Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 07 november 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 07 novembre 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.31 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.31 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de opgeschorte zittingen in het Brusselse arbeidshof" (nr. 27135)

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "het opschorten van zittingen bij het arbeidshof" (nr. 27145)

- mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "het opschorten van zittingen bij het arbeidshof te Brussel" (nr. 27176)

- mevrouw Laurette Onkelinx aan de minister van Justitie over "de beslissing van het Brusselse arbeidshof om zittingen op te schorten" (nr. 27241)

01 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les audiences interrompues à la cour du travail de Bruxelles" (n° 27135)

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "la suspension d'audiences à la cour du travail" (n° 27145)

- Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "la suspension d'audiences à la cour du travail de Bruxelles" (n° 27176)

- Mme Laurette Onkelinx au ministre de la Justice sur "la suppression des audiences décidées par la cour du travail de Bruxelles" (n° 27241)

 

01.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, blijkens een persmededeling zag het Brusselse arbeidshof zich bij gebrek aan werkingsmiddelen genoodzaakt een deel van zijn zittingen op te schorten.

 

Naar verluidt bleven alle brieven aan de minister van Justitie over de ontoereikende middelen, het gebrek aan magistraten en de te hoge werklast zelfs zonder antwoord. Ik citeer: "…, nadat de Hoge Raad van Justitie na een klacht van een burger had vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor de vertraging van de dossierbehandeling niet bij het arbeidshof lag, maar wel het gevolg was van de ontoereikende middelen.".

 

Volgens het arbeidshof is deze beslissing een gevolg van de politiek die ten aanzien van de rechterlijke macht wordt gevoerd.

 

Ik heb een vijftal vragen, mijnheer de minister.

 

Ten eerste, was u op de hoogte van het probleem?

 

Ten tweede, wat is de gemiddelde doorlooptijd van een zaak bij het Brusselse arbeidshof?

 

Ten derde, klopt het dat u brieven ontving en deze onbeantwoord liet? Zo ja, waarom?

 

Ten vierde, hoe kan het dat een rechtbank wegens een gebrek aan werkingsmiddelen zittingen moet opschorten?

 

Ten vijfde, wat zult u ondernemen, opdat de rechtsbedeling niet langer in het gedrang komt?

 

01.02  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mevrouw Lambrecht heeft de situatie geschetst.

 

Mijnheer de minister, u ontving een schrijven van het arbeidshof van Brussel, waarin melding werd gemaakt van het opschorten van zittingen ten gevolge van ontoereikende middelen.

 

Ik kom onmiddellijk tot mijn vragen.

 

Wat is uw reactie op het schrijven? Op welke wijze hebt u op deze brieven gereageerd?

 

Kunt u specifiek een toelichting over de case geven? Wat is momenteel de stand van zaken van de aanwervingprocedure?

 

Zijn andere tijdelijke maatregelen mogelijk om de situatie te deblokkeren?

 

De voorzitter: Mevrouw Van Cauter is niet aanwezig voor het stellen van haar vraag.

 

01.03  Laurette Onkelinx (PS): Monsieur le ministre, la situation est incroyable! À l'ordre du jour de notre commission de la Justice de ce matin se trouvait ce fameux projet instituant la Brussels International Court, à laquelle on va donner des moyens importants, privés et publics, pour que les entreprises puissent disposer d'une juridiction qui intervienne dans des délais les plus brefs possibles. À côté de cela, les juridictions et les justiciables ordinaires connaissent une situation catastrophique!

 

Comme mes collègues viennent de le dire, ce qui s'est passé en octobre dernier à la cour du travail de Bruxelles est tout à fait significatif: faute de moyens humains et matériels, on procède à la suppression d'audiences jusqu'au 31 mars prochain! Cela montre la difficulté actuelle. Ces audiences concernent des dossiers de sécurité sociale de travailleurs salariés, d'indépendants, des litiges avec les CPAS. Il s'agit de personnes qui sont dans des situations difficiles et qui n'auront pas la possibilité d'obtenir un arrêt pour un conflit ou un litige dans lequel ils sont partie.

 

La première présidente de la cour affirme avoir alerté le ministre, mais ses courriers sont restés sans réponse. Le Conseil supérieur de la Justice indique clairement que la responsabilité du retard n'est pas dû à la cour mais à l'absence de moyens. Elle déclare en outre que la suppression d'audiences et la prolongation des délais de traitement des dossiers sont les conséquences inévitables de la politique imposée au pouvoir judiciaire en menant, malgré l'existence d'un cadre légal, à la non publication ou à la publication tardive des emplois laissés vacants à la suite du départ de magistrats. Enfin, elle fait état de ce que le cadre francophone de la cour est actuellement réduit de six à quatre juges, ce qui, pour elle, mène à une charge de travail insurmontable.

 

Les justiciables sont lésés, les juges sont à bout de souffle et ne peuvent assurer la mission qui leur est confiée dans des conditions sereines et dignes.

 

Monsieur le ministre, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour sortir justiciables et magistrats de cette situation tout à fait problématique? Ceci concerne la cour du travail mais également l'ensemble des juridictions belges. Y a-t-il une nouveauté que vous allez sortir de votre chapeau à côté de la multitude de projets de loi que vous prenez pour gérer concrètement la situation dans les cours et tribunaux?

 

Le personnel judiciaire est à bout de souffle. Comment travaillez-vous avec lui? Quelles propositions êtes-vous prêt à entendre pour alléger ses difficultés?

 

Enfin, j'imagine qu'entre-temps, vous avez répondu à la cour du travail de Bruxelles et au Conseil supérieur de la Justice. Nous aimerions connaître les éléments de réponse que vous leur avez adressés.

 

01.04 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, ik betreur de aankondiging van de eerste voorzitster van het arbeidshof van Brussel om een deel van de zittingen te schorsen. Het wettelijk kader van het arbeidshof van Brussel was tot 31 augustus 2018 voor 100 % ingevuld.

 

Op 1 september 2018 is één raadsheer met pensioen vertrokken. Hij werd meteen vervangen via delegatie van een rechter van de arbeidsrechtbank waardoor er op dat ogenblik alsnog 11 magistraten aanwezig waren bij het hof, zijnde een bezetting van 100 %.

 

Eind september heeft één raadsheer evenwel zijn ontslag uit de magistratuur aangekondigd met ingang van 1 november 2018. Het ging om een plots ontslag dat niet op voorhand kon worden voorzien. Daardoor is de bezetting van het hof vanaf november tijdelijk gezakt van 11 naar 10 magistraten, zijnde een bezetting van 91 %.

 

Le 19 octobre, des postes vacants de magistrats ont été publiés: 59 pour les cours et tribunaux et 31 pour le ministère public. Conformément à la proposition du Collège des cours et tribunaux, le plan de recrutement a prévu une vacance pour la cour du travail de Bruxelles, lui permettant de revenir à un cadre de 100 %. Il a été convenu avec les Collèges du siège et du ministère public d'en lancer un nouveau avant la fin de l'année.

 

Intussen werd ook de vacature voor de functie van eerste voorzitter van het arbeidshof gepubliceerd, meer bepaald op 21 september. De huidige eerste voorzitster beëindigt haar mandaat als korpschef op 1 april 2019. Zij kan nog aanblijven als raadsheer tot 1 december 2019, het moment waarop zij de leeftijdsgrens bereikt, tenzij zij een verlenging aanvraagt.

 

De eerste voorzitster heeft op 13 september van uw dienaar een antwoord ontvangen waarin werd meegedeeld dat een vacatureplan in voorbereiding was en dat zij haar vraag zeker ook moest richten aan het College van hoven en rechtbanken. Op 3 oktober heeft de eerste voorzitster zelf per e-mail bedankt voor het antwoord.

 

La charge de travail de la cour du travail est assez stable. Selon les statistiques publiées, le nombre de nouvelles affaires en 2017 a diminué de 6 % par rapport à 2016 et, comparé à 2015, est même inférieur de 8 %. Toutefois, la cour pâtit également de l'arriéré le plus volumineux, avec 2 381 dossiers, et accuse un long délai de traitement, comme en témoigne la durée médiane de 503 jours contre 351 jours pour la moyenne nationale.

 

Pour le personnel judiciaire, des examens de recrutement et de promotion sont en cours. Quand ceux-ci seront parvenus à leur terme, 189 postes vacants seront publiés d'ici la fin de l'année. J'ai instamment demandé au président du Collège des cours et tribunaux d'écourter le plus possible les sélections, afin de nommer rapidement le personnel judiciaire. Dans cette attente, les parquets et les tribunaux ont été renforcés au moyen de contrats temporaires. C'est ainsi que 189 contrats en cours ont été prolongés jusqu'au 1er juillet 2019. Les tribunaux et les parquets ont, en outre, reçu l'autorisation d'engager 120 nouveaux contractuels.

 

01.05  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, al is het een antwoord zoals wij er zoveel krijgen. Wij worden op de hoogte gebracht van wantoestanden en leggen ze u voor, waarop u zegt dat het allemaal zo erg niet is. U betreurt de schorsing van de zittingen en wij betreuren deze situatie zeker, want het geloof in de werking van het gerecht neemt sterk af bij de mensen.

 

Wat mij bijblijft uit uw antwoord is dat volgens u de personeelsbezetting geen probleem vormt, in die zin dat een bezettingsgraad van 91% ten opzichte van 100 % moet kunnen worden opgevangen. Men zou kunnen denken dat er bij het Brussels arbeidshof wordt overdreven en dat er zaken worden verteld die niet kloppen, maar zo mag men niet denken. Volgens mij moet men daar zelfs behoorlijk wanhopig zijn om de toestand in de pers te brengen.

