Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 31 januari 2018

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 31 janvier 2018

 

Matin

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.01 uur en voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

La réunion publique de commission est ouverte à 10.01 heures et présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

De voorzitter: We starten met een vraag van de heer Bogaert die dateert van 3 oktober vorig jaar.

 

01 Vraag van de heer Hendrik Bogaert aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de oorzaken van het missen van het stabiliteitspact" (nr. 21011)

01 Question de M. Hendrik Bogaert au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les raisons de l'échec du pacte de stabilité" (n° 21011)

 

01.01  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de minister, volgens het stabiliteitsprogramma van België 2015-2018, goedgekeurd door de federale Ministerraad op 24 april 2015, zal België tegen 2018 een structureel evenwicht bereiken. Vandaag zijn er belangrijke afwijkingen op het traject. Vaak wordt in argumentatie om een afwijking te verantwoorden, verwezen naar drie of zes of twaalf maanden vroeger, waardoor de analyse zeer politiek wordt en minder analytisch.

 

Wanneer we de volledige periode sinds de goedkeuring van het stabiliteitsprogramma door de regering beschouwen, dan kunnen er in principe drie redenen zijn voor een grote afwijking. Mogelijk gaat het, ten eerste, om een significant lagere economische groei en activiteit dan gepland. Wat waren in april 2015 de voor 2018 en voor het einde van de legislatuur te verwachten resultaten ten opzichte van de verwachting van vandaag voor 2018? Heeft het beleid hier op in gespeeld?

 

Ten tweede, als het niet aan de groei ligt, dan zijn de verschillen te wijten aan de uitgaven of de ontvangsten. Kunt u over de hele periode 2015-2018 aanduiden waar de verschillen zitten op het traject op het vlak van de groei, de uitgaven en de ontvangsten en welke politieke houding u daartegenover aanneemt?

 

01.02 Minister Sophie Wilmès: Mijnheer Bogaert, het stabiliteitsprogramma 2015-2018 ging inderdaad nog uit van het bereiken van een structureel evenwicht tegen 2018. Over de periode 2015-2017 zou dan telkens een structurele verbetering worden gerealiseerd met 0,7 %, vertrekkende vanuit de realisatie 2014 zoals gepubliceerd in april 2015 door het INR. Het structurele saldo voor 2014 werd op min 2,8 % geraamd. Op die manier zou er in 2018 dan nog een resterende inspanning te leveren zijn van 0,6 %. In dat scenario ging de regering verder dan de minimale verbeteringen die op dat moment vereist waren volgens het preventieve deel van het Stabiliteits- en Groeipact voor landen die niet meer onderworpen waren aan de procedure bij buitensporige tekorten, namelijk een verbetering van het structurele saldo met meer dan 0,5 % per jaar.

 

De MTO, die toen 0,75 % van het bbp bedroeg, zou evenwel niet bereikt worden. Ondertussen werd de MTO evenwel naar 0 % herzien als gevolg van de structurele hervormingen van het pensioensysteem.

 

Evenwel wordt op vraag van de Europese Commissie het stabiliteitsprogramma jaarlijks geactualiseerd. Dat moet immers de regeringen van de lidstaten toelaten om nieuwe beleidsimpulsen, heroriëntatie, hervormingen, uitzonderlijke gebeurtenissen of wijzigingen op het vlak van conjunctuur in rekening te brengen. Zo ging het stabiliteitsprogramma 2017-2020 in 2017 ervan uit dat het structureel evenwicht door de gezamenlijke overheden zou worden bereikt in 2019. De bijstelling was onder meer het gevolg van het feit dat de verbetering van het structurele saldo tussen 2015 en 2016 minder groot was dan verwacht door de economische, fiscale en budgettaire impact van de aanslagen van maart 2016 en de meerkosten voor het beheer van die crisis en van de asielcrisis.

 

Er dient ook rekening te worden gehouden met de evolutie van de grote politieke oriëntaties en met de nieuwe structurele maatregelen die ondertussen voor het einde van de legislatuur zijn gepland. Ik denk daarbij onder meer aan het nationale pact voor strategische investeringen, de taxshift en de hervorming van de vennootschapsbelasting. De focus van de regering heeft zich deze legislatuur gericht op het herstel en de versterking van duurzame groei en op jobcreatie. We moeten erkennen dat sommige van de maatregelen die de regering in dat kader heeft genomen, pas hun volle rendement zullen opleveren op iets langere termijn, terwijl ze op korte termijn soms kosten met zich brengen. Hierdoor wordt de begroting trager gesaneerd dan door de regering gewenst. Ze hebben echter het voordeel dat ze de competitiviteit van ons land ten goede komen en het herstel van de economie niet fnuiken.

 

Mag ik u er ook aan herinneren dat het Belgische nominale tekort voor 2017 volgens ramingen van de FOD BOSA in november jongstleden op min 1,2 % zou uitkomen, of een vermindering van meer dan 60 % ten opzichte van het tekort in 2014, toen min 3,1 %.

 

De begrotingsanering is essentieel om de komende generatie te beschermen. Alleen een dynamische economie kan de leefbaarheid van onze sociale bescherming op lange termijn garanderen. Zonder groei en jobcreatie kan een begroting niet lang in evenwicht blijven.

 

01.03  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de minister, heb ik goed gehoord dat de medium term objective van 0,75 % van het bbp naar 0 % gaat?

 

01.04 Minister Sophie Wilmès: Het is door de Europese Commissie naar min 0,5 gebracht. Dat is een voordelig niveau voor ons. Gelet op onze schuld is dat naar 0 gebracht. Wij zijn gestart met een MTO van 0,75 % en dat is nu naar 0 % gebracht.

