Commission des Relations extérieures

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen

 

du

 

Mercredi 22 décembre 2010

 

Après-midi

 

______

 

 

van

 

Woensdag 22 december 2010

 

Namiddag

 

______

 

 


La séance est ouverte à 14.12 heures et présidée par M. François-Xavier de Donnea.

De vergadering wordt geopend om 14.12 uur en voorgezeten door de heer François-Xavier de Donnea.

 

01 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de toegenomen spanning op het Koreaanse schiereiland" (nr. 1274)

- de heer Philippe Blanchart aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de spanningen op het Koreaanse schiereiland " (nr. 1807)

01 Questions jointes de

- Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la tension croissante sur la péninsule coréenne" (n° 1274)

- M. Philippe Blanchart au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les tensions dans la péninsule coréenne" (n° 1807)

 

01.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over de toegenomen spanning op het Koreaanse schiereiland. De huidige escalatie is eigenlijk begonnen op 23 november toen twee Zuid-Koreaanse mariniers en twee burgers de dood vonden bij Noord-Koreaanse artilleriebeschietingen op het eiland Yeonpyeong, dicht bij de grens tussen de beide Korea’s. Sindsdien blijft het over en weer gaan. Het recentste is zelfs dat het aansteken van de verlichting van een kerstboom ook al gezien wordt als een stap in de wederzijdse provocaties over en weer. De vrees bestaat dat het geheel zou kunnen escaleren en eventueel tot een nieuwe oorlog leiden tussen de beide Korea’s.

 

Mijn vraag gaat niet zozeer over de politieke situatie daar zelf, maar over de eventuele aanwezigheid van Belgen, mensen van onze nationaliteit, in die regio. Hebt u enig idee hoeveel Belgen er naar schatting in Noord- en Zuid-Korea verblijven? Hoeveel verblijven er als diplomaat in respectievelijk Zuid- en Noord-Korea? Worden er maatregelen genomen om die landgenoten, met inbegrip van de diplomaten en hun familie, te beschermen in geval van oorlog? Zo ja, welke?

 

01.02  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, j'interviens dans la foulée de la question que vient de poser ma collègue. Nous sommes préoccupés car, en ce moment, Pyongyang semble entendre les appels au calme lancés notamment par la Chine et la Russie. Les États-Unis jugent, eux, que les manœuvres sud-coréennes ne menacent pas Pyongyang qui ne doit pas en tirer un prétexte pour de nouvelles provocations.

 

Ce matin, nous apprenons dans la presse que la Corée du Sud a envisagé une nouvelle vague de manœuvres militaires. Par ailleurs, cette démonstration de force survient alors que Pyongyang semble justement prêt à faire des concessions sur le dossier nucléaire. En effet, la Corée du Nord aurait accepté le retour sur son sol d'inspecteurs de l'ONU chargés de surveiller son programme nucléaire, notamment l'accès à son site nucléaire ultramoderne de Yongpyong. La Corée du Nord autoriserait également l'envoi à l'étranger de barres de combustibles nécessaires à l'enrichissement de l'uranium.

 

Monsieur le ministre, quelle est votre évaluation de la situation? Comment se positionne l'Union européenne par rapport aux débats au sein du Conseil de sécurité (condamnation publique ou non) de l'ONU et à la récente "ouverture" de la Corée du Nord sur le dossier nucléaire?

 

01.03 Minister Steven Vanackere: Momenteel verblijft slechts één landgenoot in Noord-Korea, terwijl er ongeveer 160 zijn ingeschreven op de ambassade van België te Seoel. Het echte aantal van in Zuid-Korea ingeschreven Belgen ligt vermoedelijk nog hoger, aangezien er geen verplichting is opgelegd om zich op de ambassade te laten registreren. Er zijn ook vijf personen met een diplomatiek statuut werkzaam in Seoel.

 

Gelet op de blijvende spanningen tussen Zuid-Korea en Noord-Korea, hecht de ambassade van België te Seoel veel belang aan het constant actualiseren van het crisisdossier, van de contactgegevens van de geregistreerde Belgen en van de reisadviezen. Die reisadviezen worden op de FOD Buitenlandse zaken overgenomen.

 

Onmiddellijk na de beschieting door Noord-Korea van het Zuid-Koreaanse eiland Yeonpyeong organiseerde UNCMAC of United Nations Command Military Armstice Commission een briefing voor de ambassades te Seoel. Als de situatie escaleert tot een inter-Koreaans conflict, zal de United Nations Command de strategische en logistieke ondersteuning van een gemeenschappelijke evacuatie onder leiding van de VS in goede banen moeten leiden. Het zal dan ongetwijfeld de Japanse basis van het UNC moeten aanwenden.

 

Aanvullend daarop wordt eveneens werk gemaakt van een nog intensievere Europese coördinatie.

 

En ce qui concerne les questions de M. Blanchart, la situation dans la péninsule coréenne nous préoccupe beaucoup. La Belgique, tout comme l’Union européenne, condamne l’usage de la force comme moyen de règlement des litiges entre les États et souligne qu’une péninsule coréenne stable est essentielle pour la région et pour le monde entier. Toute provocation doit alors être évitée et la Belgique, avec ses partenaires, appelle les deux Corée à plus de retenue.

 

Ni la Belgique, ni l’Union européenne en tant que telle, ne sont représentées au Conseil de sécurité de l’ONU, aux Nations unies à New York. Il faut cependant distinguer entre les efforts pour réduire la tension actuelle et les efforts pour faire avancer le dossier nucléaire.

 

Il est vrai, comme vous le mentionnez, que le Conseil de sécurité n’a, jusqu’à présent, pas trouvé un accord sur une déclaration qui appelle au calme, la raison principale étant le désaccord entre les membres du Conseil sur la mention ou non, d’une condamnation du bombardement nord-coréen de l’île de Yongpyong le 23 novembre dernier. Pour l’Union européenne et aussi pour la Belgique, une telle mention est importante. Moi-même, le 23 novembre, j’ai vigoureusement condamné l’attaque nord-coréenne qui représente une entorse grave à l’accord d’Armistice en vigueur depuis 1953.

 

En ce qui concerne maintenant le dossier nucléaire, vous mentionnez que Pyongyang semble prêt à faire des concessions. Permettez-moi de faire preuve d’un certain scepticisme. Les expériences passées nous obligent à être très circonspects quant à la volonté de la Corée du Nord sur une possible réouverture des pourparlers à six portant sur la dénucléarisation de la péninsule coréenne. Tant la Belgique que l’Union européenne espèrent évidemment que la Corée du Nord acceptera, en effet, de retourner de façon inconditionnelle et dans les plus brefs délais à la table des négociations mais je voudrais quand même rappeler que c’était précisément la Corée du Nord qui avait quitté la table des négociations en avril passé.

 

Nous attendons donc un retour immédiat des inspecteurs de l’Agence internationale pour l’Énergie atomique afin de pouvoir garantir l’usage exclusivement pacifique de la capacité nucléaire nord-coréenne, une coopération pleine et entière avec l’AIEA de la part la Corée du Nord ainsi qu’une réintégration complète de ce pays dans le traité sur la non-prolifération nucléaire.

 

01.04  Alexandra Colen (VB): Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister.

 

01.05  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos éclaircissements.

 

Vous semblez donc partager l'analyse selon laquelle le gouvernement nord-coréen pourrait profiter de l'aubaine de cette tension pour ne pas faire évoluer l'évaluation de la recherche nucléaire sur le sol nord-coréen. Vous ne croyez pas vraiment à cette volonté de la Corée du Nord de s'ouvrir et d'autoriser les inspections?

 

01.06  Steven Vanackere, ministre: Je souhaitais simplement réagir à des propos peut-être trop optimistes quant à la volonté nord-coréenne de retourner à la table des négociations, tout en laissant la porte ouverte à cette table des négociations. Je déclare clairement qu'il faut que des actes suivent plutôt que des soupçons d'annonce d'une volonté quelconque. La volonté d'accepter les inspections nécessaires et la volonté de se trouver à la table des négociations doivent très certainement venir de Pyongyang.

 

01.07  Philippe Blanchart (PS): Qui vivra verra!

 

01.08  Steven Vanackere, ministre: Tout à fait!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de geplande steniging van een Iraanse vrouw" (nr. 1602)

02 Question de Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la lapidation imminente d'une Iranienne" (n° 1602)

 

02.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag betreft de Iraanse vrouw Sakineh Mohammadi Ashtiani die in 2006 door twee verschillende rechtbanken ter dood werd veroordeeld, enerzijds voor overspel en anderzijds voor de betrokkenheid bij de moord op haar echtgenoot.

 

Haar veroordeling wegens moord werd in 2007 in beroep teruggebracht tot tien jaar, maar door een ander hof van beroep werd de veroordeling tot steniging wegens overspel datzelfde jaar bevestigd.

 

Op 9 december werd door het Internationale Comité tegen Steniging meegedeeld dat de vrouw was vrijgelaten. Dat bericht werd een dag later herroepen en bleek niet op de waarheid te berusten. Integendeel, het lijkt erop dat de vrouw spoedig zal worden gestenigd.

 

Mijnheer de minister, ik stelde u reeds eerder vragen over deze zaak. Kunt u mij nu meedelen of de Belgische en/of Europese autoriteiten sindsdien nog ten gunste van deze vrouw zijn tussengekomen bij de Iraanse autoriteiten? Indien ja, op welke manier? Wat was de Iraanse reactie? Welke maatregelen worden overwogen indien Iran inderdaad tot steniging overgaat?

 

02.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Colen, zoals ik meedeelde in antwoord op uw vorige vraag, wordt de situatie van mevrouw Ashtiani, zoals overigens ook andere mensenrechtenzaken in zowel Iran als in andere landen, van nabij opgevolgd, zowel door België als de EU in de context van ons actief mensenrechtenbeleid.

 

Ik wees u er bij mijn vorige antwoorden al op dat de EU deze zaak meermaals heeft aangekaart bij de Iraanse autoriteiten en ook in publieke verklaringen.

 

De veroordeling tot steniging werd inderdaad in beroep bevestigd, maar vertegenwoordigers van de Iraanse rechterlijke macht hebben recent nog verklaard dat deze veroordeling nog steeds in herziening is.

 

Het door u vermeld geval van herroepen van een vals bericht bewijst nogmaals het belang van voorzichtigheid in de opvolging van dit soort dossiers.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- de heer Peter Logghe aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de moordpartij in de Westelijke Sahara" (nr. 1605)

- de heer Denis Ducarme aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de ontruiming van een protestkamp bij Laâyoune in de Westelijke Sahara" (nr. 1653)

- mevrouw Christiane Vienne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de gewelddadigheden in de Westelijke Sahara in november 2010" (nr. 1789)

03 Questions jointes de

- M. Peter Logghe au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le massacre au Sahara occidental" (n° 1605)

- M. Denis Ducarme au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le démantèlement d'un camp près de Laâyoune (Sahara occidental)" (n° 1653)

- Mme Christiane Vienne au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "les affrontements de novembre 2010 dans la région du Sahara occidental" (n° 1789)

 

Le président: Madame Vienne, vous êtes la seule présente des trois intervenants. Je vous donne la parole pour votre question. À tout seigneur tout honneur.

 

03.01  Christiane Vienne (PS): Je vous remercie, monsieur le président. Monsieur le ministre, au début du mois de novembre, la presse belge et étrangère s'est fait l'écho de violents affrontements au sein d'un campement sahraoui dans la région du Sahara occidental entre les autorités marocaines et les populations sahraouies. Les informations relayées dans la presse sont néanmoins peu étoffées. Le bilan humain tout comme les événements ayant conduit aux affrontements diffèrent fortement selon qu'on se réfère aux informations fournies par les autorités marocaines ou par le Front Polisario, représentant de la population sahraouie.

 

Il semblerait que peu de journalistes et d'associations aient la possibilité d'accéder à cette région. Ainsi, le correspondant du Soir et de la RTBF Guillaume Bontoux a tenté en vain de se rendre sur place le 8 novembre dernier. Le 20 novembre, ce sont deux médecins belges, Marie-Jeanne Wuidar et An Collier, en mission humanitaire, qui ont été priées de quitter le territoire.

 

Cependant, ces affrontements n'ont heureusement pas empêché les deux parties de poursuivre les négociations sous les auspices des Nations unies. Des pourparlers informels se sont déroulés du 16 au 18 décembre près de New York et deux pays voisins y ont également participé: l'Algérie et la Mauritanie. Ces discussions n'ont pas pu aboutir, chaque partie continuant à rejeter la proposition de l'autre comme base de négociations à venir.

 

Monsieur le ministre, disposez-vous de plus amples informations sur ces affrontements? Possédez-vous un bilan officiel et circonstancié du nombre de morts et de blessés? Avez-vous été informé de restrictions particulières à l'accès du camp d'El Ayoun à l'égard de la presse belge accréditée ou d'ONG? Si oui, quelles en ont été les raisons? Un conseil d'association Union européenne–Maroc s'est tenu le 13 décembre dernier. Le dossier du Sahara occidental a-t-il été abordé? Si oui, quels ont été les principaux éléments de la discussion?

 

Le Maroc a mis sur pied une commission d'enquête parlementaire sur les événements d'El Ayoun qui devrait rendre ses conclusions dans un délai de six mois. Parallèlement, le représentant du Front Polisario à l'ONU ainsi qu'une résolution du Parlement européen votée en novembre dernier appellent également à une commission d'enquête mais sous les auspices de l'ONU. Quelle est la position de notre pays à cet égard?

 

Lors de la réunion informelle à New York sous les auspices de l'ONU, les deux parties ont proposé des idées concrètes qui seront développées lors des prochaines sessions de pourparlers informels en janvier et en mars 2011. Avez-vous connaissance de ces propositions?

 

03.02  Peter Logghe (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, er zijn van die crisisregio’s die om een of andere mysterieuze reden weinig of nooit het wereldnieuws halen. Nochtans worden er, als wij de goed ingelichte bronnen mogen geloven, aan de lopende band mensenrechten geschonden.

