...

Schriftelijke vraag en antwoord nr : 0296 - Zittingsperiode : 53


Auteur Sophie De Wit, N-VA
Departement Minister van Justitie
Sub-departement Justitie
Titel Procedures van snelrecht.
Datum indiening25/01/2011
Taal N

 
Vraag

Begin 2011 was het debat over snelrecht weer actueel, nadat men in Nederland oproerkraaiers tijdens oudjaar voor de rechter bracht via supersnelrecht. In het kader van dit lik-op-stuk-beleid werden sommige mensen al drie dagen later veroordeeld voor hun daden. Ook in België bestaat sinds 11 juli 1994 de wet betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging. Dit houdt in dat een verdachte meteen een dagvaarding van de procureur meekrijgt, binnen de tien dagen tot twee maanden voor de correctionele rechter moet verschijnen en dat die rechter binnen de twee maanden vonnist. Snelrecht blijkt echter in België amper gebruikt te worden. In het laatste jaar waar men er zicht op heeft, 2008, werd het op (amper) 1.618 verdachten toegepast. 1. a) Hoe staat u tegenover snelrecht? b) Hoe beoordeelt u het supersnelrecht dat in Nederland wordt uitgevoerd? 2. a) Hoe vaak werd snelrecht in België toegepast in respectievelijk 2009 en 2010? b) Voor welke zaken werd snelrecht hoofdzakelijk toegepast? 3. Hoe beoordeelt u het huidige systeem van snelrecht, rekening houdend met het antwoord op vraag 2 en de stijgende of dalende lijn in deze cijfers?


 
Status 1 réponse normale - normaal antwoord
Publicatie antwoord     B034
Publicatiedatum 30/06/2011, 20102011
Antwoord

