Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 21 februari 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 21 février 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De behandeling van de vragen vangt aan om 14.49 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

Le développement des questions commence à 14.49 heures. La réunion est présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

01 Samengevoegde vragen van

- de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de uitnodigingen van de BBI ten aanzien van belastingplichtigen om zich te wenden tot het Contactpunt regularisaties" (nr. 23533)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de onderzoeksdaden en de fiscale regularisatie" (nr. 23593)

01 Questions jointes de

- M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les invitations envoyées par l'ISI aux contribuables afin qu'ils s'adressent au Point de contact-régularisation" (n° 23533)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les devoirs d'enquête et la régularisation fiscale" (n° 23593)

 

De voorzitter: De heer Vanvelthoven is geëxcuseerd, maar de heer Deseyn handhaaft zijn vraag.

 

01.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik wil even voortborduren op vraag nr. 2024 inzake de fiscale regularisaties.

 

Mijnheer de minister, in uw antwoord op die vraag hebt u gesteld dat de fiscale regularisatie geen uitwerking heeft indien betrokkene vóór de aangifte van specifieke lopende onderzoeksdaden in kennis werd gesteld. Dat is precies waarover mijn vraag gaat. U hebt immers niet gespecificeerd of het uitsturen van vragen om inlichtingen onder het toepassingsgebied valt van artikel 6, 3° van de regularisatiewet.

 

Ik heb twee eenvoudige vragen.

 

Ten eerste, bevestigt u dat het sturen van vragen om inlichtingen naar Belgische belastingplichtigen valt onder het toepassingsgebied van artikel 6, 3° van de regularisatiewet?

 

Ten tweede, bevestigt u dat de fiscaal verjaarde kapitalen niet kunnen worden geregulariseerd indien zij vóór de indiening van de regularisatieaangifte in een lopend gerechtelijk onderzoek worden gevat?

 

01.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, om te beginnen verwijs ik naar mijn antwoord op de schriftelijke vraag nr. 2024, waarop u zelf hebt gealludeerd.

 

Ik kan nogmaals bevestigen dat de fiscale regularisatie geen uitwerking heeft indien men vóór de indiening van de regularisatieaangifte door een Belgische gerechtelijke instantie of een Belgische belastingadministratie schriftelijk in kennis is gesteld van lopende specifieke onderzoeksdaden.

 

Mijn antwoord is een beetje verweven met het antwoord op de vragen van de heer Vanvelthoven, maar ik neem aan dat u ook geïnteresseerd bent om die aspecten te vernemen.

 

Recent heeft de administratie een massa inlichtingen ontvangen van rekeningen van Belgen in het buitenland, onder andere via de zogenaamde nieuwe Common Reporting Standard. Voor de meeste rekeningen rijst er doorgaans geen probleem, maar fiscale en strafrechtelijke onderzoeken uit het verleden hebben aangetoond dat buitenlandse rekeningen ook werden gebruikt om zwarte inkomsten te verbergen of roerende inkomsten te verkrijgen zonder de betaling van roerende voorheffing.

 

Ik heb in de plenaire vergadering van 1 februari al toelichting gegeven omtrent het verjaard kapitaal.

 

Vooraleer een dossier zal worden overgemaakt aan het parket, zal de Algemene Administratie van de BBI de belastingplichtige uitnodigen om zijn fiscaal verjaard kapitaal te regulariseren bij het Contactpunt regularisaties. Ik benadruk dat het onderzoek van de Algemene Administratie van de BBI en de vragen om inlichtingen die werden en zullen worden uitgestuurd, enkel betrekking hebben op fiscaal niet-verjaarde periodes. De lopende specifieke onderzoeksdaden van de Belgische belasting­administratie hebben dus enkel betrekking op niet-verjaarde inkomsten. De regularisatie van het fiscaal verjaard kapitaal bij het Contactpunt regularisaties krijgt haar volledige uitwerking zodra de heffing is betaald, zelfs indien een vraag om inlichtingen werd verstuurd met betrekking tot de fiscaal niet-verjaarde perioden.

 

Wat ten slotte de vraag betreft over het feit dat bepaalde belastingplichtigen van de Algemene Administratie van de BBI een uitnodiging zullen krijgen of reeds hebben gekregen om hun wettelijke verplichtingen na te komen via het Contactpunt regularisaties, is het zo dat de selectiecriteria en de strategie voor de diverse controleacties van de Algemene Administratie van de BBI, waaronder deze die u viseert, enkel voor intern gebruik zijn vastgelegd en om evidente redenen niet kunnen worden gecommuniceerd. De Algemene Administratie van de BBI voert fiscale controles uit. Ik kan bevestigen dat het dossiers betreft waarvan de administratie een vermoeden heeft dat bepaalde inkomsten niet werden aangegeven.

 

De contacten tussen de belastingplichtigen en de administratie kunnen zowel schriftelijk als mondeling verlopen, afhankelijk van de situatie en de aard van het dossier. In dit stadium is het voorbarig om aantallen op te geven, daar de administratie voor deze actie nog in de opstartfase zit.

 

01.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor deze verduidelijking. Het is belangrijk dat verduidelijkt wordt dat het terugsturen van vragen gekoppeld wordt aan de fiscaal niet-verjaarde periodes. Het is belangrijk te weten dat alle procedures doorgang kunnen vinden en dat men de sommen waarop belasting verschuldigd is maximaal kan recupereren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 23532 van de heer Vanvelthoven is uitgesteld. Vraag nr. 23532 van mevrouw Galant is ingetrokken. Vraag nr. 23587 van de heer Terwingen is uitgesteld.

 

02 Samengevoegde vragen van

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de berekening van de toeslagen voor kinderen ten laste" (nr. 23592)

- mevrouw Veerle Wouters aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de nieuwe berekeningswijze van de belastingvermindering voor kinderen ten laste" (nr. 23734)

02 Questions jointes de

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le calcul des suppléments pour enfants à charge" (n° 23592)

- Mme Veerle Wouters au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la nouvelle méthode de calcul de la réduction d'impôt pour enfants à charge" (n° 23734)

 

Het gaat hier nog niet over wetgeving, maar over voorstellen.

 

02.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, ik borduur voort op de eerdere vragen nrs 9331, 9498 en 9624 over deze zeer technische kwestie.

 

U antwoordde naar aanleiding van die vragen dat er een wettelijke oplossing moest worden gevonden voor de problematiek van de grensarbeiders en de toekenning van de toeslagen voor de kinderen ten laste. Vanaf het aanslagjaar 2018 is die oplossing in de wet ingeschreven door de wet van 25 december 2017 houdende diverse bepalingen Ill.

 

Onlangs deed een zeer interessant artikel in Trends uit de doeken hoe een en ander wordt beoordeeld. Volgens het artikel gebeurt de beoordeling van de meest voordelige aanslag niet op basis van de hoofdsom, maar op basis van het totaal van de belasting Staat en de belasting op de roerende inkomstenbox voor de beide echtgenoten samen. De belastingvrije toeslagen voor gezinslasten worden zo vanaf aanslagjaar 2018 automatisch toegekend aan de belastingplichtige met het laagste belastbare inkomen, wanneer de optelsom van de belasting Staat en de belasting op de roerende inkomstenbox berekend voor dat gezin, lager is dan de optelsom wanneer de gezinstoeslagen worden toegekend aan de belastingplichtige met het hoogste inkomen. De aanrekening op het laagste inkomen wordt, indien dat voordeliger is, vanaf aanslagjaar 2018 de algemene regel.

 

Het is een merkwaardige vaststelling dat de beoordeling van de meest voordelige belastingberekening niet op basis van het eindsaldo van de berekening gebeurt, maar op basis van een tussensaldo.

 

Het komt erop neer, aldus het artikel, dat de beoordeling van de meest voordelige aanslag gebeurt vóór aanrekening van de meeste federale en alle gewestelijke belastingverminderingen, belastingkredieten en de gemeentebelasting, wat dus vaak leidt tot een op het niveau van de belasting Staat ogenschijnlijk voordeligere aanrekening van de toeslagen voor gezinslasten op het laagste inkomen, terwijl die aanrekening de facto nadeliger is op het niveau van het eindsaldo.

 

De aanpassing via de wet van 25 december 2017 blijkt dus niet voor iedereen een oplossing te bieden. Voor sommigen zou de belastingdruk hierdoor namelijk met meer dan 1 000 euro worden verhoogd. Dat komt blijkbaar door het feit dat de verplichte aanrekening van de gezinstoeslagen bij de belastingplichtige met het laagste inkomen in sommige gevallen de belasting­verminderingen voor de woonbonus en het pensioensparen fiscaal vrijwel volledig verloren doet gaan. Het was nochtans de bedoeling dat de wetswijziging geen gevolgen zou hebben voor de belastingafrekening van de betrokkenen. Het is een ook zeer technisch mechanisme door de verschillende berekenings­wijzen en de volgorde van de stappen.

 

Mijnheer de minister, is de regering zich ervan bewust dat door de wetswijziging sommige belastingplichtigen voor het aanslagjaar 2018 slechter af kunnen zijn dan tot nu toe het geval was, met de gewone toepassing van de methodiek van artikel 134 WIB?

 

Moet de wet bijgevolg niet worden gewijzigd? Hoe zult u met die problematiek omgaan?

 

Voor de betrokkenen is het immers een bittere pil als een goedbedoelde maatregel tot een negatief eindresultaat leidt. Het is een vrij complexe materie gezien de vele parameters die hierbij in het geding zijn en gelet op onze staatsstructuur.

 

02.02  Veerle Wouters (Vuye&Wouters): Mijnheer de minister, mijn vraag gaat dezelfde richting uit. De wet houdende diverse fiscale bepalingen III van 25 december 2017 wijzigde de wet betreffende de belastingvermindering voor kinderen ten laste. Vanaf het aanslagjaar 2018 kan de administratie de belastingvermindering voor kinderen ten laste namelijk toewijzen aan de partner met het laagste inkomen, indien dat voordeliger blijkt. De administratie zou dan voor de betrokken gezinnen zelf de berekening maken en automatisch de voordeligste methode kiezen.

 

Op zich was dat natuurlijk een goede zaak. We hebben jarenlang moeten wachten op een wettelijke oplossing voor de fiscale discriminatie van de gehuwde grensarbeiders. Ik was eind december dan ook zeer verheugd dat er eindelijk een oplossing kwam. Ik heb hier zelf wetsvoorstellen voor ingediend, zowel in de vorige legislatuur als in deze legislatuur. Aangezien de administratie het voortaan op zich zou nemen om de beste berekening te maken, wou ik niet eisen dat de oplossing uit mijn wetsvoorstel zou worden gebruikt.

 

Mijn voorstel was om gehuwden simpelweg de keuze te geven wie de kinderen ten laste neemt, zoals dit momenteel het geval is bij feitelijk samenwonenden. Misschien is het echter gemakkelijker als de berekening voor hen kan worden gemaakt.

 

Fiscalist Jef Wellens zei in Trends dat dit in een aantal gevallen inderdaad zo zal zijn, maar de huidige wetswijziging is blijkbaar niet voor iedereen een oplossing. Ik meen nochtans dat dit wel de bedoeling zou moeten zijn. De voordeligste berekening wordt niet bepaald op basis van het eindsaldo van die berekening, maar op basis van een tussensaldo en vóór de aanrekening van alle andere belastingverminderingen.

