Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 7 maart 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 7 mars 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.28 uur en voorgezeten door mevrouw Els Van Hoof.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.28 heures et présidée par Mme Els Van Hoof.

 

01 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Evita Willaert aan de minister van Justitie over "de timing voor de oprichting van het mensenrechteninstituut" (nr. 23763)

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Justitie over "de discussie in de regering betreffende de oprichting van een mensenrechteninstituut" (nr. 24138)

01 Questions jointes de

- Mme Evita Willaert au ministre de la Justice sur "le calendrier de la mise en place de l'institut des droits de l'homme" (n° 23763)

- M. Marco Van Hees au ministre de la Justice sur "la discussion au sein du gouvernement concernant la création d'une institution pour les droits de l'homme" (n° 24138)

 

De voorzitter: Mevrouw Willaert is veront­schuldigd. Mijnheer Van Hees, u heeft het woord.

 

01.01  Marco Van Hees (PTB-GO!): Madame la présidente, monsieur le ministre, le 17 février dernier, la présidente de la Liga voor de Mensenrechten a à nouveau souligné l'importance d'une institution des droits de l'homme efficace, qui puisse par exemple rendre des avis sur la question de savoir si toutes les propositions ou projets de loi sont conformes au respect des droits humains.

 

Il s'en est suivi une discussion au sein du gouvernement. Ainsi, le secrétaire d'État Theo Francken a réagi négativement, considérant que la proposition visait son projet relatif aux visites domiciliaires, alors qu'elle est annoncée depuis 2014.

 

Monsieur le ministre, vous partagez cette compétence avec la secrétaire d'État Zuhal Demir. Cette dernière a présenté la création d'une telle institution comme une priorité lors de son entrée en fonction. Dans une interview du 3 mars 2018, elle s'est finalement prononcée sur la forme que devrait prendre cette institution. Selon elle, Unia, Myria, et l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes doivent être fusionnés en une seule institution. À une date ultérieure, la Commission de la protection de la vie privée, le Comité R et le Comité P devraient les y rejoindre.

 

Votre position est connue: vous ne voulez pas d'une fusion mais d'une organisation faîtière. Cette position est approuvée par Liesbeth Steven, directeur adjoint de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes. Elle souligne qu'en cas de fusion, certains thèmes seront repoussés au second plan.

 

Monsieur le ministre, qui est en charge de ce dossier? Avez-vous débattu de la question avec Mme Demir, puisque celle-ci a annoncé ses intentions à court terme dans son interview? Dans la négative, quand cette discussion est-elle prévue? Le secrétaire d'État Francken sera-t-il présent, vu son opinion marquée dans le dossier? Quel est le calendrier pour la création de cette institution? Le gouvernement a-t-il fixé une date-limite? Quelle est la position du gouvernement sur la forme et les compétences de cette institution?

 

01.02 Minister Koen Geens: Zoals reeds eerder werd toegelicht, ressorteren de werkzaamheden rond het mensenrechteninstituut onder het covoor­zitterschap van Justitie en Gelijke Kansen. De conceptnota ter oprichting van het mensen­rechteninstituut was inderdaad zo goed als klaar, maar zoals collega Demir liet weten, wilde ze eigen accenten leggen.

 

Durant le second semestre de 2017, d'intenses discussions entre les cabinets se sont tenues afin d'aboutir à une structure nous permettant de répondre à nos obligations de droit international. De la sorte, la Belgique peut se poser en interlocuteur au sein de la communauté internationale.

 

Mon objectif n'est nullement de supprimer ou de limiter d'autres organisations, éventuellement à l'exception de la Commission nationale pour les droits de l'enfant.

 

Het doel is en blijft om de fundamenten van het mensenrechteninstituut te leggen tegen het einde van de legislatuur. Zo een instituut heeft een aantal kernopdrachten. Zo geeft de instelling advies op eigen initiatief of op verzoek van de overheid over wetteksten of over schendingen die ze vaststelt. Ze werkt ook campagnes en programma's uit om de bewustwording van de burgers te vergroten.

 

Mijn engagement blijft alvast duidelijk. Begin februari heb ik een brief gericht aan collega Demir en ik heb haar gevraagd om de kadernota te voltooien. Ik ben ervan overtuigd dat op basis van het resultaat van de besprekingen een aantal principes kunnen worden verankerd, die kunnen leiden tot een haalbaar voorstel, realistisch om nog te verwezenlijken tijdens deze legislatuur.

 

01.03  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

Si j'ai bien compris, vous attendez que votre collègue Demir veuille enfin participer à un débat et à un projet à développer en commun. Les choses tardent à prendre forme.

 

Nous ne savons pas si vous êtes sur la même longueur d'ondes; ce n'est pas très clair. Il m'a semblé comprendre que ce n'était pas le cas. Votre réponse ne m'a pas apporté d'éclaircissement sur cette question. Je suppose que ce sujet est pour le moment réservé à des discussions internes. Un peu de transparence aurait sans doute été souhaitable, mais j'ai bien compris que vous ne vouliez pas en dire plus.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Els Van Hoof aan de minister van Justitie over "een Europese strafmaat voor mensenhandel" (nr. 23970)

02 Question de Mme Els Van Hoof au ministre de la Justice sur "une peine européenne pour la traite des êtres humains" (n° 23970)

 

02.01  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, de afgelopen maanden verschenen verschillende berichten over jonge, vaak minderjarige, Nigeriaanse meisjes die in ons land in de prostitutie actief zijn. Een Europese aanpak is noodzakelijk. Zo is er het Europese ETUTU-project waarbij op Europees niveau informatie en expertise wordt uitgewisseld over de Nigeriaanse mensenhandel.

 

De Europese definitie van het begrip "mensenhandel" vinden we terug in richtlijn van 2011 van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensen­handel en de bescherming van slachtoffers daarvan.

 

Waarover in Europa echter geen overeenkomst bestaat, is de strafmaat voor mensenhandel. Daar waar in Spanje en het Verenigd Koninkrijk een mensenhandelaar minimum 6 jaar krijgt en het aantal jaar per slachtoffer verveelvoudigt, gaat het in België vaak om straffen van 5 tot 6 jaar en in Duitsland om nog minder. Dit zorgt voor problemen: de mensensmokkelaars zijn zeer mobiel en verspreid over heel Europa en kunnen meisjes dan ook snel transfereren naar landen waar het risico voor de handelaars kleiner is.

 

Zo is er het dossier BITE over een crimineel Nigeriaans netwerk dat vanuit Spanje Nigeriaanse meisjes versaste naar België voor seksuele exploitatie. De bewuste meisjes moesten in verschillende Europese landen aan de slag. Gezien de Spaanse politie nog veel meer elementen kon verzamelen rond de verdachten, werd beslist om het dossier BITE integraal over te maken aan de Spaanse autoriteiten voor verder onderzoek. Het Spaanse openbaar ministerie vordert voor elke beklaagde een celstraf van 43 jaar, zijnde 172 jaar in totaal. Indien wij de verdachten met een Europees aanhoudingsbevel naar België hadden gehaald, zou het openbaar ministerie in het beste geval tussen 6 en 8 jaar opsluiting gevraagd kunnen hebben.

 

Ik heb dan ook de volgende vragen over die gecoördineerde Europese aanpak.

 

Welke strafmaat wordt in België gemiddeld uitgesproken voor mensenhandel met als doel seksuele uitbuiting?

 

Worden er vaak verzwarende omstandigheden aangewend in de uitspraak? Kunt u een overzicht geven van deze uitspraken?

 

Hoe verhouden deze cijfers zich ten opzichte van de uitgesproken straffen in andere landen van de Europese Unie? Hebt u cijfers ter beschikking van de uitgesproken straffen in landen als Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Duitsland?

 

Wat zijn de mogelijkheden met betrekking tot het ijveren voor een harmonisatie van de strafmaat voor mensenhandel op Europees niveau?

 

02.02 Minister Koen Geens: De veroordelingen wegens misdrijven van mensenhandel worden ingevoerd in de gegevensbank van de veroordelingen. De verschillende types van mensenhandel zoals seksuele uitbuiting, worden echter niet stelselmatig afzonderlijk geregistreerd. Technisch gezien zou het echter mogelijk zijn om een steekproef te  houden naar de veroordelingen wegens mensenhandel met het oog op de seksuele uitbuiting en om er de uitgesproken straffen aan te linken. Het is echter niet mogelijk om dat binnen de korte antwoordtermijn van een mondelinge vraag te doen.

