|
Commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen |
Commission
des Affaires sociales, de l'Emploi et des Pensions |
|
van Dinsdag 10 februari 2026 Voormiddag ______ |
du Mardi 10 février 2026 Matin ______ |
La réunion publique de commission est ouverte à 13 h 17 et présidée par M. Denis Ducarme.
De openbare commissievergadering wordt geopend om 13.17 uur en voorgezeten door de heer Denis Ducarme.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Voorzitter: François De Smet.
Président:
François De Smet.
01.01 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mevrouw de minister, over dit onderwerp hebt u al uitvoerig geantwoord op een schriftelijke vraag en het thema is ook aangekaart tijdens de hoorzitting over sociale fraude, namelijk de opvolging van de situatie bij het OCMW in Anderlecht.
U hebt al aangegeven dat er bijkomende inspecties zijn uitgevoerd en dat er sancties werden opgelegd. In maart werd een audit afgerond, die een aantal structurele problemen bevestigde. De POD MI heeft aan het OCMW gevraagd om onmiddellijk corrigerende maatregelen te nemen, onder meer inzake betere interne procedures en kennisdeling, de beheersing van de werkdruk, de continuïteit en traceerbaarheid van dossiers en versterkt toezicht door leidinggevenden.
Tijdens de hoorzitting over sociale fraude heb ik al gezegd dat ik bij BRUZZ verschillende berichten heb gelezen over mensen die echt behoeftig zijn en dat leefloon nodig hebben. Men ziet dat er heel wat interne verschuivingen zijn. De werkdruk bij de maatschappelijk werkers blijft zeer hoog, waardoor mensen vertrekken en er nieuw personeel bij komt. Daardoor krijgen mensen die echt nood hebben aan dat leefloon niet waar ze recht op hebben en worden ze aan hun lot overgelaten. Dat heeft bij mij enig argwaan gewekt. We hebben hier heel wat hoorzittingen gehouden en we hebben een resolutie met aanbevelingen goedgekeurd. Voor mij zijn de problemen op het terrein echter nog niet opgelost.
Daarom heb ik een aantal vragen, mevrouw de minister.
Wat is de huidige stand van zaken in het opvolgingsdossier van het OCMW in Anderlecht? Zijn er nieuwe controles of evaluaties gebeurd? Hebt u een zicht op de corrigerende maatregelen die het OCMW van Anderlecht concreet heeft genomen, bijvoorbeeld sinds de audit en de aanbevelingen? Worden die door de POD MI opgevolgd? Zijn de resultaten voor u al zichtbaar?
Daarnaast speelt ook de regeringsvorming in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat de voogdij uitoefent, een rol. Is het auditrapport aan Brussel overgemaakt? Zijn er op gewestelijk niveau stappen genomen? Is er een samenwerking met uw kabinet en met de POD MI? Ook in lopende zaken kunnen er nog een aantal dingen gebeuren.
Hoe zult u er verder op toezien dat er geen situaties ontstaan, zoals beschreven door BRUZZ, waarbij mensen het maanden zonder leefloon en begeleiding moeten stellen? Ik denk dat beide aspecten bijzonder belangrijk zijn. Deze situatie zich blijft herhalen. Hoe zult u ervoor zorgen dat hier eindelijk een einde aan wordt gesteld?
We hadden destijds ook afgesproken dat u het Parlement regelmatig zou informeren. Ik heb al een schriftelijke vraag gesteld. Nu stel ik een mondelinge vraag. Er was de hoorzitting over sociale fraude. Ik vraag mij af op welke manier we dit hier verder kunnen aanpakken.
01.02 Ellen Samyn (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Via een recent artikel in BRUZZ konden we
opnieuw vaststellen hoe diep de problemen bij het OCMW van Anderlecht nog
steeds zitten. De getuigenis van een student - die al vijf maanden zonder
leefloon zit ondanks een volledig in orde gebracht dossier, en die als stagiair
in het UZ Brussel werkt zonder enig inkomen - is ronduit schrijnend. Hij leeft
van geleend geld, stelt medische zorg uit en draait mee op een ziekenhuisdienst
zonder enige sociale bescherming.
Het gaat bovendien niet om een
alleenstaand geval: ook vorig jaar liep zijn dossier meermaals drie maanden
vertraging op. Telkens opnieuw wijst men op ziekte, personeelstekort of
gebrekkige opvolging. Dat sluit perfect aan bij wat uw eigen inspecties en de
audit van de POD Maatschappelijke Integratie al aantoonden: structureel falend
beheer, geen interne controle, slordigheden in subsidiedossiers, het niet
respecteren van wettelijke termijnen, en onderbemande maatschappelijk werkers
zonder zicht op een billijke werklastverdeling.
Graag verneem ik van de minister:
Bent u op de hoogte van deze recente
gevallen van maandenlange vertraging? Over hoeveel dossiers spreekt men
momenteel, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de concrete follow-up van de audit
van maart 2025? Welke corrigerende maatregelen werden door het OCMW effectief
uitgevoerd, en welke meetbare resultaten (bijv. doorlooptijden, interne
controles, dossieropvolging) ziet u vandaag?
Overweegt u om - tijdelijk of permanent -
bijkomende federale ondersteuning, versterkt toezicht of intensievere
monitoring in te schakelen, gezien de blijvende structurele tekortkomingen?
Is er zicht op het aantal onterecht
uitbetaalde subsidies of achterstallige beslissingen die recent door uw
inspectie werden vastgesteld?
Heeft het arbeidsauditoraat inmiddels een
onderzoek geopend, nadat u aangaf zich burgerlijke partij te willen stellen? En
is uw kabinet daarover gecontacteerd?
Plant u, samen met de GGC, een versnelde
aanpak of een krachtiger instrument -
vergelijkbaar met Audit Vlaanderen - zodat audit en toezicht in Brussel niet
nóg een jaar aanslepen zonder resultaat?
01.03 Denis Ducarme (MR): Madame la ministre, lors du récent débat portant sur la fraude sociale dans notre pays, nous avons abordé rapidement la question relative aux avancées dans l'exécution des recommandations que nous avions votées à la Chambre. Vous savez que celle-ci a travaillé des semaines sur ce dossier. De même, vous savez que des recommandations ont été votées. Ce n'est pas une occasion qui est ainsi offerte au gouvernement, mais bien une exigence pour qu'il applique ce qui a été approuvé par la Chambre.
Depuis, nous avons pu nous rendre compte que vous n'aviez pas encore exécuté toutes ces recommandations qui furent votées voici déjà plusieurs mois. Cela nous préoccupe. Je souhaitais vous interroger au sujet de celles que vous avez commencé à appliquer. Quant à celles qui ne sont pas encore exécutées, je comptais vous demander quel était votre timing.
Par ailleurs, quelque chose me choque dans ce dossier. En effet, à ce stade, je n'ai vu aucune sanction être infligée au CPAS d'Anderlecht. Vous allez peut-être me répondre le contraire. Pourtant, vous disposez de moyens en vue de prendre des sanctions. Dans les recommandations, nous demandons que soit analysée l'opportunité d'une mise sous tutelle, tout comme nous demandons que soient contrôlés les comptes en N+1 et en N+2. Nous vous y prions également d'examiner les possibilités de sanctions financières à l'encontre de plusieurs CPAS.
Votre parti n'a pas été le dernier à faire du bruit à propos du scandale d'Anderlecht. C'est pourquoi j'attends que la ministre du même parti exécute à présent les recommandations votées par la Chambre et prenne des sanctions en réaction aux dérives constatées au CPAS d'Anderlecht.
01.04 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mevrouw Vanrobaeys, mevrouw Samyn, mijnheer Ducarme, het dossier betreffende het OCMW Anderlecht blijft een prioriteit.
Binnen mijn bevoegdheden heb ik al verschillende maatregelen genomen. De inspectiedienst van de POD Maatschappelijke Integratie heeft bijkomende inspecties en controles uitgevoerd. In maart 2025 werd een audit uitgevoerd en werd erop aangedrongen dat het OCMW van Anderlecht onmiddellijk corrigerende maatregelen zou nemen.
Ik neem de bevindingen en de aanbevelingen van de parlementaire werkgroep ter harte en zorg voor een nauwgezette opvolging. Ik geef een stand van zaken.
Midden oktober 2025 heeft het OCMW aan de POD Maatschappelijke Integratie gemeld dat het een nieuw systeem van permanenties heeft ingevoerd, waardoor aanvragers dezelfde dag of in de daaropvolgende dagen kunnen worden ontvangen voor aanvragen die via OCMW Online worden ingediend. In dat verband heeft de POD Maatschappelijke Integratie begin december contact opgenomen met het OCMW om te vernemen hoe die aanvragen worden opgevolgd, aangezien het OCMW van Anderlecht het grootste aantal aanvragen via OCMW Online heeft ontvangen van alle OCMW’s in ons land. Bovendien voert de vaste inspecteur van het OCMW een regelmatige begeleidingsopdracht uit om vragen van het OCMW te beantwoorden en het te ondersteunen bij de invoering van nieuwe praktijken.
Zoals ik heb aangegeven in antwoord op eerdere vragen, heb ik minister-president Rudy Vervoort en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC), die toezicht houdt op de Brusselse OCMW’s, gewezen op de bevindingen van de inspecties, de audits en ook van de parlementaire werkgroep. Ik heb hem verzocht om passende maatregelen te nemen ten opzichte van het OCMW van Anderlecht. Er werd een samenwerking opgezet met de GGC voor de opvolging van het OCMW. De GGC heeft een audit van het OCMW opgestart als aanvulling op de audit van de POD Maatschappelijke Integratie. Die audit wordt uitgevoerd door een externe organisatie die ook instaat voor de begeleiding bij de uitvoering van de corrigerende maatregelen. Beide administraties werken samen aan het dossier om alle actiepunten, zowel voor de federale als voor de gewestelijke bevoegdheden, aan te pakken. De audit zou een jaar lopen. Ik heb hier eerder al aangegeven dat ik die duur bijzonder lang vind. Ik twijfel niet aan de capaciteiten van het bureau dat de audit uitvoert, maar het heeft niet het mandaat om verregaande onderzoeksdaden te stellen, zoals het uitlezen van mailboxen. Ik blijf er dan ook voor pleiten dat in Brussel en in Wallonië de gewestelijke auditinstanties hun activiteiten kunnen toespitsen op lokale besturen met vergaande onderzoeksmogelijkheden, zoals Audit Vlaanderen dat kan.
Welke maatregelen heeft het OCMW van Anderlecht genomen? Het OCMW heeft een team van zeven vte’s maatschappelijk werkers gemobiliseerd om de achterstand weg te werken. Daarnaast heeft het een actie opgestart om back-ups binnen de teams te creëren, hulpmiddelen voor maatschappelijk werkers bij het formuleren van voorstellen te ontwikkelen en nabijheidskaders voor supervisie in te zetten. Ten slotte meldt het OCMW ook dat het een klachtenbeheerssysteem heeft ingevoerd. Al die elementen zullen door de POD Maatschappelijke Integratie worden opgevolgd tijdens een volgende ontmoeting met de OCMW-autoriteiten. Het OCMW moet zijn achterstand wegwerken en de POD Maatschappelijke Integratie zal financieel blijven sanctioneren voor dossiers die niet binnen de wettelijke termijnen werden opgevolgd. Dat vormt een stimulans voor het OCMW om zijn interne procedures zo snel mogelijk te verbeteren, zodat de sancties niet jaar na jaar toenemen. Bovendien werk ik aan een strenger controle- en sanctiekader.
De administratie en mijn kabinet evalueren het dossier regelmatig om te kunnen inspelen op de aanbevelingen van het Parlement. Die aanbevelingen vormen, samen met het regeerakkoord, de leidraad voor mijn optreden om de controlemogelijkheden en de sanctiebevoegdheid van de POD Maatschappelijke Integratie te versterken. De inspectiedienst van de POD MI heeft een actieplan uitgewerkt dat grotendeels is opgenomen in het strategisch plan 2025-2029 van de POD MI, met als doel de controleketen te versterken, vroegtijdige waarschuwingsmechanismen te ontwikkelen, synergieën te creëren met regionale en federale controle- of toezichtsorganen, waaronder de SIOD, en de sanctiemogelijkheden uit te breiden.
Het OCMW van Anderlecht brengt met zijn wanbeheer alle OCMW’s in diskrediet en vergroot het gebrek aan vertrouwen van onze burgers in onze overheid. Ik tolereer dat niet en wil daarom samen met de andere bevoegde overheden streng optreden.
Ik blijf uiteraard ter beschikking van de commissie voor regelmatige feedback over de vooruitgang van de maatregelen die door de administratie, in samenwerking met het kabinet, worden uitgevoerd.
Monsieur Ducarme, je répète avec plaisir ce que j’ai indiqué lors de la réunion spéciale de la commission concernant l’état d’avancement des recommandations, recommandation par recommandation, que vous avez faites au sein de cette commission.
Concernant la première recommandation – se constituer partie civile dans une procédure judiciaire contre le CPAS d’Anderlecht – le SPP Intégration sociale (SPP IS) est en contact étroit avec l’auditorat du travail et suit ce dossier de près. Une concertation était prévue fin janvier entre mon administration et l’auditorat du travail, au cours de laquelle la demande de constitution de partie civile a été réitérée, mais…
Zolang er echter geen procedure opgestart is, kunnen wij ons natuurlijk geen burgerlijke partij stellen.
Il faut donc une procédure avant de pouvoir être partie civile dans la procédure judiciaire. Tant qu’il n’y a pas de procédure judiciaire, on ne peut pas se constituer partie civile.
Concernant la deuxième recommandation – évaluer le préjudice financier causé par le CPAS d’Anderlecht – plusieurs contrôles et audits ont été réalisés. Des récupérations ont été effectuées à la suite de ces contrôles. Il convient toutefois de souligner que les éléments que le SPP IS peut actuellement contrôler sont limités. Le SPP IS ne dispose pas de compétences d’enquête. C’est précisément pour cette raison qu’une coopération avec d’autres partenaires, tels que le SIRS (Service d’Information et de Recherche Sociale), mais également avec la région, est cruciale et qu’il est nécessaire de conclure des accords de coopération. Je sais que Vivalis, à la demande de la COCOM, élabore actuellement une méthodologie d’audit qui sera testée à titre pilote au CPAS d’Anderlecht. Il s’agit toutefois d’un audit réalisé par un partenaire externe. J’espère que ma suggestion antérieure visant à créer une instance d’audit dotée de larges pouvoirs d’enquête, sur le modèle d'Audit Vlaanderen, sera prise en considération. Le SPP IS ne dispose pas non plus de compétences de sanction. Un cadre légal en la matière est en cours d’élaboration.
Concernant la troisième recommandation – examiner la mise sous tutelle ou sous curatelle du CPS d’Anderlecht – une curatelle ou une tutelle contraignante relève d’une compétence régionale. La Région de Bruxelles-Capitale prévoit le cadre légal de ce type de tutelle de substitution dans l’ordonnance du 14 mai 1998 organisant la tutelle administrative sur les communes de la Région de Bruxelles-Capitale ainsi que dans la loi organique des CPAS. Ce type de tutelle est exercé lorsque l’autorité subordonnée ne respecte pas ses obligations légales et sanctionne uniquement la violation de la loi, et jamais l’atteinte à l’intérêt général. Elle peut être exercée par des mesures d’office ou par la désignation d’un commissaire spécial auprès de la commune concernée. Dans une lettre antérieure adressée à M. Vervoort, président de la COCOM, je lui ai demandé, en tant qu’autorité de tutelle des pouvoirs locaux à Bruxelles, de prendre les mesures administratives nécessaires. Il m’a alors été indiqué qu’un audit serait lancé, audit que mes services suivent de près. Dans le cadre des accords de coopération, nous devrons déterminer plus précisément quelles aberrations doivent conduire à une mise sous tutelle.