 

Mijn vragen zijn de volgende, mijnheer de minister. Klopt het dat de nieuwe berekeningswijze van de belastingvermindering voor sommige belastingplichtigen zelfs een verhoging van de belastingdruk betekent? Zo ja, zult u hiervoor de nodige stappen ondernemen? Ziet u misschien toch heil in een wetswijziging, over te nemen uit mijn wetsvoorstel, met name om de keuze over te laten aan de gehuwden zelf, zodat zij zelf de berekening kunnen uitvoeren?

 

Ten slotte, de nieuwe wet is in werking getreden vanaf aanslagjaar 2018. Voor aanslagjaar 2017 werd de regeling administratief toegepast. Hoeveel belastingplichtigen vroegen voor de voorgaande jaren ambtshalve ontheffing aan op basis van de arresten van het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof van Justitie?

 

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

 

02.03 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Wouters, mijnheer Deseyn, wanneer de inschatting of een stelsel al dan niet voordeliger is, plaatsvindt in een stadium van de berekening vóór het eindsaldo, houdt dat logischerwijze in dat bij die inschatting met een aantal elementen geen rekening wordt gehouden. Men kan dus niet uitsluiten dat een stelsel voordeliger is op het niveau van de belasting Staat, maar dat niet noodzakelijk ook nog is op het niveau van het eindsaldo. Het voorgaande is evenwel het rechtstreekse gevolg van de aanpassing door de wetgever in 2014 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. Toen werd namelijk beslist tot de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting, zij het evenwel in die zin dat vermeden diende te worden dat de toepassing van die gewestelijke belastingregels een impact zou hebben op de belastbare grondslag en de belasting Staat. Ten gevolge daarvan is toen bij wet beslist om vanaf aanslagjaar 2015 niet langer op het niveau van het eindsaldo, maar op het niveau van de belasting Staat in te schatten of de toepassing van onder meer de huwelijkscoëfficiënt en de globalisatie van de afzonderlijk belastbare inkomsten al dan niet voordeliger is voor de belastingplichtige. Diezelfde logica werd dan ook gevolgd voor de aanrekening van de toeslagen op de belastingvrije som in geval van een gemeenschappelijke aanslag.

 

Ik ben er mij, met andere woorden, van bewust dat die logica in een beperkt aantal gevallen niet het verhoopte resultaat geeft voor de belastingplichtigen, maar tegelijkertijd legt de zesde staatshervorming ons ook een aantal regels op die het ons niet toelaten om de zaken op een andere manier te bekijken of te berekenen.

 

02.04  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, uw uiteenzetting van de historiek was zeer interessant. Het verklaart de logica van een en ander. Soms lijkt het eindresultaat absurd, maar de logica is eigen aan het staatsbestel. Het toont de behoefte aan om meer interfederale fiscale conferenties te houden. Men zal immers maar net in die groep zitten die de negatieve effecten van een goedbedoelde maatregel ondervindt. De ratio is er dus wel degelijk. Wij moesten hier een vergelijk vinden, zodat het leidt tot een positiever resultaat voor de doelgroep die in die specifieke situatie zit.

 

Mijnheer de minister, de analyse die u maakt, is dat wij federaal niet de tools hebben om dat nu te verhelpen, in volledige volkomenheid. Het is dus een work in progress. De goede verstaander zal misschien begrijpen dat men met twee afrekeningen of met twee biljetten tot een zuiverdere situatie zal komen. Maar wij moeten nu uitleggen hoe dat sluitend kan worden geregeld. Het is niet zo dat ik op de barricade sta om grote hervormingen te bepleiten, maar het verklaart wel een en ander. De complexiteit van onze Staat heeft hier duidelijke repercussies voor de individuele belastingplichtige.

 

De voorzitter: Mevrouw Wouters, hebt u ook enkele institutionele bedenkingen?

 

02.05  Veerle Wouters (Vuye&Wouters): Mijnheer de voorzitter, natuurlijk, voor mij is de oplossing dat alles naar Vlaanderen komt, zodat wij het zelf kunnen bekijken.

 

Mijnheer de minister, u zegt dat dit de manier is waarop het berekend wordt sinds 2015. Er was natuurlijk wel een oplossing, namelijk door de gehuwden zelf de keuze te laten hoe zij hun belastingbrief invullen en aan wie zij de kinderen ten laste toewijzen. De feitelijk samenwonenden kunnen dat op dit ogenblik wel doen. Zij kunnen dat wel en kunnen dan wel voor zichzelf hun belastingbrief optimaliseren. Er blijft nu nog een verschil tussen die feitelijk samenwonenden en die gehuwden. Wij discussiëren daarover al jaren en er zijn uitspraken gedaan dat er geen gelijkheid is tussen die twee situaties. En nu is de situatie nog altijd niet voor iedereen opgelost.

 

Feitelijk samenwonenden kunnen zelf perfect berekenen wat voor hen fiscaal het meest optimaal is, terwijl door de berekening zoals die gebeurt sinds aanslagjaar 2015, de gehuwden – dat geldt natuurlijk niet voor alle gehuwden – nog altijd in een negatievere situatie kunnen zitten.

 

Mijnheer de eerste minister, ik heb geen antwoord gekregen op mijn laatste vraag naar het aantal belastingplichtigen die een ambtshalve ontheffing hebben gevraagd. Kunt u mij die tabel schriftelijk bezorgen, want ik kan begrijpen dat de termijn om die cijfers op te vragen te kort was?

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de M. Gilles Vanden Burre au premier ministre sur "le projet de taxation des GAFA au niveau européen" (n° 22963)

03 Vraag van de heer Gilles Vanden Burre aan de eerste minister over "het voorstel voor een GAFA-belasting op Europees niveau" (nr. 22963)

 

03.01  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, comment faire payer aux GAFA (Google, Apple, Facebook et Amazon), ces plates-formes numériques américaines qui ont révolutionné l'économie, leur juste part d'impôt?

 

Le débat est en cours au niveau européen. Le président français, Emmanuel Macron, estime que les GAFA, qu'il qualifie de "passagers clandestins du monde contemporain", représentent en effet un véritable défi pour les fiscalistes.

 

Les règles de taxation des entreprises actuelles, conçues pour l'économie traditionnelle, sont en effet fondées sur le principe d'"établissement permanent", c'est-à-dire que ne peuvent être taxées que les entreprises qui ont une présence physique dans un pays, mesurée par le montant des actifs, le nombre d'employés et le montant des ventes. Or les entreprises du numérique peuvent offrir leurs services via internet en étant juridiquement installées dans le pays de leur choix, concrètement dans un État qui leur offre des conditions fiscales avantageuses.

 

Ainsi, par exemple,  Facebook tire sa richesse des données collectées partout en Europe (33 millions de comptes en France, 31 millions en Allemagne) qu'il vend à d'autres entreprises qui peuvent ensuite faire du démarchage. Grâce au like de l'utilisateur, on peut voir si ce dernier préfère par exemple le rugby au football, et le démarcher en conséquence en lui proposant des produits en lien avec ces sports. Par ailleurs, Facebook peut faire vendre ses données par des filiales installées ailleurs que là où se trouvent les utilisateurs et leurs données. Dans ce cas, si ces recettes tirées de la publicité sont minimes en France et en Allemagne, elles s'élevaient en 2015 à près de 7,9 milliards d'euros en Irlande, où il y a beaucoup moins de comptes Facebook que dans ces deux autres pays.

 

C'est en effet dans des États comme l'Irlande, dont le taux d'imposition est le plus faible d'Europe pour les entreprises (12,5 %), que les géants de la Silicon Valley domicilient leurs filiales, là où ils concentrent tous leurs bénéfices engrangés dans les autres pays d'Europe.

 

Pour Google, on observe globalement le même schéma.

 

Face à cette situation, plusieurs solutions sont à l'étude.  En France, l'idée a été mise en avant de taxer ces GAFA sur le chiffre d'affaires généré dans chaque pays européen, plutôt que sur les bénéfices, qui sont aujourd'hui concentrés dans des pays à faible taux d'imposition. Cette proposition a été présentée par la France fin septembre en Estonie. Elle a reçu le soutien d'une vingtaine de pays, dont l'Allemagne, l'Italie et l'Espagne. D'autres États, comme Chypre, Malte, l'Irlande ou le Luxembourg, y sont opposés. Au niveau belge, vous aviez estimé, fin de l'année dernière, que "le diable se cachait dans les détails", même si "l'idée de base est très saine".

 

D'autres États membres européens s'étaient montrés réservés, notamment parce qu'ils souhaitaient que le problème soit traité au niveau international, au sein de l'OCDE ou du G20. Or, en matière fiscale, pour faire adopter une nouvelle législation européenne, il faut l'unanimité des 28 membres. Jean-Claude Juncker aimerait changer cela avec une majorité qualifiée pour les questions liées au numérique et à sa fiscalité.

 

L'année à venir va évidemment être très importante en la matière. Il va falloir prendre des décisions en lien avec ces géants du numérique. De plus en plus, ceux-ci ont une influence sur tous les aspects de notre vie et de notre société. Il est donc normal qu'ils puissent aussi contribuer de manière juste au financement de la société, de la sécurité sociale, de toute une série de biens que nous avons. Ce n'est pas le cas aujourd'hui, situation dénoncée par de nombreux pays.

 

Monsieur le ministre, quelle est la position officielle de la Belgique face à la proposition française de taxation des GAFA sur leur chiffre d'affaires généré dans chaque pays européen? Comptez-vous soutenir cette initiative? Les bénéfices d'une telle taxe pourraient par exemple financer un fonds dédié à la transition numérique, afin de la rendre plus inclusive et créatrice d'emplois durables dans nos régions.

 

Si vous restez tiède ou pas encore convaincu par cette initiative française, quelles autres propositions ou pistes de solution la Belgique souhaite-t-elle mettre en avant afin que les fournisseurs de plates-formes numériques contribuent de manière juste au financement de la collectivité? À nos yeux, ce n'est pas le cas aujourd'hui.

 

03.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Vanden Burre, la question de la fiscalité de l'économie numérique est prise très au sérieux par la Belgique et recueille toute l'attention nécessaire de ses représentants techniques. Bien consciente de l'importance croissante des enjeux relatifs à l'économie numérique pour la base fiscale nationale, la Belgique salue l'initiative européenne en la matière et suit avec intérêt les travaux et les réflexions en cours, tant au sein de l'OCDE qu'au sein de l'Union européenne.

 

La Belgique soutient les conclusions du Conseil de l'Union européenne du mois de décembre. La définition de nouvelles normes fiscales internationales relatives à l'économie numérique doit avoir lieu, prioritairement et principalement, au niveau multinational, G20 et OCDE. Une accumulation de solutions prises par différents États de façon unilatérale pourrait être potentiellement dommageable, tant au point de vue fiscal qu'économique.

 

Nous attendons la proposition de la Commission européenne, prévue pour la fin du mois de mars 2018, et soutenons l'intention du commissaire Moscovici de trouver une solution au niveau européen avant la fin de cette année.

