Commission de l'Intérieur, des Affaires générales et de la Fonction publique

Commissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt

 

du

 

Mercredi 18 janvier 2012

 

Après-midi

 

______

 

 

van

 

Woensdag 18 januari 2012

 

Namiddag

 

______

 

 


De vergadering wordt geopend om 14.27 uur en voorgezeten door de heer Siegfried Bracke.

La séance est ouverte à 14.27 heures et présidée par M. Siegfried Bracke.

 

01 Questions jointes de

- Mme Kattrin Jadin à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "la police sur Twitter" (n° 8015)

- Mme Leen Dierick à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "les réseaux sociaux au sein des services de police" (n° 8722)

01 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het gebruik van Twitter door de politie" (nr. 8015)

- mevrouw Leen Dierick aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "sociale media bij de politiediensten" (nr. 8722)

 

01.01  Kattrin Jadin (MR): Madame la ministre, je tiens tout d'abord à vous féliciter pour vos nouvelles fonctions et à vous souhaiter beaucoup de courage!

 

En mai dernier, votre prédécesseur envisageait la présence de la police dans les réseaux sociaux et notamment Twitter. Il faut effectivement vivre avec son temps. Une grande partie de la population a adopté ces outils pour communiquer; l'idée ne semble donc pas absurde.

 

Cela dit, c'est une nouvelle mode et nous ne connaissons pas encore réellement les véritables conséquences de l'utilisation des réseaux sociaux. Certains disent qu'ils ont été déterminants, par exemple, dans le Printemps arabe. Il s'agit donc d'un moyen de communication influent.

 

Dès lors, envisagez-vous toujours la mise en place de notre police sur Twitter. Et, dans cette hypothèse, comment? Avez-vous déjà évalué les dangers que cela pourrait représenter? Existe-t-il d'autres réseaux sociaux que Twitter? Peut-on imaginer qu'ils soient également concernés?

 

01.02  Leen Dierick (CD&V): Mevrouw de minister, op mijn beurt wens ik u van harte proficiat met uw nieuwe bevoegdheden, waarmee ik u heel veel succes wens.

 

Mijn vraag sluit aan op de vraag van mevrouw Jadin. In oktober vorig jaar heb ik aan uw voorgangster, mevrouw Turtelboom, ook een vraag gesteld over het gebruik van sociale media door de politie. De minister kondigde toen aan dat zij volop bezig was met het opstellen van een draaiboek waarin allerlei tips, uitleg en voorbeelden gegeven zouden worden, zodanig dat veel meer politiezones gebruik zouden maken van sociale media. Minister Turtelboom beloofde toen dat het draaiboek klaar zou zijn in oktober.

 

Mevrouw de minister, graag had ik van u vernomen of u eveneens de intentie hebt om daar een draaiboek van te maken. Zo ja, wanneer zal dat klaar zijn?

 

Zal dat draaiboek dan ook automatisch naar de lokale politiezones worden doorgestuurd? Zij zijn daar echt wel vragende partij voor. Veel politiezones verrichten momenteel zelf werk ter zake, maar zij vragen een duidelijk kader waarbinnen zij zouden kunnen werken.

 

01.03  Joëlle Milquet, ministre: Monsieur le président, chers collègues, en ce qui concerne vos deux questions, il me semble logique que les services de police suivent cette évolution intéressante des médias sociaux. Sur base d'une enquête sociologique démontrant que les médias sociaux doivent leur succès à leur lien direct avec des besoins humains, il est évident que la police doit jouer un rôle actif dans l'utilisation de ces médias et participer, dans le cadre de ses fonctions et avec la prudence nécessaire, aux conversations qui y sont tenues.

 

Op 13 oktober heeft de commissaris-generaal in dit verband een beleidsnota op de portaalsite geplaatst, met de strategie inzake de sociale media voor de geïntegreerde politiediensten. Die portaalsite is voor alle politiediensten bereikbaar.

 

Ik zal u geen samenvatting geven, maar u een kopie laten bezorgen van de punten die daarin aan bod komen. Wij zouden anders te veel tijd verliezen.

 

C'est pour gagner du temps. Sinon, je peux vous lire tout ce qu'il y a dedans …

 

01.04  Kattrin Jadin (MR): Non, je vous remercie. Je m'en contenterai, madame la ministre.

 

01.05  Joëlle Milquet, ministre: Nous sommes donc bien dans les temps, avec toutes les considérations, mais aussi toute la prudence nécessaire. Lisez-là, et si vous avez d'autres questions complémentaires …

 

01.06  Kattrin Jadin (MR): Je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Questions jointes de

- Mme Kattrin Jadin à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "les violences dont sont victimes les agents de police" (n° 8022)

- M. Koenraad Degroote à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "les cas d'agression contre la police" (n° 8136)

02 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het geweld tegen politieagenten" (nr. 8022)

- de heer Koenraad Degroote aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de gevallen van agressie tegen de politie" (nr. 8136)

 

02.01  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le président, madame la ministre, d'après une enquête dont les résultats m'ont été rapportés, un policier sur dix est victime de violences ayant entraîné une incapacité de travail. Les chiffres sont inquiétants car ils ont augmenté de 14 % au cours de ces dix dernières années.

 

Les conséquences de ces violences sont d'abord financières. D'abord, les absences causées par ces violences ont un coût exorbitant qui pèse sur le budget de l'État. Ensuite, les policiers victimes sont souvent laissés à leur sort: ils doivent monter leur dossier administratif eux-mêmes, ils ne connaissent pas toujours leurs droits, ils ne bénéficient pas toujours de l'assistance d'un avocat. Cet isolement explique probablement en grande partie le nombre de dossiers de ce type qui ne sont pas encore résolus à ce jour, ce qui entraîne un sentiment d'impunité grandissant auprès des auteurs de ces violences.

 

Madame la ministre, comment la police ou le SPF Intérieur compense-t-il les coûts engendrés par les très nombreuses absences des policiers victimes? Des mesures sont-elles prises pour assurer le soutien nécessaire aux policiers victimes de violences qui tentent d'obtenir réparation? Ces dossiers de violence contre les agents de la police fédérale bénéficient-ils du suivi nécessaire?

 

02.02  Koenraad Degroote (N-VA): Mevrouw de minister, ik had deze vraag ook reeds op 1 december ingediend aangezien er in de vorige legislatuur nog een wet werd goedgekeurd die een strengere bestraffing van geweld tegen politieagenten mogelijk maakt.

 

De politievakbond VSOA en de politieleden nemen het niet meer dat politie en hulpdiensten zomaar aangevallen kunnen worden, dat daders niet of onvoldoende gestraft worden en dat de slachtoffers er nadien al te vaak alleen voor komen te staan. Ook verwijst men naar het Nederlands model, het protocol geweld tegen politieambtenaren, waarin een krachtig signaal werd gegeven. Tevens verwijs ik naar de toespraak van minister Turtelboom, uw voorganger, in de herfst van 2010 in Brussel voor de Europese top. Daar zei ze: “There isn’t a day that goes by without a police officer becoming a victim of aggression while carrying out his job”. Bovendien plaatst de VSOA de cijfers van het Comité P, dat het had over ongeoorloofde agressie van de politie zelf, tegenover de agressie jegens de politie. Dat laatste valt steeds vaker voor en wordt driester. Dat zou volgens VSOA een en ander in een juistere context plaatsen.

 

Vandaar mijn vraag. Wat werd er sedert 2010 toen het kabinet het probleem erkende, reeds ondernomen om daar effectief iets aan te doen? Wat zal er in de nabije toekomst gebeuren?

 

02.03  Joëlle Milquet, ministre: Monsieur le président, chers collègues, comme je l'ai dit lors de la présentation de ma note de politique générale, l'accord de gouvernement prévoit que le gouvernement intensifiera sa lutte contre les violences commises à l'encontre des policiers, des membres des services de secours et des agents dépositaires de l'autorité.

 

Ik verwijs in dat verband naar mijn algemene beleidsnota, die ik voorgesteld heb op 10 januari 2012. Daarin onderstreep ik het volgende: “De strijd tegen geweld op politieagenten, op leden van de hulpdiensten en op dragers van het openbaar gezag of van de openbare macht zal al onze aandacht krijgen. Daarbij wordt concreet gedacht aan een handboek dat het politiemanagement moet helpen bij het aanbieden van de gepaste ondersteuning aan de door geweld getroffen medewerker, dit zowel op het ogenblik van de feiten als op middellange en lange termijn.”

 

Au-delà de ce fait, dans le cadre des discussions avec les syndicats, j'ai reçu du Syndicat libéral une contribution qui me semble intéressante, qui est en cours d'analyse par mes services, afin d'avoir un plan d'action en matière de sécurité des policiers et, de manière globale, des personnes qui exercent un métier régalien à risques. Dans ce plan d'action, nous comptons lancer une campagne de sensibilisation et voir comment conclure un protocole d'accord, comme cela a été réalisé au niveau hollandais avec les autres services, pour que cela ne soit pas uniquement une bonne intention, mais que cela se traduise par des mesures claires.

 

We hebben sinds 2010 al belangrijke maatregelen genomen. De wetten van 20 december 2006 en recent van 8 maart 2010 tot wijziging van het Strafwetboek hebben de straffen verzwaard voor geweld tegen personen die beroepshalve in dienst van het publiek staan. Ook de wet van 29 december 2010 heeft de wet op het politieambt aangepast, waardoor de toekenning van rechtshulp aan die personen wordt versoepeld.

