Commission des Relations extérieures

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen

 

du

 

Mercredi 15 juin 2011

 

Après-midi

 

______

 

 

van

 

Woensdag 15 juni 2011

 

Namiddag

 

______

 

 


De vergadering wordt geopend om 14.28 uur en voorgezeten door de heer Peter Luykx.

La séance est ouverte à 14.28 heures et présidée par M. Peter Luykx.

 

De voorzitter: Goedemiddag, collega’s. Er zijn heel wat vragen. Mag ik de aanwezige collega’s voorstellen om vragen die inmiddels achterhaald zijn of waarvoor een schriftelijk antwoord voldoende is, niet te stellen? De minister is bereid om de schriftelijke antwoorden te verstrekken. We moeten zeker proberen door de stapel vragen te geraken.

 

Ik zal het goede voorbeeld geven met mijn vraag die dateert van 4 mei en handelt over de uitsluiting van Bildu en Sortu aan de Spaanse gemeenteraadsverkiezingen. Die gemeenteraadsverkiezingen vonden al op 22 mei jongstleden plaats. Inmiddels is ook geweten dat Bildu heeft mogen deelnemen aan de verkiezingen en bovendien als nationalistisch kartel zeer goede resultaten heeft behaald; slechts 25 procent, minder dan de N-VA, maar toch…

 

Mijnheer de minister, daarom zet ik mijn vraag nr. 4435 om in een schriftelijke vraag.

 

01 Samengevoegde vragen van

- de heer Dirk Van der Maelen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de Belgische steun aan de nakende verkiezingen in de Democratische Republiek Congo" (nr. 4437)

- de heer Peter Luykx aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het rapport van de ICG met betrekking tot de Congolese presidentsverkiezingen" (nr. 4531)

- de heer Peter Luykx aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "zijn reis naar de Democratische Republiek Congo en de recente schuldkwijtschelding" (nr. 4980)

- de heer Dirk Van der Maelen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "zijn bezoek aan de Democratische Republiek Congo" (nr. 5095)

- de heer Peter Logghe aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "zijn bezoek aan president Kabila en Congo" (nr. 5120)

- de heer Bruno Tuybens aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "zijn bezoek aan de Democratische Republiek Congo" (nr. 5160)

- mevrouw Eva Brems aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "zijn bezoek aan de Democratische Republiek Congo" (nr. 5207)

- de heer Stefaan Vercamer aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "zijn recente bezoek aan de DR Congo en zijn oproep om meer te investeren in de gezondheidszorg van het land" (nr. 5273)

01 Questions jointes de

- M. Dirk Van der Maelen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le soutien apporté par la Belgique à la République démocratique du Congo dans le cadre de l'organisation prochaine des élections" (n° 4437)

- M. Peter Luykx au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le rapport de l'ICG sur les élections présidentielles au Congo" (n° 4531)

- M. Peter Luykx au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "son voyage en République démocratique du Congo et la récente remise de dette accordée à la RDC" (n° 4980)

- M. Dirk Van der Maelen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "sa visite en République démocratique du Congo" (n° 5095)

- M. Peter Logghe au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "sa visite au président Kabila et au Congo" (n° 5120)

- M. Bruno Tuybens au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "sa visite en République démocratique du Congo" (n° 5160)

- Mme Eva Brems au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "sa visite en République démocratique du Congo" (n° 5207)

- M. Stefaan Vercamer au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "sa récente visite en République démocratique du Congo et son appel en faveur d'investissements dans les soins de santé du pays" (n° 5273)

 

De voorzitter: Ik stel voor – om overlappingen te vermijden – dat elke spreker zijn vragen kort bundelt.

 

01.01  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de voorzitter, ik heb zelfs drie vragen. Het wetgevend secretariaat is vergeten een vraag door te geven over de problematiek van de mogelijke niet-herbenoeming van Roeland van de Geer.

 

01.02 Minister Steven Vanackere: Ik dacht dat er een specifieke vraag van de heer Brotcorne was met betrekking tot de speciale gezant voor de Grote Meren van de Europese Unie.

 

01.03  Dirk Van der Maelen (sp.a): Ik zal mijn vraag dan misschien straks samen met de heer Brotcorne stellen.

 

Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de Congolese verkiezingen en een vraag over uw bezoek aan Congo.

 

Hoe is de federale regering van plan om de Congolese verkiezingen te steunen? Zijn er direct of indirect voorwaarden aan de steun gekoppeld? Welke garanties hebt u van uw Congolese gesprekspartners gekregen omtrent een vrij, transparant en vreedzaam verloop van de verkiezingscyclus? In welke beleidsreacties voorziet u als de Congolese regering overduidelijk geen vrije, transparante of vreedzame verkiezingen kan garanderen? Hoe reageert u op de recente uitlatingen van Congolees ambassadeur voor België Henri Mova, die de voorlopige Belgische steun aan de verkiezingen belachelijk noemt.

 

Die reeks vragen dateert van 4 mei, met mijn excuses, maar er was geen eerdere vergadering van de commissie.

 

Vervolgens heb ik een reeks vragen, aan u gericht op 1 juni, over uw bezoek aan Congo.

 

Hebt u de indruk dat de Congolese regering voldoende doet om een vrije, eerlijke en transparante presidentiële verkiezingsronde te garanderen?

 

Zowel de internationale gemeenschap als de Congolese regering blijft muisstil over de lokale verkiezingen. Nochtans zijn die minstens even belangrijk als de presidentiële verkiezingen. Helaas lopen ze een achterstand van 5 jaar op. Kaartte u dat aan bij uw ontmoeting met president Kabila?

 

Hebt u de indruk dat de Congolese regering voldoende doet om een volwaardige rechtsstaat uit te bouwen en de straffeloosheid op haar grondgebied aan te pakken? Doet ze bijvoorbeeld genoeg om gevolg te geven aan het UN mapping report over de mensenrechtenschendingen in de DRC tijdens de oorlogsjaren van 1993 tot 2003?

 

Ondanks Belgische steun voor EUSEC blijft de hervorming van de veiligheidsdiensten een moeilijk en tergend traag proces. Hebt u de indruk dat de Congolese overheid voldoende werkt aan professionele en gedisciplineerde veiligheidsdiensten?

 

President Kabila zei ooit in een interview dat hij aan dezelfde kant staat als de mensenrechtenverdedigers en de ontwikkelings-ngo’s in zijn land. Denkt u zelf dat dat het geval is? Zet zijn regering zich bijvoorbeeld voldoende in om de moord op mensenrechtenverdediger Floribert Chebeya uit te klaren? Kreeg u voldoende garanties opdat zijn veiligheidsdiensten het werk van de civiele maatschappij niet meer zouden verpesten?

 

Welke beleidsconclusies trekt u na uw missie voor de invulling van de voorwaardelijke envelop voor de versterking van het mandaat van MONUSCO en voor de Belgische bijdrage aan EUSEC?

 

Hebt u de indruk dat uw aanpak, die subtieler is dan die van uw voorganger Karel De Gucht, genoeg doet om de verantwoordelijken van wanpraktijken aan de kaak te stellen en in geen geval onrechtstreekse legitimiteit te geven? De Congolese overheid luistert wel naar uw opmerkingen, maar houdt ze er ook rekening mee? Zo ja, hoe?

 

01.04  Peter Luykx (N-VA): Mijnheer de minister, met betrekking tot de presidentsverkiezingen is er het rapport van de International Crisis Group, het Africa Report nr. 175 van 5 mei. Kort samengevat stelt het rapport dat er een keuze zal moeten worden gemaakt tussen verkiezingen met ernstige tekortkomingen, die wel plaatsvinden op de vooropgestelde datum, of het verplaatsen van de verkiezingen naar een latere datum, waardoor een mechanisme van ongrondwettelijk gezag in gang wordt gezet. De toestand ter plaatse wijst steeds meer in de richting van het niet-halen van de deadline.

 

Mijnheer de minister, heeft ons land reeds een standpunt ingenomen met betrekking tot de datum waarop de verkiezingen in Congo moeten worden gehouden? Houden de Congolese autoriteiten ons land, als een van de donoren van de verkiezingen, voldoende op de hoogte van de voorbereidingen en het proces? Welke inspanningen heeft de DRC reeds geleverd, opdat het verkiezingsproces meer transparant zou verlopen? Welke stappen werden ondernomen om een veiligheidssysteem te installeren, zodat de vereiste hulp vanwege de VN accuraat kan worden geïntegreerd?

 

Met betrekking tot uw bezoek aan de Democratische Republiek Congo heb ik de volgende vragen. Wat was het opzet van uw missie? Wat is de motivatie achter de bilaterale schuldkwijtschelding van 23 miljoen euro? Hebt u bij die gelegenheid ook met uw Congolese ambtsgenoten de nakende verkiezingen besproken? Hebt u ook oppositiekandidaten ontmoet? Tot slot, waarom heeft de regering beslist, ook na de grondwetswijziging die de verkiezingen toch in een moeilijker perspectief plaatst, om de schuldkwijtschelding uit te voeren?

 

01.05  Peter Logghe (VB): Mijnheer de minister, mij verbaast vooral uw veranderde houding in vergelijking met die van de vorige minister van Buitenlandse Zaken. Wat is er concreet in Congo veranderd opdat u uw houding heeft veranderd, misschien niet 180 graden maar toch aanzienlijk ten opzichte van de vorige minister? Zijn er op het vlak van de mensenrechten vorderingen geboekt? De massale verkrachtingen staan nochtans nog altijd op het netvlies gebrand.

 

Zoals eerder aangehaald, is er steeds aangedrongen op vrije en open verkiezingen, ook op gemeentelijk vlak. In onze commissie werd al een aantal keer gepleit voor concrete afspraken met Congo dienaangaande. Hoe staat het daarmee? Hoe groot zijn de garanties dat er op lokaal vlak verkiezingen komen? Wanneer komen die dan?

 

De schuldkwijtschelding van België bedroeg, als ik het goed heb gelezen, 470 miljoen euro, waarvan een belangrijk deel gelden betreft waarvan men al lang niet meer dacht dat ze ooit nog zouden kunnen worden geïnd. Hoeveel schulden werden er in het verleden terugbetaald? Op welke termijn zal de resterende schuld van ongeveer 2,9 miljard euro worden terugbetaald? Kunt u als minister in lopende zaken zulke belangrijke beslissingen nemen?

 

01.06  Bruno Tuybens (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de vice-eersteminister, ook ik zal kort zijn.

 

Het element dat nog niet aan bod is gekomen, is het mapping rapport van de Verenigde Naties van oktober 2010, dat de onmacht van het Congolese rechtssysteem aantoont. Tegen alle duizenden verantwoordelijken voor de meest grove mensenrechtenschendingen zijn er sinds 1993 slechts twaalf processen gevoerd. Alle processen werden in militaire rechtbanken gevoerd.

 

Er valt dus enerzijds te vrezen dat de wil bij de Congolese politie en justitie niet bestaat om een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek te verrichten. Anderzijds is het Congolese rechtssysteem momenteel noch institutioneel noch financieel in staat om rond de talloze misdaden onderzoeken en berechtingen te voltrekken.

 

Weinig daders worden berecht. Ook de verantwoordelijken voor de moord op de mensenrechtenactivisten Pascal Kabungulu die op 31 juli 2005 werd vermoord en Floribert Chebeya die op 2 juni 2010 is teruggevonden, zijn nog niet officieel bestraft. In het proces-Chebeya wordt de hoofdverdachte enkel als getuige gehoord. Ook is de aanklacht van moord met voorbedachte rade tot onvrijwillige doodslag teruggebracht, waardoor de verdachte agenten bij een veroordeling zelfs hun functie zouden mogen behouden.

 

Bovendien is de door het Internationaal Strafhof gezochte Bosco Ntaganda zelfs tot generaal gepromoveerd, nadat zijn rebellengroep in het Congolese leger werd geïntegreerd.

 

Mijn vragen zijn dus de volgende.

 

Welke prioriteit zal de hervorming van justitie in Congo krijgen om de straffeloosheid aan te pakken? Hebt u de indruk dat het land aan dit probleem ruimere aandacht wil besteden? Wat is uw standpunt over een militair kopstuk dat door het Internationaal Strafhof van Den Haag wordt gezocht, maar enige tijd geleden binnen het Congolese leger tot generaal werd benoemd?

 

01.07  Eva Brems (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb vijf vragen naar aanleiding van uw bezoek aan Congo. Ik zal ze kort samenvatten, want er is nogal wat overlapping.

 

Ten eerste, ik heb ook dat rapport gelezen van de International Crisis Group. Wat is uw indruk van de stand van zaken van de voorbereidingen voor de verkiezingen? Acht u het realistisch dat de parlementsverkiezingen effectief voor de deadline zullen plaatsvinden? Hoe groot schat u de kans op geweld in tijdens en na de verkiezingen?

 

Ten tweede, hebt u het proces-Chebeya ter sprake gebracht bij de president van Congo? Wat is uw inschatting daarvan?

 

Ten derde, inzake de hervorming van de veiligheidssector is een van de knelpunten de coördinatie tussen de donoren. Wat is de stand van zaken ter zake? Hoe ver staat Congo met de hervorming van die veiligheidssector?

 

Ten vierde, MONUSCO. Welke rol ziet u weggelegd voor MONUSCO tot aan de verkiezingen en ook na de verkiezingen?

 

Ten slotte, wij hebben in De Standaard van 4 juni nog eens kunnen lezen over problemen van corruptie, louche zakendeals en parallelle machtsstructuren. Hebt u die problemen ook aangekaart in uw gesprekken met de president?

 

01.08  Stefaan Vercamer (CD&V): Mijnheer de vicepremier, u hebt gezegd dat we in onze Belgische hulp aan Congo opnieuw een prioriteit moeten maken van de gezondheidszorg in Congo. Ondanks de internationale hulp in de afgelopen decennia is de infrastructuur daar immers blijkbaar sterk verouderd en wordt de gewone Congolees – in dit geval vooral de vrouw – dagelijks bedreigd door gezondheidsrisico’s die vermijdbaar zouden zijn met een efficiëntere basiszorg.

 

Deze analyse werd ook gisteren in de Senaat gemaakt door de heer Kazatchkine, directeur van het Global Fund to Fight Aids, Tuberculosis and Malaria. Hij zegt eigenlijk net hetzelfde.

 

Mijn vraag is dus wat de voornaamste elementen zijn van uw analyse ter zake. Hoe ziet u een grotere Belgische inspanning? Ziet u dat in het licht van de 75 miljoen euro die de minister van Ontwikkelingssamenwerking gedurende vier jaar jaarlijks uittrekt voor Congo? Hoe ziet u die versterking van de Belgische hulp aan Congo inzake gezondheidszorg?

 

01.09 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, ik dank de collega’s voor de talrijke vragen met betrekking tot mijn recente reis naar Congo en de manier waarop wij trachten daar een rol van betekenis te spelen.

 

U weet dat mijn reis naar de DRC, die daarna trouwens een vervolg in Burundi kende, een vervolgreis was op mijn bezoek van januari 2010. Het was een reis die de gelegenheid heeft geboden om de normalisering van onze betrekkingen verder te verankeren.

 

Ik blijf insisteren op het woord normalisering omdat normalisering ook betekent dat men niet in een ander uiterste vervalt, waarbij men op zeker ogenblik het land beschouwt als iets anders dan een land waarmee bilaterale relaties worden aangeknoopt, maar die ook niet zo innig zijn dat men zich op zeker moment verantwoordelijk acht voor wat daar gebeurt. Normalisering moet zowel in zijn rijke als in zijn zakelijke betekenis worden begrepen.

 

Tijdens de diverse onderhouden die ik in Congo heb gehad, is veel aandacht gegaan naar de voorbereiding van de verkiezingen. Ik kan dat bevestigen en ga daarop straks verder in. Ook justitie en de mensenrechtenproblematiek hebben prominente plaats ingenomen tijdens de gesprekken.

 

In die enkele dagen dat ik er was, waren mijn voornaamste gesprekspartners in de DRC langs de kant van de autoriteiten president Kabila en de ministers van Buitenlandse Zaken, Justitie, Binnenlandse Zaken, Financiën, Mijnen en Transport.

 

Daarnaast heb ik ook de voorzitters van Kamer en Senaat afzonderlijk gezien en vertegenwoordigers van de oppositiepartijen UDPS, UNC en MLC. Elk van deze contacten hebben een apart onderhoud gehad.

 

Verder heb ik ook de voorzitter en de vicevoorzitter van de CENI, de kiescommissie die de verkiezingen moet organiseren, gezien en uiteraard ook vertegenwoordigers van de ngo’s actief in de verdediging van de mensenrechten, journalisten en Belgische zakenlui.

 

Ik zie dat in mijn opsomming wordt nagelaten te verwijzen naar het feit dat ik uiteraard ook contacten heb gehad met een aantal mensen van de internationale gemeenschap, in het bijzonder met mensen die vanuit de VN, MONUSCO en andere verantwoordelijkheden van de internationale gemeenschap aanwezig zijn in Congo.

 

Ik zal even thematisch ingaan op een aantal vragen.

 

Ten eerste, wat de verkiezingen betreft, de Congolese regering en de kiescommissie CENI hadden voor mijn bezoek al belangrijke stappen gezet in de voorbereiding van de verkiezingen.

 

De kieskalender was aangekondigd na een breed overleg met de oppositie, er waren maatregelen genomen om de registratie van de kiezers te bespoedigen, stortingen van nationale bijdragen voor de financiering van het proces hadden plaatsgevonden en de discussies in het parlement over de nieuwe kieswet waren aangevat.

 

Als positieve elementen kunnen onder meer worden onderstreept: de koppeling van de presidents- en de wetgevende verkiezingen die verworven is, de lokale verkiezingen die in de kalender en de organisatie van de verkiezingen zijn opgenomen. U weet dat wij daarop zwaar hebben aangedrongen. Dat was voor ons een van de telkens terugkerende – om het met Cato te zeggen – ceterum censeo-opmerkingen.

 

Er is de laatste maanden geen contact voorbij gegaan zonder dat wij hebben laten blijken dat België een herhaling van de vorige cyclus, waarbij men de lokale verkiezingen niet zou opnemen, volstrekt en volkomen uitgesloten zou zijn. Ook voor de financiering moest men de nodige middelen vrijmaken om te kunnen garanderen dat de volledige cyclus tot een goed einde kan worden gebracht.

 

Nog een positief element is het feit dat de organisatie van de presidentsverkiezingen in de kalender binnen de grondwettelijke termijn is gepland. België, de EU en andere partners wensen ertoe bij te dragen dat het verkiezingsproces zoals gepland zou plaatsvinden.

 

Scenario’s van verdaging of uitstel van de verkiezingen, ideeën rond het opzetten van transitieregelingen zoals het ICG recent heeft gedaan, hebben in mijn gesprekken, met inbegrip van mijn gesprekken met de oppositie, geen bijval gekend.

 

Noch de oppositie noch de mensen die vandaag de macht in handen hebben, zitten vandaag in scenario’s van uitstel. Het scenario is hier wel degelijk dat dit een termijn is die men moet halen. Ik vind trouwens dat het niet opportuun zou zijn om veel speculaties over uitstel te onderhouden.

 

Het is natuurlijk zo dat de kalender ambitieus is. Die kan alleen maar worden geëerbiedigd als de registratie van de kiezers op tijd wordt afgerond.

 

Ik heb een kiesbureau bezocht. Ik heb in aanwezigheid van de voorzitter van de CENI vastgesteld dat men in termen van vooruitgang, in vergelijking met de vorige verkiezingen, men al haast op het niveau zit van het totaal aantal stemgerechtigden van de vorige keer. Ik denk dat de vorige keer 23 miljoen mensen aan de verkiezingen hebben deelgenomen. Nu zijn al 20 miljoen mensen geregistreerd. Er is dus wel degelijk een grote kans dat het target om meer dan 30 miljoen mensen te registeren wordt gehaald.

 

Natuurlijk is het ook zo dat de kieswet op tijd moet worden aangenomen. Ik heb daar vragen over gesteld aan de voorzitter van de Senaat. Ik heb begrepen dat men niet zinnens is om dat opnieuw in de Senaat te amenderen. De kans dat er door een aller-retour van dat tweekamerstelsel een nieuw uitstel op de kieswet zou komen is ook niet zeer waarschijnlijk.

 

De kieswet is door de Kamer goedgekeurd en ligt nu ter bespreking voor in de Senaat, maar zal daar volgens de voorzitter van de Senaat allicht zonder amendementen worden goedgekeurd.

 

Op de ‘what if’-vraag die in de politiek altijd met voorzichtigheid moet worden beantwoord – als de verkiezingen vertraging zouden oplopen – zal onze houding bepaald worden door een analyse van de redenen van de vertraging, rekening houdend met de reacties van de Congolese oppositie, het middenveld, de publieke opinie en onze partners binnen de internationale gemeenschap.

 

Wens ik zo’n uitstel? Neen. Ga ik de oorlog verklaren als er een dag vertraging optreedt? Neen. We gaan kijken hoe iedereen deze tweede oefening van democratie zal respecteren.

 

Ik wil toch wel signaleren dat een aantal kritieken die geformuleerd worden niet werden overgenomen, door geen enkele van de oppositiepartijen die ik uitvoerig heb gehoord. Ik denk dat we ook een bepaalde openheid aan de dag moeten leggen opdat dit proces tot een goed einde komt en dat de cruciale evaluatie erin moet bestaan zich af te vragen: is dit een democratisch proces geweest? De datum is natuurlijk heel belangrijk maar niet zaligmakend. Ik ga er eigenlijk vanuit dat ze de datum zullen halen.

 

In het kader van het overleg dat plaatsvindt binnen het Comité de pilotage des élections dat nu omgedoopt is tot een Comité de parténariat, informeren de Congolese autoriteiten de partners van de internationale gemeenschap die betrokken zijn bij de ondersteuning van het verkiezingsproces. Mede op mijn aandringen hebben we nu een beter zicht gekregen op de budgettaire implicaties van de nieuwe verkiezingskalender. We hadden een kalender gekregen maar de vertaling naar het budgettaire was onvoldoende. Men heeft dat op mijn aandringen bezorgd.

 

Er kwam op mijn vraag ook een grotere transparantie over de vooruitgang van de verkiezingsregistratie in de diverse provincies. Want ook daar was er, ik zal niet zeggen een insinuatie, maar de vraagstelling: zijn alle provincies op een gelijke manier aan het opschieten met de registratie en is het misschien een tactiek van de ene of de andere om de registratie in sommige provincies trager te laten verlopen dan elders? Dat is mij met cijfers erbij tegengesproken. Het proces schuift op een normale manier op zonder dat er grote regionale verschillen zijn.

 

Wat de beveiliging van het proces betreft, ligt de voornaamste verantwoordelijkheid natuurlijk bij de Congolezen. Het betreft hier een essentiële bekommernis waarover ik met gedachten heb gewisseld met onder meer de adjunct-vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de UNO in Kinshasa.

 

De VN, MONUSCO dus, en de rest van de internationale gemeenschap zullen Congo natuurlijk zoveel als mogelijk bijstaan, in het bijzonder door de vorming van de politie voor de ordehandhaving. Ik heb de minister van Binnenlandse Zaken en de voorzitter van het kiescommissie ondervraagd over de beveiliging van de verkiezingen en over de incidenten en intimidaties ten opzichte van de oppositie in het binnenland tijdens de voorbije maanden. Toen bepaalde gesprekspartners hierop antwoordden dat er bepaalde comités werden opgericht en dat hierover overleg werd gepleegd, heb ik aangegeven dat overleg onvoldoende is en het de verplichting van de regering is om de lokale autoriteiten in toom te houden teneinde vrije en transparante verkiezingen, met inbegrip van de campagne, te garanderen.

 

Wat betreft onze steun aan de Congolese verkiezingen, kan ik u meegeven – dat is hier reeds eerder aan bod gekomen – dat de Belgische regering eind vorig jaar beslist heeft om in 2010 een bedrag van 7,5 miljoen euro bij te dragen via het indicatief samenwerkingsprogramma. Dat is dus Ontwikkelingssamenwerking. In 2011 wordt een bedrag van 5 miljoen euro beschikbaar gehouden via de budgetlijn Vredesopbouw. Dat is Buitenlandse Zaken. Die bijdrage van 5 miljoen euro zal in de komende maanden in schijven worden vrijgemaakt.

 

Ik heb altijd aangegeven dat het mee zal gebeuren, rekening houdend met de wijze waarop de voorbereidingen van de verkiezingen verder evolueren. U moet die twee bedragen, 7,5 miljoen en 5 miljoen, voegen bij een bedrag van 4 miljoen, dat eerder al als bijdrage was voorzien aan het gemeenschappelijk fonds van het UNDP, opgericht om de bijdragen van de internationale gemeenschap te besteden en dat nog niet was opgebruikt. De optelsom van 7,5, 5 en 4 miljoen leidt tot een totale Belgische potentiële bijdrage van 16,5 miljoen, die niet volledig geëngageerd is. De 5 miljoen binnen Vredesopbouw is nog niet volledig geëngageerd en beschouw ik als een hefboom om goed toe te kijken op de voorbereiding van de electorale gebeurtenissen.

 

Met die 16,5 miljoen is België de tweede belangrijkste bilaterale donor voor de verkiezingen.

 

Ook belangrijk om te onderlijnen, is dat we bij onze werkwijze voor het engageren van dat bedrag de EU-werkwijze volgen voor de uitbetaling in schijven. De Europese steun bedraagt 47,5 miljoen euro, komende uit het tiende Europees Ontwikkelingsfonds. Ik heb ook mijn collega’s en andere autoriteiten in Congo eraan herinnerd dat als Europa bereid is geweest om zo’n belangrijke bijdrage te leveren, dat niet in het minst het gevolg is van het lobbywerk van België om Congo de kans te geven voor de tweede keer een democratische oefening te doen.

 

U weet dat de Congolese regering deze keer zelf wil instaan voor 60 procent van het kiesproces. De eerste keer, vijf jaar geleden, is honderd procent gefinancierd door de internationale gemeenschap; nu zou men in beginsel moeten uitkomen op een bijdrage van de internationale gemeenschap in de orde van 40 procent. De bijdrage vanuit de internationale gemeenschap en vanuit de EU is niet in het minst verbonden aan het lobbywerk van België. Met andere woorden, ik heb ook mijn ongenoegen laten blijken – niet tijdens mijn reis, ik heb dat rechtstreeks aan mijn collega gedaan – over uitlatingen van ambassadeur Mova, die sprak over een dérisoire bedrag, hetgeen duidelijk aantoonde dat de man geen grote dossierkennis heeft. Ik heb ook duidelijk laten blijken dat het een foute inschatting was.

 

Nog nader te bepalen bijdragen zullen waarschijnlijk worden vrijgemaakt voor de steun aan niet-gouvernementele actoren voor hun actie op het vlak van de verkiezingswaarnemingen. Daarvoor kan ik u nu geen bedragen noemen, maar het is duidelijk dat ik voor de verkiezingswaarnemingen – we spreken niet over certificatie, zoals in het geval van Ivoorkust – mogelijkheden achter de hand houd om zeker te participeren aan die oefening.

 

Ik heb bij alle gesprekspartners, van meerderheid, oppositie en de CENI, sterk aangedrongen op een volledige verkiezingscyclus.

 

Wij zullen waakzaam blijven opdat alle verkiezingen plaatsvinden. Alle gesprekspartners, van meerderheid en oppositie, delen de wens dat de verkiezingen op alle vlakken geloofwaardig verlopen, teneinde de democratische instellingen van de Democratische Republiek Congo effectief te versterken. Ik kan u zeggen dat ik tot op het hoogste niveau zeer duidelijke taal heb gesproken. Ik durf te stellen dat men goed geluisterd heeft en dat men goed begrepen heeft dat wij wat dat betreft veeleisend zullen zijn.

 

Niettegenstaande een aantal tekortkomingen en onvolmaaktheden bij de voorbereiding van het verkiezingsproces is het algemene beeld eerder goed, beter dan enkele maanden geleden gevreesd werd. Zeker positief is de tot op heden goede werking van de kiescommissie, CENI, die een impuls geeft aan het hele proces. Zelfs de oppositie spreekt zich globaal positief uit over de CENI. Dat is verrassend, omdat de voorzitter van de CENI bestempeld wordt als iemand die het vertrouwen van de president heeft. Ik durf te bevestigen dat men bij de oppositie ondanks aandringende vragen in het algemeen niet klaagde over de voorbereiding.

 

De haalbaarheid van de verkiezingskalender blijft natuurlijk een cruciale kwestie. Waakzaamheid blijft geboden. De internationale gemeenschap heeft een belangrijke rol te spelen, via het tijdig uitsturen van observatoren en via haar bijdrage tot de beveiliging van de verkiezingen.

 

Ik maak nog een laatste opmerking. Er werd gevraagd of de oppositie er straks in slaagt één belangrijkste kandidaat naar voren te schuiven. Ik heb daarnaar gepolst bij elke oppositiepartij. Mijn pronostiek is: neen. Zij schijnen zich daardoor niet bijzonder gegeneerd te voelen. Wij moeten in dat verband erkennen dat de politieke dynamiek in dat soevereine land is wat hij is. Wie denkt dat er één fantastische oppositiekandidaat komt, een challenger voor Kabila, vergist zich. Elke oppositiepartij die daarover ondervraagd wordt, is daar voorstander van, als het gaat over hun eigen kopman, zo eenvoudig is het. Voor het overige stelt men vast wat men vaststelt.

