Commission de la Santé et de l'Égalité des chances

Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen

 

du

 

Lundi 7 juin 2021

 

Après-midi

 

______

 

 

van

 

Maandag 7 juni 2021

 

Namiddag

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 15 et présidée par M. Thierry Warmoes.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.15 uur en voorgezeten door de heer Thierry Warmoes.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die in cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

01 Vraag van Anneleen Van Bossuyt aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het actieplan tegen voedselverspilling" (55013784C)

01 Question de Anneleen Van Bossuyt à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le plan de lutte contre le gaspillage alimentaire" (55013784C)

 

01.01  Anneleen Van Bossuyt (N-VA): Mijnheer de minister, ongeveer een jaar geleden werd in de Kamer unaniem een resolutie goedgekeurd tot herziening van de datumaanduidingen op voedselverpakkingen in de strijd tegen de voedselverspilling. In die resolutie vragen wij de federale regering om een aantal initiatieven te nemen. Wat is de stand van zaken daarin?

 

Wat is bijvoorbeeld het stappenplan dat u vooropstelt om gevolg te geven aan de oproep in de resolutie, zowel wat de prioriteiten als de concrete acties met hun timing betreft?

 

Hoe zal u ook de houdbaarheidsdata bij de consumenten beter bekend maken? Denkt u hierbij aan een bewustwordingscampagne? In Nederland is bijvoorbeeld een campagne "hashtag Verspillingsvrij” gestart. Is dat iets waar u ook aan denkt?

 

Een ander element waar ook naar gevraagd wordt in de resolutie is het overleg met alle schakels in de voedingsindustrie, gaande van het FAVV tot de representatieve consumentenorganisaties.

 

Men moet bekomen dat het label "houdbaar tot" niet korter zou worden voorgesteld dan nodig voor het optimaal behoud van de kwaliteit. Zult u overleg plegen met het FAVV om dat mogelijk te maken? Zult u het ook mogelijk maken dat producten waarvan de datum is overschreden, maar waarbij men geen gezondheidsgevolgen moet vrezen, weggeschonken kunnen worden? Die producten belanden nu jammer genoeg vaak in de vuilnisbak.

 

Wanneer verwacht u dat er per federale instelling een plan tegen voedselverlies zal zijn? Ook daartoe werd opgeroepen in de resolutie. Zal dit top-down gebeuren of van onderuit? Hoe zult u in het algemeen de schenkingen van onverkocht voedsel aanmoedigen?

 

Er wordt gevraagd om deze problematiek ook Europees aan te kaarten, door het uitbreiden van de lijst met producten die geen houdbaarheidsdatum bevatten, zoals koffie en rijst. Heeft u daar al initiatieven voor genomen?

 

Tot slot, heeft u al overleg gepland met de deelstaten, of heeft dat misschien al plaats gehad, om de goede praktijken die daar bestaan tegen voedselverspilling, uit te wisselen?

 

01.02 Minister David Clarinval: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Bossuyt, de bevoegdheden van het FAVV in het kader van de strijd tegen voedselverspilling zijn beperkt. Voor wat betreft de houdbaarheidsdata, wordt dit vastgelegd in Europese wetgeving. Op Europees niveau wordt bepaald welke soort producten een uiterste consumptiedatum hebben en welke een minimale houdbaarheidsdatum kunnen hebben.

 

Voorts bestaat er ook een lijst van producten waarop geen datum hoeft te worden aangebracht. Voor alle overige producten moet dat dus wel. Dat alles wordt niet nationaal bepaald.

 

De discussie over de verschillende data en het tegengaan van voedselverspilling wordt momenteel op Europees niveau gevoerd. Het FAVV neemt daar uiteraard actief aan deel.

 

Het is de verantwoordelijkheid van de producent van de levensmiddelen om de datum te bepalen op basis van alle kenmerken van het product. Het FAVV gaat na of de datum die op het etiket vermeld staat, de juiste soort datum is en of de uiterste consumptiedatum niet overschreden is. Bovendien controleert het bij levensmiddelen de manier waarop deze datum bepaald wordt. Daarnaast informeert het FAVV zowel operatoren als consumenten via verschillende kanalen. Zo werden er een omzendbrief opgesteld, affiches gedrukt, boodschappen verspreid via sociale media, tijdens vergaderingen en opleidingen over het verschil tussen de 2 verschillende houdbaarheidsdata.

 

Naast het Europese aspect is er natuurlijk ook het feit dat de strijd tegen voedselverlies en -verspilling in de eerste plaats een gewestelijke materie is. Hoewel de thematiek dus niet tot de kerntaken van het FAVV behoort, werkt het wel actief mee aan het tegengaan van voedselverlies en het faciliteren van schenkingen. Zo werden er versoepelingen uitgewerkt betreffende etikettering, traceerbaarheid, invriezen enzovoort, specifiek voor voedselbanken en liefdadigheidsinstellingen. Uiteraard gebeurt dat alles uiteraard zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van de voedselketen.

 

Het FAVV neemt ook deel aan het overleg op gewestelijk niveau. Daarnaast werkt het FAVV samen met organisaties zoals Test-Aankoop en Too Good To Go rond de vervaldata en voedselverspilling.

 

01.03  Anneleen Van Bossuyt (N-VA): Mijnheer de minister, uw antwoord gaat slechts in op een beperkt aantal van de vragen die ik heb gesteld. U zegt dat de bevoegdheden van het FAVV beperkt zijn, daar kan ik inkomen. U verwijst echter ook naar het Europese niveau, waar er heel wat discussies zijn. Met betrekking tot die lijst van producten waarop geen datum moet staan, een van de concrete vragen in de unaniem aangenomen resolutie, is net dat u zou pleiten op Europees niveau om die lijst uit te breiden, om daarop bijkomende producten op te nemen, net zoals trouwens verschillende van onze buurlanden doen. U hebt niet geantwoord op mijn vraag of u dat reeds gedaan hebt of niet.

 

U zegt dat er discussies op Europees niveau gevoerd worden. Gaat dat dan over die lijst of gaat het over het verschil tussen de data van te gebruiken tot en van ten minste houdbaar tot? Dat is voor mij niet duidelijk.

 

U legt verder de bal een beetje in het kamp van de Gewesten. Ook daar is er inderdaad een bevoegdheidselement. In de resolutie wordt echter opgeroepen tot een aantal zaken die wel tot de federale bevoegdheden behoren, zoals het opstellen van een plan tegen voedselverspilling in de federale instellingen, zoals dat reeds bestaat in de instellingen op gewestelijk niveau.

 

U hebt niet geantwoord of dat zal gebeuren. Hebt u reeds initiatief genomen om ook in de federale instellingen dergelijk plan op poten te zetten? Zal dit top-down gebeuren of gaat u dat aan de instellingen zelf overlaten, maar hen daartoe wel aansporen?

 

Ten slotte, u hebt ook niet geantwoord op de vraag of er reeds overleg is geweest met de deelstaten over het uitwisselen van de goede praktijken tegen voedselverspilling, die daar bestaan.

 

Op die vragen zou ik toch nog graag een antwoord van u krijgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 55014061C van mevrouw Dierick wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

02 Samengevoegde vragen van

- Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken en Volksgezondheid) over "De servieswaren uit bamboe" (55014238C)

- Anneleen Van Bossuyt aan Eva De Bleeker (Begroting en Consumentenbescherming) over "De producten met bamboevezels en melamine" (55014292C)

- Barbara Creemers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het laattijdige optreden van het FAVV met betrekking tot vaatwerk uit bamboevezels" (55018490C)

02 Questions jointes de

- Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales et Santé publique) sur "La vaisselle en bambou" (55014238C)

- Anneleen Van Bossuyt à Eva De Bleeker (Budget et Protection des consommateurs) sur "Les articles en fibres de bambou et mélamine" (55014292C)

- Barbara Creemers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "L'intervention tardive de l'AFSCA en ce qui concerne la vaisselle en fibres de bambou" (55018490C)

 

02.01  Anneleen Van Bossuyt (N-VA): Mijnheer de minister, serviesgoed van bamboe en melaminekunststof, zoals herbruikbare bekers en kinderservies, mag niet langer worden verkocht. Dat laat het FAVV weten. Het bamboeservies blijkt namelijk gifstoffen af te geven wanneer het in contact komt met warmte, wat kan leiden tot maagirritatie of maagzweren.

 

Het mogelijk gevaar van bamboevezels is al langer bekend. Het FAVV heeft eerder al producten met bamboevezels en melamine teruggeroepen in 2018, 2020 en ook begin dit jaar, maar de waarschuwingen daarover bereikten nooit het grote publiek, vandaar mijn vragen.

 

Hebt u reeds kennisgenomen van het verbod op de verkoop van serviesgoed van bamboevezels en melamine?

 

Hoe verklaart u dat het gevaar van deze producten al langer bekend was, maar niet eerder duidelijk aan het grote publiek werd gecommuniceerd?

 

Zult u contact opnemen met staatssecretaris De Bleeker om te bekijken hoe dergelijke zaken in de toekomst voorkomen kunnen worden?

 

02.02  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik stelde u deze vraag reeds schriftelijk, maar gezien de verstreken deadline stel ik hem graag mondeling opnieuw. Op 15 februari waarschuwde het FAVV voor het vrijkomen van melamine en formaldehyde bij het opwarmen van vaatwerk van bamboevezels en een polymeer. Deze stoffen zijn schadelijk voor de gezondheid en kunnen via voedsel in ons lichaam terechtkomen.

Dit was al langer bekend uit onderzoek van de Duitse Consumentenorganisatie Stiftung Warentest, op 20/11/2019 ook in de Knack opgenomen. De Duitse tegenhanger van het FAVV adviseerde in 2019 om geen bamboeservies te gebruiken voor warme dranken en voedsel. Het FAVV riep in 2018 een product terug, maar nam geen algemene maatregelen ondanks meer dan 80 probleemmeldingen in 2020 op Europees niveau. Ook uit wetenschappelijke hoek klinkt het dat het FAVV sneller had kunnen en moeten handelen. Ook Testaankoop meldt dat producenten niet correct informeren over de gebruikswijze en eigenschappen.

 

Nochtans legt EU-verordening 178/2002, de ‘levensmiddelenverordening’, op grond van de artikels 7 en 10 het voorzorgsbeginsel op aan het FAVV, waarin in geval van wetenschappelijke onzekerheid voorlopige maatregelen voor risicomanagement verplicht zijn. Artikel 19 van dezelfde verordening legt de exploitant ook op dat de risicomeldingen niet passief mogen zijn en de consument effectief moeten bereiken.

 

Reeds eerder haalde ik aan dat grensoverschrijdende informatiedoorstroming cruciaal is om de collectieve volksgezondheid te verbeteren, dit naar aanleiding van de informatieverspreiding en communicatie tussen verschillende voedselagentschappen van de EU-lidstaten over onveilig voedsel.

 

Ik heb de volgende vragen:

 

Wat was de aanleiding voor dit algemene advies van het FAVV in februari en waarom deed het FAVV dit niet eerder, aangezien de negatieve gevolgen van het gebruik van servies van bamboe al langer gekend waren?

 

Dit bamboeservies is in de volledige Europese Unie in de handel.

 

a. Waarom werkt de grensoverschrijdende informatiedoorstroming zo moeizaam, rekening houdende met de informatie uit Duitsland?

 

b. Hoe reageert u op de kritiek dat het FAVV sneller had moeten reageren op grond van artikel 7 en 10 van de levensmiddelenverordening?

 

Wat doet het FAVV om exploitanten artikel 19 van de verordening te doen naleven?

 

Hoe en wanneer zal u zorgen voor een betere concretisering van deze Europese verplichtingen voor het FAVV en exploitanten?

 

02.03 Minister David Clarinval: Mijnheer de voorzitter, er waren drie samengevoegde vragen van mevrouw Gijbels, Van Bossuyt en Creemers. Ik zal ze alle drie beantwoorden.

 

Mevrouw Gijbels, Van Bossuyt en Creemers, keukengerei uit melamine mag wettelijk op de markt worden gebracht en wordt vaak gebruikt. Nochtans is er een problematiek bekend van het vrijkomen van formaldehyde en melamine bij gebruik bij hogere temperaturen of in contact met zure levensmiddelen, zoals citroensap of tomaten.

 

Daarom zijn er op Europees niveau migratielimieten vastgelegd voor deze beide substanties. Sinds vele jaren is dat opgenomen in het controleprogramma van het FAVV. Aangezien het bovendien producten zijn die voor het overgrote deel uit China worden ingevoerd, vallen zij ook onder de Europese regels voor de import van contactmaterialen, waardoor er stelselmatig wordt gecontroleerd bij de import. Daarnaast heeft de verantwoordelijke voor het product de plicht om de producten correct te etiketteren voor passend en veilig gebruik.

 

Omwille van de toevoeging van die bamboevezels, soms in zeer geringe hoeveelheden, was het onduidelijk of de producten al dan niet onder de plasticreglementering vielen. Die discussie werd dan ook herhaaldelijk gevoerd tussen de lidstaten, op Europees niveau. Zij werd met name gebaseerd op een advies van het Duits Instituut voor Risicobeoordeling dat eind 2019 gepubliceerd werd. Dit advies betrof keukengerei dat bamboevezels bevat. Sommige fabrikanten positioneerden deze producten in de markt als een ecologisch en modieus alternatief voor de klassieke kunststof contactmaterialen. Dat was misleidend voor de gebruiker. Doordat deze materialen onterecht als niet-kunststof geprofileerd werden, werd er bovendien ook niet voldaan aan de eisen van de kunststofreglementering.

 

Nu er bij de Europese lidstaten een consensus bestaat dat deze producten wel degelijk onder de kunststofwetgeving vallen, kan er effectief opgetreden worden. Daarom kan de toevoeging van bamboevezels niet meer want dit additief is niet toegelaten in de kunststofregelgeving. Bovendien moeten de migratielimieten gerespecteerd worden en mag de consument niet worden misleid.

 

L'AFSCA, en collaboration avec le SPF chargé des normes, a travaillé longtemps à la sensibilisation des secteurs concernés. Il ne faut pas oublier qu'il s'agit de produits étrangers et qu'il peut s'écouler beaucoup de temps entre le moment de la production et celui où ces produits sont placés dans les magasins.

 

Grâce au consensus au niveau européen, les travaux peuvent désormais être harmonisés et une déclaration Benelux a été signée en février, dans laquelle des contrôles renforcés sont annoncés au printemps 2021. D'autres États membres suivent un calendrier similaire.

 

La Commission européenne a informé la Chine et les fédérations professionnelles européennes de l'approche européenne.

 

De voorzitter: Mevrouw Creemers zal eventueel later repliceren. Mevrouw Van Bossuyt kan nu haar repliek geven.

