Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 27 juni 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 27 juin 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.35 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.35 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

Le président: La question n° 25824 de M. Vanden Burre, la question n° 25962 de M. Flahaux et les questions jointes n° 26163 de M. Flahaux et n° 26357 de M. Crusnière sont transformées en questions écrites.

 

01 Question de M. Éric Thiébaut au ministre de la Justice sur "la vétusté de la prison de Mons" (n° 26237)

01 Vraag van de heer Éric Thiébaut aan de minister van Justitie over "de slechte staat van de gevangenis van Bergen" (nr. 26237)

 

01.01  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, la protestation légitime des agents pénitentiaires contre votre projet de service minimum lors de votre visite à la prison de Mons a occulté le débat sur la vraie raison de votre visite, à savoir la vétusté de l'établissement montois.

 

Je vous ai plusieurs fois interrogé pour vous sensibiliser sur les conditions de travail pénibles du personnel de la prison de Mons. En plus du sous-effectif et de la surpopulation, les agents pénitentiaires doivent travailler dans un bâtiment vétuste, étroit et avec du matériel inadéquat.

 

Quant aux détenus, leur situation est difficile. Ils se retrouvent parfois à quatre dans une cellule de 10 m², leurs douches sont dans un état rudimentaire et les sorties en préau sont difficiles à appliquer.

 

En janvier 2017, dans un rapport accablant, la section belge de l'Observatoire International des Prisons (OIT) avait lourdement critiqué l'état dans lequel certaines de nos prisons étaient laissées par les autorités publiques. Parmi leurs conclusions: "Aucun budget n'est dégagé dans le but de doter chaque cellule d'un WC, aucune mesure n'est envisagée pour éradiquer les rats, cafards et autres vermines qui pullulent dans les cellules et cuisines des prisons". Si les mots sont forts, ils illustrent néanmoins un contexte difficile.

 

Monsieur le ministre, je profite de votre dernière visite à la prison de Mons pour vous poser les questions suivantes. Avez-vous pris conscience de l'état de vétusté de la prison de Mons? Avez-vous pris conscience des difficultés auxquelles sont confrontés le personnel pénitentiaire et les détenus? Quelles mesures et quel budget comptez-vous dégager pour améliorer le sort des travailleurs et des détenus de la prison de Mons? Dans quel délai des améliorations pourraient-elles être envisagées?

 

01.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Thiébaut, je tente régulièrement d'effectuer des visites informelles au sein des prisons, ce que j'ai fait tout récemment à la prison de Mons. J'ai pu voir de mes propres yeux que la prison est vétuste et qu'elle présente de nombreuses lacunes. Je rappelle que cet établissement date de 1867 et a subi plusieurs chantiers de rénovation, dont le dernier remonte à 2003.

 

La situation est évidemment en lien avec l'entretien, mais la vétusté est aussi liée à l'âge du bâtiment. Comme vous le savez, la Régie des Bâtiments est chargée de répondre à nos besoins en termes d'infrastructure. Des demandes de travaux ont été transmises régulièrement à la Régie des Bâtiments et sont traitées au fur et à mesure.

 

Les travaux suivants sont en cours, prévus ou sollicités:

- pour la nouvelle salle de visites, ils sont terminés;

- ceux du poste de contrôle et d'intervention sont en cours;

- ceux concernant la cabine à haute tension et la cabine téléphonique sont prévue à court terme;

- le remplacement du système de caméras, la réfection des douches, des sanitaires et des locaux techniques, le remplacement de l'éclairage de sécurité et la rénovation de la cuisine et du magasin sont en cours d'étude.

 

Si vous désirez plus de détails sur le calendrier ou sur le budget, vous pouvez vous adresser à mon collègue, Jan Jambon, compétent pour la Régie des Bâtiments.

 

01.03  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le président, je remercie le ministre pour sa réponse.