Concernant la quatrième recommandation – améliorer la détection de la fraude – plusieurs mesures ont été prises ou sont en préparation. D’abord, le renforcement et l’élargissement du service d’inspection et des contrôles on desk. Deuxièmement, le renforcement de la chaîne de contrôle avec une véritable compétence de sanction. Troisièmement, l’augmentation du nombre d’échantillons. Et quatrièmement, le développement d’indicateurs permettant une approche davantage fondée sur les risques.
Concernant la cinquième recommandation – l’instauration d’un mécanisme de sanction – nous travaillons à l’élaboration d’un cadre légal relatif à une sanction administrative et à l’extrapolation des données de contrôle en lien avec l’élargissement des échantillons. J’ai encore récemment diffusé une nouvelle circulaire rappelant le cadre juridique applicable au traitement d’une demande. Les procédures sont ainsi à nouveau clarifiées pour l’ensemble des CPAS.
Concernant la sixième recommandation – la mise en œuvre des recommandations de l’Audit fédéral interne (FAI) par le service d’inspection – ces dernières ont été mises en œuvre dans une large mesure. Une recommandation importante consiste à renforcer l’approche d’inspection fondée sur les risques. Comme je l’ai indiqué, ce projet est en cours afin de déterminer les indicateurs.
Concernant la septième recommandation – une coopération plus intensive entre le SPP IS et le SIRS – j'ai déjà répondu à cette question précédemment.
Pour les huitième et neuvième recommandations, relatives à un accord de coopération avec les auditorats du travail, un projet d’accord est en cours d’élaboration en concertation avec les fédérations de CPAS.
Concernant la dixième recommandation – analyser les recommandations du SPP IS – plusieurs choses ont été faites: le lancement d'une étude sur la charge de travail des assistants sociaux, la mise en place d'un groupe de travail sur la simplification administrative, la publication d'une circulaire relative aux procédures, la mise en œuvre d'un projet de monitoring visant une meilleure collecte de données auprès des CPAS, l'élaboration d'un cadre visant à renforcer la chaîne de contrôle et de sanctions et à prévoir des inspecteurs supplémentaires et, enfin, le renforcement de la coopération avec les instances fédérales et régionales (le SIRS, la COCOM, Audit Vlaanderen, le SPW Wallonie, le FAI, le CDBC, etc.).
Concernant la onzième recommandation – améliorer la charge de travail des assistants sociaux et la simplification administrative – un groupe de travail a été mis en place et se penche sur la simplification administrative, avec comme premier chantier la problématique des avances.
Enfin, concernant la douzième recommandation – l'approche déterminée de la fraude sociale en collaboration avec les communautés et les régions – des contacts réguliers ont lieu et des accords de coopération sont en cours d'élaboration.
01.05 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Bedankt, mevrouw de minister, voor uw uitgebreide antwoord.
Ik moet het even laten bezinken, maar u hebt verschillende initiatieven genomen. Ik ben ervan overtuigd dat u voorziet in een nauwgezette opvolging van het OCMW van Anderlecht met de POD MI en dat u inzet op samenwerking met alle bevoegde instanties, zodat dergelijke situaties zich niet zouden herhalen.
Het ligt misschien niet binnen uw bevoegdheid, maar uit de signalen die ik krijg vanuit het OCMW van Anderlecht – dat heeft misschien ook deels met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te maken, waar ik nog niet precies de vinger op kan leggen – rijst de vraag hoe het zit met de leidinggevende. Wat ik in de hoorzittingen heb gehoord, vond ik verschrikkelijk. Zo was er het verhaal dat een OCMW-voorzitter maatschappelijk werkers overrulede en zij enkel via zijn bureau zaken konden verkrijgen die volgens een sociaal werker zelfs niet wettelijk waren. Er werd ook niet op huisbezoek gegaan en een aantal verplichtingen werd overgeslagen.
Wat u zegt klopt. Het zijn wantoestanden. Die zetten alle andere OCMW’s onder druk, net als onze solidariteit. Ze zetten ook de maatschappelijk werkers onder druk die daar met heel hun hart elke dag opnieuw alles geven, niet alleen in Anderlecht, maar in alle OCMW’s, om mensen op een goede manier te begeleiden, hen uit de put te trekken en perspectief te bieden. Dat vind ik bijzonder jammer, omdat we daar nog altijd niet echt de vinger op kunnen leggen.
Ik zou zeggen, doe zo voort met uw initiatieven. Ik hoop in ieder geval dat een audit – een jaar is inderdaad te lang –toch de vinger kan leggen op wat daar misloopt, zodat we het probleem, dat aan de basis ligt van al de rest, ook effectief kunnen aanpakken.
01.06 Ellen Samyn (VB): Mevrouw de minister, ik moet uw antwoord ook even laten bezinken.
Ik maak me toch wat ongerust, niet over uw inzet bij het OCMW van Anderlecht, maar over het feit dat er toch wel wat schort aan de communicatie, zowel op het federaal niveau als in Brussel. Men kan zeggen dat dit te maken heeft met het ontbreken van een regering, maar we zijn intussen bijna twee jaar verder en toch zeker al minstens een jaar na de feiten. Dat er zo laks en traag wordt opgetreden, wijst volgens mij op een groot probleem. Daar komt nog bij dat we te maken hebben met bevoegdheidsoverschrijdende aangelegenheden, waardoor men niet zomaar kan doen wat men wil, ook al vindt iedereen misschien dat een andere aanpak nodig is.
Net daar wringt het schoentje. De aanpak van de Brusselse regering, of die nu in lopende zaken is of niet, zou eigenlijk geen verschil mogen maken. In oktober vroegen mijn collega Raskin en ikzelf naar de stand van zaken. Toen moesten we vernemen dat men pas in juli een audit had besteld, die dan inderdaad nog een jaar in beslag zou nemen. De vraag is wat de resultaten daarvan zullen zijn, maar ook wat er daarna concreet zal gebeuren. We zijn intussen minstens anderhalf jaar verder en zien nog altijd wantoestanden. Mensen moeten nog altijd zeer lang wachten op hun dossiers.
Ook al wordt er een federaal beleid gevoerd, ik heb de indruk dat daar niet echt gehoor aan wordt gegeven. Dat baart mij zorgen. De dossiers worden niet aanbevolen. De leidinggevenden zitten nog altijd op hun plaats en denken dat het hen worst zal wezen.
Ik ben dus wel bezorgd over de situatie. Ik
hoop echt dat u woord zult houden en ons regelmatig zult inlichten over de
situatie ter plaatse. Ik hoop, in het belang van de sociale assistenten en
uiteraard ook in het belang van de cliënten, dat er iets verandert, want wie
hulp nodig heeft, heeft daar recht op. Die sociale assistenten mogen niet van
bovenaf worden gekoeioneerd of aangestuurd om bepaalde beslissingen te nemen. Ik blijf daar toch ongerust over.
01.08 Anneleen Van Bossuyt, ministre: (…)
01.09 Denis Ducarme (MR): Mais si! Vous nous dites que le gouvernement n'est pas vraiment partie civile au motif que le dossier n'existe pas. Autrement dit, vous n'avez pas pris la peine de saisir un juge d'instruction. Alors, soyez claire! Il y a huit mois, vous nous annonciez vous être constituée partie civile. À présent, vous nous répondez qu'à la fin du mois de janvier, une réunion devait déterminer si ce dossier existait bel et bien. C'est ce que vous avez dit! Dès lors, le gouvernement s'est-il, via votre département, constitué partie civile? Avez-vous saisi un juge d'instruction pour traiter les fraudes supposées au CPAS d'Anderlecht, fraudes sur lesquelles notre Parlement a travaillé pendant des semaines avant de produire des recommandations?
01.10 Anneleen Van Bossuyt, ministre: Monsieur Ducarme, une procédure judiciaire est nécessaire avant de pouvoir se constituer partie civile.
01.11 Denis Ducarme (MR): Mais non!
01.12 Anneleen Van Bossuyt, ministre: Mais si!
01.13 Denis Ducarme (MR): Non, vous n'avez qu'à saisir un juge d'instruction pour ouvrir un dossier.
Donc, vous avez publié une déclaration musclée sur le site de la N-VA. Et, à ce stade, toute la presse pense que le gouvernement s'est constitué partie civile, alors que ce n'est pas le cas. J'ai présidé ce groupe de travail et je vous ai fait confiance relativement à cette démarche. Il se trouve que le gouvernement ne s'est pas constitué partie civile, qu'il n'a pas saisi un juge d'instruction, qu'aucune sanction n'a encore été infligée au regard de la mauvaise gestion, des fraudes, du détournement de revenus d'intégration sociale (RIS) et des faux projets individualisés d'intégration sociale (PIIS) au sein du CPAS d'Anderlecht. C'est vraiment décevant!
Het incident
is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: De heer Van Lysebettens is niet aanwezig, dus het woord is aan de heer Moons.
02.01 Kurt Moons (VB): Mevrouw de minister, het zijn misschien vijgen na Pasen, aangezien deze vraag werd ingediend op 14 november en we nu drie maanden verder zijn. De vraag ging over het stelsel van de voorlopige twaalfden en de financiering van de OCMW's na de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Intussen werd er al een wet goedgekeurd om in extra financiering te voorzien, maar de vraag is in welke mate de voorlopige twaalfden gelden en er genoeg middelen zijn om de bestaande noden bij de OCMW's, zowel wat betreft de uitbetaling als de extra ambtenaren, te lenigen. Misschien moet ik mijn vraag dus wat anders formuleren.
Voorzitter:
Denis Ducarme.
Président: Denis Ducarme.
Hoe hoog lopen die bijkomende leefloonkosten op? Hebt u daarop een zicht? Zijn daarvoor de nodige middelen beschikbaar? Beschikt u over de nodige kredieten om die financiële verwachtingen in te lossen? Bent u op de hoogte van mogelijke problemen bij lokale besturen of OCMW's die tijdelijk ondergefinancierd geraken? Wat zult u daaraan desgevallend doen?
02.02 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mijnheer Moons, ik heb uiteraard een antwoord voorbereid op basis van de vragen die u mij had bezorgd, dus ik zal daarop antwoorden.
De wet om de OCMW’s te compenseren, is goedgekeurd en we voldoen aan onze wettelijke verplichtingen. Een begroting met voorlopige twaalfden is niet ideaal. Het is ook daarom dat mijn administratie, in samenwerking met de FOD BOSA, de nodige aanpassingen aan onze budgetten heeft voorbereid. Op die manier zuiveren we de juiste kredietlijnen voldoende aan en zijn er geen betaalproblemen van de POD Maatschappelijke Integratie naar de OCMW’s bij de start van 2026. Dat betekent dat er in de voorgestelde voorlopige kredieten meer werd voorzien dan de drie twaalfden van het initiële budget van 2025.
Concreet voorzien we vier twaalfden, plus nog een deel van de verwachte stijging in 2026. Dat is nodig, aangezien het budget 2025 nog geen rekening hield met die bijkomende aanvragen als gevolg van de gewijzigde wetgeving. Die uitzondering kan worden toegestaan op basis van de verschillende wettelijke verplichtingen inzake de betaling aan de OCMW’s.
De aanvraag van de nodige middelen gebeurt binnen een ruimere oefening van de FOD BOSA inzake het budget van 2026. De middelen die voor de OCMW’s worden voorzien, worden steeds op de daarvoor bestemde budgettaire adressen beschikbaar gemaakt. De middelen die zijn opgenomen in de drie twaalfden zullen technisch gezien later deel uitmaken van het totale budget van 2026, zodra dat finaal wordt afgeklopt en goedgekeurd.
De grootteorde van de bedragen laat trouwens geen herverdeling vanuit andere allocaties toe. De overgang van een begroting met drie twaalfden naar een afgewerkte, gestemde begroting voor 2026 betekent dus geen enkel operationeel probleem. Ook de overgang naar de nieuwe begroting 2026 zal vlot verlopen.
We hebben de OCMW-federaties hierover al tijdig ingelicht en hen daarover ook kunnen geruststellen. Mijn administratie zal de OCMW’s verder informeren over alle relevante aanpassingen en ontwikkelingen via haar nieuwsbrief, de Echonieuwsbrief, en via haar website vanaf het moment dat alle modaliteiten duidelijk zijn.
02.03 Kurt Moons (VB): Dank u wel voor uw antwoorden, mevrouw de minister, zij het inderdaad op vragen van eertijds.
Ik stel vast dat er blijkbaar geen betaalproblemen zijn vandaag. We kijken uit naar de begrotingsdiscussies die eraan zitten te komen. Dan zullen we bekijken in welke mate er in werkelijkheid gewerkt wordt met elk één derde, zoals eertijds was voorgesteld, en of het mogelijk zal zijn in de nodige budgetten te voorzien, want het zou toch spijtig zijn mochten de OCMW’s tekorten oplopen.
Kortom, dank u voor uw antwoord. We zien elkaar binnenkort terug.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
03.01 Fatima Lamarti (Vooruit): Mevrouw de minister, we zijn inmiddels in februari en de winter heeft zich al stevig laten voelen. Vorige maand kregen we te maken met een periode van zware vrieskou. Ook voor komend weekend worden er opnieuw vriestemperaturen voorspeld. Voor mensen die op straat leven en voor de hulpverleners die hen proberen op te vangen, zijn dit bijzonder zware omstandigheden. Net op zulke momenten moet de overheid durven na te gaan of onze systemen voldoende werken wanneer het echt moeilijk wordt.
Ik stelde u hierover vorig jaar al vragen. Toen verwees u vaak naar de federale financiering van de winteropvang en naar de belangen van de interministeriële conferentie. Ik heb deze vraag oorspronkelijk ingediend in november. Ze is ondertussen deels ingehaald door de actualiteit. Intussen weten we namelijk dat de federale subsidie voor winteropvang, bijna 1 miljoen euro, vanaf volgende winter wordt stopgezet, boven op de eerdere beslissing om de steun aan centrumsteden stop te zetten. Daarom wil ik u vandaag om een actuele stand van zaken vragen.
U bent vlak voor de winter in overleg gegaan met de burgemeester van Brussel en met de lokale actoren. Kunt u toelichten welke concrete beslissingen daaruit zijn voortgekomen om de overbezetting in de opvang te verminderen? Welke maatregelen waren onmiddellijk uitvoerbaar en welke impact hebben ze gehad tijdens de vrieskou van vorige maand?
U gaf eerder aan dat er binnen de federale steun expliciet aandacht is voor vrouwen met kinderen en dat er een nieuw centrum operationeel zou zijn vanaf eind december, dat 24 uur op 24 open zou zijn. Kunt u bevestigen dat dit centrum vandaag volledig draait? Welke bijkomende federale middelen of gebouwen worden momenteel geactiveerd om te garanderen dat geen enkel gezin de komende weken in de kou op straat moet overnachten?
U hebt ook het initiatief genomen om de interministeriële conferentie opnieuw op te starten, om de versnippering in het beleid aan te pakken. Dat is een goede zaak en dat is uiteraard nodig. Kunt u toelichten of er intussen concrete afspraken zijn gemaakt die de samenwerking op het terrein ook echt verbeteren?
We zien vandaag nog te vaak dat de coördinatie tussen het federale en het lokale niveau moeizaam verloopt. Welke stappen zult u ondernemen om die samenwerking structureel te versterken?
03.02 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mevrouw Lamarti, ik heb op 30 september 2025 op mijn kabinet inderdaad een constructief overleg gehad met de burgemeester en de OCMW-voorzitter van de stad Brussel, waarbij onder andere de winteropvang werd besproken in zowel de stad als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De voorzitter van het OCMW heeft al verklaard zijn verantwoordelijkheid te zullen opnemen als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het kader van de lopende zaken nalatig zou zijn in de uitvoering van het koudeplan. Wat betreft de winteropvang in de stad Brussel, heeft de OCMW-voorzitter van de stad Brussel aangegeven dat met de federale bijdrage van 65.000 euro twee halftijdse medewerkers worden gefinancierd die daklozen doorverwijzen naar de diensten. Die begeleiding zal blijven bestaan.