 

02.04  Anneleen Van Bossuyt (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het is treffend dat er nu pas eensgezindheid is over de al dan niet schadelijkheid. Over de schadelijkheid was er wel eensgezindheid, indien ik het goed heb begrepen, maar niet over de regelgeving waaronder het product specifiek valt. Ik ben blij dat de kwestie is opgelost.

 

Ondertussen is er wel heel veel verwarring bij de consumenten. Sommigen denken immers dat producten die voor 100 % uit melamine bestaan, ook schadelijk zouden zijn. Indien ik uw antwoord hoor, zou dat enkel zijn tussen melamine, enerzijds, en bamboevezels, anderzijds.

 

Nu de regelgeving daarover duidelijk is, is het belangrijk de consumenten toch nog eens goed te informeren over welk serviesgoed of andere producten al dan niet schadelijk zouden zijn. Er bestaat immers nog altijd heel veel onduidelijkheid over.

 

Ik zou u dan ook graag aanraden om te bekijken, eventueel in samenwerking met uw collega van Consumentenbescherming, mevrouw De Bleeker, of er nog informatie aan de consument kan worden gegeven.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de Daniel Senesael à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "La décision de la Commission européenne relative à l'importation de soja génétiquement modifié" (55014783C)

03 Vraag van Daniel Senesael aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De beslissing van de Europese Commissie inzake de invoer van genetisch gemodificeerde soja" (55014783C)

 

03.01  Daniel Senesael (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, le 28 septembre 2020, la Commission européenne a autorisé l'importation de denrées et d'ingrédients destinés à l'alimentation humaine et animale contenant une variété de soja génétiquement modifié développé par l'entreprise Monsanto ainsi que la mise sur le marché des produits consistant en ce soja ou produits à partir de celui-ci. La particularité de cette variété de soja génétiquement modifié repose sur sa capacité à résister à certains désherbants composés de dicamba, de glyphosate ou de glufosinate-amonium.

 

La culture et la consommation d'un tel soja sont en plusieurs points problématiques. Premièrement, sa culture, couplée à l'usage des herbicides évoqués, pourrait favoriser les facultés de résistance des mauvaises herbes et, in fine, causer un usage plus conséquent d'herbicides sur les cultures. Deuxièmement, l'importation de soja, produit notamment en Amérique du Sud, contribue fortement au phénomène de déforestation dans les pays importateurs. Troisièmement, il existe aujourd'hui des preuves démontrant la toxicité du glyphosate, lequel se retrouve dans les produits destinés à l'alimentation traitée. À ce sujet, l'avis scientifique du Conseil Supérieur de la Santé (CSS) rendu le 3 septembre 2020 stipule qu'il "existe suffisamment de preuves pour interdire le glyphosate", et ce, "dans l'intérêt de la santé publique".

 

Monsieur le ministre, pouvons-nous avoir votre retour sur la problématique évoquée? L'importance de l'importation de ce soja génétiquement modifié en Belgique peut-elle dès à présent être évaluée? Des initiatives visant à en limiter l'importation peuvent-elles être envisagées?

 

03.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, monsieur Senesael, cette variété de soja est autorisée à l'importation dans l'Union européenne pour usage alimentaire. Les évaluations des risques de l'Autorité européenne de sécurité des aliments (EFSA) et du Conseil de Biosécurité pour ce type d'autorisations ne prennent pas en compte les risques inhérents à la culture, car celle-ci se fait hors de l'Union européenne. En effet, la gestion de résistances éventuelles et l'adoption de bonnes pratiques culturales est du ressort du pays producteur.

 

Concernant la problématique de la déforestation, la stratégie fédérale pour des filières d'importation alimentaire durables BeyondFood est en développement. La Belgique a signé la déclaration d'ambition renouvelée de la déclaration d'Amsterdam. Pour les détails je vous renvoie vers la ministre de l'Environnement car ce dossier relève de sa compétence.

 

Quant au glyphosate, je vous renvoie à la publication de mon administration sur le site phytoweb.be, faisant suite à l'analyse de cet avis du Conseil Supérieur de la Santé du 3 septembre 2020. Le service Produits phytopharmaceutiques et Engrais a examiné de manière approfondie le rapport du CSS et explique en détail son analyse sur la page dédiée au glyphosate du site internet précité.

 

Dans le cadre de la procédure européenne de demande de renouvellement de l'approbation du glyphosate, une évaluation scientifique approfondie des études soumises par les producteurs ainsi que de celles publiées dans la littérature scientifique ouverte permettra aux autorités d'établir les bases du renouvellement ou du non-renouvellement de l'approbation du glyphosate.

 

L'importance de l'importation de ce soja génétiquement modifié en Belgique n'a pas été évaluée. Il s'agit d'une liberté de choix des opérateurs du secteur concerné, le secteur des aliments pour animaux et des denrées alimentaires. Je ne dispose donc d'aucun chiffre officiel à ce propos.

 

Des initiatives visant à en limiter l'importation ne sont pas envisageables dans le contexte d'une autorisation européenne et dans le respect de la libre circulation des biens dans l'Union européenne. Il n'y a pas de possibilité juridique et toute entrave pourrait mener la Belgique à une situation litigieuse.

 

03.03  Daniel Senesael (PS): Monsieur le président, il me reste à remercier le ministre pour ces éléments de réponse. Comme il l'indique, je ne manquerai pas de me tourner également vers la ministre de l'Environnement pour ce qui est de son ressort. Pour le reste, j'examinerai attentivement la réponse du ministre pour un retour éventuel vers ses services.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- Bert Moyaers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De controles van het FAVV bij vrijwilligersinitiatieven" (55015037C)

- Gaby Colebunders aan Karine Lalieux (Pensioenen en Maatschappelijke Integratie) over "De behandeling van de vrijwilligersinitiatieven door het FAVV" (55015460C)

- Gaby Colebunders aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De behandeling van solidariteitsinitiatieven door het FAVV" (55015466C)

04 Questions jointes de

- Bert Moyaers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Les contrôles de l'AFSCA dans le cadre d'initiatives mises en place par des volontaires" (55015037C)

- Gaby Colebunders à Karine Lalieux (Pensions et Intégration sociale) sur "Le traitement par l'AFSCA des initiatives mises en place par des bénévoles" (55015460C)

- Gaby Colebunders à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le traitement par l'AFSCA des initiatives solidaires" (55015466C)

 

De voorzitter: De heer Colebunders kan niet aanwezig zijn, dus zijn vragen zijn zonder voorwerp.

 

04.01  Bert Moyaers (Vooruit): Mijnheer de minister, vrijwilligersinitiatieven als Zonder Honger naar Bed Hasselt hielpen 57 Hasseltse gezinnen die in de grijze zone zijn beland. Ze verdienden net te veel om te kunnen genieten van OCMW-steun of voldeden niet aan de juiste criteria. De vrijwilligersorganisatie probeerde deze mensen uit de nood te helpen met een verse maaltijd of bewaarproducten. Een aantal vrijwilligers offerde zelfs zijn garage daarvoor op of kochten een diepvriezer. Zij deden dat omdat het summum van vrijwilligerswerk net het goede gevoel is dat men krijgt wanneer men belangeloos iets doet voor de gemeenschap.

 

Na een anonieme klacht voerde het FAVV echter een controle uit met maar liefst zes controleurs bij de vijf vrijwilligers thuis. Die zijn uiteraard heel hard geschrokken. Het FAVV wees hen erop dat ze voor alle giften, ook die met een houdbaarheidsdatum op, op de verpakking moesten noteren vanwaar dit voedsel vandaan kwam en waar het toe gaat. Dat is veel administratie voor vijf vrijwilligers die na hun werkuren mensen wat uit de nood willen helpen en is voor hen te arbeidsintensief, waardoor zij voorlopig gestopt zijn met het inzamelen van voedsel tot ze meer duidelijkheid krijgen. Het erge is dat de dames ook nog een boete boven het hoofd hangt van 150 tot 750 euro omdat ze iets wilden doen om de armoede in de samenleving te bestrijden.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Zijn er u nog dergelijke gevallen van vrijwilligersinitiatieven bekend die werden onderworpen aan een controle van het FAVV? Indien ja, wat waren daarvan de resultaten?

 

Alle begrip dat de voedselveiligheid hoog in het vaandel wordt gedragen, maar bent u niet van mening dat dergelijke goedbedoelde initiatieven van enkele dames bestraffen met boetes tot 750 euro buiten proportie is? Bent u van plan om op zijn minst in een dergelijke zaak als bemiddelaar op te treden bij het FAVV en voor deze mensen te pleiten voor een kwijtschelding van de boete?

 

04.02 Minister David Clarinval: Mijnheer de voorzitter, mijn antwoorden betreffen wel alle vragen, ook die van de heer Colebunders.

 

Controles op liefdadigheidsinitiatieven worden door het FAVV uitgevoerd, hetzij als gevolg van een klacht, hetzij in het kader van een geplande inspectie op grond van het vastgestelde inspectieplan voor de sector. In het kader van het vrijwilligersinitiatief Zonder Honger naar Bed Hasselt werd naar aanleiding van een anonieme klacht over een gebrekkige hygiëne een controle uitgevoerd. Er werden inbreuken vastgesteld op de voorschriften inzake voedselveiligheid. De klacht was dus gegrond. De procureur des Konings werd daarvan in kennis gesteld. Het FAVV heeft de mogelijkheid om het dossier af te sluiten op grond van een administratieve minnelijke schikking waarbij een bedrag voorgesteld wordt. Dit voorstel van minnelijke schikking houdt rekening met alle elementen uit het dossier, zoals het sociaal oogmerk. Als het tot een akkoord komt, vervalt de strafvordering.

 

Dergelijke initiatieven zijn lovenswaardig en respectabel. Toch zou het ondenkbaar zijn een tweederangsvoedselveiligheid te aanvaarden en dus een gebrek aan hygiëne onder het voorwendsel dat het gaat om het vermijden van voedselverspilling en het helpen van de meest behoeftigen. Daarom moeten bepaalde regels nageleefd worden. Om dergelijke initiatieven te ondersteunen, organiseert de cel begeleiding van het FAVV opleidingen om de verenigingen te helpen de geldende regels na te leven. Daarnaast bestaan er administratieve versoepelingen voor de voedselbanken en liefdadigheidsorganisaties. Zo werd een project gelanceerd over de grondvesten van de voedselveiligheid bij donaties met als doel de moeilijkheden en misverstanden waarmee de actoren op het terrein te maken hebben op te volgen en oplossingen aan te reiken.

 

In het kader van het inspectieplan worden liefdadigheidsorganisaties met een toelating om de vier jaar gecontroleerd.

 

In 2019 en 2020 werden bij deze organisaties respectievelijk 98 en 124 inspecties uitgevoerd, waarvan respectievelijk 35 % en 33 % inspecties ongunstig waren.

 

Uit dat hoge percentage blijkt duidelijk dat het bij sommige initiatieven, hoewel ze lovenswaardig zijn, beter moet op het vlak van het respect voor de voedselveiligheid.

 

04.03  Bert Moyaers (Vooruit): Mijnheer de minister, ik begrijp uiteraard dat het FAVV moet optreden als er een klacht over gebrekkige hygiëne komt. Hier gaat het echter om een liefdadigheidsproject. U zegt dat er een voorstel van minnelijke schikking zou komen en dat men zou bekijken wat billijk is. Ik heb daar alle begrip voor, regels zijn er om te worden nageleefd, maar wat zal die minnelijke schikking inhouden? Moeten de mensen nu een boete betalen die tot 750 euro kan gaan of is hun schuld kwijtgescholden? Daarover heb ik geen duidelijkheid gekregen.

 

Ik zou het bijzonder jammer vinden dat mensen die vanuit de goedheid van hun hart een dergelijk project willen organiseren daarvoor gestraft worden en een stevige som moeten betalen. Dat kan toch niet de bedoeling van dit project geweest zijn.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions jointes n° 55015776C de Mme Cécile Thibaut et n° 55015936C de Mme Frieda Gijbels sont reportées.

 

05 Question de Séverine de Laveleye à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "L'action du CE auprès de la CJUE sur l’octroi de dérogations pour usage des néonicotinoïdes" (55016297C)

05 Vraag van Séverine de Laveleye aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het optreden van de RvS bij het HvJ-EU over de uitzonderingen op het gebruik van neonicotinoïden" (55016297C)

 

05.01  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Le Conseil d'Etat vient d'envoyer en février cinq questions préjudicielles à la Cour de Justice de l'Union européenne. Cela fait suite à trois recours intentés par Nature et progrès Belgique, le Pesticide Action Network (PAN) Europe et un apiculteur liégeois contre les dérogations fournies par l'Etat belge pour l'usage de néonicotinoïdes sur betteraves en 2019, 2020 et 2021.

 

 Ces questions préjudicielles ont pour but de clarifier les contours de l'article du règlement pesticide donnant la possibilité de fournir des dérogations aux agriculteurs pour l'usage de ces substances en culture notamment de betteraves sucrières.

 

 La CJUE devra se pencher, notamment, sur la notion « circonstances particulières » exigées par l’article 53 du règlement européen concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques permettant les dérogations, pour savoir si le règlement cible des situations pour lesquelles la survenance d’un danger n’est pas certaine mais seulement plausible. Elle devra aussi étudier si les « circonstances particulières » couvrent des situations pour lesquelles la survenance d’un danger est prévisible, ordinaire et même cyclique.

 

 Elle étudiera aussi si la notion « qui ne peut être maîtrisé par d’autres moyens raisonnables »  accorde une égale importance d’une part, à la garantie d’un niveau élevé de protection de la santé humaine et animale et de l’environnement, et, d’autre part, à la préservation de la compétitivité de l’agriculture communautaire.

 

Voici donc mes questions: 

 

- Avez-vous une indication de quand la Cour de Justice Européenne sera en mesure de donner son analyse?

 

- Cette démarche en justice vous incite-t-elle à revoir votre stratégie de dérogation aux néonicotinoïdes interdits par l’Europe?

 

05.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, madame de Laveleye, sur la base de l'expérience de nos représentants juridiques, une décision de la Cour de justice de l'Union européenne n'est attendue qu'en 2022. Cette décision devra encore être confirmée par le Conseil d'État dans son arrêt, ce qui nous amène à fin 2022-début 2023 pour obtenir une réponse.

 

En raison de la séparation des pouvoirs, il me paraît donc préférable d'attendre les réponses de la Cour de justice de l'Union européenne aux questions préjudicielles ainsi que la décision du Conseil d'État avant de revoir notre position sur le sujet. Jusqu'à preuve du contraire, nous considérons qu'il existe une base légale pour l'octroi de dérogations relatives aux néonicotinoïdes.