 

Ik ben blij met de vragen over de mensenrechten. Ik heb ter zake ook verschillende gesprekken gevoerd, zowel met de bevoegde minister, die in zijn portefeuille justitie en mensenrechten heeft, als met verschillende mensenrechtenorganisaties.

 

Ik onthoud dat vorderingen werden gemaakt in de opbouw van een wettelijk kader ter bescherming van de vrijheid van meningsuiting en ook ten aanzien van de bescherming van mensenrechtenverdedigers. Er bestaan ontwerpen van wet die belangrijk zijn, maar waarbij ik meteen heb aangegeven dat de desbetreffende wetgeving mij maar interesseert, in de mate dat ook een implementatie volgt. De tijd is voorbij dat wij genoegen kunnen nemen met alleen maar wetgeving die wordt goedgekeurd. Het gaat ook over de effectieve toepassing en de eerbiediging van het kader, wat uiteraard ook verwijst naar de justitiële capaciteit om aan bedoelde wetgeving uitvoering te geven.

 

Ik heb mijn officiële gesprekspartners met aandrang gevraagd het domein van justitie op een meer expliciete wijze in de zogenaamde prioritaire werven van de regering op te nemen. Tot en met de president heb ik aangegeven dat ik niet begrijp dat hij vijf prioritaire werven heeft ontwikkeld, maar dat justitie niet een van de vijf voormelde werven is.

 

De minister van Justitie, die van mij dezelfde kritiek te horen had gekregen, lichtte toe dat justitie de nulde werf was, zijnde de werf die vóór alles komt. Ik antwoordde dat ik zijn woorden zou geloven, indien ik een en ander ook zou zien in de verklaringen van zijn staatshoofd en in de budgetten die de minister van Justitie kan spenderen. Ik heb dus wel degelijk laten voelen dat voor mij het justitieapparaat de grote prioriteit moet zijn.

 

Op het vlak van de strijd tegen het seksuele geweld moeten de inspanningen worden opgevoerd. Aan hen die vragen of er sinds zovele jaren geleden iets is verbeterd, moet ik ‘ja’ antwoorden. Op het gevaar af relativerend over te komen ten opzichte van de onzichtbare, onaanvaardbare, verschrikkelijke misdaden die vandaag nog in Congo gebeuren, wil ik opmerken dat wie niet ziet dat er tussen vandaag en vijf jaar geleden ook op voornoemd niveau vooruitgang is, de zaak niet erg aandachtig volgt.

 

Er is wel degelijk vooruitgang. Er is ook werk gemaakt van een bepaalde vorm van gevecht tegen zij die misdrijven hebben gepleegd. De heer Kabila heeft mij gezegd dat zijn ‘tolérance zéro’ geen slogan was. Hij heeft mij ter illustratie gesproken over het feit dat 40 procent van de gevangenissen in Congo vandaag mensen in de cel heeft die uit het veiligheidsapparaat, dus uit het leger of uit de politie, komen. Hij heeft mij uitgelegd dat hij de betrokkenen heeft laten veroordelen.

 

Het is ook juist dat ten gevolge van een erg betreurenswaardig incident in januari 2011 een generaal van het Congolese leger reeds eind februari 2011 tot een lange gevangenisstraf is veroordeeld. De illustraties kunnen dus niet worden ontkend.

 

Als u mij vraagt of ik het voorgaande voldoende acht, antwoord ik u ‘neen’. Ik heb ook verklaard dat het niet voldoende is. Het is echter evenmin ernstig te doen alsof wij dergelijke inspanningen niet zien. Ik heb erop aangedrongen dat men verdere vooruitgang moet boeken.

 

Ook de zaak Chebaya heb ik ter sprake gebracht, niet alleen bij de minister van Justitie maar ook bij president Kabila zelf. Ik heb duidelijk laten verstaan dat ik heel veel belang hecht aan een transparante behandeling van die rechtszaak, zowel ten gronde alsook omwille van de belangrijke symboolwaarde. Daarin kunnen we een lakmoesproef zien.

 

Het is duidelijk dat de vervolging van Bosco Ntaganda een onderdeel moet zijn in de strijd tegen de straffeloosheid. Tijdens mijn bezoek heb ik daar herhaaldelijk op aangedrongen. De Congolese overheid is er zich van bewust dat dit dossier haar verantwoordelijkheid is die ze niet eeuwig voor zich uit kan schuiven.

 

Mijnheer Tuybens, nog even over het mapping report. Een vaststelling is dat Congo een van de weinige landen is die dat mapping report heeft aanvaard. Een aantal collega’s uit de buurlanden heeft dat niet eens gedaan. Er zijn mensen die vinden dat ik een tout-va-bienverhaal vertel. Dat doe ik helemaal niet, maar zien wat er wel gebeurt vind ik onderdeel van een lucide kijk. Men moet vaststellen dat de blik van de Congolezen op hun eigen situatie groeit in termen van het besef dat er absoluut vooruitgang nodig is. Men aanvaardt dat de internationale gemeenschap een aantal dingen tegen hen zegt.

 

Er was een heel belangrijke vraag over de hervorming van de veiligheidssector. Mevrouw Brems en een aantal anderen hebben daar ook over gesproken. Van de gesprekspartners die in de EUSEC en MONUSCO actief zijn heb ik kunnen vernemen dat men zelf ook zegt dat de vooruitgang tergend traag is. Wat dat betreft is men de mening toegedaan dat men onvoldoende resultaten ziet in vergelijking met de geleverde inspanningen. Niemand vindt dat men de inspanningen moet stoppen, maar men is inderdaad gefrustreerd omwille van het tempo van de verbeteringen.

 

In het kader van de Belgische inspanningen op het vlak van de legeropleiding heb ik president Kabila bevestigd dat de Belgische Defensie in het kader van de militaire samenwerking en gezien het goede resultaat van het 321ste Bataljon, de intentie heeft en het aanbod wil formuleren om deze opleidingen verder te zetten volgens nader te bespreken modaliteiten tussen de twee landen. De stafchef van het Congolese leger komt naar België in het kader van de geslaagde operatie van het 321ste Bataljon, een bataljon dat een echte voorbeeldfunctie heeft gecreëerd omdat het zo gedisciplineerd en correct is tussengekomen bij onlusten in de Equatoriale provincie. Dat optreden werd zeer gewaardeerd. Het zou ook voor een tweede bataljon kunnen.

 

Wat de schuldkwijtschelding betreft, België heeft zich ertoe verbonden de Democratische Republiek Congo een totaal bedrag van 474,67 miljoen euro, bijna een half miljard euro, kwijt te schelden.

 

Het is een bilaterale schuldkwijtschelding. België gaat daartoe over, net zoals de andere leden van de Club van Parijs. Toen ik daar was, heb ik het nog eens herberekend. De totale som die wordt kwijtgescholden, bedraagt ongeveer zestien keer zoveel als het kleine half miljard van België.

 

België is dus niet de grootste donateur of kwijtschelder. Ook andere landen doen dat. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de schuldkwijtschelding waarvan Congo kon genieten vanwege de Wereldbank en het IMF, nadat dit land in 2010 het zogenaamde completion point had bereikt in het kader van het programma van de highly indebted poor countries, HIPC.

 

Dat is een programma dat tot doel heeft arme landen te helpen die een bijzondere schuldenlast dragen, maar die volgens de visie van het IMF en de Wereldbank een gezonder macro-economisch beleid voeren. De DRC heeft dus voorafgaandelijk een aantal voorwaarden op het vlak van het macro-economisch beleid en goed economisch bestuur moeten vervullen alvorens van die schuldkwijtschelding te kunnen genieten.

 

Ook dit wil ik weer als illustratie geven voor degenen die zich afvragen of het daar ooit betert. Ja, het betert ooit en het gaat vooruit, maar in een tempo dat te traag is. In de rangschikking van countries for doing business is Congo het afgelopen jaar met zeven plaatsen gestegen. Dat is een positieve manier om ernaar te kijken.

 

Een negatieve manier om ernaar te kijken is dat ze van de 182ste naar de 175ste plaats zijn gegaan. Ik ontken niet dat Congo helemaal achteraan bengelt, maar als wij ooit willen dromen van een situatie waarin Congo gebruikmaakt van zijn natuurlijke rijkdom om een waardevolle partner in het internationale concert te worden, hoe had men gedacht dat dit zou gebeuren? Met een toverstokje, in één klap? Of had men gedacht dat dit gebeurt door jaar na jaar zeven plaatsen te winnen?

 

Ik ben de mening toegedaan dat het op die tweede manier zal gebeuren, met een stapsgewijze vooruitgang, daarbij ongeduldig blijvend en blijven aandringen op verdere vooruitgang, maar niet vervallen in de fout om zelfs de vooruitgang niet te zien, want daarmee geeft men geen ondersteuning aan de krachten die in positieve richting werken.

 

Die kwijtschelding is dus geen willekeurig gebaar. U moet het zien als een onderdeel van onze inspanningen op weg naar de economische gezondmaking. Daarbij wordt vooral, wat ons betreft, aandacht geschonken aan een verbetering van de good governance van de Congolese regering. Ik heb de kans gekregen om opnieuw aan te dringen op de absolute noodzaak daarvan meer werk te maken.

 

De heer Vercamer wil mij nog iets over gezondheidszorg horen zeggen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daarover een aantal overwegingen aan de meereizende journalisten heb meegegeven.

 

De initiële opmerking die ik telkens opnieuw heb gemaakt, namelijk dat ik geen minister van Ontwikkelingssamenwerking ben, werd altijd weggelaten. Ik heb gewoon mijn persoonlijke politieke mening gegeven.

 

U weet dat in het kader van het toespitsen van de ontwikkelingssamenwerking op bepaalde domeinen voor Congo, net zoals voor andere landen, een keuze werd gemaakt. Gezondheidszorg maakt geen deel meer uit van de meerjarenplanning.

 

Ik heb persoonlijk, en niet als minister van Buitenlandse Zaken of als lid van de regering, de vraag geformuleerd of dat wel zo wijs is.

 

Als men kijkt naar België met onze lange traditie van het Tropisch Instituut in Antwerpen en de expertise die wij hebben en als men kijkt naar de noden in Congo, moet men beseffen dat een sterke economie nog altijd sterk gepaard gaat met de gezondheid van de mensen, de kans om de kindersterfte te verminderen, de kans om kraamsterfte tegen te gaan en dat de gezondheidssector, net zoals in Burundi, een plaats in onze ontwikkelingssamenwerking blijft verdienen.

 

Wij zitten in lopende zaken. Een mens mag eens zijn gedacht zeggen zonder dat dit noodzakelijkerwijs een engagement van een minister is. In die context moet u mijn opmerkingen begrijpen, mijnheer Vercamer.

 

U hebt dus al van mij gehoord dat ik eigenlijk voorstander ben. Als er een nieuw regeerakkoord komt, ben ik zeker voorstander om daar nog eens goed naar te kijken. Ik heb het gevoel dat wij dit thema in de ontwikkelingssamenwerking best zouden handhaven. U mag dat niet als meer nemen dan wat ik u net heb verteld.

 

Mijnheer de voorzitter, ik kom tot de conclusie. Mijn excuses voor het lange verhaal, maar het was ook een debriefing van de reis.

 

Ik heb in mijn diverse gesprekken op een open en constructieve manier de verschillende punten kunnen aankaarten die België na aan het hart liggen. Ik heb dat gedaan in het verlengde van wat de Belgische diplomatie nu al vele maanden doet, namelijk niet vinden dat alles in orde is maar toch kanalen zoeken waarin we dit onder woorden kunnen brengen en waarin we met het staatshoofd langer dan een uur kunnen praten op een manier dat er wordt genoteerd wat de Belgen te vertellen hebben.

 

Ik heb een grote luisterbereidheid bij mijn gesprekspartners vastgesteld, die de omvang van de problemen niet verbergen, die niet aarzelen om daarover in een geest van wederzijds respect in dialoog te treden.

 

Uit de ontwikkelingen van de voorbije maanden onthoud ik dat de Congolese regering wel degelijk rekening houdt met de constructieve bemerkingen van haar partners, waaronder België.

 

Als laatste illustratie van dat feit wil ik toch aangeven dat de volledige houding van de Congolese regering ten aanzien van de internationale aanwezigheid van de VN volstrekt anders is geworden in vergelijking met de tijd dat de heer Kabila nog zei dat de MONUC uit zijn land moest verdwijnen.

 

Als wij vandaag hebben kunnen spreken over de aanwezigheid van MONUSCO en de taken die de VN ter harte kan nemen, heb ik het gevoel dat er een wijziging van 180 graden is gekomen, die u niet zult zien in de Belgische diplomatie.

 

Daarop wil ik nogmaals wijzen. Iedereen die beweert dat ik 180 graden verschil van de heer De Gucht wil ik tegenspreken. Als het gaat over de inhoud van wat ik daar te vertellen heb, kunt u mijn nota’s naast die van de heer De Gucht leggen en zult u daarin weinig marge vinden.

 

Het enige wat ik als cruciaal element benadruk, is dat ik het minder zinvol vind om die speaking notes op zak te hebben en niemand te hebben om mee te spreken. Ik wil ervoor zorgen dat men naar mij wil luisteren en dat men wil horen wat de Belgen te vertellen hebben.

 

01.10  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de minister, ik zou op een aantal punten die u hebt aangehaald, willen terugkomen. Ik zelf zie hier en daar ook wel wat vooruitgang maar ik blijf toch het onaangename gevoel hebben dat Congo evolueert naar een eenpartijstaat. Ik kan u volgen als u zegt dat dit deels te wijten is aan de verdeeldheid van de oppositie maar de tendensen over de laatste vijf jaar gaan helaas toch in die richting. Er is een tegenbeweging in sommige regio’s, maar meestal ontbreken daar de figuren of durft men het niet aan om de tegenmacht die in een democratie altijd aanwezig moet zijn tot stand te laten komen.

 

Ik zal u bekennen dat ik zelf ook niet met honderd procent zekerheid weet wat nu de beste aanpak is ten aanzien van die situatie. Is de aanpak van uw voorganger om vrank zijn mening te geven de goede of is de eerder voorzichtige aanpak die u nu hanteert de juiste? Ik weet het niet. Ik stel echter wel vast dat u meer De Gucht lijkt in Burundi en meer uzelf in Congo om het met een boutade te zeggen. Als ik kijk naar de vranke manier waarop u in Burundi de heersende elite op een paar tekortkomingen wijst, draagt die mijn goedkeuring weg. Ik ga daar trouwens straks een vraag over stellen. U hebt daar de vinger op de problemen gelegd en u hebt dat openlijk gedaan.

 

01.11 Minister Steven Vanackere: (…)

 

01.12  Dirk Van der Maelen (sp.a): Dat is mogelijk maar u loopt het risico verweten te worden dat u twee maten en twee gewichten hanteert. In Congo pakt u ze aan met zeer veel fluweel rond de handen.

 

Nog eens, ik geef toe dat ik zelf nog niet weet wat de beste oplossing is.

 

Naar aanleiding van uw reis en van deze vraag heb ik een paar artikelen gelezen. Een van de meest boeiende en onverwachte is een interview dat u hebt gegeven aan De Tijd. Volgens mij wijst u daar terecht op iets wat ik hier samenvat en waarmee ik u misschien onrecht aandoe. In de meerpolige wereld waar wij naartoe gaan, is het belangrijk dat Afrika naar de kant van Europa kantelt. Daarom zegt u dat wij een goede relatie moeten houden met Kinshasa. U droomt van de as Brussel-Kinshasa binnen 50 jaar. Als klein land mogen wij heel strategisch denken en ik denk dat u daar gelijk in hebt.

 

Ik stel mij wel de vraag of wij met uw aanpak niet de fout maken die wij, het Westen en Europa, hebben gemaakt in Noord-Afrika. Ik bedoel dat wij onze steun hebben gegeven aan leiders met een zeer twijfelachtig democratisch gehalte en waarbij men vragen kan stellen over de resultaten op het vlak van goed bestuur in de zin dat men een land als Congo met enorme natuurlijke rijkdommen en mogelijkheden bestuurt om te pakken wat er is. Ik heb het gevoel dat er in Kinshasa opnieuw een kleine kliek op de eerste plaats bezig is zichzelf te verrijken. Eigenlijk lopen we het risico opnieuw het volk te verraden.

 

01.13 Minister Steven Vanackere: Dit is niet het geval als u vergelijkt hoeveel tijd ik gespendeerd heb aan gesprekken met Kabila en zijn ministers en de tijd die ik gespendeerd heb aan het spreken met de oppositie, het middenveld, mensen die zoals u zegt zich ooit zouden kunnen verraden voelen. Dat gevaar bestaat niet. Dat is de erfzonde die de Europese Unie, en ongetwijfeld ook een aantal lidstaten, in de Arabische wereld hebben gemaakt. Men vreesde om sommigen te mishagen en ging dan ook niet spreken met de oppositie of met kritische middenvelders. In Congo heb ik dat in grote openheid kunnen doen.

 

In dit Parlement ondervraagt u mij – dat is normaal – vooral over wat ik tegen Kabila heb gezegd, tegen de minister van Justitie en of ik over Chebeya heb gesproken. Wat u minder vraagt is of ik ook veel contacten heb gehad die niet de officiële machthebbers van vandaag betreffen. Mijn antwoord is ja. Het is niet zo dat wij Kinshasa niet willen loslaten, als u daarmee ook bedoelt het leiderschap van vandaag: wij willen Congo niet loslaten! Congo niet loslaten betekent dus veel meer dan alleen maar een correcte, genormaliseerde relatie met dat land onderhouden. Dat heeft ook te maken met investeren in de diepte. Ik ga met u akkoord dat wij dat te weinig hebben gedaan in de Arabische wereld. Ik verzeker u dat ik niet zinnens ben die fout in Congo te maken.

 

U hoeft niet te vrezen dat mijn positie van nu tot gevolg zal hebben dat men de Belgen ooit zal verwijten te veel zoete broodjes met de een of ander te hebben gebakken, absoluut niet. De mensen van de oppositie, de mensen van het middenveld, de mensen van de pers waren bijzonder tevreden met een aantal van de boodschappen die ik daar heb gegeven. Ik heb een persconferentie gegeven voor Congolese journalisten. De woorden die ze hebben overgenomen, waren duidelijk bedoeld om te zeggen: die Belg zegt het, wij moeten het zelf doen.

 

Zij zagen die berichten wel degelijk als woorden van een bondgenoot en niet als woorden van een Westerse macht die zich laat verblinden door enkel te spreken met de machthebbers van vandaag. Ik wil dat toch even zeggen. Het is een gewichtig element van ons buitenlands beleid. U vraag stelt de zaken scherp. In de toekomst moeten wij er goed op toezien dat wij beide dingen doen. Ten eerste, mogen wij de communicatie met de machthebbers niet verbrodden. Dat is nergens nuttig voor. Dat kan opluchten, maar in de grond schieten wij daar niet veel mee op. Ten tweede, moeten wij ervoor zorgen dat de contacten breed genoeg zijn, om nooit het verwijt te krijgen dat wij alleen met Kabila zouden willen spreken.

 

01.14  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de minister, ik vrees dat enkel de toekomst het kan uitwijzen.

 

De informatie die ik krijg van het Congolese middenveld en vanuit oppositiekringen is dat zij ervan uitgaan dat er in de Congolese samenleving een groot ongenoegen bestaat over de prestaties van president Kabila en zijn ploeg. Ik krijg signalen dat men bang is dat de verkiezingen getrukeerd zouden worden, of door grote groepen als getrukeerd zouden worden gezien.

 

U praat met de oppositie, zegt u. Goed, maar uiteindelijk leggen wij het regime weinig of niets in de weg. Wij kunnen van mening verschillen, maar ik vrees dat men evolueert naar een eenpartijstaat, met een Mobutu-achtig regime in Kinshasa. Ik vrees dat ons dat zwaar aangerekend zal worden door de bevolking. Maar nog eens, dat is mijn vrees. U acht die vrees niet helemaal terecht. De toekomst zal het uitwijzen.

 

Ik rond af, want ik wil ook de collega’s de kans geven te repliceren. Ik meen dat wij er goed aan doen meer nadruk te leggen op de condities. Op korte termijn hebben wij een paar hefbomen, waaronder die 5 miljoen euro. Op iets langere termijn hebben wij ook de enveloppe van iets meer dan 100 miljoen euro. Ik weet niet of wij daarmee veel indruk maken in Kinshasa. Ik maak mij daar niet te veel illusies over. Toch is het goed dat wij afstemmen met andere belangrijke spelers in Kinshasa en dat wij de uitslag van de verkiezingen afwachten, de nieuwe situatie bekijken en dan proberen te wegen op de ontwikkelingen. Hopelijk kunnen wij die in de goeie richting brengen.

 

Trouwens, ik weet niet of u het met mij eens bent, mijnheer de minister, als ik meen een zekere Congo-fatie in de internationale gemeenschap vast te stellen. Ik vrees dat wij Belgen die altijd aandacht vragen in de VN en in de Europese Unie, het hoe langer hoe moeilijker zullen krijgen om de aandacht op Congo te vestigen. Ik heb de indruk dat de aandacht gaat naar de Hoorn van Afrika, Soedan, en zo meer. We zullen dus op onze strepen moeten staan als wij in het belang van Congo willen proberen om het regime daar te verbeteren.

 

U hebt het al gezegd en ik herhaal het: provinciale en lokale verkiezingen zijn voor de nabije toekomst eigenlijk belangrijker. Ik vrees namelijk dat we de winnaar van de presidentsverkiezingen al kennen. Bij de uitkomst van parlementsverkiezingen plaats ik een vraagteken. Het zou wel eens kunnen dat het Kabila-regime erin slaagt om, zoals in de afgelopen periode… Het meest sprekend voorbeeld daarvan was de grondwetswijziging, dat het regime in minder dan tien dagen door de Kamer en de Senaat gekregen heeft.

 

Mijnheer de voorzitter, ik heb uw hint begrepen. Ik probeer af te ronden.

 

Ik meen dus dat we van het parlement weinig tegengewicht mogen verwachten, maar de lokale verkiezingen zouden misschien wel goed kunnen zijn.

 

Ik dacht dat een van uw gesprekspartners gezegd heeft: wat wij in Congo nu hebben, is het dak van de democratie, maar het dak van de democratie zal niet overeind blijven als het fundament, zijnde de lokale democratie, ook niet wortel geschoten heeft. Wat betreft conditionaliteit, lijkt mij dat dus een van de belangrijkste voorwerpen: eisen dat de provinciale en lokale verkiezingen plaatsvinden.

 

01.15  Peter Luykx (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor uw uitgebreid antwoord. Ik zal proberen iets korter te zijn dan mijn collega.

 

Uw stijl is om een of andere reden een onderwerp dat ter sprake komt. U pleit voor een normalisering; voor een lucide, heldere kijk op de zaken; dat we niet in uitersten moeten vallen. Daar ben ik het mee eens, maar ik zou het dan eerder een rationalisatie van onze relatie met Congo willen noemen. De voorganger van uw voorganger, mijnheer Leterme in casu – er zijn er de laatste jaren een aantal geweest – had in een Congodebat ook al voorgesteld om een nota op langere termijn op te stellen waarin een aantal inhoudelijke thema’s, toetsstenen, worden vooropgesteld die voor ons belangrijk zijn en waaraan we ons buitenlands beleid ten aanzien van Congo afmeten. In die zin is rationalisatie een betere uitdrukking.

 

U zegt dat we kunnen relativeren, dat het glas halfvol of halfleeg kan zijn. Vergelijkingen zijn altijd heel gevaarlijk. Twee weken geleden heb ik Václav Klaus gehoord in Antwerpen en die zei ook ‘the glass can be half full or half empty’ om de situatie in Fukushima te relativeren. Alles kan van twee kanten worden bekeken.

 

Essentieel in Congo is toch dat de start een slechte start was. De verkiezing in twee ronden is herleid tot een ronde. Dat is een vaststaand feit. De oppositiepartijen zullen nu niet of veel te laat tot een kandidaat komen. Het kwaad is daar toch al geschied.

 

U zegt dat de volledige cyclus moet worden uitgevoerd. We beginnen eigenlijk met een halve cyclus.

 

01.16  Peter Logghe (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord.

 

Ik zal mijn repliek kort houden. Ik heb vooral onthouden dat u vond dat inzake de verkiezingen alles, voorlopig althans, op schema zat, dat de kieskalender werd gevolgd, dat niemand vragende partij was voor verdaging van de verkiezingen, dat de registratie van de kiezers behoorlijk loopt en dat de werking van de kiescommissie blijkbaar ieders akkoord wegdraagt.

 

Ik blijf de haalbaarheid van de kieskalender een eerste moeilijk punt vinden. Wij zullen dat vanuit de oppositie van heel nabij proberen opvolgen.

 

Een tweede moeilijk punt is de intimidatie van de oppositie die, zoals u zelf ook zegt, ontoelaatbaar is. U zegt dat u dit ook met zoveel woorden hebt gezegd. Ik hoop dat u vooral hier alert zult zijn, want u zult het met mij eens zijn dat de manier waarop men met oppositie omgaat, een van de hoekstenen vormt van een volwaardige democratie. Op dat vlak heeft Congo ons wel een paar minder fraaie voorbeelden gegeven.

 

Op een element hebt u geen concreet getal geplakt. U had het over ngo’s die u zou willen steunen bij de verkiezingswaarneming, en u zei dat u daarvoor een bepaald bedrag beschikbaar had. Kunt u dat bedrag meedelen?

 

01.17 Minister Steven Vanackere: Nee. Het gaat uiteraard ook over een eventuele samenwerking met parlementaire assemblees. Ik laat dat nog wat in het midden omdat ik eerst wil zien welke voorstellen mij door de verschillende organisaties, van de ngo’s of van parlementaire aard, zullen worden gedaan.

 

Men zal zich in ieder geval bereid verklaren dat België participeert aan de waarnemingsopdracht. Het kan ook zijn dat er internationale verbanden zijn. Wij zullen nagaan of wij samenwerken met andere lidstaten of het zelf doen op parlementair niveau of met ngo’s. Het is te voorbarig om daarop nu een cijfer te plakken, laat staan daarvan een verdeling te geven.

 

01.18  Peter Logghe (VB): Mijnheer de voorzitter, ik besluit.

 

Mijnheer de minister, u zegt dat vooruitgang niet met een toverstokje gebeurt. Wij hebben dat ook nooit gezegd. Wij weten dat ook wel, zeker in dat land.

 

Wij blijven in sterke mate kritisch omdat er in het verleden al zoveel pogingen zijn geweest om de zaak op gang te trekken die uiteindelijk op niets zijn uitgedraaid.

 

Ik blijf het heel moeilijk hebben met de intimidatie van de oppositie, in het verleden. Ik zal dit van nabij proberen op te volgen. Ik hoop dat het niet wordt zoals in het verleden al te vaak het geval is geweest.

 

01.19  Bruno Tuybens (sp.a): Mijnheer de minister, ik neem in ieder geval akte van uw gevoel van evolutie op het vlak van de mensenrechten in Congo.

 

Wij mogen uiteraard niet naïef zijn. Ik heb specifiek de vraag gesteld over de man met de moeilijk uit te spreken naam Bosco Ntaganda. Wij moeten kritisch blijven, die man is geïncorporeerd in het Congolese leger wegens zijn lokale macht in Noord-Kivu. Hij is generaal van het Congolese leger geworden omdat hij een rebellengroep van tutsi uit Noord-Kivu geïncorporeerd heeft. Hij is als het ware ingekocht door de regering van Kabila om louter politieke en misschien zelfs electorale redenen. Ik stel mij dan natuurlijk de vraag of president Kabila het ernstig meent met de strijd tegen de straffeloosheid.

 

Ik ben in ieder geval blij dat u aanduidt dat deze zaak ook onderdeel uitmaakt van de strijd tegen straffeloosheid. Ik hoop dat er effectief nog gevolg zal worden gegeven aan de vraag van het Internationaal Strafhof om die persoon te horen. De Congolese autoriteiten zullen daarvoor uiteraard de eerste stap moeten zetten. Aangezien hij generaal is in het leger maak ik mij daar echter bijzonder weinig begoochelingen over.

 

01.20  Eva Brems (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, er is inderdaad een groot verschil met de zeer pessimistische analyse van de International Crisis Group, in die zin dat het in het beste geval een logistieke chaos is en dat er in het slechtste geval een spiraal van geweld op gang komt. Ik hoop dat u gelijk hebt, dat die positieve signalen er effectief op wijzen dat de situatie ook gunstiger kan geïnterpreteerd worden.

 

Het is interessant dat u stelt dat België de tweede belangrijkste donor is als het over die verkiezingen gaat en dat het ook goed is doorgedrongen bij de Congolezen dat België ook voor de steun vanuit de Europese Unie een cruciale spil is. Het verschil tussen Burundi en Congo, in het algemeen gesproken, is immers dat wij daar zo’n belangrijke donor zijn, dat wij daar meer gewicht in de schaal kunnen leggen. Wij kunnen het ontwikkelingsbeleid en het buitenlands beleid immers wel scheiden in theorie, maar uiteraard hangt dat op het terrein samen en is het bepalend voor het gewicht dat men in de schaal werpt. Welnu, voor deze verkiezingen hebben wij dat gewicht dus ook. Wij moeten daar alles uit de kast halen. Ik ben blij dat wij die vijf miljoen hebben die gradueel ter beschikking kan worden gesteld, zodanig dat daaraan effectieve voorwaarden kunnen worden gekoppeld.

