Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Dinsdag 22 mei 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 22 mai 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


Le développement des questions commence à 15.43 heures. La réunion est présidée par M. Benoît Dispa.

De behandeling van de vragen vangt aan om 15.43 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Benoît Dispa.

 

01 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de stand van zaken van de beursgang van Belfius" (nr. 24807)

01 Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'état d'avancement de l'introduction en Bourse de Belfius" (n° 24807)

 

01.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, het dossier van de mogelijke gedeeltelijke beursgang van Belfius gaat al een tijd mee. Het is stil geworden in dat dossier. Deze vraag is bijna twee maanden oud, maar ze is dus nog steeds actueel.

 

De oorspronkelijk timing die wij van u hadden vernomen, was "voor de zomer, indien mogelijk". Dat wordt zeer kort dag, meen ik. Is er nog een evolutie in dat dossier? Hoe zit het met die geplande timing? Als een gedeelte naar de beurs zou gaan, wat is dan de te volgen strategie met de aandelen die in handen van de Staat zullen blijven?

 

01.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Klaps, de eerste voorziene timing van de IPO – in de eerste jaarhelft van 2018, zoals u zelf hebt aangegeven – is uiteraard niet meer haalbaar, want het is al eind mei. Op zich is dat een spijtige zaak, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat de beursgang niet meer wenselijk of haalbaar zou zijn op een later tijdstip. Het dossier blijft aan de orde binnen de regering, maar het zal natuurlijk voor een deel afhangen van de marktomstandigheden die zich na de zomer zullen presenteren in welke mate wij op dat moment al dan niet kunnen overgaan tot een IPO van een gedeelte van het aandelenkapitaal. Het resterende aandelenkapitaal zal uiteraard door de Staat beheerd worden zoals het altijd beheerd werd, namelijk optimaal, in zijn diverse vormen, zowel wat kapitaalwaarde als dividendwaarde betreft.

 

01.03  Johan Klaps (N-VA): Ik kan er enkel nogmaals op aandringen dat de regering de nodige stappen zet, want markttiming is zeer belangrijk. Om de markttiming echter te kunnen laten spelen, moet men wel eerst een principebeslissing nemen. Ik roep alle meerderheidspartijen op om zo snel mogelijk die principiële goedkeuring te geven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het btw-stelsel van opleidingsverstrekkers" (nr. 25086)

02 Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le régime TVA des entreprises de formation" (n° 25086)

 

02.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, verschillende bedrijven bieden opleiding en training aan. Zij moeten daarvoor btw aanrekenen aan hun klanten, ook als het gaat over particulieren of overheidsinstellingen. Intussen zijn er verschillende universiteiten, vrijgesteld van btw, die opleidingen aanbieden via nevenorganisaties of spin-offs. Als deze in concurrentie gaan met private opleidingsverstrekkers, hebben zij via de fiscaliteit een prijsvoordeel.

 

Bent u bereid om deze oneerlijke concurrentie te regulariseren?

 

02.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Klaps, ik heb hier al verschillende keren gezegd dat het van essentieel belang is voor een optimale werking van de markt — wij spraken er daarnet nog over in de GAFA-context — dat ondernemingen op een open en eerlijke manier met mekaar kunnen concurreren, zonder daarbij gehinderd te worden door fiscale bepalingen die tot gevolg hebben dat er concurrentieverstoring optreedt.

 

Hierdoor is het dan ook onaanvaardbaar dat op grond van btw-bepalingen bepaalde aanbieders van opleidingen gedwongen zijn om btw in rekening te brengen, terwijl andere spelers soortgelijke of zelfs identieke opleidingen kunnen aanbieden zonder btw in rekening te brengen.

 

Het probleem waarnaar u verwijst, vindt zijn oorsprong in de wijziging van artikel 44, § 2, 4° van het Btw-Wetboek, de wet van juni 2013. Om een einde te stellen aan deze marktverstoring zal ik op korte termijn mijn reeds bestaand wetgevend initiatief om de toepassing van de btw-vrijstelling voor het aanbieden van opleidingen afhankelijk te maken van de voorwaarde dat de toepassing van de vrijstelling geen aanleiding geeft tot concurrentieverstoring, opnieuw voorleggen aan de regering.

 

02.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik deel uw analyse en kijk uit naar de nieuwe teksten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de btw op bestuurders-rechtspersonen en syndici" (nr. 25092)

03 Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'assujettissement à la TVA des administrateurs personnes morales et syndics" (n° 25092)

 

03.01  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, sinds 1 juni 2016 zijn de bestuurders-rechtspersonen btw-plichtig geworden voor hun mandaat in een exploitatievennootschap. Er zijn wel een aantal voorwaarden aan verbonden. Ze moeten een algemene bevoegdheid van beheer, controle en leiding hebben, waardoor de btw-plicht dus niet geldt voor specifieke opdrachten binnen de exploitatievennootschap die niet als daden van beheer, controle en leiding aangemerkt kunnen worden. Bovendien moet het mandaat bezoldigd zijn om btw-plichtig te kunnen zijn of worden.

 

Die regeling heeft een hele voorgeschiedenis. In de vorige legislatuur wou men de regels aanpassen ten gevolge van een Europees advies, maar de uiteindelijke regeling werd telkenmale uitgesteld. In een circulaire van 30 maart 2016 werden de regels uitgewerkt. Die zijn ingegaan op 1 juni 2016. Met betrekking tot die btw-plicht rees lang de vraag wat dat zou betekenen voor de syndici, die door de wet op de mede-eigendom aangemerkt werden als bestuurder in een vennootschap.

 

De fiscus heeft bij de vele uitstellen inzake de btw-regeling voor bestuurdersvennootschappen altijd laten weten dat er niets zou wijzigen aan het keuzestelsel voor syndici, maar de vraag is nu of dat nog steeds zo is met bovenstaande circulaire en of die regeling ook verenigbaar is met de Europese btw-richtlijn. Op dat vlak bestaat er blijkbaar wel wat ongerustheid en onduidelijkheid. Vandaar mijn vragen aan u, mijnheer de minister.

 

Kunt u verduidelijken of de nieuwe circulaire van 30 maart 2016 gevolgen heeft voor het keuzestelsel voor de syndici? Zo ja, welke? Zo nee, op welke manier?

 

Kunt u verklaren of het huidige keuzestelsel voor syndici verenigbaar is met de btw-richtlijn?

 

03.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Smaers, wat uw eerste vraag betreft, door de publicatie van de btw-beslissing nr. E.T.127.850 heeft de administratie uitsluitend tot doel gehad zich te schikken naar een advies van de Europese Commissie inzake het keuzestelsel dat momenteel bestaat voor de bestuurders, zaakvoerders en vereffenaars van vennootschappen. Met ingang van 1 juni 2016 dienen de rechtspersonen die optreden als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar van vennootschappen zich daarom voor btw-doeleinden te laten identificeren. De btw-beslissing waarnaar ik daarjuist verwees, blijft evenwel zonder gevolg voor het btw-statuut voor syndici. Het keuzestelsel voor syndici-rechtspersonen is nog steeds van toepassing.

 

Ik kom tot uw tweede vraag. De bedoelde regeling voor syndici gaat in oorsprong terug op een bijzondere maatregel voor syndici-natuurlijke personen, waarvan vóór 1 januari 1977 kennis werd gegeven aan de diensten van de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 394 van de btw-richtlijn. Sindsdien wordt die bijzondere regeling in de praktijk op een manier toegepast die zoveel mogelijk een neutrale behandeling garandeert voor syndici, ongeacht hun juridische hoedanigheid.

 

03.03  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Rita Gantois aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het carryback-systeem voor de landbouwsector" (nr. 25098)

04 Question de Mme Rita Gantois au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le mécanisme du carry back pour le secteur agricole" (n° 25098)

 

04.01  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u zult op vraag van de regering tegen juni dit jaar de carrybackregeling voor noodlijdende landbouwbedrijven concreet uitwerken, zowel in de vennootschaps- als in de personenbelasting.

 

Deze regeling heeft tot doel de landbouwsector weerbaarder te maken tegen grote en meestal onvoorziene prijsschommelingen die vaak meer dan 25 % bedragen. Het is heel moeilijk voor de sector om daarmee om te gaan. De regeling houdt in dat landbouwers de mogelijkheid krijgen om het fiscaal verlies ten gevolge van weersom­standigheden bij het afsluiten van een boekjaar te verrekenen met de winst van de drie boekjaren die aan het verliesgevende jaar zijn voorafgegaan.

 

Wat is uw mening over het carrybacksysteem? Wat is de internationale evolutie met betrekking tot de achterwaartse verliesverrekening?

 

Hebt u een zicht op de omvang van het voordeel en de bijkomende administratie?

 

Is een dergelijke regeling verenigbaar met de Europese wetgeving?

 

Welke instantie zal beoordelen of een fiscaal verlies het gevolg is van de weersomstandigheden? Of zal de achterwaartse verliesverrekening ongeacht de grillen van het weer worden ingevoerd?

 

Waarom wordt een carryback beperkt tot de landbouw? Wellicht zijn er nog nadere sectoren wier fiscaal resultaat weersafhankelijk is of sterk schommelt volgens de economische conjunctuur. Ik denk dan in het bijzonder aan de staalsector.

 

04.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Gantois, zoals u terecht aangeeft, is het doel van de invoering van een carrybacksysteem de landbouwsector weerbaarder te maken tegen onverwachte prijsschommelingen. Slechts een beperkt aantal andere staten hebben tot op heden een systeem van achterwaartse verliesverrekening ingevoerd. Bijna altijd is de verliesverrekening in die gevallen beperkt in de tijd, namelijk variërend van één tot drie jaar.

 

Mijn administratie zal bij de opmaak van het voorontwerp van wet een raming maken van de voordelen van de invoering van een dergelijk systeem en pogen de administratieve lasten voor de betrokken ondernemingen tot het absolute minimum te beperken.

 

De Europese wetgeving verzet zich niet tegen de invoering van een systeem van achterwaartse verliesverrekening. Aangezien het systeem beperkt is tot de landbouwsector, zal het voorontwerp van wet vooraf aan de diensten van de Europese Commissie bevoegd voor staatssteun, worden voorgelegd.

 

Het voorontwerp van wet wordt momenteel opgemaakt en zal op regeringsniveau nader besproken worden. De verschillende mogelijkheden die er inderdaad nog steeds zijn, zullen uiteraard naar aanleiding van die discussie verder aangekaart worden.

 

Ten slotte, de verschillende opties om een systeem van achterwaartse verliesverrekening te introduceren, worden op dit moment nog gefinaliseerd.

 

04.03  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de minister, u weet dat ik zeer veel sympathie heb voor de landbouwsector. Wij moeten al het mogelijke doen om de sector weerbaarder te maken.

 

Als de regering een carrybacksysteem voor de landbouw wil invoeren, dan zeg ik daar uiteraard geen nee tegen. Ik hoop alleen dat de invoering van zo’n systeem niet al te zwaar wordt op administratief vlak. Door de beperking van de verliesaftrek tot 70 % voor de vennootschappen met een fiscaal resultaat hoger dan 1 miljoen euro, vanwege de zoektocht naar een rechtvaardige minimumbelasting, wordt het er niet eenvoudiger op. Ook al zullen weinig landbouwvennootschappen te maken hebben met deze regel, toch kan hij niet worden uitgesloten.

 

Eigenlijk dacht ik dat het gemakkelijker en handiger zou zijn om in te zetten op een lager tarief, in plaats van de fiscaliteit nog ingewikkelder te maken.

 

Ik kijk in elk geval uit naar de uitwerking van dit voorstel.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de structurele oplossing voor de bijkomende belastingvermindering voor pensioenen" (nr. 25157)

05 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la solution structurelle pour la réduction fiscale supplémentaire pour les pensions" (n° 25157)

 

05.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, enige tijd geleden hebt u geantwoord op een vraag over de bijkomende belastingvermindering voor pensioenen en andere vervangingsinkomens. Er werd toen aangekondigd dat een werkgroep zou worden opgericht om een structurele oplossing uit te werken voor de begroting van 2018.

 

Hetzelfde is ook te lezen in de memorie van toelichting bij de wet van 22 oktober 2017. Ik citeer: "De wijziging die wordt voorgesteld, is slechts een voorlopige regeling. De regering heeft zich immers voorgenomen om een grondigere oplossing voor de belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten uit te werken in het kader van de begroting 2018."

 

In deze context wil ik u enkele vragen stellen.

 

Mijnheer de minister, kunt u een stand van zaken geven van de uitwerking van zo'n structurele oplossing? Is de werkgroep al samengesteld en zijn er al eerste bevindingen? Zo nee, waarom niet?

 

Welke zullen de parameters zijn van de structurele oplossing? Welke timing stelt u voorop?

 

Als men nu simulaties doet via Tax-on-web voor de laagste pensioenen en sommige vervangingsinkomens, dan merkt men dat men eigenlijk niet het nettovoordeel van de indexering heeft. Het is dus zeer belangrijk dat daarvoor een mechanisme wordt uitgewerkt. Ik weet dat dit niet eenvoudig is, vandaar ook de werkgroep.