 

Je vais évidemment suivre son conseil et m'adresser dans les plus brefs délais à son collègue, M. Jan Jambon.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 26242 de M. Van Hecke sera traitée en commission de l'Intérieur. La question n° 26265 de M. Dallemagne est transformée en question écrite.

 

02 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de procedure van voorrecht van rechtsmacht" (nr. 26346)

02 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la procédure du privilège de juridiction" (n° 26346)

 

02.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, een jaar geleden ondervroeg ik u al over een eventuele hervorming van de procedure 'voorrecht van rechtsmacht'. Ik vroeg of u van plan was om, naar aanleiding van het rapport van de Hoge Raad voor de Justitie in de nasleep van de zaak-Jonathan Jacob, het arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 oktober 2016 en de verschillende hangende prejudiciële vragen over de procedure van voorrecht van rechtsmacht bij het Grondwettelijk Hof, een initiatief tot wetswijziging te nemen.

 

U antwoordde: "Het lijkt mij zinvol om deze aanbevelingen voor te leggen aan de expertencommissie die door mij werd belast met de voorbereiding van een nieuw Wetboek van strafvordering. Het betreft immers een aangelegen­heid die met de nodige omzichtigheid moet worden behandeld en waarin voorzichtigheid boven dadendrang moet worden gesteld. Bovendien wijs ik erop dat het huidige systeem in hoofde van de magistraten zowel voor- als nadelen kent en niet tot straffeloosheid leidt. Ik deel derhalve uw mening niet dat het voorrecht van rechtsmacht steeds een voorrecht voor de betrokkene is. De voorstellen van onze experts zal ik desgevallend voor advies voorleggen aan de nieuwe Hoge Raad voor de Justitie, het College van procureurs-generaal, het College van de hoven en rechtbanken en het Hof van Cassatie".

 

Intussen werden voornoemde prejudiciële vragen beantwoord in een arrest van 1 februari 2018 en een arrest van 22 maart 2018. Het arrest van 1 februari 2018 stelt dat de artikelen 479 en 480 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in die zin dat zij niet voorzien in de tussenkomst van een onderzoeksgerecht om, enerzijds, in de loop van het gerechtelijk onderzoek toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en, anderzijds, als beroepsinstantie uitspraak te doen over de beslissingen van de als onderzoeks­rechter aangewezen magistraat. Het arrest van 22 maart 2018 stelt dat in de mate waarin er voor de lagere rechters bij het afsluiten van het onderzoek geen optreden is van een onderzoeks­gerecht dat voor een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij oordeelt of de bezwaren toereikend zijn en de rechtspleging regelmatig is, terwijl dit het geval is voor de magistraten voor het hof van beroep, het artikel 479 het gelijkheidsbeginsel schendt.

 

U stelde in uw antwoord dat de huidige procedure van voorrecht van rechtsmacht niet tot straffeloosheid leidt. Het hof van beroep heeft in de zaak-De Palmenaer – de zaak van de sjoemelende vrederechter van Oostende – een tweetal weken geleden de onontvankelijkheid van de strafvordering uitgesproken op grond van voornoemde arresten van het Grondwettelijk Hof.

 

De huidige procedure leidt dus wel degelijk tot straffeloosheid voor lagere rechters. Omdat er geen filterprocedure is op het einde van een gerechtelijk onderzoek kan de strafvordering tegen een lagere rechter nooit voor een vonnisgerecht gebracht worden. Deze impasse moet dan ook zo snel mogelijk worden opgelost.

 

Ik heb drie vragen.

 

Ten eerste, in zijn arrest van 1 februari 2018 stelde het Grondwettelijk Hof dat in afwachting van het optreden van de wetgever de gemeen­rechtelijke regels van de rechtspleging moeten worden toegepast. In de geest van de procedure van voorrang van rechtsmacht lijkt mij de natuurlijke rechter voor de regeling van de rechtspleging in gerechtelijke onderzoeken naar lagere magistraten de kamer van inbeschuldigingstelling te zijn. Zult u instructie geven aan de parketten-generaal om in alle gerechtelijke onderzoeken tegen lagere rechters de kamer van inbeschuldigingstelling te vatten voor de regeling van de rechtspleging, zodat deze impasse wordt opgeheven? Zult u concreet in de zaak-De Palmenaer de procureur-generaal de instructie geven om dit alsnog te doen?