 

In de Westelijke Sahara demonstreerden in de maand november in de hoofdstad El Ayoun tienduizenden Sahrawi, dus oorspronkelijke bewoners van de streek, voor meer menswaardige levensomstandigheden en vooral voor medezeggenschap in de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de streek. Marokkaanse strijdkrachten die er de plak zwaaien, zouden er zeer hardhandig zijn opgetreden. Er werd geschoten. Een tiental demonstranten zou op straat doodgeschoten zijn meer dan vijftig werden gewond. Er voltrok zich dus een klein drama.

 

Bevestigt u deze feiten? Hebt u kennis van deze zware recente spanningen in de Westelijke Sahara? Klopt het dat er mensen gedood werden tijdens deze demonstraties?

 

Werd er al formeel protest aangetekend bij de Marokkaanse ambassadeur? Hebt u hierover overleg gepleegd met uw Marokkaanse ambtgenoot? Klopt het dat Marokko alles doet om persaanwezigheid in de streek onmogelijk te maken.

 

Welke stappen zult u ondernemen om de grove schendingen van de mensenrechten in dit gebied aan te klagen en te doen ophouden? Kunnen wij op een gemeenschappelijk standpunt van de EU-ministers rekenen? Zal België in de komende dagen, als voorzitter van de EU, voor zo ver dat nog van toepassing is, stappen in die richting zetten?

 

03.03 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, zoals u weet lopen de versies over wat er juist is gebeurd uiteen. Ik kan bevestigen dat begin oktober 2010 ongeveer 15 000 Sahrawi uit El Ayoun uit protest het tentenkamp Gdeim Izik hadden opgericht. Op 8 november is de Marokkaanse politie overgegaan tot de ontmanteling van dat kamp. Daarbij zijn er doden en gewonden gevallen na gewelddadige confrontaties tussen de personen binnen het kamp en de Marokkaanse ordediensten. Volgens de Marokkaanse overheid bevonden er zich extremistische elementen in het kamp.

 

Premier Leterme heeft deze kwestie met zijn Marokkaanse ambtsgenoot besproken op 30 november jongstleden in de marge van de EU-Afrika-top te Tripoli. Ikzelf heb hierover uitvoerig gesproken tijdens de politieke dialoog die op 13 december plaatsvond in het kader van de associatieraad van de EU met Marokko. Die vergadering zat ik voor aan de EU-zijde voor rekening van de hoge vertegenwoordigster Ashton. Mijn diensten hadden op 9 december al gesprekken gevoerd over deze kwestie met de Marokkaanse ambassade te Brussel.

 

En tout cas, je peux affirmer clairement que la Belgique entend bien préserver sa neutralité dans ce dossier. Tout comme l’Union européenne, elle va continuer à soutenir le travail de la mission des Nations unies pour le Sahara occidental ainsi celle de son envoyé spécial M. Christopher Ross. Nous espérons que les pourparlers informels entre les parties permettront d’avancer vers une solution juste, durable et mutuellement acceptable pour celles-ci. Nous encourageons la poursuite de ce processus.

 

C’est le message que j’ai passé à mon collègue du Maroc Fassi-Fihri lors du Conseil d’association du 13 décembre dernier à l’occasion duquel j’ai également, au nom de l’Union européenne, regretté les derniers évènements et les violences qui ont eu lieu. J’ai souligné l’importance de tout mettre en œuvre afin d’éviter que de tels évènements ne se reproduisent. Lors de cette réunion, l’interdiction faite à la presse d’accéder au camp a également été abordée. Du côté marocain, il a été indiqué que ceci était vrai pour certains d’entre eux car ils étaient, selon mon homologue marocain, partie prenante mais que d’autres journalistes se trouvaient déjà dans le camp.

 

Ik kan u ook zeggen dat de resolutie van het Europees Parlement van Marokkaanse zijde in alle bovenvermelde contacten werd betreurd. Zij hebben hun ontgoocheling geuit over hetgeen zij bestempelen als een onevenwichtige resolutie. Ook het feit dat de resolutie werd aangenomen zonder eerst rekening te houden met het standpunt van het Marokkaanse Parlement of de Marokkaanse regering, werd gehekeld.

 

Ik heb van Belgische zijde aangegeven dat de resolutie van het Europees Parlement in ieder geval de nood weerspiegelde van een objectivering en een grotere transparantie aangaande de juiste toedracht van de feiten.

 

La Belgique estime que la décision du parlement marocain visant à mettre en place une commission d'enquête est une initiative bienvenue qui devrait permettre d'obtenir davantage d'informations quant aux évènements survenus. Toutefois, si l'ONU décidait de mettre sur pied une commission d'enquête internationale, il est clair que la Belgique soutiendrait cette démarche.

 

Enfin, la Belgique ne dispose pas d'informations complémentaires relatives aux idées concrètes qui auraient été proposées par les parties lors de le dernière réunion informelle qui s'est tenue à New York du 17 au 19 décembre. La Belgique est toutefois satisfaite de la décision des parties de se revoir en janvier et en mars afin de poursuivre les discussions à ce sujet.

 

03.04  Christiane Vienne (PS): Monsieur le ministre, il me semble clair que, quand on n'a rien à cacher, on accueille les journalistes à bras ouverts et on les invite!

 

Je répète que je suis étonnée que d'aucuns sous-entendent que Le Soir ou la RTBF pourraient être des médias sujets à complaisance envers le Sahara occidental.

 

Je vous remercie pour les éléments de réponse que vous avez donnés, même si certains d'entre eux – et vous n'y êtes pour rien – me semblent quelque peu discutables.

 

03.05  Peter Logghe (VB): Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij wat mevrouw Vienne zei, in die zin dat ik ook niet snap wat men zou moeten verbergen als er niets te verbergen valt. Indien de UNO een enquêtecommissie opricht, of de oprichting ervan voorstelt, zult u zich daartegen zeker niet verzetten, wel integendeel. Ik vraag mij dus af of wij dat op een of andere manier kunnen provoceren of op zijn minst in de goede richting duwen zodat er inderdaad een onderzoekscommissie komt.

 

Mijnheer de minister, ik vraag u na te gaan of u dit niet kunt bewerkstellingen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het rapport van Human Rights Watch over de situatie in Burundi" (nr. 1275)

- de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de situatie in Burundi" (nr. 1293)

04 Questions jointes de

- Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le rapport de Human Rights Watch sur la situation au Burundi" (n° 1275)

- M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la situation au Burundi" (n° 1293)

 

04.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb mijn vraag gesteld naar aanleiding van het recente rapport van de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch, met de titel Crackdown on Rights Following Elections. Zij maken melding van ernstige schendingen van de mensenrechten in Burundi.

 

Mijnheer de minister, op welke manier beoordeelt de Belgische regering dit rapport?

 

Kan onze ambassade in Burundi de feiten in het rapport bevestigen?

 

Werd naar aanleiding van dit rapport aan de Burundese autoriteiten kennis gegeven van de Belgische zorg over de mensenrechtensituatie in het land? Zo ja, op welke wijze?

 

Op welke manier probeert de Belgische regering de mensenrechtensituatie in Burundi op een positieve wijze te beïnvloeden?

 

04.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, België is het eens met het merendeel van de bevindingen in verband met de schendingen van de rechten van de mens zoals die in het rapport van Human Rights Watch zijn neergeschreven. Dat de situatie er tijdens het verkiezingsproces van afgelopen zomer op achteruit is gegaan kan uiteraard niet worden ontkend.

 

Ik kan wel niet de politieke analyse onderschrijven die er wordt gemaakt, met name de voorstelling van de politieke context waarin die mensenrechtenschendingen plaatsvonden. Ik zou, met andere woorden, niet voor mijn rekening nemen de omschrijving “autoritaire drift”.

 

De Belgische regering volgt het verloop van de mensenrechtensituatie in Burundi op de voet. In een perscommuniqué heb ik in september jongstleden openlijk uiting gegeven aan mijn bezorgdheid over het groot aantal arrestaties en heb ik de Burundese overheid opgeroepen tot een dialoog met de oppositie, met inbegrip van de extraparlementaire oppositie.

 

U kent de context van de voorbije verkiezingen, dit jaar, waarbij op zeker ogenblik een deel van het politieke spectrum afgehaakt heeft bij de verkiezingen, hetgeen zich uiteraard vertaalt in een afwezigheid, in bepaalde delen, van de politieke vertegenwoordiging. Dat mag in onze ogen echter niet betekenen dat er geen dialoog, ook met deze extraparlementaire oppositie, zou wenselijk zijn.

 

Tijdens gesprekken met de Burundese autoriteiten wordt dit element en ook de mensenrechtensituatie systematisch ter sprake gebracht. Ik heb dat ook nog persoonlijk gedaan in september in New York tijdens mijn onderhoud met de vice-president Gervais Rufyikiri.

 

Na overleg met mijn beleidscel en vermits een deel van de besteding van de middelen voorzien in het indicatief samenwerkingsprogramma met Burundi afhangt van de mate van vooruitgang op het vlak van politiek en economisch bestuur, heeft mijn collega Charles Michel op 29 november een brief gericht aan de Burundese minister van Buitenlandse Zaken.

 

Daarin werden een aantal pijnpunten met betrekking tot het verloop van de mensenrechtensituatie aangekaart. In lijn met mijn pleidooi en dat van de Belgische ambassadeur in Bujumbura spoort hij in deze brief de autoriteiten in Burundi aan een diepgaand onderzoek in te stellen naar de aantijgingen in verband met vermeende folteringen en buitenrechtelijke terechtstellingen die onlangs werden bekendgemaakt.

 

04.03  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Zeker in Afrika is het belangrijk dat wij als Europees land, en zeker België met zijn geschiedenis in Afrika, niet aflaten de gezagsdragers in deze landen te wijzen op hun verantwoordelijkheden inzake mensenrechten.

 

Ik denk dat het tijd wordt, naar aanleiding van wat nu met Congo gebeurt, dat zij hun status van bevoorrecht handelspartner met de Verenigde Staten verliezen omdat zij inderdaad al te lang hebben getreuzeld en getalmd met het op het matje roepen van hun eigen leger wat verkrachtingen betreft.

 

Dit is iets dat al decennialang aan de gang is in veel van die landen. Het wordt tijd dat wij krachtdadig tonen dat het ons menens is. Dit zal uiteindelijk de enige manier zijn waarop men daar de laksheid zal laten varen en werk zal maken van het in orde brengen van hun houding inzake mensenrechten, echte democratie en eerlijke verkiezingen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Questions jointes de

- M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la situation à Gaza" (n° 1475)

- M. Tanguy Veys au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le blocus de Gaza" (n° 1519)

05 Samengevoegde vragen van

- de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de situatie in Gaza" (nr. 1475)

- de heer Tanguy Veys aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de blokkade van Gaza" (nr. 1519)

 

05.01  Tanguy Veys (VB): De aanleiding van mijn vraag is onder meer het antwoord van de minister in onze commissie van 7 december 2010 op een mondelinge vraag van de heer Van der Maelen. Hij bevestigde dat de blokkade rondom de Gazastrook, daterend van 2006 toen er een Israëlische soldaat werd gevangengenomen, volgens hem illegaal is. Hij voegde eraan toe dat hij het onaanvaardbaar vindt en dat hij bij zijn Israëlische gesprekspartners al meermaals heeft gepleit voor de onmiddellijke en onvoorwaardelijke heropening van het gebied.

 

Op basis van welke argumenten is de minister van oordeel dat de blokkade illegaal zou zijn? Baseert hij zich op een aantal gerechtelijke instanties, die in staat zijn om die term te hanteren? Ik verwijs naar een aantal internationale gerechtsorganisaties met enige renommee. Is dat ook het standpunt van de Europese Unie?

 

Er zijn diverse cijfers waaruit blijkt dat de blokkade niet zo onmenselijk is als sommigen beweren. Ondanks de blokkade is er enorm veel in- en uitvoer in Gaza.

 

Is het niet de taak van elk land, gelet op een conflictsituatie, om de veiligheid van zijn burgers te garanderen? Noopt een dergelijke gevaarlijke situatie de overheid ertoe om met een eventueel wederrechtelijke strijdmacht de veiligheid te garanderen?

 

Hoe staat de Belgische overheid tegenover het feit dat sommige Belgische burgers zich geroepen voelen om die blokkade aan te klagen en daar door middel van provocatie met een illegaal karakter tegenin te gaan?

 

05.02 Minister Steven Vanackere: De vraag naar de legaliteit van een blokkade is juridisch gezien geen eenvoudige vraag. De vraag naar de maatregelen om de blokkade te handhaven en het al dan niet gebruik van geweld, desgevallend disproportioneel geweld, is een ander vraagstuk.

 

Samen met de Europese lidstaten heb ik de blokkade van de Gazastrook tot nu toe telkens als onaanvaardbaar en contraproductief bestempeld. Dat zijn twee politieke categorieën. Ik heb vermeden mij aan te matigen te spreken alsof ik een internationaal gerechtshof ben. Wij vinden dus de blokkade van de Gazastrook politiek onaanvaardbaar en daarenboven contraproductief. Zij vereist hoe dan ook respect voor het internationaal humanitair recht en de opening van overgangspunten voor personen en goederen. Elke versoepeling vanwege Israël mag niet laten vergeten dat een volledige opheffing van de blokkade het doel blijft.

 

Wanneer het gaat over het doorbreken van een blokkade rond Gaza en de maatregelen daartegen verwijzen wij uiteraard naar de Israëlische militaire operatie tegen de Gazaflottielje op 31 mei 2010. In een persbericht van dezelfde dag heb ik verklaard dat niets het disproportioneel machtsvertoon tegen een dergelijk initiatief kon wettigen. Zelfs voor wie in het kader van bepaalde vormen van internationaal recht de blokkade niet als illegaal wenst te bestempelen, blijft nog altijd de politieke evaluatie en het principe dat zelfs een blokkade die per hypothese niet illegaal zou zijn, niet met disproportioneel geweld kan worden afgedwongen.

 

Ik hoop in elk geval dat het internationaal onderzoeksteam, dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties einde augustus heeft opgericht, snel in staat zal blijken om met het engagement van zowel Turkije als Israël volledige klaarheid te scheppen over de omstandigheden en de gevolgen van de Israëlische militaire operatie tegen het scheepskonvooi. Op dat ogenblik kunnen juridische conclusies worden getrokken.

 

05.03  Tanguy Veys (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord, net zoals ik u dank omdat u niet het argument gebruikt dat de blokkade illegaal zou zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

La réunion publique de commission est suspendue de 14.44 heures à 15.15 heures.

