que des environnements urbains. La contrefaçon de cigarettes constitue une activité extrêmement lucrative et relativement peu risquée pour les réseaux criminels organisés. Si les prix élevés du tabac génèrent une forte demande pour des produits illégaux meilleur marché, la situation est également favorisée par la position stratégique de la Belgique, la proximité de grands ports et l’excellence de ses infrastructures de transport. Ces atouts font du pays un lieu de production idéal pour les cigarettes contrefaites, ensuite distribuées dans toute l’Europe, ce qui explique l’essor des usines illégales en Belgique.
La lutte contre les cigarettes illégales doit être menée indépendamment du niveau des accises. La surveillance des flux suspects s’effectue, d’une part, par des contrôles sur la voie publique et, d’autre part, grâce à leur identification via des échanges internationaux. Les douanes belges investissent également dans la coopération avec d’autres États membres et des instances européennes telles qu’Europol et l'Office européen de lutte antifraude (OLAF). Les douanes sont chargées d’un large éventail de tâches couvrant de nombreux domaines et affectent les moyens dont elles disposent en fonction d’une analyse des risques et des missions prioritaires. La question de la répartition régionale de la consommation de produits illicites ne relève pas de leur compétence.
L’organisation du contrôle des magasins de nuit dépend, comme indiqué précédemment, de l’analyse des risques et des priorités fixées. La compétence pour mener une campagne choc sur les dangers sanitaires des cigarettes contrefaites relève du ministre de la Santé publique, responsable de la prévention, de la sensibilisation et de la politique de santé en matière de tabac.
Le contrôle, la surveillance et la lutte contre le commerce illicite des produits de tabac, y compris les cigarettes contrefaites, relèvent du SPF Finances, Douanes et Accises, compétent pour les inspections, les accises et la répression du trafic illégal.
16.03 Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, je tiens vraiment à vous remercier pour cette réponse détaillée et les chiffres communiqués.
Comme je le disais, la question de la contrebande de tabac n'est pas neuve mais, au vu de l'actualité et des préoccupations économiques, de nombreux citoyens risquent de se tourner vers ces cigarettes et les dangers y afférents, en plus du manque à gagner pour l'État.
J'entends, monsieur le ministre, que vous êtes attentif à cette problématique, en particulier aux transferts depuis les pays transfrontaliers ainsi qu'à la hausse des consommations dans nos villes. Le phénomène tend à se populariser; il est primordial d'agir pour qu'il ne devienne pas régulier.
S'agissant des campagnes de sensibilisation, je ne manquerai pas d'interpeller votre collègue, le ministre de la Santé.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
17.01 Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik heb enkele vrij technische vragen inzake de toepassing van artikel 44, § 3; 4° van het Btw-Wetboek, de handelingen van verzekering en herverzekering, met inbegrip van de daarmee samenhangende diensten verricht door makelaars en lasthebbers, met uitzondering evenwel van de diensten als schade-expert.
Terwijl die bepaling enkel de verzekeringsmakelaars vrijstelt van btw-plicht bij facturatie, is ons ter ore gekomen dat inmiddels vele verzekeringsmaatschappijen de vrijstelling uitbreiden naar diensten die wel met 21 % btw moeten worden gefactureerd. Zo gebeurt het dat wegens personeelstekorten de verzekeringsmaatschappijen een beroep doen op consultancybedrijven en dat ze de activiteiten die voortkomen uit zo’n onderaanneming, ook zonder btw factureren. De taken die die profielen opnemen, zijn echter vooral, maar niet beperkt daartoe, backofficetaken zoals het beheer van schadegevallen en de administratieve opvolging van klanten. Aangezien die personen geen makelaar zijn, niet verbonden zijn aan een makelaar en enkel als consultant werken bij een verzekeringsmaatschappij, kunnen die prestaties geen gebruikmaken van de btw-vrijstelling van het bewuste artikel. Indien een verzekeringsmaatschappij toch op die manier werkt, leidt dat uiteraard tot een concurrentieel nadeel voor de bedrijven die wel correct handelen.
Mijnheer de minister, is de interpretatie van de wet correct dat er btw aangerekend moet worden op diensten verricht door onderaannemers van verzekeringsmaatschappijen? Zo niet, waarom niet?
In welke specifieke gevallen zou een btw-vrijstelling wel kunnen?
Acht u het nuttig een omzendbrief uit te sturen om het toepassingsgebied van het wetsartikel te verduidelijken? Indien dat zo is, wanneer mogen we zo een brief verwachten?
Tot slot, hoe verloopt de handhaving van dat specifieke wetsartikel? Zal de fiscale administratie een onderzoek instellen om de omvang van het probleem te verduidelijken en om de handhaving te optimaliseren?
17.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vanbesien, ik merk graag op dat de begrippen makelaar en lasthebber, zoals bedoeld in de vrijstellingsbepaling, niet verwijzen naar de formele hoedanigheid van de belastingplichtige, maar naar de inhoud van de betrokken activiteit.
Opdat een dienstverrichter kan worden aangemerkt als makelaar of lasthebber bij verzekeringen, moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De dienstverrichter moet, ten eerste, rechtstreeks of onrechtstreeks handelen in verhouding tot de verzekeraar en de verzekerde. Ten tweede moet de activiteit van de dienstverrichter essentiële aspecten van de functie van verzekeringstussenpersoon dekken, zoals het zoeken van nieuwe cliënten en het in contact brengen van die cliënten met de verzekeraar.
De vrijstelling is niet alleen van toepassing op de eigenlijke tussenkomst van de makelaar of lasthebber bij het sluiten van een verzekeringscontract, maar ook op de handelingen van beheer die de makelaar of lasthebber verricht. De handelingen van beheer in de zin van de vrijstelling kunnen onder meer bestaan uit de berekening van het bedrag van de premies, de inning van die premies, de invordering van onbetaalde premies, de tussenkomst in de regeling van schadegevallen en het onderzoek van aanpassingen in het contract die door de klant of door de maatschappij worden gevraagd.
Een belangrijke voorwaarde, zeker in het licht van uw vraag, is echter dat de vrijstelling voor makelaar en lasthebber bij handelingen inzake beheer alleen mogelijk is op voorwaarde dat die betrekking hebben op verzekeringscontracten die door hun tussenkomst zijn gesloten of gewijzigd, en dat gedurende de volledige looptijd van die overeenkomsten.
Belastingplichtigen die handelingen van beheer verrichten met betrekking tot overeenkomsten waarvoor zij niet zelf zijn tussengekomen als makelaar of lasthebber, vallen in beginsel buiten het toepassingsgebied van de vrijstelling, ongeacht of zij voor hun tussenkomst in andere contracten de hoedanigheid van makelaar of lasthebber hebben. Dat zal dus geval per geval moeten worden beoordeeld.