 

Hoe wordt er nu verder gewerkt aan dat specifieke punt?

 

05.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, zoals u zonet zelf al aangaf, is dit bijzonder complex, zeker om het gedetailleerd en goed in kaart te brengen. De administratie is nog altijd volop bezig met de diverse pistes. Als men erover gaat nadenken hoe men dit reële probleem kan aanpakken, dan zijn er immers diverse pistes die allemaal voor- en nadelen hebben. De afwegingen daaromtrent zijn van uiteenlopende aard.

 

Bovendien is er hoe dan ook een budgettair kostenplaatje dat op tafel moet komen. Het zal allicht een aanzienlijk bedrag vergen om dit structureel te corrigeren. Zoals gezegd moet dat kostenplaatje in ieder geval op tafel komen.

 

Zodra alle gegevens beschikbaar zijn, zal de werkgroep, die al klaarstaat, in gang schieten om te trancheren.

 

Een van de knelpunten bij de bijkomende vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomens is dat het gezamenlijk belaste inkomen uitsluitend uit pensioenen en vervangingsinkomens moet bestaan. Dat is volgens mij een van de knelpunten die absoluut moeten worden opgelost in deze zaak, zodat er gemakkelijker aan kan worden doorgewerkt.

 

Tot slot, de structurele oplossing die uit de bus zal komen, moet dan verder worden besproken door de regering. Zodra daarover een akkoord is bereikt, zal uiteraard snel een wetsontwerp kunnen worden opgesteld om voor te leggen aan het Parlement.

 

Le président: Encore un petit peu de patience, monsieur Deseyn.

 

05.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ik probeer positief te zijn.

 

Het positieve is dat de betrachting collectief is; u streeft ook naar een oplossing. Het negatieve is dat de timing in ons nadeel speelt: tegen het einde van de legislatuur raakt het geduld een beetje op.

 

Ik ga ermee akkoord dat het prioritair geldt voor het gezamenlijk belastbaar inkomen. Als dat niet het geval is, dan is het moeilijker. Via de voorlopige oplossing werd ervoor gezorgd dat geen 100 % of zelfs meer wordt 'weggefiscaliseerd' — ik weet niet of dit een Nederlands woord is. Bij mijn laatste simulatie, na abstractie van alle andere aftrekken zoals dienstencheques, kom ik aan 85 % die wordt afgeroomd en blijft slechts een nettoverhoging van 15 % gehandhaafd.

 

Naast de details is het ook belangrijk om de samenstelling van de werkgroep te kennen. Iedereen heeft natuurlijk voldoende aangiften of men kan dat navragen bij de administratie.

 

Er is een klein lichtpuntje, maar het is zeer moeilijk om het politiek uit te leggen, omdat onze politieke betrachting er precies in bestaat een aantal voordelen en stijgingen netto te gunnen. Het minste zijn dan nog de verschillende indexeringen die tijdens de legislatuur hebben plaatsgevonden.

 

Ik hoop dat men ter zake snel zal kunnen landen. En zelfs al is de oplossing nog niet volmaakt, elk stapje voorwaarts brengt ons dichter bij huis.

 

Ik dank u voor de inspanningen in deze zaak.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de terugvordering van de Franse roerende voorheffing" (nr. 25158)

06 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la récupération du précompte mobilier français" (n° 25158)

 

06.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, opnieuw gaat het erom om een verdrag zo goed mogelijk na te leven. Particuliere beleggers betalen zowel Franse als Belgische roerende voorheffing op dividenden uit Franse aandelen. Daarover hadden we het al eerder, in vragen nrs 546 en 1238. U hebt toen geantwoord dat u zich aansloot bij het standpunt van de administratie om de ingehouden Franse roerende voorheffing niet te verrekenen. Maar dat antwoord stond misschien los van het cassatiearrest van 16 juni 2017. In dat arrest oordeelde het Hof namelijk dat de ingehouden Franse roerende voorheffing wel degelijk moet worden verrekend met de 30 % Belgische roerende voorheffing conform artikel 19, A1, tweede lid van het dubbelbelastingverdrag met Frankrijk. Op basis van het arrest moet dus een krediet van 15 % van het netto uit Franse bron verkregen dividend verrekend worden met de 30 % Belgische belasting op dat dividend. Het resultaat is dan dat de Belgische belasting nog maar 15 % mag bedragen.

 

Door dat arrest zitten we met een probleem. Particuliere beleggers hebben het arrest natuurlijk aangegrepen om alsnog een bezwaarschrift in te dienen om het teveel aan belasting terug te vorderen. Vanuit de praktijk wordt er gesignaleerd dat de terugvordering niet zo gemakkelijk verloopt. Een aantal gewestelijke directies heeft blijkbaar besloten om te wachten totdat het hof van beroep van Antwerpen zich over de zaak heeft gebogen, terwijl sinds 3 augustus 2017 in feite de regel heerst dat het beroepshof zich moet schikken naar de uitspraak van het Hof van Cassatie wanneer het over de zaak moet oordelen na cassatie. In West-Vlaanderen blijkt men dan weer niet te wachten en wijst men alle bezwaren systematisch af. Het betreft dan wel de gevallen waarin de belastingplichtige zijn Franse dividenden onder toepassing van de roerende voorheffing niet heeft aangegeven op het aangifteformulier. Dat lijkt mij nogal kras, want het Hof van Cassatie heeft onlangs geoordeeld dat een belasting die in het kader van de bevrijdende roerende voorheffing definitief werd geïnd, nooit hoger kan zijn dan de wettelijk verschuldigde belasting. Het gaat mij hier niet om bepaalde principes of de omvang van belastingen, maar het moet voor de mensen duidelijk zijn dat het belastingverdrag moet worden nageleefd.

 

Ten eerste, kunt u verduidelijken wat nu het standpunt is met betrekking tot de terugvordering van te veel betaalde Belgische belasting op Franse dividenden?

 

Ten tweede, zullen belastingplichtigen hun te veel betaalde belasting kunnen terugvorderen, zoals ook werd gesteld door het Hof van Cassatie? Zal men hiervoor moeten procederen of zal er een coulantere houding zijn van de gewestelijke directies? Problematisch is natuurlijk de wisselende houding. Ik vind het altijd zeer moeilijk dat een en ander afhangt van de “subjurisdictie” die door de administratie wordt aangehouden.

 

Mijnheer de minister, kan de administratie, ten derde, de terugvordering weigeren, omdat de Franse dividenden niet op het aangifteformulier werden aangegeven? Indien ja, op basis waarvan kan dat gebeuren? Komt een en ander desgevallend niet in conflict met de cassatierechtspraak van januari 2016?

 

Ten vierde, misschien is er ook een budgettaire kostprijs. Ik weet niet of die kostprijs kan worden gecalculeerd.

 

Los van het principe zouden wij de interpretatie kunnen aangeven en daarmee dan ook consequent zijn bij de administratieve afhandeling of, indien men de effecten niet wil, bij een hernegotiatie van het bedrag. Het is echter moeilijk voor een politicus daarin klaarheid te scheppen. Nochtans zijn transparantie en voorspelbaarheid in het dossier een belangrijke zaak.

 

06.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, het arrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2017, waarnaar u verwijst, wordt door de administratie niet toegepast. Ik verklaar mij nader.

 

De administratie is van mening dat de tekst van de Belgisch-Franse overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting enkel een mindering van een forfaitair gedeelte buitenlandse belasting toestaat binnen de voorwaarden die in de Belgische wetgeving zijn vastgelegd.

 

Voor particulieren laat de Belgische wet slechts in uitzonderlijke gevallen een verrekening van een forfaitair gedeelte buitenlandse belasting toe.

 

Datzelfde standpunt wordt thans door de administratie voor het hof van beroep te Antwerpen ingenomen.

 

Gelet op dat antwoord, dat uiteraard, pour dire le moindre, complex is, zijn uiteraard de antwoorden op uw derde en vierde vraag ook relatief kort. De administratie gaat dus niet over tot enige vorm van terugbetaling. De terugvordering wordt uiteraard geweigerd. Uit het voorgaande volgt dus per definitie de conclusie dat er ook geen budgettaire impact wordt verwacht.

 

06.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer Van Overtveldt, ik begrijp technisch de redenering, maar zij toont wel aan dat de wetgeving te complex is om op een vlotte en efficiënte manier te worden toegepast of om ze in die bewoordingen begrijpbaar te laten zijn. Bovendien wordt door het uitzonderlijke karakter van bepaalde aftrekken aangetoond dat wij hier met een probleem op wetgevend vlak kampen. Wie geraakt daar nog aan uit, wanneer er zoveel duiding nodig is bij de toepassing van bepaalde verdragsartikelen? Dat op zich is erg problematisch.

 

Ik betwist uw argumenten niet, maar ik denk dat de redenering in de toekomst moeilijk vol te houden is. Een en ander zal misschien een positiewijziging of een aanpassing van ons wetboek vergen.

 

Het illustreert de nood aan vereenvoudiging.

 

06.04 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, u sprak over een wisselende houding naargelang de administratie. Dat is mij niet bekend. Ik zal het in elk geval laten nagaan en proberen om daarin tot één lijn te komen.

 

06.05  Roel Deseyn (CD&V): Dat zou bijdragen tot de verduidelijking. Het gebeurt dat men te goeder trouw dingen niet vermeldt, omdat men ze niet moet vermelden. Ik begrijp heel goed de zorgen van de kantoren, die dat allemaal administratief moeten afhandelen, terwijl ze door de mist van de aftrekken en de afrekeningspolitiek moeten kijken. Op zich is dat zeer problematisch, los van de logische gedachtegang. Dat moet toch echt geremedieerd worden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het matchingprincipe bij de aftrek van beroepskosten" (nr. 25159)

07 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'application du principe de matching pour la déduction des frais professionnels" (n° 25159)

 

07.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, ook met deze vraag streef ik naar uniformiteit en eenvoud.

 

Het matchingprincipe werd ook bij de hervorming van de vennootschapsbelasting gehanteerd voor de aftrek van beroepskosten. Het huidige artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verschilt na invulling van het boekhoudrecht. De vooruitbetaalde kosten kunnen worden overgedragen door middel van overlopende rekeningen. In afwijking daarvan laat het fiscaal recht toe dat kosten die vandaag betaald zijn, maar economisch drukken op een volgend jaar, toch al onmiddellijk in de aftrek kunnen worden gebracht.

 

Op basis van die regel heeft men al veel aan fiscale planning kunnen doen. Daarom heeft de wetgever – dat hebben wij hier allemaal besproken – ervoor geopteerd om die planningstechnieken uit de wereld te helpen. Vandaar werd het matchingprincipe ingevoerd in de vennootschapsbelasting. Dat heeft tot gevolg dat wanneer kosten op verschillende boekjaren geboekt staan, ze slechts pro rata temporis kunnen worden afgetrokken.

 

Dit is een van de vele vragen over de tekst van de vennootschapsbelasting. De tekst van de wet en de memorie geven immers geen uitsluitsel over het feit of die regel nu enkel geldt bij planningstechnieken en oneigenlijk gebruik of ook bij niet-planning, waarmee gedoeld wordt op intenties die al dan niet worden verwezenlijkt. Bij dat laatste denk ik aan jaarlijks terugkerende verzekeringspremies, verkeersbelastingen enzovoort, die in het belastbaar tijdperk worden betaald en effectief ook op een gedeelte van het lopend boekjaar slaan. Moet alles geprorateerd worden? Dat is een open vraag. Ik geef als voorbeeld een bedrijf met een vloot bedrijfswagens waarvan de verzekeringspremies en de verkeersbelastingen per wagen op een ander moment vallen. Volgens de letterlijke lezing van de wet zal dat bedrijf waarschijnlijk per auto moeten prorateren en daarbij een uitsplitsing moeten maken tussen het stuk dat op het lopende boekjaar slaat en het stuk dat op het volgende boekjaar slaat. Dat levert natuurlijk bijkomende administratie op.

 

Mijnheer de minister, ter verduidelijking wil ik u de volgende vragen stellen.

 

Wat is het toepassingsgebied van dat gehuldigde matchingprincipe inzake de aftrek van beroepskosten in de vennootschapsbelasting? Is het beperkt tot planningstechnieken of is het ook van toepassing op geboekte kosten die totaal geen planning uitmaken? Dat laat veel ruimte tot interpretatie.

 

Indien uit uw antwoord zou blijken dat het matchingprincipe ook op de niet-planning slaat, is het volgens u dan geen optie om in een administratieve tolerantie te voorzien voor geboekte kosten die totaal geen fiscale planning uitmaken, waardoor de administratieve verplichtingen voor bedrijven op dat vlak kunnen dalen? Dat is dan weer the second best en vanuit het oogpunt van controle niet evident, maar vanuit de praktijk is de vraag wel heel terecht om de administratie niet onnodig te compliceren.

