Commissie voor het Bedrijfsleven, het Wetenschapsbeleid, het Onderwijs, de Nationale wetenschappelijke en culturele Instellingen, de Middenstand en de Landbouw

Commission de l'Économie, de la Politique scientifique, de l'Éducation, des Institutions scientifiques et culturelles nationales, des Classes moyennes et de l'Agriculture

 

van

 

Dinsdag 15 mei 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 15 mai 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


Le développement des questions et interpellations commence à 14.51 heures. La réunion est présidée par M. Jean-Marc Delizée.

De behandeling van de vragen en interpellaties vangt aan om 14.51 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Jean-Marc Delizée.

 

01 Question de Mme Caroline Cassart-Mailleux au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le développement et la production d'avions du programme Airbus" (n° 23564)

01 Vraag van mevrouw Caroline Cassart-Mailleux aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de ontwikkeling en productie van vliegtuigen van het Airbusprogramma" (nr. 23564)

 

01.01  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, dans sa note de politique générale, votre collègue en charge de la Politique scientifique indique qu'elle prépare, avec vous, la poursuite de l'aide à l'industrie belge pour le développement et la production d'avions du programme Airbus.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous apporter davantage de précisions à ce sujet? Concrètement, que préparez-vous? Pouvons-nous espérer une avancée significative d'ici la fin de l'année 2018?

 

01.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, madame Cassart, lors du Conseil des ministres du 20 octobre 2016, il a été décidé de prévoir une enveloppe financière complémentaire de 45 millions d'euros pour des projets de recherche et de développement dans le secteur de l'aéronautique. L'ancien budget pour le programme Airbus A350 XWB de 150 millions d'euros, plus un solde de 28 millions d'euros du programme Airbus A380, a en effet été épuisé.

 

Afin de mettre en œuvre la décision gouvernementale de prévoir un budget complémentaire, un amendement modifiant l'accord de coopération du 11 septembre 2008 a été signé par l'État fédéral et les Régions le 19 décembre 2017. Dans l'accord de coopération modifié, l'enveloppe financière supplémentaire de 45 millions d'euros, contrairement à l'accord de coopération initial, est affectée à un programme Airbus spécifique. En principe, les projets de recherche et développement peuvent donc indifféremment être pris en considération pour tout programme Airbus, tant que cela relève du domaine des avions, des hélicoptères ou des drones.

 

Le suivi et la coordination de la participation belge au programme Airbus sont assurés par un comité de pilotage composé des représentants de l'État fédéral et des Régions.

 

Une réunion de ce comité de pilotage a eu lieu le 21 février 2018. En outre, les entreprises du secteur ont déjà été informées via les organisations sectorielles Flag, Ewa et Bag de la procédure relative à l'introduction d'un dossier d'aides d'État. Des informations utiles ont été publiées sur le site internet du SPF économie.

 

Une communication relative à cette mesure d'aide fédérale a été publiée, au Moniteur belge, le 23 janvier 2018. Le régime d'aides d'État a été envoyé à la Commission européenne pour information, le 2 février 2018.

 

Les entreprises peuvent introduire des propositions de projets jusqu'au 31 mai 2018 inclus. Après quoi, la plate-forme aéronautique fédérale fera une sélection et procèdera à une évaluation des dossiers soumis.

 

La plate-forme aéronautique fédérale est une plate-forme de collaboration entre les directions compétentes du SPF Économie et du SPP Politique scientifique.

 

L'objectif est de pouvoir procéder encore cette année à la conclusion d'un certain nombre de conventions avec des entreprises dans le cadre de l'octroi d'avances remboursables.

 

01.03  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, je tiens à vous remercier pour le caractère très complet de votre réponse.

 

Je constate que, cette année, pas mal de décisions ont été prises. Des appels à projets doivent arriver pour le 31 mai prochain.

 

Il est vrai que si je voulais être critique, je dirais que pour la période 2016-2018, le bilan est un peu mitigé. Mais je n'accable personne. Je sais que, parfois, il faut composer avec la lenteur administrative.

 

En tout cas, je me réjouis de votre réponse car le 31 mai, c'est demain. Il y aura donc un avis de sélection. Et, comme vous l'avez dit, monsieur le ministre, vous espérez que différentes sélections pourront intervenir d'ici la fin de l'année.

 

Je rappelle qu'il est question ici d'un domaine important pour la recherche, pour les entreprises, pour les projets pilotes. Je tiens donc encore une fois à vous remercier pour l'état d'avancement de ce dossier.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Griet Smaers aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de verzekering gewaarborgd inkomen voor zelfstandigen" (nr. 23823)

- de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de verzekering gewaarborgd inkomen voor zelfstandigen" (nr. 24044)

02 Questions jointes de

- Mme Griet Smaers au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'assurance revenu garanti pour indépendants" (n° 23823)

- M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'assurance revenu garanti pour indépendants" (n° 24044)

 

02.01  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, de meerderheid en de regering hebben al heel veel werk verricht ter versterking van de sociale bescherming van zelfstandigen. Ondanks de vele initiatieven die u al nam, kaartten verschillende zelfstandigen de afgelopen weken het probleem aan dat zij niet altijd adequaat beschermd zijn na het aangaan van een verzekering arbeidsongevallen of arbeidsongeschiktheid, anders gezegd de verzekering gewaarborgd inkomen voor zelfstandigen. Dat was de aanleiding tot de indiening van mijn vraag.

 

Voor zelfstandigen is er geen regime van verplichte arbeidsongevallenverzekeringen, zoals die wel voor werknemers bestaat. Er is voor zelfstandigen evenmin een specifieke verplichte verzekering voor beroepsziekten. Ziektes en ongevallen in het kader van hun werk of privéleven worden gedekt door de sociale zekerheid, maar het niveau van de vergoedingen voor zelfstandigen is beperkt.

 

Om beschermd te zijn tegen inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid, kunnen zelfstandigen weliswaar een verzekering gewaarborgd inkomen, ook wel een arbeidsongeschiktheidsverzekering genoemd, sluiten. Om het inkomensverlies naar aanleiding van arbeidsongeschiktheid, dus het risico, te compenseren, wordt dan door de verzekeraar op geregelde tijdstippen gedurende een contractueel bepaalde periode een bedrag gestort. Op die manier kunnen zelfstandigen zich toch enigszins beschermen tegen inkomensverlies als gevolg van arbeidsongeschiktheid.

 

Desondanks treden er nog problemen op, onder andere over de erkenning of het percentage van de arbeidsongeschiktheid. Het gebeurt zelfs vaker dat de aanvraag door de verzekering wordt geweigerd.

 

Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover de invoering van een recht op een verzekering gewaarborgd inkomen, naar analogie van de regeling op hospitalisatieverzekeringen?

 

Gezondheidsproblemen of aandoeningen uit het verleden die volledig genezen zijn, worden in aanmerking genomen als grond voor uitsluiting van de verzekering, evenals gewone sportongevallen en psychosociale aandoeningen. Hoe staat u tegenover wetgevende initiatieven die zulke uitsluitingsgronden kunnen wegnemen?

 

Veel arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die werden gesloten vóór de recente pensioenhervormingen, lopen nog steeds ten einde op de leeftijd van 60 jaar. Vroeger kon een zelfstandige vanaf die leeftijd zijn vervroegd pensioen opnemen. Tegenwoordig moet iedereen langer werken, ook zelfstandigen, en het pensioen op 60 jaar voor zelfstandigen is veeleer uitzondering geworden.

 

Bovendien wordt de wettelijke pensioenleeftijd opgetrokken naar 66 jaar vanaf 2025 en naar 67 jaar vanaf 2030. Hierdoor kan de zelfstandige zonder opvangnet vallen, omdat zijn verzekering maar tot de contractueel bepaalde leeftijd van 60 jaar loopt.

 

Voorziet u in een stappenplan om de eindleeftijd minstens op 65 jaar te brengen, wat mij een redelijke leeftijd in de huidige context lijkt, en dan geleidelijk aan op te trekken naar analogie van de wettelijke pensioenleeftijd? Het zou logisch zou zijn als hetzelfde gebeurt met de beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomst.

 

Plant u initiatieven om de manier te herbekijken waarop het tarief wordt bepaald wanneer, ten eerste, een individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt verlengd, ten tweede, een beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomst wordt verlengd of, ten derde, een individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering op een beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomst volgt?

 

Plant u initiatieven om de overdraagbaarheid van reserves wettelijk te regelen? Op die manier zou een zelfstandige niet langer ontmoedigd worden om van verzekeraar te veranderen en kan de concurrentie tussen verzekeraars onderling ook tijdens de looptijd van het contract beter spelen.

 

Zult u in overleg gaan met de zelfstandigenorganisaties en met de verzekeringssector met betrekking tot de aanpak van die anomalieën? Misschien is dat al gebeurd.

 

02.02  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik sluit mij grotendeels aan bij de vragen en opmerkingen van mevrouw Smaers.

 

De problematiek werd aangekaart in het programma van Hautekiet op Radio 1, waar we een aantal getuigenissen hebben gehoord die toch vragen oproepen. De regering heeft al verschillende stappen gezet ten gunste van de sociale bescherming van de zelfstandigen, wat uiteraard schitterend is, maar ik denk dat in het aangehaalde domein nog stappen kunnen worden gezet.

 

Een aantal opmerkingen van mevrouw Smaers klopt. Het betreft een aspect dat wij bij verschillende hervormingen uit het oog zijn verloren, omdat die polis niet meteen in het oog springt. Een zelfstandige neemt die polis in de hoop die nooit te moeten gebruiken, want dat is niet goed voor zijn zaak. Als dan blijkt dat de gevolgen van een gewoon sportongeval niet worden gedekt, is dat vreemd. Ik denk dat een en ander moet worden herbekeken, evenals de eindleeftijd van 60 jaar. De eindleeftijd van polissen inzake vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen zijn allemaal opgetrokken naar 65 jaar bij de verhoging van de pensioenleeftijd.

 

Het is de logica zelf dat wij ook in dat verband een en ander opnieuw in regel krijgen. Precies rond die leeftijd is de kans op medische problemen het grootst.

 

Mijnheer de minister, wat is uw plan van aanpak ter bescherming van de zelfstandigen?

 

02.03 Minister Kris Peeters: Collega's Smaers en Klaps, het recht op een hospitalisatieverzekering bestaat nu enkel voor chronische zieken en gehandicapten. Bij een uitbreiding moet in het achterhoofd gehouden worden dat het risico dat gedekt wordt bij gewaarborgd inkomen geheel anders is dan bij een hospitalisatieverzekering. De verzekeraar kan bij een verzekering gewaarborgd inkomen immers gedurende jaren uitkeringen moeten verstrekken, wat financieel een heel ander risico is.

 

De zelfstandige die langdurig ongeschikt is, heeft niet alleen een gezondheidsprobleem, maar wordt ook geconfronteerd met een aanslag op zijn financiële situatie. Daarom is het, hoewel dit minder evident is, noodzakelijk dat er een adequaat verzekeringssysteem is waar hij of zij op kan terugvallen. Zeker voor jonge zelfstandigen is het ontbreken daarvan vaak een grote hindernis om een zelfstandige activiteit te kunnen of te durven starten.

 

Dat geldt inderdaad ook voor de meeste individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, waarvoor de eindleeftijd bepaald is op 60 jaar, en de vraag rijst of de verlenging tot de pensioenleeftijd wettelijk verankerd moet worden, dan wel geregeld moet worden via een gedragscode, zoals Assuralia dat doet tot een bepaalde leeftijd.

 

Natuurlijk mag men naast de zelfstandige ook de financiële gezondheid van de verzekeringsinstellingen niet vergeten. Dergelijke maatregelen hebben immers een invloed op het prudentieel beleid van de ondernemingen in kwestie.

 

Dat geldt ook voor de overdraagbaarheid van de reserves, waar mevrouw Smaers al naar verwees. Ik ben minder geneigd ter zake initiatieven te nemen, wegens de prudentieel verregaande gevolgen, maar ook wegens de individualisering van de vergrijzingreserves. Bovendien zou dat tot gevolg hebben dat de premies zouden stijgen, wat ook niet in het voordeel van de consument-zelfstandige is.

 

Collega Smaers en collega Klaps, ik ben net als u voorstander van overleg. De problematiek werd dus al besproken met verschillende sectoren. Zelfstandigen moeten alle kansen krijgen en moeten de mogelijkheid hebben zich in te dekken tegen risico's, maar de prudentiële gevolgen mogen niet uit het oog verloren worden.

 

Daarom heb ik aan de Commissie voor Verzekeringen gevraagd om mij een advies omtrent de problematiek te verstrekken. Tegelijkertijd heb ik aan de Nationale Bank gevraagd wat haar beoordeling is, op prudentieel vlak, van de uitbreiding van de leeftijdsgrens in de contracten.

 

Wij hebben beide instellingen dus reeds een advies gevraagd voor u uw vragen formuleerden. Ik zal uiteraard niet nalaten u te informeren over de conclusies. Mocht ik dat vergeten, zult u mij daar trouwens zeker aan herinneren.

 

Beide adviezen worden zo snel mogelijk verwacht.

 

02.04  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik ging er wel van uit dat u al actie had ondernomen, na de vragen die waren gerezen. Dank voor uw initiatief. Wij zullen de kwestie van nabij opvolgen.

 

02.05  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, het lijkt mij de juiste manier van aanpak dat u de belangrijkste instanties om advies vraagt. Aanpassingen kunnen een fundamentele invloed hebben op de positie van de verzekeringsmaatschappijen en op de premie. Wij moeten die bezorgdheid toch ter harte nemen.

 

Er zijn nu al zelfstandigen die de polis momenteel niet onderschrijven wegens de kostprijs. Als wij die kostprijs nog verzwaren, vormt dat uiteraard een probleem.

