Commissie voor de Infrastructuur, het Verkeer en de Overheidsbedrijven

Commission de l'Infrastructure, des Communications et des Entreprises publiques

 

van

 

Dinsdag 10 juli 2018

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 10 juillet 2018

 

Matin

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.17 uur en voorgezeten door Peter Dedecker.

La réunion publique de commission est ouverte à 10.17 heures et présidée par Peter Dedecker.

 

01 Vraag van de heer Veli Yüksel aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de ondersteuning van de gemeentefusies door bpost" (nr. 25117)

01 Question de M. Veli Yüksel au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le soutien de bpost aux fusions de communes" (n° 25117)

 

01.01  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, verschillende gemeenten kondigen fusies aan en zullen binnenkort ook fuseren. Een van de gevolgen is natuurlijk de naamsverandering van sommige straten en pleinen. Het is van het grootste belang dat bpost deze fusies ten volle ondersteunt. In geval van een verhuis hanteert bpost een termijn van drie maanden, die echter te kort lijkt voor collectieve adreswijzigingen, onder andere omdat het hier geen gevolg is van een individuele beslissing van de geadresseerde. Een eventuele betalende verlenging zou blijkbaar ook niet meer mogelijk zijn.

 

Graag had ik hierover de volgende vragen gesteld.

 

Zult u aandringen bij bpost opdat het de fusies maximaal ondersteunt en zult u, indien nodig, de betrokken koninklijke besluiten aanscherpen?

 

Gedurende hoeveel maanden zal bpost post doorsturen naar het nieuwe adres bij een collectieve adreswijziging?

 

Kunnen inwoners na die periode een betalende verlenging vragen analoog aan de verhuis- en doorzenddienst van bpost?

 

Zal bpost de collectieve adreswijzigingen doorgeven aan de uitgevers van kranten en tijdschriften waarmee bpost samenwerkt voor de uitreiking?

 

Aan wie behoren de postcodes en hun systematiek in eigendom toe?

 

Bewaakt het BIPT het publieke karakter van postcodes op gelijkaardige wijze als bijvoorbeeld de nummeringsruimte van de vaste telefonie?

 

01.02 Minister Alexander De Croo: Mijnheer Yüksel, in Vlaanderen hebben de afgelopen maanden 15 gemeenten de beslissing genomen om op vrijwillige basis te fuseren. Zo zijn er vanaf 1 januari 2019 zeven nieuwe gemeenten: Aalter, de fusie van Aalter en Knesselare; Deinze, de fusie van Deinze en Nevele; Kruisem, de fusie van Kruishoutem en Zingem; Lievegem, de fusie van Lovendegem, Waarschoot en Zomergem; Oudsbergen, de fusie van Meeuwen-Gruitrode en Opglabbeek; Pelt, de fusie van Neerpelt en Overpelt; en Puurs-Sint-Amands, de fusie van Puurs en Sint-Amands.

 

Bpost meldt mij dat het bedrijf met alle betrokken gemeenten een constructieve samenwerking heeft opgezet om de adreswijzigingen die dergelijke fusies onvermijdelijk met zich brengen, vlot te laten verlopen. Bpost zal de briefwisseling van de betrokken bewoners en ondernemingen gratis doorzenden naar het gewijzigde adres gedurende een periode van vier maanden. Een verlenging kan, maar dan is de doorzending betalend.

 

Door de wijzigingen die aangebracht werden in het rijksregister, gebeurt de adreswijziging automatisch voor de instellingen van de sociale zekerheid, de kinderbijslagfondsen, de mutuali­teiten, de OCMW's, de arbeidsongevallen­verzekeraars, de kassen voor het vakantiegeld, de fondsen voor de bestaanszekerheid, de gewestelijke huisvestings­maatschappijen, Kind en Gezin, de VDAB, Actiris en FOREM. De klant moet zelf instaan voor het doorgeven van adreswijzigingen aan alle andere instellingen, nutsbedrijven, ondernemingen of privépersonen, waaronder dus ook de uitgevers van kranten en tijdschriften.

 

De gemeenten zijn bevoegd voor de adres­componenten straatnaam en huisnummer. bpost is op basis van het beheerscontract bevoegd voor de postcodes en hun systematiek. Postcodes hebben per definitie een publiek karakter.

 

01.03  Veli Yüksel (CD&V): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

 

Het is een goede zaak dat bpost mee is met die fusieoperaties en daarin uiteraard ook maximaal faciliterend optreedt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van de heer Veli Yüksel aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de opvolging van de verplichte registratie van prepaid-telefoonkaarten" (nr. 26533)

02 Question de M. Veli Yüksel au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le suivi de l'enregistrement obligatoire des cartes de téléphone prépayées" (n° 26533)

 

02.01  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, in de context van de nieuwe veiligheidsuitdagingen waarvoor wij de voorbije jaren werden gesteld, meer bepaald het terrorisme in ons land, hebben we de verkoop van anonieme prepaidkaarten voor gsm’s en smartphones onmogelijk gemaakt. Sedert de zomer van vorig jaar moet iedere consument die zich in België een dergelijke prepaidkaart aanschaft, zich registreren en dus identificeren bij een van de operatoren. Ik hoef u noch de collega’s te overtuigen van het belang van de maatregel.

 

Onlangs hebben we vastgesteld dat het systeem in de praktijk niet helemaal waterdicht is. Uit het jaarverslag 2017 van de Ombudsdienst voor telecommunicatie blijkt dat een plejade van fictieve namen gaande van stripfiguren tot merknamen van charcuterie en onvolledige adresgegevens worden opgegeven ter verkrijging van zo’n prepaidkaart. De ombudsdienst had terecht grote twijfels bij sommige geregistreerde persoonsgegevens. Het BIPT heeft aan de hardleerse Britse operator Lycamobile een boete van meer dan 200 000 euro opgelegd wegens de niet-naleving van de regels over voorafgaande identificatie van eindgebruikers van prepaid­kaarten in ons land. Onze veiligheidsketen is maar zo sterk als de zwakste schakel ervan. Ik verwijs hiervoor graag naar mijn op 7 juni 2018 ingediende schriftelijke vraag, maar leg u vandaag alvast een aantal vragen voor.

 

Ten eerste, bent u zich bewust van de problematiek in het algemeen en specifiek met betrekking tot Lycamobile? Zijn er met andere operatoren ook moeilijkheden? Zo ja, welke? Op welke wijze wordt gecontroleerd of telecom­operatoren de regelgeving daadwerkelijk naleven? Zijn er controles met steekproeven? Moeten de operatoren vermoedelijke fraude of foutieve gegevens opsporen? Wat is uw reactie ten opzichte van de opmerkingen die in het jaarverslag van de Ombudsdienst voor telecommunicatie worden opgeworpen?

 

Ten tweede, bent u het met mij eens dat er striktere afspraken moeten komen met operatoren over voorafgaande identificatie van de eindgebruikers van prepaidkaarten?

 

Ten derde, plant u op korte termijn samen te zitten met de operatoren over die zaken? Welke mogelijkheden ziet u om de wetgeving in de praktijk af te dwingen? Vindt u dat er strengere bestraffing moet komen voor hardleerse operatoren?

 

Ten vierde, hoeveel prepaidkaarten waren er geregistreerd op respectievelijk 1 juli 2017, 1 januari 2018 en 1 juli 2018? Hoeveel prepaid­kaarten waren er in gebruik, vóór de registratie vereist werd?

 

Tot slot, wat is het gemiddeld aantal buitenlandse simkaarten actief op het Belgisch netwerk?

 

02.02 Minister Alexander De Croo: De regels voor identificatie van vooraf betaalde kaarten zijn reeds zeer strikt en worden door het merendeel van de operatoren nageleefd. Operatoren die de regels niet of niet correct toepassen, dienen te worden aangepakt. Het BIPT voert aan de hand van steekproeven controles uit bij de operatoren, zowel in de verkooppunten als in de database van de operator. Daarnaast behandelt het BIPT de klachten van bevoegde overheidsdiensten in het kader van prepaid identificaties.

 

Voor enkele operatoren werd een proces-verbaal opgesteld en overgelegd aan de procureur des Konings. De boete die het BIPT oplegde aan Lycamobile, is een goed voorbeeld van de bestraffing van een hardleerse operator en van de mogelijkheid om de wetgeving in de praktijk af te dwingen. Indien operatoren hardleers blijven, kan hun vergunning ingetrokken worden.

 

De operatoren hoeven niet actief op zoek te gaan naar fraude. Indien er aanwijzingen of klachten zijn inzake foutieve gegevens of fraude, dienen de operatoren daar uiteraard gevolg aan te geven. Ze zijn op basis van het koninklijk besluit verplicht om de klant te heridentificeren en de bevoegde overheden op de hoogte te brengen.