 

U zegt dat de werklast bij het hof vrij stabiel is, maar even later zegt u dat er zoveel dossiers blijven liggen. Mijn bijkomende vraag is of die massa dossiers die blijven liggen dan niet is ingecalculeerd in de werklast? Ik denk dat de stress daarvan komt. Men kan immers wel bij zijn met het werk van de dag, maar als er honderden dossiers blijven liggen, dan kan toch niet worden gezegd dat de werklast bij het hof vrij stabiel is? Wie geeft u de cijfers waaruit zou blijken dat de werklast stabiel is?

 

01.06  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, dat bij mij ongeveer dezelfde reactie uitlokt. Enerzijds hoor ik de noodkreet, anderzijds lijkt een daling van de personeelsbezetting van 100 % naar 91 % mij nog beheersbaar om een periode te overbruggen.

 

Wij zullen zien hoe de situatie bij het hof verder evolueert. Hopelijk kunnen de zittingen worden hervat.

 

01.07  Laurette Onkelinx (PS): Monsieur le ministre, je remarque que vous faites  toujours le même type de réponse: "Tout s'arrange, nous sommes en train de remplir les cadres, les emplois sont publiés vacants, nous prenons des temporaires contractuels". Ce qui est étrange, c'est que la Justice – et pas simplement Mme Sevrain, dont vous dites déplorer qu'elle se soit exprimée, mais il suffisait de lire les mercuriales de rentrée – s'offusque des maigres moyens débloqués pour le fonctionnement des cours et tribunaux. Le monde judiciaire régulièrement écrit, parle, dénonce et en vient même à des suppressions d'audiences, parce qu'il est complètement étranglé par le manque de moyens. En même temps, le ministre dit que: "Non, cela va, nous avons les réponses adéquates." C'est vraiment étrange. Nous avons presque l'impression d'un dialogue de sourds.

 

Par ailleurs, vous dites qu'il y a eu, presque par hasard, une difficulté pour une personne. Je n'ai pas entendu de réponse sur la difficulté de deux juges manquants dans le cadre francophone. S'est-elle trompée? A-t-elle vu double? Elle a dit très clairement que la partie francophone a été réduite de six à quatre juges. Elle a donc parlé d'une charge de travail insurmontable.

 

En outre, vous parlez des arriérés, faisant entendre par là, je suppose, qu'il faudrait peut-être fournir davantage d'efforts pour le traitement des dossiers. Le Conseil supérieur de la Justice a quand même clairement dit que ce n'était pas la faute de la cour, mais que c'était la conséquence d'une charge de travail insurmontable par rapport au cadre.

 

Je n'ai pas eu cette réponse. D'abord, je constate qu'il y a un genre de dialogue de sourds avec deux réalités complètement différentes; ensuite, que je n'ai pas de réponse sur le cadre francophone. N'a-t-elle pas dit la vérité? Elle a dit quatre sur six. Il en manque donc deux du côté francophone: oui ou non? Je n'en sais toujours rien. Et il y a ce constat du Conseil supérieur de la Justice, y compris pour ce qui concerne l'arriéré, que la charge de travail ne peut pas être résorbée si les cadres ne sont pas revus.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "DPA versus e-Deposit" (nr. 27285)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het verplichte gebruik van DPA-deposit" (nr. 27505)

02 Questions jointes de

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "la DPA vs l'e-Deposit" (n° 27285)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'utilisation obligatoire de DPA-deposit" (n°27505)

 

02.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb een mondelinge vraag ingediend met betrekking tot het DPA, maar ik had voordien al een schriftelijke vraag ingediend met betrekking tot hetzelfde onderwerp. Ik heb dan al een antwoord gekregen op het grootste deel van mijn vragen. Ik zal de resterende vragen misschien nog even herhalen.

 

Zoals u weet, is er een nieuw DPA-systeem waarbij conclusies betalend worden neergelegd. Daarnaast bestaat er een systeem, e-Deposit, dat werd ontwikkeld in het hof van beroep van Antwerpen en door de andere hoven van beroep werd overgenomen. De advocaten konden hierdoor hun conclusies gratis neerleggen.

 

In uw antwoord op mijn schriftelijke vraag heeft u mij al uitgelegd waarom de OVB een betere garantie biedt over de hoedanigheid van degene die de conclusies neerlegt. Toch heb ik nog de volgende vragen.

 

Wie bepaalt de tarifering van het DPA? Op welke gronden baseert men zich? Welke rol speelt de overheid daarin?

 

Mijn vraag over de vertrouwelijke gegevens heeft u al beantwoord. Toch had ik ook hier nog een vraag. Wat als Diplad in faling gaat? Hoe wordt de continuïteit gegarandeerd? Welke noodscenario's heeft u daarvoor klaarliggen? Wie zal de authenticiteit garanderen?

 

Waarom wordt gebruik gemaakt van een verouderde techniek als Oracle web forms? Wie heeft beslist deze techniek te gebruiken?

 

02.02  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 16 oktober 2018 werd een KB gepubliceerd dat bepaalt dat de minister van Justitie aan bepaalde beroepsgroepen kan opleggen om de door hun beroepsorganisatie beheerde informaticasystemen te gebruiken om toegang te krijgen tot de informaticasystemen van Justitie, zoals e-Deposit. Om dit te concretiseren voor de advocatuur volgde meteen een ministerieel besluit, dat van DPA-deposit het enige systeem maakte dat advocaten kunnen gebruiken voor het elektronisch neerleggen van stukken en conclusies. Het KB en het MB traden onmiddellijk in werking.

 

Niet Justitie, maar de privéfirma Diplad – een coöperatieve vennootschap met als aandeelhouders de advocatenbalies – heeft het platform ontwikkeld en staat in voor het beheer. Het ontwikkelen en onderhouden van het platform kost echter handenvol geld. De kosten worden doorgerekend via een systeem van vergoeding per transactie. Zo betaalt de advocaat 9 euro om een conclusie neer te leggen bij de rechtbank en in één beweging te verzenden naar cliënt, tegenpartijen, collega's en derden. Voor een pro-Deozaak is dat 3 euro.

 

Sommigen gewagen van een taks op elektronisch procederen en roepen op om e-Deposit, dat gratis is en door de FOD Justitie werd ontwikkeld, te blijven gebruiken. Verdedigers van het systeem schermen met het feit dat een neerlegging via DPA-deposit garandeert dat diegene die conclusies en stukken bij de rechtbank neerlegt een echte, niet-geschorste advocaat is.

 

Tegenstanders wijzen er echter op dat daarmee een oplossing wordt geboden voor een onbestaand probleem en dat de werkelijke drijfveer is dat de ordes, parallel met e-Deposit, hebben geïnvesteerd in de uitbouw van een eigen digitalisering en de financiële put nu op die manier moeten trachten te dichten.

 

Mijnheer de minister, worden de kosten verbonden aan het gebruik van DPA-deposit verhaald op de cliënt? Op welke basis?

 

Vindt u het wijs om een privéfirma op zo'n grote schaal zeer gevoelige en risicovolle gegevens te laten bewaren?

 

Waarom achtte u het nodig om naast het bestaande en gratis systeem e-Deposit een privaat tussenplatform te verplichten?

 

Hebt u weet van "valse" advocaten die stukken neerleggen bij de rechtbank?

 

02.03 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaerenbergh, mevrouw Lambrecht, uw vagen laten mij toe om een aantal misverstanden uit de wereld te helpen, in aanvulling op de antwoorden die ik al gegeven heb op de schriftelijke vraag van mevrouw Van Vaerenbergh. Het DPA is het gezamenlijke platform van de advocatuur, Nederlands en Frans. Het is geen platform van Justitie. Het wordt dus gefinancierd en gecontroleerd door de balieverenigingen, op de manier die door hun algemene vergadering is beslist. Dat behoort tot de autonomie van de balieverenigingen. Als minister kom ik daar in principe niet in tussenbeide. Daarnaast bestaat er geen regelgeving omtrent de tarifering van de advocaat en zijn cliënt. Die wordt vastgelegd op contractuele, al dan niet schriftelijke, basis.

 

De stap die met het KB werd gezet, is de koppeling van het e-Depositplatorm aan het DPA bij het neerleggen van conclusies en stukken. Die laat toe om de controle van de hoedanigheid van de neerlegger van conclusies te laten geschieden door die instantie die daarin van oudsher is aangeduid, met name de balies. Conform de only-onceregelgeving maken wij daarvoor gebruik van de authentieke bron. Wij hebben geen gegevens over neerleggingen van conclusies door niet-bevoegde personen. De nood aan een systematische hoedanigheidsontrole voor advocaten is echter ruimer dan het neerleggen van stukken en zal in de nabije toekomst nog sterk toenemen. Denk daarbij aan de mogelijkheid om een strafdossier tijdens het onderzoek vanop afstand in te kijken of aan de controle van de toegang tot gerechtsgebouwen en detentiehuizen.

 

Die controles zullen de balies dus ook voor andere ICT-systemen, zoals de systemen van de Raad van State, moeten doen.

 

Alle neerleggingen van conclusies en stukken gebeuren nog steeds in het e-Depositplatform van Justitie. Enkel de toegangspoort voor advocaten wordt om de net vermelde reden aangepast.