 

07.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, met de hervorming van de vennootschapsbelasting zijn vennootschappen verplicht om op fiscaal vlak het boekhoudkundige overeenstemmingsprincipe, of het matchingprincipe, toe te passen voor de aftrek van beroepskosten. Die bepaling heeft een algemene draagwijdte en wordt niet beperkt tot de loutere planningstechnieken. Kosten die op meerdere boekjaren slaan, zijn bijgevolg slechts als beroepskosten aftrekbaar van het belastbaar tijdperk van hun betaling of hun boeking als schuld, of van een volgend belastbaar tijdperk, in de mate dat die kosten betrekking hebben op dat belastbaar tijdperk.

 

Het lijkt mij dan ook niet opportuun om van dat principe af te wijken en in administratieve toleranties te gaan voorzien. Vennootschappen, die regelmatig boekhouden, zijn er immers al toe gehouden om het matchingprincipe op boekhoudkundig vlak toe te passen.

 

07.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, u belijdt het matchingprincipe in al zijn consequenties. Misschien is dat administratief niet altijd even evident, maar wij besparen ons wel discussies over het peilen naar intenties. Het is goed dat men in de praktijk weet dat dit principe ondubbelzinnig moet worden aangehouden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 25184 van mevrouw Winckel wordt omgezet in een schriftelijke vraag. We geven de heer Van Biesen de kans om zijn vraag nr. 25206 straks te stellen.

 

08 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de gevolgen van de brexit voor de zeehaven van Brugge" (nr. 25213)

- mevrouw Daphné Dumery aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de voorbereidingen in de haven van Zeebrugge met betrekking tot de komende brexit" (nr. 25240)

08 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les conséquences du Brexit pour le port maritime de Bruges" (n° 25213)

- Mme Daphné Dumery au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les préparatifs du port de Zeebrugge à l'approche du Brexit" (n° 25240)

 

08.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, het staat vast dat de brexit gevolgen zal hebben voor de haven van Zeebrugge, voor West-Vlaanderen, en bij uitbreiding voor Vlaanderen. De haven van Zeebrugge en de West-Vlaamse economie zijn beide heel afhankelijk van de Britse markt. De gevolgen van deze brexit zijn nog niet volledig duidelijk, maar zeker is dat er controles en meer formaliteiten zullen bijkomen.

 

Zesenveertig procent van de trafiek in Zeebrugge is met Groot-Brittannië, goed voor vijfduizend jobs, 500 miljoen euro toegevoegde waarde en zeventig lijndiensten per week; 67 % is export, vooral textiel, voeding en wagens.

 

Om een vlotte doorstroming te garanderen werden er 141 extra douanekrachten beloofd. Naar aanleiding van de vele extra transacties en administratieve formaliteiten als gevolg van de brexitbeslissing zijn de zeehaven van Zeebrugge en vele bedrijven daar vragende partij voor de oprichting van een douaneantenne in Zeebrugge zelf.

 

Mijnheer de minister, ik heb twee vragen voor u.

 

Ten eerste, zijn deze extra douanekrachten al in dienst? Zo niet, wanneer komen deze extra krachten erbij? U had het wel degelijk over 141 krachten.

 

Ten tweede, kan de mogelijkheid bekeken worden een douaneantenne te openen in Zeebrugge? Zo ja, in welke tijdspanne kan deze antenne openen?

 

08.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Lambrecht, ik kan u bevestigen dat er 141 douaneambtenaren bijkomen. De procedures lopen op dit moment, en zij zullen tegen het einde van het jaar allemaal aan het werk zijn in Zeebrugge.

 

Wat de douaneantenne betreft, in de haven van Zeebrugge is er nu reeds permanent een douaneteam aanwezig op de grensinspectiepost te Zeebrugge, de zogenaamde GIP, en dit tussen 6 uur 's morgens en 22 uur 's avonds.

 

Om de douane voor te bereiden vindt regelmatig overleg plaats met het directoraat-generaal TAXUD van de Europese Commissie, specifiek om de uitdagingen inzake de organisatie en de operationele uitvoering van de douanecontroles na de brexit, onder welke vorm ook – dat ligt nog open, zoals u weet – te bespreken.

 

De onderhandelingen en de uitwerking van de operationele beslissingen vinden immers samen met het Verenigd Koninkrijk plaats op Europees niveau.

 

Daarnaast vindt er op frequente basis informeel overleg plaats tussen de douanediensten van België, Nederland, Frankrijk, Duitsland en Ierland. Verder is er binnen de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen een comité opgericht dat de operationele uitrol van de bijkomende infrastructuur en het bijkomend personeel met het oog op de brexit opvolgt.

 

08.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, dank u. Om heel zeker te zijn, er komen 141 extra douanebeambten tegen het einde van het jaar? Die zijn allemaal voor Zeebrugge?

 

08.04 Minister Johan Van Overtveldt: Neen, zij moeten het geheel van de veranderingen naar aanleiding van de brexit opvangen. Een belangrijk deel ervan zal uiteraard naar Zeebrugge gaan. Excuseer mij, ik heb het wat ongenuanceerd uitgedrukt. Een deel ervan is voor Zeebrugge maar niet de hele groep.

 

08.05  Annick Lambrecht (sp.a): Mag ik ervan uitgaan dat meer dan de helft naar Zeebrugge gaat?

 

08.06 Minister Johan Van Overtveldt: Ik zal u de details van de opsplitsing bezorgen. Ik heb de cijfers hier niet bij de hand, dus ik moet mij daarover eerst laten informeren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de stand van zaken in de hervorming van de btw-tarieven" (nr. 25233)

09 Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'avancement de la réforme des tarifs de la TVA" (n° 25233)

 

09.01  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik kom terug op een vraag die ik al eerder in de plenaire vergadering heb gesteld.

 

Wij weten dat de Europese Commissie de btw-tarieven wil hervormen en daarvan ondertussen al werk maakt. Zij heeft in het verleden twee opties voorgesteld, namelijk een uitbreiding en een regelmatige herziening van de bestaande lijst of de afschaffing van de lijst. Met de tweede optie zou dan aan de lidstaten alle vrijheid worden gegeven om zelf in verlaagde tarieven en dus uitzonderingen op dat basistarief te voorzien. De Europese Commissie heeft recent een voorstel van richtlijn gelanceerd dat kiest voor de tweede optie.

 

Ik heb u bij eerdere gelegenheden gevraagd om bij het standpunt van België dat u in Europa verkondigt rekening te houden met de nodige waarborgen die zeker moeten worden ingebouwd om oneerlijke concurrentie tussen lidstaten te vermijden of in elk geval te verminderen.

 

Ik heb u ook gevraagd om bij Europa ervoor te pleiten om in de algemene regelgeving van btw-tarieven ook het algemene principe van een vergroenings- en duurzaamheidsagenda mee te nemen, zodat de btw-tarieven voor groenere consumptie en productie lager liggen.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

 

Kunt u een actuele stand van zaken geven van de discussies binnen de Ecofin-Raad? Werd het voorstel van de Commissie al besproken? Indien niet, wanneer zal dat dan gebeuren?

 

Kunt u verduidelijken wat de voorkeur van België is? Welke optie verdedigt u?

 

Zult u de vraag naar een vergroening en verduurzaming in de btw-regelgeving meenemen en op Europese fora bepleiten?

 

09.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Smaers, wat uw eerste vraag betreft, werd het voorstel al uiteengezet door de diensten van de Europese Commissie binnen de bevoegde technische werkgroepen van de Raad. De inhoudelijke besprekingen zijn echter nog niet van start gegaan.

 

Op dit moment zijn verschillende voorstellen inzake btw door de Europese Commissie gepubliceerd, waaronder enkele voorstellen met een fundamentele hervorming van het btw-systeem, vooral gericht op het fraudebestendiger maken van het systeem. Het komt het roterend voorzitterschap van de Raad toe – op dit moment is dat Bulgarije – om te bepalen welke van die voorstellen prioritair moet worden besproken. Ik kan bijgevolg geen timing vooropstellen voor de inhoudelijke bespreking van het voorstel van de Commissie inzake het btw-regime.

 

Ik kom tot uw tweede vraag. Het voornoemde voorstel is gebaseerd op een benadering die de huidige benadering in de btw-richtlijn eigenlijk volledig omkeert. In die zin sluit de voorgestelde benadering aan bij wat u beschrijft als optie 2. Globaal genomen zouden de lidstaten een verlaagd btw-tarief kunnen toepassen op om het even welke levering van goederen en diensten, met uitzondering van diegene die opgenomen zijn in een zeer duidelijke exhaustieve lijst. Op basis van dat voorstel en dus van die benadering zullen in de komende periode onderhandelingen op Europees niveau worden gevoerd.

 

Ik kom tot uw derde vraag. Zoals de diensten van de Commissie hebben aangegeven, moet bij de hervorming van de Europese reglementering inzake btw duidelijk rekening gehouden worden met het feit dat recente waardevolle maatschappelijke en economische evoluties zouden kunnen worden ondersteund door de herziening van het btw-regime. Ik herinner u eraan dat een hervorming van de Europese btw-reglementering maar mogelijk is mits unanimiteit tussen de lidstaten. Zo zal de eventuele uiteindelijke hervorming dus noodgedwongen onvermijdelijk een weerspiegeling zijn van het compromis dat hopelijk bereikt wordt tussen de verschillende lidstaten.

 

09.03  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik noteer dat de besprekingen ter zake nog gevoerd moeten worden. Daarbij moeten, zoals u in het laatste deel van uw antwoord zei, ook maatschappelijk waardevolle evoluties meegenomen worden. Dat betekent dat ook de vergroeningskalender meegenomen kan worden. De vergroening van btw-tarieven kan dus mee bepleit worden.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: M. Van Peteghem souhaite reporter sa question n° 25245.

 

10 Questions jointes de

- M. Benoit Hellings au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la livraison - à 24 reprises par 3 entreprises belges - de produits chimiques pouvant servir à la production d'armes chimiques en Syrie" (n° 25283)

- M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le fonctionnement des services de douane" (n° 25335)

- M. Benoit Hellings au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les divers rebondissements liés à la collaboration économique d'entreprises belges ou de sociétés à capitaux belges en Syrie" (n° 25344)

- M. Georges Dallemagne au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les exportations de produits chimiques pouvant servir à la production de gaz de combat vers la Syrie" (n° 25348)

- M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la livraison de substances chimiques à la Syrie" (n° 25562)

10 Samengevoegde vragen van

- de heer Benoit Hellings aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de levering - tot 24 maal toe door 3 Belgische bedrijven - van chemische producten die gebruikt kunnen worden voor de productie van chemische wapens in Syrië" (nr. 25283)

- de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de werking van de douanediensten" (nr. 25335)

- de heer Benoit Hellings aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de ontwikkelingen met betrekking tot de economische collaboratie in Syrië door Belgische bedrijven of bedrijven met Belgisch kapitaal" (nr. 25344)

- de heer Georges Dallemagne aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de uitvoer naar Syrië van chemische producten die gebruikt kunnen worden voor de productie van strijdgas" (nr. 25348)

- de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de levering van chemische grondstoffen aan Syrië" (nr. 25562)

 

10.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ik wil even dieper ingaan op deze zaak, die onlangs fel naar voren gekomen is in de publieke opinie.

 

Volgens de douane hebben drie met elkaar gelieerde bedrijven de vereiste vergunningen niet voorgelegd voor de uitvoer van grote hoeveelheden chemische stoffen naar Syrië. Concreet gaat het om 24 zendingen tussen mei 2014 en december 2016. Eén van de vier uitgevoerde chemicaliën, isopropanol, kan gebruikt worden om het zenuwgas sarin te produceren.

 

Volgens de betrokken bedrijven waren zij niet op de hoogte van de vergunningsplicht. De minister van Binnenlandse Zaken heeft op 19 april tijdens de plenaire vergadering van deze Kamer in uw plaats geantwoord op een aantal vragen over deze zaak. In opvolging wil ik u een aantal concrete vragen voorleggen, mijnheer de minister.

 

Ten eerste, minister Jambon heeft in de plenaire vergadering in uw plaats aangegeven dat de betrokken bedrijven die goederen inderdaad als niet-vergunningsplichtig hebben aangegeven. Met andere woorden, zij hebben niet de nodige vergunningen voorgelegd.

 

Wat ik van u wil weten, mijnheer de minister, is of die bedrijven de inhoud van de zendingen wel correct hebben weergegeven? Met andere woorden, hebben zij geprobeerd te verdoezelen dat het om isopropanol ging? Of zijn zij transparant geweest over het feit dat de zendingen isopropanol bevatten?

 

Ten tweede, de betrokken bedrijven stellen dat zij niet op de hoogte waren van de vergunningsplicht. Zij stellen dat zij zich baseren op de tool van de douane, TARBEL, maar dat hieruit niet af te leiden was dat zij vergunningen moesten voorleggen.

 

Ik verneem graag van u of de bewering van de betrokken bedrijven klopt dat de communicatie over de richtlijnen van de douane niet duidelijk is inzake de vergunningsplicht voor isopropanol?