 

Anderzijds lijkt het mij dat verzekeringsmaatschappijen in de loop der jaren hun polissen updaten en hun algemene voorwaarden verbeteren. Ik meen dat zij op het vlak van de polis gewaarborgd inkomen nog enkele stappen kunnen zetten, zonder dat dat hun prudentiële situatie in het gevaar brengt.

 

Ik kijk alvast uit naar de adviezen, die u zult ontvangen. Indien u ze ons vergeet te bezorgen, zal ik daar uiteraard om vragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Karin Temmerman aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de diepzeemijnbouwtest van het Belgische bedrijf DEME-GSR in de Stille Oceaan" (nr. 24338)

- mevrouw Anne Dedry aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "diepzeemijnbouw" (nr. 24504)

03 Questions jointes de

- Mme Karin Temmerman au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les essais d'exploitation minière marine réalisés par la société belge DEME-GSR dans le Pacifique" (n° 24338)

- Mme Anne Dedry au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'exploitation minière des fonds marins" (n° 24504)

 

03.01  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik wil het niet specifiek over het bedrijf DEME hebben, maar over de diepzeemijnbouwtest in het algemeen.

 

DEME is wel een van de eerste bedrijven die een dergelijke test zal uitvoeren, maar wij moeten kijken naar de toekomst, naar hoe die test zal worden uitgevoerd en hoe België daar zal optreden.

 

Momenteel wordt dit door België gesponsord in het gebied van Duitsland, waardoor er met veel aandacht naar deze operatie wordt gekeken.

 

Volgens de regels van de International Seabed Authority, die de concessies toekent, moet er minstens een jaar voor de test een milieueffectenrapportage worden geleverd. Het MER is al in de maak, maar er is geen enkele procedure voorzien voor publieke inspraak of voor inspraak van stakeholders. Het is ook niet duidelijk of het MER toegankelijk zal zijn.

 

De manier waarop België als sponsoring state omgaat met deze test en het MER zal een belangrijk precedent scheppen wereldwijd en zal in de toekomst worden toegepast.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Welke test zal worden uitgevoerd? Hoe zal België als sponsoring state erop toezien dat die op een verantwoorde wijze verloopt? Hoe zal België omgaan met het MER? Zal deze MER publiek toegankelijk zijn? Zal een publieke consultatie worden georganiseerd?

 

Nogmaals, het gaat hier niet over DEME dat de test doet, maar over een precedent voor alle mogelijke andere diepzeemijnbouwtesten die in de toekomst zullen worden uitgevoerd.

 

03.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Temmerman, dit is een dossier dat onder mijn voorganger, de heer Vande Lanotte, tijdens de vorige regering werd opgestart.

 

Ik geef u een stand van zaken. Wat betreft de Belgische positie inzake diepzeemijnbouw, werd tot nog toe het principe gehanteerd dat wij op internationaal vlak een wetgeving willen die voldoende garanties biedt inzake milieubescherming en transparantie. De eigen Belgische milieuwetgeving vormt hierbij het referentiepunt. Wij zullen dan ook pleiten voor meer transparantie en milieuexpertise.

 

Uiteindelijk is het wel de Internationale Zeebodemautoriteit die beslist over de ontginningsvoorwaarden. Die liggen nog niet vast. De betrokken diensten van de FOD Economie en de FOD Leefmilieu zijn in permanent overleg over dit thema.

 

Dan kom ik aan de tests van DEME-GSR, waarnaar u niet specifiek hebt verwezen, maar u vroeg er wel naar in uw schriftelijke neerslag. DEME-GSR zal, in overeenstemming met de verplichtingen in het contract met de Internationale Zeebodemautoriteit, een componenttest uitvoeren met een prototype op schaal van de collector. Deze test heeft tot doel de data met betrekking tot de efficiëntie van de collector en de mitigerende maatregelen ter bescherming van het milieu, bekomen uit labotesten, ter plaatse te valideren.

 

Gelijktijdig met deze test zullen ongeveer 50 onafhankelijke wetenschappers op een tweede schip de effecten van deze test op het milieu monitoren, dit in het kader van het project GPI-Oceans 2. Dit zal gerealiseerd worden door voorafgaand het testgebied in te meten en gedetailleerd opnames te maken van de effecten op het milieu tijdens de test, een week na de test en een jaar na de test. De bekomen gegevens zijn belangrijk voor de verdere ontwikkeling van de milieureglementering van de Internationale Zeebodemautoriteit die momenteel alleen kan afgaan op niet-gevalideerde computermodellen.

 

Het MER zal geëvalueerd worden door de Internationale Zeebodemautoriteit. Momenteel is er in de exploitatiefase niet in een publieke consultatie voorzien. Niettemin zal België als sponsoring state commentaar op het MER verzamelen met het oog op de discussies binnen de relevante organen.

 

In verband met de publieke discussie, ik denk dat dit ook wel interessante informatie voor u is, de betrokken federale administraties zullen op 5 juni 2018 een workshop over diepzeemijnbouw organiseren. Er werd met GSR afgesproken om een presentatie over dit MER toe te voegen aan de agenda van deze workshop. De commentaren van het publiek zullen verwerkt worden en gebruikt worden door de betrokken Belgische overheden om een document voor de Internationale Zeebodemautoriteit op te stellen. De ervaring opgebouwd uit deze consultatie zal gebruikt worden om de Belgische reglementering met betrekking tot diepzeemijnbouw te evalueren en bij te sturen waar nodig.

 

Dit heel delicate dossier, dat werd opgestart tijdens de vorige legislatuur, wordt dus met de nodige zorg en consultatie verder aangepakt.

 

03.03  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, wil u mij nog even de datum geven. Ik heb 5 februari genoteerd maar dat kan natuurlijk niet. Juni? Oké, dank u wel.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de Mme Caroline Cassart-Mailleux au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'évaluation de Twin Peaks II" (n° 24368)

04 Vraag van mevrouw Caroline Cassart-Mailleux aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de evaluatie van Twin Peaks II" (nr. 24368)

 

04.01  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, je vous ai déjà interrogé au sujet de MiFID Assurances. En effet, sous la précédente législature, une partie des règles de conduite MiFID a été étendue aux assurances financières et non financières afin de garantir une meilleure protection des consommateurs. Les organismes concernés se sont alors vus contraints d'adopter de nouvelles règles de conduite. Cela s'est notamment articulé au travers de la loi du 30 juillet 2013 visant à renforcer la protection des utilisateurs de produits et services financiers ainsi que les compétences de l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA) et portant des dispositions diverses, plus communément connue sous le nom de Twin Peaks Il.

 

Monsieur le ministre, quatre ans après l'entrée en vigueur de Twin Peaks Il, que pensent le secteur des assurances et les consommateurs de l'application des règles de conduite MiFID? Qu'en est-il de la charge administrative? Entretenez-vous des concertations avec le secteur afin d'évaluer la mise en application de ces nouvelles règles de conduite? Dans l'affirmative, quel est l'état de celles-ci? Des adaptations sont-elles à prévoir? Dans l'affirmative, lesquelles?

 

Je vous remercie, monsieur le ministre, de faire le point sur ce dossier ô combien attendu par le secteur.

 

04.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, madame Cassart-Mailleux, chers collègues, ces dernières années, le cadre légal et réglementaire applicable à la distribution des produits d'assurance a subi des évolutions importantes. Le législateur belge a ainsi décidé d'appliquer aux entreprises d'assurance et aux intermédiaires d'assurance des règles de conduite issues de la réglementation MiFID applicable au secteur bancaire.

 

La réglementation MiFID Assurances est applicable depuis le 1er mai 2015. Elle vise à assurer une meilleure protection des clients dans le secteur des assurances en étendant l'application des règles de conduite aux produits d'épargne et d'investissement comparables à des instruments financiers. Elle étend également certaines règles de conduite aux produits non-vie, en particulier les règles visant à prévenir les conflits d'intérêts et à veiller à ce que la perception de commissions par des tiers ne porte pas préjudice aux intérêts du client.

 

Je suis régulièrement en contact avec les représentants du secteur des assurances, notamment dans le cadre des travaux de transposition de la directive 2016/97 du Parlement et du Conseil du 20 janvier 2016 sur la distribution d'assurances (dite directive IDD).

 

À ma demande, une consultation publique sur les projets de textes de transposition a été organisée. Les réactions à la consultation ont été prises en compte dans la finalisation des textes. La Commission des assurances a également rendu un avis sur le projet de texte.

 

Le projet de transposition de la directive IDD a, entre-temps, été approuvé en Conseil des ministres du 20 avril dernier et a été transmis au Conseil d'État pour avis. Le projet est l'expression d'un compromis équilibré limitant au maximum les obligations administratives des intermédiaires mais offrant encore des garanties suffisantes pour la protection des consommateurs. Le projet garantit également un level playing field au niveau de la distribution entre toutes les personnes concernées, quel que soit le canal de vente (direct, writing).

 

Normalement, le projet de loi sera encore déposé à la Chambre des représentants avant les vacances parlementaires de l'année 2018.

 

04.03  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour le caractère complet de votre réponse.

 

J'ai deux réflexions. Tout d'abord, lors des auditions que nous avons eues par rapport à la proposition de loi de M. Klaps sur les assurances, j'ai été interpellée par les différents messages concernant la surcharge administrative.  Le fait de cadenasser parfois, ce qui n'est pas le rôle objectif et complet de la protection du consommateur, occasionne une surcharge administrative.

 

Ensuite, je suis aussi en contact avec le secteur qui m'a fait passer le même message: protection du consommateur, certes, je vous rejoins, monsieur le ministre, mais surcharge administrative, soyons attentifs!

 

Je me réjouis de voir ce dossier aboutir au Parlement avant ou après les vacances. Ce dossier avance; il est au Conseil d'État pour le moment.

 

Je voudrais qu'il y ait un équilibre entre la protection du consommateur que je défends complètement – vous avez tout à fait raison, et je pense qu'il n'y a pas un parlementaire ici qui ne sera pas d'accord avec la protection du consommateur – et la surcharge administrative qui m'importe aussi. Lorsqu'on a un contact dans le secteur des assurances – je mets le secteur bancaire de côté car il y a là un enjeu financier différent – une confiance s'instaure entre la personne qui souscrit les assurances et le consommateur. Parfois, le consommateur signe les documents qu'on lui soumet sans prendre connaissance des détails. Dès lors, il faut vraiment être attentif à cette surcharge administrative et avoir un compromis entre elle et la protection du consommateur.

 

Nous en reparlerons dans un délai assez rapide. Je vous remercie pour le travail qui a déjà été effectué.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Maya Detiège aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de consumentenprijzen voor voedingswaren" (nr. 24390)

- mevrouw Rita Gantois aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de hogere prijzen voor merkproducten in supermarkten" (nr. 24392)

- mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de prijzen in de supermarkten" (nr. 24404)

05 Questions jointes de

- Mme Maya Detiège au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les prix à la consommation des produits alimentaires" (n° 24390

- Mme Rita Gantois au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les prix plus élevés des produits de marque dans les grandes surfaces" (n° 24392)

- Mme Kattrin Jadin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le prix des biens en supermarché" (n° 24404)

 

Alleen mevrouw Gantois is aanwezig voor het stellen van haar vraag.

 

05.01  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wie in een Belgische supermarkt gaat winkelen, betaalt gemiddeld 13,4 % meer dan in Duitsland, 12,9 % meer dan in Nederland en 9,1 % meer dan in Frankrijk. De verschillen in prijsniveau nemen toe, vergeleken bij een onderzoek van vijf jaar geleden. Dit blijkt uit een onderzoek van het Prijzenobservatorium, dat het prijsniveau van 64 000 identieke merkproducten uit de verschillende landen analyseerde.

 

De oorzaak zou liggen bij hogere taksen en het feit dat een klein land als het onze minder kan genieten van schaalvoordelen en dus van lagere inkoopprijzen, en meer operationele kosten heeft. Ook de positionering van onze supermarkten zelf werkt de hogere prijzen in de hand. Marktleider Colruyt bijvoorbeeld is een prijsvolger, maar zal zelf geen initiatieven nemen om prijzen te verlagen. En geen enkele grote, nationale supermarktketen zet in op een lage prijs voor merkproducten. Daarentegen is dit wel het geval voor verse groenten en fruit, die niet in deze analyse zijn opgenomen. Volgens de cijfers van Eurostat zijn deze gemiddeld goedkoper bij ons dan in de buurlanden.

 

Mijnheer de minister, u hebt gezegd dat u de belangrijkste supermarktketens in ons land wilt uitnodigen voor een discussie over de prijsverschillen met onze buurlanden en dat u wilt aandringen op een prijsdaling.

 

Mijn vraag dateert al van 14 maart. Ik weet niet of u intussen al een plan hebt en of er reeds een initiatief werd genomen. Hoe zult u uw voornemen bewerkstelligen?

 

05.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega's, collega Gantois, op 15 maart heb ik in antwoord op een vraag van collega Smaers in plenaire vergadering al een aantal elementen gegeven.

 

Uit het jaarverslag 2017 van het Prijzenobservatorium blijkt inderdaad dat prijzen voor identieke producten van de A-merken in België hoger lagen dan in de buurlanden. Prijzen voor identieke producten, vooral van de A-merken, lagen in België 13 % hoger dan in Duitsland, 13 % hoger dan in Nederland en 9 % hoger dan in Frankrijk. Het prijsverschil blijkt nog te zijn opgelopen ten opzichte van de laatste studie in 2013.

 

Een belangrijke, voorafgaande opmerking daarbij is dat er in de prijzenvergelijking geen rekening werd gehouden met de verse producten en er slechts beperkt rekening werd gehouden met de huismerken.