 

In 2016 waren er 139 veroordelingen met 261 verzwarende omstandigheden. Heel vaak wordt misbruik van kwetsbaarheid in aanmerking genomen omdat het een van de elementen is die de kern van de problematiek van mensenhandel vormt evenals het gebruik van bedreigingen of geweld. Het laatste Eurostat-rapport over mensenhandel dateert van 2015. Het is beschikbaar op de website van Eurostat en bevat informatie over de veroordelingen en vervolgingen, maar niet over de uitgesproken straffen.

 

Over de harmonisatie van de strafmaat voor mensenhandel op Europees niveau kan ik u meedelen dat de Europese richtlijn 2011/36 inzake mensenhandel al elementen inzake de harmonisering bevat. De richtlijn vraagt de staten om een maximumstraf van minstens 5 jaar in te voeren in geval van mensenhandel en een straf van 10 jaar als er sprake is van bepaalde verzwarende omstandigheden.

 

Die aspecten worden vanzelfsprekend ook mee opgenomen bij de huidige hervorming van het Strafwetboek.

 

02.03  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, blijkbaar zijn mensensmokkelaars goed op de hoogte waar de hoogste strafmaat ook effectief wordt toegepast. We kijken uit naar het Strafwetboek om na te gaan of er een verhoging van de strafmaat mogelijk is. De meisjes worden immers blijvend uitgebuit als de dealer in een land veroordeeld dreigt te worden. Het zou goed zijn mocht er op Europees vlak coördinatie en harmonisatie komen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Justitie over "de vastgestelde problemen bij de interpretatie van criteria inzake de nieuwe nationaliteitswetgeving" (nr. 23974)

03 Question de Mme Nahima Lanjri au ministre de la Justice sur "les problèmes constatés lors de l'interprétation des critères relatifs à la nouvelle législation sur la nationalité" (n° 23974)

 

03.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, de nieuwe nationaliteitswetgeving is inmiddels alweer vijf jaar oud. Aan de wijzigingen ervan heb ik hier in het Parlement nog gewerkt samen met mevrouw Van Cauter en andere collega's. Samen hebben we die wet tot stand gebracht.

 

Toch blijkt de toepassing van de wet na vijf jaar nog steeds vaak fout te lopen. Heel wat gemeenten zijn blijkbaar nog steeds niet goed op de hoogte. Sommige gemeentebesturen geven zelfs nog verouderde informatie mee, informatie die betrekking heeft op criteria van voor de wetswijziging.

 

Vaak horen we ook van mensen op het terrein dat er discussie is over de verblijfsvergunningen die al dan niet in aanmerking genomen worden en over de bewijsmiddelen die men moet voorleggen om zijn economische participatie te bewijzen.

 

Bovendien zijn er ook gemeentebesturen die helemaal geen rekening houden met de minder strenge criteria voor mensen die tien jaar in ons land zijn, en hier zelfs helemaal niet naar verwijzen. Integendeel, ze houden vast aan de strengere criteria die gesteld worden aan mensen die vijf jaar in het land zijn. Aan de loketten van de gemeenten wordt niet de juiste informatie gegeven. Dat is me herhaaldelijk opgevallen.

 

Enkele weken geleden sprak één van de Franstalige collega's mij hier in het Parlement ook al aan over een bepaald dossier. In zijn gemeente loopt immers blijkbaar ook het één en ander mis in verband met de interpretatie van de wet.

 

De wet bepaalt dat men een legaal verblijf moeten kunnen aantonen van vijf jaar. Op het moment van de aanvraag van nationaliteit moet men in het bezit zijn van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur. Sommige gemeentebesturen interpreteren dit heel anders en zeggen dat wanneer men een aaneenschakeling heeft van verschillende verblijfstitels, de teller steeds op nul gezet wordt bij elke verandering. Stel dat iemand als student naar hier is gekomen, daarna hier gehuwd is of is beginnen werken.

 

Dat de teller steeds opnieuw op nul wordt gezet, is natuurlijk niet correct want wij hebben dit bij de bespreking van de wet ook heel uitdrukkelijk toegelicht. Elke vorm van wettelijk verblijf telt mee, ook al is dat eerst een paar jaar verblijf terwijl een asielprocedure loopt met daarna verblijfsrecht op basis van gezinshereniging of als student en daarna werkend. Alles moet kunnen meetellen. Op dit vlak is er dus al een probleem van interpretatie. Sommige gemeentebesturen hanteren nog een andere interpretatie en laten bepaalde periodes maar voor de helft meetellen. Ik weet niet waar dit allemaal vandaan komt.

 

Ook met betrekking tot de economische participatie is er vaak discussie over de documenten. Sommigen komen aanzetten met documenten van een sociaal secretariaat die al dan niet worden aanvaard. Ik zou ter zake willen aanbevelen om het principe only once toe te passen. In principe vindt men in de databanken alle gegevens terug van mensen die werken, ook als zij deeltijds werken. Als men deeltijds werkt, telt men tot men aan het vereiste aantal dagen komt. Wij hadden dat vastgelegd op een periode van anderhalf jaar voltijds werk, uitgedrukt in x aantal dagen. Dit wordt bijgehouden door de diensten van de sociale zekerheid. Om discussies te vermijden, zou dit rechtstreeks door de gemeenten moeten kunnen worden opgevraagd. Dat was trouwens ook de bedoeling toen wij de wet hebben uitgewerkt.

 

Een ander element waarover heel wat betwisting bestaat, is de kennis van een van de drie landstalen en vooral dan het niveau van die kennis. In de wet werd bepaald dat het niveau A2 van het Europees referentiekader voor talen moet worden behaald. Dit zou echter verder worden uitgewerkt in een KB. In dit KB worden tal van voorbeelden opgenoemd van hoe men dit kan bewijzen. Als men bijvoorbeeld vijf jaar heeft gewerkt, wordt dit gelijkgesteld aan de kennis van de taal omdat men aanneemt dat iemand die zolang werkt ook wel de kennis van de streektaal heeft.

 

In het KB wordt ook bepaald dat de kennis van de taal ook kan blijken uit een document waaruit blijkt dat men een inburgeringscursus heeft gevolgd. Dit staat heel uitdrukkelijk in het KB en toch aanvaardt een aantal procureurs een inburgeringsattest niet omdat het niveau A2 geldt voor de mondelinge kennis en A1 voor de schriftelijke kennis. Zij vinden dit A1-niveau onvoldoende. De wetgever heeft vooral de nadruk gelegd op de sociale redzaamheid. Om die reden hebben wij onder meer het inburgeringsattest opgenomen in de wet.

 

Sommige procureurs in Limburg en Antwerpen maken daar een probleem van. Hier moet dus echt dringend voor een oplossing worden gezorgd.

 

De toenmalige minister van Justitie stelde dat er, naast de verklarende omzendbrief, ook opleidingen zouden worden georganiseerd voor de ambtenaren van de burgerlijke stand inzake de nieuwe wet. Er zouden ook informatiebrochures worden gemaakt. Zijn die opleidingen en informatiebrochures er geweest? Op het terrein zien wij dat er echter nog veel problemen zijn en gemeenten vandaag nog altijd verkeerde informatie geven. Is het dan niet nodig om de informatiecampagnes en -brochures te herhalen zodat de gemeentebesturen wel degelijk de juiste informatie geven aan mensen die Belg willen worden?

 

Is de verstrekte informatie voldoende duidelijk voor wat betreft het soort verblijfstitel dat in aanmerking kan worden genomen en het ononderbroken verblijf dat daaraan verbonden is? Op het terrein bestaan daarover nog heel wat onduidelijkheden, terwijl de wetgeving eigenlijk heel duidelijk is. In mijn ogen moet de wetgeving op dat vlak niet worden aangepast, maar moet zij vooral worden duidelijk gemaakt op het terrein.

 

Is men bereid om het only once-principe toe te passen met betrekking tot het inwinnen van informatie betreffende de gepresteerde arbeidsdagen? Als dat niet of niet onmiddellijk mogelijk is, welke andere oplossingen kunnen worden aangereikt om duidelijkheid te geven omtrent de voor te leggen documenten? Kan worden opgelijst welke documenten wel kunnen dienen zodat dat door alle gemeenten op dezelfde manier wordt toegepast?

