Commissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt

Commission de l'Intérieur, des Affaires générales et de la Fonction publique

 

van

 

Woensdag 27 februari 2019

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 27 février 2019

 

Après-midi

 

______

 

 


De behandeling van de vragen vangt aan om 15.11 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Koenraad Degroote.

Le développement des questions commence à 15.11 heures. La réunion est présidée par M. Koenraad Degroote.

 

01 Vraag van mevrouw Katja Gabriëls aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de werking van de brandweerschool PAULO" (nr. 28962)

01 Question de Mme Katja Gabriëls au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "le fonctionnement de l'école de feu PAULO" (n° 28962)

 

01.01  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, de brandweerpost Berlare, die in de zone Oost ligt, wordt momenteel geconfronteerd met het volgende probleem. De helft – drie van de zes – van de bestuurders van de waterongevallenvoertuigen is de leeftijd van 60 jaar gepasseerd. Op relatief korte termijn zullen wij problemen hebben om de snelste adequate hulp te kunnen verlenen. De aanrijtijden zullen gevoelig worden verhoogd omdat die drie mensen gepensioneerd zullen zijn.

 

Het probleem is dat de mensen die klaarstaan om die functies in te vullen niet terechtkunnen bij de brandweerschool PAULO of slechts laattijdig een opleiding kunnen volgen of examens afleggen. Ondanks het herhaaldelijk aandringen van meerdere zones bij de brandweerschool is de school niet in staat is tot het optrekken van de opleidingscapaciteit en het vriendelijker maken van de opleidingen voor mensen die overdag een job uitvoeren.

 

Ik heb daarover de volgende vragen.

 

Bent u op de hoogte van de capaciteitsproblemen bij PAULO en de gevolgen daarvan voor verschillende brandweerzones? Meermaals werd aangegeven dat de zes Oost-Vlaamse brandweerzones zullen worden genoodzaakt om bij andere scholen te gaan shoppen, maar het convenant met PAULO laat dat niet altijd toe. Kunnen wij een aanpassing bedingen? Kunnen de basisopleidingen niet meer worden gespreid op maat van de zones? Kunnen er geen onderlinge afspraken gemaakt worden tussen de zones zodat PAULO meer beantwoordt aan de behoeftes van de verschillende zones?

 

01.02 Minister Pieter De Crem: Beste collega Gabriëls, er bestaat inderdaad een convenant tussen PAULO en de zes Oost-Vlaamse hulpverleningszones. Noch de regelgeving, noch het convenant voorziet er echter in dat het personeel van de Oost-Vlaamse hulpverleningszones voor een opleiding bij de brandweerschool PAULO terecht moet. Het is perfect mogelijk dat zij hun opleiding bij een andere brandweerschool volgen.

 

Er is trouwens ook geen officiële verdeelsleutel voor het volgen van opleidingen bij een brandweerschool. Het is zeker nuttig dat de brandweerschool en de zones onderling goede afspraken maken omtrent de organisatie van de opleidingen. Dat kan gebeuren in de provinciale raad voor opleiding, die onder andere als taak heeft de behoeften inzake opleiding van de hulpverleningszones te bepalen en de coördinatie te verzekeren van de opleidingen die binnen de provincie gegeven worden.

 

Ik kan u wel voor een stuk volgen. Het zou goed zijn dat men in een provinciale school of academie de opleiding zou volgen. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat er enig opleidingstoerisme is tussen bepaalde academies.

 

Dat heeft soms te maken met de geografische ligging van een aantal zones, maar ik denk dat de binding met de provinciale opleidingscentra toch aangewezen is.

 

01.03  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik heb begrepen dat ze perfect naar een andere school kunnen gaan, maar ik blijf ervoor pleiten dat betere afspraken kunnen worden gemaakt en dat de opleidingen in de eigen brandweerschool beter zouden worden afgestemd op de behoeften van de verschillende zones.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Karin Temmerman aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de verbeteringsacties in het kader van de levensduurverlenging van Tihange 1, Doel 1 en Doel 2" (nr. 28445)

02 Question de Mme Karin Temmerman au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "les actions d'amélioration dans le cadre de l'allongement de la durée de vie de Tihange 1, Doel 1 et Doel 2" (n° 28445)

 

02.01  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, u weet ook dat de vorige regering in 2015 besloot om de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 tien jaar langer open te houden. Drie jaar eerder verlengde de regering Di Rupo de levensduur van de centrale Tihange 1 tot 2025. Aan al die levensduurverlengingen werden door het FANC een heleboel voorwaarden en acties verbonden om de veiligheid te garanderen. De kosten voor Tihange 1 werden geschat op 700 miljoen en die voor Doel 1 en 2 op ongeveer 600 miljoen.

 

In het initiële document van het FANC stond dat deze acties gerealiseerd moesten zijn voordat de kerncentrales opnieuw zouden opgestart worden, dus vóór de levensduurverlenging. Uiteindelijk ging het FANC er toch mee akkoord dat vele veiligheidsaspecten pas moesten doorgevoerd zijn tegen eind 2019. Dat is bijna vijf jaar nadat de levensduurverlenging ingang vond. Nu blijkt dat een groot deel van deze investeringen nog niet hebben plaatsgevonden. We zijn begin 2019, dus we hebben nog enkele maanden. Dat blijkt althans uit het artikel in De Standaard. Daarin geeft de topman van Engie Electrabel, Philippe Van Troeye, toe dat 40 % van de door het FANC opgelegde investeringen nog moet gebeuren.

 

Om die werken uit te voeren zullen deze reactoren gedurende lange tijd moeten worden stilgelegd. Bovendien zullen deze reactoren hoe dan ook volledig moeten worden stilgelegd, indien deze verbeteringsacties niet doorgevoerd zijn tegen eind 2019. Dan beantwoorden ze immers niet meer aan de voorwaarden voor de levensduurverlenging die het FANC heeft opgelegd.

 

Vandaar mijn vragen. Welke verbeteringsacties die bij de goedkeuring van de levensduurverlenging van Tihange 1, Doel 1 en Doel 2 werden opgelegd, zijn effectief gerealiseerd op dit moment?

 

Welke verbeteringsacties die bij de goedkeuring van de levensduurverlenging van Tihange 1, Doel 1 en Doel 2 werden opgelegd, zijn nog niet gerealiseerd? Welke hebben bijgevolg de deadline niet gehaald en zijn nu reeds over tijd? Men kan uiteraard niet alles doen op de laatste drie maanden. Aangezien er momenteel nog maar 40 % is uitgevoerd, kan het niet anders dan dat er een groot deel over tijd is. Welke acties zijn dat?

 

Zal het FANC er streng op toekijken dat de opgelegde acties tijdig worden gerealiseerd?

 

In welke maatregelen voorziet het FANC indien de timing van de opgelegde verbeteringsacties voor Tihange 1, Doel 1 en Doel 2 niet tijdig worden gehaald? Zal dit dan de logische sluiting van de desbetreffende centrales tot gevolg hebben?

 

02.02 Minister Pieter De Crem: Mijnheer de voorzitter, beste collega's, in het kader van de langetermijnuitbating, de Long Term Operation, de LTO, van de kernreactoren Tihange 1, Doel 1 en Doel 2, is de exploitant Electrabel verplicht om via haar exploitatievergunningen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 27 september 2015, het door het FANC goedgekeurd LTO-actieplan uit te voeren vóór het einde van 2019. Het FANC zal, conform de vergunning, in 2020 geen enkele heropstart van die reactoren toelaten zolang het volledige actieplan niet is uitgevoerd. De uitrol van het LTO-actieplan voor Tihange 1 en Doel 1 en 2 wordt van dichtbij opgevolgd door het FANC en zijn filiaal Bel V.

 

Die LTO-actieplannen omvatten zowel voor Doel 1 en 2 als voor Tihange 1 vier grote luiken, met name, ten eerste, de precondities voor de langetermijnuitbating, ten tweede, het beheer van de veroudering, ten derde, de herevaluatie en verbetering van het ontwerp, en ten vierde, het beheer van vaardigheden, kennis en gedrag.

 

Momenteel implementeert Electrabel die actieplannen conform de principes die door het FANC werden goedgekeurd in 2015. Dat betekent dat alle actiepunten uit de twee luiken omtrent de precondities voor de langetermijnuitbating en het beheer van de vaardigheden, kennis en gedrag reeds werden uitgevoerd in 2015, wat overeenkomt met het begin van de langetermijnuitbating van Tihange 1 en Doel 1 en 2.

 

Voor Tihange 1 werden de actiepunten uit het derde luik, het beheer van de veroudering, uitgevoerd terwijl de reactor in 2014, 2015 en 2016 voor onderhoud stillag. Tegenwoordig wordt alleen nog het laatste luik van het actieplan, de herevaluatie en de verbetering van het ontwerp van Tihange 1, geïmplementeerd. Het grootste deel van die actiepunten werd al uitgevoerd. In 2019 dient alleen nog de bouw van het SUR Étendu-gebouw, het tweede veiligheidsniveau, te worden afgerond en aangesloten aan de reactor. Het nieuwe hoofdgebouw vormt een belangrijke aanvulling ter bescherming van de reactor tegen externe gebeurtenissen.

 

Voor Doel 1 en Doel 2 verwijs ik naar het FANC-document Long Term Operation Doel 1 & Doel 2, het Finale Evaluatie Actieplan, van 27 augustus 2015, dat publiek beschikbaar is op de website van het FANC. Het zwaartepunt van de uitvoering van het derde en het vierde luik, het beheer van de veroudering, de herevaluatie en verbetering van het ontwerp, ligt in twee grote revisies of in stilleggingen in 2018 en 2019. Inzake het beheer van de veroudering gaat het onder meer om de wijziging en vervanging van een aantal processen- en instrumentatieketens, de elektrische voeding en schakelaars.

 

Wat de verbetering van het ontwerp betreft gaat het onder meer om een aantal acties om de brandbarrières en de brandblussystemen te vernieuwen.

 

Het FANC en Bel V blijven de implementatie van het actieplan op de voet volgen via de periodieke werkvergaderingen en na elke stillegging van de reactoren. Hierbij wordt er gefocust op de globale vooruitgang, eventuele vertragingen en beoogde wijzigingen bij het uitvoeren van de acties.

 

De exploitant heeft voor een beperkt aantal acties gevraagd om de uitvoeringstijd te wijzigen, onder andere door het oplopen van vertraging bij de levering van de benodigde componenten. Het FANC heeft dit aanvaard aangezien dit geen impact heeft op de veiligheid van de nucleaire installaties.

 

De exploitant heeft dus vooropgesteld om tijdens de volgende stilleggingen, die in 2019 zullen starten, van Tihange 1, Doel 1 en 2, de laatste actiepunten van het LTO-actieplan af te werken. Eind januari 2019 heeft de exploitant het FANC geïnformeerd dat, op basis van de laatste planningsinformatie, de einddatum van deze stilleggingen wellicht in het voorjaar van 2020 zal vallen.

