Commissie voor Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Dinsdag 10 maart 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 10 mars 2026

 

Après-midi

 

______

 

Le développement des questions commence à 15 h 30. La réunion est présidée par M. Ismaël Nuino.

De behandeling van de vragen vangt aan om 15.30 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Ismaël Nuino.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

01 Vraag van Paul Van Tigchelt aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De verenigbaarheid van de Peppol-richtlijnen i.v.m gerechtskosten met de btw-wetgeving" (56013650C)

01 Question de Paul Van Tigchelt à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La compatibilité des directives Peppol en matière de frais de justice avec la législation sur la TVA" (56013650C)

 

01.01  Paul Van Tigchelt (Anders.): Voor de efficiëntie verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

 

Vanaf 1 januari 2026 werd de elektronische facturatie via Peppol verplicht voor btw-plichtige dienstverleners. In de recente richtlijnen van de FOD Justitie betreffende de betaling van gerechtskosten wordt bepaald dat:

 

de dienstverlener eerst een kostenstaat moet indienen via Justinvoice;

deze kostenstaat vergezeld moet zijn van vordering en goedkeuring;

de taxatie- en vereffeningsprocedure volledig moet worden doorlopen;

de elektronische factuur pas daarna via Peppol mag worden verzonden;

en dat de betalingstermijn van dertig dagen pas begint te lopen vanaf het ogenblik waarop het dossier “volledig" wordt geacht.

 

Deze problematiek werd blijkbaar aangekaart tijdens overleg met de diensten van de FOD Justitie waarbij men enkel verwees naar een tolerantieperiode inzake Peppol tot 31/03/2026. De bezorgdheden zijn dus groot bij vele prestatieverleners van Justitie. Men stelt zich vragen inzake de verenigbaarheid met de btw-wetgeving, die voorschrijft dat een factuur uiterlijk moet worden uitgereikt op de 15de dag van de maand volgend op de maand waarin de dienst werd verricht;

 

In de praktijk kan de goedkeurings-, taxatie- en vereffeningsprocedure meerdere weken tot zelf maanden in beslag nemen, waardoor dienstverleners mogelijk niet tijdig een factuur kunnen uitreiken binnen de btw-termijn en/of geconfronteerd worden met uitgestelde betaling.

 

Gelet op het voorgaande, wens ik de minister volgende vragen te stellen:

 

Bevestigt de minister dat de schuldvordering van de dienstverlener juridisch pas ontstaat na taxatie en vereffening van de kostenstaat?

 

Als dit niet het geval is, hoe wordt gewaarborgd dat dienstverleners hun btw-verplichtingen tijdig kunnen naleven?

Werd hierover voorafgaand overleg gepleegd met de FOD Financiën?

 

Zal de regering desgevallend verduidelijkende of corrigerende richtlijnen uitvaardigen om rechtszekerheid te bieden aan de betrokken dienstverleners?

 

01.02 Minister Annelies Verlinden: Collega, de kwestie is complex, omdat we de wet betreffende de gerechtskosten moeten verzoenen met de Europese richtlijn, en dat blijkt een moeilijke oefening.

 

De wet op de gerechtskosten bepaalt dat de door een dienstverlener gevorderde bedragen vóór elke betaling moeten worden geverifieerd en getaxeerd. Op dit moment is het niet mogelijk die taxatie te verzekeren uitsluitend op basis van de factuur die via Peppol wordt verzonden. Enerzijds bevat de verplichte inhoud van de factuur niet alle informatie die nodig is voor de taxatie. Anderzijds kunnen de bewijsstukken – namelijk de vordering en de goedkeuring – wegens de AVG niet als bijlage bij de elektronische factuur worden gevoegd.

 

Hoe dan ook hebben wij nooit aangegeven aan de dienstverleners dat een factuur pas ontvankelijk zou zijn nadat de kostenstaat is getaxeerd en vereffend. In de communicatie van 23 december werd aan de dienstverleners gevraagd om eerst in de toepassing Justinvoice alle elementen van het dossier in te voeren – de vordering, de goedkeuring en de kostenstaat – om het Justinvoice-referentienummer te verkrijgen dat op de factuur moet worden vermeld. Met dat nummer kan de boekhoudtoepassing de facturen correct identificeren en doorsturen naar de dossierbeheerder.

 

Het Justinvoice-referentienummer wordt meegedeeld zodra het dossier is aangemaakt en vervolledigd. De dienstverlener kan zijn factuur dus indienen zodra hij over dat nummer beschikt. Aan de dienstverleners is ook duidelijk meegedeeld dat zij hun factuur onmiddellijk via Peppol kunnen indienen nadat ze hun kostenstaat in Justinvoice hebben ingevoerd. Ze moeten niet eerst de goedkeuring van de kostenstaat afwachten.

 

Alleen wanneer in de kostenstaat een fout wordt vastgesteld en een aanpassing vereist is voor de taxatie en vereffening, zal de factuur die via Peppol werd verzonden, niet ontvankelijk zijn. In dat geval zijn de betrokken dienstverleners verplicht een kredietnota uit te schrijven, met alle ongemakken die dat voor hen kan meebrengen.

 

Er zijn inderdaad stappen ondernomen bij de FOD Financiën om te bepalen hoe de btw-verplichtingen het best kunnen worden verzoend met de verplichtingen inzake de gerechtskosten. De FOD Financiën heeft geen formeel standpunt ingenomen, maar wel een verduidelijking van de wet gegeven. Daarbij werd verwezen naar artikel 22bis, § 4, van het Btw-Wetboek, dat bepaalt: "In afwijking van artikel 22, § 1, wordt voor de diensten verricht door een belastingplichtige aan publiekrechtelijke lichamen, als bedoeld in artikel 6, de belasting opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of een deel ervan wordt ontvangen."

 

Het is dus aan de dienstverlener om het bewijs te leveren van een eventuele betalingsachterstand. We zijn momenteel onze procedures aan het herzien en zoeken naar informaticaoplossingen om de moeilijkheden die de dienstverleners ondervinden zoveel als mogelijk te beperken.

 

01.03  Paul Van Tigchelt (Anders.): Dank u voor uw omstandig antwoord, mevrouw de minister.

 

Er zijn nogal wat privéspelers die als deskundigen voor Justitie werken. Zij vragen uiteraard procedures die zo eenvoudig, zo soepel en zo snel mogelijk verlopen. Ik zal in het licht daarvan uw antwoord dan ook zorgvuldig ontleden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De uitvoering van alternatieve straffen na de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek" (56013794C)

02 Question de Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L'application de peines alternatives après l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal" (56013794C)

 

02.01  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, het nieuwe Strafwetboek werd geschreven vanuit de gedachte dat de straf slechts het ultimum remedium mag zijn. Indien die redenering wordt doorgetrokken naar de praktijk, zou dat impliceren dat na de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek veel meer straffen onder elektronisch toezicht zouden kunnen worden uitgesproken. Om daaraan tegemoet te komen, beloofde u vorig jaar dat de federale overheid 4.000 enkelbanden zou financieren. Beloftes doen is één zaak, ze nakomen een andere.

 

Enige tijd geleden verklaarde Vlaams minister Demir in de Vlaamse commissie voor Algemeen Beleid, Financiën, Begroting, Justitie en Onroerend Erfgoed over de financiering van alternatieve straffen door de federale overheid het volgende: "Ik kan niets doen zonder de centen. De middelen moeten volgen. Maar dat federale dotatiesysteem is van de jaren stillekes. Tegen dat wij centen krijgen, tegen dat wij volk kunnen aanwerven, ja, dan denk ik: van twee dingen één. Federaal zegt men dat men meer alternatieve straffen gaat invoeren. Vlaanderen is bevoegd voor die alternatieve straffen, maar wij moeten ze ook kunnen uitvoeren. Wij moeten daar personeel voor aanwerven. We hebben daar middelen voor nodig. Ik kan geen geld uitvinden. Dat federale dotatiesysteem is daar gewoon niet op aangepast. Ik wil wel. Het is niet dat ik zeg dat ik het niet wil. Het Strafwetboek, met meer alternatieve straffen, is goedgekeurd, en dat vind ik goed. Maar het dossier zal worden opgemaakt op de IMC, en de federale collega's zullen daar gewoon een oplossing voor moeten zoeken, want anders zal het niet lukken. Daar zal ik heel eerlijk in zijn. Wij hebben het geld niet. Ik heb geen extra budget, integendeel. Ik ben de minister die het meest moet besparen in deze Vlaamse regering. Dat is nu eenmaal mijn lot. Ik kan geen geld bijdrukken, ik kan geen geld uitvinden. Het federale niveau zal het geld moeten voorzien voor die bijkomende alternatieve straffen, anders gebeurt er gewoon een ramp."

 

Mevrouw de minister, wat is ten eerste uw reactie op de noodkreet van de Vlaamse minister dat er extra federaal geld moet worden vrijgemaakt, bij gebreke waarvan alternatieve straffen in de toekomst niet meer zullen kunnen worden uitgevoerd?

 

Ten tweede, welke stappen hebt u al gezet en wat zult u nog ondernemen om tegemoet te komen aan de vraag van minister Demir om extra financiering? Hoeveel geld zult u daarvoor vrijmaken in 2026, 2027 en 2028?

 

Tot slot, tegen wanneer zal dat geld dan telkenmale worden overgemaakt aan uw Vlaamse collega?

 

02.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, in het nieuwe Strafwetboek is de gevangenisstraf inderdaad het ultimum remedium. Investeren in de uitvoering van alternatieve straffen en maatregelen blijft een prioriteit. De dotatiemechanismen en de prefinanciering die in 2025 werden vastgelegd, vallen echter niet onder het budget Justitie. Zij komen uit de algemene federale middelen.

 

Specifiek voor Justitie kan ik wel meegeven dat onder de huidige budgettaire omstandigheden al een groot deel van de middelen wordt aangewend voor de uitvoering van alternatieve straffen. Zo stelt Justitie onder meer via het Verkeersveiligheidsfonds middelen ter beschikking van de deelstaten voor de uitvoering van alternatieve straffen. Inzake de toewijzing van middelen voor het Verkeersveiligheidsfonds werd in 2023 het percentage verhoogd van 5 naar 9 % om de rol van het rechtssysteem bij de afhandeling van alternatieve straffen te versterken. De verhoging is sindsdien constant gebleven.

 

Wat de totale financiering voor het begrotingsjaar 2025 betreft, werd in het kader van alternatieve straffen en maatregelen een bedrag geraamd op 19.472.304,15 euro aan vastleggingskredieten en 19.081.567,86 euro aan vereffeningskredieten. Het toekomstige federale budget blijft evenwel afhankelijk van de beslissingen van de regering en van de definitieve goedkeuring van de begrotingswet 2026.