 

05.03  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie. Vous avez tout à fait raison de ne pas commenter une décision de justice, d'autant plus qu'elle est en cours.

 

Je me permettrai peut-être de souligner qu'indépendamment du processus en cours devant la Cour, il y a deux éléments dans l'analyse d'octroi de dérogations qui sont les circonstances particulières et cette notion de ce qui ne peut être maîtrisé par d'autres moyens raisonnables.

 

Nous continuons à souhaiter que nos administrations, qui disposent de peu de temps et de peu de moyens, puissent se donner tous les moyens nécessaires pour documenter ces deux dimensions. On sait malheureusement que, d'année en année, il arrive qu'on reprenne les justifications qui étaient valables un, deux voire trois ans auparavant sans refaire un travail fondamental de justification.

 

Nous attendrons bien entendu les réponses en 2022. Nous vous encourageons ainsi que votre administration à aller aussi loin que possible dans les moyens qu'on se donne à faire ces analyses de dérogation correctement - non pas que ce ne soit pas correct mais peut-être ne se donne-t-on pas les moyens nécessaires.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de Séverine de Laveleye à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le document de guidance relatif aux abeilles" (55016298C)

06 Vraag van Séverine de Laveleye aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het Bee Guidance Document" (55016298C)

 

06.01  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, en 2013, l'EFSA avait publié un "document de guidance abeilles" afin de prendre en compte les enseignements liés à la catastrophe environnementale liée aux néonicotinoïdes. Les Etats membres avaient décidé qu'une diminution de la taille des colonies d'abeilles de maximum 7% était "acceptable" suite à une exposition aux pesticides ce qui paraissait déjà excessif pour les défenseurs de la biodiversité.

 

Plusieurs Etats membres ont ensuite refusé d'appliquer ce document de guidance. La Commission européenne, en 2019, a dès lors changé d'approche et a demandé à l'EFSA de revoir son document de guidance et de le mettre à jour en fonction des nouvelles données scientifiques. Et la question du niveau de protection est revenue sur la table. Un certain nombre d'Etats membres demandent d'accepter une réduction de la taille de la colonie jusque 25 % suite à l'exposition à un pesticide, ce qui est colossal: cela voudrait dire que toutes les butineuses d'une colonie disparaîtraient, ce qui affaiblit fortement les colonies, les rend improductives et elles ne remplissent plus leur rôle de pollinisateur. 

 

Les 24-25 mars, une nouvelle réunion a eu lieu au niveau européen mais il n'y a pas encore d'accord entre les Etats membres. 

 

Cette question conditionnera le futur des pollinisateurs en Belgique et en Europe mais les négociations ont lieu d'une façon peu transparente alors que cette question est d’intérêt publique. 

 

Voici donc mes questions: 

 

- Quel est le pourcentage de réduction soutenu par la Belgique?

 

- Sur quelle base avez-vous déterminé ce chiffre?

 

- La révision de ce plan date d’avant la stratégie européenne sur la biodiversité et avant l’accord de gouvernement qui prévoit un plan de réduction des pesticides et de l’usage de produits phytopharmaceutiques. Comment la position de la Belgique va-t-elle intégrer ces deux nouvelles dimensions?

 

06.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, madame de Laveleye, la Commission européenne a en effet demandé à l'EFSA en 2019 d'actualiser son document de guidance. Dans la réponse à votre question parlementaire n° 55009081C du 25 septembre 2020, nous avons répondu en détail en justifiant notre soutien à l'approche n° 2. Vu que la plupart des États l'avaient soutenue, l'EFSA a effectué son travail scientifique. Dans son rapport, ce dernier a défini des operating ranges, des variabilités normales de colonie, et expliqué son travail scientifique. Ce document a été présenté en premier lieu dans une réunion avec les États membres en toute transparence.

 

Si l'on considère les operating ranges dans leur ensemble, la valeur moyenne de la variabilité normale de la taille de la colonie pour les 19 scénarios modélisés correspond à 23 %. Accepter une telle valeur revient à admettre qu'en l'absence d'exposition aux pesticides, la taille d'une colonie peut être inférieure de 23 % à la taille de la colonie moyenne. C'est exactement ce que l'EFSA a démontré scientifiquement.

 

Enfin, il importe de noter qu'accepter un niveau d'effet supérieur aux 7 % fixés en 2013 ne signifie pas nécessairement que les abeilles seront moins protégées. En outre, l'évaluation des risques liés aux effets des pesticides sur les abeilles est une question très complexe, dans laquelle de nombreux paramètres sont pris en compte pour déterminer l'exposition et les effets.

 

L'accord de gouvernement prévoit un plan de réduction des pesticides. En conformité avec ledit accord, je m'appuie sur un raisonnement scientifique afin de déterminer les mesures à prendre.

 

06.03  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Au regard des analyses scientifiques portées par le secteur environnemental que j'ai lues, une réduction de 23 %, c'est colossal. Cela fait prendre un risque majeur pour la survie d'une certaine espèce d'abeilles. Or, monsieur le ministre, je ne dois pas vous rappeler que sans abeille, il n'y a pas d'agriculture possible, ni de biodiversité réellement soutenable.

 

Je suis donc très inquiète de la tournure que prend ce nouveau Plan Abeilles au niveau européen. Je ne sais pas comment faire remonter davantage les questions environnementales au niveau de l'EFSA. Il faut que j'aille vérifier quelles sont les prochaines étapes à venir, ce d'autant que ma question a été déposée, il y a déjà un certain temps.

 

Par ailleurs, je rappelle que la nouvelle stratégie en matière de biodiversité de l'Europe est plus récente que le travail de l'EFSA et le nouveau Plan Abeilles. Je me pose la question de savoir s'il n'existe pas de grosses tensions entre la nouvelle stratégie européenne pour protéger la biodiversité et l'ancienne stratégie. On va dès lors se retrouver dans une situation qui n'est pas souhaitable pour l'avenir de notre agriculture et de notre biodiversité. Il faudra donc suivre ce dossier de près.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de Séverine de Laveleye à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le principe de précaution en ce qui concerne les masques d'Avrox et les pesticides" (55016299C)

07 Vraag van Séverine de Laveleye aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het voorzorgsprincipe bij de mondmaskers van Avrox en bij het gebruik van pesticiden" (55016299C)

 

07.01  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, cette question a pour origine plusieurs interpellations que j'ai reçues à l'annonce de la sortie du marché des masques Avrox.

 

Les masques Avrox ont été enlevés du marché pour leur toxicité potentielle "par prudence" (ce sont les mots du ministre de la Santé). Cette décision a été prise sur la base d’un rapport de Sciensano et d’un avis du Conseil supérieur de la Santé, ces masques contenant des nanoparticules d'argent et des particules de dioxyde de titane. Des études en laboratoire et sur les animaux suggèrent que, si de telles particules sont inhalées, elles peuvent se propager dans d'autres organes et y causer des dommages sous certaines formes et à certaines doses.

 

Le gouvernement semble avoir choisi dans ce cas-ci une lecture stricte du principe de précaution et a fait une analyse de risques orientée vers la prudence.

 

Monsieur le ministre, cet épisode influence-t-il l’application du principe de précaution et l’analyse des risques pour le secteur de l’agriculture, notamment dans tout ce qui est l’usage de pesticides (herbicides ou insecticides), dont certains sont utilisés malgré des interdictions européennes et/ou malgré des rapports du Conseil supérieur de la Santé nous demandant d’en sortir au plus vite? Il y a l'exemple spécifique du glyphosate, mais il y en a d'autres. Je vous remercie d'avance pour votre réponse.

 

07.02  David Clarinval, ministre: Madame de Laveleye, la décision de retirer les masques de marque Avrox du marché par prudence en raison de leur potentielle toxicité a été prise par le ministre de la Santé. Je ne vois aucun lien logique entre cette décision et les décisions basées sur l'analyse des risques pour les produits phyto. Il s'agit de deux questions entièrement indépendantes. Dans le cas des masques, comme vous le signalez, une évaluation du risque a été réalisée. Dans le cas du glyphosate, par contre, le Conseil supérieur de la Santé n'a pas effectué d'évaluation du risque mais l'évaluation du risque conduite par l'Autorité européenne de sécurité des aliments (EFSA) et par mon administration compétente démontrait un risque tout à fait acceptable.

 

Comme je l'avais développé dans ma note de politique générale, je tiens à rappeler ici mes priorités en matière d'utilisation des produits phyto. Elles prennent en compte la durabilité de notre société, c'est-à-dire la recherche d'un meilleur équilibre entre les aspects économiques, environnementaux et sociaux. Dans cette logique, le SPF Santé publique continuera à veiller à l'application stricte d'une méthode d'évaluation des risques scientifiquement solide et légale, en utilisant des facteurs de sécurité élevés.

 

Afin de limiter les conséquences socio-économiques, il leur est demandé d'aller le plus loin possible en imposant des mesures réalistes et l'atténuation des risques afin de garantir que l'utilisation autorisée des pesticides continue de répondre aux critères légaux. Je veillerai donc à ce que l'évaluation des risques ait lieu en application de la législation européenne basée sur une évaluation scientifique par l'administration compétente comme indiqué dans l'accord de gouvernement. Ce n'est qu'en adhérant à une évaluation scientifique qu'il est possible d'agir de manière cohérente et équitable.

 

07.03  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie. Je ne répliquerai pas longuement. Je suis juste un peu surprise quand je vous entends dire que vous ne voyez aucun lien entre les deux questions. Dans les deux cas, il y a des questions pour la santé et pour l'environnement. Évidemment, avec les masques Avrox, les enjeux de santé étaient en première ligne. Les enjeux pour l'environnement, à travers la question des biocides, venaient en deuxième lieu. Mais quand on parle de produits phytopharmaceutiques en général ou des pesticides, on sait qu'il y a aussi bien des risques pour la santé que pour l'environnement.

 

Je salue évidemment la décision du gouvernement fédéral d'avoir suivi strictement le principe de précaution dans le cadre des masques Avrox. Il était rassurant de savoir que, quand un risque est identifié, on le prend en considération. Malgré tout, cela doit nous inspirer dans les approches avec d'autres types de risques que l'on sait majeurs aujourd'hui pour la défense de notre santé et pour notre biodiversité.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van Séverine de Laveleye aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het OESO-rapport en de landbouw" (55016343C)

08 Question de Séverine de Laveleye à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le rapport de l'OCDE et l'agriculture" (55016343C)

 

08.01  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Le rapport de l’OCDE sur l’examen environnemental de la Belgique est mauvais. On y lit notamment que « Les performances de la Belgique restent insuffisantes pour enrayer la perte de biodiversité et atténuer les pressions croissantes du développement démographique, de l'urbanisation et des pratiques agricoles intensives ». « La Belgique est loin d'avoir atteint le bon état des masses d'eau. L’utilisation intensive des engrais et des pesticides dans l’agriculture est la principale source de pollution. » Enfin « Les ventes de pesticides et le bilan azoté par hectare comptent parmi les plus élevés de l’OCDE. »

 

La pression du modèle de l’agriculture intensive et de son usage de pesticides est mis en avant comme cause principale de danger pour notre biodiversité.

 

Mes questions sont dès lors les suivantes: 

 

- Comment allez vous intégrer les recommandations du rapport de l’OCDE dans votre politique agricole?

 

- Que pensez-vous spécifiquement de la recommandation suivante: « Instaurer une taxe sur l’utilisation des pesticides fondée sur les risques sanitaires et environnementaux (comme au Danemark) ; accélérer l’élaboration et l’adoption d’une stratégie belge en faveur des pollinisateurs établissant le principe d’une taxation des pesticides fondée sur les risques ».

 

- Comment comptez-vous contribuer à la nouvelle stratégie belge sur la biodiversité à partir de votre politique agricole?

 

08.02  David Clarinval, ministre: Madame de Laveleye, nonobstant les limites de la compétence fédérale en matière d'agriculture, nous n'avons pas attendu les recommandations du rapport de l'OCDE pour prendre soin des pollinisateurs. L'OCDE souligne d'ailleurs dans son examen environnemental de la Belgique l'attention particulière que nous avons apportée aux pollinisateurs suite à l'adoption en 2017 d'une procédure nationale d'évaluation des risques pour les abeilles.

 

Nous prolongeons notre contribution à la restauration de la biodiversité en développant, dans le cadre du plan d'action national de réduction des risques liés à l'utilisation des pesticides, un projet visant à visualiser l'évolution de la santé des pollinisateurs avec l'évolution de l'utilisation des produits phyto, qui leur sont nocifs. Ce projet s'inscrit notamment dans la stratégie nationale belge relative aux pollinisateurs pour la période 2021-2030.

 

En collaboration avec les Régions, nous prenons déjà en compte l'impact de l'agriculture sur la qualité des eaux. Cette collaboration initiée dans le cadre du programme 2012-2017 du plan d'action national a débuté en 2019 et doit encore sortir ses effets.

 

S'agissant de la mise sur le marché des produits phyto, nous assumons notre rôle dans le plus strict respect de la législation. Quant au choix et à l'ampleur de l'utilisation des produits phyto, nous ne pouvons qu'accompagner du mieux possible les politiques régionales (phytolicences, mise sur le marché, facilité des biopesticides, coordination du nappant…).

 

Je considère que taxer plus n'a jamais apporté de solution sinon que d'inciter les utilisateurs à contourner le système. Je suis plutôt favorable à la recherche de solutions innovantes permettant la réduction de l'utilisation de substances potentiellement nocives pour notre environnement.

 

Les négociations qui seront menées dans le cadre du Green Deal et de sa stratégie Farm to Fork seront l'occasion pour la Belgique de définir l'ampleur de la réduction de l'utilisation des produits phyto ainsi que la manière pour y parvenir. Le long terme ne peut être envisagé que par une politique commune au sein de l'Europe.

 

J'accorde également une attention particulière aux aspect non-trade concerns des accords de libre-échange qui doivent davantage répercuter les clause sociales et environnementales dans la valeur des produits échangés.

 

08.03  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Le rapport de l'OCDE nous classe parmi les plus mauvais élèves en termes de ventes de pesticides ainsi qu'au niveau du bilan azoté par hectare.

 

Je sais qu'on avance tant au niveau des Régions que du fédéral et qu'on cherche des solutions. Permettez-moi, cependant, de vous dire que votre réponse sur la taxation est un peu sommaire. J'aurais souhaité que l'on puisse avoir une analyse de la pertinence de ce levier. Certains pays européens l'utilisent, le Danemark notamment. Il serait intéressant, à partir du moment où il s'agit d'une recommandation assez centrale du rapport de l'OCDE, que l'on puisse disposer d'une analyse un peu plus fournie sur les opportunités et les limites de cet outil. Je ne suis pas en train de dire que j'estime qu'il s'agit de la baguette magique qui nous permettra de remédier au problème. Mais je pense que cela vaudrait la peine d'aller jusqu'au bout des choses dans la mesure où il s'agit d'une recommandation de l'OCDE qui n'est pas connue pour être farfelue en termes d'environnement.