 

Ten derde, u verklaarde dat de controle van zendingen vanuit de haven gebeurt op basis van risicoanalyses. Klopt het dat deze risicoanalyse centraal gebeurt en dat de diensten op het terrein niet alleen als richtlijn krijgen welke zendingen zij moeten controleren, maar ook wat zij concreet moeten controleren?

 

Ten vierde, kunt u bevestigen dat de douane, indien zij zou hebben vastgesteld dat de nodige vergunningen niet voorhanden waren, de goederen eigenlijk had moeten blokkeren?

 

Ten vijfde, klopt het dat alle 24 zendingen, waarvan in deze zaak sprake is, aan een controle zijn onderworpen?

 

Ten slotte, klopt het dat voor de controle van deze zendingen, de richtlijnen aan de diensten op het terrein met betrekking tot de concrete controles niet vermeldden dat nagetrokken diende te worden of de nodige vergunning voorhanden was voor de uitvoer van isopropanol naar Syrië?

 

10.02  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, à la mi-avril 2018, nous apprenions que trois entreprises anversoises exportaient des produits chimiques, interdits par un embargo depuis fin 2013, vers la Syrie.

 

En effet, en 2013, l'Organisation pour l'interdiction des armes chimiques des Nations Unies (OIAC) avait interdit l'exportation de produits chimiques vers la Syrie. Pourtant, il semblerait qu'entre mai 2014 et décembre 2016, 24 livraisons aient été effectuées. Mon groupe vous a tout de suite interpellé face à la gravité des faits.

 

L'isopropanol, l'un des produits exportés, peut être l'un des composants du gaz sarin. Or, nous savons qu'en avril 2017, une attaque chimique aurait été perpétrée à l'aide d'une telle substance. Ce sont en effet les conclusions de l'OIAC, qui ne peut cependant pas déterminer la provenance de ladite substance.

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous faire le point sur l'enquête? Avez-vous de nouvelles informations à communiquer au Parlement? Quel a été le rôle exact de la douane? Je vous remercie.

 

Le président: Nous n'avons pas de nouvelles de M. Hellings et de M. Dallemagne qui ont été prévenus. Je vous propose donc, monsieur le ministre, d'apporter vos réponses à l'ensemble des questions posées.

 

10.03  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, cher collègue, les douanes travaillent effectivement sur la base d'une analyse des risques pour contrôler les envois.

 

L'analyse des risques des envois, liée à une déclaration, utilise différents paramètres sur la base des cases qui apparaissent sur cette déclaration douanière et les informations reçues de la part d'autres instances.

 

On discute avec les instances concernées, notamment des opérateurs connus, sans pour cela signifier que l'opérateur est défavorablement connu ou soupçonné d'activité de prolifération. Ces discussions ont lieu régulièrement, mais les douanes souhaiteraient une collaboration encore plus intensive. C'est la raison pour laquelle il a déjà été décidé d'augmenter la fréquence des réunions avec la Sûreté de l'État et les services délivrant les licences au sein des Régions pour les opérateurs sensibles.

 

La collaboration entre les douanes et les services de renseignement est basée sur la loi du 30 novembre 1998, en particulier l'article 14 de cette dernière, portant sur les services de renseignement et de sécurité.

 

La gestion des risques comprend tant des contrôles ciblés que des contrôles aléatoires, tels qu'ils sont imposés dans le Code des douanes de l'Union. Cette analyse des risques est coordonnée depuis le niveau central et sert de base à la sélection des envois à contrôler. La mission comprend le contrôle demandé. Les douanes travaillent 24 heures sur 24, 7 jours sur 7.

 

Lors de la sélection de la déclaration douanière, l'opérateur en est informé et l'envoi reste sous surveillance douanière jusqu'à ce que le contrôle puisse avoir lieu.

 

Pour chaque mouvement d'exportation, il faut introduire une déclaration douanière qui contient un certain nombre de cases à remplir obligatoirement. Il s'agit notamment de l'expéditeur, du code marchandise, d'une description des marchandises, comme une dénomination commerciale usuelle du pays de destination, de la quantité, de la valeur, etc.

 

L'usage des marchandises, par contre, ne fait pas l'objet d'une déclaration douanière.

 

Les douanes n'effectuent pas de contrôles sur le destinataire final ou sur l'usage final. Pour cela, ce sont les services délivrant les licences des Régions qui sont compétents. Sur la base des informations disponibles, la douane n'a pas eu d'autres indications que celle selon laquelle les produits étaient destinés au secteur des peintures.

 

Dans le dossier qui nous occupe, une interdiction d'exportation générale ou un embargo n'est pas d'application. Aucune des substances dont il est question dans ce dossier n'est soumise à une obligation de signalement de l'Organisation pour l'interdiction des armes chimiques. Au sein de l'Union européenne, il existe seulement une exportation soumise à licence lorsque le produit a un certain niveau de pureté, compte tenu des nombreuses utilisations civiles principalement médicales de cette substance. Une telle norme rend le contrôle plus difficile, en particulier lorsque de fausses explications sont par ailleurs mentionnées dans la déclaration.

 

De verklaring inzake het al dan niet onderhevig zijn aan de vergunningsplicht wordt immers verricht met een specifieke code op de aangifte. In voorkomend dossier werd een foutieve code gebruikt om te verklaren dat de goederen niet onderhevig zijn aan een vergunning. Bij de aanname van Europese verordeningen in het kader van controle- en beperkingsmaatregelen worden de toepasselijke maatregelen, zoals in dit dossier de vergunningsplicht en de verwijzingen naar de opgelijste goederen uit de verordeningen, ingestuurd vanuit TARIC. Dat is een Europese databank van de Europese Commissie, ressorterend onder het directoraat-generaal TAXUD.

 

Deze applicatie heeft een rechtstreekse insturing in het nationale TARBEL-systeem. De maatregel inzake isopropanol was opgenomen in TARBEL op het tijdstip van de uitvoering.

 

En plus, l'opérateur a été informé des mesures d'application via une demande d'information par le service des licences compétent.

 

Je peux effectivement confirmer que l'opérateur n'était pas en possession d'une licence adéquate. Il m'est impossible de me prononcer quant à une éventuelle décision de la Région flamande.

 

Le 23 janvier 2017, les douanes ont obtenu des informations, qui ont conduit à une enquête. Sur la base de ces mêmes informations, le service des licences compétent de la Région flamande a transféré l'affaire officiellement, le 25 janvier 2017, aux douanes afin qu'elles puissent examiner si des infractions à l'obligation de licence ont été commises.

 

Les opérateurs concernés par l'affaire criminelle sont un trader, le déclarant et une entreprise de services logistiques.

 

Le service Inspection interne effectue une enquête interne sur les processus de travail et leur application. Cette analyse est encore en cours. Elle débouchera sur un plan d'action dans lequel l'optimisation des systèmes IT et certains processus sont visés. Ce plan consiste en trois phases: la phase de déclaration basée sur l'échange d'informations et la collaboration, la phase de déclaration en rapport avec l'analyse de risques et la vérification et, enfin, une dernière phase après la déclaration pour les constatations et les suites éventuelles. Une des optimisations prévues concerne le renforcement de la sensibilisation des entreprises.

 

Daarnaast zullen ook de sectorfederaties er meer bij betrokken worden.

 

Inmiddels werd er reeds een leesbevestiging van de selectiefiches ingevoerd. In deze fiches wordt ook explicieter naar TARBEL verwezen. Een voorbeeld van een van de acties op langere termijn is de creatie van bijkomende links tussen de verschillende IT-systemen en databanken van de douane, zodat alle informatie gecentraliseerd beschikbaar is voor de verifiërende ambtenaar.

 

Le président: Merci, monsieur le ministre pour cette réponse très complète. Nous allons considérer qu'elle répond également aux questions qui n'avaient pas pu être formulées.

 

Monsieur Vanvelthoven, vous désirez répliquer?

 

10.04  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, ik ben het niet eens met uw conclusie dat op alle vragen is geantwoord.

 

Mijnheer de minister, ik had heel specifiek graag het volgende geweten. Zijn de zendingen waarvan sprake effectief gecontroleerd?

 

10.05 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, de 24 zendingen zijn gecontroleerd. De details daarvan worden in het intern onderzoek nader onderzocht.

 

U beseft uiteraard heel goed dat wat daarmee concreet aan de hand zou kunnen zijn, van groot belang is voor de strafprocedure die nu loopt.

 

Ik kan daarover op dit moment dus geen details geven.

 

10.06  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ik begrijp dat er twee elementen zijn.

 

Er is, enerzijds, de strafprocedure die loopt. Ze zal, naar ik aanneem, in eerste instantie tot de betrokken bedrijven zijn gericht. Ik wil mij niet nader uitspreken over de al dan niet betrokkenheid van het douanepersoneel.

 

Er is, anderzijds, ook de vraag of de manier waarop de douane dergelijke controles uitvoert, adequaat is gebeurd. Op dat vlak heb ik het gevoel en zelfs de overtuiging dat zulks niet het geval is. Er zijn 24 zendingen gecontroleerd, de douane weet dat ze naar Syrië gaan en dat het over dat product gaat. Dat de douane de zendingen dan niet blokkeert, is dan ook onbegrijpelijk.

 

Het is vooral op dat punt dat ik van u had willen weten welke lessen voor de toekomst u uit de zaak trekt. Op die vraag heb ik geen antwoord van u ontvangen.

 

U antwoordt dat het nog deels in het onderzoek is opgenomen, maar wij mogen in dezen toch concluderen dat de douane in het dossier niet adequaat is te werk gegaan en opgetreden.

 

Mijnheer de minister, u bent bevoegd voor de douanediensten. Ik had van u dan ook graag gehoord of u meent dat de douane in het dossier al dan niet op de juiste manier is opgetreden.

 

10.07  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, il me semble avoir compris que M. le ministre dédouanait la douane. Il  faut bien le constater. Il renvoie finalement vers les services régionaux, qui, d'une manière ou d'une autre, sont en charge des licences autorisant l'exportation de certains produits sensibles. J'imagine qu'il se trouvera peut-être certains collègues au niveau du Parlement flamand pour interpeller le ministre compétent pour savoir ce qu'il en est.

 

En même temps, je m'étonne de ce que la douane ne serait pas concernée par l'application et l'effectivité de normes de droit international, qui visent précisément l'interdiction de l'exportation de certains produits jugés sensibles vers des destinataires sensibles, et en particulier des éléments qui peuvent entrer dans la composition d'armes chimiques.

 

Il me semble que cette analyse que nous transmet M. le ministre doit faire l'objet d'une vérification, parce que si demain, nous devions apprendre que la douane, qui est en première ligne dans l'analyse de tout ce qui transite, notamment par les ports maritimes, mais aussi par les aéroports, n'a pas la capacité opérationnelle, voire juridique, si j'en crois l'analyse de M. le ministre, de vérifier que certains composants ne vont pas finalement aboutir à la fabrication d'armes chimiques, il y a là quelque chose de très interpellant.

 

Ceci d'autant plus que le contexte est que nous sommes face à un pays en guerre. Ce n'est pas n'importe quel pays. Autrement dit, des voyants s'allument. Qu'est-ce qui empêche la douane de faire preuve de proactivité et notamment de se renseigner auprès de ses homologues régionaux, dans les services administratifs régionaux, pour faire la clarté, et dans le doute, de suspendre, en attendant une meilleure information et un retour d'informations des services compétents qui relèvent des Régions?

 

J'ai l'impression qu'ici, il s'agit davantage d'une espèce de réponse qui vise à dédouaner la douane, avec tout le respect que j'ai pour elle, du reste. C'est une grande et belle administration, qui manque de moyens. C'est peut-être d'ailleurs aussi cela le problème: le manque de moyens de l'administration de la douane. Mais clairement, monsieur le président, je ne suis pas satisfait des réponses que j'ai pu entendre.

 

Le président: Je vous remercie. Je n'avais pas voulu porter de jugement sur la qualité de la réponse. J'avais simplement considéré que la réponse était faite à l'ensemble des intervenants qui avaient été annoncés. Pour le reste, chacun peut bien sûr se faire son opinion.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Les questions nos 25206 et 25484 de M. Luk Van Biesen sont transformées en questions écrites.

 

11 Vraag van de heer Vincent Van Peteghem aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de controle op tweedehandsartikelen" (nr. 25245)

11 Question de M. Vincent Van Peteghem au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les contrôles des produits de seconde main" (n° 25245)

 

11.01  Vincent Van Peteghem (CD&V): Mijnheer de minister, volgens een VN-rapport is ons land de op twee na belangrijkste uitvoerder van afgedankt elektrisch en elektronisch materiaal naar Nigeria. Meer dan een kwart daarvan is echter onbruikbaar en dat is illegaal. Het zou gaan om ongeveer 60 000 ton aan dergelijk materiaal dat Nigeria elk jaar binnenkomt, vooral vanuit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Maar ook ons land is goed voor 5 660 ton via de Antwerpse haven en scoort daarmee hoog. Het gros van die afgedankte elektronische producten wordt niet in containers vervoerd, maar in tweedehandswagens bestemd voor de Nigeriaanse markt. Die zijn goed voor liefst 70 % van het elektronisch afval. Dat levert voor de uitvoerder niet alleen een plaatsbesparing op, maar het is ook een manier om controles te vermijden.