 

Het Prijzenobservatorium ziet vooral de volgende factoren als oorzaak voor de prijsverschillen met de belangrijkste buurlanden. Ik som ze even op.

 

Een eerste factor zijn de minder gunstige aankoopprijzen en aankoopvoorwaarden, onder meer door de relatief kleine omvang van ons land. Ook territoriale leveringsbeperkingen, die een handelaar belemmeren om goederen af te nemen in een land van zijn keuze, zouden voor verschillen in groothandelsprijzen tussen landen zorgen.

 

Een tweede factor zijn de btw en andere belastingen, bijvoorbeeld het hogere accijnsniveau voor sterke dranken in België.

 

Een derde factor zijn de hogere loonkosten in België, die echter worden gecompenseerd door een hogere productiviteit per werknemer. De loonkosten zijn de afgelopen jaren gunstig geëvolueerd dankzij de combinatie van de indexsprong, de matige loonakkoorden, de nieuwe wet van 1996 en uiteraard ook de taxshift.

 

Een vierde factor is de ondernemingsstrategie. In België is een van de belangrijkste en efficiëntste distributieketens een prijsvolger, waardoor de strategie van een aantal andere spelers erin bestaat om zich te onderscheiden door dienstverlening en kwaliteit in plaats van lagere prijzen. Door de fusie van Delhaize met Ahold vond er recent wel een grote verandering plaats op de Belgische retailmarkt. Daaruit zouden schaalvoordelen kunnen volgen, wat kan leiden tot meer inkoopmacht en betere aankoopvoorwaarden, wat op zijn beurt kan zorgen voor lagere prijzen voor de consument. Hoewel de operationele rentabiliteit in de Belgische detailhandel voor voedingsproducten sinds 2012 in dalende lijn gaat, ligt de marge gemiddeld hoger dan in Frankrijk en in Duitsland, maar lager dan in Nederland.

 

Een laatste element dat het observatorium — voor alle duidelijkheid zelf — aanhaalt, is de reglementering: uit cijfers van de OESO blijkt dat de retailsector in België sterker gereglementeerd is dan in de buurlanden.

 

Teneinde de concurrentie in de distributiesector te stimuleren en bijgevolg ook de prijzen voor de consumenten te verlagen, heb ik zelf de volgende acties ondernomen.

 

Ten eerste, territoriale leveringsbeperkingen en de kleine omvang van ons land maken dat onze supermarkten minder goede aankoopprijzen kunnen onderhandelen. Op het niveau van de Benelux werd een onderzoek gevoerd naar territoriale leveringsbeperkingen en ik heb de conclusies van dat onderzoek overhandigd aan de Europese Commissie met de vraag om op dat vlak de nodige maatregelen te nemen. Territoriale leveringsbeperkingen zijn een grensoverschrijdend probleem dat bij voorkeur op Europees niveau moet worden aangepakt.

 

De tweede actie die ik heb ondernomen is de volgende. In 2012 maakte de Belgische Mededingingsautoriteit een studie over de marktwerking van de reglementering van toepassing op de distributiesector. Naar aanleiding van het rapport van het Prijzenobservatorium heb ik de Belgische Mededingingsautoriteit gevraagd om haar onderzoek van 2012 naar de marktwerking van die sector te actualiseren en concrete aanbevelingen te formuleren voor 1 juli van dit jaar. Op basis van deze aanbevelingen kan worden bekeken of er aanpassingen van de reglementering dienen te gebeuren. Dat is de tweede actie die ik heb ondernomen.

 

Ik kom tot de derde actie waar u expliciet naar gevraagd hebt. Ik heb de grootste warenhuisketens binnen de distributiesector uitgenodigd voor een overleg over de vaststellingen van het Prijzenobservatorium en om samen te bekijken welke maatregelen er genomen kunnen worden om de prijsverschillen met de buurlanden weg te werken. Tijdens het overleg met de vertegenwoordigers van de warenhuisketens op 16 april heeft het Prijzenobservatorium zijn vaststellingen toegelicht. Er werd overeengekomen om na te gaan of de methodologie van het Prijzenobservatorium verder verfijnd kan worden, onder andere wat betreft de opname van huismerken en verse producten in de prijsvergelijking. Ik heb de warenhuisketens ook gevraagd om mij concrete voorstellen over te maken ter versterking van de concurrentie.

 

Het lijkt mij ook interessant om op basis van alle input een meer algemene visie te ontwikkelen over de toekomst van onze distributiesector, zowel wat de concurrentiekracht als de arbeidsreglementering betreft, om de discussie over de jobverliezen bij bepaalde bedrijven niet te noemen.

 

Ik geef ook het antwoord op de vraag van mevrouw Detiège, hoewel zij niet aanwezig is. Wat de zogenaamde single servings betreft, kan ik meedelen dat het niet voorzien was dat dit aan bod zou komen in de discussie over de voedselprijzen, aangezien hiervan geen melding wordt gemaakt in het jaarverslag van het Prijzenobservatorium. Ik heb dat niettemin kort even aangekaart.

 

Ik begrijp dat kleinere verpakkingen interessanter kunnen zijn om voedselverspilling tegen te gaan. Dit kan echter ook betekenen dat er meer afval ontstaat wanneer kleinere porties apart worden verpakt, wat natuurlijk een negatieve impact heeft op ons milieu. Vanuit economisch oogpunt is het ook logisch dat voedings- of drankproducten verpakt in kleinere porties relatief duurder zijn dan grotere porties, aangezien de vaste kosten verbonden aan het product vaak dezelfde zijn.

 

Het lijkt mij uiteraard niet wenselijk dat daar extra winsten op gegenereerd worden ten koste van alleenstaanden, die vaak een kleiner budget hebben. Ik meen dat wij het daar allemaal over eens zijn.

 

Mevrouw Jadin, die evenmin aanwezig is, had een specifieke vraag ingediend over het verlies aan btw-inkomsten. Het komt mijn collega, de minister van Financiën, toe om daar verder tekst en uitleg over te geven.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, bedankt voor uw uitgebreid antwoord.

 

05.03  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de minister, ik denk dat wij inderdaad de antwoorden en resultaten moeten afwachten van de onderzoeken en vragen van u aan de sector en aan de Mededingingsautoriteit. Toch meen ik dat wij dat in de gaten moeten houden, want het gaat ook over de bescherming van onze eigen handel.

 

Ik zal vroeg of laat zeker terugkoppelen en vragen naar de antwoorden op gestelde vragen en naar de resultaten van onderzoeken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Leen Dierick aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de correcte weging van runderen in de slachtlijn" (nr. 24524)

- de heer Jean-Marc Delizée aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de bedrijfsstructuur van Veviba" (nr. 24609)

- mevrouw Muriel Gerkens aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "Veviba en Verbist" (nr. 24623)

- de heer Jean-Marc Delizée aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de maatregelen naar aanleiding van het Vevibaschandaal" (nr. 24693)

- mevrouw Muriel Gerkens aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de bedrijven van het vleesconcern Euro Meat Group" (nr. 25048)

06 Questions jointes de

- Mme Leen Dierick au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la pesée correcte des bovins dans la ligne d'abattage" (n° 24524)

- M. Jean-Marc Delizée au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la structure de l'entreprise Veviba" (n° 24609)

- Mme Muriel Gerkens au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les entreprises Veviba et Verbist" (n° 24623)

- M. Jean-Marc Delizée au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les suites du scandale Veviba" (n° 24693)

- Mme Muriel Gerkens au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les entreprises d'Euro Meat Group dans le secteur de la viande" (n° 25048)

 

06.01  Leen Dierick (CD&V): Mijnheer de minister, mijn vraag dateert nog van de periode van de vleesfraude bij Veviba. Naar aanleiding van de vleesfraude bij Veviba hebben de Boerenbond en andere landbouworganisaties binnen het Agrofront een maatregelenpakket uitgewerkt om de rundveebedrijven te ondersteunen.

 

Het Agrofront wil dat er initiatieven worden genomen door de overheid en door de sector om het vertrouwen van de consument en de producent te herstellen. Er zijn volgens het Agrofront structurele maatregelen nodig in de slachthuizen en de vleesverwerkende bedrijven om de transparantie te verhogen en de mazen van het net te dichten.

 

Gelet op het belang van een correcte weging van slachtvee en karkassen in de slachtlijn dringen zij aan op bijkomende maatregelen van de FOD Economie. De controles op de ijking van de weegtoestellen in slachthuizen worden uitgevoerd door de FOD Economie. De FOD Economie zorgt ervoor dat de metingen correct uitgevoerd worden.

 

Naar aanleiding van het maatregelpakket dat  het Agrofront voorstelt heb ik een aantal vragen, mijnheer de minister.

 

Het Agrofront stelt voor om de frequentie van de ijking van weegtoestellen op te drijven. Rekening houdend met de economische waarde van slachtvee kan een kleine afwijking in de meetnauwkeurigheid de oorzaak zijn van economische schade. Wat vindt u van dit voorstel? Zult u extra initiatieven nemen?

 

Het opdrijven van de controles zal meer tijd vergen van de inspectie.  Het Agrofront stelt voor om de controle op de werking van meettoestellen uit te besteden aan een derde, onafhankelijk gecertificeerde controle-instantie. Wat is uw visie hierop? Is het een goede maatregel om dit uit te besteden aan een onafhankelijke instantie?

 

Ik heb dan ook nog een vraag naar cijfers, maar dat antwoord mag ook schriftelijk. Hebt u een zicht op het aantal controles op de ijking van weegtoestellen in de slachthuizen in de laatste vijf jaar? Hoeveel inbreuken werden de laatste vijf jaar vastgesteld?

 

06.02  Muriel Gerkens (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je ne poserai qu'une seule de mes deux questions, dans la mesure où leur contenu est identique, même si elles concernent Verbist et Veviba, d'une part, et Euro Meat Group, de l'autre.

 

Les enquêtes menées et les réunions de commissions jointes nous ont montré qu'outre les difficultés présentes à l'AFSCA, nous sommes face à des acteurs économiques dont certains occupent de plus en plus une position monopolistique dans le secteur ainsi qu'à des entreprises structurées en maison-mère et filiales, en Belgique et à l'étranger. Ces structures et les liens existant entre les unités de ces entreprises leur permettent de recourir, légalement ou d'une manière posant question, à des formes de contrats avec du personnel déplacé, mis à disposition, intérimaire, etc.

 

Monsieur le ministre, je vous ai aussi interrogé en commission des Affaires sociales pour tout ce qui a trait à l'Inspection sociale, mais ma question d'aujourd'hui concerne la structure de ces entreprises et leurs rapports contractuels, de façon à vérifier si elles respectent les législations sociales.

 

Dès lors, comment s'organisent les liens entre Verbist et Veviba? Comment se structurent les entités d'Euro Meat Group? Quelle est la nature des rapports entre les maisons-mères et leurs filiales – et entre celles-ci en tant que telles – en Belgique et à l'étranger? Des sociétés intérimaires travaillent-elles dans ces constellations d'entreprises? En trouve-t-on dans les pays qui envoient chez nous des travailleurs détachés?

 

06.03  Jean-Marc Delizée (PS): Monsieur le ministre, mes deux questions ont trait aux mêmes objets et recoupent les interventions de mes deux collègues. La plus ancienne a été introduite au mois de mars. Nous nous sommes réunis à trois reprises à ce sujet avec la commission de la Santé publique. Puis, monsieur le ministre, vous avez aussi répondu à des questions en commission des Affaires sociales. Nous abordons ici davantage le volet économique.

 

Une question plus ancienne concernait le groupe Verbist. Ce groupe était sous le feu de l'actualité à l'époque et nous nous sommes rendu compte qu'il concentrait 30 % des abattages en Belgique, qu'il réalisait un chiffre d'affaires de 200 millions d'euros, qu'il était un des plus gros abattoirs de Wallonie, avec près de 300 travailleurs et 3 000 éleveurs wallons qui collaboraient directement avec lui. Nous nous sommes donc rendu compte de la concentration économique qui est une partie du problème évoqué ici.

 

Ensuite, nous avons également constaté que beaucoup d'éleveurs se plaignaient du fait que, dans ce secteur de la transformation, il y avait beaucoup d'opacité, que l'opacité était vraiment un élément qui revenait souvent, à la fois dans les retours du terrain (éleveurs et organisations représentatives). Nombre d'acteurs se plaignaient aussi du rendement carcasse, notamment évoqué dans ce débat, qui n'est autre qu'un vol organisé par rapport aux producteurs.

 

Monsieur le ministre, sur cet aspect, mes questions rejoignent celles de mes collègues. Quelle est la structure de l'entreprise? L'autorité de concurrence est-elle intervenue au fil du temps par rapport à ces phénomènes de concentration? Y a-t-il eu des signaux donnés à ce niveau-là ou non? Y a-t-il eu des notifications de concentration, des plaintes pour concurrence déloyale? Le cas échéant, comment ont-elles été traitées? Des infractions économiques ont-elles été constatées par le SPF Économie?

 

C'était ma première question. La deuxième rejoint ce qui a été dit, notamment par Mme Dierick, sur l'Agrofront, qui souhaite véritablement voir se rétablir une confiance entre les producteurs et les transformateurs. Tout ce scandale, toute cette affaire, a vraiment mis en lumière ce manque de confiance. Il s'agit d'une série de mauvaises pratiques, peut-être pas généralisées, mais qui ont en tout cas clairement fait débat.

 

Le syndicat des producteurs revendique que des mesures soient prises pour garantir une pesée correcte des carcasses dans les abattoirs et qu'il y ait davantage de contrôles, des contrôles inopinés, pour qu'on puisse vraiment s'assurer que les choses se fassent de manière correcte. C'est réellement la transparence qu'il faut organiser, également dans la répartition des marges au sein des différents maillons de la chaîne.