 

03.03  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour cette réponse un peu mi-figue mi-raisin, si je puis me permettre.  En effet, vous saluez l'initiative mais vous dites, en même temps, qu'il serait mieux d'agir au niveau de l'OCDE ou du G20. Vous ne vous prononcez pas vraiment sur l'opportunité de taxer les chiffres d'affaires tel que c'est proposé par la France.

 

Je souhaite vraiment que le gouvernement ait davantage de volontarisme dans le dossier. On ne pourra pas avancer tout seul, c'est sûr. On en est conscient. Même si on peut faire des choses au niveau belge, je pense qu'ici, pour une taxation sur les chiffres d'affaires de manière globale, sur ces fournisseurs de contenu et ces fournisseurs numériques, imaginer que la Belgique puisse avancer seule me paraît effectivement un peu utopique mais on peut avoir une influence au niveau européen.

 

Je vous demande d'être davantage volontariste, en tout cas par rapport au fait d'avoir une contribution juste de leurs activités économiques pour financer le bien commun ou la collectivité. Est-ce que c'est la taxation sur le chiffre d'affaires? Cela nous paraît une piste très intéressante au niveau d'Ecolo-Groen mais on pourrait évidemment imaginer autre chose.

 

Ce qui est certain, c'est que la situation actuelle est tout à fait déséquilibrée. Mon groupe et moi, personnellement, avons des doutes quant à une résolution au sein du G20 ou de l'OCDE. C'est déjà compliqué au niveau de l'Union européenne. Dans les autres instances internationales plus larges, cela paraît d'autant plus compliqué.

 

Dès que nous aurons la position ou la proposition finale de l'Union européenne, nous reviendrons avec nos questions sur ce dossier fondamental qui mérite, effectivement, l'attention de tous et surtout du volontarisme politique.

 

Le président: Hier, un colloque s'est tenu entre les parlements nationaux et le Parlement européen. Lors de celui-ci, nous en avons discuté pendant près de deux heures avec les commissaires Moscovici et Dombrovskis ainsi qu'avec le président de la commission des Finances et de l'Économie dont le nom m'échappe. Il est italien.

 

Nous avons évoqué une taxation sur les chiffres d'affaires.

 

Wij hebben de hele discussie over de digitalisering en de numerieke economie, over Amazon, Google en dergelijke bedrijven gehad. Wij hebben de uiteenzettingen van bijna alle lidstaten gehoord die heel bekommerd zijn om die evolutie. De Europese Commissie zal ook een aantal voorstellen doen. Ik weet niet of ze al op de Ecofin-Raad zijn geweest.

 

Het gaat echter om een discussie die op Europees vlak echt au sérieux wordt genomen. Iedereen dringt erop aan dat er ook op dat vlak fiscale rechtvaardigheid moet zijn. Een aantal bedrijven die gewoon door hun activiteiten niet lokaliseerbaar zijn, onttrekken op dit ogenblik immers miljarden euro aan de gemeenschap.

 

03.04  Johan Van Overtveldt, ministre: Je voudrais apporter une précision qui me semble très importante dans cette discussion. Certes, la contribution fiscale de ces entreprises est très importante, mais un autre aspect au moins aussi important, selon moi, est l'aspect monopole.

 

Il faut trouver une solution pour qu'elles paient une contribution convenable, mais il faut éviter que la discussion à ce sujet nous "blinde" pour l'aspect monopole qui est beaucoup plus important à long terme pour la société, le bien-être, etc. Il faut donc être attentif aux deux aspects. Il faut trouver une solution pour la taxation du chiffre d'affaires. La question qui se pose est de savoir comment localiser ce dernier. Il y aura, sans doute, des formules quelque peu arbitraires. Il faudra se mettre d'accord à ce sujet. Mais je répète qu'il ne faut pas oublier l'aspect monopole qui est, selon moi, le plus important. Si on n'agit pas, la situation va empirer. Cette question relève obligatoirement de discussions au niveau international.

 

03.05  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le président et monsieur le ministre, je vous remercie pour vos commentaires complémentaires, qui démontrent l'existence d'un véritable intérêt pour ce thème fondamental.

 

Je vous rejoins sur l'aspect relatif au monopole. C'est la raison pour laquelle il conviendrait de constituer des champions européens en ce domaine, de façon à ouvrir la concurrence.

 

Hier, le groupe de travail sur l'agenda numérique s'est réuni pour la première fois et a auditionné le professeur Bram Vanderborght, de la VUB. Nous allons évidemment poursuivre nos travaux. Ma collègue Kitir et moi-même espérons que, dans ce cadre, nous pourrons aborder les aspects fiscaux – même si ce n'est pas encore décidé.

 

En tout cas, le politique doit s'emparer de ce thème essentiel. De même, j'espère que de nombreuses autres questions seront traitées de manière détaillée par notre groupe de travail, qui pourra aussi bénéficier du point de vue de cette commission ainsi que de celui de M. le ministre. Nous n'en sommes qu'au début. 

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de Mme Caroline Cassart-Mailleux au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la lettre de rappel concernant la déclaration d'impôt envoyée à tort aux agriculteurs soumis au régime forfaitaire" (n° 23573)

04 Vraag van mevrouw Caroline Cassart-Mailleux aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de ten onrechte aan landbouwers die onder het forfaitaire stelsel vallen verstuurde herinneringsbrief betreffende de belastingaangifte" (nr. 23573)

 

04.01  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, les agriculteurs soumis au régime forfaitaire ont eu la désagréable surprise de recevoir un courrier de rappel du SPF Finances signifiant que leur déclaration d'impôt n'était pas encore introduite. Cette lettre de rappel, envoyée à tort à 6 585 agriculteurs, concernait les déclarations introduites entre le 4 et le 10 janvier 2018 par un mandataire via Tax-on-web. En effet, à la suite d'une erreur du SPF Finances, celui-ci n'a pas tenu compte de ces déclarations dans la sélection des lettres de rappel.

 

Monsieur le ministre, une telle erreur a un certain coût, même s'il est clair que cela ne peut arriver qu'à ceux qui travaillent. Je n'incrimine pas mais je me dis qu'en 2018, cette taxation spécifique pour les agriculteurs est très bien connue de l'administration des Finances. Je voulais dès lors, sans polémiquer, faire le point avec vous et avoir votre version.

 

04.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, madame Cassart-Mailleux, l'Administration générale de la Fiscalité a envoyé environ 240 000 lettres de rappel pour les déclarations non introduites pour l'exercice d'imposition 2017.

 

Aux agriculteurs soumis au régime forfaitaire, elle a malheureusement envoyé 6 600 lettres de rappel à tort. Il s'agit d'une chaîne intégrée de plusieurs applications informatiques qui prend en charge le traitement de l'impôt des personnes physiques et comprend des échanges de données entre ces applications.

 

À la suite d'une erreur technique, l'administration n'a pas tenu compte des déclarations introduites entre le 4 et le 10 janvier 2018 par un mandataire via Tax-on-web. Le SPF Finances a communiqué via ses porte-parole, le site web et les réseaux sociaux et vers les représentants des professions économiques.

 

En effet, l'Administration générale de la Fiscalité octroie automatiquement un délai supplémentaire au 10 janvier aux agriculteurs qui déposent une déclaration électronique via un mandataire.

 

En outre, la lettre de rappel mentionnait que le contribuable ne devait pas réagir à celle-ci, s'il avait rentré sa déclaration.

 

Toutes les lettres de rappel envoyées le 25 janvier 2018 ne sont pas concernées par cette erreur. Nous avons identifié l'erreur. Comme je viens de le dire, cela concernait environ 6 600 déclarations introduites pour la période du 4 au 10 janvier 2018.

 

J'en viens à votre question visant à savoir si cette erreur s'était déjà produite par le passé. La réponse est négative.

 

04.03  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le président, je remercie le ministre pour le caractère complet de sa réponse. Je ne souhaitais pas polémiquer, mais je voulais faire le point avec vous à ce sujet et je vous remercie de l'avoir fait. En effet, j'avais eu quelques échos concernant ce rappel non justifié.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Samengevoegde vragen van

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de beperking pro rata temporis van de fiscale voordelen" (nr. 23594)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de toepassing van de beperking van de fiscale voordelen" (nr. 23595)

05 Questions jointes de

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la limitation des avantages fiscaux prorata temporis" (n° 23594)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'application de la limitation des avantages fiscaux" (n° 23595)

 

05.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb twee vragen, waarvan de ene meer algemeen van aard is en de andere specifiek van toepassing is op de overwerkregeling.

 

De programmawet van 25 december 2017 voorziet in een beperking pro rata temporis van de fiscale voordelen. Het betreft vooral de beperking van de voordelen in de belasting voor niet-inwoners. Op basis van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie moet België namelijk aan niet-inwoners die niet het grootste deel van hun inkomsten in België behalen, enkel dezelfde inkomensgerelateerde voordelen verlenen als deze die aan de rijksinwoners worden verleend. De regeling werd al in 2016 aangekondigd met de beleidsnota voor het jaar 2017 en wordt met de programmawet uitgevoerd. Iemand die voor één maand in België verblijft, daar enige economische handelingen stelt of een beroepswerkzaamheid uitoefent, wordt ook maar voor die ene maand belast. In dat opzicht is het ook logisch dat de fiscale voordelen niet voor een volledig jaar maar in verhouding tot het verblijf of de aanwezigheid in België worden toegekend.

 

In zijn advies citeert de Raad van State het arrest van het Europees Hof van Justitie van 29 april 2004, in de zaak-Pusa. De Raad stelt hierbij onvoldoende tijd te hebben gehad om voor elk van de bedoelde voordelen te onderzoeken of de schrapping ervan niet leidt tot een ongelijkheid in strijd met het Europees recht. Dat is een zeer interessante situatie. Immers, het Europees Hof doet uitspraken en noemt iets een principekwestie, terwijl de Raad van State zegt dit niet voor alle onderscheiden onderdelen te kunnen nagaan. Wij hebben die zaken echter allemaal wel goedgekeurd en dat moest ook vrij snel gaan, wat typisch is, maar nu komen er opmerkingen uit de praktijk en moeten wij rekening houden met hogere rechtspraak enzovoort.

 

Hebt u bij de voorbereiding van de programmawet voor al die fiscale voordelen een en ander kunnen aftoetsen bij het kabinet of de administratie? Is er daarover een nota? De Raad van State zegt immers niet alles te hebben kunnen nagaan. Anticiperend op de vele praktische problemen in de toekomst, vraag ik mij af of de toepassing de toetsing kan doorstaan volgens de criteria die in verschillende arresten door het Hof van Justitie werden uitgedrukt? Is deze oefening gebeurd of ligt dat werk nog op de plank en moet het gaandeweg zijn beslag krijgen? Dat zou geen ideale situatie zijn. Om beter de toekomst voor te bereiden, is het wel zeer interessant om de gegevens van de voorbereiding te kennen.

 

Mijn tweede vraag betreft een van de vele voordelen in het bijzonder, met name overwerk. De inleiding voor deze vraag is uiteraard dezelfde als voor de vorige, vermits het principe daarnet al voldoende werd geschetst.