 

01.05  Hendrik Bogaert (CD&V): Dat is dus geen doelstelling. We moeten dus niet verbeteren op het vlak van MTO?

 

01.06 Minister Sophie Wilmès: De MTO gaat naar 0. Om op lange termijn de financiering van de Staat te kunnen garanderen, moet er een evenwicht zijn. Dat is 0 %.

 

Voor de pensioenhervorming moesten wij een overschot hebben om de financiering van de Staat op lange termijn te kunnen garanderen.

 

Als men werkt met de begrotingstrajecten, kan men de financiën saneren en het deficit verminderen door rechtstreeks in te grijpen op de ontvangsten en de uitgaven. Als men op lange termijn bijvoorbeeld de pensioenen hervormt, dan verbetert men ook de MTO, de medium term objective. Daarmee bedoelt men de capaciteit van de Staat om op lange termijn rekening te houden met de veroudering van de populatie.

 

01.07  Hendrik Bogaert (CD&V): U had het over nominaal min 1,2 in 2017. Hoeveel is dat structureel?

 

01.08 Minister Sophie Wilmès: Dat is nog niet berekend. Ik meen mij te herinneren dat het structureel min 0,8 % was in de initiële begroting.

 

01.09  Hendrik Bogaert (CD&V): In november?

 

01.10 Minister Sophie Wilmès: Neen. Ik herhaal: -1,2 % structureel. Dat hebben wij niet berekend. Wij hebben dat wel berekend in september, voor de initiële begroting van 2018, met andere cijfers voor 2017. Die staan in de algemene toelichting bij de begroting van 2018.

 

01.11  Hendrik Bogaert (CD&V): U hebt nu geen cijfer voor het structureel tekort voor 2017?

 

01.12 Minister Sophie Wilmès: Wij hebben voor 2017 een structureel saldo berekend. Bij het maken van de begroting van 2018 in september hebben wij het cijfer van 2017 geactualiseerd. Wij hadden een nominaal saldo van –1,48 % in de initiële begroting van 2018. In de initiële begroting van 2018 wordt het nominaal saldo van 2017 herberekend. Intussen hebben wij het nominaal saldo voor 2017 in november van 1,2 %. Dat was een voorlopig cijfer waarvoor wij geen structureel saldo hebben berekend.

 

De volgende dagen zullen wij nieuwe voorlopige cijfers krijgen, die heel dicht bij de realiteit zullen liggen. Wij zullen het nominaal saldo, misschien nog niet het structureel saldo, voor 2017 hebben. De echte rekening zal pas bekend zijn in april, zoals gewoonlijk.

 

Ik vraag nog een paar dagen geduld dus.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: We hebben geen nieuws van de heer De Vriendt. Zijn vraag nr. 21151 wordt geschrapt. Vraag nr. 21433 van mevrouw De Coninck wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 21479 van de heer Dispa, van wie wij niets hebben vernomen, wordt ook geschrapt. Vraag nr. 21962 van de heer Van Hees wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

 

02 Vraag van de heer Hendrik Bogaert aan de minister van Begroting, belast met de Nationale Loterij, over "de ESR-regels" (nr. 21973)

02 Question de M. Hendrik Bogaert à la ministre du Budget, chargée de la Loterie Nationale, sur "les règles SEC" (n° 21973)

 

02.01  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de minister, de ESR-boekhoudregels behoeden er ons voor dat lidstaten hun eigen regels gebruiken, volgens hun eigen wensen. Het is natuurlijk lovenswaardig ons te behoeden voor een dergelijke wildgroei.

 

Anderzijds vormen die regels vaak een belemmering voor investeringen, omdat ze nog steeds uitgaan van een cashboekhouding. In het verleden heeft België meermaals gebruik gemaakt van het principe van de cashboekhouding in plaats van een dubbele boekhouding om haar begroting wat op te smukken.

 

Plant u de ESR-regels in vraag te stellen, en Europa over te laten gaan naar een systeem van dubbele boekhouding en zich dus niet langer te baseren op een cashboekhouding?

 

02.02 Minister Sophie Wilmès: Mijnheer de voorzitter, vroeger werd voor de Staat een cashboekhouding opgesteld als gevolg waarvan de overgang naar ESR moet worden verzekerd. Vandaag wordt heel de boekhouding in ESR opgesteld, zij het dat voor de niet-fiscale ontvangsten wordt gewerkt op cashbasis en niet volgens de vastgestelde rechten.

 

De ESR-boekhouding kan inderdaad een rem op de investeringen betekenen, in die zin dat de waarde van een goed wordt aangerekend op het ogenblik van de overdracht van de eigendom. Dit heeft een impact op de saldi. Deze problematiek wordt momenteel onderzocht door de Europese commissie in het kader van de discussie over het nationale plan van de strategische investeringen.

 

Verder wil ik eraan herinneren dat de rekeningen van de Staat, die aan de goedkeuring van het Parlement zijn onderworpen, in de vorm van een dubbele boekhouding wordt voorgelegd. Dit wil zeggen dat ze een balans, een resultatenrekening en een begrotingsrekening bevatten. De begrotingsrekening is bovendien gebaseerd op de ESR-normen.

 

Dit betekent dat onze begroting wel degelijk wordt opgesteld volgens het principe van een dubbele boekhouding, zoals in de privésector én overeenkomstig het Europees recht, want we hebben de beide.

 

02.03  Hendrik Bogaert (CD&V): Als we nu al beide hebben dan vraag ik mij af waarom Europa geen rekening houdt met die tweede soort van boekhouding.

 

02.04 Minister Sophie Wilmès: Dat is een vraag waarop ik niet kan antwoorden.

 

Ik meen dat ESR bedoeld is om de boekhoudingen van de verschillende staten op een vergelijkbare manier te kunnen behandelen. Ik ben er niet van overtuigd dat elke staat hetzelfde boekhoudsysteem hanteert. Ik ken alleen de situatie voor België.