 

Kunt u bevestigen dat een inburgeringscursus volstaat, zoals dat ook in het KB van 14 januari 2013 staat, ook al is de schriftelijke kennis van niveau A1? De mondelinge kennis is echter wel degelijk op A2-niveau. Dat is het belangrijkste. Kunt u bevestigen dat een inburgeringsattest voldoende is als bewijsmiddel voor de kennis van een van de drie landstalen?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mevrouw de voorzitter, mevrouw Lanjri, mijn diensten namen op aanvraag actief deel aan diverse vormingsdagen voor de ambtenaren van de burgerlijke stand die werden georganiseerd door hun beroepsvereniging. Er werden geen informatiebrochures ter beschikking gesteld. Er is evenwel heel wat informatie consulteerbaar op de websites van zowel de FOD Justitie als van andere overheidsdiensten, bijvoorbeeld het Vlaams Agentschap Integratie en Inburgering.

 

De nieuwe wetgeving werd ook uitvoerig toegelicht, onder meer aan de hand van casussen in de ministeriële rondzendbrief van 8 maart 2013, uitgebracht naar aanleiding van de wet van 4 december 2012. Ook het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot uitvoering van dezelfde wet bevat gedetailleerde voorschriften, bijvoorbeeld op het vlak van de verblijfstitels, die de toepassing van het wetboek eenvormig maken.

 

Inmiddels werd ook het elektronisch platform voor de burgerlijke stand opgericht, exclusief ten behoeve van de gemeenten, waar diverse casussen worden toegelicht op het vlak van familierecht, naamsrecht en nationaliteitsrecht, en werd de Vaste Commissie voor de Burgerlijke Stand heringericht bij koninklijk besluit van 29 mei 2016.

 

Het koninklijk besluit van 14 januari 2013 bevat op exhaustieve wijze de verblijfstitels die in aanmerking mogen worden genomen voor het bewijs van het wettelijk verblijf. De ministeriële rondzendbrief heeft een volledig hoofdstuk gewijd aan het begrip wettelijk verblijf, waarin ook de problematiek van de tijdelijke afwezigheid aan bod komt. De richtlijnen lijken mij duidelijk en volledig te zijn.

 

In het licht van de komende wetswijziging inzake nationaliteit zal ik erover waken dat in de aangepaste rondzendbrief opnieuw zeer duidelijke richtlijnen worden weergegeven.

 

Het begrip arbeidsdag is van belang voor zowel de voorwaarden van de maatschappelijke integratie als voor die van de economische participatie. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 bepaalt de wijze waarop het aantal arbeidsdagen moet worden bewezen. Die informatie is bij mijn weten niet steeds voorhanden bij de instellingen voor de sociale zekerheid en mocht dat wel het geval zijn, dan kunnen bezwaren rijzen inzake de privacy van de personen zodat dit zeker grondig omkaderd zou moeten worden.

 

Het only once-principe duidt erop dat de overheidsdiensten de informatie waarover zij reeds beschikken geen tweede keer mogen opvragen bij de rechtsonderhorige. Welnu, het koninklijk besluit van 14 januari 2013 heeft in zijn vierde hoofdstuk reeds in maatregelen voorzien om een administratieve vereenvoudiging in te voeren waarbij de kandidaat-Belg in bepaalde gevallen vrijgesteld wordt om documenten bij te voegen bij zijn aanvraag.

 

Het bewijs van de taalkennis dient te worden geleverd aan de hand van de bewijsmiddelen bepaald in het koninklijk besluit van 14 januari 2013.

 

Het wettelijk bepaalde taalniveau A2 blijft volgens dit koninklijk besluit onverkort vereist, zoals ook aangegeven in het verslag aan de Koning. Dit impliceert dat een inburgeringscursus die voor een taalcursus slechts een niveau A1 hanteert enkel als bewijs van de maatschappelijke integratie kan dienen, maar niet als bewijs van de kennis van een der landstalen van het wettelijk vereiste niveau A2.

 

03.03  Nahima Lanjri (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, er zijn inderdaad ontzettend veel mogelijkheden. De website waarnaar u verwijst, raadpleeg ik vaak zelf en ik verwijs heel wat mensen ernaar. Er zijn inderdaad heel veel plaatsen waar informatie te vinden is. U zegt dat er indertijd opleidingen werden georganiseerd, maar toch stellen wij vandaag nog steeds vast dat er problemen zijn met betrekking tot de interpretatie.

 

Er is die rondzendbrief. Ik heb die gelezen en hij is heel duidelijk, maar toch zijn er problemen met de interpretatie.

 

Er is een wetsontwerp over de nationaliteits­wetgeving in behandeling. Naar aanleiding daarvan komt er een bijgestuurde rondzendbrief, wat goed is.

 

De vraag blijft echter of het wordt toegepast en of de juiste interpretatie eraan wordt gegeven. Hoewel de informatie er is, blijkt die niet juist geïnterpreteerd te worden door de bevoegde diensten.

 

Wat moeten mensen doen wanneer zij tegen een muur oplopen? Is er een meldpunt? Het gaat nog niet om beroep gaan, maar ze kunnen zelfs geen aanvraag indienen omdat de ambtenaar zegt dat de aanvraag niet volledig of niet juist is of ze zelfs niet aanvaardt. Ik hoop dat u ook in een informatiepunt voorziet waar mensen klacht kunnen indienen.

 

Wat betreft het niveau A2 of A1 van de inburgering, A2 slaat wel degelijk op het mondelinge gedeelte en A1 op het schriftelijke. Dat heeft niet te maken met de maatschappelijke integratie, dus ik hoop dat u dit wil nakijken, want dat is niet helemaal juist.

 

De inburgeringscursus bestaat uit drie delen. Eerst is er een maatschappelijke oriëntatie die in een contacttaal wordt gegeven. Dan is er de taalcursus en dan de doorverwijzing naar werk. Een vierde deel is zelfs begeleiding naar werk.

 

Wat het tweede deel over de taal betreft, niveau A2 heeft betrekking op het mondeling gedeelte en niveau A1 op het schriftelijke gedeelte.

 

Ik heb indertijd ook taallessen Nederlands tweede taal gegeven. Er is daar wel degelijk een probleem. De rondzendbrief is op dat vlak duidelijk. Er is sprake van een inburgeringsattest en niet van A1, A2, A4 of wat dan ook. In totaal kunnen er acht pistes gevolgd worden.

 

Er is vroeger bepaald dat een inburgeringsattest aanvaard moet worden, dus ik begrijp niet dat sommigen dat vandaag niet doen. Op dat vlak is er nog een probleem. Ik hoop dat u met de nieuwe rondzendbrief zorgt voor een verduidelijking naast een eventueel op te richten contactpunt waar mensen of ambtenaren terechtkunnen met hun vragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de overstap van Marc Callu naar de goksector" (nr. 23987)

- de heer Brecht Vermeulen aan de minister van Justitie over "de gewezen medewerker van de Kansspelcommissie die adviseert voor het European Gaming Compliancy Institute (EGCI)" (nr. 24050)

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Justitie over "de overstap zonder ontluizen naar een nieuwe functie in de kansspelsector" (nr. 24139)

04 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le passage de Marc Callu au secteur des paris" (n° 23987)

- M. Brecht Vermeulen au ministre de la Justice sur "l'ancien collaborateur de la Commission des jeux de hasard à présent conseiller pour le European Gaming Compliancy Institute (EGCI)" (n° 24050)

- M. Marco Van Hees au ministre de la Justice sur "les portes tournantes dans le secteur des jeux de hasard" (n° 24139)

 

04.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, begin jaren 2000 stond Marc Callu mee aan de wieg van de Kansspelcommissie. Als gewezen speurder bij de gerechtelijke politie was hij gespecialiseerd in de goksector. Die kennis kwam van pas bij de uitbouw van de regulator voor de kansspelen. Veertien jaar lang, tot in februari 2015, was Callu het Nederlandstalige gezicht van de Kansspelcommissie. Bij zijn pensionering drie jaar geleden werkte Callu er als strategisch expert kansspelen en was hij hoofd van de cel controle. Hij kende als geen ander het reilen en zeilen van de goksector, schreef de Kansspelcommissie in haar jaarverslag 2015 nog over Callu.

 

Datzelfde document meldt op een geheel andere plek de oprichting van de belangenorganisatie European Gaming Compliancy lnstitute (EGCI). De belangrijkste deelnemers zijn Napoleon Games, Eurautomat, Versailles Palace, Ladbrokes, Unibet en Eurotiercé, de grote spelers op de Belgische gokmarkt. Het doel van het EGCI is het verdedigen van de gemeenschappelijke belangen van die bedrijven, dus van de goksector.