De administratie heeft daarover meerdere circulaires gepubliceerd, zoals opgenomen in de Btw-Commentaar, waarin ook wordt verwezen naar relevante rechtspraak. Daarnaast heeft eind vorig jaar nog een overleg plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de verzekeringssector en de administratie om de draagwijdte van die publicaties, in het bijzonder van de vrijstelling wanneer een beroep wordt gedaan op derden, extra te duiden. De sector heeft zich daarbij ertoe geëngageerd om de belangrijkste principes afzonderlijk te communiceren aan de leden.
17.03 Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, uw antwoord is duidelijk. De situatie zelf is echter niet zo eenvoudig. Ik begrijp dat met de termen makelaar en lasthebber niet wordt verwezen naar de formele hoedanigheid, maar naar de inhoud van de activiteit. Daaruit leid ik af dat consultants in sommige gevallen ook gebruik kunnen maken van die regeling, als zij die taken uitvoeren. U geeft echter aan dat er beperkingen zijn. Zij moeten zelf een rol hebben gespeeld bij het sluiten van het contract waaraan zij werken. Daaruit kan ik afleiden dat zij in sommige gevallen wel en in andere gevallen geen gebruik kunnen maken van de vrijstelling. Dat maakt het geheel bijzonder complex en weinig transparant.
We zullen de informatiecampagnes waarnaar u verwijst, verder bekijken om na te gaan of het duidelijker wordt. De vraag werd mij ook gesteld door een aantal betrokkenen, die met dezelfde vragen zitten. Ik zal uw antwoord bezorgen en met hen bekijken of bijkomende vragen nodig zijn.
Ik dank u alvast voor uw antwoord.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
18.01 Niels Tas (Vooruit): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.
De fiscus heeft vorig jaar 267 miljoen
euro extra belastingen gevorderd van multinationals, omdat zij hun belastbare
winst in België zouden hebben onderschat. In totaal zou het gaan om 971 miljoen
euro winst die onterecht naar het buitenland werd verschoven via transfer
pricing.
Dat zijn geen kleine bedragen. Het toont
opnieuw aan dat sommige multinationals actief op zoek gaan naar manieren om
belastingen te ontwijken, terwijl gewone burgers correct hun aangifte moeten
invullen en bij de minste fout worden gesanctioneerd.
Tegelijk zien we dat het gerecupereerde
bedrag lager ligt dan het record van het jaar voordien.
Mijnheer de minister,
Hoe verklaart u deze daling tegenover
vorig jaar?
Beschikt de fiscus vandaag over voldoende
middelen en gespecialiseerde controleurs om complexe internationale
constructies zoals transfer pricing effectief aan te pakken?
Welke bijkomende maatregelen neemt u om
te garanderen dat multinationals hun eerlijk deel belastingen betalen in
België?
Want het principe blijft eenvoudig: wie
winst maakt in België, moet hier ook correct belastingen betalen.
18.02 Minister Jan Jambon: Het bedrag aan te vorderen belastingen wordt door verschillende elementen beïnvloed, zoals fiscale latenties en andere aftrekken die een impact hebben op de uiteindelijk verschuldigde belasting. Een verschuiving van het ene naar het andere belastbare tijdperk is daarbij mogelijk.
Mijn administratie heeft de voorbije jaren mensen aangeworven met een profiel dat zich leent tot controles inzake transfer pricing. De rekrutering en de vervanging van zeer gespecialiseerd personeel vormt voor iedereen een permanente uitdaging, ook voor de fiscale administratie.
Sinds meerdere jaren heeft mijn administratie het Co-operative Tax Compliance Programme (CTCP) ontwikkeld, het zogenaamde horizontaal toezicht. Zoals vermeld in het regeerakkoord zal dat toezicht worden voortgezet en waar nodig verbeterd.
18.03 Niels Tas (Vooruit): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.
De cijfers tonen aan dat sommige multinationals tot vandaag nog altijd actief op zoek gaan naar manieren om belastingen te ontwijken, terwijl gewone burgers die hun aangifte correct doen soms bij de minste fout worden gesanctioneerd.
Deze regering wil fraude aanpakken en de sterkste schouders meer laten bijdragen. Het is dan ook belangrijk dat onze administratieve diensten over de nodige middelen beschikken om dat te doen. Ik zal daarop blijven toezien, want het principe is eenvoudig: wie winst maakt in België, moet ook hier correct belastingen betalen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
19.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de minister, wij zouden u graag willen vragen om te bevestigen dat artikel 119, § 2, van de programmawet geen toepassing vindt in het geval de belastingplichtige op het moment van de verwerving van de schepen reeds is toegetreden tot het tonnagetaksregime. Daarnaast zouden wij willen vernemen of diezelfde conclusie geldt indien die verwerving plaatsvond ingevolge een fiscaal neutrale reorganisatie, zoals een fusie, een splitsing of een met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting of een met splitsing gelijkgestelde verrichting.
19.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Verkeyn, artikel 119, § 2, tweede tot zesde lid, van de programmawet werd aangepast om de situatie te beteugelen waarbij een belastingplichtige een dubbel voordeel tracht te verkrijgen middels de overgang van de reguliere vennootschapsbelasting naar het forfaitaire stelsel van de tonnagetaks.
Tegen die achtergrond kan ik bevestigen dat zeeschepen die worden verworven door een tonnagetaksvennootschap op een moment waarop die vennootschap reeds is toegetreden tot het forfaitaire stelsel van de tonnagetaks, niet worden gevat door artikel 119, § 2, tweede tot zesde lid, van de programmawet. Enige latente meerwaarden op die zeeschepen die desgevallend reeds zouden bestaan op het moment van hun toetreding tot het stelsel van de tonnagetaks, dienen aldus niet te worden aangegeven in de aangifte van de vennootschapsbelasting van de tonnagetaksvennootschap.
Wat betreft zeeschepen die worden verworven door een tonnagetaksvennootschap ingevolge fiscaal neutrale reorganisatieverrichtingen, zoals een fusie, een splitsing of een met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting of een met splitsing gelijkgestelde verrichting, geldt eveneens dat die niet worden gevat door artikel 119, § 2, tweede tot zesde lid, van de programmawet, wanneer de tonnagetaksvennootschap op het moment van de reorganisatieverrichting reeds is onderworpen aan het forfaitaire stelsel van de tonnagetaks.
Enige latente meerwaarden op die zeeschepen op het moment van hun toetreding tot het stelsel van de tonnagetaks, bijvoorbeeld ingevolge de boekhoudkundige continuïteit, dienen niet te worden aangegeven in de aangifte van de vennootschapsbelasting van de tonnagetaksvennootschap.