 

02.03  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, u hebt een uiteenzetting gegeven over de financiering, maar ik heb geen antwoord gekregen in verband met de enigszins theatrale noodkreet van Vlaams minister Demir – zo kennen we haar wel – in het Vlaams Parlement. Zij zegt heel duidelijk dat ze geen geld en geen extra budget heeft. Ze heeft zelfs letterlijk gezegd dat de alternatieve straffen in de toekomst dan niet meer zullen kunnen worden uitgevoerd. Dat mag toch niet de bedoeling zijn. Ik denk dus, mevrouw de minister, dat het niet onbelangrijk is dat u met uw Vlaamse collega eens rond de tafel gaat zitten om het dossier volledig uit te klaren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van Steven Coenegrachts aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De uitvoeringsmaatregelen inzake de registratie van geluiddempers en nachtzichtkijkers" (56013796C)

03 Question de Steven Coenegrachts à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les mesures d'exécution relatives à l'enregistrement de silencieux et de lunettes de vision nocturne" (56013796C)

 

03.01  Steven Coenegrachts (Anders.): Mevrouw de minister, ik kom terug op een vraag die collega Van Hoecke vorige week heeft gesteld.

 

Op 15 juli 2025 boekte collega Matheï een mooie overwinning in dit Huis toen een wet werd goedgekeurd om nachtkijkers en geluiddempers toe te staan bij de jacht. Dat is belangrijk voor ons als Limburgers, want wij kreunen onder een everzwijnenplaag en die bejaagt men best 's nachts.

 

Het is nu maart 2026 en die wet is nog niet gepubliceerd, laat staan dat er uitvoeringsbesluiten zijn. Uit uw antwoord op de vraag van collega Van Hoecke heb ik begrepen dat hij zijn vraag niet tot u, maar tot uw collega-minister Quintin moet richten. Hij moet een softwareprogramma updaten en dan zou alles in orde komen. Collega Van Hoecke en ikzelf zullen dat pingpongspel wel samen spelen, maar ik kan mij voorstellen dat minister Quintin zich afvraagt waarom hij uitvoeringsbesluiten moet schrijven voor een wet die nog niet gepubliceerd is.

 

Ik kon het antwoord op die vraag niet afleiden uit het antwoord dat u vorige week gaf. Waarom is die wet nog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad?

 

Als collega Quintin daarmee bezig zou zijn, dan werd dat ongetwijfeld besproken op IKW's, waarbij uw kabinet betrokken is. Misschien hebt u daardoor wat meer zicht op de timing die in het vooruitzicht is gesteld.

 

De sector heeft vorig jaar te horen gekregen dat het eindelijk zover is. Hoe verloopt de communicatie met de sector? Hoe informeert u hen? Er heerst immers grote onduidelijkheid op het terrein. Er is een verwachting geschapen en er komt maar geen uitvoering. Ik kijk uit naar uw antwoord.

 

03.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Coenegrachts, ik verwijs naar mijn eerder antwoord in de commissievergadering van 3 maart, op een gelijkaardige vraag van collega Van Hoecke, zoals u al aangaf. Daar duidde ik op de noodzaak van een goede, controleerbare registratie in het Centraal Wapenregister. Daarvoor dient de structuur van die applicatie te worden aangepast. Het blijkt echter niet mogelijk om die aanpassingen te realiseren voor eind juni van dit jaar. Aangezien het project zal worden uitgevoerd onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken, verwijs ik u voor verdere specifieke vragen opnieuw naar hem.

 

Om de rechtszekerheid te waarborgen en te vermijden dat een grijze zone zou ontstaan, wordt gewacht met de bekendmaking van de nieuwe wet in het Belgisch Staatsblad. Bijgevolg blijft de huidige wetgeving voorlopig nog van kracht en is het gebruik van geluiddempers en nachtzichtrichtkijkers vandaag nog niet toegestaan.

 

03.03  Steven Coenegrachts (Anders.): Mevrouw de minister, ik had het zelf al over uw antwoord van vorige week, maar het blijft toch merkwaardig om te zeggen dat u die wet niet kunt uitvoeren omdat ze niet is gepubliceerd, terwijl u degene bent die ze moet publiceren. Ik hoop dat er niet veel plenair goedgekeurde wetten ergens in een schuif liggen te wachten tot we onze informaticasystemen hebben geüpdatet. Dat verklaart trouwens nog niet waarom men het informaticasysteem niet heeft kunnen bijwerken tussen juli van vorig jaar en juni van dit jaar. Ik weet dus niet goed wat er aan de hand is.

 

Ik kan alleen kijken naar de diensten die een tegenadvies hebben geformuleerd, bijvoorbeeld de Centrale Wapendienst van de FOD Justitie. Die valt wel onder uw bevoegdheid en was tegen die wet gekant. Het valt me op dat binnen de FOD Justitie geen initiatief wordt genomen tot publicatie van die wetgeving.

 

U zegt dat minister Quintin een nieuw informaticasysteem moet optuigen of minstens het systeem moet bijwerken. Men heeft bij de politie goede ervaringen met nieuwe informaticasystemen. We zullen zien wat dat geeft. We zullen de vraag ook aan de minister stellen.

 

Er ligt echter ook een verantwoordelijkheid bij de FOD Justitie, binnen uw bevoegdheden, en die werd genegeerd. Ik hoop dus dat u snel zult overgaan tot publicatie van die wetgeving, ongeacht wat sommige mensen binnen sommige diensten van de FOD daarvan denken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van Alexander Van Hoecke aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Het onontvankelijk verklaren van de strafvordering na falend gevangenentransport" (56013807C)

04 Question de Alexander Van Hoecke à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La déclaration d'irrecevabilité d'une action pénale à la suite d'un défaut de transport de détenu" (56013807C)

 

04.01  Alexander Van Hoecke (VB): Eind 2025 kwamen kort na elkaar twee gevallen in de media waarbij een strafvordering onontvankelijk werd verklaard en de verdachte werd vrijgelaten, omdat de beklaagde meermaals niet kon worden overgebracht vanuit de gevangenis. Het eerste geval vond plaats in Brugge. Daar stond een Eritreeër terecht die illegaal in het land verbleef en verdacht werd van mensensmokkel. De correctionele rechtbank van Brugge verklaarde de strafvordering onontvankelijk, nadat de beklaagde meermaals niet naar de rechtbank kon worden overgebracht. In december 2025 stelde u naar aanleiding van dat voorval dat het openbaar ministerie ondertussen beroep had aangetekend tegen die beslissing, wat mij heel logisch lijkt.

 

Een tweede voorval gebeurde in Gent, eveneens voor de correctionele rechtbank. Daar stond een man in voorarrest terecht die tot vijf keer toe niet vanuit de gevangenis kon worden overgebracht. Opnieuw verklaarde de strafrechter de strafvordering onontvankelijk om dezelfde reden. In de vergadering van de commissie voor Justitie van 7 januari 2026 kon u nog geen antwoord geven op de vraag of het parket ook daar beroep had aangetekend tegen de beslissing van de Gentse correctionele rechtbank. Ik heb u daarna in een schriftelijke vraag dezelfde vraag nog eens gesteld. U antwoordde toen dat het niet mogelijk was het betrokken dossier te preciseren, ondanks dat mijn schriftelijke vraag verwees naar de vraag in de commissie en u er eerder al op was ingegaan.

 

Daarom stel ik de vragen hier opnieuw.

 

Ten eerste, kunt u ondertussen meer duidelijkheid geven over de kwestie? Werd door het parket al dan niet beroep aangetekend tegen de beslissing van de Gentse correctionele rechtbank?

 

Ten tweede, hanteert het parket richtlijnen in dergelijke zaken? Bestaat er een structuur in de beslissingen van het parket om al dan niet in beroep te gaan?

 

Ten derde, bestaat er een voornemen om, wanneer dat mogelijk is, altijd in beroep te gaan wanneer strafvorderingen onontvankelijk worden verklaard wegens het niet overbrengen of het herhaaldelijk niet overbrengen van de verdachte?

 

04.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Van Hoecke, het openbaar ministerie heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 4 december van de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Zowel in die zaak als in de Brugse zaak is het nog wachten op de uitspraak in beroep. Het al dan niet aantekenen van hoger beroep is altijd een geïndividualiseerde beslissing waarbij rekening wordt gehouden met de concrete omstandigheden eigen aan de zaak.

 

04.03  Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, het doet mij plezier om te horen dat er wel degelijk beroep is aangetekend. Ik ben het in bepaalde mate eens met de stelling dat beroep aantekenen steeds een geïndividualiseerde beslissing is. Ik denk echter dat dat niet het geval mag zijn als een strafvordering onontvankelijk wordt verklaard en wanneer de verdachte wordt vrijgesproken door de rechter, omdat de DAB er niet in slaagt iemand vanuit de gevangenis over te brengen.

 

Als de overbrenging tot acht keer toe niet lukt en de rechter daarop beslist de strafvordering onontvankelijk te verklaren, dan zou het de regel moeten zijn dat het openbaar ministerie in zulke gevallen steeds hoger beroep aantekent. We mogen immers nooit aanvaarden dat iemand vrij zou komen, doordat hij niet van de gevangenis naar de rechtbank kan worden overgebracht om zijn eigen rechtszaak bij te wonen. Ik pleit er dus voor om in zulke gevallen steeds beroep aan te tekenen.

 

Ik heb in een schriftelijke vraag ook gepeild naar het aantal mislukte overbrengingen vanuit de gevangenis. Uit de gegevens die ik heb ontvangen, blijkt dat er duidelijk een probleem is, aangezien de cijfers stijgen en er grote verschillen bestaan tussen de gevangenissen. Het zou naïef zijn te geloven dat het bij die twee keer is gebleven. Ik verzoek u daarom om er bij het openbaar ministerie op aan te dringen een duidelijke richtlijn in te stellen, opdat er nooit iemand vrijkomt wegens het niet kunnen bijwonen van de eigen rechtszaak.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van Sophie De Wit aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De ontmoeting met slachtoffers van seksueel misbruik in de Kerk en aartsbisschop Luc Terlinden" (56013825C)

05 Question de Sophie De Wit à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La rencontre avec les victimes d'abus sexuels dans l'Église et l'archevêque Luc Terlinden" (56013825C)

 

05.01  Sophie De Wit (N-VA): Mevrouw de minister, vorige week hebben we in de media vernomen – een collega heeft daar donderdag ook al een vraag over gesteld – dat u op woensdag 4 maart een ontmoeting hebt gehad met enkele slachtoffers van seksueel misbruik in de Kerk en met aartsbisschop Terlinden. Tijdens die ontmoeting zou onder meer gesproken zijn over het herstelfonds voor de slachtoffers.

