Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 3 oktober 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 3 octobre 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.07 uur en voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.07 heures et présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

De voorzitter: Collega's, ik stel voor dat we met de vragen beginnen, aangezien onvoldoende leden aanwezig zijn voor wetgevend werk.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, l'ordre du jour prévoyait de commencer par les propositions de loi. Nous changeons donc l'ordre du jour.

 

Le président: Nous ne sommes pas en nombre, nous ne pouvons donc entamer le travail législatif. Je suggère de commencer par les questions orales.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, je rappelle que la majorité nous a imposé un vote sur l'urgence sur les propositions de loi inscrites à l'ordre du jour.

 

Le président: Nous allons commencer par les questions.

 

Les questions n° 26594 de Mme Karin Jiroflée, n° 26895 de Mme Griet Smaers et n° 26958 de M. Dirk Van der Maelen sont transformées en questions écrites.

 

01 Samengevoegde vragen van

- de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het UBO-register en situaties in verband met vruchtgebruik en blote eigendom" (nr. 27008)

- de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het UBO-register en het huwelijkvermogensrechtelijke statuut van aandelen" (nr. 27009)

- de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het UBO-register en de formaliteiten" (nr. 27010)

- de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het UBO-register en de stemafspraken" (nr. 27011)

- de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het UBO-register en de burgerlijke maatschap (contractuele onverdeeldheid)" (nr. 27012)

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het uitstel van de inwerkingtreding van het UBO-register" (nr. 27090)

01 Questions jointes de

- M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le registre UBO et les situations d'usufruit et de nue-propriété" (n° 27008)

- M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le registre UBO et le statut matrimonial des actions" (n° 27009)

- M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les formalités liées au registre UBO" (n° 27010)

- M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le registre UBO et les pairages" (n° 27011)

- M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le registre UBO et la société de droit commun (indivision contractuelle)" (n° 27012)

- M. Marco Van Hees au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le report de l'entrée en vigueur du registre UBO" (n° 27090)

 

01.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, collega's, bedankt dat u even gewacht hebt om de vergaderzaal binnen te komen. Zo kunnen we beginnen met de mondelinge vragen.

 

Mijnheer de minister, mijn vragen gaan over het UBO-register en stemafspraken. In de praktijk blijken er onduidelijkheden te zijn over de UBO. Het betreft onder andere de vraag of stemafspraken die zijn opgenomen in de statuten van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, of in de statuten van een burgerlijke maatschap, tot gevolg hebben dat controle wordt uitgeoefend over de vennootschap op iedere andere wijze, zoals bepaald in het tweede criterium, artikel 4, 27°, tweede lid, a) van de wet van 18 september 2017.

Ik illustreer de kwestie aan de hand van een voorbeeld. De indeling van aandelen in categorieën en de vereiste van betrokkenheid van minstens één van deze categorieën voor het nemen van een bepaalde beslissing. Nog eenvoudiger, de vereiste van een bepaalde meerderheid van de stemmen, afwijkend van de regels van het Wetboek van vennootschappen, om een beslissing te kunnen nemen.

Dat was mijn eerste vraag.

 

Ten tweede, in de praktijk rijzen er onduidelijkheden over wie er als UBO aangemerkt wordt in het kader van een Belgische burgerlijke maatschap. Artikel 1, eerste lid van het Wetboek van vennootschappen stelt: "Een vennootschap wordt opgericht door een contract op grond waarvan twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen."

De maatschap is een vennootschapsvorm met een burgerlijk- of handelsdoel die geen rechtspersoonlijkheid bezit. Gelet op het feit dat de burgerlijke maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, beschikt de maatschap niet over een afgescheiden vermogen. De in de burgerlijke maatschap ingebrachte goederen worden dan ook niet als eigendom van de maatschap beschouwd maar komen daarentegen in mede-eigendom van de verschillende vennoten.

 

Ik illustreer mijn vraag aan de hand van een voorbeeld. De burgerlijke maatschap bezit aandelen van een werkvennootschap of holding. De maten zijn elk voor 20 % gerechtigd. Moeten alle maten die elk voor 20 % gerechtigd zijn vermeld worden, ook al wordt de maatschap vertegenwoordigd door een derde? Moet de vertegenwoordiger van de maatschap in die hypothese eveneens als UBO worden beschouwd?

 

Ik kom tot mijn volgende vraag.

 

De informatieplichtigen van het UBO dienen de gegevens bepaald in artikel 3 en 4 van het KB door te geven. De bestuurders, artikel 14, 1° van het Wetboek van vennootschappen en artikel 58, 11° van de vzw-wet, of trustees/fiduciebeheerders, artikel 4 van het KB, zullen hiervoor bevoegd zijn. Zal de mogelijkheid bestaan om deze bevoegdheid, met name de concrete registratie van de nodige informatie in het UBO-register, uit te oefenen bij volmacht, zoals ook gebruikelijk is in de fiscale aangiftepraktijk, bijvoorbeeld bij een aangifte van de vennootschapsbelasting door de accountant van de vennootschap?