 

De werkgevers van politiemensen, lokaal en federaal, kunnen zich tevens burgerlijke partij stellen voor geweldfeiten tegen politiemensen die tot ruim arbeidstijdverlies leiden. Ik vermeld tevens de extra investeringen in beschermingsmateriaal, waaronder de kogelwerende vesten voor aspirant-politiemensen.

 

En ce qui concerne la première question de Mme Jadin, il est vrai qu'en cas de violences commises à l'encontre des policiers de la police fédérale et qui entraînent une incapacité de travail dans leur chef, les procédures judiciaires nécessaires sont initiées par mes services en vue de récupérer, au nom de l'État belge, le préjudice supporté par celui-ci, découlant de ces incapacités.

 

Ce que l'on peut récupérer auprès des tiers responsables des faits - quand la responsabilité est établie évidemment -, c'est la charge salariale engendrée par l'incapacité temporaire de travail, les frais médicaux qui sont remboursés aux membres du personnel de la police fédérale et la rente éventuelle versée en cas d'incapacité de travail. Pour illustrer ce qui précède, les sommes qui ont été récupérées par l'État belge au cours de ces cinq dernières années se montent à 1,4 milliard en 2007, 1,1 milliard en 2008, 1,2 milliard en 2009, 1,3 milliard en 2010 et 1,2 milliard en 2011. Globalement, on tourne toujours autour d'une somme identique.

 

En ce qui concerne votre seconde question relative à la protection juridique en faveur des membres du personnel, il est vrai que la loi sur la fonction de police prévoit les mesures suivantes. Tout d'abord, l'assistance en justice qui est visée à l'article 52 et qui prévoit la possibilité d'obtenir les services d'un avocat à charge de l'employeur, en vue d'assurer la défense des intérêts des membres du personnel qui auraient été victimes en service d'un fait dommageable. De plus, cette disposition a été récemment modifiée dans la mesure où l'on a élargi les conditions d'octroi, lors de la loi du 29 décembre 2010. Ensuite, il y a l'article 53 qui prévoit que les membres du personnel subissant, dans leur fonction, des dommages à leurs biens personnels, ont droit à l'indemnisation auprès de leur employeur.

 

Dans certains cas particuliers, faits de menaces sérieuses à l'encontre des membres du personnel ou de leur famille, des mesures de protection sont également organisées. Nous avons aussi un soutien psychologique avec des mesures mises en place en vue d'accompagner des policiers victimes, directement ou indirectement, de faits de violence dans le cadre de leur fonction. Il y a donc toujours une prise en charge psychosociale par l'équipe du stress team de la police fédérale.

 

Quant à votre troisième question, relative au de point de vue judiciaire, elle relève des compétences de Mme Turtelboom.

 

Mijnheer Degroote, wat de effectieve vervolging betreft van geweldplegers tegen personeel van politie- en hulpdiensten, dien ik te verwijzen naar mijn collega Annemie Turtelboom. Dit vormt immers een deel van haar bevoegdheid.

 

02.04  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le président, je suis satisfaite de la réponse de Mme la ministre.

 

02.05  Koenraad Degroote (N-VA): Mevrouw de minister, de beleidsnota heeft de tijd tussen vraag en antwoord wat doorkruist, maar ik dank u voor uw antwoord. Ik dank u ook voor de inspanningen die reeds geleverd zijn. Ik hoop echter dat dit in de toekomst een blijvend aandachtspunt zal zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- de heer Koenraad Degroote aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de uitbreiding van GAS" (nr. 8137)

- de heer Peter Vanvelthoven aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de verlaging van de leeftijdsgrens tot 14 jaar in het kader van de gemeentelijke administratieve sancties" (nr. 8671)

03 Questions jointes de

- M. Koenraad Degroote à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'élargissement des SAC" (n° 8137)

- M. Peter Vanvelthoven à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'abaissement de la limite d'âge à 14 ans dans le cadre des sanctions administratives communales" (n° 8671)

 

03.01  Koenraad Degroote (N-VA): Mevrouw de minister, ik heb de vraag over de GAS-regeling in december al gesteld en uw beleidsnota bood intussen al een deel van het antwoord.

 

In Kortrijk werd enige tijd geleden bij het parket in samenwerking met de zone VLAS een project gelanceerd om een aantal gedepenaliseerde materies onder de GAS-regeling te doen vallen. Het gaat onder meer om winkeldiefstallen en om andere dossiers die vaak geseponeerd worden. Op die manier wil men het gevoel van straffeloosheid tegengaan.

 

Acht u het interessant de andere zones en de andere parketten te sensibiliseren, zodat een dergelijk project overal ingang kan vinden?

 

Ik wil ook graag weten – en uw beleidsnota gaf al een deelantwoord op de vraag – of er volgens u andere materies onder de GAS-regeling kunnen vallen. Het gaat dan om materies die vandaag door de parketten zelden vervolgd worden, bijvoorbeeld domiciliefraude.

 

Hoe staat u tegenover een veralgemening van het GAS-systeem, zoals dat in Kortrijk werd uitgewerkt? Zult u de zones ter zake aanschrijven? Hoe staat u tegenover een verdere uitbreiding van het GAS-systeem?

 

03.02  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mevrouw de minister, ook mijn vraag gaat over de gemeentelijke administratieve sancties.

 

In het regeerakkoord is opgenomen dat de gemeenten die dat wensen, het is dus geen algemene verplichte maatregel, de administratieve sancties ook zullen kunnen toepassen voor minderjarigen vanaf 14 jaar, maar dan met de verplichting van bemiddeling in aanwezigheid van de ouders of de voogd.

 

Er werden in dat verband wetsvoorstellen ingediend in de Kamer, voorafgaand aan de installatie van de nieuwe regering.

 

Hoe snel zult u hierin gaan? Kan er worden gewerkt op basis van de ingediende wetsvoorstellen of komt u met een nieuw wetsontwerp?

 

Tegen wanneer mogen wij dat verwachten? Immers, sommige steden en gemeenten zitten toch wel te wachten op de wetswijziging.

 

03.03 Minister Joëlle Milquet: In antwoord op de vraag van de heer Vanvelthoven deel ik mee dat, overeenkomstig het regeerakkoord, de gemeenten die dit wensen, de administratieve sancties op minderjarigen vanaf de leeftijd van 14 jaar zullen kunnen toepassen.

 

Mijn administratie is bezig met de voorbereiding van een wetsontwerp. Dat zal klaar zijn voor einde februari. Ik heb nog een paar vergaderingen nodig met mijn administratie en daarna zal ik een nota op de Ministerraad brengen.

 

Wat de vraag van de heer Degroote betreft, vooreerst, winkeldiefstal is geen gedepenaliseerde materie. Winkeldiefstal is nog steeds een strafrechtelijke inbreuk, die valt onder de bepalingen van artikel 461 en artikel 463 van het strafrecht.

 

De wetgever heeft evenwel in artikel 119 bis van de nieuwe gemeentewet bepaald dat die strafrechtelijke inbreuk administratief kan afgehandeld worden, via gemeentelijke administratieve sancties, door artikel 461 en artikel 463 op te nemen in de categorie van de gemeente-inbreuken.

 

Opdat een gemeente een winkeldiefstal zou kunnen sanctioneren met een gemeentelijke administratieve sanctie, dient ze de overtreding in haar politiereglement op te nemen. Aangezien het gaat om een gemengde inbreuk, is het daarbij raadzaam dat de gemeente voorafgaand overleg pleegt met de diensten van de procureur des Konings om de nodige afspraken te maken.

 

Immers, indien het openbaar ministerie radicaal gekant is tegen de mogelijkheid om een gemeentelijke administratieve sanctie op te leggen voor een winkeldiefstal, zou het weinig zin hebben om een dergelijke inbreuk in het gemeentereglement als dusdanig op te nemen. Zelfs al wordt winkeldiefstal in het politiereglement opgenomen, dan nog voorziet artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet voor ieder individueel dossier in een bijkomende afstemming tussen de ambtenaar belast met het opleggen van de sanctie en de procureur des Konings. Het openbaar ministerie dient immers binnen een termijn van twee maanden te laten weten dat er geen gevolg aan de feiten zal worden gegeven en dat een administratieve boete opportuun is. Enkel in dat laatste geval kan de sanctionerende ambtenaar een gemeentelijke administratieve boete opleggen.

 

Specifiek met betrekking tot de gestelde vragen wens ik nog op te merken dat de wetgever in artikel 199bis van de nieuwe gemeentewet de mogelijkheid verschaft heeft om voor een aantal gedragingen een gemeentelijke administratieve sanctie op te leggen, waaronder winkeldiefstal. Het komt de gemeenten toe om te beslissen of ze al dan niet gebruik wensen te maken van die mogelijkheid. Uw vraag om de zones aan te schrijven, lijkt mij niet opportuun, aangezien het de gemeenten en niet de zones zijn, die opteren voor de invoering van een gemeentelijke administratieve sanctie. Als minister van Binnenlandse Zaken kan ik de gemeenten hiertoe niet verplichten; de beslissing ter zake behoort tot de lokale autonomie. Ik kan hen wel sensibiliseren en een goede uitwisseling van good practices organiseren. Dat kan ook een goed voorbeeld zijn voor de andere gemeenten.