 

Wat het jaarverslag van de ombudsdienst betreft, deed de problematiek zich enkel vorig jaar voor. Aangezien de operatoren bestaande klanten tegen 7 juni 2017 dienden te identificeren, waren foutieve registratiegegevens voordien mogelijk. Recent waren dergelijke gevallen niet meer bij de ombudsdienst bekend.

 

Op 1 juli 2017 waren er ongeveer 2,8 miljoen voorafbetaalde simkaarten geregistreerd. De cijfers voor 1 januari en 1 juli 2018 kunnen niet op zo'n korte termijn opgeleverd worden. Op basis van de beschikbare data van het aantal bel­minuten in 2017 kan men benaderend stellen dat ongeveer 6 % van de gebruikers op het Belgisch netwerk aan het roamen is.

 

02.03  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, dank u voor het antwoord.

 

De problematiek ligt mij zeer na aan het hart. Ik juich de wetgeving uiteraard toe, maar we moeten de naleving ervan ook volgen. Ik hoop dat de boete voor Lycamobile effectief een voorbeeld stelt voor andere providers. Het parket en de andere diensten moeten dergelijke praktijken goed in de gaten houden. Ik reken ook op uw diensten om die kwestie goed te blijven volgen. Zo kan men ervoor zorgen dat de wetgeving correct wordt nageleefd en terroristen en andere criminelen geen vrij spel krijgen op het mobiele netwerk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van de heer Veli Yüksel aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de kwaliteit van de postdiensten" (nr. 26563)

03 Question de M. Veli Yüksel au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la qualité des services postaux" (n° 26563)

 

03.01  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, de postdiensten spelen een belangrijke rol in het economisch en maatschappelijk weefsel en dragen bij tot het verstevigen van de economische en sociale samenhang. Concurrentie op het vlak van operationele excellentie en innovatie is aangewezen in plaats van concurrentie op basis van arbeids­voorwaarden of via schijnzelfstandig­heid. Er zijn signalen dat de kwaliteit van de postbedeling niet verbetert. Gelet op de krimpende markt ziet het ernaar uit dat bpost ook de komende jaren de facto de enige grote aanbieder zal blijven. Individuele consumenten en kleine ondernemingen verdienen bescherming. Zij hebben nauwelijks onderhandelingsmacht. Heldere doelstellingen en resultaatsverbintenissen zijn een troef in het streven naar een hoge kwaliteit van de postdiensten tegen betaalbare prijzen. E-commerce en innovatieve internet­diensten zijn belangrijk vanuit een economisch en maatschappelijk oogpunt.

 

Voorzitter: Karine Lalieux.

Présidente: Karine Lalieux.

 

Mijnheer de minister, ik heb hierover de volgende vragen.

 

Ten eerste, wat is de stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding van het volgende beheerscontract en wat is de timing?

 

Ten tweede, welk kader hebt u voor ogen om de kwaliteit van de postdiensten verder te verbeteren? Bent u voorstander van bindende resultaatsverbintenissen?

 

Ten derde, hoe kan de afdwingbare realisatie van het beheerscontract worden versterkt? In welke bijkomende sancties ten opzichte van het huidige kader zal er worden voorzien in geval van niet-naleving van het beheerscontract? Zal men een financiële sanctie kunnen opleggen wanneer bpost de universele dienstverplichtingen niet naleeft en bpost geen vergoeding wegens onredelijke last ontvangt van de Staat voor de uivoering van de universele dienst?

 

Ten vierde, zult u bpost aanmoedigen in te zetten op innovatieve diensten, zoals het afdrukken en bezorgen van digitaal verzonden aangetekende zendingen, foto's enzovoort?

 

Ten vijfde, zal bpost de ontwikkeling van e-commerce in ons land van zowel grote platformen als starters en kleine webshops ondersteunen? Zult u hiervoor in de nodige hefbomen voorzien in het beheerscontract?

 

Ten zesde, binnen welke termijn moeten uitgaande binnenlandse postpakketten tot aan de landsgrens worden gebracht? Maakt deze termijn het mogelijk voor kleine webshops te concurreren met aanbieders in de buurlanden?

 

Ten zevende, welke aanpak hanteren de andere lidstaten om de kostprijs van de universele dienst te beperken?

 

Ten slotte, zal bpost, wanneer het financieel evenwicht van de universele postdienst wordt bedreigd, haar eventuele voorstellen tot wijziging van de postwet rechtstreeks aan de Kamer bezorgen?

 

03.02 Minister Alexander De Croo: Mijnheer Yüksel, de besprekingen voor het nieuwe beheerscontract omtrent de universele diensten zijn aan de gang. Die gesprekken moeten leiden tot een nieuw beheerscontract, dat in werking treedt op 1 januari 2019.

 

Net zoals het lopende beheerscontract, zal het nieuwe beheerscontract ook voldoende aandacht hebben voor de belangen van de gebruikers en zal de kwaliteit van de dienstverlening gegarandeerd worden via bindende resultaats­verbintenissen, gecontroleerd door het BIPT. Daaraan zijn intelligente sancties gekoppeld die bpost verplichten om verder in kwaliteit te investeren. Ook indien bpost geen financiële tegemoetkoming krijgt voor de uitvoering van de universele dienst, kunnen die sancties opgelegd worden.

 

Het is logisch dat bpost de digitale ontwikkelingen verwelkomt, want digitale producten en de groei van e-commerce kunnen deels de verloren volumes aan brievenpost compenseren. Het is ook logisch dat bpost dat voor zowel de grote spelers als voor kmo's en starters doet. Ook de overname van Radial, dat meer ervaring heeft met e-commercedienstverlening voor kleine bedrijven, past daarin.

 

De opgehaalde pakjes worden meestal op dezelfde dag nog verwerkt en verzonden naar het land van bestemming. Het is een sterk concurrerende markt, zowel aan de kant van de logistieke operatoren als aan de kant van de e-commercebedrijven, die hoge druk zetten op alle actoren om snelle en kwaliteitsvolle service aan te bieden, want een e-commercebedrijf zal van operator veranderen indien de kwaliteit niet naar behoren is.

 

Voor de berekening van de kosten wordt er gewerkt binnen het kader van de Europese regelgeving en gekeken naar de best practices binnen de EU bij de uitwerking van het koninklijk besluit voor de berekening van de nettokosten. Indien het risico van nettokosten groter wordt, zal bpost proactief voorstellen aan de regering moeten formuleren om die nettokosten te proberen te vermijden.

 

03.03  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, ik heb nog een vraagje.

 

U zegt dat het nieuwe beheerscontract op 1 januari 2019 zal moeten ingaan. Het is nu juli 2018. Denkt u dat de timing zal worden gehaald? Zal het beheerscontract in de regering tijdig worden goedgekeurd?

 

03.04 Minister Alexander De Croo: Ja.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La présidente: Chers collègues, je vous annonce qu'aucune question ne sera reportée. Nous sommes en fin de session. Par conséquent, comme nous le faisons chaque année, les questions seront tout au plus transformées en questions écrites. Veuillez faire passer le message.

 

Je crois que M. le ministre approuve cette méthode, parce qu'il ne faut pas exagérer: nous ne reprendrons pas quinze questions au mois d'octobre. Veuillez donc en informer Mme Jadin qui souhaitait reporter une dizaine de questions. Elle n'avait qu'à être présente à cette dernière réunion de commission.

 

04 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het overheidsaandeel in bpost" (nr. 25519)

04 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la participation de l'État dans bpost" (n° 25519)

 

04.01  Peter Dedecker (N-VA): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, bij de aanvang van deze legislatuur hebben wij samen beslist om een wettelijke mogelijkheid in te voeren om de overheidsaandelen in bpost en Proximus te kunnen laten zakken tot onder 50 %.  Dat kon een vermindering zijn door een verkoop van een deel van de participatie. Dat kon ook het resultaat zijn van een transactie, een merger of een acquisitie, met als resultaat dat het overheidsaandeel tot onder 50 % zou zakken.

 

Daarvoor zijn verschillende redenen. Een daarvan is de leidraad uit het regeerakkoord waarin staat dat de overheidsparticipaties actief moeten worden beheerd in het kader van de schuld­afbouw. Een van uw collega's, minister Van Overtveldt is daar al voor een deel in geslaagd door een groot deel van de participatie in BNP Paribas af te bouwen op een zeer gunstige manier, een transactie die ettelijke miljoenen opleverde, rechtstreeks in de afbouw van de staatsschuld.