 

Dan kom ik tot mijn volgende vraag. In het wettelijk stelsel kunnen aandelen tot de huwgemeenschap behoren. De aandelen zijn dan ofwel volledig gemeenschappelijk, ofwel dient de opsplitsing gemaakt te worden tussen de lidmaatschapsrechten die slechts bij één echtegenoot berusten en de vermogenswaarde die tot de huwgemeenschap behoort. Veronderstel dat 40 % van de aandelen van een nv volledig gemeenschappelijk zijn, dus zowel de lidmaatschapsrechten als de vermogenswaarde behoren tot de huwelijksgemeenschap. Moeten beide echtegenoten dan als UBO worden opgenomen omdat 40 % van de aandelen van de nv in dit voorbeeld tot de huwelijksgemeenschap behoren?

 

Veronderstel daarentegen dat 40 % van de aandelen van een bvba zijn opgesplitst, waarbij de lidmaatschapsrechten eigen zijn aan één echtgenoot en de vermogenswaarde tot de huwgemeenschap behoort. Wie wordt dan als UBO beschouwd? Is dat de echtgenoot op wiens naam de aandelen in het aandeelhoudersregister zijn ingeschreven omdat de lidmaatschapsrechten hem eigen zijn? Of is het de gemeenschap omdat de vermogenswaarde gemeenschappelijk is?

 

Ik heb nog een laatste vraag. Mijn excuses voor de techniciteit, maar het is belangrijk dat het UBO goed kan starten. Het komt vaak voor dat het eigendomsrecht over aandelen van een vennootschap gesplitst wordt aangehouden, bijvoorbeeld ingevolge een overlijden of schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. Bijvoorbeeld, de langstlevende echtgenoot heeft het vruchtgebruik geërfd van 40 % van de aandelen van een Belgische vennootschap. De twee kinderen hebben elk 20 % van de naakte eigendom geërfd. Typisch berust het stemrecht dan bij de vruchtgebruiker. Wie dient in deze situatie als UBO te worden aangesteld?

 

Tot daar mijn specifieke vragen over het UBO-register.

 

01.02  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le président, monsieur le ministre, deux informations concomitantes relatives au registre UBO posent question.

 

La première de ces informations concerne le report de l'entrée en vigueur. Sur le site internet du SPF Finances, on peut lire: "Bien que l'entrée en vigueur de l'arrêté royal soit fixée au 31 octobre 2018, vous disposez d'un délai étendu au 31 mars 2019 pour encoder vos bénéficiaires effectifs pour la première fois."

 

La seconde information se rapporte au fait que, selon la presse, pour reprendre le titre du journal L'Echo du 26 septembre 2018 "Les familles fortunées tentent d'échapper au registre des riches". Selon cet article, les banquiers privés, avocats, experts-comptables et autres conseillers invitent leurs clients concernés par les déclarations au registre UBO à procéder à des modifications de leurs structures patrimoniales afin de mieux occulter celles-ci.

 

On peut donc envisager de faire le lien entre ces deux informations. Le report de l'entrée en vigueur serait alors une manière d'offrir plus de temps aux personnes concernées pour effectuer de telles modifications.

 

Monsieur le ministre, avez-vous connaissance d'un mouvement de modifications des structures patrimoniales effectuées en réaction à l'établissement du registre UBO? Si oui, de quelles modifications s'agit-il et quelle réaction envisagez-vous le cas échéant? Pour quelle(s) raison(s) avez-vous décidé de reporter, du 31 octobre 2018 au 31 mars 2019, le premier encodage au registre UBO? Un arrêté ministériel doit-il encore être publié à propos du registre UBO? Si oui, quand cette publication est-elle prévue? Avez-vous subi des pressions quant à la date d'entrée en vigueur ou quant à d'autres aspects du registre UBO?

 

Pouvez-vous me fournir la liste des contacts – personnes directement concernées, groupes de pression, banquiers privés, avocats, experts-comptables, etc. – que vous avez eus à propos du registre UBO depuis la publication, au Moniteur belge du 14 août 2018, de l'arrêté royal relatif aux modalités de fonctionnement du registre UBO? Si cette liste est trop longue, vous pouvez évidemment la joindre comme annexe.