 

Ik ben het systeem van de gemeentelijke administratieve sancties zeer genegen, getuige hiervan onder andere de omzendbrieven ter zake, mijn deelname aan studiedagen en de ondersteuning door de administratie.

 

Uw vraag om de parketten aan te schrijven kan ik evenmin positief beantwoorden. Dat is een bevoegdheid van de minister van Justitie. Bovendien komt het mij niet toe om inzake het strafrechtelijk beleid instructies te geven aan de parketten.

 

De uitbreiding van het systeem van de gemeentelijke administratieve sancties met andere inbreuken is vandaag niet aan de orde. Ik sta wel open voor een debat. Nu ben ik bezig met het wijzigen van de huidige wetgeving. We zullen natuurlijk het regeerakkoord uitvoeren en misschien volgen er voorstellen van de commissie. Misschien kunnen we over die optie nadenken. Het kan een interessant debat worden.

 

03.04  Koenraad Degroote (N-VA): Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik denk dat het systeem van GAS wel mag worden uitgebreid. Dat is goed voor diverse instanties en op de duur misschien ook wel voor de overheidskas, in het geval van domiciliefraude. Dat kan de gemeenten meer armslag geven.

 

Ik denk dat een debat of denkwerk hier aan de orde is.

 

03.05  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mevrouw de minister, ik dank u, omdat u het nieuwe wetsontwerp zo spoedig mogelijk, tegen eind februari, in de Ministerraad zult brengen, zodat wij daarover snel kunnen debatteren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Het volgende punt is de vraag nr. 8028 van mevrouw Jadin.

 

03.06  Kattrin Jadin (MR): Mijnheer de voorzitter, mijn aanwezigheid wordt ook gevraagd in een andere commissie. Is het mogelijk om deze vraag om te zetten in een schriftelijke vraag? In de plaats daarvan zou ik nu mijn vraag nr. 8585 willen stellen, die mij na aan het hart ligt.

 

De voorzitter: Dat is een mooie geste, mevrouw Jadin.

 

04 Question de Mme Kattrin Jadin à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'allocation de bilinguisme pour les membres du cadre administratif et logistique des services de police situés en Communauté germanophone" (n° 8585)

04 Vraag van mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de tweetaligheidstoelage voor de personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de politiediensten in de Duitstalige Gemeenschap" (nr. 8585)

 

04.01  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le président, madame la ministre, en 2008, le sénateur Berni Collas interrogeait votre prédécesseur sur la problématique des allocations de bilinguisme accordées aux membres du cadre administratif et logistique de la police situés en Communauté germanophone.

 

Sur base de l'arrêté royal du 30 mars 2001 portant sur la position juridique du personnel des services de police, le personnel de police ayant réussi l'examen du Selor ou équivalent se voit attribuer une allocation de bilinguisme.

 

Cette prime est accordée à 100 % du montant réglementaire aux membres du cadre opérationnel des services de police de l'arrondissement d'Eupen en vertu de l'article XI.III.31, § 1 PJPol qui dit que le membre du personnel qui est affecté à un corps où l'usage d'une autre langue nationale que la sienne est requis ou souhaité, bénéficie de l'allocation mensuelle correspondante qui est de 100 %.

 

Pour les CALog des services de police de l'arrondissement d'Eupen, par contre, elle ne s'élève seulement qu'à 25 % du montant réglementaire en vertu de l'article XI.III.33bis PJPol qui dit que si la connaissance est utile sans être exigée légalement, le membre du personnel CALog bénéficie d'une allocation dont le montant est fixé à 25 %; les 100 % ne sont attribués au CALog que si la connaissance d'une autre langue nationale que la sienne est exigée légalement.

 

Force est de constater qu'on applique ici le principe "deux poids deux mesures" au sein de la police. Premièrement, on fait une différence entre le policier et le CALog au sein de la même unité et, deuxièmement, on fait également une différence au sein du personnel CALog même. En effet, dans certains corps de police à Bruxelles, par exemple, – je sais que cela ne vous laisse pas indifférente, madame la ministre – les CALog touchent l'allocation de bilinguisme à 100 %.

 

J'attire encore une fois l'attention sur le fait que, dans la Communauté germanophone, l'exercice d'une fonction au sein de la police requiert un bilinguisme effectif de la part des membres du personnel CALog, étant donné qu'ils accueillent souvent un public ne parlant que la langue française, qu'ils travaillent sur base de notes de service établies en français, que la correspondance et la communication avec les autorités nationales et autres ainsi que toutes les formations pour les CALog se font principalement en français. L'article XI.III.33bis PJPol ne tient donc pas compte des spécificités des services de police, qu'ils soient locaux ou fédéraux, situés sur le territoire de l'arrondissement judiciaire d'Eupen.

 

Le débat reste d'actualité et aurait des conséquences très réduites au niveau du budget fédéral – cet aspect me tient particulièrement à cœur surtout dans les temps qui courent – étant donné que les allocations des membres du personnel CALog appartenant aux deux zones de police germanophones seraient attribuées par les budgets locaux et que les membres du personnel CALog fédéraux concernés ne sont actuellement qu'une petite dizaine.

 

Madame la ministre, à la lumière de ce qui précède, vous engagez-vous à régler ce dossier, à faible impact budgétaire, le plus rapidement possible?

 

04.02  Joëlle Milquet, ministre: Chère collègue, nous avons un cadre linguistique un peu complexe. La connaissance de la langue française des membres du personnel du cadre administratif et logistique (le CALog) des services de police, installés sur le territoire de la Communauté germanophone, est statutairement reconnue comme une connaissance utile mais ne relève pas d'une exigence légale. Cette connaissance est par contre requise sur base de la loi sur l'emploi des langues en matière administrative pour les membres du personnel des zones de police de la Région de Bruxelles-Capitale qui est une zone bilingue officiellement.

 

Il y a là une différence objective, liée à une législation, mais qui ne correspond ni à la pratique, ni à l'effort, ni in fine à la réalité qui est largement identique. Je comprends vraiment la situation du personnel germanophone. Annemie Turtelboom avait d'ailleurs, vu leur situation spécifique, déjà sollicité l'accord du ministre de la Fonction publique pour revoir la situation statutaire, au niveau de l'allocation de bilinguisme. Aucune réponse n'avait été donnée à ce stade. Je vais donc reprendre ce dossier, et non seulement le réinterroger, mais voir concrètement si nous pouvons avancer sur ce dossier. Celui-ci ne me semble pas très polémique en termes institutionnels - et, dès lors, pourrait peut-être recevoir une résolution rapide - si ce n'est au niveau de la problématique budgétaire, qui est d'un autre ordre, mais qui ne va quand même pas mettre en faillite l'État belge. Je vais voir ce que je peux mettre en œuvre par rapport à cette question que je juge légitime.

 

04.03  Kattrin Jadin (MR): Madame la ministre, je trouve cela très bien, c'est un signe très positif. Il va de soi que je me tiens tout à fait à votre disposition pour mettre votre cabinet en relation avec les agents concernés sur place pour éventuellement chiffrer l'impact budgétaire, afin de voir comment nous pourrions avancer. Mais je retiens votre volonté d'avancer sur le sujet et je m'en réjouis fortement. C'est un dossier qui est mis entre parenthèses depuis trop longtemps déjà. Si vous pouviez le traiter, je me ferais avec grand plaisir le relais de votre action au niveau de la Communauté germanophone. Je ne manquerais certainement pas de rendre à César ce qui est à César, si vous pouviez régler cela. Je vous remercie.

 

04.04  Joëlle Milquet, ministre: Ce n'est pas le but. Il y a une vraie légitimité dans ce dossier. Mais tenons-nous au courant …

 

04.05  Kattrin Jadin (MR): Autant le dire, autant savoir ce qui est possible, si on fait avancer les choses …

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vragen nrs. 8037 en 8042 van mevrouw Galant zijn uitgesteld.

 

05 Samengevoegde vragen van

- de heer Michel Doomst aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het 'verouderd' protocol inzake de controle van identiteitspapieren bij het reizen met de Eurostar" (nr. 8044)

- mevrouw Daphné Dumery aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "illegalen die met de Eurostar naar Groot-Brittannië reizen" (nr. 8064)

05 Questions jointes de

- M. Michel Doomst à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le caractère obsolète du protocole de contrôle des papiers d'identité lors des voyages à bord de l'Eurostar" (n° 8044)

- Mme Daphné Dumery à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "les illégaux qui se rendent en Grande-Bretagne en Eurostar" (n° 8064)

 

05.01  Michel Doomst (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, in verband met de controle van de identiteitspapieren bij het reizen met de Eurostar is er een aantal achterpoortjes die wij best dringend sluiten.

 

Passagiers die een ticket boeken voor de Eurostar van Brussel naar Rijsel moeten hun identiteitspapieren niet tonen. Dat betekent voor een aantal mensen een overstap om papierloos naar Londen door te reizen. Dat is een probleem dat door de Belgische federale politie wordt erkend. Er wordt gezegd dat de drie landen naar een oplossing zoeken. Men zou het protocol aanpassen om die situatie te normaliseren.

 

Wat is de stand van zaken?

 

Klopt het dat de politie een oogje dichtknijpt voor een poort die openstaat, terwijl wij de poort moeten dichthouden en de ogen open’?

 

05.02  Daphné Dumery (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de situatie is al geschetst door mijn collega. Het gaat inderdaad over de problematiek van onze buitengrenzen.