 

Il a été question d'une étude du SPF Économie à finaliser sur ces fameuses marges dans la filière de la viande bovine. Pour la Febev, cette étude représenterait une base cruciale pour accélérer le débat sur un prix honnête pour une nourriture honnête.

 

Quelles initiatives avez-vous prises ou êtes-vous en train de prendre? Comment rétablir la confiance entre éleveurs et transformateurs? Comment réagissez-vous aux fraudes économiques dans le secteur de la transformation? Comptez-vous augmenter les contrôles? Prévoyez-vous des actions pour mieux contrôler les systèmes de pesée? Avez-vous observé une diminution de la consommation de viande, une diminution des exportations ou un impact sur les prix? Quand l'étude en question sera-t-elle publiée?

 

Monsieur le ministre, deux mois plus tard, c'est peut-être l'occasion de faire le point sur les mesures prises ou que vous comptez prendre pour rétablir la confiance dans ce secteur.

 

06.04 Minister Kris Peeters: Er zijn heel wat vragen gesteld, die ik hopelijk allemaal kan beantwoorden.

 

In het algemeen, het spreekt vanzelf dat ik samen met u het schandaal ten zeerste betreur. Het ligt al een tijdje achter ons, maar het was een spijtige zaak. Ik verwacht van de betrokken partijen dat zij gepaste acties ondernemen om het vertrouwen in het systeem te herstellen.

 

Ik kan u alvast meedelen dat mijn diensten hun werkwijze regelmatig ter discussie stellen, inspelen op bezorgdheden van hun stakeholders en maatregelen nemen om beter te werken. De betreffende kwestie wordt in die oefeningen ook meegenomen.

 

Verschillende vragen zijn gesteld over de nauwkeurigheid van de meetinstrumenten. De agrosector heeft al enige tijd geleden te kennen gegeven dat hij weinig vertrouwen heeft in de weging van karkassen door de slachthuizen. In 2015, 2016 en 2017 werden er daarom gerichte controlecampagnes in slachthuizen georganiseerd door de metrologische dienst. Bij in totaal 859 controles van weeginstrumenten in de slachthuizen en uitsnijderijen werden 19 instrumenten afgekeurd vanwege te grote meetfouten of ernstige technische mankementen. Voor 69 weeginstrumenten werd een waarschuwing opgesteld vanwege kleine technische mankementen, te laat uitgevoerde herijk of onleesbare of ontbrekende conformiteitsmerken. Het aantal controles zal nog worden verhoogd.

 

Die controlecampagnes staan los van de wettelijk verplichte vierjaarlijkse herijk van de weeginstrumenten, zowel voor de automatische als voor de niet-automatische weeginstrumenten. Mijn administratie onderzoekt of het wenselijk is om die termijn in te korten tot twee jaar.

 

Ik wijs erop dat de herijk in de slachthuizen nu al niet meer uitgevoerd wordt door de FOD Economie, maar door daartoe erkende geaccrediteerde private keuringsinstellingen. De gevraagde controle door een onafhankelijke derde bestaat dus al.

 

Wat de economische overtreding door Veviba betreft, de weeginstrumenten bij Veviba zijn doorgaans in orde. In het kader van de bevoegdheden van de FOD Economie werden er in 2017 bij Veviba 15 weeginstrumenten gecontroleerd, waarvan er één niet in orde was.

 

De meetfout lag buiten de toegelaten toleranties. De fout was te wijten aan normale drift en niet aan manipulatie of fraude. Het toestel werd uiteraard wel afgekeurd.

 

Pour les détails de la structure de Veviba, du groupe Verbist et de Euro Meat Group, je vous renvoie à la fonction de recherche publique Public Search sur le site web de la BCE. Sur ce site web, toutes les informations concernant les unités d'établissement, les administrateurs, les liens vers les comptes annuels et les publications au Moniteur belge sont disponibles pour tout le monde.

 

Je peux aussi confirmer qu'il y a des entreprises étrangères qui détachent des employés vers des sièges d'exploitation belges des entreprises Verbist et Veviba. Pour l'instant, je ne peux vous donner plus de détails puisqu'ils font partie du secret de l'instruction.

 

Er is een gerechtelijk onderzoek aan de gang, waarvan wij de resultaten nog niet hebben. Ik heb daarover, gezien het geheim van het onderzoek, ook geen nadere informatie gekregen.

 

Voorts is er mij geen enkel onderzoek van de Belgische Mededingingsautoriteit bekend. Haar onderzoeken zijn trouwens strikt vertrouwelijk, teneinde hun effectiviteit ten volle te bewaken.

 

De overname van het etablissement Adriaens nv door Verbist Wallonie nv werd op 13 februari 2017 na een eenvoudige procedure door het auditoraat goedgekeurd.

 

En ce qui concerne l'impact sur les ventes, l'exportation et les prix, mes services ne disposent pas de statistiques officielles sur les ventes de produits de viande qui permettent de voir l'évolution hebdomadaire ou même mensuelle.

 

Er is echter een structurele trend van dalende vleesconsumptie. De hoeveelheid vlees die thuis wordt verbruikt, is gedaald van 18 kilo per persoon in 2016 tot 17,5 kilo in 2017. Specifiek voor rundvlees gaat het hier over 4,9 kilo in 2016 naar 4,4 kilo in 2017. De recentste cijfers van VLAM bevestigen die trend. Het is mogelijk dat het Vevibaschandaal de trend enigszins zal versterken.

 

Over de evolutie van de export kan ik u nog geen cijfers geven. De maandelijkse statistieken over buitenlandse handel zijn pas na drie maanden beschikbaar.

 

Consumentenprijzenobservaties op de commerciële locaties van sommige detailhandelsbedrijven tonen aan dat de prijzen van de belangrijkste stukken rundvlees tussen 6 en 20 maart stabiel bleven. De prijzen die aan veehouders zijn betaald, zijn tot nu toe ook erg stabiel gebleven.

 

En ce qui concerne les marges dans la chaîne de la viande bovine, l'étude sur l'écart entre le prix payé par le consommateur et le prix payé au producteur, qui touche aux prix, coûts et marges dans le secteur, sera présentée dans les semaines à venir à la concertation de la filière agro-alimentaire et en présence de tous les maillons de la chaîne.

 

De studie zal in de loop van de volgende weken gepresenteerd worden tijdens het overleg met de agrovoedingsindustrie, in aanwezigheid van alle schakels in de keten. Ik zal deze studie ook aan het commissiesecretariaat bezorgen zodat alle leden er over kunnen beschikken.

 

06.05  Leen Dierick (CD&V): Mijnheer de minister, dank u voor uw uitgebreide toelichting.

 

Ik ben blij dat u nogmaals onderstreept hebt dat het belangrijk is dat er maatregelen worden genomen om het vertrouwen te herstellen.

 

Uit de cijfers die u gaf, blijkt dat het wantrouwen van het Agrofront inzake de correcte weging van runderen zeker niet ongegrond was. Ik ben tevreden dat er tegemoetgekomen wordt aan hun vraag de wegingen en metingen te doen uitvoeren door een externe controleur.

 

Ik ben ook tevreden omdat u gezegd hebt dat de controles nog zullen worden opgedreven.

 

06.06  Muriel Gerkens (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je sais que l'on peut trouver des éléments sur le site de la BCE, mais je m'attendais à des réponses tendant à me démontrer que vous vous étiez interrogé sur les liens entre les différentes structures de ces groupes qui sont non seulement monopolistiques, mais qui utilisent aussi des structures établies à l'étranger avec des statuts particuliers.

 

Si on ne dispose pas d'éléments probants permettant de mettre en évidence, par exemple, qu'une entreprise crée à l'étranger une société dont le but est uniquement de permettre le déplacement ou la mise à disposition de travailleurs, cela constitue une faiblesse dans le cadre des recherches quant au respect ou non de l'Inspection sociale, du paiement des cotisations sociales et du traitement des travailleurs.

 

Vous m'avez dit qu'il y avait bien des entreprises à l'étranger qui détachent vers Verbist, mais ces entreprises font-elles partie du groupe ou s'agit-il d'entreprises sans lien avec lui?

 

Vous avez également dit que vous ne pouviez pas me donner certaines informations en raison de l'enquête judiciaire en cours. Cette enquête judiciaire porte-t-elle sur les sociétés intérimaires ou sur les sociétés en lien avec les travailleurs détachés vers les unités belges des entreprises?

 

06.07  Jean-Marc Delizée (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse comprenant un certain nombre de chiffres, réponse que je ne manquerai pas de relire attentivement.

 

Cela dit, j'ai le sentiment que des éléments doivent encore être creusés ou recherchés. Bien entendu, nous suivrons l'affaire judiciaire en cours et nous verrons ce qu'il en ressort.

 

En tout cas, nous devons faire preuve d'une plus grande vigilance. Vous avez parlé d'une augmentation des contrôles. Je ne sais pas si le secteur des éleveurs est totalement rassuré par ce type de réponse.

 

Quoi qu'il en soit, la volonté doit être de garantir la transparence. Cela vaut pour les questions de détachement, de travail intérimaire, de transparence dans les contrats, de respect du droit du travail, etc.

 

Enfin, nous attendons cette étude que nous examinerons avec la plus grande attention.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag nr. 24732 van mevrouw Smaers wordt omgezet in een schriftelijke vraag. De samengevoegde vragen nrs. 4798 en 25438 van de heer Crusnière worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

07 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de blijvende onduidelijkheid met betrekking tot de verzekeringsplicht bij elektrische fietsen" (nr. 24805)

07 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les incertitudes persistantes quant à l'obligation d'assurance des vélos électriques" (n° 24805)

 

07.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u zegt vaak dat ik wel zal terugkomen met een opvolgingsvraag als ik de informatie niet krijg. Wel, hier ben ik dan.

 

Ik heb het reeds vaker gehad over de nog steeds bestaande rechtsonzekerheid bij allerlei voortbewegingtoestellen, de zogenaamde speed pedelecs. Deze rechtsonzekerheid kan grote gevolgen hebben bij ongevallen. Er blijft ook onduidelijkheid bestaan over dat ondertussen beruchte garageknopje. Wij hebben het daarover reeds verschillende keren gehad.

 

Er blijft blijkbaar ook verwarring bestaan over de concepten stap-, trap- en startondersteuning. Deze verwarring kan echt wel voor grote problemen zorgen, want het zijn de juiste definities die bepalen welke soort verzekering nodig is. Een verkeersdeelnemer die niet correct verzekerd is, kan ervoor opdraaien.

 

Er gaat dus echt wel een eenduidige communicatie moeten komen om te vermijden dat bij een ongeval ellenlange juridische procedures volgen. Er zijn immers steeds meer van dergelijke fietsen en aanverwanten op de baan en spijtig genoeg gebeuren daarmee ook ongelukken.

 

U zei in het verleden reeds dat u tegen eind 2017 met de nodige verheldering zou komen. Bij mijn weten is die deadline gepasseerd, zelfs reeds met enkele maanden.

 

Mijn vraag is dus klaar en duidelijk. Hoe zit het nu?

 

07.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega Klaps, ik zal ook klaar en duidelijk antwoorden. Deze week, op donderdag, zal er een interkabinettenwerkgroep plaatsvinden over het koninklijk besluit dat de verzekeringsplicht voor elektrische fietsen regelt, met de bedoeling om het dossier een van komende weken te agenderen op de Ministerraad. Ik ben ervan overtuigd dat dit koninklijk besluit de nodige duidelijkheid zal scheppen.

 

Ik pak dit probleem dus met de nodige dash aan, met de steun van velen en met uw steun in het bijzonder. Ik begrijp immers heel goed dat die onduidelijkheid en rechtsonzekerheid zo snel mogelijk de wereld uit moeten geholpen worden. Er is hard gewerkt aan dat koninklijk besluit, om het in overeenstemming te brengen met de Europese en andere regelgeving. Het einde is in zicht, op positieve wijze, want donderdag vindt er een IKW plaats.

 

07.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik kijk uit naar die teksten. Ik heb er begrip voor dat u nog niet kunt ingaan op de details, vermits de besprekingen nog in een laatste fase zitten. Wij zullen dan wel snel meer daarover weten. Ik ben blij dat een oplossing in zicht is zodat voor mensen die een ongeval hebben met een speed pedelec dit ongeval niet hun persoonlijk Waterloo wordt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de behandeling van de schadedossiers hospitalisatieverzekering" (nr. 24806)

08 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le traitement des dossiers en matière d'assurance hospitalisation" (n° 24806)

 

08.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, klanten sluiten een hospitalisatieverzekering vaak af via hun verzekeringsmakelaar, althans als zij via een verzekeringsmaatschappij gaan en niet via een ziekenfonds.

 

In geval van een opname stuurt de klant de factuur op, al dan niet via de makelaar, naar de verzekeringsmaatschappij, die de factuur regelt, de vergoeding uitbetaalt en de makelaar een bevestiging stuurt van de storting van een bepaald bedrag en van de afhandeling van het dossier, uiteraard zonder daarbij medische details te geven.

 

Dat is de enige mogelijke manier waarop een makelaar op de hoogte kan blijven van een dossier. Het is voor de tussenpersoon belangrijk om zijn meerwaarde te kunnen tonen in de opvolging van schadedossiers. Daarom heeft hij deze informatie nodig om te weten of een dossier vastzit of is geregeld.

 

Ik krijg meerdere signalen dat bepaalde verzekeraars, waarvan de verzekeraar met het grootste marktaandeel DKV is, deze bevestiging niet meer naar de makelaars sturen.