 

Ook vanuit economisch oogpunt is het nuttig de overheidsinterventie op de postmarkt af te bouwen. Het is misschien wel een zeer gezonde ambitie voor een postbedrijf om verder actief te zijn op de pakjesmarkt, ook in het buitenland, maar het is natuurlijk geen kerntaak van de Belgische Staat om Amazon te beconcurreren in de VS of in het buitenland te gaan shoppen.

 

De wettelijke bepaling die de daling van de overheidsparticipatie mogelijk maakte, werd van kracht op 12 januari 2016 en loopt af op 31 december 2018. Het domste wat wij kunnen doen is vandaag overgaan tot een verkoop op het moment dat de beurskapitalisatie van bpost gehalveerd is. Ik denk dat deze beurskapitalisatie niet echt de huidige waarde van het bedrijf vertegenwoordigt.

 

Mijnheer de minister, welke criteria zijn volgens u bepalend om de opportuniteit van een verkoop van de overheidsaandelen in bpost te beoordelen? Welke andere elementen dan een hoge beurskoers acht u hierbij van belang?

 

Hoe evalueert u de periode van januari 2016 tot nu? In januari 2016 hebt u de deur opengezet. Zag u geen momentum om tot een gezonde transactie over te gaan zoals ook gebeurde met BNP Paribas?

 

Bent u van mening dat een correct liberaal beleid bestaat uit het handhaven van dominante overheidsparticipaties in een geliberaliseerde sector, zowel bij lage als bij hoge aandelen­koersen?

 

Wat zult u doen, met de deadline van 31 december in het zicht? Is het niet beter om deze deadline opnieuw vooruit te schuiven en onszelf niet langer het mes op de keel te laten zetten?

 

04.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw de voorzitter, mijnheer Dedecker, de vergelijking tussen BNP Paribas en bpost en Proximus gaat mank. Immers, de context waarin deze bedrijven opereren is totaal verschillend. Bovendien ontbreekt de geschiedenis als overheidsbedrijf.

 

Bij het nemen van een beslissing over een verrichting die tot gevolg zou hebben dat het aandeel van de Staat in bpost tot onder de 50 % zou dalen, zijn volgende zaken van belang: het strategisch belang van een participatie in bpost, de noodzaak aan Belgische verankering, de essentiële bijdrage die een bedrijf kan hebben bij het streven naar duurzame economische groei, zijn maatschappelijk nut en de impact op de tewerkstelling.

 

Het is niet de bedoeling om het aandeel in bpost te verkopen met schuldafbouw als enige beweeg­reden. Een eventuele kapitaalsbeweging die ertoe leidt dat het aandeel van de Staat onder de 50 % zakt, moet passen in een industrieel project dat de toekomst van het bedrijf versterkt, de transitie naar een pakjes- en e-logisticsbedrijf faciliteert, de tewerkstelling veiligstelt en de economische ontwikkeling van ons land bevordert.

 

Sinds januari 2016 is er geen enkele opportuniteit geweest waarbij deze criteria vervuld werden. Zolang deze criteria niet vervuld worden, zal de Staat het aandeel in bpost handhaven, ongeacht de hoogte van de aandelenkoers.

 

De mogelijkheid die gecreëerd was door de regering om onder 50 % te gaan, loopt inderdaad af. Er moet bekeken worden of het opportuun is om deze mogelijkheid te verlengen.

 

04.03  Peter Dedecker (N-VA): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, u zegt dat wij moeten bekijken of het opportuun is om de deadline te verlengen. Wel, dat is zeker opportuun. Het is geen goed idee om ons het mes op de keel te laten zetten door een deadline. Wij moeten de handen vrij hebben om in te spelen op een opportuniteit wanneer deze zich aandient, hetzij een verkoop, hetzij een andere soort transactie. Wij mogen ons niet laten vastbinden. Op dat vlak zullen wij zeker mee aan het zeel trekken om de deadline minstens vijf jaar vooruit te schuiven en misschien zelfs af te voeren. Het is geen goed idee om ons te laten vastbinden.

 

Ik heb nog een tweede opmerking.

 

De geschiedenis van BNP Paribas en de participatie in BNP Paribas, Proximus en bpost zijn inderdaad anders. Het is een andere geschiedenis, maar de evolutie is natuurlijk dat het vandaag stuk voor stuk bedrijven zijn die opereren in een geliberaliseerde markt, met concurrentie, en dat er geen sprake meer is van kerntaken voor de overheid die niet kunnen worden vervuld via gunning van een opdracht van openbare dienst­verlening. De tijd is voorbij dat wij mordicus staatsbedrijven moeten aanhouden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de evaluatie van de postwet" (nr. 25520)

05 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'évaluation de la loi postale" (n° 25520)

 

05.01  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, in het najaar van 2017 heeft het Parlement uw wetsontwerp goedgekeurd betreffende de post­diensten, met als doel verder te bouwen aan de nodige liberalisering van die sector. De impact van de ingrepen zal in de komende maanden uitgeklaard worden. Misschien is die al gedeeltelijk uitgeklaard in de periode tussen januari en juli. Mijn vraag dateert trouwens van mei.

 

Mijnheer de minister, op welke termijn zult u in een evaluatie van de postwet voorzien?  Welke criteria zult u daarbij hanteren?

 

05.02 Minister Alexander De Croo: De postwet is ingegaan in januari dit jaar. In de postwet zelf is er niet in een evaluatie of een termijn voorzien. Ik stel voor om die wet eerst een bepaalde periode te laten werken. Ik ga ervan uit dat een evaluatie van de postwet niet meer binnen deze regeerperiode zal vallen. Op welke basis men die wil evalueren, zal de bevoegde minister op dat moment bepalen.

 

05.03  Peter Dedecker (N-VA): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister, maar het verbaast mij toch enigszins.

 

Dat een evaluatie niet meer in deze legislatuur zal gebeuren, lijkt mij een evidentie, maar wij hebben bij de creatie van de postwet toch enkele doelen voor ogen gehad. Het meest evidente en logische is natuurlijk dat wij achteraf een evaluatie maken op basis van onze doelstellingen. Enkele van die doelstellingen lijken mij het verder openstellen van de postmarkt, het aanzwengelen van concurrentie, het creëren van arbeidsplaatsen bij nieuwe of groeiende bedrijven en de creatie van nieuwe spelers die een betere dienst kunnen aanbieden met een lagere prijs voor de burgers en kmo's. Het verbaast mij dat u daar geen criteria in ziet. Dat lijken mij alvast de criteria die wij zullen moeten hanteren bij een eventuele evaluatie van de postwet.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "mogelijke aanpassingen in de dienstverlening door bpost" (nr. 25521)

06 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "d'éventuelles adaptations de l'offre de services chez bpost" (n° 25521)

 

06.01  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, de voorbije weken heeft de CEO van bpost via de pers enkele wensen geformuleerd en deze toegelicht in dit Parlement. Dat was volgens mij een heel goede vergadering en een heel goede toelichting.

 

Er waren een aantal wensen met betrekking tot de flexibilisering van de postmarkt, waaronder enkele oudere voorstellen die wij ons allemaal wel herinneren. Er wordt al langer gepleit voor een aantal noodzakelijke maatregelen om de rendabiliteit van de krimpende brievenpostmarkt enigszins te vrijwaren.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

 

Ten eerste, een van de meest concrete voorstellen is een mogelijke afbouw van het aantal postbussen en een onderscheid tussen de prior- en de non-priorzendingen. Wat is uw standpunt daaromtrent?

 

Ten tweede, wat is uw standpunt met betrekking tot een mogelijke afschaffing van de dagelijkse postbedeling op plaatsen waar die dag geen vraag is? Er werd niet gesproken over geografische criteria, maar wel over vraagcriteria. Hoe ziet u dat? Vanaf wanneer acht u de voorwaarden vervuld, zoals aangegeven in de nieuwe postwet, die een uitzondering mogelijk maken op de verplichting van dagelijkse bedeling?

 

06.02 Minister Alexander De Croo: Mijnheer Dedecker, de CEO formuleerde tijdens de hoorzitting in de commissie voor de Infrastructuur enkele voorstellen over de aanpassing van het netwerk van de rode brievenbussen of de uitbreiding van het productaanbod met een non-priordienst.

 

Het principe van ophaling, sortering en uitreiking van de briefwisseling minimum vijf dagen per week op heel het grondgebied van het Rijk, waarbij alle woningen worden betrokken, blijft een gegarandeerd principe.

 

Om de rendabiliteit en de verdere toekomst van het bedrijf te vrijwaren, moet bpost voortdurend een evenwicht weten te vinden tussen, enerzijds, het wettelijk kader en de kwaliteit van de aangeboden dienstverlening en, anderzijds, de realiteit van de dalende postvolumes. Dat lijkt mij de enige manier om een universele dienst van hoog niveau te handhaven, zonder beroep te moeten doen op publieke middelen, en om deze universele dienst te financieren.