 

Een jaar geleden schermde u met uw hervorming van het strafprocesrecht om niet onmiddellijk te moeten overgaan tot een wetswijziging met betrekking tot de procedure van voorrecht van rechtsmacht. Intussen zijn we al meer dan een jaar verder. Er werd nog steeds geen wetsontwerp ingediend in het Parlement. Zowel over de hervorming van de assisenprocedure als over de wijziging van het systeem van de onderzoeksrechter naar een rechter van het onderzoek bestaat heel wat controverse, zowel op het werkveld als op het politieke terrein. Maakt u zich sterk dat u nog met een ontwerp voor een nieuw Strafwetboek en Wetboek van strafvor­dering in het Parlement komt deze legislatuur? Indien het antwoord positief is, wat is dan de timing? Indien het antwoord op deze vraag negatief is of als de timing nog te ver in de toekomst ligt, wanneer mogen wij dan van u een herstelwetgeving verwachten voor de procedure van voorrecht van rechtsmacht?

 

Tot slot, heb ik nog een vraag over de zaak-De Palmenaer. In een artikel in de Krant van West-Vlaanderen van 8 juni 2018 wordt gemeld dat de stafhouder van de balie te Brugge reeds in 2013 een brief stuurde naar de Hoge Raad voor de Justitie waarin hij alle klachten van de Brugse balie over de praktijken van de heer De Palmenaer had gebundeld. Graag had ik concreet geweten welke gevolgen de Hoge Raad voor de Justitie gegeven heeft aan deze brief?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arresten van februari en maart 2018 beslist dat er ook voor de procedures die betrekking hebben op de rechters van bijvoorbeeld eerste aanleg en de vrederechters een filter moet zijn voor de behandeling ten gronde. Dit betreft specifiek de regeling van de rechtspleging, de controle van de regelmatigheid van het onderzoek en de beoordeling van het toereikend karakter van de bezwaren. Voor onder meer de raadsheren bij de hoven van beroep is dit al het geval.

 

Het College van procureurs-generaal heeft om die reden op 19 april jongstleden beslist om voor de zaken die nog in onderzoek zijn de kamer van inbeschuldigingstelling op het einde van het onderzoek te vatten met het oog op de regeling van de rechtspleging. Voor de zaken die al ten gronde voor het hof van beroep aanhangig zijn, heeft het college beslist het hof te vragen om de strafvervolging – en dus niet de strafvordering – onontvankelijk te verklaren waarna de kamer van inbeschuldigingstelling de rechtspleging alsnog kan regelen met het oog op een nieuwe behandeling ten gronde.

 

Wat het door u vermelde dossier betreft, deelt het parket-generaal van Gent mij mee dat het ondertussen het arrest van het hof van beroep heeft ontvangen waarin inderdaad de onontvan­kelijkheid van de strafvervolging werd vastgesteld. Het parket-generaal zal eerstdaags de kamer van inbeschuldigingstelling vatten, zoals daarnet uitgelegd, zodat de zaak verder kan gaan.

 

Wat betreft de hervorming van de strafprocedure in het algemeen, verwijs ik graag naar de uiteen­zettingen in de commissie voor de Justitie van de deskundigen die werden belast met het uitwerken van een nieuwe strafprocedure. De deskundigen hebben dit onderdeel in het actuele ontwerp nog niet uitgewerkt. Na het zomerreces zal de commissie voor de Justitie verder gaan met het organiseren van hoorzittingen en besprekingen.