 

U weet dat we met de onderzoekscommissie tijdens de vorige legislatuur een eindrapport hebben opgesteld, in mei 2024, met heel wat aanbevelingen. De oprichting van een herstelfonds voor de slachtoffers was daar een van. Er werd ook aanbevolen om een interfederale commissaris aan te stellen en een onafhankelijk expertisecentrum rond seksueel misbruik uit te bouwen. Daarover gaan mijn vragen.

 

Ik heb vernomen dat uit het overleg met de aartsbisschop wel iets uit de bus is gekomen. Misschien kunt u vandaag wat meer verduidelijken wat de stand van zaken is van de oprichting van het herstelfonds voor de slachtoffers. Wanneer zou dat fonds effectief kunnen worden opgericht en operationeel kunnen zijn?

 

Daarnaast had ik graag van u vernomen hoever het staat met de aanstelling van een interfederale commissaris. U weet dat er ondertussen een nieuwe groep is opgericht die vraagt om een soort ombudsman of ombudsvrouw. Wanneer verwacht u de aanduiding van zo’n commissaris? Wanneer zou hij of zij dat mandaat kunnen opnemen?

 

Ten slotte is er nog het expertisecentrum, mevrouw de minister. Dat was ook een van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie. Wat is daar vandaag de stand van zaken?

 

Ik heb nog een bijkomende vraag, die ik niet vooraf had ingediend. U hebt vorige week samengezeten met de heer Terlinden en een aantal slachtoffers. Hoe werd bepaald wie er mee aan tafel zat? Er zijn namelijk verschillende slachtofferverenigingen en ook heel wat individuele slachtoffers. Wat is precies de doelstelling en de opzet van zo’n overleg? Hoe wordt de samenstelling van die groep bepaald om tot een bepaald besluit, voorstel of akkoord te komen?

 

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

 

05.02 Minister Annelies Verlinden: Collega De Wit, in de eerste plaats heb ik vorige week geluisterd naar wat de slachtoffers mij wilden toevertrouwen. Daarnaast heb ik hun opnieuw – zoals ik eerder al deed – mijn volle steun toegezegd, zowel vanuit Justitie als namens de regering. Hoewel elk verhaal anders is, hebben de slachtoffers ondraaglijk leed geleden en dragen ze dat in vele gevallen nog altijd met zich mee.

 

Ik heb de voorbije maanden en jaren veel slachtoffers ontmoet, onder wie ook een aantal mensen die ik de afgelopen week opnieuw kon spreken. Hun ervaringen en vragen geven richting aan de opdracht die voor ons ligt: bouwen aan een Justitie die toegankelijk, rechtvaardig en betrouwbaar is voor slachtoffers. Dat beschouw ik als een van mijn kernopdrachten als minister van Justitie, een opdracht die ik elke dag ter harte neem.

 

Sinds mijn aantreden als minister van Justitie maken we daarom werk van de uitvoering van de aanbevelingen van de POC voor de slachtoffers binnen en buiten de Kerk. Zo kiezen we ervoor om voor de financiële compensatie gebruik te maken van de bestaande en ervaren structuren, zodat we snel maar ook kwaliteitsvol kunnen werken.

 

Zoals ik vorige week al heb toegelicht tijdens de plenaire vergadering, willen we binnen de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden specifieke kamers oprichten die de dossiers van seksueel misbruik zullen beoordelen. In die kamers zullen deskundigen zetelen met expertise in de omgang met slachtoffers van seksueel misbruik. Zij zullen dus met kennis van zaken kunnen oordelen over de toekenning van financiële hulp aan slachtoffers.

 

De middelen zullen afkomstig zijn uit het bestaande slachtofferfonds. Dat wordt gespijsd door bijdragen van veroordeelde daders van misdrijven en – voor slachtoffers van misbruik in de Kerk – door de Kerk zelf. De Kerk heeft zich daartoe geëngageerd. Op mijn initiatief hebben mijn diensten daarvoor de nodige teksten voorbereid. We bespreken die plannen zo snel mogelijk binnen de regering.

 

Daarnaast speelt het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen een belangrijke rol in de uitvoering van meerdere aanbevelingen, mede gelet op zijn coördinerende rol inzake de zorgcentra na seksueel geweld en – dat is ook hun expertise – inzake gendergerelateerd geweld.

 

In uitvoering van de aanbevelingen zal ook een afzonderlijk expertisecentrum voor minderjarige slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden opgericht, gelet op de specifieke noden van die groep slachtoffers. In samenspraak met het Instituut wordt bekeken hoe dat expertisecentrum het best kan worden opgericht en vormgegeven. Daarbij wordt ook onderzocht of en hoe een interfederaal commissaris leiding kan geven aan het expertisecentrum.

 

Met die maatregelen zetten we verdere stappen naar een beleid dat slachtoffers ernstig neemt, deskundig begeleidt en op een respectvolle manier ondersteunt. Veel van wat vandaag op tafel ligt, zal vanzelfsprekend nog worden overlegd met de slachtoffers en met alle betrokken partijen. Dat is essentieel om tot gedragen oplossingen te komen. Dat hebben de slachtoffers zelf ook aangegeven. Er moet dringend vooruitgang worden geboekt. Daarom heb ik niet geaarzeld om de voorstellen heel concreet te laten uitwerken.

 

Niemand kiest ervoor om slachtoffer te worden, maar elk slachtoffer moet wel kunnen rekenen op een overheid die bereid is mee te helpen dragen, vandaag, morgen en zolang als nodig.

 

We hebben de aanwezigheid van slachtoffers georganiseerd via de stichting Dignity. Die is zelf met voorstellen gekomen. Omdat het inderdaad niet mogelijk is om alle slachtoffers persoonlijk te ontmoeten, heeft Dignity die vertegenwoordiging zelf bepaald.

 

05.03  Sophie De Wit (N-VA): Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

 

Dat het complex is, dat er veel werk aan de winkel is en dat het tijd en inspanningen vraagt, daarvoor heb ik alle begrip. Tegelijk heb ik ook begrip voor de slachtoffers. Voor hen duurt het allemaal erg lang. Het blijft soms moeilijk om uit te leggen waarom het zo lastig is om wat wij twee jaar geleden in de onderzoekscommissie op papier hebben gezet, effectief in de realiteit om te zetten. Alles was goed bedoeld en met de beste intenties opgesteld, maar de concrete uitvoering vraagt tijd en energie.

 

Ik hoor nu dat de stichting heeft bepaald wie er mee aan tafel zat. Ik kan u zeggen – op basis van de informatie die ik binnenkrijg – dat dit bij andere slachtoffergroepen toch zwaar valt. Er zijn immers veel slachtoffers en verschillende verenigingen. Wanneer u met één groep contact hebt, voelt een andere groep zich al snel vergeten. Het is ieders recht om daarover vragen te stellen. Ik denk bijvoorbeeld aan de mensen van de werkgroep die destijds met de reportage de kat de bel hebben aangebonden. Zij voelen zich nu een beetje opzijgeschoven. Het lijkt mij daarom belangrijk dat we blijven proberen om met elke slachtoffergroep in overleg te gaan en dat we hen allemaal een plaats en een stem geven in het debat. Ook dat maakt deel uit van de erkenning die slachtoffers verdienen.

 

Daarnaast merk ik dat er bij slachtoffers ook veel verwarring bestaat. Vorige week was er bijvoorbeeld de tv-documentaire Brief aan de paus, maar daaraan voorafgaand was er ook een uitzending van De Afspraak, waar een slachtoffer aanwezig was. Alles liep daar door elkaar. Het ging over clandestiene vergaderingen, aanbevelingen en afspraken. De onderzoekscommissie, de ontmoetingen en de verschillende initiatieven worden dus door elkaar gehaald.

 

Daarom denk ik dat het belangrijk is dat er met de slachtoffers zeer duidelijk wordt gecommuniceerd. Het is complex, maar zij moeten kunnen blijven volgen wat er gebeurt. Zo vermijden we misverstanden die ertoe kunnen leiden dat slachtoffers zich nog ongelukkiger voelen.

 

Ik weet dat veel mensen met de beste bedoelingen proberen een oplossing te vinden om aan hun leed tegemoet te komen.

 

05.04 Minister Annelies Verlinden: Wij werden ook rechtstreeks gecontacteerd en hebben gezegd dat iedereen die wilde komen, welkom was. We hebben dus zelf geen selectie gemaakt. Het klopt dat slachtoffers elkaar soms sneller of gemakkelijker vinden dan anderen. Uiteraard hebben wij ook niet alle slachtoffers gecontacteerd.

 

05.05  Sophie De Wit (N-VA): Dat begrijp ik ook, maar er zijn groepen die in het verleden al in het Parlement werden ontvangen en die veel zaken hebben aangekaart. Zij stellen zich nu – ik formuleer het voorzichtig – vragen bij de selectie die door de stichting gemaakt is. Daar bent u uiteraard niet voor verantwoordelijk, dat begrijp ik.

 

Misschien kunnen de mensen van de stichting daar toch aandacht voor hebben en proberen ervoor te zorgen dat vanuit meerdere slachtofferverenigingen een stem kan worden gehoord. Dat lijkt mij belangrijk om het evenwicht te bewaren en om iedereen de erkenning te geven die hij of zij verdient.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Questions jointes de

- Khalil Aouasti à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La ratification de la Convention pour la protection de la profession d’avocat" (56013826C)

- Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La non-ratification de la Convention pour la protection de la profession d’avocat (Conseil Europe)" (56014001C)

06 Samengevoegde vragen van

- Khalil Aouasti aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De ratificatie van het Verdrag ter bescherming van het beroep van advocaat" (56013826C)

- Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De niet-ratificatie v.h. Verdrag ter bescherming van het beroep van advocaat (Raad van Europa)" (56014001C)

 

06.01  Khalil Aouasti (PS): Madame la ministre, le 12 mars 2025, le Conseil de l’Europe a adopté une Convention pour la protection de la profession d’avocat. Cette Convention a été signée en mai 2025 mais n'a pas encore été ratifiée à ce jour.

 

Cette Convention vise à uniformiser les garanties offertes aux avocats sur l'ensemble du territoire du Conseil de l'Europe – certains pays en ont besoin – et à consacrer un socle minimal de protections, incluant notamment l’indépendance de l’exercice professionnel, la liberté d’expression professionnelle, la protection contre les menaces, agressions et ingérences indues, le respect du secret professionnel et l’existence de procédures disciplinaires équitables et indépendantes.