De conclusie luidt dat artikel 119, § 2, tweede tot zesde lid, van de programmawet enkel van toepassing is met betrekking tot zeeschepen die de vennootschap reeds had verworven voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin ze is toegetreden tot het stelsel van de forfaitaire belasting op basis van de tonnage.
Meerwaarden met betrekking tot zeeschepen die werden verworven tijdens een belastbaar tijdperk waarin een vennootschap reeds is toegetreden tot het stelsel van de forfaitaire belasting op basis van de tonnage, vallen zonder meer uitsluitend onder de toepassing van artikel 119, § 2, eerste lid, van de programmawet.
Het feit dat een dergelijke verwerving heeft plaatsgevonden in het kader van een fiscaal neutrale reorganisatieverrichting, zoals een fusie, een splitsing, een met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting of een met splitsing gelijkgestelde verrichting, doet daaraan geen enkele afbreuk. Artikel 119, § 2, tweede tot zesde lid, van de programmawet kan in dat geval geen toepassing vinden.
Het antwoord op uw beide vragen luidt dus bevestigend.
19.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister.
Wij willen nog onderstrepen dat de meerwaarde voor de maritieme sector wel degelijk van groot belang is. Dank u voor de bevestiging.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
20.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.
In antwoord op mijn schriftelijk vraag
nr. 784 deelde u mee dat het antwoord bij een volgende gelegenheid zal worden
overgemaakt. Volgens Linkedin zou uw administratie voor einde maart haar
standpunt bepalen.
In praktijk rijzen er vragen of uw
administratie een wijziging van bestemming voor de toepassing van het verlaagd
btw-tarief van 6% bij de afbraak en wederopbouw van een woning.
Bent u het er mee eens dat nog steeds
voldaan wordt aan de doelstellingen en de voorwaarden achter het uitgebreid
btw-tarief indien de bestemming verandert zolang de voorwaarden voor de nieuwe
bestemming worden nageleefd?
Kan een bouwheer of een koper veranderen
van bestemming vóór de ingebruikneming van de woning? Zo ja, volstaat het om een nieuwe
verklaring in te dienen?
Kan een bouwheer of een koper veranderen
van bestemming na de ingebruikneming van de woning in de volgende situaties:
a)
Een echtpaar koopt tezamen een appartement op plan met de bedoeling dit
te verhuren voor 15 jaar. Na enkele jaren overlijdt één van de echtgenoten. Dat
brengt de overlevende echtgenoot ertoe om de huidige gezinswoning te verkopen
en het appartement zelf te betrekken. Het appartement wordt door de verkoop van
de huidige gezinswoning de enige en eigen woning van de langstlevende
echtgenoot.
Bent u het eens dat de btw niet moet
worden teruggestort voor het aandeel van de overleden bouwheer-natuurlijke
persoon of van de verkrijger-natuurlijke persoon?
Kan de betrekking van het appartement
door de langstlevende echtgenoot worden aangemerkt als een geval van overmacht
zodat de btw m.b.t. zijn aandeel pro rata temporis ook niet moet worden
teruggestort?
Indien niet, aanvaardt uw administratie
de betrekking van het appartement voor eigen gebruik als een wijziging van
bestemming zodat de btw pro rata temporis niet moet worden teruggestort op
voorwaarde dat de termijn gerekend vanaf de ingebruikneming geldend voor de
nieuwe bestemming wordt volbracht en de maximumoppervlakte ook beantwoordt aan
de voorwaarden van de nieuwe bestemming?
b)
Zogenaamde 'empty nesters' zijn bij uitstek mensen die een appartement
aankopen om het eerst een periode zelf te bewonen dan wel eerst te verhuren en
vervolgens te verhuren dan wel zelf te bewonen.
Aanvaardt uw administratie de wijziging
van de bestemming van de woning voor eigen gebruik dan wel voor langdurige of
sociale verhuur zodat de btw pro rata temporis niet moet worden teruggestort op
voorwaarde dat de termijn gerekend vanaf de ingebruikneming geldend voor de
nieuwe bestemming wordt volbracht en de maximumoppervlakte ook beantwoordt aan
de voorwaarden van de nieuwe bestemming?
20.02 Minister Jan Jambon: De btw-administratie heeft van bij de aanvang van het regime van het verlaagde btw-tarief bij afbraak en heropbouw het standpunt ingenomen dat wanneer de bouwheer of de verkrijger de bestemming van de heropgerichte woning wijzigt nadat een verklaring nr. 111 werd ingediend, er in principe een regularisatie moet worden verricht van het genoten belastingvoordeel. De bouwheer of verkrijger verliest eveneens het recht op de toepassing van het verlaagde btw-tarief in het kader van deze regeling. Ik verwijs onder meer naar de circulaires 2024/C/73 van 27 november 2024 en 2025/C/48 van 28 juli 2025. Dat betekent dat in beide concrete gevallen die u voorlegt, overeenkomstig de huidige regels een regularisatie zal moeten gebeuren.
Betreffende de eerste situatie is het zo dat het overlijden van de verkrijger van de heropgerichte woning, die door hem langdurig sociaal of privé werd verhuurd, niet kan worden aangemerkt als een geval van overmacht zoals bedoeld in het koninklijk besluit nr. 20. De erfgenamen van de voormelde overleden koper zijn dus gehouden het genoten belastingvoordeel pro rata temporis terug te storten als zij de desbetreffende woning een andere bestemming geven.
In de door u omschreven situatie van de zogenaamde empty nesters wordt de bestemmingswijziging binnen de regularisatieperiode evenmin aanvaard, aangezien de toepassingsvoorwaarden waarmee de genieter van het belastingvoordeel zich bij aankoop akkoord heeft verklaard in de verklaring nr. 111, niet meer worden gerespecteerd.
Ik heb mijn administratie evenwel gevraagd een en ander te herbekijken. In de loop van februari heeft in dat kader een constructief overleg plaatsgevonden met de bouwsector. Mijn administratie heeft vervolgens een ontwerp van circulaire voorbereid waarin een soepelere houding wordt aangenomen ten aanzien van de wijziging van bestemming. Dit ontwerp werd intussen aan de sector overgemaakt voor advies. We wachten op de reacties om de circulaire te finaliseren en te publiceren op de fiscale databank FisconetPlus.
20.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor de verduidelijking. We zien alvast het verdere nieuws daarover tegemoet. Het klinkt alvast als goed nieuws.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
21.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de voorzitter, dit betreft een praktijkprobleem bij de erkenning als nieuwe podiumproductie in het kader van de taxshelterwetgeving. Blijkbaar moet daarvoor een taxshelterattest worden verkregen. Dat wordt nadien vaak betwist, hoewel het attest wel degelijk is afgegeven voor een nieuwe podiumproductie.