 

Zoals in het begin reeds werd aangehaald, zal het FANC alvast geen groen licht geven na de volgende stilleggingen vóór de heropstart van Tihange 1, Doel 1 en 2, zolang dit actieplan tijdens deze laatste revisies niet volledig werd uitgevoerd.

 

Tot zover mijn antwoord op al uw vragen.

 

02.03  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb toch heel duidelijk begrepen dat de uitbater gezegd heeft dat de laatste stilleggingen in het voorjaar van 2020 zullen plaatsvinden. Het FANC heeft het gewoon over 1 januari 2020. Als de werken tegen dan niet zijn uitgevoerd, kunnen de reactoren niet worden opgestart. Klopt dit?

 

02.04 Minister Pieter De Crem: De heropstart zal niet in de loop van 2020 plaatsvinden. Ik zal even het antwoord herhalen, ik citeer: "Het FANC zal, conform de vergunning, in 2020 geen enkele heropstart van de reactoren toelaten zolang het volledige actieplan niet is uitgevoerd."

 

02.05  Karin Temmerman (sp.a): Bedoelt men dan heel het jaar 2020?

 

02.06 Minister Pieter De Crem: Mevrouw Temmerman, ik weet dat niet. 2020 start op 1 januari en eindigt op 31 december. Ik veronderstel dat men in de loop van het jaar bedoelt. Dit is de informatie die ik u op dit moment kan meegeven.

 

02.07  Karin Temmerman (sp.a): Ik stel alleen maar vast dat de uitbater er telkens weer in slaagt het FANC te overtuigen de uitvoeringtermijnen te verlengen, terwijl oorspronkelijk gezegd was dat de datum heel strikt moest zijn en dat als die datum niet bereikt werd, de zaak stilgelegd zou worden.

 

Ik ben in ieder geval blij dat u kunt bevestigen dat de zaken op de voet worden gevolgd. Ik hoop dat het FANC dat inderdaad doet. Ik ben heel benieuwd wat er op 1 januari 2020 zal gebeuren. Als de topman zelf zegt dat er nog maar 40 % is uitgevoerd, kan ik mij moeilijk indenken dat in die laatste maanden de overige 60 % zal worden uitgevoerd in de drie centrales.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 28545 de Mme Julie Fernandez Fernandez est transformée en question écrite. Les questions jointes n° 28590 de Mme Annick Lambrecht et n° 28651 de Mme Sophie De Wit sont reportées. La question n° 28593 de Mme Nawal Ben Hamou est reportée. La question n° 28739 de Mme Véronique Waterschoot a reçu réponse en commission du 13 février dernier. Les questions n°s 28794, 28795, 28796 et 28797 de Mme Nawal Ben Hamou sont reportées.

 

03 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "la situation dans les centrales d'appels 101" (n° 28801)

03 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de situatie in de noodcentrales 101" (nr. 28801)

 

03.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, l’an dernier, j’interrogeais votre prédécesseur au sujet de la situation dans les centrales d’appels 101. À l’époque, en effet, la sonnette d’alarme avait été tirée dans plusieurs d’entre eux. Un budget avait alors été débloqué, permettant l’engagement de 37 nouveaux collaborateurs.

 

S’il s’agissait bien évidemment d’une bonne chose, les travailleurs de ces centres estimaient que cela ne suffisait pas. À titre d’exemple, rien que pour le Hainaut où je suis élu, il manquait alors, selon eux, une dizaine de personnes pour remplir convenablement les missions.

 

Monsieur le ministre, puis-je vous demander de faire le point sur cette situation? À ce jour, tous les engagements prévus ont-ils bien été effectués et tous les collaborateurs sont-ils opérationnels? Selon vos informations, certains centres d’appels sont-ils encore en sous-effectifs? De nouveaux engagements sont-ils prévus? Dans l’affirmative, quels centres seraient-ils concernés?

 

03.02  Pieter De Crem, ministre: Monsieur le président, cher collègue Flahaux, au total, le cadre du personnel ETP de l'ensemble des centres 101 s'élève à 361 call takers. Celui des centrales d'urgence 112 s'élève à 311 call takers. Actuellement, ces cadres sont remplis à environ 80 %.

 

Il existe évidemment des différences entre les centres dont certains font face à un manque de personnel plus important que d'autres. Plusieurs causes expliquent cette pénurie, notamment le fait que les call takers, comme tous les autre employés, peuvent bénéficier d'un certain nombre d'avantages sociaux dont les prestations réduites, le travail à 4/5 ou le mi-temps, l'interruption de carrière, le congé parental, etc. Si, au sein d'une même centrale, un certain nombre de call takers font usage de ces avantages sociaux, le nombre total de membres du personnel qui peuvent être déployés baisse rapidement.

 

En outre, dans certaines provinces, malgré la publicité que la profession de call taker a déjà reçue grâce, entre autres, aux diffusions de l'émission "Appel d'urgence" et aux campagnes de recrutement réparties sur plusieurs années, il est difficile de trouver suffisamment de candidats pour rapidement combler les postes vacants.

 

Il ne faut pas non plus oublier que le métier de call taker n'est pas des plus accessibles. Vous devez d'abord suivre une formation de base qui dure environ trois mois. Ensuite, quelques semaines s'écouleront encore avant que vous ne deveniez un call taker à part entière, c'est-à-dire autonome et qui ne doit plus faire appel à des collègues expérimentés.

 

En autres termes, un candidat call taker n'est donc pas employable du jour au lendemain.

 

Nous continuerons cependant à investir dans la capacité d'action de nos centres 101 et de nos centrales d'urgence 112. Nous engageons de nouveaux candidats chaque année; ce sera encore le cas en 2019. Par ailleurs, nous nous efforçons en permanence de trouver des solutions pour réduire la charge de travail des call takers.

 

03.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie. J'entends le parcours du combattant, si j'ose m'exprimer ainsi, pour devenir call taker, ainsi que les possibilités d'aménagement d'horaires une fois que ces personnes sont en place. J'approuve ces initiatives qui sont louables et souhaitables, notamment pour permettre aux parents de s'occuper de leurs enfants.

 

Il faut donc programmer en fonction de ces aménagements les possibles départs à la retraite ou vers d'autres emplois. Cela permettra d'être le plus opérationnel possible.

 

Par ailleurs, vous savez à quel point je vous apprécie, monsieur le ministre. Il est vrai que j'aurais apprécié avoir des informations sur la situation des différents centres d'appel. Je ne sais pas s'il est possible de nous la faire parvenir.

 

03.04  Pieter De Crem, ministre: Certainement. On s'en chargera. Monsieur le président, le plus facile est peut-être que vous m'envoyiez au plus vite la question complémentaire de M. Flahaux par le biais du secrétariat sur l'état des lieux dans les différents centres en termes de personnel et de remplissage de cadre.

 

03.05  Jean-Jacques Flahaux (MR): Ou j'introduis une nouvelle question.

 

03.06  Pieter De Crem, ministre: C'est comme vous le désirez.

 

03.07  Jean-Jacques Flahaux (MR): J'introduirai alors dès demain une question écrite. Ainsi, elle ne devra pas passer par le canal de la commission.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "l'introduction de la vidéo à l'application 112" (n° 28803)

04 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "het integreren van videofunctionaliteiten in de app 112" (nr. 28803)

 

04.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, je fais décidément le tour de tous les numéros d'appel.

 

04.02  Pieter De Crem, ministre: Il y a bien entendu aussi les élections qui approchent.

 

04.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je ne sais pas si je serai candidat.

 

04.04  Pieter De Crem, ministre: J'insiste.

 

04.05  Jean-Jacques Flahaux (MR): Je veux bien être sur votre liste, si vous le voulez.

 

Monsieur le ministre, il y a quelques mois, le SPF Intérieur indiquait examiner l'opportunité d'intégrer l'option photo et vidéo à l'application mobile 112. Cela permettrait à une personne en difficulté de filmer l'action ou le lieu où elle se trouve et de transmettre directement les images aux services d'urgence. Capter les images permettrait en effet de mieux comprendre la situation et ses enjeux. Cela poserait néanmoins des questions en termes de respect de la vie privée.

 

Monsieur le ministre, quelle est la situation à ce jour? La réflexion est-elle toujours en cours au sein du SPF? Selon vos informations, ce projet pourra-t-il se concrétiser, et si oui, dans quel délai et pour quel budget? Enfin, quels enjeux, notamment en matière de respect de la vie privée, doivent-ils encore être réglés? Je vous remercie.

 

04.06  Pieter De Crem, ministre: Monsieur le président, cher collègue Flahaux, l'étude dont vous faites mention est toujours en cours. Il ne s'agit pas simplement de définir des standards techniques mais aussi de déterminer une procédure claire permettant aux opérateurs d'utiliser ces instruments de manière optimale.

 

Inciter les citoyens à prendre des photos et/ou des vidéos de chaque accident pour les envoyer aux centrales d'urgence peut apporter certains avantages, mais il faut aussi prendre en considération d'autres éléments. Les opérateurs n'ont et n'auront pas toujours le temps d'analyser ces informations supplémentaires en détail pour rechercher d'éventuelles informations utiles supplémentaires à l'envoi des secours.

 

Ensuite, il faudra également trouver des budgets supplémentaires pour développer la plateforme technique qui doit non seulement permettre la récolte des photos et vidéos mais aussi, le cas échéant, permettre l'envoi de celles-ci aux services de secours appelés en intervention. Affaire à suivre.

 

04.07  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie. Une fois de plus, je partage largement votre avis. Je préfère d'ailleurs, dans ce genre de dossiers qui présentent des avantages mais qui sont délicats, qu'une réflexion complète soit menée avant de se lancer, au risque de "faire de la casse", si j'ose dire. Mais il m'importait de savoir que vous restiez sur l'affaire, ce dont je ne doutais pas.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 28814 van de heer Laaouej wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 28880 van de heer Vanden Burre wordt omgezet in een schriftelijke vraag, net als vraag nr. 28882 van mevrouw Pas. De vragen nrs 28886, 28887, 28888 en 28889 van collega Pivin worden uitgesteld. Vraag nr. 28907 van de heer Van Hees wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

05 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sandrine De Crom aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "het pleidooi van de West-Vlaamse gouverneur voor meer private bewaking" (nr. 28911)

- mevrouw Sandrine De Crom aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "het pleidooi van de West-Vlaamse gouverneur voor meer private bewaking" (nr. 28961)

05 Questions jointes de

- Mme Sandrine De Crom au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "le plaidoyer du gouverneur de Flandre occidentale pour un renforcement du gardiennage privé" (n° 28911)

- Mme Sandrine De Crom au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "le plaidoyer du gouverneur de Flandre occidentale pour un renforcement du gardiennage privé" (n° 28961)

 

05.01  Sandrine De Crom (Open Vld): Mijnheer de minister, de gouverneur van West-Vlaanderen, Carl Decaluwé, is voorstander van meer private bewaking tijdens bijvoorbeeld evenementen, onder meer omdat de politiekorpsen overbevraagd zijn en de instroom van nieuwe politiemannen en -vrouwen stokt. Er is nood aan een nieuw kerntakenplan en een hervorming van de opleiding en rekrutering.