1. a) Mijn voorganger, minister van Justitie Jo Vandeurzen, heeft op 12 oktober 2008 een brief gericht aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal waarin hij verzocht om de procedure van oproeping bij proces-verbaal onder de vernieuwde aandacht te brengen van de parketten. Daarbij is gewezen op de volgende voordelen van de procedure, die ik tevens onderschrijf: - kostenbesparend (geen kosten van dagvaarding noodzakelijk); - ideaal met betrekking tot kleine stadscriminaliteit (dossier moet immers rond zijn) waarbij de verdachte ook al wordt hij in vrijheid gesteld onmiddellijk een duidelijk signaal krijgt (kort op de bal); - het vorderen van een gerechtelijk onderzoek wordt vermeden en de verdere aanhouding (vermindering aantal voorlopig gehechten). b) Supersnelrecht betekent in Nederland dat verdachten binnen de termijn van de inverzekeringstelling, dus binnen drie dagen, worden berecht. De zaken die behandeld worden via supersnelrecht zijn openlijk geweld, vernielingen, brandstichting en geweld tegen personen met een publieke functie. Als er zich andere feiten voordoen, kunnen deze ook op de supersnelrechtzitting worden gezet. In verband met de korte termijn tussen aanhouding en behandeling ter zitting moet het gaan om bewijstechnisch gezien relatief eenvoudige zaken. Het openbaar ministerie, de rechter en de verdediging moeten tijdig kunnen beschikken over een compleet dossier. Dat betekent dat complexere zaken waarin aanvullend onderzoek nodig is (zoals bij grote ordeverstoringen) in het algemeen niet in aanmerking komen voor supersnelrecht. Met de toepassing van het supersnelrecht dat past binnen een lik-op-stuk-beleid wil het Nederlandse openbaar ministerie het signaal geven dat gewelddadig gedrag niet wordt getolereerd en direct wordt afgestraft. Het evaluatierapport dat de Raad voor de Rechtspraak in 2009 uitbracht, toont aan dat het supersnelrecht - zo blijkt in ieder geval uit een eerste evaluatie - in de praktijk misschien toch iets te snel is. De Raad formuleert het als volgt: "De termijn van drie dagen geeft in veel gevallen onvoldoende ruimte voor een zorgvuldige en complete dossieropbouw, voorbereiding door de verdediging en de positie van het slachtoffer. Met alle (afbreuk)risicos van dien." Sommige Nederlandse advocaten klagen ook aan dat ze weinig tijd hebben om het dossier van hun cliënt goed te bestuderen. Deze resultaten zijn niet dadelijk bemoedigend om ook in België een supersnelrecht in te voeren. Niettemin dient erop te worden gewezen dat in België in 2000 reeds een versnelde vorm van de oproeping bij proces-verbaal werd ingevoerd, de zogenaamde onmiddellijke verschijning. Deze procedure wordt echter nog amper toegepast. Zeker sinds het arrest nr. 56/2002 van 28 maart 2002, waarin het Grondwettelijk Hof een gedeelte van de procedure vernietigd heeft. Onderstaande gegevens hebben zodoende enkel betrekking op de oproeping bij proces-verbaal. 2. De jaarstatistiek van het Openbaar Ministerie geeft hierna cijfergegevens weer met betrekking tot het aantal verdachten dat tussen 1 januari 2009 en 31 december 2010 werd gedagvaard via de procedure van oproeping bij proces-verbaal. De jaarstatistiek is opgemaakt op basis van registraties van de correctionele afdelingen van de parketten en griffies bij de rechtbanken van eerste aanleg, met uitzondering van het parket van Eupen. Tabel 1 toont het aantal verdachten dat tussen 1 januari 2009 en 31 december 2010 werd gedagvaard voor de correctionele rechtbank via de procedure van oproeping bij proces-verbaal (artikel 216quater van het Wetboek van Strafvordering (Sv.)) of via de procedure van dagvaarding via politie (artikel 645 Sv. - zie Omzendbrief COL 18/2010, zie infra). De gegevens zijn opgesplitst per type dagvaarding en naargelang het jaar van de dagvaarding. De kolompercentages tonen voor elk type dagvaarding de verhouding tussen beide jaartallen. In 2009 werden er 1.660 verdachten gedagvaard via een oproeping bij proces-verbaal. In 2010 lag dit aantal op 1.797 verdachten. Dit is een toename met 8%. Daarnaast werden er sinds 13 september 2010 ook 181 verdachten gedagvaard door een dagvaarding via de politie (artikel 465 Sv.). Over dit type dagvaarding zijn geen gegevens beschikbaar van vóór deze periode. Mogelijks werden dit type dagvaardingen toen als een "gewone" rechtstreekse dagvaarding door het Openbaar Ministerie geregistreerd. Tabel 2 toont voor de 3.638 verdachten die tijdens 2009 en 2010 werden gedagvaard via één van beide snelrechtprocedures het type van de voornaamste tenlastelegging van de zaak waarin de verdachte was betrokken. De cijfers zijn opgesplitst naargelang het type dagvaarding. De kolompercentages geven telkens de verhoudingen weer tussen de verschillende types tenlasteleggingen. De indeling van de types tenlasteleggingen is gebaseerd op de voornaamste tenlastelegging