De rechtbanken oordelen dat de gemeenschappen exclusief bevoegd zijn om een dergelijk werk als nieuwe podiumproductie aan te merken en dat de federale cel Tax Shelter het overhandigen van een attest niet mag weigeren door die kwalificatie in vraag te stellen.
Kunt u bevestigen dat de bevoegdheid om een werk als nieuwe podiumproductie te kwalificeren effectief uitsluitend toekomt aan de gemeenschappen en dat de federale cel Tax Shelter een dergelijk taxshelterattest niet mag weigeren door de kwalificatie te betwisten?
21.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Verkeyn, om in aanmerking te komen voor de taxshelterregeling voor podiumwerken moet het betrokken werk kwalificeren als in aanmerking komend werk in de zin van artikel 194ter/1, § 2, 1°, van het WIB 92. Dat veronderstelt onder meer dat het gaat om een nieuwe podiumproductie zoals omschreven in artikel 194ter/1, § 2, 2°, van het WIB 92.
Het zijn de gemeenschappen die een erkenning afleveren van het feit dat het werk kwalificeert als in aanmerking komend werk en dus ook als nieuwe podiumproductie. Cultuurbeleid is een bevoegdheid van de gemeenschappen.
De voorwaarden voor de uitreiking van een taxshelterattest door de FOD Financiën zijn opgenomen in artikel 194ter, § 7, van het WIB 92. De recente rechtspraak bevestigt dat die bepaling geen enkele wettelijke basis biedt voor de FOD Financiën om de erkenning van de gemeenschap als nieuwe podiumproductie in vraag te stellen. Voor de vereisten van een nieuwe podiumproductie volstaat het dus dat de aanvrager het erkenningsattest van de betrokken gemeenschap voorlegt, zoals bedoeld in artikel 194ter, § 7, 3°, eerste streepje, van het WIB 92.
Dat neemt niet weg dat de FOD Financiën in uitzonderlijke gevallen de uitreiking van het taxshelterattest kan weigeren wanneer het werk waarvoor het attest wordt aangevraagd, niet overeenstemt met het werk dat vermeld staat in het erkenningsattest of het voltooiingsattest van de gemeenschap. De weigering is dan gebaseerd op een discrepantie tussen het erkende werk en het aangevraagde werk, niet op een inhoudelijke herkwalificatie van het werk.
Hangende geschillen en lopende dossiers, ook al hebben ze betrekking op voorgaande aanslagjaren, moeten in die geest worden opgelost. De FOD Financiën beschikt over heel erg veel competenties, maar niet noodzakelijk over de competentie om te evalueren of een podiumproductie nieuw is of niet. Dat is duidelijk een bevoegdheid van de gemeenschappen en zo zullen wij dat ook behandelen.
21.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Ik dank u voor de verduidelijking.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
22.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
In de administratieve beslissing E.T.
114.454 van 28 oktober 2014 wordt bepaald dat een lokale producent van
elektriciteit die geen andere activiteit heeft waarvoor hij
btw-belastingplichtige is en over een fotovoltaïsche installatie beschikt met
een maximale alternatieve vermogenskracht niet groter dan 10 kilovoltampère
(kVA) geen economische activiteit uitoefent in de zin van artikel 4 van het
Btw-Wetboek.
De capaciteit van een fotovoltaïsche
installatie is sinds die beslissing toegenomen. 200–210 Wp (Wattpiek) per
paneel was ooit “standaard", maar dat is vandaag totaal achterhaald. 400+
Wp is de norm geworden in België. Een “normaal" paneel vandaag is dus
bijna dubbel zo krachtig als vroeger. Eenzelfde dakoppervlakte zonnepanelen
geeft dus vandaag veel meer vermogen dan 20 jaar geleden.
Fluvius volgt deze technologische
evolutie en vereist geen netstudie meer voor residentiële installaties bij
meerfasige aansluiting tot maximaal 25 kilovoltampère (kVA) AC-omvormervermogen
aan productievermogen.
Ook het zelfverbruik stijgt steeds meer
door het gebruik van warmtepompen en het opladen van een elektrische wagen. Een
particulier zal in eerste plaats nog steeds investeren in een PV-installatie om
zelf te voorzien in zijn elektriciteitsconsumptie. Het is geen rendabel
businessmodel om louter elektriciteit te injecteren op het net. Bij een beetje
goed weer zijn de injectietarieven erg laag of zelfs negatief.
Vanuit het oogpunt van administratieve
eenvoud heb ik volgende vragen:
1. Is het niet opportuun om na meer dan
20 jaar de 10 kilovoltampère te evalueren en op te trekken gezien de
technologische evolutie op vlak van productie en zelfverbruik?
2. Acht uw administratie het mogelijk om
met een PV-installatie met een maximum 25 kilovoltampère (kVA)
AC-omvormervermogen een jaarlijkse omzet boven de drempel voor de bijzondere
regeling 'kleine ondernemingen' van meer dan 25.000 euro te realiseren?
3. Hoeveel btw-controles vonden jaarlijks
plaats in 2023 tot 2025 naar de btw-plicht van PV-installaties? Hoeveel VTE's
worden door uw administratie hiervoor ingezet? Wordt steeds een administratieve
geldboete opgelegd voor het niet-indienen van een formulier 604A?
4. Wat brengen die btw-controles
uiteindelijk aan btw op en welk bedrag aan administratieve geldboeten werden
opgelegd in 2023 tot 2025 voor particuliere PV-installaties met een
vermogenskracht hoger dan 10 kilovoltampère (kVA)?
5. Zijn er andere criteria (bv. grote
gezin, warmtepomp, elektrische wagen, enz.) die uw administratie aanvaardt om
het niet-btw-plichtige karakter van een particuliere fotovoltaïsche installatie
hoger dan 10 kilovoltampère (kVA) aan te tonen?
22.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Verkeyn, in een administratieve beslissing van 28 oktober 2014 wordt inderdaad bepaald dat een lokale producent van elektriciteit die geen andere activiteit heeft waarvoor hij btw-belastingplichtige is en over een groenestroominstallatie beschikt met een maximale alternatieve vermogenskracht die niet groter is dan 10 kilovoltampère (kVA), ten aanzien van zijn leveringen van elektriciteit, gelet op de geringe omvang ervan, geen economische activiteit uitoefent in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek. Hij wordt derhalve geen btw-belastingplichtige voor zijn leveringen van elektriciteit en die leveringen zijn bijgevolg niet onderworpen aan de btw. De productie van een groenestroominstallatie met een vermogen van 10 kVA dekt in de regel ruimschoots de eigen behoefte inzake elektriciteit van een doorsnee gezin.