 

Het klopt dat volgens de ESR-regels de waarde van een eigendom wordt aangerekend op het moment van de transfer en dit kan inderdaad een rem zetten op grote investeringen.

 

Dat kan een belemmering vormen voor investeringen en dat is wat wij aan Europa zeggen. Wij vragen Europa niet om het ESR-systeem te veranderen, want dat is een internationaal systeem en daaraan moet niet worden geraakt.

 

Het is Europa dat ons evalueert en het is in zijn evaluatie, de manier waarop hij ons evalueert, dat wij speciale aandacht vragen voor investeringen met een speciale return on investment. Is het de Nationale Bank of is het iets anders, zoals voor het plan-Juncker?

 

Voor het plan-Juncker is de voorwaarde die moet worden vervuld om een speciale evaluatie van de Europese Commissie te krijgen te streng en dat is de reden waarom wij discussiëren.

 

De vraag is niet om de ESR-norm in vraag te stellen, maar wel de evaluatie van Europa om ons saldo te herzien ten opzichte van bepaalde investeringen.

 

02.05  Hendrik Bogaert (CD&V): U houdt dus vast aan ESR? Daar komt het op neer?

 

02.06 Minister Sophie Wilmès : Absoluut.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van de heer Hendrik Bogaert aan de minister van Begroting, belast met de Nationale Loterij, over "het pensioenfonds van Belgacom" (nr. 21974)

03 Question de M. Hendrik Bogaert à la ministre du Budget, chargée de la Loterie Nationale, sur "le fonds de pensions de Belgacom" (n° 21974)

 

03.01  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de minister, de overname van de verplichtingen van het Belgacom- pensioenfonds tijdens de regering-Verhofstadt in 2003 was een fel bediscussieerd thema. Het ging niet zozeer over het bedrag zelf, 5 miljard euro, wat in principe actuarieel goed werd berekend, maar wel over het idee dat de geactualiseerde waarde onmiddellijk werd betaald om de begroting te helpen. Er is ook een connectie met de vorige vraag, omdat ook die met de ESR-boekhoudregels te maken had.

 

Wat is uw politieke houding ten opzichte van de overname? Was dit een goede zaak voor de federale overheid? Als ik het mij goed herinner, lopen de verplichtingen ervan zeer lang door. Voor welk bedrag heeft die kwestie gewogen op de begroting tijdens deze legislatuur? Hoe verhouden die bedragen zich ten opzichte van de dividenden die jaarlijks werden uitbetaald aan de federale begroting?

 

03.02 Minister Sophie Wilmès: Op het ogenblik van de overname van de verplichtingen van het Belgacom- pensioenfonds golden de regels van het ESR 95. De overname van de verplichtingen had toen inderdaad een positief effect op de begroting van de gezamenlijke overheid. De storting van 5 miljard euro diende immers te worden geregistreerd als een overheidsontvangst.

 

De invoering van het ESR 2010, de opvolger van het ESR 95, heeft evenwel het voordeel van die operatie tenietgedaan. Het ESR 2010 is de huidige versie van het Europese rekeningenstelsel, dat sinds 1 september 2014 van toepassing is op de nationale rekeningen van de EU-lidstaten.

 

Zoals aangegeven in een publicatie van het INR van september 2014 aangaande het ESR 2010 dienen de stortingen die een onderneming doet aan de staat in het kader van de overdracht van hun pensioenverplichtingen te worden beschouwd als een financieel voorschot. De registratie bij de overheidsontvangsten gebeurt pas a rato en op het moment dat de overeenstemmende pensioenuitkeringen daadwerkelijk plaatsvinden, totdat het voorafbetaalde bedrag is uitgeput. Bijgevolg is er geen impact op het vorderingsaldo tijdens het jaar waarin de verplichtingen worden overgedragen. Ook in de daarop volgende jaren is de ESR-impact nihil, aangezien tegenover de gedane uitkeringen eenzelfde bedrag aan ontvangsten wordt geboekt.

 

Pas van zodra het vooraf betaald bedrag is uitgeput, zou er een impact kunnen zijn op het vorderingsaldo, indien er op dat moment nog uitkeringsverplichtingen bestaan voor de betrokken personen.

 

De overgang van ESR 95 naar ESR 2010 heeft bijgevolg geleid tot heel wat herzieningen. Zo kan in de statistiek van de NBB vastgesteld worden dat het vorderingsaldo voor de gezamenlijke overheid voor 2003 sterk neerwaarts werd herzien van een overschot – ik verwijs naar de rekeningen van de overheid van september 2005 – van 2 017 miljoen naar een uiteindelijk deficit van 4,9 miljard, mede ingevolge de gewijzigde reglementering inzake de overname van pensioenverplichtingen voor de Staat.

 

Voor het pensioenfonds van Belgacom-Proximus zullen wij dit jaar ongeveer 400 miljoen betalen aan de gepensioneerde vroegere werknemers. Het verschil tussen de gekregen en de betaalde bedragen wordt in de rekening geneutraliseerd door de ESR-correctie, om rekening te houden met de afschrijving van het gekregen kapitaal bij overname van het pensioenfonds, zoals ik net verklaard heb. De operatie is neutraal voor de Staat, dus zolang het gekregen kapitaal niet volledig afgeschreven is. Nadien zal dat inderdaad niet meer het geval zijn. Volgens de informatie waarover ik beschik, is het einde van de afschrijving voorzien tussen 2021 en 2022.