 

Dit is immers ook een testcase voor de inhoud van de democratie. Verkiezingen organiseren maakt nog geen democratie, men moet een samenleving hebben met vrijheid, waar een vrij debat mogelijk is over politiek. De aanloop naar verkiezingen is een testcase om te zien of daar werkelijk vrijheid is om campagne te voeren of men zich niet geïntimideerd voelt of het geweld kan gestopt worden, wat nu blijkbaar reeds bezig is in deze context.

 

Het is een aanmoediging van mijn kant om de situatie te blijven bewaken en om de hefbomen waarover wij financieel beschikken daarvoor in te zetten.

 

01.21  Stefaan Vercamer (CD&V): Mijnheer de vice-eerste minister, wij delen uw analyse, zelfs als is dat uw persoonlijke analyse, maar u weet dat wij veel belang hechten aan uw persoonlijke analyse, zelfs al valt dat soms buiten dossiers van Buitenlandse Zaken.

 

Jammer genoeg bent u niet bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking, maar het blijft onze overtuiging dat de verbetering van de basisgezondheidszorg in elk geval hand in hand moet gaan met een verbetering van de andere uitdagingen die zich in Congo aandienen. Trouwens, ook ngo’s op het terrein zelf kiezen nu resoluut voor die basisgezondheidszorg. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de campagnes van Wereldsolidariteit die heel actief zijn in Congo.

 

Ik heb begrepen dat wij moeten wachten op een nieuwe minister van Ontwikkelingssamenwerking. Wij zullen dit toevoegen aan ons te bespreken lijstje als wij een nieuwe minister van Ontwikkelingssamenwerking hebben. Bij Ontwikkelingssamenwerking zitten namelijk inderdaad de financiële middelen, en die vormen nog altijd de sterkste hefboom om ook anderen ervan te overtuigen, in Congo zelf, om de basisgezondheidszorg te versterken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Wij gaan verder met de vraag nr. 4544 van de heer Dirk Van der Maelen over de Defence and Deterrence Posture Revue.

 

01.22  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de voorzitter, ik stel voor deze vraag om te zetten in een schriftelijke vraag.

 

02 Samengevoegde vragen van

- de heer Dirk Van der Maelen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de 'non-paper', ondersteund door België, met voorstellen tot verhoogde transparantie over tactische kernwapens in Europa" (nr. 4545)

- mevrouw Eva Brems aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de non-paper betreffende de transparantie over de tactische kernwapens" (nr. 4710)

- mevrouw Eva Brems aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "een stappenplan voor de terugtrekking van de tactische kernwapens uit Europa" (nr. 4711)

02 Questions jointes de

- M. Dirk Van der Maelen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le non paper, soutenu par la Belgique, contenant des propositions pour une transparence accrue au sujet des armes nucléaires tactiques en Europe" (n° 4545)

- Mme Eva Brems au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le non paper relatif à la transparence au sujet des armes nucléaires tactiques" (n° 4710)

- Mme Eva Brems au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "une feuille de route pour le retrait des armes nucléaires tactiques d'Europe" (n° 4711)

 

02.01  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de voorzitter, België heeft samen met negen andere NAVO-lidstaten een non-paper ondertekend waarin een aantal maatregelen en voorstellen staan ter verbetering van transparantie en vertrouwen tussen de NAVO en Rusland aangaande tactische kernwapens.

 

Op zich is dat natuurlijk heel positief, zij het dat ik van oordeel ben dat er voorstellen in die non-paper staan die dreigen het proces ingewikkelder te maken en vooral op de lange baan te schuiven.

 

Ik heb aan de minister dan ook drie reeksen vragen.

 

Ten eerste, is onze regering bereid om er binnen de NAVO voor te pleiten dat werderkerige Russische stappen worden losgelaten als voorwaarde voor de verwijdering van Amerikaanse tactische kernwapens uit Europa? U weet, mijnheer de minister, dat de Russen er de, lijkt mij logische, redenering op nahouden dat zij hun tactische kernwapens na de val van het Warshaupact hebben teruggetrokken tot achter de Russische grens. Het zou dan ook logisch zijn dat de Verenigde Staten hun tactische kernwapens uit Europa terugtrekken. Helaas, in die non-paper wordt die band gelegd. Mijn vraag is of België binnen de NAVO ervoor wil pleiten die band los te laten?

 

De tweede reeks van vragen betreft het volgende: sluit de regering uit dat de VS in bilaterale gesprekken met Rusland een terugtrekking van de Amerikaanse kernwapens uit Europa onderhandelen? Is de regering bereid om in de NAVO te ijveren voor een mandaat voor de Verenigde Staten dat de VS toelaat ontwapeningsgesprekken met Rusland te openen met het aanbod om alle tactische kernwapens uit Europa terug te halen?

 

Ten slotte, helaas wordt in die nota voorgesteld om een seminarie over nucleaire doctrines te organiseren. In se is daar niks mis mee, maar dit dreigt de zaak te vertragen. Mijn vraag is dan ook: is onze regering bereid op te roepen om zo snel mogelijk gesprekken tussen Rusland en de Verenigde Staten te laten beginnen met betrekking tot de terugtrekking van de tactische kernwapens uit Europa?

 

02.02  Eva Brems (Ecolo-Groen!): Mijnheer de minister, ik heb twee vragen ingediend over kernwapens. De eerste is er gekomen naar aanleiding van de steun van ons land voor de non-paper betreffende de transparantie inzake de tactische kernwapens in Europa en Rusland.

 

Welke plaats neemt dit voorstel in in de strategie van de regering om tot een kernwapenvrij Europa te komen? Net als collega Van der Maelen focus ik natuurlijk op de reciprociteitsvereiste. Waarom steunt ons land die expliciete vereiste? Wat verstaat ons land daar juist onder? Welk wapentuig van Rusland viseren wij? Is die reciprociteit wenselijk? Is ze noodzakelijk? Wij weten toch dat Rusland destijds zijn tactische kernwapens al heeft teruggetrokken uit andere staten, terwijl er nog altijd wel strategische kernwapens van de VS in de EU liggen. Is dat dus niet een unfaire voorwaarde die het bereiken van de doelstelling van een kernwapenvrij Europa niet naderbij brengt?

 

Het valt een beetje op dat wij eerder bij de initiatiefnemers waren van een open brief aan Rasmussen van 26 februari om een grondige discussie te houden over nucleaire ontwapening, maar deze keer niet bij de opstellers van het document zijn. Vanwaar het verschil?

 

Ik heb nog een vraag naar aanleiding van een ander document, namelijk een heel interessant rapport van Pax Christi Nederland dat de standpunten analyseert van de NAVO-lidstaten over de terugtrekking van tactische nucleaire kernwapens uit Europa. Dat is heel interessant, want daaruit blijkt dat er binnen de NAVO voldoende politieke wil is om de kernwapens uit Europa te verwijderen. Vooral Frankrijk ligt dwars, naast een aantal oneigenlijke argumenten zoals: de rol van de gezamenlijke kernwapens in de cohesie van de NAVO en het burden sharing-effect ervan.

 

Wat is uw algemene appreciatie van dit rapport? Er wordt een heel concreet driestappenplan ontwikkeld. Lijkt dat haalbaar? Indien niet, waarom niet? Bent u bereid dat te steunen binnen de NAVO? Welke alternatieven ziet u? Het kan toch niet dat wij de kernwapens in Europa moeten behouden om de cohesie van de NAVO in stand te houden. Zijn er geen alternatieven voor die functies van cohesie en burden sharing?

 

02.03 Minister Steven Vanackere: De discussie binnen het NAVO-bondgenootschap over de militaire opstelling, in het jargon Defence & Deterrence Posture Review (D&DPR), in opvolging van de aanvaarding van het nieuwe NAVO-strategisch concept, werd recent opgestart.

 

De discussie vertrekt van de basisprincipes bepaald in het strategisch concept, namelijk de blijvende noodzaak van verdediging met een mix van conventionele en nucleaire middelen, enerzijds, en de uitbouw van een actief NAVO-profiel inzake ontwapening, wapenbeheersing en non-proliferatie, anderzijds. De rode draad in dit verhaal is het objectief om de rol van en het aantal nucleaire wapens te blijven verminderen. Tegelijkertijd is het evident dat zulke discussie relevant is voor de NAVO-Rusland Raad en dat de inspanningen aan NAVO-zijde een constructieve respons moeten krijgen aan Russische zijde.

 

Er zijn inderdaad geen strategische kernwapens van de VS op het Europese grondgebied aanwezig. Rusland aan de andere kant heeft zijn tactische kernwapens weliswaar teruggetrokken uit de voormalige Sovjetrepublieken maar bezit nog steeds een aantal tactische kernwapens op het eigen Europese grondgebied waarvan allicht een groot deel in de nabijheid van lidstaten van de EU en de NAVO.

 

Nadat ik vorig jaar al samen met een aantal bondgenoten het initiatief heb genomen om het nucleaire ontwapeningsthema een prominente plaats te geven in de uitwerking van het nieuw strategisch concept – de brief waarnaar u verwees – heb ik recent tijdens de NAVO ministeriële bijeenkomst te Berlijn samen met een aantal bondgenoten een werkdocument ingediend over het verhogen van transparantie en vertrouwenwekkende maatregelen aangaande tactische nucleaire wapens in Europa. Mevrouw Brems, wij waren ook geassocieerd met de indiening van dat tweede initiatief van een aantal landen. Bij de opstelling van dit document hebben de auteurs voortgebouwd op de eerder mede door ons land ingediende voorstellen. Daarmee dragen wij concreet bij tot het debat over de rol van nucleaire wapens in de NAVO en de rol van het bondgenootschap in de bredere ontwapeningsagenda. Dat kan ook een Russisch engagement in de NAVO-Rusland Raad over deze onderwerpen faciliteren.

 

In onze werkmethode vertrekken we van transparantie en vertrouwenwekkende maatregelen om tot latere concrete reducties te kunnen komen. Het werkdocument beoogt dus zeker geen uitstel van de discussies met Rusland maar biedt in tegendeel een goede en tijdige voorbereiding om juist die discussies binnen de NAVO-Rusland Raad productief te maken.

 

Het is wel zo dat de reducties er niet op unilaterale wijze zullen komen, maar wel via overleg dat garandeert dat de transatlantische band niet wordt verzwakt. De opname van NAVO tactische nucleaire wapens in een wapenbeheersingsproces moet het voorwerp uitmaken van consultaties binnen het bondgenootschap.

 

Inzake het rapport van Pax Christi wens ik te verwijzen naar de talrijke officiële initiatieven die ons land mee heeft gesteund binnen de NAVO die de NAVO-besluitvorming van binnenin heeft beïnvloed en daardoor meer concreet en engagerend zijn dan het onderschrijven van non-gouvernementele rapporten van buitenaf.

 

Ik herinner eraan dat ons land stelselmatig pleit voor het opstarten van nieuwe onderhandelingen tussen de VS en Rusland over nucleaire ontwapening, zo snel als mogelijk en overeenkomstig de uitvoering van het laatste START-verdrag waarin ook de tactische nucleaire wapens aan bod zouden komen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het principe van ondeelbaarheid van de veiligheid binnen het bondgenootschap en ook met de verwachting van reciprociteit tussen NAVO en Rusland. Precies daarom heb ik samen met de andere betrokken bondgenoten voorgesteld om actief gebruik te maken van de NAVO-Rusland Raad om zulke transparantie en vertrouwenwekkende maatregelen overeen te komen.

 

U zult zich trouwens ook herinneren dat België, met betrekking tot dat fameuze Missile Defense Shield, heeft aangehaald dat dit een gelegenheid moet zijn tot groter partnerschap met Rusland en niet tot minder vertrouwen en minder partnerschap.

 

Ik heb het volste vertrouwen in de ernst waarmee alle bondgenoten deze thematiek en onze voorstellen zullen benaderen. Ik denk dat ik mevrouw Brems gelijk moet geven dat bepaalde lidstaten, die vandaag nog over een souvereine nucleaire capaciteit beschikken, iets minder gemakkelijk in een bepaalde formulering van ons beleid willen instappen. In elk geval heb ik het gevoel dat al te veel nadruk op de nood aan zogenaamde unilaterale acties ons niet veel verder zal helpen.

 

Ik wens te bekomen dat er een door iedereen gedragen beslissing komt die kan passen in onze visie van een veiligere en stabielere wereld op termijn, zonder kernwapens, via stappen die daartoe concreet bijdragen.

 

02.04  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik weet niet of ik de signalen uit de Verenigde Staten goed lees, maar daar wordt hoe langer hoe luider gezegd dat de Verenigde Staten geen enkel probleem hebben – noch militair, noch politiek – om die wapens terug te trekken. Wij komen voor de paradoxale situatie dat de problemen zich eerder binnen Europa situeren en dat Europa het probleem bemoeilijkt door bilaterale gespreken daarover tussen de VS en Rusland in een NAVO-verband of in de NAVO-Rusland Raad te laten plaatsvinden. Dit heeft tot gevolg dat de verwijdering van die tactische kernwapens niet wordt gerealiseerd.

 

Ik hoop dat België zo snel mogelijk toetreedt tot het kamp van zij die zeggen dat wij zo snel mogelijk van die wapens af moeten geraken. Dit betekent dat wij de VS en Rusland daarover rechtstreeks met elkaar moeten laten praten. Ik denk dat die tactische kernwapens dan zeer snel uit ons land en uit de vijf andere landen zullen worden verwijderd.

 

02.05  Eva Brems (Ecolo-Groen!): Mijnheer de minister, ik volg wat de heer Van der Maelen gezegd heeft. Het terrein is echt klaar om die kernwapens terug te sturen en niet alleen te hopen op terugtrekking ervan.

 

Ik heb uit hetzelfde rapport van Pax Christi ook geleerd dat Griekenland dat eigenlijk al gedaan heeft bij het begin van het nieuwe millennium. Men heeft gewoonweg gezegd dat men de behoefte niet langer zag om te investeren in nucleaire capaciteit. Dat is geen probleem geweest. Er is dus een precedent op dat vlak. Ook ons land zou dat kunnen, niet langer die nucleaire capaciteit op ons grondgebied aanvaarden. Dat soort daden kan ook een belangrijk statement zijn in de verdere politieke onderhandelingen met de andere Europese staten daaromtrent.

 

Ik hoop dat onze regering – of anders de nieuwe regering die we hopelijk zeer spoedig zullen hebben – een sterkere ontwapeningsagenda naar voren zal durven schuiven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 4547 van mevrouw Dumery wordt ingetrokken.

 

Ik wil de collega’s die niet aanwezig waren bij het begin van de vergadering eraan herinneren dat de vragen met betrekking tot Libië vrijdag worden gesteld. Mevrouw Boulet, uw vraag in verband met Libië is dus ook voor vrijdag. U mag ze nu kort stellen, maar de antwoorden zullen sowieso vrijdag worden gegeven.

 

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Daphné Dumery aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de Europese sancties tegen het Syrische regime" (nr. 4547)

- mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het gebruik van geweld tegen de burgers in Syrië" (nr. 4747)

- mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de betrekkingen tussen Turkije en Syrië" (nr. 4827)

- mevrouw Els Demol aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de toestand in Syrië" (nr. 5194)

- mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de situatie van de politieke gevangenen in Syrië en de door het Syrische regime aangekondigde amnestie" (nr. 5266)

- mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de door Syrië aangekondigde hervormingen en de betrekkingen tussen België en Syrië" (nr. 5267)

03 Questions jointes de

- Mme Daphné Dumery au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les sanctions européennes contre le régime syrien" (n° 4547)

- Mme Juliette Boulet au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le recours à la force à l'encontre des civils en Syrie" (n° 4747)

- Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les relations entre la Turquie et la Syrie" (n° 4827)

- Mme Els Demol au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la situation en Syrie" (n° 5194)

- Mme Juliette Boulet au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la situation des prisonniers politiques en Syrie et l'amnistie annoncée par le régime syrien" (n° 5266)

- Mme Juliette Boulet au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les réformes annoncées en Syrie et les relations entre la Belgique et la Syrie" (n° 5267)

 

03.01  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le président, je poserai mes deux questions sur la Libye vendredi prochain. C'est plus cohérent.

 

Le président: Comme vous voulez.

 

03.02  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le ministre, je vais rapidement poser mes questions relatives à la Syrie, car elles se recoupent. Elles sont aussi le reflet de l'actualité dramatique.

 

Depuis plusieurs semaines, la presse et les ONG nous informent de la violente répression menée par le gouvernement syrien à l'encontre des civils qui manifestent en faveur de réformes politiques, mais aussi de plus en plus en opposition au président Bachar el-Assad. Les rapports et les témoignages affluent. Amnesty International fait ainsi état de tanks qui pilonnent des zones civiles, par ailleurs privées d'eau et d'électricité; de villes complètement dévastées; de répressions à l'arme lourde; d'arrestations arbitraires et de centaines de personnes tuées dans tout le pays. Il existe également un risque énorme que les manifestants subissent des tortures et autres traitements inhumains.

 

En avril, vous aviez condamné l'usage excessif et insensé de la violence et aviez demandé que le régime syrien respecte les droits fondamentaux de la population – notamment la liberté d'expression et de la presse – et qu'il établisse un véritable dialogue démocratique. Vous aviez ajouté que les responsables des exactions devraient un jour rendre des comptes.

 

Il serait intéressant et utile que vous puissiez nous expliquer votre positionnement à l'heure actuelle. Qu'est-il ressorti des discussions qui ont eu lieu au niveau européen, notamment en termes d'éventuelles sanctions qui seraient prises contre le régime?

 

Mon autre question portait sur les réformes annoncées en Syrie et les relations que notre pays entretient avec celle-ci. Le 31 mai, le régime el-Assad avait évoqué la mise en place d'un comité de préparation, composé de sept personnes, sous la direction du vice-président, qui aurait pour mission d'organiser un Congrès national syrien. Ses différents objectifs porteraient sur la loi relative aux partis, la loi électorale, la loi sur les publications et autres réglementations destinées à encadrer les futures réformes. La population a accueilli cette annonce de façon mitigée. En effet, ce comité serait composé de personnes "neutres" et "indépendantes", mais qui seraient désignées par le gouvernement. Cela donne à penser que, loin d'un dialogue, cela favoriserait un monologue du pouvoir en place.

 

Lors du CAGRE, les États membres de l'Union européenne avaient appelé les autorités syriennes à répondre aux demandes de la population en lançant "un dialogue national" et en mettant en place un calendrier des réformes politiques. Monsieur le ministre, comment accueillez-vous cette initiative du régime syrien? Pensez-vous qu'il s'agisse d'une avancée significative qui répondrait aux demandes de la population?

 

Surtout, quel rôle la Belgique pourrait-elle jouer dans la mise en œuvre d'un réel dialogue vers les réformes?

 

Les États de l'Union européenne ont annoncé, via le Conseil, qu'ils reverraient aussi tous les aspects de leur coopération actuelle avec la Syrie. L'Union européenne a notamment suspendu la préparation des nouveaux programmes bilatéraux et les programmes bilatéraux actuels liés aux instruments MEDA et de la Banque européenne d'investissement. Les États membres seraient également prêts à revoir l'ensemble des accords bilatéraux pris avec la Syrie.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous informer des accords que la Belgique a eus et a peut-être encore avec le régime syrien, qu'ils soient d'ordre financier, économique et culturel? Des modifications de ces accords sont-elles en cours?

 

En ce qui concerne la situation des prisonniers politiques en Syrie et l'amnistie annoncée par le régime syrien, le 31 mai dernier, le régime a fait une communication à propos d'une amnistie générale, mais spécifique aux crimes d'appartenance à l'association des Frères musulmans et qui étaient, auparavant, systématiquement passibles de la peine de mort, laquelle a été, par la suite, remplacée par une peine de 12 ans de prison.

 

Selon l'organisation Human Rights Watch, cette amnistie laisse dans l'ombre 17 à 18 000 disparus des événements du début des années 1980. Elle ne mentionne pas non plus les détentions arbitraires actuelles et la torture exercée à l'encontre des opposants, sachant que la plupart des détenus sont emprisonnés et torturés dans des lieux tenus secrets et, ensuite, contraints à signer des documents les engageant à ne plus participer à des manifestations.

 

Malgré l'abolition de l'état d'urgence, on constate que la répression et la violence sur le terrain n'ont en rien diminué. On parle de plus de 1 100 civils tués depuis la contestation et de 10 000 personnes qui auraient été interpellées. Y aurait-il eu des prises de parole de la Belgique sur cette annonce d'amnistie? Quelles seraient éventuellement les nouvelles mesures que la Belgique ou, plus réalistement, l'Union européenne pourrait prendre, notamment via un renforcement des sanctions à l'égard de la Syrie?

 

03.03  Els Demol (N-VA): Mijnheer de minister, men blijft de protesten in Syrië hardhandig neerslaan. Hoewel het erg moeilijk is om de nieuwsberichten op hun waarheid te controleren, omdat buitenlandse media door de overheid niet worden getolereerd, lezen wij nu toch in nieuwsberichten dat de krachtmeting tussen de betogers die de regering weg willen, en het Syrische leger in een nieuw stadium is getreden.

 

Naar schatting 1 400 personen – ik hoor net het getal van 1 600 personen vernoemen – zouden reeds bij de protesten zijn omgekomen. Een vluchtelingenstroom naar verschillende buurlanden is op gang gekomen. Er zijn tevens berichten dat een aantal soldaten ook de kant van de demonstranten kiest.

 

Op 6 juni 2011 meldt de Syrische staatstelevisie dat 120 politie- en veiligheidsmensen bij een hinderlaag door gewapende bendes zijn vermoord. Dat wordt echter meteen tegengesproken door oppositieleden in ballingschap, die beweren dat dergelijke acties niet door demonstranten kunnen worden opgezet. De 120 politie- en veiligheidsmensen zouden door collega’s zijn omgebracht, om muiterij in de kiem te smoren.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, wat is de officiële versie die de Syrische ambassade verkondigt?

 

Ten tweede, wat is de reactie van de ambassade op de veroordeling van het gebruik van geweld door de overheid in Syrië tegen burgers, die op 23 april 2011 bekend werd?

 

Ten derde, wat is het huidige standpunt van België in die situatie?

 

Ten vierde, wie beschouwt u als vertegenwoordiger en aanspreekpunt van de demonstranten om de democratische dialoog, waartoe u oproept, te kunnen voeren?

 

03.04  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, mijn vraag is uiteraard ook geïnspireerd door de wijze waarop het Syrische regime zich aan steeds meer geweld tegen zijn eigen bevolking te buiten gaat.

 

Ondertussen weten wij ook dat de Verenigde Naties er niet in slagen een veroordeling van Syrië uit te spreken. Die instelling slaagt er niet eens in de gebeurtenissen in voornoemd land mondeling te veroordelen, waarschijnlijk omdat een aantal lidstaten schrik heeft dat er op de duur ook in Syrië oorlog moet worden gevoerd.

 

Het is evenwel frappant hoe het geweld in dat land escaleert.

 

De vorige sprekers hebben verteld over de represailles tegen de bevolking en de oppositie wegens de beweerde aanval op veiligheidsmensen in Syrië.

 

Een groot deel van de vluchtelingenstromen die op gang komen, gaat richting Turkije. De vluchtelingen steken de grens over naar tentenkampen die voor hen in Turkije worden opgericht. Turkije heeft immers aan de Syrische bevolking duidelijk gemaakt dat zij welkom is, indien zij op de vlucht gaat, en in Turkije zal worden opgevangen.

 

Turkije is een bondgenoot in de NAVO en is ook een vriend van Syrië, het is de belangrijkste handelspartner van het land en het is ook een regionale grootmacht.

 

Deelt de Belgische regering de mening dat specifiek Turkije een belangrijke rol kan spelen bij de beïnvloeding van het Syrische regime? Aangezien de Verenigde Naties daarin niet slagen, is het nuttig om op die wijze een andere tactiek te ontwikkelen.

 

Als de Belgische regering ook in die zin denkt, welke stappen heeft België reeds ondernomen of zal het ondernemen om Turkije te vragen om op een of andere manier druk te zetten op Syrië, zodat er meer rechten en vrijheden worden ingevoerd in Syrië en zodat het geweld tegen burgers wordt gestaakt?

 

Mijn vraag betreft dus de rol die voor Turkije zou weggelegd kunnen zijn. Op welke wijze wordt er reeds in die zin gewerkt vanuit België en Europa?

 

03.05 Minister Steven Vanackere: België heeft samen met sommige EU-partners redelijk snel een reeks initiatieven genomen als reactie op de gewelddadige repressie door de Syrische regering tegen de democratische betogers. Ik verwijs u in dat verband naar persverklaringen en antwoorden op eerdere parlementaire vragen voor meer details. Ik wil in het bijzonder verwijzen naar mijn antwoord op een vraag van de heer Moriau op 1 juni jongstleden over het bewuste stapsgewijze proces dat tot de opname op 23 mei van president al-Asad op de sanctielijsten van de EU heeft geleid.

 

Ik heb trouwens op 12 mei de Syrische ambassadeur voor de tweede keer laten ontbieden voor een boodschap die ongeveer luidde dat bij gebrek aan een positieve evolutie België met de EU zou ijveren voor bijkomende sancties, ook op het hoogste niveau van de staat. Dat is dan vervolgens op 23 mei in de Raad Buitenlandse Zaken ook gebeurd.

 

De Syrische ambassadeur heeft geantwoord dat de repressie een reactie was op het geweld van extremisten. Ik laat dat uiteraard voor rekening van de ambassadeur. Hij benadrukte ook de aangekondigde hervormingen en stelde dat president al-Asad een brede nationale dialoog wil voeren in Syrië.

 

La stratégie, tant de la Belgique que de l'Union européenne, consiste à utiliser tous les moyens diplomatiques pour modifier la position et le comportement du gouvernement syrien, c'est-à-dire l'arrêt immédiat de toute violence et l'exécution concrète et crédible des réformes démocratiques demandées par le peuple syrien.

 

L'annonce de l'amnistie de tous les prisonniers politiques en Syrie pourrait être un bon premier pas dans ce sens, si toutefois cette annonce était concrétisée dans les faits et débouchait sur le lancement d'un véritable processus de réformes politiques. Malheureusement, ces derniers mois, des mesures de ce type ont souvent été annoncées mais elles n'ont fait l'objet d'aucun suivi.

 

En ce qui concerne nos relations bilatérales avec la Syrie, deux traités étaient en phase de négociation début 2011: un traité visant à éviter la double imposition et un traité pour la promotion et la protection des investissements. Compte tenu de la situation, la négociation et la signature de ces accords ont été remises sine die. Il existe également un accord de coopération culturelle qui date de 1980 mais qui n'a jamais été exécuté. Il y a encore un accord aérien datant de 1957, modernisé en 2002, et un traité de reconnaissance mutuelle des permis de conduire.

 

Au niveau de l'Union européenne, l'accord d'association entre l'Union européenne et la Syrie n'a pas encore été signé. Comme vous le savez, l'Union européenne a également annoncé le report sine die de toute décision concernant ce projet.

 

Ten slotte kan ik u ook bevestigen dat mijn beleidscel en mijn administratie in Brussel en uiteraard ook de Belgische ambassade in Damascus op regelmatige basis contacten hebben met vertegenwoordigers van ngo’s, mensenrechtengroeperingen alsook met een brede waaier van de politieke oppositie.

 

In verband met Turkije, sinds het dieptepunt in de jaren ‘80 onderhouden Syrië en Turkije inderdaad, naast nauwe historische en culturele relaties, bloeiende economische betrekkingen. Sinds de afschaffing van de visumplicht in 2009 verlopen die zelfs nog gemakkelijker.

 

Turkije volgt de recente escalatie van de spanningen in Syrië met grote bezorgdheid op. Ankara vreest een escalatie en verdubbelt haar inspanningen om het regime in Damascus aan te sporen over te gaan tot de beloofde democratische hervormingen en op te houden met de repressie. Turkije stuurde reeds gezanten naar Damascus om de nodige hervormingen te bepleiten.

 

Tijdens de discussie van de situatie in Syrië door de Raad voor Buitenlandse Zaken op 23 mei groeide er een consensus over de wenselijkheid om de efficiëntie van onze boodschap aan Syrië te optimaliseren door afstemming met regionale actoren zoals Turkije. Ik heb daarvoor trouwens ook zelf gepleit in het verlengde van uitspraken die u reeds eerder van mij hebt gehoord.

 

Mijnheer de voorzitter, tot zover de informatie die ik op dit moment geven kan.

 

03.06  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses. Il est extrêmement difficile de deviner comment évoluera la situation en Syrie. Nous ne sommes en effet pas devins. Il reste que nous sommes véritablement démunis face à la répression que subit la population civile. L'opinion publique sensibilisée perçoit deux poids deux mesures entre l'intervention en Libye et les initiatives de l'Union européenne en Syrie. Bien entendu, les contextes diffèrent. De plus, d'autres pays – siégeant en particulier au Conseil de sécurité des Nations unies - protègent ce régime.

 

Il convient donc d'utiliser davantage d'outils diplomatiques, tout en prenant les sanctions économiques que vous avez mentionnées, en vue d'influer sur le pouvoir en place. Ce serait aussi une manière de faire comprendre aux civils que nous sommes à leurs côtés. Je crains que nous ne devions, un jour prochain, ouvrir une enquête internationale sur ces événements et qu'il en ressorte que l'Union européenne aura eu du sang sur les mains. J'aimerais que notre parole soit forte et constante, mais aussi qu'elle se transforme en actes susceptibles de porter atteinte au régime de Bachar el-Assad.