Op 1 november 2025 – niet eind december – werd in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest een opvangcentrum voor daklozen met kinderen geopend, onder het beheer van het Belgische Rode Kruis. De eerste gebruikers zijn daar opgevangen. Dit gebeurde in overeenstemming met mijn instructies aan de POD MI en met de informatie die reeds werd verstrekt aan de parlementsleden die mij daarover vragen hadden gesteld.
Het centrum heeft een opvangcapaciteit van 185 plaatsen, waarvan er 110 worden gefinancierd door de federale overheid. De andere plaatsen worden bekostigd door Vivalis. Het centrum blijft actief tot 31 maart 2026. Ik heb trouwens gisteren de informatie gekregen dat de bezetting daar 100 % bedraagt. Vorige week was dat nog iets meer dan 90 %. Dat loopt daar dus allemaal goed. Ik was dan ook verbaasd vorige vrijdag uw kritiek hierop te lezen in de pers.
Zoals ik al meermaals heb uitgelegd in deze commissie doet de federale overheid eigenlijk al meer dan haar wettelijke opdracht. Dat ik dan moet lezen dat ik mijn verantwoordelijkheid niet neem, vind ik op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Ik denk dat het op zijn minst al heel wat zou helpen als men in Brussel zijn verantwoordelijkheid zou nemen en eindelijk een regering zou vormen.
De inspanning van de federale overheid is dus een aanvullende maatregel, een tweedelijnsmaatregel. Het zijn de regionale, communautaire en lokale overheden die over de bevoegdheden en de middelen beschikken om zo goed mogelijk te zorgen voor een waardige opvang van kwetsbare groepen, waaronder daklozen.
Sinds 1 oktober 2025 heeft mijn kabinet het voorzitterschap van een werkgroep op zich genomen in het kader van de interministeriële conferentie Grootstedenbeleid, Maatschappelijke Integratie en Armoedestrijding. Het doel is om te komen tot een nieuw samenwerkingsakkoord inzake dak- en thuisloosheid tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten, op basis van de bevoegdheden van elk bestuursniveau. U dient te weten dat een overeenkomst inzake regelgevende samenwerking niet alleen ondubbelzinnige bepalingen vereist, maar ook instemming vraagt van de IMC en de regeringen, dus van de respectieve ministerraden. Vervolgens moet het volledige dossier ingediend worden bij het Overlegcomité en advies van de Raad van State krijgen, alvorens het dossier kan worden teruggezonden naar het Overlegcomité en de verschillende regeringen. Vervolgens is er nog goedkeuring vereist van de parlementen van elk bestuursniveau.
Mijn administratie werkt in goede verstandhouding samen met de administraties van de gewesten en de gemeenschappen om zo snel mogelijk het beoogde resultaat te bereiken. In de vorige legislatuur heeft men geprobeerd het vorige samenwerkingsakkoord te actualiseren, maar men is daar niet in geslaagd. Wij hopen daar wel in te slagen.
03.03 Fatima Lamarti (Vooruit): Mevrouw de minister, u zegt dat ik u heb aangevallen op uw beleid, maar het gaat hier over meer dan dat. Dakloosheid overstijgt het migratievraagstuk, dat daar meestal aan gelinkt wordt. Dak- en thuisloosheid treft namelijk een zeer brede groep mensen, zoals jongeren die de jeugdzorg verlaten en op straat terechtkomen en mensen die na een echtscheiding dakloos worden. Sommige mensen komen door omstandigheden buiten hun wil om op straat terecht en het probleem van dak- en thuisloosheid valt dus niet louter te herleiden tot een migratievraagstuk, zoals u poneert.
Ik ben wel zeer blij dat het centrum voor vrouwen en kinderen optimaal gebruikt wordt door de mensen die het nodig hebben. Het regeerakkoord is daar ook zeer duidelijk over: de strijd tegen dak- en thuisloosheid moet opgedreven worden en de aanpak ervan moet beter afgestemd worden met alle betrokken actoren en bestuursniveaus. Er zijn daarover afspraken gemaakt op het federale niveau en die moeten worden nageleefd.
Ik roep daarom op om die interministeriële conferenties maximaal te blijven benutten en om de samenwerking met de gewesten en de lokale besturen te versterken. Alleen door als partners samen te werken kunnen we garanderen dat er niemand meer op straat moet slapen.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
Le président: Concernant le déroulement de la réunion – je sais que certains parlementaires sont dans d’autres commissions ou nous suivent depuis leur bureau et évaluent à distance le moment auquel ils devront nous rejoindre pour poser leurs questions –, Mme Meunier, en repos de maternité, a demandé que ses questions n°s 56010711C, 56011675C, 56011787C, 56011805C, 56011926C, 56012595C et 56012659C soient transformées en questions écrites.
04.01 Wouter Raskin (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Mevrouw de minister,
Het federaal regeerakkoord drukt het
voornemen uit om een centraal register op te stellen, waarin alle sociale
bijstand en voordelen worden meegenomen, zodat er rekening mee gehouden kan
worden bij de berekening van het geheel aan sociale bijstand en voordelen.
U neemt alvast maatregelen om de
onbeperkte cumul van leeflonen binnen een gezin aan banden te leggen.
Binnenkort zullen OCMW's bij het bepalen van een leefloon niet alleen rekening
moeten houden met de bestaansmiddelen van partners, maar ook met die van
(groot)ouders, meerderjarige (klein)kinderen, schoonouders, -zonen en -dochters.
Mijn vragen aan u:
1. Wat is de stand van zaken van het
centraal register van sociale bijstand en voordelen?
2. Leeflonen zijn uiteraard maar een
onderdeel van het totaal aan bijstand en voordelen. Welke uitkeringen,
tegemoetkomingen en andere voordelen moeten verder nog opgenomen worden in het
register?
3. Tegen wanneer mogen we de volgende
stappen verwachten? Welke timing heeft u voor ogen?
Le président: Mme Pirson ne nous rejoindra pas dans les temps.
04.02 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mijnheer Raskin, u vroeg naar een stand van zaken.
Ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is voor mij en voor de hele regering dat werken moet lonen. Nergens in Europa loont werken zo weinig als in België en daarmee moeten we echt komaf maken.
Het register, dat een overzicht biedt van alle vormen van bijstand en alle mogelijke voordelen, zal bijdragen tot het vermijden van werkloosheidsvallen en wil ook excessen aanpakken.
Ik wil nog eens benadrukken dat dit voornemen al in het regeerakkoord van februari stond en dat het dus niet klopt, zoals links en rechts wordt beweerd, vooral links, dat we paniekmaatregelen nemen naar aanleiding van een tv-reportage. U herinnert zich vast de reportage van Christophe Deborsu in Verviers. Vóór die reportage vonden hierover al bijeenkomsten plaats met de betrokken kabinetten en administraties.
Als we alle bijstandsvormen en voordelen geïnventariseerd hebben, kunnen we ook bepalen op welke manier we het plafond zullen definiëren. Verschillende ministers zijn trouwens aan zet, in het bijzonder de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, maar ook de minister van Werk, de minister van Pensioenen, de minister van Personen met een Handicap en Gelijke Kansen en ikzelf van Maatschappelijke Integratie.
In uw tweede vraag zegt u dat leeflonen maar een onderdeel zijn van het geheel van bijstand en voordelen, en vraagt u welke andere voordelen er verder nog moeten worden opgenomen. Zoals u vermeldt, moet het register zowel de niet-bijdragende sociale uitkeringen omvatten, zoals sociale hulp en sociale tarieven, maar ook de bijdragende sociale uitkeringen, zoals werkloosheidsuitkering en overbruggingsrecht. Op termijn moet het geheel van de sociale rechten daarin worden opgenomen, zodat we een omvattend totaaloverzicht krijgen, dus met andere woorden ook de zaken die op regionaal niveau toegekend worden.
Uw derde vraag was wanneer de volgende stappen verwacht mogen worden en wat de timing daarvoor is. Momenteel timmert een werkgroep naarstig aan de juridische en de praktische uitwerking van dit project. Dat is niet eenvoudig door het imbroglio aan voordelen, steunen, premies en kortingen die in de loop der jaren op diverse niveaus zijn uitgebouwd, maar net dat is ook een deel van het probleem. Daarnaast heb ik binnen de IMC Maatschappelijke Integratie en Grootstedenbeleid een werkgroep opgericht om ervoor te zorgen dat ook regionale steun kan worden meegenomen in het centraal register. Op die manier is iedereen aan boord. Het regeerakkoord is duidelijk en de publieke verontwaardiging is meer dan terecht.
We moeten allemaal onze verantwoordelijkheid nemen en ik reken daarbij ook op mijn collega-ministers om met evenveel ijver aan het werk te gaan.
04.03 Wouter Raskin (N-VA): Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord.
Het is inderdaad een complex dossier, maar de uitdaging is uitermate belangrijk. Ik denk dat uw doelstelling – ook de doelstelling van het regeerakkoord – heel duidelijk is, namelijk het draagvlak in de samenleving voor de sociale zekerheid en sociale bijstand herstellen. In het verleden is dat immers veel te vaak en te zeer afgebrokkeld.
Mensen die dag in dag uit de moeite doen uit hun bed te kruipen en aan de slag te gaan om de pot van de sociale zekerheid te vullen, doen dat overwegend met heel veel plezier en overtuiging, zolang het systeem niet wordt misbruikt. Het onder de loep houden van de ongebreidelde cumulatie van tal van voordelen en uitkeringen is dus uitermate belangrijk om het draagvlak in de samenleving te behouden. Het is dan ook positief dat u, in de geest van het regeerakkoord, voortwerkt op die werf.
Ik ga ervan uit dat uw collega's die medeverantwoordelijk zijn – dat is heel duidelijk – ook hun verantwoordelijkheid zullen nemen. Dat zullen we ook in de toekomst opvolgen.
L'incident est
clos.
Het incident is gesloten.
05.01 Sandro Di Nunzio (Anders.): Mevrouw de minister, een job is essentieel voor een goede integratie. Wie een job heeft kan immers zorgen voor zichzelf en zijn of haar gezin. Men draagt ook bij aan de samenleving en bouwt een sociaal netwerk uit.
In uw beleidsnota stelt u dat migratie een positief verhaal kan zijn, als ze gecontroleerd gebeurt en bijdraagt aan onze economie en samenleving. Dat principe onderschrijf ik. Dat is trouwens absoluut het geval en geldt niet enkel voor migranten, maar voor iedereen: een job is de beste vorm van sociale zekerheid.
Ik diende mijn vraag in op 1 december 2025. De arbeidsmarktcijfers waarop ik mijn vraag baseerde, waren verontrustend en ik neem aan dat ze intussen niet zijn gewijzigd. België behoort nog steeds tot de landen met de laagste werkgelegenheidsgraad voor inwoners met een migratieachtergrond in Europa.
Hoewel de werkzaamheidsgraad in ons land ongeveer 66 % bedraagt, blijft de kloof met mensen die in België geboren zijn, bijzonder groot. Voor mensen met een niet-EU-achtergrond is die kloof zelfs meer dan 25 procentpunt. Landen zoals Nederland, Duitsland en Scandinavische lidstaten tonen aan dat een hoge werkgelegenheidsgraad mogelijk is, alsook dat die kloof klein kan zijn. Het verkleinen van die kloof is dus een haalbare beleidsdoelstelling en noodzakelijk voor ons land. Een lage werkzaamheidsgraad vormt een sociaal-economische last, remt onze groei, duwt OCMW's in rode cijfers en bemoeilijkt integratie.
Vandaag bestaan nog altijd een aantal knelpunten. Inburgerings- en integratietrajecten leveren onvoldoende resultaat, er wordt een te laag taalniveau gehaald, diploma’s worden soms moeizaam erkend en er is een ongelijke instroom in de arbeidsmarkt. Dat zijn uitdagingen voor ons land.
U beschikt uiteraard over een aantal instrumenten om deze legislatuur een trendbreuk proberen te realiseren. U bent daar momenteel mee bezig, maar voorlopig zien we nog geen duidelijke resultaten. Laten we hopen dat de situatie zal verbeteren.
Hebt u een verklaring voor de cijfers? Vanwaar komt de kloof precies? Kunt u daarover meer uitleg geven? Kunt u toelichten waarom we er in België en in Vlaanderen vooralsnog niet in slagen de kloof te dichten, ondanks de arbeidskrapte van vandaag met bijna 60.000 vacatures? Welke stappen onderneemt u op het vlak van integratie en activering? Ik denk dan aan de VDAB, het Nederlands als tweede taal en inburgering. Komen er strengere opvolging, snellere diplomavoorwaardelijke tewerkstelling en gerichte activering in kwetsbare gemeenten en knelpuntsectoren?
05.02 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mijnheer Di Nunzio, de opmerkelijke studie van de progressieve denktank Minerva, die gisteren bekendgemaakt werd en concludeert dat meer migratie meer welvaart in ons land betekent, vergeet één belangrijk element, namelijk dat men alleen maar succesvol kan zijn als men ook integreert en participeert. Dat is geen klein detail, maar een zeer essentieel element.
Uw vragen hebben bijna allemaal betrekking op bevoegdheden van minister Clarinval, bevoegd voor Werk op het federaal niveau, en de ministers van Werk, mevrouw Demir en de heer Jeholet, op het deelstatelijk niveau. Ik vrees dat u veel van uw vragen aan uw Vlaamse collega’s van Anders. zult moeten doorgeven.
Als minister, bevoegd voor Maatschappelijke Integratie, neem ik wel degelijk maatregelen om de inactiviteit van mensen met en zonder migratieachtergrond te verhelpen. Denk aan de stopzetting van het onbeperkt cumuleren van leeflonen in één gezin om een werkloosheidsval te vermijden en inactieve gezinsleden aan te moedigen om toch aan het werk te gaan. Voorts is er de koppeling van het leefloon van erkende vluchtelingen, subsidiair beschermden en tijdelijk beschermden aan de mate van hun inspanningen om te integreren. De hoogte ervan zal afhangen van de mate waarin zij integreren. Ik voorzie ook, in het kader van de compensatieregeling voor OCMW’s naar aanleiding van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd, in een bonus voor de OCMW’s die erin slagen al hun leeflooncliënten duurzaam naar werk te begeleiden.
Al die maatregelen strekken ertoe mensen met en zonder migratieachtergrond zoveel mogelijk aan het werk te krijgen en op die manier te laten integreren in de maatschappij. U verwijst er indirect naar, maar ik denk dat we het er allebei over eens zijn dat werk toch de beste hefboom is tegen armoede. Daarvan hoef ik u vast niet te overtuigen.
05.03 Sandro Di Nunzio (Anders.): Met betrekking tot dat laatste punt, zitten we op één lijn. Ik had alvast uw verwijzing naar de Vlaamse bevoegdheden verwacht en erken dat een aantal van de opgesomde maatregelen in de goede richting gaan.
U bent minister van Maatschappelijke Integratie. Ik zou vooral willen oproepen dat u uw collega's met andere bevoegdheden zeker ook bij de les houdt om er samen voor te zorgen dat de kloof gedicht wordt, want uiteindelijk is dat toch een team effort. Het zal immers niet lukken met alleen het aftoppen van het leefloon en de werkloosheidsuitkering. Dat is de stok. Er is een ketenaanpak nodig.
Ik hoop en dring erop aan dat u de kwestie samen met uw collega’s, onder andere op Vlaams niveau, ter harte neemt. U hebt het voordeel dat uw partij daar ook de leiding in handen heeft en u kent uw collega-ministers dus goed.