 

Het DPA wordt hier dus enkel als een verzendingsplatform gebruikt, zoals ook de Gegevensbeschermingsautoriteit in haar advies vooropstelt. Er zou kunnen worden overwogen dat de neerlegging via het DPA gebeurt, indien dat fungeert als een communicatie-interface tussen advocaten en eBox en e-Deposit  en geen enkel spoor bewaart van de documenten die aan de informaticasystemen van Justitie worden doorgezonden. Er wordt dus in de DPA-platformen van de conclusies of stukken geen spoor bewaard.

 

De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft haar bezorgdheid over de bescherming van gegevens omtrent het privéleven uitgedrukt. Zij heeft daarom in haar advies op bijkomende maatregelen aangedrongen. De voorstellen van de Gegevensbeschermingsautoriteit zijn integraal door de FOD Justitie gevolgd. Ook de voorstellen tot tekstverfijning van de autoriteit werden integraal overgenomen.

 

Aangezien de connectie tussen een informaticasysteem van Justitie en een informaticasysteem van de beheerder van de authentieke bron van de advocaten wordt gelegd, is hier geen context waarbinnen een openbare aanbesteding door mijn diensten dient te gebeuren.

 

De keuzes inzake technologie laat ik graag over aan de informatici die daarover met kennis van zaken kunnen spreken.

 

Wij hebben hoe dan ook de privacywetgeving zo goed mogelijk laten respecteren.

 

Mevrouw Van Vaerenbergh, indien discontinuïteit zou gebeuren, blijft het e-Depositmechanisme uiteraard integraal bewaard. Het is immers slechts een toegangsplatform. Privépersonen kunnen nog steeds via het e-Depositkanaal hun conclusies neerleggen. Indien er ooit een discontinuïteit zou zijn, kan iedereen zijn toevlucht tot e-Deposit nemen, los van de faillissementswetgeving, die u, zoals ik, kent en die er niet absoluut toe leidt dat er op dat vlak onmiddellijk discontinuïteit van dienstverlening is.

 

02.04  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u.

 

02.05  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb enkel nog de kleine opmerking dat een en ander alweer een indirecte stijging van de kosten betekent voor de burger die naar Justitie wil gaan. De kosten zullen immers op de cliënt worden verhaald.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de onmogelijkheid om video's af te spelen tijdens zittingen" (nr. 27288)

03 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "l'impossibilité de montrer des vidéos pendant les audiences" (n° 27288)

 

03.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag dateert al van enige tijd geleden en ik heb in de pers vernomen dat het proces een normale doorgang heeft gekend. Daarmee is dus al een deel van het antwoord gegeven.

 

Recent werden wij opnieuw geconfronteerd met het verhaal dat videobeelden die dienen als bewijsmateriaal niet op de rechtbank konden worden getoond, waardoor het parket de vrijspraak vorderde bij gebrek aan bewijs. In de specifieke zaak ging het om een Brusselse rechtbank, waar twee verdachten terechtstonden voor het inrijden op politieagenten.

 

Beelden opgenomen met bewakingscamera's vragen soms specifieke software, codecs of licenties om ze te kunnen afspelen. Als deze niet aanwezig zijn op de computer in de rechtzaal, verkeert men op dat ogenblik in de onmogelijkheid om bewijzen op tafel te leggen.

 

Blijkbaar was de licentie in deze zaak ook niet voorhanden. Dat gebeurt nog te vaak. Naar verluidt komt dat omdat Justitie de ICT-diensten heeft gecentraliseerd, waardoor de lokale rechtbanken geen rechten meer kunnen laten gelden op de computers in hun rechtbank. Zij moeten de installatie van bepaalde software, codecs of licenties die nodig zijn om hun video af te spelen, centraal aanvragen. Blijkbaar gebeurt dat niet of niet altijd tijdig.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

 

Is er geen evaluatie gebeurd nadat het verkeerd liep met de case die voor dit geval in de media kwam? Waarom was er geen licentie voorhanden?

 

Test men voor de zitting niet of een video al dan niet kan worden afgespeeld? Wat is de procedure om software of codecs te laten installeren op de rechtbank? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Wie beheert de licenties?

 

Hoe staat u tegenover de piste om per griffie een computer niet onder centraal beheer te plaatsen, maar onder lokaal beheer te laten, zodat de griffie snel de benodigde software of codecs kan installeren?

 

Is er een budget om in het kader van de verzelfstandigde rechtbanken zelf licenties aan te kopen op de rechtbank om dergelijke problemen in de toekomst te vermijden?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Vaerenbergh, sinds het vorig incident heeft de stafdienst ICT na een interne evaluatie een oplossing uitgewerkt die door beide colleges werd goedgekeurd op het permanent ICT-overlegorgaan en die werd uitgetest in Gent. De oplossing houdt in dat een set computers vooraf wordt geconfigureerd om alle types van overtuigingsstukken te kunnen lezen. Daarvoor wordt in de benodigde software voorzien, waaronder alle gekende mediacodecs. Na een positieve evaluatie werd beslist om deze oplossing nationaal aan te bieden.

 

Het is de verantwoordelijkheid van de rechterlijke orde om overtuigingsstukken tijdig voor de zitting te testen, om vast te stellen of er al dan niet nieuwe software nodig is om de video's te kunnen afspelen. Indien nodig, doet de ICT-stafdienst het nodige en installeert niet alleen de ontbrekende codecs op de daartoe voorziene toestellen, maar stelt de aangepaste software meteen ook nationaal ter beschikking via centraal gepushte updates.

 

Voor het aangehaalde incident werd de ICT-desk pas op de dag van de zitting zelf gecontacteerd. Een persoonlijke laptop werd onmiddellijk voorzien van het viewerprogramma en de beelden konden worden afgespeeld. De politie levert de codecs aan, die afkomstig zijn van alle mogelijke bronnen. Videobestanden maken gebruik van bekende en minder bekende codecs, waarvoor de politie meestal ook de correcte viewer aanlevert. De aangeleverde viewers worden door de stafdienst ICT verspreid op de speciaal geconfigureerde toestellen die aan de rechtbanken werden geleverd.

 

Wij hebben momenteel meer dan twintigduizend netwerkverbonden computers. Het is van groot belang dat de synchronisatie van deze computers op een veilige en duidelijk beheerde manier verloopt. In tijden van cryptovirussen is het onverantwoord om de controle uit handen te geven. Daarom wordt er gecentraliseerd gewerkt.

 

03.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik hoop dat zo'n incident in de toekomst niet meer zal voorvallen. U zegt dat er oplossingen zijn en dat er tijdig moet worden getest en aangevraagd. Alleszins is het geen goede zaak voor Justitie dat mensen vrijuit zouden gaan omdat videomateriaal niet ter zitting kan worden afgespeeld.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 27295 van de heer Maingain wordt uitgesteld.

 

Vraag nr. 27420 van mevrouw Van Hoof wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

04 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het seponeren van lichtere misdrijven bij het parket van Brussel" (nr. 27445)

- de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "het seponeren van dossiers betreffende diefstal zonder verzwarende omstandigheden en ongewenst gedrag" (nr. 27523)

04 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le classement sans suite de délits mineurs par le parquet de Bruxelles" (n° 27445)

- M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "le classement sans suite de dossiers pour vols simples et harcèlements" (n° 27523)

 

04.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, naar verluidt zou het parket van Brussel van plan zijn gedurende één tot twee maanden een hele reeks lichtere misdrijven niet te behandelen. Het gaat om diefstallen zonder geweld, winkeldiefstallen, bedreigingen en intimidatie.

 

Dat betekent dat klachten van vrouwen die worden lastiggevallen op straat, niet altijd worden behandeld. Op dit moment zouden reeds 1 700 dossiers over dat soort misdrijven geklasseerd zijn zonder dat een magistraat ze heeft bekeken.

 

Het openbaar ministerie zou al langer onderbezet zijn en met deze maatregel wil het parket van Brussel mankracht vrijmaken om zwaardere misdrijven te onderzoeken en te vervolgen. Klopt dit? Welk signaal wilt parket hiermee geven?

 

Wat is uw standpunt hieromtrent, mijnheer de minister?

 

Wat bepalen de richtlijnen inzake strafrechtelijk beleid hierover?

 

04.02  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, la presse nous apprenait récemment qu'à Bruxelles, 1 700 dossiers, notamment de vol, auraient été classés sans même être ouverts, ces dernières semaines. Pire: il aurait été décidé que pendant une durée d'un ou deux mois, les faits de vol simple, vol à l'étalage, menaces et harcèlement seront systématiquement classés sans suite. La raison serait le manque de personnel et l'incapacité matérielle de traiter les dossiers. Interrogé, le parquet n'a pas souhaité commenter cette information.

 

Monsieur le ministre, cette information est-elle exacte ou erronée? Si elle est avérée, quelle est votre réaction? D'autres cas similaires se sont-ils présentés ces derniers mois dans d'autres juridictions? Estimez-vous que des mesures doivent être prises pour éviter ce genre de problèmes à l'avenir? J'imagine que oui. Concrètement, de quels outils disposez-vous pour améliorer la situation?

 

04.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, collega's, het parket van Brussel spreekt de cijfers over seponering tegen in zijn persbericht in antwoord op de berichtgeving aangaande seponeringen. Ik citeer: "Schrijven dat het Brussels parket van plan is gedurende een tot twee maanden een hele reeks lichtere misdrijven niet te behandelen, is een foute voorstelling van de feiten." Volgens de woordvoerder van het parket tonen de jaarlijkse cijfers van het parket aan dat het sinds 2014 steeds minder seponeert.