 

Wat betreft uw vragen met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, kreeg ik de informatie dat de raad inderdaad een klacht ontving van de voormalige stafhouder van Brugge over de werkwijze van de betrokken vrederechter. De advies- en onderzoekscommissie heeft tijdens een onderzoek vastgesteld dat er een gerechtelijk onderzoek was opgestart lastens deze magistraat. Aangezien deze commissie niet kan tussenbeide komen in lopende gerechtelijke procedures heeft zij het dossier afgesloten.

 

02.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik meen begrepen te hebben dat u een zeer positief antwoord gegeven hebt, in die zin dat u hier bevestigt dat het parket-generaal van Gent de strafvervolging heeft vastgesteld en dat de zaak ook verder zal gaan.

 

Voor alle duidelijkheid, wij mogen er dus van uitgaan dat iemand die jarenlang dergelijke feiten op de kap van goedmenende burgers heeft gepleegd ook daadwerkelijk zal worden vervolgd en dat er een straf zal worden uitgesproken? Daarover is er in mijn streek namelijk een hele hetze gaande. De mensen menen immers dat de persoon in kwestie zomaar wegkomt met het leed dat hij heel veel families berokkend heeft.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Questions jointes de

- M. Raoul Hedebouw au ministre de la Justice sur "la grève des agents pénitentiaires" (n° 26343)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le repos de récupération" (n° 26345)

- M. Raoul Hedebouw au ministre de la Justice sur  "la suppression du repos de récupération pour le personnel pénitentiaire" (n° 26350)

03 Samengevoegde vragen van

- de heer Raoul Hedebouw aan de minister van Justitie over "de staking bij de penitentiair agenten" (nr. 26343)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de recuperatierust" (nr. 26345)

- de heer Raoul Hedebouw aan de minister van Justitie over "het intrekken van de recuperatierust bij het gevangenispersoneel" (nr. 26350)

 

03.01  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vorige week besloot de directeur-generaal ad interim van de Penitentiaire Inrichtingen om vanaf maandag 25 juni alle recuperatierustdagen in te trekken. Het gaat om rustdagen die bij arbeidsreglement in de dienstrol werden vastgelegd, om de uren te compenseren die de penitentiaire beambten in de praktijk per week te veel presteren.

 

In het arbeidsreglement van het gevangenis­personeel is opgenomen dat iemand per 19 dagen afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval of onwettige afwezigheid, 1 dag recuperatierust kan verliezen. Het voorziet niet in de intrekking van de recuperatierust of in de schrapping van recuperatie­rustdagen in geval van staking. De kans bestaat zelfs dat door de intrekking van de recuperatiedagen betrokkenen in een week meer dan 50 uren werken, wat in strijd is met de arbeidswetgeving.

 

Het gevangenispersoneel heeft samen meer dan 500 000 dagen achterstallig verlof staan. De kans dat het personeel deze dagen kan opnemen, is minimaal gelet op de onderbezetting van de kaders. Het intrekken van de recuperatiedagen vergroot met andere woorden de spreekwoor­delijke rugzak met achterstallig verlof. Omdat regulier verlof erg moeilijk te bekomen is, zijn de recuperatiedagen, die vaak in blokken worden toegekend, vaak het enig houvast van personeelsleden om hun sociaal en privéleven in te plannen.

 

De beslissing van de directie heeft dus zware gevolgen voor het leven van het gevangenis­personeel en kan bijkomende stress met zich brengen. Tevens wijs ik erop dat de personeels­leden die tijdens de staking werken, dezelfde gevolgen dragen van de beslissing van het hoofdbestuur. Ook zij moeten komen werken op dagen waarop zij normaal gezien rust hebben.

 

De maatregel ging in één dag voor het formele overleg met de vakbonden, wat van weinig goede wil getuigt. Er kan integendeel een manoeuvre in worden gezien, om de staking te breken, door druk te zetten, ook op financieel vlak. Dat kwam ons op vele stakingspiketten ter ore. Personeels­leden die willen tonen dat zij met de maatregelen niet akkoord gaan maar normaal recuperatierust hadden, moeten nu namelijk extra stakingsdagen aanvragen.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, hoeveel extra personeelsleden hoopt de directeur-generaal ad interim via deze maatregelen te kunnen oproepen?