 

Marc Callu is medeoprichter van het EGCI en werkt er nu als consulent. De man die jarenlang toezag op het naleven van de regels rond casino's, speelhallen, goksites en alle andere zaken die bij kansspelen komen kijken, stelt sinds zijn pensioen zijn expertise ter beschikking van diezelfde gokbedrijven.

 

Op een eerdere vraag over de dubbelzinnige houding van de Kansspelcommissie antwoordde u mij dat het voor zich spreekt dat de Kansspelcommissie in haar opdrachten altijd de bescherming van de consumenten en de vrijwaring van de openbare orde centraal moet stellen. U zult begrijpen dat er in de gegeven omstandigheden nog meer twijfels rijzen over het daadwerkelijk bewaarheid worden van de woorden die u toen uitsprak.

 

Mensen die met ons overheidsgeld kennis verwerven bij een regulator, willen na hun pensionering vaak actief blijven en ondersteunen dan de sector die ze vroeger controleerden in de relaties met de regulator. Ze kennen alle ins en outs en vergeten die niet, eens ze uit dienst zijn. Zeker in het geval van de kansspelen, die samen met de commissie al geen al te goede reputatie genieten, is dat ethisch zeker bevraagbaar. Ook al wordt iemand er niet rijker van bepaalde kennis te delen, zonder het te beseffen draagt hij misschien bij tot de ondergraving van de regels. Dat meent zelfs hoogleraar bestuurskunde Filip De Rynck van de UGent.

 

Mijnheer de minister, vandaar heb ik de volgende vragen.

 

Bestaan er daarover geen regels?

 

Als er geen regels bestaan, zou u er dan geen moeten formuleren? Er is in dit geval namelijk zeker sprake van normvervaging.

 

De voorzitter: Aan deze vraag zijn er nog twee vragen toegevoegd. De heer Brecht Vermeulen heeft gemeld dat hij nog zou komen. Dat moeten we nog afwachten. Ik geef het woord aan de heer Van Hees voor zijn vraag.

 

04.02  Marco Van Hees (PTB-GO!): Merci monsieur le ministre de me permettre de poser ma question, même si Mme Lambrecht a déjà exposé la situation de ce conflit d'intérêts ou cas de "portes tournantes"; des personnes passent du public au privé, dans le même secteur d'activités. Le lien est très étroit en l'occurrence.

 

Premièrement, selon vous, s'agit-il d'un cas isolé dans le secteur des jeux de hasard ou avez-vous connaissance d'autres cas? Deuxièmement, combien de fois la Commission des jeux de hasard a-t-elle été en contact avec la personne concernée depuis son départ à la retraite? Troisièmement, vous ou votre cabinet avez-vous été en contact avec l'EGCI (European Gaming Compliancy Institute) ces dernières années? Quatrièmement, selon vous, n'est-il pas nécessaire de renforcer le code déontologique pour les responsables de la Commission des jeux de hasard, notamment pour arrêter ce phénomène de portes tournantes?

 

04.03 Minister Koen Geens: Mijnheer Van Hees, mevrouw Lambrecht, navraag bij de Kansspelcommissie leert mij dat de heer Callu twee hoedanigheden had in de commissie. In een eerste periode was hij er expert-politieofficier en daarna commissielid, in de periode van 2006 tot 2013, om er nadien werkzaam te blijven als expert-politieofficier tot 2015.

 

De kansspelwet voorziet onder andere in artikel 11 expliciet in bepaalde onverenigbaarheden voor de voorzitter en de commissieleden. Zo mogen zij bijvoorbeeld tijdens hun mandaat geen rechtstreekse of onrechtstreekse belangen hebben in een kansspelinrichting of andere vergunningsplichtige activiteiten. Ook nadat hun mandaat is afgelopen, is er wettelijk voorzien in een afkoelingsperiode van vijf jaar waarin zij dat voorschrift dienen te respecteren.

 

Strikt naar de letter van de wet kan er discussie bestaan over de vraag of een consultancyactiviteit kan worden gezien als een belang in een kansspelinrichting of een andere vergunnings­plichtige activiteit. De geest van artikel 11 van de kansspelwet is echter duidelijk en bestaat erin dat men belangenvermenging op elke mogelijke wijze dient te vermijden. In een sector als die van de kansspelen, waar de standpunten van de overheid en die van de private sector niet per se gelijklopen, lijkt mij dat zeker belangrijk.

 

Teneinde echter die ratio legis verder te expliciteren, zal ik het wetgevende kader verder verfijnen zodat dat soort consultancyactiviteiten eveneens wordt geviseerd bij de onverenig­baarheden tijdens het mandaat of tijdens de afkoelingsperiode van vijf jaar nadien. Ik laat ook nagaan of wij dat niet alleen voor de leden van de commissie kunnen inschrijven, maar eveneens voor de gedetacheerde politieofficieren die er werkzaam zijn.

 

Selon moi, il est dans tous les cas évident qu'un problème de déontologie personnel se pose lorsqu'on exécute des missions de consultance alors qu'on vient de prendre sa retraite, et ce en contact étroit avec le secteur que l'on contrôlait auparavant. Je suis conscient que de tels incidents ont un impact négatif sur la réputation de la Commission des jeux de hasard. Toutefois, il ne faut pas assimiler le travail de certains à celui de toute une organisation.

 

Selon les informations que j'ai reçues de la Commission des jeux de hasard, M. Callu n'a plus eu de contacts avec les membres du personnel de la Commission en lien avec des dossiers concrets. En ce qui concerne mon cabinet, j'ai été informé du fait qu'aucun contact direct n'a eu lieu. Le 19 février 2018, nous avons reçu une lettre de la part de la société de consultance EGCI signée par Marc Callu, demandant d'indexer les pertes maximales des jeux de hasard.

 

Teneinde de commissie verder te moderniseren en uit te bouwen tot een sterke regulator, overweeg ik een externe studie te laten uitvoeren over hoe haar interne structuur kan worden verbeterd. Een striktere scheiding tussen de opsporing – dit zijn de politieofficieren en het secretariaat van de commissie – en de vervolging en bestraffing – dit zijn de leden van de commissie – lijkt mij voor de toekomst in ieder geval aangewezen en zal bijdragen tot een objectievere uitstraling van de commissie.

 

04.04  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik meen uit uw antwoord te begrijpen dat u ook wel vindt dat er een groot probleem is van normvervaging en ethiek. U zult het wetgevend kader verfijnen en wij zullen u daarbij in de commissie voor de Justitie zeer graag steunen: hoe meer verfijning en hoe meer ethische garanties, hoe beter.

 

U spreekt voorts over vijf jaar afkoeling, maar ik wil u toch vragen of tien jaar niet beter is, want ik denk niet dat iemand na vijf jaar al is afgekoeld als hij uit die sector komt.

 

Een externe studie, ten slotte, is goed, maar hebt u al enig idee wanneer die externe studie klaar zal zijn? Ik zal er u alleszins later nog over bevragen.

 

04.05  Marco Van Hees (PTB-GO!): Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Je prends note qu'aucun contact direct n'a eu lieu avec votre cabinet. Je prends note du fait que vous considérez qu'il y a effectivement un problème de déontologie sérieux qui se pose dans le cas présent. Je prends note enfin, avec satisfaction, du fait que vous allez affiner le cadre juridique pour étendre ce que vous appelez la "période de refroidissement" à d'autres fonctions, et notamment aux personnes qui font du lobbying.

 

Je dirais simplement pour conclure que le problème des portes tournantes se pose à mon avis assez régulièrement, à différents niveaux de l'État. Je pense qu'on n'y attache pas assez d'importance. Je prends en tout cas note avec satisfaction de votre décision.

 

04.06  Brecht Vermeulen (N-VA): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik heb mijn vragen helaas niet kunnen stellen omdat ik op dat moment luisterde naar een antwoord van minister Jambon op een andere vraag van mij in de commissie voor de Binnen­landse Zaken. Spijtig dat de andere collega's niet echt enige hoffelijkheid aan de dag wisten te leggen door even te wachten want men wist dat ik er aankwam.

 

Ik beluister, mijnheer de minister, dat u de Kansspelcommissie als een sterke regulator wilt laten optreden. U hebt ook al eerder aangekondigd dat er 20 extra personeelsleden zouden worden aangeworven. Dit is alleszins nodig want op dit moment dreigt de Kansspelcommissie een papieren tijger te worden bij gebrek aan mensen en middelen.

 

Wat het concrete geval betreft, meen ik dat het kader, ook al verloopt alles op een juridisch correcte manier, veel scherper en duidelijk mag worden gesteld zodat de ethische normvervaging in de toekomst wordt vermeden.