 

In elk geval, in de discussie over het beheers­contract zijn er geen wijzigingen aan de dekking die er zou moeten zijn door middel van brieven­bussen.

 

06.03  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

U stelt heel duidelijk dat het de ambitie moet zijn om geen bijdragen van de belastingbetaler te vragen voor de realisatie van de universele dienstverlening. Ik denk dat dit een belangrijk principe is. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat wij belastinggeld investeren in iets waarvan de marktvraag dermate is afgenomen. Uiteraard dienen wij de universele dienstverlening zo lang mogelijk zo sterk mogelijk te houden zonder staatsinterventie.

 

Om die reden roep ik ertoe op om enige flexibiliteit te hanteren, zeker inzake de rode brievenbussen en het aanbod van diensten op basis van administratieve criteria in plaats van marktcriteria. Ik denk dat wij die administratieve criteria moeten loslaten en veel meer moeten kijken naar wat de burger en de consument vragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de overmacht bij bpost omwille van stakingen" (nr. 26044)

07 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la force majeure invoquée chez bpost en cas de grève" (n° 26044)

 

07.01  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, bij bpost veroorzaken stakingen ongemakken, omdat brieven pas later kunnen worden afgeleverd. Bpost beroept zich voor de weigering van een compensatie op overmacht. De vraag rijst echter hoe ver het bedrijf in die weigering mag gaan.

 

Wij hebben bijvoorbeeld vernomen dat overlijdens­berichten op dinsdag 15 mei 2018 werden binnengebracht met als doel mensen op de hoogte te brengen van een begrafenis op zaterdag 19 mei 2018. De brieven werden in sommige gevallen pas op woensdag 23 mei 2018 afgeleverd. Sommige brieven zijn zelfs toen, op 23 mei 2018 en dus een tijd na de begrafenis, nog niet toegekomen. Uiteraard is dat voor de betrokkenen een erg pijnlijke zaak. Zelfs wanneer wij de stakingsdag van 16 mei 2018 en de feestdag van 21 mei 2018 in rekening brengen, is de levering pas na drie werkdagen gebeurd, terwijl de ambitie van bpost is om op dag + 1 te bussen.

 

Wie bij bpost daarover klaagt, krijgt van bpost een vrij droog berichtje terug met de melding dat er geen compensatie wegens overmacht kan komen.

 

Ondertussen heeft bpost via officiële communi­catie laten weten dat er zowel in de sorteercentra als bij het transport een aantal stakers waren, maar dat er geen blokkades waren en de operaties dus gewoon zijn voortgegaan. Doordat er minder personeel was, zijn ook minder brieven en pakjes bij de distributiecentra geraakt. Aldus eindigde de boodschap.

 

Bovendien stelt bpost in de algemene voorwaarden van Distripost over overlijdens­berichten dat de distripostzending beschikbaar is in de retailkantoren voor alle klanten die een overlijden willen mededelen en dat dat zal worden behandeld, ongeacht de planningscapaciteit van bpost. Met andere woorden, ook al is er minder capaciteit, toch zal aan overlijdensberichten een zekere voorrang worden verleend, wat vrij belangrijk is.

 

Ten eerste, hoeveel klachten werden bij bpost naar aanleiding van de stakingsdag van 16 mei 2018 ingediend?

 

Ten tweede, hoeveel klachten maakten melding van langere vertragingen dan één dag?

 

Ten derde, bij hoeveel klachten heeft bpost een beroep gedaan op overmacht door staking en geen compensatie of vergoeding toegekend?

 

Ten vierde, waren er op donderdag 17 mei 2018 of vrijdag 18 mei 2018 nog lokale stakingsacties bij bpost? Indien ja, hoeveel hinder hebben die veroorzaakt?

 

Ten vijfde, in welke mate kan er überhaupt sprake zijn van overmacht wanneer bpost in de eigen communicatie stelt dat de operaties gewoon zijn uitgevoerd en het bedrijf zich dus eigenlijk aan de eigen algemene voorwaarden had moeten houden en voorrang had moeten geven aan dergelijke berichten?

 

Ten zesde, kan bpost een beroep doen op overmacht door staking, indien een vertraging langer in beslag neemt dan het aantal gestaakte dagen? Ik neem aan dat, wanneer er geen uitreiking wegens een staking is, de dag nadien alles in de sorteermachine wordt gegooid en tot uitreiking wordt overgegaan. Daarbij dient de impact van een staking dus niet te worden overschat.

 

Ten zevende, in welke mate kunnen stakingen ûberhaupt als overmacht worden beschouwd? Zijn er dus omstandigheden waarvoor het bedrijf zelf geen verantwoordelijkheid draagt? Is het dus iets wat het bedrijf overkomt, zoals een natuurramp? Er kan immers een onderscheid worden gemaakt tussen onverantwoorde wilde stakingen en aangekondigde stakingen. Een goed sociaal klimaat is uiteraard niet alleen de verantwoor­delijkheid van de vakbonden maar ook van bpost.

 

Ten slotte, in hoeverre acht u de tijd rijp om bij overheidsbedrijven die de facto een monopolie bezitten op een bepaalde dienstverlening, zoals bpost, over te gaan tot een gegarandeerde dienstverlening naar analogie van het spoor? Bij een monopolie horen immers zekere verantwoordelijkheden.

 

07.02 Minister Alexander De Croo: Op 16 mei jongstleden was er een actiedag van de vakbonden tegen het pensioenbeleid van de regering. Zoals dat ook het geval was in andere bedrijven, was er bij bpost een aantal deelnemers. Hoewel de werkzaamheden voor het merendeel gewoon konden doorgaan, was er evenwel een vertraging in de uitreiking, omdat minder brieven en pakjes werden aangeleverd in de mailcentra. Bpost meldt mij dat er geen precies cijfer kan worden gegeven van het aantal klachten over vertragingen die uitsluitend gerelateerd kunnen worden aan de actiedag van 16 mei. Het aantal absolute klachten is overigens niet echt relevant, want dat moet altijd in verband worden gebracht met het verwerkte volume. Daarom wordt er altijd gekeken naar het aantal klantencontacten per tienduizend uitgereikte zendingen. De actiedag van 16 mei liet op dat vlak geen absolute stijging zien.

 

Ingeval een staking het gevolg is van interne bedrijfsaangelegenheden, zal bpost geen beroep doen op overmacht, omdat in dergelijke gevallen de verantwoordelijkheid van het bedrijf niet kan worden ontkend. In het betreffende geval werd de actiedag gehouden om redenen die buiten de verantwoordelijkheid van het bedrijf vallen, waardoor overmacht wel werd ingeroepen. Op 17 en 18 mei waren er bij bpost geen stakingsacties. Aangezien bpost opereert in een geliberaliseerde Europese post- en pakjesmarkt, overweeg ik niet om een verplichte minimumdienstverlening door te voeren.

 

Ten slotte, zonder gegevens over afgifteplaats of adres kan bpost geen grondig onderzoek opstarten voor het concrete geval van het overlijdens­bericht dat in de vraag wordt aangehaald. In ieder geval betreurt bpost het bijzonder pijnlijke incident. Een dergelijke vertraging is inderdaad onaanvaardbaar. Het bedrijf wenst zich hiervoor te verontschuldigen.

 

07.03  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord, waarin u een onderscheid maakt tussen de situaties waarin al dan niet overmacht wordt ingeroepen. Volgens mij is het correct van bpost om bij een staking die betrekking heeft op de eigen bedrijfsvoering, geen overmacht in te roepen. Toch lijkt het mij wel een probleem dat er weer werd gestaakt tegen een regeringsbeleid en dat burgers, bedrijven en consumenten daar het slachtoffer van zijn, in het bijzonder het bedrijf bpost.

 

U zegt dat u geen ambities inzake gegarandeerde dienstverlening hebt, aangezien het bedrijf opereert in een geliberaliseerde markt. Dat hangt samen met mijn vorige vraag, namelijk wat er geliberaliseerd is en in hoeverre er sprake is van echte concurrentie. Concurrenten dienen namelijk voor een stuk gebruik te maken van de basis­infrastructuur van bpost. Dat is vergelijkbaar met de concurrenten van de NMBS die gebruikmaken van de sporen van Infrabel. Er blijft dus nog altijd enig monopolie bestaan, waardoor het debat over de gegarandeerde dienstverlening wel degelijk gevoerd kan worden. Zolang er geen echte concurrentie bestaat, zal volgens mij het andere debat blijven bestaan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de zerorating van Proximus" (nr. 26365)

08 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'illimité de Proximus" (n° 26365)

 

08.01  Peter Dedecker (N-VA): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, Proximus heeft de Epic-pakketten gelanceerd, gericht op jongeren, waarbij gebruik van sociale media en, bij de duurdere pakketten, ook muziekstreaming niet meetelt in de normaal gehanteerde datalimiet van 3 gigabyte. De notie "niet meetellen" is in die context wel enigszins misleidend, aangezien dat slechts geldt voor de eerste 20 verbruikte gigabytes, want wie die hoeveelheid overschrijdt, treedt alsnog buiten de bundel en krijgt, in vergelijking met de gewone bundels, wurgtarieven aangerekend.