 

01.03 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Hees, mijnheer Van Biesen, de Algemene Administratie van de Thesaurie zal richtlijnen opstellen waarin de specifieke, genoemde situaties – ik refereer nu vooral aan de vragenlijst van de heer Van Biesen – zullen worden verduidelijkt. Normalerwijze zullen deze richtlijnen begin november, dus over een goede maand, beschikbaar zijn en gepubliceerd worden op de website van de Thesaurie. De informatieplichtigen kunnen effectief mandaten verlenen aan derden om de informatie van hun uiteindelijke begunstigden in hun naam en voor hun rekening in te vullen. De procedure daartoe wordt vermeld in de FAQ op de website van de Administratie van de Thesaurie.

 

Selon la presse, certaines sociétés patrimoniales ont demandé des modifications de leur structure. Il semble que ces modifications concernent des changements de nom de ces sociétés. En effet, de nombreuses sociétés civiles sont constituées sous le patronyme des personnes qui la possèdent. Étant donné que l'accès au registre UBO sera également ouvert au grand public, certaines de ces personnes ne souhaitent pas qu'une recherche concernant une société puisse être faite sur la base de leur nom de famille.

 

L'entrée en vigueur de l'arrêté royal relatif aux modalités de fonctionnement du registre UBO est prévue pour le 31 octobre 2018. Initialement, la mise en production de l'application devait commencer fin juin 2018 mais, pour des raisons liées au développement informatique, l'administration a dû postposer son lancement au 27 septembre 2018. C'est la raison pour laquelle la date butoir à laquelle les redevables d'informations doivent avoir rempli le registre avec leurs bénéficiaires effectifs a été postposée au 31 mars 2019.

 

Dans l'arrêté royal du 30 juillet 2018, mes services ont tenté d'être le plus complet possible quant aux modalités de fonctionnement du registre en question. Si, à l'usage, il s'avère qu'un arrêté ministériel est nécessaire pour compléter l'arrêté royal, mes services s'en chargeront en temps voulu.

 

Je n'ai subi aucune pression spécifique tant concernant la date d'entrée en vigueur que sur aucun autre aspect relatif au registre UBO. Le service en charge du développement du registre UBO a rencontré et consulté la totalité des autorités de contrôle concernées dont la liste exhaustive est à trouver dans l'article 85 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.

 

01.04  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, het zou goed zijn mochten zij die de nieuwe richtlijnen opstellen rekening houden met de gestelde vragen, zodat er een antwoord komt op de specifieke problemen die hier werden aangehaald. Ik kijk uit naar de richtlijnen die in november zullen verschijnen.

 

01.05  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse très claire. Vous n'avez subi aucune pression. Le report de date est uniquement dû à des problèmes informatiques.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De behandeling van de vragen en interpellaties wordt geschorst van 14.22 uur tot 14.49 uur.

Le développement des questions et interpellations est suspendu de 14.22 heures à 14.49 heures.

 

02 Vraag van de heer Vincent Van Peteghem aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de werkingsbijdragen voor de FSMA" (nr. 26956)

02 Question de M. Vincent Van Peteghem au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les contributions pour les frais de fonctionnement de la FSMA" (n° 26956)

 

02.01  Vincent Van Peteghem (CD&V): Mijnheer de minister, artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het financieel toezicht bepaalt dat de werkingskosten van de FSMA worden gedragen door de instellingen die onder haar gezag staan. Sinds 1 januari 2018 zijn de kredietbemiddelaars en de kredietgevers onderworpen aan deze jaarlijkse bijdrage.

 

Deze werkingsbijdragen kunnen niet pro rata betaald worden, aldus de FSMA. Dat betekent dat bemiddelaars en tussenpersonen die noodgedwongen hun activiteit hebben moeten stopzetten verplicht worden om deze jaarlijkse bijdrage te voldoen, ook al zijn ze bijvoorbeeld op 1 mei van dit jaar gestopt met hun activiteit en hebben ze daarbij hun schrapping van de lijst bij de FSMA aangevraagd.

 

Voor vele bemiddelaars en tussenpersonen die worden geconfronteerd met een noodgedwongen sluiting, bijvoorbeeld wegens herstructureringen, leidt het verbod van betaling pro rata tot bijkomende kosten die voor deze mensen een bittere pil is om te slikken gezien de noodgedwongen sluiting.

 

Mijnheer de minister, kunt u verduidelijken of het daadwerkelijk verboden is om de jaarlijkse werkingsbijdrage aan de FSMA pro rata te betalen? Zo ja, wat is volgens u de wettelijke basis van dit verbod? Indien betalingen pro rata verboden zijn, voorzien de wet of de uitvoeringsbesluiten volgens u dan niet in de mogelijkheid tot betalingsfaciliteiten voor onderworpen instellingen of ondernemingen die worden geconfronteerd met uitzonderlijke omstandigheden? Bent u bereid om in dergelijke betalingsfaciliteiten of betalingen pro rata te voorzien? Zo neen, waarom niet?