 

Wat betreft de duur van de afkoelingsperiode tot 10 jaar na pensioen, mevrouw Lambrecht, meen ik dat iedereen dan wel heel veel langer zal moeten werken vooraleer met pensioen te kunnen gaan.

 

De voorzitter: Mijnheer Vermeulen, ik dacht dat u onderweg was. Het werd mij zo gesignaleerd. Ik meen dan ook dat u de collega's dit niet hoeft te verwijten. Wij dachten dat u er meteen zou aankomen. Mijn excuses! Het is niemand zijn schuld.

 

04.07  Marco Van Hees (PTB-GO!): Je pense que Mme Lambrecht et moi-même, nous aurions répondu favorablement à la demande de postposer. Si la demande nous avait été faite, nous n'aurions eu aucun problème à répondre à cette demande.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vraag nr. 24021 van de heer Maingain wordt uitgesteld.

 

05 Question de M. Marco Van Hees au ministre de la Justice sur "la tête d'un citoyen belge mise à prix par l'État turc" (n° 24040)

05 Vraag van de heer Marco Van Hees aan de minister van Justitie over "een door de Turkse Staat gezette prijs op het hoofd van een Belgische burger" (nr. 24040)

 

05.01  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, c'est avec beaucoup d'inquiétude que nous avons appris la décision de l'État turc de placer le citoyen belge Bahar Kimyongür sur la liste des terroristes les plus recherchés avec une récompense de 214 000 euros promise pour tout renseignement menant à sa capture. C'est une affaire grave, et d'autant plus quand on sait, d'une part, que dans un décret l'État turc accorde l'immunité à tous les civils, quelle que soit la nature de leurs actes, dès lors qu'ils agissent au nom de l'antiterrorisme ou pour prévenir une tentative de renversement du gouvernement; et d'autre part, que de nombreux opposants à l'État turc ont été tués ou attaqués ces dernières années, y compris en Europe.

 

Rappelons que Bahar Kimyongür a été acquitté pour ces faits allégués de terrorisme (l'affaire dite du DHKP-C) et que, malgré les pressions de la Turquie et le concours prêté par plusieurs États européens, dont la Belgique, à celle-ci, son arrestation et extradition ont toujours été refusées par la justice des différents pays où cela a été tenté.

 

 La justice a clairement établi que le travail d'information réalisé par M. Kimyongür relevait de la liberté d'opinion et ne pouvait nullement être assimilé à des actes de terreur. Le 22 août 2014, Interpol a d'ailleurs officiellement retiré la "notice rouge" visant le ressortissant belge. Aujourd'hui l'État turc repasse à l'offensive, et on ne peut que s'inquiéter de cette mesure au niveau des droits démocratiques.

 

Monsieur le ministre, quelle est la position officielle du gouvernement à la suite de cette décision de mettre la tête d'un citoyen belge à prix? Quelles sont les mesures prises par le gouvernement? Et plus précisément, en votre qualité de ministre de la Justice, quelles sont les mesures qui peuvent être prises au niveau juridique par M. Kimyongür? Comment la menace a-t-elle été évaluée pour M. Kimyongür? Et quelle protection l'État belge va-t-il offrir à son ressortissant?

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Van Hees, il n'existe pas de possibilité légale pour la Belgique d'empêcher la Turquie de poursuivre pénalement certaines personnes.

 

Un acquittement prononcé en Belgique n'est pas opposable à la Turquie. La Belgique s'opposera toutefois fermement à ce que les mesures prises en Turquie, y compris un quelconque avis de recherche assorti d'une récompense, aient un impact sur le territoire belge en dehors des mécanismes de coopération judiciaire applicables.

 

Ces mécanismes sont strictement encadrés, notamment par l'impossibilité pour la Belgique d'extrader ses nationaux. Quiconque tenterait de donner suite à une telle mesure turque sur le territoire belge tomberait immédiatement sous le coup de la loi pénale belge.

 

Comme cela a déjà été rappelé par le passé, la Belgique ne tolérera pas que les conflits internes à la Turquie soient exportés en Belgique.

 

La question d'une protection éventuelle accordée à l'intéressé concerne au premier chef le Centre de Crise, et donc le ministre de l'Intérieur.

 

Je peux enfin vous communiquer que les évaluations de la menace ont bien été demandées et que des mesures sont prises en fonction de son niveau d'évaluation. Il m'est impossible de vous informer davantage pour le moment.

 

05.03  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, je vous remercie. J'entends bien votre réponse. J'aurais aimé obtenir davantage d'informations, notamment sur l'évaluation de la menace.

 

S'agissant ensuite de la protection, j'ai bien compris qu'elle incombait au ministre de l'Intérieur. Je vous avais adressé ma question ainsi qu'au ministre des Affaires étrangères. J'aurais pu également interroger votre collègue de l'Intérieur, mais je pensais qu'en me limitant à deux destinataires, j'aurais pu recevoir une réponse quant aux protections pouvant être accordées à un citoyen belge qui remplit simplement une mission d'information.

 

Aujourd'hui, une carte blanche est publiée dans Le Soir en vue de demander que l'État belge prenne toutes les mesures pour veiller à la sécurité de Bahar Kimyongür. Comme le rappelle ce texte, la situation en Turquie est assez inquiétante: des dizaines de journaux ont été fermés, plus de 50 000 opposants sont emprisonnés, des milliers de fonctionnaires ont été licenciés. Je vous donne lecture d'un extrait: "C'est dans ce contexte qu'une nouvelle campagne est menée par le gouverne­ment turc pour terroriser ceux qui, à l'étranger, persistent à incriminer son autoritarisme, le règne de la force brute et les lois d'exception".

 

J'espère que le gouvernement prend vraiment la mesure de cette affaire et que de réelles mesures de protection sont prises.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Verschillende vraagstellers van de samengevoegde vragen onder agendapunt 8 zijn onderweg. Vermits er onderweg verschillende hindernissen kunnen zijn, zullen wij dit agendapunt even overslaan.

 

06 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "grondslapers in de gevangenis van Hasselt" (nr. 24134)

06 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les personnes dormant à même le sol dans la prison de Hasselt" (n° 24134)

 

06.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, de gevangenis van Hasselt werd 13 jaar geleden gebouwd voor 340 mannen en 30 vrouwen, dit om de gedetineerden in een menswaardige omgeving hun detentie te laten uitzitten. Momenteel kampt de gevangenis van Hasselt met een overbevolking van 200 gedetineerden en slapen er, blijkens uw eerder antwoord op een van mijn vragen, 76 gedetineerden op de grond, namelijk 67 mannen en 9 vrouwen.

 

Mijnheer de minister, waarom is het probleem van grondslapers net in Hasselt zo groot?

 

Wat zijn de specifieke oplossingen voor de gevangenis te Hasselt?

 

 Voorzitter: Koenraad Degroote

 Président: Koenraad Degroote

 

06.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, eerst en vooral moet ik onderstrepen dat de gevangenis te Hasselt voornamelijk een arresthuisfunctie heeft en dat de penitentiaire administratie bijgevolg geen impact heeft op de instroom aan gedetineerden. De instroom aan gedetineerden in voorhechtenis is de voorbije maanden sterk toegenomen. De overbevolking situeert zich dus in het bijzonder in deze categorie van gedetineerden en geeft aanleiding tot het onderbrengen van meer dan één gedetineerde per cel.

 

Niettemin verblijven ook in deze gevangenis gedetineerden die men om diverse redenen alleen op een cel moet plaatsen. Los van individuele factoren geldt dit bijvoorbeeld ook voor de gedetineerden op de drugsvrije afdeling en op de deradexafdeling, om redenen specifiek aan deze afdelingen. Hierdoor concentreert de over­bevolking zich dus in een aantal andere afdelingen van de gevangenis. Dit heeft ertoe geleid dat een aantal gedetineerden op een matras op de grond moet slapen.

 

De administratie bewandelt twee pistes om aan dit probleem een oplossing te bieden. In eerste instantie bekijkt men een materiële oplossing, die erin bestaat om in aantal cellen stapelbedden te plaatsen. In tweede instantie probeert men om een aantal veroordeelde gedetineerden over te brengen naar andere gevangenissen. Zo werden gedurende de voorbije weken 32 gedetineerden overgeplaatst.

 

Momenteel is het aantal grondslapers in Hasselt gedaald naar 56. De uitvoering van de hierboven vermelde maatregelen moet dat cijfer verder terugdringen en tot 0 herleiden.