 

In het verleden heeft Proximus al met vergelijk­bare mogelijkheden geëxperimen­teerd en die werden door het BIPT valabel bevonden, aangezien er geen sprake was van belemmering of negatieve discriminatie van bepaalde dienst­verleners, noch van verstoring van de mededinging. In die redenering kan ik mij wel vinden. Ook het Epic-aanbod kreeg van het BIPT om dezelfde redenen groen licht, waarbij het BIPT de argumentatie overnam dat "alle applicaties van een gelijke categorie vervat zijn in deze zerorating". Het BIPT beargumenteert dus de gelijke behandeling.

 

Mijnheer de minister, hoe evalueert u de promotie die voor dat pakket gemaakt wordt, met de nadruk op het ongelimiteerd gegeven dat toch niet zo ongelimiteerd blijkt te zijn? Hoe evalueert u de gelijkaardige situatie bij Orange, dat bijvoorbeeld bij bushaltes met grote affiches reclame maakt voor een aanbod dat ongelimiteerd lijkt te zijn, maar waarbij de consument na enige tijd toch op een small band met de enigszins absurde snelheid van slechts 512 kilobyte terechtkomt?

 

Ondanks de stelling van het BIPT dat alle applicaties van een gelijke categorie vervat zijn in de zerorating, blijkt dat niet het geval te zijn voor Linkedln, dat nochtans ook een sociaal netwerk is. Het dataverkeer van dat sociaal netwerk valt buiten de toepassing, in tegenstelling tot andere sociale netwerken. Waarop is de stelling van het BIPT ter zake gehanteerd? Is een verschil in doelgroep, met name een zakelijk sociaal netwerk versus een privaat sociaal netwerk, voldoende om te spreken van een andere soort dienst? Op LinkedIn staan toch ook redelijk veel persoonlijke berichten, en hoewel het er iets ernstiger aan toegaat, is het onderscheid met Facebook soms beperkt. Er is volgens mij toch wel sprake van een gelijkaardige dienst.

 

Kunnen gelijkaardige diensten van sociale media of muziekstreaming een aanvraag indienen om van dezelfde mogelijkheden gebruik te maken? Wat is de rol van het BIPT daarin?

 

Vandaag werkt zerorating niet marktverstorend, door de gehanteerde voorwaarden en de ruime mogelijkheden van alternatieve aanbiedingen zonder zerorating bij dezelfde of andere operatoren. Permanente monitoring van dergelijke evoluties in de markt zal natuurlijk altijd noodzakelijk blijven om de vrije mededinging van andere applicaties te garanderen. Op welke manier kan het BIPT die monitoring verzekeren?

 

08.02 Minister Alexander De Croo: De taak om erover te waken dat zerorating op de Belgische markt het open internet niet beperkt is een permanente zaak. Daarom vraagt het BIPT enkele keren per jaar een update van cijfers en gegevens om te beoordelen of ingrijpen al dan niet nodig is. Het meest recente monitorrapport over netneutraliteit voor de periode van 1 mei 2017 tot 30 april 2018 werd onlangs op de website van het BIPT gepubliceerd.

 

Wat het nieuwe abonnement betreft, heeft het BIPT contact gehad met Proximus over dat nieuwe aanbod. Volgens de eerste gegevens die men heeft ontvangen respecteert het aanbod de regel dat het onbeperkt gebruik moet stoppen wanneer de 3 GB opgebruikt is. Op dat vlak ziet het BIPT dus geen probleem. Daarnaast bevat de Europese verordening betreffende netneutraliteit geen zwart-witverbod op het aanbieden van onbeperkte data. De regelgeving wil dat er gekeken wordt naar de effecten van een aanbod op de consument en de dienstaanbieders in de praktijk. Deze impact­analyse moet gebeuren op basis van onder andere werkelijke cijfers die het BIPT zal opvragen bij Proximus.

 

Het antwoord op de vraag of de selectie van zero rated apps in het nieuwe aanbod de rechten op een open internet beperkt, zal pas door het BIPT beantwoord worden na afronding van de tweede fase van het onderzoek waarin onder meer bepaald wordt wat gelijkaardige diensten zijn. Het BIPT heeft ook nooit in de pers gesteld dat alle applicaties van een gelijke categorie vervat zijn in zerorating.

 

Tot slot, wat de eerlijke reclame betreft, zijn er specifiek in de telecomwet geen regels maar wel in het Wetboek van economisch recht dat onder de bevoegdheid van de minister van Economie valt.

 

Met betrekking tot de formules met onbeperkt aanbod ga ik ervan uit dat u mijn mening deelt dat, mocht er meer concurrentie komen, er op de mobiele markt waarschijnlijk ook meer van die aanbiedingen zullen komen. Ik neem aan dat u en uw partij mij daarin zullen steunen.

 

08.03  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, u verwees naar de Europese regelgeving die mij op dit punt zeker in orde lijkt. In mijn vraag lag de nadruk echter vooral op de juiste communicatie. Dat zijn zaken die ook vervat zijn in de telecomwet die voor een groot deel onder uw bevoegdheid valt. Ik neem aan dat u ter zake desnoods contact zult opnemen met uw collega minister Peeters. U kunt dan bij gelegenheid misschien ook praten over de concurrentie op de telecommarkt, iets waarvoor hij u ook uitnodigde.

 

U stelde dat er geen uitspraken van het BIPT in de pers waren. Ik las nochtans in De Tijd citaten van het BIPT. Aangezien de betrokken passage tussen aanhalingstekens stond, neem ik aan dat het een citaat was. In het stuk in De Tijd stond "omdat alle applicaties van een gelijkaardige categorie erin vervat zijn". Als ik de betrouwbaar­heid van de journalist niet in twijfel trek, lijkt mij dat dus een citaat van het BIPT te zijn. Spreek mij op dat vlak gerust tegen.

 

Een onderzoek naar wat gelijkaardige diensten zijn, lijkt mij in deze zaak zeer belangrijk. Ik ben zeer benieuwd naar het resultaat daarvan. Ik hoop dat dit niet te lang op zich laat wachten. Sta mij toe om op dit punt tot spoed aan te manen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la demande par TBC de modifier les codes postaux" (n° 25237)

09 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de vraag van TBC om de postnummers te wijzigen" (nr. 25237)

 

09.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Madame la présidente, monsieur le ministre, la société TBC, seule concurrente actuelle de bpost, qui est en pleine expansion (elle vise 30 % du marché pour la fin de l'année 2018), a récemment lancé un appel visant à modifier les codes postaux.

 

Selon elle, le système actuel n'est pas assez précis et source d'erreurs. En ajoutant deux lettres aux quatre chiffres déjà existants, comme c'est le cas aux Pays-Bas notamment, la situation serait grandement facilitée, indique-t-elle. Ces deux lettres permettent en effet de se référer directement à un quartier précis. Cette solution aurait le double avantage d'être peu onéreuse et particulièrement efficace. Elle serait, de plus, profitable pour d'autres acteurs sur le marché, tels que les sociétés de livraison de colis ou encore les services d'urgence.

 

Selon la loi organique des entreprises publiques autonomes de 1991, l'opérateur du service postal assume la gestion de ces codes, et selon la loi du 13 décembre 2010, en cas de volonté de changement de ceux-ci, c'est à bpost de faire une proposition à l'IBPT, qui doit ensuite vous remettre un avis motivé.

 

Monsieur le ministre, avez-vous dès lors déjà reçu une proposition concrète à ce sujet? Dans l'affirmative, ou dans le cas où la question se poserait prochainement, quelle est votre position sur la question? Voyez-vous des obstacles à une proposition de ce genre? Enfin, concrètement, quelles seraient les étapes d'un tel processus et dans quel délai cela pourrait-il éventuellement être finalisé?

 

09.02  Alexander De Croo, ministre: Monsieur Flahaux, à ce jour, je n'ai pas encore reçu de proposition concrète à ce sujet, ni été informé qu'une proposition me parviendrait dans un futur proche. Il m'est impossible de prendre position sur la question sans avoir analysé de façon approfondie la réelle nécessité d'une modification du système des codes postaux et son impact financier et pratique sur les utilisateurs et les prestataires de services postaux.