 

02.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Peteghem, volgens artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten worden de werkingskosten van de FSMA gedragen door de ondernemingen en personen die onder haar toezicht staan of waarvan de verrichtingen of de producten onder haar toezicht staan, binnen de grenzen en volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

 

Aan die bepaling wordt uitvoering gegeven door het koninklijk besluit van 17 mei 2012 betreffende de vergoeding van de werkingskosten van de FSMA. Dat KB bepaalt alle voorwaarden voor de berekening en opvraging van de bijdrage. De basismodaliteiten zijn dezelfde voor alle ondernemingen en personen onder toezicht van de FSMA. Alle ondernemingen en personen onder toezicht van de FSMA betalen overeenkomstig hetgeen bepaald is in het voormeld KB een sectorale bijdrage. Het gaat dan om kredietinstellingen, emittenten en dergelijke meer. Die bijdrage bestaat uit een vooraf vastgelegd percentage van de totale begroting van de FSMA voor het betrokken jaar. Die sectorale bijdrage wordt omgeslagen over alle ondernemingen en personen die op 1 januari van het jaar onder het toezicht van de FSMA staan, zoals gespecificeerd in het vermelde KB.

 

De bij KB bepaalde berekeningsmethode sluit met andere woorden een pro-rataberekening uit. De wettelijk bepaalde werkwijze zorgt er tevens voor dat de FSMA bij de aanvang van ieder werkjaar over de nodige middelen beschikt om haar toezichtstaken effectief te kunnen uitvoeren. Aangezien het KB van 17 mei 2012 aan de FSMA opdraagt te werken met een systeem van gesloten sectorale bijdragen, is de toepassing van pro-ratabetalingen niet mogelijk omdat dat mogelijk zou kunnen leiden tot een onderfinanciering van de FSMA.

 

Graag verwijzen we ook naar het feit dat andere onafhankelijke openbare organisaties, zoals het BIPT en de CREG, ook een dergelijk pro-ratasysteem toepassen. Artikel 3 van het voormeld KB voorziet in een algemene betalingstermijn van één maand voor de betaling van de verschuldigde bedragen. Na het verstrijken van deze termijn verstuurt de FSMA een betalingsherinnering. Specifiek voor de tussenpersonen bepaalt de toepasselijke wetgeving dat de FSMA nog een formele laatste termijn van dertig dagen effectief mogelijk moet maken of moet stellen. Pas daarna vervalt de inschrijving. Hieruit volgt dat het eventuele verlies van de inschrijving niet onmiddellijk gebeurt. De facto beschikt een tussenpersoon bijgevolg steeds over minstens zestig dagen om de betaling te voldoen. In 2018 betaalt een tussenpersoon in consumentenkrediet voor het jaarlijks toezicht van de sector een bijdrage van ongeveer 213 euro. Bovendien is deze betaling bij de huidige stand van de wetgeving ook nog eens fiscaal aftrekbaar.

 

De FSMA verstuurt ten slotte jaarlijks meer dan twintigduizend uitnodigingen tot betaling. De berekening en opvolging hiervan is reeds een vrij arbeidsintensief werk. Wanneer er verschillende betalingsfaciliteiten mogelijk zouden zijn, zou de FSMA hiervoor in extra middelen moeten voorzien. Omdat het maximumaantal personeelsleden van de FSMA ook wettelijk bepaald is, zal dit gevolgen hebben voor de middelen die de FSMA kan toekennen aan wat haar hoofdopdracht is. Dat is, uiteraard, toezicht houden.

 

02.03  Vincent Van Peteghem (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik begrijp dat de FSMA moet worden gefinancierd en dat de werkingswijze is vastgelegd, maar ik stel vast dat het voor bemiddelaars die geconfronteerd werden met een herstructurering een bittere pil was om te slikken. Indien zij namelijk stopten in mei, wil dit zeggen dat ze meer moeten betalen dan wat eigenlijk noodzakelijk is. Het gaat over bedragen rond de 1 200 euro. Voor een kleine bemiddelaar is dat een aanzienlijke som.

 

Het lijkt me aangewezen te onderzoeken of er in de toekomst mogelijkheden bestaan die rekening houden met de situatie van de bemiddelaar. Ik heb begrip voor het gegeven dat de FSMA moet worden betaald, maar ik denk dat het mogelijk is na te denken over een methode waarbij we rekening houden met stopzettingen, al dan niet verplicht onder invloed van herstructureringen. We moeten toch begrip kunnen opbrengen voor de situatie waarin die personen verkeren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen nrs 27057 en 27068 van de heer Roel Deseyn worden uitgesteld.