 

Voor het herfstverlof heb ik in de plenaire vergadering toegelicht dat het Franstalig personeelskader van het parket van eerste aanleg te Brussel sinds november 2017 werd versterkt met 13 vacatures. Voor het Nederlandstalig personeelskader van hetzelfde parket zijn sinds dezelfde datum 2 vacatures uitgeschreven. Een maximale invulling van deze vacatures brengt het huidige aantal Franstalige parketmagistraten te Brussel van 84 naar 97, dit op een personeelskader van 98. Voor de Nederlandstaligen stijgt het aantal magistraten van 19 naar 21, wat gelijkstaat met een volledige kaderinvulling. Daarenboven werden er dit jaar ook nog 4 vacatures gelanceerd voor parketjuristen, die inmiddels al werden ingevuld.

 

À cet égard, il est rappelé que, dans le cadre de la sixième réforme de l'État et sur la base d'une mesure particulière de la charge de travail, une extension du cadre a été autorisée pour Bruxelles. Le cadre francophone a été augmenté de 15 magistrats, passant de 80 à 95 unités. En 2016, ce même cadre a de nouveau été renforcé par 3 magistrats, ce qui amène le cadre bruxellois francophone, concernant les magistrats de parquet, à un total de 98.

 

La sixième réforme de l'État a scindé le cadre néerlandophone entre Bruxelles et Hal-Vilvorde. À cette occasion, le cadre néerlandophone a été augmenté de 3 unités. En 2016, le cadre bruxellois néerlandophone sans Hal-Vilvorde a de nouveau été augmenté de 2 unités, ce qui amène le cadre bruxellois néerlandophone à un total de 21 unités.

 

Bij het uitschrijven van vacatures wordt steeds voorrang gegeven aan een verdeling op basis van de echte werklast. Deze wordt in eerste instantie geïdentificeerd door de betrokken parketten en gevalideerd door het College van het openbaar ministerie. Bij de laatste publicaties die nog afgelopen vrijdag zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad, zijn de door het College van het openbaar ministerie opgegeven behoeften volledig gevolgd.

 

Er zijn geen algemene richtlijnen uitgevaardigd aangaande de aanpak van diefstallen of bedreigingen zonder navolgend geweld. De opportuniteit en haalbaarheid van strafvordering in deze dossiers worden geval per geval beoordeeld. De diefstallen zonder verzwarende elementen, zoals geweld of braak, waarbij naderhand de toestand wordt genormaliseerd en het slachtoffer wordt vergoed, kunnen bijvoorbeeld ook het voorwerp uitmaken van een minnelijke schikking of een andere vorm van afhandeling.

 

04.04  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, dit is nu de tweede vraag die ik stel waarbij ik een groot probleem aankaart, maar waarop u antwoordt dat er niet veel van aan is. Ik hoor u zeggen dat de cijfers inzake seponering niet kloppen, dat er volgens de woordvoerder van het parket steeds minder seponeringen zijn en dat de situatie met betrekking tot het personeelskader erop vooruit gaat.

 

Rekening houdend met de informatie waarover ik beschik, kan ik slechts concluderen dat de gerechtelijke bronnen van L'Echo en De Tijd, waaruit wij onze informatie halen, dringend moeten worden herzien. De journalisten krijgen duidelijk foute informatie door.

 

04.05  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je tiens à vous remercier d'avoir coupé les ailes à un canard. Selon moi, il conviendrait d'en informer la presse, qui nous a rapporté ce genre d'histoire.

 

La justice est ressentie comme une institution fondamentale de la vie en société, surtout quand on vit en démocratie. En propageant de telles informations, la presse donne une mauvaise image de la justice à la population. C'est pourquoi il convient de rappeler la vérité.

 

Bien entendu, je conçois parfaitement que ce n'est pas du jour au lendemain qu'au moyen de recrutements, on rattrapera un éventuel retard. En tout cas, nous prenons la bonne direction, et je ne puis que m'en réjouir.  

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Philippe Pivin au ministre de la Justice sur "les conditions de libération des prisonniers radicalisés" (n° 27326)

05 Vraag van de heer Philippe Pivin aan de minister van Justitie over "de voorwaarden voor de vrijlating van geradicaliseerde gevangenen" (nr. 27326)

 

05.01  Philippe Pivin (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, je vous ai déjà questionné sur ce sujet. Comme chacun ici présent, je sais que le gouvernement a déjà pris des décisions importantes en la matière. Mais je souhaiterais que vous nous donniez des informations actualisées quant à l'encadrement des détenus radicalisés qui sont appelés à sortir de prison dans les semaines ou les mois à venir.

 

Comme vous le savez, les rapports d'experts sont clairs à ce sujet. En tant que membres de la commission d'enquête Attentats terroristes, nous avons entendu bon nombre de témoins et nous avons pu constater que la situation était assez alarmante.

 

Encore récemment, le Pr Dantinne, qui nous a accompagnés dans nos travaux, déclarait que le taux de récidive, après emprisonnement, est de 40 à 50 % et que les détenus radicalisés ont tout autant ce profil récidiviste à leur sortie de prison.

 

Nous avons également recueilli des témoignages de proximité de détenus radicalisés en prison ou de condamnés pour faits liés au terrorisme religieux qui confirment le constat du Pr Dantinne.

 

On ne peut évidemment pas faire ce genre de constat sans anticiper les mesures qui doivent être prises. On sait, bien sûr, qu'il y a les task forces locales. La première question est de savoir si celles-ci ont les moyens d'agir par rapport aux douze - si je suis bien informé - premiers détenus radicalisés qui seront libérés cette année, mais aussi par rapport aux soixante autres qui seront libérés d'ici 2020.

 

Monsieur le ministre, quelles sont les mesures qui ont été prises au sein des établissements pénitentiaires pour tenter de déradicaliser ces détenus, si faire se peut? En a-t-on évalué l'efficacité? Un profil à risque sera-t-il déterminé pour ces détenus? Si oui, par quel organe et selon quels critères? Quels sont les services de l'État qui analyseront ces cas afin de déterminer la responsabilité ainsi que la charge en termes de surveillance et de contrôle de ces personnes?

 

Enfin, envisage-t-on des mesures restrictives de liberté ou de circulation tant intérieure qu'à l’étranger? Ceci pose évidemment le problème de la coordination entre Europol et les services de sécurité ou de sûreté des autres pays. Des mesures vont-elles être prises à l’encontre de tous ces détenus radicalisés qui vont sortir d'ici 2020, considérant bien sûr la distinction qui doit être à faire entre les condamnés pour fait de terrorisme et ceux de droit commun, radicalisés au cœur des prisons, d'une part, et d'autre part, la distinction qui doit être faite entre les condamnés qui vont à fond de peine, comme on dit, et ceux qui demandent leur libération conditionnelle?

 

Je souhaitais ajouter une question, monsieur le ministre mais j'imagine que vous ne pourrez pas m'en fournir la réponse aujourd'hui. J'apprécierais donc d'avoir l'information par écrit. C'est celle de l'ampleur des moyens logistiques et humains qui sont actuellement déployés au sein du parquet et de la sûreté dans le cadre du travail de concertation au sein des task forces. Je voudrais savoir quelles sont les forces en présence au sein des task forces pour accompagner ce phénomène alarmant. Subsidiairement, des moyens complémentaires sont-ils encore envisagés dans les prochaines années?

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Pivin, dès le début de la détention, il est misé sur la détection de la radicalisation chez les détenus. On investit énormément dans une formation multidisciplinaire du personnel pénitentiaire. Pour un aperçu complet à cet égard, je peux vous renvoyer à la question écrite n° 2771 du 22 juin 2018 de M. Gautier Calomne.

 

Pour ce qui est des prisons concernées par la Communauté flamande, l'encadrement s'effectue par les conseillers en déradicalisation du département flamand du Bien-Être. Sur une base individuelle, ils rencontrent l'ensemble des détenus enregistrés en vue d'en évaluer les besoins: soit, un encadrement spécifique en vue d'une déradicalisatiion ou d'un désengagement, soit, un renvoi vers les services classiques chargés de l'accompagnement des détenus.

 

En outre, le département Bien-Être a organisé une coopération avec l'ASBL de l'imam M. Benhaddou qui fournit des conseils sur un accompagnement d'inspiration plutôt théologique et, le cas échéant, reprend cet accompagnement dans le contexte des modalités d'exécution de la peine.

 

Dans les prisons concernées par la Communauté française, une collaboration comparable avec le service CAPREV est d'application. Bien entendu, il vous est conseillé de consulter les ministres compétents des Communautés afin d'obtenir des informations plus approfondies à cet égard.

 

En ce qui concerne la méthode d'évaluation de ces initiatives, il me semble également indiqué de questionner les collègues des gouvernements des Communautés. En collaboration avec ces services, nous oeuvrons actuellement à impliquer encore davantage les services des maisons de justice, qui relèvent par ailleurs de la compétence des Communautés. Cette collaboration sera reprise dans une circulaire commune en préparation qui sera mise à l'ordre du jour de la prochaine conférence interministérielle des maisons de justice, sur ces maisons de justice.

 

Afin de déterminer un profil de risques, une distinction est faite entre les détenus qui quittent la prison dans le cadre d'une libération anticipée ou d'une autre modalité d'exécution de la peine, et les détenus qui arrivent au terme de leur peine. Pour la première catégorie, les conditions sont toujours imposées, principalement par les tribunaux de l'application des peines, et tiennent compte des contre-indications éventuelles ou de facteurs de risque. Les rapports et les examens de personnalité établis à cette fin y jouent un rôle crucial sous la forme d'avis.