 

09.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Madame la présidente, je vois à votre expression que vous trouvez également cette réponse un peu légère. Nous pourrions déjà faire une analyse du bilan de cette mesure dans les pays qui l'ont adoptée, comme les Pays-Bas, afin d'établir une liste des avantages et des inconvénients. Je pense que cela serait utile. Je vous remercie tout de même de cette première réponse, monsieur le ministre.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le retard européen en matière de marché unique numérique" (n° 25780)

10 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de Europese achterstand op het stuk van de digitale interne markt" (nr. 25780)

 

10.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, en marge d’un récent dîner informel des chefs d'État et de gouvernement de l’Union européenne à Sofia, le vice-président de la Commission européenne, Jyrki Katainen, a présenté la stratégie de l’institution en matière de numérique. Le document, intitulé "Achever un marché unique numérique inspirant confiance pour tous", met particulièrement l’accent sur la protection des données, dans le contexte des affaires comme celle concernant l’entreprise britannique Cambridge Analytica. Ce texte affiche les bonnes intentions européennes sur le numérique et affirme viser au plus vite la création d’un marché unique en la matière, se posant en héraut de la protection de la vie privée.

 

Pourtant, ces déclarations ne peuvent masquer le retard évident accumulé par les Européens sur le plan du numérique. Depuis la première présentation de la stratégie communautaire en 2015, 29 propositions législatives ont été mises sur la table, mais seulement 12 ont été adoptées à ce stade.

 

Monsieur le ministre en charge de l’Agenda numérique, face à ce retard inquiétant, comment pouvez-vous expliquer les blocages qui empêchent la mise sur pied d’un véritable marché unique européen en matière de numérique? Comment la Belgique se positionne-t-elle vis-à-vis de ses partenaires européens? Dans le contexte de l’entrée en vigueur du Règlement général sur la protection de données (RGPD) et dans celui des différents scandales concernant le monde du numérique, comment mieux protéger les citoyens européens en la matière? Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

10.02  Alexander De Croo, ministre: Cher collègue, les travaux pour l'achèvement du marché unique numérique se poursuivent, conformément au calendrier législatif ordinaire de la procédure de codécision entre le Conseil de l'Union européenne et le Parlement européen. À cet égard, il peut arriver que certaines questions soient plus problématiques que d'autres, ce qui engendre des débats plus longs entre les institutions concernées.

 

Ainsi, pour illustrer ce propos, je mentionnerai les échanges récents autour de la suppression de la sur-tarification des appels internationaux au sein de l'Union européenne. Le Parlement européen en faisait une question de principe, ce qui avait pour effet de prolonger les débats en trilogue concernant l'adoption du futur Code des communications électroniques. Dans un ordre d'idées voisin, en ce qui concerne le futur règlement sur la libre circulation des données non personnelles, le Conseil de l'Union européenne a atteint un compromis à la fin du mois de décembre 2017, mais le Parlement européen a attendu six mois avant d'entamer les négociations et les trilogues dans ce dossier.

 

En ce qui concerne le positionnement vis-à-vis des partenaires européens, la Belgique veille avant tout à la défense des intérêts nationaux. Pour illustrer mon propos par un autre exemple lié au futur Code des communications électroniques, nous avons adopté une position commune avec les Pays-Bas en vue de soutenir une modification législative visant à doter l'IBPT des moyens réglementaires adéquats pour imposer des remèdes stimulant la concurrence sur le marché duopolistique des télécommunications que nos deux pays connaissent.

 

Comme vous le constatez, nous cherchons les points de convergence avec nos partenaires européens, afin de défendre au mieux nos intérêts au Conseil de l'Union européenne. Ainsi, dans le contexte de la négociation du futur règlement sur la libre circulation des données non personnelles, la Belgique faisait partie des Like-Minded Countries qui préconisaient une adoption rapide de ce texte en invitant le Parlement européen à se saisir de ce dossier le plus vite possible.

 

En ce qui concerne la protection des données personnelles des citoyens européens, il convien­drait d'appliquer les dispositions du RGPD, entré en vigueur le 25 mai dernier, qui vise précisément à assurer un très haut niveau de protection.

 

Il faut donc laisser le temps nécessaire aux autorités compétentes pour qu'elles puissent élaborer leur jurisprudence en la matière. En tout état de cause, l'Union européenne s'est dotée d'un arsenal législatif qui devrait lui permettre d'assurer une protection optimale des données personnelles de ses citoyens. Pour plus d'informations, je vous invite à interroger mon collègue, Philippe De Backer, secrétaire d'État à la Lutte contre la fraude sociale, à la Protection de la vie privée, à la Mer du Nord, adjoint à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique.

 

Les États membres font tout leur possible pour clore tous les dossiers relatifs au marché numérique unique, d'ici à la fin 2018.

 

10.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, merci pour votre réponse qui, cette fois, est longue et fouillée. Je sais à quel point l'agenda numérique vous intéresse. Vous contribuez à faire en sorte que la Belgique, qui était un peu en retard, se trouve désormais dans le peloton de tête. Elle n'est pas encore au niveau de l'Estonie, par exemple, qui est le modèle à mes yeux.

 

Je me rends compte du fait que la manière dont une législation peut avancer au sein de l'Union européenne peut prendre du temps. Mais il ne nous appartient pas, en tant que Belges, de donner des leçons à l'Union européenne. On est parfois très long aussi quand on doit faire adopter un texte par les sept parlements du pays.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Interpellation de Mme Catherine Fonck au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste sur "les exigences liées à la vente des bandes de fréquences mobiles" (n° 269)

11 Interpellatie van mevrouw Catherine Fonck aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de vereisten in verband met de veiling van mobiele frequenties" (nr. 269)

 

11.01  Catherine Fonck (cdH): Monsieur le ministre, vous finalisez actuellement les arrêtés royaux relatifs à la prolongation des licences pour les bandes de fréquences à partir de 2021 et pour l'ouverture de nouvelles bandes. Ces ventes aux enchères de licences sont un enjeu important pour la Belgique. Elles représentent une manne financière de l'ordre de 700 millions sur vingt ans et elles permettent, par les obligations associées aux licences, d'influencer la configuration des réseaux de télécommunication. Les droits d'utilisation sont accordés pour une période de vingt ans, renouvelables par terme de cinq ans, sans obligation de modifier les règles à ce moment-là. Il s'agit donc de ne pas rater le coche.

 

Plusieurs points dans votre approche m'interpellent. Je souhaite donc mettre différentes propositions sur la table.

 

Vous avez annoncé que la couverture minimale passera de 98 % à seulement 99,5 % de la population. C'est un niveau déjà atteint par les trois opérateurs mobiles existants. Et vous avez annoncé que la vitesse minimale passerait de 3 à 6 Mbps (mégabits par seconde). En pratique, vous me direz que 0,5 % de la population qui ne serait pas couvert, c'est dérisoire. Je ne partage pas ce point de vue car ce 0,5 %, combiné aux zones grises, complique beaucoup la couverture, que ce soit de zones rurales, de zones transfrontalières ou en matière de mobilité. Quand vous vous déplacez, il y a régulièrement des coupures. Par ailleurs, avec une vitesse minimum de 6 Mbps, on ne peut pas faire grand-chose. Il est vrai qu'on a un accès basique aux pages internet, etc. mais pour ce qui concerne les téléchargements ou la vidéoconférence, il faut une vitesse minimale de 6 Mbps.

 

Par ailleurs, vous avez annoncé une obligation de couverture des chemins de fer à l'intention des prestataires de services qui fournissent le wifi dans le train. Or, la SNCB a depuis annoncé qu'elle ne poursuivrait pas la piste du wifi dans le train. La seule alternative pour l'usager est donc la connectivité 3/4G directe. À mon sens, l'obligation devrait viser cette connectivité directe vers l'usager et non plus vers l'intermédiaire qu'aurait représenté le prestataire de services wifi.

 

Vous proposez de fixer les exigences de couverture et de qualité une fois pour les vingt années de licences. Or, les conditions d'octroi de licences doivent pousser les opérateurs à faire des investissements dans la qualité du réseau de manière continue et non une fois tous les vingt ans, lors du renouvellement de la licence. Les exigences de qualité doivent, à mes yeux, évoluer en parallèle avec les besoins de consommation croissants. Ces besoins, on le sait, sont de nature à augmenter. À ce sujet, Test-Achats avait réalisé une estimation dont la conclusion était que, dans un package de services, qui devrait être proposé à l'usage de tous les internautes, la vitesse minimum actuellement nécessaire pour utiliser ce package de services tourne aux alentours de 10 à 12 Mbps.