 

03 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de daling van de loonheffingskorting" (nr. 27075)

03 Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la diminution de la réduction du précompte professionnel" (n° 27075)

 

03.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik geloof niet in uitstel, ik ga gewoon voor een snel resultaat.

 

Mijnheer de minister, wat bij ons de bedrijfsvoorheffing heet, noemt men in Nederland de loonheffing. Bij de berekening van die loonheffing wordt er in principe ook rekening gehouden met wat wij kennen als een belastingvrije som. Er wordt met andere woorden een bepaalde korting verleend op die loonheffing, de zogenaamde loonheffingskorting. Zo moet er minder belasting worden ingehouden op de bezoldiging van de werknemer.

 

Uit informatie die mij werd verstrekt blijkt dat Belgische inwoners die in Nederland werken en dus onderworpen zijn aan die loonheffing vanaf 1 januari 2019 plots veel minder loonheffingskorting zullen krijgen. Er zal op hun bezoldiging met andere woorden plots meer belasting worden ingehouden dan tot nu toe het geval was, zelfs al hebben ze op grond van het dubbelbelastingverdrag met Nederland wel degelijk recht op die korting.

 

Het gevolg van die nieuwe regeling is dat Belgische inwoners een aanvraag moeten doen bij de Nederlandse belastingdienst om dit bedrag maandelijks terug te krijgen of het bedrag van die korting moeten terugvragen via de Nederlandse belastingaangifte. In beide gevallen dienen ze met andere woorden extra actie te ondernemen om gewoon datgene te krijgen waarop ze recht hebben en wat ze tot nu toe ook automatisch verkregen.

 

Mijnheer de minister, is deze wijziging inzake de loonheffingskorting voor Belgische inwoners u bekend? Heeft Nederland hierover vooraf overleg gepleegd met België? Zo niet, kan en zal u uw Nederlandse collega van Financiën aanspreken om deze maatregel opnieuw te bekijken en eventueel in te trekken, zodat Belgische inwoners die in Nederland werken hiervan geen nadeel ondervinden?

 

03.02 Minister Johan Van Overtveldt: De door u aangehaalde problematiek is mij op dit moment vooralsnog onbekend. Ik heb ondertussen wel de opdracht gegeven aan de administratie om bij de Nederlandse administratie te informeren naar de precieze reden voor deze nieuwe werkwijze van de Nederlandse belastingdienst. Daarna kunnen we desgevallend een versoepeling bepleiten voor Belgische inwoners die tewerkgesteld zijn in Nederland.

 

03.03  Johan Klaps (N-VA): Ik dank u voor uw antwoord. Ik ben blij dat ik u nog iets nieuws kan vertellen. Het zal inderdaad pas vanaf 1 januari 2019 ingaan, maar er heerst wel wat ongerustheid bij heel wat grensarbeiders omwille van de administratie waarmee men te maken zou krijgen. Het zou een goede zaak zijn als we dit nog voor Nieuwjaar zouden kunnen ontmijnen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Op vraag van de Conferentie van voorzitters is een interpellatie van de heer Van der Maelen toegevoegd aan de agenda van onze commissievergadering.

 

04 Interpellatie van de heer Dirk Van der Maelen tot de minister van Financiën belast met Bestrijding van de fiscale fraude over "een btw-verlaging naar 6% voor elektriciteit" (nr. 283)

04 Interpellation de Monsieur Dirk Van der Maelen au ministre des Finances chargé de la lutte contre la fraude fiscale sur "sur une baisse de la TVA à 6% pour l'électricité" (n° 283)

 

04.01  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de minister, ik denk dat ik een open deur intrap als ik zeg dat de situatie met betrekking tot de energiearmoede in België onrustwekkende vormen aanneemt. In 2016 was er een stijging met 25 % van de verbruikers van elektriciteit die een afbetalingsplan hebben gevraagd. Voor 2017 komt daar nog 19,5 % bij. We zien dus een onrustwekkende stijging van mensen die energiearmoedeproblemen hebben.

 

Heel vaak maakt men de veronderstelling dat de algemene armoedecijfers en de energiearmoedecijfers slaan op dezelfde groepen van mensen. Dat klopt voor slechts 60 %. Het onrustwekkende is dat 40 % van degenen die dergelijke afbetalingsplannen vragen volgens de officiële statistieken niet onder de algemene armoedegrens vallen, maar dat zij wat men noemt zuiver energiearmen zijn. Dit gaat dan over alleenstaanden, vooral eenoudergezinnen en ouderen, bij wie het duidelijk is dat ze al een groot probleem hebben.

 

Alsof het probleem nog niet groot genoeg is, verwacht men deze winter nog een prijsstijging door de onderzekerheid over de energiebevoorrading.

