...

Bulletin nr : B003 - Schriftelijke vraag en antwoord nr : 0001 - Zittingsperiode : 54


Auteur Willy Demeyer, PS
Departement Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken
Sub-departement Asiel, Migratie en Administratieve Vereenvoudiging
Titel Studentenvisa.
Datum indiening21/10/2014
Taal F
Publicatie vraag     B003
Publicatiedatum 08/12/2014, 20142015
Status vraagAntwoorden ontvangen
Termijndatum01/12/2014

 
Vraag

Als burgemeester van een universiteitsstad ben ik van oordeel dat studentenuitwisseling een verrijking is voor de steden, tot een betere verstandhouding tussen de culturen bijdraagt en de academische instellingen de mogelijkheid biedt hun uitmuntendheid in de wereld uit te dragen. In die context werd mijn aandacht gevestigd op een recent arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, C-491/13 van 10 september 2014). Het geding betreft een Tunesische onderdaan (de heer Ben Alaya), wiens verzoek om een studentenvisum door de Duitse autoriteiten afgewezen werd op grond van het feit dat er twijfel bestond over zijn motivatie om te studeren, met name omdat hij voordien onvoldoendes had gehaald, zijn kennis van het Duits zwak was en er geen verband bestond tussen de opleiding die hij wenste te volgen en het beroep dat hij van plan was uit te oefenen. Het Europees Hof van Justitie heeft besloten dat de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten bij de toekenning van studentenvisa beperkt moet blijven tot het toezicht op de naleving van de in de richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk vermelde voorwaarden. De weigering om een visum te verlenen kan niet worden gebaseerd op de niet-naleving van een voorwaarde die door de lidstaat werd toegevoegd, in casu dat er twijfel bestond over de motivatie om de studie waarvoor de betrokkene zich had ingeschreven te volgen. In oktober 2014 heeft de Association pour le Droit des Étrangers (ADDE) erop gewezen dat België als gevolg van bepaalde praktijken van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) gevaar loopt een gelijkaardige veroordeling op te lopen. Het gaat meer bepaald over: 1° het afwijzen van aanvragen voor een studentenvisum omdat de aangekondigde startdatum van de cursussen overschreden is; 2° een praktijk van de DVZ waarbij de vreemdeling gevraagd wordt zijn intentie om de cursussen bij te wonen aan te tonen door een vragenlijst in te vullen, waarin hij zijn studiecurriculum moet beschrijven, het verband moet aantonen met de studie die hij in België wil volgen en zijn motivatie om die opleiding te volgen moet toelichten. 1. Hoeveel studentenvisa werden er de jongste vijf jaar bij de Dienst Vreemdelingenzaken aangevraagd? 2. a) Hoeveel aanvragen werden er goedgekeurd? b) Hoeveel aanvragen werden er afgewezen en op grond waarvan? c) Hoeveel werden er afgewezen omdat de cursussen al begonnen waren? 3. a) Aan de hand van welke objectieve criteria onderzoekt de Dienst Vreemdelingenzaken of de aanvrager wel degelijk van zins is de cursussen te volgen? b) Wat is de wettelijke grondslag van die criteria?


 
Status 1 réponse normale - normaal antwoord - Gepubliceerd antwoord
Publicatie antwoord     B004
Publicatiedatum 15/12/2014, 20142015
Antwoord

1 tot 2. b) 2. c) Er zijn geen statistieken die een onderscheid maken tussen de redenen van weigering. 3. Er zijn geen wettelijke criteria, maar zowel overweging 15 en artikel 7, lid 1, van de Richtlijn 2004/114/EG, evenals de jurisprudentie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorzien voor de dienst een beoordelingsvrijheid, om de gegrondheid van de visumaanvraag die ingediend wordt door de kandidaat-student te controleren. Het Hof stelt in het door u geciteerde arrest HvJ, C-491/13 van 10 september 2014 immers in overweging 34 dat: "In het kader van het onderzoek van de toelatingsvoorwaarden op basis van richtlijn 2004/114 staat, overeenkomstig punt 15 van de considerans van deze richtlijn, niets eraan in de weg dat de lidstaten alle bewijzen verlangen die nodig zijn om aan te tonen dat de toelatingsaanvraag coherent is, teneinde misbruik en verkeerd gebruik van de procedure van deze richtlijn tegen te gaan." Te dien einde werd een vragenlijst uitgewerkt die betrekking heeft op het studieparcours van de betrokkene, zijn studiekeuze in België, zijn kennis van het gekozen programma en zijn beroepsaspiraties. Tijdens de indiening bij de diplomatieke post wordt de student uitgenodigd om deze vragenlijst te beantwoorden. Zijn antwoorden op deze basisvragen zijn een duidelijke indicatie van zijn betrokkenheid bij het opgegeven studieproject.

 
Eurovoc-hoofddescriptorMIGRATIEBELEID
Eurovoc-descriptorenHOF VAN JUSTITIE EG | STUDENT | MIGRATIEBELEID | TOELATING VAN VREEMDELINGEN | UNIVERSITEIT