 

03.07  Els Demol (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Ik heb nog een aantal opmerkingen. Het welles-nietesspelletje over de gebeurtenissen van 5 en 6 juni duurt ook vandaag voort. Ik denk aan de beelden die gisterenavond in het nieuws werden getoond van een massagraf dat werd opengegooid, waarschijnlijk om het eigen grote gelijk te bewijzen. Ik denk dat in deze weten wie wie is, erg belangrijk is.

 

Mijnheer de minister, ik ben nieuwsgierig naar onze reactie op de aangekondigde protestactie van 28 juni in Brussel. Voor de Syrische en Iraanse ambassade zou er een actie door de Syrische oppositie plaatsvinden. Zij waarschuwen er meteen voor dat ook de aanhangers van het huidige regime worden opgetrommeld. We gaan dus blijkbaar naar een confrontatie van de beide partijen.

 

Hoe zijn wij daarop voorbereid? Ik denk dat weten wie wie is in deze, erg belangrijk is.

 

03.08 Minister Steven Vanackere: Ik ben mij ervan bewust dat ik geen antwoord heb gegeven op uw vraag naar mijn aanspreekpunten, maar uw vraag over die incidenten is een aangelegenheid voor Binnenlandse Zaken.

 

Wanneer wij oproepen tot een democratische dialoog, zitten wij niet in een jury om te bepalen wie daartoe wordt uigenodigd. Ik voel me niet geroepen om te identificeren wie dat is. Dat proces moet uiteraard soeverein door het Syrische volk worden gevoerd.

 

Het enige wat de buitenwereld kan doen, is commentaar geven op de afwezigheid van een dialoog. Het is echter niet aan ons om te definiëren wie al dan niet gelegitimeerd is om in die dialoog namens het Syrische volk te spreken.

 

03.09  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik denk dat het inderdaad belangrijk is, zeker nu waarnemers zeggen dat de evolutie van de situatie in Libië een schrikeffect bij de VN heeft gesorteerd, dat het Westen en de EU veel meer via andere bondgenoten proberen tegen landen waar mensenrechten worden geschonden, waar democratisering en oppositie in de kiem worden gesmoord en waar het regime gewelddadig optreedt tegen de burgerbevolking, in consensus sterke verklaringen af te leggen en sancties op te leggen. Dat zal veel nuttiger blijken.

 

De VN zal, vrees ik, een tijdje niet meer het krachtige platform zijn dat het is geweest. Er was een schrikeffect over de wijze waarop de resolutie tegen Libië is geëscaleerd tot een resolutie voor een no-flyzone en uiteindelijk een NATO-optreden in een land dat ondertussen in een burgeroorlog is weggezakt.

 

Men merkt dat aan landen als China en Rusland die zich toen afzijdig hebben gehouden, hoewel dat landen met een veto zijn. Zij zullen nu zeer angstvallig zijn als er nog dergelijke resoluties op tafel komen.

 

Het is een goed idee om het scenario in verband met Turkije en Syrië, waarbij de EU haar uitspraken kracht laat bijzetten door in consensus met Turkije te handelen, te veralgemenen. Dat verdient ook navolging wanneer het gaat over invloedrijke regimes en handelspartners in de omgeving.

 

De voorzitter: Bedankt, mevrouw Colen. Het incident is nu echt gesloten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Daphné Dumery aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de aanwezigheid van de Europese Unie in Benghazi" (nr. 4614)

04 Question de Mme Daphné Dumery au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la présence de l'Union européenne à Benghazi" (n° 4614)

 

04.01  Daphné Dumery (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag handelt over het diplomatiek bureau dat geopend werd in Benghazi. Volgens de woordvoerder van mevrouw Ashton is de opening van dat bureau helemaal geen steun aan de opstandelingen in Libië, maar natuurlijk zien zij dat voor een deel wel op die manier.

 

Mijnheer de minister, wat is precies de doelstelling van de Europese vertegenwoordiging in Benghazi?

 

Vindt u dat er nood is aan een vertegenwoordiging van de Europese Unie aldaar, ook als vastgesteld wordt dat de Europese Unie de nationale transitieraad niet erkent als een volwaardige gesprekspartner?

 

Welke instanties staan in voor de beveiliging van die vertegenwoordiging?

 

Wat is de kostprijs voor het oprichten van zo’n diplomatiek bureau in Benghazi?

 

04.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, u vraagt, wij draaien. Dit is natuurlijk een vraag over Libië en ik zal ze even beantwoorden. Ik hoop dat de andere collega’s zich daardoor niet geïnspireerd zullen voelen om daar dan toch maar meteen over te beginnen. Ik kan hier ook gans de nacht blijven, dat is geen enkel probleem. Dan doen we dat met genoegen. Dat is zonder ironie gezegd. Dit is echter een punctuele vraag.

 

Het openen van een bureau in Benghazi heeft uiteraard als eerste doelstelling het verkrijgen van een beeld van de noden op het vlak van de opbouw van instellingen en capaciteiten en het begeleiden en coördineren van de bijstandsprogramma’s die de EU op gang wenst te brengen. Het betreft hier in eerste instantie andere dan humanitaire hulpprogramma’s. De Europese dienst voor nood- en humanitaire hulp ECHO heeft al een kantoor in Benghazi, dit sedert het begin van de crisis. De onmiddellijke bijstand betreft onder andere steun aan de ontluikende burgermaatschappij en steun aan de interim-autoriteiten. Op korte en middellange termijn denkt de EU aan steun aan jeugd- en vrouwenorganisaties, media, reïntegratie van uitgeweken Libiërs, onderdanen van derde landen, migratiebeheer, grensbewaking, ontwapening en demobilisatie, onderwijs en gezondheidszorg. Dat zijn andere noden dan de directe humanitaire noden. Natuurlijk kan men met missies ook dit soort vragen stellen en ze beantwoord krijgen – zoals we dat recent met de Beneluxmissie hebben gedaan – maar het is onvergelijkbaar sterker om dat door een presentie op het terrein zelf te kunnen ondervinden.

 

De acties die we ondernemen zijn veelzijdig en verstrekkend en vereisen een aanwezigheid ter plaatse.

 

Wat de overgangsraad als zodanig betreft, we zullen ongetwijfeld vrijdag terugkomen op precieze betekenis van de erkenning van die overgangsraad als volwaardige gesprekspartner. Ik verwijs naar eerdere antwoorden daarover en ongetwijfeld ook naar het gesprek van vrijdag.

 

Wat de bescherming van dat bureau betreft, zal men die bescherming onderzoeken met deskundigen, met inbegrip van een evacuatieplan. Dat wordt gecoördineerd met de EU-lidstaten die vandaag nog aanwezig zijn in Benghazi. Ik heb begrepen dat men daar wel degelijk de nodige aandacht aan zal schenken in goede coördinatie met de andere EU-lidstaten die daar nog aanwezig zijn. U weet dat dit alvast niet geldt voor België.

 

Ik heb van de Europese Unie nog geen gegevens gekregen over de precieze kost van het opzetten van een kantoor en van de beveiliging.

 

04.03  Daphné Dumery (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik vind het een heel goed idee om daar uiteindelijk via diplomatieke weg aanwezig te zijn. We moeten solidair zijn met de situatie daar. Het moet niet enkel op militaire grond gestoeld zijn, het mag ook op burgerlijke grond gestoeld zijn. Ik vind dit een heel goed initiatief. Ik zou het wel opvolgen voor de kostprijs en dergelijke meer. Misschien kunnen we dat op een later moment, als er een evaluatie plaatsvindt, opnieuw vragen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Questions jointes de

- M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la situation en Égypte" (n° 4623)

- M. Peter Luykx au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les violences dont les coptes égyptiens sont victimes" (n° 4705)

- Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "des rapts et des conversions forcées en Égypte" (n° 5063)

05 Samengevoegde vragen van

- de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de situatie in Egypte" (nr. 4623)

- de heer Peter Luykx aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het geweld tegen de Egyptische kopten" (nr. 4705)

- mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "ontvoeringen en gedwongen bekeringen in Egypte" (nr. 5063)

 

05.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, Ik wil u eraan herinneren dat ik een resolutie heb ingediend die al besproken is in onze commissie, maar nog niet goedgekeurd. Zij gaat over de situatie van de kopten in Egypte. De heer de Donnea is er nu niet. Hij heeft gezegd dat wij de bespreking snel zouden voortzetten, maar dat is nog niet gebeurd. Ik betreur dat. De situatie van de christenen is, wereldwijd en zeker in Egypte, ondanks het verdrijven van het regime daar, niet verbeterd. Integendeel, zij is verslechterd.

 

Ik kom tot mijn vraag, die over een ander aspect gaat. Wij vernemen uit verschillende bronnen dat koptische christenen in Egypte de noodklok aan het luiden zijn via de kanalen die hun ter beschikking staan, bijvoorbeeld de vereniging Kerk In Nood, over de golf van ontvoeringen van jonge koptische meisjes. U gelooft het of niet, maar zij worden blijkbaar gekidnapt door moslims met de bedoeling hen te bekeren tot de islam en hen uit te huwelijken.

 

Het gaat niet om een geïsoleerd geval of om enkele gevallen; het gebeurt in grote getale. Een priester in Caïro zegt dat ten minste 21 meisjes uit zijn parochie, van wie de meesten niet ouder zijn dan 14 jaar, plotseling zijn verdwenen. Een aantal koptische kloosters heeft zich reeds georganiseerd om schuilplaatsen aan te bieden voor meisjes die ontsnapt zijn en om veiligheidsredenen nog niet naar hun familie kunnen terugkeren. Een aantal van de meisjes heeft erkend dat zij gedwongen bekeerd zijn, verkracht zijn en als slaaf misbruikt zijn.

 

Sinds de zogenaamde Arabische Lente is het aantal ontvoeringen en gedwongen bekeringen en huwelijken enorm toegenomen. Volgens Kerk in Nood is de situatie niet uniek voor Egypte, maar bestaat in vele landen in de Arabische wereld en ook in Azië de problematiek. Het blijkt dus te gaan om een soort strategie.

 

Mijnheer de minister, weet u of de berichten juist zijn? Zult u de berichten laten controleren? Indien het waar is, hoe zal België reageren?

 

In Egypte staat – en dit maakt het nog ingewikkelder – op allerlei officiële documenten, zoals identiteitsbewijzen, de religie vermeld, de godsdienst dus. Bekering tot de islam is in Egypte bovendien onomkeerbaar, omdat bureaucratie en wetgeving het voor de meisjes nagenoeg onmogelijk maken om na de gedwongen bekering tot de islam terug te keren tot het christendom. De wet voorziet wel in een procedure waarin het mogelijk is om de documenten te wijzigen, maar dat is een moeizaam en traag proces. Onder groeiende druk van de sharia in Egypte is het trouwens nagenoeg onmogelijk. De sharia, dus de islamitische wetgeving, beschouwt herbekering als afvalligheid en daarop staat de doodstraf.

 

Merkt men inderdaad dat de invloed van de sharia op de Egyptische wetgeving toeneemt? Welke stappen zal België ondernemen om de godsdienstvrijheid in Egypte te helpen waarborgen?

 

Ten slotte, Egypte bevindt zich in een overgangsfase na de volksopstanden. Is het niet het geschikte moment om wetgeving en rechtspraak te hervormen, zodat democratische vrijheden en mensenrechten erin verankerd worden? Is men hiermee bezig? Wordt er in het kader hiervan ook geijverd om de vermelding van godsdienst uit officiële documenten te schrappen? Is de internationale gemeenschap betrokken bij een dergelijke hervorming? Hoe kunnen de westerse landen Egypte hierbij helpen?

 

05.02  Peter Luykx (N-VA): Mijnheer de minister, u hebt weliswaar reeds gereageerd in een communiqué op 9 mei, maar het geweld tegen de Egyptische kopten wekt toch ieders verbazing en het is toch met groeiende onrust dat wij die evolutie volgen.

 

In een aanval op een kerk in de wijk Imbaba vielen 15 doden en is er sprake van 240 gewonden. Het weekend vóór 16 mei raakten ook 65 mensen gewond tijdens rellen in Caïro toen de kopten een sit-in hielden voor de residenties van de Egyptische staatstelevisie. Zij protesteerden tegen het toenemende geweld van de radicale moslims tegen de christenen.

 

Mijnheer de minister, kunt u de dodentol en het aantal gewonden van die recente aanvallen bevestigen? Kunt u de tragische gebeurtenissen enigszins toelichten en uitsluitsel geven over de aanleiding voor de aanvallen?

 

Hoe beoordeelt u zelf het geweld dat de islamitische groeperingen inzetten tegen die minderheidsgroep? Het gaat wel over een belangrijke minderheid van zowat 10 %.

 

Is er volgens u sprake van een toename van sektarisch geweld sedert de revolutie op het Tahrirplein en het aftreden van president Moebarak?

 

Zult u de bezorgdheid over de aanvallen op de christenen bij de ambassadeur aankaarten?

 

Tot slot, welke inspanningen kunnen worden geleverd om de bescherming van religieuze minderheden te optimaliseren door ons land en de EDEO?

 

05.03 Minister Steven Vanackere: Rellen tussen moslims en kopten vonden inderdaad plaats op 7 en 8 mei in de arme wijk van Imbaba ten westen van Caïro. De rellen vonden hun oorsprong in geruchten over de ontvoering van een koptische vrouw die zich tot de islam zou bekeerd hebben en over haar detentie in een kerk. Officiële cijfers spreken van 12 doden en 232 gewonden. De gebeurtenissen werden door de hoge Egyptische moslimgezagsdragers expliciet veroordeeld. De grootmoefti Ali Gumaa vroeg om een dringende samenkomst van alle Egyptische religieuze groeperingen, zodat elk misverstand uitgeklaard zou kunnen worden.

 

De gebeurtenissen zijn te situeren in een context van terugkerende interconfessionele spanningen. Ze geven niet de algemene opvatting weer van de Egyptische bevolking, waarvoor de revolutie geen religieuze connotatie had, maar wijzen op de nood aan duurzame inspanningen van alle acteurs, religieus en politiek, om zowel het respect voor de geloofs- en meningsvrijheid als de veiligheid van alle Egyptische burgers te garanderen.

 

Ik heb mij gevoegd bij mevrouw Ashton om in naam van ons land zonder enige reserve de uitdrukkelijke veroordeling uit te spreken van de gewelddaden en om mijn ongerustheid uit te drukken over het groeiende sektaire geweld.

 

Gelet ook op de reactie die er gevolgd is vanwege de Egyptische autoriteiten – 190 personen werden gearresteerd en er was de aankondiging van ernstige maatregelen tegen dat soort aanvallen op plaatsen van godsdienstige verering – is er geen supplementaire demarche meer gebeurd door de westerse diplomatie.

 

Ik wil ook signaleren dat op het grondwettelijk plan het oude artikel dat de vrijheid van godsdienst en de vrijheid om die godsdienst uit te oefenen, garandeert voor alle burgers, niet gewijzigd is. Voor het ogenblik lijkt het ons ten opzichte van Egypte nuttig om verder te blijven insisteren op het respect voor dat grondwetsartikel.

 

Wat betreft de actie van België en de EU, zowel bilateraal als multilateraal, wil ik graag nog even verwijzen naar de antwoorden op eerdere parlementaire vragen. Ik wil u ook wel bevestigen, samen met de Europese collega’s die dat samen nog in februari hebben gedaan, dat noch België, noch de EU van plan is om die inspanningen te staken.

 

Mevrouw Colen, ik heb geen specifieke informatie over het incident waarover u spreekt en waarbij 21 meisjes uit hun parochie zouden zijn verdwenen. De Belgische ambassade in Caïro zal dat verder onderzoeken.

 

De transitie in Eypte is nog volop aan de gang. In maart 2011 was er een eerste fase, met een aantal grondwetswijzigingen, voornamelijk over de verkiesbaarheidvoorwaarden die door middel van een referendum zijn goedgekeurd. Een volgende stap zijn de parlementsverkiezingen, die voor september 2011 zijn gepland, waarna een nieuwe Grondwet zal worden opgesteld.

 

Het is uiteraard in de eerste plaats aan de Egyptenaren en hun politieke vertegenwoordigers in het Parlement om uit te maken op welke manier bedoelde Grondwet zal worden opgesteld.

 

Het voorgaande neemt niet weg dat België in de bilaterale contacten en ook in de multilaterale fora, zoals de Europese Unie, het belang van godsdienstvrijheid en andere, democratische basisprincipes steeds zal benadrukken en verdedigen, wat ik trouwens recent, tijdens een lunch met de ambassadeurs in Brussel van de Arabische landen, nog heb gedaan.

 

Inzake de invloed van de sharia op de Egyptische wetgeving dient nog te worden opgemerkt dat het Egyptische Parlement momenteel geen wetten uitvaardigt. Er zijn enkel een paar wetten over de organisatie van verkiezingen goedgekeurd.

 

05.04  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik noteer dat u de ambassadeur in Caïro hebt gevraagd de bewuste berichten te laten controleren. Zij zijn immers om velerlei redenen erg onrustwekkend, niet alleen om godsdienstige redenen maar ook om redenen betreffende de plaats van de rechten van de vrouw en van kinderen, gezien de leeftijd van de personen waarover de berichten gaan.

 

Ik ben ook benieuwd naar de resultaten van het nadere onderzoek ter zake door de genoemde ambassadeur. Misschien stel ik over een tweetal maanden opnieuw een vraag, teneinde te kunnen evalueren wat er van de berichten aan is. Immers, indien ze waar zijn, kan een en ander niet zomaar blijven gebeuren, zonder dat de internationale gemeenschap op de gebeurtenissen reageert.

 

U gaat met mij akkoord. Wij zien het ook allemaal. Egypte beleeft een moment van transitie. Egypte zal, na de verkiezingen en nadat het zich de procedures van een democratie eigen zal hebben gemaakt, waarschijnlijk meer ten gronde hervormingen van allerlei aard doorvoeren.

 

Wij mogen ons in principe natuurlijk niet bemoeien met de wil van de Egyptische bevolking zelf. Het is echter nodig dat wij waakzaam blijven, opdat de evolutie in de goede zin blijft gaan. Na de Arabische Lente en na alle, hoge beloftes die de Arabische Lente voor de plaatselijke bevolking en voor de internationale gemeenschap met zich heeft gebracht, mogen wij uiteraard niet stilzwijgend toekijken, mocht een en ander in de verkeerde richting evolueren.

 

De kopten zijn misschien een testcase voor Egypte. Zij vormen een significante minderheid, waardoor wij wat meer nieuws over hen hebben. Zij zijn ook een groep die al sinds haar ontstaan en oorsprong meer behoort tot en meer geworteld is in de cultuur van Egypte dan bijvoorbeeld de islam. Zij zijn de oudste groep. Het gaat echter niet alleen om de situatie van de kopten in Egypte. Het gaat ook om een testcase voor de situatie van de religieuze minderheden, met name de christenen, in andere, Arabische landen waar dergelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

 

Ik dank u in elk geval voor uw antwoord.

 

05.05  Peter Luykx (N-VA): Mijnheer de minister, het zou inderdaad heel jammer zijn dat de revolutie, die mee tot stand werd gebracht door de kopten, nu op een machtsgreep van een aantal fanatici zou uitdraaien en zij de prijs moeten betalen voor de vrijheid in Egypte. Ik denk dat wij de evolutie zeer nauwgezet moeten volgen.

 

Als er manifeste tekenen van misbruik zijn of van het feit dat de zaken de verkeerde kant opgaan, moeten wij inderdaad ook onze stem laten horen, zoals mevrouw Colen zegt.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Questions jointes de

- Mme Christiane Vienne au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le projet de loi dit 'anti-homosexualité' en Ouganda" (n° 4607)

- M. Bruno Tuybens au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la législation contre les homosexuels et bisexuels en Ouganda" (n° 4725)

06 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Christiane Vienne aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het wetsontwerp antihomoseksualiteit in Uganda" (nr. 4607)

- de heer Bruno Tuybens aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de antiholebiwetgeving in Uganda" (nr. 4725)

 

06.01  Christiane Vienne (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, entre le moment de la rédaction de ma question et aujourd'hui, moment où je puis enfin vous la poser, la proposition de loi à laquelle je fais référence n'a pas été votée lors de la dernière session parlementaire en Ouganda.

 

Le presse et les organisations ougandaises soulignent le fait que cette proposition de loi pourrait revenir et qu'en Ouganda, mais hélas en d'autres pays également, être gay est très dangereux.

 

Cette situation est particulièrement déplorable en Ouganda; mon groupe l'a déjà souligné lors du débat en commission des Relations extérieures sur le rapport sur la situation des droits de l'homme dans les 18 pays partenaires de la Coopération belge au développement pour l'année 2010.

 

Pour rappel, un premier projet de loi anti-homosexualité, déposé le 25 septembre 2009, avait heureusement été écarté sous la pression internationale. Mais c'était hélas pour mieux revenir. Dans ce pays, les droits des homosexuels sont régulièrement bafoués. Il y a à peine quelques mois, le militant des droits des gays, David Kato, a été assassiné dans sa propre maison.

 

Le projet de loi qui fait l'objet de ma question prévoit la prison à vie pour toute personne ayant eu des relations sexuelles avec un autre individu du même sexe et même la peine de mort pour les multirécidivistes. Même les ONG luttant contre la propagation du sida risquent la prison pour promotion de l'homosexualité.

 

Je tiens à souligner que, si ce projet n'a pas été voté, c'est aussi grâce à la position courageuse de l'Union européenne.

 

Ce projet risque d'autant plus de refaire surface que des émeutes contre la vie chère ont été réprimées avec violence et que le calendrier ne doit sans doute rien au hasard: cette loi contre les gays serait en quelque sorte une diversion.

 

Au-delà de la situation de l'Ouganda, particulièrement préoccupante, le combat pour l'égalité et la non-discrimination n'est pas terminé. Les droits ne sont jamais acquis, ni là-bas ni ici.

 

Dans ce contexte, monsieur le ministre, j'aurais voulu vous poser plusieurs questions.

 

Comment la Belgique, dont l'Ouganda est un pays partenaire de la Coopération au développement, a-t-elle réagi à l'annonce de ce nouveau projet de loi?

Quelles actions la Belgique mène-t-elle afin de combattre l'homophobie dans les pays partenaires?

 

L'Union européenne et la communauté internationale ont-elles mené des actions diplomatiques afin de condamner ou de bloquer ce projet de loi?

 

Des actions concrètes de la communauté internationale sont-elles envisagées afin de prévenir toutes les futures atteintes aux droits des homosexuels dans le monde?

 

06.02  Bruno Tuybens (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de vice-eersteminister, de problematiek is al door collega Vienne geschetst. Ik zal dan ook zeer kort zijn.

 

Zij spreekt terecht over het Oegandese wetsvoorstel van David Bahati uit 2009 dat terug ter stemming zou voorliggen. Belangrijk is de aandacht te vestigen op het feit dat ook wie mensen van een andere geaardheid dan hetero niet verklikt aan de bevoegde autoriteiten, binnen de 24 uur zelf ook een celstraf boven het hoofd hangt. Het wetsvoorstel maakt de bevordering van homoseksualiteit strafbaar. Dat brengt het legitieme werk van tal van nationale en internationale activisten en organisaties, die zich inzetten voor de verdediging en de bevordering van de mensenrechten in Oeganda, ook in gevaar.

 

Mijn vragen gaan vooral over de gevolgde procedure. Het spreekt voor zich dat ik u niet elke commissievergadering vragen zal stellen over specifieke wetsvoorstellen die in een ander land ter stemming worden voorgelegd. Ik heb wel vernomen dat Spanje aan de kar trekt voor een initiatief op EU-niveau. Dit was althans mijn informatie op 17 mei toen ik deze vraag heb ingediend. Naar verluidt zou ook de Duitse regering achter dit initiatief staan. Welke acties zullen worden ondernomen vanuit de EU? Welke rol speelt ons land hierin?

 

Collega Vienne merkte op dat Oeganda een partnerland is van ons land. Bovendien is het ook lid van de VN-Mensenrechtenraad. Welke stappen heeft ons land de voorbije maanden genomen rond deze problematiek? Welke stappen plant ons land in de toekomst?

 

Ik dank u bij voorbaat voor uw antwoord.

 

06.03  Steven Vanackere, ministre: Les droits des LGBT sont une des priorités de notre politique des droits de l'homme. En apprenant les nouvelles au sujet de la proposition de loi en Ouganda, la Belgique a utilisé tous les canaux diplomatiques pour exprimer sa préoccupation. Sur mon instruction, mes services ont agi à plusieurs niveaux. D'abord, notre ambassade à Kampala a suivi et suit toujours la situation de près en coordination avec les partenaires de l'Union européenne sur place. Notre service Droits de l'homme a contacté l'ambassade d'Ouganda à Bruxelles afin de transmettre nos inquiétudes.

 

En outre, nous appuyons des réseaux et des ONG qui essaient de mobilier l'opinion publique en Ouganda, en Europe et sur internet.

 

Mijnheer Tuybens, ik verwijs naar de opmerking dat het voortouw zou zijn genomen door Spanje. Ik kan u bevestigen dat Spanje had voorgesteld om een demarche te ondernemen op ambassadeursniveau.

 

Het is op vraag van België dat werd gezegd dat het niet volstaat om tussen te komen op ambassadeursniveau, maar dat Catherine Ashton zelf moet bellen met de minister van Buitenlandse Zaken Sam Kutesa om duidelijk te maken dat onze bekommernis op een hoger niveau ligt dan een demarche op ambassadeursniveau.

 

Dat is dan ook gebeurd. De meeste lidstaten hebben het voorstel van België mee ondersteund, Spanje en Duitsland inbegrepen. Ik denk dat daar de waarheid haar rechten heeft en dat wij in dat verband de temperatuur wat hoger hebben gezet door erop aan te dringen dat men op ministerieel niveau zou tussenkomen.

 

De informatie is hier uiteraard geen informatie meer, maar u weet dat het Oegandese Parlement de stemming over dit wetsontwerp niet meer op de agenda heeft staan, mede dankzij de internationale druk.

 

Vous savez que des déclarations publiques et des lettres ouvertes ont été transmises à l'attention des autorités ougandaises. De grandes organisations comme Amnesty International et le Haut Commissariat aux droits de l'homme ont fait des campagnes et certains médias n'ont de cesse de pousser les membres du Parlement ougandais à se prononcer sur cette matière. Je crois qu'il est honnête de signaler que l'ambassade d'Ouganda a assuré que la proposition de loi n'émanait pas du gouvernement mais qu'elle était issue d'un membre du Parlement utilisant sa liberté d'introduire une telle proposition. Je pense qu'il était utile de le signaler afin d'avoir un aperçu global.

 

België blijft strijden tegen aanvallen op de rechten van de LGBT op bilateraal vlak, EU-vlak, binnen de Verenigde Naties en op elk ander niveau. Bij de VN in Genève blijft België deel uitmaken van wat men noemt de core group LGBT. Wij proberen bij de VN-Mensenrechtenraad om een meerderheid van lidstaten te mobiliseren om een resolutie te bekomen die de LGBT-gemeenschap decriminaliseert.

 

In maart 2011 werd reeds een gemeenschappelijke verklaring met 85 landen bekomen, wat een eerste belangrijke stap is in de richting van een resolutie.

 

Op het niveau van de EU, de EU beschikt over een toolkit LGBT die toelaat om proactief te zijn in landen waar de rechten van homoseksuelen niet gegarandeerd zijn.

 

Ik denk dat ik met deze illustraties heb kunnen aantonen dat onze prioriteiten op dit punt geen loze woorden zijn maar dat die ook vertaald worden in concrete acties.

 

06.04  Christiane Vienne (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

Je sais que la Belgique, par votre intermédiaire, est très active en ce domaine. Ma question avait aussi pour objectif de souligner le fait que rien n'est jamais acquis en la matière. Des pays comme l'Ouganda sont tout à fait emblématiques du chemin qu'il reste à parcourir. Même là où les droits sont acquis, il faut se battre pour les maintenir. La vigilance s'impose donc.

 

Nous pouvons compter sur vous, et je m'en réjouis.

 

06.05  Bruno Tuybens (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Het is verhelderend te weten dat ons land daadwerkelijk de vraag aan Ashton heeft gericht en op die manier in de EU een gezamenlijke actie heeft ontwikkeld.

 

Wij zullen de minister van Ontwikkelingszaken ondervragen in hoeverre het feit dat Oeganda een partnerland van België is hierin een rol kan spelen en of er nog bijkomende acties nodig zijn.

 

Ik wou van de gelegenheid ook gebruikmaken om te melden dat wij de laatste hand aan een voorstel van resolutie leggen in dit Parlement om hopelijk met alle partijen hierover een eenduidig standpunt in te nemen. U kunt dat desgevallend nog verder versterken in uw acties ter zake.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de Mme Karine Lalieux au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la situation des droits de l'homme en Colombie" (n° 4813)

07 Vraag van mevrouw Karine Lalieux aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de situatie op het vlak van de mensenrechten in Colombia" (nr. 4813)

 

07.01  Karine Lalieux (PS): Monsieur le président, monsieur le vice-premier ministre, nous avons reçu récemment et avec beaucoup d'intérêt, le rapport 2011 d'Amnesty International sur la situation des droits humains dans le monde. Une partie de celui-ci était consacré à la Colombie.

 

Le bilan dressé est mitigé. En effet, les civils, en particulier les habitants des campagnes et des zones urbaines défavorisées, mais aussi les minorités indigènes restent les principales victimes du conflit armé qui déchire depuis longtemps le pays. Les mouvements de guérilla, les groupes paramilitaires et les forces de sécurité se sont rendus coupables d'atteintes multiples aux droits humains et au droit international humanitaire.