 

Als een dergelijke operatie op een bepaalde manier kon worden gebruikt om een begrotingstekort kunstmatig te laten dalen, moet worden opgemerkt dat de recente actualisering van de Europese regels op dat gebied dat proces veel minder winstgevend hebben gemaakt. Wij zien ook wel dat dit zal leiden tot bijkomende kosten die een impact zullen hebben op de begrotingstrajecten binnen enkele jaren.

 

03.03  Hendrik Bogaert (CD&V): Wat er gebeurt, is eigenlijk een fabuleus verhaal. In 2003 heeft de toenmalige regering beslist om die 5 miljard binnen te halen, het bedrag komt politiek “bovendrijven” en de regering kon er andere uitgaven mee doen. In 2010 wordt beslist dat dit niet meer kan. Dat is bijzonder cynisch. Het toenmalig resultaat – de toenmalige politieke verantwoordelijken zijn ondertussen weg – wordt negatief gecorrigeerd, maar de verplichting van ruim 400 miljoen cash, door de regering uitbetaald, hoeft door de correctie van 2010 niet meer geregistreerd te worden als een uitgave.

 

Men heeft eigenlijk het probleem naar achteren geduwd, de zaak statistisch gewijzigd en ondertussen cleant men alle regeringen op die in de toekomst die 400 miljoen wel cash moeten betalen, maar die komen niet meer in de begroting. Dat is een van de meest cynische zaken die ik ooit heb meegemaakt. Wat men eigenlijk doet, is in 2003 de toekomstige verplichtingen voortrekken en in een keer inboeken in de begroting. In 2010 hanteert men nieuwe statistische gegevens en werkt men helemaal omgekeerd en al die verplichtingen - 400 miljoen  tot in 2023 – worden allemaal weer weggetrokken en opnieuw in de put van 2003 gegooid.

 

Ik ben verrast dat er in de publieke opinie niet meer wordt gesproken over een dergelijke hocus pocus. Voor alle duidelijkheid, dit is geen blaam voor deze regering, maar als men boekhoudkundig begrijpt wat er precies is gebeurd, dan is dit een van de meest crazy zaken die ooit zijn gebeurd.

 

Ondertussen betalen wij wel 400 miljoen per jaar uit. Cashmatig is dat geld dus wel weg, het wordt niet geregistreerd, er is zogezegd geen enkele uitgave gebeurd op het structureel vorderingsaldo, maar het is wel 400 miljoen die bij de massa's schulden van België komt.

 

Globaal vind ik wat er allemaal is gebeurd een heel bizar en absoluut af te raden scenario.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de M. Jean-Jacques Flahaux à la ministre du Budget, chargée de la Loterie Nationale, sur "le budget 2018 de l'UE" (n° 22117)

04 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Begroting, belast met de Nationale Loterij, over "de begroting 2018 van de EU" (nr. 22117)

 

04.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, madame la ministre, je vous remercie d'être présente. Ma question date du 20 novembre 2017. On pourrait croire qu'elle est devenue quelque peu obsolète, mais pas nécessairement. 

 

Le 18 novembre dernier, les institutions de l’Union européenne annonçaient avoir trouvé un accord sur le budget de l’Union européenne pour 2018.

 

Madame la ministre, quelle est votre analyse de ce budget de l’Union européenne pour 2018? Ce budget permettra-t-il de suivre les priorités politiques de la Commission Juncker? L'Union européenne s’impose-t-elle autant d’orthodoxie budgétaire qu’elle en impose à ses pays membres, dont la Belgique?

 

04.02  Sophie Wilmès, ministre: Monsieur le président, monsieur Flahaux, vous avez effectivement posé votre question le 20 novembre 2017. Le 17 novembre dernier, je me trouvais au Conseil européen des Affaires économiques et financières, l'ECOFIN Budget, afin de négocier avec mes collègues des autres États membres, ainsi qu'avec le Parlement et la Commission, le budget 2018.

 

Au terme d'intenses négociations, un accord a pu être trouvé sur un budget de 160,1 milliards en crédits d'engagement, soit une augmentation d'environ 1 % par rapport à 2017, et de 144,7 milliards en crédits de paiement, soit une augmentation  d'environ 7,5 % par rapport à 2017. Cette augmentation des crédits de paiement s'explique par le fait que certains projets entamés sous le cadre financier pluriannuel 2014-2020 atteignent leur vitesse de croisière en 2018, après un démarrage assez lent. Ceci entraîne un décalage par rapport au schéma initial de paiement et, dès lors, davantage de crédits de paiement qu'initialement prévu pour cette année.

 

Pour la Belgique, cela représente une augmentation des crédits de 18 % par rapport à 2017, compte tenu des remboursements obtenus durant 2017. On est donc à 500 millions d'euros en plus pour 2018, pour un total de 3,172 milliards d'euros.

 

Ce budget se concentre fortement sur des priorités telles que le soutien à la croissance économique, la création d'emplois, le renforcement de la sécurité ainsi que la réponse à apporter aux défis posés par la migration.

 

Au-delà ce ces priorités, je me réjouis aussi de constater que de nouvelles perspectives d'action se dessinent au niveau européen avec le Sommet social qui s'est tenu à Göteborg, en Suède, en novembre. C'est la future politique sociale de l'Europe que nous sommes en train de définir.

 

En tant qu'Européenne convaincue, je pense qu'il est capital de doter l'Union européenne d'un budget ambitieux qui lui donne les latitudes nécessaires pour soutenir les États membres à relever les grands défis de ces dernières années et une marge suffisante pour répondre aux défis de demain. Il en va, selon moi, de la crédibilité du projet européen.