 

Compte tenu de l’augmentation documentée des agressions, menaces et pressions dirigées contre des avocates et avocats et qui mettent en péril l’exercice indépendant de leur profession au sein des États composant le Conseil de l’Europe, il apparait nécessaire de veiller à ce que le nombre minimal de pays ayant ratifié la convention pour lui permettre d’entrer en vigueur soit atteint le plus rapidement possible, ce nombre minimal étant de huit. En effet, pour que cette convention produise des effets juridiques, elle doit être ratifiée par ces huit États. La Belgique pourrait être parmi les huit États pionniers.

 

Madame la ministre, quelles sont les intentions précises du gouvernement fédéral quant à la ratification de cette convention signée en mai 2025? Pourriez-vous me communiquer un calendrier de ratification? Avez-vous des contacts avec d’autres États européens pour veiller à une entrée en vigueur rapide de cette convention?

 

06.02  Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

 

Op 12 maart 2025 nam het Comité van Ministers van de Raad van Europa het Verdrag ter bescherming van het beroep van advocaat aan. Dit Verdrag heeft een duidelijke doelstelling: advocaten moeten in volledige onafhankelijkheid  hun beroep kunnen uitoefenen worden gevrijwaard van intimidatie, druk of inmenging bij de uitoefening van hun beroep. Advocaten spelen immers een essentiële rol bij het recht van verdediging, de toegang tot de rechter en het functioneren van de rechtsstaat. De Orde van Vlaamse Balies spreekt van een historisch Verdrag als krachtig signaal: “Advocaten zijn een fundament van de rechtsstaat. Wie een advocaat intimideert, ondermijnt het recht op verdediging, op een eerlijk proces en op toegang tot  de rechter. Dit verdrag erkent die essentiële rol en biedt een internationaal bindend kader voor hun bescherming", zo stelde de voorzitter van de OVB terecht.

 

Het verdrag treedt in werking wanneer 8 landen dit hebben geratificeerd waarvan 6 lidstaten van de Raad van Europa. Ons land heeft dit verdrag meeondertekend en onderschrijft principieel de doelstellingen. Maar tot op heden blijft ons land in gebreke dit verdrag te laten ratificeren door het parlement. Nochtans is het beschermen van de onafhankelijkheid van de advocatuur zeer belangrijk.

 

Kan de minister mij mededelen waarom een jaar na ondertekening er nog geen stappen zijn ondernomen om de ratificatieprocedure op te starten?

 

Werden er juridische of andere bezwaren vastgesteld die de ratificatie vertragen?

 

Heeft de minister reeds een voorstel geformuleerd aan de regering betreffende een concrete planning voor de ratificatie van dit verdrag? Zo ja, wanneer kan er een wetsontwerp worden verwacht? Wat is de concrete timing? Zo neen, zal de minister zich engageren om dit verdrag op korte termijn te laten ratificeren zodat dit ook effectief kan bijdragen aan de bescherming van de advocatuur?

 

Kan de minister mij mededelen welke landen dit verdrag reeds hebben geratificeerd?

 

06.03  Annelies Verlinden, ministre: La Convention du Conseil de l'Europe pour la protection de la profession d'avocat comporte des garanties ayant notamment trait à l'indépendance et au secret professionnel des avocats, à la liberté d'expression et à l'accès aux clients. Elle vise en outre à offrir aux avocats une protection contre des provocations telles que l'intimidation, la pression, la violence ou les représailles, car force est de constater que, malheureusement, les avocats n'y échappent pas – même en Belgique.

 

La Belgique a signé la Convention le 14 mai 2025 et souhaite évidemment la ratifier dans les meilleurs délais. La Commission européenne a en effet indiqué que, ce texte relevant de la compétence de l'Union européenne, les États membres sont en attente d'une décision de celle-ci avant de pouvoir ratifier la Convention.

 

Lors du Conseil Justice et Affaires intérieures (JAI) de vendredi dernier, j'ai également demandé, avec plusieurs de mes homologues européens, à la Commission de traiter ce dossier en priorité et de prendre une initiative. Le commissaire à la Justice a confirmé qu'il le ferait.

 

Er zijn geen juridische bezwaren die de ratificatie van het verdrag vertragen. De enige reden dat er vandaag nog geen voorstel is geformuleerd, ligt bij de gelijktijdige bevoegdheid van de Europese Unie en de Europese landen en het ontbreken van een beslissing van de Europese Unie met het oog op het sluiten van het verdrag.

 

Volgens de recentste informatie waarover ik beschik – die ik dus kreeg nadat ik tijdens de vorige Europese Raad voor Justitie op de kwestie had aangedrongen – wordt eraan gewerkt in de komende weken. Zodra de beslissing is genomen, zullen we uiteraard alles in het werk stellen om op korte termijn naar het Parlement te komen met het wetsontwerp tot ratificatie, zodat het instrument mee kan worden ingezet voor de effectieve bescherming van zowel individuele advocaten als de advocatuur in haar geheel. Als een advocaat een cliënt niet veilig kan verdedigen, is dat immers niet alleen een aanval op de rechten van de cliënt, maar ook een op onze rechtsstaat.

 

Het verdrag werd op heden ondertekend door 28 landen, waarvan 21 Europese lidstaten, maar werd nog in geen van die landen geratificeerd.

 

Nous sommes en concertation avec d'autres pays européens à ce sujet et mes services suivent de près l'évolution de la situation.

 

06.04  Khalil Aouasti (PS): Effectivement, madame la ministre, vous soulignez vous-même que, même dans un pays évolué comme la Belgique, certains avocats subissent des intimidations et des pressions dans l'exercice de leur profession. Pas plus tard que jeudi dernier, certains collègues parlementaires dans cette assemblée ont tenu des propos désastreux à l'endroit d'avocats qui exercent simplement leur métier, promeuvent les droits de l'homme et défendent toute une série de situations complexes. Je plaide dès lors sincèrement pour que cette convention puisse être ratifiée le plus rapidement possible.

 

J'entends qu'il faut une concomitance avec la Commission européenne et que vous n'avez pas à ce stade d'agenda ou de calendrier à ce niveau. J'ose espérer que la Commission européenne ne sera pas paralysée par ses membres hongrois ou autres qui, aujourd'hui, n'offrent pas à nos confrères et consœurs les mêmes garanties et le même cadre de travail que ceux qui existent sur le territoire belge.

 

J'ose espérer également que cette Convention entrera en vigueur le plus rapidement possible parce qu'elle offre des outils, notamment judiciaires, pour permettre à des avocats d'autres pays européens de défendre leurs collègues qui font l'objet de pressions, d'intimidations. Ces comportements continuent malheureusement d'exister aujourd'hui, heureusement pas tant que ça en Belgique, mais singulièrement dans d'autres États européens.

 

06.05  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, het is een belangrijk verdrag, daarover is iedereen het eens. Advocaten spelen inderdaad een essentiële rol bij het recht van verdediging, de toegang tot het recht en zelfs het functioneren van de rechtstaat. Ik noteer uit uw antwoord dat op korte termijn de nodige stappen kunnen worden gezet naar goedkeuring in Europa, zodat u met een ontwerp naar het Parlement kunt komen, waarvoor u dan hopelijk de urgentie zult vragen, zodat het spoedig kan worden goedgekeurd.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de Lydia Mutyebele Ngoi à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La prise en charge médicale en prison" (56013828C)

07 Vraag van Lydia Mutyebele Ngoi aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "Medische zorg in de gevangenis" (56013828C)

 

07.01  Lydia Mutyebele Ngoi (PS): Madame la ministre, le 19 février 2026, un détenu âgé de 27 ans est décédé dans sa cellule à la prison de Mons, quelques heures seulement après avoir été transféré aux urgences de l'hôpital Ambroise Paré où il s'était présenté pour des douleurs importantes. Selon les informations rendues publiques, notamment par RTL, et confirmées par l'administration pénitentiaire le dimanche suivant, l'intéressé avait été examiné à l'hôpital avant d'être autorisé à regagner l'établissement pénitentiaire, où il a ensuite été retrouvé sans vie.

 

Une enquête judiciaire est en cours et il appartient évidemment à celle-ci d'établir les circonstances exactes du décès. Toutefois, au-delà de ce cas individuel, cet événement remet au centre du débat une problématique dénoncée de longue date par les professionnels de santé: celle de la continuité des soins entre l'hôpital et le milieu carcéral, dans un système pénitentiaire confronté à une défaillance structurelle croissante. Plusieurs médecins intervenant en prison soulignent, en effet, la complexité des profils médicaux rencontrés en détention: pathologies chroniques, troubles psychiatriques, addictions, traumatismes ou encore vieillissement prématuré.

 

Madame la ministre, au-delà de l'émotion légitime suscitée par ce drame, plusieurs questions se posent aujourd'hui. Pouvez-vous préciser quels protocoles encadrent actuellement la décision de renvoyer un détenu en prison après une prise en charge hospitalière? Comment la continuité du suivi médical est-elle assurée dans ces situations?

 

Des évaluations ont-elles été menées concernant les risques liés aux retours rapides en détention après un passage aux urgences, notamment dans un contexte de surpopulation carcérale et de manque de personnel médical?

 

Quelles mesures le gouvernement envisage-t-il afin de renforcer la coordination entre les services hospitaliers et l'administration pénitentiaire pour garantir un suivi médical sécurisé des personnes détenues?

 

Enfin, ce drame conduit-il le gouvernement à envisager des adaptations structurelles visant à assurer pleinement l'égalité d'accès aux soins pour les personnes privées de liberté?

 

07.02  Annelies Verlinden, ministre: Madame Mutyebele, tout d'abord, j'aimerais souligner le fait que chaque décès en détention est bien évidemment un événement particulièrement tragique. Il est évident que nous prenons cette situation très au sérieux et que les circonstances de ce décès font l'objet d'une enquête.

 

En ce qui concerne la décision médicale, il appartient en premier lieu à l'hôpital de déterminer si l'état d'un patient est suffisamment stable pour qu'il puisse quitter l'hôpital et retourner à son lieu de séjour, en l'occurrence la prison. En pratique, les services médicaux hospitaliers et les services médicaux de la prison sont en contact régulier pour faire le point sur la situation médicale du patient et communiquent les informations de prise en charge afin d'assurer la continuité des soins.

 

Je tiens également à souligner que nous travaillons à la réforme et au transfert des soins de santé pénitentiaires avec mon collègue chargé de la Santé publique. L'objectif de cette démarche est précisément d'aboutir à des soins de santé en détention équivalents à ceux dispensés à l'extérieur et à une continuité optimale de ceux-ci.

 

Dans ce cadre, 2,5 millions d'euros ont été prévus cette année pour lancer des projets pilotes dans plusieurs prisons où le transfert des soins de santé pénitentiaires sera testé. Pendant cette législature, nous continuerons donc à travailler à leur transfert complet.