 

Le nouveau président, M. Juan Manuel Santos, a affirmé qu'il donnerait la priorité aux droits humains et à la lutte contre l'impunité. Aujourd'hui, il semble adopter une position moins hostile envers les défenseurs des droits de la personne.

 

Malgré cet espoir, des organisations de défense des droits humains et des victimes ont émis des réserves quant à certaines dispositions, comme la restitution des terres confisquées durant le conflit. De plus, des militants des droits humains et des dirigeants de la société civile ont continué à être menacés, voire tués. C'est également le cas de certaines parties prenantes dans des affaires pénales relatives aux droits humains.

 

Monsieur le ministre, notre pays et l'Union européenne ont-ils essayé de sensibiliser le nouveau gouvernement à la problématique des droits de l'homme via les différents forums internationaux, notamment pour la mise en œuvre efficace des recommandations issues du Haut Commissariat des Nations unies aux droits de l'homme? Quels instruments ou expertise la Belgique et l'Union européenne peuvent-elles mettre au service de l'État colombien, si ce dernier en fait la demande, afin de l'aider à lutter contre les atteintes aux défenseurs des droits de l'homme?

 

Monsieur le ministre, je sais qu'il est question depuis longtemps d'un accord de partenariat économique avec ce pays. J'espère donc que l'on ne fera pas passer les aspects économiques avant les droits de l'homme. Ce pays est en état de guerre depuis très longtemps et il serait peut-être temps de se montrer plus exigent à l'égard de son gouvernement.

 

07.02  Steven Vanackere, ministre: Monsieur le président, notre pays et l'Union européenne sensibilisent régulièrement le gouvernement colombien à la problématique des droits de l'homme. Pour la petite histoire, je viens de le faire encore ce matin, en présence de la ministre colombienne des Affaires étrangères, Mme Maria Angela Holguin Cuellar. Cette sensibilisation passe notamment par le dialogue politique local sur les droits de l'homme entre l'Union européenne et la Colombie, lancé depuis avril 2009 et qui se déroule deux fois par an. Des thèmes comme les exécutions extrajudiciaires, les enlèvements, le rôle de la société civile et la mise en application de la loi "justice et paix", c'est-à-dire la lutte contre l'impunité, sont évoqués. Une liste de cas individuels est également remise aux autorités colombiennes. Le prochain tour se déroulera à Bogota le 30 juin et traitera de l'impunité.

 

À l'initiative de l'État colombien, une conférence nationale sur les droits de l'homme est prévue en décembre prochain. Depuis l'exercice de l'examen périodique universel (EPU) qui a eu lieu le 10 décembre 2008, la Colombie a accepté de produire, avec une grande régularité, des rapports de progrès quant au respect d'un certain nombre de recommandations formulées lors de cet examen. Cet exercice a contribué à une plus grande prise de conscience du pays de l'importance d'une protection efficace des droits de l'homme. Bogota a en effet pris de nombreuses initiatives en vue de la préparation de cette épreuve et la délégation colombienne a assumé 67 engagements sur une base volontaire.

 

La Belgique est activement intervenue lors de l'EPU de la Colombie, interrogant la délégation sur le fonctionnement de la justice, la mise en œuvre de la loi "justice et paix", avec un accent particulier sur les droits et l'indemnisation des victimes. En parlant de l'exemple que vous avez cité sur la restitution des terres confisquées, j'ai eu l'occasion ce matin de féliciter le gouvernement colombien d'avoir voté une loi et j'ai insisté sur la nécessité d'une bonne mise en pratique de cette loi. Il faut reconnaître que les engagements du président Santos semblent se traduire en textes législatifs.

 

Le soutien des défenseurs des droits de l'homme fait partie intégrante, de longue date, de la politique extérieure de notre pays et de l'Union européenne. Au niveau belge, nos ambassades dans les pays tiers, y compris en Colombie, organisent régulièrement des rencontres avec eux afin de les soutenir dans leurs projets et leurs relations avec les autorités du pays. Des rencontres avec des associations de défense des droits de l'homme actives dans les pays tiers sont également fréquemment organisées à Bruxelles par mon département.

 

Au niveau de l'Union européenne, les lignes directrices au sujet des défenseurs des droits de l'homme ont été adoptées en juin 2004. Ces lignes directrices prévoient des mesures concrètes que les ambassades des États membres de l'Union dans les pays tiers peuvent utiliser afin de protéger les droits de ces acteurs et de les soutenir dans leurs actions. Elles visent, entre autres, à défendre les droits des défenseurs des droits de l'homme, à renforcer les contacts entre les missions et les ONG locales, à effectuer des démarches ou des déclarations officielles et, enfin, à aborder cette question dans les contacts avec les pays tiers et aussi dans les enceintes internationales.

 

07.03  Karine Lalieux (PS): Monsieur le vice-premier ministre, je vous remercie. Il est bon que ma question n'ait pas été posée plus tôt, car j'ai pu ainsi recevoir des informations beaucoup plus précises.

 

Le gouvernement colombien fait des efforts; nous ne pouvons prétendre le contraire. Ce pays est en conflit depuis des années. Or, comme je l'ai toujours dit, on ne peut réconcilier une population que par l'intermédiaire de la justice. Cela signifie qu'il faut sanctionner les auteurs de crimes et délits et restituer des terres. Mais cela veut dire aussi qu'il importe de reconnaître les minorités.

 

C'est pourquoi nous devons continuer à faire pression sur ce gouvernement pour qu'il avance dans le bon sens. Le travail en termes de droits de l'homme est encore fort long.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, de vraag werd mij gesteld om de vragen in verband met de praktijken van de Libische diplomaten in ons land… Enerzijds betreft dit natuurlijk Libië, maar het gaat om een aantal gebundelde vragen met specifieke…

 

07.04 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, ik heb daar geen zorgen over, als er vrijdag niemand boos is wanneer ik zeg dat ik er dan niet meer over spreek. Als vrijdag degenen die samen met mevrouw Colen een vraag hebben ingediend, zeggen dat ik dan nog eens moet antwoorden, dan zijn we volgens mij geen nuttig werk aan het doen.

 

Ik laat het echt over aan de wijsheid van het Parlement. Het enige punt is dat een zelfde vraag moeilijk twee keer in dezelfde week gesteld kan worden. Ik weet hoe belangrijk het dan gevonden wordt dat er een antwoord komt in volledige lengte. Ik schik mij naar uw wensen.

 

07.05  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is precies daarom. Ik heb mijn vraag al ingediend op 17 mei. Ik was aanwezig op de gemeenschappelijke vergadering van Buitenlandse Zaken en Defensie, een tweetal weken geleden. Dan heb ik gehoord dat er een hele discussie heeft plaatsgevonden in verband met het ambassadepersoneel en de ambassadeurs, zonder dat die vragen op de agenda stonden. Daardoor dacht ik dat de vragen reeds als gesteld beschouwd zouden zijn.

 

Nu staat mijn vraag aan de agenda, en ik heb hem het eerst ingediend. Ik zou er graag een antwoord op krijgen.

 

07.06 Minister Steven Vanackere: Mevrouw Colen, zou het u storen om die vraag vrijdag te bespreken? Ik wil gerust…

 

07.07  Alexandra Colen (VB): Ik zal vrijdag zelf waarschijnlijk niet aanwezig kunnen zijn. Ik heb de vraag als eerste ingediend.

 

07.08 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, ik wil werken vanuit een groot respect voor het Parlement. Ik zeg alleen dat we zelf ook moeten zorgen voor een interne functionaliteit in onze werkzaamheden.

 

07.09  Alexandra Colen (VB): Ik heb vandaag al acht van mijn vragen in een schriftelijke vraag laten omzetten omwille van de zware agenda.

 

De voorzitter: Wij hebben aan mevrouw Boulet laten weten dat die vraag vrijdag aan bod komt. Zij is nu niet hier.

 

07.10  Alexandra Colen (VB): Mevrouw Boulet heeft daarover tijdens de vorige vergadering, waarover ik het zonet had, uitgebreid gesproken, zonder dat het aan de agenda stond.

 

De voorzitter: Mevrouw Colen, u hebt nog verschillende vragen aan de agenda staan, dus we kunnen de agenda verder afwerken. De heer De Vriendt is in principe niet op de hoogte. Als hij zijn vraag zou stellen, dan zal hij zich melden.

 

07.11  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, ik heb die vraag een maand geleden al ingediend.

 

Als ik aansluit bij een andere vraag, dan moet ik mij schikken naar die eerste vraag. Nu ben ik de indiener van de eerste vraag. Ik constateer echter dat er al over gedebatteerd is zonder dat ik iets heb kunnen inbrengen. Nu wil u de vraag weer uitstellen.

 

07.12 Minister Steven Vanackere: Mevrouw Boulet komt net terug binnen. Ik denk dat zij ons verlost van een groot dilemma.

 

De voorzitter: De verlossing is nabij, ik hoop niet voor u persoonlijk, want dat is veel te vroeg.

 

Mevrouw Boulet, de volgende kwestie ligt voor. Zou u uw vraag in verband met de Libische diplomaten nu al willen stellen?

 

07.13  Steven Vanackere, ministre: En évacuant ce sujet le vendredi, si vous êtes d’accord.

 

07.14  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Si vous voulez, oui.

 

08 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de praktijken van Kadhafigezinde Libische diplomaten in ons land" (nr. 4744)

- mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de situatie van de Libische gemeenschap in België en van sommige ambtenaren van de Libische ambassade te Brussel" (nr. 4785)

- de heer Wouter De Vriendt aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de Libische diplomaten in ons land" (nr. 4841)

08 Questions jointes de

- Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les pratiques de diplomates libyens, partisans de Kadhafi, dans notre pays" (n° 4744)

- Mme Juliette Boulet au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la situation de la communauté libyenne en Belgique ainsi que celle de certains fonctionnaires de l'ambassade de Libye à Bruxelles" (n° 4785)

- M. Wouter De Vriendt au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les diplomates libyens dans notre pays" (n° 4841)

 

08.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, een deel van de vraag hebt u twee weken geleden al beantwoord, maar de rest nog niet.

 

Al in de eerste dagen van de opstand in Libië kozen drie diplomaten van de Libische ambassade in Brussel de kant van de rebellen. Sindsdien worden zij voortdurend geïntimideerd door andere Libische diplomaten die aan de kant van het regime zijn blijven staan. Zij bedreigen niet alleen de zogezegd opstandige diplomaten zelf, maar ook hun familie, hun echtgenotes en hun kinderen.

 

Er wordt ook gedreigd met represailles tegen hun familieleden in Libië zelf. In enkele kranten werden twee Kadhafigezinde diplomaten zelfs met naam genoemd. Een van hen zou lid zijn van een Libische geheime dienst. Daarnaast beweren Libische oppositiegroepen dat ook de zoon van de Libische ambassadeur in Brussel zich schuldig maakt aan die intimidaties. Hij zou volgens die bronnen bovendien illegaal in België verblijven.

 

Frankrijk heeft om soortgelijke redenen, maar officieel wegens spionage, 14 Kadhafigezinde diplomaten uitgewezen. Drie van hen verbleven enige tijd op kosten van de Libische ambassade in een hotel in Brussel. Een van mijn vragen ging daarover, maar ik weet dat u daarop een tweetal weken geleden hebt geantwoord dat zij hier overnachtten op weg naar de luchthaven, op hun terugreis. Dat onderdeel vervalt, maar ik kom tot de rest van mijn vragen.

 

Bent u op de hoogte van de intimidatiepraktijken van medewerkers van de Libische ambassade? Genieten al die medewerkers diplomatieke immuniteit? Kloppen de berichten over de intimidatiepraktijken door de zoon van de ambassadeur? Klopt het dat hij illegaal in het land verblijft? Zo nee, welke status heeft hij dan wel? Geniet hij diplomatieke immuniteit? Welke maatregelen zijn reeds genomen om een einde te maken aan die praktijken?

 

Op de vraag over de drie door Frankrijk uitgewezen diplomaten hebt u al geantwoord. Ik had gevraagd of zij ook door ons uitgewezen zijn, maar ik heb begrepen dat zij slechts op doorreis waren en dat de vraag dus zonder voorwerp is.

 

Ten slotte, België is de facto, in de feiten, maar niet de jure, in oorlog met Libië en het steunt, opnieuw de facto, de opstandelingen. Acht u het dan niet vanzelfsprekend dat ons land ook de diplomatieke vertegenwoordigers van Kadhafi niet meer zou erkennen?

 

08.02  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le ministre, il s'agit effectivement d'un sujet auquel les membres d'Ecolo sont très attentifs. Nous sommes d'ailleurs souvent intervenus lors du large débat sur la situation en Libye. Nous avons eu des contacts avec de nombreux représentants de l'opposition libyenne, ceux qui ne se définissaient pas comme tels a priori, mais qui le sont devenus par la force des choses. Ceux-ci nous ont fait savoir qu'eux-mêmes ou leurs proches et leur famille avaient fait l'objet de menaces et de harcèlement de la part de certains responsables de la mission diplomatique libyenne à Bruxelles.

 

Lors d'auditions organisées en notre commission, nous avons eu l'occasion d'entendre un dissident libyen résidant en Belgique faire état des mêmes faits. Selon le Lybian Working Group, ces responsables ont menacé les fonctionnaires de s'en prendre à leur famille, en Libye et en Belgique, s'ils ne revenaient pas sur leurs critiques et condamnations et ne témoignaient pas d'une allégeance vis-à-vis du régime de Kadhafi. Le paiement de leur salaire aurait également été interrompu. Les responsables de la mission diplomatique libyenne ont aussi tenu des propos stigmatisants et condamnatoires à l'égard de ces membres de la communauté dans les médias officiels du régime de Kadhafi, ce qui augmente encore les risques subis par leurs familles en Libye.

 

La présence de cette mission diplomatique à Bruxelles pose d'autant plus de questions que la France a choisi d'expulser quatorze ex-diplomates car ceux-ci avaient des activités incompatibles avec la résolution des Nations unies sur la Libye, en particulier au regard de la protection des populations civiles libyennes. Avant Paris, Londres avait également annoncé l'expulsion de deux diplomates libyens ainsi que de l'ambassadeur, car leurs activités étaient contraires aux intérêts du pays. Enfin, le Canada a expulsé, le 17 mai, cinq diplomates libyens pour activités contraires au statut diplomatique.

 

Monsieur le ministre, avez-vous des informations complémentaires à fournir quant aux menaces proférées par cette mission diplomatique? Quelles sont les mesures qui ont été prises à son égard? La Belgique ne devrait-elle pas expulser les membres de cette mission et réclamer les lettres de créances des représentants diplomatiques? Comme la France et le Royaume-Uni, la Belgique pourrait-elle se baser sur la résolution des Nations unies qui autorise à prendre toutes les mesures nécessaires pour protéger les civils libyens?

 

En outre, d'après le Quai d'Orsay, trois des quatorze ex-diplomates expulsés de France résideraient dans un hôtel de luxe à Bruxelles. Ces ex-diplomates sont suspectés d'être des espions, qui menacent d'autant plus la sécurité de la communauté libyenne à Bruxelles. Ces informations sont-elles confirmées? Ils étaient supposés bientôt partir pour la Tunisie. Pourriez-vous nous indiquer dans quel délai ces ex-diplomates devront quitter notre pays?

 

08.03 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, collega’s, de toestand in de Libische ambassade in Brussel is als volgt. Twee diplomaten hebben in een vroeg stadium, op 19 februari 2011, ontslag genomen. In een persverklaring voor Al-Jazeera hebben zij de reden voor hun ontslag publiek toegelicht. Het betreft onder meer de nummer twee van de ambassade. Vervolgens hebben acht andere diplomaten mij in een vertrouwelijk schrijven meegedeeld dat zij het regime afgevallen zijn en zich bij de oppositie wilden aansluiten. Zij blijven echter hun taken, essentieel de consulaire dienstverlening aan de Libische gemeenschap in het rechtsgebied, verder uitvoeren. De ambassadeur heeft twee weken geleden via de pers laten weten dat hij het regime is afgevallen. Tot slot, de financiële attaché is nog altijd loyaal aan het Kadhafi-regime.

 

Comme vous le savez, la Belgique n'a pas rompu ses relations diplomatiques avec la Libye. Notre ambassade à Tripoli a été fermée temporairement. Néanmoins, elle bénéficie d'une protection des services de sécurité libyens.

 

En parallèle, nous renforçons nos relations avec le Conseil national transitoire. Une mission organisée conjointement avec les Pays-Bas et le Luxembourg s'est rendue à Benghazi du 8 au 11 mai. Lors des derniers contacts auxquels j'ai moi-même assisté à Abou Dabi, j'ai invité officiellement le CNT à Bruxelles.

 

L'organisation "Groupe d'Action Libye" a dénoncé le harcèlement et les menaces proférées contre deux membres de l'ambassade qui ont démissionné le 19 février. Nous avons pris ces accusations très au sérieux. Si nous obtenions des éléments de preuve les confirmant, ce qui n'est pas le cas actuellement, nous n'hésiterions pas à prendre des mesures, voire à expulser les personnes responsables de ces faits.

 

Het is duidelijk dat de twee diplomaten die op 19 februari zijn overgelopen onder druk werden gezet. Zij werden bedreigd door hun ministerie van Buitenlandse Zaken om terug te komen op hun beslissing. Zij krijgen bijvoorbeeld geen salaris meer uitbetaald. Volgens onze informatie werden ze echter niet lastiggevallen of bedreigd door andere leden van de ambassade.

 

Dit vergt uiteraard nog verdere confirmatie, wanneer men naar aanleiding van een onderzoek nog een beter zicht zal krijgen. In afwezigheid van meer gegevens kan ik geen andere conclusies trekken.

 

Ik kom tot de drie diplomaten die Frankrijk heeft uitgewezen voor activiteiten die niet verenigbaar zijn met het diplomatiek statuut. Zij hebben inderdaad enkele dagen met hun familieleden in Brussel verbleven, in afwachting van hun vlucht naar Djerba.

 

Wij hebben de ambassadeur onmiddellijk laten weten dat er geen sprake kon zijn om deze mensen duurzaam in Brussel te herbergen. Zij zijn dan ook op de aangekondigde datum, op 14 mei, daadwerkelijk vertrokken. Uiteindelijk zijn ze dus slechts enkele dagen op doortocht op Belgisch grondgebied geweest.

 

Tot slot, informatie over de zoon van de ambassadeur. Hij heeft zijn diplomatieke identiteitskaart reeds in november 2010 ingeleverd om zijn studie in België met een gewone verblijfsvergunning te kunnen voortzetten. Hij heeft immers de maximumleeftijd van 25 jaar bereikt waarop kinderen van diplomaten recht hebben op een diplomatiek statuut. Sinds november vorig jaar is het al zo dat we hier niet langer kunnen spreken van een persoon met een diplomatiek statuut.

 

08.04  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor de informatie. Uiteraard, hoe langer het duurt en hoe meer diplomaten het regime van Kadhafi afvallen, hoe minder gevallen van intimidatie of druk er zullen zijn. Dat is een beweging die niet tegen te houden is.

 

Ik meen uit uw antwoord op te maken dat er wel een onderzoek is naar de feiten die zouden gebeurd zijn, naar mogelijke intimidatie van diplomaten in het begin. Het kan ook zijn dat die Libische oppositiegroepen met hun beweringen ergens iets hebben vernomen maar niet helemaal begrepen, bijvoorbeeld dat de zoon van de ambassadeur illegaal in het land zou verblijven. U zegt echter dat hij van statuut is veranderd. Hij is nu van een diplomatiek statuut naar een statuut als student in België overgeschakeld.

 

Het laatste onderdeel van mijn vraag wordt op den duur zonder voorwerp, namelijk of het niet vanzelfsprekend zou zijn dat ons land de diplomatieke vertegenwoordigers van Kadhafi niet meer zou erkennen. Als er uiteindelijk geen diplomatieke vertegenwoordigers van Kadhafi als dusdanig meer overblijven, dan is dat probleem opgelost. Blijkbaar wil slechts een minderheid het regime nog vertegenwoordigen en zijn de anderen de kant aan het kiezen van de bevolking en de roep om democratisering.

 

08.05  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le président, je remercie le ministre pour ses réponses. Je l'invite à rester vigilant et à maintenir les contacts avec les personnes susceptibles d'être de bons relais auprès de l'ambassade.

 

Peut-être était-ce lorsque M. Leterme vous précédait aux Relations extérieures, mais en tout cas le ministre n'avait pas hésité à agir à l'égard des individus qui avaient prêté allégeance à l'auteur du coup d'État au Honduras. C'était l'année dernière ou l'année précédente. Ce fut une réaction extrêmement proactive. Des actions peuvent donc être entreprises, si nécessaire, en particulier quand l'intégrité physique des personnes est menacée. En effet, les Libyens résidant en Belgique ont joué un rôle important dans le soulèvement démocratique. Après avoir fui un régime odieux, ces gens ont envie de pouvoir participer à cette révolution. Beaucoup d'intellectuels libyens vivent ici et vont probablement contribuer à la reconstruction de leur pays. Leur apporter une protection sur notre territoire constitue donc un gage de respect envers eux.

 

08.06  Steven Vanackere, ministre: Vous avez tout à fait raison, madame Boulet, mais la présence de nos F-16 ne passe pas inaperçue non plus!

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de Mme Juliette Boulet au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "l'envoi éventuel d'une mission d'observation des élections en Tunisie" (n° 4784)

09 Vraag van mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het eventueel uitzenden van een waarnemingsmissie voor de verkiezingen in Tunesië" (nr. 4784)

 

09.01  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le président, monsieur le ministre, le 24 juillet prochain ou peut-être plus tard – on ne le sait pas encore –, la Tunisie élira ses représentants pour la nouvelle Assemblée constituante. Pour la première fois de son histoire, la population tunisienne va connaître des élections libres et non manipulées.

 

Cela implique que tout le cadre électoral soit adopté et mis en place dans un délai très court. C'est la Haute instance de réalisation des objectifs de la révolution, de la réforme politique et de la transition démocratique qui sera chargée de préparer les futures élections tunisiennes. Deux projets de décret-loi ont rapidement été adoptés: le premier pour créer une instance supérieure électorale, le second pour l'élection proprement dite. La tâche reste extrêmement importante. Les listes des électeurs doivent être totalement revues. Environ deux mille bureaux d'inscription doivent être organisés ainsi que sept mille bureaux de vote et il faudra former des dizaines de milliers de personnes pour la bonne tenue des élections. C'est donc une opération risquée et fondamentalement importante pour l'avenir de la Tunisie.

 

Monsieur le ministre, pourriez vous nous informer sur l'envoi éventuel d'une mission d'observation ou de contrôle de l'Union européenne à laquelle la Belgique participerait? Y a-t-il un projet d'envoi d'une mission d'observation belge? Si tel est le cas, comment serait-elle composée?

 

Plusieurs sources nous informent que les élections risquent d'être reportées. Avez-vous des informations supplémentaires à ce sujet?

 

09.02  Steven Vanackere, ministre: Monsieur le président, chère collègue, après de nombreux débats entre les partis politiques, le gouvernement de transition et l'instance supérieure chargée de l'organisation de ces élections pour l'Assemblée constituante, initialement prévues pour le 24 juillet, celles-ci ont été en effet officiellement reportées au 23 octobre.

 

L'Union européenne compte effectivement déployer une mission d'observation électorale en Tunisie. Étant donné que le report de la date des élections est survenu le 8 juin, les dates de déploiement de la mission ne sont pas encore connues. Les dates initiales tenaient compte de la date initialement prévue pour ces élections, soit le 24 juillet.

 

La mission telle qu'elle était prévue pour ces élections devait être composée d'un parlementaire européen chargé de diriger la mission, de dix membres d'une équipe cadre, chacun spécialisé dans un domaine précis des élections (analyste juridique, expert en élections, officier de presse, expert en genre et en droits humains, expert en médias, etc.). À côté de ces dix membres d'une équipe cadre, nous comptons encore 54 observateurs à long terme et 66 observateurs à court terme. Cette composition devrait rester identique malgré le changement de date.

 

Bien sûr, quelques changements concernant le nombre de personnes ne peuvent être exclus.

 

La Belgique, à l'instar des autres États membres de l'Union européenne, soumettra cinq candidats "long terme" et cinq candidats "court terme"; l'Union européenne effectuera son choix final parmi ces propositions.

 

La sélection du chef de mission et des membres de l'équipe cadre est du seul ressort de l'Union européenne, sans intervention des États membres.

 

09.03  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le président, je remercie M. le ministre pour toutes ces informations.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de toenemende christenvervolging in China" (nr. 4831)

10 Question de Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la persécution croissante des chrétiens en Chine" (n° 4831)

 

10.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag gaat over de toenemende christenvervolging in China.

 

De politie in Peking blijft met regelmaat christenen arresteren. Verschillende zondagen op rij hebben de Chinese autoriteiten niet alleen christenen verhinderd een kerkdienst bij te wonen maar ze ook gearresteerd.

 

China is natuurlijk een groot en machtig land waarvan wij zowel politiek als economisch meer afhankelijk zijn dan omgekeerd.

 

Is de Belgische regering bereid de acties tegen de christenen in China te veroordelen en deze veroordeling ook in duidelijke bewoordingen aan de Chinese autoriteiten over te maken?

 

Regelmatig worden omvangrijke handelsmissies naar China georganiseerd, waar zeer veel mensen gretig mee naartoe gaan en waar Belgische bedrijven goede contracten sluiten om zaken te doen in China.

 

Worden deze missies ook gebruikt om kritiek te leveren op de verslechterde mensenrechtensituatie, inclusief de godsdienstvrijheid? Welke stappen onderneemt België, zowel in bilateraal als in EU-verband, om China onder druk te zetten of zeker duidelijk te maken dat België het niet vanzelfsprekend vindt dat de mensenrechten daar worden geschonden en om erop aan te dringen dat dit ook stopt?

 

10.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, zonder ze bij naam te noemen, vermoed ik dat u verwijst naar de protestantse Shouwangkerk. Christenen die hun geloof vrij beoefenen, dus niet worden gecontroleerd door de State Administration for Religious Affairs en die weigeren te erkennen dat de communistische partij boven hun geloof staat, riskeren inderdaad vervolging. Dit geldt trouwens voor alle religies in China.

 

De Belgische acties in dit verband worden bepaald in samenspraak met de EU. Zoals aangegeven in eerdere antwoorden op soortgelijke vragen, heeft de Raad van de EU sinds 2009 maatregelen aangenomen om de vrijheid van religie en overtuiging te bevorderen en te verdedigingen, in het bijzonder voor religieuze minderheden. Op 21 februari van dit jaar heeft de Raad van de EU nieuwe besluiten aangenomen als reactie op de toename van geweld tegen christelijke en andere religieuze minderheden. Naar aanleiding van deze besluiten heeft België ervoor gepleit de Europese maatregelen te versterken, zowel multilateraal in de VN als bilateraal in besprekingen van Europese lidstaten met landen met kwetsbare religieuze minderheden waaronder China.

 

Het thema mensenrechten wordt in de meeste ontmoetingen met Chinese overheden aangesneden, ook op handelsmissies. In de volgende ronde van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China, die op 16 juni in Beijing zal plaatsvinden, zullen de rechten van religieuze en etnische minderheden, samen met andere mensenrechtenkwesties, wel degelijk worden besproken.

 

10.03  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben blij dat het ook op handelsmissies gebeurt, dus dat de zaken niet dusdanig gescheiden worden gehouden dat de Chinezen eigenlijk kunnen doen alsof er niets aan de hand is. Het is belangrijk zo niet belangrijker om niet alleen op het politieke forum, maar ook op dat economische forum duidelijk te maken dat dit niet totaal vrijblijvend is, dat de wereld toekijkt en dat China wat de mensenrechten betreft ook een zekere norm van fatsoen moet proberen te behalen. Nu zij welstellender worden en hun bevolking rijker wordt, is er geen enkel excuus meer om de schendingen van de mensenrechten, die schering en inslag waren onder een zuiver communistisch tijdperk, nog te blijven voortzetten.

 

De godsdiensten moeten allemaal rapporteren aan en erkend worden door een bureau van de communistische partij. Eigenlijk mogen wij er volgens mij op aandringen dat een dergelijke instantie wordt afgeschaft. Het is gewoon onzinnig dat dit nog bestaat.

 

Morgen is er die bijeenkomst in Beijing. Ik blijf de zaak opvolgen en ik ben blij dat u mij hebt geantwoord. Ik ben eigenlijk ook tevreden dat de Europese Unie heeft gereageerd op het feit dat vervolgingen van christenen wereldwijd toenemen. Ik denk dat wij dit moeten opvolgen, voor de christenen en voor alle andere minderheidsgroepen, godsdienstig en etnisch, die overal ter wereld het slachtoffer blijven van intolerante regimes.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Ingeborg De Meulemeester aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het geweld in Abyei" (nr. 4928)

- de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de gevechten aan de grens tussen Noord-Sudan en Zuid-Sudan" (nr. 4964)

- mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het recent opgelaaide geweld in Sudan" (nr. 5151)

11 Questions jointes de

- Mme Ingeborg De Meulemeester au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les violences dans la région d'Abyei" (n° 4928)

- M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les combats à la frontière entre le Nord-Soudan et le Sud-Soudan" (n° 4964)

- Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la récente recrudescence de la violence au Soudan" (n° 5151)

 

11.01  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de minister, het geweld tussen de noordelijke en de zuidelijke regio van Soedan begint sterk te escaleren. Het olierijk gebied rond Abyei dat stilaan tevens een symbooldossier geworden is voor de Zuid-Soedanese onafhankelijkheidsbeweging werd de voorbije week geplunderd door het Soedanese leger. U weet dat zowel Noord als Zuid-Soedan de regio rond Abyei claimen. Een referendum moest eigenlijk duidelijk maken of de inwoners van Abyei tot Noord of Zuid-Soedan wilden behoren. Ondertussen raakten de autoriteiten het echter niet eens over de organisatie van dat referendum waardoor een oplossing voor Abyei op zich laat wachten. De kans dat er een akkoord zal worden gevonden zodat Zuid-Soedan definitief onafhankelijk is op 9 juli is zeer miniem.