 

Néanmoins, et comme j'ai eu l'occasion de l'indiquer lors de la réunion ECOFIN à mes collègues des autres États membres mais aussi aux représentants du Parlement européen et à la Commission, on doit veiller à ce que, dans la détermination de son budget, l'Europe tienne compte des contraintes budgétaires imposées au niveau national. En effet, l'Europe ne peut pas demander aux États membres, d'une part, de continuer à assainir leurs finances publiques et, d'autre part, de toujours contribuer davantage aux budgets européens.

 

À ce titre, outre les efforts dans les budgets de fonctionnement qui doivent être respectés, j'ai insisté, lors de l'ECOFIN, sur la nécessité d'assurer une plus grande prévisibilité budgétaire en veillant notamment au respect des calendriers de paiement afin d'éviter les reports d'année en année qui peuvent lourdement peser sur les contributions des États membres, comme cela sera le cas, par exemple, en 2018, avec un demi-milliard d'euros supplémentaire.

 

04.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Je profite de l'occasion qui m'est donnée pour dire que je suis fier que notre ministre du Budget soit une femme. C'est important. D'ailleurs, ce sont généralement les femmes qui tiennent le cordon de la bourse du ménage, ce qu'elles font, en général, beaucoup mieux que les hommes.

 

Pour revenir à la problématique du budget européen, il est clair que la difficulté de l'exercice est un peu toujours la même puisque ce budget dépend, en quelque sorte, de la bonne volonté des États.

 

Selon moi, il faudra qu'il y ait, un jour, un impôt européen qui ne devra pas s'ajouter, mais plutôt se substituer à d'autres impôts nationaux ou régionaux.

 

Le problème réside dans le fait que les défis sont importants. Il faudra notamment arriver à une Europe de la Défense, comme cela a été évoqué en commission de la Défense. À cette fin, des budgets devront être prévus et des moyens mobilisés. Mais nous en sommes encore bien loin. Nous assistons juste à une tentative de coordination au niveau de l'industrie de l'armement. Et encore, on constate, avec les hélicoptères, que cela ne fonctionne pas tellement bien!

 

04.04  Sophie Wilmès, ministre: Monsieur Flahaux, je suis assez d'accord avec votre analyse. Je pense que, dans la problématique européenne qui est très large et qui n'est pas limitée à l'aspect uniquement budgétaire, une difficulté est parfois ressentie par les États membres. En effet, quand un niveau de budget est décidé, le niveau de contribution est dès lors impacté par ce niveau de budget et c'est l'État membre qui doit lever l'impôt pour contribuer à ce budget européen. Il y a donc une espèce de distanciation entre le budget européen, tel qu'il est décidé et puis utilisé, et le citoyen final auquel on demande la contribution. De fait, à mes yeux, tout ce mécanisme des ressources propres de l'Union européenne – il s'agit d'un débat très intéressant car il fait appel au processus démocratique, tel qu'il existe vraiment – n'a d'intérêt que dans un cadre large de droits et d'obligations.

 

Cela signifie que, si on décide d'augmenter un budget, c'est un droit pour remplir certaines obligations, certains devoirs ou impératifs. Mais, là derrière, il y a aussi l'obligation d'en assumer la conséquence jusqu'au citoyen lambda qui paie ses impôts. C'est cette dynamique-là, cette relation entre "je dépense et donc j'ai la responsabilité de lever directement l'impôt car c'est cela qui fait que je suis redevable d'explications vis-à-vis de la société de laquelle je perçois de l'argent", qui fait qu'il y aura une plus grande adéquation entre les politiques européennes et les citoyens, parce qu'ils sauront pourquoi ils paient. Mais ce n'est pas seulement cela; on peut avoir un long débat.

 

04.05  Jean-Jacques Flahaux (MR): Madame la ministre, je suis entièrement d'accord. Je n'ai donc pas de commentaire discordant à ajouter.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Jean-Jacques Flahaux à la ministre du Budget, chargée de la Loterie Nationale, sur "le premier rapport du Comité budgétaire européen" (n° 22118)

05 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Begroting, belast met de Nationale Loterij, over "het eerste rapport van het Europees Begrotingscomité" (nr. 22118)

 

05.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, la présente question est encore plus ancienne que la précédente, puisqu'elle date du 16 novembre - mais je ne remonterai pas plus loin!

 

Madame la ministre, le 15 novembre 2017, le Comité budgétaire européen, instauré voici deux ans, rendait son premier rapport. Depuis le renforcement des procédures budgétaires européennes consécutivement à la crise de 2008, celles-ci sont devenues si complexes que l’Union européenne a créé ce Comité budgétaire, organe consultatif indépendant, afin d’aider les États membres à suivre plus facilement les différentes procédures imposées par l’Union.

 

Selon Niels Thygesen, l’économiste danois qui a supervisé les travaux de ce rapport et qui a passé au crible l’application des procédures budgétaires en 2016, cette dernière s’est révélée imparfaite. De plus, il estime que l'exécution de certaines règles par les États membres est injuste.

 

Madame la ministre, quelle est votre analyse de ce rapport? Êtes-vous favorable à terme à la fondation d’une structure budgétaire centralisée, conduite par un ministre des Finances commun à tous les États membres? Il me semble que cette préoccupation rejoint la proposition du président Macron.

 

Quelle position la Belgique a-t-elle adoptée à l'égard de la création d’une enveloppe stabilisatrice, présentée comme une piste à explorer dans le rapport du Comité budgétaire européen?

 

Comment analysez-vous l'autre solution proposée par ce rapport, à savoir la mise en place d’un filet commun d’assurance-chômage, qui amortirait les crises? La Belgique y serait-elle favorable? Voilà encore un grand débat que j'ouvre, madame la ministre!

 

05.02  Sophie Wilmès, ministre: Monsieur Flahaux, le rapport auquel vous vous référez constitue en effet un moyen d'information intéressant, car il offre un éclairage complémentaire sur l'évaluation ex post de l'élaboration du cadre budgétaire européen en se focalisant sur le cycle de surveillance 15-16.