 

07.03  Lydia Mutyebele Ngoi (PS): Merci pour votre réponse, madame la ministre.

 

Il est vrai qu'un processus est appliqué, mais il doit sans doute être amélioré, au vu de l'évolution des choses.

 

J'aimerais juste vous rappeler qu'une peine carcérale est une sanction, mais également un projet de réinsertion. On ne perd pas tous ses droits en entrant en prison. Cela signifie qu'en tant que représentante de notre État de droit, vous devez donner les moyens à la fonction carcérale de remplir ses devoirs de manière optimale. Un détenu n'est pas une personne dont on arrache la dignité. L'accès aux soins est un droit qui doit être assuré. Le cas de cette personne morte en prison par manque d'accès aux soins par soupçons perpétuels doit être un rappel à vos responsabilités. Il faut que son décès ne soit pas vain, mais qu'il signifie le début d'une véritable considération des besoins et des droits des détenus. C'est comme cela que nous ferons de la prison un véritable projet de réinsertion.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de Lydia Mutyebele Ngoi à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La présence de Belges dans l'armée israélienne" (56013829C)

08 Vraag van Lydia Mutyebele Ngoi aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De Belgen in het Israëlische leger" (56013829C)

 

08.01  Lydia Mutyebele Ngoi (PS): Madame la ministre, des informations relayées ces dernières semaines indiquent que plusieurs centaines de ressortissants belges disposant également de la nationalité israélienne auraient servi au sein des forces de défense israéliennes au cours de la période la plus intense du conflit à Gaza. Les chiffres cités dans la presse varient à ce stade. Ni leur statut exact ni leur lieu de déploiement ne sont établis de manière vérifiable.

 

Dans un contexte où l’armée israélienne est responsable d’un génocide à Gaza, la Belgique doit se doter d’une méthode claire pour traiter, de manière individualisée, la situation des ressortissants belges ayant servi dans une armée étrangère impliquée dans un conflit faisant l’objet d’accusations aussi lourdes.

 

Je rappelle qu’en septembre 2025, le gouvernement a acté une orientation permettant au parquet fédéral de poursuivre tout Belge ou résident belge qui se serait rendu coupable de violations graves du droit international humanitaire ou d’infractions terroristes dans ce contexte. Le parquet a indiqué que des enquêtes pourraient être ouvertes au cas par cas. Nous avons déjà vu en Belgique, à la suite de plaintes, que des personnes présentées comme membres de l’armée israélienne ont fait l’objet d’actes policiers et de démarches judiciaires alors qu’elles se trouvaient sur notre territoire. Cela montre que la question n’est pas théorique.

 

Madame la ministre, quelle est la doctrine belge, à la fois juridique et opérationnelle, face à la présence de ressortissants belges ayant servi dans ce conflit et comment garantissez-vous que la Belgique remplit pleinement ses obligations internationales? Existe-t-il aujourd’hui une chaîne opérationnelle claire entre les autorités compétentes pour vérifier rapidement les éléments pertinents et déterminer les suites à donner? Comment l’orientation décidée en septembre 2025 se traduit-elle concrètement dans la pratique? Dispose-t-on d’un dispositif suffisamment structuré pour vérifier, lorsqu’un dossier le justifie, où des ressortissants belges ont servi et si des faits précis peuvent relever de la compétence des juridictions belges? Enfin, quelles garanties pouvez-vous donner quant à l’existence de critères de traitement cohérents afin d’éviter toute forme d’arbitraire ou de politisation des dossiers?

 

08.02  Annelies Verlinden, ministre: Madame Mutyebele, en ce qui concerne laccord intervenu en kern le 2 septembre 2025, celuici a effectivement prévu quil soit fait usage du droit dinjonction positive en vue de poursuivre tout Belge ou toute personne ayant sa résidence habituelle en Belgique qui, en Israël ou dans les territoires palestiniens occupés, se serait rendu coupable dune violation grave du droit international humanitaire et/ou dune infraction terroriste.

 

Le parquet fédéral confirme que tout fait relevant des compétences des juridictions belges en matière de droit international humanitaire et de terrorisme donne systématiquement lieu à l’ouverture d’un dossier répressif, afin d’en examiner les éléments et d’apprécier les suites judiciaires appropriées. Cela vaut également pour les potentiels crimes commis en Israël ou dans les territoires palestiniens occupés.

 

Le parquet fédéral saisit ensuite les enquêteurs de la police judiciaire fédérale afin de procéder à l’examen de ces éléments, notamment quant à leur fiabilité.

 

Suite à l’accord du kern du 2 septembre, j’ai adressé une lettre au procureur fédéral l’invitant à accorder une attention particulière à cette problématique. Une concertation a par ailleurs été organisée entre le parquet fédéral et ma cellule stratégique afin d’assurer un suivi de cette orientation, dans le respect des compétences de chacun et en tenant compte des capacités disponibles.

 

Conformément au principe de la séparation des pouvoirs, l’appréciation des faits, l’ouverture d’enquêtes et l’engagement éventuel de poursuites relèvent exclusivement de la compétence de l’autorité judiciaire.

 

08.03  Lydia Mutyebele Ngoi (PS): Merci, madame la ministre, pour votre proactivité. Je vous remercie sincèrement pour votre réponse.

 

Je voudrais insister sur le fait qu’il est essentiel de veiller à l’application effective des décisions prises en kern, car certaines – comme celle relative aux produits des colonies – ne sont pas toujours respectées. Je vous invite donc à rester attentive à ce sujet.

 

La responsabilité d’un soldat dans des crimes de guerre, des crimes contre l’humanité et un génocide est établie en jurisprudence, rappelonsle, même lorsquil prétend navoir fait que suivre des ordres. Lorsquune commission denquête de lONU ainsi que les plus grandes ONG de défense des droits humains parlent de génocide commis par l'armée israélienne à Gaza, il est de notre devoir de mettre tout en œuvre pour rendre justice aux victimes et à leur mémoire, dans le respect de nos responsabilités.

 

Bien sûr, j’ose espérer que tous les soldats belgoisraéliens présents à Gaza nont pas commis de tels crimes. Mais lampleur des faits nous pousse à adopter une attitude proactive et responsable. Jespère donc que vous mettrez tous les moyens nécessaires à disposition pour enquêter au cas par cas, à la hauteur de nos responsabilités et de la gravité de ces situations.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De oorzaken van de staking in de gevangenis van Wortel" (56013862C)

09 Question de Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les causes de la grève à la prison de Wortel" (56013862C)

 

09.01  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, afgelopen woensdag was er opnieuw een staking in de gevangenis van Wortel, ditmaal niet alleen wegens de overbevolking, de erbarmelijke infrastructuur met defecte camera's, kapotte veiligheidscellen en slecht sluitende deuren, maar wegens het gebrek aan respect van de directeur voor de cipiers. Zij voelen zich absoluut niet gesteund, integendeel. De aanleiding was de zware agressie, tot tweemaal toe, door een gedetineerde waarbij vijf cipiers gewond zijn geraakt. Daarvoor werd de dader te licht gestraft, vijf dagen strafcel in plaats van negen dagen, wat voor een dergelijk geval van zware agressie de logica had moeten zijn. De cipiers zijn bijzonder teleurgesteld, doordat de directie niet resoluut kiest voor hun bescherming en veiligheid, maar de zijde van de gedetineerde verkiest, getuige de veel te lichte sanctie.

 

Het klimaat van straffeloosheid weegt zwaar op de motivatie en het welzijn van het personeel. "Het personeel is op, uitgeput en woedend. Ze vragen geen overbodige luxe, enkel respect, veiligheid en werkbare omstandigheden", lezen we in een mededeling. Ze zijn duidelijk: het aanhoudende en escalerende sociaal conflict tussen het personeel en de directie heeft een hoogtepunt bereikt.

 

Bent u op de hoogte van het aanhoudende en escalerende sociaal conflict? Wat is uw standpunt? Welke initiatieven zult u bij hoogdringendheid nemen om een einde te maken aan de houding van de directie, die blijkbaar niet kordaat opkomt voor de bescherming en het welzijn van de cipiers? Hoogdringendheid is hier aan de orde, aangezien alsmaar meer cipiers dreigen te vertrekken, met een nog groter personeelstekort tot gevolg.

 

Het is niet de eerste keer dat er kritiek komt op de houding van de directeur tegenover de cipiers. De moeilijke relatie sleept al lange tijd aan. Cipiers spreken zelfs van een toxisch leiderschap. Enkele maanden geleden is de directie van het gevangeniswezen langsgekomen om te luisteren naar de grieven van het personeel. Het personeel riep toen op tot meer open gesprekken en meer overleg om te komen tot een constructieve oplossing. Dat heeft duidelijk geen positieve resultaten opgeleverd. Hebt u de directie daarover inmiddels bevraagd en aangedrongen om eindelijk de nodige inspanningen te leveren om tot oplossingen te komen voor het aanslepend sociaal conflict?

 

09.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Dillen, ik ben op de hoogte van de moeilijke werkomstandigheden in de gevangenis en ook van de specifieke situatie in de gevangenis in Wortel. Ik heb de inrichting in het najaar van 2025 zelf bezocht, samen met de burgemeester van Hoogstraten, en heb daar met verschillende personeelsleden kunnen spreken over de uitdagingen waarmee zij geconfronteerd worden. De gevangenis kent een complexere gedetineerdenpopulatie en een stijgend aantal agressie-incidenten. Daarnaast waren er problemen met de camerabewaking en is het aanbod van zinvolle dagbestedingen voor de gedetineerden, zoals tewerkstelling, momenteel beperkt. Dat maakt de werkomstandigheden voor het personeel, alsook voor de directie, bijzonder uitdagend.

 

In het najaar van 2025 werd daarom met verschillende personeelsleden gesproken, zowel in groep als individueel, om de problemen grondig te analyseren. Op basis daarvan werd een actieplan opgesteld, dat de lokale directie, samen met de regionale directie deze maand lanceert. Het plan zet onder meer in op de verbetering van de lokale gevangeniscultuur, op de-escalerend werken, op een transparantere en uniforme werking, op een betere interne werking en een versterkte communicatie. Voorts zet het in op een duidelijke aansturing en een betere ondersteuning van het personeel vanuit de verschillende geledingen van de organisatie, met ondersteuning van de academie van het DG EPI en de regionale directie. Het traject heeft uitdrukkelijk ook tot doel het welzijn van zowel personeel als gedetineerden te verbeteren door te werken aan een gunstiger werk- en leefklimaat.