 

Par ailleurs, vous avez eu raison de dire que le fédéral devait accompagner les Régions dans la recherche d'alternatives pour sortir de la consommation des produits phytosanitaires et pour que nous puissions devenir le plus vite possible les bons élèves de l'OCDE plutôt que de rester à la traîne, comme c'est le cas depuis trop longtemps.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van Bert Moyaers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De coronaverspreiding binnen vleesverwerkende bedrijven" (55016752C)

09 Question de Bert Moyaers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "La propagation du coronavirus dans les entreprises de transformation de la viande" (55016752C)

 

09.01  Bert Moyaers (Vooruit): Mijnheer de minister, zowel in het buitenland als in België waren er heel wat corona-uitbraken in slachthuizen en/of vleesverwerkende bedrijven. Dat net in die bedrijven uitbraken worden gesignaleerd, verband dat wetenschappelijk is aangetoond, heeft ook te maken met externe factoren, zoals de arbeidsomstandigheden, het feit dat men een beroep doet op tijdelijke, vaak buitenlandse arbeidskrachten met een tijdelijk en erg onzeker statuut, waardoor ze angstiger zijn hun inkomen kwijt te geraken, hun woonsituatie en het gebrek aan goede ventilatie.

 

Inmiddels blijkt uit buitenlandse studies dat COVID-19 kan overleven op gekoelde en diepgevroren vlees- en visproducten. Onderzoekers concluderen daaruit dat het virus dus ook kan overleven op voedsel bij gangbare temperaturen voor verwerking, opslag en transport. Professor Herwig Leirs van de Universiteit Antwerpen stelt zelfs dat niets beter is voor een muterend virus dan de circulatie die het krijgt bij intensieve veeteelt. Wij wonen in vergelijking met de rest van de wereld heel erg dicht bij de dieren.

 

Mijnheer de minister, hebt u een zicht op de globale problematiek van besmettingen bij de vleesverwerkende bedrijven en de verspreiding van COVID-19 via diepgevroren vis of vlees in Vlaanderen?

 

Zijn er daaromtrent bepaalde specifieke maatregelen genomen? Wordt op termijn gedacht aan bepaalde infrastructurele maatregelen om het risico op verspreiding van COVID-19 in en door de vleesverwerkende bedrijven te beperken?

 

Tot slot, hebt u er zicht op of de berichten ter zake een invloed hebben gehad op de vlees- of visconsumptie in ons land?

 

09.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Moyaers, wetenschappers hanteren alvast niet de hypothese van besmetting via vlees om de vele gevallen van COVID-19 in de slachthuizen te verklaren. Zij gaan ervan uit dat dat te maken heeft met de activiteit zelf van de bedrijven, ook al hebben ze de oorsprong van de besmettingen nog niet achterhaald. Zij zien momenteel de levensomstandigheden van de arbeiders, het dicht bij elkaar werken, het fysiek uitputtend werk, het feit dat de beschermingsmaatregelen in dit gesloten milieu moeilijk toepasbaar zijn, als de belangrijkste factoren. Daarnaast zouden de specifieke omstandigheden in de slachthuizen, namelijk koude en vochtigheid, nodig voor het vlees, en het ventilatiecircuit de verspreiding van het virus faciliteren.

 

De volksgezondheidsaspecten van de COVID-19-crisis worden op federaal niveau door de Risk Assessment Group en de Risk Management Group beheerd. De dierengeneeskundige aspecten worden beheerd door de Risk Assessment Group Covid-Animals of RAGCA. De experts zijn hier van mening dat productiedieren, met de huidige staat van kennis, als een verwaarloosbaar risico moeten worden beschouwd.

 

RAGCA beoordeelde aan de hand van de matrix met betrekking tot de risico's van levensmiddelen die moeilijkheden als verwaarloosbaar, in vergelijking met het risico van de rechtstreekse overdracht tussen mensen. Er waren al zeer strikte regels en hygiëne-instructies, vooral voor de handen, van kracht. De naleving van die maatregelen en de controle daarop moet toelaten om de mogelijke risico's maximaal te beperken.

 

Omdat het vooral gaat om een probleem in verband met de arbeidsomstandigheden, het transport en de plaats van tewerkstelling van de arbeiders in de slachthuizen, werd de hele problematiek beheerd door de bevoegde diensten, die afhangen van de minister van Economie en Werk. Ik heb geen negatieve informatie ontvangen van de sector over een potentieel effect op de vlees- of visconsumptie.

 

09.03  Bert Moyaers (Vooruit): Mijnheer de minister, dank u voor het antwoord. Ik concludeer daaruit vooral dat de experts vandaag nog steeds niet de oorsprong van de besmettingen hebben achterhaald, althans niet in dat soort bedrijven. Ik kom daar zeker op terug.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Samengevoegde vragen van

- Karin Jiroflée aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Vervuild sesamzaad" (55017014C)

- Leen Dierick aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De schadelijke stof ethyleenoxide in sesamzaad en andere producten" (55018000C)

10 Questions jointes de

- Karin Jiroflée à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Les graines de sésame contaminées" (55017014C)

- Leen Dierick à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "L'oxyde d'éthylène, substance toxique présente dans les graines de sésame et autres produits" (55018000C)

 

De voorzitter: Mevrouw Dierick is verontschuldigd. Haar vraag wordt zonder voorwerp.

 

10.01  Karin Jiroflée (Vooruit): Mijnheer de minister, de voorbije maanden zijn er meer dan 150 verschillende producten met sesamzaad, het merendeel afkomstig uit India, uit de rekken gehaald die vervuild bleken te zijn met ethyleenoxide, een gas waarmee men schimmels en bacteriën kan doden. Dit gebeurde na een klacht van de Italiaanse autoriteiten op sesamzaad dat afkomstig was uit ons land.

 

Over heel de EU heeft het Rapid Alert System for Food and Feed reeds meer dan 600 alarmsignalen uitgestuurd. Chronisch contact met ethyleenoxide zou kunnen zorgen voor de ontwikkeling van nier- en leverkanker. Toxicoloog Jan Tytgat zegt dat zeer sporadisch gebruik niet schadelijk is, maar dat dit wel een gevaar vormt voor mensen die dagelijks sesamzaad consumeren.

 

Het FAVV zou slechts sporadisch hebben gecontroleerd op ethyleenoxide, zo verklaarde de woordvoerder, omdat er geen bekende problemen waren, nu zou er wel systematisch gecontroleerd worden. Het FAVV bevestigt ondertussen ook dat het op andere producten uit India, zoals gember en kurkuma, controles op ethyleenoxide uitvoert. Het FAVV controleert op 650 verschillende bestrijdingsmiddelen, maar voor de klacht niet op ethyleenoxide. Nochtans is ons land een draaischijf voor de import van sesamzaad.

 

Waarom werden er voor de klacht uit Italië geen controles uitgevoerd?

 

Wat is de procedure om te bepalen op welke stoffen wordt gecontroleerd en op welke niet?

 

Wie is verantwoordelijk? Is er ondertussen een onderzoek geweest? Wie is verantwoordelijk voor de import van het vervuild sesamzaad? Volgen er sancties?

 

Worden die controles ondertussen ook uitgevoerd op sesamzaad uit andere landen? Wordt ethyleenoxide nu ook op andere producten gecontroleerd? Zo ja, op welke? Is er al contact opgenomen met de Indiase autoriteiten over het probleem?

 

Wat zal er gebeuren met het afgekeurde sesamzaad? Er is sprake van uitvoer naar Canada en de VS, waar de ethyleennormen hoger zouden zijn. Lijkt u dit vanuit gezondheidsoogpunt een goed idee?

 

10.02 Minister David Clarinval: Mijn antwoord betreft ook de vraag van mevrouw Dierick.

 

De contaminatie van sesamzaad met ethyleenoxide werd door een Italiaanse operator gemeld aan zijn verschillende leveranciers in het kader van de autocontrole. Die bracht het FAVV eind augustus 2020 op de hoogte.

 

Meer dan 1.500 actieve stoffen, al dan niet als gewasbeschermingsmiddel toegelaten in Europa, zijn opgelijst in de Europese databank. Om praktische, analytische en budgettaire redenen is het onmogelijk om alle residuen te controleren die kunnen resulteren uit het al dan niet legale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de wereld. De analyses van het FAVV zijn van de ruimste binnen Europa, zoals wordt vermeld in het jongste Europese verslag van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) over de controle van residuen van pesticiden.

 

Ieder jaar neemt het FAVV ongeveer 3.000 stalen van fruit, groenten, granen enzovoort. Die worden geanalyseerd op de aanwezigheid van in totaal 650 verschillende residuen van pesticiden die al dan niet zijn toegestaan in Europa.

 

Ethyleenoxide is een stof die enkel kan worden geanalyseerd door middel van een specifieke methode. Toen het probleem aan het licht kwam, waren slechts enkele laboratoria in Europa in staat om deze stof te analyseren. Noch het FAVV noch enige andere lidstaat voerde bij de officiële routinecontroles analyses uit op residuen van ethyleenoxide. De laboratoria hebben intussen de nodige analysemethodes ontwikkeld die de lidstaten in staat stellen om controles uit te voeren.

 

Ten tweede, wat betreft de verantwoordelijkheden en de sancties, de invoerder is verantwoordelijk voor de producten die hij invoert en op de Europese markt brengt. De invoerders die niet-conform sesamzaad hebben ingevoerd, zijn in overtreding van Verordening nr. 396/2005. Het dossier zal daarom worden opgevolgd, ook wat het aspect van de sancties betreft.

 

Ten derde, wat betreft zaad afkomstig uit andere landen dan India, de aanwezigheid van residuen van ethyleenoxide in sesamzaad uit India is een systemisch probleem geworden. Sinds oktober 2020 is er evenwel een verscherpte Europese importcontrole om het respecteren van de MRL, waaronder die van ethyleenoxide, te garanderen.

 

Ten vierde, wat betreft de analyse van andere levensmiddelen, het onderzoek van residuen van ethyleenoxide in het kader van het controleprogramma van het FAVV werd uitgebreid naar specerijen en sommige types van zaden, zoals oliehoudende zaden en psylliumzaden die uit India of andere derde landen worden geïmporteerd.

 

Ten vijfde, wat betreft de contacten met de Indiase autoriteiten, de problematiek van ethyleenoxide in producten geïmporteerd vanuit derde landen is een bevoegdheidsprobleem van de Europese Commissie en niet van de lidstaten. België werkt evenwel heel proactief mee.

 

De Europese Commissie heeft contact gehad met de Indiase autoriteiten om ervoor te zorgen dat deze situatie zo snel mogelijk wordt verholpen. De versterkte controles bij de invoer van sesamzaad afkomstig uit India bestaan erin dat elke partij sesamzaad die in Europa aankomt vergezeld moet zijn van een officieel analysecertificaat waaruit blijkt dat het sesamzaad conform de Europese MRLs is. Bovendien moet 50 % van de ingevoerde partijen ook aan een analyse worden onderworpen bij aankomst in Europa.

 

Ten zesde, wat betreft het gebruik van deze zaden, overeenkomstig de Europese wetgeving kunnen partijen sesamzaad die niet conform de Europese MRL zijn worden doorgestuurd naar een derde land, op voorwaarde dat het bewijs kan worden voorgelegd dat de betrokken partijen voldoen aan de MRL die in dat land werden vastgelegd voor ethyleenoxide. Het staat elk land vrij om zijn eigen normen vast te leggen, het is niet aan mij om die te bepalen.

 

10.03  Karin Jiroflée (Vooruit): Mijnheer de minister, ik ben blij dat u het inderdaad een belangrijke problematiek vindt. Dank u wel voor uw omstandige antwoord. Ik ben in ieder geval ten dele gerustgesteld dat de speciale opsporingsmethodes uitgebreid zijn, dat het beter gaat en dat daarnaast de controle wordt opgevoerd. Dat is een goede zaak. Ik vind dit in de eerste plaats belangrijk omwille van de voedselveiligheid. Daar moeten we te allen tijde onze verantwoordelijkheid voor opnemen. Ik lees dat België een draaischijf zou zijn voor de import van sesamzaad, en als dan zoveel sesamzaad gecontamineerd blijkt te zijn, is dat toch een reden voor ongerustheid. Dan is het inderdaad belangrijk dat deze zaak wordt opgevolgd. Wij nemen onze verantwoordelijkheid daarin.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: À sa demande, la question n° 55017015C de M. Josy Arens est transformée en question écrite.

 

Ensuite, je constate l'absence de Mme Cécile Thibaut et M. Patrick Prévot, lesquels n'ont pas prévenu de leur absence.

 

10.04  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Monsieur le président, Mme Thibaut m'a informée qu'elle avait écrit aux services. Peut-être y a-t-il eu une mauvaise compréhension. En ce moment, elle siège dans une autre commission.

 

Le président: Et elle a demandé de reporter ses questions?

 

10.05  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Non, elle a demandé de transformer certaines questions en questions écrites.

 

Le président: Nous vérifierons.

 

Sinon, le Règlement prévoit en son article 127.10 que la question d'un membre qui ne donne pas de nouvelles est considérée comme retirée. Comme je n'ai reçu aucune nouvelle de M. Prévot, ses questions n° 55017024C et n° 5517509C sont retirées. Quant à Mme Thibaut, nous vérifierons ce qu'elle demande précisément. Il me semble quand même assez élémentaire de s'excuser ou de faire savoir ce que l'on désire.

 

11 Question de Séverine de Laveleye à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Les nouveaux OGM" (55017597C)

11 Vraag van Séverine de Laveleye aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De nieuwe ggo's" (55017597C)

 

11.01  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, comme attendu, la Commission européenne a sorti son rapport sur les nouvelles technologies génomiques (NGT) ou "nouveaux OGM", le 29 avril 2021. Pour rappel, un arrêt de la Cour de justice de l’Union européenne acte que la législation européenne s’applique, à ce stade, à tous les produits issus de nouvelles techniques modifiant le génome.

 

Le rapport de la Commission, basé sur une consultation des pays membres et des parties prenantes, dont la grande majorité issue des entreprises de biotechnologie, stipule que les NGT ont le potentiel de contribuer à des systèmes alimentaires durables, qu’elles pourraient bénéficier à plusieurs secteurs de notre société et que la législation de 2001 n’est pas adaptée à ces nouvelles technologies. Elle reconnaît néanmoins des préoccupations concernant les impacts de ces NGT sur l’environnement, notamment sur la biodiversité et les cultures non-OGM. Les étapes suivantes étaient des débats qui se sont clôturés en mai 2021 au Conseil des ministres de l’Agriculture, au Parlement européen et avec les parties prenantes, ainsi qu’une large consultation publique pour discuter des options pour une nouvelle régulation.