 

Au travers des propositions présentées, ce rapport ouvre également le débat autour de l'applicabilité des règles européennes en vigueur et de leur éventuelle adaptation. À cet égard, certaines recommandations - telles que la simplification des règles budgétaires européennes ou encore une définition plus claire des clauses autorisant une déviation - me semblent intéressantes. Le principe visant à établir une plus grande intégration entre le Pacte de stabilité et de croissance et la surveillance des déséquilibres macroéconomiques m'apparaît aussi comme une piste à explorer - ne fût-ce qu'en termes de timing. Comme nous recevons des rapports à intervalle régulier, il est parfois difficile de gérer les informations qui sont transmises.

 

Par contre, en ce qui concerne un durcissement des règles budgétaires et une plus grande automaticité de ces dernières, je reste plus mitigée dans la mesure où il y a lieu de tenir compte, lors de l'analyse de la situation budgétaire, de l'ensemble des facteurs, ce qu'on appelle les facteurs relevants. C'est effectivement ce que la Commission fait. Elle tient compte de ces facteurs relevants en cas de déviation par rapport à la trajectoire budgétaire théorique.

 

Dans cette perspective, se pose également la question de savoir sur quelle base et à quel moment les règles et sanctions éventuelles devaient être appliquées. Pourquoi? Parce que si tout cela se passe ex ante, avant même l'exercice du budget, on voit par exemple ces dernières années, les différences significatives qu'il y avait avec les évaluations ex ante de la Commission européenne et la réalisation sur le terrain. Vous comprenez bien que si sur des bases ex ante, la Commission pouvait plus facilement ou plus automatiquement appliquer des mesures correctrices, voire des sanctions, on aurait eu des difficultés, alors que la réalité de terrain s'est en fait avérée bien meilleure que ce qui avait été analysé par la Commission européenne. On l'a expliqué plusieurs fois mais cela reste difficile.

 

Je suis d'avis qu'il faut probablement repenser les règles budgétaires européennes mais cela doit se faire de manière à ne pas briser le moteur économique. Une application effectivement trop mécanique des règles budgétaires, d'autant plus si elles sont renforcées, serait à mon avis néfaste à la croissance.

 

En ce qui concerne la création éventuelle d'une structure budgétaire centralisée avec un ministre des Finances commun à tous les pays, cela demande de peser le pour et le contre et de pouvoir identifier toutes les conséquences tant au niveau européen qu'au niveau des États membres individuellement. Au final, il faut également se poser la question de la plus-value pour les citoyens de la mise en place éventuelle d'une structure budgétaire centralisée. C'est cela l'enjeu principal de la mesure. Je pense que dans chaque réforme que l'on doit envisager au niveau européen, ce n'est pas l'institution qu'il faut améliorer, c'est la plus-value pour le citoyen notamment pour ramener le rapport citoyen-Europe dans une dynamique positive, ce que l'on a parfois un peu l'impression de perdre, malheureusement, pour le moment.

 

À propos de la création d'une fonction de stabilisation macro-économique au sein de la zone euro, le principe me semble défendable, mais les modalités doivent aussi demander des analyses plus approfondies. Cela doit-il passer par une union budgétaire européenne, par un mécanisme de soutien aux investissements, par la mise en place d'une assurance zone euro ou de type assurance-chômage, comme cela a été proposé? Pour répondre à ces questions, nous avons besoin d'informations, d'études, d'analyses complémentaires.

 

Même si le rapport du comité budgétaire constitue un outil d'information et reste intéressant, il ne permet pas à ce stade d'apporter une réponse claire sur les modalités proposées. Or on sait que c'est cela qui peut générer des accords ou des désaccords en dehors des questions de principe. Par exemple, concernant le principe de la mise en place de l'assurance chômage au niveau européen, le rapport ne précise pas les conditions nécessaires à l'utilisation efficiente du système, comme une harmonisation complète du marché du travail, les modalités de cotisation, etc. Ces questions sont passionnantes et, l'air de rien, ont ou auront des impacts importants pour chaque État membre.

 

Comme vous, ce sujet me tient à cœur et je continuerai à le suivre.

 

05.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Madame la ministre, j'aurai l'occasion de revenir sur le sujet, ici ou dans d'autres instances.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de automatische betaling van verwijlinteresten" (nr. 22750)

06 Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le paiement automatique des intérêts de retard" (n° 22750)

 

06.01  Johan Klaps (N-VA): Mevrouw de minister, ik had deze vraag gericht aan de minister van Financiën, maar ze werd doorverwezen naar u. Ik verwacht dat het antwoord minstens even goed zal zijn.

 

Eind 2016 concludeerde het Rekenhof in zijn jaarverslag dat de overheid 30 % van haar facturen laattijdig betaalde. Dit resulteerde voor 2015 in 900 000 euro aan verwijlinteresten. Nu bleek echter dat de federale overheidsdiensten die verwijlinteresten pas betaalden als daar expliciet om gevraagd werd door de leveranciers, hoewel die interesten van rechtswege verschuldigd zijn en dus spontaan zouden moeten worden gestort.

 

De minister van Financiën verklaarde toen het computersysteem te zullen aanpassen en de automatische betaling van verwijlinteresten te onderzoeken.

 

Begin 2018 wil ik u dan ook naar de stand van zaken vragen. Hoe zit het hiermee? Gebeurt het nu automatisch? Wat zijn de resultaten?

 

06.02 Minister Sophie Wilmès: Mijnheer Klaps, de federale overheidsdiensten betalen effectief een deel van hun facturen te laat. Concreet tonen de cijfers van het Fedcomsysteem, de federale ERP-applicatie, aan dat de te laat betaalde facturen voor het boekjaar 2016 in aantal 28,5 % vertegenwoordigden en in bedrag 1,2 %.