 

De situatie in de gevangenis staat echter niet op zichzelf. Meer nog, ze is symptomatisch voor de omstandigheden waarin het gevangenispersoneel vandaag moet werken. Overbevolking en personeelstekorten zorgen voor interne spanningen en een moeilijk werk- en leefklimaat. Daarom nemen we maatregelen om de functie aantrekkelijker te maken en om de P&O-processen efficiënter te maken, zodat we meer kandidaten voor de functie kunnen aantrekken en ook sneller kunnen rekruteren. Vandaag nog werd een amendement ingediend en vervolgens weer ingetrokken, maar ik vermoed dat we de discussie daarover zullen voortzetten.

 

Samen met de collega's bevoegd voor Volksgezondheid, Asiel en Migratie en voor de Regie der Gebouwen zetten we alles in het werk om het globaal actieplan voor de structurele aanpak van de overbevolking uit te voeren, met het oog op de creatie van bijkomende plaatsen voor zowel gedetineerden als geïnterneerden en meer terugkeerders.

 

Daarnaast blijf ik uiteraard pleiten voor bijkomende maatregelen om de overbevolking, de werkdruk en de veiligheid te kunnen aanpakken. De gesprekken daarover lopen nog.

 

De veiligheid en het welzijn van het personeel blijven voor mij een absolute prioriteit en ik verwacht dat alle betrokken niveaus zich maximaal inzetten om ook het werkklimaat in Wortel verder te verbeteren.

 

09.03  Marijke Dillen (VB): Dank u voor uw antwoord, minister.

 

Ik ben begonnen met de opmerking dat de staking van vorige woensdag niet ging over de overbevolking, noch over de moeilijke omstandigheden in de gevangenis van Wortel, noch over de infrastructuur daar – de problemen ter zake zijn genoegzaam bekend –, maar dat ze heel specifiek gericht was tegen de directie. De cipiers, mevrouw de minister, zijn het werkelijk spuugzat dat ze naar hun gevoel niet gehoord worden en niet gerespecteerd worden. Ik verwijs nogmaals naar de veel te lichte straf voor het geval van zware agressie.

 

Ik noteer dat er nu een lokaal actieplan komt. Ik hoop dat in dat actieplan, dat blijkbaar in een van de volgende weken in werking zal treden, meer dan voldoende aandacht zal worden besteed aan de functie van de directeur. Die moet echt begrijpen dat daar iets fundamenteels moet wijzigen om de interne spanningen weg te werken. Het is daar werkelijk onhoudbaar geworden, mevrouw de minister.

 

Ik heb vorige woensdag de moeite genomen ter plaatse te gaan en met de cipiers te spreken. Mevrouw de minister, u wilt niet weten hoeveel van de cipiers op dit ogenblik aan het solliciteren zijn, onder andere bij de politie, om weg te kunnen uit de gevangenis van Wortel. Als ze elders aangenomen worden – en die kans is reëel, want ook bij de politie zijn er zware personeelstekorten –  wordt de situatie nog erger. Dan wordt het tekort nog groter. Dat moet absoluut vermeden worden.

 

Een van de manieren waarop dat vermeden kan worden, is werk maken van betere omstandigheden en vooral de directeur motiveren en hem ervan overtuigen dat er op de eerste plaats respect moet komen voor de cipiers.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De kritiek van Magistratuur & Maatschappij op de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op 8/4" (56013878C)

10 Question de Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les critiques de Magistratuur & Maatschappij sur l'entrée en vigueur du nouveau Code pénal le 8/4" (56013878C)

 

10.01  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, op donderdag 26 februari hebben we in de plenaire vergadering een debat gevoerd naar aanleiding van de interpellaties van collega Van Tigchelt en mijzelf over de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op 8 april. De dag nadien, op 27 februari, volgde een schrijven van Magistratuur & Maatschappij. Die organisatie heeft een enquête afgenomen bij magistraten die werkzaam zijn in de strafrechtsketen met betrekking tot de geplande inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek.

 

Mevrouw de minister, 513 magistraten – dat is niet niets – verspreid over het openbaar ministerie en de zetel, in beide landstalen, hebben die enquête beantwoord. De resultaten zijn duidelijk. 71,2 % oordeelt dat de inwerkingtreding operationeel niet haalbaar is of slechts haalbaar met ingrijpende overgangsmaatregelen. Slechts 1,6 % acht de inwerkingtreding haalbaar zonder bijkomende overgangswetgeving. 81 % vraagt uitstel.

 

De kern van de bezorgdheid ligt in het feit dat het wetgevend kader niet afgerond is. 74,3 % oordeelt dat de harmonisatie van de wijzigingswetgeving onvoldoende is. 73 % ervaart aanzienlijke onzekerheid over de hangende wetsontwerpen, waarvan er inmiddels een aantal al goedgekeurd is. Meer dan 74 % acht het overgangsrecht onvoldoende duidelijk.

 

Mevrouw de minister, er wordt gewezen op het ontbreken of laattijdig finaliseren van onder andere de verkeerswetgeving en de drugwetgeving, maar ook de wapenwetgeving, de GAS-wetgeving, de wet op de voorlopige hechtenis, het Wetboek van strafvordering en het ontbreken van een strafuitvoeringswetboek.

 

De kritiek van Magistratuur & Maatschappij is duidelijk. De vereniging waarschuwt voor een reëel risico op procedurefouten en rechtsonzekerheid. Ook het ICT-systeem is niet aangepast om alles correct te implementeren. M&M stelt duidelijk – ik citeer – dat "een inwerkingtreding op 8 april praktisch en juridisch niet haalbaar is zolang het normatieve kader niet volledig is vastgesteld." Om die reden acht men het noodzakelijk dat de laatste teksten van de harmonisatiewetgeving uiterlijk eind april worden goedgekeurd. In dat scenario kan vanaf 1 september, bij de start van het nieuwe gerechtelijk jaar, op een juridisch correcte en organisatorisch haalbare wijze worden gewerkt, met respect voor de rechten van de rechtzoekenden. Vandaar, mevrouw de minister, stel ik voor de zoveelste keer deze vraag.

 

Ik neem aan dat u inmiddels kennisgenomen hebt van de brief van Magistratuur & Maatschappij. Wat is uw antwoord op hun terechte pleidooi voor uitstel?

 

Nogmaals, mevrouw de minister, ik heb dit al uitentreuren gezegd: het zijn zij die op het terrein met dat nieuwe Strafwetboek moeten werken. Zullen u en uw regering eindelijk hun verantwoordelijkheid nemen en de inwerkingtreding uitstellen?

 

Zult u ook uw verantwoordelijkheid nemen door tijdig de noodzakelijke wettelijke maatregelen te nemen voor de afwerking van een juridisch robuust en performant wetgevend kader, zodat de magistraten op een correcte, professionele en verantwoorde wijze hun dienstverlening kunnen blijven garanderen?

 

10.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Dillen, ik verwijs naar het uitgebreide antwoord dat ik u eind februari in de plenaire vergadering heb gegeven naar aanleiding van uw interpellatie. Intussen heb ik ook de mensen van Magistratuur & Maatschappij ontmoet en hebben we dat thema uiteraard besproken. Zoals ik al zei, was ik zelf principieel niet gekant tegen een beperkt uitstel van de inwerkingtreding, maar toen het eerste verzoek van de magistratuur eind 2025 werd geformuleerd, heeft de ministerraad beslist om de door het Parlement in 2024 vastgelegde timing aan te houden.

 

Die beslissing is nogmaals bevestigd tijdens de ministerraad van 27 februari. Een langdurig uitstel zou overigens de ambities van het nieuwe Strafwetboek ondergraven. Ik heb Magistratuur & Maatschappij daarover ook geïnformeerd, nogmaals met een schrijven, op 2 maart.

 

Ik kan u verzekeren dat de beleidscel en de FOD Justitie zorgen voor een degelijke voorbereiding en een efficiënte planning om de inwerkingtreding te realiseren. De vereiste harmonisatiewetgeving die onder de bevoegdheid van Justitie valt, zal na de stemming in de commissie vandaag ook binnenkort in het Parlement kunnen worden goedgekeurd. Het College van het openbaar ministerie en het College van de hoven en rechtbanken, evenals de gemeenschappen, worden wekelijks op de hoogte gehouden van de wetswijzigingen die in voorbereiding zijn.

 

We gaan ervan uit dat de andere wijzigingen ook vlot worden opgenomen door de collega’s, zodat de nodige concordantie kan worden verzekerd.

 

10.03  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik moet uitentreuren hetzelfde blijven herhalen. U zegt dat u zelf principieel niet gekant bent tegen een kort uitstel, maar dat de regering niet wil volgen. Dat heb ik ook begrepen uit uw antwoord in de plenaire vergadering van 26 april

 

Welke minister kent de praktijk op het terrein? Geen enkele en zeker de eerste minister niet. Geen enkele minister is immers advocaat. U hebt nog een verleden in de advocatuur, weliswaar niet als strafspecialist, als ik het goed voorheb, maar u hebt tenminste nog enige ervaring met de werking van de rechtbanken. Wanneer nu iedereen – advocaten, magistraten, zowel van de zetel als van het openbaar ministerie, griffiers en politie – zonder onderscheid aan één zeel trekt en vraagt om een beperkt uitstel, dan lijkt het mij toch bijzonder moeilijk om dat te blijven negeren.

 

In de brief van Magistratuur & Maatschappij vraagt men geen langdurig uitstel. Men vraagt eenvoudigweg een uitstel zodat het nieuwe Strafwetboek op 1 september, bij de start van het nieuwe gerechtelijk jaar, op een ordentelijke manier in werking kan treden.

 

U zegt dat een langdurig uitstel de ambities van het nieuwe Strafwetboek zou ondergraven. Dat lange uitstel wordt echter niet gevraagd. Integendeel, de ambities van het Strafwetboek, waaraan we in de vorige legislatuur in deze commissie maandenlang hebben gewerkt, dreigen net ondergraven te worden wanneer het vanaf 8 april op een chaotische manier moet worden toegepast.

 

Ik durf u er niet van te verdenken dat het uw bedoeling zou zijn om chaos op het terrein te creëren, maar denk aan de politierechtbanken, waar de verkeerswetgeving nog niet is aangepast terwijl een aantal sancties wel al gewijzigd of afgeschaft zijn. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, mevrouw de minister?

 

Ik doe daarom nogmaals een oproep. Probeer uw collega’s in de regering, waaronder de eerste minister, te overtuigen van de absolute noodzaak om een kort uitstel toe te staan, zodat alles op een degelijke manier in werking kan treden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 56013906C de M. Van Hoecke est retirée.