 

Maar liefst 98 % blijkt uit de EU afkomstig. Het rapport stelt dan ook dat de export van elektronica in voertuigen heel efficiënt is voor de rederijen, omdat ze zo kostbare ruimte opvullen tijdens het vervoer. Het betreft lcd-televisies en –schermen, CRT-televisies, monitors, fotokopieermachines enzovoort. Ruim de helft van die toestellen is defect en komt direct op de schroothoop terecht.

 

Volgens het VN-rapport blijkt de Antwerpse haven een draaischijf te zijn voor de louche handel in tweedehandsvoertuigen. In 2010 werden in alle Belgische havens slechts 148 tweedehandswagens onderschept die klaar stonden om met afval aan boord te vertrekken; 99 % van de voertuigen op de kaaien werd niet gecontroleerd door de douane. Dit is toch wel bijzonder veel. Het lijkt mij dan ook evident dat in de haven van Antwerpen, maar ook elders in Europa, nauwer wordt toegekeken op de uitvoer van afgedankte elektronica.

 

Ten eerste, kunt u verduidelijken hoeveel tweedehandsvoertuigen werden gecontroleerd in de haven van Antwerpen, alsook op andere plaatsen in België, en dit voor de periode 2010 tot nu?

 

Ten tweede, kunt  u verklaren of sinds 2010 het aantal gerichte controles op tweedehandsvoertuigen, gebruikt voor de handel in afgedankte elektronica, werd opgevoerd? Zo neen, hoe komt dit?

 

Ten derde, kunt u zeggen of er momenteel actief wordt gecontroleerd op tweedehandsvoertuigen, opgevuld met afgedankte elektronica?

 

Ten vierde, zult u de douanediensten opdragen om extra gerichte controles te doen?

 

11.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Peteghem, vanaf 2011 tot nu controleerde de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen 3 913 tweedehandsvoertuigen, geladen met afval. Het betrof tweedehandsvrachtwagens en -bestelwagens die grote ladingen kunnen vervoeren, niet zozeer personenvoertuigen.

 

Van de periode vóór 2010 zijn er helaas geen gedetailleerde gegevens beschikbaar.

 

Het aantal gecontroleerde tweedehandsvoertuigen, gebruikt voor de handel in afgedankte elektronica, blijft stabiel gedurende de periode 2011 tot 2014. Vanaf 2015 nemen de controles jaar na jaar toe door een doorgedreven risicoanalyse en de goede samenwerking met de milieu-inspectiediensten.

 

Momenteel controleert de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, in samenspraak met de milieu-inspectiediensten, actief en continu de uitvoer van tweedehandsvoertuigen.

 

Er is al heel wat geïnvesteerd in de douane. Gespreid over 2017 en 2018 werd 5,6 miljoen euro extra vrijgemaakt om te investeren in het verbeteren van het toezicht en controles. Met dat geld wordt onder meer voorzien in de vervanging van de mobiele scanners in Antwerpen en Zeebrugge. Ook werden bijkomende observatiemiddelen en detectietoestellen aangeschaft. Bovendien werd eerder reeds extra budget vrijgemaakt voor een upgrade van de beide vaste scaninstallaties in Antwerpen.

 

Vanzelfsprekend komen deze extra middelen de gehele werking van de douane ten goede. Daarbij wordt niet alleen gefocust op de door u aangehaalde problematiek.

 

11.03  Vincent Van Peteghem (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is goed dat de controles toenemen. Het aantal controles over zeven jaar bedroeg ongeveer vierduizend wagens. Dat komt neer op vijfhonderd per jaar. Vroeger waren dat er 148. Dat betekent dat slechts 3 % van de wagens die op de kaaien staan wordt gecontroleerd. Ik hoor dat dit jaarlijks toeneemt, dat daaraan meer aandacht wordt besteed, dat men de juiste risicoanalyse uitvoert. Ik denk dat dit belangrijk is. Ook de inspanningen voor de scanners zijn zeker noodzakelijk.

 

Het VN-rapport mag geen herhaling meer kennen. Het is niet logisch dat dit gebeurt. Ik dank u voor de inspanningen die u op dit vlak levert.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de bedrijfsleidersbezoldiging bij intercommunales" (nr. 25305)

12 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les rémunérations des dirigeants d'intercommunales" (n° 25305)

 

12.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de intercommunales vallen sinds 2015 onder de toepassing van de vennootschapsbelasting. Met de hervorming van de vennootschapsbelasting dient vanaf nu minstens één bedrijfsleider een bestuurdersvergoeding van minimum 45 000 euro per jaar te ontvangen om te kunnen genieten van het verlaagd tarief van 20 % en wil men geen boete krijgen. Als men niet kan voldoen aan de voorwaarde van de minimumbezoldiging, resulteert dit immers in een boete van waarschijnlijk 5,1 % en later 10 % van het tekort van de uitgekeerde bezoldiging, wat neerkomt op een boete van maximaal ongeveer 4 500 euro.

 

Bij intercommunales zijn de bestuurders technisch gezien geen zelfstandigen en krijgen ze volgens de geldende regels eigenlijk zitpenningen toegekend. Het uitkeren van een vergoeding van 45 000 euro aan een van de bestuurders zou immers in strijd zijn met de bepalingen die intercommunales dienen na te leven en met de regels aangaande de zitpenningen.

 

Daarom wordt er bekeken of het loon dat de directeur ontvangt in aanmerking zou kunnen worden genomen. In de praktijk blijkt dan dat de directeur als bedrijfsleider aanzien wordt indien hij een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur van commerciële, financiële of technische aard uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst. Ik verwijs in dat verband naar artikel 31, lid 1, 2° WIB 92.

 

Een van uw voorgangers heeft jaren geleden al bevestigd dat een directeur belast met het dagelijks bestuur als een bedrijfsleider kan worden aanzien. Ik heb het nu over een vraag die in 1996 of 1997 werd gesteld. Bijgevolg is aan voormelde verplichting voldaan zodra aan deze directeur buiten een arbeidsovereenkomst een minimumbezoldiging van 45 000 euro per jaar wordt toegekend.

 

Het probleem voor de intercommunales is echter dat hun directeurs net wel via een arbeidsovereenkomst worden tewerkgesteld. Het is daarbij ook de verwachting dat het zogenaamde attractiebeginsel van toepassing zal zijn, waardoor ook de andere bezoldigingen als werknemer van de bestuurder in aanmerking genomen zullen kunnen worden om het grensbedrag te bepalen.

 

Het lijkt mij aangewezen dat in de fiscale regelgeving alsnog rekening zou worden gehouden met vergoedingen die uitbetaald worden aan personeelsleden of althans minstens aan de directeurs-bedrijfsleiders die werken met een arbeidsovereenkomst, opdat aan de verplichting van het uitkeren van een vergoeding van 45 000 euro voldaan zou zijn. Alleen op die manier kan een intercommunale tegemoetkomen aan de op haar rustende verplichtingen en aan de fiscale regelgeving.

 

Vandaar mijn vragen. Kunt u bevestigen dat in het geval van een intercommunale de directeur met een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd kan worden als bedrijfsleider opdat men aan de vereiste van de minimumbezoldiging kan voldoen? Zo nee, waarom niet?

 

Kan dit impliceren dat alle andere vergoedingen en bezoldigingen kunnen worden meegenomen in de berekening van de vergoeding om zo te voldoen aan de voorwaarde van de minimumbezoldiging?

 

12.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, volgens de wettelijke bepalingen in dit verband zijn de bezoldigingen van een directeur die met een arbeidsovereenkomst in een intercommunale een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur van commerciële, financiële of technische aard uitoefent, in principe belastbare bezoldigingen van werknemers.

 

Wanneer de directeur daarnaast een opdracht als bestuurder of vereffenaar uitoefent in die intercommunale, dan maken de voormelde bezoldigingen, ingevolge het attractiebeginsel, bezoldigingen van bedrijfsleiders uit. Evenwel geldt dit attractiebeginsel niet, en blijven het toch bezoldigingen van werknemers, wanneer zijn opdracht als bestuurder of vereffenaar onbezoldigd is, en mits de eventuele inkomsten van onroerende goederen die hij uit de intercommunale zou verkrijgen niet voor de herkwalificatie tot bezoldigingen van bedrijfsleiders in aanmerking komen.

 

Hoewel de bezoldigingen niet gekwalificeerd worden als bezoldigingen van bedrijfsleiders, maar wel als bezoldigingen van werknemers, aanvaardt de administratie in dat geval dat zij in aanmerking komen voor de beoordeling of de minimumbezoldiging voor de toepassing van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting bereikt wordt.

 

Tot slot, wanneer uit de feiten blijkt dat de functie van directeur van de intercommunale soortgelijk is aan deze van bestuurder of vereffenaar, dan worden zijn bezoldigingen zonder meer gekwalificeerd als bezoldigingen van bedrijfsleiders. Onder soortgelijke functies moet hier worden verstaan de functies die worden uitgeoefend door personen die zich in een juridische toestand bevinden die identiek is aan deze van bestuurders of vereffenaars, maar die een andere titel hebben of in feite functies uitoefenen van bestuurders of vereffenaars. Bijgevolg moeten de bevoegdheden die aan deze personen worden gegeven, deze van het dagelijks bestuur overstijgen. Zo wordt een algemeen directeur bijvoorbeeld fiscaal geacht soortgelijke functies uit te oefenen als hij, ten eerste, bevoegd is de intercommunale bij de rechtbanken te vertegenwoordigen, ten tweede, de volle bevoegdheid heeft om zonder beperkingen overeenkomsten te sluiten, en ten derde, de bevoegdheid heeft de belastingaangifte van de intercommunale te ondertekenen.

 

12.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de nieuwe richtlijnen voor afbetalingsplannen" (nr. 25306)

13 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les nouvelles directives relatives aux plans de paiement" (n° 25306)

 

13.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mag ik vragen om na deze vraag de samengevoegde vragen met collega Vanvelthoven over de effectentaks te behandelen? De heer Vanvelthoven gaat er alvast mee akkoord.

 

Mijnheer de minister, op eerdere vragen nr. 24919 en nr. 25000 hebt u het volgende geantwoord. Ik citeer: "De modaliteiten op basis waarvan de afbetalingsplannen werden toegekend door de administratie, werden aan de hand van een analyse van de toepassing van de bestaande richtlijnen reeds aan een evaluatie onderworpen die zal resulteren in een bijsturing van de vermelde richtlijnen, met het oog op een correcte balans tussen efficiëntie, enerzijds, en billijkheid, anderzijds."

 

Ik zou u de volgende vraag willen stellen.

 

Kan u ons deze richtlijnen ter beschikking stellen? U heeft ernaar verwezen en omdat er terecht weer de nodige politieke aandacht is voor de schuldenproblematiek, zou het interessant zijn te weten welke richtlijnen de administratie hanteert.

 

13.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, zoals reeds meegedeeld, legt mijn administratie momenteel op basis van een evaluatie, de laatste hand aan aangepaste richtlijnen met betrekking tot de afbetalingsplannen. Het gaat hierbij in hoofdzaak om de implementatie van de procedure van de administratieve schuldenregeling die een perspectief biedt voor burgers en ondernemingen met structurele betaalproblemen en schulden ten aanzien van de FOD Financiën, en voor wie een afbetalingsplan op maximaal twaalf maanden duidelijk geen oplossing biedt. Deze richtlijnen zullen worden geconcretiseerd in een circulaire die uiteraard een openbaar karakter heeft en na finalisering uiteraard kan en zal worden voorgelegd.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Samengevoegde vragen van

- de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de ontwijking van de taks op effectenrekeningen" (nr. 25525)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de effectentaks" (nr. 25544)

14 Questions jointes de

- M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'évitement de la taxe sur les comptes-titres" (n° 25525)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sursur "la taxe sur les comptes-titres" (n° 25544)

 

14.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, u hebt er ongetwijfeld kennis van genomen dat er een nieuwe piste is opgedoken om te ontsnappen aan de taks op effectenrekeningen. Een aantal fiscale advocaten stelt dat men door derden, bijvoorbeeld de kinderen, voor een klein percentage mede-eigenaar te maken van de effectenrekening, bijvoorbeeld via een schenking of gift, kan ontsnappen aan de taks.

 

Ik citeer een fiscaal advocaat: "Volgens de letter van de wet is het niet verplicht de werkelijke verdeling van de effectenrekening toe te passen. De bank zal bij niemand de taks inhouden en de effectentaks zou niet verschuldigd zijn.” Uw kabinet bevestigt die zienswijze.