We volgen het dossier op en ik hoop dat uw regering erin slaagt, op de verschillende niveaus, om de kloof te dichten. Het is immers een absolute noodzaak voor onze welvaart en voor de inburgering van diegenen die in ons land terechtkomen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
06.01 Ellen Samyn (VB): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
In recente berichtgeving luiden
voedselbanken en hulporganisaties de alarmbel. Zij geven aan dat zij vanaf
volgend jaar met minder middelen zullen moeten werken, terwijl de vraag naar
voedselhulp aanzienlijk toeneemt. In Limburg alleen al wordt gesproken over
duizenden gezinnen die afhankelijk zijn van voedselbedeling, met een verwachte
stijging van het aantal hulpbehoevenden tot wel 30% in de komende jaren.
Volgens de sector zal er volgend jaar in
België ongeveer 4.000 ton minder voedsel beschikbaar zijn voor verdeling, wat
overeenkomt met circa 8 miljoen maaltijden. Voor sommige voedselbanken
vertegenwoordigt dit een aanzienlijk deel van hun normale aanbod. Tegelijk
geven lokale hulporganisaties aan dat zij steeds vaker werkende mensen over de
vloer krijgen die, ondanks inkomen, niet meer rondkomen.
Daarbovenop leven veel van deze
organisaties quasi uitsluitend van giften en vrijwilligerswerk en ontvangen zij
geen structurele subsidies. Zij waarschuwen dat zij binnenkort mogelijk mensen
zullen moeten teleurstellen, niet wegens een daling van de nood, maar wegens
een tekort aan beschikbare middelen.
Graag verneem ik van de minister:
Hoe beoordeelt u de huidige en
toekomstige druk op voedselbanken in België, in het licht van de stijgende
vraag naar voedselhulp?
Beschikt u over een globale inschatting
van de impact van deze verminderde voedselbedeling, zowel op de betrokken
gezinnen als op OCMW's en lokale besturen die vaak doorverwijzen naar
voedselhulp?
Zullen er maatregelen voorzien worden om
deze impact op te vangen?
In het artikel wordt ook verwezen naar
een aankomende fiscale hervorming die het schenken van voedingsmiddelen moet
vergemakkelijken. Kan u toelichten welke concrete maatregelen hier worden
voorbereid? In welke mate verwacht u dat deze fiscale aanpassingen effectief
zullen bijdragen aan het versterken van de bevoorrading van voedselbanken? Is
hierover overleg geweest met de bevoegde minister van Financiën, en wat is de
stand van zaken en de timing van deze hervorming?
06.02 François De Smet (DéFI): Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question.
Madame la ministre, je vous ai déjà
interrogé sur ce dossier à plusieurs reprises , et dernièrement le 5 novembre 2025.
Vous n’êtes pas sans savoir que le secteur
de l’aide alimentaire traverse des moments difficiles, causés notamment par la
diminution du cofinancement fédéral supplémentaire décidé par le Gouvernement
par l’abandon de compétences dites usurpées.
Par ailleurs, sur la partie aide alimentaire
FSE+(Fonds Social Européen plus) , les Restos du Coeur, pour ne pas les citer,
connaissent une diminution globale du budget de 44, ce qui entraîne une perte
estimée à près de 420 000 euros de subventions indirectes pour
l'ensemble du réseau. Précisons d’ailleurs à cet égard que la partie “biens
matériels” du FSE + comprenant des produits d’hygiène de première nécessité a
été complètement supprimé
La Fédération des Restos du Coeur - qui
compte 21 restaurants (14 en Wallonie, 2 en Région bruxelloise, et 5 en
Flandre) se dirige vers un déficit situé entre 100 000 et 200 000 euros
pour la troisième année consécutive
En effet, on peut s’attendre à ce que la
première vague de personnes exclues du chômage durant ce premier trimestre 2026
n'entraîne une augmentation du nombre de personnes dépendantes de l'aide
alimentaire, et une perspective d'un véritable "black out social"
Madame la ministre, ainsi que je vous
l’avais déjà dit en novembre 2025, vous n’êtes pas tenus légalement de
poursuivre cette contribution fédérale mais reconnaissez que les besoins
risquent d’exploser et que l’impact de la réforme du chômage demeure encore
incertain.
En conséquence, madame la ministre peut-elle
me faire savoir:
Si des contacts ont été entrepris avec les
gouvernements des entités fédérées afin de gérer au mieux cet abandon de
compétences fédérales au titre de financement? Dans l’affirmative, quelle est
la situation actuelle?
Si l'analyse des besoins rencontrés par les
Restos du Coeur pourrait néanmoins conduire le Gouvernement fédéral à réévaluer
sa position et pour limiter l’impact sur les associations et les bénéficiaires,
prévoir une compensation financière, un fonds d’urgence, un réajustement du
dispositif, des mesures de transition, bref toute mesure de juste compensation?
06.03 Minister Anneleen Van Bossuyt: Collega's, door de crisissen van de afgelopen jaren lag de druk op de voedselbanken al hoger dan voordien. Gezien de huidige veranderingen voorziet de sector dat de vraag naar voedselhulp nog verder zal toenemen. De aanvoer van voedingsproducten daalt inderdaad, dus de druk op de voedselbanken zal sneller stijgen dan de vraag naar voedselhulp.
Wat betreft de impact van deze daling, de producten van het federaal voedselhulpprogramma in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) vertegenwoordigen ongeveer 40 % van wat er verdeeld wordt in de voedselhulpsector. Voor 2026 zijn er globaal genomen 45,25 % minder volumes beschikbaar in het kader van het voedselhulpprogramma. Dat betekent dat er ongeveer 20 % minder producten beschikbaar zullen zijn voor verdeling.
In ruil voor de Europese fondsen die wij ontvangen, is een verplichte federale bijdrage vereist die overeenkomt met 10 % van het totale budget. Europa geeft ons een bepaald bedrag en verwacht dat wij daar bovenop zelf 10 % financieren met nationale middelen. Als men 10 % neemt van wat er Europees wordt betaald, zou dat voor het federale niveau ongeveer 1,6 miljoen betekenen. De federale regering voorziet in 2025 en 2026 echter een totale cofinanciering van 7,2 miljoen, wat dus veel meer is dan het verplichte aandeel.
Je suis consciente que l'aide alimentaire n'est pas un luxe, mais une nécessité fondamentale pour les personnes qui rencontrent des difficultés dans notre société. C'est pour cela que nous prévoyons plus que notre part au niveau fédéral; c'est presque six fois plus que ce qu'on devrait faire. Maintenir ce filet de sécurité solide et fiable relève de notre responsabilité collective. Je continue à m'y engager dans les limites des compétences qui relèvent du niveau fédéral.
Parallèlement, il importe de souligner que l'aide alimentaire relève principalement des compétences des entités fédérées. Au niveau fédéral, nous cofinançons au-delà de ce qui est réglementairement requis – comme je viens de l'expliquer. Toutefois, nous ne pouvons pas continuer à assumer cette demande supplémentaire croissante. Dans le contexte budgétaire actuel, il n'est plus justifié que le niveau fédéral intervienne de manière structurelle dans une compétence qui relève avant tout des communautés.
Al enige tijd geleden, voor het zomerreces van vorig jaar, heeft mijn kabinet overlegd met de regio’s om duidelijkheid te scheppen. Alle voedselhulporganisaties hebben eind november 2025 hun afhaalbon ontvangen, met de hen toegewezen volumes voor de verdeelcampagnes van 2026. Sinds eind november hebben de voedselhulporganisaties dus duidelijkheid over de volumes die ze in 2026 kunnen verwachten.
Het ESF+-programma loopt af in 2027. Het loopt parallel met het meerjarig financieel kader, dat ook tot 2027 loopt. Vanaf 2028 wordt het geregeld door het kader voor de volgende jaren.
Ik geef u de bedragen die in de komende jaren zijn ingeschreven voor de openbare aanbestedingen voor de aankoop van voedingsmiddelen.
Voor de campagne van 2027 gaat het om een totaal van 15,3 miljoen euro, waarvan 8,9 miljoen euro afkomstig is uit ESF+-middelen en 6,6 miljoen euro uit federale cofinanciering. Daarmee komt men ruim boven de grens van 10 % uit. Voor de campagne van 2028 bedraagt het totaal 15,6 miljoen euro.
Donc, 15,6 millions d'euros dont 9 millions d'euros de moyens d'ESF+ et 6,6 millions d'euros de cofinancement fédéral. C'est donc beaucoup plus que les 10 % que nous devrions co-financer.
Ik kom tot de specifieke vragen inzake het schenken van voedsel in het kader van de fiscale hervorming. In de vorige legislatuur heb ik daar als Kamerlid nog voorstellen voor ingediend. Ik moet u echter doorverwijzen naar mijn collega-minister Jambon, die voor deze materie bevoegd is. Ik kan u wel meegeven dat hij eind december een KB heeft gemaakt dat hierin voorziet. Het is een belangrijke en noodzakelijke hervorming en ik hoop dat die het beoogde effect zal sorteren op het terrein.
Le SPP IS organise quatre fois par an des réunions de concertation avec les acteurs de l'aide alimentaire, auxquelles mon cabinet est également convié. Ces rencontres rassemblent un large éventail de partenaires, dont la Fédération belge des Banques Alimentaires, la Croix-Rouge, la Fédération des Services Sociaux, Alimen'T, les associations des villes et communes, Foodsavers Antwerpen, AMA, la VSF, Welzijnsschakels, Level IT, Dream, Saint-Vincent-de-Paul, ainsi qu'un expert du vécu de la pauvreté et de l'exclusion sociale. L'objectif de ces réunions est de partager les informations relatives aux principales activités menées dans le cadre du FSE+.
Le 3 décembre 2025, j'ai effectué une visite de travail à la banque alimentaire de Flandre-Orientale. J'ai pu y découvrir le fonctionnement quotidien et échanger avec les bénévoles. La Fédération belge des banques alimentaires était également présente lors de cette visite.
Un entretien constructif a suivi. Les préoccupations et observations exprimées ont été prises très sérieusement et je considère essentiel de rester en contact étroit avec le terrain et d'écouter la réalité à laquelle les organisations et les bénévoles sont confrontés au quotidien.
06.04 Ellen Samyn (VB): Mevrouw de minister, bedankt voor uw uitgebreide en zeer interessante antwoord.
We merken helaas dat de druk op de voedselbanken en ook op de lokale hulporganisaties stijgt. Ik beschik enkel over cijfers uit 2024. Daaruit blijkt dat nog altijd 210.000 personen per maand afhankelijk zijn van voedselhulp.
Wat de terugval van de Europese steun betreft sprak u over 20 % minder producten. Er zijn minder schenkingen, waardoor de druk op de voedselbanken onvermijdelijk toeneemt. Daardoor zijn er teleurgestelde mensen. Dat is spijtig, want de nood neemt duidelijk toe. Ik las in het artikel dat die vermindering 8 miljoen minder maaltijden betekent. Dat is moeilijk voor te stellen. Het is goed om te vernemen dat u sprak over een serieus budget, namelijk zes keer meer, ruim 7 miljoen euro. Het is positief dat daar aandacht aan wordt besteed en dat doet mij plezier.
Het is bovendien goed dat minister Jambon
ervoor heeft gezorgd dat het schenken van voedingsmiddelen is vergemakkelijkt.
In de vorige legislatuur zagen we immers soms dat zaken eerder via Too Good To
Go verliepen dan dat voedselhulp bij de mensen terechtkwam die ze echt nodig
hadden. Dat is nu verbeterd, wat ik zeer positief vind. Eerder werd namelijk
telkens gezegd dat dit niet kon vanwege Europese regelgeving, maar blijkbaar
kan het toch via een koninklijk besluit. Bedankt daarvoor.
06.05 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse exhaustive.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
Le président: La question n° 56011916C de Mme Van Belleghem est reportée.
07.01 Wouter Raskin (N-VA): Mevrouw de minister, maatschappelijk werkers krijgen helaas steeds vaker met agressie te maken. Vorige zomer zagen we de droeve exponent daarvan bij het OCMW van Gent, waar een medewerker een huisbezoek met zijn leven moest bekopen.
Die tragische gebeurtenis vormde de aanleiding voor een rondzendbrief die u in december uitvaardigde. Die wil de veiligheid van de medewerkers bij de OCMW’s versterken, door te bepalen dat elke vorm van agressie voortaan zal leiden tot een intrekking of een niet-toekenning van het leefloon.
Mevrouw de minister, kunt u een toelichting geven bij de inhoud van die brief? Wat wordt precies verstaan onder agressie? Weet u hoe het aantal incidenten van agressie de voorbije jaren is geëvolueerd? Wat is de juridische grondslag voor de sanctie van intrekking of niet-toekenning van een leefloon? Wat is eventueel de duurtijd van zo'n sanctie?
07.02 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mijnheer Raskin, jammer genoeg zien we dat het aantal agressiegevallen tegen OCMW-medewerkers toeneemt. We moeten vandaag ook vaststellen dat hetzelfde geldt voor VDAB-medewerkers. We zien dat daar eveneens maatregelen moeten worden genomen. Dat is een trieste evolutie.
Met de rondzendbrief over het omgaan met agressie in de OCMW's wil ik benadrukken dat de veiligheid van onze OCMW-medewerkers en maatschappelijk werkers vooropstaat. Het is een reactie op de toenemende agressie tijdens het sociaal onderzoek. Denk maar aan de dodelijke aanval in augustus 2025 in Gent op een maatschappelijk werker – u verwees er al naar. Ook de jammerlijke tendens van toenemende agressie tegen hulpverleners in het algemeen vormde de aanleiding voor de brief.
De rondzendbrief herinnert aan de principes voor het sociaal onderzoek als er agressief gedrag is en stelt dat een huisbezoek niet verplicht is als de veiligheid niet is gegarandeerd. Agressie kan het verzamelen van informatie belemmeren en het sociaal onderzoek verstoren, waardoor de maatschappelijk werker niet kan vaststellen of aan de voorwaarden voor steun is voldaan. Hieruit volgt dat het leefloon niet kan worden toegekend, want sociaal onderzoek is essentieel voor het toekennen van het leefloon. Aangezien dat niet grondig kan gebeuren, is er een grond om het leefloon niet toe te kennen. Bovendien tast het ook de objectiviteit en de onafhankelijkheid aan.
De rondzendbrief roept OCMW's ook op om na te denken over acties en richtlijnen om agressie te verminderen en te herkennen. In de brief worden ook enkele best practices opgesomd die de OCMW's kunnen invoeren. We hebben een bevraging gedaan bij heel wat OCMW's over welke maatregelen zij al namen. We hebben een lijst van voorbeelden opgenomen in de rondzendbrief, die als inspiratie voor andere OCMW's kunnen dienen. Kortom, de brief biedt juridische handvatten en richtlijnen om agressie te beperken, medewerkers te beschermen en met agressie om te gaan binnen het kader van het sociaal onderzoek.
Voorzitster:
Ellen Samyn.
Présidente: Ellen Samyn.
Agressief, intimiderend of bedreigend gedrag omvat elk fysiek of verbaal of non-verbaal gedrag of elke bedreiging met dergelijk gedrag dat de grenzen van het sociaal aanvaarbare overschrijdt en dat materiële schade, lichamelijk letsel of psychologisch lijden aan anderen met zich meebrengt of redelijkerwijs met zich kan meebrengen. Uit de getuigenissen bleek dat maatschappelijk werkers aangaven reeds gewend te zijn geraakt aan verbaal agressief gedrag. De omzendbrief maakt duidelijk dat dit gedrag niet getolereerd mag worden. Agressief gedrag wordt dus zeer ruim omschreven. Bij de beoordeling van dergelijk gedrag is het concrete effect van het gedrag bepalend. De intentie of de bewustwording van de betrokken persoon is in dit verband niet doorslaggevend.
We beschikken niet over globale cijfers van alle agressiegevallen binnen alle OCMW's, aangezien dat niet onder de federale bevoegdheden valt. Wel hebben we enkele OCMW's bevraagd naar de agressie-incidenten binnen hun OCMW.