 

11 Vraag van Stefaan Van Hecke aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De geweigerde facturen van gerechtstolken in het kader van de digitale facturatie" (56013986C)

11 Question de Stefaan Van Hecke à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les factures d'interprètes jurés refusées dans le cadre de la facturation numérique" (56013986C)

 

11.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mevrouw de minister, vorige vrijdag verscheen in de krant een zoveelste noodkreet van gerechtstolken en -vertalers: "We komen ’s nachts uit ons bed om te tolken. De politie belt voor een dringend verhoor en wij doen alles om daar snel te zijn. Je doet dat uit engagement voor de samenleving. Het minste wat je dan mag verwachten is een correcte en tijdige betaling, maar die is er niet."

 

Volgens de berichtgeving zouden tientallen tolken de voorbije weken een melding hebben gekregen dat hun facturen geweigerd werden, of rejected zoals dat tegenwoordig blijkbaar heet. De weigeringen zouden verband houden met de overgang naar de verplichte digitale facturatie via JustInvoice en Peppol. Het gebeurt vaak zonder duidelijke uitleg en facturen opnieuw indienen kan bijkomende administratieve en fiscale problemen veroorzaken. Die situatie vergroot de onzekerheid en het wantrouwen bij de betrokken beroepsgroep. Ik vraag me soms af wat ze u of Justitie hebben misdaan om zo behandeld te worden.

 

Hoeveel facturen van gerechtstolken en -vertalers werden sinds de invoering van de verplichte digitale facturatie via JustInvoice en Peppol geweigerd of technisch afgekeurd? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor zo’n weigering en in welke mate houden ze verband met de digitale overgang naar Peppol?

 

Op welke manier worden tolken geïnformeerd over de reden van een weigering?

 

Welke procedure bestaat er om een geweigerde factuur correct opnieuw in te dienen zonder bijkomende administratieve of fiscale problemen? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de digitale transitie bij Justitie tot bijkomende financiële onzekerheid voor gerechtstolken en -vertalers leidt?

 

11.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Van Hecke, het is voor ons niet mogelijk om precies na te gaan hoeveel facturen sinds 1 januari 2026 zijn afgewezen, om verschillende redenen. Tot 1 maart worden Peppolfacturen voor gerechtskosten in bulk naar de boekhouding van de FOD Justitie gestuurd, samen met alle andere facturen, inclusief die voor de gevangenissen. Mogelijk hebben sommige leveranciers een afwijzingsmelding voor hun factuur ontvangen, omdat die om praktische redenen, in verband met de heroriëntering van de documenten in de boekhoudapplicatie, een status kregen die een foutieve automatische melding genereerde.

 

Dat probleem is sinds eind februari verholpen. Bovendien moet worden opgemerkt dat de facturen, ondanks de meldingen, wel degelijk goed zijn ontvangen en ook verwerkt werden. Bij de facturen voor de gerechtskosten is het niet mogelijk om de facturen van een specifieke categorie dienstverleners te isoleren.

 

Zoals ik reeds opmerkte, zijn de afwijzingsmeldingen onterecht verstuurd vanwege een wijziging in de status van de documenten in de boekhoudapplicatie, maar de facturen worden wel degelijk verwerkt. Een factuur kan uiteraard alsnog worden afgewezen wanneer de verplichte informatie voor verwerking en elektronische afstemming met andere documenten in het dossier ontbreekt of wanneer de gegevens onjuist zijn. Bij afgewezen facturen ontvangt de prestatieverlener een e-mail met een gedetailleerde toelichting van de reden van afwijzing. In geval van afwijzing van een factuur is het de verantwoordelijkheid van de dienstverlener om een kredietnota of een nieuwe factuur op te stellen, conform de geldende boekhoudkundige verplichtingen.

 

We werken momenteel aan het verbeteren van het proces voor het aanleveren van documenten, met name om de werklast voor zowel dienstverleners als medewerkers te verlagen en zo ook de betalingen te kunnen versnellen. Die verbeteringen vereisen in elk geval IT-ontwikkelingen gericht op het automatiseren van de processen.

 

11.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Dank u wel, mevrouw de minister.

 

Ik begrijp dus dat de rejected-meldingen het gevolg zijn van een technische fout of computerfout. De facturen werden wel degelijk goed ontvangen en zullen in principe ook betaald worden, tenzij er een goede uitleg wordt gegeven waarom niet. Ik hoop dat het probleem echt van de baan is, want het is demotiverend voor de vele medewerkers, die elke dag weer hun best doen om tolkopdrachten bij justitie en politie uit te voeren.

 

Er is nog een ander probleem: sinds de verplichte invoering van de elektronische facturatie hanteert de overheid blijkbaar het standpunt dat de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen pas loopt vanaf het moment dat een factuur via Peppol wordt ingediend. Volgens uw eerdere antwoorden en de antwoorden van de FOD Justitie mag dat pas na goedkeuring van de kostenstaat door het taxatiebureau gebeuren. Daardoor ontstaat een juridisch vacuüm, waarin de overheid de feitelijke betalingstermijn eenzijdig en onbeperkt kan verlengen.

 

Het is belangrijk dat er binnen 30 dagen betaald en geverifieerd wordt. Als men dat in twee etappes splitst, met eerst de verificatie, daarna de betaling en vervolgens pas het begin van de termijn van 30 dagen, lijkt dat in strijd met de Europese richtlijn. Mevrouw de minister, ik hoop dat u dat even nakijkt bij uw diensten, want die praktijk lijkt niet correct.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de François De Smet à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "La transparence des algorithmes pour les politiques publiques en matière de justice" (56013993C)

12 Vraag van François De Smet aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De transparantie van de voor het justitiebeleid gebruikte algoritmes" (56013993C)

 

12.01  François De Smet (DéFI): Madame la ministre, la technologie en général et l'intelligence artificielle (IA) en particulier posent de nombreuses questions et bouleversent nos sociétés. Et cela va encore plus vite que prévu! Je me suis donc dit que j'allais interroger les différents ministres à propos de l'exécution de l'accord de gouvernement en ce qui concerne l'IA dans le champ de leurs compétences respectives.

 

S'agissant de la justice, on dénombre trois principaux champs d'action.

 

Sur la reconnaissance faciale, l’accord de coalition fédérale prévoit de faciliter, dans un cadre juridique strict, le déploiement de la technologie de reconnaissance faciale pour la détection des condamnés et des suspects. En matière de lutte contre la criminalité organisée, le  gouvernement entend déployer l'IA pour cartographier les flux financiers illicites. Sur le principe de transparence, l'accord mentionne que les algorithmes utiles au public et les instruments développés pour la magistrature doivent être accessibles dans une base de données publique.

 

En conséquence, madame la ministre, quel est l'état d'avancement du cadre législatif afin qu’il garantisse l'équilibre entre le droit à la sécurité et le droit à la vie privée? Comment la justice collabore-t-elle avec le nouveau service multidisciplinaire d'enquêtes fiscales pour intégrer ces outils dans la lutte contre le narcotrafic? Quand la base de données publiques  sera-t-elle opérationnelle pour garantir la confiance des justiciables dans une justice numérisée?

 

12.02  Annelies Verlinden, ministre: Monsieur De Smet, lors de la législature précédente, une proposition de loi a été déposée afin de permettre l’application de systèmes d’identification biométrique à distance en temps réel dans les espaces publics. Cette loi doit être mise en œuvre dans le respect des conditions strictes fixées par les règlements, lesquels visent à établir un équilibre entre les nécessités de l’application de la loi et le droit au respect de la vie privée. L’élaboration d’un cadre réglementaire est actuellement poursuivie sur la base de cette proposition de loi. À la suite de la jurisprudence de la Cour de justice de l’Union européenne, des adaptations sont nécessaires, notamment en ce qui concerne l’intervention d’une autorité judiciaire.

 

Ces travaux sont menés en concertation avec le SPF Intérieur dans la perspective de mettre en place un cadre global afin d’assurer la conformité du droit interne avec les règlements sur l’intelligence artificielle. La création d’un service multidisciplinaire d’enquêtes fiscales et financières (FIOD) fait partie du plan d’action antifraude et sera mis en place au sein de l’Inspection spéciale des impôts (ISI). Les fonctionnaires recevront le statut d’officier de police judiciaire pour mener des enquêtes concrètes. Ce service d’enquête travaillera sous la supervision d’un magistrat et coopérera structurellement avec d’autres acteurs belges ou étrangers pertinents dans la lutte contre la criminalité organisée. Un groupe de travail est actuellement actif afin de créer le cadre législatif nécessaire à la mise en place du FIOD. Il est donc trop tôt pour déterminer comment la justice collaborera avec ce service pour l’utilisation d’applications reposant sur l’intelligence artificielle à cette fin.

 

L’accord de gouvernement prévoit également qu’un cadre juridique clair doit être établi conformément à la réglementation européenne, suivi d’un plan opérationnel de mise en œuvre, afin de pouvoir utiliser ces applications pour identifier plus facilement les flux financiers illégaux et les capitaux concernés.

 

S'agissant de la mise en place d’une base de données publique, les modalités juridiques et techniques sont actuellement à l’étude dans le cadre de la mise en œuvre du règlement sur l’intelligence artificielle au niveau fédéral.

 

12.03  François De Smet (DéFI): Je vous remercie pour vos réponses, madame la ministre. Je ferai le suivi de ces dossiers en commission d'ici quelques semaines ou quelques mois.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De uitspraken van Vlaams minister Demir over enkelbanden en de limieten van het systeem" (56014003C)

13 Question de Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "Les propos de la ministre flamande Demir sur les bracelets électroniques et les limites du système" (56014003C)

 

13.01  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

 

Opnieuw heeft Vlaams Minister van Justitie Zuhal Demir scherpe uitspraken geformuleerd aan uw adres. Zo beweert ze dat de minister de federale miserie  graag naar Vlaanderen wil sturen. Deze uitspraak werd het voorbije weekend gedaan n.a.v. het gegeven dat de federale regering blijkbaar meer enkelbanden wil inzetten om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan, een voorstel dat bij Vlaams minister van Justitie Demir op weinig bijval kan rekenen. “Er zijn limieten", zo stelt ze. Het enkelbandensysteem is een bevoegdheid van de Gemeenschappen. Maar minister Demir zegt: “ze wil wel helpen maar ze is God de vader niet. Als een rechter beslist dat een crimineel in de cel moet, kunnen we die niet zomaar een enkelband geven. Bovendien loopt ons huidig ICT-systeem dat nu zo'n 2000 mensen met een enkelband opvolgt, tegen de Vlaamse limieten aan. Als we er opeens duizenden gaan bijzetten, crasht het systeem." Of de Vlaams Minister een streep door het federaal plan wil trekken, hangt ervan af. “We willen onze verantwoordelijkheid nemen, maar er zijn limieten", zo verklaarde de Vlaamse minister.