 

Ten tweede, welk signaal meent u aldus aan het gevangenispersoneel en de vakbonden te kunnen sturen?

 

Ten derde, bent u bereid de directeur-generaal ad interim in de kwestie terug te fluiten, aangezien de beslissing ingaat tegen het arbeidsreglement en kwalijke gevolgen heeft voor de arbeids­omstandig­heden van heeft?

 

03.02  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, tijdens de plenaire vergadering van 21 juni ondervroeg ik u over de beslissing om de minimale dienstverlening in te voeren in de gevangenissen en over de sociale onrust die dit met zich brengt. Sindsdien werden beslissingen genomen die voor heel wat ophef zorgen bij de mensen die aan het staken zijn. Naar verluidt worden de recuperatie­rustdagen van het gevangenispersoneel ondanks eerdere afspraken eenzijdig ingetrokken. De indruk ontstaat dat men hiermee de druk op het personeel en de vakbonden wenst op te voeren, nog voor de eigenlijke gesprekken zijn opgestart.

 

Mijnheer de minister, klopt deze indruk? Gebeurt dit met uw medeweten? Meent u alzo de sociale vrede te bewerkstelligen?

 

De voorzitter: Mijnheer Hedebouw, stelt u uw volgende vraag?

 

03.03  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Monsieur le président, il me semble que tout a été dit.

 

03.04 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, het is moeilijk te voorspellen wanneer precies het aantal van 6 825 voltijdse equivalenten in bewaking en techniek zal worden gehaald. Op 25 juni 2018 waren er 7 842 personeelsleden in deze graden aanwezig, die 6 736,39 voltijdse equivalenten vertegenwoordigen. Een dossier voor 53 aanwervingen wordt nog deze week aan de Inspectie van Financiën voorgelegd.

 

Ik wil benadrukken dat de kaders gemiddeld voor meer dan 98 % zijn ingevuld, wat in vergelijking met tal van andere diensten uitzonderlijk is. Bovendien voorzien de kaders "anders werken" in een buffer van 5 %, wat betekent dat met een ingevuld kader van 95 % alle taken moeten kunnen worden uitgevoerd. Momenteel is in één inrichting het kader voor 94,2 % ingevuld, een tweede flirt met de grens van 95 %, alle anderen zitten hier beduidend boven, met een gemiddelde van 98 % en meer.

 

Het voorontwerp van wet dat door de regering in eerste lezing werd goedgekeurd, legt in heel geringe mate een beperking van het stakingsrecht op, of veeleer een modulering van het stakingsrecht, om ervoor te zorgen dat België een humane detentiepolitiek kan voeren waarbij de minimale rechten van gedetineerden worden gewaarborgd.

 

Ik ben gisteren gestart met de formele onderhan­delingen met de vakbonden van het gevangenis­personeel. Ik kan daarom nu moeilijk alle knelpunten meedelen. Het is ook niet mogelijk om nu een percentage van bezetting te geven van de bewakings- en technische functies die nodig zijn om deze gegarandeerde dienstverlening te kunnen bieden. Dit zal immers inrichting per inrichting worden vastgelegd in een plan dat met de lokale vakbondsafgevaardigden wordt overlegd. Het is in ieder geval de bedoeling om bij stakingen die langer duren dan 1 dag, deze diensten te kunnen leveren zonder de noodzaak voor de civiele bescherming en de politie om te moeten bijspringen.