 

Gisteren in de commissie voor het Bedrijfsleven zijn ons cijfers getoond die erop wijzen dat, wegens de onzekerheid maar ook wegens de stijging van de prijzen van bruinkool en petroleum, de energieprijzen nog sterk zullen stijgen.

 

Ik heb deze interpellatie ingediend, mijnheer de minister, om een pleidooi te houden dat ik in het verleden ook al gehouden heb. In het verleden heb ik al gezegd dat energie geen luxeproduct is waarop 21 % btw geheven kan worden. Ik vind dat 21 % heffen op energie nu totaal ongepast is. Ik pleit voor een verlaging van de btw naar 6 %. Een korte rekensom leert dat met een dergelijke verlaging elk Vlaams gezin onmiddellijk bijna 120 euro zou kunnen uitsparen op zijn energiefactuur.

 

De reden waarom ik die vraag herhaal, was de te verwachten prijsstijging, maar er was ook een hoopgevend signaal. De minister van Energie, mevrouw Marghem, heeft namelijk in de commissie voor het Bedrijfsleven gezegd dat zij zelf te vinden is voor een verlaging van de btw. Ik voeg er eerlijkheidshalve aan toe dat zij gezegd heeft dat zij daarmee vrij alleen staat in de regering. Zij heeft ook te verstaan gegeven, mijnheer de minister, dat u zelf een van de grote tegenstanders bent van die verlaging.

 

Ik stel in elk geval vast dat de sp.a en mevrouw Marghem dezelfde strijd voeren. Dat gebeurt niet heel vaak, maar in dezen is toch al één lid van de regering bereid om het voorstel van de sp.a te volgen. Ik vraag het u nu op de man af: mijnheer de minister, bent u zelf van oordeel dat een verlaging van de btw naar 6 % aangewezen is? Is de regering van plan om die verlaging naar 6 % door te voeren?

 

04.02 Minister Johan Van Overtveldt: Volgens mij was de laatste vraag een vraag in twee fasen. Ik ga enkele dingen op een rijtje zetten.

 

Ten eerste, de prijsstijgingen die we nu zien, hebben niets met de btw te maken. Ze hebben alles te maken met de evolutie van de internationale prijzen, de gevolgen van de engagementen inzake klimaatdoelstellingen en natuurlijk ook de erfenis van wat ik zou willen omschrijven als het Belgische energiedossier.

 

De verlaging van de btw op elektriciteit die eind 2013 is doorgevoerd, was duidelijk een tijdelijke maatregel. Op 1 april 2013 werd de beslissing genomen, allicht net vóór de toenmalige verkiezingen, en deze liep tot eind december 2015. Achteraf is er nog weinig discussie geweest over het feit dat het eigenlijk een soort van verkapte indexsprong was. Sommige economen hebben het een incognito indexsprong genoemd, omdat precies door die verlaging in die periode een indexsprong kon worden gerealiseerd.

 

Deze regering heeft ook een indexsprong bewerkstelligd. Daarover bestaat geen twijfel. Maar wij hebben in ieder geval de moed gehad om het ook effectief als een indexsprong te benoemen. Bovendien hebben we ook gezorgd voor een vorm van sociale correctie via een hogere welvaartsenveloppe en het optrekken van de sociale uitkeringen.

 

Wat de koopkracht betreft, neem ik akte van de cijfers die u geeft over het verschil tussen energiearmoede en algemene armoede. Dat lijkt me trouwens een moeilijk onderscheid om te maken. Het Planbureau calculeert voor dit jaar een stijging van de reële koopkracht, na inflatie en belastingverhogingen, met 1,8 %. Dit komt boven op de stijgingen van de reële koopkracht die zich ook al in de voorbije jaren hebben gemanifesteerd.

 

Als slot van mijn antwoord heb ik nog drie andere bemerkingen.

 

Ten eerste, wat u voorstelt, is een ingreep met aanzienlijke budgettaire consequenties. Het lijkt mij dan ook zinvol of wenselijk dat duidelijk wordt gemaakt hoe die budgettaire consequenties ingevuld worden ten aanzien van het effect op het finaal begrotingssaldo.

 

Ten tweede, ik kan niet voorbijgaan aan het feit dat er in uw argumentatie een inconsistentie zit, omdat ik vanuit uw en ook andere partijen hoor pleiten, of in elk geval heb horen pleiten, voor een verschuiving van belastingen op arbeid naar groene belastingen. De verlaging van de btw op elektriciteit gaat volgens mij nu net de andere richting uit, waardoor die btw-verlaging het vergroeningsaspect van de belastingen, waarmee energieverbruik al dan niet aangespoord wordt, in de wielen rijdt.