 

En ce qui concerne les détenus qui ne sont pas libérés anticipativement, le service psychosocial de la prison rédige une note finale. Celle-ci est fournie aux services de sécurité: la Sûreté, l'OCAM, DJSOC/Terro de la police fédérale et aux task forces locales, ainsi qu'à la cellule de sécurité intégrale locale, la CSIL. Cette note comporte notamment des informations sur le comportement, les contacts, la collaboration à l'accompagnement, le reclassement et une analyse de l'idéologie, des intentions et de vulnérabilité psychique. En outre, le risque de commettre des actions violentes est évalué par l'instrument d'évaluation des risques VERA-2R. Il propose un protocole systématique et exhaustif, comprenant 34 indicateurs pertinents pour l'extrémisme violent.

 

La Sûreté de l'État rédige également une note de sortie qui est communiquée aux partenaires de sécurité de la task force locale et à la cellule de sécurité intégrale locale. À son tour, l'OCAM effectue une analyse de la menace qui est communiquée aux autres partenaires. Enfin, les services des Communautés veillent au transfert des dossiers aux services qui poursuivent le travail extra muros.

 

À la suite des recommandations émises par la commission d'enquête parlementaire, j'ai pris l'initiative d'un avant-projet de loi soumis actuellement pour avis au Conseil d'État.

 

Il prévoit qu'en cas de décision de libération, le tribunal de l'application des peines doit clairement déterminer et préciser si une personne condamnée a l'autorisation de voyager à l'étranger et, si oui, pour quelle durée maximale et à quelle fréquence. Si la personne concernée a obtenu dans son jugement l'autorisation de se rendre à l'étranger, elle doit toujours aviser le ministère public à chaque voyage occasionnel.

 

Monsieur Pivin, je vous remercie. Pour autant que je n'aurais pas répondu à toutes vos questions, j'y reviendrai par écrit.

 

05.03  Philippe Pivin (MR): Monsieur le ministre, vous avez déjà été très complet. J'attends effectivement l'information complémentaire sur les effectifs disponibles par écrit.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Samengevoegde vragen van

- de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "het proces over de treinramp in Buizingen" (nr. 27504)

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "het proces over de treinramp in Buizingen" (nr. 27516)

06 Questions jointes de

- M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "le procès relatif à la catastrophe ferroviaire de Buizingen" (n° 27504)

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "le procès relatif à la catastrophe ferroviaire de Buizingen" (n° 27516)

 

06.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, recent besliste de Brusselse arrondissementsrechtbank dat het proces over de treinramp in Buizingen, die toch reeds dateert van 2010, in het Frans moet plaatsvinden, zoals de verdediging had gevraagd. Voor de slachtoffers is dit bijzonder pijnlijk. Ze moeten nu vermoedelijk nog langer wachten op antwoorden over wat er met hen of hun familie is gebeurd.

 

Door deze beslissing dreigt de zaak te verjaren. Dat is de vrees die leeft bij slachtoffers en familieleden. Een nieuwe politierechter en een nieuwe parketmagistraat zullen het dossier moeten instuderen en opnemen. Het is een vrij lijvig dossier dat men niet in een paar dagen tijd kan voorbereiden. En een deel van het dossier moet mogelijk ook vertaald worden naar het Frans, alhoewel daarover wat onduidelijkheid bestaat. De advocaat die de verwijzing naar een Franstalige rechtbank heeft gevraagd, zei dat er niet al te veel stukken zouden moeten worden vertaald. Graag had ik daarover wat verduidelijking gekregen. De zaak zou binnen twee jaar verjaren, zo werd gecommuniceerd door het parket.

 

Bij de ramp lieten 19 mensen het leven en raakten minstens 310 personen gewond. Het is van het allergrootste belang dat de rechtzaak in alle rust en sereniteit kan plaatsvinden. Daarom heb ik volgende vragen.

 

Dreigt de zaak effectief te verjaren? Zo ja, op welke termijn? Is hetgeen het parket zei, juist, namelijk dat dit binnen twee jaar reeds het geval kan zijn?

 

Zal Justitie voorrang geven aan deze zaak, zoals de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg heeft verklaard?

 

Wanneer zal de zaak eindelijk kunnen voorkomen en zal het proces kunnen starten?

 

06.02  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, de arrondissements­rechtbank besliste recentelijk dat het proces rond de treinramp van Buizingen van taalrol moet veranderen. Er wordt gevreesd dat daardoor de verjaring zal intreden. Volgens een berekening van het openbaar ministerie zou die verjaring al in augustus 2020 kunnen ingaan.

 

De advocaat van de verzoekende partij meent echter dat het niet zover hoeft te komen omdat grote delen van het dossier reeds vertaald zijn en hij niet vraagt het gehele dossier te vertalen, maar vooral wil waarborgen dat zijn cliënt een proces in het Frans krijgt.

 

De rechtbankvoorzitter, Luc Hennart, is duidelijk: "We gaan ervoor zorgen dat de zaak zo vlug mogelijk kan vastgesteld worden. De rechter zal tijd nodig hebben om de zaak te bestuderen. We gaan het nodige doen om de zaak zo vlug mogelijk in het Frans voor te brengen."

 

Ik heb daarover de volgende vragen, mijnheer de minister.

 

Ten eerste, welke initiatieven kunnen er worden genomen om de zaak te laten vooruitgaan en de verjaring effectief te vermijden?

 

Ten tweede, werd er door een van de partijen of het openbaar ministerie een cassatieverzoek ingesteld tegen de beslissing van de arrondissementsrechtbank? Zo ja, wanneer komt dat voor?

 

Ten derde, wat is de concrete timing voor het behandelen van die zaak?

 

06.03 Minister Koen Geens: Mijnheer Van Hecke, mevrouw Van Vaerenbergh, het verzoekschrift tot taalwijziging schorst de verjaring vanaf de neerlegging ervan, vanaf 5 juli 2018 dus, tot en met de eerste zittingsdatum waarop het dossier, na taalwijziging, wordt hernomen. Die datum is vooralsnog niet bekend. Een verdere timing kan derhalve niet worden gegeven. Wat de verdere behandeling van het dossier betreft, werken de parketten van Halle-Vilvoorde en Brussel nauw samen om de overdracht van het dossier snel te laten verlopen, onder de supervisie van het parket-generaal.

 

Het parket-generaal heeft twee substituten-procureur-generaal gedelegeerd naar het parket van Brussel om het dossier met de hoogste prioriteit verder integraal af te handelen. Een Nederlandstalige en een Franstalige parketmagistraat, die het dossier reeds kennen, werken vanaf nu dus ijverig mee.

 

Wat de mogelijkheid betreft om een cassatie­verzoek tegen de beslissing van de arrondissements­rechtbank in te stellen, is het openbaar ministerie van mening dat daarvoor geen grondslag bestaat, waardoor een cassatieverzoek weinig kans op slagen zou maken.

 

Inmiddels wordt dus alles ondernomen om de verjaring van de zaak te vermijden. Als we die schorsing niet in aanmerking nemen, zou dat inderdaad in 2020 gebeuren.

 

06.04  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, dank u voor het antwoord.

 

We hadden inderdaad al gehoord dat er een schorsingstermijn was. Die zal lopen tot het moment waarop de zaak hernomen wordt, wat op zich een goede zaak is omdat het betekent dat de zaak intussen kan worden voorbereid. De verjaringstermijn loopt dan pas verder vanaf het moment waarop de zaak opnieuw wordt opgeroepen.

 

Maar toch, het blijft twee jaar. De behandeling kan lang duren en er komt wellicht ook een beroep. Daar mag men bijna zeker van zijn. Dat is bijna zo zeker als dat er twee lezingen worden gevraagd in de commissie voor de Justitie. Misschien gaat men zelfs naar Cassatie. Wie weet want het gaat hier om bijzonder grote verantwoordelijkheden. Het zal dus krap worden om alles binnen de twee jaar rond te krijgen.

 

Ik hoop dat de beslissing om twee advocaten-generaal van het hof van beroep te gelasten met dit dossier een goede zaak is. Men zal echter heel hard en minutieus moeten werken om de verjaring te vermijden, waarschijnlijk niet voor de politierechtbank maar wellicht later in de procedure.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "grondslapers in Belgische gevangenissen" (nr. 27530)

07 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les détenus dormant à même le sol dans des prisons belges" (n° 27530)

 

07.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik stelde u reeds meermaals een vraag over de grondslapers in België, namelijk op 7 februari 2018, op 7 maart 2018, op 18 april 2018 en op 2 mei 2018. Op die dag antwoordde u dat er nog maar acht gedetineerden op een matras op de grond sliepen, namelijk vier gedetineerden in Hasselt en vier gedetineerden in de gevangenis van Brugge. Er zouden bijkomende stapelbedden worden geplaatst, om het probleem op te lossen.

 

Ik was dan ook verbaasd, toen ik in het Brugsch Handelsblad van 26 oktober 2018 las dat in de gevangenis van Brugge bij gebrek aan vrije bedden opnieuw veertien gedetineerden op de grond slapen.

 

Ten eerste, hoeveel gedetineerden slapen per gevangenis in België vandaag op de grond?

 

Ten tweede, hoe komt het dat er ten opzichte van 2 mei 2018 opnieuw meer grondslapers zijn?