In het OCMW van Antwerpen waren er in 2022 191 agressiemeldingen voor sociale dienstverlening. In 2023 waren dat er al 217 en in 2024 waren dat er al 324, dus bijna één per dag. Het aantal agressiemeldingen stijgt dus door de jaren heen. Op de eerste plaats stond daar verbale agressie, met 65 %. Op de tweede plaats stond psychische agressie met 10 %. Op de derde plek stond fysieke agressie met 6 %. Bij 4 % van de gevallen geven de maatschappelijk werkers aan mentale schade te hebben overgehouden aan de geweldincidenten.
Bij het OCMW van Brussel bijvoorbeeld waren er 91 agressie-incidenten in 2024. In de eerste tien maanden van 2025 vonden er 82 gevallen van agressie plaats.
In Namen werd sinds 1 januari 2025 14 nieuwe personen die de maatschappelijk werkers en de receptionisten hebben bedreigd of beledigd de toegang tot het OCMW ontzegd. Het gaat hier niet louter over agressiegevallen, maar over mensen wie de toegang werd ontzegd.
Helaas tolereren maatschappelijk werkers soms beledigingen, wat verklaart waarom sommige incidenten niet worden gemeld. Sterker nog, deze beledigingen komen wekelijks voor. In Namen vinden er 5 interventies per maand plaats door de bewakers, een soort bodyguards die aanwezig zijn in het OCMW. We zijn inmiddels zo ver dat er bewakers moeten zijn in OCMW's. Het gaat om 60 interventies per jaar in het OCMW van Namen, boven op de 14 personen aan wie al de toegang is ontzegd. De bewakers hebben 24 keer per jaar de politie moeten bellen vanwege bedreigingen, woede of beledigingen tegen het onthaalpersoneel of de bewakers zelf.
De OCMW’s zijn autonoom en moeten zelf beoordelen of het agressieve gedrag zodanig ingrijpend is dat het sociaal onderzoek erdoor wordt belemmerd. Ik heb het volste vertrouwen in het oordeel van maatschappelijk werkers en lokale mandatarissen om de situatie in te schatten.
Wat uw laatste vraag betreft, elke beslissing van het OCMW moet gebaseerd zijn op een sociaal onderzoek. De wetgeving voorziet in een plicht tot medewerking van de steunaanvrager bij het verzamelen van informatie voor het uitvoeren van het sociaal onderzoek van het OCMW. Dit betreft specifiek artikel 19, § 2, van de RMI-wet en artikel 60, § 1, van de organieke OCMW-wet.
Wanneer het OCMW – ik heb er daarnet al naar verwezen – er niet in slaagt om de benodigde informatie te verzamelen om te bepalen of aan de voorwaarden voor toekenning van de steun is voldaan, moet het een negatieve beslissing nemen omdat het, gelet op het gebrek aan beschikbare informatie, niet kan vaststellen of aan de voorwaarden voor steun is voldaan. Hieruit volgt dat wanneer het agressieve, intimiderende of bedreigende gedrag van een persoon van die aard is dat de maatschappelijk werker niet in staat is de voor het sociaal onderzoek nodige informatie bij de betrokkenen te verzamelen, hij om die reden een weigering kan voorstellen aan de raad of het gedelegeerd orgaan.
07.03 Wouter Raskin (N-VA): Mevrouw de minister, dank u voor uw zeer uitgebreide antwoord.
Als ik inga op flarden van de cijfers die u geeft, omdat u slechts over zeer partiële cijfers beschikt, dan lijkt het beeld toch duidelijk, ook al zijn de cijfers niet volledig. U verwijst ook naar gelijkaardig geweld jegens VDAB-medewerkers, dus het lijkt een verschijnsel dat eigen is aan de maatschappij van vandaag.
Het is verschrikkelijk te horen dat aan sommige mensen die steun komen vragen – dat mag en daar is niets mis mee – de toegang tot het OCMW moet worden ontzegd en dat er bodyguards of bewakers aanwezig moeten zijn. Dat is compleet de wereld op zijn kop.
Ik besef, net zoals waarschijnlijk u allemaal, dat een sociaal onderzoek voor een cliënt confronterend kan zijn en niet eenvoudig om mee om te gaan. Ik wil daar heel veel begrip voor opbrengen, maar we mogen geen enkele vorm van geweld ten aanzien van assistenten in de OCMW's vergoelijken, of dat nu verbale, non-verbale, fysieke of psychische agressie is. De maatschappij moet daar heel duidelijk in zijn. Ook in uw antwoord lees ik dat er een nultolerantie moet zijn ten aanzien van geweld tegen maatschappelijk assistenten bij de OCMW's.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
08.01 Wouter Raskin (N-VA): Mevrouw de minister, de wet voorziet in de mogelijkheid voor OCMW's om af te zien van de opmaak van een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI) wegens billijkheids- of gezondheidsredenen. Bij de gedachtewisseling over sociale fraude wees u op opmerkelijke regionale verschillen met betrekking tot de toepassing van die uitzonderingsbepaling.
Hebt u vandaag exacte cijfers over het aantal gevallen waarbij geen GPMI wordt opgemaakt wegens gezondheids- of billijkheidsredenen? Beschikt u over cijfers voor alle OCMW's, of slechts over gedeeltelijke cijfers wegens rapportering door een beperkt aantal OCMW's? Wat is de oorzaak van die regionale verschillen? Zijn er ook zichtbare verschillen tussen de centrumsteden?
Een omzendbrief van de POD MI bevat een niet-exhaustieve lijst van situaties die OCMW's kunnen inroepen om geen GPMI op basis van gezondheids- of billijkheidsredenen toe te passen. Het feit dat die lijst niet-exhaustief is en vooral het feit dat er geen voorbeelden gegeven worden van situaties, zou tot gevolg kunnen hebben dat de uitzonderingsbepaling heel erg ruim geïnterpreteerd wordt en het verplichte GPMI zo dode letter blijft. Lijkt het u nuttig om die omzendbrief aan te passen?
Voorzitter:
Denis Ducarme.
Président: Denis Ducarme.
De gezondheids- en billijkheidsredenen moeten duidelijk gemotiveerd worden in het sociaal verslag en moeten bovendien het niet-afsluiten van zo'n GPMI rechtvaardigen. Het is immers mogelijk dat de betrokkene gezondheids- of billijkheidsredenen aanhaalt die rechtvaardigen dat hij of zij niet werkbereid moet zijn. Die redenen zijn echter niet altijd voldoende om het niet-afsluiten van een GPMI te rechtvaardigen. Wordt die beslissing in de praktijk voldoende gemotiveerd? Er bestaan hier misschien ook verschillen tussen de gewesten.
Uit de vastgestelde fraude bij het OCMW van Anderlecht bleek dat het OCMW daar vaak pro forma GPMI's opmaakte om van de verhoogde subsidie te kunnen gebruikmaken zonder de betrokkenen ook effectief te begeleiden en ondersteunen, wat nochtans de bedoeling is. Met andere woorden, het ging over papieren GPMI's. Bestaat dat fenomeen ook in andere OCMW's en bestaan er verschillen tussen de gewesten?
08.02 Ellen Samyn (VB): Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag en zal met veel aandacht luisteren naar uw antwoord.
Het leefloon is bedoeld als een tijdelijk
vangnet, gekoppeld aan activering en maatschappelijke integratie. Sinds 2016 is
het Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie (GPMI) voor
nieuwe leefloners wettelijk verplicht, net om die activerende dimensie te
garanderen.
Uit recente cijfers en eerdere antwoorden
op parlementaire vragen blijkt echter dat een aanzienlijk aantal leefloners en
equivalente leefloners geen GPMI heeft. Dat roept fundamentele vragen op over
de naleving van de wetgeving, de verantwoordelijkheid van de OCMW's en de
effectieve activering van leefloonbegunstigden, zeker in een context waarin ons
sociaal model onder zware budgettaire druk staat.
Daarnaast stellen we forse regionale
verschillen vast. Brussel en Wallonië tellen meer leefloners per inwoner, maar
kennen opvallend lagere GPMI-percentages: in Brussel slechts 40%, in Wallonië
50%, tegenover ongeveer 60% in Vlaanderen.
Graag verneem ik van de minister:
1. Hoeveel leefloners hebben geen GPMI
omdat zij reeds vóór de wettelijke verplichting van 2016 op het leefloon zaten?
2. Hoeveel leefloners hebben geen GPMI
omwille van gezondheids- of billijkheidsredenen? Kan dit verder opgesplitst
worden tussen gezondheidsredenen enerzijds en billijkheidsredenen anderzijds?
3. Welke gezondheids- en
billijkheidsredenen komen in de praktijk het vaakst voor?
4. Indien iemand geen GPMI heeft omwille
van gezondheidsredenen, betekent dit dan dat deze persoon in de praktijk als
arbeidsongeschikt wordt beschouwd? Hoe kijkt de regering naar deze groep in het
licht van de 'fit notes' die worden overwogen binnen de ziekte-uitkeringen?
5. Indien iemand geen GPMI heeft omwille
van billijkheidsredenen, hoe interpreteert de minister dit begrip concreet?
Wordt analfabetisme bijvoorbeeld als een geldige billijkheidsreden beschouwd,
terwijl men ook kan werken zonder te kunnen lezen?
6. Hoe verklaart de minister de grote
verschillen tussen de gewesten wat betreft het percentage leefloners met een
GPMI?
7. Welke rol kent de minister toe aan het
GPMI binnen haar beleid tijdens deze regeerperiode?
8. Hoe zal de minister erop toezien dat
alle gemeenten, ongeacht het gewest, de federaal opgelegde regels, werking en
toezicht inzake het GPMI correct toepassen?
9. Bekijkt de minister de mogelijkheid om
de sanctiemogelijkheden in het kader van het GPMI uit te breiden of zelfs
verplicht te maken voor maatschappelijk werkers?
08.03 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mevrouw Samyn, mijnheer Raskin, ik heb de cijfers met betrekking tot de vrijstellingen voor het GPMI bij de aanvang van de vorige commissievergadering al verduidelijkt. U herinnert zich dat er een omwisseling was tussen Vlaanderen en Brussel.
In totaal gaat het om 8.050 GPMI-vrijstellingen. Het cijfer is nog altijd hetzelfde als het cijfer dat ik toen heb meegedeeld met betrekking tot de maand augustus 2025, omdat dat het laatste stabiele cijfer is waarover mijn diensten momenteel beschikken. Personen voor wie geen GPMI bestaat om gezondheids- of billijkheidsredenen vertegenwoordigen 4 % in Brussel, 28 % in Vlaanderen en 67 % in Wallonië.
De statistieken waarover mijn diensten beschikken, zijn inderdaad gebaseerd op de gegevens die de OCMW's aanleveren. Wanneer voor een OCMW geen cijfers beschikbaar zijn, is het niet duidelijk of dat komt doordat er geen dergelijke beslissingen werden genomen, dus geen GPMI werd opgemaakt om gezondheids- of billijkheidsredenen, dan wel omdat die informatie niet correct werd doorgegeven. Daar hebben wij geen zicht op. Het relatief lage cijfer voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest doet alvast het laatste vermoeden voor een aantal Brusselse OCMW's, met name dat de gegevens niet correct worden doorgegeven. Het cijfer voor Brussel is afwijkend. Hoewel Wallonië meer leefloonbegunstigden kent dan Vlaanderen en de kans bijgevolg groter is dat er meer beslissingen worden genomen om geen GPMI toe te kennen om gezondheids- of billijkheidsredenen, is het verschil tussen Wallonië en Vlaanderen wel groot. Ik kan u desgewenst schriftelijk een overzicht bezorgen voor de Vlaamse centrumsteden; enkel voor het OCMW van Roeselare zijn er geen gegevens gekend.
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de gezondheids- en billijkheidsredenen die bestaan binnen de voorwaarden van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en die welke worden gehanteerd in het kader van het GPMI. Wanneer het OCMW van oordeel is dat om gezondheids- of billijkheidsredenen geen GPMI kan worden afgesloten, moet het de redenen preciseren waarom het met de betrokkene geen GPMI heeft afgesloten. De motivering waarom de betrokkene niet aan het GPMI kan deelnemen, verschilt van de motivering inzake de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Het OCMW dat beslist dat een persoon om gezondheids- of billijkheidsredenen niet aan het GPMI kan deelnemen, moet dat motiveren in het sociaal verslag en ook in de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn.
De algemene rondzendbrief vermeldt een niet-exhaustieve lijst van voorbeelden. Deze lijst is niet-exhaustief omdat het OCMW zijn beslissing moet motiveren op basis van de persoonlijke situatie van elke persoon. In die zin moeten ook de voorbeelden worden begrepen. Het is niet de bedoeling situaties te categoriseren waarin geen GPMI zou moeten worden opgesteld, maar wel te vermijden dat OCMW’s deze afwijkingen zouden inroepen zonder een analyse van de persoonlijke situatie van de betrokkenen.
Het is belangrijk dat het OCMW erop toeziet dat de uitzondering om geen GPMI af te sluiten wordt gemotiveerd op basis van de effectieve situatie van de persoon en niet op basis van een algemene regel. De rondzendbrief van 27 maart 2024 met aanbevelingen inzake de toepassing van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie herinnert aan dit principe.
Zoals u weet, werk ik momenteel aan een hervorming van het GPMI. Het toepassingsgebied zal verplicht worden uitgebreid naar alle begunstigden van een leefloon of een equivalent leefloon. Dat betekent onder meer dat een verslaving geen billijkheids- of gezondheidsreden meer kan vormen om een GPMI af te sluiten. In dat licht zal ik ook de rondzendbrief herbekijken. Het kan daarbij nuttig zijn om duidelijker te omschrijven welke elementen geen billijkheidsreden of gezondheidsreden kunnen uitmaken.
Tegelijk blijft het essentieel dat het OCMW steeds een individuele analyse maakt van de persoonlijke situatie van de betrokkene. Sociaal onderzoek, evenals de motivering van de zes toekenningsvoorwaarden, zijn sleutelelementen bij de controle van de sociale dossiers, zowel bij de toekenning in een nieuw dossier als bij de periodieke herzieningen en de opvolging van de waarschuwingssignalen. De inspecteur zal nagaan of de zes voorwaarden in het sociaal verslag zijn gemotiveerd, of er een voorstel van de maatschappelijke werker is, of er een beslissing van het comité bestaat en of er een kennisgeving naar de begunstigde wordt verstuurd. De motivering van een billijkheids- of gezondheidsreden wordt eveneens getoetst aan de inhoud van het sociaal verslag. De inspecteur zal aandacht hebben voor de samenhang tussen de elementen die tijdens het sociaal onderzoek werden vastgesteld, het voorstel en vervolgens de beslissing van het comité. Indien de inspecteur incoherenties vaststelt, een gebrek aan opvolging of aan actualisering van de sociale dossiers met het oog op de evolutie van de persoonlijke situatie van de betrokkenen, zal hij dit aan het OCMW signaleren en eventueel een herziening van het dossier door het OCMW vragen.
In 2024 heeft de inspectie meer dan 3.500 dossiers inzake het recht op maatschappelijke integratie gecontroleerd. Wanneer in de dossiers herhaaldelijk een fout wordt vastgesteld, formuleert de inspecteur een algemene opmerking in het inspectieverslag.
Van de 210 OCMW’s waarvan dossiers inzake het recht op maatschappelijke integratie werden gecontroleerd, heeft de inspectie 75 keer opmerkingen geformuleerd over tekortkomingen in de motivering van de beslissingen en de kennisgevingen. Meer specifiek bevatten 8 verslagen een tekortkoming in de motivering of de kennisgeving van gezondheids- of billijkheidsredenen. De opmerkingen met betrekking tot het gebrek aan motivering van gezondheids- of billijkheidsredenen werden in 2024 voornamelijk geformuleerd ten aanzien van Vlaamse OCMW’s, in totaal 7 verslagen.