 

Ik wil u hierover enkele vragen stellen. Zal u bij de Soedanese ambassadeur in Brussel uw afkeuring laten blijken ten aanzien van de plundering van Abyei door het Soedanese leger? Heeft u momenteel meer zicht op de lopende onderhandelingen over Abyei? Hoe hoog schat u de kans in dat er een akkoord zal zijn voor 9 juli? Worden er op multilateraal niveau al afspraken gemaakt over mogelijke militaire of economische ondersteuning van Zuid-Soedan? Welke ondersteuning zal België Zuid-Soedan mogelijk bieden?

 

11.02  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag handelt over hetzelfde onderwerp. Ik sluit mij dus aan bij de vragen van mijn collega De Meulemeester.

 

In de Soedanese regio Abyei is het geweld opgelaaid, zoals mijn collega heeft beschreven. De Amerikaanse regering heeft heel expliciet gesteld dat de invasie van Abyei door het Soedanees leger disproportioneel en onverantwoordelijk is.

 

Mijnheer de minister, deelt de Belgische regering die visie van de Amerikaanse regering? Op welke manieren heeft België, hetzij bilateraal, hetzij via de EU, zijn bekommernis over die situatie reeds kenbaar gemaakt aan het Soedanees regime?

 

Aansluitend op de andere vragen die reeds gesteld zijn, wil ik ook vragen of er gevreesd wordt voor een nieuwe humanitaire catastrofe als gevolg van het geweld. Zo ja, op welke manier probeert België dat te verhinderen of zal België proberen daaraan te verhelpen?

 

11.03 Minister Steven Vanackere: Als lid van de EU heeft België zijn duidelijke afkeer laten blijken ten aanzien van het geweld in Abyei, via de verklaring van hoge vertegenwoordiger Ashton op 22 mei. Tot dusver heb ik de Soedanese ambassadeur in Brussel hieromtrent nog niet ontboden.

 

De onderhandelingen over Abyei bevinden zich in een bijzonder moeilijk stadium. De kans dat er voor 9 juli een akkoord komt, is dan ook zeer laag in te schatten. Er vindt voortdurend multilateraal overleg plaats over mogelijke ondersteuning aan Zuid-Soedan, op het niveau van de EU inbegrepen. Concrete afspraken werden echter nog niet gemaakt. De verwachting is wel dat dit op korte termijn zal gebeuren.

 

Ons land heeft in de voorbije jaren ten gunste van Zuid-Soedan naast humanitaire hulp ook verschillende projecten op het vlak van vredesopbouw gefinancierd of mee gefinancierd. Die ondersteuning aan Zuid-Soedan zal natuurlijk worden voortgezet na 9 juli.

 

De Europese Unie heeft ook de mediatieploeg van de Afrikaanse Unie, geleid door de vroegere president van Zuid-Afrika, Mbeki, ondersteund. Jammer genoeg heeft ook die mediatie nog niet tot een oplossing geleid.

 

Wat eventuele demarches betreft, verwijs ik opnieuw naar de verklaring van 22 mei, waarin mevrouw Ashton de gewelddaden heeft veroordeeld. Op dit ogenblik wordt een globale nota voorbereid ten opzichte van Soedan en Zuid-Soedan. Die zal normaal gezien aanstaande maandag in de Raad van de ministers van Buitenlandse Zaken in Luxemburg worden goedgekeurd en bevat een aantal concrete acties in het voordeel van Zuid-Soedan.

 

11.04  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is heel belangrijk dat de EU het goed blijft volgen, want 9 juli is niet meer zo veraf.

 

11.05  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, wij volgen net als u de verdere ontwikkeling van deze zaak op. Wij hopen dat het zonder veel bloedvergieten of burgeroorlog zal zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Ingeborg De Meulemeester aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het nieuwe Europese nabuurschapsbeleid" (nr. 4952)

12 Question de Mme Ingeborg De Meulemeester au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la nouvelle politique de voisinage européenne" (n° 4952)

 

12.01  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de minister, bij de voorstelling van het nieuwe Europese nabuurschapbeleid geraakte bekend dat de EU meer financiële middelen zal vrijmaken voor de ondersteuning van democratie in haar buurlanden. Een land dat meer vooruitgang boekt op het vlak van democratisering en bescherming van de mensenrechten zal kunnen rekenen op meer financiële steun.

 

In het verleden lag de klemtoon vooral bij de Oost-Europese ex-Sovjetlanden. In het nieuwe nabuurschapbeleid zal het werkgebied verruimd worden tot de zuidelijke, Arabische landen.

 

Mijnheer de minister, over welke landen gaat het specifiek? Kunt u uitleggen welke buurlanden van de EU hiertoe behoren? Wat houdt de financiële steun vanwege de EU specifiek in? In welke mate krijgt deze financiële steun vorm? Hoe worden toetsstenen als respect voor de vrijheid van meningsuiting en hulp in de strijd tegen terrorisme gemeten?

 

12.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, ik wil er even aan herinneren dat het nabuurschap van de Europese Unie zowel onze buurlanden ten zuiden van het Middellandse Zeegebied als onze buurlanden ten oosten van Europa bevat.

 

Voor de oostelijke flank van het nabuurschapbeleid gaat het om zes landen: Oekraïne, Moldavië, Wit-Rusland en de drie landen van de zuidelijke Kaukasus, zijnde Armenië, Azerbeidzjan en Georgië.

 

De zuidelijke vleugel omvat tien partners: Marokko, Algerije, Tunesië, Lybië, Egypte, Jordanië, Syrië, de bezette Palestijnse gebieden, Israël en Libanon.

 

Voor de begrotingsperiode 2007-2013 bedragen de middelen van de Europese Unie die ter beschikking worden gesteld om de hervormingen van de Europese nabuurschappartners te ondersteunen 12 miljard euro. Ik ga ermee akkoord dat voormeld bedrag over een periode van zes à zeven jaar moet worden uitgesmeerd. Niettemin merkt u dat het toch om bijna 2 miljard euro op jaarbasis gaat. Dat is dus absoluut geen onbelangrijke som.

 

De fondsen die aan de verschillende landen worden toebedeeld, hangen af van hun noden, van hun absorptiecapaciteit en van de vooruitgang in de overeengekomen hervormingen. Laatstgenoemd, essentieel aspect moet voor de toekomst worden versterkt, om over echte stimulansen ten voordele van de door onze partners aangegane hervormingen te beschikken en vooral om een antwoord te bieden op de eisen die in het kader van de Arabische Lente zijn geuit.

 

Met voorgaande uitspraak formuleer ik een standpunt dat ik ook de 27 Europese collega’s regelmatig in herinnering blijf brengen, met name dat Europa ook met de genoemde, belangrijke middelen erop moet toezien niet alleen een payer maar ook een player te zijn. Het moet met andere woorden de bedoelde middelen ook als een hefboom voor hervormingen gebruiken. Ik heb het gevoel dat ter zake versterking nog mogelijk is.

 

De tenuitvoerlegging van de wederzijdse, in actieplannen vastgelegde engagementen en doelstellingen is uiteraard vandaag al het voorwerp van regelmatige controles door gespecialiseerde subcomités, die in samenwerking met elk van de betrokken landen worden georganiseerd. Het betreft een dynamisch proces, dat echter ook moet worden versterkt. Als het controlesysteem aantoont dat er een aanzienlijke vooruitgang is geboekt in de richting van de vastgelegde doelstellingen, kunnen de stimulerende maatregelen opnieuw worden onderzocht en versterkt. Ook het omgekeerde moet met andere woorden ook mogelijk zijn. Zulks merkt u aan de manier waarop ik over de kwestie een antwoord formuleer.

 

12.03  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Collega’s, er is nog een vraag nr. 5295 van mevrouw De Meulemeester. Zij moet zo dadelijk in de plenaire vergadering spreken. Indien zij nog één vraag meer mag stellen, dan heeft zij haar vragen gesteld.

 

12.04  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ook ik moet zo dadelijk naar de plenaire vergadering vertrekken. Mijn vraag nr. 5271 is echter gekoppeld aan vraag nr. 5148 van de heer Van der Maelen.

 

De voorzitter: Mevrouw Lanjri, er zijn nog een aantal vragen, vooraleer uw vraag aan bod komt. Wij zijn nu aan agendapunt 27, zijnde vraag nr. 4954 van mevrouw Boulet, gekomen. Ik wil gerust met uw verzoek rekening houden. Mevrouw Boulet heeft nog een aantal andere vragen.

 

Mevrouw De Meulemeester, geef ik u het woord voor uw vraag nr. 5295 of moet u meteen weg? U kan uw vraag natuurlijk ook in een schriftelijke vraag omzetten.

 

12.05  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de voorzitter, de heer Van der Maelen heeft voorrang omdat hij mijn vraag heeft gekoppeld.

 

12.06  Dirk Van der Maelen (sp.a): Ik heb mijn vraag aan de uwe gekoppeld, maar ter zake bent u aan mij gekoppeld.

 

12.07  Nahima Lanjri (CD&V): Ik ben toch correct?

 

De voorzitter: Mevrouw Lanjri, vraag nr. 5206 is ook aan uw vraag nr. 5271 gekoppeld. Zij is nog niet aanwezig. Ik stel dus voor dat wij mevrouw De Meulemeester nu haar vraag nr. 5295 laten stellen, zodat voornoemde vraag van de agenda is.

 

13 Vraag van mevrouw Ingeborg De Meulemeester aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de uitnodiging van Burundi aan de koning om deel te nemen aan de onafhankelijkheidsdag" (nr. 5295)

13 Question de Mme Ingeborg De Meulemeester au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "l'invitation du roi par le Burundi à l'occasion de la fête de l'indépendance" (n° 5295)

 

13.01  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, volgens verscheidene kranten heeft de Burundese regering Koning Albert uitgenodigd om op 1 juli 2012 deel te nemen aan de feestelijkheden bij de viering van de vijftigste onafhankelijkheidsdag van Burundi.

 

Ik las daarbij dat het Koninklijk Paleis nog geen beslissing heeft genomen of het al dan niet op de uitnodiging zal ingaan.

 

De Belgische regering zou de uitnodiging liever op de lange baan willen schuiven zodat de volgende regering een beslissing kan nemen.

 

Burundi, dat trouwens een van de belangrijkste partnerlanden is in de Belgische ontwikkelingssamenwerking, heeft een zeer omstreden regering.

 

Politieke vervolging van oppositieleden en buitengerechtelijke executies lijken schering en inslag onder het bestuur van president Pierre Nkurunziza, wiens naam ik niet goed kan uitspreken.

 

Die zaak doet alvast denken aan de deelname van de vorst aan de feestelijkheden in Congo in 2010. U weet dat ook toen de deelname omstreden was.

 

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat er een officiële uitnodiging is gekomen voor de deelname van de Koning aan de feestelijkheden in Burundi?

 

Klopt het dat de huidige regering in lopende zaken het antwoord in beraad zou houden?

 

Heeft het Paleis zelf al te kennen gegeven om het liefst in te gaan op de uitnodiging of ze te weigeren?

 

Is er een deadline voorzien voor het te kennen geven van het antwoord aan Burundi?

 

13.02 Minister Steven Vanackere: Ik kan u in ieder geval geruststellen: het stellen van de vragen noch het geven van het antwoord dient gepolitiseerd te worden.

 

Ik kan u bevestigen dat onze ambassade in Bujumbura einde maart een verbale nota ontvangen heeft met een formele uitnodiging van de Burundese president Pierre Nkurunziza aan zijne Majesteit de Koning naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Burundese onafhankelijkheid die zal worden gevierd op 1 juli 2012. We zijn dus rijkelijk op voorhand geïnviteerd. Alle speculaties met betrekking tot de wil om iets op de lange baan te schuiven moeten gewoon de baan ruimen voor de werkelijke vaststelling dat het niet gebruikelijk is om zo prompt voor een engagement dat nog meer dan een jaar ver is, ons te willen haasten om te antwoorden.

 

Tijdens mijn bezoek aan Burundi is in een lang onderhoud met president Nkurunziza geen enkele blijk geweest van ongeduld over wanneer wij dan zouden antwoorden. Ik beschouw het als een hoffelijkheid dat we zo lang op voorhand werden uitgenodigd. Ook al zijn we niet bang om in lopende zaken beslissingen te nemen, gaan we niet holderdebolder beslissingen nemen voor engagementen op zo’n lange termijn.

 

Ik herinner er aan dat ook voor het ingaan op de uitnodiging voor de feestelijkheden in Kinshasa, het enkele maanden voor de eigenlijke evenementen was dat België een antwoord heeft gegeven. Meer moet u daar werkelijk niet achter zoeken.

 

13.03  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Dank u, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van mevrouw Maya Detiège aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de erkenning van geboorteakten" (nr. 4969)

14 Question de Mme Maya Detiège au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la reconnaissance des actes de naissance" (n° 4969)

 

14.01  Maya Detiège (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dit is een tamelijk complexe vraag over de erkenning van de geboorteakte ingeval van draagmoederschap. Dat is in België nog niet helemaal en goed wettelijk geregeld, waardoor een aantal mensen in een juridisch vacuüm terechtkomt.

 

U kent waarschijnlijk ook het verhaal dat de laatste tijd in de media terecht is gekomen, het verhaal van het jongetje Samuel. Samuel werd met het zaad van een Belgische man verwekt bij een Oekraïense draagmoeder. Nadien kon de jongen evenwel niet naar België komen omdat onze diensten geen uitreisvisum uitreikten, omdat er in de geboorteakte geen moeder opgenomen werd. Uiteindelijk werd dan toch zo’n visum verstrekt nadat een procedure voor de rechtbank opgestart werd. Ik veronderstel dat de media-aandacht voor heel het verhaal er ook toe bijgedragen heeft dat er een versnelling is gekomen in die procedure.

 

Het geval van Samuel is geen alleenstaand geval, er zijn nog andere mensen die kinderen via die weg trachten te krijgen. Ik werd zelf gecontacteerd door twee mannen die met het sperma van een van de twee bij een draagmoeder een tweeling hebben verwekt. In tegenstelling tot het geval van Samuel kon deze tweeling wel naar België reizen, doordat er in dit geval geen visumplicht was.

 

Maar nu stelt zich een nieuw probleem. Ondanks het feit dat de kinderen een Belgische vader hebben, kunnen zij de Belgische nationaliteit niet bekomen. Bovendien wordt het vaderschap van beide mannen niet erkend, ook niet van de biologische vader, omdat er geen moederlijke afstamming is vastgelegd op de geboorteakte. Blijkbaar zou dit er in de Verenigde Staten wel voor kunnen zorgen dat er een geboorteakte komt, maar in België zou er een of ander juridisch vacuüm zijn.

 

Dat heeft grote gevolgen. In principe hadden die kinderen ons land reeds na vier maanden moeten verlaten, omdat zij hier officieel illegaal zijn op dit ogenblik. Naar Amerikaans recht hebben zij echter wel wettelijke vaders. Het is een beetje een juridisch vacuüm. Ik weet dat het enorm complex en technisch is. Ik durf in dit geval ook niet te denken aan de gevolgen voor deze kinderen mocht er ooit de ouders of een van de twee mannen iets overkomen.

 

Het probleem is kennelijk dat de geboorteakte zonder moederlijke afstamming niet erkend wordt door de bevoegde Belgische instanties. Uiteraard valt het te verwachten dat zulke problemen steeds vaker zullen voorvallen. Het is zo dat dit niet alleen voor homoparen een probleem kan vormen, maar bijvoorbeeld ook voor alleenstaande moeders of heterokoppels die op dezelfde manier de procedure volgen.

 

U kunt zeggen dat het juridisch-technisch nog steeds niet mag, maar heel veel mensen hebben een kinderwens en gaan toch alle mogelijke middelen die er bestaan grijpen om toch kinderen te krijgen. Vaak staan zij niet stil bij het juridisch kluwen waarin zij nadien terechtkomen. Elk individueel geval creëert blijkbaar ook nog eens een juridische procedureslag waarvan de uitkomst heel onzeker is.

 

Zoals het geval van Samuel heeft aangetoond, is dit enorm schadelijk voor het welzijn van de betrokken kinderen.

 

U zult zich afvragen waarom ik deze vraag stel? Omdat België toen achterstond met de wetgeving ter zake heeft mijn eigen moeder mij eerst moeten adopteren om te voldoen aan de vigerende wetgeving. Indien zij mij niet geadopteerd had, had ik bijvoorbeeld geen erfenisrechten gekregen. Ik vind dat in dit geval een zelfde juridisch vacuüm bestaat. Die kinderen zijn er. Omdat de Belgische wetgeving nog niet volgt, voldoen zij nu niet aan de juridische vereisten in ons land, maar zij zijn hier wel. Wij moeten dus zorgen dat er een oplossing komt voor die kinderen. Op dit moment zijn zij hier eigenlijk deels illegaal. Daar moeten wij iets aan doen, vandaar mijn vragen.

 

Ten eerste, wat vindt u van het feit dat aan kinderen van een Belgische vader geen uitreisvisum wordt verstrekt als er op de geboorteakte geen moeder vermeld wordt?

 

Ten tweede, zal u vragen aan de Belgische diensten in het buitenland hier anders mee om te springen dan vandaag?

 

Ten derde, hebt u naar aanleiding van de recente zaken advies gegeven hoe onze vertegenwoordiging in het buitenland zich moet opstellen in dergelijke gevallen?

 

Ten vierde, hebt u in de schoot van de regering al initiatieven genomen inzake de erkenning van buitenlandse geboorteakten? Of bent u bereid dat te doen, in samenspraak met uw bevoegde collega’s van Binnenlandse Zaken en Justitie?

 

Ik hoop dat u een aantal positieve antwoorden geeft, zodat die kinderen niet in de kou worden gezet.

 

14.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, ik heb een prachtig technisch antwoord voorbereid gekregen, maar ik wil toch eerst even het volgende zeggen.

 

U zegt dat dit een heel complexe en technische materie is. Van alle vragen die ik vanmiddag te beantwoorden heb gekregen, is dit de materie met het grootste morele gehalte. Ik zal dan ook meer voor de vuist antwoorden.

 

U vertelt het verhaal vanuit het standpunt van een kleine Samuel of van een tweeling. Ik ben verplicht om dit Parlement te zeggen dat wij dit verhaal evengoed kunnen vertellen vanuit het standpunt van de jonge Adinda in India, die voor een handvol dollars wordt misbruikt om geboorte te geven aan een kind dat zij meteen moet afstaan aan mensen die op een volstrekt criminele manier een netwerk in stand houden.

 

In een aantal landen wordt misbruik gemaakt van de economisch zwakke positie van vrouwen om een antwoord te bieden, maar dan in hoofde van die criminele organisatie om louter pecuniaire redenen, op een, langs onze kant bekeken, onvervulde kinderwens van sommige mensen.

 

Het debat over wat wij hier nu moeten doen, wordt essentieel bepaald door het standpunt van waaruit wij dit bekijken. Bekijken wij dit vanuit het standpunt van de jonge Oekraïnse vrouw die op een manier die niet beantwoordt aan een vrije wilsuiting wordt geconfronteerd met situaties van draagmoederschap, waarbij in vele opzichten, zeker met onze Westerse oren, een te cleane beschrijving wordt gegeven van de situatie?

 

Ik wil niet ontkennen dat er in het Westen ongetwijfeld vrouwen zijn die ervoor kiezen om dit te doen en mits een kostenvergoeding willen meewerken aan het vervullen van een kinderwens van een koppel of van om het even wie graag het ouderschap wil beleven. Ik moet u zeggen dat ik in mijn bilaterale contacten met landen zoals India en Oekraïne werkelijk verplicht ben om regelmatig te wijzen op de nood aan een sterkere juridische en gerechtelijke samenwerking om dat soort netwerken op te rollen en tegen te gaan.

 

Ik ben heel gevoelig voor uw vraag omdat ik weet dat de intentie die erachter ligt vanuit een oprecht verlangen komt om een antwoord te kunnen bieden aan mensen met een onvervulde kinderwens, maar ik ben verplicht daartegenover te stellen wat wij als Belgische overheid zullen doen om geen ondersteuning te geven aan praktijken die eigenlijk neerkomen op misbruik.

 

Mijn standpunt is dat commercieel draagmoederschap af te wijzen valt. Ik zeg dat in alle duidelijkheid, maar ik zeg dat als politicus, niet eerst en vooral als minister van Buitenlandse Zaken. Als minister van Buitenlandse Zaken kan ik alleen maar vaststellen dat in de Belgische rechtsorde de sanctie die men formuleert om dit soort praktijken zo weinig mogelijk aan te moedigen precies bestaat in de juridische complexiteit die u beschrijft.

 

Het staat ook op de website van Buitenlandse Zaken, wie zich in dit soort avontuur waagt, moet weten dat hij enorme risico’s loopt op het niveau van het niet-erkennen van een aantal feiten of situaties in de Belgische rechtsorde. Dat is vandaag bij gebreke aan andere wetgeving het enige antwoord dat de Belgische wetgever gegeven heeft, namelijk dat wat men doet voor eigen verantwoordelijkheid is en dat wij een aantal situaties geen erkenning geven.

 

In lopende zaken kan er uiteraard geen initiatief komen van de regering, maar mijn stelling is dat dit wenselijk zou zijn. Ik weet dat een aantal collega’s in de Senaat en de Kamer daar initiatieven rond genomen hebben. Mijn stelling is dat er zo snel mogelijk een wetgevend initiatief zou moeten komen. Mevrouw Detiège, dat mag in mijn ogen echter hoe dan ook geen afbreuk doen aan de wens van een overgrote meerderheid in deze parlementaire assemblee om geen steun te verlenen aan datgene wat misbruik van de economische situatie van een aantal vrouwen in een zwakkere positie uitmaakt.

 

Met andere woorden, mijn antwoord als minister van Buitenlandse Zaken is vandaag dat dit de situatie is zoals ze momenteel bestaat. Ze wordt ook beschreven op alle websites waarmee wij communiceren. Er wordt verwezen naar de alternatieven met betrekking tot adoptie, goed wetend dat die alternatieven niet voor iedereen even beschikbaar en reëel zijn. Ik weet dat. Als de Belgische Staat niet door een rechter wordt geduwd in de richting van het uitreiken van een visum, houd ik mij wel degelijk aan de situatie van de Belgische wetgeving.

 

Mevrouw Detiège, ik vind uw vraag zinvol omdat ze mij de kans geeft om nog eens te onderstrepen dat wie zich vandaag in dit soort avontuur waagt heel weinig bondgenoten zal vinden in het Belgisch recht om zich daarin ondersteund te weten. Dat is wat ik u daarover wens te vertellen. Ik ben dus ook niet zinnens om daar veel accommoderender in te worden dan wij vandaag zijn. Ik bevestig inderdaad dat in een aantal recente uitspraken een rechter heeft geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen waren om te vinden dat er een reistitel moest worden uitgereikt. Dat heb ik dan ook gedaan, ik ben daar niet tegen in beroep gegaan. Ik denk echter niet dat het wijs zou zijn om nu een legistiek model te maken waarbij iedereen gerustgesteld wordt dat commercieel draagmoederschap een echt alternatief is voor adoptie of iets anders.

 

14.03  Maya Detiège (sp.a): Ik ben blij, omdat u hier heel open uw visie geeft, maar ik wil toch benadrukken dat niemand hier, ikzelf noch andere mensen steun willen verlenen aan dat misbruik. Dat is heel essentieel. Myriam Vanlerberghe, ikzelf en, bijvoorbeeld, Marleen Temmerman in de Senaat, hebben voorstellen om het commercieel draagmoederschap aan banden leggen, gezien de pijnlijke situaties van een aantal draagmoeders.

 

Toch is er ook een maar. Die ouders hebben een verantwoordelijkheid. Zij weten dat zij in een juridische lacune terechtkomen, maar dan komt mijn verhaal. Wij moeten daarmee opletten, want die kinderen zijn wel de dupe van de conflicten. De wetgeving in België is nog altijd niet in orde, als het gaat over commercieel draagmoederschap. Ik zit ook in het Benelux-Parlement, waar wij met de drie landen ervoor proberen te zorgen heel die discussie op elkaar af te stemmen, want als men in België bijvoorbeeld andere boetes geeft dan in Nederland, dan komt er toch nog een vorm van shopping tussen de verschillende landen. Er moet in het Parlement serieus, op een goede manier, over gesproken worden. Ik vind het heel pijnlijk dat het debat daarover zo lang aansleept.

 

Dat is een probleem. Op dat vlak zitten wij op dezelfde golflengte, maar ik vind het pijnlijk – dat stond ook in mijn vraag – dat het wel gebeurt. Die kinderen worden geboren. Het probleem is dat die kinderen bijna geen rechten hebben. Zij moeten de hele tijd door de mazen van het net glippen. Denk aan dat kind in dat weeshuis, dan rijst toch de vraag waarmee wij bezig zijn. Daarom wil ik aan de alarmbel trekken.

 

Er is nu weer een geval. Die mensen hebben mij aangeklampt en gezegd dat zij vandaag vaststellen dat de wetgeving in Amerika anders is dan in Oekraïne. Die mensen hebben dat gedaan terwijl zij zich van geen kwaad bewust waren. Er zijn mensen die zeggen dat zij recht hebben op een kind. Zij zullen alles op alles zetten om een kind te kunnen hebben. Ik zit ter zake absoluut op dezelfde lijn als u: wij moeten ervoor zorgen dat dit op een correcte manier gebeurt. Het moet zo snel mogelijk uitgeklaard worden, maar zorg er ook voor dat die kinderen niet de dupe van heel de situatie worden.

 

14.04 Minister Steven Vanackere: Er is een antwoord dat men altijd zal moeten geven: kan men aantonen dat men door een geaccommodeerde wetgeving niet juist meer situaties in het leven roept die men wil vermijden dan die die er vandaag reeds zijn? Wat is het antwoord op de stelling van degenen die zeggen dat de dag dat men in een kader voorziet waarbinnen dit soort van commercieel draagmoederschap mogelijk is, ook met een aantal landen die vandaag bepaalde netwerken hebben, er geen garantie is dat die praktijk niet zal vermenigvuldigen en veel sterker zal toenemen?

 

14.05  Maya Detiège (sp.a): Daarom heb ik dat persoonlijk voorbeeld aangehaald. Soms moet de wetgever ook verder kijken.

 

Vroeger moest men ook een vader en een moeder hebben. Een alleenstaande moeder was een taboe in ons land. Dat is toch gebeurd. Mijn moeder moest toen vaststellen dat België die wetgeving niet had. Zij heeft er dan hier in het Parlement voor gestreden dat dit toch werd rechtgezet. Daarom zeg ik dat men ook moet kijken naar de evoluties in de maatschappij.

 

Blijkbaar is dat een tendens waarvoor België nog niet helemaal rijp is. Het is toch een feit, want die kinderen zijn er wel.

 

14.06 Minister Steven Vanackere: (…)

 

14.07  Maya Detiège (sp.a): Ik kijk vanuit het standpunt van het kind op dit moment. Natuurlijk moeten wij misbruiken aanpakken, absoluut. U hebt daarin 100 % gelijk. Men kan een bommoeder niet vergelijken met een draagmoeder in Oekraïne. Dat weet ik ook wel. Mijn vraag is echter: wat met het kind dat er wel is? Daar wil ik aandacht voor vragen.

 

Wij kunnen nog drie jaar discussiëren over hoe wij dit gaan aanpakken, maar ik denk dat het tijd wordt om dit goed aan te pakken zodat op een snelle manier de vrouwen in Oekraïne niet meer worden misbruikt. Daarnaast moeten wij ervoor zorgen dat de kinderen die worden geboren ook rechten hebben. Dat wil ik vandaag meegeven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 5035 van mevrouw Grosemans wordt uitgesteld. De samengevoegde vragen nr. 4971 van de heer Luckx, nr. 5149 van mevrouw Colen en nr. 5218 van mevrouw Brems worden in schriftelijke vragen omgezet.

 

15 Samengevoegde vragen van

- de heer Dirk Van der Maelen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "zijn bezoek aan Burundi" (nr. 5148)

- mevrouw Eva Brems aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "zijn bezoek aan Burundi en de Belgische houding ten aanzien van Agathon Rwasa en zijn nieuwe rebellenbeweging" (nr. 5206)

- mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het recente bezoek van de minister aan Burundi" (nr. 5271)

15 Questions jointes de

- M. Dirk Van der Maelen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "sa visite au Burundi" (n° 5148)

- Mme Eva Brems au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "sa visite au Burundi et l'attitude de la Belgique à l'égard d'Agathon Rwasa et son nouveau mouvement rebelle" (n° 5206)

- Mme Nahima Lanjri au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la récente visite du ministre au Burundi" (n° 5271)

 

15.01  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u hebt recent een tweedaags bezoek gebracht aan Burundi. Dit land heeft een aanslepend probleem, met name het niet aanpakken van degenen die de mensenrechten overtreden. In dit land gebeurt dat al te vaak straffeloos.