 

Kunt u bevestigen dat de niet-verplichting om de werkelijke verdeling van de effectenrekening toe te passen alleen betrekking heeft op de inhouding door de bank? Kunt u bevestigen dat wanneer de bank de effectentaks niet inhoudt, dit de belastingplichtige niet ontslaat van het betalen van de belasting, met andere woorden dat de betaling effectief een plicht is van de belastingplichtige?

 

Indien er toch sprake is van de loophole waarvan hier melding wordt gemaakt, wat zult u ondernemen om die loophole te sluiten?

 

14.02  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, het probleem werd goed geschetst. Ik wil het nog even illustreren met een voorbeeld. Als men eind maart een effectenrekening had met 960 000 euro, zou men op het einde van het jaar 1 440 euro effectentaks moeten betalen, maar als men twee kinderen elk voor 1% mede-eigenaar maakt, zou men aan de taks kunnen ontsnappen. Men zou dan 960 000 euro hebben op de eerste referentiedatum en een rekening van telkens 320 000 euro op de drie volgende referentiedata, namelijk op de dag van de schenking, op 30 juni en op 30 september. De belastbare basis is dan gelijk aan de gemiddelde waarde op de vier referentiedata, wat overeenkomt met 480 000 euro, wat dus lager is dan de belastingvrije som van 500 000 euro, waardoor er geen belasting verschuldigd is.

 

De experts verklaren wel dat het volgens de letter van de wet niet verplicht zou zijn de werkelijke verdeling van de effectenrekening toe te passen. Een correctie zou volgens hen enkel verplicht zijn indien een van de titularissen van de rekening geld terugvordert.

 

Mijns inziens vergeten de experts daarbij te vermelden dat de proportionele verdeling enkel weerlegbaar vermoed wordt en dat op elk moment het tegenbewijs kan worden geleverd.

 

Mijnheer de minister, bevestigt u de door mij aangegeven illustratie om een aandeel in een effectenrekening kunstmatig te verlagen, door andere personen medetitularis van de effectenrekening te maken? Indien ja, kan de administratie die mogelijkheid niet aanvechten, door veinzing aan te tonen?

 

Ten tweede, mijnheer de minister, bevestigt u dat de wet slechts weerlegbaar vermoedt dat de verdeling proportioneel gebeurt aan de hand van het aantal titularissen? Indien ja, betekent zulks dan niet dat een tegenbewijs kan worden geleverd, zodat met de werkelijke verdeling rekening moet worden gehouden? Indien ja, kan het tegenbewijs door zowel de medetitularis als door de administratie worden geleverd of kan dat enkel door de medetitularis?

 

Met die nadere verfijning wil ik proberen te peilen of iets wat op het eerste gezicht makkelijk omzeilbaar lijkt, op het tweede gezicht niet zo gemakkelijk omzeilbaar is.

 

Meent u dat iets anders of iets straffers moet gebeuren om de loopholes, zoals het andere lid ze noemt, te dichten?

 

14.03 Minister Johan Van Overtveldt: De taks op de effectenrekening is geconcipieerd rond het idee dat wordt gekeken naar het aandeel van iedere natuurlijke persoon.

 

Om aan praktische moeilijkheden bij de heffing van de taks tegemoet te komen, werd abstractie gemaakt van het werkelijke aandeel en werd het vermoeden van proportionaliteit of het proportionele vermoeden ingevoerd.

 

Het aandeel van een titularis wordt op proportionele wijze bepaald, gelet op het feit dat het titularisschap een vermoeden van bezit in het leven roept, waardoor de titularis over de meest ruime beheers- en beschikkingsbevoegdheden beschikt.

 

Met het oog op administratieve vereenvoudiging houdt de bank de taks af aan de bron op de beschreven proportionele wijze.

 

Indien de taks niet aan de bron werd ingehouden, zal de titularis er steeds toe gehouden zijn de taks aan te geven, indien diens totale aandeel in de effectenrekeningen gelijk is aan of meer bedraagt dan 500 000 euro.

 

Niet alleen de bank maar ook de titularis zelf kan bij de aangifte de proportionele verdeling aanwenden op basis van een vermoeden van bezit.

 

In elk geval wordt bij de aangifte de mogelijkheid geboden het werkelijke aandeel op te geven, om latere teruggave te vermijden. Ze is echter geen verplichting.

 

Er kan pas sprake zijn van veinzing, wanneer een titularis van de effectenrekening wordt toegevoegd, terwijl de partijen de gevolgen van de rechtshandeling niet blijken te aanvaarden. Daarbij moet worden gewezen op het uitgangspunt van de taks, namelijk dat elke titularis als eigenaar beheers- en beschikkingsrechten over de effectenrekening verkrijgt.

 

Bovendien zal in het aangehaalde voorbeeld elke titularis geacht worden 33,3 % van de effectenrekening te bezitten, zelfs indien het werkelijke aandeel slechts 1 % bedraagt. Indien nog andere rekeningen worden aangehouden, kan de overschatting van het aandeel tot gevolg hebben dat de titularis toch binnen het toepassingsgebied van de taks komt, op basis van het proportionele aandeel, terwijl het werkelijke aandeel aanzienlijk lager ligt.

 

Ten slotte zal bij een schenking van 2 %, ook zoals aangehaald in het voorbeeld, een waarde van 19 200 euro onmiddellijk uit het vermogen van de schenker verdwijnen, wat bijna vijftienmaal het verschuldigde bedrag van de taks bedraagt.

 

Artikel 152/1, 5° van het WDRT voert inderdaad een weerlegbaar vermoeden in met betrekking tot het aandeel van de titularis. Toch is het belangrijk op te merken dat het uitgangspunt van de taks de proportionele verdeling blijft, zowel bij aangifte door de banken als bij aangifte door de titularis zelf. Wanneer alleen bij aangifte door de titularis zelf het werkelijke aandeel verplicht zou worden aangegeven, zou dat een discriminatie inhouden ten opzichte van inhouding door de banken.

 

Het tegenbewijs dat hier bedoeld werd, is dus alleen toepasselijk in het kader van de teruggave wanneer de titularis op eigen initiatief en rekening houdend met diens werkelijke aandeel een andere verdeelsleutel wenst toegepast te zien.

 

Om te vermijden dat de titularis die zelf een aangifte moet indienen, eerst proportioneel zou moeten aangeven om daarna de teruggave te vragen met betrekking tot het werkelijke aandeel, kan het werkelijke aandeel anticipatief aangegeven worden, maar ook dat is geen verplichting.

 

14.04  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ik heb dat steeds anders begrepen. Ik heb steeds begrepen dat het vermoeden waarover u spreekt, geldt voor de tussenpersoon, omdat die het niet steeds kan weten of hoeft te weten. U breidt dat nu uit naar de belastingplichtige. De tussenpersoon wordt de plicht opgelegd om een voorheffing in te houden. Het gaat dus over een voorheffing en niet over de uiteindelijke definitieve belasting. De belastingplichtige is daarentegen degene die de echte belasting moet betalen. Ik heb steeds begrepen dat de echte belasting geldt op het aandeel van hetgeen op de effectenrekening staat.

 

Uw uitleg is volgens mij niet correct, omdat het ene betrekking heeft op de voorheffing en het andere op de effectieve verschuldigde belasting.

 

Bovendien is dat volgens mij nooit de bedoeling geweest. Natuurlijke personen die een effectenrekening hebben met meer dan 500 000 euro, moeten belasting betalen. Punt.

 

Nu blijkt er een mogelijkheid te zijn waarin dat niet het geval is.

 

Ik ben het daar niet mee eens. Mochten collega’s het anders begrepen hebben dan ik en uw stelling volgen, dan moeten zij niks doen, maar als zij ervan overtuigd zijn dat dat nooit de bedoeling geweest is, roep ik hen op ter zake een wetgevend initiatief te nemen.

 

14.05  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, uit uw antwoord begrijp ik dat de soep niet zo heet gegeten wordt als zij wordt opgediend. Ik ga ervan uit dat uw interpretatie correct is en dat men proportioneel zal verdelen. Als er een echte vermogensverschuiving is, kan dat bepaalde repercussies hebben en zal men moeten betalen of niet.

 

De vraag is natuurlijk of er een werkelijke transfer is, en of de intentie gehonoreerd wordt in de rechtshandeling. Als het zo is en als men als basisopstelling heeft dat men al dan niet heft conform de proportionele verdeling over de titularissen, die in de aangifte een andere verdeling kunnen aangeven met het oog op een eventuele terugvordering, dan is dat een coherent verhaal. Wij zullen de hele technische uitleg nog eens goed overlopen, maar als het gaat om een efficiënte inning, wat de collectieve betrachting is, zal het zaak zijn, zoals bij vastgoedverkoop, een aantal veinzingen te ontmaskeren. Daar zijn wij het zeker mee eens.

 

Sommige collega's menen dat wij nog verder moeten gaan, maar ik meen dat een en ander eerst bestudeerd moet worden. Wij zullen eerst indicaties moeten hebben dat de regeling effectief fout loopt.

 

Ik meen dat de procedure zoals die geconcipieerd is en zoals u ze geschetst heeft, waarbij men taxeert boven 500 000 euro, vrij solide is, onder de condities die u daarnet geschetst hebt.

 

Ik hoop dat alvast. Als er tegenindicaties zijn, zullen wij heel snel moeten optreden. Daarover ben ik het absoluut eens met collega Vanvelthoven. Maar op basis van de uitleg die ik hier gehoord heb, concludeer ik, misschien wat optimistisch, iets anders.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

15 Questions jointes de

- M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le rapport de la Cour des comptes sur l'aide au remplissage des déclarations IPP" (n° 25313)

- M. Marco Van Hees au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'aide au remplissage des déclarations IPP" (n° 25342)

- Mme Kattrin Jadin au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'aide au contribuable" (n° 25494)

15 Samengevoegde vragen van

- de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het verslag van het Rekenhof betreffende de hulp bij het invullen van de aangiften in de personenbelasting" (nr. 25313)

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hulp bij het invullen van de aangiften in de personenbelasting" (nr. 25342)

- mevrouw Kattrin Jadin aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hulp bij het invullen van de belastingaangifte" (nr. 25494)

 

Le président: M. Crusnière et Mme Jadin nous ont fait savoir qu'ils ne nous rejoindraient pas.

 

15.01  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, j'ai lu dans la presse ce week-end que vous ne remplissiez pas vous-même votre déclaration fiscale et que c'était un professionnel qui le faisait pour vous. Je suppose que, lors de ce remplissage, il calcule également le montant de ce que vous allez toucher ou devoir payer.

 

Or, il semble que le SPF Finances ait modifié cette année les consignes données à ses agents en ce qui concerne l'aide aux contribuables qui viennent faire remplir leur déclaration à l'impôt des personnes physiques (IPP) dans ses bureaux. C'est ce qu'il ressort notamment d'un PowerPoint de l'administration.

 

L'une des nouvelles consignes est de "ne pas donner le résultat du calcul d'impôt", au motif que la prestation de service offerte est une aide au remplissage, pas la fourniture d'un calcul d'impôt. L'objectif est également de "réduire le nombre de visiteurs". Certains contribuables ne viendraient aux séances de remplissage que pour obtenir un calcul d'impôt. Une autre consigne est de ne plus rien imprimer pour les contribuables qui se présentent.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous que les agents du SPF Finances ne peuvent pas communiquer aux contribuables, ni par écrit ni même oralement, le montant de leur futur remboursement ou supplément d'impôt? Pourquoi priver les contribuables d'un calcul d'impôt qui est fourni automatiquement par l'ordinateur? Les motifs avancés ne sont-ils pas un peu légers, alors que le fait de fournir aux contribuables le montant d'une éventuelle future dette d'impôt peut les aider à en planifier le paiement? N'est-ce pas aussi une discrimination par rapport aux contribuables qui complètent eux-mêmes leur déclaration IPP sur Tax-on-web ou qui recourent aux services d'un professionnel, comme vous, et disposent ainsi d'un calcul d'impôt?

 

Par ailleurs, si le fonctionnaire ne peut plus rien imprimer mais doit par ailleurs faire signer un document au contribuable, cela signifie-t-il que ce dernier signe un document qui ne reprend pas les montants de sa déclaration? Le cas échéant, est-ce légal? Par la suite, si l'administration rectifiait la déclaration sans respecter les règles légales telles que, par exemple, l'obligation d'envoyer un avis de rectification, comment le contribuable pourrait-il le savoir ou en avoir la preuve?

 

Enfin, à travers ces consignes, ne traite-t-on pas les contribuables qui viennent demander de l'aide pour le remplissage de leur déclaration comme des citoyens de seconde zone? Le rôle d'un service public n'est-il pas de fournir le meilleur service possible à la population, y compris aux personnes qui ont des difficultés pour compléter une déclaration d'impôt particulièrement compliquée?

 

15.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Van Hees, en ce qui concerne la communication des résultats du calcul d'impôt, il n'y a pas de directive interdisant aux agents qui aident les contribuables de leur communiquer ces résultats.