Indien een particulier zou beschikken over een groenestroominstallatie met een omvormer en een vermogen groter dan die 10 kVA, dan verkrijgt die particulier evenwel niet automatisch de hoedanigheid van belastingplichtige. Het standpunt ingenomen in die gepubliceerde beslissing moet dus sterk genuanceerd worden. De belastingplicht in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek dient immers geval per geval onderzocht en beoordeeld te worden. Er moet daarbij onder meer rekening gehouden worden met de hoogte van de zelfconsumptie en met de mate van gelijktijdigheid van productie en consumptie. In elk geval dient te worden nagegaan of de groenestroominstallatie enkel bedoeld is om in de eigen behoefte te voorzien of dat er sprake is van de productie van elektriciteit met het oog op de verkoop. Indien de particuliere eigenaar van een groenestroominstallatie een significant deel of zijn volledige elektriciteitsproductie verkoopt op regelmatige en zelfstandige wijze, zal die in de regel als belastingplichtig in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek aangemerkt worden.
Dat genuanceerd standpunt kwam tot stand na overleg met de vertegenwoordigers van de sector, die het aan hun leden hebben gecommuniceerd. Ik verwijs ook naar mijn antwoord op de schriftelijke parlementaire vraag nr. 115 van 14 maart 2025 van de heer Coenegrachts.
Mijn administratie heeft geen specifieke controleacties uitgevoerd rond de btw-belastingplicht van particuliere eigenaars van zonnepanelen. Het is uiteraard steeds mogelijk dat de eventuele btw-belastingplicht werd nagekeken in het kader van een andere controleactie of ingevolge een input ontvangen voor een individueel dossier. Ik beschik bijgevolg niet over de gevraagde gegevens.
22.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de minister, bij dezen heb ik nog een kleine repliek op uw antwoord. Wat het invullen van formulier 604A betreft, menen wij dat vooral kleine ondernemingen onder die regeling vallen. Zij zijn in principe al vrijgesteld. Wij vragen ons dus af waarom er nog effectief aangedrongen wordt op het blijven invullen van dat formulier.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
23.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.
Mijnheer de minister, mijn vraag betreft
de verstrenging van de toepassingsvoorwaarden voor de vrijstelling van roerende
voorheffing opgenomen in artikel 264/1 WIB92 (de zogenaamde Tate & Lyle
vrijstelling).
Artikel 36 van de Programmawet van 18
juli 2025 heeft een bijkomende voorwaarde ingevoerd, die bepaalt dat een
deelneming met een minimale aanschaffingswaarde van EUR 2.500.000 bovendien de
aard van financiële vaste activa moet hebben in hoofde van de vennootschap-aandeelhoudster.
Deze voorwaarde is enkel van toepassing wanneer de aandeelhouder geen kleine
vennootschap is.
Deze bijkomende voorwaarde geeft
aanleiding tot complexe interpretatievragen voor buitenlandse aandeelhouders.
Zowel de Memorie van Toelichting als de Circulaire nr. 2025/C/63 van 3 oktober
2025 verwijzen in eerste instantie naar het Belgisch boekhoudrecht en naar de
Belgische invulling van het begrip “financiële vaste activa".
Hoewel tevens wordt verwezen naar
Richtlijn 2013/34/EU en IFRS 10, is het onduidelijk of het voor buitenlandse
aandeelhouders volstaat voor de toepassing van de Tate & Lyle vrijstelling
dat hun deelneming de aard heeft van financiële vaste activa op basis van de
voor hen toepasselijke lokale boekhoudwetgeving.
Het vereisen dat buitenlandse
vennootschappen hun deelnemingen toetsen aan de Belgische boekhoudkundige
criteria voor financiële vaste activa is in de praktijk verre van evident,
temeer daar de invulling van dit begrip sterk kan verschillen naargelang de
toepasselijke lokale boekhoudwetgeving. Zo hanteert het Belgisch boekhoudrecht
een strengere invulling van het begrip “financiële vaste activa" dan
Richtlijn 2013/34/EU.
Dient de voorwaarde dat een deelneming de
aard van financiële vaste activa moet hebben, te worden geïnterpreteerd op
basis van de door de aandeelhouder toegepaste boekhoudnormen die internationaal
erkend zijn, zoals boekhoudstelsels gebaseerd op Richtlijn 2013/34/EU, IFRS 10
of gelijkwaardige nationale GAAP-stelsels, waaronder US en UK GAAP of een
gelijkaardig concept?
23.02 Minister Jan Jambon: Wanneer een buitenlandse vennootschap-aandeelhoudster aantoont dat haar deelneming in een Belgische vennootschap op basis van de door haar toegepaste internationaal erkende boekhoudnormen, zoals boekhoudstelsels gebaseerd op richtlijn 2013/34/EU, IFRS 10 (International Financial Reporting Standards) of gelijkwaardige nationale GAAP-stelsels (Generally Accepted Accounting Principles), waaronder US of UK GAAP, de aard heeft van financiële vaste activa of een gelijkaardig concept, wordt die deelneming voor de toepassing van de vrijstelling van roerende voorheffing, bedoeld in artikel 264/1 van het WIB 92, geacht de aard van financiële vaste activa te hebben. In dat geval kan de vennootschap-aandeelhoudster aanspraak maken op de toepassing van de Tate & Lyle-vrijstelling, op voorwaarde dat ook aan de overige wettelijke voorwaarden is voldaan.
23.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
24.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
De heffing van 7% opcentiemen in de
Belasting van niet-inwoners (BNI) ten voordele van het Rijk is de tegenhanger
van de aanvullende gemeentelijke belasting die inwoners in België betalen. De
hoogte van de gemeentelijke opcentiemen kan echter variëren van 0% tot 9%,
afhankelijk van de gemeente waarin iemand woont.
Op 12 maart oordeelde het Hof van
Justitie in de zaak C-119/24 dat de opcentiemen in de BNI ten voordele van de
federale schatkist niet verenigbaar zijn met het vrij verkeer van werknemers
omdat de belastingdruk voor de personen die geen fiscaal inwoner zijn, althans
in bepaalde gevallen, zwaarder is dan de belastingdruk die uit hoofde van die
belasting op die fiscale inwoners rust.