 

Wat betreft het intrekken van recuperatierusten, kan ik u zeggen dat door de omvang van de stakingsacties, die al bij al uitzonderlijk is, de administratie bijkomende maatregelen heeft getroffen om de dienst te garanderen. In inrichtingen waar de politiediensten ondersteuning bieden, en enkel deze, worden gedurende de periode van de stakingsacties, de 36-uur en 38-uur recuperatierusten ingetrokken, dit voor zover de beambten door deze intrekking niet langer werken dan 50 uur per week en/of zes dagen na elkaar. Deze intrekkingen zijn wettelijk en reglementair mogelijk, in respect met de wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector, van 14 december 2000. De maatregel die, hoewel rechtmatig, slechts uitzonderlijk wordt toegepast, is ook enkel ingegeven vanuit organisatorisch oogpunt en hoegenaamd niet om enige druk te zetten op het personeel. Ik benadruk dat wij er minimaal gebruik van zullen maken en enkel in zoverre strikt noodzakelijk.

 

03.05  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.

 

D'abord, sur les jours de récupération: d'une part, nous recevons de nombreux retours sur le non-respect des 50 heures. Je pense quand même que c'est un point important. D'autre part, un tel retrait constitue une pression sur le personnel pénitentiaire. Des gens se retrouvent obligés de continuer à travailler alors qu'ils avaient droit à ces jours de récupération. Or, l'enjeu du conflit est, pour partie, relatif à la question des jours de congé non disponibles pour le personnel.

 

Monsieur le ministre, je peux vous dire que si le but est d'aboutir à une paix sociale dans le secteur, c'est vraiment perçu de manière très différente par les agents pénitentiaires.

 

Ensuite, vous parlez du protocole 464, avec 6 825 fonctionnaires, mais vous aviez promis, dans un autre protocole, plus de 200 fonctionnaires supplémentaires (7 075). En termes de promesses, il me semble qu'il y a deux poids, deux mesures.

 

Nous suivrons évidemment ce dossier et cette lutte de très près.

 

03.06  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik volg collega Hedebouw, in die zin dat het in het grote conflict dat u hebt met de cipiers alvast geen goede start is als u eenzijdig de recuperatierusten aantast. Betrokkenen zitten op dit moment compleet op hun tandvlees, dat moet ik u niet uitleggen. Als u dan ook nog de rust intrekt, waar zij wettelijk recht op hebben, zal dat volgens mij de gemoederen niet bedaren maar veeleer verhitten.

 

Ik wens u alvast veel moed en succes met de onderhandelingen. Ik hoop dat u, aan beide kanten, tot goede afspraken kunt komen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van de heer Wim Van der Donckt aan de minister van Justitie over "het minimumkapitaal van de vastgoedmakelaars-syndici" (nr. 26268)

04 Question de M. Wim Van der Donckt au ministre de la Justice sur "le capital minimum des agents immobiliers-syndics" (n° 26268)

 

04.01  Wim Van der Donckt (N-VA): Mijnheer de minister, door het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, dat werd goedgekeurd op 7 juni jongstleden, wordt aan de verenigingen van mede-eigenaars de verplichting opgelegd een reservekapitaal aan te leggen, waarvan de jaarlijkse bijdrage niet lager mag zijn dan 5 % van het totaal van de gewone gemeen­schappelijke lasten van het voorgaande boekjaar. Daarmee wil men terecht voorkomen dat bij grote herstellings- en vernieuwingswerken een mede-eigenaar niet kan betalen.

 

Wie zich echter voor 100 % indekt voor een risico, stelt zich voor 100 % bloot aan een ander risico. Het reserve­kapitaal komt weliswaar op een rekening op naam van de vereniging van de mede-eigenaars, maar de syndicus heeft te allen tijde volmacht op die rekening. Het is een onprettige gedachte dat de syndicus op een dag met het reservekapitaal van de gebouwen onder zijn beheer zou verdwijnen.

 

Daarom voorziet artikel 3 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoed­makelaar dat, ingeval de vastgoedmakelaars-bemiddelaars, de vastgoedmakelaars-syndici en de vastgoedmakelaars-rentmeesters hun activiteit in het kader van een rechtspersoon uitoefenen, zij onderworpen zijn aan de vereisten met betrekking tot het minimumkapitaal, waarvan de Koning de nadere voorwaarden bepaalt. Bij mijn weten heeft de Koning geen actie ondernomen en vallen wij bijgevolg terug op het vennootschapsrecht.