De openbare commissievergadering wordt geschorst van 14.44 uur tot 15.15 uur.

 

Président: Dirk Van der Maelen.

Voorzitter: Dirk Van der Maelen.

 

06 Vraag van mevrouw Miranda Van Eetvelde aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de zaak Erdal" (nr. 1520)

06 Question de Mme Miranda Van Eetvelde au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "l'affaire Erdal" (n° 1520)

 

06.01  Miranda Van Eetvelde (N-VA): Mijnheer de minister, ik kom nog een keer terug op mijn vorige vraag. Tijdens de commissievergadering van 29 november 2010 gaf u mij antwoord op mijn vraag in verband met de Koerdische problematiek in Turkije. Die vraag gaf u, aldus uzelf, de kans om iets recht te zetten, namelijk dat u niet hebt beloofd dat mevrouw Erdal binnenkort voor een rechtbank zal verschijnen.

 

U gaf daarentegen het volgende aan: "Ik heb ontkend dat een en ander in een vergeetput is terechtgekomen. Ik heb ook aangegeven dat het, gelet op de vooruitgang van het onderzoek, aannemelijk was dat er in een nabije toekomst een rechtszaak zou komen.” U geeft dus met die uitspraken toe dat u denkt of ervan uitgaat dat er waarschijnlijk wel een rechtszaak tegen mevrouw Erdal zal komen gelet op de vooruitgang in het onderzoek.

 

Sprak u uit persoonlijke of uit officiële naam toen u dat commentaar leverde tijdens uw gesprekken in Turkije?

 

Hebt u daarbij niet de indruk gewekt in naam van het gerecht te hebben gesproken?

 

Had u niet beter gewoon de uitkomst van het onderzoek van het gerecht afgewacht zonder enige commentaar te geven, zodat het gerecht zelfstandig kan beslissen of er voldoende grond is voor het aanspannen van een rechtszaak? U weet als jurist ook dat zulks de taak van het gerecht is.

 

Bent u het met mij eens dat u als minister van Buitenlandse Zaken had moeten antwoorden dat u beter geen uitspraken kon doen over de zaak-Erdal gelet op de onafhankelijkheid van het gerecht?

 

06.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik kan hierover bondig zijn.

 

Men kan niet ontkennen dat Turkije in bilaterale gesprekken met gesprekspartners, en in het bijzonder met ons land, de problematiek van de terreurdreiging en de aanpak ervan hoog op de agenda zet. Men kan niet om het feit heen dat Turkije in gesprekken met België telkenmale het dossier-Erdal aansnijdt.

 

Ik kijk met belangstelling uit hoe een volgende regering, waaraan u ongetwijfeld uw steun zult willen verlenen – dat hoop ik althans – met de problematiek zal omgaan wanneer het erop aankomt het gesprek met Turkije gaande te houden en men vaststelt dat het onderwerp telkens opnieuw aan bod komt.

 

Ik heb als minister van Buitenlandse Zaken tegenover mijn Turkse gesprekspartners telkens opnieuw benadrukt dat er bij ons scheiding der machten bestaat. In uw korte samenvatting van mijn verklaringen laat u na dat eerste stuk heel nadrukkelijk te citeren.

 

Dat is nochtans altijd het eerste wat ik zeg. Scheiding der machten is in België een belangrijk beginsel. Wanneer Turkije aspiraties heeft in de richting van een Europese toetreding, is het duidelijk dat dat voor ons onomstotelijk deel uitmaakt van wat wij gemeenzaam in de Kopenhagencriteria en het communautaire acquis als heel belangrijk naar voren schuiven.

 

Na te hebben gewezen op de scheiding der machten heb ik inderdaad gesteld dat de zaak-Erdal niet in de vergetelheid is geraakt – hetgeen een appreciatie is die mij soms voor de voeten wordt geworpen – en dat er gerechtelijke procedures aan de gang zijn in ons land.

 

Dat uit een dergelijke procedure een rechtszaak kan volgen, is een evidentie en is het verklaren van een vaststaand feit. Dat kan onmogelijk worden verklaard als een inmenging in hetgeen de rechterlijke macht moet doen.

 

Ik neem mijn verklaringen voor mijn rekening, maar niet de samenvatting die ervan werd gemaakt in sommige media. Nogmaals, bij elke tussenkomst over de zaak-Erdal druk ik bij het begin en het einde van mijn uiteenzetting steeds op de scheiding der machten en onderstreep ik dat het mij als lid van de uitvoerende macht niet toekomt om daarover uitspraken te doen.

 

Nogmaals, tegenover een gesprekspartner zeggen dat een en ander niet in de vergetelheid is geraakt, dat er een gerechtelijk onderzoek aan de gang is en dat het aannemelijk is dat daaruit een proces voortvloeit, is voor mij het verklaren van iets vanzelfsprekends.

 

Ik heb dus niet het gevoel dat ik daarmee een verkeerde indruk heb gegeven ten aanzien van onze Turkse gesprekspartner, noch in persoonlijke noch in officiële naam.

 

06.03  Miranda Van Eetvelde (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Wij zijn het erover eens dat het gerecht zijn werk moet kunnen doen, zodat de autonome rechtsgang niet wordt ondermijnd door de eventuele perceptie van morele druk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Questions jointes de

- Mme Özlem Özen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "l'application de la Convention européenne des droits de l'homme en matière d'extradition" (n° 1502)

- Mme Zoé Genot au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "l'extradition par l'Espagne d'un ressortissant belge vers le Maroc" (n° 1798)

07 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Özlem Özen aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de toepassing van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens betreffende de uitlevering" (nr. 1502)

- mevrouw Zoé Genot aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de uitlevering van een Belg aan Marokko door Spanje" (nr. 1798)

 

07.01  Özlem Özen (PS): Monsieur le ministre, s'agissant d'extradition, la Belgique comme tous les autres États européens, est liée outre aux dispositions nationales et aux accords bilatéraux en la matière, à la stricte application de la Convention européenne des droits de l'homme, lorsqu'il existe des risques sérieux que la personne, si elle était extradée, serait soumise dans l'État requérant à un déni flagrant de justice, à des faits de torture ou des traitements inhumains et dégradants.

 

C'est en application de cette disposition que de nombreuses demandes d'extradition ont été refusées vers des pays où un tel risque existe, notamment à la lumière de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme en la matière.

 

Celle-ci précise que les États contractants engagent leur responsabilité "lorsqu'il y a des motifs sérieux et avérés de croire que l'intéressé, si on l'expulse vers le pays de destination y courra un risque réel d'être soumis à un traitement contraire à l'article 3 de la Convention européenne des droits de l'homme."

 

La Cour européenne des droits de l'homme est pourtant on ne peut plus claire: pour craindre de manière sérieuse et avérée les traitements contraires à l'article 3 de la dite Convention, il ne faut pas démontrer que toutes les personnes qui se trouvent dans une situation comparable ont été torturées. Il faut et il suffit de prouver qu'il existe une pratique systématique de faire subir des mauvais traitements à une catégorie particulière d'individus. La pratique de la torture dans certains Ètats, a été dénoncée à de nombreuses reprises par des organisations internationales aussi sérieuses qu'Amnesty International et Human Rights Watch.

 

La Cour européenne des droits de l'homme a également enjoint, en extrême urgence, à la Belgique, de ne pas extrader vers certains États ne respectant pas les droits fondamentaux et plus particulièrement l'article 3 de la Convention précitée.

 

Cette jurisprudence est généralement appliquée par les autorités judiciaires belges mais pas nécessairement de manière aussi stricte par les autres pays européens.

 

Monsieur le ministre, comment comptez-vous veiller à l'application uniforme de la Convention européenne des droits de l'homme en matière d'extradition lorsqu'il s'agit d'un ressortissant belge détenu dans un autre pays européen?

 

La Belgique peut-elle admettre que l'un de ses ressortissants, soit extradé par un autre pays européen, lié par la même convention, vers un pays où il y a manifestement fort à craindre que ce ressortissant sera soumis à des traitements inhumains?

 

Je vous remercie pour vos réponses.

 

07.02  Zoé Genot (Ecolo-Groen!): Monsieur le ministre, je vous ai déjà interrogé à ce sujet. Mais depuis, de nouveaux développements se sont produits. Après deux ans sans un signe de la Belgique, le ressortissant belge détenu en Espagne, a enfin reçu sa première visite consulaire. C'était trop tard. L’Espagne venait de l’extrader vers le Maroc.

 

Cela, malgré la récente demande du Comité des droits de l’homme des Nations unies qui avait pourtant enjoint l’Espagne de suspendre cette extradition pendant l’examen de ce dossier. Monsieur le ministre, confirmez-vous cette visite tardive? Comment expliquez-vous ce très long délai pour effectuer cette visite? Pourquoi ne pas avoir prévenu la famille de l’extradition? Celle-ci en aurait été informée uniquement par les médias.

 

Par le passé, nous avons eu bien souvent des cas de personnes qui étaient ici en Belgique, comme des Basques soupçonnés de terrorisme, par exemple ou des Turcs comme Fehryie Erdal, et nous ne les avons pas extradées car nous craignions que, si nous le extradions, ils soient soumis à des traitements inhumains et dégradants et qu’ils ne bénéficient pas d’un traitement équitable. Je suis un peu étonnée que, quand il s’agit d’un Belge, on ne s’inquiète pas qu’il puisse subir la même chose. Avez-vous demandé à l’Espagne de tenir compte de la demande du Comité des droits de l’homme des Nations unies?

 

Un ressortissant espagnol était dans la même situation. L’Espagne a refusé son extradition vers le Maroc et l’a libéré, vu l’absence d’éléments contre lui. Comment expliquez-vous cette différence de traitement entre deux ressortissants européens confrontés à la même demande d’extradition? Dans votre précédente réponse, vous avez expliqué qu’il n’était pas d’usage que la Belgique intervienne dans une procédure d’extradition entre pays tiers même lorsque cette demande concerne un ressortissant national. Confirmez-vous que la Belgique n’est jamais intervenue, ces dix dernières années, vis-à-vis de pays européens qui avaient reçu une demande d’extradition d’un de nos ressortissants? Si non, sur base de quel critère la Belgique intervient-elle ou non?

 

Les autorités consulaires belges indiquent qu’elles n’interviennent pas, en principe, en faveur d’individus qui possèdent la double nationalité. Ici, M. Aarrass est belgo-marocain. Pour quels motifs et quelles sont les bases juridiques qui sous-tendent cette position? Les autres États européens pratiquent-ils également cette politique qui réduit la protection effective de leurs ressortissants? Et, souvent, quand on craint des traitements inhumains après extradition, le pays qui extrade exige une série de garanties avant d’exécuter l’extradition. Des garanties de ce type ont-elles été obtenues du Maroc pour ce ressortissant?

 

Depuis son extradition, ce ressortissant n’a pu être localisé par ses avocats ou sa famille. Savez-vous dans quelle prison M. Aarrass est détenu? Des visites consulaires ont-elles été effectuées ou planifiées?

 

07.03 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, ik zeg dit niet ad hominem, maar het is de tweede keer dat het dossier ter sprake komt in de commissievergadering.

 

Ik wil toch artikel 122 van het Reglement van de Kamer voorlezen aangaande de vragen in commissie: "Niet ontvankelijk zijn namelijk: a) vragen met betrekking tot zaken van particulier belang of betreffende persoonlijke gevallen".

 

De situatie van de betrokkene is mij goed bekend. Zij is mij zodanig goed bekend dat ik gisteren nog op een uiteenzetting voor een tachtigtal mensen gedurende een halfuur door de familie van de betrokkene tegengehouden werd om het woord te voeren voor mensen die geïnteresseerd waren in een verslag over zes maanden Belgisch Voorzitterschap.

 

Ik merk dat verschillende parlementsleden in weerwil van artikel 122 menen dat het verstandig is om dezelfde vraag op een nieuwe manier te formuleren en mij te dwingen positie in te nemen in verband met een geval van particulier belang, waarvan ik vervolgens wil zeggen dat ik dat zeer ernstig neem, maar waarvan ik niet vind dat een vergadering van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen dient om dat soort van discussies tot het een of ander goed einde te brengen.

 

Met een grote aarzeling zal ik over die kwestie dus een paar woorden zeggen. Ik wilde dat echter te persoonlijken titel toch eens melden.

 

Le contrôle de l’application uniforme de la Convention européenne des droits de l’homme est dévolu est à la Cour européenne des droits de l’homme. En cas d’arrêt prononcé par la Cour, le comité des ministres du Conseil de l’Europe a pour mission de veiller à l’exécution de ces arrêts. Et comme mentionné dans la réponse donnée à l’une des questions précédentes, l’assistance aux Belges détenus à l’étranger ne prévoit pas l’organisation de visites consulaires dans les pays de l’Union européenne.

 

Le 16 décembre 2010, l’ambassade de Belgique à Madrid s’est rendue au centre pénitentiaire où un ressortissant belge était détenu, pour y apprendre qu’il avait été extradé vers le Maroc en date du 14 décembre. La Belgique n’est pas intervenue auprès de l’Espagne dans ce dossier d’extradition – et je ne peux répondre au nom de l’Espagne. Mais il existe un principe général en matière d’extradition, qui est qu’un pays n’extrade pas ses propres ressortissants. La Belgique n’intervient pas pour des extraditions entre pays tiers.

 

Pour l’assistance aux Belges possédant une double nationalité, la Belgique s’appuie sur le droit coutumier consulaire international, qui précise – en cela confirmé, entre autres, par la Convention de La Haye du 12 avril 1930 concernant certaines questions relatives aux conflits de lois sur la nationalité – qu’un État ne peut exercer sa protection diplomatique au profit d’un de ses nationaux à l’encontre d’un État dont celui-ci est également le ressortissant national.

 

Comme la Belgique n’est pas intervenue auprès du gouvernement espagnol, je n’ai donc pas connaissance d’éventuelles garanties que l’Espagne aurait obtenues du Maroc avant d’autoriser l’extradition, et mon département n’est actuellement pas informé du lieu de détention de la personne concernée.

 

07.04  Özlem Özen (PS): Monsieur le ministre, vous dites que notre question n’est pas recevable parce qu’il s’agit d’une affaire concernant un cas personnel.