 

Het overwerk moet voor 100 % in België zijn verricht en dito worden belast, anders krijgt men het voordeel niet of niet meer. Het is in die context dat ik u de volgende vragen wil stellen, mijnheer de minister.

 

Kunt u verduidelijken hoe deze maatregel zich verhoudt ten opzichte van artikel 156, 2°? Dat is het artikel dat in het buitenland behaalde beroepsinkomsten vrijstelt. Kunt u meer bepaald verduidelijken hoe dat artikel zich verhoudt ten opzichte van de beroepswerkzaamheden of activiteiten verricht in landen waarmee België geen dubbelbelastingverdrag heeft gesloten?

 

Waarom is dat belangrijk? Een belastingvrije som wordt ook beperkt in de tijd en pro rata berekend, naargelang van waar de beroepswerkzaamheden zijn verricht. Hetzelfde geldt voor het voordeel voor overwerk. De belastingvermindering voor buitenlandse inkomsten hangt af van het al dan niet bestaan van een belastingverdrag. Wij zitten hier dus met een zaak die moet worden uitgeklaard wat betreft de volgorde van aanrekeningen en waar er een onderscheid van toepassing is. Stel, bijvoorbeeld, dat 90 % van het overwerk in België wordt gepresteerd en 10 % in het buitenland, valt het voordeel dan volledig weg of wordt het ook hier pro rata berekend? Hoe verhoudt dat zich dan ten opzichte van artikel 156, 2°? Het betreft hier immers een specifieke regeling voor beroepsinkomsten verworven in het buitenland. Indien er geen dubbelbelastingverdrag is gesloten, is de regeling dat de inkomsten dan met de helft worden verminderd, als ik het goed voorheb.

 

We zitten daar met verschillende breukdelen in die aanrekening, wat heel complex is. Ik geef een voorbeeld. Als er een beroepswerkzaamheid is voor vijf maanden in Frankrijk en zeven maanden in België maar het overwerk volledig in België wordt gepresteerd, blijft het voordeel volgens u dan behouden of is daar dan een pro rata aanrekening?

 

Dat zijn allemaal interpretaties, dus dit zijn belangrijke vragen om te bekijken hoe dat in de praktijk moet worden berekend.

 

05.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, eerst kom ik tot de zaak Pusa met betrekking tot de fiscale voordelen.

 

Door bepaalde fiscale voordelen te verminderen op basis van de duur van het belastbaar tijdperk heeft de regering willen vermijden dat belastingplichtigen die in de loop van het belastbaar tijdperk hun woonplaats vanuit het buitenland naar België overbrengen of omgekeerd, twee keer die fiscale voordelen zouden kunnen genieten. Een regeling die dubbele voordelen vermijdt en waarbij rijksinwoners en niet-inwoners op dezelfde manier worden behandeld, lijkt mij echt niet in strijd met het Europees recht.

 

Wat de vragen over overwerk betreft, om de belastingvermindering voor overwerk te kunnen genieten, is niet vereist dat dit overwerk zelf volledig in België is verricht, maar de bezoldigingen uit dat overwerk moeten wel volledig in België worden belast.

 

Voor de rijksinwoners houdt dit in dat de vermindering voor overwerk niet van toepassing is voor de bezoldigingen uit overwerk waarop de belastingvermindering voor inkomsten uit het buitenland is toegepast. Dit is dan zowel de vrijstelling met progressievoorbehoud als de vermindering tot de helft, in toepassing van artikel 156, waarnaar u verwijst.

 

Voor de niet-inwoners is de vermindering voor overwerk enkel van toepassing wanneer de bezoldigingen uit dat overwerk in België belastbare beroepsinkomsten vormen die in de aangifte in de belasting niet-inwoners daadwerkelijk worden geregulariseerd.

 

Het is dus niet nodig een verhouding te bepalen tussen de in België en de in het buitenland gepresteerde overuren en vervolgens de belastingvermindering voor overwerk volgens die verhouding te beperken.

 

05.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dat is wat men "de puntjes op de i plaatsen" noemt. Ik dank u voor de verduidelijking.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de toepassing van de flexi-jobs" (nr. 23596)

06 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'application des flexi-jobs" (n° 23596)

 

06.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, de flexi-jobs zijn met de programmawet van 25 december 2017 uitgebreid naar, enerzijds, de detailhandel en de kapperszaken en, anderzijds, de gepensioneerden. Die uitbreiding moest niet meer fiscaal in een vrijstelling worden vertaald. U hebt toen voorgesteld om de inkomsten die ten gevolge van de flexi-jobs worden uitgekeerd, te laten opnemen in de berekeningsnota die bij het aanslagbiljet wordt gevoegd.

 

Dat lijkt mij een zeer interessante piste. Op die manier wordt het dus voor de fiscus mogelijk om te zien hoeveel inkomsten van een belastingplichtige fiscaal worden vrijgesteld in het kader van de flexi-jobs. Hetzelfde gebeurt ook met de winstpremie en de maatregelen in verband met het onbelast bijverdienen.

 

Dat leidde tot de merkwaardige bedenking dat het systeem dus tot op heden niet voorzag in de opname van de inkomsten op de berekeningsnota. De vraag is dan hoe de fiscus de correcte toepassing van de flexi-jobs heeft kunnen controleren en heeft kunnen nagaan of er geen oneigenlijk gebruik of zelfs fraude in het spel was?

 

Ook bij de start werd gediscussieerd over de vraag hoe wij een en ander konden opvolgen en hoe wij misbruik zouden kunnen uitsluiten. Ik denk dat u nu een zeer goede weg hebt gekozen, maar wat dan met de vorige inkomsten uit flexi-jobs? Hoe worden die administratief op een correcte manier behandeld? Hoe kan men dat adequaat controleren? Of had men op een andere manier zicht op de fiscaal vrijgestelde bedragen die in het kader van de flexi-jobs werden toegekend, alsook op het aantal belastingplichtigen die ervan gebruikmaakten?

 

Het zou interessant zijn om te weten over welke bedragen het gaat voor hoeveel flexi-jobbers vanaf de inwerkingtreding tot nu.

 

06.02 Minister Johan Van Overtveldt: Tot op heden werd geen enkele controleactie op de toepassing van de flexi-jobs georganiseerd, wat uiteraard te maken heeft met het relatief recente karakter van de materie.

 

Mijn administratie zal evenwel een analyse maken en volgens de resultaten ervan de meest geschikte aanpak voor de eventuele fiscale risico's bepalen.

 

De organisatie van een controleactie is een mogelijke uitkomst van de analyse. Het is uiteraard mogelijk dat bepaalde taxatiediensten ondertussen al controles hebben verricht naar de correcte toepassing van de flexi-jobs in het kader van lokaal geselecteerde dossiers.

 

De vrijgestelde inkomsten uit flexi-jobs worden vanaf het inkomstenjaar 2016 vermeld op de inkomsten­fiche 281.10 in het vak Diverse Inlichtingen.

 

Op die manier heeft de administratie een zicht op de fiscaal vrijgestelde bedragen, het aantal belastingplichtigen met een flexi-job en het aantal werkgevers dat flexi-jobwerknemers tewerkstelt. Voor het inkomstenjaar 2016 gaat het over 36,1 miljoen euro aan vrijgestelde bedragen, 28 097 flexi-jobwerknemers en 6 553 werkgevers. De gegevens voor het inkomstenjaar 2017 zijn nog niet beschikbaar, daar de fiches in dat verband tot 1 maart mogen worden ingediend.

 

06.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, het toekomstig systeem zal zeker beter zijn. We zullen meer info hebben.

 

U zegt dat er nog geen controleacties plaatsvonden. Dat lijkt mij onterecht, des te meer als men het gerucht wil counteren dat flexi-jobs in de praktijk neerkomen op de vervanging van een voltijdse job door een viervijfdejob, die vervolgens wordt aangevuld. Tot nu toe viel dat allemaal vrij moeilijk in te schatten. Het lijkt mij dan ook verantwoord dat er een vraag tot inlichting en verduidelijking wordt toegevoegd, want anders valt het systeem niet in de hand te houden en weet niemand hoeveel erin wordt geïnvesteerd qua fiscale uitgaven.

 

Het zijn interessante cijfers, die een nuttig instrument kunnen vormen bij de evaluatie van het systeem van de flexi-jobs.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vervanging van de aangetekende brieven" (nr. 23597)

07 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le remplacement des lettres recommandées" (n° 23597)

 

07.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is een interessante zaak op het vlak van administratieve vereenvoudiging dat een aangetekende brief door een gewone brief zou kunnen worden vervangen.

 

Behalve de maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude bevat de programmawet van 25 december 2017, waarover wij vandaag al een paar keer hebben gesproken, ook maatregelen voor een betere en efficiëntere inning, wat geen onbelangrijke zaak is. Er valt immers nog altijd veel te recupereren, beseffende dat er nog openstaande belastingschulden zijn voor een bedrag van 18 miljard euro.

 

Ik heb echter een specifieke vraag over de geleidelijke vervanging van de aangetekende brief door de gewone brief bij de domaniale wet van 1949.

 

Indien ik het goed begrijp, wordt bepaald dat met de gewone brief de verjaring niet wordt gestuit. Voor de ambtenaar is dat vervelend omdat de rechtsgevolgen in dat geval anders zouden zijn. Er kan worden opgeworpen dat zulke formaliteiten ter wille van de bescherming van de rechtsonderhorige strikt worden nageleefd. Indien de ambtenaar echter wil dat de verjaring wordt gestuit, zal een aangetekende brief moeten worden gestuurd.

 

Zal een en ander niet tot dubbel werk leiden of ertoe leiden dat de diensten de gewone brief niet eerst durven te sturen? Komt er daardoor geen administratieve complexiteit in het systeem, hoewel het de bedoeling was de zaken te vereenvoudigen?

 

Wordt de administratie door u daarover gecontacteerd? Wat zal de modus vivendi zijn? Hoe zal met dat gegeven worden omgegaan? Zal de oplossing erin bestaan eerst met de gewone brief te proberen? Quid met de problematiek van de verjaring? Zullen er geen meerkosten ontstaan? Dat is mijn vrees, namelijk dat er dubbel werk zou zijn.

 

De maatregel is heel goedbedoeld. Ik zou echter willen inschatten hoe het terrein en de administratie op een goede manier met die maatregel kunnen omgaan.

 

07.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, eerst en vooral kan ik heel duidelijk stellen dat de twee betrokken brieven geen dubbel werk met zich brengen. Eén maand vooraleer de ontvanger de schuld mag vervolgen, moet hij een aanmaning tot betaling versturen naar de schuldenaar. Sinds 8 januari 2018 kan dat wettelijk ook per gewone brief. Daarnaast beschikt de ontvanger over de mogelijkheid om de verjaring te stuiten door de verzending van een aangetekende aanmaning tot betaling. Beide brieven hebben een heel verschillend doel of finaliteit.

 

Wanneer de schuld op verjaring komt, moet de ontvanger nagaan of er nog reële en proportioneel verantwoorde invorderingsmogelijkheden zijn. Enkel in dat geval mag hij de verjaring stuiten door het versturen van de aangetekende aanmaning tot betaling, waarnaar daarnet werd verwezen.