 

U bent bezig met een nieuw Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en hebt dat neergelegd in de Kamer. Zoals aangekondigd, verdwijnt de vereiste van het minimumkapitaal voor een bv, wat nog te verdedigen is, maar verdwijnt ook de mogelijkheid voor elke belanghebbende om een gerechtelijke ontbinding van een vennootschap met een negatief eigen vermogen te vorderen. Een jaar geleden heeft dit parlement er nog in voorzien dat ook het openbaar ministerie vennootschappen met een negatief vermogen kan doen ontbinden. Het is ons niet te doen om de rechtspersoon te ontbinden, maar wel dat het negatief eigen vermogen wordt weggewerkt. Dat is zeker het geval voor rechtspersonen-syndici die aanzienlijke sommen van appartementseigenaars beheren.

 

Mijnheer de minister, ik krijg graag een antwoord op de volgende vragen.

 

Ten eerste, bent u het ermee eens dat naarmate er meer reservekapitaal door de verenigingen van mede-eigenaars wordt aangelegd, er waarborgen moeten zijn dat de syndicus zich dit niet onrechtmatig toe-eigent?

 

Ten tweede, als de syndicus toch met het geld van de mede-eigenaren verdwijnt, wie controleert dan of een syndicus zich afdoende heeft verzekerd tegen het verdwijnen van het werkkapitaal en reservekapitaal van een vereniging van mede-eigenaren?

 

Ten derde, wat is uw standpunt ten aanzien van erkende rechtspersonen-syndici met een negatief eigen vermogen?

 

Ten vierde, aangezien de Koning geen minimum­kapitaal­vereisten oplegt voor de vastgoed­makelaars-syndici, -bemiddelaars en - rentmeesters, en u in uw nieuwe wetboek zelfs vennootschappen met een negatief eigen vermogen tolereert, vreest u niet dat gedupeerde mede-eigenaren zich zullen wenden tot de Belgische Staat om haar te doen veroordelen wegens nalatigheid van de Koning om in een minimumkapitaal te voorzien in casu?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Van der Donckt, ik ben het niet eens met de opvatting dat er onvoldoende waar­borgen bestaan tegen malafide syndici. Recente wetgeving heeft deze waarborgen nog versterkt. Zo is het de taak van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaren om na te gaan of de syndicus zijn bevoegd­heden op correcte wijze uitoefent, bestaat er een grote mede-eigendom en een raad van mede-eigendom die kennis neemt van alle stukken met betrekking tot het beheer van de mede-eigendom, en kan zo'n raad ook opgericht worden voor kleine mede-eigendommen, en duidt de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaren jaarlijks een commissaris van de rekeningen aan om de rekeningen van de vereniging te controleren. Ik verwijs naar de artikelen 577-8/1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Wat uw tweede vraag betreft, kan ik u meedelen dat de syndicus contractueel aansprakelijk is ten aanzien van de mede-eigendom voor de fouten die hij bij het uitoefenen van zijn taken maakt. Dat is artikel 577-8, § 5, van het Burgerlijk Wetboek. Sedert de wetswijziging van 2 juni 2010 is de syndicus verplicht een aansprakelijkheids­verzekering te nemen die zijn taak dekt, alsook het bewijs van die verzekering te leveren. In eerste instantie is het aan de vereniging van mede-eigenaren om controle uit te oefenen op de verzekeringspolis, aangegaan door de syndicus. Ook de raad van mede-eigendom is tot die controle verplicht.