 

Ten derde, welke maatregelen zult u nemen om alle gedetineerden in België een bed te geven en het probleem op te lossen?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, in de Belgische gevangenissen waren er op 6 november 2018 tien grondslapers, waarvan zes gedetineerden in Brugge, drie gedetineerden in Leuven Hulp en één gedetineerde in Oudenaarde.

 

Er zijn dus niet meer grondslapers dan in mei 2018. Het volledig laten verdwijnen van het fenomeen blijft een prioriteit. Binnen de bestaande capaciteit is dat door de fluctuaties in de opsluiting van beklaagden echter moeilijk in absolute termen te vermijden.

 

Het voorbije jaar werden diverse structurele initiatieven genomen. In een aantal arresthuizen met grondslapers werden in de loop van 2018 bedden bijgeplaatst, met name 70 bedden in Hasselt en 19 bedden in Gent. In Brugge werd recent, na jarenlange leegstand wegens een tekort aan personeel, sectie 38 heropend, wat 44 extra bedden betekent. De heropening van vleugel B in Leuven-Centraal, zijnde 99 plaatsen, staat ook op de agenda.

 

Al die maatregelen hebben tot een daling van het aantal grondslapers bijgedragen.

 

Wanneer echter een arresthuis zich geconfronteerd ziet met een groot aantal opsluitingen op korte termijn, zoals ik eerder heb aangegeven, dan kan het wel gebeuren dat het aantal opsluitingen het aantal beschikbare bedden voor een korte tijdsduur overschrijdt.

 

07.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Het blijft toch enigszins raar om te horen dat u allerlei goede maatregelen neemt, zoals de terbeschikking­stelling van extra bedden of de opening van nieuwe secties, terwijl wij nog steeds worden geconfronteerd met het feit dat personen, ook al zijn het gedetineerden, die een straf moeten uitzitten, geen bed hebben om op te liggen. Daarbij rijst de vraag of de betrokkenen mogelijk veel slechter de gevangenis verlaten dan dat ze er binnengekomen zijn. Ik laat dan nog het aspect van de veiligheid van de cipiers, die moeten omgaan met gedetineerden die op de grond liggen, buiten beschouwing.

 

U kunt wel zeggen dat het om slechts tien personen gaat, maar ik vind die tien er meer dan tien te veel. Ik kan mij niet inbeelden dat er geen mogelijkheid bestaat om in een aantal bedden te voorzien om ook die tien grondslapers te vermijden. Uit vorige antwoorden meende ik van u begrepen te hebben dat naar nul grondslapers gestreefd wordt en het aantal was ook op nul uitgekomen. Vandaag zijn er opnieuw tien grondslapers en misschien stijgt hun aantal nog. Ik hoop daarom dat u toch iets kunt doen, zodat wij dergelijke cijfers niet meer voorgeschoteld krijgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "het onderzoek naar de evaluatie van de wet over het gelijkmatig verdeelde verblijf" (nr. 27347)

08 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "l'étude relative à l'évaluation sur l'hébergement égalitaire" (n° 27347)

 

08.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, sinds de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden leven en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind, vragen steeds meer ouders die niet samenleven om verblijfsco-ouderschap, hetgeen wij kennen als week-weekregeling. De rechter onderzoekt dan de zaak en kiest bij voorrang voor een regeling om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders te verdelen.

 

Mevrouw Christine Van Roy, die doctoreert aan de KU Leuven, heeft een empirisch onderzoek gevoerd naar de verblijfsregeling van kinderen om te bekijken of een evaluatie van de vermelde wet noodzakelijk is. In antwoord op een eerdere vraag die ik hierover stelde, wist u dat de verdediging van dat doctoraat dit najaar zou plaatsvinden, vandaar de volgende vragen.

 

Zijn de resultaten van het doctoraat inmiddels beschikbaar? Zo ja, welke resultaten heeft het opgeleverd?

 

Wanneer mogen de voorstellen tot evaluatie worden verwacht?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Uyttersprot, zoals reeds enkele malen aangekondigd, zowel in de verslagen van de werkgroep Familierechtbanken als in het antwoord op uw mondelinge vraag van 23 januari 2018, werd het doctoraatsonderzoek omtrent de verblijfsregeling van kinderen door mevrouw Van Roy op korte termijn verwacht. Het doctoraat is in een vergevorderd stadium en zal een schat aan informatie bevatten, gelet op de uitvoerige analyse van rechtspraak die erin is verwerkt. Verwacht wordt dat de verdediging zal plaatsvinden in de eerste helft van 2019. Het is als dusdanig op dit ogenblik nog niet mogelijk om de resultaten van het onderzoek vrij te geven.

 

Zodra het doctoraat is verdedigd, zullen de resultaten worden besproken tijdens een vergadering van de werkgroep Familie­rechtbanken. De globale evaluatie van de werking van de familierechtbanken werd door de werkgroep nog niet afgerond.

 

De evaluatie is overeenkomstig artikel 273 van de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank voorzien in 2020. Het lijkt mij aangewezen om de oefening die u voorstelt met betrekking tot de wet van 18 juli 2006 mee te nemen in de globale evaluatie.

 

08.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, in een eerder antwoord gaf u aan dat de verdediging voor dit najaar was, maar ik noteer dat zij in de eerste helft van 2019 zal plaatsvinden. Ik kijk samen met u uit naar de resultaten daarvan, die deel zullen uitmaken van een globale evaluatie in 2020, onder andere samen met de werkgroep Familierechtbanken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de bemiddeling" (nr. 27348)

09 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "la médiation" (n° 27348)

 

09.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, de Federale Bemiddelingscommissie organiseerde samen met verschillende partners in de week van 15 tot 20 oktober in de Week van de Bemiddeling activiteiten om bemiddeling te promoten en meer in de kijker te zetten.

 

Ook op wetgevend vlak is er het voorbije jaar al heel wat werk ter zake in het Parlement verzet.

 

Sinds 2 juli is de wetswijziging inzake bemiddeling in werking getreden. Op hetzelfde moment werd ook mijn wetsvoorstel met betrekking tot het omgangsrecht voor grootouders goedgekeurd. Nadien werd dat uitgebreid tot alle omgangsgerechtigden die zich tot de familierechtbank wenden met het oog op een omgangsregeling met een minderjarig kind. Het doel was ook om er op de inleidingszitting voor te zorgen dat de betrokken partijen goed geïnformeerd worden over alternatieven met het oog op geschiloplossingen en gerechtelijke en buitengerechtelijke bemiddeling te motiveren en te stimuleren. Hopelijk zullen die twee maatregelen kunnen helpen om geschillen onderling op te lossen.

 

Naar aanleiding van de Week van de Bemiddeling heb ik hierover de volgende vragen, mijnheer de minister. Hebt u al bevindingen van op het terrein ontvangen, ook al is een periode van drie maanden sinds de wetswijziging nog te kort voor een evaluatie?

 

Eind januari vroeg ik naar de cijfers over het gebruik van bemiddeling bij de rechtbanken van eerste aanleg en de familierechtbanken. Het statistisch project daaromtrent was op dat moment nog in ontwikkeling. Zijn er al vorderingen? Hoe ver staat men met het bijhouden van de cijfers?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Uyttersprot, wat de eerste vraag betreft, is het inderdaad voorbarig om conclusies te trekken over de hervorming, aangezien de wet pas op 2 juli 2018 werd gepubliceerd. Bovendien is een deel van titel 9 van de wet van 18 juni 2018 nog niet in werking getreden. Ik heb nog geen feedback ontvangen van het terrein.

 

Wat uw tweede vraag betreft, is het project van het College van de hoven en rechtbanken met betrekking tot de statistieken van de familierechtbank nog steeds in ontwikkeling. Het project moet ook de statistieken met betrekking tot de gerechtelijke bemiddelingen en de buitengerechtelijke bemiddelingen die door de familierechtbanken worden gehomologeerd, integreren onder een specifieke code. De bemiddelingen die gebeuren zonder enige tussenkomst van de rechtbank, zullen dus niet worden opgenomen. Het College kon mij niet meedelen wanneer het statistisch project klaar zal zijn.

 

Voor cijfers over het gebruik van bemiddeling in het algemeen, verwijs ik u graag naar de resultaten van de bemiddelingsbarometer 2018, die tijdens de Week van de Bemiddeling op 18 oktober werden bekendgemaakt door bMediation, in samenwerking met de federale Bemiddelingscommissie.

 

09.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Dank u, mijnheer de minister. Ik noteer dat u nog geen feedback van het terrein hebt gekregen en dat het statistisch project nog in ontwikkeling is. Ik kan mij voorstellen dat dat een belangrijke bron van informatie is en hoop dus dat het project er snel komt. Ik zal er de cijfers uit de bemiddelingsbarometer waaraan u refereert, op naslaan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de strijd tegen frauduleuze erkenningen" (nr. 27349)

10 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "la lutte contre les reconnaissances frauduleuses" (n° 27349)

 

10.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de wet van 19 september 2017 met betrekking tot de strijd tegen frauduleuze erkenningen trad op 1 april 2018 in werking. Hierdoor wordt het moeilijker om een kind te erkennen, wanneer de aangever geen enkele afstammingsband met het kind kan aantonen en dit enkel doet om een verblijfsrecht te bekomen. Bezit van staat zal in dat geval niet meer volstaan.

 

Nu de wet een half jaar van kracht is, heb ik enkele vragen.

 

Ten eerste, hoeveel onderzoeken naar frauduleuze erkenning van kinderen werden er sinds de inwerkingtreding van deze wet opgestart?