 

De soms niet-gestroomlijnde toepassing van de verwerking van de boekhoudkundige stukken, conform de beste praktijk en de ERP-standaard, liggen aan de basis van de aangehaalde problematiek. Om hierin verbetering te brengen worden beste praktijken naar voren geschoven, inclusief de scanning van de ontvangen boekhoudstukken, de elektronische facturering en de elektronische verwerking ervan onder het toezicht van de financiële verantwoordelijken van de betrokken overheidsdienst.

 

Bij de vraagstelling wordt vooral verwezen naar de regelgeving over overheidsopdrachten. Daaruit blijkt dat de verwijlintresten van rechtswege en zonder ingebrekestelling moeten worden betaald. Desondanks het feit dat dit niet in vraag gesteld wordt, moeten wij ook de wet over de boekhouding en de beginselen van een regelmatige boekhouding toepassen, wat erop neerkomt dat elke boeking moet gebeuren aan de hand van een bewijskrachtig en gedagtekend verantwoordingsstuk, dat de aard en impact van de verrichting weergeeft.

 

Mijn administratie wijst mij op het feit dat op basis van deze elementen men tot de vaststelling komt dat de automatisering van de vermelde regelgeving inzake nalatigheidintrest in het ERP-systeem niet kan worden ingevoerd zonder de toets van de controleerbaarheid te schenden en problemen te creëren op het vlak van de interne controle met betrekking tot boekhouding op leveranciersrekeningen.

 

De verwijlintresten dienen dus op basis van specifieke bewijskrachtige en regelmatig opgestelde schuldverordeningen in de boekhouding te worden verwerkt. Aan het huidige ERP-boekhoudsysteem zal bijgevolg geen specifieke aanpassing worden verricht om deze regelgeving te automatiseren. Het komt aan de financiële verantwoordelijken van elke dienst toe om zijn boekhouding te voeren, overeenkomstig de bestaande wet en de regelgeving, inclusief de wet van 22 mei 2003 inzake de comptabiliteit van de federale Staat.

 

06.03  Johan Klaps (N-VA): Mevrouw de minister, als het niet automatisch kan, zijn er daarvoor redenen? Ik vraag gewoon dat het gebeurt. Elke dienst moet ervoor zorgen dat dit correct gebeurt. Onlangs kwam er een studie van Graydon uit waarin gewezen wordt op de gigantische betalingsachterstand, zowel van privé-ondernemingen als van de verschillende overheden van dit land. De federale overheid is op dat vlak trouwens niet de slechtst presterende overheid. Het probleem is er echter wel.

 

Met laattijdige betalingen kan een hele negatieve ketting op gang worden gebracht. Men krijgt regelmatig noodsignalen van de bouwsector, maar ook van andere sectoren, waar het echt tot faillissementen leidt. Ik heb dan ook een wetsvoorstel ingediend om die betalingstermijnen in te korten. Er ligt ook een resolutie klaar voor druk in het Parlement om de overheid op te roepen om per departement daarover te rapporteren aan het Parlement.

 

Zo blijft men daar intern bij alle overheidsdiensten op focussen, wat hopelijk tot een grotere performantie zal leiden. Ik hoop binnenkort met u van gedachten te kunnen wisselen over de inhoud van die teksten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr 21479 van de heer Dispa is omgezet in een schriftelijke vraag. Ik had reeds aangekondigd dat ze geschrapt was maar men heeft mij daarjuist telefonisch meegedeeld dat ze is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

07 Vraag van de heer Eric Van Rompuy aan de minister van Begroting, belast met de Nationale Loterij, over "de begrotingsresultaten 2017" (nr. 23257)

07 Question de M. Eric Van Rompuy à la ministre du Budget, chargée de la Loterie Nationale, sur "les résultats budgétaires de 2017" (n° 23257)

 

07.01  Eric Van Rompuy (CD&V): Mevrouw de minister, in de jaren '90 gaven de toenmalige ministers van Begroting, Herman Van Rompuy en Johan Vande Lanotte, in de tweede week van januari altijd een persconferentie over de resultaten van de begroting. Als die goed waren, natuurlijk. De jongste jaren was er niet altijd reden toe om die resultaten zo snel te communiceren.

 

In de persberichten van 10 januari lazen wij dat het begrotingstekort in 2015 nominaal 3,2 % bedroeg, in 2016 2,5 %, en in 2017 zou het zelfs gedaald zijn tot minder dan 1,2 %. Dat cijfer is ook daarnet genoemd. In de pers verklaarden een aantal ministers en partijvoorzitters dat het evenwicht in zicht is.

 

De Nationale Bank en de Europese Commissie verwachtten enkele maanden geleden dat het tekort in 2018 opnieuw zou stijgen tot 1,5 %, onder meer ingevolge de niet-gefinancierde taxshift. Ook verwachtten zij dat de voorafbetalingen door de bedrijven lager zouden zijn dan in 2017. Bijgevolg zou het tekort weer stijgen tot 1,5 %.

 

Dit werd door u tegengesproken tijdens de begrotingsbesprekingen. Mijn vraag is wat de huidige situatie is, nominaal en structureel. Mogen wij optimistisch blijven, in die zin dat in 2018 het tekort verder zal dalen? De regering heeft het idee van een begroting in evenwicht in 2019 nog niet echt losgelaten. Welke inspanningen moeten hiervoor geleverd worden? Gaat het over minder dan 4 miljard? Een paar maanden geleden had de Nationale Bank het nog over 6 miljard. Gelet op de gunstige evolutie in 2017 zou dat bedrag nu lager zijn.