 

07.05  Steven Vanackere, ministre: Je n’ai pas dit ça. Je dois respecter le Règlement de la Chambre. Ce n’est pas à moi de le dire.

 

07.06  Özlem Özen (PS): Monsieur le ministre, on peut donc parler de ce cas de manière plus générale si vous voulez: le cas d’un ressortissant belge qui est détenu en Espagne et qui a été extradé vers le Maroc – alors que nous, dans la même situation et sur la même base légale, nous ne l’aurions pas fait; alors que la Cour européenne des droits l’homme s’y est toujours opposée lorsqu’elle a été amenée à se prononcer sur une demande d’extradition de même nature; alors que malgré les recommandations qui ont été faites par le Comité des droits de l’homme des Nations unies sous la forme des mesures provisoires, celles-ci n’ont pas ici été respectées.

 

Pourquoi n’avez-vous pas, comme vous dites, saisi l’occasion de la présidence belge de l’Union européenne afin d’évoquer cette question avec vos homologues espagnols?

 

La passivité face à cette extradition n'engage-t-elle pas, par ricochet, la responsabilité de notre pays?

 

Au-delà de la question juridique, l'Espagne a violé ses obligations internationales en soumettant un ressortissant belge à un risque sérieux de torture, sans réaction de la Belgique et sans que vous estimiez nécessaire d'évoquer cette question.

 

Pour ce qui concerne la double nationalité, j'aimerais préciser que la personne dont question a des attaches en Belgique. Elle y a même effectué son service militaire. Elle y vit depuis toujours. Elle n'a donc jamais vécu au Maroc.

 

07.07  Steven Vanackere, ministre: Je ne peux évoquer un cas particulier.

 

07.08  Özlem Özen (PS): En tout cas, dans ce cas, le silence est inadmissible.

 

07.09  Zoé Genot (Ecolo-Groen!): Monsieur le président, quand il est question de torture d'un Belge, il ne s'agit plus d'un cas particulier!

 

On a parlé des Belges qui s'étaient fait arrêter en Iran. Il s'agissait de cas particuliers.

 

Ici, parce qu'il est question d'un homme belgo-marocain, on n'a pas le droit d'en parler. Il s'agit pourtant d'un homme qui a été extradé alors que le Comité des droits de l'homme de l'ONU avait demandé de ne pas procéder à son extradition parce qu'il craignait qu'il soit torturé et qu'il fasse l'objet d'un procès inéquitable. Amnesty International a également demandé que l'on ne procède pas à l'extradition pour les mêmes raisons. Aujourd'hui, cet homme a disparu. Ses avocats sont incapables de le localiser. On sait que des hommes, qui ont fait l'objet du même procès, ont été torturés. Et je constate que vous nous répondez que vous vous en fichez, que vous ne voulez pas en discuter, que vous ne comptez pas tenter de le retrouver, que vous ne demandez pas que l'on vous rende des comptes!

 

07.10  Steven Vanackere, ministre: Ce que vous dites est inacceptable!

 

07.11  Zoé Genot (Ecolo-Groen!): Dans ce cas, mettez des moyens en œuvre! Demandez à vos officiers de liaison de localiser cet homme afin de vérifier son état de santé. Il est ici question de traitement inhumain et dégradant, ce qui est inacceptable!

 

07.12  Steven Vanackere, ministre: Monsieur le président, je demande à répliquer à ce que je considère comme un fait personnel. Les propos de la députée sont inacceptables! La manière dont elle a qualifié la façon dont j'ai répondu à une question qui concerne, sans équivoque, un cas particulier, est inacceptable! Il me semble avoir répondu clairement avec les arguments qui s'appliquent au traitement général de ce type de dossier. J'ai également insisté sur le fait qu'au niveau consulaire, moi-même et mon cabinet, nous sommes tout à fait à l'écoute de ceux qui défendent le dossier. Ma réponse est dans les règles de ce qui se pratique normalement en commission des Affaires étrangères. Je ne peux accepter que Mme Genot dise que le ministre s'en …!

 

Ik laat dat voor uw rekening, mevrouw Genot!

 

07.13  Zoé Genot (Ecolo-Groen!): Monsieur le ministre, je veux être rassurée sur le cas de ce jeune homme et savoir qu'il n'est pas torturé actuellement. Je souhaiterais savoir où il est pour que son avocat et les officiers consulaires belges puissent lui rendre visite. C'est ce que je voudrais que vous fassiez! C'est un Belge, même s'il est belgo-marocain!

 

De voorzitter: Ik zal het incident aan de voorzitter van onze commissie rapporteren. Ik zal hem voorstellen om de twee vragen aan de diensten te bezorgen. We vragen de diensten een nota op te maken over de interpretatie van het artikel waarnaar de minister verwees. Samen met onze commissie zullen wij op basis van die nota proberen uit te maken hoe dat artikel moet worden geïnterpreteerd, om zulke onderlinge discussies in de toekomst te vermijden.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le sommet de l'OSCE à Astana" (n° 1476)

08 Vraag van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de OVSE-top in Astana" (nr. 1476)

 

08.01  Christian Brotcorne (cdH): Monsieur le président, monsieur le vice-premier ministre, les 1er et 2 décembre derniers, se sont réunis à Astana les 56 États membres de l'OSCE. Un tel sommet n'avait plus eu lieu depuis 1999 à Istanbul.

 

L'OSCE est notamment basée sur les droits de l'homme. C'est son fameux troisième pilier qui a joué un rôle si important dans la promotion de la démocratie à l'est de l'Europe. On s'en souvient. Le projet de conclusion de ce sommet mentionne que les droits de l'homme et les libertés fondamentales sont une préoccupation directe et légitime de tous les États participants et n'appartiennent pas exclusivement aux affaires intérieures de l'État concerné.

 

Cependant, au jour d'aujourd'hui, la situation des droits de l'homme est loin d'être satisfaisante dans de nombreux États membres pourtant de l'OSCE. Je pense à l'Asie centrale (Ouzbékistan, Kirghizie, Turkménistan), au Belarus ou la Russie même, pour ne citer que quelques exemples. Je mentionnerai également la guerre en Géorgie pendant l'été 2008.

 

Par ailleurs, l'OSCE a un haut représentant pour la liberté de la presse. Plusieurs journalistes russes ont pourtant été agressés, voire tués, ces dernières années et les coupables courent toujours. La liberté de la presse est également menacée dans d'autres États membres de l'OSCE.

 

Lorsque le premier ministre est venu devant cette commission le 25 novembre, il nous a assuré que les droits de l'homme, en ce compris la liberté de la presse, seraient abordés lors du sommet d'Astana.

 

Ma question porte dès lors sur les conclusions de ce sommet.

 

Quelles mesures concrètes ont été prises lors de ce sommet afin de réellement promouvoir et défendre les droits de l'homme?

 

Des engagements ont-ils été pris? Si oui, lesquels? Et si des engagements ont été pris, quel en sera le suivi?

 

08.02  Steven Vanackere, ministre: Monsieur Brotcorne, la Déclaration commémorative d'Astana réaffirme solennellement l'adhésion de tous les États membres à toutes les normes, principes et engagements de l'OSCE, y compris en matière des droits de l'homme et d'État de droit. Elle rappelle la responsabilité qu'a chaque État de les mettre en œuvre pleinement et de bonne foi. En outre, elle réitère le principe selon lequel les engagements pris dans la dimension humaine de l'OSCE sont une préoccupation directe et légitime de tous les États participants et qu'ils n'appartiennent pas exclusivement aux affaires internes de l'État.

 

En ce qui concerne plus particulièrement la presse, la zone OSCE subit effectivement une détérioration en termes de liberté des médias.

 

Pour le document final d'Astana, l'Union européenne a défendu un plan d'action qui aurait renforcé le mandat de la représentante de l'OSCE pour la liberté des médias et qui lui aurait permis d'entreprendre des mesures concrètes pour protéger les journalistes d'éventuelles attaques et violences, pour mettre à jour les engagements existant en matière de liberté des médias afin de répondre aux nouvelles menaces liées à l'évolution technologique (Internet, médias électroniques), ainsi que pour promouvoir le pluralisme des médias.

 

Hélas, faute de consensus entre les 56 États participants, le plan d'action n'a pu être adopté.

 

Nous devons reconnaître que la déclaration commémorative adoptée à Astana est moins ambitieuse, en tout cas, certainement moins ambitieuse qu'on l'avait espéré. Cependant, les États y ont réitéré le côté inaliénable des droits de l'homme et des libertés fondamentales et se sont engagés à les protéger et à les promouvoir.

 

La déclaration finale met aussi en évidence l'importance de la société civile et des médias libres ainsi que le rôle qu'ils jouent dans le respect des droits de l'homme et des libertés fondamentales.

 

08.03  Christian Brotcorne (cdH): Monsieur le président, je remercie le vice-premier ministre pour sa réponse.

 

Des intentions, parfois en-deçà des souhaits exprimés par certains membres de l'OCSE, ont été confirmées. Mais je ne vous ai pas entendu parler du suivi des recommandations ou des principes de l'organisation. En effet, si on constate des difficultés en matière de droits de l'homme, on en constate encore plus au niveau de la bonne compréhension du principe de la liberté de la presse. Il est donc important d'assumer le suivi du minimum minimorum qui constitue la base pour adhérer à l'OSCE. Ainsi, par exemple, existe-t-il des possibilités pour, à un moment donné, décider que tel ou tel pays pour telle ou telle raison ne correspond plus aux normes minimales et, ce faisant, est susceptible d'être exclu de l'organisation.

 

08.04  Steven Vanackere, ministre: J'entends ce que vous dites.

 

Je dois vous dire que la déception qui a été ressentie, après la déclaration d'Astana, par un certain nombre d'États membres européens, a fait l'objet d'une discussion lors du Conseil Affaires étrangères du lundi 13 décembre dernier.

 

La réflexion va certainement se poursuivre au sein de l'Union européenne sur les mérites de cette déclaration et sur la manière d'en faire un instrument à la hauteur de la réunion, car cela faisait longtemps qu'il y avait eu une réunion des chefs d'État ou de gouvernement de l'OSCE.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Questions jointes de

- M. Philippe Blanchart au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "l'envoi de militaires belges en Côte d'Ivoire" (n° 1517)

- M. Stefaan Vercamer au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la situation actuelle explosive en Côte d'Ivoire" (n° 1731)

09 Samengevoegde vragen van

- de heer Philippe Blanchart aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het sturen van Belgische militairen naar Ivoorkust" (nr. 1517)

- de heer Stefaan Vercamer aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de huidige explosieve situatie in Ivoorkust" (nr. 1731)

 

09.01  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, après le dépôt de cette question, la tension est encore montée d'un cran en Côte d'Ivoire. À la demande de votre département, le Conseil des ministres a décidé, durant le week-end des 4 et 5 décembre, d'envoyer dix militaires des Forces spéciales belges en Côte d'Ivoire afin d'y assurer la protection de l'ambassadeur et de son personnel diplomatique.

 

Ces militaires ont été bloqués à Dakar, mais sont normalement arrivés sur place.

 

Pouvez-vous fournir de plus amples renseignements sur les objectifs de la mission, sa durée ainsi que les règles d'engagement? De combien de personnes est composé le service de sécurité déjà sur place?

 

Quel est le risque sécuritaire pour nos ressortissants se trouvant sur le territoire?

Combien sont-ils actuellement et des demandes d'évacuation ont-elles été adressées à notre ambassadeur?

 

Une coordination européenne ou avec d'autres pays européens a-t-elle déjà été envisagée?

 

Enfin, l'Union européenne, par la voix de sa Haute représentante aux Affaires étrangères, Catherine Ashton, a finalement décidé d'appliquer des sanctions dites ciblées envers Laurent Gbagbo et certains de ses proches. De nouvelles sanctions de l'Union européenne sont également prévues, comme la suspension d'une partie de l'aide à la coopération versée à la Côte d'Ivoire; si elles ne sont pas déjà prévues, elles peuvent l'être.

 

La suspension de l'aide à la coopération serait-elle vraiment utile? Ne craignez-vous pas que ce blocage risque d'enfoncer encore davantage une population déjà peu favorisée? Comment trouver le juste équilibre entre la sanction et les négociations?

 

Qu'en pensez-vous, monsieur le ministre?

 

09.02  Stefaan Vercamer (CD&V): Mijnheer de minister, de situatie in Ivoorkust is momenteel inderdaad erg onstabiel en ontvlambaar na de recente presidentsverkiezingen. De huidige president Gbagbo weigert immers zijn nederlaag te aanvaarden en plaats te maken voor de winnaar van de verkiezingen, oppositiekandidaat Quattara.

 

Volgens de berichtgeving die wij gekregen hebben, zouden er eerder deze week al minstens twintig doden zijn gevallen bij gewelddadige confrontaties tussen de aanhangers van oppositiekandidaat Quattara en de Ivoriaanse ordetroepen, die voorlopig trouw lijken te blijven aan president Gbagbo. Collega Blanchart heeft er net naar verwezen: er zijn ondertussen een tiental special forces heen gestuurd met de speciale opdracht om daar onze ambassade te beschermen. Andere internationale organisaties zouden al begonnen zijn met de terugtrekking van hun personeel en familieleden.

 

Het is niet de eerste keer dat het tot gewelduitbarstingen komt in Ivoorkust. De recente ontwikkelingen zijn dan ook zeer verontrustend. De ervaring leert ons immers dat ongenoegen over een verkiezingsuitslag al snel kan overslaan in straatgeweld tegen etnische en/of religieuze minderheden.

 

Zowel de Europese Unie als de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie hebben de heer Gbagbo opgeroepen om afstand te doen van het presidentschap en om zijn verkiezingsnederlaag te erkennen. Sommige Europese leiders lieten zich daarbij zelfs betrappen op enkele stevige, forse uitspraken.

 

Mijnheer de minister, aangezien retoriek zelden onze bezorgdheid wegneemt, wilden wij toch graag van u een en ander vernemen. Ten eerste, kunt u misschien kort een beeld schetsen van de huidige situatie in Ivoorkust? Op welke manier ziet u de situatie evolueren op korte termijn?