 

06.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, dat het aantal grondslapers van 56 zal dalen naar 0 ligt in de lijn van uw antwoord op mijn vorige vraag. Vorige week zei u dat het nog 6 weken zal duren. Ik mag er dus van uitgaan dat het aantal grondslapers binnen 5 weken tot 0 kan worden herleid.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Koenraad Degroote aan de minister van Justitie over "de eigengereide houding van de directeur van de proefbank ten aanzien van wapenvergunningen" (nr. 24142)

07 Question de M. Koenraad Degroote au ministre de la Justice sur "l'attitude capricieuse du directeur du banc d'épreuves en ce qui concerne les permis de port d'arme" (n° 24142)

 

07.01  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, er blijven berichten binnenkomen over de eigengereide houding van de ad-interimdirecteur van de Proefbank voor vuurwapens. Thans verneem ik dat er grote onvrede heerst bij de erkende wapenhandelaren. Zij nemen het niet dat diverse collega's geweigerd worden omdat ze geen Belg zijn, ondanks jarenlang toegelaten te zijn. Zij nemen het ook niet dat wapenhandelaren wiens personeel zich aanbiedt, geweigerd worden, vermits zij dan zelf zouden moeten gaan. Diezelfde redenering wordt niet gevolgd bij grote firma's zoals FN-Browning, waar het niet de verantwoordelijke zelf is die moet gaan.

 

Artikel 5 van de wapenwet laat nochtans uitdrukkelijk toe dat personen onder gezag, leiding en toezicht van een erkend wapenhandelaar de activiteiten zoals het vervoer van wapens, mogen uitvoeren. De wet voorziet daarom uitdrukkelijk in de verplichting om de gouverneur in te lichten over de indiensttreding van personeel. Kunt u toelichten op welke wettelijke basis de ad-interimdirecteur van de proefbank thans weigert dat personen die optreden voor rekening van erkende wapen­handelaars zich aanbieden?

 

Voorts gaat de ad-interimdirecteur, die de hoedanigheid heeft van officier van gerechtelijke politie, systematisch over tot de inbeslagname van semiautomatische wapens die ooit geconverteerd werden uit automatische wapens. Semiautoma­tische wapens zijn op basis van artikel 3, § 3, van de wapenwet ingedeeld als vergunningsplichtig. De gouverneurs kennen daarom al sedert de nieuwe wapenwet vergunningen toe voor dergelijke wapens. Met andere woorden, een burger die een door de gouverneur vergund wapen aankoopt, riskeert dat een andere overheid, namelijk de proefbank, dat wapen in beslag neemt, omdat de ad-interimdirecteur voorwaarden aan de wapenwet toevoegt. Een dergelijke houding ondermijnt het vertrouwen dat burgers moeten hebben in de wetgeving, waardoor ook het vertrouwen in de door de regering voorgestelde amnestiemaatregel wordt ondergraven. Zult u maatregelen nemen om die wanpraktijk bij de proefbank te doen ophouden? Zo ja, welke?

 

In antwoord op een vorige week gestelde mondelinge vraag hebt u, op basis van paragraaf 3.1.4 van de rondzendbrief van 25 oktober 2011, aangegeven aan dat erkende handelaars die materiaal voor ordediensten bestellen – materiaal dat verboden is voor de particuliere markt – slechts de hoeveelheid kunnen bestellen die op de bestelbon vermeld is. U verklaarde dat er geen stock kan worden aangelegd. Nochtans, de rondzendbrief van 25 oktober 2011 is geen bindende rondzendbrief. In de inleiding ervan staat immers te lezen: "Op geen enkele manier mag deze rondzendbrief worden gelezen als een uitbreiding, wijziging, vervanging of schrapping van bestaande wettelijke of reglementaire bepalingen."

 

Welnu, artikel 27, § 1 van de wapenwet stelt dat de wet niet van toepassing is op bestellingen voor ordediensten. Nergens in de wet is te lezen dat dit betekent dat voor elke bestelling vereist is dat de bestelde hoeveelheid één op één overeenstemt met de aangekochte. De wapenwet laat dus zeker toe dat wapenhandelaars die kunnen aantonen dat zij regelmatig bestellingen van ordediensten ontvangen, een beperkte voorraad aanhouden om te kunnen beantwoorden aan vragen van ordediensten voor dringende levering.

 

Het in de rondzendbrief ingenomen standpunt kan de openbare veiligheid in het gedrang brengen omdat dat standpunt belet dat ordediensten op een snelle manier aan het materiaal geraken dat ze nodig hebben. De strenge voorwaarden voor de erkenning als wapenhandel, de jaarlijkse controles door de federale politie en de strenge straffen bij inbreuken bieden voldoende garanties voor een strikte toepassing van die uitzondering.

 

Mijnheer de minister, bent u bereid, in het licht daarvan, om het in de rondzendbrief weergegeven standpunt te herzien en toe te laten dat erkende wapenhandelaars die kunnen aantonen dat ze geregeld leveren aan ordediensten ook een stock kunnen aanhouden om op vragen van dringende levering van ordediensten te kunnen ingaan?

 

Indien u niet bereid bent om daarop in te gaan, kunt u dan bevestigen dat de rondzendbrief van 25 oktober 2011 toch bindende kracht heeft?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Degroote, overeenkomstig de wapenwet dienen de personen die activiteiten uitoefenen onder het gezag, de leiding en het toezicht van een erkend wapenhandelaar niet afzonderlijk te worden erkend. Hun indiensttreding moet wel gemeld worden aan de gouverneur. De Proefbank voor vuurwapens weigert enkel diensten te verlenen aan personen die niet kunnen aantonen dat zij aan die voorwaarden voldoen. Het gaat dan bijvoorbeeld om familieleden van wapen­handelaars.

 

Voor buitenlandse wapenhandelaars kan de proefbank niet nagaan of zij effectief erkend zijn en of zij de wapens die zij aanbieden wel legaal in hun bezit hebben. Wij hebben dat probleem intussen opgelost via een koninklijk besluit van 26 februari 2018.

 

De proefbank kan voortaan alleen nog wapens neutraliseren of vernietigen indien de aanvrager een attest van de politie voorlegt dat aantoont dat hij het wapen legaal in zijn bezit heeft en dat het niet geseind staat. Deze regeling geldt ook voor Belgische handelaars en particulieren.

 

De procedure wordt van kracht op 14 maart. Ik verwacht dus dat er vanaf dan geen problemen hiermee meer zullen zijn.

 

Voor de omzetting van volautomatische vuurwapens liet de proefbank ons weten dat er niet kan worden gegarandeerd dat de omzetting onomkeerbaar is. Mijn diensten gaan daarom na of de mogelijkheid tot omzetting in de toekomst nog kan worden behouden.

 

Vuurwapens die in het verleden door de Belgische proefbank al zijn omgezet, blijven voorlopig geldig en zullen dus niet in beslag worden genomen. De proefbank heeft op haar website en in haar atelier duidelijk aangegeven dat ze voorlopig geen omzettingen meer zal uitvoeren.

 

U had ook een vraag over het aanleggen van een stock van verboden wapens. Ik blijf de mening toegedaan dat de wapenwet dit momenteel niet toelaat. De ministeriele rondzendbrief is niet bindend maar geeft een duidelijke interpretatie die conform de wet is.

 

Indien de politiediensten problemen met bestellingen ondervinden, stel ik voor dat ze ons dit laten weten zodat we dit nader kunnen bekijken.

 

In het algemeen kan ik u nog zeggen dat de directeur ad interim van de proefbank de regels correct wil toepassen zodat de openbare veiligheid gewaarborgd blijft.

 

Mijn diensten werken steeds samen met de proefbank en andere partners om oplossingen uit te werken, waar nodig.

 

07.03  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Uit uw antwoord leid ik af dat de problemen die worden gesignaleerd op het niveau van de proefbank blijkbaar anders worden geïnterpreteerd en het allemaal niet zo'n vaart loopt. Ik zal dit laten onderzoeken.

 

Het valt wel op dat er de laatste tijd heel wat klachten binnenkomen. Het kan niet zijn dat de directie van de proefbank kennis neemt van de klachten, er een sausje over giet en het hier presenteert als dat er geen vuiltje aan de lucht zou zijn.

 

Met betrekking tot het niet verder in beslag nemen van bepaalde wapens kijk ik met belangstelling uit naar het verdere verloop want ik ontvang daarover ook regelmatig klachten.