 

Zoals besproken, dienen beide brieven dus een verschillend doel. De eerste brief heeft als doel een spontane betaling te verkrijgen en de tweede brief wordt verstuurd, enkel als de schuld nog niet betaald werd, wanneer de schuld op verjaring komt.

 

De aangetekende aanmaning maakt deel uit van de automatisering van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen. Vermits die automatisering slechts recent werd doorgevoerd en het aangetekend karakter vanaf 8 januari 2018 werd aangepast, is er daaromtrent op dit moment nog geen cijfermateriaal beschikbaar.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de btw-fraude door jihadisten" (nr. 23624)

08 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les pratiques de fraude à la TVA des djihadistes" (n° 23624)

 

08.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, dit is een oude, schriftelijke vraag ingediend in 2016, waarop het antwoord al meer dan een jaar uitblijft. Als we voor terrorismebestrijding kort op de bal moeten spelen, is het wel tijd om deze vraag als mondelinge vraag aan de orde te stellen. Het is belangrijk dat er een antwoord op komt, omdat het gaat om een interessante methodiek, wel nadelig voor de fiscus maar inventief. De verhandeling van CO2-emissiecertificaten wordt immers geïnjecteerd in een btw-carrousel en zo kan men de overheid voor grote bedragen oplichten.

 

Er zou een netwerk zijn in Duitsland, Italië en Nederland. In Nederland werden daar al maatregelen tegen genomen. Bij mijn weten loopt er nu ook een onderzoek in Duitsland. Gezien eerdere ervaringen met btw-carrousels moeten we ervoor waken dat België ongemerkt zou worden misbruikt om via internationale zwendel publiek geld te laten afwenden naar terroristische acties. Naar aanleiding van een reportage en het reveleren van de hele filière zou ik de minister willen vragen of hij kennis heeft van betrokkenheid van Belgische bedrijven, van misbruik waarbij aan België verschuldigde btw nooit werd afgedragen en of er daarover contacten zijn geweest. Aangezien de buurlanden daaronder te lijden hadden, zou het mij verwonderen dat er geen Belgische uitloper zou kunnen zijn.

 

Dat is minstens een onderzoek of contact waard met de administratie in Nederland, Duitsland en Italië.

 

Loopt er hierover momenteel een onderzoek, eventueel in het kader van een risicoanalyse? Wij weten immers dat de administratie daar actief mee bezig is en dat het prominent deel uitmaakt van uw beleid om btw-carrousels tegen te gaan. Is btw-fraude door jihadisten aan de orde in België of hebt u daar geen weet van?

 

08.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, op dit ogenblik heeft de fiscus geen weet van dossiers met frauduleuze praktijken dienstig voor de financiering van jihadistische praktijken. In het kader van haar voortdurende contacten met de gespecialiseerde administratieve eenheden in andere landen zijn hierover inderdaad reeds een aantal informele contacten geweest, zonder evenwel directe banden met België. Zoals steeds blijft zeker de BBI bijzonder waakzaam voor elk mogelijk fraudefenomeen, in alle aspecten. Het spreekt voor zich dat zodra zij over de aangehaalde materie insteken zou krijgen van bijvoorbeeld de antiwitwascel of de parketten, er binnen de opdrachten van de BBI meteen tot actie zal worden overgegaan.

 

08.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de M. Vincent Scourneau au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et la règle des 45 000 euros" (n° 23647)

09 Vraag van de heer Vincent Scourneau aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de 45.000 euroregel" (nr. 23647)

 

09.01  Vincent Scourneau (MR): Monsieur le ministre, récemment, dans les colonnes de La Libre, vous avez apporté une précision importante à propos de la règle des 45 000 euros, qui préoccupe de nombreux dirigeants de PME. En effet, le tissu économique de la Belgique est constitué de très nombreuses PME qui pourraient se voir fragilisées par une application trop brutale de cette règle.

 

Cette mesure précise donc que la rémunération minimale à accorder à au moins un dirigeant d’entreprise passe de 36 000 à 45 000 euros mais que si cette rémunération s’avère inférieure à ce montant, il est admis qu’elle soit seulement égale au minimum au résultat imposable de la société. Vous indiquez dans la presse que la règle des 50/50 n’a pas été modifiée et qu’il suffit que la rémunération minimale soit égale à la moitié du bénéfice de l’entreprise. À titre d’exemple, vous prenez alors le cas suivant: "Une entreprise qui dégage des profits de 50 000 euros pourra continuer à rémunérer son dirigeant à hauteur de 25 000 euros tout en bénéficiant du taux réduit."

 

Cette déclaration n’a pas manqué de soulever de très nombreuses interrogations de la part de professionnels du chiffre, en particulier de l’Ordre des Experts-Comptables et des Comptables Brevetés de Belgique.

 

Monsieur le ministre, quelle définition donnez-vous du "bénéfice" ou "profit" de l’entreprise? S’agit-il de la base imposable déterminée après les ajouts de D.N.A. et les déductions extra-comptables? S’agit-il du bénéfice comptable? S’agit-il du bénéfice comptable ou de la base imposable préalablement diminués de la rémunération du dirigeant?

 

Il est évident que toutes ces règles influencent fondamentalement les 50/50 sur les définitions données.

 

Monsieur le ministre, pour vider toute interprétation éventuelle, pouvez-vous confirmer que le taux réduit s'applique bien dans deux cas de figure que je prends en exemple? Ainsi, une société qui a une base imposable de 75 000 euros ne doit pas attribuer 45 000 euros à son dirigeant pour conserver son droit au taux réduit mais elle peut se limiter à lui verser une rémunération de 37 500 euros. De même, une société qui a une base imposable de 26 000 euros et qui a attribué une rémunération de 20 000 euros à son dirigeant ne sera jamais pénalisée par la perte du taux réduit.

 

Je vous remercie, monsieur le ministre, de bien vouloir donner une petite précision ou une définition qui permettra de vider toutes les interprétations susceptibles de générer pas mal de gesticulations dans les prochains mois.

 

09.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Scourneau, la nouvelle disposition qui prévoit une rémunération minimale de dirigeant d'entreprise augmentée à 45 000 euros n'a rien changé à la manière dont doit s'apprécier cette rémunération minimale au regard du résultat de la période imposable. Par résultat de la période imposable, il faut entendre, comme précisé dans les documents parlementaires, le montant sur lequel est calculé l'impôt des sociétés après application des différentes déductions. En d'autres termes, la base imposable de la société à laquelle doit être comparée la rémunération de dirigeant d'entreprise tient déjà compte de la prise en charge de cette dernière. Autrement dit, il importe dans la pratique de partir du résultat imposable de la société avant déduction de la rémunération du dirigeant d'entreprise pour être en mesure de vérifier quelle est la rémunération minimale requise.

 

Concrètement, deux situations peuvent alors survenir. Première possibilité, soit le résultat imposable de la société avant déduction de la rémunération s'élève à 90 000 euros ou plus et dans ce cas-là, la rémunération minimale doit être de 45 000 euros.

 

Deuxième possibilité: le résultat imposable de la société avant déduction de la rémunération s'élève à moins de 90 000 euros. La rémunération minimale à verser doit être au moins égale à 50 % du résultat imposable avant déduction de la rémunération. La rémunération accordée est ainsi égale au résultat imposable après déduction de la rémunération.

 

Appliqué aux trois exemples que vous citez, cela donne ce qui suit. Premièrement, le résultat imposable de la société s'élève à 75 000 euros, étant entendu qu'elle n'a pas encore versé de rémunération. Quelle rémunération doit-elle verser afin de pouvoir bénéficier du taux réduit? La rémunération doit être d'au moins 37 500 euros. Après déduction de cette rémunération, le résultat imposable de la société s'élève en effet au même montant: 37 500 euros. La condition est, en l'occurrence, remplie.

 

Deuxièmement, si le résultat imposable de la société s'élève à 75 000 euros après déduction d'une rémunération de 37 500 euros, la société est exclue du taux réduit. En effet, le résultat imposable de la société avant déduction de la rémunération est alors égal à 112 500 euros. La rémunération minimale requise est alors toujours égale à 45 000 euros, ce qui est le maximum en général, peu importe le niveau de profit supérieur à 90 000 euros.

 

Troisièmement, une société dont le résultat imposable est de 26 000 euros, après déduction d'une rémunération de 20 000 euros, est également exclue du taux réduit. Pourquoi? Parce que le résultat imposable avant cette déduction s'élève à 46 000 euros. La rémunération minimale requise est alors égale à 50 % de ce montant, soit 23 000 euros. Après déduction de cette rémunération, le résultat imposable s'élèvera aussi à 23 000 euros.

 

En d'autres termes, dans le cas que vous citez, la société aurait dû verser 300 000 euros, non, 3 000 euros de rémunération supplémentaire pour bénéficier du taux réduit.

 

09.03  Vincent Scourneau (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie de vous être montré aussi précis – même si, en définitive, 300 000 euros de taxation eût été plutôt difficile à supporter. Mais il s'agissait seulement d'un petit problème de traduction!

 

J'espère, en tout cas, que votre réponse videra de leur sens toutes les interprétations erronées et que la règle sera clairement comprise.

 

09.04  Johan Van Overtveldt, ministre: (…)

 

09.05  Vincent Scourneau (MR): Non, mais c'est parfait; surtout quand vous vous trompez à la baisse!

 

09.06  Johan Van Overtveldt, ministre: J'ai fait tout mon possible pour expliquer cette réforme en Wallonie.

 

09.07  Vincent Scourneau (MR): Mais c'est parfait!

 

09.08  Johan Van Overtveldt, ministre: Évidemment, quand on comprend le raisonnement dans sa totalité, cela devient clair. Pas mal de gens émettent cependant des doutes – ce que je comprends.

 

09.09  Vincent Scourneau (MR): Oui, bien sûr, et c'est très légitime. Je vous remercie beaucoup, monsieur le ministre.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van de heer Vincent Van Peteghem aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de toekomst van de douane" (nr. 23638)

10 Question de M. Vincent Van Peteghem au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'avenir de la douane" (n° 23638)

 

10.01  Vincent Van Peteghem (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de brexit zal het leven in ons land en in Europa danig veranderen. Zeker als er een harde brexit komt, zal men ook uit de douane-unie stappen, wat maakt dat er opnieuw extra tarifaire handelsbarrières zullen worden opgeworpen als een handelsverdrag met het Verenigd Koninkrijk zou uitblijven. Dat is van belang voor de Britse en Belgische ondernemingen, maar ook voor een aantal multinationals die hun invoer in de EU via het Verenigd Koninkrijk regelden. Zij zullen in ieder geval op zoek moeten gaan naar een nieuwe gateway. Dat zou dan eventueel België kunnen zijn. Als betrouwbare partner voor logistieke activiteiten kunnen wij daarvan profiteren. In uw beleidsnota hebt u daarvan dan ook terecht een engagement gemaakt voor 2018.