 

De zogenaamde wet-Jambon laat toe om private bewakingsfirma's in te zetten bij veiligheidsopdrachten, onder meer bij evenementen, en zou op die manier politiekorpsen kunnen ontlasten, zodat zij zich meer op hun kerntaken kunnen richten. De provinciegouverneur nam als voorbeeld het kustseizoen: "Vorig jaar kwamen er zes tot zeven miljoen dagtoeristen naar de kust. We kregen daarvoor acht extra mensen."

 

De gouverneur wil graag het kustseizoen laten erkennen als evenement, waardoor er meer een beroep zou kunnen worden gedaan op private bewaking. Tegelijkertijd kunnen de maatschappelijke kosten naar beneden gehaald worden, omdat men dan zelf moet instaan voor de kosten van privébewaking. Volgens Decaluwé kan dat ook bij voetbalwedstrijden: "Er kan een perimeter worden uitgezet waar bewakingsagenten kunnen optreden." Decaluwé zag al de vruchten van de private inzet, onder meer op de snelwegparkings, in het kader van de transmigrantenproblematiek.

 

Ik heb daarover de volgende vragen, mijnheer de minister.

 

Kunt u meedelen hoeveel contracten er met de private sector werden afgesloten sinds de nieuwe wet op de private veiligheid, voor welke taken, volgens welke modus operandi en tegen welke kostprijs?

 

Wat zijn volgens u de voordelen van de uitbesteding van taken? Bent u bereid om nog meer private bewaking als aanvulling op de politiediensten toe te laten? Voor welke opdrachten?

 

Wenst u nog stappen te zetten in het kerntakenplan? Deelt u onze mening dat er een nieuw plan nodig is waarbij de politie zich echt concentreert op haar kerntaken? Het huidige plan levert alvast te weinig extra politiecapaciteit op. Met welke maatregelen kan die er wel komen?

 

Zult u nog stappen ondernemen – zo ja, welke – om de selectie, rekrutering en opleiding bij de politie te hervormen vóór de verkiezingen van 26 mei 2019?

 

05.02 Minister Pieter De Crem: Mevrouw De Crom, uw laatste vraag lijkt mij de moeilijkste, omdat niet de wil maar wel de tijd ons ontbreekt om dat nog te doen. Ik zal proberen op al uw vragen een antwoord te geven.

 

Sinds de nieuwe wet op de private veiligheid van 2 oktober 2017, waarnaar u verwees, heeft de federale politie één overheidsopdracht uitgeschreven die betrekking heeft op de private bewakingsdiensten. Het betrof een overheidsopdracht in het kader van de bewaking van de snelwegparkings in de strijd tegen de transmigranten. Dat de private bewakingssector wordt aangesproken en ingezet om een bijdrage te leveren aan veiligheidsopdrachten is een positieve vaststelling. Het was immers een doelstelling van de nieuwe wet tot regeling van de private en de bijzondere veiligheid en die recente wet maakt het nu mogelijk om de private veiligheidssector meer in te schakelen in publieke veiligheidsinitiatieven.

 

Ik moedig in dit kader samenwerkingsverbanden tussen politie en private sector aan. De positieve mogelijkheden worden inderdaad aangetoond door voorbeelden als de preventieve inzet van bewakingsagenten op snelwegparkings, voetbalwedstrijden, kritische infrastructuren of evenementen op de openbare weg.

 

Het huidige wettelijk kader biedt aldus veel mogelijkheden om de politiediensten van bepaalde taken te ontlasten, hierbij rekening houdend met zekere garanties en een afscherming van de politiebevoegdheden of het openbaar gezag.

 

Ook inzake onderwijs gaat de stuurgroep verder met haar werkzaamheden inzake de herziening van het onderwijs van de veiligheidsberoepen. De onderhandeling over het nieuwe concept van de rekrutering en de selectie bij de politie liggen dan ook op de onderhandelingstafel.

 

Om al even vooruit te lopen op uw laatste vraag, kan ik u zeggen dat dit niet mogelijk zal zijn vóór de verkiezingen van 26 mei 2019. In het volgende regeerakkoord evenwel zal in elk geval in het interne takendebat van de politie de vraag over de opdrachten en taken opnieuw aan de orde komen, net als de verdeling tussen de aard van de taken en de handhaving van de openbare orde, en de bepaling van wat publiek is en wat niet meer publiek is.

 

05.03  Sandrine De Crom (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik weet dat er ons inderdaad nog maar weinig tijd rest. U bent het met mij eens dat het kerntakenpakket opnieuw kan worden bekeken. Daar kijken we samen met u naar uit.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 28929 van mevrouw Schlitz wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Van de heer Calvo heb ik nog niets vernomen.

 

06 Vraag van mevrouw Katja Gabriëls aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "het rookverbod in auto's waarin kinderen jonger dan 16 jaar zitten" (nr. 28963)

06 Question de Mme Katja Gabriëls au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "l'interdiction de fumer dans les voitures en présence d'enfants de moins de 16 ans" (n° 28963)

 

06.01  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, sinds zaterdag 9 februari 2019 is het in Vlaanderen verboden te roken in auto's waarin kinderen jonger dan 16 jaar zitten. De politie zal in eerste instantie sensibiliseren en mensen een waarschuwing geven. Er zouden nog geen specifieke controles op roken plaatsvinden. Wel zou het thema worden meegenomen in de gebruikelijke verkeersacties.

 

Het zou vooralsnog echter nog onduidelijk zijn wie de controle op het rookverbod moet uitvoeren. Daarover zou nog geen overleg hebben plaatsgevonden. De politie gaat ervan uit dat de ambtenaren van de Vlaamse Milieu-inspectie prioritair de controles zullen uitvoeren. De lokale politie is immers slechts subsidiair bevoegd, omdat het verbod niet valt onder de verkeerswetgeving maar onder het milieuhandhavingsdecreet. Dat kwam begin februari in de media.

 

Mijnheer de minister, wie is er volgens u bevoegd om de controles op het rookverbod uit te voeren? Werd er intussen wel al overleg gepleegd tussen de politie en de gewesten? Wat was het resultaat daarvan?

 

Bent u er voorstander van het verbod uit te breiden naar het federale niveau, zoals voorgesteld werd in het wetsvoorstel van collega Dirk Janssens, dat reeds in de commissie voor de Volksgezondheid werd goedgekeurd?

 

06.02 Minister Pieter De Crem: Het Vlaams decreet bepaalt dat het verboden is te roken in een voertuig waarin kinderen jonger dan 16 jaar aanwezig zijn. Het wordt bestraft volgens het Vlaams milieuhandhavingsdecreet met een administratieve boete of met een strafrechtelijke boete.

 

De handhaving moet gebeuren door de Vlaamse milieutoezichthouders, voor de bestuurdersafhandeling, en/of door de politiediensten, voor de strafrechtelijke afhandeling.

 

Bij de lokale politie zijn er politiemensen die zowel de bevoegdheid van toezichthouder als de politionele bevoegdheid hebben.

 

Milieudecreten gelinkt aan strafbepalingen, moeten worden nageleefd. Het standpunt van de lokale politie is dat gelet op de specifieke verbodsbepaling hier eerst de milieutoezichthouders een rol moeten spelen. De politie treedt subsidiair op als aanvulling op de handhaving door de Vlaamse toezichthouders, die in overleg met de procureurs-generaal een specifiek handhavings- en vervolgingsbeleid kunnen en moeten uitwerken.

 

Ik steun de politiediensten in die aanpak, ook al zal het in bepaalde gevallen niet evident zijn de overtreding zwart op wit vast te stellen.

 

In antwoord op uw laatste vraag kan ik u mededelen dat alle voorstellen om de gezondheid van onze kinderen te beschermen en te bevorderen, uiteraard ernstig in overweging dienen te worden genomen.

 

Ik stel voor dat zij deel uitmaken van een regeling ter verbetering van bestaande decetale en wetgevende kaders, die immers niet duidelijk zijn.

 

Met de geest van het verbod ga ik uiteraard akkoord.

 

06.03  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, ik ben het met u eens dat de controle niet evident is.

 

Ik begrijp uit uw antwoord dat de politie bij haar oorspronkelijke standpunt blijft, namelijk dat zij slechts subsidiair controles zal uitwerken samen met het parket, in het kader van een globaal handhavingsbeleid.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Katja Gabriëls aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "het federale budget voor het Kali-team" (nr. 28964)

07 Question de Mme Katja Gabriëls au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "le budget fédéral octroyé au Kali-team" (n° 28964)

 

07.01  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over het federaal budget dat was uitgetrokken voor het Kali-team. Het Antwerpse Stroomplan zit sinds vorig jaar in een turbo op de zogeheten war on drugs van burgemeester Bart De Wever. Bij dat plan hoort het Kali-team, waarin de lokale en federale politie, het parket, de sociale inspectie en de douane fysiek samenwerken. Het tachtigkoppige team is actief sinds september.

 

De federale overheid schoot Antwerpen te hulp en kende een dotatie van 500 000 euro toe. Alleen, door juridische en administratieve perikelen kon voormalige minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid, Jan Jambon het geld niet tijdig overmaken en dus schoot de Antwerpse stadskas, als mijn inlichtingen correct zijn, het bedrag voor.

 

Twee weken geleden waren we getuige van een onfraai schouwspel zwartepieten tussen de minister en de burgemeester van Antwerpen. Het ging erover of er al dan niet een mail naar het kabinet zou zijn gestuurd om het dossier verder af te wikkelen.

 

Mijnheer de minister, hoe evalueert u de werking van het Kali-team in Antwerpen? Wat heeft het team gedaan sinds zijn oprichting? Welke resultaten werden geboekt? Welke lessen kunnen we al trekken uit het Stroomplan voor de mogelijke uitrolling van nieuwe plannen? Kunt u uitleg geven over de beloofde financiële steun voor het Stroomplan?

 

07.02 Minister Pieter De Crem: Mevrouw Gabriëls, het Kali-team is op 1 september 2018 van start gegaan. De doelstellingen van het team waren drieledig. Ten eerste, gerichte beeldvorming en informatie-inwinning rond de Antwerpse drugclans. Ten tweede, het uitwerken van een multidisciplinaire aanpak inzake ondermijnende criminaliteit en drugsclans. Ten derde, het afstemmen van strategische strafonderzoeken.

 

Naast de reguliere drugsonderzoeken van zowel de federale als de lokale politie tracht men bovendien een multidisciplinaire aanpak, samen met verschillende inspectie- en controlediensten, uit te werken op handelszaken die als dekmantel, bedrijf of facilitator voor de georganiseerde criminaliteit kunnen worden gebruikt.

 

Een beleidsmatige en operationele evaluatie van de aanpak van deze problematiek is in september 2019 gepland. Het is nu nog te vroeg om, amper zes maanden na de inwerkingtreding, een evaluatie van het plan te maken.