 

La contribution belge à l’étude affirme assez franchement que les opportunités liées à ces NGT sont importantes en termes d’agriculture - résistance à la sécheresse, aux maladies, etc.

 

Pour rappel, plusieurs études scientifiques récentes montrent que les nouvelles technologies d’édition du génome permettent de réaliser des modifications simultanées ou successives des gènes et qu’au vu de la quantité relativement importante des modifications pouvant être introduites dans une seule plante, le résultat consiste en la production d’une quantité plus importante d’effets non intentionnels. Elles montrent ainsi que des erreurs génétiques peuvent engendrer des effets non intentionnels tels que la production de nouvelles toxines, d’allergènes, des altérations de la valeur nutritionnelle, du métabolisme, des impacts non prédictibles sur d’autres organismes, y compris l'être humain, et sur les chaînes alimentaires et les écosystèmes.

 

Monsieur le ministre, comment la contribution belge a-t-elle été produite? Quelle instance l'a-t-elle validée? Quelle position la Belgique a-t-elle tenu lors du dernier Conseil des ministres de l'Agriculture et va-t-elle tenir dans les semaines qui viennent lors des prochains Conseils des ministres de l'Environnement? Comment intégrez-vous les nouvelles préoccupations du secteur environnemental et scientifique, qui alerte sur les impacts potentiellement incontrôlables de ces nouvelles technologies sur les écosystèmes? Je vous remercie.

 

11.02  David Clarinval, ministre: Madame de Laveleye, en ce qui concerne la contribution de la Belgique, la contribution belge à l'étude relative aux nouvelles techniques génomiques est une compilation, réalisée par le SPF Santé, des réponses reçues des experts des autorités compétentes régionales, de l'AFSCA, de Sciensano, du laboratoire national de référence, du Conseil consultatif de biosécurité ainsi que du Comité consultatif de bioéthique. Ces avis ont fait l'objet d'une réunion de coordination DGE qui s'est tenue le vendredi 21 mai 2021 en préparation du Conseil européen des ministres de l'Agriculture des 26 et 27 mai derniers.

 

En ce qui concerne la position de la Belgique, les nouvelles techniques génomiques constituent un ensemble varié de techniques, chacune pouvant être utilisée de différentes manières pour obtenir des résultats et des produits différents. Des consultations doivent encore être menées et une démarche basée sur la science devra être privilégiée.

 

Les résultats de l'étude de la Commission doivent être examinés avec beaucoup d'attention. La réunion du Conseil qui a abordé le sujet a eu lieu à Bruxelles le 26 mai dernier. C'est pourquoi j'ai annoncé, au nom de la Belgique, une réserve d'examen dans cette phase très préliminaire de ce débat global, afin de prendre le temps d'analyser les choses en profondeur, et d'évaluer les prochaines étapes proposées par la Commission.

 

Je suis convaincu que ce sujet sensible sera d'une grande importance pour le futur de l'agriculture européenne, et ce, notamment en participant à l'atteinte des objectifs fixés dans la stratégie "de la ferme à la fourchette".

 

En ce qui concerne les différents avis, pendant que l'Europe réfléchit, certains pays tiers sont déjà à un stade précommercial, avec des animaux modifiés issus des nouvelles techniques génomiques qui seront sur le marché mondial dans un avenir proche et nécessiteront une approche harmonisée au niveau européen. Aussi, des applications industrielles en usage confiné de micro-organismes issus de ces techniques seules ou combinées sont déjà une réalité. Elles doivent donc être prises en compte pour le futur.

 

Le futur cadre réglementaire européen doit permettre de garantir la sécurité des produits et de leur production tant sur le plan environnemental, sur le plan de la santé que sur le risque de dépendance des agriculteurs à un monopole. Il est donc absolument nécessaire de définir les risques et les opportunités tout en restant proactif concernant les micro-organismes et les animaux issus de ces techniques. Les exigences d'évaluation des risques sont étroitement liées aux progrès scientifiques. Toutes les données scientifiques disponibles devront être prises en compte de façon à garantir un niveau élevé de protection de la santé humaine et animale ainsi que de l'environnement.

 

11.03  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie, particulièrement pour avoir réservé votre examen - si j'ai bien compris les termes que vous avez utilisés -, et de faire en sorte que la Belgique ne se précipite pas dans son positionnement vu la multiplicité des sources et des préoccupations des différents secteurs.

 

Je voudrais en profiter pour rappeler que jusqu'ici, les OGM des générations précédentes n'ont pas apporté les solutions qu'on avait espérées en termes de durabilité, d'autonomie des agriculteurs ou de protection de l'environnement et de la santé. Pour l'instant, les pays qui utilisent le plus d'OGM sont aussi les pays les plus dépendants des intrants chimiques, par exemple. On se rend compte que les OGM plutôt que d'améliorer la qualité de nos sols, de notre eau et de notre santé ont favorisé la dépendance que nous pouvons avoir à d'autres produits qui sont potentiellement nocifs pour tous les écosystèmes.

 

Vous avez raison d'insister sur la nécessité de se baser sur les études scientifiques. Il n'y a que cela qu'on puisse faire. On ne va pas commencer à inventer des solutions toutes faites. Nous suivons ce dossier de très près et, pour l'instant, les études scientifiques existantes posent tellement de questions. Comme écologistes, nous vous encourageons, vous et vos collègues du fédéral, à poursuivre votre méthode extrêmement prudente et à ne pas engager la Belgique de façon inconsidérée dans cette voie-là tant qu'on n'a pas de vision parfaitement claire.

 

Monsieur le président, une dernière chose: il me semble très important que l'on demande un débat public. C'est ce que l'Europe demande. Je n'ai pas encore une vision claire de la manière dont il va s'organiser effectivement. Cela aura-t-il lieu à travers le Parlement ou à travers d'autres rencontres? À ce sujet, je pense que nous devons montrer un peu de créativité. En effet, ces enjeux sont extrêmement intéressants et ils intéressent vraiment une large population. Il faut essayer d'être créatifs et de rendre ce débat réellement public et accessible à toutes les parties prenantes, et pas seulement à ceux qui ont le plus de moyens pour se faire entendre. On sait que ces derniers ne sont pas toujours ceux qui sont les plus favorables à l'environnement.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 55017752C de Mme Laurence Hennuy est transformée en question écrite.

 

Vraag nr. 55017991C van mevrouw Dierick is eveneens omgezet in een schriftelijke vraag.

 

12 Vraag van Barbara Creemers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het nationaal actieplan voor hormoonverstoorders" (55018166C)

12 Question de Barbara Creemers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le plan d'action national sur les perturbateurs endocriniens" (55018166C)

 

12.01  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik verwijs naar mijn ingediende vraag, maar ik vermeld erbij dat ik dezelfde vragen ook aan uw collega-ministers mevrouw Khattabi en de heer Vandenbroucke heb gesteld, omdat ik weet dat u naar hen gaat verwijzen.

 

In het voorontwerp van het plan duurzame ontwikkeling staan er verschillende initiatieven omschreven die in de komende maanden en jaren niet alleen schadelijke effecten op het milieu moeten beperken, maar ook op de volksgezondheid. Wat hormoonverstoorders betreft, zal er een nationaal actieplan worden opgesteld.

 

Dit is belangrijk, want hormoonverstoorders zijn al jaren deel van het politiek debat, maar dat debat wordt vaak beïnvloed door partijen met een economisch belang. Door onder andere een bewustmakingscampagne en een centrale databank te creëren, toont de overheid dat milieu en volksgezondheid echter prioritair zijn. Daarnaast wordt er veel aandacht besteed aan sensibilisering, maar zorgen dat de minst schadelijke keuze ook de meest logische keuze wordt voor de consument, is in deze kwestie ook cruciaal.

 

In het plan duurzame ontwikkeling wordt bepaald dat de FOD Volksgezondheid de voortrekker zal zijn bij de uitvoering van het nationaal actieplan, maar zal samenwerken met andere bevoegde ministers en instanties.

 

Hieromtrent heb ik voor u de volgende vragen:

1.Wanneer zullen de eerste stappen van dit actieplan worden gezet en wat zal dit inhouden?

2.Op welke manier zal u met uw kabinet meewerken aan de beperking van de impact van hormoonverstoorders op de volksgezondheid en het milieu?

3.Welke concrete projecten zullen er tot stand komen binnen uw bevoegdheid en aan welke projecten zal u meewerken?

4.Hoe zal u zorgen voor het strikt volgen van de timing die wordt vermeld in het plan duurzame ontwikkeling?

5.Hoe zal ervoor gezorgd worden dat de keuze tussen producten met of zonder hormoonverstoorders niet bepaald wordt door het financiële verschil? Op welke manier zal er worden gewerkt aan betaalbare alternatieven voor producten met hormoonverstoorders?

6.Op welke manier wordt het gebruik en de impact van hormoonverstoorders reeds opgevolgd binnen de landbouw en de veiligheid van de voedselketen? Welke onderzoeken gebeuren er hieromtrent, zowel over de voedingsmiddelen zelf als de verpakkingen waarin ze verkocht of bewaard worden?

 

12.02 Minister David Clarinval: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Creemers, de uitwerking en opvolging van het nationaal actieplan gebeurt via de gemengde interministeriële conferentie voor het Leefmilieu en de Gezondheid, waarin mijn collega's bevoegd voor Volksgezondheid en Milieu zijn vertegenwoordigd. Het ontwerp van het NAPED zal in september 2021 via een GICLG voor voorafgaande validering aan de ministers van Leefmilieu worden voorgelegd. Vervolgens zal in oktober-november 2021 een publieksraadpleging worden gehouden. De finale validering van het NAPED is gepland voor december 2021, zodat de eerste acties begin 2022 kunnen worden gelanceerd.


De uitvoering van de acties die in het NAPED zullen worden opgenomen, zal worden opgevolgd door de NAPED-taskforce. Op dit moment wordt het Nationaal Actieplan NAPED uitgewerkt binnen de FOD Volksgezondheid volgens de 'one world one health'-visie. Dat gebeurt in overleg met alle bevoegde administraties op federaal, gewestelijk en gemeenschapsniveau via de Cel Leefmilieu-Gezondheid met als doel ervoor te zorgen dat de Belgische bevolking en het milieu minder aan hormoonverstoorders worden blootgesteld.

 

Drie prioritaire krachtlijnen werden vastgelegd, zijnde preventie en acties, reglementaire acties op nationaal en/of Europees niveau en wetenschappelijk onderzoek. De verschillende bevoegde diensten binnen de FOD Volksgezondheid zullen derhalve worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van het NAPED, rekening houdende met de bestaande Europese en nationale wetgeving en de maatregelen die de Europese Commissie zal treffen op basis van de resultaten van de fitness check van de Europese wetgeving inzake hormoonverstoorders.

 

Sommige acties zullen worden opgenomen in andere nationale actieplannen, zoals het Federaal Plan voor Duurzame Ontwikkeling, het Nationaal Actieplan Leefmilieu-Gezondheid en de gecoördineerde reductieplannen voor gewasbeschermingsmiddelen. Andere acties spelen zich op Europees niveau af.

 

De FOD Volksgezondheid zal bijdragen aan de preventieacties, de bewustmaking en opleiding van de verschillende doelgroepen en de identificatie van hormoonverstoorders in het kader van de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Van zodra een substantie als hormoonverstorend is geïdentificeerd, leidt dit automatisch tot een algemeen verbod.

 

Voor wat de reglementaire acties betreft, zal door de FOD Volksgezondheid en de FOD Economie worden bekeken welke economische instrumenten het geschiktst zijn om de gehele Belgische bevolking toegang te bieden tot producten met minder of geen hormoonverstoorders en ertoe aanzetten om producten die hormoonverstoorders bevatten, te vervangen door alternatieven. Op Europees niveau zal België pleiten voor een verbod op het gebruik van hormoonverstoorders met geïdentificeerd risico voor consumptiegoederen die voor de meest kwetsbare populatie bestemd zijn. De FOD Volksgezondheid beheert via de cel "contractueel onderzoek" het onderzoeksprogramma inzake voedselveiligheid en dieren- en plantengezondheid. De afgelopen jaren werden twaalf verschillende projecten met betrekking tot hormoonverstoorders in relatie tot voeding of voedingsverpakkingen gefinancierd.

 

12.03  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor het uitgebreide antwoord. Ik hoor enkele heel interessante zaken. Ik heb wel een puntje van kritiek. U verwijst naar het plan inzake duurzame ontwikkeling. Daardoor kreeg ik het idee om u deze vraag voor te leggen. Daarin ging het immers heel vaak over preventie en communicatie. Als we uit het verleden al iets hebben geleerd uit communicatiecampagnes, is dat we van de meest duurzame keuze, de meest gezonde, ook de meest logische moeten maken. Een product dat mogelijk gevaarlijk kan zijn voor een kwetsbare doelgroep, zonder dat dit echt is aangetoond, daar moeten we de duurste optie van maken, anders blijven mensen dat kopen. Daar moeten we heel goed over waken.

 

Tegelijk ben ik heel blij dat u zegt dat dit in september 2021 in een stroomversnelling komt, met een publieksraadpleging in oktober en afronding tegen einde dit jaar.

 

Ik zet het dus op mijn lijstje om daar begin 2022 eens op terug te komen en een stand van zaken op te vragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van Barbara Creemers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De nationale strategie inzake bestuivers" (55018178C)

13 Question de Barbara Creemers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "La stratégie nationale en matière de pollinisateurs" (55018178C)

 

13.01  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het voorontwerp van het federaal plan duurzame ontwikkeling vermeldt doelstellingen in verband met bestuivers. Er zijn drie doelen:

1. tegen 2025 een volledige opvolging van de veranderingen in de verspreiding,

 

2. tegen 2030 het aantal wilde bestuivers met een negatieve tendens met 50% verminderen en het aantal met een positieve tendens met 50% verhogen,

 

3. een jaarlijkse wintersterfte van minder dan 15% bereiken.

 

De bescherming van bestuivers draagt niet alleen bij tot een bescherming van de biodiversiteit, ook tot de veiligheid van de voedselproductie, de veerkracht van de ecosystemen en onze economie. De bijdrage van de federale overheid is daarom cruciaal.