Het dictum van het arrest laat nogal wat
ruimte voor interpretatie. De meest voluntaristische lezing die in De Tijd en
het Financieele Dagblad verscheen, is dat België geen opcentiemen in de BNI
meer mag heffen omwille van de 0% opcentiemen in Knokke-Heist. Een uniform tarief aan aanvullende
gemeentebelasting zou dan weer ingaan tegen de gemeentelijke
belastingautonomie. Andere pistes zouden kunnen zijn dat het percentage wordt
genomen van de gemeente waar een niet-inwoner werkt. Dit lijkt mij het nauwste aan
te sluiten bij het dictum maar vanuit praktisch oogpunt een uitdagende
oplossing omdat een werknemer op meerdere plaatsen in België fysieke
werkzaamheden kan verrichten, de vestigingsplaats van de werkgever kan
verschillen of de werknemer kan gedetacheerd zijn. Men zou ook de bezoldigingen
van werknemers uit de berekeningsgrondslag kunnen halen. De schending van het
vrij verkeer is immers tot dat onderdeel beperkt.
Daarnaast is er nog de bijzonderheid dat
de Belgische opcentiemen nog steeds wordt gecompenseerd door de Nederlandse
fiscus via de algemene en/of bijzondere compensatieregeling.
Grenswerkers zijn in het algemeen goed
georganiseerd. Mijn verwachting is dan ook dat zij massaal bezwaar zullen
aantekenen of ambtshalve ontheffing zullen vragen.
Hoeveel brachten de 7% opcentiemen in de
BNI (belasting van niet-inwoners) jaarlijks op voor aanslagjaar 2022 tot 2025?
Zal u omwille van de compensatieregeling
in het dubbel belastingverdrag tussen België en Nederland overleg opstarten met
onze noorderburen?
Om bezwaarschriften te vermijden, acht u
een wetgevende oplossing die tegemoet komt aan het arrest voor aanslagjaar 2026
nog mogelijk?
24.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Verkeyn, de opbrengst van de opcentiemen in de belasting van niet-inwoners beliep 79 miljoen euro voor het aanslag 2022, 75 miljoen euro voor het aanslagjaar 2023 en 78 miljoen euro voor het aanslagjaar 2024. De gegevens voor het aanslagjaar 2025, inkomstenjaar 2024, zijn nog niet beschikbaar, doordat de primaire inkohiering van alle aangiften gebeurt tot en met 30 juni 2026.
De macro-economische verrekening uit het dubbelbelastingverdrag van 2001 met Nederland is er gekomen, omdat destijds het principe van de woonstaatheffing werd vervangen door het principe van bron- of werkstaatheffing. Daar die overgang een groot macro-economisch gevolg had, werd het aangehaalde systeem ingevoerd als compensatie voor het verlies van heffingsbevoegdheid in de personenbelasting. Bovendien heft België nog steeds gemeentelijke opcentiemen over de uit Nederland afkomstige lonen.
Het dubbelbelastingverdrag van 2023 met Nederland voorziet bovendien in een uitdoofscenario waarbij in principe aan de compensatieregeling een einde zal komen in 2033, met name 10 jaar na de ondertekening van het nieuwe verdrag.
Een eerste analyse wijst erop dat artikel 245 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat een toeslag van 7 % heft op de inkomstenbelasting voor niet-inwoners, moet worden gewijzigd. Mijn diensten zijn bezig aan een uitgebreide analyse om tot een passende oplossing te komen.
24.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Dank u wel.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
25.01 Charlotte Verkeyn (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.
De programmawet van 18 juli 2025
verstrengt voor grote vennootschappen de participatievoorwaarde voor de
DBI-aftrek. Een deelneming die niet voldoen aan een minimumparticipatie van 10 %,
maar waarvan de aanschaffingswaarde ten minste 2.500.000 euro bedraagt,
moet de aard hebben van 'financiële vaste activa'. Voor de invulling van dit
begrip verwijst de fiscale wetgeving naar de boekhoudwetgeving.
De vraag rijst hoe het begrip 'financiële
vaste activa' moet worden geïnterpreteerd voor familiale
investeringsvennootschappen die regelmatig belangrijke investeringen doen in
beursgenoteerde en groeiende bedrijven. Het gaat vaak over minderheidsparticipaties
onder de 10 % drempel waarbij men nog significante aandeelhoudersinvloed
kan uitoefenen in de algemene vergadering, door het begeleiden van strategische
beslissingen of nog door actieve ondersteuning van de verdere ontwikkeling van
de vennootschap.
1. Volgens de boekhoudwetgeving (art. 3:89
KB/WVV) is een boeking van aandelen als 'financiële vaste activa' onder andere
mogelijk in geval van 'Ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding
bestaat'. Kan een minderheidsparticipatie van minder dan 10 % een
deelnemingsverhouding vormen wanneer de investerende vennootschap feitelijke
invloed uitoefent op de oriëntatie van het beleid van die vennootschap, al dan
niet middels een formeel bestuursmandaat? Welke criteria moeten worden
gehanteerd om te beoordelen of deze feitelijke invloed voldoende substantieel
is om de kwalificatie als deelneming te rechtvaardigen?
2. Een tweede relevante categorie
financiële vaste activa betreft 'Andere financiële vaste activa'. Het gaat dan
om maatschappelijke rechten in andere ondernemingen die geen deelneming vormen
en die ertoe strekken door het scheppen van een duurzame en specifieke band met
die ondernemingen, de eigen bedrijfsuitoefening van de investerende
vennootschap te bevorderen. Bij familiale investeringsvennootschappen behoort
het aanhouden van participaties doorgaans tot hun kernactiviteit en vormen de
daaruit gegenereerde inkomsten een essentieel onderdeel van hun werking. Kan u
toelichten hoe voor dergelijke participaties het criterium beoordeeld moet
worden van de duurzame en specifieke band die vereist dat de participatie ertoe
strekt de eigen bedrijfsuitoefening van de investerende vennootschap te
bevorderen?
25.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Verkeyn, het is niet mogelijk om mij over uw eerste vraag op algemene wijze uit te spreken, aangezien de boekhoudkundige kwalificatie van een participatie altijd moet worden beoordeeld op basis van de concrete omstandigheden. Voor een uitgebreidere toelichting over de interpretatie van het begrip 'financiële vaste activa' kan ik verwijzen naar de circulaire nr. 2025/C/63 van 3 oktober 2025 over dit onderwerp.
Ik kan niettemin meedelen dat de kwalificatie van een deelneming impliceert dat de investerende vennootschap in staat moet zijn een zekere mate van invloed uit te oefenen op de oriëntatie van het beleid van de betrokken participatie. Die invloed komt het duidelijkst tot uiting wanneer de aandeelhouder de mogelijkheid heeft om een vertegenwoordiger in het bestuursorgaan van de betrokken vennootschap te benoemen. Die invloed kan evenwel ook op meer feitelijke wijze tot stand komen, zonder formele vertegenwoordiging in het bestuursorgaan. Om te bepalen of er al dan niet sprake is van invloed op de oriëntatie van het beleid, kunnen bijvoorbeeld de volgende niet-limitatieve criteria in aanmerking worden genomen.