 

Dat het goederenverkeer van en naar het Verenigd Koninkrijk opnieuw extracommunautair wordt en dus aan douaneformaliteiten onderworpen zal worden, zal natuurlijk vooral gevolgen hebben voor onze kmo's, die vaak enkel binnen de EU, inclusief het Verenigd Koninkrijk, zaken doen. In uw beleidsnota hebt u er zich toe verbonden om douane-informatiesessies te laten organiseren teneinde de bedrijven tijdig in te lichten over wat de brexit voor hen zal betekenen.

 

Daarnaast stelde u in uw beleidsnota dat de nieuwe buitengrens ook inhoudt dat er bijkomend bewaakt en gecontroleerd zal moeten worden. De huidige infrastructuur is daar niet overal op voorzien, wat maakt dat wij ons zullen moeten voorbereiden op extra controles na de brexit. Het gaat dan voornamelijk over de Noordzee, de Noordzeekust, de stations van Brussel-Zuid en Antwerpen-Centraal en de luchthaven van Deurne, waar volgens u investeringen noodzakelijk zijn.

 

U berekende ook dat het personeelsbestand zal moeten stijgen met drie- tot vierhonderd voltijdse equivalenten om dezelfde controlegraad te kunnen handhaven. In dat opzicht stipuleert uw beleidsnota dat men voor de administratieve ondersteuning de bijkomende werkdruk zal proberen op te vangen door een toename van de productiviteit en verdere automatisering.

 

De extra middelen en personeelseenheden als gevolg van de brexit vereisen daarentegen wel een extra budgettaire inspanning. In die context wil ik u de volgende vragen stellen.

 

Ten eerste, wat is de stand van zaken met betrekking tot de informatiesessies die door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen in het kader van de brexit moeten worden georganiseerd?

 

Ten tweede, hebt u al bijkomende investeringen gepland om de infrastructuur van de cruciale in- en uitgangen van België te versterken? Zo ja, welke precies en op welk bedrag worden deze begroot?

 

Ten derde, wat zal volgens u de budgettaire kostprijs zijn voor de aanwerving van drie- tot vierhonderd nieuwe voltijdse equivalenten? Kunt u ook een stand van zaken geven in de uitrol van de nodige vacatures en de interne organisatie?

 

10.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Peteghem, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen is al geruime tijd geleden gestart met informatiesessies. Op haar site is er ook een informatiepagina betreffende de brexit gepubliceerd.

 

Daarnaast zagen reeds tal van andere initiatieven het licht. Zo loopt er sinds begin dit jaar een mailing gericht aan de kmo's die regelmatig handeldrijven met het Verenigd Koninkrijk — u weet dat wij er in Vlaanderen zo nogal wat hebben — maar tot nu toe geen douaneactiviteit hebben verricht, om hen bewust te maken van de gevolgen van de brexit voor hun bedrijf.

 

De administratie verleent ook haar medewerking aan infosessies georganiseerd door bijvoorbeeld Flanders Investment & Trade, Kluwer en de kamers van koophandel. Er vinden ook frequent overlegvergaderingen plaats met het Havenbedrijf van Zeebrugge en een aantal key players om binnen de huidige bestaande Europese douanewetgeving mogelijke oplossingen te vinden om de handel te faciliteren zodra de brexit effectief een feit wordt. Dat overleg wordt georganiseerd met Zeebrugge, door de bijzondere impact van de brexit op deze haven, maar het spreekt natuurlijk voor zich dat eventuele maatregelen die daaruit voortvloeien in het hele land toepasbaar zullen zijn.

 

Er is een impactanalyse gemaakt van de gevolgen van de brexit op de organisatie van de douaneadministratie en de bijbehorende investeringen waarbij, gelet op de stand van zaken van de brexit, nog steeds verschillende scenario's moeten worden gehanteerd.

 

Op de lijst van mogelijke aankopen staan ondertussen bagagescanners, honden voor detectie van drugs en cash, handscans, drones en een grondstation voor toezicht op de Noordzee en de Noordzeekust, voertuigen, pc's, werkplaatsen, uniformen en bewapening. Een eerste inschatting van het aantal aan te werven voltijdse eenheden werd gemaakt. De bepaling van het juiste aantal aanwervingen is uiteraard afhankelijk van de uitkomst van de lopende onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, en dus afhankelijk van het uiteindelijk type van brexit.

 

10.03  Vincent Van Peteghem (CD&V): Mijnheer de minister, ik meen dat er nog veel scenario's mogelijk zijn. Het is goed dat wij ons daarop zo goed mogelijk voorbereiden.

 

In een van de scenario's gaat het over de aanwerving van drie- tot vierhonderd voltijdse equivalenten. Is er ook sprake van andere aantallen? Ik begrijp dat dit afhangt van het soort brexit. Gaat het bij een harde brexit over drie- tot vierhonderd voltijdse equivalenten?

 

10.04 Minister Johan Van Overtveldt: (…)

 

10.05  Vincent Van Peteghem (CD&V): Waarvoor dank.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van de heer Vincent Van Peteghem aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de transparantieregels voor de ECB" (nr. 23639)

11 Question de M. Vincent Van Peteghem au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les règles de transparence applicables à la BCE" (n° 23639)

 

11.01  Vincent Van Peteghem (CD&V): Mijnheer de minister, transparantie in onze huidige besluitvorming beroert velen en daar wordt ook terdege werk van gemaakt.

 

Ook op Europees niveau heeft men daarvoor de nodige maatregelen genomen. Zowel in het Europees Parlement als in de Europese Commissie is er een transparantieregister aangelegd om de burger transparantie te bieden over de contacten van het Parlement en de Commissie met het middenveld en het bedrijfsleven.

 

Uit een brief van ECB-voorzitter Draghi blijkt echter dat de ECB en haar adviesorganen niet aan dezelfde transparantieregels moeten voldoen als de Europese Commissie en het Europees Parlement.

 

Gezien het huidige politiek klimaat en de recente geschiedenis van de financiële wereld is het belangrijk tegemoet te komen aan de vraag van de burger naar de nodige transparantie. Op die manier waarborgen wij het vertrouwen van de burger in die instelling en kunnen wij bovendien de onafhankelijkheid van het mandaat van de ECB vrijwaren.

 

Mijnheer de minister, volgt u, ten eerste, de stelling dat de ECB en haar adviesraden nood hebben aan een uitgewerkt kader om de nodige transparantie te bieden over de totstandkoming van haar beslissingen en over haar contacten met externe partijen?

 

Ten tweede, bent u van oordeel dat het huidig kader om de nodige transparantie te bieden, voldoende is of vindt u dat dit verder moet worden uitgediept?

 

Ten derde, is er volgens u een mogelijkheid om de transparantieregels vastgelegd voor de Europese Commissie, ook toe te passen op de ECB?

 

11.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Peteghem, ik ben inderdaad van oordeel dat er voldoende transparantie moet bestaan over de contacten van de ECB met externe partijen en zeker over de uitwisseling van informatie in dat kader.

 

Dat wordt door de instelling zelf erkend, zoals duidelijk blijkt uit de brief van de ECB-voorzitter van 23 januari 2018, waarnaar u zelf ook verwees.

 

De transparantie moet tot stand worden gebracht in een kader dat rekening houdt met de taken en de doelstellingen van de ECB, met haar onafhankelijkheid en met haar beroepsgeheim. De ECB heeft de jongste jaren verschillende initiatieven genomen inzake transparantie, onder meer wat haar contacten met externe partijen betreft. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de publicatie van de vergaderingen van de directieleden van de ECB op de website van de instelling, inclusief de vergaderingen met externe partijen.

 

Voorts hecht ik groot belang aan de nodige transparantie omtrent de contactgroepen van de ECB en haar interacties met private marktspelers. Daarbij wil ik erop wijzen dat de contacten niet bedoeld zijn om input of advies te vragen in het kader van de regelgevende bevoegdheden van de ECB en haar beleidsbeslissingen. Bovendien zijn de werkzaamheden van die groepen beperkt tot het mandaat van de ECB als centrale bank en staan ze dus, in overeenstemming met het principe van functiescheiding, los van de opdracht van de ECB als toezichthouder op de banksector.

 

De ECB heeft reeds de nodige inspanningen geleverd inzake transparantie over de contactgroepen en een kader uitgewerkt. Zo wordt de nodige informatie over lidmaatschap, vergaderingen, agenda's en samenvattingen van de discussies gepubliceerd op de website. In dat licht ben ik dan ook van oordeel dat het huidig kader voldoende waarborgen biedt inzake transparantie. Dat neemt echter uiteraard niet weg dat het aspect ook in de toekomst van nabij dient te worden gevolgd.

 

Ten slotte, de transparantieregels vastgesteld door de Europese Commissie, zijn specifieke regels, gericht op de bevoegdheden en opdrachten van die instelling, met name in heel het wetgevingsproces. Die regels kunnen dus niet zonder meer worden toegepast op de ECB, gelet op de specifieke taken en doelstellingen van de instelling, haar onafhankelijkheid en haar beroepsgeheim.

 

11.03  Vincent Van Peteghem (CD&V): Mijnheer de minister, het is belangrijk dat wij aandacht hebben voor een voldoende sterk kader, want de vraag naar transparantie is groot. Ik ben blij van u te vernemen dat u het huidig instrumentarium voldoende acht, ook al zouden wij ook voor de toekomst moeten nagaan of het eventueel moet worden uitgediept.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Karin Temmerman aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de scope en de timing van de groene obligaties" (nr. 23661)

12 Question de Mme Karin Temmerman au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la portée et le timing des obligations vertes" (n° 23661)

 

12.01  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in december 2017 kondigde de eerste minister op de One Planet Summit aan dat ons land in 2018 groene obligaties zou uitgeven. Zelf verklaarde u begin februari 2018 dat de uitgifte van de groene lineaire obligaties met een looptijd tussen vijftien en twintig jaar in de nabije toekomst zou plaatsvinden. De obligatie-uitgifte zou door de banken Barclays, BNP Paribas Fortis, Crédit Agricole, ING en JP Morgan worden begeleid.

 

BNP Paribas Fortis en Crédit Agricole zouden al op donderdag 8 februari 2018 de groene obligaties aan hun beleggers hebben toegelicht.

 

Volgens uw website wordt verwacht dat initieel tussen drie en vijf miljard euro zal worden opgehaald.

 

Net zoals bij een gewone OLO het geval is, zouden ook in de komende jaren nog uitgiftes volgen.

 

De eerste uitgifte zou reeds lopende federale uitgaven financieren, met de capaciteit om de komende jaren tot tien miljard euro additionele financieringen te komen.

 

Mijnheer de minister, mijn vragen zijn de volgende.

 

Ten eerste, wanneer zal de uitgifte effectief plaatsvinden? Welke investeringen zullen daaronder vallen?

 

Ten tweede, wat zijn de volgens eerste minister Michel strenge criteria die zullen worden gehanteerd om te toetsen of een project – ik citeer – "tot de transitie naar een duurzame economie" bijdraagt?

 

Ten derde, welke lopende federale uitgaven zal de eerste uitgifte financieren?

 

Ten vierde, kan de commissie beschikken over de informatie die de beleggers op 8 februari 2018 van BNP Paribas Fortis en Crédit Agricole kregen?