 

Ten tweede, kunt u ingaan op de rol van het Ivoriaans leger en de andere ordetroepen? Ziet u de mogelijkheid om die militairen ervan te overtuigen om zich niet langer te mengen in het huidige politieke debat en zich voorlopig terug te trekken in hun kazernes?

 

Ten derde, misschien kunt u ons ook meedelen hoeveel Belgen er momenteel in Ivoorkust aanwezig zijn en hoeveel er daarvan geëvacueerd zouden moeten worden. Kunt u ook even stilstaan bij de rol die Belgische special forces daarbij moeten spelen?

 

Ten slotte, zou u kunnen bevestigen dat zowel de Europese Unie als ons land het huidige duidelijke standpunt betreffende de erkenning van de verkiezingsresultaten zal aanhouden en ook verdedigen bij de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie? Bent u het ermee eens dat we een halfslachtige oplossing moeten vermijden, waarbij, zoals in het recente verleden elders is gebeurd, de verliezende kandidaat en partijen toch mogen deelnemen aan de macht? Dergelijke compromissen dreigen naar onze mening op sommige plaatsen in Afrika immers de democratische beginselen te ondergraven tot op het fundament.

 

09.03 Minister Steven Vanackere: Momenteel blijven beide kampen, zoals u ook kunt vaststellen, op hun standpunt. Ondanks de eensgezinde houding van de internationale gemeenschap en de druk die wordt uitgeoefend op de betrokkenen, klampt Laurent Gbagbo zich vast aan de macht en heeft hij zelfs de VN-macht ONUCI en de Franse operatie Licorne opgeroepen om zich uit het land terug te trekken.

 

Alle vreedzame middelen, bijvoorbeeld de bemiddeling door president Mbeki en door de baas van de Afrikaanse Unie, de heer Ping, brieven van presidenten Obama en Sarkozy, van Jonathan Goodluck, een verklaring van de heer Ban Ki-moon en de dreiging met sancties hebben tot nu toe nog niet het gewenste effect gehad.

 

Het risico is toegenomen dat na verloop van tijd alleen nog de optie van dwang overblijft. Het meest waarschijnlijke in dat opzicht leek tot voor kort het inzetten van troepen van de landen van de subregionale organisatie ECOWAS, maar dat vraagt natuurlijk tijd en overleg bij die regionale organisatie.

 

Vanuit het veiligheidsstandpunt is de situatie sedert 28 november alleen maar achteruitgegaan. Wij moeten dat erkennen. Een nieuwe gewelddadige clash tussen de verschillende kampen lijkt in de volgende dagen alsmaar waarschijnlijker te worden.

 

De stafchef van het Ivoriaanse leger, generaal Mangou, heeft trouw betoond aan de aftredende president Laurent Gbagbo. Meerdere elementen van het leger zouden niettemin hun steun toegezegd hebben aan de verkozen president Ouattara, maar voorlopig in alle discretie. Sommigen zijn van oordeel dat het Ivoriaanse leger, dat eigenlijk een republikeinse traditie heeft, wel degelijk Laurent Gbagbo wel eens zou kunnen afzetten ingeval van ernstige onlusten. Hiertoe zijn echter momenteel geen echt sterke of tastbare aanwijzingen.

 

Bovendien mag men ook niet vergeten dat Laurent Gbagbo nog over andere geduchte interventiemiddelen beschikt via de republikeinse wacht, via het Centre de Commandement des Opérations de Securité, CECOS, en ook via de milities van de zogenaamde Jonge Patriotten.

 

Momenteel bevinden zich ongeveer 300 Belgen in Ivoorkust. De ambassade van België stuurt hun informatie over de situatie en duidelijke aanbevelingen. U weet dat de reisadviezen voor Ivoorkust verstrengd werden. Een evacuatie is momenteel niet aan de orde.

 

Er is een EU-coördinatie, zowel ter plaatse als tussen de hoofdsteden. De Belgische militairen dienen in te staan voor de beveiliging van de ambassade in Abidjan en ingeval van evacuatie zou die ook de verantwoordelijkheid dragen voor de evacuatie van de Belgen.

 

Hoe dan ook, meer in het algemeen gesproken, kan ik u inderdaad bevestigen dat België en de EU hun huidige standpunt handhaven en zullen handhaven betreffende de erkenning van de verkiezingsresultaten en met andere woorden betreffende de oproep om de verkiezing van de heer Ouattara wel degelijk te erkennen.

 

J'en arrive maintenant aux questions de M. Blanchart.

 

Monsieur, je vous confirme que l'objectif de la mission est de sécuriser le poste diplomatique, autrement dit, la chancellerie, la résidence et le personnel à Abidjan, suite à la dégradation de la situation sécuritaire. La durée de la mission dépendra de l'évolution de cette dernière. Et les frais engendrés par cette mission feront l'objet d'une décision ad hoc par le Conseil des ministres.

 

Pour ce qui concerne la sécurité actuelle de l'ambassade, des agents de sécurité d'une firme privée assurent une surveillance permanente à la chancellerie et à la résidence. Un officier de liaison de la Défense est actuellement intégré dans le personnel de l'ambassade. Il est notamment chargé des contacts réguliers avec les militaires internationaux français et onusiens.

 

Je peux vous confirmer que les vols sur Abidjan ont repris et que les frontières sont ouvertes. Si aujourd'hui, les personnes envoyées se trouvent toujours à Dakar, c'est pour une question de visa.

 

Pour ce qui concerne les ressortissants, je crois avoir déjà répondu en néerlandais. J'insiste sur le fait qu'une évacuation n'est actuellement pas à l'ordre du jour. Pour l'instant, une telle opération n'a pas encore été envisagée.

 

Une coordination européenne est en place tant au niveau local qu'au niveau des capitales.

 

À ce stade, les sanctions qui pourraient être envisagées sont des sanctions individuelles du type gel des avoirs et interdiction de visa pour les personnes qui font obstruction au processus de paix et qui ne respectent pas le résultat du scrutin, expression de la volonté du peuple ivoirien.

 

Vous avez appris que la décision prise à l'encontre de M. Gbagbo l'a été par l'ensemble des pays de l'Union européenne.

 

09.04  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le ministre, vous avez répondu à presque toutes mes questions. En ce qui concerne l'aspect relatif aux sanctions que l'Union pourrait prendre par rapport à la suspension de l'aide à la coopération à la Côte d'Ivoire, que pensez-vous des éventuels effets pervers?

 

09.05  Steven Vanackere, ministre: En effet, dans ce type de question, il faut clairement tenir compte de la proportionnalité. Comme nous essayons de mettre la pression sur une certaine élite pour respecter le choix du peuple, les mesures à prendre doivent être très ciblées. Nous ne sommes pas au stade d'envisager des mesures de coopération, dans la mesure où nous souhaitons la normalisation de la situation, c'est-à-dire le respect du scrutin. Pour l'instant, il est crucial que les éventuelles mesures de sanction soient clairement ciblées et non pas dirigées sur l'ensemble du peuple.

 

09.06  Stefaan Vercamer (CD&V): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.

 

Wij moeten de situatie zeer goed verder opvolgen, want de veiligheidsdiensten en doodseskaders zouden nu ook al de leden van de oppositie viseren. We krijgen gegevens binnen van de Ivoriaanse oppositie dat er al meer dan 200 doden en 1 000 gewonden zouden zijn. Amnesty International geeft in haar rapporten ook aan dat er verdwijningen en fysiek geweld gebeuren. Ik denk dat we dit inderdaad moeten blijven opvolgen.

 

Ten tweede, misschien moeten we ook wel druk op de ketel houden. We kunnen dit niet straffeloos laten gebeuren. Eens het conflict is opgelost, moeten daar dan ook de verdere consequenties getrokken worden. Onlusten gebruiken en uitlokken om aan de macht te blijven, kunnen we niet straffeloos laten gebeuren, op alle niveaus.

 

Voor de rest kan ik u alleen maar alle steun toezeggen om het duidelijke standpunt aan te blijven houden dat democratische spelregels gerespecteerd moeten worden. Zeker voor Afrika is dit een zeer belangrijk gegeven. We mogen daar niet opnieuw een precedent creëren van halfslachtige oplossingen.

 

09.07  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le président, je tenais simplement à dire au ministre que son interprétation me rassure.

 

Monsieur le ministre, à l'occasion de cette question, j'aurais également voulu vous féliciter, au nom de mon groupe, du travail que vous avez accompli dans le cadre de la présidence de l'Union européenne, même si notre pays n'a pas toujours pu distancier ses positions sur certains dossiers en raison des nouvelles attributions de Mme Ashton. Vous avez, me semble-t-il, travaillé dans un esprit européen dans le respect des nouvelles compétences du Traité de Lisbonne. Cela devait être dit!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Ingeborg De Meulemeester aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de Europees-Russische top" (nr. 1537)

10 Question de Mme Ingeborg De Meulemeester au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le sommet Europe-Russie" (n° 1537)

 

10.01  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de minister, op de Europees-Russische top van begin december hebben Rusland en de Europese Unie een akkoord gesloten over de toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie. Europa maakt na jaren onderhandelen geen bezwaren meer tegen deze toetreding. Herman Van Rompuy heeft achteraf verklaard dat Rusland nu zo snel mogelijk lid moet worden.

 

Ook het visumvrije verkeer zou aan bod gekomen zijn, maar ook hierover was Herman Van Rompuy onduidelijk over het precieze tijdstip wanneer het realiteit zou worden. Europees Commissievoorzitter Barosso liet nadien weten dat de gesprekken met Rusland zeer positief en constructief waren.

 

Ik heb hierover enkele vragen aan u. Ten eerste, is er al zicht op de precieze datum van de toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie?

 

Ten tweede, is er met Rusland gesproken over energietoevoer? Zo ja, welke afspraken werden daarover gemaakt?

 

Ten derde, zal er sprake zijn van een volledige vrijhandelszone waar Rusland deel van zal uitmaken? Zo ja, wat is uw visie daarop?

 

En ten vierde, wat is er besproken inzake mensenrechten en persvrijheid in Rusland?

 

10.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, mevrouw De Meulemeester, tijdens de EU-Rusland-top van 7 december werd een memorandum of understanding afgesproken dat het bilaterale luik van de onderhandelingen tussen de EU en Rusland over de toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie bezegelt.

 

Het is duidelijk dat het afspreken van een kader met betrekking tot die bilaterale onderhandelingen niet betekent dat alle problemen opgelost zijn. Er moet nu nog worden onderhandeld over de openstaande multilaterale handelskwesties alvorens de EU kan instemmen met de toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie.

 

Bijgevolg is het niet aangewezen om een precieze datum voorop te stellen omdat dit afhangt van de mate waarin er overeenstemming kan worden bereikt over de manier waarop Rusland een aantal moderniseringsinspanningen van de eigen economie en zijn eigen markt wil accepteren en implementeren.

 

In dat opzicht is het vergelijkbaar met het vraagstuk waarbij een student altijd de datum van zijn examen mag vragen, maar nooit de datum van zijn diploma, vermits er daarvoor ook nog een aantal verwezenlijkingen nodig is.

 

Ik kan u bevestigen dat de energieproblematiek wel degelijk op de agenda stond van de EU-Rusland-top. Er werd gesproken over South Stream, energie-efficiëntie, veiligheidsstandaarden inzake kerncentrales en het derde pakket van wetgevende maatregelen inzake de interne markt voor energie in de EU.

 

Het is geen geheim dat in de strategische relatie tussen de EU en Rusland energie een van de belangrijke hoofdstukken is.

 

U vraagt mij of er sprake zal zijn van een volledige vrijhandelszone waarvan Rusland deel zou uitmaken. Neen, daar is geen sprake van.

 

Ten slotte, wat uw laatste vraag betreft, kan ik u bevestigen dat de Europese Unie haar bezorgdheid heeft geuit over de situatie van mensenrechtenactivisten in Rusland en daarbij in het bijzonder is ingegaan op de situatie in de Noordelijke Kaukasus.

 

10.03  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik heb begrepen dat Rusland nog werk voor de boeg heeft.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van mevrouw Ingeborg De Meulemeester aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de bouwstop op de Westoever" (nr. 1549)

11 Question de Mme Ingeborg De Meulemeester au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le moratoire sur les constructions en Cisjordanie" (n° 1549)

 

11.01  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de minister, al geruime tijd vinden tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit gesprekken plaats teneinde een langdurige vrede te bewerkstelligen in het Midden-Oosten. Vooral onder leiding van de Verenigde Staten wordt er druk uitgeoefend op Israël.

 

Op 7 december 2010 heeft Washington echter laten weten dat het niet langer vasthoudt aan de eis om een nieuwe Israëlische bouwstop op de Westoever te bekomen. Zelf spreken zij hierbij van een verandering van strategie. Israël heeft vrij euforisch gereageerd. Het sterkte hen in de overtuiging dat ze de druk van Amerika hebben weerstaan. De Amerikaanse berichtgeving over het niet hernieuwen van de bouwstop geeft sterk de indruk dat de strategie heeft gefaald.

 

De vrede tussen Israël en de Palestijnse gebieden is natuurlijk zeer dringend. In de commissie van 9 november 2010 gaf u aan dat mocht het proces stilvallen, men zich zich zou moeten afvragen welke rol de Europese Unie in dit vredesproces kan of moet spelen

 

Waarom heeft Amerika niet vastgehouden aan de eis van een bouwstop op de Westoever? Is er sprake van een mislukking van de strategie? Is de euforie van Israël terecht?

 

Welke rol zal de Europese Unie in het vredesproces spelen?

 

11.02 Minister Steven Vanackere: Deze vraag wordt geregeld te berde gebracht door tal van collega’s, ook door u mijnheer de voorzitter. Ik denk dat dit voor gans Europa een belangrijke toetssteen is van onze capaciteit om op een eensgezinde manier te wegen op onderwerpen die van wereldbelang zijn. U zult in mijn antwoord wel een aantal elementen horen die u al eerder hebt gehoord.