 

De stuurgroep van het Stroomplan, waarvan mijn beleidscel deel uitmaakt, heeft vorige maand beslist om een wetenschappelijke evaluatie van het Kali-team toe te wijzen aan de universiteit van Gent. De resultaten hiervan worden in het najaar van 2019 verwacht.

 

Intussen vonden naast de reguliere politionele onderzoeken 23 multidisciplinaire controles plaats en werden er 12 panden gesloten. De volgende sectoren kwamen hierbij voornamelijk aan bod: voedingszaken, vzw's, horecazaken, telefoonwinkels, verhuurbedrijven en een autohandel.

 

De terugbetaling van het voorschot door de lokale politie waarnaar u verwees, werd gebudgetteerd in 2018, maar kon door het vertrek van de N-VA-ministers en -staatssecretarissen uit de federale regering niet meer worden gerealiseerd. Ik heb mijn diensten de opdracht gegeven om alsnog een oplossing binnen de budgettaire grenzen van de lopende zaken uit te werken en om er aldus gevolg aan te geven.

 

07.03  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, ik kan er mij in vinden dat een evaluatie na een jaar beter zou zijn. U zegt ook dat u al concrete acties hebt ondernomen, onder andere door de aanstelling van de Universiteit Gent voor het uitvoeren van de evaluatie.

 

Wat betreft uw antwoord op de laatste vraag, zal het mogelijk zijn binnen de voorlopige twaalfden of bent u daar nog niet zeker van?

 

07.04 Minister Pieter De Crem: Ik heb aan de financiële diensten van de federale politie gevraagd of het plan kan worden ingepland. Ik heb nog geen antwoord, maar, om een lang verhaal kort te maken, ik meen dat er een mogelijkheid moet kunnen bestaan om het uit te voeren. Ik wacht de voorstellen af.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Kristof Calvo aan de eerste minister over "een belangenconflict in hoofde van de nucleaire gezant die belast is met het promoten van het MYRRHA-onderzoeksproject" (nr. 28942)

08 Question de M. Kristof Calvo au premier ministre sur "un conflit d'intérêts dans le chef de l'envoyé spécial en matière nucléaire chargé de la promotion du projet de recherche MYRRHA" (n° 28942)

 

08.01  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, in uw vorig politiek leven vóór de regering van lopende zaken, als toenmalig staatssecretaris bevoegd voor Buitenlandse Handel, gaf de regering u wat extra werk als nucleaire gezant voor het MYRRHA-project. U bent daar, zo heb ik in de pers gemerkt, persoonlijk een heel groot voorstander van. Het was ook duidelijk dat het Studiecentrum voor Kernenergie wat extra steun kon gebruiken voor dat project en zijn zoektocht naar middelen.

 

Intussen blijkt uit het antwoord op een van mijn parlementaire vragen aan de minister van Energie dat die zoektocht naar buitenlandse investering en centen ondanks uw medewerking en gezantschap vooralsnog nog geen internationale engagement heeft opgeleverd. Dat is mijn eerste vaststelling.

 

Ten tweede rijst er met uw nieuwe opdracht als minister van Binnenlandse Zaken – en hier gaat mijn vraag over - een belangenconflict. Het is onmogelijk om zowel nucleaire gezant en promotor van een nucleair project te zijn als minister van Binnenlandse Zaken die bevoegd is voor nucleaire veiligheid.

 

Wat hield het nucleaire gezantschap juist in? Hoe hebt u dat ingevuld? Wat is daar de toekomst van, nu u als minister van Binnenlandse Zaken bevoegd bent voor nucleaire veiligheid? Hopelijk ziet u zelf in dat die twee bevoegdheden moeilijk met elkaar te verenigen zijn, aangezien een project als MYRRHA wat uitdagingen op het vlak van nucleaire veiligheid met zich brengt.

 

08.02 Minister Pieter De Crem: U formuleert naast beschouwingen een vraag voor mij. Mijn opdracht als speciaal gezant voor MYRRHA of de multipurpose hybrid research reactor for hightech applications was verbonden aan mijn vorige functie van staatssecretaris voor Buitenlandse Handel. Ik heb die functie neergelegd, toen ik minister van Veiligheid en Buitenlandse Zaken werd. Ik ben dus niet langer speciaal gezant voor MYRRHA. Er is dus op geen enkele wijze enige onverenigbaarheid of een belangenconflict voor met mijn bevoegdheid inzake nucleaire veiligheid.

 

Voor alle andere vragen zult u zich tot vice-eersteminister en minister van Energie Peeters moeten richten, die op het moment de bevoegdheid van speciaal gezant heeft overgenomen.

 

08.03  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Ik leer vandaag dat minister Peeters de rol van nucleair gezant heeft overgenomen. De zoektocht gaat verder. Ik heb inderdaad een aantal beschouwingen. Ik zal die ook aan de nieuwe nucleaire gezant zeggen, mijnheer De Crem. Ik denk dat de heer Peeters zijn tijd en energie best steekt in toekomstprojecten. Er is een reden waarom MYRRHA nog geen euro heeft opgehaald. De wereld is veranderd. Men zal heel moeilijk, of blijkbaar geen, buitenlandse investeerders voor dat project vinden. Het is gestart en blijft zich situeren in de zoektocht naar een nieuwe generatie kernenergie. In een "hernieuwbare" wereld is daar weinig interesse voor.

 

Voorts, u hebt de opdracht wel neergelegd, maar echt terughoudend hebt u zich inzake het nucleaire thema sindsdien niet opgesteld. Ik stel vast dat het Fanc, waarvan u toezichtminister bent, zich ondertussen al inschrijft in uw standpunten, iets waarover collega Temmerman een vraag heeft gesteld. Men begint al onderzoek te doen naar de levensduurverlenging, waarvoor u een pleidooi hebt gehouden.

 

08.04 Minister Pieter De Crem: En terecht.

 

08.05  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Ik kan begrijpen dat het FANC wat in verwarring is, als de toezichtminister interviews geeft dat de kernuitstap maar om te lachen is en dat er een levensduurverlenging komt. Ik kan ergens begrijpen dat het FANC dan in actie schiet, maar dat is niet de bedoeling.

 

08.06 Minister Pieter De Crem: Mevrouw Temmerman heeft een terechte vraag gesteld.

 

08.07  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Ik wil u toch uitnodigen om uw nucleaire gezantschap neer te leggen. U hebt dat formeel gedaan voor MYRRHA, maar het zou interessant zijn, mocht u dat ook gewoon tout court doen en u samen met uw partijgenoten inzetten voor de kernuitstap.

 

08.08 Minister Pieter De Crem: Wij kunnen hier nog lang discussiëren. Hoe dan ook herinner ik eraan dat de toepassingsgebieden van MYRRHA ook niet-energetische toepassingen omvat, waardoor ons land ook leider is in medische toepassingen. Het is merkwaardig vast te stellen dat men bij Groen onvoorwaardelijk capituleert en het wereldleiderschap van onze technische nucleaire knowhow in handen van anderen legt. Die zullen dat maar wat graag overnemen. Ik zal dat standpunt van Groen ook aan de medische sector, toch een technologische topsector, meedelen. Het is in elk geval mijn standpunt niet. U wil de nucleaire toepassingen in de geneeskunde, deze toptechnologie, niet steunen. Het wereldleiderschap van ons land doet er voor Groen dus niet toe. Het zal heel interessant zijn dat te onthouden voor de campagne.

 

08.09  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Ik kijk ernaar uit om het debat ter zake te voeren. Ik wil u dan wel uitnodigen om echt bij ons standpunt te blijven, veeleer dan bij uw eigen invulling daarvan. U hebt blijkbaar al moeilijkheden genoeg om de eigen partijstandpunten te onthouden. Misschien kunt u zich daartoe beperken.

 

Mijnheer De Crem, ons standpunt is dat er voor medische toepassingen uiteraard een toekomst is. Sterker nog, we moeten daar aan de slag gaan met onze geschiedenis en de knowhow…

 

08.10 Minister Pieter De Crem: Bij uw buitenlandse vrienden waarmee u naar congressen gaat? Welke medestanders zijn dat dan voor u? U zult nog medestanders vinden…

 

08.11  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Ik had het over de medische toepassingen. Die zijn heel belangrijk maar MYRRHA is geen louter medisch project. Dat is ook de reden waarom de financiering zo moeizaam verloopt. MYRRHA is begonnen als een project met betrekking tot de vierde generatie kernenergie en is dat nog steeds. Het is gek dat u dat na jaren gezantschap nog niet helemaal in de vingers hebt.

 

Uiteraard zien wij een belangrijke toekomst voor onze nucleaire sector. U zou moeten weten dat ik in het verleden al voorstellen heb gedaan om het SCK te heruitvinden en het zijn leidersrol te laten spelen. Het is echter onze overtuiging dat het huidige MYRRHA-project veeleer levensbedreigend is voor het SCK dan dat het een levensverzekering vormt.

 

De voorzitter: De repliektermijn is overschreden. Wij zullen de discussie beëindigen.

 

08.12  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, de minister wil er tijdens de campagne over debatteren. Ik wil hem daarom op weg zetten.

 

De voorzitter: Wij kunnen het debat hier niet blijven voeren. U hebt ruimschoots de tijd gehad.

 

08.13  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, ik doe dit, omdat het jammer zou zijn, mocht de minister tijdens de campagne niet helemaal beslagen op het ijs komen.

 

08.14 Minister Pieter De Crem: Mijnheer Calvo, ik ben amper een jaar nucleair gezant geweest. Tijdens dat jaar heb ik ervoor gezorgd dat de Belgische knowhow, kennis en kunde absoluut wereldwijd kenbaar werden gemaakt. Zo niet zaten heel veel landen klaar om de technische knowhow van ons over te nemen. Het resultaat is positief.

 

08.15  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, voorlopig bent u er niet in geslaagd euro's op te halen, wat ik u niet persoonlijk verwijt. Dat heeft immers met het MYRRHA-project zelf te maken.

 

Het laatste punt wat ik wil maken, is belangrijk, zeker indien u zich voor het studiecentrum nog wil inspannen.

 

U moet het antwoord van minister Marghem op mijn vraag eens lezen. Zij stelt nu al vast dat het SCK behalve de extra dotatie ook heel wat eigen middelen in het MYRRHA-project heeft geïnvesteerd.

 

Dat is trouwens de reden waarom in de nucleaire sector en in het studiecentrum zelf heel veel mensen zich zorgen maken over de impact van MYRRHA op de toekomst van het studiecentrum.

 

Indien u echt een bondgenoot van het studiecentrum bent, bent u geen blinde fan van het MYRRHA-project.

 

Dat wou ik u gewoon meegeven, uitkijkend naar de debatten tijdens de campagne. Het zou immers jammer zijn, mocht u de debatten niet met de volledige informatie kunnen voeren.

 

08.16 Minister Pieter De Crem: Mijnheer Calvo, mijn daadkracht was zo groot dat in het MYRRHA-project reeds 558 miljoen euro is geïnvesteerd.