 

Mijn vraag is dan ook of dat een nieuw systeem is, waarbij verzekeringsmakelaars niet meer worden geïnformeerd over de status van een dossier. Geldt dat voor alle verzekeringsmaatschappijen? Zo ja, gebeurt dit op basis van een regelgeving, een bepaalde logica of bepaalde afspraken in de sector?

 

08.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Klaps, in het kader van een aanvullende ziekteverzekering kan de cliënt kiezen om zijn schade rechtstreeks aan te geven bij de betrokken verzekeringsondernemingen of dit te laten doen door zijn verzekeringstussenpersoon. De meerwaarde van de tussenkomst van een tussenpersoon bestaat erin dat hij de cliënten, zeker zij die minder inzicht hebben op het financiële aspect, bijstand kan verlenen bij het nazien of de verzekeringsonderneming een correcte schadevergoeding uitbetaalde, conform de verzekeringsovereenkomst.

 

Naar aanleiding van uw vraag had mijn kabinet contact met de Federatie voor Verzekerings- en Financiële tussenpersonen, de FVF, de beroepsvereniging van de Nederlandstalige verzekeringsmakelaars. De FVF bevestigde inderdaad dat heel wat verzekeringsmakelaars klagen over het feit dat een bepaalde verzekeringsonderneming geen informatie meer verstrekt over de schadeafwikkeling, waardoor zij hun cliënten moeilijker bijstand kunnen verlenen.

 

Daarbij zou deze verzekeringsonderneming verklaren dat zij de informatie omwille van privacyredenen niet meer kan verstrekken.

 

Overeenkomstig artikel 9 van de GDPR-verordening is de verwerking van gegevens over gezondheid in principe inderdaad verboden. Het verbod geldt echter niet wanneer betrokkene zijn uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meerdere bepaalde doeleinden.

 

Mijn kabinet nam eveneens contact op met Assuralia, om het standpunt van de verzekeraars te kennen. De organisatie verstrekte mij de hiernavolgende informatie.

 

Bij de afhandeling van schadedossiers in hospitalisatieverzekeringen stuurt de verzekeraar altijd een eindafrekening naar de verzekerde. Op deze eindafrekening staan medische gegevens. De medische gegevens zijn gevoelige persoonsgegevens. De verzekeraar mag ze bijgevolg niet aan derden bezorgen. Bedoelde eindafrekening noch een kopie ervan mag derhalve aan de verzekeringsmakelaar worden overgemaakt. Alleen de patiënt/verzekerde kan daarover beslissen. Indien een verzekeringsmakelaar de eindafrekening met de medische gegevens wenst te ontvangen, moet hij zich tot zijn cliënt, zijnde de verzekerde patiënt, wenden. Alleen de verzekerde patiënt kan beslissen of hij zijn medische gegevens aan zijn verzekeringsmakelaar wil bezorgen of bekendmaken. De verzekeringsmakelaar of -makelaars zijn normaliter op de hoogte van de wetgeving betreffende de persoonlijke levenssfeer, meer bepaald van de regels die het doorspelen van gevoelige medische gegevens beheersen.

 

De overige informatie met betrekking tot het schadedossier wordt tussen verzekeraar en makelaar uitgewisseld op de manier waarop en volgens de modaliteiten die daarvoor tussen de betrokken verzekeraar en de verzekeringstussenpersoon gelden. Bij sommige verzekeraars gebeurt dat digitaal, soms via een specifiek portaal.

 

Ik kan u meegeven dat bepaalde lidstaten een specifieke regeling hebben uitgewerkt voor de gegevensverwerking in het kader van het beheer van verzekeringsovereenkomsten en van de rol van de tussenpersonen. De Nederlandse wetgeving bepaalt bijvoorbeeld reeds uitdrukkelijk dat het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken, niet van toepassing is indien de verwerking geschiedt door verzekeraars of financiële dienstverleners die in verzekeringen bemiddelen, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst dan wel voor het assisteren bij het beheer en de uitvoering van de verzekering.

 

Een dergelijke specifieke uitzondering is op heden niet opgenomen in de Belgische privacywetgeving. De privacywetgeving behoort, zoals u weet, tot de bevoegdheden van de staatssecretaris voor Bestrijding van de sociale fraude, Privacy en Noordzee, Philippe De Backer.

 

Naar aanleiding van uw vraag heb ik hem een brief verstuurd met de vraag om zijn standpunt te krijgen over het invoeren van een specifieke regeling in de privacywetgeving wat betreft de gegevensverwerking in het kader van het beheer van de verzekeringsovereenkomsten inclusief de rol van de tussenpersoon. Hierop mocht ik echter nog geen antwoord ontvangen. Mocht u daarin geïnteresseerd zijn, kan ik u de brief bezorgen via het secretariaat. Ik kijk alvast uit naar het antwoord.

 

08.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, de problematiek is blijkbaar dus wel reëel. De GDPR-verordening valt inderdaad onder de bevoegdheid van staatssecretaris De Backer, maar ik vrees dat wij nog een aantal dergelijke vragen zullen krijgen uit verschillende sectoren. Het is absoluut nuttig dat de tussenpersonen de informatie blijven krijgen, maar uw antwoord roept toch een aantal vragen op, die ik echter aan staatssecretaris De Backer zal stellen.

 

Als een verzekeringsmaatschappij echter haar werkwijze verandert, zou zij misschien toch de tussenpersonen beter moeten inlichten en ook een middel tot oplossing aanreiken. Als de cliënt bijvoorbeeld een formulier moet ondertekenen om de informatie te blijven krijgen, dan moet men ook voorzien in zo'n formulier. Zo vermijdt men dat iedereen documenten gaat bricoleren. De toestemming moet uitdrukkelijk worden gegeven, maar het zou best worden gestandaardiseerd hoe dat moet gebeuren.

 

Ik zal mijn vragen stellen aan staatssecretaris De Backer.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Nele Lijnen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de eerlijke prijsvorming van land- en tuinbouwproducten voor de producenten en de rol van de veilingen" (nr. 24889)

- mevrouw Rita Gantois aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de uitspraken over wanpraktijken bij veilingen" (nr. 24894)

09 Questions jointes de

- Mme Nele Lijnen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la fixation d'un prix équitable pour les producteurs de produits agricoles et horticoles et le rôle des criées" (n° 24889)

- Mme Rita Gantois au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les déclarations concernant les pratiques frauduleuses lors des criées" (n° 24894)

 

09.01  Nele Lijnen (Open Vld): Mijnheer de minister, de reportage over de prijsvorming van land- en tuinbouwproducten van het Eén-programma Pano van woensdag 11 april, intussen al meer dan een maand geleden, heeft toch voor wat ophef gezorgd.

 

Een belangrijke rol in het verhaal van de afzet van land- en tuinbouwproducten is weggelegd voor de veilingen. Die producentenorganisaties zijn bedoeld om de positie van de producenten te verstevigen in een markt die alsmaar verder globaliseert. Dat is een nobel streven, maar tegelijk horen we vanuit de sector dat de concrete regelingen dermate stringent zijn dat producenten te weinig manoeuvreerruimte krijgen om te zoeken naar afzetkanalen die hun een hogere toegevoegde waarde kunnen opleveren. In dat opzicht is de vraag naar de ontwikkeling van de korte keten legitiem. Die wordt overal aangemoedigd, maar producenten stoten vaak op belemmeringen om hieraan deel te nemen door hun lidmaatschap bij een producentenorganisatie, die hen verplicht om alles aan haar te leveren.

 

Sommige veilingen laten hun leden de mogelijkheid om maximaal een kwart van hun productie via zelfvermarkting te verhandelen, maar daarvoor is uitdrukkelijke toestemming van de veiling vereist. Naar ik verneem worden leden die dergelijke aanvraag overwegen, vaak ten stelligste ontraden om dat te doen. In de reportage van Pano werd zelfs geopperd dat boeren expliciet wordt ontraden om niet te leveren aan de veiling. Sommigen beweren zelfs opeens meer controles te krijgen, als ze weigeren te leveren.

 

Nochtans heeft Europees Landbouwcommissaris Phil Hogan vorig jaar een aantal versoepelingen aan de GMO Groenten en Fruit aangekondigd. Een van die versoepelingen was bedoeld om bij veel niet-leden een bezwaar tegen producentenorganisaties weg te nemen door het maximumpercentage van de productie die buiten de organisatie om mag worden afgezet, voor producentenorganisaties in heel de EU vast te stellen op 25 %.

 

Daarnaast blijken veilingen ook niet altijd begrip te tonen wanneer de prijs van de producenten lager is dan de kostprijs. Terwijl producenten erop aansturen om de levering van hun producten uit te stellen, zouden ze door veilingen gedwongen kunnen worden, omdat ze vasthouden aan de contractueel vastgelegde leveringsdatum.

 

Uit het programma van Pano bleek ook nog dat bij producenten de perceptie leeft dat de Europese middelen die aan producentenorganisaties worden toegekend, niet voor de volle 100 % naar de producenten gaan. Sommigen beweren dat meer dan de helft van de middelen gaat naar personeelskosten en zelfs de investering in gebouwen, waaronder kastelen.

 

Er is zelfs sprake van geldverkwisting door veilingen aan dure leasingwagens of privévakanties onder het mom van studiereizen. Vanuit de veiling zelf sprak Peter Appeltans dat soort beweringen tegen en noemde ze cafépraat. Alle middelen zouden wel degelijk de boeren ten goede komen.

 

Voor de consument blijft het vooral zeer moeilijk te begrijpen waarom boeren zulke lage prijzen krijgen, terwijl de prijs in de winkels vaak hoger ligt dan in onze buurlanden. De kwestie wordt aangekaart bij het ketenoverleg. Ook daar wijst men echter vaak in elkaars richting en blijven pogingen om in kaart te brengen wie met welke winstmarges aan de haal gaat, vaak steken in goede bedoelingen.

 

Europa werkt aan een hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2020. Nu het ten gevolge van de brexit duidelijk is dat de meerjarenbegroting het met minder middelen moet stellen, is het meer dan ooit van cruciaal belang dat alle Europese landbouwsubsidies optimaal worden aangewend om de positie van de producent te versterken.

 

Mijnheer de minister, welke indruk heeft de reportage van Pano over de prijs van voedingsmiddelen voor de producent bij u nagelaten?

 

Hebt u indicaties dat de beschuldigingen aan het adres van de veilingen als zouden zij Europese subsidies besteden aan personeelskosten, aankoop van gebouwen en zelfs onheuse bestedingen als dure leasingwagens of privéreizen onder het mom van dienstreizen kloppen? Zal dat onderzocht worden?

 

Wordt er vanuit de FOD Economie ook toegezien op een volledig transparante besteding van de middelen door de veilingen? Is hier bijsturing nodig?

 

Zult u laten onderzoeken welk aandeel van de winstmarge van de handel in voedsel dat in België geproduceerd wordt, elke actor van de voedselketen ontvangt?

 

Zult u er bij de producentenorganisaties op aandringen om hun reglementen te versoepelen en aan te passen aan de nieuwe commerciële realiteit waarbij producten worden aangemoedigd om te zoeken naar afzetmogelijkheden die een hogere toegevoegde waarde opleveren?

 

De cruciale eis van heel wat boeren ten opzichte van de veilingen is dat ze geen producten zouden verkopen onder de kostprijs. Onder welke voorwaarden acht u dat wenselijk en haalbaar?

 

Voorzitter: Johan Klaps.

Président: Johan Klaps.

 

09.02  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de minister, in het reportagemagazine Pano van 10 april kwamen getuigenissen aan bod van zowel ex-medewerkers van veilingshuizen als van landbouwers zelf over hoe Europese subsidies vaak onrechtmatig door veilingen zouden worden aangewend. Die subsidies zijn bedoeld om het lage inkomen van de landbouwers op te vangen, maar ze zouden ook worden gebruikt voor de betaling van personeel en voor privédoeleinden. Zo zouden privéreizen als studiereizen worden ingeschreven en dure auto's worden aangekocht.

 

Bij een bepaalde veiling zou hierdoor zelfs zo'n 150 000 à 200 000 euro op jaarbasis niet bij de landbouwers terechtkomen, en dat terwijl vier landbouwers op tien een inkomen hebben dat onder de armoedegrens ligt.

 

Nochtans werd de veiling opgericht door landbouwcoöperatieven met als doel een correcte prijs te verkrijgen voor groenten en fruit.

 

Jammer genoeg laat een veiling zelfs toe dat kopers lager dan de productieprijs gaan. Onze wet voorziet niet in bescherming van onze landbouwers tegen verkoop met verlies, de veiling dus evenmin. De wet laat ook niet toe dat er bij het ketenoverleg over prijsmarges wordt gesproken.

 

Mijnheer de minister, hoeveel televisiereportages zullen er nog nodig zijn, voor wij actie zullen ondernemen om voor de landbouwers eerlijke handelsprijzen te garanderen? Zij blijven jaar in jaar uit onder de kostprijs werken, met alle financiële en emotionele gevolgen vandien. Nergens anders is de kloof zo groot tussen wat de producent krijgt en wat de consument betaalt. Nergens krijgt een sector zo weinig bescherming om hiertegen op te treden.

 

Mijnheer de minister, zijn er reeds wanpraktijken gemeld of geïdentificeerd door uw diensten? Zo ja, zijn daar gevolgen aan gegeven?

 

In welke mate is er sprake van transparantie over de besteding van de Europese subsidies door de veilinghuizen? Zullen er stappen ondernomen worden om de geldstromen transparanter te maken?

 

Wat zult u ondernemen om voor de landbouwers eerlijker handelspraktijken te garanderen, en op welke termijn?

 

Voorzitter: Jean-Marc Delizée.

Président: Jean-Marc Delizée.