 

De Eurostarterminal in Brussel is wel degelijk een haven, ik bedoel een Schengengrenspost. Waarschijnlijk hebt u ook de reportage gezien en was u even geschokt als wij toen u zag hoe eenvoudig het is om via een Belgische grenspost te passeren zonder enige vraag. De journalist in kwestie is gewoon gepasseerd zonder iets te moeten tonen. Bij het volgende hokje, aan de grenspost voor Groot-Brittannië waar de Britse douane zich bevindt, liet men hem gewoon passeren omdat men vermoedde dat die persoon in Rijsel zou uitstappen.

 

Er is geen enkele dialoog tussen de verschillende landen hierover. Uiteindelijk komt men heel eenvoudig in Groot-Brittannië aan, waar opnieuw geen enkele vraag wordt gesteld omtrent iemands binnenkomst. Het ging om een journalist met Belgische nationaliteit, maar als Belgen hebben wij daar geen enkele baat bij. Wij kunnen immers vrij binnen en buiten in Groot-Brittannië. Wie heeft er wel baat bij? Dat zijn illegale vreemdelingen die hun overzet naar Groot-Brittannië wagen. Doen zij het niet via de zeehavens zoals Oostende, dan proberen zij het via de Eurostarterminal. Het bleek dus heel eenvoudig te gaan.

 

Deze voormiddag heb ik uw collega, staatssecretaris De Block, gevraagd naar de illegale trafiek. Volgens de Britse kranten zou er immers sprake zijn van het verhuren van identiteitsdocumenten, waardoor men zelfs heel eenvoudig een identiteit kan bewijzen als er al een vraag wordt gesteld.

 

Zij heeft reeds contact genomen met haar Britse collega om na te gaan hoe wij die illegale trafiek via die openstaande poort kunnen bestrijden.

 

Mevrouw de minister, ik heb de volgende vragen. Hoe komt het dat de identiteit van reizigers niet systematisch wordt gecontroleerd door de Belgische politiediensten bij het betreden van de transitzone in Brussel-Zuid? Ik had de indruk dat men daar niet goed op de hoogte was van het feit dat dit een buitengrens is.

 

Moet er volgens u een betere samenwerking komen met de bevoegde Franse en Britse diensten om dergelijke misbruiken in de toekomst onmogelijk te maken? Ik denk daarbij aan het louter praktische gegeven dat de Belgische en Britse diensten daar naast elkaar staan, dus een gesprek moet toch mogelijk zijn.

 

Zult u maatregelen nemen om dit misbruik in de toekomst te vermijden? Zijn er over deze kwestie reeds contacten geweest tussen de met grenscontrole belaste overheden en hun Franse en Britse collega’s?

 

05.03 Minister Joëlle Milquet: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Dumery, het bedoelde tripartite-akkoord tussen ons land, Frankrijk en Groot-Brittannië betreft de directe verbinding van de Eurostar tussen Brussel en Londen. Dat was het oorspronkelijke akkoord. Sinds 2003 dringt ons land aan op een aanpassing van dit akkoord omdat de Eurostar sindsdien niet meer rechtstreeks naar Londen rijdt, maar een tussenstop maakt in Rijsel.

 

Aangezien Groot-Brittannië een niet-Schengenland is, kan de Britse politie immers geen controle uitvoeren van reizigers die zich verplaatsen binnen het Schengengebied. Zij mag enkel de Eurostarreiziger met een ticket naar Londen aan de buitengrens controleren, in casu Brussel. Tot voor kort werd toegestaan dat de UK Border Agency ook de reizigers met een ticket voor Rijsel controleerden, maar sinds er enkele klachten werden ingediend, wordt de wet strikt toegepast. Er was dus een verandering wegens een aantal klachten.

 

Een echte aanpassing van dit tripartite-akkoord is noodzakelijk. Dat is echter niet zo evident. Het wettelijke kader in Frankrijk is tamelijk ingewikkeld om een dergelijke aanpassing uit te voeren. De Eurostar van Brussel naar Rijsel mag enkel worden gebruikt door reizigers die binnen het Schengengebied verblijven.

 

Concreet wordt de grenscontrole in Brussel-Zuid gescheiden in een controle, zowel door de Belgische als de Britse politie, van de reizigers naar Londen en in een aparte controle door de Belgische politie van de reizigers naar Rijsel. De Belgische politie controleert of de reizigers naar Rijsel in het bezit zijn van een geldig verblijfsdocument. In principe kunnen illegalen dus niet aan boord van de Eurostar geraken.

 

Op het terrein verloopt de samenwerking tussen de bevoegde, Belgische, Franse en Britse overheidsdiensten vlot.

 

Er wordt momenteel ook nagegaan of de uitbater van Eurostar maatregelen zou kunnen treffen, om misbruiken te voorkomen, zoals een beter toezicht op bijvoorbeeld de tickets tussen Rijsel en Londen, een aparte afdeling voor reizigers die in Rijsel opstappen. Er zijn een aantal andere maatregelen die kunnen worden genomen.

 

Het is op dit ogenblik een heel gevoelig gesprek. Wij hebben echter absoluut een driepartijenoverleg nodig, om zaken toe te voegen of aan te passen.

 

05.04  Michel Doomst (CD&V): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord, waaruit ik leer dat het moeizaam gaat om het overleg tot resultaten te laten leiden, maar dat wij veel zouden kunnen oplossen door een aantal praktische verfijningen aan de lijnen aan te brengen.

 

Ik stel dan ook voor dat meer aandacht gaat naar de maatregelen die op korte termijn resultaten opleveren, want wellicht zal het via het driepartijenoverleg nog heel wat tijd vergen om tot resultaten te komen.

 

05.05  Daphné Dumery (N-VA): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw omstandige antwoord.

 

Er is inderdaad een akkoord tussen de drie betrokken landen. Indien het akkoord wordt toegepast en iedereen ter zake zijn bevoegdheid neemtop, kan zulks tot goede resultaten leiden.

 

Er kan naar mijn mening in de praktijk bij aankomst geen opsplitsing worden gemaakt tussen reizigers die naar Rijsel sporen en reizigers die niet naar Rijsel sporen. Wij bevinden ons immers aan een buitengrens. Dat reizigers praktisch gezien in Rijsel kunnen uitstappen, is misschien een feit. Echter, de met de grenscontrole belaste overheid, zijnde de Belgen, kan zeker en vast met haar Britse collega communiceren, om te melden dat een reiziger mogelijks in Rijsel op de trein zou kunnen blijven zitten. Een dergelijke gegevensdoorstroming is er op dit ogenblik niet. Dergelijke communicatie is nochtans cruciaal.

 

Ook de Franse autoriteiten zouden moeten worden verwittigd, wanneer er een mogelijk gevaar is dat iemand in Rijsel niet van de trein zou stappen. Het gaat volgens mij om communicatie tussen de functionarissen ter plaatse. Fysiek moet dergelijke communicatie mogelijk zijn via gsm of telefoon en ook door het personeel dat meereist, zoals de treinbegeleiders, alert op de feiten te maken. Het gaat immers wellicht niet om honderd reizigers. Volgens mij gaat het om hoogstens een twintigtal reizigers dat in Rijsel van de trein stapt.

 

De lijn afschaffen is volgens mij geen goed idee, want er moet een spoorlijn zijn tussen Brussel en Rijsel. Economisch gezien is het nodig dat er een halte is tussen Brussel en Rijsel, zeker gezien de metropoolfunctie van Rijsel in West-Vlaanderen.

 

Het stelt mij zeer tevreden dat er een gesprek is. Ik hoop dat wij daar binnenkort de resultaten van kunnen zien. Ik kan er u enkel op wijzen dat er nu al filières zijn, dat er safehouses zijn waar illegale mensen wachten om met documenten van iemand anders die overzet te wagen. Ik denk dat u zeker alert moet zijn en dit moet meenemen in de gesprekken. Aan dit dossier moet prioriteit worden gegeven.

 

05.06 Minister Joëlle Milquet: In Brussel houdt de politie een streng toezicht op de verblijfsvergunningen, maar het is zo dat het toezicht door de Franse politie, in Frankrijk, moet worden verbeterd.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Michel Doomst aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het onderwijsniveau van onze politiescholen" (nr. 8045)

06 Question de M. Michel Doomst à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le niveau de l'enseignement de nos écoles de police" (n° 8045)

 

06.01  Michel Doomst (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, opleiding zal de komende jaren een zorgenkind zijn in de uitbouw van het politiebeleid. In 2011 heeft een visitatiecommissie de opdracht gekregen verschillende politiescholen te bezoeken om de basisopleiding inspecteur, hoofdinspecteur en officier te evalueren aan de hand van een protocol dat gangbaar is in het Vlaams en Franstalig hoger onderwijs.

 

De commissieleden werden voorgedragen door de scholen en zorgvuldig geselecteerd door de stuurgroep. Zij hebben ter plaatse gesprekken gevoerd met als doel de kwaliteit van de verschillende aspecten van de opleiding te onderzoeken. Het resultaat kan worden teruggevonden in een visitatierapport, waarin de sterktes en de zwaktes van iedere opleiding worden weergegeven, maar waarin ook verbeterpunten worden geformuleerd.