 

De voorzitter: Wij zullen de discussie nu beëindigen.

 

08.17  Kristof Calvo (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, u was nucleair gezant in de regering. U hebt de regering overtuigd in het project te investeren. U hebt echter geen euro buitenlands geld opgehaald.

 

De voorzitter: De standpunten zijn bekend.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Karin Temmerman aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de achterstallige betalingen voor het veiligheids- en samenlevingscontract voor de jaren 2015, 2016 en 2017" (nr. 28941)

09 Question de Mme Karin Temmerman au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "les arriérés de paiement pour le contrat de sécurité et de société des années 2015, 2016 et 2017" (n° 28941)

 

09.01  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, de federale overheid maakt ook in 2019 middelen vrij voor het veiligheids- en preventiebeleid in de 29 steden en gemeenten die vroeger in het kader van lokaal beleid voor veiligheids- en criminaliteitspreventie een veiligheids- en samenlevingscontract hadden. Hiervoor wordt iets meer dan 14 miljoen euro vrijgemaakt. Deze specifieke federale toelage wordt toegekend aan de stad of gemeente. Conform de ministeriële omzendbrief PLP 34 wordt deze als ontvangst gebudgetteerd in de stadsbegroting. Deze wordt vervolgens als een aanvullende stedelijke toelage doorgestort naar de politiezone.

 

Door de jaren heen werd de procedure voor het verkrijgen van deze federale toelage meermaals gewijzigd. Voor het werkingsjaar 2015 werd in het KB opgenomen dat het dossier moest verantwoord worden via

de ICT- toepassing. Het ontbrak het KB echter aan extra uitleg. Daarom wacht de korpsleiding van de politiezone Gent om het verantwoordingsdossier in te dienen. Het gevolg is dat de politiezone Gent, en wellicht ook nog andere politiezones, momenteel 1,155 miljoen euro tegoed heeft voor de jaren 2015, 2016 en 2017. Een correcte betaling van de achterstallen is echter noodzakelijk om de thesaurieproblemen van de lokale politiezone Gent te vermijden.

 

Vergeet ook niet, mijnheer de minister, dat de stad Gent financieel al zeer zwaar benadeeld wordt door de KUL-norm in de zaken rond de betoelaging van de politie.

 

Vandaar mijn vragen. Zult u voorzien in een snelle en correcte uitbetaling van de achterstallen waarop de politiezone Gent conform. het veiligheids- en samenlevingscontract voor de jaren 2015, 2016 en 2017 recht heeft?

Wat is de situatie bij de andere politiezones? Hebben ook zij recht op de achterstallige betalingen betreffende deze specifieke federale toelage?

 

09.02 Minister Pieter De Crem: Tot 2001 genoten 29 steden een toelage voor een veiligheids- en een samenlevingscontract, onder meer gericht op de financiering van burgerpersoneel bij de politie. Als gevolg van de politiehervorming werd het aandeel van de toelage in de dotatie van de federale politie geïntegreerd. In 2009 werd een rationalisering van het budgettair ondersteuningsmechanisme gerealiseerd en werd het budget voor de financiering van het burgerpersoneel uit de politiedotatie gehaald en omgevormd tot een specifieke subsidie.

 

Die subsidie voor het veiligheids- en samenlevingscontract kon en kan betrekking hebben op een bijdrage tot de werking van de politiezones, de strijd tegen de criminaliteit, overlast en het onveiligheidsgevoel of de strijd tegen gewelddadige radicalisering. Zodoende kon de stad beslissen om de hen toegekende subsidie over deze posten te verdelen.

 

De steden en gemeenten dienden het gebruik van de hen toegekende subsidies te rechtvaardigen op basis van een financieel dossier. Na de grondige controle van deze financiële dossiers en het voeren van een procedure op tegenspraak zal een definitieve afrekening worden opgemaakt door mijn administratie en zal het verschuldigde saldo worden gestort aan de steden en gemeenten. Enkel de stad of de gemeente die begunstigd is van de subsidie kan de specifieke lokale situatie in verband met de gebeurlijke overdracht van kredieten naar de politiezone verduidelijken.

 

Aangezien het de stad of gemeente is die beslist om al dan niet door te storten aan de politiezone kan ik u natuurlijk niet nader berichten over de situatie van de verschillende politiezones. Wat betreft de afrekening van de federale subsidies voor de periode 2015-2017 worden de financiële dossiers echter verwacht tegen september 2019. Dan zal aan u een overzicht daaromtrent kunnen worden bezorgd.

 

09.03  Karin Temmerman (sp.a): De belangrijkste vraag blijft natuurlijk of de achterstallen betaald zullen worden. Voor Gent gaat het in totaal…

 

09.04 Minister Pieter De Crem: Ik heb de burgemeester vorig week vrijdag ontmoet voor het politieoverleg. Die zaken zijn toen ook ter sprake gekomen. Ik heb de federale politie gevraagd om mij een antwoord te bezorgen op uw vragen. Misschien kan ik u daar in een volgende commissievergadering voor de ontbinding van de Kamer meer substantiële informatie over geven.

 

09.05  Karin Temmerman (sp.a): Die substantiële informatie zou er dan vooral in moeten bestaan dat de achterstallen worden betaald. 1,155 miljoen is voor de federale begroting misschien een peulenschil maar voor de stadsbegroting en zeker voor de politiezone is dat een enorm bedrag. Hierdoor zou men de volgende jaren weleens in de problemen kunnen komen.

 

Mijnheer de minister, als ik het goed begrijp vraagt u mij om de vraag binnen een drietal weken opnieuw te stellen.

 

09.06 Minister Pieter De Crem: Ik hoop dat ik u dan bijkomende informatie zal kunnen geven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Katja Gabriëls aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "het vrij spel voor de maffia door de focus op terreur" (nr. 28965)

10 Question de Mme Katja Gabriëls au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "le champ libre laissé à la mafia en raison de la focalisation sur le terrorisme" (n° 28965)

 

10.01  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, mijn vraag handelt over uitspraken gedaan door de heer François Farcy, het hoofd van de federale gerechtelijke politie van Bergen.

 

Naar aanleiding van het onderzoek naar een Antwerpse Assyrisch-Turkse maffiafamilie werden de afgelopen weken verschillende arrestaties uitgevoerd. De bende zou zich hebben beziggehouden met drugssmokkel, witwaspraktijken, wapens en corruptie. Het doel was volgens het parket niet alleen om een groot vermogen te vergaren, maar ook om invloed te verwerven bij de politie, de stadsdiensten, de haven, de politiek, het bankwezen en de Kerk. Zo zou de bende niet alleen politieagenten hebben aangezocht om hand- en spandiensten te leveren, maar ook een stadsbeambte en contacten in het bankwezen.

 

Het hoofd van de federale gerechtelijke politie van Bergen, François Farcy, die zich specialiseert in maffiaclans, georganiseerde misdaad en rondtrekkende bendes, trok een tijdje geleden aan de alarmbel en beweerde in de kranten Sudpresse dat de maffia en andere criminele organisaties jarenlang haast vrij spel kregen, omdat wij zo fel gefocust waren op de terreurdreiging. Onze onderbemande diensten werden mee ingezet op terreur, waardoor de Italiaanse, Albanese en Marokkaanse maffia hun activiteiten makkelijk fors konden uitbreiden. Criminologen zijn het eens met deze mening en stellen dat wij door de verslapte aandacht nu ook een pak minder weten over hun samenstelling en activiteiten. Door de focus op terreur floreerden de bendes afgelopen jaren volop in ons land, dankzij onze uitstekende ligging centraal in Europa en de aanwezigheid van de Antwerpse haven waarlangs de drugs dikwijls binnenkomen.

 

Zo'n maffiaclan of georganiseerde bende in kaart brengen, kost uiteraard heel wat mensen en middelen. De centrale directie rond georganiseerde misdaad zou nog slechts over één expert in wapenhandel en twee specialisten in motorbendes beschikken, nochtans twee steuntakken van misdaadbendes. Bovendien zijn er heel wat strategische analisten die informatie van de lokale politiezones bestuderen en verwerken, verdwenen uit het kader.

 

In die context heb ik de volgende vragen, mijnheer de minister.

 

Bent u het eens met de verontrustende uitspraken van de heer Farcy?

 

Hebben wij in ons land nog genoeg zicht op de samenstelling en activiteiten van de maffia en waar zij zich mee bezighoudt?

 

Hebben het Kanaalplan in Brussel en het Stroomplan in Antwerpen ook resultaten opgeleverd in de strijd tegen maffiabendes?

 

Hoe ziet de huidige samenstelling van de centrale directie rond georganiseerde misdaad eruit? Wie en hoeveel politiemensen ondersteunen die dienst vanuit het lokale niveau? Komen er maatregelen en, zo ja, welke om de strijd tegen de georganiseerde misdaad en de maffia in het bijzonder te versterken?

 

10.02 Minister Pieter De Crem: Mevrouw Gabriëls, uw vraag past in de beleidscyclus van het Nationaal Veiligheidsplan 2016-2019. Daarin werd de dadergroepgerichte aanpak opgenomen als een transversale aanpak of prioriteit, aangezien dit te trekken is uit de vorige cyclus. Na het uitvoeren van een dreigingsanalyse werd, op basis van de beschikbare capaciteit, bepaald dat er zou worden gewerkt op de Albanese georganiseerde misdaad, alsook op Turkse misdaadgroepen.

 

Tevens werden de inspanningen aangehouden rond de opvolging van de criminele motorbendes, gezien de samenwerking met Justitie en het federale parket. In samenwerking met de federale gerechtelijke politie werd overeengekomen de aanpak aan te scherpen met behulp van tactische ad-hocanalyses, waar opportuun, en door te rechercheren naar het ontmantelen van de hele criminele clan.

 

Er werd ook overeengekomen dat de federale gerechtelijke politie waar opportuun een eigen regionale beeldvorming zou opzetten. Er werd ook ingezet op het verspreiden van de expertise naar een breed netwerk van onderzoekers. Het voortzetten van de inspanning rond de georganiseerde criminaliteit in de volgende beleidscyclus lijkt dan ook aangewezen, om te komen tot een meer structurele focus, waarin wij een evenwicht moeten vinden tussen de fenomenen en een dadergroepgerichte aanpak binnen politie en Justitie, rekening houdend met de beschikbare en de benodigde capaciteit.

 

De cijfers van de federale politie rond georganiseerde misdaad geven aan dat de criminele organisaties zich vooral inlaten met drugs en financiële misdrijven. Het Kanaalplan werd in 2016 gelanceerd door mijn voorganger, in samenwerking met negen gemeenten en vijf politiezones, over verschillende niveaus en in verschillende domeinen. Het heeft als positief effect dat mensen moeilijker onder de radar kunnen blijven. Het Kali-team is op 1 september 2018 effectief van start gegaan. De evaluatie van het Kali-team en zijn werking is gepland in het najaar 2019, gezien de evaluatietermijn van één jaar.