 

Kortom, mevrouw de minister, hoe staat het nu? De eindafrekening zal natuurlijk nog een hele tijd op zich laten wachten, maar wat zijn op dit ogenblik de verwachtingen in verband met de begroting voor 2017, 2018 en 2019?

 

07.02 Minister Sophie Wilmès : Mijnheer Van Rompuy, ik dank u voor uw vraag. Ik heb u al gezegd dat wij nog werken aan de cijfers voor 2017. Over enkele dagen, hopelijk morgen, verwacht ik de nieuwe cijfers van de FOD BOSA.

 

Zoals ik in een antwoord op een vorige vraag al zei, heeft de FOD BOSA in november 2017 het nominale saldo herberekend. In plaats van een tekort van 1,48 % dat toen, dus in 2017, was ingeschreven voor de initiële begroting 2018, zou het nominaal tekort nu 1,2 % bedragen.

 

In januari verschenen inderdaad enkele berichten die een verslechtering voorspelden ten opzichte van de goede resultaten van 2017. Als het tekort van 1,2 % voor 2017 bevestigd wordt, is dit een heel mooi resultaat. Niets belet dat het resultaat nog beter zou zijn, maar dat kan ik u vandaag niet zeggen want ik weet het nog niet. Met 1,2 % zouden wij wel al heel blij zijn.

 

Zoals u zei, wordt verwacht dat de evolutie van het deficit voor 2018 slechter zal zijn. Dit geldt voor een ongewijzigd beleid, en zonder rekening te houden met de actualisatie die zal gebeuren. Het resultaat kan altijd schommelen.

 

Kortom, uw vraag komt een paar dagen of misschien een paar uren te vroeg, en het spijt mij dat ik ze nog niet kan beantwoorden. Wat wij absoluut voor ogen moeten houden, is dat er voor 2017 waarschijnlijk een heel mooi resultaat zal zijn maar wij kunnen niet ontkennen dat het traject 2018-2019 meer inspanningen zal vragen. Het werk is niet af.

 

Dat is de politieke boodschap die moet worden gegeven. Met een slechter wordend traject en een ongewijzigd beleid zal er geen evenwicht komen zonder inspanningen.

 

Ik merk echter ook op dat voor mij het evenwicht geen fetisj mag zijn. Bereiken wij een evenwicht, dan is dat des te beter. Het traject dat wij hebben afgelegd, rekening houdende met de aanslagen, de crisis, de hervorming, de taxshift en al het werk dat werd verricht om de parameters opnieuw op groen te krijgen, is evenwel het belangrijkste punt van ons werk.

 

In 2017 boekten wij opnieuw goede resultaten, maar wij kunnen nog niet op onze lauweren rusten. Wij zullen dan ook elke dag, tot het einde van de legislatuur, die tot 2019 loopt, nog aan de sanering van de begroting moeten werken.

 

07.03  Eric Van Rompuy (CD&V): Mevrouw de minister, zult u over een paar dagen een persconferentie geven of hoe zullen wij worden ingelicht? Dat is immers heel belangrijk.

 

De pers verwees een paar dagen geleden naar statistieken per kwartaal. In het derde kwartaal zou de groei maar 0,3 % bedragen. Wij hadden contact met de Nationale Bank, die ons meedeelde dat het voorbarig was om voorspellingen te doen voor 2017. Het zou bijgevolg goed zijn, mocht u een en ander kwantificeren, zodat wij weten waar wij staan, ook voor 2018-2019. In politieke middens is er wel hoerageroep en wordt er geponeerd dat het evenwicht in zicht is, maar het is zeer gevaarlijk als politici — ik ga geen namen noemen — beginnen te tweeten dat het begrotingsevenwicht binnen handbereik ligt. Het Parlement, dat tenslotte de begroting goedkeurt, moet weten wat het resultaat is. Eigenlijk zou in de volgende commissie voor de Financiën en de Begroting moeten worden gecommuniceerd over de huidige situatie..

 

U wijst er zelf op dat u de cijfers nog niet hebt en dit is dus geen kritiek op u, maar het Parlement zou beter moeten worden ingelicht, en niet via persartikels en tweets van politici, want uiteindelijk weet niemand nog hoe de vork aan de steel zit.

 

Het is wel duidelijk dat er een gunstige evolutie was in 2017.

 

07.04 Minister Sophie Wilmès: Ik ben het daar volledig mee eens. Ik zou nooit de tweet versturen dat een evenwicht à portée de main is. De mensen hier weten wel hoe een begroting kan evolueren. Het is waar dat de groei ons zal helpen en dat geldt zeker en vast ook voor de jobcreatie. Als minister van Begroting zou ik dus nooit zeggen dat een evenwicht binnen handbereik is. De leden van deze commissie kennen het begrotingstraject en weten dat het verslechtert bij ongewijzigd beleid. Het is uiteraard niet de bedoeling dat het verslechtert maar dat is wel het geval bij ongewijzigd beleid.

 

Welke vorm zal dit aannemen? Ik ben geen fan van persconferenties. Het gaat hier gewoon om de cijfers, nominaal en structureel, punt aan de lijn. Er moet zeker en vast aandacht zijn voor twee punten. Ten eerste, goede resultaten behalen. Echter, de uitspraken van bepaalde personen, als zou het un budget basé sur du sable, of une situation catastrophique zijn, geven ons een slecht imago.

 

Wij moeten dus aantonen dat dit niet het geval is. Ten tweede, wij moeten erop wijzen dat er nog heel wat werk is. Het werk is dus af, daarover ben ik het zeker en vast met u eens.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Daarmee is onze agenda afgewerkt. Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoorden.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 10.58 uur.

La réunion publique de commission est levée à 10.58 heures.