Ten eerste, het management van de betrokken vennootschap raadpleegt de investeerder op relevante momenten over belangrijke voorgenomen strategische beslissingen.
Ten tweede kan het belang van de positie binnen de kern van aandeelhouders een rol spelen. Indien de investeerder deel uitmaakt van de kern van belangrijke aandeelhouders van de betrokken vennootschap, is dat een indicatie dat zijn stem en standpunt een relevante invloed uitoefenen op de besluitvorming binnen de algemene vergadering.
Ten derde kan die invloed, specifiek in een beursgenoteerde vennootschap, tot uiting komen door het overschrijden van de eigendomsdrempels overeenkomstig de transparantiewetgeving, waardoor men verplicht is de participatie als belangrijke minderheidsaandeelhouder openbaar te maken.
Ten vierde kan een actieve rol in overleg en beleid een aanwijzing zijn, bijvoorbeeld door als belangrijke investeerder altijd aanwezig te zijn op de algemene vergaderingen en alle contactmomenten die het bedrijf organiseert voor aandeelhouders en analisten, en daarbij een actieve rol op te nemen door het bestuur en het management te bevragen over het gevoerde beleid, de resultaten en de toekomstplannen.
In antwoord op uw tweede vraag moet het criterium van de duurzame en specifieke band die bovendien de eigen bedrijfsuitoefening bevordert, worden beoordeeld volgens de activiteit van de investerende vennootschap. Voor investeringsvennootschappen waarvan het aanhouden van participaties de kernactiviteit vormt, kan worden aangenomen dat dit in principe strekt tot het bevorderen van de eigen bedrijfsuitoefening. Wanneer dergelijke minderheidsparticipaties niet louter worden aangehouden met een beleggingsdoelstelling op korte termijn, maar bestemd zijn om duurzaam deel uit te maken van het vermogen van de investerende vennootschap en een recurrente inkomstenstroom genereren, kunnen die worden aangemerkt als andere financiële vaste activa.
25.03 Charlotte Verkeyn (N-VA): Dank u wel, mijnheer de minister.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
26.01 Lode Vereeck (VB): Ik heb over dit onderwerp een aantal vragen ingediend. Vanochtend was er een persconferentie van de FOD Financiën en de Koninklijke Munt van België. Daarover zal ik nog enkele bijkomende vragen stellen.
Mijn eerste vragen gaan over de uitgifte van de eerste officiële Belgische gouden beleggingsmunt, de Belga Gold 2026. Wat is de beweegreden daarvoor? Waarom wordt de munt nu aangekondigd? Wat is de langetermijnvisie met betrekking tot dit muntuitgifteprogramma?
Op de website herdenkingsmunten.be staat te lezen: “De Belga was de naam van de Belgische munt die werd geïntroduceerd in 1926, als onderdeel van een monetaire hervorming om de inflatie na de Eerste Wereldoorlog te bestrijden. De Belga werd dus geïntroduceerd als onderdeel van het Belgaplan van de toenmalige minister van Financiën Émile Francqui, die de Belgische frank wilde stabiliseren door die te koppelen aan de gouden standaard. Hoewel de Belga zelf geen gouden munt was, symboliseerde de naam de ambitie om de munt te laten steunen op goudreserves.” Voor alle duidelijkheid, de Belga was een zilveren munt met een waarde van 5 Belgische frank.
Waarom koos de regering precies de naam Belga? Zocht men louter een historisch gegeven dat men wil herdenken of erkent en onderschrijft de regering de symboliek in de beschrijving van deze munt?
Zal de oplage van deze munt beperkt of onbeperkt zijn? Hoeveel munten wilt u verkopen?
De website herdenkingsmunten.be noemt de munten officiële bullion of beleggersmunten, maar tegelijk wordt gecommuniceerd dat het om herdenkingsmunten gaat. Wat onderscheidt een beleggersmunt van een herdenkingsmunt? Op welke wijze voldoen deze munten aan de criteria van herdenkingsmunten?
Zal de uitgifte van deze munt beperkt zijn tot 2026, het honderdjarige herdenkingsjaar waarnaar in de communicatie expliciet wordt verwezen? Zo neen, beoogt de regering om jaarlijks een gouden beleggingsmunt uit te brengen? Zullen die munten herdenkingsmunten zijn?
Welke premie op de spotprijs wordt voor de verschillende munten voorzien? Er worden er twee uitgebracht. Hoe verhoudt deze premie zich tot de premies die andere munten in de zin van uitgevende instellingen vragen? Is het platform herdenkingsmunten.be volledig in eigen beheer van de Koninklijke Munt van België of wordt dat uitbesteed?
De nominale waarden bedragen 300 euro en 75 euro. Moet de munt worden beschouwd als een verzamelaars- of herdenkingsmunt, in de zin van artikel 37 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België? Op welke wijze voldoen deze munten aan die criteria?
Zal het in artikel 37 genoemde saldo worden aangesproken om de munten te slaan of zal de Koninklijke Munt van België het goud tegen de marktprijs verwerven?
Zal de Koninklijke Munt, in het geval dat het saldo niet wordt aangesproken, het goud tegen de marktprijs verwerven van de Nationale Bank?
Beoogt de regering ook beleggingsmunten in andere edelmetalen uit te brengen?
Wie zal de munt slaan? Zal dat aan derden worden uitbesteed? Zo ja, waarom?
Hoe schat de regering de concurrentiepositie van die munten in ten opzichte van andere, meer gevestigde waarden, zoals de Oostenrijkse Philharmoniker, de Britse Britannia of de Zuid-Afrikaanse Krugerrand?
Ik geef nog even mee dat 1 troy ounce Belga op dit moment noteert aan 4.065,74 euro en de Oostenrijkse Philharmoniker aan 4.051,93 euro. Doorheen de dag noteerden beide Belgamunten hoger dan de Oostenrijkse Philharmoniker op de website van de Oostenrijkse Munt. Kunt u dat prijsverschil verklaren? Waarom is er met andere woorden een hogere premie op de Belga? Dank u wel.
26.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vereeck, ik meen te hebben genoteerd welke vragen beantwoord moeten worden, maar als dat niet gebeurt, zult u mij zeker corrigeren.