 

Wat uw derde vraag betreft, wijs ik u erop dat in de naamloze vennootschap het huidige recht ongewijzigd zal blijven. Dit impliceert dat de alarmbelprocedure van artikel 633 en de vordering tot ontbinding in het geval het netto-actief gedaald is beneden het minimumkapitaal, behouden blijven in het nieuwe wetboek dat op dit ogenblik in de Kamer wordt besproken. Voor de besloten vennootschap worden de regels aangepast aan de afschaffing van het kapitaalbegrip. Het verlies van het kapitaal geeft geen aanleiding meer tot een vordering tot ontbinding, zoals onder het huidige recht in artikel 333 van het Wetboek van Vennootschappen bepaald was, maar de alarmbelprocedure zelf wordt wel behouden, en verbeterd. Het bestuursorgaan moet voortaan de algemene vergadering bijeenroepen, niet alleen wanneer het eigen vermogen negatief is en/of dreigt te worden, maar ook zodra de liquiditeits­positie van de vennootschap in het gedrang komt. Met andere woorden: zodra de vennootschap niet meer in staat lijkt haar schulden te voldoen over een periode van ten minste 12 maanden. De leden van het bestuursorgaan blijven aansprakelijk voor de schade die uit de niet-nakoming van deze verplichting voortvloeit. De omkering van de bewijslast blijft behouden.

 

Ten vierde, daar zoals aangegeven in de wet betreffende de mede-eigendom wordt voorzien in voldoende waarborgen ter controle van de syndicus en daar deze bovendien aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn al dan niet opzettelijke fouten, zal het zeer onwaarschijnlijk zijn dat de Belgische Staat aansprakelijk wordt gesteld.

 

Wat de vastgoedmakelaars-rentmeesters en vastgoedmakelaars-bemiddelaars betreft, verwijs ik naar artikel 2, punt 1 van de wet van 11 februari 2013 houdende de organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar, die stelt dat de minister van Middenstand hiervoor verantwoor­delijk is.

 

04.03  Wim Van der Donckt (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw omstandige antwoord.

 

Ik heb wel nog enkele bijkomende opmerkingen.

 

Vennootschappen met een negatief netto-actief worden vaak kunstmatig in het leven gehouden via een rekening­-courant van de vennoot­zaakvoerder. Dit is jammer genoeg een courante praktijk. Maar als een vennootschap al in goede tijden via een rekening-courant bestuurd moet worden, wat zal er dan gebeuren in een crisis? Een negatief netto-actief wijst in vele gevallen op een onvoldoende rendement. Het zijn diezelfde bedrijven die financieel ziek zijn, maar die door het monetair beleid van de centrale banken niet failliet gaan omdat zij met goedkoop geld in leven blijven.

 

Het klopt inderdaad dat het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars een collectieve polis afsluit voor de erkende vastgoedmakelaars. De dekking daarvan is echter beperkt tot 250 000 euro per schadegeval. Die polis komt ook enkel tussen bij diefstal of bij verduistering door een aangestelde of een derde, maar niet in geval van diefstal of verduistering door de vennootzaakvoerder, bestuurders of de echtgenote van de vastgoed­makelaar. Met andere woorden: wanneer de vastgoedmakelaar met de noorderzon verdwijnt, is er geen dekking.

 

U verwees naar enkele controlemechanismen die in de wet opgenomen zijn, of opgenomen zullen worden. Ik meen ook dat u verwezen hebt naar de dubbele uitkeringstest, zowel voor een bv als voor een nv. Die dubbele uitkeringstest verhindert wel dat een vennootschap met een negatief netto-actief winst uitkeert, maar verhindert natuurlijk niet dat ondertussen de vennoten via een rekening-courant met hoge intresten de vennootschap verder ondermijnen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Chers collègues, notre commission de cet après-midi s'interrompt.

 

Vous êtes appelés en commission des Finances et en séance plénière. Les questions qui n'ont pas pu être posées aujourd'hui et qui n'ont pas été transformées en questions écrites sont reportées à la semaine prochaine.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.05 uur.

La réunion publique de commission est levée à 15.05 heures.