 

 Ten tweede, zijn er ondertussen reeds personen effectief veroordeeld voor een frauduleuze erkenning? Indien ja, hoeveel?

 

Ten derde, hoeveel erkenningen zijn er ingetrokken sinds de wet van kracht is?

 

Ten vierde, zijn er reeds verblijfsvergunningen ingetrokken wanneer een schijnerkenning werd bewezen? Indien ja, hoeveel? Werden deze personen teruggestuurd naar hun land van herkomst?

 

Ten vijfde, wordt er gedacht aan een uniforme internationale wetgeving in verband met frauduleuze erkenningen?

 

Ik weet dat het om nogal wat cijfermateriaal gaat, maar aangezien de gebruikelijke termijn voor een schriftelijke vraag van 20 dagen en het reces ertussen zat, hoop ik dat u mij meer informatie zult kunnen verschaffen.

 

10.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Uyttersprot, noch het College van de hoven en rechtbanken, noch het College van het openbaar ministerie kon mij statistieken bezorgen met betrekking tot de frauduleuze erkenning.

 

De correctionele griffies migreren op dit ogenblik van het REA/TPI-systeem naar de MaCH-toepassing en de regels voor de berekening in de nieuwe gegevensbank konden nog niet worden opgesteld.

 

De cijfergegevens van de burgerlijke griffie worden uit de applicaties gehaald waarmee de griffies de gerechtelijke dossiers beheren. De IT-applicatie van de familierechtbanken laat niet toe om de gevraagde gegevens te registreren.

 

Ik wil erop wijzen dat een koninklijk besluit in voorbereiding is dat het koninklijk besluit van 16 juli 1992 tot vaststelling van de informatie die wordt opgenomen in het bevolkingsregister en in het vreemdelingenregister zal wijzigen, zodat de frauduleuze erkenning in deze registers kan worden vermeld. De minister van Binnenlandse Zaken is hiervoor bevoegd.

 

Wat betreft uw vraag over de intrekking van de verblijfsvergunning en het terugsturen naar het land van herkomst, verwijs ik u graag door naar de bevoegde staatssecretaris voor Asiel en Migratie.

 

Er is op dit ogenblik op internationaal vlak geen wetgeving in de maak om de problematiek van de frauduleuze erkenningen te regelen.

 

10.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Wij merken regelmatig dat cijfers niet of onvoldoende kunnen worden bijgehouden, wat jammer is als wij willen nagaan of de wetten die hier worden goedgekeurd hun beoogde doel bereiken.

 

Dat is een loutere vaststelling. Wij hopen dat de verdere informatisering haar rol zal spelen.

 

Wat de andere vragen betreft, zijn er inderdaad al parallelle vragen onderweg naar uw collega's.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de wet op de spijtoptanten en het gebruik ervan in het onderzoek naar de Bende van Nijvel" (nr. 27531)

- mevrouw Sarah Smeyers aan de minister van Justitie over "de Bende van Nijvel" (nr. 27533)

11 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la loi sur les repentis et son utilisation dans l'enquête sur les tueurs du Brabant" (n° 27531)

- Mme Sarah Smeyers au ministre de la Justice sur "les tueurs du Brabant" (n° 27533)

 

De voorzitter: Mevrouw Smeyers is niet aanwezig voor het stellen van haar vraag.

 

11.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vorige week was er weer veel te doen omtrent de Bende van Nijvel. Het federaal parket schrapt Christiaan Bonkoffsky als de Reus van de Bende van Nijvel. Dat is zeer vreemd aangezien procureur-generaal Christian De Valkeneer een jaar geleden 100 % zeker was dat hij wel de Reus was. Kort daarna was de heer De Valkeneer niet langer het hoofd van het onderzoek, het federaal parket nam het commando over.

 

Bij het federaal parket is men ervan overtuigd dat er is geknoeid met het dossier. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat er werd gesjoemeld met een vondst in het kanaal van Ronquières in 1986. Een jaar eerder werd er namelijk op dezelfde plek helemaal niets gevonden. Het nieuw speurdersteam hoopt met een nieuwe oproep naar getuigenissen het onderzoek in een stroomversnelling te brengen.

 

In het programma Faroek op VTM, vorige week, deed het parket een oproep naar informatie. Het parket hoopt specifiek op informatie omtrent een Volkswagen Golf, een lid van de Bende van Nijvel met opvallende wijn- of geboortevlek en omtrent de duikactie in het kanaal in Ronquières. De dag na de aflevering zouden reeds 72 nieuwe tips zijn binnengelopen. Hopelijk kan men, mede door de nieuwe wet op de spijtoptanten en deze tips, vooruitgang boeken in dit onderzoek.

 

Wanneer krijgen wij een update over de stand van zaken in het onderzoek naar de Bende van Nijvel? De vorige dateert al van 8 mei laatstleden?

 

Is er al gebruikgemaakt van de wet op de spijtoptanten in dit dossier? Zo ja, heeft dit nuttige informatie opgeleverd?

 

11.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, eerst en vooral moet ik meedelen dat ik over de concrete inhoud, de vooruitgang en de resultaten van de onderzoeksdaden en het lopend gerechtelijk onderzoek geen informatie kan en mag verstrekken. Ik zou daarmee niet alleen het geheim van het onderzoek schenden maar ook de strategie en de vooruitgang belemmeren. Ook kan dit collusiegevaar met zich meebrengen.

 

Ik zal met de leden en de voorzitter van de commissie afspreken wanneer het gepast is om een volgende stand van zaken te geven. Rekening houdend met wat ik u zonet meedeelde zal dit ook gebeuren in overleg met de gerechtelijke autoriteiten.

 

De informatie die ik u nu kan geven is afkomstig van het federaal parket. Zoals werd aangegeven in de uitzendingen van het programma Faroek en van de RTL, concentreert het onderzoek zich thans op de materiële feiten, onder meer de in beslag genomen goederen, documenten en wapens, vingerafdrukken, de DNA-sporen en de verstrekte alibi's. Het onderzoek wil zich namelijk hoeden voor veronderstellingen en hypotheses die feitelijke grondslag missen.

 

De vraag of er al gebruik is gemaakt van spijtoptanten behoort tot het geheim van het onderzoek. In de nieuwe wetgeving op de spijtoptanten is bepaald dat de inzet van een spijtoptant enkel kan worden bevestigd indien er met deze een akkoord bestaat.

 

Wat de identificatie van de zogenaamde reus betreft deelt het federaal parket mij het volgende mee: "Uit het onderzoek dat tot op heden werd gevoerd, zijnde verhoren, vergelijking van DNA en analyses van de verklaringen, blijkt dat er geen enkel bewijs, zelfs geen enkele ernstige aanwijzing bestaat dat de heer Bonkoffsky als dader voor de feiten of sommige feiten of een feit die/dat aanhangig zijn/is bij de onderzoeksrechter te Charleroi in aanmerking komt".

 

Over de manipulatie van het bewijsmateriaal en de daders ervan deelt het federaal parket mij mee dat dit volop wordt onderzocht. De mogelijke gevolgen voor deze personen zijn dat hun daden van uitvoering, aanzetting of voorbereiding kunnen leiden tot strafbare deelneming, dat is mededaderschap of medeplichtigheid.

 

Over de informatieverstrekking aan de slachtoffers laat het federaal parket mij het volgende weten:

 

"Het federaal parket meent dat op dit ogenblik geen nood bestaat om een nieuwe vergadering met de slachtoffers te organiseren. Het gerechtelijk onderzoek is volop gaande.

Voor bepaalde aspecten werd de hulp van het publiek ingeroepen, dit via de media in Vlaanderen en Wallonië. Van een aantal andere aspecten van het onderzoek werd melding gedaan, bijvoorbeeld het DNA-onderzoek in Lyon en de nadruk die wordt gelegd op de materiële bewijzen.

Het is in het belang van het onderzoek en zijn evolutie en gezien het beroepsgeheim thans niet mogelijk om uit te leggen op welke personen, pistes en situaties onderzoeken worden uitgevoerd".

 

11.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik heb er alle begrip voor dat u niet altijd alles kunt zeggen. Ik meen echter dat het aangewezen is om terug een update te geven, zeker als er zoveel in de pers verschijnt. Zo kan men heel wat speculatie wegnemen en zeker ook het idee dat er niet hard wordt voortgewerkt om opheldering te kunnen verschaffen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Sonja Becq aan de minister van Justitie over "het arrest van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de exceptie cautio iudicatum solvi" (nr. 27539)

12 Question de Mme Sonja Becq au ministre de la Justice sur "l'arrêt de la Cour constitutionnelle relatif à l'exception de cautio iudicatum solvi" (n° 27539)

 

12.01  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de minister, met die mooie Latijnse exceptie wordt eigenlijk verwezen naar de borgstelling van de eisende vreemdeling. Aan een rechtzoekende uit het buitenland die hier ook geen fondsen of middelen heeft, kan worden gevraagd dat hij zich borg zou stellen voor het geval dat het proces dat hij voert een ongegrond proces zou zijn en hij de kosten niet zou kunnen betalen, als hij daartoe veroordeeld zou worden. Daarom werd er dus een systeem ontwikkeld om zo'n borgstelling effectief mogelijk te maken.

 

Die regeling is terug te vinden in artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek. Op dat artikel bestaan wel uitzonderingen. Die hebben te maken met wederkerige verdragen of het feit dat de borgstelling niet kan worden opgelegd aan EU-burgers. Volgens een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag zo'n borgstelling niet tot gevolg hebben dat de buitenlandse rechtzoekende geen effectieve toegang tot het Belgisch gerecht zou hebben.