Wat uw eerste vraag betreft, om te voldoen aan de vraag naar gouden investeringsmunten heeft de Koninklijke Munt van België (KMB) in een overheidsopdracht tot het sluiten van een licentieovereenkomst voor de productie- en commerciële exploitatierechten die uitgifte opgenomen in het programma. De gunning vond plaats eind 2025. De licentieovereenkomst loopt tot eind 2029. De aankondiging op 25 maart valt samen met de bekendmaking en publicatie van het jaarlijkse programma met herdenkingsmunten in het Belgisch Staatsblad.
Er zullen twee verschillende soorten stukken van Belga Gold worden uitgegeven. Er is een versie van 1 troy ounce, dus 31,1 gram en 38,6 millimeter, met een nominale waarde van 300 euro. Daarnaast is er een versie van 1/4 troy ounce, 7,78 gram en 22 millimeter, met een nominale waarde van 75 euro.
Beide varianten dragen de naam Belga Gold. Die naam is in de eerste plaats gekozen vanwege de duidelijke link van die naam met ons land. Zodoende zal ook een internationaal publiek de munt gemakkelijker identificeren als een officiële Belgische investeringsmunt. Daarnaast is er een verwijzing naar de historische rekeneenheid Belga, die honderd jaar geleden, in 1926, werd ingevoerd, waardoor ook een numismatische link met het verleden wordt gelegd.
Nu kom ik tot uw negende vraag, volgens de nummering in de oorspronkelijk reeks. Er zijn geen streefcijfers voor de verkoop van de investeringsmunt vastgelegd. Onafhankelijk van de verkoopcijfers ontvangt de Koninklijke Munt van België van de onderaannemer, de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM), een jaarlijkse vaste retributie die contractueel is vastgelegd in de licentieovereenkomst. Afhankelijk van de hoogte van de verkoopcijfers kan een bijkomende retributie worden verkregen.
Wat uw tiende vraag betreft, er zal effectief jaarlijks een uitgifte plaatsvinden van de Belga Gold met een ongewijzigd design, maar met een aangepaste aanduiding van het jaar van uitgifte.
Ik ga nu over naar uw veertiende vraag. Zoals werd vastgelegd in het bestek nr. S&L-DA-2024-115, moet de onderaannemer voor de uitgifte van de investeringsstukken controlestukken opsturen naar het labo van de KMB. Op basis daarvan kan, na een technische analyse, de KMB de goedkeuring verlenen om de productie van de stukken aan te vatten. Aangezien die goedkeuring is gegeven, is de productie door KNM mogelijk. De commercialisatie kan echter pas vanaf vandaag gebeuren, vanaf 25 maart.
Uw zestiende, zeventiende en achttiende vraag neem ik samen. De munten zullen niet worden geproduceerd met goud uit de voorraad van de Nationale Bank van België. Bij de opmaak van het bestek van de overheidsopdracht werd ervoor gekozen om dat vrij te laten aan de onderaannemer. De reden daarvoor is dat de commerciële vrijheden en de licentieovereenkomst het aantrekkelijk moeten maken om zich in te schrijven. Als de licentienemer sterk wordt beperkt in de keuzemogelijkheid om de voordeligste optie te kiezen voor de aankoop van de grondstoffen, zal dat zich ook weerspiegelen in de hoogte van de minimale en bijkomende retributies die daartegenover staan, of zullen potentiële kandidaten mogelijk niet deelnemen aan de openbare aanbesteding.
Tijdens de huidige gunningsperiode zijn er geen andere uitgiften van beleggingsmunten gepland dan de Belga Gold 1 en de Belga Gold 1/4 in goud. De Belga Goldmunten hebben dezelfde karakteristieken als andere internationale investeringsmunten. Die uitgifte zorgt voor een Belgisch alternatief.
Ik kan momenteel het prijsverschil niet verklaren.
26.03 Lode Vereeck (VB): Mijnheer de minister, we zullen naar aanleiding van uw antwoord vervolgvragen indienen. Ik begrijp alvast dat het allemaal nog een beetje heet van de pers is, ook al staat er al heel wat informatie over de Belga Gold bij Belga, het persagentschap.
De naam Belga Gold is internationaal goed herkenbaar, een beetje zoals de Zuid-Afrikaanse Krugerrand, onder andere wegens de historische link. Laten we hopen dat buitenlanders die link niet kennen, want de Belga Gold was in zilver. Dat is dus op zijn zachtst gezegd wat verwarrend.
U fietst wel een beetje omheen de vraag wat de munt nu is; u zult dat echt eens moeten preciseren. U gebruikte daarnet opnieuw het woord investeringsmunt, dan weer hebt u het over een soort herdenkingsmunt. Daar moeten we toch duidelijkheid over krijgen.
U herhaalt naar aanleiding van een andere vraag dat u aan de Koninklijke Nederlandse Munt, die de munt in licentie zal produceren en daarop een retributie betaalt, niet hebt opgelegd dat zij gebruik moet maken van de goudreserve waarop de Belgische overheid, conform artikel 37 van de organieke wet van de Nationale Bank, een beroep kan doen, omdat dat zou kunnen leiden tot een verstoring van de commerciële mogelijkheden.
Dat is natuurlijk heel vreemd, want de Nationale Bank van België, die ertoe verplicht is een deel van haar voorraad beschikbaar te houden voor de Belgische regering voor dit soort herdenkingsmunten, zal dat uiteraard doen tegen marktprijs.
Zij kan, indien mogelijk, zelfs nog iets onder die prijs gaan, aangezien de goudvoorraad op de balans van de Nationale Bank van België bijzonder laag gewaardeerd staat. Dat betekent dus dat elke prijs die nog maar in de buurt komt van de huidige marktprijs, neerkomt op kassa kassa voor de Nationale Bank van België en ook voor de regering, die zich die meerwaarde kan toe-eigenen. Het blijft dus vreemd dat u die verplichting niet oplegt en aan de Koninklijke Nederlandse Munt zegt dat zij maar de markt op moet gaan, terwijl er hier relatief goedkoper goud beschikbaar is, dat voor een serieuze verlichting van uw budgettaire problemen zou kunnen zorgen. Ik ga daarop door, want dit blijft een bijzonder vreemde strategie.
Ik merk trouwens op dat de collega’s van cd&v nog een herdenkingsmunt wensen. Ik weet niet precies naar aanleiding van wat, maar het heeft iets te maken met kroonprinses Elisabeth. Eenentwintig kan zij niet worden, want dat is ze al, maar zij wensen in ieder geval een herdenkingsmunt. Daarover is er een voorstel van resolutie, maar dat hebben we voorlopig nog niet zien passeren. Zij willen daarvoor trouwens wel gebruikmaken van de voorraden van de goudreserve die ter beschikking staan van de regering.
Ik dank u.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.42 uur.
La réunion publique de commission est levée à 15 h 42.