 

09.03 Minister Kris Peeters: Collega Lijnen en collega Gantois, de Panoreportage onderstreept het belang van evenwichtige prijzen in alle schakels van de keten. Als één schakel kwetsbaar is, is dat nadelig voor de hele keten.

 

De veilingen kunnen worden beschouwd als producentenorganisaties in de zin van verordening 2017/891 van de Europese Commissie. In die hoedanigheid kunnen zij Europese steun ontvangen van het Europees Landbouwgarantiefonds. De steun wordt toegekend en beheerd door de Gewesten. Zoals elke Europese steun is die onderworpen aan specifieke voorwaarden inzake de toekenning en wordt de naleving ervan ook onderworpen aan strikte controle via audits.

 

Ik kan u meedelen dat de Economische Inspectie ter zake nog geen meldingen van wanpraktijken gekregen heeft. Het toezicht op de besteding van de subsidies door de veilingen is een regionale bevoegdheid.

 

De FOD Economie realiseert studies over de rentabiliteit van de verschillende schakels van de keten. Die studies worden uitgevoerd per keten en niet voor de gehele sector. Ze zijn op vraag en ter ondersteuning van het ketenoverleg uitgevoerd. Er wordt getracht om de marges in te schatten en de consumptieprijs te ontleden van de verschillende voedingsproducten.

 

De studies die tot nu toe werden gerealiseerd, betreffen melk, rundvlees en varkensvlees. De studies worden regelmatig geactualiseerd. Als de sector hiervoor vragende partij is, ben ik natuurlijk bereid mijn administratie bijkomende studies te laten uitvoeren.

 

Als minister van Economie ondersteun ik ten slotte alle initiatieven die worden genomen om de zogenaamde korte keten uit te bouwen. Ik ben er immers van overtuigd dat de verkoop via de korte keten een belangrijke aanvulling kan vormen op het inkomen van de landbouwers. Ik ben dan ook bereid om overleg te organiseren met de veilingen, indien de sector hiervoor vragende partij is.

 

Tot slot kan ik ook meedelen dat de Europese Commissie tijdens de Europese Landbouwraad van 16 april 2018 een voorstel van richtlijn aan de lidstaten betreffende de oneerlijke handelspraktijken in de business-to-businessrelatie in de voedingbevoorradingsketens heeft voorgelegd. Dat kan een eerste aanzet zijn om de relaties in de keten te verbeteren.

 

Ik volg de bespreking over die richtlijn op. Eens de richtlijn is gepubliceerd, zal ik snel werk maken van de omzetting daarvan.

 

09.04  Nele Lijnen (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het is toch wel frappant dat er geen meldingen van de wanpraktijken zijn. Er werd een hele reportage over gemaakt. Daaruit kan men een aantal conclusies trekken. Men zou kunnen zeggen dat de beweringen bij de haren gegrepen zijn en dat de kastelen en dure leasewagens met andere middelen worden betaald. Men zou ook kunnen zeggen dat men niet de moed heeft om een klacht in te dienen. In dat geval is dat zeer kwalijk. Ik meen dat het de verantwoordelijkheid is van de politieke wereld om daar iets aan te doen.

 

Ten tweede, ik weet niet of wij behoefte hebben aan meer studies. Ik meen dat wij behoefte hebben aan meer actie.

 

Ik heb ook uw antwoord gehoord in verband met de korte keten. U steekt de hand uit naar de sector zelf. Als hij vragende partij is, bent u bereid om overleg te organiseren met de veilingen. Ook wat dat betreft maak ik de link naar mijn allereerste opmerking. De vraag is natuurlijk of de sector het aandurft om die gesprekken op te starten. In dat opzicht lijkt mij een proactieve actie vanuit uw kabinet naar de sector raadzaam.

 

09.05  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de minister, ik sluit mij voor een stuk aan bij de woorden van mevrouw Lijnen. Zij vindt het vreemd dat er geen klachten worden ingediend, nadat de reportage toch een en ander blootlegt.

 

Wij moeten verontwaardigd blijven. Enkel dan kan er een oplossing komen. U verwijst naar de korte keten. Ik steun die korte keten heel erg, maar landbouw is een en-enverhaal. Ook wie niet in die korte keten kan of wil stappen, heeft recht op een leefbaar inkomen.

 

De consument blijkt er ook niet afkerig tegenover te staan dat hij of zij 10 cent meer zou moeten betalen. Coöperaties moeten hun leden steunen. Hoe groter een coöperatie wordt, hoe minder de boer er echter aan heeft.

 

Ik verwijs naar mijn laatste vraag in verband met eerlijke handelspraktijken. Europees Commissaris Phil Hogan heeft zijn ontwerprichtlijn eindelijk voorgesteld. Mijn wetsvoorstel hieromtrent ligt al drie jaar op tafel. Ik reik u nogmaals de hand. Niet alleen Europa maar ook de eigen federale regering moet eindelijk eens kleur bekennen en zorgen dat de richtlijn wordt omgezet in nationale wetgeving.

 

Maak hier werk van! U zult hiervoor in ons een partner vinden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de regelgeving omtrent zonnebankcentra" (nr. 24923)

10 Question de M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la réglementation applicable aux centres de bronzage" (n° 24923)

 

10.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de aanpassing van de regelgeving voor zonnebankcentra staat al een tijd op uw agenda. In november 2017 kondigde u aan dat de aanpassing er zou komen vanaf 2019. Zonnebankcentra zouden vanaf dan over huidmeetapparatuur moeten beschikken om het huidtype van de gebruiker te bepalen. Indien een dergelijk apparaat niet voor handen is, zou de gebruiker zijn of haar huidtype door een dokter moeten laten vaststellen en attesteren.

 

In februari vernamen wij dat Febelsol, de koepelorganisatie voor de zonnebankcentra, naar de Raad van State trekt om die nieuwe maatregel aan te vechten. U zou de regelgeving aanpassen indien nodig.

 

Mijnheer de minister, hebt u zicht op het tijdspad waarbinnen een uitspraak van de Raad van State verwacht mag worden?

 

Welke alternatieven overweegt u om de consument alsnog beter te beschermen indien de regelgeving omtrent de huidmeetapparatuur en het doktersattest geschrapt moeten worden?

 

Acht u de inwerkingtreding in 2019 nog haalbaar?

 

10.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega's, collega Janssen, ik heb al heel wat gedaan in verband met de zonnebankcentra. De huidige stand van zaken is de volgende.

 

Ten eerste, ondertussen heeft de Raad van State zich uitgesproken over het verzoek tot schorsing van het koninklijk besluit van 24 september 2017 dat nieuwe voorwaarden vastlegt voor zonnecentra. In zijn arrest van 27 april besloot de Raad dat er geen gronden waren. Tezelfdertijd was een verzoekschrift tot vernietiging van het besluit ingediend, maar ik kan u niet zeggen wanneer er daarover een uitspraak van de Raad van State verwacht mag worden. De schorsing is in ieder geval al verworpen door de Raad.

 

Ten tweede, het besluit zelf bevat al een mogelijk alternatief. Zonnecentra mogen nog zelf samen met de consument het huidtype bepalen indien zij een toestel voor de bepaling van de huidgevoeligheid aanschaffen en indien de consument voor elke zonnebeurt de gevoeligheid van zijn huid op dat ogenblik laat meten, dus vooraleer de zonnebank wordt geactiveerd. Dat werd trouwens met de sector overeengekomen. Vanwege dat alternatief is de invoering gepland in 2019.

 

De sector heeft gevraagd of het doktersattest door een dergelijk toestel vervangen mag worden, waarop ik ingestemd heb, op voorwaarde dat het toestel in het zonnebankcentrum aanwezig is. De sector meende toch naar de Raad van State te moeten stappen, hoewel ik dus tegemoet ben gekomen aan de vraag om een alternatief te voorzien voor het doktersattest.

 

De schrapping van het doktersattest is vandaag nog niet aan de orde en ik wacht de uitspraak van de Raad van State af. Er is al een alternatief meegenomen.

 

Zoals u weet, is een aantal bepalingen van het besluit over de reclame- en de waarschuwingsboodschap in werking getreden op 1 december 2017. Zoals het besluit voorziet, worden de andere bepalingen van toepassing op 1 januari 2019. Dit is nog steeds de timing.

 

Ik heb u gezegd dat wij 2019 hebben vooropgesteld om de aanschaf van dit toestel mogelijk te maken. Dat is volgens mij een redelijke aanpak.

 

Wij wachten af wat de Raad van State ten gronde zal beslissen.

 

10.03  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw heel duidelijke antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de informatieverplichtingen bij verkoop van tweedehandswagens" (nr. 24926)

11 Question de M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les obligations d'information lors de la vente de voitures d'occasion" (n° 24926)

 

11.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de afgelopen weken was er in Nederland heel wat te doen omtrent de informatie die verkopers van tweedehandswagens verstrekken aan hun kopers. Uit een onderzoek van de Nederlandse Autoriteit Consument en Markt bleek immers dat heel wat verkopers niet in orde zijn. Zo worden prijzen vermeld die niet overeenstemmen met de te betalen som, worden de niet-vermijdbare kosten zoals een noodzakelijke herstelling of keuring niet vermeld of worden er kosten aangerekend voor de wettelijk voorziene garantie.

 

De problematiek speelt vooral op de onlineplatformen waar auto’s verhandeld worden. De Nederlandse Autoriteit Consument en Markt heeft verkopers van tweedehandswagens een aantal aanbevelingen bezorgd die moeten worden uitgevoerd voor half mei.

 

De regelgeving wordt uiteraard voor het grootste deel op Europees niveau bepaald. Denk maar aan de affichering van prijzen aan de consument.

 

Mijn vragen hierover zijn de volgende, mijnheer de minister.

 

Worden er in ons land gerichte controles uitgevoerd naar de informatieverplichtingen van verkopers van tweedehandswagens? Zo ja, komen hieruit soortgelijke problemen naar voren als in het onderzoek van de Nederlandse autoriteiten?

 

Beschikt u over cijfers omtrent het aantal inbreuken en het type inbreuk?

 

Bent u van oordeel dat soortgelijke aanbevelingen omtrent de te volgen Europese regelgeving ook in ons land hun nut kunnen bewijzen?

 

11.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega Janssen, naast individuele onderzoeken naar aanleiding van meldingen verricht de Economische Inspectie op eigen initiatief ook gerichte algemene onderzoeken. Daarbij worden tijdens een bepaalde periode over het gehele land onderzoeken over een bepaald onderwerp of in een specifieke sector gevoerd. Zo heeft er in 2014 een uitgebreid algemeen onderzoek in de sector van de tweedehandsvoertuigen plaatsgevonden, waarbij 781 verkopers werden gecontroleerd op onder meer de prijsaanduiding, de garantie en de inschrijving bij de KBO. Voor deze drie onderwerpen bedroeg het inbreukpercentage respectievelijk 3,7 %, 18 % en 4,1 %. Het onderzoek spitste zich niet specifiek toe op de online advertenties, maar ook op de reguliere baanverkopers en opkopers van wagens.

 

Meer recent, namelijk van oktober 2017 tot eind februari 2018, werd een algemeen onderzoek uitgevoerd, dat sloeg op de informatieverplichting inzake garantie. Een van de doelgroepen was de sector van de tweedehandsvoertuigen. De resultaten van het onderzoek zijn nog niet volledig verwerkt, zodat ik daarover spijtig genoeg nog geen cijfers kan verstrekken.

 

Ik kan u wel een tabel bezorgen met een aantal gegevens over de onderzoeken van de Economische Inspectie bij verkopers van tweedehandswagens, dus zonder het onderzoek inzake garantie. De voorbije vijf jaar werden in totaal 1 251 onderzoeken ingesteld. Zowel garantie als prijsaanduiding zijn in de top vijf van de inbreuken terug te vinden. Ik zal u de tabel dadelijk bezorgen.

 

De Economische Inspectie vaardigt reeds guidelines uit op basis van artikel XV.7 van het Wetboek van economisch recht. Het gaat om documenten die aandachtspunten en richtlijnen bevatten voor de ondernemingen alsook informatie over de manier waarop de wetgeving moet worden geïnterpreteerd. Op de website van de FOD Economie zijn guidelines voor diverse sectoren terug te vinden.

 

Voor de autosector zijn de hiernavolgende richtlijnen beschikbaar. Ten eerste, aanbevelingen inzake aankondigingen van prijsverminderingen in de autosector. Ten tweede, reclame voor consumentenkrediet in de automobielsector. Ten derde, verhuur van voertuigen aan de consument. Ten vierde, verkoop en plaatsing van banden.

 

11.03  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, de cijfers die u aanhaalt, duiden erop dat regelmatig controles worden gedaan. Men kan natuurlijk niet op elk moment controles uitvoeren. Niettemin stel ik een aantal inbreuken vast waarvoor wij toch moeten opletten. Immers, het aankopen van een wagen, ook al is het een tweedehandswagen, is voor vele mensen een hap uit het budget, rekening houdend ook met de benzinekosten, de verzekeringskosten enzovoort.

 

Wij moeten dit dus goed blijven controleren. Wat wij zeker niet willen, is dat mensen zich door bepaalde autohandelaars in de zak gezet voelen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 25039 van de heer Friart wordt omgezet naar een schriftelijke vraag.

Vraag nr. 25072 van mevrouw Dierick wordt omgezet naar een schriftelijke vraag.

 

12 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de gedragsregels voor incassobureaus bij een verworpen nalatenschap" (nr. 25085)

12 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les règles de conduite des bureaux de recouvrement en cas de succession répudiée" (n° 25085)

 

12.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, personen die de activiteit van schuldinvordering in België willen uitoefenen, moeten voorafgaandelijk zijn ingeschreven bij de FOD Economie. Zij dienen zich ook te onthouden van een aantal verboden praktijken, zoals het verbod de schuldenaar te belagen als die uitdrukkelijk en gemotiveerd te kennen heeft gegeven de schuld te betwisten.