Het GPMI-proces is het proces waarvoor de inspectie het vaakst opmerkingen formuleert ten aanzien van de OCMW’s. Die opmerkingen hebben zowel betrekking op de opmaak van het sociaal verslag, de verbintenissen van het OCMW, de formulering van de doelstellingen als op de opvolging via periodieke evaluaties. Van de in totaal 210 controles van dossiers inzake het recht op maatschappelijke integratie in 2024 heeft de inspectie 106 keer opmerkingen geformuleerd over de sociale bilans, 43 keer opmerkingen over niet-geïndividualiseerde GPMI’s en 99 keer opmerkingen over tekortkomingen inzake de opvolging via periodieke evaluaties. In 3 verslagen werd het gebrek aan motivering op basis van billijkheid als opmerking opgenomen. Het is belangrijk op te merken dat eenzelfde verslag meerdere opmerkingen kan bevatten over het beheer van de GPMI’s binnen het OCMW.
De gemaakte opmerkingen hebben betrekking op alle OCMW’s op het grondgebied. De POD MI stelt dan ook geen significant verschil vast tussen de regio’s.
Tot slot hebben van de 16.527 trajecten die vóór de hervorming zijn gestart en volgens de meest recente beschikbare gegevens nog lopen, er 7.183 sindsdien helemaal geen GPMI gekregen. Onder hen zijn er 40 die onafgebroken geen GPMI hebben gehad wegens gezondheids- of billijkheidsredenen.
08.04 Wouter Raskin (N-VA): Mevrouw de minister, ik wil twee dingen halen uit uw heel uitgebreid antwoord.
Het GPMI is een uitermate belangrijk instrument als we mensen maatschappelijk willen integreren, als we mensen willen activeren; ook al is dat niet volledig hetzelfde. Het is een uitermate belangrijk instrument en daarom is het ook belangrijk dat de OCMW's daarmee correct omgaan. Als ik de cijfers verneem over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en als ik kijk naar wat ik geleerd heb uit de casus van het OCMW van Anderlecht, dan moeten we er helaas van uitgaan dat dit niet steeds het geval is. Daarom is het goed dat u, in uitvoering van het regeerakkoord, de OCMW's responsabiliseert en dwingt of aanzet om daaraan meer aandacht te geven – zonder te zeggen dat dit een algemeen probleem is, het is duidelijk waar vooral de problemen zitten.
Het is ook goed dat heel duidelijk is dat bijvoorbeeld een verslavingsproblematiek niet langer een grond kan zijn om geen GPMI op te stellen. We hebben namelijk veel te lang, veel te veel mensen compleet in de steek gelaten door te stellen, zonder het letterlijk te zeggen, dat er met hen niets meer aan te vangen was en geen energie meer in hen te steken. Dat is hetgeen dat u wilt omdraaien en het is goed dat u dat zo aanpakt.
08.05 Ellen Samyn (VB): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de cijfers tonen een duidelijk en onhoudbaar verschil tussen de gewesten aan. Brussel en Wallonië tellen verhoudingsgewijs veel maar dan ook echt veel meer leefloners dan Vlaanderen. In Wallonië bijna dubbel zoveel. In Brussel bijna evenveel, maar daar activeert men minder en sanctioneert men nauwelijks wanneer afspraken niet worden nagekomen. Het leefloon zou een tijdelijk vangnet moeten zijn en mag zeker geen eindstation worden. Net daarom bestaat het GPMI, een traject met rechten en plichten om mensen opnieuw richting werk en zelfstandigheid te begeleiden.
Ik heb er een kaartje van gemaakt – ik zal het u doorsturen, al kent u waarschijnlijk wel de gegevens. Hierop ziet u het aantal sancties en het aantal leefloners in Vlaanderen, Brussel en Wallonië. We hebben al vaak gedebatteerd over de cijfers. We zien dat in Vlaanderen de meeste sancties worden opgelegd en dat er in Brussel en Wallonië vrijwel geen sancties worden opgelegd. We hebben het daarover ook gehad tijdens het debat over sociale fraude. U vindt dat vreemd, iedereen zal dat vreemd vinden. Dergelijke zaken ondermijnen elke vorm van activeringsbeleid. Als men weet dat in bepaalde regio's niet wordt gesanctioneerd en men gemakkelijker een leefloon kan krijgen, zorgt dat voor een aanzuigeffect.
De federale overheid blijft mee betalen en is mee verantwoordelijk voor de rekening van alle OCMW's, die vooral door de Vlaamse belastingbetalers wordt betaald. Wij vinden dat een pervers mechanisme. Als men de solidariteit wil bewaren, moet men ook kunnen responsabiliseren. Voor ons moeten de regels gelijk zijn voor iedereen en moeten een consequente opvolging en financiering de gewesten prikkelen om effectief te activeren in plaats van afhankelijkheid te bestendigen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
09.01 Ellen Samyn (VB): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
De POD MI heeft dit jaar een nieuwe video
gepubliceerd op zijn officiële YouTube-kanaal, volledig in het Arabisch, waarin
stap voor stap wordt uitgelegd hoe men een leefloon kan aanvragen. In het
filmpje wordt de procedure gedetailleerd toegelicht, inclusief begeleiding door
een maatschappelijk werker en zelfs de overhandiging van een sleutel van een
woning.
Daarnaast blijkt dat dit geen
alleenstaand geval is: op hetzelfde kanaal staan ook video's in andere
niet-landstalen zoals Somali, Dari, Pachto, Tigrigna en Turks. Ook Engelstalige
filmpjes schetsen volgens critici een erg rooskleurig beeld van de
toegankelijkheid van onze sociale bijstand.
Deze praktijk roept vragen op met
betrekking tot:
– de conformiteit met de taalwetgeving,
– het beleid rond integratie en
taalinspanningen,
– het risico op een aanzuigeffect
richting onze sociale voorzieningen,
– en de juiste voorstelling van het
leefloon als laatste vangnet.
Graag verneem ik van de minister:
Bent u op de hoogte van de publicatie van
deze nieuwe anderstalige video's door de POD-MI? Werden deze voorafgaandelijk
aan u of uw kabinet voorgelegd ter goedkeuring?
Hoe verhouden deze video's zich volgens u
tot de taalwetgeving, die voorschrijft dat federale overheidsdiensten
communiceren in de officiële landstalen?
Werd hierover juridisch advies
ingewonnen? Wat is de reactie op de klacht bij de Vaste Commissie voor
Taaltoezicht?
Vindt u het wenselijk dat federale
diensten communicatie- en voorlichtingsmateriaal verspreiden in talen die geen
deel uitmaken van de officiële talen van dit land, zeker wanneer het gaat over
sociale rechten zoals het leefloon?
Ziet u een risico dat dergelijke video's
de drempel tot het aanvragen van een leefloon verlagen en zelfs een
aanzuigeffect kunnen creëren?
Worden er cijfers verzameld over het
kijkgedrag en de geografische herkomst van de kijkers? Bent u bereid die
gegevens publiek te maken?
Wordt er nagedacht om deze video's te
verwijderen?
Hoe past deze praktijk binnen uw beleidsambities om sociale integratie te koppelen aan voorwaarden, en om misbruik of overconsumptie van het leefloon tegen te gaan?
09.02 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mevrouw Samyn, de klacht die werd ingediend bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht is nu in behandeling en zal een uitvoerig antwoord krijgen, in overeenstemming met de geldende procedures.
De betrokken communicatie had tot doel essentiële informatie toegankelijk te maken voor kwetsbare en moeilijk bereikbare doelgroepen en diende als begeleidingsinstrument voor maatschappelijk werkers. We erkennen echter dat het niet wenselijk is om institutionele communicatie van een federale administratie in andere talen dan de wettelijk voorziene landstalen aan te bieden, tenzij het absoluut noodzakelijk is voor het algemeen belang. Ik wil er nog op wijzen dat het doel inmiddels ook op een andere manier kan worden bereikt, aangezien het gebruikte videoplatform automatische spraak- en ondertitelingsvertaling aanbiedt, waardoor het vooraf aanbieden van vertaalde versies niet noodzakelijk is.
Volgens de vaste adviespraktijk van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht kunnen afwijkingen van het exclusieve gebruik van de landstalen slechts worden aanvaard wanneer aan cumulatieve voorwaarden voldaan is. Zo moet onder meer vermeld worden dat het om een vertaling gaat, moet de communicatie een bijzonder doel en een niet-systematisch karakter hebben, moeten de teksten in de wettelijk opgelegde talen beschikbaar zijn en moet de communicatie gericht zijn op een voldoende specifieke doelgroep. Ik ben van oordeel dat deze voorwaarden in het voorliggende geval niet cumulatief vervuld zijn. Er werd dan ook beslist de video’s te verwijderen.
Wat betreft de cijfers waarnaar u vroeg, voor de anderstalige versie van 7 september 2022 wijzen de beschikbare statistieken op … Ik herinner me nu dat u ter zake ook een schriftelijke vraag hebt ingediend. Ik zal mijn antwoord nu dan ook niet volledig voorlezen. U hebt meer gedetailleerde schriftelijke vragen ingediend. Ik kan wel een toelichting geven bij de cijfers.
Het aantal weergaven vanuit België is een indicator die met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd moet worden. De lokalisatie van weergaven gebeurt op basis van IP-geolocatie en kan beïnvloed worden door verschillende technische factoren. Denk aan professionele netwerken, VPN-gebruik, verplaatsingen, weergaven tijdens een opleiding enzovoort. Bovendien laten de cijfers niet toe het profiel van de kijkers te bepalen, noch rechtstreeks verband te leggen tussen het bekijken van een video en een effectieve aanvraag van het leefloon. In beide gevallen tonen de gegevens geen massale of virale verspreiding, noch een dynamiek die zou kunnen wijzen op een aanzuigeffect.
Binnen mijn bevoegdheden zal ik ervoor zorgen dat sociale bijstand maximaal wordt gekoppeld aan activering en integratie. Zo zal ik in samenwerking met de deelstaten inzetten op een versterkt integratietraject voor erkende vluchtelingen, subsidiair beschermden en tijdelijk ontheemden door de hoogte van het leefloon te koppelen aan de integratie-inspanningen. Ik heb er daarnet nog naar verwezen. Het gaat dan om een inburgerings- en taalcursus, het actief zoeken naar werk en het volgen van een opleiding.
09.03 Ellen Samyn (VB): Mevrouw de minister, het zal u niet verbazen dat ik van mijn stoel viel toen ik op het YouTubekanaal van de POD MI botste. Ik veronderstel dat het allicht ook uw administratie niet onmiddellijk was opgevallen. Ik ben in ieder geval blij dat het ter harte is genomen.
Ik heb ook ontdekt dat de video's van de site zijn gehaald. Ik heb gisteren ook uw antwoord op mijn schriftelijke vraag gekregen. Het was nuttig om even naar de cijfers te kijken. We zien dat een heel groot aantal van de viewers van de anderstalige video’s uit het buitenland komt. De Belgische viewers zijn verwaarloosbaar. Onze vrees bestond erin dat dit ergens een aanzuigeffect kon veroorzaken, wanneer op een dienbladje video’s worden aangeboden waarin wordt uitgelegd hoe steun in België kan worden aangevraagd. Ik ben dus in ieder geval blij dat de video's intussen van de site zijn gehaald.
Het is goed te vernemen dat onze klachten bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht momenteel worden geanalyseerd. Ik verwacht de garantie dat zoiets niet meer kan voorvallen. Dat lijkt me niet wenselijk in het kader van maatschappelijke integratie. We moeten zorgen voor onze eigen mensen.
Nogmaals, maatschappelijke integratie en het leefloon zijn bedoeld voor mensen die het echt nodig hebben. De publicatie van dergelijke video's mag geen aanzuigeffect veroorzaken.
Ik dank u in ieder geval voor uw oprechte antwoord.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
10.01 Ellen Samyn (VB): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Mevrouw de Minister,
In Duitsland betalen 14 van de 16
deelstaten sinds de zomer van 2024 het Duitse equivalent van het leefloon –
'Burgergeld' – niet uit in de vorm van een vrij besteedbaar bedrag, maar in de
vorm van een speciale betaalkaart. Deze regeling geldt specifiek voor erkende
vluchtelingen en asielzoekers en zorgt ervoor dat ze het geld niet kunnen
overmaken naar internationale rekeningen of buitenlandse webwinkels. Op deze
manier zorgen ze ervoor dat het belastinggeld gaat naar het effectief
vervullend van de levensbehoeften van de gerechtigde en zijn of haar kinderen,
en is er dus een vorm van controle op de uitgaven van het belastinggeld.
Graag verneem ik van de minister:
Is de minister bereid te onderzoeken of
voor erkende vluchtelingen en asielzoekers sociale uitkeringen kunnen worden
toegekend via een betaalkaart met bestedingsbeperkingen, naar Duits voorbeeld,
zodat het geld alleen kan worden gebruikt voor noodzakelijke uitgaven binnen
België en overboekingen en geldoverdrachten naar het buitenland onmogelijk
worden gemaakt, zodat sociale middelen in België blijven en hier besteed
worden??
Wat vindt u van het idee dat met
dergelijke kaarten geen alcohol, drugs, gokproducten of andere niet-essentiële
producten kunnen worden aangekocht, zodat de steun effectief wordt ingezet voor
levensonderhoud en het welzijn van kinderen?
Welke juridische, praktische of
administratieve obstakels ziet de minister vandaag voor de invoering van een
dergelijk systeem, en welke eventuele wetswijzigingen zouden daarvoor nodig
zijn?
Zal u dit idee overleggen met uw federale
collega's en/of betrokken instanties, met het oog op een meer gecontroleerd,
rechtvaardig en maatschappelijk aanvaardbaar bijstandsbeleid?…
10.02 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mevrouw Samyn, in België is het zo dat asielzoekers en erkende vluchtelingen die materiële hulp genieten op grond van de opvangwet in principe geen sociale bijstand buiten het wekelijkse zakgeld krijgen, dat 12 euro per week bedraagt. Ze ontvangen enkel bed, bad en brood alsook begeleiding binnen het opvangcentrum waaraan ze werden toegewezen. Het is echter wel mogelijk dat ze voldoen aan de voorwaarden voor vrijwillig vertrek, waarbij ze wel maaltijdscheques, die specifiek bedoeld zijn om voeding te kopen, kunnen genieten. Momenteel verloopt dat nog via gewone betaalkaarten weliswaar met enkele beperkingen, zoals geen stortingen naar het buitenland.
De regering werkt aan een volledige omschakeling naar echte maaltijdscheques die enkel gebruikt kunnen worden voor de aankoop van voeding. De Dienst Vreemdelingenzaken en Fedasil hebben hiervoor gezamenlijk een aanbesteding uitgeschreven. Deze bevindt zich momenteel in de gunningsfase en zal spoedig worden gegund en uitgerold.
Dat betekent dat personen in het opvangnetwerk die bed, bad en brood krijgen en die het opvangnetwerk vrijwillig verlaten omdat ze zelf een verblijfsoplossing hebben, een financiële toelage ontvangen van 280 euro per maand per volwassene en 120 euro per maand per kind. Deze toelage wordt tweewekelijks toegekend via een prepaid betaalkaart. Erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden die na een verblijf bij Fedasil in de transitieperiode naar de huizenmarkt zitten – vier maanden – en die ervoor kiezen het opvangnetwerk vrijwillig te verlaten, ontvangen 420 euro per maand per volwassene en 180 euro per kind. Beide maatregelen zijn bedoeld om asielzoekers en personen met een statuut een incentive te geven om op eigen benen te staan en zelf in hun opvang te voorzien.
In het huidige systeem, dat dus binnenkort zal worden hervormd, kunnen de middelen niet worden overgeschreven naar buitenlandse rekeningen, zoals ik daarnet zei, en zijn ze enkel binnen België besteedbaar. Binnenkort zal dat echter allemaal gedaan zijn en zullen het echte maaltijdscheques worden.