 

Aan het Grondwettelijk Hof werd in een prejudiciële vraag de beoordeling van het volgende onderscheid voorgelegd. Een Belgische verweerder kan zo'n borgstelling vorderen ten aanzien van een vreemdeling die als eiser of tussenkomende partij optreedt, maar ten aanzien van een Belg kan zo'n borgstelling echter niet gevorderd worden. Beide zouden nochtans in de situatie van een eventueel ongegrond proces kunnen terechtkomen, waarin zij tot de betaling van de kosten veroordeeld zouden kunnen worden.

 

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het criterium van de nationaliteit niet relevant is voor het doel, namelijk de zekerheid dat de kosten betaald worden. Volgens het Hof is niet de nationaliteit, maar veeleer de omstandigheid dat de betrokkene in het buitenland verblijft en in België geen goederen of fondsen bezit het criterium van onderscheid dat meegenomen zou moeten worden.

 

In de vorige legislatuur was onze collega Kristof Waterschoot erg vooruitziend, want hij heeft daarover toen een wetsvoorstel ingediend, waarin hij voorstelde om artikel 851 op te heffen. Hij beargumenteerde dat er talrijke uitzonderingen zijn en dat het artikel haast niet gebruikt wordt, waardoor het evengoed kan worden geschrapt. Anderen volgen echter de redenering van het Grondwettelijk Hof en stellen dat niet het nationaliteitscriterium het uitgangspunt is, maar wel de omstandigheid dat iemand in België geen goederen bezit en ook niet in België woont.

 

Het Grondwettelijk Hof heeft wel enige tijd gegeven om die regelgeving in orde te brengen.

 

Mijnheer de minister, om hoeveel situaties gaat het meer precies? Ik vraag dat omdat ik nergens cijfers terugvind over de opeising en toekenning van een borgstelling en evenmin weet ik of u een zicht hebt op het aantal situaties waarbij een procedure wordt ingeleid die ongegrond verklaard wordt en waarbij de eisende partij de kosten niet kan voldoen. Hebt u meer cijfergegevens?

 

Zult u ter zake op korte of halflange termijn een wetswijziging voorstellen? Worden er eventueel in overgangsmaatregelen voorzien?

 

12.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Becq, zoals u terecht opmerkt, wordt in de praktijk slechts zelden nog een cautio iudicatum solvi gevorderd. De gronden daartoe haalt u aan in uw vraag.

 

Hoewel het Grondwettelijk Hof de wetgevende macht in het door u aangehaalde recente arrest niet de verplichting oplegt om die exceptie te schrappen, dient vastgesteld te worden dat die bijvoorbeeld in Frankrijk reeds sedert het decreet van 20 juli 1972 uit het burgerlijk procesrecht is verdwenen.

 

Ook in ons land gaan er sinds jaren stemmen op om de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek op te heffen. Zo gaf een van mijn voorgangers op dit departement, de heer Verwilghen, in februari 2000 in antwoord op een parlementaire vraag reeds aan bereid te zijn om een wetsontwerp tot opheffing van artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek in te dienen indien er ter zake geen parlementair initiatief werd genomen.

 

Zoals u in uw vraag al zei, diende de heer Waterschoot in 2012 een wetsvoorstel in die zin in.

 

Het arrest van het Grondwettelijk Hof, dat ons in elk geval verplicht om minstens de formulering van artikel 851 aan te passen en komaf te maken met het nationaliteitscriterium, biedt ons dan ook de kans om ons opnieuw te buigen over de vraag of het, gelet op de beschreven evoluties, nog wel opportuun is om deze exceptie te behouden in ons burgerlijk procesrecht.

 

Ik ben zelf geneigd om degenen die pleiten voor een opheffing van de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek bij te treden.

 

Met betrekking tot eventuele overgangs­maatregelen zou het inderdaad aangewezen kunnen zijn om te voorzien in een uitzondering op de principiële onmiddellijke toepassing van de bepalingen die de regels betreffende de rechtspleging wijzigen, zoals volgt uit artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek. Het blijkt immers nogal onredelijk ten opzichte van een verweerder om hem de zekerheid van de cautio, indien die hem reeds werd toegekend in het kader van een hangende procedure, alsnog te ontnemen.

 

12.03  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord dat vrij duidelijk is. Ik denk dat we moeten nagaan hoe we dit de volgende weken opnieuw kunnen indienen, als een amendement of als element in een of andere verzamelwet.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Question de M. Marco Van Hees au ministre de la Justice sur "le projet de privatiser la surveillance des palais de justice" (n° 27455)

13 Vraag van de heer Marco Van Hees aan de minister van Justitie over "de plannen om de bewaking van de gerechtsgebouwen te privatiseren" (nr. 27455)

 

13.01  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, il me revient que vous projetez de privatiser la surveillance des palais de justice le week-end en confiant celle-ci à des firmes privées de gardiennage.

 

Confirmez-vous cette information? Dans l'affirmative, quelle est la motivation de ce projet? Quels palais de justice seraient concernés et à partir de quand? Combien d'emplois publics seraient supprimés dans ce cadre? Qu'advien­drait-il du personnel actuellement affecté à cette tâche? Des agents, statutaires ou contractuels, risquent-ils de perdre leur emploi? Dans la négative, y aura-t-il un impact sur leur rémunération – par exemple, les primes de travail du dimanche? De quel montant? Quel est l'impact budgétaire d'une telle décision? Combien coûterait la sous-traitance de cette surveillance sur une base annuelle? Et quel est le coût actuel?

 

13.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Van Hees, ces questions doivent être abordées dans le cadre de la politique globale en matière de sécurité des bâtiments judiciaires.

 

L'ensemble des bâtiments judiciaires importants sur le plan stratégique sont plus ou moins équipés d'installations de sécurité intégrées. La nécessité d'une intervention humaine est inhérente à ces systèmes de sécurité: commandes des installations, traitement des alarmes, réactions adéquates lors de situations de crises, en fonction de la nature de l'incident, recours à la police ou à d'autres services de secours, etc.

 

Ces missions sont actuellement assumées par le service Surveillance et Gestion en plus d'autres missions. En fonction de l'analyse des risques et de l'estimation des besoins de surveillance par site, deux types d'équipes interviennent selon la taille du bâtiment. Une équipe de 11 collaborateurs est présente 7 jours sur  7, 24 heures sur 24 ou bien une équipe de 5 collaborateurs est présente uniquement la journée.

 

Lorsque aucun collaborateur n'est présent, les installations de sécurité sont évidemment actives et les alarmes sont traitées au sein d'une centrale d'appels d'une entreprise privée de gardiennage, incluant si nécessaire une intervention de cette entreprise.

 

L'actuel règlement relatif au temps de travail prévoit la surveillance par un seul collaborateur le samedi et le dimanche. Selon un avis rendu récemment par l'auditeur du travail, il faudrait toutefois prévoir systématiquement la présence de deux collaborateurs. En conséquence, le SPF Justice a entamé une concertation sociale concernant l'adaptation du règlement relatif au temps de travail et a proposé le recours à deux collaborateurs le samedi et la suppression de la surveillance physique d'un collaborateur le dimanche. La surveillance le dimanche est alors assurée par le système d'alarme. Une connexion avec la centrale d'appels ainsi qu'une intervention à la suite d'une alarme sont prévues. Il s'agit uniquement d'une modification du règlement relatif au temps de travail pour les collaborateurs Surveillance et Gestion qui font partie d'une équipe de cinq personnes, mais en aucun cas d'une privatisation totale de la surveillance. Dès lors, aucun emploi ne sera perdu.

 

Il est question des bâtiments suivants: cour d'appel d'Anvers, Turnhout, Tongres, Montesquieu à Bruxelles, Louvain, bâtiment judiciaire 2 à Nivelles, cour d'appel de Gand, Termonde, Huy, Dinant, Marche-en-Famenne, bâtiment judiciaire 2 à Charleroi et enfin Tournai. Pour certains, une prime du samedi supplémentaire sera payée chaque semaine, mais la prime du dimanche tombe. La prime du samedi s'élève à 50 % de la prime du dimanche. Le coût supplémentaire dû au recours à une entreprise privée de gardiennage est marginal. Les bâtiments concernés font déjà l'objet d'un contrat nécessaire pour la connexion à une centrale d'appels. Ainsi, seules les interventions ponctuelles à la suite d'une alarme entraîneront des coûts supplémentaires.

 

13.03  Marco Van Hees (PTB-GO!): Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Si je comprends bien, on ne va pas remplacer du personnel public par du personnel privé, mais on va carrément supprimer la présence physique le dimanche dans les bâtiments que vous avez cités, qui sera remplacée par une alarme raccordée à une centrale.

 

Je comprends le souci d'avoir deux collaborateurs au lieu d'un, car charger une seule personne de la surveillance peut être problématique dans certains cas. Par contre, je suis surpris par la décision de supprimer carrément cette présence le dimanche. Je suppose que, s'il y avait une présence physique, c'est qu'elle était nécessaire. Je ne peux que m'interroger et m'inquiéter au sujet des données sensibles qui peuvent se trouver dans ce genre de bâtiments.

 

Je constate aussi qu'il y a une perte financière au niveau de la rémunération de certains agents. Je le déplore également. La solution aurait sans doute été d'engager un collaborateur supplémentaire pour assurer à deux les gardes le samedi et le dimanche.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.53 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.53 uur.