 

Si la communication du résultat du calcul est une prestation de service qui peut accompagner l'aide au remplissage de la déclaration, elle entraîne toutefois un surcroît de temps important. Notamment, parce qu'il est fréquent que le contribuable demande alors une explication de la différence entre le résultat du calcul lié à la déclaration de cette année et celui de l'année précédente.

 

Cette explication ne peut évidemment pas être donnée sans comparer les déclarations des deux années. Elle est donc de nature à augmenter considérablement le temps que prend l'aide au remplissage de chaque déclaration, avec en conséquence non seulement un allongement significatif du délai d'attente pour le contribuable mais également de potentiels problèmes de sécurité dans certains bâtiments.

 

Quant à l'impression des documents sur place, mes services ont, d'expérience, constaté que l'impression de nombreux documents papier présentait peu de valeur ajoutée, tant pour le contribuable que pour l'administration, mais constituait une dépense importante en papier, allongeait le temps pris pour remplir chaque déclaration et générait également un traitement administratif important en back office.

 

Une nouvelle procédure moins énergivore a donc été mise en place. Cependant, si le contribuable souhaite à tout prix obtenir un relevé récapitulatif, il lui en sera remis un.

 

Il est faux de dire que les contribuables qui se présentent dans les bureaux de mon administration sont considérés comme des citoyens de seconde zone. Au contraire, les mesures mises en place tendent à assurer une meilleure fluidité de l'aide au remplissage, une limitation du temps d'attente avec une amélioration des conditions de confort et de sécurité dans lesquelles les contribuables sont reçus.

 

Par ailleurs, pour de plus en plus de contribuables, la nécessité de se rendre dans nos bureaux a disparu grâce à l'augmentation constante du nombre de citoyens qui reçoivent une proposition de déclaration simplifiée.

 

15.03  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le président, je note une contradiction dans les réponses du ministre. En effet, il me dit qu'il n'y a pas de directive interdisant de faire le calcul, ce qui est contraire à la présentation PowerPoint que j'ai citée et qui dit "ne pas donner le résultat du calcul d'impôt". Cela me semble une injonction assez claire. Ici, M. le ministre dit l'inverse. Je ne sais pas qui je dois croire: la présentation PowerPoint de l'administration ou M. le ministre. D'autant qu'il ajoute que cela pose quand même un problème d'effectuer ce calcul. Je pense que cela représente effectivement un petit problème mais qui est moindre que celui que constitue le fait de ne pas donner de calcul aux personnes.

 

Pour ce qui concerne l'impression, c'est le même problème. Si le contribuable ne réclame pas le relevé récapitulatif, il n'a pas de preuve de ce qu'il a introduit comme déclaration, ce qui me semble un problème en termes de défense des droits du contribuable. Celui-ci doit pouvoir disposer des éléments de sa déclaration même si on imprime un minimum. Je ne comprends pas pourquoi ce n'est pas automatique.

 

Ces contribuables sont donc désavantagés par rapport à ceux qui, comme M. le ministre, peuvent recourir aux services d'un professionnel.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het beleid inzake hypothecaire kredieten bij Belfius" (nr. 25333)

16 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la politique en matière de crédit hypothécaire chez Belfius" (n° 25333)

 

16.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik wil het inderdaad even hebben over de werkwijze bij Belfius wanneer iemand een hypothecair krediet aanvraagt. Normaal gezien moet de bank dan onderzoeken of de financiële draagkracht aanwezig is om de lening effectief af te lossen. Men moet de maandelijkse afbetalingen van de lening aankunnen en uiteraard nog genoeg geld overhouden om zijn gezin te onderhouden.

 

Verschillende banken houden er een verschillend beleid op na, bijvoorbeeld inzake de inkomsten die worden meegeteld om de financiële draagkracht te berekenen.

 

Met betrekking tot Belfius had ik de volgende vragen. Wat is het beleid van Belfius ter zake? Kan u dat toelichten? Welk bedrag acht Belfius nodig om, na de maandelijkse aflossing, in het levensonderhoud te kunnen voorzien? Wordt het kindergeld al dan niet mee in rekening gebracht?

 

16.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, ik heb de door u gestelde vraag voorgelegd aan Belfius, met het volgende tot antwoord.

 

Belfius waakt erover dat de financiële draagkracht voldoende is om het hypothecair krediet te kunnen aflossen. Na de maandelijkse afbetaling van de lening en andere financiële lasten, moet het gezin nog over voldoende inkomen beschikken om in het levensonderhoud te voorzien en dit voor de volledige looptijd van het krediet. De bedragen die hiervoor noodzakelijk zijn, zijn ingegeven door de principes, algemeen aangenomen als responsible lending. Hiervoor verwijst Belfius meer specifiek naar de gedragscode van de Beroepsvereniging van het Krediet, die Belfius onderschreven heeft.

 

16.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, ik begrijp dat u een kort antwoord van Belfius hebt gekregen en mij dat doorspeelt. Ik zal die gedragscode nakijken. U kunt vermoeden dat ik die vraag stel omdat ik signalen krijg dat men veel te gemakkelijk leningen toestaat. Vandaar dat ik graag de bedragen had vernomen, om te weten wat men beschouwt als voldoende inkomen om in het onderhoud van een gezin te kunnen voorzien.

 

16.04 Minister Johan Van Overtveldt: Ik heb zelf nog bij een bank gewerkt en meen in algemene termen te weten dat kindergeld effectief wordt meegeteld. Ik kan dat niet formeel bevestigen, maar ik vermoed dat het wel zo is.

 

16.05  Peter Vanvelthoven (sp.a): Ik check dat in de gedragscode en als er dan nog onduidelijkheden zijn, kom ik daarmee terug naar u.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het diamantregime" (nr. 25334)

17 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le régime diamant" (n° 25334)

 

17.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, deze vraag dateert van begin mei. Welk bedrag aan voorafbetalingen betaalden de ondernemingen die vallen onder NACEBEL-codes 32121 voor 2016 en 46761 voor 2017? Ik heb die cijfers ondertussen in de pers mogen lezen.

 

Wat mij daarin verbaasde was de interpretatie die u aan de cijfers gaf. Ik heb in de krant gelezen dat u zei dat de karaattaks meer in het laatje bracht dan gepland in de begroting. U verwees naar die 50 miljoen euro. Die 50 miljoen euro was extra.

 

Ik heb het even nagelezen in de nota over de budgettaire impact van de studiedienst. Daarin staat dat de vertrekbasis het aanslagjaar 2013 is. Toen betaalden deze ondernemingen 37 miljoen euro. De opbrengst van de karaattaks wordt op 87 miljoen euro geraamd, volgens de studiedienst.

 

De cijfers die u geeft vergelijken met de voorafbetalingen is natuurlijk niet helemaal juist. Als ik het goed begrepen heb, gaat het voor 2016 over 51,2 miljoen euro en voor 2017 over 68,4 miljoen euro. Dat blijft toch een stuk onder de 87 miljoen euro die het zou moeten opbrengen.

 

Ik vroeg naar cijfers, maar ik heb ook even mijn idee gegeven over de manier waarop u daarover hebt gecommuniceerd.

 

17.02 Minister Johan Van Overtveldt: Wel, het gaat over voorafbetalingen. Dat betekent dat er nog meer aankomt. Dat is natuurlijk van jaar tot jaar verschillend. We hebben toen een gemiddelde berekend van wat de welbekende sector betaalt. We kwamen zo aan die 37 miljoen. Daar willen we 50 miljoen bovenop. Die 37 miljoen is uiteraard afhankelijk van het jaar, het is een gemiddelde.

 

Ik begrijp uw standpunt. Men zou dan in principe 87 miljoen moeten hebben, maar dat is natuurlijk niet zoals het in de realiteit werkt. Men kijkt naar wat men binnen krijgt via het normale circuit en men doet er 50 miljoen bovenop. Dat is eigenlijk de toetsing die men moet doen. Gemiddeld genomen zou men dus aan 87 miljoen moeten komen maar in een rivier die gemiddeld een halve meter diep is…

 

17.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, de voorzichtigheid die u aangeeft, maakt dat u ook niet euforisch kunt doen en het in de pers naar buiten kunt doen komen alsof… Maar goed, ook een minister mag af en toe zijn zeg eens hebben.

 

17.04 Minister Johan Van Overtveldt: Ik neem de vrijheid om te zeggen dat u soms de andere richting uitgaat.

 

17.05  Peter Vanvelthoven (sp.a): Dat klopt ook natuurlijk. Journalisten nemen bovendien graag iets over omdat ze de dossiers niet goed kennen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het toepassingsgebied van de kaaimantaks" (nr. 25336)

18 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le champ d'application de la taxe Caïman" (n° 25336)

 

18.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, eind 2015 werden enkele aanpassingen doorgevoerd aan de kaaimantaks. Het Parlement heeft in december 2015 onder meer de uitbreiding van het toepassingsgebied van de kaaimantaks in de plenaire vergadering goedgekeurd. Entiteiten en vennootschappen waarvan de rechten door één of meerdere met elkaar verbonden personen worden aangehouden, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd, worden sinds die aanpassingen door het Wetboek van de inkomstenbelastingen als juridische constructies aangemerkt. In de praktijk gaat het vaak over de aandelen of compartimenten van een Luxemburgse sicav die door met elkaar verbonden personen worden aangehouden.

 

Reeds twee jaar geleden heb ik u er in deze commissie attent op gemaakt dat de wet op dat vlak onduidelijk was en dat fiscalisten van die onduidelijkheid zouden gebruikmaken om bepaalde klanten toch aan de kaaimantaks te laten ontsnappen. De bedoeling van de wetgever en het toepassingsgebied van de wet zijn nochtans duidelijk. Alle fondsen worden geviseerd, privé, publiek en institutioneel, met of zonder Europees paspoort, binnen of buiten de EER, zodra zij geen collectief karakter hebben.

 

Eind vorig jaar hebben we daarover voort gediscussieerd in het kader van de bespreking van de programmawet. U hebt tijdens die bespreking bevestigd dat er ingegrepen diende te worden. Ik citeer u: "Betreffende de toepassing van de doorkijkbelasting op private instellingen voor collectieve beleggingen stelt de minister vast dat ook dit door de regering aandachtig en uitgebreid werd onderzocht. Uit de analyses van de administratie bleek echter dat deze aanpassing zich dient te situeren in de uitvoeringsbesluiten met betrekking tot de lijsten van juridische constructies. De regering heeft beslist dat deze uitvoeringsbesluiten worden aangepast teneinde de toepassing van de doorkijkbelasting op private instellingen of collectieve beleggingen effectief te verzekeren."

 

Dit standpunt van u stond destijds in het verslag.

 

Ondertussen zijn we een half jaar verder, mijnheer de minister, en ik vind geen enkel spoor terug van een aanpassing van dat KB van 18 december 2015. U begrijpt dan ook dat ik graag van u verneem wat de reden is voor het uitblijven van die aanpassing. Wanneer zal het KB wel worden aangepast?

 

18.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, in de regering werd besloten dat de aanpassingen aan het koninklijk besluit waarnaar u verwijst, van toepassing zullen zijn op de inkomsten die vanaf 1 januari werden verkregen, toegekend of betaalbaar gesteld door een juridische constructie. Hierdoor kan dit besluit in de loop van 2018 worden gepubliceerd om zijn effect voor het volle jaar te sorteren.

 

Ik kan u meedelen dat dit geheel op dit eigenste moment de revue passeert op het niveau van de IKW. Ik mag dan ook de stellige verwachting uitspreken dat tegen de zomer de publicatie van dit KB een feit zal zijn.

 

18.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Dank u wel.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het UBO-register" (nr. 25337)

19 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le registre UBO" (n° 25337)

 

19.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, in navolging van de vierde antiwitwasrichtlijn dient ons land een UBO-register op te richten in de strijd tegen de witwaspraktijken.

 

De richtlijn 2016/2258/EU van de Raad van 6 december 2016 voorziet in de toegang tot het UBO-register voor de Belgische fiscale administratie. De vijfde antiwitwasrichtlijn bepaalt dan weer dat dit register publiekelijk toegankelijk moet zijn voor ieder die een legitiem belang heeft.

 

Lidstaten kunnen ook een vergoeding vragen voor een publieke raadpleging. De toegangsmodaliteiten met betrekking tot het UBO-register moeten worden vastgelegd bij koninklijk besluit.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Ten eerste, is er binnen de regering een akkoord over de nodige uitvoeringsbesluiten?

 

Ten tweede, wanneer zal het UBO-register operationeel zijn?

 

Ten derde, welke gegevens zullen de autoriteiten kunnen raadplegen?

 

Ten vierde, wat de toegang voor de fiscus betreft, voorzien de uitvoeringsbesluiten in een beperking in vergelijking met bijvoorbeeld de toegang die de CFI krijgt? Indien ja, op welke manier?

 

Ten vijfde, zal de fiscus het register kunnen raadplegen met het oog op het vaststellen van de juiste belasting?