 

Eerst en vooral moeten wij samen bevestigen dat de Verenigde Staten hebben moeten vaststellen dat het niet mogelijk was om in de huidige omstandigheden de twee partijen rond één tafel te krijgen. Een volledige bouwstop met inbegrip van Oost-Jeruzalem is en blijft voor president Habas een voorwaarde om opnieuw rechtstreeks met Israël te kunnen onderhandelen. In de mate dat premier Netanyahu en zijn regering zo’n bouwstop niet wilde of kon realiseren, moeten wij beginnen met dat vast te stellen en dat vooral sterk te betreuren. U spreekt over euforie, maar in deze aangelegenheid is dat weinig gepast. De bouwstop is niet zomaar een maatregel om vertrouwen te wekken in de onderhandelingen. Het is ook en in de eerste plaats de toepassing van internationaal recht en van verbintenissen van Israël.

 

De Verenigde Staten hebben aangekondigd een reeks van bilaterale besprekingen op te starten met beide partijen afzonderlijk. Procedureel gesproken komen wij daarmee terug in de logica van wat men destijds de proximity talks noemde. In die besprekingen moeten de partijen concrete voorstellen doen, in het bijzonder over grenzen en over veiligheidskwesties.

 

Als een persoonlijke noot wil ik eraan toevoegen dat ik in mijn besprekingen met beide partijen heb vastgesteld dat wanneer men over de echte inhoud van het vijftal grote onderwerpen die in de weegschaal liggen om tot een akkoord te komen, vooruitgang zou boeken, met inbegrip van de problematiek van de grenzen, de kwestie van de illegale nederzettingen een voortvloeisel zou zijn uit een akkoord. Het feit dat men nu via de logica van bilaterale gesprekken naar de inhoud zou gaan, mag in dat opzicht als correct worden gezien en kan, voor diegenen die optimistisch wensen te zijn, een bron van hoop zijn.

 

Hoe dan ook moeten wij als internationale gemeenschap kijken hoe de situatie in de komende weken en maanden evolueert. De Verenigde Staten hebben duidelijk aangegeven dat zij niet vinden dat het proces dat zij in gang hebben gestoken, nu stopt. We moeten daar de kans nog geven aan de inspanningen van de Verenigde Staten om te kijken of het resultaten oplevert, maar het is duidelijk dat ook daar het geduld niet eindeloos kan zijn.

 

Het klopt dat de Europese Unie en de lidstaten ondertussen kunnen nadenken over elementen van hun politiek ten aanzien van Israël en de Palestijnse Autoriteit. Ze kunnen eventueel overwegen om een en ander bij te stellen, te ontwikkelen of aan te passen.

 

U weet dat de Europese Unie op dit ogenblik met grote financiële middelen de staatsopbouw van de Palestijnse Autoriteit ondersteunt. Het is duidelijk dat die steun moet worden verdergezet in het belang van het behoud van de stabiliteit in de regio en op de westelijke Jordaanoever. We moeten natuurlijk ook kritisch waken over de verplichtingen van de Palestijnse autoriteiten, bijvoorbeeld met betrekking tot het respect voor mensenrechten.

 

Ten aanzien van Israël is het inderdaad denkbaar dat wij voor het gesprek kunnen nadenken over maatregelen waarmee men zou gaan in de richting van het niet mogelijk maken van financiële, fiscale of praktische steun voor illegale kolonies. Ik formuleer dit echter met voldoende reserve, insisterend op het feit dat wat er ook gebeurt het dient te gebeuren met maximaal behoud van de eensgezindheid onder de landen van de Europese Unie die met hun verklaring van december 2009 een duidelijk statement hebben gemaakt dat een positieve impact kon hebben op het dossier. Dat zou bijvoorbeeld een concrete actie van de EU kunnen zijn. Ik wens dit toch te benoemen en op die manier aan te geven dat dit soort reflecties onder de collega’s van Buitenlandse Zaken in de Europese Unie leeft.

 

In ieder geval, in het bredere plaatje van de onderhandelingen, lijkt het mij dat zolang de Verenigde Staten ook duidelijk afficheren dat zij wensen te investeren in dit dossier wij als Europeanen geen Einzelgänger-positie kunnen innemen. Onze samenwerking met de VS dient wat mij betreft vooral gestructureerd te worden via het kwartet. In dit overleg tussen de VS, de EU, de VN en Rusland moeten de posities van de vier beter op elkaar worden afgestemd. Ik ben ervan overtuigd dat we hierover nog vaker van gedachten zullen wisselen in de komende weken. Ik wil echter ook aangeven dat het gevoel dat het geduld niet in eindeloze voorraden beschikbaar is een besef is dat ook bij de collega’s van de Europese Unie sterker en sterker wordt.

 

11.03  Ingeborg De Meulemeester (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Ook hier is er nog veel werk en het is duidelijk dat samenwerking hier van belang is.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Els Demol aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de steun aan Rwanda" (nr. 1577)

12 Question de Mme Els Demol au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "l'aide au Rwanda" (n° 1577)

 

12.01  Els Demol (N-VA): (…) (micro niet aangezet) en werd er een algemene vraag gesteld in verband met de situatie in Rwanda, na de verkiezingen.

 

In uw antwoord had u het nog over de goede betrekkingen met Rwanda, die gepaard gaan met een open dialoog. U had het ook over democratie en goed bestuur.

 

Op 6 en 7 december vonden in Brussel de Europese dagen voor ontwikkeling plaats, waarop president Kagame aanwezig was. U noch premier Leterme hebt toen president Kagame ontvangen. Dat feit kan natuurlijk geïnterpreteerd worden en vandaar mijn vraag.

 

Wat was de reden waarom u president Kagame niet ontvangen heeft?

 

Op 30 november hebben wij hier vertegenwoordigers van 11-11-11, van het middenveld in Rwanda en Burundi en van Paix et Justice ontvangen. Er werd ons gezegd dat na de verkiezingsoverwinning van Kagame het middenveld in Rwanda nog verder monddood wordt gemaak. De open ruimte wordt aan banden gelegd en politieke rechten worden met voeten getreden.

 

Er was niet alleen slecht nieuws. Zij zeiden dat er ook wel sociaaleconomische vooruitgang merkbaar is in Rwanda. Een gezonde democratie dient echter oppositie toe te laten. Er zijn ondertussen voldoende voorbeelden gegeven om aan te nemen dat dat nu niet het geval is. Mijn tweede vraag is dan ook of België het beleid van de Rwandese autoriteiten nog steunt.

 

Een derde punt dat ik wil maken heeft te maken met de opzegging door Nederland van zijn begrotingssteun aan Rwanda omdat de vrijheid van meningsuiting en de politieke ruimte in Rwanda onvoldoende gewaarborgd zijn. De rechtstreekse aanleiding daarvoor was de gevangenneming van een Rwandees oppositielid op 14 oktober, met name mevrouw Victoire Ingabire. Zij heeft 16 jaar in Nederland gewoond. Zij was nog maar net teruggekeerd naar Rwanda en zit nu al meer dan een maand gevangen.

 

Ik ben niet voor eenzijdige maatregelen. Het is echter wel zo dat toen in 2008 Nederland en Zweden hun begrotingssteun opzegden aan Rwanda, dit een merkelijke verandering in het bewind van president Kagame heeft veroorzaakt en het heeft verbeterd.

 

Uit de cijfers van ODA blijkt dat wij het derde grootste donorland ter wereld zijn van Rwanda, na het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De totale Belgische steun bedraagt 7 %. Dat is toch al een respectabel bedrag. Het gaat om een vermeerdering van Belgische steun sinds 2006 van 28 miljoen naar 58 miljoen. Welke sancties kunnen wij vanuit België opleggen om in deze druk uit te oefenen op Rwanda?

 

12.02 Minister Steven Vanackere: In alle eenvoud, België was wel degelijk voorstander van een bilaterale ontmoeting met president Kagame in de marge van de Europese ontwikkelingsdagen. Dat had immers de gelegenheid geboden om de politieke actualiteit in Rwanda van de voorbije maanden te bespreken en eveneens een stand van zaken te maken van onze bilaterale samenwerking.

 

We hadden dus inderdaad in overleg met de ambassade van Rwanda in Brussel een ontmoeting met premier Leterme, collega Charles Michel en mijzelf gepland op maandag 6 december, ondanks het feit dat we president Kagame nog in september in New York hadden gezien. Toen hebben we trouwens van de gelegenheid gebruikgemaakt om onder andere zwaar erop te insisteren dat Rwanda een wat gematigder reactie aan de dag zou leggen naar aanleiding van het fameuze mapping report en dat het zijn dreigement om Rwandese soldaten uit de VN-operaties terug te trekken niet zou uitvoeren, met succes mag ik dan ook wel zeggen. Dat was een nuttig en ook, zoals men dat dan noemt, een openhartig overleg.

 

Op dezelfde manier waren wij perfect bereid en geïnteresseerd om op 6 december overleg te plegen met president Kagame. Er kwam de vrijdag voordien van de ambassade van Rwanda echter de mededeling dat president Kagame ten gevolge van wijzigingen in zijn agenda niet meer vrij was op de voorgestelde datum. Ik werd de dag zelf van de geplande ontmoeting gecontacteerd door mijn collega-minister van Buitenlandse Zaken Louise Mushikiwabo, die zich hiervoor verontschuldigde. Ik heb daar verder geen commentaar bij. De vergadering heeft dus niet plaatsgevonden, maar men mag daar zeker wat ons betreft geen politieke conclusies uit trekken.

 

Wat uw andere vragen betreft, Rwanda is een arm land, dat bijzondere inspanningen levert om de millenniumdoelstellingen te halen. Het feit dat de heer Kagame was uitgenodigd om voor een panel – ook daar is hij niet opgedaagd – te spreken, had zeker ook te maken met een aantal inspanningen die zijn land in de coöperatie vandaag aan het doen is. België probeert het land daarin te ondersteunen met een hulpprogramma waarin armoedebestrijding centraal staat.

 

Ik blijf nochtans ervan overtuigd – en ik heb dit al vaak genoeg verwoord, bilateraal, rechtstreeks en publiek –, dat Rwanda meer politieke ruimte moet creëren en grotere inspanningen moet leveren op het gebied van de mensenrechten. Dit jaar is de situatie erop achteruitgegaan en de situatie is zorgwekkend.

 

Ik ben toch niet gewonnen voor een sanctiebeleid. Ik vind het meer aangewezen om op kritische en constructieve wijze de dialoog met de Rwandese overheid gaande te houden en een aantal boodschappen over te brengen.

 

Hoewel de ontmoeting van 6 december niet heeft plaatsgevonden, kan ik u verzekeren dat er nog tal van kanalen en contacten voorhanden zijn die ons toelaten een dergelijke dialoog te voeren en zonder ambiguïteit te melden aan de Rwandese autoriteiten wat onze opinie inzake een aantal aangelegenheden is.

 

12.03  Els Demol (N-VA): Mijnheer de minister, mijn vraag was niet de volledige begrote steun aan Rwanda te schrappen, en zeker niet de steun aan die projecten waar wel degelijk vooruitgang geboekt wordt, namelijk onderwijs en dergelijke zaken. Er is inderdaad veel vooruitgang geboekt.

 

Ik meen toch dat de relatie die Rwanda met België heeft van een andere orde is dan bijvoorbeeld die met Nederland. Wij moeten erover nadenken druk te zetten op het land. Diplomatieke druk is één zaak – misschien vernemen wij binnenkort wel via WikiLeaks wat er gezegd wordt – maar ik meen dat wij dit signaal in overweging moeten nemen. Het is duidelijk dat het de vorige keer vruchten afgeworpen heeft. Liefst gebeurt het nu in overleg met andere landen. Ook vanwege Europa kan er een signaal gegeven worden, niet alleen vanuit België.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "de veroordeling wegens geloofsafval in Iran" (nr. 1603)

13 Question de Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la condamnation pour apostasie en Iran" (n° 1603)

 

13.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik stel mijn vraag naar aanleiding van het geval van Youcef Nadarkhani die op 12 november in Iran ter dood werd veroordeeld voor “het ontkennen van het profeet zijn van de grote profeet der islam, resulterend in afvalligheid van de heilige religie der islam”.

 

Nochtans is het recht om van religie te veranderen vastgelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, getekend en geratificeerd door Iran.

 

Zijn de Belgische en of de Europese autoriteiten ten gunste van deze man tussenbeide gekomen bij de Iraanse autoriteiten? Op welke manier? Wat was de Iraanse reactie? Welke maatregelen worden overwogen indien Iran deze man inderdaad ter dood brengt?

 

13.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Colen, ook hier wil ik opnieuw erop wijzen dat wij in de praktijk er goed moeten op toezien dat wij geen parlementaire vragen stellen over individuele gevallen. Ik wil wel het voorbeeld dat u citeert als illustratie nemen en antwoorden vanuit ons algemeen beleid ten aanzien van Iran wanneer het gaat over de problematiek van religieuze tolerantie.

 

Ik geloof dat u in uw vraag niet verwijst naar het artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens maar naar het artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Dat is inderdaad een verdrag dat door Iran is geratificeerd.

 

Wat wij in dergelijke situaties doen, is het opvolgen ervan op nationaal vlak maar vooral ook samen met de EU-partners. De EU blijft prioriteit geven aan het bestrijden van intolerantie op basis van religie of overtuiging.

 

Iran maakt onderdeel uit van een groep van 19 landen die zijn geïdentificeerd door de EU als landen waar vrijheid van religie een grote zorg is.

 

Daarnaast heeft de EU opnieuw een resolutie inzake religieuze intolerantie ingediend, die door de afgelopen 65ste zitting van de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen. In diezelfde zitting heeft België ook samen met EU-partners een resolutie over de mensenrechtensituatie in Iran gecosponsord die onze grote bezorgdheid uit over het lot van religieuze minderheden in Iran.

 

Ten slotte is België eveneens tussengekomen in het interactieve debat met de Speciale Rapporteur van de Verenigde Naties voor vrijheid van religie en geloofsovertuiging dat op 11 maart plaatsvond in de Mensenrechtenraad in Genève.

 

Daarbij heeft België zijn grote bezorgdheid geuit voor de precaire situatie van religieuze minderheden, met expliciet aandacht voor Iran.

 

Ik kan u ook in een geest van goed overleg met het Parlement zeggen dat het dossier dat u als illustratie heeft gebruikt een dossier is dat ons bekend is en dat uiteraard wordt gevolgd met dezelfde overtuiging als deze die ik hier in het algemeen heb toegelicht.