 

Tegen januari 2022 moet de overheid haar bijdrage aan deze nationale strategie bepaald hebben, waarna hij openbaar wordt nagekeken. Het plan moet onder andere een toelating bevatten voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen, diergeneesmiddelen en biociden, om het gebruik ervan te controleren en beperken. Het zal ook een ambitieus reductieplan voor pesticiden bevatten met aandacht voor landbouw. De federale overheid moet daarnaast bijdragen tot onderzoek en innovatie voor alternatieve stoffen en methoden voor gewasbescherming. Dit plan zal in september 2022 worden goedgekeurd.

 

Een sterk plan dat effectief zal worden uitgevoerd is cruciaal, want het vorige federaal bijenplan voor 2017 tot en met 2019 gaf naar mijn bescheiden mening maar een kleine output, die ik kon afleiden uit antwoorden van uw voorganger, meneer Ducarme.

 

Hieromtrent heb ik de volgende vragen:

 

Wat is uw rol in de realisatie van dit plan en hoe zal u die vervullen?

 

Welke lessen trekt u uit het vorige bijenplan en voor welke valkuilen zal u extra alert zijn?

 

Welke stappen zijn er reeds gezet voor de realisatie van dit plan? Wat moet er de komende maanden gebeuren en wanneer zal dit gebeuren?

 

Welke concrete projecten zullen er tot stand komen binnen dit plan?

 

Hoe zal u zorgen voor het strikt volgen van de timing vermeld in het plan duurzame ontwikkeling (januari en september 2022)?

 

Hoe zal u ervoor zorgen dat de uitvoering strikt wordt opgevolgd, tijdig wordt geëvalueerd en eventueel wordt bijgestuurd?

 

Op welke andere manieren worden bestuivers en hun bescherming reeds opgevolgd binnen de landbouw en de veiligheid van de voedselketen? Welke onderzoeken lopen naar de alternatieven voor schadelijke pesticiden?

 

13.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Creemers, aangezien de nieuwe nationale strategie inzake bestuivers voor de periode 2021-2030 nog in opmaak is, is het nog te vroeg om al in detail op uw specifieke vragen te kunnen antwoorden. De opmaak en voortgang van het plan en de opvolging van de verschillende actiepunten van het plan worden verzekerd door de federale taskforce die hiervoor is opgericht. Die taskforce bestaat uit vertegenwoordigers van het DG Dier, Plant en Voeding, het DG Leefmilieu en de cel Contractueel Onderzoek van de FOD Volksgezondheid, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.

 

Het evaluatieproces van het plan 2017-2019 is lopend. Er wordt gewacht op de afronding van al de wetenschappelijke studies om ze mee in de evaluatie op te nemen. De resultaten zullen worden gepubliceerd zodra de conclusies beschikbaar zijn. Bovendien loopt de openbare raadpleging over het ontwerp van de Belgische nationale strategie inzake bestuivers voor de periode 2021-2030 nog tot 10 juli.

 

Tot slot kan ik u meedelen dat de mogelijke effecten van de gewasbeschermingsmiddelen op bestuivers reeds in rekening worden gebracht bij het verlenen van de toelatingen voor het op de markt brengen van die middelen. Zoals u weet, wordt op Europees vlak door de EFSA onder andere werk gemaakt van een strengere evaluatiemethodologie voor bijen en mijn administratie draagt hier actief aan bij. Het onderzoek naar alternatieven voor pesticiden behoort tot de bevoegdheid van de Gewesten.

 

13.03  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het is nieuw voor mij dat de openbare raadpleging nog loopt. Daar ga ik zeker eens naar zoeken, want het is belangrijk dat zij zo openbaar mogelijk is en dat wij zoveel mogelijk input verzamelen.

 

Ik vind het een beetje laat dat de evaluatie van het vorige plan nog loopt, want het is afgerond in 2019. Ik heb daar in de loop van 2019 al heel wat vragen over gesteld aan uw voorganger. Misschien kunnen die antwoorden helpen bij de evaluatie. Het is echter goed dat er daar rekening mee wordt gehouden, want ik had persoonlijk meer verwacht van dat plan, zeker als het gaat over wetenschappelijk onderzoek naar de invloed van pesticiden op het welzijn en het afnemen van de bijenpopulaties.

 

Ik zal ook dit aan mijn lijstje toevoegen om op te volgen in het najaar zodat die evaluatie grondig onder de loep kan worden genomen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van Barbara Creemers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De acties en het onderzoeksproject betreffende de omschakeling naar duurzame voedselsystemen" (55018179C)

14 Question de Barbara Creemers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Les actions et le projet d'étude relatifs à la transition vers des systèmes alimentaires durables" (55018179C)

 

14.01  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

 

Om de omschakeling naar duurzame voedselsystemen te verwezenlijken, zijn er nog veel belangrijke stappen nodig. Het voorontwerp van het federaal plan voor duurzame ontwikkeling lijst enkele van de taken op die de federale overheid moet opnemen om de samenleving deze stappen te laten zetten, aangezien deze transformatie gestimuleerd en begeleid moet worden.

 

Deskundigen en pioniersbedrijven kunnen bestaande expertise samenbrengen, lacunes in de wetenschap opvullen, kennis van belanghebbenden opbouwen en transitietrajecten in kaart brengen. Het doel is het bereiken van een consensus en de implementatie ervan. Het is echter de taak van de overheid om de groepen te begeleiden, waarbij gestart zou moeten worden met de financiering van het project BRAIN FUTURES4FOOD dat loopt van 2021 tot en met 2025.

 

De realisatie in de praktijk vormt echter een enorme uitdaging. Daarom moet de steun die aan de landbouw en de levensmiddelensector zal worden geboden via onder andere regelgevings- en belastinghervormingen, adequaat zijn. Om dit te verzekeren, stelt het federaal plan voor duurzame ontwikkeling terecht dat voorafgaande wetenschappelijke en economische studies nodig zijn.

 

Dit project moet echter nu al, vanaf 2021 worden begeleid en gefaciliteerd door de overheid zodat voor de ingang van 2023, binnen anderhalf jaar, bepaalde inzichten zijn verworven en nieuwe stappen kunnen worden gezet, zoals bijvoorbeeld andere prioritaire thema's identificeren en de toepassing van eerste aanbevelingen ter verbetering van het onderzoek.

 

Hieromtrent heb ik voor u de volgende vragen:

 

Wat is de rol van u en uw kabinet bij de ondersteuning van dit project en hoe vervult u die rol?

 

Welke stappen zijn er reeds gezet voor de realisatie van de ondersteuning? Wat zal er de komende maanden gebeuren en wanneer zal dit gebeuren?

 

Hoe zal u zorgen voor het strikt volgen van de timing die wordt vermeld in het plan duurzame ontwikkeling, namelijk de deadline van januari 2023 voor het afronden van een eerste onderzoeksfase?

 

Op welke manier werkt u reeds aan de omschakeling naar duurzame voedselsystemen, naast dit project? Welke onderzoeken en concrete plannen bestaan er hieromtrent?

 

14.02 Minister David Clarinval: Mijn kabinet werkt samen met de administratie. De FOD Volksgezondheid heeft het project FUTURES4FOOD gesteund om de subsidie van Belspo te verkrijgen en heeft zitting in het steering committee voor het project. Het is immers belangrijk dat een grondig maatschappelijk debat wordt gevoerd over de totstandkoming van een duurzame voedingsketen. Met het project zal de wetenschappelijke stand van zaken worden opgemaakt en eventueel lacunes worden ingevuld. De FOD Volksgezondheid volgt daarbij de ontwikkelingen in het wetenschappelijke team van nabij en levert input inzake gezondheid, leefmilieu en voedselveiligheid.

 

Het projectteam onder leiding van het Institute for the Future is intussen samengesteld met de aanwerving van onderzoekers uit de verschillende disciplines vanuit de KUL, UCL, Flanders Business School en shiftN. Het team heeft de organisatorische structuur van het project bepaald, de werklast verdeeld, het methodologische raamwerk opgesteld en het werkplan uitgetekend. Het steering committee zal in september worden bijeengeroepen en dat zal ook de officiële startbijeenkomst zijn om het project wereldkundig te maken.

 

Het project omvat twee verschillende onderzoeksdomeinen waarvoor de werkzaamheden tegelijk starten, maar het ene project over de graanproductie zal afgerond zijn na twee jaar, terwijl het project rond de eiwittransitie over vier jaar loopt, omdat het een veel breder, complexer en gevoeliger onderwerp is. Het steering committee zal de voortgang van het project opvolgen, terwijl de diensten van de FOD Volksgezondheid via de tweewekelijkse projectvergaderingen de evolutie en de planning in het oog houden en, waar nodig, bijsturen.

 

Wat het onderzoek naar duurzamere voedselproductiesystemen betreft, lopen er momenteel besprekingen met Belspo in het kader van zijn oproep voor het programma BRAIN-be 2.0 voor 2022-2023. Daarbij kwamen er vanuit de FOD Volksgezondheid een aantal voorstellen, onder andere rond de impact van de klimaatverandering op de landbouw en dierlijke productie, de rol van voedingssystemen en prioritaire beleidsacties om gezonde voeding, afkomstig uit duurzame systemen, te stimuleren. De staatssecretaris van Wetenschapsbeleid zal daarover komende zomer definitief beslissen. Mijn kabinet zal binnenkort deelnemen aan een interkabinettenwerkgroep daaromtrent.

 

14.03  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor uw update. Het is positief dat we op alle mogelijke vlakken inzetten op wetenschappelijk onderzoek naar duurzamere voedselsystemen. Zo is het een goede zaak dat er 4 jaar lang onderzoek zal worden verricht rond eiwittransitie. Hopelijk krijgen we tussentijds al wat meer informatie, want de transitie kan geen 4 jaar wachten. Ik heb alvast alle vertrouwen in een goede afloop onder andere gezien de betrokkenen en gezien de organisatie van tweewekelijkse projectvergaderingen. Ik doe dan ook een warme oproep ons tussentijds al verslag van de verschillende stukken van het project te presenteren. Zo kunnen we meteen genieten van de eerste bevindingen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 55018333C de Mme Maggie De Block est reportée.

 

Monsieur Prévot, sans nouvelle de votre part et en application du Règlement, j'avais déclaré que vos questions étaient retirées. Mais comme vous êtes là, je vous propose de les poser. Je pense que M. le ministre se fera un plaisir d'y répondre.

 

15 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le dioxyde de titane (E171)" (55017509C)

15 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Titaandioxide (E171)" (55017509C)

 

15.01  Patrick Prévot (PS): Monsieur le président, je vous remercie. Monsieur le ministre ne devrait pas me tenir rigueur de mon retard puisque j'assistais à une réunion à laquelle participaient notamment des membres de son cabinet.

 

Monsieur le ministre, le dioxyde de titane (E171) est un additif alimentaire fréquemment utilisé pour ses propriétés colorantes, notamment dans les confiseries, très souvent consommées par les enfants.

 

Le 6 mai, à la demande de la Commission européenne, l'Autorité européenne de sécurité des aliments (EFSA) a jugé que l'on ne pouvait exclure un risque de génotoxicité à travers ce colorant. La génotoxicité désigne la capacité d'une substance chimique à endommager l'ADN et donc le matériel génétique des cellules.

 

L'EFSA rappelle qu'il s'agit d'un avis consultatif et que ce sont les États membres qui sont les seuls à pouvoir prendre une décision concernant l'utilisation de cet additif. En Belgique, le Conseil Supérieur de la Santé considère que le dioxyde de titane est "un cancérigène possible (catégorie 2B)".

 

J'estime, monsieur le ministre, qu'un principe de précaution devrait être adopté en Belgique, comme c'est le cas en France. En octobre 2020, le Parlement européen plaidait déjà dans ce sens et nous devons anticiper tout scandale sanitaire, particulièrement quand nous savons que les principaux consommateurs de l'E171 sont des enfants.

 

Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance du récent rapport de l'EFSA? Quelle sera la position de la Belgique concernant l'utilisation de l'additif E171 dans notre pays? Ne trouvez-vous pas judicieux d'appliquer le principe de précaution, comme il est pratiqué en France?

 

15.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, monsieur Prévot, permettez-moi tout d'abord de rectifier un point. Le Conseil Supérieur de la Santé n'a émis aucun avis sur le risque cancérigène du dioxyde de titane en tant qu'additif alimentaire, c'est-à-dire via une exposition par ingestion. L'avis qu'il a rendu sur les masques porte sur le risque par inhalation, ce qui est différent.

 

En ce qui concerne le rapport de l'EFSA, dès le 5 mai 2021, j'ai été informé par le SPF Santé publique de la sortie, le lendemain, du rapport de l'Autorité européenne de sécurité des aliments portant sur la réévaluation du dioxyde de titane. Les experts du SPF ont analysé ce nouvel avis de l'EFSA. L'EFSA a conclu que le E171 ne peut plus être considéré comme un additif alimentaire sûr parce qu'on ne peut pas exclure des problèmes de génotoxicité après sa consommation, c'est-à-dire des effets d'endommagement du matériel génétique des cellules (DNA et chromosomes) mais pas d'effet mutagène.

 

Concernant la position de la Belgique, le SPF Santé a pris position, au nom de la Belgique, lors du groupe de travail des experts Additifs des autorités compétentes des États membres que la Commission européenne a réunis en urgence le 18 mai.

 

La Belgique a soutenu la proposition de la Commission d'interdire le E171. Le SPF Santé a demandé que les mesures d'interdiction soient prises au niveau européen le plus rapidement possible avec une période de transition la plus courte, et ce, de la même manière pour tous les produits concernés. En attendant, le SPF Santé a recommandé à tous les opérateurs de la chaîne alimentaire de commencer dès maintenant à stopper l'utilisation du E171 dans la fabrication ou le développement de produits alimentaires ou à rechercher des alternatives légalement autorisées. Cette recommandation a été faite à toutes les parties concernées, et aux membres du Conseil consultatif en matière de politique alimentaire du SPF Santé lors de la réunion du 11 mai. Elle a été publiée sur le site web du SPF Santé le 12 mai.

 

Concernant le principe de précaution, l'EFSA avait réévalué le E171 en 2016 et en 2018. À ce moment elle n'avait identifié aucun problème avéré ou supposé et elle avait mis en évidence quelques incertitudes. En 2019, l'EFSA a revu les spécifications techniques du E171 en ce qui concerne sa fraction nanométrique grâce notamment à des recherches commandées par le SPF Santé et réalisées par Sciensano. J'ai d'ailleurs pu visiter les installations de microscopie électronique de Sciensano le 18 mai dernier, afin notamment de me rendre compte, sur le terrain, de la qualité des recherches menées sur le E171.

 

Les nouvelles informations scientifiques ont permis à l'EFSA d'effectuer une évaluation plus complète du risque sur la base de laquelle la Commission européenne, en collaboration avec les États membres de l'Union européenne, va prendre de mesures appropriées. Il serait logique que la Commission propose de ne plus utiliser ce colorant.