 

Ik denk dat deze situatie blijvend moet worden opgevolgd. Dank u voor engagement, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Kristof Calvo aan de minister van Justitie over "het onderzoek naar de sabotage van Doel 4" (nr. 24071)

08 Question de M. Kristof Calvo au ministre de la Justice sur "l'enquête sur le sabotage de Doel 4" (n° 24071)

 

08.01  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het is ondertussen al enige tijd geleden, sinds 5 augustus 2014, dat de kernreactor van Doel 4 werd stilgelegd, nadat de stoomturbine oververhit geraakte door het kwaadwillig laten weglekken van smeerolie. Sindsdien passeert dat incident regelmatig de revue als de sabotage van Doel 4.

 

Voorzitter: Raf Terwingen.

Président: Raf Terwingen.

 

In december 2014 hebt u in onze commissie op vraag van mijn collega Van Hecke verklaard dat het onderzoek naar de sabotage lopende was en dat het was gefederaliseerd. Ik heb het volledige citaat opgenomen in de schriftelijke versie van mijn vraag. Ik besef dat enige terughoudendheid op haar plaats is. Desalniettemin is het intussen al enige tijd geleden en is er nog altijd geen duidelijkheid over de sabotage, terwijl het toch over een belangrijk incident gaat.

 

Vandaar mijn relatief eenvoudige vraag aan u als minister van Justitie. Wat is de stand van zaken van het onderzoek? U zult begrijpen dat wij de kwestie met bijzondere aandacht volgen.

 

08.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Calvo, de aangehaalde feiten maken nog steeds het voorwerp uit van een gerechtelijk onderzoek bij de onderzoeksrechter in Dendermonde, op vordering van het federaal parket. Dat onderzoek loopt en wordt onverminderd voortgezet.

 

In het licht van de scheiding der machten ben ik, om het geheim van het vooronderzoek en het onderzoek niet in het gedrang te brengen, ertoe verplicht mij te onthouden van elke mededeling van een detail over de feiten of het onderzoek. Het spijt mij.

 

08.03  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik gaf zelf al aan dat enige terughoudendheid op haar plaats is. Mij verwondert het dat het onderzoek nog altijd lopende is en dat er nog altijd geen duidelijkheid is. Dat plaatst toch ook grote vraagtekens bij de nucleaire veiligheid.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van de heer Kristof Calvo aan de minister van Justitie over "de onderzoeken naar nucleaire export" (nr. 24072)

09 Question de M. Kristof Calvo au ministre de la Justice sur "les enquêtes relatives aux exportations nucléaires" (n° 24072)

 

09.01  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ook in verband met het onderzoek naar de nucleaire export past enige terughoudendheid.

 

Waarover gaat het dossier, dat zeer relevant is en al een vrij lange voorgeschiedenis heeft? In 2010 kwam via parlementaire vragen een export van gammagrafietoestellen met verarmd uranium naar Iran aan het licht, een inbreuk op de wet van 9 februari 1981 houdende de voorwaarden voor export van kernmaterialen en kernuitrustingen alsmede van technologische gegevens. Op regelmatige basis ondervraag ik de minister van Energie over de materie en bij het recentste antwoord bleek dat het gerechtelijk onderzoek nog altijd lopende is. De minister van Energie verwees naar u voor een stand van zaken.

 

Nu het onderzoek zo lang aansleept, kunt u mij een stand van zaken geven in het onderzoek naar export van gammagrafietoestellen naar Iran?

 

Ondertussen zou er ook een nieuw juridisch onderzoek zijn geopend, blijkt uit het antwoord van de minister van Energie. Er zou sprake zijn van mogelijk nieuwe inbreuken op de wet van 9 februari 1981. Kunt u meer informatie geven over de stand van dat onderzoek, waar en hoe dat wordt gevoerd?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Calvo, de gevraagde informatie betreft opnieuw gerechtelijke dossiers, die door het geheim van het onderzoek worden beschermd. Niettemin kan ik de volgende informatie meedelen, aangeleverd door het openbaar ministerie.

 

Het eerste dossier waarover u informatie vraagt, wordt actueel onderzocht door de onderzoeks­rechter in Charleroi. Het gaat om een Canadees bedrijf dat zijn Belgische site met nucleaire apparatuur voor medische doeleinden heeft verkocht aan een ander buitenlands bedrijf, waarbij een financiële provisie werd aangelegd, zodat de koper het nucleaire afval kon verwerken. Het onderzoek heeft drie onderdelen: eentje inzake de afwending van fondsen, eentje inzake het achterlaten van nucleair afval en eentje inzake de export van nucleair materiaal naar Iran. Het moet worden vermeld dat het uitgevoerde materiaal niet gevaarlijk was. Dat onderzoek neemt enige tijd in beslag door de internationale rechtshulpverzoeken, die in dat verband moeten worden uitgevoerd.

 

Het tweede dossier betreft een opsporingsonderzoek gevoerd door de procureur des Konings van Charleroi inzake de niet-naleving van de Belgische nucleaire wetgeving. Het zijn schendingen van de wet van 9 februari 1981, met name het gebruik van verouderd materiaal op de nucleaire site die voorkomt in het aangehaalde dossier. Er moet worden opgemerkt dat er geen enkel risico voor de bevolking bestaat en dat het openbaar ministerie nauw samenwerkt met het Federaal Agentschap voor Nucleaire Veiligheid, dat ter plaatse zeer regelmatig controles uitvoert.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Questions jointes de

- M. Benoit Hellings au ministre de la Justice sur "les contrôles policiers visiblement abusifs concernant les personnes transgenres ayant entrepris une procédure de changement d'état civil" (n° 24053)

- Mme Fabienne Winckel au ministre de la Justice sur "le non-respect de la loi facilitant le changement d'état civil pour les personnes transgenres" (n° 24065)

- Mme Karin Jiroflée au ministre de la Justice sur "l'application de la loi sur les transgenres" (n° 24132)

- M. Marco Van Hees au ministre de la Justice sur "le contrôle systématique des transgenres par deux procureurs" (n° 24140)

- M. Olivier Maingain au ministre de la Justice sur "les interrogatoires de personnes transgenres ayant entamé une procédure de changement d'état civil" (n° 24155)

- M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "les contrôles policiers intrusifs envers les personnes transgenres" (n° 24179)

10 Samengevoegde vragen van

- de heer Benoit Hellings aan de minister van Justitie over "de duidelijk onrechtmatige politiecontroles met betrekking tot transgenders die een procedure voor een wijziging van de geslachtsregistratie in de akten van de burgerlijke stand hebben opgestart" (nr. 24053)

- mevrouw Fabienne Winckel aan de minister van Justitie over "de niet-naleving van de wet betreffende de wijziging van de geslachtsregistratie in de akten van de burgerlijke stand voor transgenders" (nr. 24065)

- mevrouw Karin Jiroflée aan de minister van Justitie over "de toepassing van de transgenderwet" (nr. 24132)

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Justitie over "het systematische verhoor van transgenders door twee procureurs" (nr. 24140)

- de heer Olivier Maingain aan de minister van Justitie over "het verhoor van transgenders die een procedure voor een aanpassing van de geslachtsregistratie in de akten van de burgerlijke stand hebben opgestart" (nr. 24155)

- de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "de indringende politieverhoren van transgenders" (nr. 24179)

 

De voorzitter: De heren Van Hees en Maingain zijn niet aanwezig, evenals mevrouw Jiroflée.

 

10.01  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, d'après le journal Le Soir de ce 2 mars, plusieurs personnes transgenres ayant demandé un changement d'état civil ont reçu une convocation de la police et auraient ensuite fait l'objet d'interrogatoires très poussés, ceci dans les arrondissements judiciaires de Liège, du Hainaut et du Luxembourg.

 

Depuis l'adoption de la loi du 25 juin 2017, à laquelle nous avons tous beaucoup travaillé dans cette commission, qui est entrée en vigueur ce 1er janvier, le procureur du Roi peut rendre un avis dans un délai de trois mois à partir du dépôt de la demande. Si l'avis est favorable, la personne demandeuse repasse devant les services de la population de la commune et obtient ainsi rapidement sa nouvelle identité.

 

En réponse à un courrier qu'un intéressé vous avait adressé au sujet de contrôles vécus comme abusifs, vous aviez déclaré: "Le ministère public n'interviendra donc pas systématiquement". Or, il semblerait qu'en tout cas à Liège, ces convocations policières, et les enquêtes approfondies qui en sont la conséquence, soient automatiques, au nom des risques d'usurpation d'identité et de lutte contre le terrorisme – ce qui semble particulièrement bizarre.