 

Recent zijn er een aantal voorbeelden geweest. Zo was er bijvoorbeeld de falende aanpak van de autoriteiten om een onafhankelijk onderzoek te voeren naar de moord op de invloedrijke corruptiebestrijder Ernest Manirumva. Er was bijvoorbeeld ook de heel trage aanpak – alle vooruitgang op dit vlak is er gekomen dankzij internationale druk – om een onderzoek in te stellen naar de misdrijven die tijdens de verkiezingen van 2010 vermoedelijk werden gepleegd door de Burundese nationale inlichtingendiensten. Nog een voorbeeld is het feit dat al degenen die de moed hebben om in Burundi op te komen voor de mensenrechten of op te roepen voor gerechtigheid voor Manirumva, voor hun inspanningen ten voordelen van de mensenrechten regelmatig werden bedreigd. Ik heb het hier in het bijzonder over Pacifique Nininahazwe, Gabriël Rufyiri en Pierre Claver. De klachten die zij in dit verband formuleren bij de Burundese overheden worden niet serieus genomen.

 

Tijdens uw bezoek aan Burundi hebt u verschillende prominente Burundese beleidsverantwoordelijken ontmoet. Ik had u graag twee vragen gesteld.

 

Ten eerste, hebt u de kans gegrepen om de Burundese autoriteiten te spreken over die straffeloosheid? Zo ja, wat was het antwoord? Zo nee, waarom hebt u daarover niet gesproken met hen?

 

Ten tweede, bent u het met mij eens dat België de voorwaardelijke enveloppe van het huidige indicatief samenwerkingsakkoord als een conditie achter de hand moet houden om op het vlak van de aanpak van de straffeloosheid wat meer te bereiken? Bent u bereid om dit te bepleiten bij uw collega van Ontwikkelingssamenwerking? Bent u bereid, als het moment is aangebroken om de bijkomende enveloppe te besteden, dit in deze Kamer te bepleiten?

 

15.02  Eva Brems (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag handelt ook over straffeloosheid. Een van de opvallende elementen van uw bezoek aan Burundi was uw oproep tot dialoog tussen de regering en de extraparlementaire oppositie, een oppositie die niet heeft deelgenomen aan de presidents- en parlementsverkiezingen vorig jaar.

 

Onrustwekkend is dat er intussen door aanvallen op politiekantoren en op burgers in de provincies rond de hoofdstad, sterke indicaties zijn dat er in Burundi een nieuwe rebellie de kop zou kunnen opsteken. Vermoedelijk is Agathon Rwasa, de leider van de vroegere rebellenbeweging Palipehutu-FNL, die in juni 2010 het land is ontvlucht, hier opnieuw de initiatiefnemer vanuit Oost-Congo. Als leider van Palipehutu-FNL is Rwasa door mensenrechtenorganisaties en in rapporten van de Verenigde Naties herhaaldelijk beschuldigd van oorlogsmisdaden maar hij is nooit vervolgd. Integendeel, als ondertekenaar van het vredesakkoord in 2006 is hij met veel égards onthaald bij zijn terugkeer in Bujumbura, onder meer ook door de Belgische diplomatie.

 

Een eerste vraag gaat over transitional justice en mensenrechten in het algemeen. Burundi heeft op dat vlak op 17 mei 2011 van de Verenigde Naties nog goede punten gekregen. Wat zijn uw bevindingen over de stand van zaken inzake transitional justice en mensenrechten na uw bezoek aan Burundi?

 

Wat is uw houding ten opzichte van Agathon Rwasa en zijn nieuwe rebellenbeweging? Als u pleit voor een dialoog met de extraparlementaire oppositie, is dat ook van toepassing op Rwasa?

 

Pleit u voor onderhandelingen met Rwasa als zou blijken dat hij over voldoende militaire slagkracht beschikt om eventueel een nieuwe burgeroorlog te beginnen of dringt u veeleer aan op de strafrechtelijke vervolging van Rwasa, iets wat volgens mensenrechtenorganisaties al veel te lang is uitgesteld? Welke stappen onderneemt u in de ene of in de andere richting?

 

15.03  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, naar aanleiding van uw bezoek van deze maand aan Burundi heb ook ik een aantal vragen.

 

Ons land is een van de belangrijkste donoren. Er zijn afspraken gemaakt over een hele reeks inspanningen die moeten worden geleverd, vooraleer Burundi op de genoemde 50 miljoen euro extra Belgische ontwikkelingshulp aanspraak kan maken. De komende vier jaar zou voor Burundi bovendien een extra bedrag van 150 miljoen euro worden vrijgemaakt. Daarmee zijn wij een van de belangrijkste donorlanden, zoals ik heb kunnen ervaren toen ik ter plaatse was. De hulp van België wordt ginds ook enorm gewaardeerd.

 

Dat neemt echter niet weg dat op heel wat vlakken door Burundi nog heel wat inspanningen moeten worden geleverd, bijvoorbeeld op het vlak van de mensenrechten en de politieke vrijheden. Ook het corruptieprobleem moet in Burundi echt worden aangepakt. Iedereen is van dat probleem op de hoogte en niemand ontkent het.

 

Mijnheer de minister, hebt u de situatie van de mensenrechten en van het gebrek aan politieke vrijheid alsook het corruptieprobleem bij de Burundese autoriteiten openlijk kunnen aankaarten?

 

Ten tweede, welke inschatting maakt u op dit ogenblik van de huidige mensenrechtensituatie in Burundi? Wordt ter zake al dan niet zichtbare vooruitgang geboekt? Lijkt de situatie daarentegen veeleer te stagneren of zelfs achteruit te gaan?

 

De vorige spreker heeft de situatie van een aantal mensenrechtenactivisten vermeld. Ik ben zelf meter van een van de genoemde mensenrechtenactivisten, namelijk Gabriel Rufyuri. Door te corresponderen en door met een aantal parlementairen in contact te blijven, proberen wij ervoor te zorgen dat de mensenrechtenactivisten hun werk kunnen voortzetten. De voorzitter van de organisatie waarvoor Gabriel Rufyuri werkt, is echter ook al vermoord. Hij vreest ook voor zijn leven.

 

Ten slotte, hebt u, behalve de officiële verantwoordelijkheid en de officiële contacten die u hebt, in Burundi ook de kans gehad of de tijd genomen of gezocht om vertegenwoordigers van de lokale mensenrechtenorganisaties en het middenveld te ontmoeten en hun visie op de zaken en op de ontwikkelingen in Burundi te krijgen? Wat is hun visie? Zien zij vooruitgang? Hoe moet het verder naar hun mening?

 

15.04 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, laten wij maar erkennen dat de balans inzake de mensenrechten in Burundi wisselvallig blijft. Sinds een aantal maanden is er bijvoorbeeld weer sprake van verdwijningen en standrechtelijke executies, voornamelijk in de streek van Bujumbura Rural, maar ook in andere provincies. Ook gevallen van foltering zijn waargenomen. Op het vlak van Justitie is er ook nog heel wat ruimte voor verbetering. Men heeft recent een aantal magistraten benoemd. Dat zou ertoe moeten leiden dat de achterstand kan worden verkleind. Tegelijkertijd hebben wij echter ook vastgesteld dat een aantal integere kandidaten niet werden aanvaard en benoemd wegens een beslissing in de Senaat.

 

Naast deze wat minder positieve punten moeten wij ook vaststellen dat de onafhankelijke commissie Mensenrechten onlangs op consensuele wijze is opgericht, waarmee ik bedoel dat er ook participatie is van krachten die niet behoren tot de regeringspartij. Dit gebeurde in combinatie met de vrijlating van een aantal dissidenten, de aankondiging van een kalender voor de oprichting van instellingen van transitionele justitie en de goede ontvangst van de onafhankelijke expert van de Mensenrechtenraad van de VN. Dat zijn dan weer elementen die veeleer aanleiding geven tot een voorzichtige hoop dat er in 2011 daadwerkelijk vooruitgang is geboekt in de strijd tegen de straffeloosheid.

 

Ik kan in ieder geval bevestigen dat de mensenrechtensituatie, de strijd tegen de straffeloosheid en de corruptie drie van de hoofdthema’s zijn die ik ter sprake heb gebracht tijdens mijn bezoek. Tijdens mijn onderhouden heb ik mijn bezorgdheid geuit over de buitengerechtelijke terechtstellingen en folteringen en heb ik betreurd dat in verscheidene gerechtelijke dossiers geen vooruitgang werd geboekt.

 

Zo heb ik bijvoorbeeld uitdrukkelijk melding gemaakt van het geval van Ernest Manirumva tijdens een toespraak die ik gehouden heb in aanwezigheid van regeringsvertegenwoordigers. Ik kan u wel zeggen dat dit niet alleen in aanwezigheid van vice-president Gervais Rufyikiri was, maar ook op een seminarie waar hij niet minder dan acht leden van zijn regering had opgetrommeld om te komen luisteren. Ik heb daar dus ongeveer een derde van de regering kunnen wijzen op het belang dat de internationale gemeenschap hecht aan de situatie van het proces Ernest Manirumva. Ik heb dat uiteraard ook gedaan tijdens mijn gesprek met de president van de republiek, Pierre Nkurunziza.

 

Ik heb ook meermaals aangedrongen op het belang van de uitvoering van de onlangs goedgekeurde strategie voor goed bestuur. Ik heb bovendien aan de president gevraagd om uit het ruime electorale mandaat dat hij van de kiezer kreeg de nodige politieke moed te putten om vooruitgang te boeken in een aantal belangrijke governancedossiers en ook in het afwijzen van het geweld.

 

De president heeft deze bekommernissen terdege genoteerd. Voor zover dat niet te ver leidt, wil ik u wijzen op de manier waarop ik het aangekaart heb. Tijdens mijn vorige bezoek aan Burundi had ik contact gehad met de minister van Gezondheid. Wij hebben toen gesproken over het gemiddelde aantal kinderen dat een Burundese vrouw krijgt, ongeveer 7 is, het is 6,8 of zoiets. Het is duidelijk dat familieplanning voor zo’n ontwikkelingsland onderdeel moet uitmaken van een strategie in de richting van echte vooruitgang. Toen ik dat besprak met die collega, een man die duidelijk Westers opgeleid was, zei hij dat ik gelijk had, maar dat dit een taboe was, dat hij dat niet kon bespreken in Burundi, dat hij niet mocht praten over familieplanning.

 

Ik was dan ook verbaasd tijdens mijn bezoek nu, dus anderhalf jaar later, vast te stellen, toen wij een lokaal initiatief bezochten, dat een mevrouw die uitleg gaf over wat te doen aan het geweld op vrouwen, aan het uitleggen was dat men ervoor moet zorgen dat tussen man en vrouw goed gediscussieerd kan worden over een aantal belangrijke kwesties zoals de besteding van het budget en zoals het bepalen van het aantal kinderen dat men gaat hebben.

 

Ik herinnerde me mijn gesprek met de minister van Gezondheid van anderhalf jaar geleden en vroeg mij af wat dit was, want anderhalf jaar geleden zei men dat dit een taboe was. Toen ik mij informeerde naar wat er precies gebeurd was, zei men dat er een toespraak was geweest van Nkurunziza en dat hij op een bepaald moment luidop heeft gezegd dat Burundi familieplanning nodig heeft. Dat heeft meteen de zaak gekanteld en nu kan men daarover praten.

 

Op dezelfde manier heb ik tegen de president gezegd dat als hij dat kan, hij door te spreken ook kan zeggen dat hij elk geweld afwijst, ook elk geweld tegenover buitenparlementaire of parlementaire oppositie. Ik heb dus een sterk beroep op zijn leiderschap gedaan om dat voorbeeld, die vorige illustratie nu ook toe te passen op de strijd tegen het geweld.

 

Ter gelegenheid van mijn bezoek hebben wij natuurlijk ook aandacht besteed aan de kwestie van de mensenrechtenactivisten, meer bepaald tijdens mijn gesprek met de minister van Buitenlandse Zaken Augustin Nsanze. Ik heb hem aangespoord om een constructieve houding aan te nemen ten aanzien van het maatschappelijk middenveld.

 

Ik heb verschillende vertegenwoordigers van lokale mensenrechtenorganisaties en het middenveld ontmoet, mevrouw Lanjri. Uiteraard, dat is trouwens een vast onderdeel van elk bezoek. Ik wil het ook niet op een andere manier. Ik wens niet naar landen te gaan en alleen maar met de autoriteiten te spreken. Onder die contacten citeer ik een contact met de voorzitter van le Forum pour le Renforcement de la Societé Civile, de voorzitter van le Conseil National des Bashingantahe en de hoofdredacteur van het tijdschrift Iwacu.

 

Hun indrukken lieten mij toe om sommige van hun boodschappen tijdens de daaropvolgende gesprekken te verfijnen, onder andere betreffende de nieuwe wet op de politieke partijen en het proces van transitionele justitie. Het ereteken dat ik op 3 juni 2011 namens de koning heb uitgereikt aan Pierre Claver Mbonimpa, de voorzitter van l’Association pour la protection des personnes détenues et des droits humains, zal hem steunen in de strijd voor de eerbiediging van de mensenrechten in Burundi.

 

Moeten wij van die strijd tegen de straffeloosheid nog een specifieke voorwaarde maken voor de 50 miljoen euro? Daarop past een genuanceerd antwoord. Er zijn vier criteria. Het is geen normale praktijk om er nu een aan toe te voegen. Het zou niet eerlijk zijn om iets extra te vragen in het raam van de gemaakte afspraken met Burundi. Anderzijds moeten wij opmerken dat een van de al bestaande criteria de strijd tegen de straffeloosheid al omvat, met name het criterium dat zegt dat er een strategie voor goed bestuur moet komen en dat die ook een begin van uitvoering moet kennen. Met andere woorden, de strategie die eind mei is goedgekeurd bevat een aantal acties ter versterking van de onafhankelijkheid van de justitie en de bestrijding van corruptie bij justitie. Ze bevat ook een aantal acties die de veiligheid van de mensenrechtenverdedigers moeten waarborgen. Wij zullen met andere woorden insisteren op het begin van implementatie zoals dat is afgesproken alvorens die 50 miljoen euro te deblokkeren.

 

De wetgevende verkiezingen van 2010 werden door de meeste oppositiepartijen geboycot zodat die vandaag niet in het parlement zetelen. Ik laat aan u het oordeel over hoe slim het is om niet te participeren aan verkiezingen en vervolgens boos te zijn op de uitslag. Naar schatting 30 % van de kiezers is niet vertegenwoordigd in het parlement, door de houding van een deel van de oppositie. Dat is natuurlijk geen gezonde toestand. Het leidt tot spanningen die uit de hand kunnen lopen in een land dat nog maar recent een lange periode van burgeroorlog heeft afgesloten. We hebben in de mate van het mogelijke willen bijdragen aan het heropstarten van een dialoog tussen de overheid en de extraparlementaire oppositie. Daarbij lijkt het logisch en raadzaam om het FNL van Agathon Rwasa te betrekken maar dan moet die partij wel uitdrukkelijk afstand nemen van gewelddadige acties, onder welke vorm dan ook. Bovendien kan het in zo een dialoog niet gaan om onderhandelingen. Het kan niet de bedoeling zijn om de resultaten van verkiezingen in vraag te stellen. Dat zou het verkeerde signaal geven dat men met geweld de herziening van democratisch ingestelde instellingen kan bekomen.

 

Hoe het juridisch of strafrechterlijk eventueel verder moet met de persoon Agathon Rwasa is eerst en vooral een zaak van de Burundese regering.

 

Ik denk niet dat wij op dit ogenblik kunnen spreken van Rwasa met een nieuwe rebellenbeweging. Eerlijk gezegd, voor zover ik heb kunnen vernemen, is er geen draagvlak voor een dergelijke beweging. Wel is er een zogenaamd politiek banditisme, maar dat is een gewelddadige vlag die heel wat uiteenlopende ladingen dekt. Het is logisch dat dit onze aandacht opeist, maar ik denk dat wij ons nu vooral moeten concentreren op de bewerkstelliging van een zo inclusief mogelijke dialoog, zonder te sterk te veronderstellen dat er een rebellenbeweging klaarstaat om het land opnieuw in burgeroorlog te gooien. Er zijn geen garanties in het leven, maar ik heb tijdens mijn bezoek geen echte sterke aanwijzingen gehad dat dit een imminent risico is.

 

15.05  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Voor zover u nog aanmoediging nodig hebt, wil ik u oproepen om hard te blijven aandringen op strijd tegen de straffeloosheid in Burundi.

 

15.06  Eva Brems (Ecolo-Groen!): Ik sluit mij daar graag bij aan. Zoals ik zojuist al heb gezegd is Burundi waarschijnlijk het enige van de partnerlanden waar we werkelijk politiek iets kunnen veranderen als we ons gewicht daar in de schaal leggen. We moeten dat dus zeker doen. Ik heb ook zo’n contact, meterschap, met een van de Burundese mensenrechtenactivisten, Solange Habonimana. Ik weet dus uit de eerste hand dat een dialoog tussen regering en oppositie een geweldige stap vooruit zou zijn. Momenteel wordt niet alleen de echte oppositie maar al wie enigszins als oppositie wordt gepercipieerd omdat men tot een kritisch middenveld behoort, eerder lastig gevallen en geïntimideerd. Men is niet zeker van zijn fysieke veiligheid. Als we op dat vlak iets kunnen verbeteren, moeten we dat zeker doen.

 

De voorzitter: Mevrouw Lanjri is weggeroepen naar de plenaire vergadering voor een uiteenzetting. Ik moet hierbij dus dit punt afsluiten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Peter Luykx aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de promotie van de Palestijnse vertegenwoordiger" (nr. 4926)

16 Question de M. Peter Luykx au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la promotion du représentant palestinien" (n° 4926)

 

16.01  Peter Luykx (N-VA): Mijnheer de minister, mijn vraag dateert van 25 mei. In Italië heeft president Napolitano bekendgemaakt dat het statuut van de vertegenwoordiger van de Palestijnse Autoriteit wordt opgewaardeerd tot ambassadeur.

 

Deze beslissing kwam tot stand na onderhoud met de Palestijnse president Abbas en ligt in het verlengde van de beslissing van andere EU-lidstaten. Zo erkennen het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Frankrijk, Spanje, Portugal en Cyprus het hoofd van de diplomatieke missie als volwaardig ambassadeur.

 

Ik heb daarbij de volgende vraag. Hoe reageert de Belgische regering op deze promotie van de Palestijnse ambassadeur in Rome? Heeft onze regering ook plannen om de vertegenwoordiger van de algemene Palestijnse delegatie in Brussel te promoveren tot ambassadeur? Welke afwegingen worden hierbij gemaakt?

 

16.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, deze vraag heeft al het voorwerp uitgemaakt van een antwoord aan senator Arena in de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen en Landsverdediging van 24 mei jongstleden.

 

Voor een aantal details wil ik graag naar dat antwoord verwijzen. Om kort te gaan, het is juist dat een aantal Europese landen de jongste maanden aanpassingen hebben doorgevoerd aan het statuut van de Palestijnse delegatie.

 

Meestal betreft dat het toekennen van bepaalde privileges en immuniteiten. Het wijzigen van de benaming delegatie in die van missie en die van vertegenwoordiger in missiehoofd of ambassadeur betekent nog niet dat die missies een volledig diplomatiek statuut hebben, zoals voorzien in de Conventie van Wenen van 1961. Ik moet toch wel waarschuwen voor iets wat een indruk zou kunnen wekken die niet klopt.

 

Wat België betreft, hebben wij ten aanzien van een aantal van die privileges reeds stappen gezet, zoals het voorzien van een nummerplaat en de toegang tot de diplomatieke ruimte in Zaventem. Het is wel degelijk de wens om een upgrade mogelijk te maken van het niveau van de vertegenwoordiging van de Palestijnse delegatie.

 

Wat de immuniteiten op het fiscaal vlak betreft, verhindert de situatie van lopende zaken ons vandaag om verdere stappen te zetten dan wat vandaag reeds is ondernomen. Als u mij vraagt of wij op Europees vlak in eenzelfde lijn aansturen op een upgrade van de diplomatieke vertegenwoordiging van de Palestijnse Autoriteit, is mijn antwoord bevestigend.

 

In verband met de al gezette stappen verwijs ik naar mijn vollediger antwoord in de Senaat. Dat heeft niets te maken met een gebrek aan politieke wil maar wel met de situatie van lopende zaken waardoor de collega van Financiën en ik niet de stappen kunnen zetten die we zouden moeten zetten met betrekking tot een aantal fiscale immuniteiten.

 

16.03  Peter Luykx (N-VA): In onthoud dat een upgrade wenselijk is. Dat kan steun vinden, alleszins bij onze fractie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Vraag van mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de celstraf voor Cubaanse dissidenten" (nr. 5150)

17 Question de Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la peine de prison pour des dissidents cubains" (n° 5150)

 

De voorzitter: Mevrouw Boulet, ik geef eerst mevrouw Colen het woord, waarna ik u dan achtereenvolgens al uw vragen kan laten stellen. Is dat goed voor u?

 

Est-il bien que Mme Colen pose sa question maintenant?

 

17.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, eind mei 2011 zijn in Cuba vier dissidenten wegens het uitdelen van pamfletten tegen de communistische partij en wegens het roepen van de slogan “Weg met de Castro’s” tot celstraffen van vijf en drie jaar veroordeeld.

 

Volgens de voorzitter van de Cubaanse commissie voor Mensenrechten, Elizardo Sanchez, laat de veroordeling zien dat de politieke onderdrukking in Cuba verergert. Er zouden in Cuba nog zeker vijftig politieke gevangenen zijn.

 

Kan de Belgische regering bevestigen dat de politieke repressie in Cuba verergert?

 

Op welke manier laat de Belgische regering aan het Cubaanse regime blijken dat het bekommerd is om het lot van politieke gevangenen?

 

Zal België in EU-verband actie tegen Cuba ondernemen en door de Europese Unie laten onderzoeken welke mogelijke sancties er tegen Cuba kunnen worden getroffen?

 

17.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, het is juist dat de Belgische regering van voornoemde recente veroordelingen op de hoogte is. Zij betreurt ze ook.

 

Ik ben echter niet van mening dat de veroordelingen in kwestie op een verergering van de politieke repressie wijzen. Integendeel, de ontwikkelingen van de voorbije maanden wijzen veeleer op het tegendeel. Zo kwamen na bemiddeling van de katholieke kerk in Cuba alle, zogenaamde Primavera Negra-gevangenen uit 2003 vrij. Ook op andere vlakken geeft Cuba aan dat het de weg van voorzichtige hervormingen wil inslaan.

 

Tijdens voorgaande ontmoetingen met mijn Cubaanse collega, Bruno Rodriguez, heb ik het lot van politieke gevangenen in Cuba steevast aan bod kunnen brengen.

 

De Belgische ambassade te Havana rapporteert op vrij regelmatige wijze over het genoemde, belangrijke thema.

 

Wij zullen ook in de toekomst en indien nodig niet nalaten Cuba tot respect voor de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering aan te sporen.

 

Cuba zet de voorbije tijd stappen in de juiste richting. Het verdient onze aanmoedigingen.

 

Ik mag er misschien nog aan toevoegen dat ik ook op consulair vlak inzake de situatie van een Belgische landgenoot mijn Cubaanse collega positieve en concrete stappen heb kunnen doen zetten. Ter zake geloof ik dus dat er niet alleen verklaringen maar ook daden zijn.

 

Ook in EU-verband wordt systematisch aandacht aan de materie in kwestie besteed. De Cubaanse regering wordt ook op haar verantwoordelijkheid gewezen. De thematiek kwam recent nog aan bod tijdens een onderhoud tussen Catherine Ashton en de Cubaanse minister van Buitenlandse Zaken, Bruno Rodriguez, in het kader van de politieke dialoog tussen de Europese Unie en Cuba.

 

17.03  Alexandra Colen (VB): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik ben blij dat de zaken in Cuba worden opgevolgd, dat Havana geregeld rapporteert en dat de situatie van de politieke gevangenen wordt opgevolgd. U bent optimistisch. Ik kan alleen maar noteren dat de leden van de Cubaanse commissie voor mensenrechten dit iets minder zijn. Misschien is dit wel een gevolg van het feit dat zij specifiek bezig zijn met het lot van individuele politieke gevangenen.

 

De situatie in Cuba is voor veel mensen hier een taboe. Cuba is stilaan een anomalie aan het worden en het zou goed zijn dat daaraan een einde komt. Cuba zou zich moeten inschakelen in de landen waar er normaal wordt omgegaan met mensenrechten en vrijheid van meningsuiting.

 

Voorzitter: Daphné Dumery.

Présidente: Daphné Dumery.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Ik zal mijn vraag als laatste stellen en geef dus eerst het woord aan mevrouw Boulet voor haar vraag.

 

17.04  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Madame la présidente, si je puis me permettre, j'aimerais poser mes questions n4954 et n° 4955, sauf si elles ont déjà été traitées par ailleurs. J'avais cédé ma place à mes collègues afin de pouvoir me rendre en séance plénière. Je ferai vite, de toute façon.

 

18 Question de Mme Juliette Boulet au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les débats relatifs à la reconnaissance d'un État palestinien" (n° 4954)

18 Vraag van mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de debatten over de erkenning van een Palestijnse Staat" (nr. 4954)

 

18.01  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Madame la présidente, c'est un sujet sur lequel j'ai déjà interrogé le ministre à plusieurs reprises. Le jeudi 20 mai, le président Obama s'est prononcé pour la première fois en faveur d'un État palestinien indépendant sur la base des frontières de 1967. Je passe la citation de ses propos. De premier abord, ils avaient été accueillis très froidement par le gouvernement israélien. La semaine suivante, pendant son discours devant le principal lobby pro-israélien aux États-Unis, M. Obama est quelque peu revenu sus ses propos: il a réaffirmé que la paix ne pouvait être imposée à Israël et qu'un vote de l'ONU ne créerait pas un État palestinien; il a assuré Israël que les États-Unis l'aideraient à maintenir la supériorité de sa force militaire sur ses adversaires potentiels.

 

On voit que le sujet est en discussion, crée des tensions, des avancées et des reculs un peu partout dans le monde, comme nous en avons déjà longuement discuté en commission. J'aurais voulu une actualisation du point de vue de la Belgique en fonction de ces propos. Il est urgent que le dialogue puisse reprendre afin de relancer le processus de paix au Moyen-Orient, sachant aussi que ce point devait être débattu lors du dernier Conseil des Affaires générales et Relations extérieures auquel vous avez participé.

 

Quelle est la position de la Belgique sur cette question? Quels ont été les points en débat lors du dernier CAGRE? Quelle a été la position de la Belgique face à la perspective d'une démarche unilatérale de reconnaissance de l'État palestinien et face à l'attitude de la France, du Royaume-Uni et peut-être même de l'Allemagne de soutenir cette demande de reconnaissance unilatérale d'un État palestinien?

 

18.02  Steven Vanackere, ministre: Chère collègue, la position de la Belgique et de ses partenaires européens quant à la reconnaissance d'un futur État palestinien n'a pas changé depuis le 4 mai. Je vous renvoie à ce sujet à ma réponse à une question de Mme Arena au Sénat. Comme annoncé précédemment, j'ai demandé l'organisation d'une discussion sur le processus de paix au Conseil Affaires étrangères du 23 mai. À l'issue de cette discussion, mes collègues européens et moi-même avons adopté la déclaration que vous avez citée et qui intègre les lignes politiques du gouvernement belge que j'ai déjà eu l'occasion de vous exposer.

 

Outre la question de la reconnaissance de l'État palestinien, je retiens surtout les quatre éléments suivants.

 

1. L'impact régional du printemps arabe, qui augmente encore l'urgence d'avancer dans la résolution du conflit israélo-palestinien avec préférence pour une solution négociée, parce qu'elle offrira toujours de meilleures garanties aux populations concernées en termes de stabilité et de durabilité.

 

2. L'accueil du discours du président Obama, son plaidoyer pour les frontières de 1967 comme point de départ des négociations sur les frontières futures entres les États israéliens et palestiniens consacre la vision de la Belgique et de ses partenaires européens depuis longtemps déjà.

 

3. La réaction positive à l'accord de réconciliation palestinien sous l'autorité de Mahmoud Abbas, qui reste l'interlocuteur d'Israël pour la négociation d'un accord de paix. Comme je vous le disais déjà le 18 mai dernier, la Belgique et ses partenaires européens ont convenu de continuer à évaluer le futur gouvernement de l'Autorité palestinienne sur ses actes et pas seulement sur ses déclarations.

 

4. Dans le cadre des attentes exprimées vis-à-vis de ce gouvernement, un appel à Israël et à l'ensemble de la communauté internationale à travailler avec lui afin, notamment mais pas exclusivement, de parvenir à la levée du blocus de la bande de Gaza et à la libération de Gilad Shalit.

 

En plus de ces quatre éléments, je suis personnellement intervenu pour que l'Union européenne renforce les chances de pourparlers de paix en donnant suffisamment de garanties aux partis sur la réalisation d'un accord. Ce faisant, cela rappelle le rôle que l'Union européenne peut traditionnellement jouer dans le cadre d'un tel processus en donnant des gages pour que les termes de cet accord puissent être concrétisés.

 

J'ai invité Mme Ashton à refaire l'analyse de ce que nous pouvons offrir dans ce cadre, avec un soutien européen concret à la mise en œuvre des compromis qu'il faudra trouver sur des questions aussi sensibles que la sécurité, le partage de Jérusalem et les réfugiés. Il faut offrir une alternative crédible aux initiatives unilatérales.