 

Cette vente de licences représente, à mes yeux, une opportunité  pour éliminer les zones grises. La question réside dans le fait de savoir comment, y compris lors des déplacements, éviter les coupures et disposer d'un meilleur réseau à tout moment et pallier les réseaux souvent parcellaires des opérateurs dans les régions les plus reculées. Cela devrait aussi être l'occasion d'éliminer les zones grises de l'internet fixe.

 

Dans ce cadre, il me semble qu'il faudrait envisager d'ouvrir la possibilité d'une itinérance nationale interne - non pas le volet international relatif aux étrangers venant en Belgique. Mon propos n'est pas de prévoir une itinérance sur tout le territoire, car il y a tout l'enjeu du coût et de la concurrence. Jusqu'ici, la vente des zones stipulait l'usage exclusif du spectre par l'opérateur qui l'acquiert, avec une interdiction de partager. L'itinérance interne, au niveau de tout le territoire, risquerait d'entraver la concurrence des réseaux.

 

Mon propos ne vise pas une itinérance sur l'ensemble du territoire mais, au contraire, une itinérance interne rétribuée entre opérateurs ou la combinaison de bandes de fréquences de différents opérateurs, exclusivement dans les zones les plus rurales pour lesquelles la couverture est entravée ou éventuellement dans certaines zones à maillon faible en matière de mobilité.

 

Cela permettrait aux usagers d'être gagnants et, comme ce serait strictement localisé, cela ne briderait pas la concurrence. D'autres pays en fournissent des exemples. C'est le cas pour le partage des ondes dans les pays scandinaves. Il se fait uniquement dans les parties rurales.

 

Pareille mutualisation permet d'améliorer la connectivité, de diminuer le coût des investissements par le co-investissement et le partage d'équipements et de limiter l'impact environnemental de l'implantation d'antennes et de leur rayonnement tout en préservant, là encore, la concurrence, puisque l'essentiel du pays n'offrirait aucune possibilité d'itinérance.

 

Monsieur le ministre, je viens avec une série de questions:

 

1. Les consultations sont désormais terminées pour vos projets d'arrêtés royaux. Vous êtes dans la dernière ligne droite avant la publication. Quel est le niveau d'exigence de couverture et de qualité prévu par ces arrêtés? Confirmez-vous que vous visez 99,5 %? Comment le justifiez-vous? Pourquoi ne pas exiger à terme, par paliers, une couverture de 100 %? En fonction de quels critères avez-vous opté pour un débit minimal de 6 Mbps? Pourquoi ne pas imposer de critère de qualité assorti d'une vitesse minimum pour la bande 900 MHz?

 

2. Quelle obligation de couverture du réseau ferroviaire allez-vous imposer?

 

3. Comment évolueront ces obligations tout au long de la durée d'octroi des licences? Pourquoi ne pas exiger des avancées successives par paliers?

 

4. Allez-vous permettre l'itinérance interne et la combinaison de fréquences dans les zones les plus rurales pour les opérateurs qui le souhaitent?

 

5. Pour régler les futurs problèmes de rareté de spectre, il a été envisagé de mettre du spectre dans un pot commun et de l'utiliser de manière collective. C'est le "pooling de fréquences". Qu'en est-il?

 

6. Ne faudrait-il pas, enfin, prévoir un mécanisme encadré de dérogation à l'obligation de couverture pour les secteurs, villages ou communes qui feraient la demande délibérée de rester en zone blanche afin de répondre aux besoins de personnes électrosensibles? Cela supposerait un encadrement et un cadre d'acceptation suffisamment large.

 

11.02  Alexander De Croo, ministre: Madame Fonck, en guise d'introduction, je rappelle que nous disposons en Belgique d'une très bonne couverture, en comparaison avec d'autres pays. On l'oublie. La couverture peut toujours être améliorée, certainement en certains endroits; mais ceux parmi nous qui se rendent dans des pays proches, par exemple en France, constatent que la couverture n'est pas du tout comparable, même dans des zones peuplées.

 

Il y a des avancées intéressantes en Belgique par rapport aux zones blanches. Il y avait, au début de la législature, 39 zones blanches. Aujourd'hui, je pense qu'il y a 16 zones blanches. C'est une avancée énorme. C'est une bonne chose. Cette avancée a été obtenue grâce à des partenariats, et pas par une modification de la législation ou par une multiplication des obligations. Nous avons essayé de regarder, avec les opérateurs, comment il était possible d'investir davantage dans ces zones blanches.

 

Un bon exemple est l'accord qui a été conclu entre le gouvernement wallon et les opérateurs concernant la taxe pylône. C'est une bonne logique: au lieu de s'acquitter d'une taxe, l'opérateur investit le même montant, voire plus, dans les réseaux. Ce serait bien si la même chose se faisait avec les provinces, parce qu'il y a encore des provinces qui taxent les pylônes. Il ne faut pas s'étonner que si les pylônes sont taxés, les opérateurs sont moins enthousiastes à en installer. Les mêmes se plaignent alors du fait que la couverture n'est pas suffisante.

 

Spécifiquement en réponse à vos questions, une hausse de 99,5 % à 99,6 %, 99,7 % ou 99,8 % est une opération très coûteuse pour les opérateurs. L'augmentation du coût par client potentiel est de plus en plus disproportionnée à mesure que ces pourcentages augmentent. Une couverture de 100 % est impossible. Il y aura toujours quelques endroits dépourvus de couverture.

 

Pour la bande des 800 MHz, un débit de 3 Mbps est retenu. Si un opérateur, en plus de 10 MHz duplex dans la bande des 800 MHz, fait l'acquisition de 10 MHz duplex dans la bande 700 MHz, il dispose alors de deux fois plus de spectre et le débit imposé peut également être doublé.

 

Dans la bande des 900 MHz, la 2G est toujours utilisée. Il s'agit des canaux à bande relativement étroite de 200 kHz, dans lesquels il est possible d'avoir plus de débit.

 

Vous dites que trois ou même six Mbps ne sont pas suffisants. Je n'en suis pas convaincu. Le streaming Netflix se fait aujourd'hui sur le fixe à partir de trois ou quatre Mbps. Cela signifie qu'avec cette bande passante-là, vous pourriez faire du streaming en mobile. Ce sont les informations dont je dispose. Regardez les statistiques que Netflix publie lui-même. Celles-ci montrent les niveaux de débit dans les différents pays. La Belgique est toujours dans le top; nous sommes un des meilleurs pays. Vous verrez que la bande passante nécessaire est dans ce spectre-là.

 

J'en viens à votre deuxième question. La possibilité de couvrir les principales lignes de train est à l'examen. Je suis positif à ce sujet. Comme vous le savez, je suis plutôt fan de l'idée de disposer aussi du wifi dans les trains. Pour cela, nous devons instaurer une couverture mobile sur les lignes ferroviaires. Nous sommes en train d'examiner cela. Il y a naturellement une grande différence entre les grandes lignes et les plus petites.

 

En ce qui concerne votre troisième question, le déploiement envisagé du réseau radio-électronique le long des voies ferrées doit être réalisé d'une manière progressive.

 

Au sujet de l'itinérance nationale, objet de votre quatrième question, l'utilisation partagée d'infrastructures entre opérateurs sera possible dans toute la Belgique sur la base d'accords commerciaux entre les opérateurs. Le régulateur n'imposera pas de partage du radio access network et l'itinérance nationale ne sera pas non plus imposée aux opérateurs existants. Pourquoi? Lorsqu'on autorise l'itinérance nationale, celle-ci constitue un frein à la concurrence entre infrastructures. Vous faites référence aux pays scandinaves, mais vous serez d'accord avec moi sur ce point: la topologie des pays scandinaves est radicalement différente de celle de la Belgique. Dans ces pays, ils l'ont fait dans certaines zones où la densité de population est très faible. Certaines zones connaissent une densité faible en Belgique, mais cela n'est pas comparable avec ce que l'on constate dans d'autres pays.

 

Dans toutes les comparaisons internationales, la Belgique est plutôt bien placée par rapport à la couverture. Si on faisait de l'itinérance nationale, je pense que ce serait un frein aux investissements. Ce n'est pas ce dont on a besoin en Belgique.

 

Par rapport à votre cinquième question, l'utilisation partagée des fréquences entre opérateurs sera possible dans toute la Belgique, là aussi sur la base d'accords commerciaux entre les opérateurs.

 

Enfin, par rapport à votre sixième question, j'ai vu ce concept de village qui demanderait de manière délibérée à être une zone blanche mais, pour l'instant, j'ai l'impression que c'est un concept théorique. Je n'ai encore vu aucune demande à ce sujet.