 

Intussen vonden er naast de reguliere politionele onderzoeken 23 multidisciplinaire controles plaats. Er werden 12 panden gerechtelijk gesloten. Uit de praktijk blijkt dat de georganiseerde criminaliteit zich nestelt in de legale economie. Wij stellen vast dat er misbruik wordt gemaakt van de legale structuren en dat de strafrechtelijke aanpak ontoereikend is. Een integrale, geïntegreerde en vooral daadkrachtige financiële aanpak van de georganiseerde criminaliteit is meer dan ooit noodzakelijk.

 

Wat uw vierde vraag betreft over de Centrale directie van de bestrijding van de zware en de georganiseerde criminaliteit, die heeft momenteel een toegekende capaciteit van 331 voltijdse equivalenten. Begin februari bedroeg de brutocapaciteit 250 FTE's, wat een deficit van 32 % betekent.

 

10.03  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U hebt zich niet uitgelaten over de uitspraken van het hoofd van de federale gerechtelijke politie, maar uit uw antwoord begrijp ik dat u er niet direct volledig mee instemt. Ik begrijp ook wel dat de middelen en de capaciteit beperkt zijn, maar u stelt dat er nog steeds voldoende prioriteit wordt gegeven, conform het Nationaal Veiligheidsplan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van mevrouw Katja Gabriëls aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de uitrol van de politieapp Focus@GPI" (nr. 28966)

11 Question de Mme Katja Gabriëls au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "le déploiement de l'application Focus@GPI à la police" (n° 28966)

 

11.01  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, begin 2018 vernamen we dat de lokale politie van Antwerpen haar nieuwe app Focus@GPI in gebruik nam. Agenten kunnen de app gebruiken op toestellen die het korps hun heeft gegeven, maar ook op hun persoonlijke smartphone als dat nodig is.

 

De app is revolutionair voor het politiewerk. Agenten kunnen er alle mogelijke databanken mee raadplegen, zoals het strafregister, het rijksregister en de databank met nummerplaten. Agenten kunnen met de app ook een proces-verbaal opstellen. Ze vinden er een overzicht van alle incidenten en de ploegen die de incidenten afhandelen. De app bevat ook een kaart met alle mogelijke info, gaande van de ploegen op het terrein, camera's, hulpdiensten tot nuttige gegevens over de stad. Ook de dagelijkse briefing, die vroeger 's ochtends in een powerpoint stond, is nu in de app te vinden. Die bevat ook alle contactgegevens van collega's met wie via de app beveiligd kan worden gecommuniceerd.

 

De federale politie heeft de app nu samen met de lokale politie van Antwerpen aangepast voor nationaal en dus ook meertalig gebruik. De app werd omgedoopt tot Focus@GPI, de tweetalige afkorting voor de geïntegreerde politie. Vanaf volgende maand zou de app bij de overige politiediensten uitgerold worden: eerst door lokale proefzones en een federale verkeerseenheid, dan volgen alle lokale politiezones en de eerstelijnsdiensten van de federale politie. Het is natuurlijk interessant dat dergelijke moderne communicatiemiddelen kunnen gebruikt worden.

 

Welke dienst van de federale politie staat in voor de ontwikkeling van de app?

 

Welke zones krijgen de primeur om de Focus@GPI-app uit te testen? Wat is de vooropgestelde timing?

 

Politiemensen mogen de app alleen gebruiken voor professionele taken die binnen hun individuele bevoegdheden vallen. Op welke wijze wordt de privacy gegarandeerd bij het bevragen van de databanken? De app verschaft toch heel wat extra mogelijkheden om toegang te krijgen tot de databanken. Voor welke functionaliteiten zal de app worden gebruikt?

 

Wordt er onderzocht of identiteitscontroles kunnen worden uitgevoerd met de app? Zal er worden gekeken of we hiermee etnisch profileren tegen kunnen gaan? Professoren aan de VUB zijn wel degelijk van mening dat het kan.

 

11.02 Minister Pieter De Crem: Geachte collega, via een protocol werd afgesproken dat de politiezone Antwerpen instaat voor de ontwikkeling van Focus@GPI. De federale politie, meer specifiek de directie Informatie en ICT, zal instaan voor de zogenaamde hosting en het infrastructuuraanbod.

 

Ik geef even aan welke entiteiten als eerste Focus@GPI kunnen gebruiken. Voor het Vlaamse Gewest de PZ Druivenstreek, Voorkempen, Westkust, Antwerpen en de WPR of wegpolitie Antwerpen. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als tweede de PZ PolBru en de PZ Marlow. Voor het Waalse Gewest gaat het om de politiezones Namur, Mons-Quévy en Weser-Göhl.

 

Deze politiezones zullen eind maart 2019 operationeel beschikken over Focus@GPI waarna het personeel kan worden opgeleid. In de loop van 2019 en 2020 zal Focus@GPI dan gradueel verder operationeel ter beschikking worden gesteld van andere entiteiten.

 

Dankzij de Focus@GPI zullen de politiemensen naast de bestaande applicaties nu via meer mobiele toepassingen toegang krijgen tot de databanken. De regels om toegang te krijgen worden evenwel niet aangepast en blijven onverminderd gelden. Databanken kunnen pas worden geconsulteerd indien dit past binnen de functie of de operationele rol die de betrokken politieman of –vrouw vervult.

 

Gebruiksrechten voor de mobiele toepassingen worden ook gepersonaliseerd toegekend en alle uitgevoerde opzoekingen worden gelogd. De eenheden zelf maken de keuze in welke politiebasisfunctionaliteiten Focus@GPI wordt gebruikt.

 

Op dit moment voeren politieploegen op het terrein vooral identiteitscontroles uit door het via de radio bevragen van de meldkamer inzake persoonsgegevens. Nu zal de politiedispatching worden ontlast door politiemensen toe te laten rechtstreeks opzoekingen te doen via Focus@GPI. Ze zal dus veel efficiënter kunnen werken. Het spreekt voor zich dat het wettelijke kader en de deontologische code hierbij te allen tijde dienen te worden gerespecteerd.

 

11.03  Katja Gabriëls (Open Vld): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Het is uiteraard zeer positief en interessant dat dergelijke moderne communicatiemiddelen breed kunnen worden uitgerold. Het is niet alleen leuk maar zelfs noodzakelijk dat elke politiezone daarover kan beschikken.

 

Het loggen waarover u het had, is wel noodzakelijk voor de bescherming van de privacy omdat de toegankelijkheid nu veel groter is via smartphones en dergelijke.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 28967 van mevrouw Ben Hamou wordt uitgesteld. Vraag nr. 28968 van mevrouw Ben Hamou wordt uitgesteld. Vraag nr. 28969 van mevrouw Ben Hamou wordt uitgesteld. Vraag nr. 28970 van mevrouw Ben Hamou wordt uitgesteld.

 

12 Question de Mme Véronique Caprasse au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "les dysfonctionnements au sein de la centrale 112 de Louvain" (n° 28984)

12 Vraag van mevrouw Véronique Caprasse aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de disfuncties bij de 112-centrale in Leuven" (nr. 28984)

 

12.01  Véronique Caprasse (DéFI): Monsieur le ministre, dans la nuit du 15 au 16 février, un tragique accident de voiture est survenu à Rhode-Saint-Genèse. Cet accident a coûté la vie à deux adolescentes. Toutes nos pensées vont à leurs proches. Je connais la maman d'une des jeunes filles décédées. La sœur de celle-ci est à l'hôpital. Cela n'a rien à voir avec le fait que je vous pose cette question.

 

À la suite de cet accident, un rapport a été dressé par le syndicat libre de la fonction publique des zones de secours. Celui-ci a relevé des dysfonctionnements, ce soir-là, au sein de la centrale 112 de Leuven. Ces dysfonctionnements auraient pu être évités.

 

Selon ce rapport, tant la loi relative à la sécurité civile et à l’aide adéquate la plus rapide que la loi relative à l’aide médicale urgente n’ont pas été respectées alors que, dans ces circonstances, chaque minute compte pour sauver des vies.

 

Il apparaît en effet que la centrale de Leuven a fait appel à des services ambulanciers à Braine-l’Alleud – à 11 km des lieux –, alors que la caserne d’Uccle Chênaie, située à 5 km des lieux, aurait dû être prévenue, et ce d’autant plus que cette caserne disposait de moyens en aide médicale urgente et en désincarcération. Le SMUR d’Ixelles a en outre été contacté alors que, si la centrale de Bruxelles avait été contactée directement, elle aurait envoyé les équipes du SMUR de Sainte-Elisabeth, qui sont les plus proches.

 

En séance plénière du 21 février, vous avez affirmé que les responsables des pompiers de Bruxelles, le service d'incendie et d'aide médicale urgente de la Région de Bruxelles-Capitale (SIAMU), de la direction des centrales d'urgence 112 de Bruxelles et du Brabant flamand avaient conclu au respect du principe d'aide adéquate la plus rapide par la centrale d'urgence 112 du Brabant flamand.

 

Vous avez en effet affirmé ceci: "En ce qui concerne le choix entre le poste de Braine-l'Alleud et celui de Chênaie, Braine-l'Alleud est plus rapide que Chênaie, malgré la différence de distance par rapport à l'accident, qui est de 11 km contre 5 km pour Chênaie. Mais comme on le sait, les distances ne représentent pas toujours les temps réels pour arriver sur les lieux." Vous ne nous avez toutefois pas dit quels étaient ces temps réels d’intervention dans le cas de l’accident de Rhode-Saint-Genèse. Quel a été le temps d’arrivée des pompiers de Braine à Rhode et quel aurait été le temps d’arrivée des pompiers de Uccle Chênaie? Il apparaît que les pompiers de Chênaie, appelés plus tard pour la désincarcération, ont mis 6 minutes pour venir sur place. L'ambulance de Braine-l’Alleud aurait mis 11 minutes. Le confirmez-vous?

 

Le long temps d’arrivée des secours sur place à Rhode-Saint-Genèse rappelle en tout cas les dysfonctionnements observés lors de la catastrophe de Buizingen ou des attentats à l'aéroport de Bruxelles-National le 22 mars 2016.

À Buizingen, les pompiers d’Overijse, situés à 30 km, ont été contactés, alors que les pompiers d'Anderlecht, situés à10 km, et surtout de Tubize, auraient dû être contactés.

 

Lors des attentats à l'aéroport de Bruxelles-National, le centre de Louvain n'a pas voulu envoyer de renforts, estimant qu'il y avait suffisamment de moyens sur place et que davantage de moyens susciterait le chaos. Ce n'est donc que 49 minutes après le premier contact entre Bruxelles et Louvain, et après l'intervention du directeur médical du plan catastrophe, que la situation s'est débloquée. 

 

La commission Attentats a ainsi repris dans ses recommandations la nécessité d'améliorer la collaboration des centrales 112, mais aussi de mieux contrôler l'attribution de blessés aux hôpitaux. 