 

La réconciliation palestinienne ne peut pas motiver Israël à refuser de négocier avec Abbas et les Palestiniens ne peuvent pas placer tout leur capital politique dans une initiative onusienne qui n'améliorera pas les conditions de vie en Cisjordanie ou à Gaza.

 

18.03  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Ce débat a déjà été mené à de nombreuses reprises. J'avais dit que je vous interrogerais à l'issue du CAGRE pour connaître en tout cas la position de l'Union européenne et savoir si celle-ci était partagée. Certes, l'on ne peut placer tous ses pions dans un même panier, à savoir la reconnaissance unilatérale et la demande de l'Autorité palestinienne.

 

Cela dit, les États membres ont très souvent participé à la tentative de mettre en place un processus de paix. C'est également la résultante d'un essoufflement de discussions qui n'aboutissent à rien.

 

On sait de toute façon que ces discussions reviendront à l'ONU au début de l'année prochaine. Il faudra y être vigilant sachant que certains pays européens pourraient se désolidariser de la position européenne et soutenir cette demande unilatérale. Il faudra que la Belgique puisse éventuellement se repositionner par rapport à eux.

 

18.04  Steven Vanackere, ministre: Pour la plus grande transparence, je peux vous dire que la position européenne ne sera prise qu'à la réunion informelle des ministres des Affaires étrangères, début septembre en Pologne, à Sopot.

 

On va comme toujours attendre le dernier moment pour décider d'une stratégie et je le dis en toute clarté! Ce n'est pas ainsi parce que je le veux. C'est moi qui ai demandé d'en discuter au mois de mai; c'est moi qui vais lundi prochain au Luxembourg dire qu'il faut éviter de tirer dans tous les sens, mais je ne me fais aucune illusion quant à ma capacité de rallier un point de vue européen unanime avant le tout dernier moment, c'est-à-dire probablement le rendez-vous de septembre à Sopot.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Mevrouw Boulet, u krijgt het woord voor uw vraag over het gebruik door Bahrein van de gezondheidsvoorzieningen als instrument voor de repressie van de burgerbevolking (nr. 4955).

 

18.05  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Madame la présidente, je propose de transformer cette question en question écrite et passer directement à la question sur la Tunisie qui me semble beaucoup plus importante.

 

De voorzitter: Wij gaan dus over tot de vraag onder punt 45.

 

19 Question de Mme Juliette Boulet au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les enjeux économiques et sociaux de la transition démocratique en Tunisie" (n° 5265)

19 Vraag van mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de economische en maatschappelijke vraagstukken in het kader van het democratiseringsproces in Tunesië" (nr. 5265)

 

19.01  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Madame la présidente, monsieur le ministre, j'ai déjà posé une question sur la mise en place du processus électoral en Tunisie. Visiblement, les choses s'organisent petit à petit. Des initiatives sont prises en matière de liberté de la presse et des échanges très intéressants sont organisés entre ce pays et la Belgique.

 

Toutefois, même s'il s'agit d'enjeux prioritaires de la transition démocratique, il faut déplorer le fait que les questions économiques et sociales restent, actuellement en tout cas, plutôt sans réponse. Pourtant, l'origine de la révolte tunisienne se trouve aussi dans la misère économique et sociale et pas seulement dans les restrictions des libertés, les tortures, les arrestations et les procès arbitraires. En effet, le mouvement est né dans les régions marginalisées du pays où les classes populaires se sont soulevées contre la précarité des emplois, la cherté de la vie, la déficience des systèmes de santé et l'absence de revenus.

 

L'un des objectifs initiaux du partenariat euro-méditerranéen était de construire un espace de paix, de stabilité et de prospérité tout en réduisant les écarts de développement entre l'Afrique du Nord et l'Europe. Mais force est de constater que ces objectifs sont loin d'avoir été réalisés par l'Union européenne.

 

Monsieur le ministre, quelles mesures les États membres de l'Union européenne comptent-ils prendre aujourd'hui afin de répondre aux enjeux économiques et sociaux de la Tunisie? Quelle est la position de la Belgique quant à l'aide que devrait apporter l'Europe? Ces questions ont-elles été abordées lors du dernier Conseil Affaires générales et Relations extérieures? Au-delà du partenariat euro-méditerranéen, quels sont les accords commerciaux, financiers, économiques et/ou de développement qui lient aujourd'hui la Belgique et la Tunisie? Quels sont les accords européens et les accords bilatéraux qui existent et sur lesquels nous pouvons nous baser pour la coopération future?

 

19.02  Steven Vanackere, ministre: Madame la présidente, chère collègue, je partage votre analyse des multiples causes de la révolution tunisienne. À côté des revendications politiques, il est clair que la population tunisienne s'est effectivement soulevée contre la précarité et l'absence de perspective de conditions de vie meilleures.

 

J'ai déjà fait part de cette analyse à plusieurs reprises, notamment dans les enceintes européennes, en plaidant pour une aide substantielle orientée vers les besoins exprimés par nos partenaires tunisiens. Ces causes largement applicables à l'ensemble du Printemps arabe ont également été identifiées par le Conseil Affaires étrangères du 31 janvier.

 

Dans la foulée, le Service européen pour l'action extérieure et la Commission ont proposé, en février et mars, des pistes d'action de soutien à la transition tunisienne, notamment en matière d'aide aux régions les plus défavorisées, et la création d'une croissance économique inclusive et partagée. Ces pistes ont été confirmées par les Conseils européens des 11 et 25 mars qui ont demandé de concrétiser ces pistes de soutien, notamment par une implication renforcée de la BEI et de la BERD en Méditerranée, la mise en œuvre de mesures concrètes favorisant les investissements et le commerce ainsi que l'augmentation et la réallocation des aides européennes.

 

J'ai effectivement chargé mes services d'organiser, fin mai, une réunion de coordination avec les représentants des Régions et des Communautés, ainsi qu'avec les différents ministères fédéraux concernés, sur le soutien belge à la transition démocratique en Tunisie.

 

L'objectif de cette réunion était triple: faire l'inventaire de la coopération existante, prendre connaissance des projets en gestation et établir le contact entre le département et les instances belges impliquées en Tunisie afin d'améliorer la coordination intrabelge.

 

Les conclusions que nous pouvons tirer de cette réunion de coordination sont les suivantes: il existe une volonté générale de la part des différentes instances belges de soutenir la transition démocratique en Tunisie et les bonnes intentions sont nombreuses. Il importe à présent d'avancer assez rapidement vers une cristallisation et une concrétisation de ces bonnes intentions.

 

La coordination entre les différentes instances belges est essentielle afin d'offrir à la Tunisie un soutien utile, cohérent et efficace, sans doublon ni message contradictoire. Dans ce cadre, mes services devraient pouvoir servir de centrale et de relais d'informations entre les instances belges impliquées dans ce soutien.

 

En ce qui concerne le soutien des Affaires étrangères, il se fera principalement grâce aux moyens suivants: le financement de projets sur la ligne budgétaire "diplomatie préventive"; le partage d'expertises via la participation d'experts belges à des programmes de jumelage, financés par la Commission européenne (Twinning et TAIEX); le financement de projets sur le budget de la coopération au développement, c'est-à-dire de l'aide d'urgence, de réhabilitation, de l'aide humanitaire et de la coopération régionale.

 

Il existe de nombreux accords bilatéraux entre la Tunisie et la Belgique: nos relations sont assez anciennes. Le texte fondateur de nos relations bilatérales, le Traité d'amitié, de commerce et de navigation, conclu en 1839, entre Léopold 1er, Roi des Belges, et Ahmed Pacha Bey, Souverain du Royaume de Tunis, est d'ailleurs l'un des premiers accords internationaux signés par la Belgique avec un pays non européen.

 

En coopération au développement, la Tunisie a été un pays partenaire de notre coopération jusqu'en 2000.

 

Au niveau économique, les principaux accords et traités sont les suivants: l'accord bilatéral pour l'encouragement à la protection réciproque des investissements, la convention tendant à éviter la double imposition, la convention d'entraide judiciaire en matière civile et commerciale, l'accord de coopération économique et technologique, l'accord relatif au transport aérien et un accord sur les transports internationaux routiers.

 

Il existe également une importante coopération au niveau des Communautés et des Régions qui sont également représentées en Tunisie. J'ai eu l'occasion de les rencontrer lors de ma visite à Tripoli.

 

Enfin, il existe également des coopérations entre nos deux pays dans d'autres domaines, entre autres dans le domaine médical, ainsi que dans les domaines militaire et civil.

 

19.03  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces informations détaillées. C'est tout à fait positif d'en profiter pour faire le point sur notre coopération et d'inviter tout le monde autour de la table, en ce compris les Communautés et les Régions, ainsi que la Coopération au développement.

 

J'ai en effet appris que de nombreuses initiatives étaient mises en place, notamment sur les questions de la liberté de la presse: certains médias belges y participent. Par ailleurs, j'ai aussi entendu une personne qui faisait savoir qu'une démarche de type "village roumain" tendait à créer des jumelages entre des villages belges et tunisiens afin d'échanger sur les bonnes pratiques en matière de démocratie locale.

 

Il serait donc important de pouvoir évaluer l'efficacité de notre aide, à quelque niveau que ce soit, et de la réorienter le cas échéant au profit de la révolution tunisienne.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

20 Question de Mme Juliette Boulet au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les violations des droits de l'homme par l'armée en Égypte et les accords existants entre la Belgique et l'Égypte" (n° 5270)

20 Vraag van mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de mensenrechtenschendingen door het leger in Egypte en de akkoorden tussen België en Egypte" (nr. 5270)

 

20.01  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Madame la présidente, je vais essayer d'être rapide.

 

Monsieur le ministre, le 11 février, l'ancien chef d'État égyptien Hosni Moubarack, au pouvoir depuis 30 ans, a été chassé du pouvoir par les révoltes. C'est alors l'armée qui s'est présentée comme "garante de la révolution", de ses causes et de ses idéaux. Les dirigeants militaires ont alors promis de rendre le pouvoir à un pouvoir civil élu par des élections présidentielles et législatives. La date de celles-ci n'est pas encore fixée mais elles devraient avoir lieu avant la fin de l'année.

 

Aujourd'hui, la frustration grandit face aux dirigeants militaires et plusieurs plaintes se font entendre quant à des violations des droits de l'homme et des libertés civiles. En effet, de nombreux griefs ont été déposés contre le Conseil suprême des forces armées, concernant notamment des atteintes aux droits civiques, des violences, de la pression envers les médias.

 

Parmi les dénonciations de violation des droits de l'homme, l'organisation Amnesty International avait affirmé en mars que 18 manifestantes avaient été soumises à des tortures et à des "tests de virginité" forcés par l'armée. Lors d'une évacuation violente d'une manifestation le 9 mars, ces femmes avaient été placées en détention aux mains de l'armée. Elles ont ensuite rapporté avoir été battues à coups de bâton, soumises à des décharges électriques sur la poitrine et les jambes, fouillées au corps tandis que les soldats les photographiaient et enfin, forcées à subir des tests de virginité. L'organisation a alors appelé les autorités égyptiennes à traduire en justice les auteurs de ces violations.

 

Plusieurs autres cas peuvent être relevés, à savoir les condamnations lourdes et interrogatoires de journalistes osant s'en prendre à l'armée, les procès de civils devant les tribunaux militaires, lois incriminant les manifestations, les grèves et la liberté d'expression qui sont toujours en vigueur.

 

Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance de ces dénonciations? La Belgique a-t-elle réagi sur ces questions? A-t-on des contacts avec le Conseil suprême des forces armées pour que les droits de l'homme soient respectés? A-t-on la possibilité d'agir auprès de celui-ci? Qu'en est-il de l'impunité des membres des forces armées ayant commis des exactions pendant les révoltes? Enfin, existe-t-il des accords, bilatéraux ou autres en tant que membres de l'Union européenne, entre l'Égypte et la Belgique? Comprennent-ils des conditions qui pourraient être utilisées comme moyens de pression?

 

20.02  Steven Vanackere, ministre: Madame Boulet, nous sommes bien sûr au courant de la situation des droits de l'homme en Égypte, et nous devons continuer à en suivre l'évolution, au-delà de l'actuelle phase de transition. Ainsi, la Belgique a régulièrement insisté pour que l'Égypte accepte une visite des services de la haute commissaire aux droits de l'homme des Nations unies. Elle a eu lieu du 27 mars au 4 avril dernier. Le rapport relatif à cette visite sera probablement inscrit à l'ordre du jour de la session du Conseil des droits de l'homme du mois de septembre.

 

Entre-temps, la Belgique a abordé la situation égyptienne à plusieurs occasions au cours de la session du mois de juin. Elle a salué la décision de l'Égypte d'accueillir la mission et s'est félicitée que celle-ci ait eu l'occasion de rencontrer un grand nombre d'acteurs, en particulier des représentants d'une trentaine d'organisations issues de la société civile. Cependant, notre pays a aussi remarqué que la mission avait révélé que le chemin sur la voie de la démocratie et du respect de tous les droits de l'homme était encore long. La plupart des aspirations légitimes de la population doivent encore être traduites dans des réformes démocratiques effectives. À cet égard, une mesure importante d'établissement de la confiance serait la levée de l'état d'urgence. L'Égypte devrait également aborder la question des sérieuses violations des droits de l'homme, présentes comme passées, afin d'éviter un climat d'impunité.

 

Enfin, nous avons exprimé notre espoir que la haute commissaire aux droits de l'homme puisse bientôt ouvrir un bureau dans le pays, notamment pour l'assister dans sa transition démocratique.

 

Il existe de très nombreux accords bilatéraux entre l'Égypte et la Belgique en plusieurs domaines: aérien, culturel, médical et vétérinaire, énergies nouvelles, etc. Sur le plan économique et commercial, les principaux accords bilatéraux sont l'accord de protection et de promotion des investissements et l'accord de prévention de la double imposition.

 

L'Union européenne et l'Égypte ont signé un accord d'association le 25 juin 2001, qui prévoit en son article 2 que le respect des principes démocratiques et des droits de l'homme constitue un élément essentiel de l'accord. Sans préjuger du cas égyptien qui demande une analyse de tous les facteurs entrant en considération, je suis en faveur de conditionner davantage l'accès aux instruments européens, dont l'aide financière directe, au respect de ces principes. J'ai eu l'occasion de l'exprimer à l'occasion d'une autre question qui m'était posée sur notre politique de voisinage.

 

Il s'agit d'ailleurs de l'application du nouveau paradigme de la politique européenne de voisinage qui veut que l'Union européenne aide davantage les pays qui s'engagent dans la voie des réformes et limite, voire réduit, son assistance dans le cas contraire.

 

20.03  Juliette Boulet (Ecolo-Groen!): Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses. Je partage avec vous le constat selon lequel l'Égypte revient de loin et que le chemin est encore bien long. Nous avons un rôle très important à y jouer.

 

J'accueille aussi très positivement l'information relative au déplacement de la haute commissaire aux droits de l'homme et au rapport qu'elle en fera.

 

Par ailleurs, il est clair que la levée de l'état d'urgence serait un premier signe d'apaisement et d'ouverture.

 

Enfin, si nous devons tirer un enseignement du Printemps arabe, du point de vue des politiques menées avec les pays voisins, il en ressort que nous devons conditionner notre aide au respect des droits de l'homme, en rappelant que ceux-ci ne doivent pas seulement être prévus dans les textes, mais qu'ils doivent aussi être appliqués efficacement.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

21 Vraag van mevrouw Eva Brems aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de buitenlandpolitiek na de Arabische lente" (nr. 5291)

21 Question de Mme Eva Brems au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la politique étrangère à la suite du printemps arabe" (n° 5291)

 

21.01  Eva Brems (Ecolo-Groen!): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, uw medewerker moedigde mij aan om mijn vraag toch nog te stellen, en ik moet toch aanwezig blijven tot het einde van de plenaire vergadering.

 

Deze vraag gaat over de Arabische Lente. Net zoals de voorgaande vragen, gaat mijn vraag over de uitdagingen die de Arabische Lente vormt voor het buitenlands beleid van eigenlijk de hele Europese Unie en alle Europese staten, waaronder België. Specifiek stel ik mijn vraag in het kielzog van de hoorzittingen die onze commissie gehouden heeft omtrent die problematiek.

 

Een opvallend nieuw gegeven is de communicatie van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlands Beleid van de Unie op 25 mei, “a new response to a changing neighbourhood”, dat vernieuwde nabuurschapsbeleid.

 

Ik heb daarover in die context een viertal vragen.

 

Ten eerste, tijdens de hoorzittingen bleek dat de federale regering ook buiten de partnerlanden actief wil zijn in de regio. Minister Chastel zag een opportuniteit in de ondersteuning van programma's van internationale organisaties, zoals het programma voor goed bestuur en corruptiebestrijding in Noord-Afrika van de Wereldbank en het ondersteuningsprogramma voor goed bestuur in de Arabische regio van de UNPD.

 

Heeft de regering een beslissing genomen aangaande het al dan niet ondersteunen van de genoemde of andere programma’s? Dit is eigenlijk een follow up-vraag op verklaringen die eerder afgelegd zijn.

 

Daarmee houdt ook mijn tweede vraag verband. Voor de drie partnerlanden in de regio, Algerije, Marokko en de Palestijnse gebieden, heeft de regering haar diplomatieke vertegenwoordigers ter plaatse gevraagd om nieuwe voorstellen van projecten te identificeren omtrent steun aan de lokale civiele samenleving. Op basis van de voorstellen en de pertinentie van de opportuniteiten zal de minister van Ontwikkelingssamenwerking de enveloppe van de indicatieve samenwerkingsprogramma’s verhogen.

 

Heeft de regering haar diplomatieke vertegenwoordigers in de niet-partnerlanden van de regio een gelijkaardige opdracht gegeven om nieuwe klemtonen te zoeken, nieuwe projecten waarin geïnvesteerd kan worden ter ondersteuning van de nieuwe situatie en democratiseringsbeweging die daar bestaat? Kunt u daar toelichting bij geven?

 

Ik heb ook een vraag over de conditionaliteit in het nieuwe nabuurschapsbeleid. We zien heel veel mooie voornemens; daarover is daarjuist al gesproken: “more for more”. Zal echter de politieke wil er wel zijn? De vraag bij zo’n conditionaliteit is altijd of ze ook toegepast wordt als dat in negatieve zin moet gebeuren, de “less for less”, of het terugschroeven als het minder goed gaat.

 

Ten slotte heb ik een vraag over de economische aanpak. Een van de lessen die duidelijk naar voren kwamen tijdens de hoorzittingen, is dat de economische aanpak die de EU op de regio projecteerde niet de juiste was. Het ging dan vooral over het ontwikkelen van een vrijhandelszone, eerst tegen 2010, later tegen 2012. Het valt op dat landbouw, hoewel een belangrijke sector, eruit werd gehouden.

 

Zonder dat mijn standpunt daarover zelf heel duidelijk is, wil ik de vraag stellen en informeren naar uw standpunt. Vindt u dat meer markttoegang voor landbouwproducten uit de regio deel moet uitmaken van een nieuw nabuurschapbeleid? Gezien het belang van de sector in de regio zou daar dan misschien een reële meerwaarde kunnen gecreëerd worden. Of bent u veeleer van oordeel dat dit geen goede zaak zou zijn voor de regio, bijvoorbeeld omdat landbouwproducten uit die regio veeleer aan de lokale bevolking ten goede moeten kunnen komen?

 

21.02 Minister Steven Vanackere: Mevrouw de voorzitter, op 28 maart van dit jaar vond een vergadering plaats met de belangrijkste betrokken diensten om na te gaan welke steun België kan bieden aan het democratiseringsproces in het licht van de Arabische Lente. Als conclusie van die vergadering is inderdaad beslist om een dossier voor te leggen aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking met het voorstel om een UNDP-project, namelijk Anti-corruption and Integrity in the Arab Countries, te financieren met een bedrag van 1 miljoen euro.

 

Het volledige dossier heeft inmiddels een positief advies gekregen van de administratie en ook van de inspecteur van Financiën. Het werd overgemaakt aan de beleidscel van de minister van Ontwikkelingssamenwerking op 19 mei en moet dus nog ter goedkeuring aan de Ministerraad worden voorgelegd. Men kan dus stellen dat België via het toekennen van deze hulp aan de UNDP, zich inderdaad engageert ten behoeve van het democratiseringsproces.

 

Naast de projecten die door het budget voor Ontwikkelingssamenwerking worden gefinancierd, zijn er ook projecten die worden gefinancierd via preventieve diplomatie. Er loopt reeds één project op die budgetlijn, met name het Unesco-project dat een screening maakt van het medialandschap in Tunesië en Egypte. De bedoeling is om ontwikkelingspistes aan te reiken voor de ontplooiing en versterking van de capaciteiten van de media in deze landen. Het wordt gefinancierd voor een bedrag van 130 000 euro.

 

Andere projecten worden ook nog bestudeerd, in het bijzonder twee politieke sensibiliseringsprojecten in Tunesië. Deze projecten willen de bevolking, vooral in de meest kwetsbare regio’s, sensibiliseren omtrent de grote electorale en politieke uitdaging in Tunesië en willen de bevolking gevoelig maken voor de inzet van democratische transitie en de aan de gang zijnde hervormingen.

 

Onze andere financieringsmogelijkheden hangen af van het feit of een land een bilateraal partnerland van Ontwikkelingssamenwerking is of niet. Prioritair werd aan onze partnerlanden in de regio, dat wil zeggen, Marokko, Algerije en de Palestijnse Gebieden, gevraagd om na te denken over wat België in de huidige context zou kunnen ondernemen.

 

Momenteel worden vier pistes onderzocht. Ten eerste, screening van bestaande indicatieve samenwerkingsprogramma’s in het licht van een eventuele herschikking van interventies. Hier is onze manoeuvreerruimte nogal beperkt vermits die grotendeels zoniet volledig is vastgelegd.

 

Een eventuele herfinanciering van de enveloppe voor gedelegeerde samenwerking is een tweede piste.

 

Een derde piste is de reflectie in het raam van de voorbereiding van nieuwe indicatieve samenwerkingsprogramma’s, bijvoorbeeld acties die een institutionele versterking kunnen omvatten in het kader van hervormingen. De voorbereidingen van het nieuwe ISP, het nieuwe indicatieve samenwerkingsprogramma’s met Palestina met een gemengde commissie dat is voorzien in november 2011, houdt de mogelijkheid van zo een reflectie in.

 

Een vierde onderzochte piste is de ondersteuning aan verenigingen van het maatschappelijk middenveld. Wat betreft de niet-partnerlanden zijn er mogelijkheden via humanitaire hulp en regionale programma’s via internationale organisaties. Het eerste voorbeeld was dat van de UNDP.

 

De democratisering en de invoering van de rechtsstaat, respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden vormen wel degelijk een van de centrale doelstellingen van het Europese nabuurschapsbeleid. Doeltreffende differentiatie, enerzijds, en gecoördineerd optreden in de ondersteuning van tastbare en echte hervormingen, anderzijds, zijn daarbij guiding principles. De landen die de hervormingen doorvoeren moeten ruimere toegang tot de financiële instrumenten krijgen. Natuurlijk willen wij consistent zijn. De partnerlanden die niet hervormen zullen bijgevolg, zoals u zelf zei, niet kunnen profiteren van de nieuwe mogelijkheden.

 

Het is een logisch gevolg van het beginsel “meer voor meer”. Ik ben het met u eens dat dit ook de moed veronderstelt dat men dan ook “minder voor minder” moet durven te organiseren.

 

Ik denk ten slotte dat het versterken van de handelsbetrekkingen zeker nuttig kan zijn voor de ontwikkeling van het nabuurschap, dat is trouwens ook in het belang van de EU, maar dat neemt niet weg dat daarbij etappes moeten worden gerespecteerd.

 

De onderhandeling en de implementatie van handelspreferenties, met name in landbouw en ook vrijhandelsakkoorden in het algemeen kunnen niet tot stand komen als er aan bepaalde voorafgaandelijke voorwaarden niet wordt voldaan. Ik denk daarbij aan sanitaire en fytosanitaire kwesties, tarifaire en non-tarifaire belemmeringen, standaarden en normen.

 

Ik ben dus gevoelig voor uw oproep om na te gaan wat men kan doen in het kader van landbouw, maar ik wil er toch voor waarschuwen om de categorieën niet te veel te versmelten en onze standaarden ten aanzien van een aantal terechte eisen van kwaliteit en normering niet te verlagen omwille van een zogenaamde politieke imperatief.

 

21.03  Eva Brems (Ecolo-Groen!): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dat was een heel nuttige update van de initiatieven die er al genomen zijn in het kader van de nieuwe situatie. Wij zullen dat blijven opvolgen. We hopen dat u het Parlement op de hoogte zult blijven houden van de nieuwe ontwikkelingen in het buitenlands beleid met betrekking tot de regio.

 

Voorzitter: Eva Brems.

Présidente: Eva Brems.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

22 Vraag van mevrouw Daphné Dumery aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking, belast met Europese Zaken, over "de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie" (nr. 5264)

22 Question de Mme Daphné Dumery au ministre de la Coopération au développement, chargé des Affaires européennes, sur "l'adhésion de la Croatie à l'Union européenne" (n° 5264)

 

22.01  Daphné Dumery (N-VA): Mijnheer de minister, ik kom nog eens terug op de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie. Ik heb u deze vraag al eens gesteld op 4 mei. Toen was er echter nog geen nieuws van de Europese Commissie met betrekking tot het groen licht dat ze gegeven heeft om de toetreding van Kroatië mogelijk te maken. Op 4 mei hebt u mij laten weten dat een aantal hoofdstukken voor België nog niet afgesloten waren. Het ging namelijk om hoofdstuk 8 inzake het concurrentievermogen, hoofdstuk 23 met betrekking tot de justitie, de fundamentele rechten en de samenwerking met het ICTY en de hoofdstukken 13 en 33 inzake visserij en financiële en budgettaire bepalingen.

 

Als de Europese Commissie nu wel groen licht geeft, is ons standpunt dan al gewijzigd? Wat is uw standpunt over die vier resterende onderhandelingshoofdstukken? Is de berichtgeving in de media correct dat in Kroatië het juridisch systeem nog niet volledig overeenstemt met wat door de Unie wordt gevraagd? Meent u dat Kroatië in staat zal zijn om in die periode van twee jaar het juridisch apparaat in orde te krijgen? Welke mogelijke struikelblokken voorziet u die de toetreding van Kroatië op 1 juli 2013 in de weg zouden kunnen staan?

 

22.02 Minister Steven Vanackere: Mevrouw Dumery, België baseert zich wat betreft de uitvoering van de vastgelegde benchmarks op de analyse en de expertise van de Commissie. Dat hebben we eigenlijk in ons eerder standpunt ook al aangegeven. Het blijft hoe dan ook een opdracht van Kroatië om eerst en vooral de Commissie te overtuigen.

 

Welnu, in het ontwerp van gemeenschappelijke positie zoals voorgesteld op 10 juni 2011 geeft de Commissie aan dat het land vanaf heden voldoet aan de criteria en dus dat de closing benchmarks gerealiseerd zijn voor het afsluiten van de hoofdstukken 8 inzake concurrentievermogen, 23 inzake justitie en fundamentele rechten, 33 inzake financiële en budgettaire bepalingen en 35 inzake de instellingen.

 

Meer bepaald wat hoofdstuk 23 betreft, waarvan wij in een eerder debat al hebben aangegeven dat dit waarschijnlijk de zwaarst te kraken noot zou zijn, is de Commissie van oordeel dat de benchmarks voldoende werden gehaald.

 

Zoals ook sommige lidstaten, waaronder België, stelt de Commissie het opzetten van een monitoringsysteem voor in de periode tussen het afsluiten van de onderhandelingen en de uiteindelijke toetreding van Kroatië om zich ervan te verzekeren dat Zagreb de tijdens de onderhandelingen genomen engagementen daadwerkelijk uitvoert en zich voorbereidt om haar verantwoordelijkheden op te nemen eenmaal lid geworden van de EU.

 

Dit is een aanpak die wij kunnen onderschrijven en die niet in strijd is met onze eerdere positie. Het is dus geen wijziging van ons standpunt. Wij kunnen wel instemmen met de aanpak zoals de Commissie die voorstelt.

 

Op basis van de informatie die ons door de Commissie op 10 juni ter beschikking werd gesteld en uiteraard mits uitvoering door Kroatië van de eerder vermelde inspanningen, is het mogelijk dat Kroatië op 1 juli 2013 zou toetreden tot de EU.

 

Ik benadruk wel nog dat België, samen met de andere lidstaten, deze voorstellen van de Commissie in de komende dagen en weken nog moet bestuderen en bespreken. Ik voorspel dat wellicht het standpunt van de Commissie zal worden gevolgd.

 

Wij blijven tussen nu en 1 juli 2013 uiteraard nog aandachtig en alert en kijken of de gemaakte engagementen daadwerkelijk worden gevolgd. De datum van 1 juli 2013 is geen garantie en heeft nog altijd te maken met het realiseren van de gestelde voorwaarden

 

22.03  Daphné Dumery (N-VA): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw omstandig antwoord.

 

Ik heb vooral begrepen dat er een monitoringsysteem zal worden uitgewerkt, dat er geen echte garantie is. Kroatië heeft volgens mij al goede inspanningen geleverd en ik denk dat andere lidstaten meer moeten worden gemonitord. Ik vind het goed dat men dit systeem zal ontwikkelen en volg dit samen met u op.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.51 uur.

La réunion publique de commission est levée à 18.51 heures.