 

11.03  Catherine Fonck (cdH): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Si je résume ce que vous me dites, la couverture est bonne en Belgique. C'est vrai, mais c'est oublier que, dans certaines zones, et je parle des zones blanches mais aussi des zones grises, des problèmes persistent. L'objectif d'un pouvoir public, en l'occurrence ici le gouvernement fédéral, doit être non pas de dire qu'il va y avoir des coûts, des freins, etc.; c'est au contraire de manifester une ambition forte qui soit à tout le moins similaire pour l'ensemble des Belges concernés.

 

Oui, il y a les zones rurales mais je le redis, il y a des difficultés dans les zones transfrontalières et en déplacement. On ne peut pas faire un déplacement entre deux grandes villes sans avoir une ou plusieurs coupures. Excusez-moi mais cela pose un véritable problème! Le gouvernement ne peut pas dire qu'il va se satisfaire de la situation actuelle. Demain et après-demain, puisqu'on parle d'un cadre pour les vingt ans à venir, les besoins vont exploser.

 

Comment allez-vous faire comprendre que, sur le plan de la santé, les citoyens vont devoir se connecter et ne le pourront pas? Comment, sur le plan économique, peut-on dire que si c'est une petite PME installée dans une zone rurale, tant pis pour elle? Je trouve que cela ne va pas. Vous mettez en avant le coût. C'est pour cela que nous mettons en avant l'alternative que constitue l'itinérance. Vous répondez chaque fois en faisant croire que je propose une itinérance nationale. Non!

 

Je connais, puisque je viens d'en parler, les enjeux liés à la concurrence. À mon sens, cette itinérance ne doit pouvoir être appliquée que là où la couverture est faible. C'est déjà le cas, puisque les étrangers qui viennent dans nos zones rurales bénéficient de l'itinérance. Bref, les modalités techniques existent bel et bien.

 

Monsieur le ministre, nous plaidons en faveur d'une ambition beaucoup plus forte de votre part. La vitesse du débit nécessite, en effet, des normes plus exigeantes. Quel que soit l'endroit, la couverture doit pouvoir se révéler nettement meilleure que celle qui est de mise en ce moment. Sinon, vous laisserez sur le côté une partie de la population, sans même vous dire qu'il est tout à fait possible - et même raisonnable -, sur le plan technique et financier, de bénéficier d'une couverture de 99,9 %.

 

Madame la présidente, je ne reprendrai pas les différents volets de mon interpellation, mais je dépose une motion de recommandation.

 

11.04  Alexander De Croo, ministre: Madame Fonck, je dois encore vous préciser certains points.

 

Tout d'abord, vous exagérez un peu quand vous me reprochez un manque d'ambition. Nous sommes, au contraire, en train de durcir les obligations de couverture figurant dans les contrats.

 

Ensuite, il existe d'autres possibilités que l'itinérance nationale. Par exemple, le spectre attribué peut être partagé. L'une des grandes difficultés découlant du déploiement d'un réseau réside dans l'acquisition des sites où l'on installera les poteaux à antennes. Le site sharing est notamment envisageable.

 

Ces méthodes ne correspondent pas tout à fait à celle de l'itinérance nationale. Cependant, sur le plan financier, elles sont assez comparables.

 

Enfin, je partage votre avis: il faut en effet inciter à une couverture maximale. Du reste, nous constatons que les opérateurs télécoms y recourent comme un moyen de se concurrencer mutuellement. Je note au demeurant que l'entrée sur le marché d'un quatrième opérateur entraînerait un impact positif en termes d'investissement et de couverture.

 

La présidente: Madame Fonck, le dernier mot vous revient, mais je ne vous accorde qu'une minute pour conclure.

 

11.05  Catherine Fonck (cdH): Madame la présidente, je vous promets d'être brève.

 

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos compléments d'information. Cependant, je dois vous rappeler que le niveau de 99,5 % est déjà atteint par les trois opérateurs mobiles déjà actifs. Aucun pas supplémentaire n'a été franchi pour le moment. Une vitesse minimum de 3 à 6 Mbps reste faible. Tout à l'heure, vous me parliez de la France, mais regardez un peu le niveau auquel elle est parvenue: il se situe bien au-delà de cette vitesse. Pour notre part, nous proposons d'atteindre progressivement, dans les vingt ans à venir, une vitesse minimum de 10 Mbps.

 

L'itinérance existe déjà, en tout cas dans certaines zones. D'autres méthodes sont en effet appliquées. Si vous l'admettez, cela prouve que vous pouvez adhérer à l'idée qu'il faut parvenir à un taux de couverture de 100 % ou, du moins, de 99,9 %. Dans le cas contraire, vous contrediriez vos propos. En effet, vous affirmez que des efforts doivent encore être fournis, tout en laissant une frange de la population sur le côté.

 

Par conséquent, revoyez vos ambitions à la hausse en assumant ces possibilités et visez l'objectif d'un taux de 99,9 % dans vingt ans, au bout d'un cheminement par paliers successifs.

 

Moties

Motions

 

La présidente: En conclusion de cette discussion les motions suivantes ont été déposées.

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

 

Une motion de recommandation a été déposée par Mme Catherine Fonck et est libellée comme suit:

"La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de Mme Catherine Fonck

et la réponse du vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste,

demande au gouvernement

- d'adopter l'objectif ambitieux de 100% ou 99,9% de couverture de la population avec une vitesse minimale de 10 Mbps contrairement à l'objectif prudent actuellement prévu dans le projet d'AR de 99,5% de couverture avec un débit de 6 Mbps. Une période de transition longue de 10 ans peut être donnée à un éventuel nouvel entrant pour passer de 99,5% à 100% (99,9%) de couverture;

- cet objectif de 100% de couverture et d'augmentation de débit doit être atteint par paliers successifs tout au long des 20 ans de durée des licences;

- de permettre l'itinérance nationale (de passer d'un opérateur à un autre en fonction de la qualité du signal, par exemple lors de déplacements) et la combinaison de fréquences entre opérateurs pour augmenter le débit dans les zones très rurales. Cette itinérance nationale pourrait compter dans le calcul du niveau de couverture de la population par les opérateurs;

- de prévoir une obligation de moyen pour la couverture des chemins de fer à l'intention des usagers dans les trains, en plus ou au lieu de l'obligation de pour la couverture des chemins de fer à l'intention d'un prestataire de services qui fournit l'accès sans fil à internet dans les trains;

- de permettre un mécanisme de dérogation à l'obligation de couverture pour des villages ou des communes qui feraient la demande délibérée de demeurer en zone blanche, par exemple pour héberger les personnes électro-sensibles ou intolérantes aux ondes électromagnétiques."

 

Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Catherine Fonck en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van mevrouw Catherine Fonck

en het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post,

vraagt de regering

- de ambitieuze doelstelling van een bereik van 100% of 99,9%voor de bevolking met een minimale snelheid van 10 Mbps te omarmen, in tegenstelling tot het conservatieve streefcijfer dat momenteel in het ontwerp van koninklijk besluit staat en in een bereik van 99,5% met een snelheid van 6 Mbps voorziet. Aan een potentiële nieuwkomer kan er een tienjarige overgangs­periode worden toegekend om van een bereik van 99,5% naar 100% (99,9%) te evolueren;

- ervoor te zorgen dat die doelstelling van een bereik van 100% en een verhoging van de snelheid in opeenvolgende stappen gedurende de twintigjarige looptijd van de licenties gehaald wordt;

- nationale roaming (overschakeling van de ene operator naar de andere, afhankelijk van de signaalkwaliteit, bijvoorbeeld tijdens verplaat­singen) en de combinatie van frequenties tussen operators mogelijk te maken om de snelheid in zeer landelijke gebieden te verhogen. Die nationale roaming zou kunnen worden meegeteld bij de berekening van de penetratiegraad;

- in een middelenverbintenis te voorzien voor het bereik op het spoorwegnet ten behoeve van de treinreizigers, naast of in plaats van de verplichting inzake het bereik op het spoorwegnet voor de dienstverlener die draadloze internettoegang in de treinen aanbiedt;

- in een afwijkingsmechanisme voor het verplichte bereik te voorzien voor de dorpen en gemeenten die uitdrukkelijk om het behoud van een ‘witte zone’ op hun grondgebied vragen, bijvoorbeeld ten behoeve van personen met overgevoeligheid of intolerantie voor elektromagnetische straling."

 

Une motion pure et simple a été déposée par MM. Jean-Jacques Flahaux et Peter Dedecker.

Een eenvoudige motie werd ingediend door de heren Jean-Jacques Flahaux en Peter Dedecker.

 

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 11.32 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.32 uur.