 

13.03  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag werd inderdaad gesteld naar aanleiding van individuele gevallen, maar ik meen dat de situatie anders is omdat het gaat over in de media gepubliceerde voorvallen die exemplarisch zijn voor de situatie van de mensenrechten in de betrokken landen.

 

Ik zal u ook niet opjagen tot u persoonlijk iets hebt gedaan, maar ik wil gewoon weten of onze ambassades deze zaken opvolgen en in die landen waakzaam zijn met betrekking tot de mensenrechten.

 

Ik dank u voor uw antwoord, waaruit blijkt dat u dit thema geregeld op internationale fora ter sprake brengt.

 

Wat Iran zelf betreft, ik weet niet of ik iets heb gehoord over overleg met Iran zelf via de Europese Unie of bedoelt u dat dit via de Mensenrechtenraad is gebeurd?

 

13.04 Minister Steven Vanackere: Wanneer ik het heb over de vergadering in de Mensenrechtenraad is dat per definitie interactief en is dat per definitie met een betrokkenheid van de Iraanse vertegenwoordigers.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van mevrouw Alexandra Colen aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het uithuwelijken van minderjarigen in Maleisië" (nr. 1604)

14 Question de Mme Alexandra Colen au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le mariage de mineures d'âge en Malaisie" (n° 1604)

 

14.01  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, ook hier vormt een individueel geval de aanleiding, maar het is zodanig illustratief dat ik niet eens de naam van de betrokken persoon weet.

 

In Maleisië is een veertienjarig schoolmeisje gehuwd. In de persberichten heeft men het over “uitgehuwelijkt”. Er was veel protest vanwege de Maleisische mensenrechtenorganisaties tegen het geplande huwelijk. De zaak is zelfs tot bij de Maleisische regering gekomen. Die oordeelde dat huwelijken met minderjarigen toegelaten zijn, met als motivatie dat het islamitische recht dat toestaat. De Maleisische Daily Express meldde dat op 9 december jongstleden.

 

In Maleisië mogen kinderen onder de zestien jaar huwen indien daarvoor toestemming wordt gegeven door een religieuze – in het bericht heeft men het over een islamitische – rechtbank. De Maleisische regering verklaarde dat de regering geen verbod zal invoeren, omdat de islam huwelijken met minderjarigen toestaat. Volgens een Maleisische mensenrechtengroep zijn er in het land 16 000 meisjes gehuwd, hoewel ze de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt. De groep acht dat onaanvaardbaar.

 

Wat denkt de Belgische regering van de toestand? Zal zij haar standpunt aan de Maleisische regering kenbaar maken? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke manier?

 

14.02 Minister Steven Vanackere: Mevrouw Colen, uiteraard zijn dergelijke kindhuwelijken onaanvaardbaar voor de Belgische regering. Dat is ook de reden waarom ik in mijn persbericht naar aanleiding van de internationale vrouwendag van afgelopen voorjaar het Belgisch engagement heb hernieuwd om strijd te leveren tegen de ruimere problematiek van schadelijke traditionele praktijken waarvan vrouwen en meisjes het slachtoffer zijn, en waarvan kindhuwelijken er een is.

 

Gelet op de complexiteit van de problematiek en het langetermijnperspectief, dat onvermijdelijk verbonden is met de uitroeiing van dergelijke praktijk, levert België de strijd hoofdzakelijk in Europees verband en VN-verband. De bevordering en de bescherming van zowel kinderrechten als vrouwenrechten zijn een prioriteit van de Europese diplomatie.

 

In 2007 nam de Raad EU-richtsnoeren aan ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind. In 2008 volgden EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen. In beide EU-richtsnoeren wordt de specifieke kwestie van gedwongen en vroegtijdige huwelijken als prioriteit bestempeld, meer algemeen binnen het kader van alle vormen van geweld tegen kinderen en als regionale prioriteit met betrekking tot kindhuwelijken in Azië. Op VN-vlak werd in de tweejaarlijkse resolutie van de algemene vergadering over Girl Child aan de secretaris-generaal gevraagd om in zijn rapport voor de algemene vergadering van 2011 bijzondere aandacht te besteden aan de problematiek van kindhuwelijken.

 

Uiteraard genoot voornoemde resolutie grote steun van de Europese Unie en van België.

 

14.03  Alexandra Colen (VB): Mijnheer de minister, ik weet dat er via de verdragen van de Verenigde Naties die op de discriminatie van vrouwen toezien, heel veel wordt gedaan. Ik weet ook dat België ze onderschrijft.

 

In Europa zijn wij, vrouwen, bevoorrecht. Op internationaal vlak bestuderen de vrouwengroepen weliswaar bepaalde zaken. Zij zouden echter meer druk mogen uitoefenen dan nu al gebeurt.

 

De landen in kwestie onderschrijven de verdragen wel en ratificeren ze zelfs. De implementatie van de inhoud van de verdragen laat echter dikwijls te wensen over.

 

Daarom heb ik de volgende vraag. Indien af en toe via bijvoorbeeld de ambassades vragen worden gesteld naar aanleiding van dergelijke zaken die in de media komen, kan er druk op de desbetreffende regeringen worden uitgeoefend. Ik weet ook niet of de ambassade zich met dergelijke dossiers bezighoudt dan wel of het veeleer een zaak voor ngo’s of actiegroepen is.

 

Wordt inzake de verdragen waarnaar u verwijst, onder andere de CEDAW-verdragen over discriminatie en geweld tegen vrouwen, echter genoeg aan de bevolking zelf bekendgemaakt dat individuen bijvoorbeeld ook een klacht kunnen indienen en hun zaak bij de Verenigde Naties aanhangig maken?

 

Natuurlijk wordt op politiek niveau wel gepraat en naar verdragen verwezen. Is het echter niet nuttig om ook inspanningen te leveren die ervoor zorgen dat de bevolking zelf weet welke rechten zij op internationaal vlak heeft, zodat ze voor dergelijke situaties in eigen land weerbaarder wordt?

 

14.04 Minister Steven Vanackere: Het is een interessante beschouwing.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van de heer Tanguy Veys aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het bezoek van Steve Stevaert aan Vietnam" (nr. 1610)

15 Question de M. Tanguy Veys au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "la visite de Steve Stevaert au Vietnam" (n° 1610)

 

15.01  Tanguy Veys (VB): Mijnheer de minister, dit jaar raakte bekend dat Steve Stevaert voorzitter zou worden van de raad van bestuur van een Vietnamese haven. We weten allemaal dat Steve Stevaert over veel kwaliteiten beschikt maar Limburg staat niet meteen bekend voor zijn haven.

 

De Hasseltse groep Machiels is onderdeel van een omvangrijk project bestaande uit de aanleg van een industriegebied van 1 200 ha op het schiereiland voor de kust van Haiphong. Dat moet leiden tot duurzame ontwikkeling en economische groei door het aanleggen van een diepzeehaven. Het moet ervoor zorgen dat Vietnam zich een weg kan banen in de snelle globalisering van de wereldeconomie.

 

Elke deelnemer aan het consortium – in ons geval International Port Eningeering and Mangagement of IPEM dat trouwens voor 45 % eigendom is van de GIMV – krijgt een eigen lid in de raad van bestuur. Namens Group Machiels is dit Steve Stevaert geworden.

 

Ondanks zijn drukke agenda is Steve Stevaert er toch in geslaagd om ook naar Vietnam te gaan en de Dinh Vu Industrial Zone bericht van zijn bezoek op 19 augustus aan de betrokken haven waarbij hij ook een ontmoeting had met de secretaris van de communistische partij. Het is trouwens zo dat er op de betrokken webstek een mooie foto prijkt van Steve Stevaert met de betrokken communistische autoriteiten.

 

Volgens datzelfde bericht van Dinh Vu Industrial Zone zou Steve Stevaert tijdens deze ontmoeting de sterke steun van de Belgische overheid in het project van Dinh Vu bevestigd hebben, vooral inzake de realisatie van Dinh Vu Industrial Zone. Ook zou de Belgische overheid de ontwikkeling van de nieuwe Lach Huyen Deep Sea Port ondersteunen. Volgens datzelfde bericht zou de Belgische regering plannen hebben om deel te nemen aan Lach Huyen.

 

Volgens Dinh Vu Industrial Zone heeft Stevaert zich geëngageerd voor de steun van België via ODA of Official Development Assistance voor dit project. Ten slotte zou volgens dat bericht de steun van de Belgische overheid voor het project in het noorden van Vietnam moeten helpen het milieu in Ha-Long Bay te beschermen.

 

Mijnheer de minister, ik had dan ook graag vernomen of Steve Stevaert in augustus van dit jaar in Vietnam aanwezig was met een mandaat namens de Belgische overheid. Heeft hij dergelijke uitspraken gedaan namens de Belgische overheid? Zo ja, kunt u mij dan de motieven daarvoor geven? Als de heer Stevaert geen mandaat had namens de Belgische overheid, is er dan een reactie geweest van de Belgische overheid?

 

Het is mogelijk dat niet zozeer een overijverige Steve Stevaert ginder gebakken lucht verkocht, maar dat het veeleer gaat om een foute interpretatie van Dinh Vu Industrial Zone.

 

In verband met de ondersteuning van projecten in Vietnam had ik trouwens graag vernomen met welke middelen en welke motivatie de Belgische overheid op dit moment projecten in de Vietnamese haven en het industriegebied van Dinh Vu nabij de Vietnamese stad Hai Phong ondersteunt. Ondersteunt de Belgische overheid ook de realisatie van de Dinh Vu Industrial Zone?

 

Op welke wijze, met welke middelen en met welke motivatie steunt de Belgische overheid projecten in de Vietnamese haven Lach Huyen in Hai Phong, meer bepaald door een participatie in de Lach Huyen Deep Sea Port? Wordt er daarvoor eventueel gebruik gemaakt van ODA?

 

Tot slot, op welke wijze, met welke middelen en met welke motivatie steunt de Belgische overheid projecten in het noorden van Vietnam? Gaat het er ook daar om, het milieu in de baai van Ha Long Bay te beschermen?

 

15.02 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Veys, mijn departement, noch de Belgische ambassade in Hanoi waren op de hoogte van het bezoek van de heer Stevaert. Ik kan dus moeilijk commentaar geven op dat bezoek.

 

Wel kan ik u zeggen dat Vietnam voor België een belangrijke partner is, en trouwens ook een concentratieland voor de ontwikkelingssamenwerking.

 

Vietnam is eveneens een belangrijke regionale speler, getuige daarvan onder andere het feit dat Vietnam het Asian-voorzitterschap in 2010 heeft bekomen.

 

Vietnam heeft zich bovendien de jongste jaren kunnen ontpoppen tot een gewaardeerde gesprekspartner van de Europese Unie en was ook lid van de VN-Veiligheidsraad in 2008-2009.

 

Inzake de Dinh Vu industriële zone, ben ik erover ingelicht dat verscheidene Belgische firma’s er activiteiten ontwikkelen. Ik kan u wel zeggen dat er geen middelen van de Belgische overheden in projecten worden ingezet. Hetzelfde geldt trouwens ook voor de haven van Lach Huyen in Hai Phong.

 

In 2011 zal in principe een gemengde commissie België-Vietnam plaatsvinden. Vietnam, dat als enig Aziatisch land wordt opgevolgd als concentratieland, zal voorstellen formuleren om Belgische steun te krijgen voor projecten in verschillende domeinen. Het komt dan ook Vietnam toe om een milieuproject in de baai van Ha Long te suggereren, als Vietnam dat wenst. Op dat ogenblik zal onze collega van Ontwikkelingssamenwerking daaromtrent een beslissing moeten nemen, ongetwijfeld in een regering die niet langer een regering van lopende zaken zal zijn.

 

15.03  Tanguy Veys (VB): Mijnheer de minister, gelet op de berichtgeving, kan ik alleen maar concluderen dat hetgeen daar vermeld wordt, niet overeenstemt met datgene wat u hier zegt.

 

Vandaar herhaal ik mijn vraag waarop u niet geantwoord hebt.

 

Hebt u eventueel gereageerd aan het adres van de berichter of van de heer Stevaert?

 

15.04 Minister Steven Vanackere: Als ik zou moeten reageren op alle inaccurate krantenberichten, dan zou ik met een voltijdse dagtaak niet toekomen en zou ik niet meer in staat zijn om mijn normaal werk te doen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Els Demol aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "orgaanhandel in Kosovo" (nr. 1674)

- de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over "het rapport van de Raad van Europa betreffende de orgaanhandel in Kosovo" (nr. 1791)

16 Questions jointes de

- Mme Els Demol au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le trafic d'organes au Kosovo" (n° 1674)

- M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles sur "le rapport du Conseil de l'Europe sur le trafic d'organes au Kosovo" (n° 1791)

 

16.01  Els Demol (N-VA): Mijnheer de minister, op zondag 12 december laatstleden vonden er verkiezingen plaats in Kosovo, die werden gewonnen door de partij van de huidige premier, Thaçi. Op woensdag 15 december lekte een rapport van de Raad van Europa uit, dat later in de commissie voor de Mensenrechten behandeld zal worden. Dit rapport was van de hand van rapporteur Dick Marty.

 

Het onderzoek van de Raad van Europa, dat twee jaar duurde, focust vooral op de periode kort na de oorlog in Kosovo, eind jaren 90. Volgens het rapport werden in 1999 gevangenen van het Kosovaarse bevrijdingsleger, het UCK, naar een huis in Albanië ontvoerd, waar chirurgen hun nieren verwijderden, waarna zowel de Kosovaarse tegenstanders als Serviërs zouden zijn doodgeschoten.

 

De Drenicagroep, een fractie van het UCK, zou verantwoordelijk zijn voor deze praktijken. Aan het hoofd van deze groep stond de huidige premier, Thaçi. De regering van Kosovo doet het rapport af als laster en pure verzinsels.

 

Mijnheer de minister, welke waarde hecht u aan het rapport van de Raad van Europa? Welke waarde hecht u aan de uitlatingen van de Kosovaarse regering, die dit rapport afdoet als laster en pure verzinsels? Welke impact kan het rapport hebben op de diplomatieke betrekkingen tussen België en Kosovo?