 

Wordt nu al actief gewerkt met dat rapport? Wat zijn de bevindingen naar aanleiding van dat rapport? Plant u een voortzetting van een dergelijke commissie of andere soortgelijke initiatieven voor de verbetering van de politiewerking en de opleiding?

 

06.02 Minister Joëlle Milquet: Een grondige en uitgebreide studie betreffende de kwaliteit van de politieopleiding werd inderdaad uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen. Deze studie vond plaats in het raam van het project “De politie: een lerende organisatie”.

 

De studie werd uitgevoerd op basis van de methodologie toegepast in het raam van de hogere en universitaire opleidingen. De resultaten van deze studie werden op 5 december 2011 voorgesteld aan de directeurs van de verschillende scholen van de politie en aan de vakbonden. Op basis van het resultaat voert het projectteam momenteel een meer uitgebreide analyse uit. De resultaten hiervan zullen mij spoedig worden bezorgd.

 

Deze analyse zal toelaten voorstellen te formuleren voor de ontwikkeling van het toekomstige opleidingsbeleid. Zoals u weet, is een verbetering van de opleiding van politieagenten een van mijn prioriteiten. De voorstellen zullen worden opgenomen in een plan tot verbetering en vernieuwing van de politieopleiding. Wij zullen ons hierbij natuurlijk concentreren op de verbetering van de kwaliteit van de opleiding en de vernieuwing ervan.

 

Het projectteam “De politie: een lerende organisatie” zal in ieder geval zorgen voor de follow-up van de voorstellen in de verschillende politiescholen. Wij moeten ook komen tot een actieplan voor de politieopleiding en een betere harmonisering tussen de verschillende scholen op het vlak van de inhoud van de opleiding.

 

06.03  Michel Doomst (CD&V): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Men merkt dat een aantal fundamentele aspecten in het politiewerk inderdaad nog voor verbetering vatbaar zijn en dat deze het beste via die opleiding kunnen worden aangebracht. Wij hebben met onze fractie de commissievoorzitter dan ook gevraagd om ter zake een aantal hoorzittingen te houden om het aspect opleiding nog eens grondig te kunnen bekijken. Wij menen dat dit een essentieel punt is om de politiewerking de komende jaren nog kwalitatief te kunnen verbeteren.

 

06.04  De voorzitter: Dit staat volgende week als eerste punt aan de agenda in het raam van de regeling van de werkzaamheden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Samengevoegde vragen van

- de heer Michel Doomst aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het onderzoek naar een vrijwillige fusie van de politiezones Beersel, Dilbeek, Halle en St-Pieters-Leeuw" (nr. 8046)

- de heer Ben Weyts aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de fusie van de politiezones Beersel, Halle, St-Pieters-Leeuw en Dilbeek" (nr. 8753)

07 Questions jointes de

- M. Michel Doomst à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'étude relative à une fusion volontaire des zones de police de Beersel, Dilbeek, Hal et St-Pieters-Leeuw" (n° 8046)

- M. Ben Weyts à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "la fusion des zones de police de Beersel, Hal, St-Pieters-Leeuw et Dilbeek" (n° 8753)

 

07.01  Michel Doomst (CD&V): Mevrouw de minister, deze vraag komt voort uit bekommernis om vier gemeenten van het Pajottenland. De schaalvergroting van de lokale politiezones is toch al enige tijd het onderwerp van debat. Uw voorganger, minister Turtelboom, liet optekenen dat fusies wellicht onafwendbaar zullen zijn om efficiënt te kunnen inspelen op het veiligheidsprobleem. Dat is ook ondersteund door de federale politieraad en door het Comité P.

 

In onze regio hebben een aantal eengemeentezones, Beersel, Halle, Dilbeek en St-Pieters-Leeuw, de handen in elkaar geslagen en een haalbaarheidsstudie laten uitvoeren om die schaalvergroting te onderzoeken. Ik wou graag uw visie horen op dit soort schaalvergroting.

 

Bent u bereid dergelijke initiatieven te ondersteunen? Hebt u er weet van of dergelijke fusievoorstellen ook elders circuleren? Welke vrijwillige fusies van politiezones zijn er nu al in aanmaak of staan dicht bij realisatie?

 

07.02  Ben Weyts (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik wil eerst even iets corrigeren, want de annexatiedrang speelt collega Doomst parten. In hoofdzaak betreft het gemeenten uit de Zennevallei, niet uit het Pajottenland, die inderdaad nauwere samenwerking, mogelijks zelfs een fusie, onderzoeken.

 

Het regeerakkoord spreekt in die zin over de ambitie om tot grotere zones te komen. Men beperkt zich wat dat betreft tot algemeenheden en men blijft oppervlakkig, en ik citeer: "Zij zal in dat verband in een wettelijk kader voorzien dat de vrijwillige fusies van zones vergemakkelijkt. Zij zal in elk geval alle vormen van synergie tussen politiezones aanmoedigen.”

 

Hoe zult u dat concreet aanmoedigen? Ten eerste, hoe zult u zulke eventuele fusie van politiezones faciliteren? Aan welke concrete maatregelen denkt u dan, want uiteindelijk is het nogal beslissend voor het uiteindelijke oordeel van de betrokken zones of zij al dan niet gaan fuseren.

 

Ten tweede, bent u bereid om de zones in kwestie minstens de vruchten te laten plukken van de schaaleffecten die zulke fusie genereert? Bent u bijvoorbeeld bereid om de sokkelfinanciering die er momenteel voor elke politiezone bestaat, toe te kennen aan de eengemaakte politiezone, zodat dat men een schaaleffect kan genereren en dat men tenminste beloond wordt voor de fusie, in plaats van te worden bestraft als men individueel de sokkelfinanciering verliest?

 

Ten derde, zijn er richtlijnen met betrekking tot de optimale grootte van politiezones? Wat is de ideale grootte van politiezones, zowel qua oppervlakte als qua inwonersaantal? Hanteert u een bepaalde vork, zowel inzake de minimale kritische massa als inzake de maximale kritische massa?

 

07.03 Minister Joëlle Milquet: Mijnheer de voorzitter, schaalvergroting is een logisch gevolg van de politiehervorming van 1999, zowel met betrekking tot de werking als tot de financiële leefbaarheid. Het zal ook een echte oplossing voor de toekomst zijn, wegens ons budgettair kader en onze financiële moeilijkheden.

 

Elk onderzoek naar een mogelijke fusie tussen een of meer politiezones is nuttig. Al leidt het niet direct tot een samensmelting van de onderzochte territoria, het leidt minstens tot reflectie en het creëert opportuniteiten. Het is bijzonder moeilijk minimale eisen op te leggen waaraan een politiezone moet voldoen. In eerste instantie moet een fusie worden gedragen door de lokale overheden. De toenadering van de ene zone tot de andere om tot een fusie te komen, wijst reeds op een klimaat dat in die richting wijst. Een dergelijk initiatief komt ook niet uit de lucht gevallen en is evenmin theoretische hersengymnastiek. Het komt voort uit een reële ervaring op het terrein zelf.

 

Alle zones hebben onderling reeds schriftelijke afspraken gemaakt met de naburige zones, met name voor bepaalde items. Dat gaat verder dan de klassieke ICAP-ondersteuning. Dat gebeurde omdat er een lokale behoefte was. Ik wil dat proces ondersteunen. Er zullen echter ook steeds federale aanbevelingen worden geformuleerd.

 

De zones die besluiten te fusioneren, zullen dat op vrijwillige basis moeten doen. Er is reeds een zekere knowhow opgebouwd in mijn departement, naar aanleiding van de fusie van de zones Lanaken en Maasmechelen. Zij die een beroep wensen te doen op die kennis, kunnen rekenen op alle medewerking van mijn diensten.

 

In de huidige juridische context is de eigenlijke fusie echter niet mogelijk omdat dit in de wet op de geïntegreerde politie is gelimiteerd tot uiterlijk 31 december 2010. Gelet op de spontane ontwikkelingen op het terrein is het evenwel logisch om die beperking op te heffen. Daarom werd dat ook als zodanig opgenomen in het regeerakkoord. Ik zal de nodige initiatieven nemen in dat verband.

 

Andere zones die onderzoeken of een fusie voor hen nuttig is, zijn onder andere Hoey en Rochefort, en Ciney, Hamois, Havelange en Somme-Leuze, en in Vlaanderen de zones Beveren, Sint-Gillis-Waas en Stekene.

 

In het verleden hebben twee zones gebruikgemaakt van de mogelijkheid om samen te smelten, namelijk Lanaken en Maasmechelen. Het was de uitdrukkelijke wens van beide gemeenteraden om over te gaan tot fusie.

 

Tot nu toe hebben wij dus geen echte visie op de minimale criteria inzake de oppervlakte van de gemeente. Het is ook een kwestie van goede wil onder elkaar. Ook doeltreffendheid speelt een rol.

 

Misschien kunnen wij dat debat nog voeren, namelijk in het raam van de onderhandelingen over de verlenging van de termijn voor de vrijwillige fusie. Binnenkort zal er dienaangaande een wetsontwerp komen.

 

07.04  Michel Doomst (CD&V): Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Belangrijk is dat het vrijwillig blijft en dat het van onderuit komt. Men moet binnen de zone naar de lokale noden zoeken. U zegt terecht dat u dat als minister niet van bovenaf kunt bepalen. Men moet kijken hoever men met de samenwerking geraakt. Dan moet men zien of de fusie desnoods het wondermiddel is

 

Ik begrijp dat u zegt dat men hiervoor geen financiële stimuli heeft. Of hebt u dat niet gezegd?