 

Ten zesde, een paar vragen met betrekking tot de toegang tot het register door derden. Voorzien de uitvoeringsbesluiten in een beperking van de toegang tot het register in vergelijking met de toegang door de autoriteiten? Indien ja, welke beperkingen?

 

Welke gegevens zullen derden kunnen raadplegen? Hoeveel zal een raadpleging van het register kosten? Hoe wordt een raadpleging gedefinieerd? Op welk bedrag aan inkomsten rekent u als gevolg van het betalend karakter van de toegang tot het register? Hoe komt u aan dat bedrag?

 

Ten slotte, op basis van welke criteria en door wie zal worden beslist of iemand een legitiem belang heeft en dus het register mag raadplegen?

 

19.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vanvelthoven, er is met de uitgeprinte antwoorden iets fout gelopen. Ik moest dus een en ander even opzoeken maar dat is ondertussen gebeurd.

 

Er wordt gewerkt aan de inhoud en de inwerkingtreding van het koninklijk besluit betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register. Het doel van de regering is te beschikken over wetgeving die de wijzigingen bevat die door het akkoord tot amendering van de vierde antiwitwasrichtlijn van 19 december 2017 zijn ingevoerd. De publicatie wordt verwacht in de loop van de volgende weken.

 

Het koninklijk besluit zal binnenkort opnieuw aan de Raad van State worden voorgelegd met als doel het in de loop van juni of begin juli te kunnen publiceren.

 

De informaticatoepassingen worden momenteel getest. Na publicatie kan het register vrij snel operationeel zijn.

 

De bevoegde autoriteiten en de onderworpen entiteiten die onder de Europese en nationale wetgeving vallen, hebben toegang tot alle informatie in het UBO-register. Het grote publiek zal een beperkte toegang hebben tot de informatie die in de richtlijn wordt vermeld, namelijk de naam, de maand en de geboortedatum, het land van verblijf alsook de aard en de omvang van het uiteindelijke belang.

 

De principiële toegang van de fiscus tot het UBO-register is reeds wettelijk geregeld door artikel 83 van de wet van 22 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie.

 

Er moet nog een koninklijk besluit worden genomen dat de voorwaarden en modaliteiten zal bepalen. De fiscus zal, wanneer aan de door de Koning bepaalde voorwaarden en modaliteiten is voldaan, net als elke andere bevoegde autoriteit toegang hebben tot alle gegevens in het register.

 

Op dit moment worden de raadplegingskosten voor de meldingsplichtige entiteiten en het grote publiek beoordeeld. Het bedrag wordt uiteraard bepaald op basis van de ontwikkelings- en onderhoudskosten van het UBO-register. Voorlopig evalueert de Algemene Administratie van de Thesaurie de verschillende mogelijke manieren van betalen en raadplegen, zoals het opzetten van abonnementen, een forfait of een eenmalige raadpleging.

 

Het concept van legitiem belang zal alleen van toepassing zijn na de inwerkingtreding van de vijfde AMLD, bij het raadplegen van bepaalde soortgelijke trusts en andere juridische constructies. Het legitiem belang zal door de Algemene Administratie van de Thesaurie worden beoordeeld en toegekend op basis van met name de elementen die door de vijfde AMLD en het bovenvermelde KB zijn verstrekt.

 

19.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ik begrijp dat de toegang voor het publiek en de kostprijs ervan nog verder bekeken worden. Ik wil u alleen nog meegeven dat het UBO-register tot stand komt in het kader van de vraag naar meer transparantie. Vandaag bestaat al de mogelijkheid om de jaarrekeningen van vennootschappen te raadplegen. Die raadpleging is vandaag gratis. Ik wil u dus de suggestie meegeven om de financiële drempel niet te hoog te leggen, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan het principe van transparantie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n° 25349 de M. Stéphane Crusnière, n°25366 de M. Benoît Friart, n° 25397 de Mme Sonja Becq, n° 25484 de M. Luk Van Biesen, n° 25491 de Mme Kattrin Jadin, n° 25506 de Mme Griet Smaers, n° 25508 de Mme Griet Smaers, n° 25512 de Mme Kattrin Jadin, n° 25513 de M. Jean-Jacques Flahaux, n° 25514 de Mme Annick Lambrecht, n° 25522 de Mme Karine Lalieux, n° 25523 de Mme Griet Smaers, n° 25525 de M. Peter Vanvelthoven, n° 25544 de M. Roel Deseyn et n° 25534 de Mme Nathalie Muylle sont soit reportées, soit transformées en questions écrites, soit annulées.

 

20 Question de M. Benoît Dispa au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la directive européenne obligeant les conseillers fiscaux à déclarer les montages fiscaux mis en place" (n° 25535)

20 Vraag van de heer Benoît Dispa aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de Europese richtlijn die belastingadviseurs ertoe verplicht om fiscale constructies aan te geven" (nr. 25535)

 

20.01  Benoît Dispa (cdH): Monsieur le ministre, on a appris que la directive européenne qui pourrait obliger les avocats, les conseillers fiscaux et les intermédiaires financiers à informer le fisc des montages fiscaux qu'ils réalisent pour le compte de leurs clients va prochainement arriver à l'agenda de l'Ecofin.

 

Quelle position allez-vous défendre à cette occasion, compte tenu des réticences qu'on a pu percevoir lors de nos travaux parlementaires, notamment dans le cadre de la commission Panama Papers? Avez-vous déjà une idée de l'ampleur avec laquelle vous pourriez transposer cette directive?

 

20.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Dispa, la directive européenne qui oblige les intermédiaires à informer le fisc des montages fiscaux est effectivement à l'agenda du Conseil Ecofin de vendredi prochain. Sur le contenu du texte, il y a déjà un accord politique. Je vais être clair: la Belgique a  toujours soutenu les propositions de la Commission visant à renforcer la transparence des intermédiaires qui mettent en place des mécanismes d'optimisation fiscale au profit de leurs clients.

 

Quant à la transposition de cette directive, je peux vous informer que le gouvernement ne fera pas traîner les choses, au contraire. Afin d'informer à temps les intermédiaires et les contribuables concernés de leurs obligations, le gouvernement a jugé nécessaire de lancer immédiatement le processus de transposition en droit belge.

 

20.03  Benoît Dispa (cdH): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses qui me satisfont pleinement.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

21 Question de M. Benoît Dispa au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le taux de TVA à appliquer pour les services de promotion de la santé à l'école" (n° 25536)

21 Vraag van de heer Benoît Dispa aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het btw-tarief voor de diensten van gezondheidsbevordering op school" (nr. 25536)

 

21.01  Benoît Dispa (cdH): Monsieur le ministre, le 25 avril dernier, je vous posais une question concernant le taux de TVA à appliquer pour les services de Promotion de la Santé à l'École (PSE).

 

À l'époque, votre réponse était tout à fait satisfaisante. Compte tenu de cette réponse, le taux de TVA de 6 % peut-il être appliqué, dès maintenant, pour les services PSE ou, du moins, pour les travaux en cours pour autant qu'ils aient débuté après l'adoption de l'arrêté ouvrant ce droit aux centres psycho-médico-sociaux (PMS)?

 

21.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Dispa, la rubrique XL du tableau A de l'annexe de l'arrêté royal n° 20 a été modifiée pour octroyer aux livraisons de bâtiments destinés aux centres PMS exemptés en vertu du Code ainsi qu'à certains travaux immobiliers effectués à ces bâtiments le bénéfice du taux réduit de 6 %. Cette modification est entrée en vigueur le 1er janvier 2016.

 

Par souci de neutralité fiscale, j'ai accepté, en réponse à votre question n° 24865, que le taux réduit de 6 % puisse également s'appliquer aux bâtiments destinés à être utilisés par les services PSE dans le cadre de leurs missions.

 

Par conséquent et toujours par souci de neutralité fiscale, le taux réduit de 6 % doit également être applicable aux bâtiments desdits services à partir du 1er janvier 2016. Je peux donc vous confirmer que le taux de 6 % est applicable aux opérations en cause pour lesquelles la TVA est devenue exigible à partir du 1er janvier 2016.

 

Pour ce qui concerne les règles relatives à l'exigibilité et les corrections à effectuer pour les opérations qui auraient été effectuées avec l'application du taux normal et qui peuvent encore bénéficier du taux de 6 %, il y a lieu de se référer, par analogie, au point 8 de la circulaire 2018/C/6 du 18 janvier 2018.

 

21.03  Benoît Dispa (cdH): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Monsieur le ministre, permettez-vous à M. Gilkinet de poser sa question?

 

21.04  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, il y a tellement longtemps que je n'ai plus répondu à une question de M. Gilkinet en commission que je n'ose pas dire non!

 

22 Question de M. Georges Gilkinet au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le traitement fiscal des dossiers des enseignants belges des écoles privées belges de Kinshasa et de Lubumbashi" (n° 25556)

22 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fiscale behandeling van de dossiers van Belgische leerkrachten van Belgische privéscholen in Kinshasa en Lubumbashi" (nr. 25556)

 

22.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, à présent que je suis libéré de la commission d'enquête Kazakhgate, je vous promets plein de questions pour les prochaines commissions des Finances!

 

Monsieur le ministre, il me revient que différents enseignants belges qui ont été actifs dans des écoles privées belges de Kinshasa et de Lubumbashi connaissent aujourd'hui des difficultés fiscales.

 

Leur problème est double. D'une part, leur employeur ne se serait pas acquitté du précompte professionnel les concernant et, d'autre part, le SPF Finances leur réclamerait des impôts sur les salaires perçus, en contradiction apparente avec les conventions fiscales existant entre notre pays et la République démocratique du Congo.

 

À tout le moins, il s'agit d'une situation inconfortable pour nos concitoyens concernés, bien mal récompensés pour leur engagement au service de l'éducation, dans des conditions salariales, sociales et sécuritaires ingrates au Congo et qui sont victimes du dysfonctionnement de leur employeur.

 

Certaines personnes concernées auraient pu conclure une transaction avec le SPF Finances qui a considéré qu'elles pouvaient bénéficier d'une exemption fiscale, mais ce n'est pas le cas pour d'autres alors que c'est une problématique générale.

 

Monsieur le ministre, êtes-vous informé de cette difficulté particulière? Combien de nos concitoyens sont-ils dans cette situation? À quelles conditions ces enseignants peuvent-ils bénéficier d'une exemption fiscale? Confirmez-vous que celle-ci a été accordée à certains d'entre eux mais pas à d'autres? Si tel est le cas, pourriez-vous me dire ce qui justifie une telle différence de traitement? Qu'en est-il de la responsabilité de l'employeur de ces enseignants quant au paiement du précompte professionnel? Le SPF Finances a-t-il, le cas échéant, entrepris une initiative de recouvrement à l'encontre de cet employeur? Le cas échéant, à quel service les personnes concernées doivent-elles s'adresser pour obtenir une conciliation fiscale par rapport à leur dossier?

 

22.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Gilkinet, mon administration est au courant de la situation de certains enseignants belges d'écoles privées en République démocratique du Congo (RDC). En vertu de la convention préventive de la double imposition belgo-congolaise, les salaires issus de la contrepartie d'une activité salariée exercée physiquement en RDC sont normalement imposables dans cet État. Néanmoins, la convention ne permet l'exonération des revenus de source congolaise d'un résident belge que si lesdits revenus ont été imposés en RDC. Or, les salaires des enseignants des ASBL concernées n'ont normalement pas été imposés en RDC, par application d'un mémorandum conclu entre la RDC et la Belgique.

 

Il s'ensuit que, pour un salarié d'une ASBL belge qui a toujours la qualité d'habitant du Royaume, si ses rémunérations n'ont pas été imposées en RDC, la Belgique n'accordera pas l'exonération prévue dans la convention et imposera à l'impôt des personnes physiques lesdites rémunérations. Si vous désirez me communiquer des cas concrets traités différemment, je ferai examiner les dossiers par l'administration.

 

22.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie. Je crois percevoir une injustice flagrante à l'égard des enseignants concernés, qui ont agi en toute bonne foi, qui se sont engagés dans une perspective éducative au Congo, qui ont touché un salaire normal d'enseignant et qui se voient réclamer de façon rétroactive des impôts sur le maigre salaire qu'ils ont reçu. Ce n'est pas "confortable" de consacrer quelques années de sa vie à l'éducation d'enfants congolais.

 

Il y a une incompréhension ou une malversation dans le chef de l'employeur car vous n'avez pas répondu sur l'aspect du paiement du précompte.

 

Le problème est suffisamment général que pour faire l'objet d'une attention particulière dans votre chef. J'ai cru comprendre que cela concernait plus d'un enseignant. Je n'ose pas citer de chiffre puisque vous n'en avez pas cité vous-même.

 

Comme vous me le proposez, je reviendrai vers vous avec des éléments concrets. J'espère que vous pourrez agir dans le respect de la légalité mais avec la souplesse nécessaire au vu de cette situation très particulière.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 25557 de M. Georges Gilkinet est transformée en question écrite.

 

La réunion publique de commission est levée à 17.40 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.40 uur.