geregistreerd in de zaken, en volgt de indeling gebruikt in de jaarstatistiek van de correctionele parketten, zoals die is vastgelegd door het College van procureurs-generaal. Indien in een zaak meerdere tenlasteleggingen werden geregistreerd, werd enkel de voornaamste tenlastelegging in rekening genomen. Uit tabel 2 blijkt dat het bij dagvaardingen via oproeping bij proces-verbaal voor bijna de helft (48%) van de verdachten gaat om eigendomsdelicten, in het bijzonder diefstal en afpersing (45%). Verder komen oproepingen bij proces-verbaal ook frequent voor bij persoonsdelicten - meer bepaald bij opzettelijke slagen en verwondingen (26%) - en bij de rubriek "openbare veiligheid openbare orde" (14%). Het betreft in deze rubriek vooral weerspannigheid tegenover en slagen aan personen met een openbare hoedanigheid, en bedreigingen in het algemeen. Deze drie rubrieken (diefstal en afpersing; opzettelijke slagen en verwondingen; openbare veiligheid en openbare orde) vormen samen 85% van alle oproepingen bij proces-verbaal. Ten slotte wijzen we erop dat ook drugsdelicten regelmatig het voorwerp uitmaken van een oproeping bij proces-verbaal (8%). Een min of meer gelijkaardig beeld zien we bij de dagvaardingen via de politie. De rubriek "diefstal afpersing" neemt een zeer groot aandeel van deze dagvaardingen in (64%). Dit is in het bijzonder het geval voor gewone diefstal (45%). In mindere mate komen ook de rubrieken "opzettelijke slagen verwondingen" (14%), "openbare orde openbare veiligheid" (9%) en "drugs doping" (5%) voor. Aangezien, de types tenlasteleggingen in tabel 2 vrij ruim zijn, geven we in tabellen 3a en 3b een overzicht van de 10 meest frequent voorkomende individuele tenlasteleggingscodes voor enerzijds oproepingen bij proces-verbaal (tabel 3a) en anderzijds dagvaardingen via politie (tabel 3b). De kolompercentages tonen telkens de onderlinge verhoudingen tussen de preventiecodes. We zien dat de 10 vaakst voorkomende tenlasteleggingscodes instaan voor respectievelijk 75% en 80% van het aantal toepassingen van de snelrechtprocedures. 3. Door het College van procureurs-generaal werd op 17 september 2010 op verzoek van de toenmalige minister van Justitie de omzendbrief COL 18/2010 verspreid met aanbevelingen om het snelrecht frequenter toe te passen als reactie op stadscriminaliteit, rekening houdend met de mogelijkheden en organisatorische context van de parketten. In deze omzendbrief brengt het College van procureurs-generaal de finaliteit van het snelrecht opnieuw onder de aandacht en worden de parketten verzocht om voor een aantal in de omzendbrief opgenomen misdrijven over te gaan tot een snelle behandeling, hetzij via het klassieke snelrecht voorzien door artikel 216quater van het Wetboek van Strafvordering, hetzij via het alternatief van de onmiddellijke dagvaarding conform artikel 645 van het Wetboek van Strafvordering. Sommige parketten maken voor dit "snelrecht" toepassing van artikel 645 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij onmiddellijk een dagvaarding wordt doorgefaxt die door de politie aan de betrokkene betekend wordt om te verschijnen op een zitting binnen de 14 dagen. Hiervoor worden maandelijks twee zittingen voorzien op een kamer met één rechter. Recente initiatieven van de procureurs des Konings tonen aan dat een snelle aanpak van bepaalde vormen van stadscriminaliteit inderdaad mogelijk is waarbij een vorm van nultolerantie wordt ingevoerd en een onmiddellijk en duidelijk signaal gegeven wordt aan de samenleving. De stijging in 2010 van de toepassing van het snelrecht toont aan dat het een uitermate waardevol instrument is en blijft in de strijd tegen de stadscriminaliteit en dat de aanbevelingen van het College geen dode letter blijven. Bijlage 1 - Tabel 1 Tabel 1. Aantal verdachten dat tussen 1 januari 2009 en 31 december 2010 werd gedagvaard via artikel 216quater Sv. of artikel 645 Sv., per jaar en naargelang het type dagvaarding (aantal (n) en kolom%).[GRAPH: 2010201102174-8-296-nl1] Bron: gegevensbank van het College van procureurs-generaal - statistisch analisten Bijlage 2 - Tabel 2 Tabel 2. Aantal verdachten dat tussen 1 januari 2009 en 31 december 2010 werd gedagvaard via artikel 216quater Sv. of artikel 645 Sv., per type tenlastelegging en per type dagvaarding (aantal (n) en kolom%).[GRAPH: 2010201102174-8-296-nl2] Bron: gegevensbank van het College van procureurs-generaal - statistisch analisten Bijlage 3 - Tabel 3 Tabel 3a. De 10 meest voorkomende tenlasteleggingscodes bij verdachten die werden gedagvaard via oproeping bij proces-verbaal (artikel 216quater Sv.) tussen 1 januari 2009 en 31 december 2010 (aantal (n) en kolom%).[GRAPH: 2010201102174-8-296-nl3] Bron: gegevensbank van het College van procureurs-generaal - statistisch analisten

 
Eurovoc-descriptorenSTRAFRECHTSPRAAK | STRAFPROCEDURE | STRAFVERVOLGING