 

Ten slotte, zijn de obligaties enkel bedoeld voor institutionele beleggers? Bestaat de mogelijkheid om in de toekomst ook in een uitbreiding voor particulieren te voorzien?

 

12.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Temmerman, uw eerste vraag gaat over het moment van uitgifte. De roadshow waarbij het product aan de potentiële investeerders voorgesteld wordt, loopt op dit moment en duurt nog tot vrijdag 23 februari eerstkomend. Dat betekent dus dat wij vanaf 26 februari de uitgifte kunnen doen. De precieze datum zal uiteraard afhangen van de marktomstandigheden en zal onder de deskundige leiding van het Agentschap van de Schuld op een bepaald moment gekozen worden. Ik heb niet de minste twijfel aan het goed beoordelingsvermogen om die plaatsing te doen.

 

Ik neem uw tweede en derde vraag samen. De interministeriële werkgroep heeft een lijst van mogelijke projecten en uitgaven opgesteld, die u trouwens kunt terugvinden in de presentatie voor de investeerders, beschikbaar op de website van het Federaal Agentschap van de Schuld. De projecten slaan op energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, milieuvriendelijk transport, duurzame consumptie en productie en biodiversiteit. De werkgroep zal de selectie jaarlijks maken onder de controle van Sustainalytics, dat al een eerste positieve second opinion gegeven heeft.

 

Inzake de informatie die beleggers op 8 februari kregen via BNP Paribas en Crédit Agricole, kan ik zeggen dat die informatie op 8 februari ook publiek gemaakt werd via de website van het Federaal Agentschap van de Schuld. Op die website is er trouwens in een specifieke sectie Groene OLO voorzien.

 

Ik kom tot uw vierde vraag. De OLO's worden op de dag van hun uitgifte aangeboden aan institutionele beleggers die orders van voldoende grootte kunnen aanleveren. De particuliere belegger kan daarna die OLO kopen op de secundaire markt via een bankinstelling. Dit zal ook het geval zijn voor de groene OLO.

 

12.03  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de gesplitste aankoop" (nr. 23730)

13 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'acquisition scindée" (n° 23730)

 

13.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, het gebeurt dat ondernemers als fysiek persoon enkel de blote eigendom van een onroerend goed verwerven, terwijl de vennootschap het vruchtgebruik koopt voor een periode van bijvoorbeeld twintig of dertig jaar. Het is daarbij belangrijk de economische of reële waarde van dat vruchtgebruik te bepalen en dan te actualiseren.

 

In de praktijk worden blijkbaar verschillende methodes toegepast om de huuropbrengsten te waarderen. Een van de methodes die in het verleden veelvuldig werd gehanteerd, is de methode-Ruysseveldt. Die methode ligt inmiddels echter onder vuur omdat zij volgens critici kan leiden tot overwaarderingen van het vruchtgebruik. Dat zou ook meteen de reden zijn geweest waarom de rulingcommissie in 2016 in enkele dossiers een strengere formule hanteerde om het vruchtgebruik te waarderen. De methode die door de rulingcommissie in bepaalde individuele dossiers naar voren werd geschoven, zou beter aansluiten bij de huurwaarde die het bedrijf anders had moeten betalen. Uit de praktijk blijkt echter dat die methode wel eens zou leiden tot een overwaardering van het vruchtgebruik.

 

Volgens recente berichtgeving in de media zou de fiscus de formule van de rulingcommissie nu ook aangrijpen om gesplitste aankopen die in het verleden werden gecontroleerd en aanvaard opnieuw tegen het licht te houden en om eventueel over te gaan tot een meerwaardebepaling.

 

Ik heb hierover enkele vragen.

 

Mijnheer de minister, over hoeveel constructies met gesplitste aankoop van vruchtgebruik en blote eigendom spreken we? Kunt u daarvan voor de voorbije jaren een cijfer geven?

 

Gaat het bij de nieuwe waarderingsmethode om een autonoom standpunt van de administratie? Als dat het geval zou zijn, is het dan niet logisch om daarover een duidelijke circulaire te verspreiden?

 

Dient volgens u bij de waardering van het vruchtgebruik geen rekening te worden gehouden met de concrete waarde en moet men dan niet overgaan tot een actualisering, rekening houdend met de – weliswaar fluctuerende – rente?

 

Hoeveel controles waren er sinds 2016 met betrekking tot gesplitste aankopen? Zal de fiscus ver teruggaan in het verleden met die controles op vroegere gesplitste aankopen? Ik doel dan op de gesplitste aankopen die al gecontroleerd en aanvaard werden door de administratie. Zal men die opnieuw gaan controleren?

 

Het is ook zo dat registratierechten verschuldigd waren en betaald werden. Wat de Gewesten betreft, zijn er dus wel degelijk vaststaande waarderingsmethodes. Als er nu federaal andere gehanteerd worden, dan brengt dat natuurlijk onzekerheid met zich mee op het terrein.

 

Hoeveel rulings werden er sedert 2016 al afgeleverd met toepassing van de nieuwe waarderingsmethode?

 

13.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Van Cauter, wat uw eerste vraag betreft, zijn er helaas geen statistische gegevens beschikbaar.

 

Ten tweede, de centrale diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit (AAFisc) zijn vooraf door de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (DVB) ingelicht over de door hem toegepaste methode. Zij hebben daar op dat moment ook geen bezwaar tegen geuit. Het gaat dus niet om een autonoom standpunt van die administratie.

 

Ten derde, zoals u wellicht hebt gezien, heb ik via socialemediakanalen gereageerd en duidelijk aangegeven dat er van retroactiviteit geen sprake kan zijn. De nieuwe methode kan pas gebruikt worden bij controles nadat zij werd gepubliceerd.

 

Men kan van een belastingplichtige niet verwachten dat hij regels toepast die op het moment van de verrichting nog niet bekend zijn. Ik meen dat dit een vrij elementair principe is.

 

Ten vierde, sinds 2016 werd door de AAFisc geen controleactie meer georganiseerd die specifiek betrekking heeft op dit onderwerp. Niettemin zijn er facultatief fiscale controles van vruchtgebruikconstructies gepland in het kader van controleacties die door deze administratie in 2018 worden georganiseerd inzake de kosten van ondernemingen of het misbruik van vennootschapsstructuren.

 

Ten vijfde, de facultatieve controleopdrachten waarvan sprake in punt vier zijn gericht op de toestand bij de aanvang of de beëindiging van het vruchtgebruik in 2015 of 2016. Zoals ik daarnet al heb aangegeven, kan er van retroactiviteit onder geen enkel beding sprake zijn. Ik herhaal dat de nieuwe methode pas kan worden gebruikt nadat zij gepubliceerd is.

 

Ten zesde, mijn administratie heeft mij meegedeeld dat er nog geen overleg heeft plaatsgevonden met de Gewesten inzake registratierechten op vruchtgebruik.

 

Wat uw zevende en laatste vraag betreft, er werden door de DVB sinds 2016 in totaal dertien beslissingen afgeleverd op basis van de nieuwe waarderingsmethode. Daarnaast werden er ook drie beslissingen afgeleverd op basis van een andere door de aanvrager voorgelegde waardering, nadat die werden afgetoetst aan de voormelde nieuwe waarderingsmethode.

 

13.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik denk dat het de rechtszekerheid van alle betrokkenen dient. Er kan van retroactiviteit geen sprake zijn. Dat is logisch.

 

Ik zal uw antwoord ten gronde nalezen. Ik zal ook bekijken hoe de waarderingsmethode precies werkt.

 

Ik begrijp dat ze voornamelijk betrekking heeft op de actualisering van de reële huurwaarde, maar ik denk dat de kous daarmee nog niet af is, mijnheer de minister. Er is ook de waardering van het vruchtgebruik, waarvoor ondernemers en particulieren vaak een beroep doen op beëdigde schatters. Er is geen vaststaande methode.

 

In Vlaanderen bestaat er wel een systeem, waarbij schatters die op een lijst zijn opgenomen, een schatting mogen doen die bindend is voor alle partijen. Misschien moeten we dat ook op federaal vlak overwegen. Ik weet niet of dat een goede zaak zou zijn, maar het zou in elk geval de rechtszekerheid dienen, omdat achteraf iedere discussie kan worden vermeden.

 

De actualisering zal ik nog eens ten gronde bekijken. Alleszins zou een lage rente ook een reële invloed moeten hebben bij de actualisering van de huurwaarde. Het kan niet dat bij een lage rente noodzakelijkerwijze wordt gecorrigeerd in het voordeel van de overheid. Dat lijkt mij niet correct. Als dat overeenstemt met de realiteit, heb ik daarmee geen moeite, maar als dat niet zo is, zal ik u daarover bijkomend ondervragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van mevrouw Veerle Wouters aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de verhuur met btw van opslagruimtes met bijhorende kantoren" (nr. 23735)

14 Question de Mme Veerle Wouters au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la location avec TVA d'entrepôts avec bureaux attenants" (n° 23735)

 

14.01  Veerle Wouters (Vuye&Wouters): Mijnheer de minister, het oorspronkelijke Zomerakkoord voorzag in een maatregel waarbij de verhuur van een onroerend goed dat beroepsmatig gebruikt wordt door een btw-plichtige huurder, optioneel aan het btw-stelsel kon worden onderworpen. De verhuurder zou dan kantoorruimten met btw kunnen verhuren, om zo de btw op bouw- en renovatiekosten te recupereren.

 

Om budgettaire redenen is die maatregel blijkbaar gesneuveld, waardoor de verhuur van professioneel vastgoed nog altijd vrijgesteld blijft van btw. Wat wel verandert, is de 10 %-regel wat de verhuur met btw van opslagruimtes met bijhorende kantoren betreft. Vanaf 2018 mag zo'n bijhorend kantoor tot 50 % van de totale oppervlakte bedragen. Dat zou geregeld worden bij circulaire, maar voor zover ik weet, is die er nog niet.

 

lntussen zitten heel wat vennootschappen wel degelijk boven de oude 10 %-regel, terwijl ze wel onder de 50 %-regel vallen. Voor hen blijft de situatie onduidelijk.

 

Mijnheer de minister, komt er een circulaire? Zo ja, wanneer wordt die gepubliceerd? Wat zijn de gevolgen voor vennootschappen die tussen de 10 %- en de 50 %-regel vallen? Moeten zij een btw-nummer aanvragen?

 

14.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Wouters, de invoering van de mogelijkheid om de verhuur van onroerende goederen tussen btw-belastingplichtigen met btw te belasten, maakt nog steeds het onderwerp uit van overleg in de regering.

 

In afwachting van de uitkomst daarvan is het dan ook voorbarig om nieuwe regels in te voeren met betrekking tot de terbeschikkingstelling van bergruimte voor de opslag van goederen. Ondertussen blijven de bestaande regels daaromtrent onverkort van toepassing.