 

Ten derde, vaak wordt ernaar verwezen dat het lagere btw-tarief op elektriciteit nog in andere Europese landen van toepassing is, wat klopt, maar van de achtentwintig lidstaten, of zevenentwintig, zo u wil, zijn er slechts vier die het btw-tarief van 6 % toepassen.

 

Mijn antwoord is in ieder geval klaar en duidelijk: op dit moment – ook al kunnen besprekingen binnen de regering altijd een eigen dynamiek krijgen – ben ik geen voorstander van het involgen van uw suggestie.

 

04.03  Dirk Van der Maelen (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, dat mij niet verrast. We kunnen een dispuut voeren over het verleden, maar ik probeer naar vandaag te kijken en naar de helaas zorgwekkende ontwikkeling voor de toekomst. De private consument in België moet nu al, nog vóór de te verwachten prijsverhogingen, een tarief betalen dat, als het niet het hoogste is, tot de drie hoogste in de Europese Unie behoort.

 

Ik ga niet akkoord met het argument dat een vermindering van de elektriciteitsfactuur voor een gemiddeld Vlaams gezin met, volgens onze berekening, ongeveer 120 euro door een btw-verlaging, zou leiden tot een verspilling van energie. Ik denk dat de prijzen in België, zelfs met een verlaging naar 6 %, zo ontradend hoog zijn dat het door u geschetste effect zich niet zal voordoen.

 

Ten tweede, u stelt dat dankzij deze regering de koopkracht gemiddeld verhoogd is met 1,8 %. We kunnen er een lange discussie over voeren, die u trouwens met mijn collega's al hebt gevoerd. Enerzijds worden een aantal maatregelen verkocht als maatregelen ter verhoging van de koopkracht. Anderzijds worden de tarieven van facturen en rekeningen verhoogd, zoals bijvoorbeeld de elektriciteitsrekening die bijna verwerd tot een tweede belastingfactuur.

 

Gemiddelden, mijnheer de minister, zeggen niet alles. In 2016 was er een stijging met 25 % van mensen die een beroep doen op afbetalingsplannen. In 2017 kwam daar nog eens bijna 20 % bij. Dit zijn signalen die een regering, als ze een sociaal hart heeft, ter harte zou moeten nemen.

 

Als de elektriciteitsfactuur met 6 % zou verlagen, dan zal de restant die van de privéconsument gevraagd wordt, nog steeds bij de hoogste van Europa zijn. De sociale problemen zijn zo groot dat wij vinden dat er moet worden ingegrepen.

 

Zo kom ik tot een derde element van antwoord. Als u wilt, kunnen we een hele discussie voeren over de vraag waar we de kosten zouden kunnen compenseren. Neemt u het mij niet kwalijk, maar ik zou bijvoorbeeld die gevechtsvliegtuigen niet kopen. Dan is er geen enkel probleem om dit soort van sociale maatregelen te nemen. Andere collega's van mij, die meer beslagen zijn op dit vlak, zouden u andere voorstellen kunnen doen, maar als u het mij vraagt: koop die gevechtsvliegtuigen niet en verlaag de btw naar 6 %.

 

Moties

Motions

 

De voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion les motions suivantes ont été déposées.

 

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Dirk Van der Maelen en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Dirk Van der Maelen

en het antwoord van de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude,

- gelet op de sterke stijging van de energiearmoede de voorbije jaren, waardoor in Vlaanderen het aantal gezinnen met een afbetalingsplan voor hun energiefactuur na een stijging in 2016 van 25 % vorig jaar nog eens een stijging kende van bijna 20 % tot ondertussen meer dan 97 000 gezinnen;

- gelet op de mogelijke bijkomende prijsstijgingen ten gevolge van de onzekerheid over de energiebevoorrading;

- gelet op het feit dat elektriciteit een basisproduct is en geen luxeproduct, waardoor het huidig tarief van 21 % eigenlijk ongepast is;

- gelet op het feit dat een btw-verlaging voor gezinnen een onmiddellijk effect zou hebben van 119,9 euro op hun elektriciteitsfactuur;

verzoekt om de btw op elektriciteit zo snel mogelijk te verlagen van 21 naar 6 %."

Une motion de recommandation a été déposée par M. Dirk Van der Maelen et est libellée comme suit:

"La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de M. Dirk Van der Maelen

et la réponse du ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale,

- vu la forte augmentation de la précarité énergétique au cours des dernières années, qui a donné lieu l’année dernière à une croissance de près de 20 % du nombre de ménages flamands ayant un plan d’apurement pour le règlement de leur facture énergétique, alors que ce nombre avait déjà augmenté de 25 % en 2016 et qu’il s’élève aujourd’hui à plus de 97 000;

- vu les nouvelles augmentations de prix potentielles, résultant de l’incertitude qui règne en termes d’approvisionnement énergétique;

- vu le fait que l’électricité constitue un produit de première nécessité et non un produit de luxe, le taux actuel de 21 % étant ainsi tout à fait inadapté;

- vu la réduction immédiate de 119,90 euros qu’entraînerait une diminution de la TVA sur la facture d’électricité des ménages;

demande que le taux de la TVA sur l’électricité soit ramené de 21 à 6 %."