10.03 Ellen Samyn (VB): Uw antwoord stemt mij tevreden; waarvoor dank.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
11.01 Ellen Samyn (VB): Ik verwijs opnieuw naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Mevrouw de Minister,
Eerder kondigde u aan dat u een wetsontwerp
voorbereidt dat bepaalt dat toekomstige nieuwkomers die naar België komen,
gedurende vijf jaar geen aanspraak zullen kunnen maken op sociale bijstand.
Ook in de begroting houdt u reeds
rekening met de impact van deze maatregel. U voorziet een besparing van 6,6
miljoen euro in 2026, 26,6 miljoen euro in 2027, 39,9 miljoen euro in 2028 en
53,2 miljoen euro in 2029.
Wij zijn dan ook benieuwd naar de
concrete uitwerking van dit wetsontwerp en wensen hierover meer duidelijkheid
te krijgen.
Graag verneem ik van de minister:
Wat valt precies onder de term
'nieuwkomers'? Zal dit worden bepaald op basis van nationaliteit,
verblijfsstatus of andere criteria?
Zijn er uitzonderingen voorzien voor
bepaalde groepen die sneller toegang kunnen krijgen tot een leefloon?
Zal ook het equivalent leefloon worden
afgeschermd voor nieuwkomers, of beperkt de maatregel zich tot het leefloon?
Welke andere criteria zullen gelden naast
de verblijfsduur van vijf jaar, zoals taalverwerving, arbeidsbereidheid of
andere voorwaarden?
Hoe zal u omgaan met bestaande
nieuwkomers die momenteel een leefloon ontvangen, maar nog geen vijf jaar in
België verblijven? Zullen ook zij met een verstrenging worden geconfronteerd?
Welke maatregelen zal u nemen om het aanzuigeffect
van het sociale zekerheidsstelsel te verminderen?
Hoe zijn de voornoemde besparingsbedragen
tot stand gekomen? Van hoeveel minder leefloonaanvragers gaat u uit, en op
welke aannames zijn deze ramingen gebaseerd?
Gaat het hier om reële besparingen, of
eerder om een afremming van de stijging van de uitgaven?
Welke medische of billijkheidsredenen
kunnen aanleiding geven tot een uitzondering op deze wachttijd? Vallen
analfabetisme, verstandelijke beperkingen of andere kwetsbaarheden hieronder?
Hoe zal misbruik worden voorkomen en aangepakt?
Hoe zal u het fraudetoerisme aanpakken,
waarbij vreemdelingen migreren met als doel sociale uitkeringen aan te vragen
zonder intentie tot arbeid, en waarbij Belgische sociale middelen naar hun land
van herkomst worden overgeschreven?
11.02 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mevrouw Samyn, het voorontwerp inzake de wachttermijn van vijf jaar, waarnaar u verwijst, doorloopt momenteel het wetgevend traject. Het ligt momenteel voor advies voor bij de Raad van State en de OCMW-federaties. Het wijzigt zowel het recht op maatschappelijke dienstverlening als het recht op maatschappelijke integratie.
Het voorontwerp beperkt het recht op maatschappelijke dienstverlening tot dringende medische hulp voor vreemdelingen die zich in een lopende procedure bevinden voor de erkenning van een verblijfsrecht of voor de aanvraag van een verblijfsvergunning. Het beperkt het recht op maatschappelijke dienstverlening tot dringende medische hulp, tot hulp in verband met de inschrijving op een referentieadres voor daklozen evenals tot socioprofessionele hulp voor vreemdelingen die minder dan vijf jaar legaal en ononderbroken in België verblijven. Het sluit personen die zich in toeristisch verblijf op ons grondgebied bevinden volledig uit van het recht op maatschappelijke dienstverlening in al haar vormen. Het sluit verzoekers om internationale bescherming uit van het recht op maatschappelijke dienstverlening, aangezien zij onder het opvangstelsel van Fedasil vallen.
Inzake het recht op maatschappelijke integratie sluit het voorontwerp de werkzoekende Unieburger evenals zijn familieleden uit van het recht op maatschappelijke integratie. Het sluit eveneens de Unieburger uit die student is of over voldoende bestaansmiddelen beschikt, evenals zijn of haar familieleden, gedurende de eerste vijf jaar van hun legaal en ononderbroken verblijf.
Voor bepaalde categorieën van vreemdelingen zijn uitzonderingen op die beperkingen uitgewerkt, omdat België internationale verbintenissen is aangegaan of omdat het om kwetsbare personen gaat. Het gaat bijvoorbeeld om slachtoffers van mensenhandel of niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.
Er zijn overgangsbepalingen opgenomen voor personen die maatschappelijke dienstverlening of het recht op maatschappelijke integratie genieten en die beschikken over een verblijfsdocument, een verblijfsrecht of een verblijfsvergunning van beperkte of onbeperkte duur.
Parallel aan het voorontwerp van wet voorziet een ander voorontwerp van wet voor erkend vluchtelingen dat het geïndividualiseerde project voor maatschappelijke integratie minimaal het volgen van een inburgeringstraject moet omvatten wanneer dat door de deelentiteiten wordt georganiseerd, met een specifieke sanctie die door het OCMW moet worden toegepast bij niet-naleving van de verplichtingen verbonden aan het inburgeringstraject op basis van de informatie die door de deelentiteiten wordt overgemaakt.
De budgetramingen zijn gebaseerd op het gemiddeld aantal nieuwe begunstigden per jaar en op de gemiddelde kosten van een leefloon of een equivalent leefloon. Gemiddeld gaat het om 994 personen per maand minder in de steun, wat dus een reële besparing betekent.
Tot slot voorziet het regeerakkoord erin dat begunstigden van tijdelijke en subsidiaire bescherming hun verminderde maatschappelijke dienstverlening kunnen aanvullen met bonussen in functie van hun integratie-inspanningen, zoals het volgen van een inburgerings- en taalcursus, het actief zoeken naar werk en het volgen van een opleiding. Ook dat project is al lopende.
11.03 Ellen Samyn (VB): Mevrouw de minister, ik ben heel benieuwd naar het uiteindelijke wetsontwerp. Dat slaat natuurlijk ook op de hele sociale zekerheid, dus niet alleen op uw deelaspect. Ik heb ook minister Jambon naar aanleiding van zijn beleidsnota reeds gevraagd hoe het precies zat en of hij daarover al met zijn collega had gesproken. Ook bij de pensioenen komt die periode van vijf jaar immers aan bod.
U had het over medische uitzonderingen en de internationale verbintenissen van België. Hangt dat samen of zijn dat aparte aspecten?
11.04 Minister Anneleen Van Bossuyt: Er zijn enerzijds de internationale verbintenissen en anderzijds de kwetsbare profielen die wij daarvan uitsluiten, zoals mensen die slachtoffer zijn van mensenhandel.
11.05 Ellen Samyn (VB): Dank u wel.
Wat de erkende vluchtelingen betreft, steun ik uiteraard het GPMI, maar ik heb toch opnieuw enige vrees. Het wordt immers overgeheveld naar de regio’s. U hebt daar vertrouwen in. Ik hoop dat Brussel en Wallonië het op dat vlak even kordaat zullen aanpakken als Vlaanderen. Anders blijft het dweilen met de kraan open.
Le président:
Madame la ministre, voulez-vous réintervenir? (Non)
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
12.01 Kjell Vander Elst (Anders.): Mevrouw de minister, mijn vraag zal iets specifieker zijn dan die van de volgende sprekers; ze gaat over de statistieken van de leeftoongerechtigden per gemeente.
De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd is een goede zaak, dat weet u. Onze partij heeft die gesteund. De verwachting is dat een derde van de mensen die geen recht meer zullen hebben op een werkloosheidsuitkering naar het leefloon zullen stromen. Dat betekent bijkomende lasten voor de OCMW's en de lokale besturen.
We verwachten ook veel van de OCMW’s en de lokale besturen, bijvoorbeeld een sterk activerend beleid. Daarvoor moeten ze echter over juiste en actuele cijfers beschikken. Er bestaat een website van de POD Maatschappelijke Integratie, de Barometer voor Maatschappelijke Integratie, waar tot voor kort heel kort op de bal werd gespeeld. De cijfers hadden meestal maar één of twee maanden vertraging. Ze konden per gemeente aantonen waar er leefloongerchtigden waren en hoeveel, in welk percentage. Zo konden de steden en gemeenten heel nauw opvolgen hoeveel leeftoongerechtigden op hun grondgebied aanwezig waren.
In mijn ingediende vraag schreef ik dat die cijfers sinds juli 2025 niet meer zijn geüpdatet. Dat is niet waar. Ze zijn geüpdatet in september 2025, maar dat is nog altijd een achterstand van vijf of zes maanden. Ik laat me vertellen dat die periode vroeger veel korter was.
Op een moment waarop we bijzonder veel verwachten van lokale besturen en van de OCMW’s, op het moment waarop ze aan het aanwerven zijn en ze hun activeringsbeleid vorm moeten geven, is het onze plicht als federale overheid om die cijfers te updaten, om ervoor te zorgen dat de OCMW’s over de meest actuele cijfers kunnen beschikken om beleid op maat te kunnen voeren, zodat ze mensen die dreigen terecht te komen in het leefloon zo snel mogelijk kunnen vatten en een activerend beleid kunnen voeren.
Vandaar mijn vragen.
Waarom zijn deze cijfers niet meer geüpdatet sinds september 2025? Wanneer mogen de lokale besturen opnieuw beschikken over actuele cijfers? Waar situeert zich het probleem? Welke concrete stappen zult u zetten om de rapportering opnieuw tijdig en structureel op orde te brengen?
12.02 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, depuis début février, quelque 19 000 personnes, composant la première vague d'exclusions, ont cessé de percevoir une allocation de chômage ou d'insertion.
D'après les tendances indicatives des fédérations des CPAS wallons et bruxellois, le flux d'exclusions de chômage serait bien plus important que l'estimation du fédéral, qui tablait sur le fait qu’un tiers des exclus solliciterait une aide sociale ou un revenu d'intégration, d'autant que le monitoring du service public fédéral de programmation (SPP) Intégration sociale n'est pas encore actif. Les deux fédérations tablent aujourd'hui sur une moyenne entre 40 et 50, voire 60 % des personnes exclues qui se présentent devant un CPAS, avec une charge de travail démultipliée pour les CPAS. Au-delà de la charge de travail qui va enfler, la question tout aussi essentielle du financement se pose.
Les estimations du gouvernement fédéral étaient fondées sur le fait qu'un tiers des exclus solliciterait l'aide sociale, qu’un autre tiers trouverait du travail et que le dernier tiers disparaîtrait des radars. J'ai déjà eu l'occasion d'expliquer pendant l'élaboration de la réforme à quel point je ne croyais pas à cette histoire de trois tiers.
Le gouvernement a prévu une compensation progressive: 100 % du RIS la première année, puis 90, 80, 75 %; et en termes de soutien pour les frais de personnel, sur base de la norme Belfius, un travailleur social pour 80 dossiers, un poste administratif pour 3 assistants sociaux et 100 dossiers.
Sur cette base et tenant compte de ces facteurs, la fédération des CPAS wallons a établi un coût de 995 millions pour toute la législature à charge des CPAS belges. Quant à la fédération des CPAS bruxellois, elle parle de 164 millions sur la base de cette estimation des trois tiers.
Madame la ministre, à quelle date aurons-nous le monitoring du SPP Intégration sociale de manière opérationnelle? Quelles sont les estimations actuelles faites par les services au 1er février 2026? Le gouvernement, au vu de ces estimations des fédérations des CPAS, entend-il ajuster tant les compensations RIS que les montants prévus pour engager du personnel supplémentaire dans les CPAS?
12.03 Caroline Désir (PS): Madame la ministre, voici maintenant plusieurs semaines que nous alertons votre gouvernement sur les conséquences sociales de la réforme du chômage. Les CPAS ne cessent de réitérer leurs préoccupations face à cette situation et, aujourd'hui, les effets sont déjà bien réels sur le terrain.
En Wallonie et à Bruxelles, les chiffres communiqués par les fédérations des CPAS sont alarmants: entre 40 et 50 % des personnes exclues du chômage se tournent vers les CPAS, soit bien davantage que le tiers qui avait été annoncé par votre gouvernement. Et la situation ne va faire que s'aggraver encore en mars et en avril, jusqu'à cinq fois plus de demandes étant ainsi attendues dans les CPAS bruxellois par rapport au mois de janvier.
Votre gouvernement a prévu des compensations en se basant sur l'hypothèse qu'un tiers des personnes exclues frapperait à la porte d'un CPAS. Ces compensations seront donc largement insuffisantes pour couvrir les coûts auxquels devront faire face les CPAS. La fédération des CPAS wallons parle de plus d'un milliard d'euros à charge des CPAS sur l'ensemble de la législature. Cette situation aura évidemment des conséquences dramatiques. Toutes les communes ne pourront pas assumer une telle charge supplémentaire et les CPAS verront leur mission d'accompagnement et de réinsertion professionnelle sérieusement affaiblie.
Selon les estimations, 1 500 recrutements seraient nécessaires pour absorber l'afflux de nouveaux dossiers, alors que la compensation fédérale ne couvre que 600 à 800 équivalents temps plein. Plusieurs communes ont d'ailleurs décidé d'introduire un recours contre la réforme du chômage auprès de la Cour constitutionnelle.
Madame la ministre, actuellement, les données nous proviennent directement du terrain, vu l'absence de monitoring disponible par vos services. Quand un monitoring sera-t-il opérationnel afin d'assurer un suivi rigoureux des effets des réformes sur les CPAS en termes de dossiers introduits, mais également en termes de RIS octroyés? Les concertations avec les fédérations des CPAS se poursuivent-elles dans ce cadre? Quelles mesures concrètes prendrez-vous pour éviter que la pression ne s'accentue encore sur les CPAS? Enfin, au vu des éléments soulevés par le terrain, les budgets disponibles et les financements prévus dans le cadre des compensations seront-ils revus à la hausse?
12.04 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Madame la ministre, mes collègues ont déjà dressé le tableau.
Depuis le 1er janvier,
25 000 personnes ont déjà été exclues du chômage – 6 000 Flamands –
et se présentent dans les différents CPAS de notre pays.
Selon les
dires du gouvernement, un tiers des exclus se présenterait au CPAS, un tiers trouverait
un emploi et un tiers disparaîtrait des radars. Cependant, les premières
constatations font état d'un nombre de demandes plus important que prévu; on parle
de 40, 50, voire 60 %. Si je prends l'exemple de la ville où j'habite,
Charleroi, ce sont plutôt 60 % des
personnes de la première vague qui font une demande, sachant que dans la
première vague, il y avait aussi beaucoup de personnes qui bénéficiaient des allocations
d'insertion.
Les CPAS ont
très peur des vagues suivantes qui concerneront peut-être encore davantage de personnes.
En effet, toutes ces personnes exclues ne trouveront pas un emploi du jour au
lendemain, certainement pas celles qui sont depuis longtemps au chômage, tout simplement parce qu'il n'y a pas assez
d'emplois. La polémique, avec le
ministre Clarinval, sur les chiffres du chômage a démontré qu'il y a actuellement
160 000 offres d'emploi vacants pour plus de 300 000 demandeurs
d'emploi.
Madame la
ministre, ma première question vise à savoir comment vous suivez les chiffres
des demandes dans les différents CPAS. Un monitoring est-il en place? J'apprends
de ma collègue, Mme Caroline Désir, que ce ne serait pas encore le cas.
Ma deuxième
question est la suivante. Si un nombre plus important que prévu de personnes se
présentent dans les CPAS, cela veut dire que l'enveloppe de plus de 300 millions
d'euros est à revoir. Sera-t-elle donc revue à la hausse?