 

07.05 Minister Joëlle Milquet: Nee, ik heb gezegd dat wij een goede oplossing moeten vinden in een moeilijke situatie waarin rekening moet worden gehouden met besparingen.

 

07.06  Ben Weyts (N-VA): Van de haalbaarheidsstudie van dit concrete studie hebt u nog geen weet?

 

07.07 Minister Joëlle Milquet: Er is nu een wetsontwerp klaar. Het beoogt een wijziging van de bepalingen inzake de verlenging van de termijn. Dat is de enige wijziging die tot nu toe klaar is.

 

Wij willen een stabiel kader creëren voor een vrijwillige fusie zonder een eindtermijn.

 

07.08  Michel Doomst (CD&V): De hervorming van Justitie en van de gerechtelijke arrondissementen zou ook een nieuwe impuls kunnen geven om een aantal elementen in het landschap te hertekenen.

 

07.09  Ben Weyts (N-VA): Mevrouw de minister, ik heb begrepen dat de aanmoediging van alle vormen van synergie tussen de politiezones, zoals vermeld in het regeerakkoord, zich momenteel beperkt tot een groot spandoek waarop staat “hup hup hup” of “hop hop hop, Beersel, Halle, Sint-Pieters-Leeuw en Dilbeek naar de top”, maar dat er verder niets tegenover staat.

 

Ik zou aan de regering willen zeggen put your money where your mouth is, in deze misschien wel letterlijk. Ofwel moedigt men vormen van synergie aan ofwel doet men dat niet.

 

Het voorstel of de suggestie die ik deed is dat men minstens, wanneer een politiezone wordt gevormd, toelaat dat elke politiezone de sokkelfinanciering, een basisfinanciering die momenteel geldt voor elke politiezone, meeneemt. Dat kost geen geld. Dat is al minstens een schaaleffect dat bestaat.

 

Bij de vorige politiezones werd dit voordeel niet toegekend. Bij de vorige fusie van Maasmechelen en Lanaken werd dat voordeel niet toegekend. Dat is onbegrijpelijk. Dat kost nochtans geen geld. Dat is het minste dat men op korte termijn zou kunnen doen als men het echt meent, namelijk het aanmoedigen van een synergie tussen politiezones.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Michel Doomst aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het onderzoeksrapport over de politiezone HaZoDi" (nr. 8049)

08 Question de M. Michel Doomst à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le rapport d'enquête concernant la zone de police HaZoDi" (n° 8049)

 

08.01  Michel Doomst (CD&V): Mijnheer de voorzitter, we moeten niet te veel oude koeien uit de gracht halen, maar in de commissie kwam dit in oktober al aan bod. Het gaat over wat gebeurd is in de politiezone HaZoDi, vooral inzake onterecht uitbetaalde vergoedingen en loonsverhogingen. Toen werd besloten het rapport van het Comité P af te wachten. Er was sprake van mechanismen die onregelmatig zouden hebben gewerkt, maar er werd gewacht op wat het Parlement zou realiseren via het Comité P.

 

Uit het onderzoeksrapport van een auditkantoor blijkt dat de afgelopen vijf jaar mogelijkerwijze een klein half miljoen euro aan onterecht uitbetaalde vergoedingen en loonsverhogingen werd ontvangen. De concrete zaak moet natuurlijk in Hasselt worden afgewerkt, maar dit zet wel in de verf dat de nood om te werken aan de functionele verloning en de administratieve vereenvoudiging echt hoog is.

 

Ik wil u vragen om met dezelfde dynamiek de functionele verloning en administratieve vereenvoudiging hoog op de agenda te zetten. Ik wil met u de zorg delen om die kleine zinsnede in de Panorama-reportage, waarin andere zones zegden dat het een geluk was dat soortgelijke onderzoeken ook niet in andere politiezones werden doorgevoerd.

 

08.02 Minister Joëlle Milquet: De piste van de functionele verloning is interessant. Ik verwijs naar het regeerakkoord en mijn beleidsnota. Ik heb hierover ook een gesprek gehad met de vakbonden.

 

Er is afgesproken om het juridische statuut van het politiepersoneel te vereenvoudigen, onder meer op het gebied van de functionele bezoldiging. Dit laat zich vrij eenvoudig zeggen, maar het is iets ingewikkelder om uit te werken. Het betreft een moeilijke oefening, maar de veelheid en de complexiteit van de pecuniaire regels belemmeren soms de gepaste inzet van het personeel. Daarom meen ik dat iedereen baat heeft bij een herziening. Uiteraard zal dit geschieden via een doordacht overleg met de sociale partners. In het algemeen moeten wij evenwel geen vermindering van de lonen organiseren.

 

Ik heb kennis van soortgelijke onderzoeken. Zo kan ik verwijzen naar de ad-hocaudit van de lokale politie Gent door de professoren De Ruyver en Fijnaut, en de audit die de directeur-generaal van de federale gerechtelijke politie heeft verricht. In beide gevallen werden een aantal verkeerde interpretaties betreffende de toepassing van het geldelijke statuut vastgesteld zonder dat er sprake was van bedrieglijke opzet. De regularisatieprocedures worden momenteel uitgevoerd. Er was echter sprake van een aantal verkeerde interpretaties.

 

08.03  Michel Doomst (CD&V): Dat er verkeerd wordt geïnterpreteerd, heeft volgens mij inderdaad te maken met het feit dat men in de verloningen en vergoedingen te ingewikkeld heeft gewerkt. We moeten eruit. Ik ben blij dat u al een eerste contact met de vakbonden hebt gehad. We mogen het niet uitstellen. Het zal een lange weg zijn, zoals u zegt.

 

De patat is zo heet dat we hem best nu al beginnen op te warmen om op korte termijn tot resultaten te komen.

 

08.04 Minister Joëlle Milquet: De vakbonden zijn klaar om dat debat te voeren. Zij hebben natuurlijk een andere visie over de functionele verloning.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag 8055 van de heer De Clercq wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

09 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het gebruik van e-mail bij de federale politie" (nr. 8093)

09 Question de M. Peter Dedecker à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'utilisation de l'e-mail par la police fédérale" (n° 8093)

 

09.01  Peter Dedecker (N-VA): Mevrouw de minister, we zijn 2012. De eerste vragen van de vergadering gingen dan ook terecht over Twitter, sociale media en andere trends. Ik wil het even hebben over e-mail bij de politie, iets van de jaren 90 of zelfs nog vroeger.

 

Bij opsporingsberichten op de website van de politie, staat er telkens een adres van de contactpersoon of van de verantwoordelijke. In de meeste gevallen is dat tvrecherche@skynet.be. Dat is het adres van een internetprovider. Het wordt typisch gebruikt voor privédoeleinden en oogt niet bijster professioneel. Werknemers bij de federale politie wisten mij ook te vertellen dat niet elke werknemer bij de politie over een gestandaardiseerd @politie.be, @police.be, @fedpol.be of enig ander enigszins professioneel adres kan beschikken.

 

Wanneer personen die voor werkgerelateerde relaties als contactadres een e-mailadres van een provider, laat staan een hotmail- of een yahooadres, moeten opgeven, oogt dat niet professioneel. Vandaar volgende vragen voor u.

 

Ten eerste, op welke manier kunnen de werknemers van de verschillende onderdelen van de federale politie over een professioneel e-mailadres beschikken?

 

Ten tweede, welke softwarepakketten worden hiervoor gebruikt? Hierbij doel ik niet op de pc van de gebruiker, maar op het vlak van de server. Wanneer werden die aangekocht, geïnstalleerd en uitgerold? Gebruikt men daarvoor een centrale server, of heeft elke dienst, elke spin in dat grote web, een eigen systeem? Hoeveel verschillende systemen bestaan er eigenlijk in dat kluwen van de federale politie?

 

Ten derde, welke domeinen gebruikt men voor de verschillende diensten of gebruikt men voor iedereen slechts enkele highleveldomeinen zoals @police.be?

 

Ten vierde, welke beperkingen zijn er verbonden aan die systemen?

 

Ten vijfde, waarom wordt er niet gebruikgemaakt van standaardoverheidsdiensten zoals die van FEDICT? Dat is toch wel een commercial off the shelf product e-mail.

 

Ten slotte, waarin is er wat e-mail voor de lokale politie betreft voorzien? Welke graad van autonomie hebben de korpsen op dat vlak? Ik kijk uit naar uw antwoord.

 

09.02 Minister Joëlle Milquet: Mijnheer de voorzitter, collega’s, de personeelsleden van de federale politie kunnen via een geautomatiseerde procedure een professioneel e-mailadres voor het internet aanvragen, dat wordt gekoppeld aan hun mailadres op het intranet van de geïntegreerde politie. Niet alle functies binnen de politie vereisen een e-mailcontact met het publiek.

 

De beveiligde koppeling e-mail gateway met het internet wordt sinds 2004 gerealiseerd via een centrale infrastructuur. Het aantal licenties voor de eindgebruikers werd verhoogd tot 20 000. Dat is tamelijk veel.

 

Het door de centrale informaticadienst DST ondersteunde domein is @police.be en is het officiële kanaal om via het internet mails te versturen naar externe partners.