 

Een eenvoudige motie werd ingediend door de heren Johan Klaps en Eric Van Rompuy.

Une motion pure et simple a été déposée par MM. Johan Klaps et Eric Van Rompuy.

 

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

 

05 Question de M. Marco Van Hees au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le contrôle de la neutralité budgétaire de la réforme ISOC" (n° 27089)

05 Vraag van de heer Marco Van Hees aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het toezicht op de begrotingsneutraliteit van de hervorming van de vennootschapsbelasting" (nr. 27089)

 

05.01  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, vous vous êtes engagé à assurer la neutralité budgétaire de la réforme de l'impôt des sociétés (ISOC).

 

Son entrée en vigueur était fixée au 1er janvier 2018, en tout cas pour le premier volet de cette réforme. Cela signifie que les versements anticipés effectués par les sociétés en 2018 sont déjà basés sur les dispositions de la réforme.

 

Quels sont les montants des versements anticipés effectués par les sociétés au plus tard les 10 avril 2018 et 10 juillet 2018, qui étaient les deux premières échéances de versements anticipés de cette année? Ces montants, même s'ils sont partiels, ont-ils tendance à confirmer ou à infirmer la neutralité budgétaire de la réforme de l'ISOC?

 

Si, sur la base des versements anticipés de toute l'année 2018, le rendement de l'impôt des sociétés semble insuffisant pour assurer la neutralité budgétaire, déciderez-vous de réformer la réforme avant la fin de la législature, afin de relever les recettes de l'ISOC?

 

05.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Van Hees, tout d'abord, pour ce qui concerne les versements anticipés effectués par les sociétés, le premier versement anticipé en 2018 a rapporté la somme d'environ 6,1 milliards pour la période de janvier à avril 2018 - les montants précis figurent dans la réponse écrite -, contre 4 milliards pour la même période en 2017. Les recettes cumulées, y compris le deuxième versement de l'année - jusqu'au mois de juillet 2018 - s'élèvent à environ 9 milliards, contre 6,5 milliards pour la même période en 2017.

 

Concrètement, fin juillet 2018 et après deux versements anticipés, une croissance de 2,5 milliards est constatée, soit une hausse d'environ 38 %.

 

Cette augmentation des versements anticipés s'explique principalement par les mesures prises au niveau de l'accroissement du taux d'intérêt pour le calcul de la majoration, en cas d'absence ou d'insuffisance de versements anticipés, ainsi que par la suppression des dispositions permettant d'éviter la majoration d'impôt lorsque le montant de celle-ci n'atteint pas un certain seuil. Ces mesures ont servi d'incitant aux entreprises pour qu'elles effectuent des versements anticipés.

 

La réforme de l'impôt des sociétés se déroule en plusieurs phases, dont la plupart seront d'application à partir de l'exercice d'imposition 2019, pour les exercices débutant au plus tôt le 1er janvier 2018. Le calcul de l'impôt dû se compose, d'une part, des versements anticipés réalisés au cours de l'année budgétaire 2018 et, d'autre part, des déclarations à l'impôt des sociétés qui seront prises en compte lors de l'enrôlement de l'exercice d'imposition 2019, qui démarrera en principe à partir d'octobre 2019. Dès lors, il est encore beaucoup trop tôt pour confirmer ou infirmer la neutralité budgétaire de la réforme de l'impôt des sociétés. Celle-ci ne pourra être estimée qu'à partir du mois d'octobre 2020, quand l'enrôlement sera suffisamment avancé et que les résultats représentatifs en la matière seront disponibles.

 

05.03  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, votre réponse est très claire.

 

Selon vous, la hausse des versements anticipés n'affecte en rien la neutralité budgétaire de la réforme. Vu que ce sont les nouvelles règles de majoration qui influencent les versements anticipés, on ne peut en tirer aucune conclusion.

 

Vous m'indiquez que ce sera à partir d'octobre 2020 - c'est-à-dire lorsque le prochain gouvernement sera en place - que l'on pourra juger de la neutralité budgétaire ou non de la réforme de l'impôt des sociétés. Vous vous êtes engagé à garantir cette neutralité, mais en sachant qu'il reviendra en réalité au prochain gouvernement de l'assurer.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.18 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.18 uur.