 

16.02  Christian Brotcorne (cdH): Monsieur le président, je m’associe à la question qui vient d’être posée sur le trafic d’organes que dévoile ce rapport déposé suite à des révélations contenues dans les mémoires de Mme Carla Del Ponte. On peut penser qu’elle disposait d’informations relativement fiables, qui paraissent confirmées par ce rapport.

 

Des prélèvements d’organes sur les prisonniers qui disparaissaient ensuite auraient continué jusqu’à ces derniers jours. A la tête de ce trafic, on trouve celui qui vient d’être désigné comme premier ministre du Kosovo, M. Hashim Thaçi. Le Kosovo dément ces informations. Cela fait l’objet de la question de ma collègue.

 

J’ajouterai à cette question la partie du rapport qui semble être particulièrement dure à l’égard de la communauté internationale. En effet, on semble dire que celle-ci a préféré une approche pragmatique de la situation pour promouvoir une stabilité à court terme sacrifiant ainsi des principes importants de justice. D’après le rapport, les autorités internationales en charge de la région n’ont pas estimé nécessaire de conduire une enquête approfondie sur ces faits particulièrement graves et inquiétants.

 

Un projet de résolution de l’Assemblée parlementaire du Conseil de l’Europe demande aux États membres de l’Union européenne de fournir à EULEX les ressources nécessaires pour que celle-ci puisse remplir sa tâche et obtenir le soutien politique nécessaire de manière à combattre le crime organisé. C’est bien de cela qu’il s’agit quand on parle de trafic d’organes.

 

J’imagine, monsieur le ministre, que vous avez connaissance de ce rapport. Avant celui-ci, la Belgique était-elle au courant de ces agissements? Comment réagissez-vous à ce rapport? Au niveau international, la Belgique va-t-elle accroître son soutien à EULEX à la lecture de ce rapport? Quelles conséquences ce rapport – s’il est effectivement avéré – aura-t-il sur une candidature possible du Kosovo, voire de l’Albanie à l’Union européenne?

 

16.03 Minister Steven Vanackere: Mijnheer de voorzitter, ik heb met bezorgdheid kennisgenomen van het door u vermelde rapport van de Zwitserse senator Dick Marty en van de sindsdien aangenomen resolutie door de betreffende commissie van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa.

 

Ik begrijp verder dat dit rapport op 25 januari zal worden besproken door de plenaire vergadering van deze assemblee.

 

Ce n'est pas la première fois que des accusations de crimes de guerre et de trafics d'organes sont formulées contre des responsables de l'ancienne Armée de libération du Kosovo, l'UCK, pour la période 1999-2000. Dans un livre publié après la fin de son mandat, l'ancien procureur général du Tribunal pénal international pour l'ex-Yougoslavie, Carla Del Ponte, révèle avoir dû abandonner son enquête à ce sujet, faute de preuves.

 

België ziet het natuurlijk als de plicht van de internationale gemeenschap om dergelijke aantijgingen ernstig te nemen, ook in het kader van onze nationale verbintenis in de strijd tegen de straffeloosheid.

 

Je m’inscris donc en faux par rapport à cette idée qu’il y ait eu une logique de pragmatisme, sacrifiant ainsi notre volonté de prendre au sérieux cet objectif de lutter pour un État de droit et pour une lutte contre l’impunité.

 

Deze verbintenis vertaalt zich trouwens niet alleen in verklaringen maar ook in concrete daden. In de conclusies van de Raad Algemene Zaken die ik op 14 december 2010 heb voorgezeten is aan Kosovo duidelijk gemaakt dat er inzake rechtsstaat en strijd tegen de georganiseerde misdaad veel werk voor de boeg blijft.

 

Daarnaast beschikt de EU in Kosovo met EULEX over haar grootste burgermissie, specifiek gemandateerd voor de ondersteuning en de versterking van de rechtsstaat in Kosovo. Met een totaal aantal personeelsleden van 2 700 man werkt EULEX vooral met Europese speurders, onderzoeksrechters en rechters. Ik kan mij momenteel niet uitspreken over het waarheidsgehalte van de aantijgingen van senator Marty die door de Kosovaarse autoriteiten worden verworpen. Voor België staat de erkenning van Kosovo als onafhankelijke staat los van het onderzoek naar deze aantijgingen. Ik pleit natuurlijk wel voor het nodige onderzoekswerk. Via haar woordvoerder heeft de Hoge Vertegenwoordigster Catherine Ashton senator Marty opgeroepen de bewijzen waarover hij beschikt ter beschikking te stellen aan EULEX. Ik kan die oproep bijtreden.

 

Mijns inziens is het van belang dat EULEX tijdens het onderzoek een beroep kan doen op alle informatie waarover het ICTY zou beschikken en dat de Kosovaarse, Albanese en Servische autoriteiten hun volledige medewerking aan het onderzoek zouden verlenen.

 

La Belgique participe à la mission EULEX depuis sa création en 1999. La participation belge oscille entre 30 et 40 personnes – des magistrats, des policiers, mais aussi des douaniers et des agents administratifs. EULEX étant une priorité de la Belgique, notre pays veille à répondre aux besoins de la mission au mieux de ses capacités administratives et de ses moyens budgétaires.

 

S’agissant des conséquences de ce rapport sur les éventuelles candidatures albanaise et kosovare à l’Union européenne, je vous renvoie aux conclusions du Conseil Affaires générales du 14 décembre dernier. Il y est une fois de plus signalé que le fonctionnement de l’État de droit, la lutte contre le crime organisé et la coopération régionale, y compris judiciaire, sont des éléments essentiels de la perspective européenne des pays des Balkans.

 

16.04  Christian Brotcorne (cdH): Monsieur le ministre, si je vous ai bien compris, vous évoquez une enquête qui sera diligentée par EULEX elle-même.

 

16.05  Steven Vanackere, ministre: Mme Ashton a demandé que le sénateur Marty mette à disposition d'EULEX les éléments de preuve.

 

16.06  Christian Brotcorne (cdH): On peut donc espérer que cela se fera. Je suppose que le sénateur Marty a tout intérêt à déposer ces documents.

 

Prudemment, on s'en tiendra peut-être à attendre ce rapport éventuel d'EULEX mais il sera utile, s'il est un jour déposé, que vous nous en avisiez.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Collega's, ik overleg even met jullie. Ik had gevraagd dat minister Michel zou binnenkomen. Het was de bedoeling dat wij vanaf 16 u 30 zouden overgaan tot de behandeling van de vragen aan minister Michel. Zolang hij hier niet binnen is, stel ik voor dat wij voortdoen.

 

16.07  Maggie De Block (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, hij is al twee keer binnen gekomen en al twee keer opnieuw buitengegaan. Dat is goed voor mij, maar dan moet u wel zeggen hoe u het gaat regelen. Een agenda is een agenda.

 

De voorzitter: Ik heb aan zijn medewerker gevraagd om zo snel mogelijk de minister naar binnen te roepen. Zodra hij hier is, op het einde van een vraag, spreken wij over de voortzetting van de agenda.

 

16.08  Maggie De Block (Open Vld): Wilt u hem dan vragen dat hij binnen blijft?

 

De voorzitter: Dat kan ik hem niet opleggen. Ik kan hem alleen vragen om binnen te zijn op het moment dat wij de regeling van de werkzaamheden bespreken.

 

16.09  Maggie De Block (Open Vld): Hij is er.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, vanaf 16 u 30 zouden wij normaal gezien overschakelen naar Ontwikkelingssamenwerking. Er is een vraag van collega De Block. Vragen 1192 en 1193 van collega De Vriendt zijn omgezet in schriftelijke vragen. Ik wil een geste doen en ook mijn vragen 1581, 1672 en 1680 omzetten in schriftelijke vragen, zodat er maar een vraag te beantwoorden blijft.

 

Mijn voorstel is om snel de vragen aan minister Vanackere af te werken, als dat kan voor u.

 

16.10  Maggie De Block (Open Vld): Ik ga niet akkoord. Mijnheer de voorzitter, beste collega, een agenda is een agenda. Als de agenda gewijzigd wordt, dan moet de commissie daarmee akkoord gaan.

 

De voorzitter: Ik stel vast dat de commissie niet akkoord gaat. De collega heeft gelijk. Wij beginnen dus met de vraag van collega De Block. Sta mij toe te zeggen dat ik het redelijk oncollegiaal vind, maar u hebt gelijk volgens het Reglement. Er zitten hier nog veel collega’s die ook gewacht hebben om hun vraag te stellen.

 

16.11  Maggie De Block (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, in de commissie waarin ik voorzitter ben, tracht ik de agenda te respecteren. Ik tracht iedereen ter wille te zijn, maar iemand voor vijf vragen laten wachten als het anders op de agenda staat, dat vind ik dat niet correct.

 

Er blijft nog een vraag van mevrouw De Block op de agenda. Het is mevrouw De Block die het zo wenst. Ze heeft gelijk, het Reglement is zo, maar ik vind het oncollegiaal.

 

16.12  Maggie De Block (Open Vld): Excuseer, ik wil best collegiaal zijn, maar er is een agenda en die moet worden gevolgd.

 

De voorzitter: Mevrouw De Block, u hebt het woord voor uw vraag. Ik stel voor dat wij hierover niet blijven discussiëren.

 

17 Vraag van mevrouw Maggie De Block aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over "het gebrek aan aidsmedicijnen in Afrika" (nr. 1423)

17 Question de Mme Maggie De Block au ministre de la Coopération au développement sur "le manque de médicaments pour traiter le sida en Afrique" (n° 1423)

 

17.01  Maggie De Block (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is raar hoe een economische crisis een impact heeft op delen van de wereld heel ver weg. Vanwege de economische crisis dreigt de gratis bedeling van aids-remmers in Afrika in het gedrang te komen. De inspanningen die de laatste jaren in heel wat Afrikaanse landen duidelijk hun vruchten begonnen af te werpen, worden hierdoor tenietgedaan.

 

Bijvoorbeeld in Oeganda is het aantal seksueel actieve mensen besmet met HIV gedaald van 22 naar 6,5 %. Ruim 1 miljoen Oegandezen is nog besmet met HIV, 450 000 hebben medicijnen nodig en amper 250 000 kunnen die momenteel verkrijgen.

 

Bijkomend probleem is dat mensen hun medicijnen beginnen te delen, te verkopen of af te staan. Dat is een probleem, want als de inname van aids-remmers onderbroken wordt of als ze niet in de gepaste dosis worden toegediend, dreigt er resistentie op te treden.

 

Uiteraard is er in die landen ook een soort van corrupt handeltje. Er zijn wachtlijsten en mensen die middelen hebben kunnen betalen om hoger op de wachtlijst te komen.

 

Président: François-Xavier de Donnea.

Voorzitter: François-Xavier de Donnea.

 

Mijnheer de minister, ik vraag hiervoor uw aandacht omdat het rampzalig nieuws is als blijkt dat het Global Fund, goed voor een kwart van de aidshulp in de wereld, via diverse Westerse landen amper 11,7 miljard dollar voor aidsbestrijding krijgt, terwijl er gehoopt werd op 20 miljard dollar. Ook andere inkomstenbronnen, zoals het Pepfar-hulprogramma en mecenaten, blijven status-quo of verminderen.

 

Welke concrete budgettaire inspanningen doet u voor de aidsbestrijding in Afrika?

 

Erkent u de noodzaak om een absolute prioriteit te maken voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking van de aids- en HIV-bestrijding?

 

Welke extra inspanningen inzake financiering van gratis bedeling van aids-remmers en het verstrekken van voorbehoedsmiddelen zult u ontwikkelen in Afrika, rekeninghoudend met de dalende internationale middelen voor het Global Fund?

 

Zult u prioritaire landen in Afrika aanduiden voor de financiering van gratis bedeling van aids-remmers?

 

Zult u eventueel deze kwestie bespreken in het kader van het Belgisch EU-voorzitterschap?

 

Welke concrete initiatieven en voorstellen kunt u nog als minister in lopende zaken formuleren?

 

17.02 Minister Charles Michel: Mijnheer de voorzitter, daar 2010 nog niet is afgesloten, heb ik nog geen officiële bedragen en grijp ik terug naar cijfers van 2009. In 2009 kan men schatten dat 33 miljoen euro werd bijgedragen tot de strijd tegen HIV/aids, waarvan 22 % via de samenwerking met de ngo’s, 17 % via bilaterale ontwikkelingssamenwerking en 61 % via multilaterale samenwerking. Van de multilaterale samenwerking gebeurt 50 % via het Global Fund. In 2010 werd onze bijdrage tot dit fonds verhoogd van 16,6 miljoen in 2009 naar 21 miljoen euro.

 

De strijd tegen HIV/aids is een van de topprioriteiten en geniet van een specifieke beleidsnota in België sinds 2007.

 

Gevolggevend aan de Verklaring van Parijs over de efficiëntie van ontwikkelingssamenwerking heeft België gevolg gegeven aan de vraag voor meer afstemming in de bilaterale ontwikkelingssamenwerking en bijdrage tot de algemene middelen van de internationale organisaties. Zo is de steun aan de strijd tegen HIV/aids verwerkt in de core funding aan internationale organisaties en in de indicatieve samenwerkingsprogramma’s met partnerlanden van België.

 

In zoverre de vraag voor de financiering van gratis bedeling van aidsremmers geformuleerd wordt in de bilaterale samenwerkingsprogramma’s door de partnerlanden, zal ik er gunstig op antwoorden, natuurlijk in de mate van de beschikbare middelen. België kaart deze kwestie al aan op het Europees en internationaal vlak en zal dat verder doen ter gelegenheid van de beheerraden van internationale organisaties waaraan België deelneemt. De core fundingpolitiek heeft trouwens de draagwijdte van de boodschappen in de beheerraden versterkt.

 

17.03  Maggie De Block (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

België levert zeker een goede inspanning. Wat moet ik doen om aan de cijfers van 2010 te geraken? Moet ik die gegevens opvragen via een schriftelijke vraag?

 

17.04 Minister Charles Michel: Wij moeten nog een beetje wachten. Ik veronderstel dat in de volgende dagen of weken deze cijfers beschikbaar zullen zijn.

 

17.05  Maggie De Block (Open Vld): Dus als ik nog een schriftelijke vraag stel, bent u dan bereid daarop te antwoorden.

 

17.06 Minister Charles Michel: Ja, dat is uitstekend.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.48 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16.48 heures.