 

Heeft de minister kennis van de uitspraken van haar Vlaamse collega Demir in de VTM-studio het voorbije weekend? Wat is uw reactie?

Kan de minister mij mededelen of deze uitspraken kaderen in nieuwe voorstellen van de federale regering om de problematiek van de overbevolking aan te pakken? Zo ja, welke? Of betreft dit een reactie op eerdere voorstellen? Op welk federaal plan heeft deze uitspraak betrekking? 

Heeft er in het recente verleden overleg plaats gevonden betreffende de moeilijkheden die Vlaanderen ondervindt over het stijgende beroep op de enkelbanden en de hieraan gekoppelde praktische problemen? Zo ja, wat zijn de problemen die in dit overleg werden aangekaart? Welke oplossingen werden er ter zake aangereikt?

 

13.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, ik wil allereerst wijzen op ieders bevoegdheden in onze veiligheids- en strafrechtketen, in het bijzonder in het dossier van de overbevolking. De aanpak daarvan vergt acties en verbeteringen over de hele lijn. Net daarom is samenwerking essentieel. Daartoe hebben we in het voorbije jaar al verschillende keren overleg georganiseerd, en ook in de toekomst zullen we dat overleg op een constructieve manier voortzetten.

 

Ik ben me er uiteraard van bewust dat er limieten zijn aan eenieters systeem en instellingen, dus ook aan de mogelijkheden van de gemeenschappen. Daar wordt ook rekening mee gehouden. Zo werd naar aanleiding van de noodwet overleg georganiseerd en werd door de regering voorzien in een prefinanciering van de meeruitgaven die de gemeenschappen in de periode 2025-2027 zouden dragen, een en ander in afwachting van de aanpassing aan de dotatieregeling.

 

Bovendien wordt de impact van de noodwet samen met de deelstaten minstens driemaandelijks opgevolgd, zodat desgevallend maatregelen genomen kunnen worden om het voor alle betrokken actoren werkbaar te houden. Er is dus allerminst sprake van het doorschuiven van problemen – de zogenaamde federale miserie – maar wat mij betreft is er wel sprake van samen bijdragen aan oplossingen voor het probleem van de overbevolking.

 

Dat is nodig met het oog op een veilige samenleving. Veiligheid belangt ons allemaal aan. Het lijkt me in elk geval productiever en meer in het belang van de veiligheid van de inwoners van dit land om op een constructieve manier samen naar oplossingen te zoeken dan elkaar met de vinger te wijzen.

 

13.03  Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord.

 

Mijn vorige vraag had ik ingediend naar aanleiding van uitspraken in het Parlement en deze vraag heb ik ingediend naar aanleiding van uitspraken in de media. Het moet me van het hart dat uw Vlaamse collega bepaalde problemen in heel theatrale bewoordingen aankaart.

 

U wijst er terecht op dat eenieder zijn eigen bevoegdheid heeft. Er is een duidelijke bevoegdheidsovertreding. Overleg is belangrijk en dat overleg moet constructief zijn.

 

Ik krijg als lid van de oppositie soms de indruk dat uw Vlaamse collega eigenlijk obstructie pleegt tegen het systeem van enkelbanden. Ze geeft altijd kritiek, bijvoorbeeld door aan te klagen dat ze onvoldoende middelen heeft of dat het ICT-systeem niet naar behoren werkt. Dat zou blijkbaar maar 2.000 mensen kunnen opvolgen, maar het is de bedoeling dat er meer enkelbanden worden uitgedeeld. Minister Demir zegt zelfs dat er opeens duizenden enkelbanden extra zouden moeten komen, waardoor het systeem zou crashen.

 

Mevrouw de minister, het lijkt me heel belangrijk om eens ernstig rond de tafel te zitten en duidelijkheid te creëren. We krijgen hier immers telkens als antwoord dat er voldoende financiële middelen worden gegeven aan de gemeenschappen, dus ook aan Vlaanderen. In het hiernaast gelegen Vlaams Parlement krijgen we echter de boodschap dat het ICT-systeem onvoldoende is uitgerust, dat er onvoldoende middelen zijn, enzovoort. Dat dossier moet toch eens grondig uitgeklaard worden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van Marijke Dillen aan Annelies Verlinden (Justitie, belast met de Noordzee) over "De invoering van een pensioenbijdrage op de wedden van statutaire ambtenaren" (56014018C)

14 Question de Marijke Dillen à Annelies Verlinden (Justice, chargée de la Mer du Nord) sur "L'instauration d'une cotisation de pension sur les traitements des fonctionnaires statutaires" (56014018C)

 

14.01  Marijke Dillen (VB):Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

 

Vanaf dit jaar moeten federale overheidsdiensten op het loon van nieuw benoemde statutaire ambtenaren een werkgeversbijdrage betalen voor de financiering van hun pensioen. Hoewel dit grotendeels een verschuiving is van middelen tussen overheidsdiensten en de pensioendienst, verwacht de regering hierdoor tegen 2029 een besparing van 284 miljoen euro. De maatregel moet administraties ertoe aanzetten vaker contractuele werknemers aan te werven, omdat hun pensioenen lager liggen dan die van statutairen.

 

Voor bepaalde departementen, zoals Justitie, is dit echter niet haalbaar. Tal van functies binnen Justitie zijn gezaghebbende functies en moeten wettelijk door statutair personeel worden ingevuld. Volgens het kabinet van de minister heeft de administratie op vraag van de minister een budgettaire inschatting gemaakt van alle lopende wervingen, waaronder de aanwerving van 77 medewerkers voor de fraudebestrijding en de oprichting van een financieel parket. Indien al deze functies statutair moeten worden ingevuld, leidt de invoering van de werkgeversbijdrage tot een bijkomende kost van ongeveer 100 miljoen euro. Justitie kan deze meerkost niet opvangen binnen de bestaande personeelsenveloppe.

 

De personeelsbehoeften zijn bovendien aanzienlijk, onder meer door de structurele problemen zoals de overbevolking in de gevangenissen. Ook binnen de magistratuur en bij het personeel van de rechtbanken bestaan er grote tekorten. Om de goede werking van Justitie te garanderen, zijn daarom bijkomende middelen noodzakelijk.

 

Welke initiatieven heeft de minister inmiddels genomen ter voorbereiding van deze besprekingen bij de begrotingscontrole en dit gestaafd met voldoende financiële onderbouwing?

De Beleidscel van de minister van Begroting stelde aan het Rekenhof dat “de stijging van de personeelsuitgaven die de invoering van de werkgeversbijdrage met zich zal meebrengen moet worden gecompenseerd door een evenredige vermindering van de werkings- en investeringsuitgaven van de betrokken administraties"? Dit standpunt is onaanvaardbaar. Dat geldt ook voor het standpunt van de premier die verklaarde dat "de invoering van de patronale bijdrage repercussies heeft voor Justitie maar Justitie heeft ook al wel geld bijgekregen. Men zal dit moeten absorberen, zo eenvoudig is het". Justitie kampt nu al decennialang met onderfinanciering om behoorlijk te kunnen functioneren en verdient aanzienlijke bijkomende middelen. Wat is het antwoord van de minister op de verklaringen van de premier en de minister van Begroting?

 

14.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, de invoering van de werkgeversbijdrage op de wedde van nieuwbenoemde statutaire ambtenaren heeft inderdaad een belangrijke budgettaire impact op de begroting van Justitie, omdat tal van functies, waaronder die van magistraat, wettelijk door statutair personeel moeten worden ingevuld.

 

Laat ik eerst en vooral beklemtonen dat het voor mij als minister van Justitie essentieel is dat in het belang van de rechtsstaat de dienstverlening bij Justitie en in het bijzonder door de rechterlijke orde steeds op een continue en kwalitatieve manier wordt verzekerd. Een goede werking van rechtbanken, parketten, strafuitvoeringsorganen en penitentiaire instellingen is immers een fundament van onze democratische rechtsstaat.

 

Mijn administratie heeft een analyse gemaakt van de mogelijke impact van de invoering van de bijdrage op de lopende aanwervingen en de geplande versterking in Justitie. Die analyse kan dienen als basis voor de bespreking in het kader van de begrotingscontrole.

 

Zoals ik ook in mijn beleidsnota voor 2026 heb aangegeven, blijft de versterking van de capaciteit bij Justitie een prioriteit. We moeten investeren in voldoende magistraten, griffiers, parketjuristen en ondersteunend personeel, alsook in een performant gevangeniswezen en een efficiënte strafuitvoering. Investeren in Justitie is geen luxe, maar een noodzakelijke voorwaarde om rechtszekerheid, veiligheid en vertrouwen in de rechtsstaat te garanderen.

 

Door de verhoogde werkgeversbijdrage staan de geplande investeringen onder druk, zowel wat de versterking van de rechterlijke orde als de bijkomende detentiecapaciteit betreft. Daarom zal ik in het kader van de begrotingsbesprekingen blijven pleiten voor oplossingen die de continuïteit van de werking van Justitie niet in het gedrang brengen en de kernopdracht van Justitie niet ondermijnen.

 

14.03  Marijke Dillen (VB): Dank u, minister, voor uw antwoord.

 

Het is heel belangrijk dat u bijzonder goed voorbereid naar de besprekingen over de begrotingscontrole zult gaan. Twee belangrijke ministers in de regering hebben al heel duidelijke uitspraken gedaan, maar ik heb vooralsnog geen antwoord gekregen op de vraag wat uw standpunt daarover is. De beleidscel van de minister van Begroting stelde aan het Rekenhof – ik citeer – ʺDe stijging van de personeelsuitgaven die de invoering van de werkgeversbijdrage met zich zal meebrengen, moet worden gecompenseerd door een evenredige vermindering van de werkings- en investeringsuitgaven van de betrokken administratie.ʺ Mevrouw de minister, dat standpunt is niet aanvaardbaar.

 

Dat geldt eveneens voor het standpunt van de premier, die verklaarde – ik citeer – ʺDe invoering van de patronale bijdrage heeft repercussies voor Justitie, maar Justitie heeft al veel geld bijgekregen. Men zal dat moeten absorberen, zo eenvoudig is dat.ʺ Iedereen die iets of wat van Justitie kent, weet dat Justitie al decennialang ondergefinancierd is om behoorlijk te kunnen functioneren. Iedereen weet dat Justitie aanzienlijke bijkomende middelen nodig heeft, los van de bijkomende middelen die ondertussen al zijn ontvangen om goed te kunnen functioneren.

 

Ik hoop echt, mevrouw de minister, dat u die extra middelen bij de begrotingscontrole zult ontvangen, want dat is absoluut noodzakelijk in het belang van Justitie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.46 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16 h 46.