Comme l'a souligné plusieurs fois la secrétaire d'État bruxelloise en charge du SIAMU, il est temps de tirer les leçons de ces tragiques évènements.

 

Quant aux syndicats, ils ne supportent plus que l'on évoque des enquêtes sans autre suivi. Ils demandent que les centres aient une vue sur les véhicules disponibles, que l'on renforce leurs effectifs et qu'il y ait un protocole d'envoi des secours standardisé et surtout respectueux de la loi.

 

Le Syndicat Libre de la Fonction Publique des zones de secours est tellement à bout qu'il n'exclut pas de déposer plainte auprès de vous et de la ministre de la Santé, si les dysfonctionnements qu'il dénonce devaient continuer et menacer à terme la vie de la population. 

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous me faire savoir quelles sont les mesures qui ont été prises par votre prédécesseur, par vous-même ainsi que par la ministre de la Santé pour répondre aux recommandations de la commission Attentats mais aussi des syndicats de pompiers?

 

La formation dispensée aux centrales doit-elle être revue? Une évaluation globale du fonctionnement de la centrale 112 de Louvain a-t-elle été prévue? Pourquoi n'a-t-elle pas encore eu lieu? Vu sa localisation centrale, en cas d'accident dans la périphérie bruxelloise, la centrale d'appel du SIAMU de Bruxelles ne devrait-elle pas être compétente sans devoir passer par la centrale de Louvain, comme c'était le cas précédemment?

 

12.02  Pieter De Crem, ministre: Monsieur le président, madame Caprasse, chers collègues, je tiens à souligner une fois de plus que les responsables des pompiers de Bruxelles, le Service d'Incendie et d'Aide Médicale Urgente de la Région de Bruxelles-Capitale (SIAMU), et les directions des centrales d'urgence 112 de Bruxelles et du Brabant flamand se sont réunis à ma demande pour analyser en détail le traitement de l'appel d'urgence du tragique accident.

 

Toutes les parties ont conclu que le principe d'aide adéquate la plus rapide a été respecté par la centrale d'urgence 112 du Brabant flamand et que l'aide demandée par la centrale d'urgence 112 de Bruxelles a été bien fournie. Cela signifie que tous les services de secours, l'aide médicale, les pompiers et la police ont été alertés immédiatement après la réception des appels d'urgence, conformément au principe de l'aide adéquate la plus rapide. Les moyens nécessaires ont été correctement dispatchés pour venir en aide aux victimes.

 

Je demande donc qu'on cesse de sous-entendre que, bien que l'enquête effectuée par mon administration et le service d'incendie de la Région de Bruxelles-Capitale ait relevé le contraire, des erreurs ont été commises lors du traitement de l'intervention liée à l'accident tragique survenu sur le territoire de Rhode-Saint-Genèse. J'insiste sur le fait de respecter le deuil des familles des victimes.

 

Il en va de même pour les attentats du 22 mars 2016. La commission parlementaire n'a pas pointé du doigt la centrale d'urgence 112 de Louvain. Cette centrale a respecté et exécuté rigoureusement toutes les procédures, les protocoles et les processus en vigueur à l'époque. La commission parlementaire a uniquement, dans un souci d'améliorer le processus d'intervention, formulé des recommandations globales mais elle n'a mis en cause ni les opérateurs, ni le management de la centrale 112 qui a d'ailleurs fait preuve d'un grand professionnalisme ce jour.

 

Je réponds à présent à vos questions précises. Comme mon prédécesseur l'avait déjà annoncé à plusieurs reprises, les centrales d'urgence 112 vont progressivement quitter leur fonctionnement purement provincial et vont s'inscrire dans un fonctionnement supra-provincial. Ceci nécessite que toutes les centrales utilisent le même concept téléphonique centralisé et qu'elles travaillent toutes avec la même application de dispatching. Cette intégration est en cours. Les trois premières centrales – Hainaut, Luxembourg et Liège – vont migrer cette année vers cette nouvelle architecture supra-provinciale.

 

La centrale d'urgence 112 de Bruxelles connaîtra deux vagues de modification, la première consistant à remplacer en urgence la vieille centrale téléphonique. Ce remplacement est en cours. Ensuite, cette centrale pourra aussi migrer vers l'architecture supra-provinciale.

 

Les autres centrales rejoindront l'architecture supra-provinciale dans le courant des années 2020 et 2021. Une fois l'architecture supra-provinciale réalisée, toutes les centrales pourront alerter les postes des zones de secours des autres provinces, auront une vue d'ensemble sur tous les moyens d'intervention médicaux disponibles dans les autres provinces et pourront alerter et réserver au départ de leur propre centrale. De plus le système supra-provincial permettra un overflow des appels de secours vers une autre centrale d'urgence, si la centrale territorialement compétente est submergée par des appels.

 

En ce qui concerne votre seconde question, une formation est toujours susceptible d'être revue. Il est important de souligner qu'une formation d'opérateur 112 prend déjà plus de deux mois et qu'ensuite il y a encore un suivi intensif avant qu'un opérateur puisse être considéré comme vraiment opérationnel de manière indépendante. Je tiens aussi à souligner que toutes les centrales effectuent régulièrement des sondages de qualité et que d'éventuelles formations supplémentaires sont organisées pour pallier les lacunes. 

 

Il n'y a aucune raison d'effectuer une évaluation globale du fonctionnement de la centrale d'urgence 112 de Louvain. Comme je l'ai déjà évoqué au préalable, il est temps de laisser derrière nous des accusations non fondées et des insinuations exprimées contre le fonctionnement de cette centrale d'urgence.

 

Enfin, concernant votre dernière question, la commune de Rhode-Saint-Genèse étant située dans le Brabant flamand, la centrale d'urgence 112 du Brabant flamand est chargée de répondre aux appels provenant de cette commune et de toutes les autres communes de cette province. Finalement, la question d'agrandir le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale n'est pas à l'ordre du jour.

 

12.03  Véronique Caprasse (DéFI): Monsieur le ministre, même si cela me ferait plaisir, je ne vous demande pas d'agrandir la Région bruxelloise. Ce n'est pas le sujet. Je parle de timing. Il y a quand même eu un couac au niveau du timing, quand on entend le décalage concernant l'équipe de désincarcération.

 

Cela m'interpelle. Vous dites que le système de fonctionnement supra-provincial est prévu pour 2020-2021. C'est encore loin, alors qu'il y a des risques de se retrouver dans des situations compliquées. C'est un pas en avant, c'est sûr, et c'est appréciable, mais c'est encore loin dans le temps.

 

Deuxièmement, sans parler d'agrandir la Région bruxelloise comme vous le mentionnez, je reste convaincue qu'une collaboration très étroite est vraiment importante. Il est question de vies, il est question d'urgences, il est question de bon sens. Les histoires de Régions n'ont plus rien à voir là-dedans.

 

J'habite Crainhem. Vous connaissez Crainhem. Nous sommes adjacents à la Région bruxelloise. Il y a une caserne de pompiers juste à côté de l'UCL. Nous avons eu, pendant toute une période, un gentlemen's agreement avec les pompiers de Woluwe-Saint-Lambert. Je pense qu'il faut continuer dans cette voie, et qu'il y ait davantage d'interactions et de collaboration entre les Régions. Je ne fais pas de communautaire dans ce dossier. C'est du registre de l'humain et du bon sens, pour sauver des vies. J'espère que nous pourrons encore envisager de tels accords.

 

J'ajouterais qu'en tant qu'échevine, j'assistais dernièrement à une réunion relative au noodplan de ma commune, avec une intercommunale responsable de la gestion. J'ai soulevé cette question. J'ai dit qu'il faut une collaboration avec la Région bruxelloise quand il est question de proximité et de secours. J'aimerais que ce message que je fais passer soit entendu. Je vous remercie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 28992 van de heer Kir wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

13 Vraag van de heer Veli Yüksel aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "'keyless' autodiefstallen" (nr. 28847)

13 Question de M. Veli Yüksel au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "les vols de véhicules munis du système 'keyless'" (n° 28847)

 

13.01  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, in de criminaliteitsstatistieken is de laatste jaren een nieuw fenomeen opgedoken, de zogenaamde keyless autodiefstallen.

 

De modus operandi is het scannen van het signaal van keyless systemen, waarbij er geen fysiek contact hoeft te zijn met de wagen om deze te kunnen openen en starten. Blijkbaar zijn er gespecialiseerde bendes die van deze techniek gebruikmaken. In de stad Gent heb ik weet van enkele slachtoffers.

 

Problematisch daarbij is dat al te weinig burgers op dit moment op de hoogte zijn van deze techniek, waardoor ze bijvoorbeeld hun autosleutel nog al te vaak veel te dicht bij de voordeur leggen. Er is immers een communicatie tussen het systeem en de autosleutel en het signaal kan zo mogelijks worden opgepikt door malafide personen.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Ten eerste, hoeveel aangiftes van keyless autodiefstallen zijn bij uw diensten bekend voor 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019? Ik krijg ook graag een opsplitsing per jaar. Zijn er bepaalde regio's en/of politiezones die er gevoelig voor zijn? Graag wat toelichting.

 

Ten tweede, hebt u weet van preventie- en/of sensibiliseringscampagnes bij de lokale, dan wel de federale politie?

 

Ten derde, hebt u plannen om hieromtrent bepaalde maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door de lokale politie te ondersteunen of door het opzetten van een federale sensibiliseringscampagne?

 

13.02 Minister Pieter De Crem: Collega Yüksel, de zogenaamde mousejacking is een diefstal die gecategoriseerd wordt als een diefstal van een voertuig via een techniek die erin bestaat de elektronische veiligheidssystemen van een voertuig te hacken, om het voertuig nadien te starten, zonder sleutel en zonder braak. Die technologie laat toe in enkele minuten en op afstand het signaal uitgezonden door de sleutel te onderscheppen of te verstoren, de sleutel te kopiëren of het antistartsysteem te omzeilen via de diagnosestekker.

 

Binnen de nomenclatuur van de politie bestaat er sinds augustus 2017 een bijzondere modus operandi mousejacking. Voor 2017 werden door de politiediensten 11 autodiefstallen met de modus mousejacking geregistreerd in de algemene nationale gegevensbank. Voor het eerste semester van 2018 zijn er 10 registraties van een autodiefstal met die bijzondere modus vastgelegd.

 

Het is enigszins voorbarig om op basis van die cijfers conclusies te trekken. Het is nog niet bekend of de mousejackingtechniek in bepaalde regio's of politiezones meer gebruikt zou worden dan in andere. De cijfers zijn daarvoor nog te voorbarig.

 

De preventie van diefstallen van dat type kan in twee luiken opgesplitst worden. Ten eerste, wat de burger op dit moment reeds preventief kan doen, is zich realiseren dat het volstaat om de sleutel in een metalen container te bewaren om de captatie van het signaal te blokkeren. Ten tweede, technische aanpassingen door de sector zelf aan het systeem, bijvoorbeeld door een sleutel die men kan uitschakelen, zodat er geen signaal meer wordt uitgezonden.