 

Voor 6 juli 2017 was het als schuldeiser of schuldinvorderaar die in diens naam optreedt, niet eenvoudig te achterhalen of een nalatenschap werd verworpen. Met de oprichting van het Centraal Erfrechtregister is dat wel het geval. Ik verneem dan ook graag van u wat u onder beste praktijken verstaat in hoofde van een ingeschreven schuldinvorderaar, wanneer die schulden van een overledene moet invorderen.

 

Ten eerste, dient hij voorafgaandelijk na te gaan in het Belgisch Staatsblad of via het Centraal Erfrechtregister of de nalatenschap werd verworpen?

 

Ten tweede, zo niet, dient een herhaalde aanmaning te worden beschouwd als het belagen van een persoon, dit nadat deze na het eerste schrijven een kopie van de akte van verwerping van de nalatenschap of van de mededeling ervan in het Belgisch Staatsblad heeft teruggestuurd?

 

Ten derde, indien een erfgenaam die de nalatenschap heeft verworpen, een klacht wil indienen via meldpunt.belgie.be, wat moet hij dan invullen in antwoord op de vraag waarop de aanmaningsbrief betrekking heeft en waarom hij niet akkoord gaat met de aanmaningsbrief? Zou de vraagstelling in dat geval niet beter kunnen worden aangevuld zodat men duidelijker kan aangeven dat het gaat om een verworpen nalatenschap?

 

Mijnheer de minister, u kunt uit de vraag afleiden dat ze aan een concrete casus is ontsproten. Ik ben benieuwd naar uw antwoord.

 

12.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Klaps, ten eerste bevat de wet van 20 december 2002 geen uitdrukkelijke verplichting voor een invorderaar om na te gaan of een nalatenschap werd verworpen. Daarentegen verbiedt de wet wel het invorderen bij een persoon die geen schuldenaar is. Iemand die de erfenis heeft verworpen, is geen schuldenaar. In die zin mag worden gesteld dat de professionele toewijding van een invorderaar vereist dat het Centraal Erfrechtregister voorafgaandelijk wordt gecontroleerd, indien er aanwijzingen zijn dat het om schulden van een erflater gaat. De raadpleging van dit register is trouwens kosteloos.

 

Ten tweede, wanneer de consument bij wie wordt ingevorderd, aangeeft dat het om schulden gaat binnen een erfenis die hij heeft verworpen, zullen verdere contactnames met hem als belaging kunnen worden beschouwd.

 

De derde en vierde vraag neem ik samen. Bij een melding via het meldpunt van de FOD Economie kan de betrokkene gewoon aangeven dat het om een schuld van een overleden persoon gaat en dat hij niet akkoord gaat met de aanmaning omdat hij de erfenis heeft verworpen.

 

Ik hoop dat u uw cliënt met deze antwoorden kunt verder helpen.

 

12.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, cliënten heb ik achter mij gelaten toen ik hier de eed aflegde. Er zijn nog fulltime politici. Volgens sommige collega's zijn er te veel, maar dat is een andere kwestie.

 

De antwoorden zijn zeer duidelijk. Het komt inderdaad als belaging en een vorm van pesterij over als men mensen constant blijft lastigvallen met dezelfde vraag, terwijl ze duidelijk hebben aangetoond dat ze niet aansprakelijk zijn voor die schulden. Ik ben dan ook bijzonder blij met uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: vraag nr. 25147 van mevrouw Detiège wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

13 Vraag van mevrouw Rita Gantois aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de transparantie van het ketenoverleg" (nr. 25244)

13 Question de Mme Rita Gantois au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la transparence de la concertation au sein de la chaîne agroalimentaire" (n° 25244)

 

13.01  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het ketenoverleg is een structureel overlegorgaan tussen de schakels van de agrovoedingsketen in ons land. Dit overleg kwam er dus vrijwillig en heeft als doel om problemen onderling op interprofessioneel niveau uit te klaren.

 

Er werd een gedragscode opgesteld en onderschreven ter ondersteuning van faire relaties tussen aanbieders en kopers. Deze code moet een transparante oplossing bieden voor vermoedelijk unfaire handelspraktijken, althans zo staat te lezen op de website van het ketenoverleg.

 

Op een vorige vraag antwoordde u echter dat er cijfers noch inhoudelijke informatie beschikbaar zijn over de geschillen binnen het ketenoverleg. Nochtans wordt een jaarverslag opgemaakt over de voorgelegde geschillen, weliswaar op anonieme basis.

 

Tot op heden is er nog geen stok achter de deur beschikbaar om oneerlijke handelspraktijken in ons land tegen te gaan. Het ketenoverleg wordt geacht in tussentijd goed werk te leveren. Men heeft het op de website uitgebreid over de technische kant van de geschillenregeling, maar informatie over de output is niet terug te vinden.

 

Mijnheer de minister, wat is uw mening over een mogelijke uitbreiding van de gedragscode met een clausule dat uitkomsten van geschillen, weliswaar anoniem en geüniformeerd, openbaar op de website worden gezet, zodanig dat er ook statistische bewijzen zijn voor de werking van het ketenoverleg?

 

13.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega Gantois, het ketenoverleg Agrovoeding is een privé-initiatief. De gedragscode komt vooruit uit dit overleg.

 

Bij dit overleg worden de geschillen, waarvan het merendeel gaat over contracten tussen economische partners, bijna uitsluitend geregeld via overleg en discussie tussen betrokken partijen.

 

Het komen tot een oplossing voor geschillen is alleen mogelijk door wederzijds vertrouwen en respect voor de vertrouwelijkheid. Elke vorm van publiciteit zou schadelijk kunnen zijn voor het ketenoverleg en de werkmethode. Het is dan ook aan de partners in het ketenoverleg om hierover te beslissen. Het ketenoverleg en de daaruit voortvloeiende gedragscode zijn immers, zoals ik al zei, een privé-initiatief.

 

13.03  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de minister, het is inderdaad een privé-initiatief, waar u zich toch hebt achter geschaard, evenals minister Bourgeois. Ook al is het een privé-initiatief, als men vertrouwen wil wekken en geloofwaardig wil overkomen, dan is er niets op tegen om cijfers van de eigen werking bekend te maken. Dit is een boodschap die u misschien kunt meenemen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het terugzenden van onlinebestellingen" (nr. 25298)

14 Question de M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le renvoi des commandes faites en ligne" (n° 25298)

 

14.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de steeds verder ontwikkelende e-commercemarkt zorgt voor veel uitdagingen. Ook op het vlak van consumentenrechten kunnen zich de nodige problemen stellen.

 

Bij onlineaankopen is het fysiek contact tussen consument, verkoper en product niet mogelijk. Reden waarom deze aankopen vallen onder de Europese regelgeving inzake aankopen buiten winkels.

 

Een belangrijke bescherming hierbij is het recht een onlinebestelling die niet onder de uitzonderingen valt, gratis en zonder reden terug te zenden binnen een bedenktijd van 14 dagen. Daarbij dient de verkoper de aankoopprijs terug te betalen en de originele leveringskosten voor zijn rekening te nemen.

 

Uit een onderzoek van de Nederlandse consumentenbond bleek 44 % van de gecontroleerde webwinkels niet in overeenstemming met deze regelgeving. Zo werd het verschuldigde bedrag niet of niet volledig terugbetaald. ln sommige gevallen duurde het ook zeer lang alvorens het bedrag werd teruggestort.

 

Mijn vragen zijn de volgende.

 

Beschikt u over cijfers van het aantal inbreuken van webwinkels tegen de regelgeving inzake het herroepingsrecht van consumenten? Ziet u een noodzaak om hieromtrent strenger te controleren? Welke andere initiatieven ziet u als noodzakelijk om de consument bewust te maken van dit recht om het pakket terug te sturen binnen de 14 dagen?

 

14.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Janssen, de Economische Inspectie houdt inderdaad toezicht op de elektronische handel. Zo werden er in 2017 567 gerichte controles uitgevoerd die aanleiding hebben gegeven tot het opstellen van 241 processen-verbaal van waarschuwing en 21 processen-verbaal. Het registratiesysteem van de inspectie laat evenwel niet toe om te bepalen hoeveel dossiers specifiek betrekking hadden op het herroepingsrecht van de consument.

 

De Economische Inspectie moet haar middelen verdelen over de vele domeinen waarin zij actief is. In dezen meen ik niet dat het nodig is strenger te controleren. Ik sta altijd open voor suggesties.

 

De consument die een geschil zou hebben met betrekking tot het herroepingsrecht kan altijd een beroep doen op buitengerechtelijke geschillenregeling. Voor geschillen inzake onlinehandel bestaat trouwens een specifiek Europees ODR-platform, Online Dispute Resolution. De consument kan ook de hulp inroepen van het Europees Centrum voor de Consument.

 

Ik ben van mening dat de gemiddelde consument goed op de hoogte is van het bestaan van het herroepingrecht bij de onlineaankoop van goederen. De onlinehandelaar moet daar trouwens informatie over verstrekken.

 

Bovendien kan de consument veel informatie over dit onderwerp terugvinden, onder meer op de website van de FOD Economie. Daarom meen ik dat het niet nodig is specifieke nieuwe initiatieven te ontwikkelen. Maar nogmaals, mocht u suggesties hebben, wil ik die heel graag meenemen.

 

14.03  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Het was duidelijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 25352 van de heer Lachaert wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 25365 van mevrouw Galant is bestemd voor de commissie voor Justitie. Vraag nr. 25372 van mevrouw Cassart-Mailleux wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 25378 van mevrouw Galant wordt eveneens omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 25411 van mevrouw Lalieux wordt uitgesteld. Vraag nr. 24949 van mevrouw Fonck wordt op haar verzoek uitgesteld.

 

15 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de erkenning van arbeidsongevallen door verzekeraars" (nr. 25307)

15 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la reconnaissance des accidents de travail par les assureurs" (n° 25307)

 

15.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, onlangs verscheen er in de pers een artikel waarin het ACV aankloeg dat alsmaar vaker aangiften van arbeidsongevallen door verzekeraars geweigerd worden. Echt opvallend daarbij is dat de statistieken per verzekeringsmaatschappij enorm verschillen. Ook Assuralia, de sectorfederatie, kon geen sluitend antwoord geven op de vraag waarom die grote verschillen bestaan. Zij vermoedt wel dat de samenstelling van de klantenportefeuille en de commerciële insteek van verzekeraars een invloed hebben, maar ze kon toch niet echt uitsluitsel geven.

 

Ik meen dat een arbeidsongeval een arbeidsongeval is. Bij de betwiste gevallen gaat het blijkbaar heel vaak over woon-werkverkeer. Het lijkt mij toch relatief eenvoudig om vast te stellen of een verplaatsing onder woon-werkverkeer valt of niet. Ik vraag mij dan ook af of de verzekeringsmaatschappijen wel dezelfde criteria gebruiken bij de acceptatie van dergelijke dossiers. Als de verschillen zo groot zijn, dan meen ik dat dat minstens meer onderzoek vereist.

 

Ik wil nog wel aannemen dat er commerciële verschillen zijn en dat de klantenportefeuilles anders zijn samengesteld. Als blijkt dat dat effectief een sluitend antwoord biedt voor de verschillen, dan zal ik dat uiteraard met plezier accepteren. Ik meen echter dat het dringend nodig is om een en ander eens van naderbij te bekijken.

 

Naar mijn mening heeft de FSMA hierin een rol te spelen. Zij moet controleren of de criteria correct worden toegepast door de verschillende maatschappijen. Dat moet in de vorm van een audit of steekproefsgewijs gebeuren. Het moet absoluut duidelijk worden dat de slachtoffers van een arbeidsongeval niet afhankelijk zijn van de maatschappij bij wie hun werkgever verzekerd is om al dan niet in aanmerking te komen voor een vergoeding.

 

Wat denkt u van het voorstel om een audit te laten uitvoeren door de FSMA?

 

15.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Klaps, de gemiddelde weigeringsgraad van arbeidsongevallen is gedaald van 12,7% in 2015 naar 11,5% in 2016, de eerste daling in meer dan 20 jaar tijd.

 

Uit het statistisch verslag van Fedris van 19 maart 2018 blijkt dat 3 verzekeringsondernemingen zich boven het sectorgemiddelde bevinden: Federale Verzekering, Ethias en AXA.

 

Ethias en AXA overschreden het sectorgemiddelde al in 2015, maar voor Federale Verzekering is het de eerste keer sinds 2008. Bovendien wordt Federale Verzekering de verzekeringsonderneming met de hoogste weigeringsgraad van de sector.

 

Voorts deel ik u mee dat de FSMA niet bevoegd is om een audit te voeren naar de onderlinge verschillen inzake de weigeringsgraad tussen de arbeidsongevallenverzekeraars en de criteria die ze hanteren; die bevoegdheid komt toe aan Fedris. Fedris, van wie de inspecteurs de nodige controles en vaststellingen kunnen verrichten, voert het toezicht uit op het vlak van de schadeafwikkeling van arbeidsongevallen en de weigering in het bijzonder.

 

Het Fedris beoordeelt in het bijzonder het gerechtvaardigd karakter van de weigeringen tot erkenning. De bevoegdheden van het Fedris op dit vlak werden bij de wet van 21 december 2013 zelfs aanzienlijk versterkt. Ingeval van betwisting tussen de verzekeringsonderneming en het Fedris over de tenlasteneming van het arbeidsongeval en de handhaving van de weigering van de verzekeringsonderneming om het ongeval ten laste te nemen, kan het Fedris het geschil voor de bevoegde rechtbank brengen.