 

Monsieur le ministre, au-delà de la mise à l'ordre du jour de la problématique au Collège des procureurs généraux, quelles mesures allez-vous prendre pour mettre fin à ces interrogatoires disproportionnés, inutiles, vexatoires et au caractère systématique de la vérification du ministère public dans ces procédures qui avaient été pensées comme apaisantes et donc rapides par le législateur?

 

Quel message du gouvernement a-t-il été délivré lors de la réunion du collège en question qui s'est tenue vendredi dernier?

 

Pourriez-vous me préciser comment la mention au registre national des personnes transgenres est organisée? Tout est-il mis en œuvre pour que l'éventuel ancien numéro de registre national soit d'une façon ou d'une autre relié avec l'éventuel nouveau numéro, afin de garder une trace de cette évolution, dans l'hypothèse où une enquête judiciaire s'avérait nécessaire plus tard?

 

Pourriez-vous nous rassurer sur le fait qu'un changement de sexe ou de genre n'annule évidemment pas un casier judiciaire éventuel?

 

10.02  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, récemment, plusieurs associations se sont plaintes de contrôles abusifs dans le cadre de procédures de changement de sexe. Ainsi, alors que - vous le précisiez récemment - le ministère public n'a pas à intervenir systématiquement, il semble que cela soit le cas dans plusieurs arrondissements judiciaires wallons.

 

Les personnes désirant changer de sexe et ayant entamé les démarches auprès de l'état civil, se retrouvent donc systématiquement convoquées pour répondre à des questions relevant souvent de l'ordre de l'intime. Ces convocations sont, semble-t-il, motivées par des craintes en matière d'usurpation d'identité. Pourtant, les exemples étrangers nous montrent qu'aucune personne n'a jamais utilisé cette procédure comme moyen de fraude. Les associations estiment que ce faisant, les procureurs du Roi outrepassent leurs prérogatives et qu'il faut "les former à ces questions-là car ils n'ont aucune idée de ce qu'est une personne transgenre".

 

Monsieur le ministre, vous l'avez répété à maintes reprises, la loi est claire. Confirmez-vous que de tels contrôles systématiques ont lieu dans certains arrondissements? Quelle est votre opinion à ce sujet? Il m'est revenu que le sujet avait été récemment porté à l'ordre du jour du Collège des procureurs généraux. Cela a-t-il bien été le cas? Dans l'affirmative, qu'en est-il ressorti?

 

10.03  Koen Geens, ministre: L'objectif annoncé du législateur était, en effet, l'assouplissement de la procédure existante de changement de sexe. Le législateur a ainsi prévu que le ministère public puisse rendre un avis dans un délai de trois mois. Au-delà de ce délai, l'absence d'avis sera considérée comme un avis favorable.

 

Comme en toute matière affectant l'état de la personne, il appartient au ministère public d'intervenir lorsque l'ordre public l'exige, comme le prévoit l'article 138bis, §1er du Code judiciaire. L'article 62 du Code civil ne fait que transposer ce principe dans le cadre de la procédure en modification de l'enregistrement du sexe. Les travaux préparatoires à la circulaire du 15 décembre 2017 relative à cette loi donnent des indications quant à l'étendue des pouvoirs de contrôle du ministère public dans ce domaine. Comme le précise cette circulaire, le simple fait d'avoir un casier judiciaire ne suffit pas à rendre un avis négatif. Cet avis doit reposer sur d'autres éléments.

 

Par conséquent, une audition par la police à la demande du procureur du Roi ne peut avoir lieu que lorsqu'il existe des indices de contrariété à l'ordre public et ne peut donc pas être systématique. Si audition il y a, elle doit se faire dans le respect de la personne transgenre.

 

Même si le droit au respect de la vie privée peut être limité par des considérations d'ordre public, cette atteinte doit rester proportionnée comme l'a affirmé la Cour européenne des droits de l'homme à de nombreuses reprises. J'ai à nouveau clarifié cette problématique durant la concertation avec le Collège des procureurs généraux qui s'est tenu vendredi dernier. Tout comme vous, j'ai été informé des pratiques en provinces de Liège et du Hainaut par les organisations de défense des transgenres et par quelques citoyens. Mon administration ne dispose pas de chiffres sur le nombre de personnes qui auraient été touchées par ce genre de pratiques.

 

In verband met de maatregelen, ik wens erop te wijzen dat het College van procureurs-generaal bevoegd is om richtlijnen te geven met betrekking tot zaken waarover het advies verstrekt werd, niet de minister van Justitie noch de staatssecretaris van Gelijke Kansen. Het gaat onder meer over de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en betreffende de aanpassing van de registratie van het geslacht van een persoon in zijn akte van geboorte, respectievelijk punt 12 en punt 17 van de wet van 10 mei 2007. Die richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van de richtlijnen binnen hun rechtsgebied.

 

Le réseau d'expertise en matière civile du Collège des procureurs généraux a été chargé par celui-ci d'examiner la mise en oeuvre de cette nouvelle législation.

 

Le Collège décidera, sur la base de cet examen, s'il y a lieu d'adresser une circulaire afin d'encadrer les pratiques des différents parquets et des services de police en cette matière.

 

Quoi qu'il en soit, les procureurs du Roi de Liège et de Mons m'ont déjà fait savoir qu'ils allaient modifier leurs propres directives dans ce domaine. Je n'ai pas connaissance des pratiques des autres ressorts.

 

D'après les informations que le SPF Intérieur m'a communiquées, le changement de l'enregistrement de sexe entraîne l'attribution d'un nouveau numéro de registre national. Le numéro de registre national antérieur est annulé. Les mentions TI 002 et TI 250 du registre national de la personne font, toutefois, effectivement le lien entre le dossier annulé et le nouveau dossier, ce qui permettra aux autorités de garder une trace du précédent dossier.

 

Pour de plus amples informations sur ce point, je vous invite à vous adresser à mon collègue de l'Intérieur qui est en charge du registre national.

 

Enfin, un changement de sexe n'entraîne nullement la suppression d'un éventuel casier judiciaire. Si une personne ayant un casier judiciaire change de sexe, les données relatives à son identité sont mises à jour automatiquement et le changement de sexe est directement enregistré dans le casier judiciaire central. En effet, l'application CJCS-CG du casier judiciaire central reçoit quotidiennement les mutations, c'est-à-dire les modifications du registre national des personnes physiques. Ces mutations contiennent notamment les changements de nom, de prénom et de sexe. Les changements de numéros nationaux sont également pris en compte. Les anciennes identités restent stockées dans les dossiers du casier judiciaire central. Il est donc toujours possible de retrouver dans ce dernier une identité, même si elle a été modifiée par la suite.

 

Il y a actuellement dans le casier judiciaire central 242 personnes pour lesquelles un changement de sexe a été enregistré.

 

10.04  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos précisions.

 

Donc, il n'y a pas du tout de danger, ni de raison pratique, sécuritaire ou politique de mener ces enquêtes extrêmement intrusives puisque les données sont conservées quand on passe d'un numéro national à un autre et que le casier judiciaire n'est pas annulé. Il revient donc aux parquets d'être beaucoup plus souples.

 

Le ministère public a clairement outrepassé ses droits, en tout cas à Liège. Je suis donc heureux d'apprendre qu'il a été "recadré" par les procureurs. Vous ne devrez donc peut-être pas faire d'autres démarches. En tout cas, vous avez été limpide dans votre réponse: la loi visait à simplifier et à faciliter une démarche qui n'est pas évidente. Espérons que les arrondissements judiciaires concernés soient informés de l'échange que nous venons d'avoir.

 

10.05  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je suis également très content de votre réponse qui remet bien les choses au clair. Je suis heureux que la réunion ait eu lieu avec le Collège des procureurs généraux et soit allée dans le sens qui nous paraît le plus logique, et qui est le vôtre également.

 

À titre personnel, j'aimerais qu'il y ait une circulaire pour clarifier les choses, d'autant qu'il s'agit d'une nouvelle matière pour beaucoup de personnes impliquées dans ces modifications.

 

Vous avez évoqué le nombre de 242 changements au fichier central. Depuis quand? Depuis janvier?

 

10.06  Koen Geens, ministre: Je vous répondrai par mail si vous le permettez.

 

10.07  Jean-Jacques Flahaux (MR): D'accord. C'est très gentil. Je vous remercie de votre précision.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Ceci clôture notre première partie d'après-midi. Nous reprendrons nos travaux quand la majorité sera en nombre, ce qui n'est pas le cas pour l'instant.

 

Le développement des questions se termine à 15.41 heures.

De behandeling van de vragen eindigt om 15.41 uur.