 

Voor het eerste punt werden reeds herhaaldelijk en via verschillende kanalen, sociale media en pers, door verscheidene, vooral lokale, politiediensten boodschappen uitgezonden om de burger te waarschuwen en hem te infomeren. Voor het tweede punt zullen de constructeurs de nodige aanpassingen, die vooral technisch van aard zijn, moeten doen. Dat is een aangelegenheid die zijdelings op meerdere bijeenkomsten in de marge van het net voorbije autosalon ter sprake is gebracht.

 

13.03  Veli Yüksel (CD&V): Dank u voor antwoord en voor de cijfers, mijnheer de minister. De aantallen vallen al bij al mee, maar in Gent wordt er toch een fenomeen waargenomen.

 

Ik zal deze informatie doorspelen aan de lokale politie van Gent. En ik denk dat de burgers zelf ook preventieve acties kunnen ondernemen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van de heer Koenraad Degroote aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de representativiteit van de vakbonden" (nr. 28836)

14 Question de M. Koenraad Degroote au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "la représentativité des syndicats" (n° 28836)

 

14.01  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, de verhoudingen tussen de politievakbonden en de overheid worden geregeld door de wet van 24 maart 1999 en het KB van 8 februari 2001 tot uitvoering van die wet.

 

De wet bepaalt dat om de zes jaar de representativiteit van de erkende vakbonden wordt gecontroleerd op een door de Koning vast te stellen datum. Binnen de dertig dagen doet de vakbond een aanvraag bij aangetekende brief tot vaststelling van de representativiteit.

 

Het uitvoerings-KB bepaalt dat het te laat indienen van die aanvraag inhoudt dat de betreffende vakbond niet in aanmerking komt voor het verzoek tot representativiteit. Recent werd het NSPV in kennis gesteld dat het niet meer voldeed aan de voorwaarden van representativiteit. Het NSPV telt nochtans meer dan 12 000 leden.

 

Uit een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt evenwel dat het artikel, waarin de uitsluiting tot onderzoek is bepaald, strijdig is met de wet.

 

Op welke wijze worden de vakbonden in kennis gesteld van de datum waarop ze hun aanvraag tot erkenning van representativiteit moeten indienen? Bent u op de hoogte van het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State dat de onwettige toestand aanhaalt inzake de uitsluiting van het onderzoek tot representativiteit? Welke gevolgen heeft uw beslissing tot niet-erkenning van de representativiteit voor de leden van de betreffende vakbond?

 

14.02 Minister Pieter De Crem: De wijze waarop de representativiteit van de vakbondsorganisaties bij de politie wordt geregeld, is vastgelegd in de wet van 24 maart 1999, die de betrekkingen regelt tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten. Daarbij geldt ook het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de vermelde wet.

 

In het bijzonder is erin voorzien dat de controlecommissie om de zes jaar onderzoekt of de vakorganisaties voldoen aan het representativiteitscriterium. De startdatum van die zesjarige periode werd door de Koning vastgelegd en ging in op 1 januari 2001.

 

De vaststelling van de niet-representativiteit van de betreffende vakbond werd bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorst ingevolge arrest nr. 243 756 van de Raad van State van 19 februari 2019. Ten gevolge daarvan behoudt de desbetreffende vakbond de status van representatieve vakorganisatie met de daaraan verbonden prerogatieven en onderzoekt de overheid thans hoe de betwiste regelgeving dient te worden bijgestuurd, aangezien de Raad van State van oordeel is dat bepaalde artikelen van het voornoemd koninklijk besluit niet in overeenstemming zijn met de aangehaalde wet. Om die redenen heeft de Raad van State de artikelen van het koninklijk besluit niet toegepast op de situatie van het NSPV, ook al blijven die artikelen in het koninklijk besluit, dat al achttien jaar van toepassing is, bestaan.

 

Daarnaast moeten de andere artikelen van het KB worden getoetst op hun eventuele onwettelijkheid, zodat er duidelijkheid ter zake komt.

 

14.03  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, de toestand bestaat reeds enkele jaren en er moet op dat vlak het een en ander rechtgezet worden. Ik heb ook een wetsvoorstel daaromtrent klaar.

 

14.04 Minister Pieter De Crem: De toestand bestaat al 18 jaar. Het zou heel interessant zijn om te bekijken of sinds 2001 rekening is gehouden met allerhande adviezen.

 

Ik wil ook zeggen dat het NSPV zijn plaats verdient in het syndicale landschap bij de politie. Dat heb ik ook duidelijk gemaakt aan het NSPV. Het ging om eigen initiatief, waaraan ik mij niet kon onttrekken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van de heer Koenraad Degroote aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de absolute neutraliteit van de politie" (nr. 28838)

15 Question de M. Koenraad Degroote au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "la neutralité absolue de la police" (n° 28838)

 

15.01  Koenraad Degroote (N-VA): De wet op de geïntegreerde politie bepaalt in artikel 127 dat politieambtenaren van het operationeel kader geen kandidaat mogen zijn voor een politiek mandaat. In de deontologische code, artikel 25, staat dat ze om zich kandidaat te kunnen stellen voor een politiek mandaat hun ontslag of een non-activiteit wegens persoonlijke aangelegenheden hebben verkregen. Wanneer een politieman of –vrouw zich kandidaat wil stellen en verkozen wil worden, kan hij of zij van deze mogelijkheden gebruik maken.

 

Toch is de terugkeer naar de politie mogelijk. Non-activiteit kan gedurende twee jaar. Binnen de vier jaar na ontslag kan de voormalige politieman of –vrouw heropname vragen in het korps. Dit betekent wel dat ze gedurende enkele jaren hun politieke overtuiging hebben kunnen uiten. Bovendien hebben politiemensen ook spreekrecht en in tijden van sociale media is het niet ondenkbaar dat zij in hun persoonlijke tijd en ten persoonlijke titel ook een mening kunnen hebben en kunnen uiten bij politieke items.

 

Tevens verwijs ik naar de artikelen 22 en 25 van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Op basis van dit verdrag kan een operationele politieman of –vrouw, zoals in Nederland het geval is, wel aan politiek doen, maar niet op het grondgebied van de eigen eenheid, in dit geval de betrokken zone. Dit zijn de beperkingen die het verdrag voorschrijft.

 

In hoeverre is de absolute neutraliteit van politiemensen in de huidige maatschappij van toepassing?

 

In welke mate kunnen politieke meningen van politiemensen op sociale media worden aangepakt?

 

In hoeverre kunnen heropgenomen politiemensen die ooit politicus of kandidaat-politicus geweest zijn nog als neutraal aanzien worden?

 

Is actualisering van het absolute karakter van neutraliteit niet noodzakelijk gezien het internationale verdrag?

 

15.02 Minister Pieter De Crem: U stelt een heel belangrijke vraag. Artikel 127 van de wet tot de organisatie van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de ons welgekende WGP, beschrijft de onpartijdigheidsplicht van personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten. De memorie van toelichting bij de WGP nuanceert evenwel dat het niet verboden is om zich aan te sluiten bij een politieke partij, noch om aan een politieke activiteit deel te nemen die geen publiek karakter heeft.

 

Punt 25 van de deontologische code van de politiediensten sluit hierbij aan door te verduidelijken dat de personeelsleden die zich kandidaat wensen te stellen voor een politiek mandaat hun ontslag of non-activiteit wegens persoonlijke aangelegenheden moeten hebben verkregen. In deze gevallen wordt immers minstens tijdelijk het politieambt niet meer uitgeoefend.

 

Mits inachtname van de algemene en specifieke wettelijke en reglementaire voorschriften inzake het beroepsgeheim, het geheim van het onderzoek en de discretieplicht, garandeert het statuut van de politiediensten aan de personeelsleden het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van feiten waarvan ze kennis hebben uit hoofde van hun ambt. Men dient er evenwel op toe te zien het belang van de dienst en de waardigheid van het ambt niet te schaden en geen schade te berokkenen aan de gestelde macht, de overheidsinstellingen en derden. Deze beginselen werden tevens overgenomen in de deontologische code en binnen bepaalde diensten werden reeds richtlijnen uitgewerkt omtrent het gebruik van netwerksites en sociale media.

 

Het niet respecteren ervan kan worden aangepakt met de statutair vastgestelde procedures van evaluatie en tucht.

 

De periode waarin personeelsleden van de politiediensten weer opgenomen kunnen worden, bedraagt nooit langer dan 4 jaar. Het tussentijds uitoefenen van een politiek mandaat verhindert op zich de heropneming niet.

 

Vanaf het moment dat de heropneming gebeurt, moet het personeelslid zich opnieuw ten volle aan de statutaire bepalingen houden en de onpartijdigheidplicht respecteren.

 

Een operationeel personeelslid dat zich in een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden bevindt, mag niet elk politiek mandaat uitoefenen.

 

Het Gemeentedecreet bepaalt een absolute onverenigbaarheid tussen de hoedanigheid van personeelslid van een politiezone en gemeenteraadslid van een gemeente die deel uitmaakt van die politiezone, zowel in een meergemeentenzone als in een eengemeentezone.

 

Het Arbitragehof, nu het Grondwettelijk Hof, sprak zich op 15 juli 1993 reeds uit over de bepaling in het politiestatuut die aan de politieleden voorschrijft zich te onthouden van openlijke blijken van een politieke overtuiging en van het publiekelijk aan politiek doen. Het hof vond de bepaling niet buiten proportie ten opzichte van de beoogde doelstelling.

 

Ook artikel 25 van het BuPo-Verdrag, het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, aanvaardt redelijke beperkingen op de deelname aan de politiek.

 

Ik kan hier nog aan toevoegen dat een van de eerste voorstellen die ik indiende, samen met collega Fernand Ghesquière, in de sessie 1995-1999 precies het gebruik van de politieke rechten van militairen in actieve dienst betrof en ook voor de leden van de voormalige gemeentepolitie - toen bestonden gemeentepolitie en rijkswacht nog - gold.

 

Meerdere van die voorstellen werden gaandeweg wel opgenomen, maar met de nodige beperkingen.

 

15.03  Koenraad Degroote (N-VA): Ik denk dat er voortschrijdend inzicht is in die materie. Nog vorige week hadden wij in plenaire vergadering een wetsvoorstel in verband met de beperkingen die het BUPO-verdrag voorschrijft, aan de orde. Ik weet niet of u dat hebt gevolgd. Conform artikel 88 gaat dat terug naar commissie en het kan in feite als goedgekeurd worden beschouwd.

 

Het BUPO-verdrag laat inderdaad de beperking "niet in eigen zone actief zijn" toe. Het moet mogelijk zijn om daarmee aan de slag te gaan, zodat de betrokkenen zich minstens voor een gemeente politiek kunnen inzetten, zolang die buiten hun politiezone ligt. We zullen zien wat de toekomst brengt. Dank voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 28958 van de heer Vermeulen wordt in een schriftelijke vraag omgezet.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.47 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16.47 heures.