 

Het Fedris is zoals u weet een openbare instelling van sociale zekerheid en valt onder de bevoegdheid van mijn collega bevoegd voor Sociale Zaken, mevrouw Maggie De Block. Ik heb haar uw vraag overgemaakt en haar gevraagd u op de hoogte te houden van het verdere gevolg dat zij wenst te geven aan uw suggestie een audit uit te voeren.

 

U kunt haar daar natuurlijk altijd nog zelf over aanspreken.

 

15.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, gelet op het belang van dit dossier voor personen met een arbeidsongeval, zal ik dat met de nodige dash doen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Question de M. Georges Gilkinet au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les dettes des sociétés de droits d'auteur à l'égard des artistes" (n° 25420)

16 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de bij kunstenaars uitstaande schulden van de vennootschappen voor het beheer van auteursrechten" (nr. 25420)

 

16.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, en octobre dernier, vous annonciez vouloir éliminer la dette des sociétés de droits d'auteur envers les artistes. C'est un problème majeur pour ces derniers dont les revenus sont souvent limités.

 

Près de 600 millions d'euros devaient encore être payés par ces sociétés aux artistes. "En l'espace de quatre ans, le montant a augmenté de 129 millions d'euros", déclariez-vous à l'époque.

 

Quiconque souhaite utiliser des œuvres de nature artistique, comme de la musique, des images ou des textes, est redevable de droits d'auteur. Les sociétés de gestion de ces droits les perçoivent et les reversent aux auteurs et artistes. Ces paiements se révèlent parfois laborieux. J'ai, par exemple, été interpellé par un auteur qui avait dû payer des droits sur ses propres œuvres mais qui ne recevait pas de la société de gestion des droits d'auteur le montant ou même une partie du montant qu'il avait versé pour ses propres œuvres. C'est un peu particulier, surtout quand on est débutant.

 

Entre-temps, monsieur le ministre, vous avez normalement rencontré les responsables de ces sociétés. Au cours des cinq dernières années, comment la dette des sociétés de droits d'auteur à l'égard des auteurs a-t-elle évolué? À combien cette dette s'élève-t-elle aujourd'hui? Estimez-vous que l'évolution est positive et satisfaisante?

 

Au cours des cinq dernières années, comment les frais de gestion de ces sociétés (autre variable importante) ont-ils évolué? Estimez-vous ce montant satisfaisant, c'est-à-dire les frais sont-ils suffisamment limités afin de donner un salaire maximal aux auteurs? Comment les sociétés de droits d'auteur expliquent-elles l'évolution de ces montants, c'est-à-dire l'augmentation du montant non payé?

 

Quelles mesures avez-vous prises ou comptez-vous prendre pour diminuer la dette des sociétés d'auteurs et les frais de gestion?

 

De quelle façon comptez-vous prendre en compte les critiques des auteurs à l'égard de ces sociétés pour en améliorer le fonctionnement? Avez-vous établi un dialogue avec des représentants des auteurs? D'une façon générale, ne faudrait-il pas soumettre les sociétés de droits d'auteur à un audit externe (par exemple de la part de la Cour des comptes) sur base duquel des réformes pourraient être décidées?

 

16.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, monsieur Gilkinet, les chiffres les plus récents du service de contrôle de la dette aux ayants droit se rapportent à l'année 2016, année durant laquelle la dette était quelque peu supérieure à 663 millions d'euros.

 

L'augmentation substantielle par rapport à 2015 résulte d'une adaptation du traitement comptable d'une des sociétés de gestion. Dans cette adaptation, la dette aurait légèrement diminué par rapport à 2015.

 

En 2016, les frais de fonctionnement des diverses sociétés de gestion s'élevaient à 16,48 % en moyenne, ce qui représente une baisse par rapport à 2015.

 

Pour l'évolution détaillée des chiffres au cours des dernières années, je renvoie au rapport annuel du service de contrôle, disponible sur le site web du SPF Économie.

 

Les sociétés de gestion expliquent ces dettes et ces frais de fonctionnement par la complexité de la gestion collective et par le grand nombre d'acteurs impliqués. J'estime néanmoins que les résultats ne sont pas bons. J'ai déjà rencontré les sociétés de gestion à deux reprises pour discuter avec elles des moyens de remédier à cette situation. Dès lors, en liaison avec les différentes sociétés de gestion, le service de contrôle est en train d'établir un plan d'action pour améliorer encore ces chiffres à l'avenir.

 

L'un des volets de ce plan vise à répertorier les bonnes pratiques permettant aux sociétés de gestion d'améliorer leur fonctionnement. Un autre aspect se rapporte à l'échange d'informations standardisées entre les sociétés de gestion et les utilisateurs. À cet égard, le 4 mai, une réunion s'est encore tenue à mon cabinet avec les organisations de radiodiffusion et ISAN, l'ASBL ayant élaboré la norme.

 

Le rôle du service de contrôle et des pouvoirs publics consiste, premièrement, à s'assurer que les sociétés de gestion, qui sont également contrôlées par les ayants droit, respectent la réglementation ainsi que leurs règles internes et, deuxièmement, à traiter les plaintes introduites par les ayants droit.

 

Les services de contrôle existent depuis longtemps déjà, et leurs contrôles sont notamment axés sur la problématique précitée des sociétés de gestion. Aussi, je ne vois pas d'emblée la valeur ajoutée d'un audit externe, mais là encore, je suis ouvert à écouter tout élément dont vous disposeriez et qui justifierait un tel audit. Mais pour le moment, avec les éléments en présence, la valeur ajoutée n'est pas assez importante pour demander un audit externe.

 

Sur la base du rapport des services de contrôle et de la concertation avec les sociétés de gestion, il a été possible d'identifier plusieurs points problématiques par rapport au fonctionnement des sociétés de gestion. Il incombe à présent à ces dernières d'y apporter des solutions, le cas échéant conjointement à une initiative réglementaire des pouvoirs publics.

 

16.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il y a un vrai souci d'amélioration du fonctionnement des sociétés de droits d'auteur. Elles sont indispensables pour que les auteurs soient rémunérés mais je ne pense pas qu'on puisse dire qu'elles fonctionnent de manière optimale. Je me réjouis de voir que c'est un dossier que vous avez pris en main et que vous essayiez, avec les services du SPF Économie et en dialogue avec les sociétés concernées, d'améliorer les choses.

 

Je pense qu'il y a certainement moyen de faire mieux. Je suggère deux pistes. La première est d'avoir un espace d'écoute des auteurs eux-mêmes pour qu'ils puissent communiquer aux SPF Économie les difficultés qu'ils rencontrent avec les sociétés qui sont censées les représenter et les rémunérer. Il y a beaucoup d'incompréhensions entre auteurs et sociétés de droits d'auteur. Ensuite, vous estimez qu'un audit externe n'est pas spécialement nécessaire à l'heure actuelle. Je fais la suggestion que la Cour des comptes, qui est un organe public de la Chambre et qui remet des avis très poussés sur différents domaines de la gestion  publique, puisse se pencher un jour de façon ponctuelle sur le fonctionnement de sociétés de droits d'auteur. Peut-être relèvera-t-elle des difficultés et des solutions qui n'apparaissent pas de façon évidente à ceux qui sont au quotidien en charge de ce contrôle?

 

Il ne s'agit pas ici de déconsidérer l'action au quotidien des services du SPF Économie mais de dire que, de temps en temps, un regard extérieur peut être utile.

 

Monsieur le ministre, je vous fais en tout cas part des nombreuses inquiétudes et interrogations sur le fonctionnement des sociétés de droits d'auteur aujourd'hui. Continuez à y être attentif!

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Question de M. Georges Gilkinet au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'évacuation des explosifs stockés sur l'ancienne base OTAN de Sugny" (n° 25421)

17 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het weghalen van de op de voormalige NAVO-basis te Sugny opgeslagen explosieven" (nr. 25421)

 

17.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, à plusieurs reprises, j'ai interrogé votre prédécesseur, puis vous-même, au sujet du volume important d'explosifs stockés sur le site de l'ancienne base OTAN de Sugny, commune de Vresse-sur-Semois, en province de Namur.

 

Pour rappel, en 2009, ladite commune propriétaire de la base avait octroyé à la société Alpeco Fireworks une concession d'occupation portant sur une durée de 20 ans. Il s'agissait de stocker des feux d'artifice dans les bunkers érigés à l'époque de la guerre froide.

 

Malheureusement, il est rapidement apparu que les termes de l'accord n'étaient pas respectés par Alpeco Fireworks et, en 2013, le SPF Économie posait des scellés sur le site. Un an plus tard, la faillite de la société était prononcée.

 

Au début de l’année 2015, vous m’aviez indiqué qu’il avait été établi un inventaire des produits présents, classés par catégories, notamment celle des déchets à détruire, et que les bunkers contenant ces produits étaient connus et avaient été scellés. Vous aviez également précisé que la destruction relevait du ressort du curateur de la société en question.

 

En plus du stock de 1 400 tonnes appartenant à la société faillie, les bunkers de Sugny accueillent également un volume équivalent de feux d’artifice et pétards saisis par les Douanes, le SPF Finances et le SPF Économie.

 

Au début du mois d’avril, votre porte-parole m'a personnellement confirmé – et je l'en remercie à nouveau – qu’un appel d’offres avait été lancé pour l’évacuation et la destruction d’une partie des feux d’artifice confisqués et que la mission était en cours. Un nouvel appel d’offres aurait été lancé pour évacuer le solde du matériel saisi. En revanche, la question de l’évacuation des explosifs d’Alpeco Fireworks reste pendante.

 

Monsieur le ministre, je voudrais y voir clair. Combien de tonnes d’explosifs sont-elles stockées sur le site de Sugny? Quelle part les marchandises d’Alpeco Fireworks et celles qui ont été saisies par l’administration représentent-elles? Quel est le type exact de ces explosifs?

 

Confirmez-vous que seule une partie des marchandises saisies a été, à ce stade, évacuée? Combien de tonnes sont-elles concernées? Quel est le coût de cette opération? Dans quel délai le solde de ce stock quittera-t-il Sugny?

 

Pouvez-vous faire le point sur la procédure relative à l’évacuation de stock d’Alpeco Fireworks? À quelle échéance sera-t-elle achevée? Quel est le coût total de l'opération?

 

Pouvez-vous confirmer que les autorités locales de cette petite commune rurale ne seront pas mises à contribution? Elles s'en inquiètent en effet, au vu de leurs maigres moyens.

 

De quelle façon les personnes responsables et les propriétaires de ces explosifs ont-ils été responsabilisés – ou le seront-ils – au coût de cette évacuation pour les pouvoirs publics?

 

Le président: Monsieur le ministre, nous écoutons avec grande attention vos réponses à ces questions.

 

17.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, c'est un grand plaisir.

 

Monsieur Gilkinet, en ce qui concerne votre première question, 2 000 m³ de produits pyrotechniques sont stockés sur le site de Sugny. Les marchandises d'Alpeco représentent 1 700 m³ (dont 700 m³ ont été saisis par l'administration) et sont essentiellement des feux d'artifice de la catégorie divertissement.

 

Pour ce qui concerne vos questions 2 à 5, à ce jour, les produits pyrotechniques les plus dangereux ont été évacués et détruits.

 

Il s'agit tant de produits saisis que de produits issus de la faillite d'Alpeco. Cela représente un volume de 190 m³ pour un montant de 190 000 euros. Un budget supplémentaire de 500 000 euros est prévu pour la destruction des saisies.

 

En réponse à vos questions 3 et 7, bien que mes services fournissent de l'expertise technique et logistique, l'évacuation des produits saisis et la responsabilisation des personnes concernées relèvent des compétences du ministre de la Justice car il s'agit de dossiers à la charge des parquets.

 

En ce qui concerne vos quatrième et sixième questions, l'évacuation du stock d'Alpeco relève de la responsabilité du curateur. Il n'est pas exclu que les autorités locales soient mises à contribution, vu qu'elles sont propriétaires du site.

 

17.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): C'est donc un dossier qui n'est pas clôturé. On peut s'interroger, comme je le fais depuis le début, sur le bien-fondé de l'autorisation qui a été donnée à l'époque pour le stockage sur ce site. D'un côté, l'administration communale n'avait sans doute pas les épaules pour effectuer elle-même les contrôles nécessaires. Et de l'autre, la société n'était pas sérieuse puisqu'elle est rapidement tombée en faillite.

 

Le coût public de toute cette histoire est énorme: 190 000 euros déjà engagés, 500 000 euros prévus au budget pour la suite et quelques points d'interrogation qui subsistent quant aux délais et à la responsabilisation finale des uns et des autres. Tout ceci est un fameux gâchis.

 

J'espère que le SPF Économie suit ce dossier avec attention car il faut tenir compte de la sécurité publique dans cette région. Les bunkers sont solides mais il pourrait y avoir des tentatives d'infraction. Tout le monde n'a pas de bonnes intentions et ce sont des explosifs dangereux.

 

Je vous demande donc de continuer à suivre ce dossier, avec le SPF Économie, le plus sérieusement possible. Et je m'inquiète pour la commune de Vresse-sur-Semois qui, en sa qualité de propriétaire, pourrait à un moment ou à un autre voir sa responsabilité engagée.

 

Comme quoi il ne faut pas faire n'importe quoi, monsieur le président, lorsqu'on est mandataire dans une commune. Il convient de bien mesurer les actes posés, en l'occurrence au moment de signer un bail.

 

Le président: Bien entendu, monsieur Gilkinet. Et j'ajouterai que s'il y a des fraudeurs dans l'affaire, cette commune abritera bientôt une prison pour les y enfermer! Mais ceci est un autre sujet.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 17.02 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.02 uur.