 

14.03  Veerle Wouters (Vuye&Wouters): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, waaruit blijkt dat de oude regeling voorlopig nog even blijft gelden. Wij kijken uit naar de nieuwe regeling.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

15 Question de M. Georges Dallemagne au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le gel des avoirs de 16 responsables congolais dans le cadre des sanctions décidées par l'UE" (n° 23745)

15 Vraag van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de bevriezing van de tegoeden van 16 hooggeplaatste Congolese functionarissen in het kader van de EU-sancties" (nr. 23745)

 

15.01  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le président, monsieur le ministre, le 12 décembre 2016, suite à la répression violente de manifestations pacifiques et à de nombreuses autres violations des droits de l'homme en République démocratique du Congo (RDC), le Conseil de l'Union européenne imposait une série de sanctions ciblées à l'encontre de sept responsables de l'appareil sécuritaire du régime Kabila - interdiction de visa pour l'Union européenne et gel des avoirs.

 

Le 29 mai 2017, l'Union européenne ajoutait neuf noms à cette liste. Au total, seize responsables congolais font l'objet de sanctions de la part de l'Union européenne. Il est ici notamment question du gel de leurs avoirs.

 

À l'instar de votre homologue britannique qui a donné cette information en réponse à une question de ma collègue députée Helen Goodman, pouvez-vous m'indiquer à combien est estimée la valeur totale des fonds gelés par vos services, dans le cadre de la mise en œuvre, par la Belgique, de ces sanctions européennes?

 

15.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, cher collègue, pour ce qui concerne les mesures restrictives à l'encontre de la République démocratique du Congo (RDC), le règlement n° 1183/2005 du 18 juillet 2005, modifié pour la dernière fois le 9 février 2018, instituant certaines mesures spécifiques à l'encontre des personnes agissant en violation de l'embargo sur les armes imposé à la RDC, impose un gel des fonds à 35 personnes et à neuf  entités visées par l'ONU ainsi qu'à douze personnes visées par l'Union européenne.

 

L'article 7 dudit règlement spécifie que toute information fournie ou reçue dans le cadre du gel est utilisée aux seules fins pour lesquelles elle a été fournie ou reçue. Trois comptes au nom de deux personnes ont été gelés dans deux établissements financiers, pour un montant total de 27 004 euros.

 

15.03  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le ministre, je vous remercie. Pour ma bonne compréhension, il s'agit de trois comptes au nom de deux personnes et cela concerne la Belgique. Aucun autre ressortissant congolais n'a été sanctionné dans le cadre de ces dispositions européennes. Ces sommes sont nettement moins importantes que les sommes gelées en Grande-Bretagne, à savoir un total de 580 000 pounds. En l'occurrence, il s'agit d'une somme plus modeste.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Question de M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le régime de la cotisation distincte des bénéfices dissimulés" (n° 23747)

16 Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de afzonderlijke aanslag inzake verdoken meerwinsten" (nr. 23747)

 

16.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, l’article 207, alinéa 7 du Code des impôts sur les revenus (CIR) mentionne qu’aucune de ces déductions ou compensations avec la perte de la période imposable ne peut être opérée sur la partie du résultat qui provient d'avantages anormaux ou bénévoles visés à l'article 79, ni sur les avantages financiers ou de toute nature reçus visés à l'article 53, 24°, ni sur l'assiette de la cotisation distincte spéciale établie sur les dépenses ou les avantages de toute nature non justifiés, conformément à l'article 219, ni sur la partie des bénéfices qui sont affectés aux dépenses visées à l'article 198, § 1er, 9° , 9° bis et 12°, ni sur la partie des bénéfices provenant du non-respect de l'article 194quater, § 2, alinéa 4 et de l'application de l'article 194quater, § 4, ni sur les dividendes visés à l'article 219ter, ni sur la partie du résultat qui fait l'objet d'une rectification de la déclaration visée à l'article 346 ou d'une imposition d'office visée à l'article 351 pour laquelle des accroissements d'un pourcentage égal ou supérieur à 10 % visés à l'article 444 sont effectivement appliqués, à l'exception dans ce dernier cas des revenus déductibles conformément à l'article 205, § 2.

 

L’article 219 du CIR, quant à lui, mentionne qu’une cotisation distincte est établie à raison des dépenses visées à l'article 57 et des avantages de toute nature visés aux articles 31, alinéa 2, 2°, et 32, alinéa 2, 2°, qui ne sont pas justifiés par la production de fiches individuelles et d'un relevé récapitulatif, ainsi qu'à raison des bénéfices dissimulés qui ne se retrouvent pas parmi les éléments du patrimoine de la société et des avantages financiers ou de toute nature visés à l'article 53, 24°.

 

On peut constater que l’article 219 alinéa 1er, précise qu’une cotisation distincte peut être établie:

 

a) à raison des dépenses visées à l’article 57 du CIR qui n’ont pas été justifiées par la production de fiches 281 et de relevés 325;

 

b) à raison des avantages de toute nature visés à l’article 57 du CIR qui n’ont pas été justifiés par la production de fiches 281 et de relevés 325;

 

c) à raison des bénéfices dissimulés qui ne retrouvent pas parmi les éléments du patrimoine.

 

L’article 207, alinéa 7 au niveau des termes "sur l'assiette de la cotisation distincte spéciale établie sur les dépenses ou les avantages de toute nature non justifiés, conformément à l'article 219" ne vise que les deux premiers cas mentionnés ci-avant. En revanche, les bénéfices dissimulés qui font l’objet d’une cotisation distincte ne sont pas mentionnés dans l’article 207, alinéa 7.

 

Faut-il en déduire que, sur la cotisation distincte des bénéfices dissimulés, une déduction tant des pertes encourues pendant la période imposable que des pertes antérieures est possible?

 

Monsieur le président et monsieur le ministre, je vous remercie de m'avoir autorisé à vous poser cette question technique. Nous sommes au cœur du régime fiscal des commissions secrètes. Du point de vue de la lutte contre la fraude fiscale, au-delà de sa technicité, cette question me semble essentielle.

 

16.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, comme son nom l'indique, cette cotisation est distincte de l'impôt des sociétés ordinaire et sa base imposable est en principe réglée uniquement par les dispositions de l'article 219 du CIR 92. Néanmoins, j'ai chargé mon administration de vérifier la portée des dispositions de l'article 207 du même code et, si nécessaire, de me faire une proposition d'adaptation de ce texte légal.

 

16.03  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, je comprends de la réponse du ministre qu'il constate comme nous qu'il y a une ambiguïté qui est très certainement due au libellé de l'article 207 dans sa configuration actuelle et qu'il entend y apporter une réponse ou une solution à brève échéance.

 

(…): (…)

 

16.04  Ahmed Laaouej (PS): Dont acte, monsieur le président. Nous reviendrons pour voir où cela en est.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Question de M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les modifications législatives relatives aux provisions dans la réforme de l'ISOC" (n° 23748)

17 Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de wetswijzigingen met betrekking tot de voorzieningen in de hervorming van de vennootschapsbelasting" (nr. 23748)

 

17.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, j'avais déposé deux autres questions, mais qui apparemment n'ont pas été inscrites à l'ordre du jour. L'une d'elles concernait la Société belge d'investissement (SBI) et tendait à voir où en étaient les choses après l'enquête fiscale. Nous avions tenu un débat à ce sujet et je pense donc que nous pouvions en demander le suivi. L'autre question portait sur les chiffres relatifs aux dossiers ouverts par l'Inspection spéciale des impôts dans le cadre des Panama et des Paradise Papers. Bizarrement, ces questions n'ont pas été inscrites malgré le respect des délais et des formes. Je les ai déposées cette semaine, dans les délais requis. N'avez-vous rien reçu? Elles ont pourtant été envoyées aux services.

 

Le président: Nous allons vérifier. Si une question est introduite le lundi, on en prend encore acte.

 

17.02  Ahmed Laaouej (PS): Très bien.

 

Monsieur le président, monsieur le ministre, j'en viens donc à ma question inscrite à l'ordre du jour.  L’exposé des motifs de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l’impôt des sociétés prévoit qu’afin d’éviter que des provisions soient constituées de manière anticipée, c'est-à-dire préalablement à la diminution du tarif de l’impôt des sociétés, en vue de soumettre les reprises ultérieures à un taux nominal d’imposition inférieur, la reprise des provisions est soumise au taux de 33,99% ou de 29,58% selon que les provisions ont été constituées soit au plus tard à une période imposable qui se rattache à l’exercice d’imposition 2018, soit au plus tard à une période imposable qui se rattache aux exercices d’imposition 2019 et 2020.

 

Le plan comptable normalisé prévoit trois comptes relatifs aux provisions pour risques et charges exceptionnels, à savoir les comptes 6620 pour les dotations, 6621 pour les utilisations et 762 pour les reprises de ces provisions.

 

Pour les autres provisions (les comptes 635 Provisions pour pensions et obligations similaires, 636 Provisions pour grosses réparations et 637 Provisions pour autres risques et charges), le plan comptable normalisé prévoit pour chacun de ces comptes deux sous-comptes: un sous-compte "dotations" et un sous-compte "utilisation et reprise".

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous me confirmer que les montants susceptibles d’être visés par le nouvel article 217/1 sont ceux qui seront repris au crédit des comptes 762, 6351 (à l’exclusion du montant relatif à l’utilisation), 7361 (à l’exclusion du montant relatif à l’utilisation) et 6371 (à l’exclusion du montant relatif à l’utilisation)?

 

Pourriez-vous également nous expliquer comment il faut appliquer le nouvel article 217/1, dans l’hypothèse où la provision constituée - par exemple, lors de l’exercice d’imposition 2020 -, fait l’objet d’une reprise à concurrence, par exemple, de 20 000 euros au cours d’un exercice d’imposition ultérieur et que la base imposable de cet exercice d'imposition au terme des quatorze opérations s'élève à:

a) un montant positif de 4 000 euros;

b) un montant négatif de 9 000 euros;

c) un montant négatif de 48 000 euros?

 

Ce sont des questions techniques, mais il s'agit de faire preuve de précision au sujet d'une des mesures compensatoires pour assurer la neutralité budgétaire de la réforme de l'impôt des sociétés et d'une mesure "anti-abus", si je puis dire. En effet, il ne faut pas que les gens anticipent l'évolution du régime fiscal des provisions et constituent des provisions avant l'entrée en vigueur de la baisse des taux. Il faudrait éviter la tentation de déduction à un taux important de 33,99 % avant réforme, suivie d'une reprise de provision au nouveau taux, plus bas, permettant ainsi un gain des deux côtés!

 

17.03  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, monsieur Laaouej, il s'agit là d'une longue question. Ma réponse sera assez condensée.

 

La société qui a effectué la reprise comptable ou fiscale et dont la base imposable déclarée s'élève à 4 000 euros devrait payer sur celle-ci un impôt calculé au taux de 29,58 %. Elle ne sera redevable d'aucun impôt si la base imposable déclarée est nulle ou négative.

 

17.04  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, cela signifie qu'il n'y a aucun impôt dans les hypothèses b et c. Nous vérifierons cela.

 

Je vous demandais aussi de confirmer ou d'infirmer l'information selon laquelle les montants susceptibles d'être visés par le nouvel article 2017/1 sont ceux qui sont repris au crédit des comptes 762, 63-51, 73-61 et 73-71. Vous ne m'avez pas répondu. Si vous n'avez pas la réponse, je vous propose de redéposer une question sur cet objet. Dont acte, monsieur le président.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

La réunion publique de commission est levée à 16.38 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.38 uur.