 

Sachez que la Belgique n'attendra pas la décision européenne. Voici d'ailleurs le communiqué qui figure sur le site web du SPF Santé depuis le 12 mai: "En attendant la décision finale, le SPF Santé recommande à tous les opérateurs de commencer dès maintenant à stopper l'utilisation du E171 dans la fabrication et le développement de produits alimentaires ou à rechercher des alternatives légalement autorisées."

 

15.03  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, merci d'avoir clarifié que sur ce point spécifique, il n'y avait pas d'avis du Conseil Supérieur de la Santé, en tout cas sur l'aspect des additifs. Je suis néanmoins content d'avoir la confirmation que le SPF Santé avait pris position et avait soutenu la proposition d'interdire le E171, avec une volonté de le supprimer le plus rapidement possible, avec une période de transition très brève, et en recommandant dès à présent à tous les opérateurs de stopper l'utilisation de cet additif, et d'envisager d'autres additifs.

 

Je pense que, plus que jamais, le principe de précaution s'impose dans des matières aussi sensibles, et très certainement avec des additifs qui peuvent être en contact avec des enfants. Je me réjouis dès lors d'entendre que notre pays a suivi la voie de la sagesse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le nitrite de sodium (E250)" (55017024C)

16 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Natriumnitriet (E250)" (55017024C)

 

16.01  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, le nitrite de sodium ou E250 est un conservateur omniprésent dans l'industrie agroalimentaire, particulièrement dans la charcuterie.

 

Selon la Fondation contre le cancer, en raison de sa présence, 50 grammes de charcuterie par jour augmenteraient de 18 % les risques de cancer colorectal. Dans le sang, ce conservateur empêche la fixation du dioxygène sur la molécule d'hémoglobine, ce qui a un effet toxique. L'Autorité européenne de sécurité alimentaire (EFSA) indique qu'une vigilance s'impose en particulier chez les enfants forts consommateurs. Si toutes les sources alimentaires de nitrites sont considérées, la dose journalière admissible peut être dépassée pour toutes les catégories de population.

 

Le consommateur reste libre et responsable de ses choix mais uniquement s'il est bien informé sur le produit acheté et sa contenance en conservateurs potentiellement cancérogènes. La seule indication en petits caractères de la mention E250 reste à mon sens insuffisante.

 

Monsieur le ministre, ne faudrait-il pas mieux avertir le consommateur sur la présence de nitrite de sodium dans la charcuterie? Peut-on envisager une meilleure information sur le produit pour que le consommateur soit prévenu de la présence de nitrite de sodium dans le produit acheté?

 

16.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, monsieur Prévot, en France, le Parlement a en effet proposé de supprimer progressivement l'utilisation du nitrite comme additif alimentaire. Cependant, ce sujet fait partie d'un domaine qui est complètement harmonisé au niveau européen, ce qui signifie qu'il appartient à la Commission de proposer des mesures éventuelles de restriction en concertation avec les États membres et que des mesures nationales sont strictement limitées par les dispositions du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne.

 

Des discussions sont en cours au niveau européen pour revoir les conditions d'utilisation du nitrite et du nitrate dans les viandes transformées. Le SPF Santé publique qui représente la Belgique est également en contact avec les parties prenantes belges et communique sur ses travaux, au sein de son Conseil consultatif en matière de politique alimentaire.

 

L'intention commune est de réduire l'exposition et de simplifier la législation qui est actuellement trop complexe. Les discussions les plus difficiles portent sur des produits spécifiques dit "produits traditionnels" pour lesquels des exceptions avaient été demandées et accordées dans le passé. Ce serait une simplification de supprimer ou au moins fortement réduire ces exceptions.

 

En Belgique, le SPF Santé publique est l'autorité compétente dans cette matière et le Conseil supérieur de la Santé est l'organe d'avis scientifique compétent. Le rôle de l'AFSCA est de contrôler le respect de la législation. Vu les travaux en cours au niveau européen et vu les règles en vigueur sur le processus législatif dans ce domaine, il n'est certainement pas approprié ni opportun de prendre des mesures belges actuellement.

 

En ce qui concerne l'étiquetage et l'information des consommateurs, les règles générales en matière d'étiquetage des denrées préemballées s'appliquent pour le nitrite de sodium comme pour les autres additifs. Ceux-ci doivent être repris dans la liste des ingrédients avec leur nom spécifique ou leur numéro E précédé de la catégorie d'additifs en question, soit conservateur dans le cas du nitrite de sodium.

 

Il existe par ailleurs des règles concernant la lisibilité des mentions obligatoires dont la liste des ingrédients. Ils doivent être inscrits à un endroit apparent, de manière à être facilement visibles et clairement lisibles dans un corps dont la hauteur des caractères équivalents à la lettre x est égale ou supérieure à 1,2 mm. Dès règles particulières ou complémentaires qui viseraient uniquement le nitrite de sodium ne me semblent pas justifiées à ce stade.

 

16.03  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Depuis le dépôt de ma question, j'ai lu davantage sur le sujet. Puisque des travaux sont en cours au niveau européen, des mesures nationales, à l'instar de celles qu'a prises la France, resteraient limitées et seraient inopportunes.

 

Je ne manquerai pas de suivre le débat européen et je reviendrai vers vous lorsqu'une position commune aura été adoptée. Je suis toutefois satisfait d'avoir entendu que l'intention était de réduire son utilisation.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Samengevoegde vragen van

- Barbara Creemers aan Zakia Khattabi (Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal) over "Turf in potgrond" (55018390C)

- Barbara Creemers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Turf in potgrond" (55018553C)

17 Questions jointes de

- Barbara Creemers à Zakia Khattabi (Climat, Environnement, Développement durable et Green Deal) sur "La tourbe dans le terreau" (55018390C)

- Barbara Creemers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "La tourbe dans le terreau" (55018553C)

 

De voorzitter: Mevrouw Creemers, ik vermoed dat u dezelfde vraag naar mevrouw Khattabi had gestuurd. Die vraag is naar deze commissie teruggekomen.

 

17.01  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, ik had inderdaad dezelfde vraag bij minister Clarinval en minister Khattabi ingediend, omdat ik twijfelde wie bevoegd was. Bij deze is het dubbel duidelijk dat u bevoegd bent, mijnheer de minister.

 

De Britse regering besliste om potgrond voor particulieren vanaf 2024 turfvrij te maken. Ik heb daar in mijn vorige job veel mee te maken gekregen. Ik ben ervan overtuigd dat er volwaardige alternatieven zijn die misschien nog grootschalig moeten worden onderzocht, maar ze zijn er wel degelijk.

 

We mogen ook geen ecocheques meer gebruiken voor het aankopen van turf en dat is maar goed ook, want het is absoluut niet ecologisch verantwoord om turf te gebruiken.

 

Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover het initiatief van de Britse regering? Kunnen wij dat in Europa ook doen? Gaat u daarvoor pleiten in Europa? Welke beleidsmaatregelen zijn er nodig om het turfaandeel te verkleinen of mogelijk zelfs tot nul te herleiden, want het kan anders?

 

17.02 Minister David Clarinval: De vervanging van turf door andere grondstoffen van natuurlijke oorsprong is complexer dan het lijkt. De bescherming en het onderhoud van actieve veengebieden of de creatie van nieuwe veengebieden is een complex proces. Een volledige analyse van de levenscyclus van de grondstof is noodzakelijk.

 

Compost bijvoorbeeld, de belangrijkste kandidaat voor de vervanging van turf, is zwaarder dan turf. Dat brengt een toename van het CO2-verbruik over lange afstand met zich mee.

 

Het KB van 28 januari 2013 bevat de lijst van grondstoffen die in België toegelaten zijn om potgrond te maken. Hoewel de lijst een breed gamma van toegelaten grondstoftypes bevat, blijft turf een belangrijk bestanddeel in de producten die op de markt worden gebracht. De reden daarvoor is dat turf veel agronomische eigenschappen heeft.

 

Zo mag potgrond geen te hoog zoutgehalte hebben, want dat kan fytotoxisch zijn. Dit zal immers de kieming van zaden verhinderen en de ontwikkeling van planten beperken door de opname van voedingsstoffen te belemmeren. Compost heeft intrinsiek al een hoog zoutgehalte. Het is dus niet mogelijk om turf volledig te vervangen door compost.

 

Vanuit reglementair perspectief is momenteel het koninklijk besluit van 28 januari 2013 van toepassing. Vanaf 16 juli 2022 zal evenwel de Europese verordening 2019/2009 in werking treden. De potgrondreglementering zal van het nationaal niveau naar het Europees niveau gaan. Een wijziging van deze verordening zal dus op Europees niveau moeten plaatsvinden.

 

De producenten zijn gevoelig voor de impact van hun grondstoffen op het leefmilieu. Het Vlaamse initiatief om de producenten te sensibiliseren en alternatieven te zoeken is dan ook een goed idee. Het agronomisch onderzoek valt immers onder de bevoegdheid van de Gewesten.

 

België mag daarentegen de aanwezigheid van turf in potgrond niet verbieden of beperken. Gelet op de Europese verordening 2019/2009 is het ook niet mogelijk om het op de markt brengen van deze producten te verbieden. Reglementaire initiatieven om het gebruik van turf te beperken zijn mogelijk via de creatie van een ecolabel, bijvoorbeeld via besluit 2015/2099 van 18 november 2015. We moeten ook opmerken dat turf toegelaten is in de biolandbouw omdat het een natuurlijke grondstof is, volgens verordening EU 2019/2064.

 

17.03  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het is heel belangrijk om volop in te zetten op de alternatieven. U verwijst naar het lopende agronomische onderzoek van de deelstaten en we zullen onze collega's daar zeker vragen over laten indienen.

 

Ik denk wel dat het belangrijk is dit debat te blijven volgen. Ik begrijp dat heel veel particulieren en landbouwers rekenen op turf, maar in de gebieden waar het wordt ontgonnen, is het niet langer houdbaar om dat te blijven doen. Ik denk echt dat we op het kantelmoment zitten en dat we zowel op federaal, Europees als regionaal vlak zoveel mogelijk moeten inzetten op die alternatieven om snel een pasklaar antwoord te hebben voor die uitfasering.

 

Ik vraag niet om het van het ene moment op het andere uit te faseren, Groot-Brittannië doet het immers ook pas vanaf 2024, maar ik vraag toch om uw waakzaamheid en om zoveel mogelijk in te zetten op dat onderzoek naar alternatieven en om, als het mogelijk is, het uit te faseren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van Barbara Creemers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het verbod op het aanvaarden van donaties van droge voeding voor kleinere vzw’s" (55018491C)

18 Question de Barbara Creemers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "L'interdiction faite aux petites ASBL d'accepter des dons en aliments secs" (55018491C)

 

18.01  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, collega Moyaers heeft over het thema daarstraks reeds een vraag gesteld. Ik zal zeker dat antwoord voor een stuk meenemen. Mijn vraag gaat specifiek over het wettelijk verbod voor erkende vzw's om droge voeding te accepteren en de samenwerking met het FAVV daarrond. Als uw antwoord op de vraag van collega Moyaerts hetzelfde is, dan lees ik het wel na.

 

18.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Creemers, wat het wettelijke aspect betreft, het koninklijk besluit van 16 januari 2006 bepaalt dat operatoren zich alleen met producten mogen bevoorraden bij operatoren die geregistreerd zijn. Dat wil zeggen dat vzw's, net als andere operatoren in de voedselketen, zich alleen mogen bevoorraden bij operatoren die bij het FAVV bekend zijn.

 

Dan kom ik aan uw vraag over het risico. Er mag in geen geval een voedselveiligheid met twee snelheden ontstaan door te werken buiten het kader van de vigerende wetgeving. Iedereen heeft recht op veilige voeding, zowel de modale consument als de mensen die het moeilijk hebben. In het geval van droge voeding zijn de microbiologische risico's vrij beperkt, maar niet volledig uit te sluiten in geval van een verkeerde bewaring of in geval van beschadiging.

 

Omdat de producten van particulieren komen, hebben noch de verenigingen noch het FAVV zicht op de bewaaromstandigheden voorafgaand aan de donatie. Dat is noodzakelijk, om iedereen dezelfde garantie te bieden.

 

Dan kom ik aan de cijfers. Het FAVV maakt voor voedselbanken en liefdadigheidsverenigingen een onderscheid tussen twee activiteiten.

 

In het eerste geval verdelen de verenigingen uitsluitend levensmiddelen met een houdbaarheid van ten minste drie maanden bij omgevingstemperatuur. Dat is het geval voor droge voeding. Daarom volstaat een registratie.

 

In het tweede geval kunnen de verenigingen alle levensmiddelen verdelen. Die categorie vereist een toelating van het FAVV.

 

Voor alle categorieën samen werden 809 verenigingen geteld in 2020 tegenover 642 in 2016.

 

Inzake de begeleiding van die verenigingen door het FAVV werden specifiek daaromtrent donatierichtsnoeren en versoepelingen uitgewerkt met betrekking tot de interpretatie van houdbaarheidsdata, traceerbaarheid, etikettering en invriezen van voorverpakte levensmiddelen. Daarenboven kunnen voedselbanken en liefdadigheidsinstellingen genieten van een vrijstelling van de jaarlijkse heffing, indien zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. Bovendien biedt de voorlichtings- en begeleidingscel van het FAVV gratis opleidingen aan over goede hygiënepraktijken. Tot slot heeft het FAVV een project grondvesten voedselveiligheid en voedseldonaties gelanceerd met als doel de moeilijkheden en misverstanden waarmee de actoren op het terrein te maken hebben, op te volgen en oplossingen aan te reiken.

 

In 2018 waren er 25 klachten, waarvan er 4 betrekking hadden op droge voeding. Voor 2019 gaat het om 47 klachten, waarvan 1 over droge voeding en voor 2020 om in totaal 35 klachten, waarvan 2 over droge voeding.

 

18.03  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, dank u voor het gedetailleerde antwoord. Ik had inderdaad in de schriftelijke vraag om cijfers gevraagd, die ik in een mondelinge vraag heb laten omzetten, omdat het wellicht de laatste sessie met minister Clarinval is voor het zomerreces.

 

Ik moet even uitzoeken of u ook een oplossing biedt voor het door collega Moyaers aangehaalde probleem voor kleinere verenigingen, zoals de vereniging Zonder honger naar bed, die echt wel goed willen doen en niet zoals de Voedselbank geregistreerd zijn. Misschien maakt de optie die u naar voren schuift om zich in te schrijven als vzw en zich dan te registreren, het mogelijk om toch met droge voeding te kunnen werken zonder contributies te hoeven te betalen. We zouden hen dan in staat stellen om samen te werken met het FAVV, zonder dat zij hiervoor grote contributies moeten bijdragen. Dat kan uiteraard niet de bedoeling zijn voor de kleine initiatieven.