 

Wat de individuele interne abonnementen betreft, worden geen beperkingen opgelegd inzake de publieke e-maildomeinen, skynet, yahoo, hotmail enzovoort. Het gebruik ervan is immers historisch gegroeid en blijft nuttig gelet op de beperkingen die verbonden zijn aan de e-mail gateway.

 

De beperkingen zijn transparant voor de eindgebruiker. Ze worden omschreven in een mail policy die door de eindgebruiker vooraf aanvaard moet worden en betreffen vooral maatregelen op het vlak van beveiliging, afscherming, netwerkarchitectuur, antimalware, type attachmentbestanden die worden doorgelaten enzovoort.

 

Sommige beperkingen zijn ook gelinkt aan de capaciteit van de netwerkinfrastructuur, zoals het volume van de e-mail. Die problematiek maakt het onderwerp uit van een verdere analyse.

 

Er werd recent een haalbaarheidsstudie gevraagd aan DST wat betreft het gebruik van de Fedict-infrastructuur voor e-mail. De korpsen van lokale politie beschikken over een aantal licenties om gebruik te maken van het centrale mailgatewaysysteem.

 

Een aangepaste licentieverdeling werd recent goedgekeurd door de Vaste Commissie van de Lokale Politie en zal worden meegedeeld aan de verschillende politiezones.

 

De politiezones kunnen tevens hun eigen e-mailsysteem gebruiken, maar ze kunnen dan niet gebruikmaken van de adressen police.be. Ze zijn wel verplicht om een aantal functionele mailboxen in het interne mailsysteem van de geïntegreerde politie te gebruiken om te garanderen dat er mails uitgewisseld kunnen worden tussen alle politiediensten. Die functionele mailadressen kunnen gelinkt worden met een adres police.be.

 

09.03  Peter Dedecker (N-VA): Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Een ding verbaast mij echter sterk. U spreekt over licenties voor 20.000 e-mailadressen. Ik kom uit die sector en het is sinds jaren de eerste keer dat ik nog maar hoor van een e-mailpakket waarbij er een beperking zit op het aantal adressen. E-mail is geen schaars goed, het is per definitie onbeperkt. Ik vraag mij af hoe men er eigenlijk in geslaagd is om ergens een of ander pakket te kopen met een beperking op het aantal e-mailadressen. Dat is iets wat volgens mij toch onbeperkt zou moeten zijn.

 

Ook spreekt u van redelijk wat beperkingen op de gateway, waardoor men ervoor opteert om zijn oude, historische skynetadres te gebruiken. Dat lijkt mij toch ook niet optimaal. Sowieso is e-mail een standaardproduct; beperkingen zijn daar nauwelijks op. Ga naar gelijk welke dienstverlener en die bezorgt u eender welk pakket zonder beperkingen of toch met een heel klein aantal beperkingen. Ik vind het dan toch vrij raar dat men op zo’n archaïsche manier moet werken, een manier die blijkbaar niet echt professioneel oogt als men die oude, historische zaken behoudt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 8102 van de heer Van den Bergh wordt uitgesteld.

 

10 Vraag van mevrouw Leen Dierick aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het gebruik van elektronische registratiesystemen bij de politiediensten" (nr. 8104)

10 Question de Mme Leen Dierick à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'utilisation de systèmes d'enregistrement électronique par les services de police" (n° 8104)

 

10.01  Leen Dierick (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, steeds meer politiekorpsen wensen over te gaan tot de installatie van zogenaamd fleet logger op dienstvoertuigen. Dit zijn toestellen die op voertuigen kunnen geplaatst worden en die een aantal gegevens over het gebruik van het voertuig weergeven en registreren. Dit systeem laat toe dat, aan de hand van een individuele elektronische kaart die moet ingelezen worden bij gebruik van het voertuig, steeds de bestuurder kan geïdentificeerd worden. Dit is handig wanneer bijvoorbeeld een overtreding werd begaan met het voertuig of beschadigingen of ander onregelmatigheden inzake het gebruik worden vastgesteld.

 

In een advies van de privacycommissie hierover, stelt deze dat het gebruik van deze toestellen moet onderworpen worden aan de individuele toestemming van alle personeelsleden van de dienst of van het korps. De privacycommissie steunt zich hiervoor op artikel 5 van de privacywet. Dit houdt echter in dat, wanneer één personeelslid weigert zijn toestemming te geven, deze toestellen niet mogen gebruikt worden.

 

Nochtans laten deze toestellen toe om op een zeer eenduidige manier de bestuurder te identificeren, zeker wanneer onregelmatigheden vermoed worden. Dit advies staat dan ook enigszins haaks op artikel 67ter van de wet op het wegverkeer. Dit artikel bepaalt dat, wanneer een overtreding wordt begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, in casu de politiezone, de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt, gehouden is de identiteit van de bestuurder mede te delen op het ogenblik van de feiten of de identiteit van de persoon die het voertuig onder zich had. Met andere woorden de wegcode legt op dat de identificatie van de bestuurder altijd moet kunnen gebeuren. De fleet loggers laten juist toe om op een zeer performante manier deze gegevens te registreren.

 

Hoe wordt het advies van de privacycommissie gerijmd aan de verantwoordelijkheid van de persoon die in rechte het politiekorps vertegenwoordigt?

 

Gesteld in een ruimer kader, namelijk het registreren van de identiteit van gebruikers van uitrusting of toepassingen, ter beschikking gesteld door een politiekorps aan zijn personeelsleden, dient dan ook de voorafgaande toestemming gegeven te worden door personeelsleden wanneer deze systemen kunnen worden gebruikt voor het uitvoeren van een controle post factum, bijvoorbeeld het gebruik van dienstwapens.

 

Het gegeven dat een voorafgaande toestemming vereist is van elk personeelslid vooraleer men een elektronische registratie kan uitvoeren voor het gebruik van een uitrustingsstuk gekoppeld aan de identiteit van een persoon, hypothekeert duidelijk het gebruik van elektronische systemen bij de uitvoering van controles.

 

Wat is trouwens het verschil op het vlak van privacy, met het noteren in een papieren register van diezelfde gegevens, wat nu uitgebreid gebeurt in alle korpsen? Of wordt dit ook in vraag gesteld?

 

Dit hypothekeert uiteraard de goede werking van de politiediensten. Nochtans laat de huidige technologie toe om performante controlesystemen uit te bouwen.

 

Mevrouw de minister, wat is uw standpunt betreffende het gebruik van de fleet loggers? Dient de regelgeving aangepast te worden of denkt men erover na om de regelgeving indien nodig aan te passen om het gebruik van de fleet loggers toch mogelijk te maken?

 

Het is natuurlijk onmiskenbaar zo dat de globale invoering van dit systeem voor zowel lokale politie als federale politie een grotere markt zou openstellen waardoor dus ook een voordeliger prijs kan bekomen worden voor dit systeem.

 

10.02 Minister Joëlle Milquet: Mijnheer de voorzitter, in een advies uit 2005 eist de privacycommissie voorafgaand aan het gebruik van een elektronisch identificatiesysteem, inderdaad het consulteren van syndicale vertegenwoordigers van de werknemers en de individuele toestemming van de betrokken personen.

 

Gezien de specificiteit van de interventiediensten van de politie heeft de federale politie een vraag gericht aan de privacycommissie om een nieuwe analyse uit te voeren die rekening houdt met deze specificiteit. In afwachting van een antwoord geldt natuurlijk het advies uit 2005.

 

Wat betreft de toepassing van artikel 67ter van de verkeerswet, het volgende. Het rittenblad van elk dienstvoertuig bevat de nodige gegevens om de bestuurder op elk ogenblik te identificeren. De identificatie van de daders van verkeersovertredingen met dienstvoertuigen is altijd op die basis gebeurd, dus ook voor de invoering van fleet loggers.

 

Het verschil met een papieren rittenblad van een dienstvoertuig en de fleet loggers is dat deze laatste veel meer gegevens registreert dan de actuele registers. Deze gegevens, gecombineerd met de mogelijkheid voor een werkgever om voortdurend en in reële tijd de verplaatsingen van zijn personeelslid te controleren, maakt van de fleet loggers een systeem dat intrusie in het privéleven toelaat.

 

Ik ben mij echter bewust van de beperkingen die het standpunt van de privacycommissie inhoudt en zal met aandacht haar reactie afwachten op de ingediende aanvragen.

 

10.03  Leen Dierick (CD&V): Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Als ik het goed begrijp is een nieuw advies gevraagd. Is een termijn bepaald waarbinnen het advies moet komen of kan dat nog jaren aanslepen?

 

10.04 Minister Joëlle Milquet: Dat weet ik niet. Ik zal nu wel een termijn vragen. Binnenkort wil ik een antwoord hebben. Dat was een vraag van minister Turtelboom. Ik zal vragen of wij over het antwoord kunnen beschikken.

 

10.05  Leen Dierick (CD&V): Mevrouw de minister, ik hoop dat er een positief advies komt. Het lijkt mij een goed systeem dat heel efficiënt door onze politiediensten kan worden ingezet. Ik denk dat dit op het terrein goed zou kunnen werken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Président: Peter Vanvelthoven.

Voorzitter: Peter Vanvelthoven.