Troisièmement, la compensation (la prise en charge du RIS) prévue pour les CPAS est de 100 % en 2026, mais seulement pour les exclus jusqu'au 30 juin. Pour les années suivantes, elle sera dégressive. À partir du mois de juillet, la hausse ne sera que de 15 % de remboursement pour la prise en charge des frais liés au RIS.
Par conséquent, les fédérations de CPAS alertent sur un coût supplémentaire possible d’un milliard par an, sans même évoquer encore les difficultés de recrutement des assistants sociaux. En effet, il ne s’agit pas seulement d’octroyer éventuellement un RIS, mais aussi de mener tout un travail d’accompagnement auprès de ces personnes, ce qui suppose de recruter énormément de personnel. Je souhaiterais donc également savoir si vous prévoyez un soutien supplémentaire afin d’engager du personnel additionnel.
12.05 Minister Anneleen Van Bossuyt: Mijnheer de voorzitter, geachte leden, ik heb over dit onderwerp al uitgebreid geantwoord in het kader van de vraag van mevrouw Pirson, die vorige week een vraag in dezelfde zin stelde tijdens de plenaire vergadering.
De cijfers die worden gepubliceerd op de website Barometer voor Maatschappelijke Integratie bevatten alleen de stabiele geconsolideerde gegevens. Die website wordt in principe elke maand tegen het einde van de maand geüpdatet met toevoeging van een extra maand aan gegevens. Alleen in de maand december heeft er geen update plaatsgevonden, omdat er op dat moment een technische migratie naar een nieuw contentmanagementsysteem heeft plaatsgevonden. De aanpassing is ondertussen gebeurd, waardoor nu de cijfers tot en met september 2025 beschikbaar zijn.
Dan rijst de vraag waarom daar zo’n decalage is. Mijn diensten beschikken pas over cijfergegevens nadat de OCMW's effectief zijn terugbetaald door de POD Maatschappelijke Integratie. Er zijn dus geen livegegevens beschikbaar van elke aanvraag. Een aanvraag wil ook niet zeggen dat er effectief een leefloon wordt toegekend. Pas bij de effectieve terugbetaling krijgen we een volledig beeld.
We moeten ook rekening houden met de termijn die de OCMW's hebben om hun aanvraag tot terugbetaling in te dienen. Eerst is er de periode van 30 maanden voor het sociaal onderzoek. Dan volgt de beslissing of een leefloon wordt toegekend. Pas daarna wordt alles in het systeem ingegeven om de aanvraag tot terugbetaling te verkrijgen. Dat wil zeggen dat de eerste cijfers eind februari bekend zullen zijn.
Om de coördinatie te verzekeren werd een taskforce opgericht, waarin alle betrokken partners, dus ook op regionaal niveau, vertegenwoordigd zijn. Binnen deze taskforce vinden regelmatig overlegmomenten plaats. De volledige impact van de hervorming van de werkloosheidsuitkering op onze OCMW's kan bovendien pas correct worden beoordeeld nadat de zogenaamde golven volledig zijn doorlopen. Het gaat dan over 1 januari, 1 maart en 1 april. Pas nadat al die golven doorlopen zijn, kunnen we echt de impact zien van de nieuwe wetgeving.
Het valt te verwachten dat de mensen die al het langst werkloos zijn en nu hun werkloosheidsuitkering verliezen, verder verwijderd zijn van de arbeidsmarkt en dus ook meer aankloppen bij het OCMW.
Ik begrijp volledig dat er een grote vraag is naar zo actueel mogelijke cijfers om de impact van de hervorming van de werkloosheidsreglementering te kunnen inschatten. De POD Maatschappelijke Integratie zal daarom uitzonderlijk ook op zijn website, onder de rubriek 'Hervorming van de werkloosheid', voorlopige cijfers publiceren om deze impact te monitoren. Het gaat echter om voorlopige cijfers, geen geconsolideerde cijfers. De eerste voorlopige gegevens zullen eind februari beschikbaar zijn.
Les mesures de compensation élaborées par le gouvernement sont liées à un dossier individuel. En outre, il s'agit ici d'une subvention légale. Par conséquent, si le nombre de bénéficiaires du revenu d'intégration s'avère supérieur aux estimations, l'intervention dans le revenu d'intégration sera également plus élevée et davantage de moyens sous la forme de frais de personnel, et d'interventions spécifiques en cas de conclusion d'un projet individualisé d'intégration sociale (PIIS) seront octroyés aux CPAS. Au besoin, les moyens budgétaires devront donc effectivement être augmentés. Je le répète pour la énième fois – également en français – le financement à destination des CPAS dans le cadre de la loi 1110 qui a été adoptée est un financement à enveloppe ouverte. J'espère ne pas devoir vous expliquer ce que cela signifie.
12.06 Kjell Vander Elst (Anders.): Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister.
Als ik het goed heb begrepen, komt er dus een pagina met voorlopige – geen geconsolideerde – cijfers op de webpagina van de POD Maatschappelijke Integratie. Die informatie zal eind februari voor het eerst beschikbaar zijn. Dat is een goede zaak om kort op de bal te kunnen spelen en de impact van de hervorming goed te kunnen monitoren.
U hebt uitgelegd dat er heel wat stappen doorlopen moeten worden voordat effectief kan worden vastgesteld wie het leefloon zal ontvangen, maar ik ontvang signalen van enkele steden dat de cijfers vroeger sneller op de barometer op de website verschenen dan vandaag het geval is. Misschien is het nuttig dat te bekijken om te zien of er vertraging is opgetreden. Ik begrijp dat het niet volledig vergelijkbaar is, maar de cijfers van het CGVS kennen meestal slechts één à twee maanden vertraging. Die cijfers gelden natuurlijk niet per gemeente en zijn minder gedetailleerd en dus makkelijker uit het systeem te halen, maar ik vraag u toch om te bekijken of er om een of andere reden meer vertraging is dan in vorige periodes.
12.07 Caroline Désir (PS): Madame la ministre, merci pour vos réponses.
J’entends que les chiffres arriveront de manière consolidée fin février. Mais en attendant, nous avons déjà des chiffres, ni officiels ni consolidés, qui viennent des fédérations de CPAS.
Sauf erreur de ma part, vous n’avez pas répondu à ma question. Vous concertez-vous encore avec les fédérations de CPAS? Elles ont des remontées du terrain selon lesquelles c’est assez difficile. Objectivement, il y a plus de dossiers que ce qui était attendu.
Nous avons attendu longtemps les moyens du fédéral pour pouvoir procéder aux engagements. Je suis, comme nombre de mes collègues, une municipaliste. Je vois dans ma commune que nous avons dû engager 15 assistants sociaux sans avoir reçu de moyens du fédéral, donc sur fonds propres pour le moment.
Nous avons dû les engager dans un contexte de concurrence très importante, parce qu'il y a peu d'assistants sociaux sur le marché à Bruxelles, et nous avons dû les mettre tout de suite au travail pour réceptionner un afflux de dossiers d’une ampleur imprévue.
Nous avons donc les plus grandes craintes pour la suite. En effet, vous le savez bien, en mars et avril est attendue la plus grosse des vagues, et donc le plus gros nombre de dossiers.
J'entends, et c'est plutôt rassurant, qu'il s'agit d'une enveloppe ouverte et que les budgets seront adaptés en conséquence. Très bien, mais il faudrait vraiment pouvoir anticiper un peu ce qui va se passer, parce que sur le terrain, notre risque comme élus locaux, etc... et aussi en tant qu’employeurs de ce personnel des CPAS, nous avons aussi une responsabilité envers eux, pour qu'ils puissent exercer leur travail dans des conditions normales, pour qu'ils puissent accompagner ces exclus du chômage dans des conditions normales, et les réorienter le mieux possible pour la suite de leur parcours.
Le risque est évidemment que le système implose, que certains assistants sociaux partent en burn-out parce que la charge de travail n'est pas correctement régulée.
Nous sommes donc inquiets. Je ne vous le cache pas. Nous allons continuer à suivre ce dossier de la manière la plus proche possible. Mais le fait que nous n’aurons les premiers chiffres que fin février et que les deux plus grosses vagues sont attendues ensuite ne nous rassure pas complètement.
Je pense que cette réforme a un peu manqué d'anticipation. Il faut maintenant essayer de corriger le tir le plus vite possible. Je vous remercie.
12.08 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Madame la ministre, effectivement, toutes les personnes qui s'adressent au CPAS n'ont pas droit au CPAS. Il m'a, par exemple, été rapporté le cas de personnes ayant épargné et mis un peu d'argent de côté pour leurs vieux jours auxquelles, aujourd'hui, le CPAS a dit, conformément à la législation, d'aller puiser dans cette réserve. Or leur pension sera aussi très minime. C'est vraiment un appauvrissement sec pour de nombreuses personnes, là où il n'y a en fait pas d'emploi. Le problème, c'est qu'il n'y a pas d'emploi pour tout le monde.
Vous dites que c'est une enveloppe ouverte – on a bien compris le système – mais votre enveloppe est insuffisante. De fait, c'est 100 % par dossier en 2026 pour les exclus des six premiers mois. Mais, si, en 2027, ces personnes sont encore au CPAS, ce qui peut être le cas, le financement diminue alors à 90 % et ce sont les pouvoirs locaux qui devront financer les 10 % restants. Si l'exclusion intervient après juillet 2026, le financement prévu est encore plus bas. À ce moment-là, pour une petite commune, le fédéral ne prendra en charge que 70 % et la commune devra intervenir pour 30 %.
Les récents chiffres et calculs de l'ONEM pour la Wallonie indiquent qu'en juillet, la vague sera plus importante que prévu. C'est donc une perte sèche et il sera finalement demandé aux habitants des communes de payer plus de taxes pour la financer, ce que je trouve très injuste.
Madame la ministre, vous avez évoqué cette enveloppe ouverte pour un montant, je crois, de 320 millions d'euros. Envisagez-vous déjà de revoir ce montant à la hausse? Par ailleurs, vous n'avez rien dit sur les problèmes de personnel au sein des CPAS. Il en a été beaucoup question ici lors des problèmes au CPAS d'Anderlecht, mais les conditions de travail que vous imposez aujourd'hui aux différents CPAS sont purement scandaleuses. On me signale en outre un réel problème de trésorerie et de financement du fait que le fédéral ne paie pas toujours en temps et en heure.
En réalité, ils doivent préfinancer l’octroi des aides sociales dans des communes où les problèmes de trésorerie sont déjà importants. C’est pourquoi, madame la ministre, je tiens à vous demander de mettre de l’ordre dans cette situation. Payer les CPAS en temps et en heure est le minimum. Aidez-les également à répondre à leurs besoins actuels en personnel.
Le président: Madame la ministre, vous voulez réagir.
12.09 Anneleen Van Bossuyt, ministre: Je vous remercie, monsieur le président.
J'ai fait référence à cette task force, mais sans expliquer ici sa composition. Je l’avais déjà précisé auparavant, mais pas aujourd’hui. En l'occurrence, nous retrouvons au sein de celle-ci les représentants de toutes les fédérations de CPAS, ainsi que d’autres organismes comme le VDAB, l’ONEM ou Actiris. Plusieurs partenaires y participent donc et suivent de près l’évolution. Les fédérations de CPAS y sont bien présentes et représentées.
Mevrouw Merckx, met het oog op de aanwerving van extra personeel voor de OCMW’s voorzien we een verdubbeling van de dossierkosten, van 518 euro naar 1.036 euro. Het OCMW van Antwerpen heeft snel en zonder problemen 35 extra personeelsleden kunnen aanwerven. In Gent gebeurde hetzelfde.
Ik ben me zeer goed bewust van de erg hoge werkdruk voor maatschappelijk werkers. Daarom hebben we ook verschillende initiatieven genomen, zoals die inzake de diplomavoorwaarden. Vorig jaar heb ik gezegd dat het de regio’s toekomt om te bepalen over welke diploma’s iemand moet beschikken om als maatschappelijk werker aan de slag te kunnen gaan. Vlaanderen gebruikt een hele lijst, want niet enkel met een diploma maatschappelijk werk, maar ook met talrijke ander diploma's kan men in aanmerking komen voor de uitvoering van het kwalitatieve werk.
Daarnaast zijn één op de vijf dossiers die maatschappelijk werkers vandaag behandelen, dossiers die niet bij het OCMW zouden moeten belanden. Het gaat om de zogenaamde voorschottenproblematiek. Dat komt omdat onder andere de vakbonden, waarmee u toch goede relaties zou moeten hebben, te laat de werkloosheidsuitkeringen uitbetalen of omdat de ziekte-uitkering te laat gebeurt, waardoor mensen ondertussen naar het OCMW gaan. Daarom hebben we met minister Clarinval en minister Vandenbroucke een werkgroep rond administratieve vereenvoudiging opgericht, waarbij de eerste werf die voorschottenproblematiek is. Ik hoop oprecht dat we daarin zo snel mogelijk tot oplossingen kunnen komen en dat iedereen zijn deel doet, bijvoorbeeld al om die één op vijf dossiers, dus 20 % onnodige dossiers, te vermijden, zodat we het werk van de OCMW-medewerkers kunnen verlichten, want die dossiers zijn niet hun verantwoordelijkheid.
12.10 Caroline Désir (PS): Très rapidement. Merci pour votre complément d’information sur vos contacts avec les fédérations de CPAS.
Je dois dire que, pour faire un témoignage de terrain, les CPAS font vraiment de leur mieux. Vous le savez, c’est une réforme que nous n’avons pas soutenue sur le fond, mais encore moins sur la forme, parce que nous avons eu trop peu de temps de préparation. Quand on doit engager en dernière minute des assistants sociaux, qu’on doit les jeter dans l’accueil de personnes qui sont dans des situations très précarisées, parfois très vulnérables, voire parfois agressives parce qu’elles sont plongées dans la précarité, ce sont des situations humainement très lourdes, très difficiles et qui, sur le plan social et pour les travailleurs, peuvent être très compliquées à gérer.
Il faut surtout que tout cela puisse être mené avec le plus de dignité possible, que ce soit pour les travailleurs dont nous sommes responsables ou pour ces personnes qui sont exclues du chômage et qui doivent pouvoir être accueillies dans les meilleures conditions. C’est vraiment notre objectif, mais pour cela, il nous faut aussi un peu de soutien du gouvernement fédéral.
12.11 Sofie Merckx (PVDA-PTB): Madame la ministre, merci pour votre complément.
Au niveau du coût des dossiers, il est vrai qu’un doublement des frais de dossier est prévu. Par exemple, si quelqu’un retrouve du travail une semaine en intérim, puis perd ce travail et retourne au CPAS, les frais de dossier ne seront plus revus à la hausse, si j’ai bien compris, étant donné qu’il ne s’agit plus d’un exclu du chômage puisqu’il a travaillé.
Vous dites aussi essayer de diminuer la charge de travail des travailleurs des CPAS, mais vous annoncez en même temps votre réforme au niveau des cohabitants. Cela pourrait représenter une énorme charge de travail pour de grands CPAS, s’ils doivent examiner ou réexaminer l’ensemble des dossiers, ou en tout cas, ce n’est pas ce qui est prévu?
12.12
Minister Anneleen Van Bossuyt: Dat is inderdaad
voorzien. We hebben opzettelijk voor de invoering vanaf 1 maart gekozen,
opdat ze zich zouden kunnen voorbereiden. Voor de nieuwe dossiers zal de
regeling dus meteen moeten worden toegepast, terwijl dat voor de bestaande
dossiers bij de herziening zal gebeuren. De dossiers worden jaarlijks herzien.
Wij vragen niet om meteen alle bestaande dossiers te herzien. Daar hebben we ook rekening mee
gehouden.
Il vous revient donc d'investir dans les différents services pour éviter que cela ne retombe sur les CPAS. Je n'ai rien entendu de très concret, à part votre affirmation selon laquelle ce n'est pas du ressort du CPAS.
Le président: Madame Désir, encore un commentaire? (Non)
Je vous remercie.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
La réunion publique de commission est levée à 15 h 30.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.30 uur.