 

Ik moet nog even de details van uw antwoord doornemen om te zien of het volstaat, anders heb ik het er schriftelijk nog over.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

19 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "L’opération thon menée par l’AFSCA" (55018511C)

19 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De speciale controleactie van het FAVV met betrekking tot tonijn" (55018511C)

 

19.01  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA) a mené une vaste opération entre septembre et décembre 2020 afin d'analyser les différents procédés de fraude dans le secteur du thon.

 

Au final, 79 tonnes de ce poisson ont été saisies et 92 % des produits non conformes venaient d'Asie. En prélevant 45 échantillons partout en Belgique auprès de grossistes et de détaillants, l'AFSCA souhaitait connaître les derniers procédés utilisés chez nous par les fraudeurs, qui tentent de faire passer du thon frelaté pour du thon frais.

 

Deux procédés ont été mis au jour, dont l'un que nous n'avions encore jamais rencontré en Belgique: le fumage au monoxyde de carbone, un poison qui permet de masquer l'état d'oxydation du poisson, de maintenir son aspect de fraîcheur et de préserver la couleur rouge de sa chair qui, sans cela, brunit naturellement. Ce subterfuge n'empêche évidemment pas la dégradation du produit et le consommateur risque l'intoxication alimentaire.

 

Il ne s'agit pas de la seule fraude dénoncée par l'AFSCA. En 2014, il avait été démontré par des journalistes de la RTBF que des filets de saumon fumé étaient gonflés à l'eau salée et autres produits nocifs pour augmenter de 10 % leur volume.

 

Monsieur le ministre, comment comptez-vous contrer les derniers procédés utilisés par les fraudeurs du thon, en particulier le fumage au monoxyde de carbone, très toxique pour le consommateur?

 

Comptez-vous augmenter la fréquence des contrôles et accroître la surveillance notamment quant aux importations de thon asiatique? D'autres opérations vont-elles être menées dans ce secteur comme, par exemple, pour le saumon?

 

19.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, j'avais prévu de répondre aux questions de M. Prévot, mais aussi à celles de Mme Dierick. Je propose donc de répondre à mes deux collègues en même temps.

 

Monsieur Prévot, vous avez raison. Le monoxyde de carbone n'est pas toxique en lui-même pour le consommateur. C'est l'apparente fraîcheur du thon, suite au traitement illégal de celui-ci, qui pose problème. Le consommateur trompé pourrait, en effet, manger du poisson avarié, ce qui est particulièrement dangereux s'il est mangé cru.

 

Pour ce qui concerne l'action spéciale "thon 2020", entre septembre et décembre 2020, l'AFSCA a prélevé 45 échantillons partout en Belgique auprès de détaillants (thon frais, thon surgelé) et de grossistes (thon surgelé). Au total, 92 analyses ont été effectuées. Cette action a permis de relever deux types de pratique illégale. Elle a mené à la saisie de 79 tonnes de thon, sachant que 92 % des produits non conformes avaient été importés d'Asie.

 

En ce qui concerne les pratiques trompeuses et la lutte contre celles-ci, en injectant des nitrites, des nitrates, du colorant, en utilisant du monoxyde de carbone pour fumer le produit, on masque son état d'oxydation. Le poisson préserve alors sa chair de couleur rouge alors qu'elle brunit naturellement. Il paraît également frais, mais en apparence seulement, car les subterfuges n'empêchent pas la dégradation du produit et le consommateur risque l'intoxication alimentaire.

 

Étant donné que ces traitements sont appliqués par les opérateurs basés dans des pays tiers, l'AFSCA n'a pas la possibilité de contrôler leurs pratiques avant l'importation des produits.

 

En outre, comme les fraudeurs deviennent de plus en plus innovants, l'Unité Nationale d'Enquête de l'AFSCA doit agir rapidement lorsqu'il s'agit de nouvelles techniques de fraude. Une formation continue du personnel et des investissements dans les techniques de détection modernes sont nécessaires.

 

Le captage des signaux de fraude est très important dans cette lutte.

 

En ce qui concerne les suites de l'action spéciale "thon 2020", face à des résultats interpellants, l'AFSCA s'engage à poursuivre sa lutte contre la fraude dans le thon autour de cinq actions concrètes:

 

1. Inclure le monoxyde de carbone dans les contrôles de routine de l'AFSCA. Ce sera inscrit dans le plan de contrôle 2021.

 

2. Contrôler davantage les importations de thon en provenance de pays tiers.

 

3. Prélever un échantillon pour réaliser des analyses en cas de suspicion.

 

4. Conscientiser les consommateurs.

 

5. Coopérer avec les autres États membres via le Réseau de lutte contre la fraude alimentaire de la Commission européenne (l'AAC, Food Fraud Network) et participer aux actions internationales de lutte contre la fraude.

 

En ce qui concerne les autres poissons, le gaz de monoxyde de carbone est principalement utilisé sur le thon et l'espadon dans les pays tiers. Le saumon consommé en Belgique provient principalement d'Europe et celle-ci refuse l'utilisation de ce gaz contrairement aux autres pays. À ce jour, je n'ai aucune indication que de tels traitements pourraient être appliqués au saumon.

 

En ce qui concerne les autres actions de l'AFSCA, en plus de l'action spéciale "thon 2020", une action de grande envergure a été organisée par l'UE en collaboration avec le Département agriculture et pêche, le SPF Économie et la police maritime dans le cadre du commerce illégal de poissons. En outre, une action supplémentaire sera organisée en 2021 dans le secteur du poisson où tant les produits importés que les produits belges seront ciblés.

 

19.03  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée, merci également d'avoir fait un instantané de la situation de mesures déjà prises et des mesures qui devront l'être au cours des prochains mois. Je suis content également d'entendre que, suite à ces 45 prélèvements, l'AFSCA s'adaptait ou en tout cas s'engageait à poursuivre son action de contrôle et à l'intensifier, notamment dans le cadre du plan d'action 2021.

 

Pour ce qui concerne le dernier volet de ma question, j'entends qu'une opération de grande envergure a eu lieu dans le cadre du commerce légal de poissons et que d'autres actions sont prévues en 2021. Je pense que cela va évidemment dans le bon sens si nous souhaitons garantir la sécurité alimentaire de notre chaîne.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

20 Vraag van Barbara Creemers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "De studie van de Europese Commissie over ggo's" (55018573C)

20 Question de Barbara Creemers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "L'étude de la Commission européenne sur les OGM" (55018573C)

 

20.01  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik vond het vreemd dat de vraag van mijn collega de Laveleye en mijn vraag niet gekoppeld waren. Ik heb aandachtig geluisterd naar uw antwoord op haar vraag en heb nog twee bijkomende vragen.

 

U zei dat we in een preliminaire fase zitten, omdat er nog consultaties moeten plaatsvinden om de positie van België te bepalen. Welke stakeholders worden betrokken? Komt er nog een parlementair debat daarover? Zo ja, op welk niveau? Daar heb ik daarnet ook geen gedetailleerd antwoord op gehoord. Mocht u een ander antwoord hebben voorbereid, dan ben ik heel nieuwsgierig om dat te horen.

 

20.02 Minister David Clarinval: Het is inderdaad bijna hetzelfde antwoord als dat op de vraag van uw collega.

 

Wat de bevoegdheidsverdeling betreft in verband met ggo's, deel ik hierover als minister van Landbouw de verantwoordelijkheden op federaal niveau. Het gaat met name om de verspreiding in het leefmilieu van ggo's, al dan niet voor medisch gebruik, en ggo's voor gebruik in voeding. Het afgesloten gebruik van ggo's en de wetgeving over de co-existentieregels van ggo-gewassen, vallen niet onder mijn bevoegdheden want dat zijn gewestelijke bevoegdheden.

 

Wat betreft de vragenlijst van de Europese Commissie, de FOD Volksgezondheid, Leefmilieu en Veiligheid van de Voedselketen heeft de Gewesten, het Nationaal Refentielaboratorium, de Adviesraad voor Bioveiligheid en het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek geraadpleegd. De vragen van de Commissie over de nieuwe gentechnieken hebben betrekking op de implementatie van de ggo-wetgeving, onderzoek en innovatie, de publieke dialoog, de ethische afwegingen, de opportuniteiten en voordelen, alsook de uitdagingen en de bezorgdheden van de bevoegde instanties van de lidstaten.

 

Wat betreft uw derde vraag, het is momenteel nog te vroeg om te voorzien wat de initiatieven die zullen volgen op de studie van de Europese Commissie zullen impliceren. Wat betreft het Belgisch standpunt, de technische voorbereiding zal gebeuren in de CCMI GMO general debate, alsook samen met Sciensano, het Nationaal Referentielabo en de Adviesraad voor Bioveiligheid.

 

Wat betreft de samenwerking met de Gewesten, voor elk geval dat ook onder de bevoegdheid van de Gewesten valt, worden zij betrokken bij de verschillende procedures. Zij maken integraal deel uit van de nieuwe werkgroep.

 

Wat betreft uw laatste vraag, de EU moet een duidelijke lijn trekken die in overeenstemming is met de technologische evolutie. Zoals de studie heeft aangetoond, is het duidelijk dat men geval per geval moet kunnen beoordelen. Deze eisen inzake risicobeoordeling zijn nauw verbonden met de wetenschappelijke vooruitgang.

 

20.03  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord dat toch wel een aantal nieuwe elementen bevatte. Ik noteer dat het nog te vroeg is om verder te bepalen hoe het debat zal worden georganiseerd. Ik hoop dat er een breder debat kan komen dan enkel met de stakeholders die u hebt opgesomd.

 

Misschien zit ik in een ietwat andere bubbel dan de collega's, maar ik denk dat dit onderwerp erg leeft. Uiteraard gaat het hier over wetenschappelijke vooruitgang, maar het gaat ook over de realiteit van afhankelijkheid, monopolies en biodiversiteit. Hopelijk kunnen we daarover een goed debat voeren, waarin alle punten tegen elkaar worden afgewogen om zo een gefundeerd oordeel te kunnen vellen.

 

Het zal u niet verbazen dat ik wil kunnen discussiëren op basis van eerlijke argumenten over afhankelijkheden, monopolieposities en de gevolgen voor kleine boeren. Ik ben absoluut niet gekant tegen wetenschappelijke vooruitgang, maar er moet worden gediscussieerd op basis van eerlijke argumenten. Wordt dus vervolgd, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

21 Vraag van Barbara Creemers aan David Clarinval (Middenstand, Zelfstandigen, Kmo's en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing) over "Het nationaal actieplan pesticiden 2023-2027" (55018585C)

21 Question de Barbara Creemers à David Clarinval (Classes moyennes, Indépendants, PME et Agriculture, Réformes institutionnelles et Renouveau démocratique) sur "Le plan d’action national pesticides 2023-2027" (55018585C)

 

21.01  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, 2023 lijkt nog ver vooruit, maar de komende weken en maanden ligt het voorontwerp van Nationaal Actieplan voor de reductie van pesticiden 2023-2027 wel al op uw bord. Daarna volgt de publieksconsultatie.

 

We hebben vandaag al veel tijdslijnen met elkaar besproken, maar wat is de tijdslijn voor het nieuwe NAPAN vanaf 2023?

 

Wie zal hierbij betrokken worden?

 

Welke lessen worden getrokken uit het vorige actieplan?

 

Hoe gaan we om met de van-boer-tot-bordstrategie?

 

Welke onderzoeken lopen op dit moment naar alternatieven voor pesticiden? Bij discussie komen we er immers altijd op uit dat er te weinig onderzoeken of alternatieven. Het is een beetje de kip of het ei.

 

21.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Creemers, in samenwerking met de minister van Volksgezondheid en Leefmilieu volg ik de ontwikkeling van het Nationaal Actieplan voor de vermindering van pesticiden 2023-2026, voorzien in de doelstellingen van de federale regering, op de voet.

 

Er zijn enkele belangrijke data die de ontwikkeling van dit nieuwe plan markeren. In de eerste helft van 2020 hebben de Gewesten en de federale overheid een programmaschema opgesteld. Het voorontwerp van programma moet in het najaar van 2021 door de politieke autoriteiten goedgekeurd worden voor er begin 2022 een openbare raadpleging wordt gestart. In het voorjaar van 2022 wordt het voorontwerp van het programma aangepast. In de zomer van 2022 vindt de politieke goedkeuring plaats en in het najaar wordt het koninklijk besluit afgewerkt.

 

De NAPAN-raad bestaat uit 70 personen die 26 stakeholders, 5 technische centra en alle bevoegde autoriteiten vertegenwoordigen. Hij komt driemaandelijks samen om de lopende projecten te monitoren en af te ronden.

 

Het programmavoorstel is gebaseerd op de lessen die zijn getrokken uit de voortgang van de projecten van het huidige programma, waarvan de tussenrapportage begin dit jaar op Fytoweb.be werd gepubliceerd.

 

In het ontwerp werd ook bijzondere aandacht besteed aan de kansen die de Europese van-boer-tot-bordstrategie zou kunnen bieden.

 

De Europese onderhandelingen over de internationale verbintenissen voor de vermindering van pesticiden zijn nog niet afgerond.

 

Concrete acties zijn het onderwerp van het NAPAN dat nog in ontwikkeling is. U zult begrijpen dat ik het strategisch comité zijn werk moet laten doen, alvorens ik over de geplande acties communiceer.

 

Het zoeken naar alternatieve oplossingen voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen is de verantwoordelijkheid van de regio's. Ik nodig u daarom uit om mijn regionale collega's ter zake te consulteren.

 

21.03  Barbara Creemers (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor de gedetailleerde tijdlijn. Zo kunnen wij hier op geregelde tijdstippen erop terugkomen. Ik heb er alle begrip voor dat er nog geen concrete acties en onderzoeken naar alternatieven zijn ondernomen. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid, samen met de deelstaten. Ik zal het zeker ook in de deelstaten laten navragen.

 

Wij hebben het vandaag verschillende keren gehad over nieuwe actieplannen inzake bestuivers en duurzame voedselproductie en -ontwikkeling. Overal zijn er kansen om wetenschappelijk onderzoek naar alternatieven te bevorderen. Ik moedig u aan om dat met een zo open mogelijke blik te bekijken, zodat wij niet altijd, wanneer er voldoende argumenten zijn om een gewasbeschermingsmiddel te verbieden, maar te weinig onderzoek naar alternatieven is gebeurd, dezelfde discussie hoeven te voeren. Ik nodig u uit om in al die plannen waaraan u werkt, met een open blik te zoeken naar alternatieven, want daar ligt de toekomst.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.21 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16 h 21.