 

11 Samengevoegde vragen van

- de heer Siegfried Bracke aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het politiekorps in Gent" (nr. 8153)

- de heer Tanguy Veys aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het politietekort in Gent" (nr. 8748)

11 Questions jointes de

- M. Siegfried Bracke à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le corps de police de Gand" (n° 8153)

- M. Tanguy Veys à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "la pénurie de policiers à Gand" (n° 8748)

 

11.01  Siegfried Bracke (N-VA): Mevrouw de minister, beide vragen gaan over het politietekort in het meest bekende korps van het land, het korps van de flikken van Gent. De problematiek daarvan kan ik samenvatten onder de woorden: de flikken zijn op. Men vindt namelijk onvoldoende politiemannen en -vrouwen.

 

Mevrouw de minister, de vraag heb ik al gesteld aan uw voorgangster. Vandaag kan ik aan die vraag actua toevoegen. Gisteren is de kwestie in de gemeenteraad van Gent namelijk uitgebreid aan de orde geweest. Er is gebleken dat er in Gent een gigantisch probleem blijft. De som die werd betaald aan zogeheten overprestaties en overuren, is net dezelfde als in de tijd toen de professoren Fijnaut en De Ruyver hebben vastgesteld dat er sprake was van enige graaicultuur, maar nu is dat bedrag, volgens uitspraken van de burgemeester, gewoon gegaan naar overuren, een gevolg van allerlei evenementen – de stad kan daar alleen maar blij mee zijn – die daar worden georganiseerd.

 

De burgemeester, de vakbonden en de politiezonechef hebben aan uw voorgangster een brief gestuurd. Gent heeft 1 150 agenten nodig. Men klaagt bovendien dat men moeite heeft om de 1 035 huidige plaatsen ingevuld te houden.

 

Ik weet dat het antwoord luidt dat er enkele maatregelen genomen zijn in zogeheten deficitaire zones, waar men probeert de nood te lenigen.

 

Het systeem bepaalt echter, als ik goed ben ingelicht, dat er per provincie 100 mensen bijkomend in dienst mogen treden. Als we weten dat in heel Oost-Vlaanderen de stad Gent alleen al 70 van die mensen zal opgebruiken omdat Gent die nodig heeft, dan begrijpt u natuurlijk ook dat er een probleem is.

 

Het probleem zal voortdurend toenemen, zoals gisteren in de gemeenteraad merkbaar was. Het betreft een probleem, dat niet in de hand kan worden gehouden.

 

Ten eerste, wat is het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken op de brief van de burgemeester, van de vakbonden en van de zonechef geweest?

 

Ten tweede, is het probleem op te lossen binnen het kader dat ik daarnet heb geschetst, namelijk het systeem van de deficitaire zones?

 

Ten derde, ter informatie zou ik het volgende willen weten. Zijn er andere steden die met een gelijkaardig of gelijksoortig probleem te kampen hebben?

 

Ik kijk uit naar uw antwoord.

 

11.02  Tanguy Veys (VB): Mevrouw de minister, heel terecht verwijst de heer Bracke naar de media, die vandaag berichten over de personeelsproblematiek alsook over het prijskaartje dat aan voornoemde problematiek vasthangt.

 

Het ging evenwel om een gemeenteraadscommissie van eergisteren, waarop het dossier in kwestie en het verslag van de zonechef aan bod zijn gekomen. Ik heb dat verslag bij mij. De zonechef rapporteert over de problematiek van de overuren.

 

In 2011 waren er twee wijzen, die ditmaal niet uit het Oosten maar uit Gent kwamen. Het betreft de professoren Fijnhaut en De Ruyver, die in 2011 nog over het kostenplaatje van de genoemde overuren spraken. Zij spraken toen van een graaicultuur.

 

Uiteindelijk is er een onderzoek geweest en zijn er maatregelen genomen. Er zijn wegens die zogezegde “graaicultuur” bij mijn weten nooit personen geschorst of tuchtmaatregelen opgelegd.

 

Als klap op de vuurpijl blijkt een jaar later dat, ondanks alle, bedoelde maatregelen en afspraken, het kostenplaatje nagenoeg hetzelfde was. Wij spraken in 2011 nog over 9,4 miljoen euro. Nu is het 8,8 miljoen euro. Ondanks alle maatregelen is er dus een ernstig probleem.

 

Anderzijds, toen ik in het verleden uw voorgangster over de problematiek ondervroeg, somde zij een aantal maatregelen op. Ik heb ze in mijn vraagstelling verwerkt. Ik zal ze echter heel bondig uiteenzetten.

 

Ten eerste, er kan met toepassing van een aantal statutaire bepalingen een beroep op een prioritaire of rechtstreekse aanwerving worden gedaan. Ten tweede, ook vanuit het federale niveau moeten een grotere rekrutering en de nodige middelen voor de politiezones komen, zodat zij voor het nodige steunaanbod kunnen zorgen. Ten derde, politiezones konden de toelating krijgen dat de opleiding voor rechercheur zou gaan naar zij die voor een functie in hun eigen streek postuleren.

 

Specifiek voor Gent heb ik de minister er toen op gewezen dat Gent de schuld bij de federale overheid legt en de vraag rees waar het kalf gebonden ligt. Uw voorgangster heeft ter zake onder meer erop gewezen dat Gent ook zelf met eigen middelen politiepersoneel kan aanwerven. Als tegemoetkoming stelde zij voor dat Gent acht jaar in plaats van vijf jaar zou kunnen fideliseren.

 

Gent heeft tot op heden geen beroep op het voorstel van uw voorgangster gedaan. Wanneer ik echter kijk naar het prijskaartje van de overuren vandaag, met name 8,8 miljoen euro, dan meen ik dat met 8,8 miljoen euro al enig, bijkomend personeel kan worden aangeworven.

 

Ten tweede, blijkbaar opteert Gent, middels onder meer de genoemde brief, ervoor de paraplu in de richting van de federale overheid open te klappen. Zulks is allemaal goed en wel, maar wij komen echter tot de vaststelling dat er tot op heden onvoldoende personeel is.

 

Mevrouw de minister, daarom heb ik voor u de hiernavolgende vragen.

 

In welke mate heeft de politiezone Gent ondertussen wel een beroep op een aantal door uw voorgangster opgesomde maatregelen gedaan? Ik spreek ter zake over 6 juli 2011.

 

Uw voorgangster zei destijds dat tegen oktober 2011 beslist zou worden of er nog 48 bijkomende federale agenten naar Gent konden komen. Heeft Gent daar een beroep op gedaan? Zo nee, waarom niet?

 

Bent u van oordeel dat u specifiek voor de zone Gent bijkomende maatregelen moet nemen? Zo ja, welke? Kunt u er eventueel al resultaten aan verbinden? Zo nee, waarom niet?

 

11.03 Minister Joëlle Milquet: De brief van 6 juli 2011 van de politiezone was aan mijn voorgangster gericht. Het ging om een stakingsaanzegging door het Nationaal Syndicaat voor Politie en Veiligheidspersoneel met betrekking tot het verbeteringsplan van de politie van Gent. De stakingsaanzegging werd op 22 juli 2011 behandeld door het onderhandelingscomité. Op een later moment werd op lokaal niveau een basisoverlegcomité georganiseerd.

 

Hoewel de lokale overheid geen gevolmachtigde heeft afgevaardigd voor het onderhandelingscomité in Brussel, kan zij toch een antwoord verwachten.

 

Ik moet opmerken dat de inhoud ervan zowel mijn departement als het departement Justitie aanbelangt. Voor de voorbereiding van een gedetailleerd antwoord is uiteraard ook meer tijd nodig, maar ik zal het dossier bestuderen.

 

De zone heeft in 2009 beslist, gezien de budgettaire lasten, het aantal operationelen te beperken tot 1 035. De hiervoor ingeroepen redenen zijn: het sinds 2007 nieuwe CALogstatuut en de gefaseerde verhoging van het vakantiegeld van het operationele personeel vanaf 2009, alsook de negatieve indexatie van 2009. Ik merk op dat ook de andere zones met die situatie geconfronteerd worden.

 

De politiezone Gent beschikte op 7 december 2011 over 1 023 personeelsleden in het operationele kader. De minimale norm is 1 156. Het goedgekeurde personeelskader bedraagt 1 197 operationele personeelsleden. De zone is dus onderbemand, zowel ten opzichte van de minimale norm, -133, als ten opzichte van de goedgekeurde kader - 1 745 personeelsleden.

 

33 personeelsleden van de federale politie zijn ter versterking naar de politiezone Gent gedetacheerd. Ook die gegevens dateren van december 2011. Het aantal werkelijk beschikbare personeelsleden bedraagt 1 055 operationele personeelsleden.

 

De zone Gent heeft 5 keer per jaar de mogelijkheid via mobiliteit nieuw personeel aan te trekken.

 

In de vorige twee cycli heeft Gent respectievelijk 42 en 34 operationele plaatsen opengesteld. Er waren hiervoor 72 en 12 kandidaten. De rekruteringsprocedure werd beheerd door de politiezone. In de nu pas gepubliceerde cyclus zijn 42 plaatsen opengesteld.

 

De politiezone Gent is zoals hoger gezegd deficitair ten opzichte van de minimale norm. Ze kan dan ook een beroep doen op de voor de deficitaire zones bestaande maatregelen. Artikel 623bis zegt dat de aspirant-inspecteur die tijdens de opleiding kiest voor een deficitaire zone, na de opleiding onmiddellijk in die zone wordt benoemd, of dat aspiranten in opleiding die kiezen voor de zone Gent, de mobiliteitscyclus niet hoeven te doorlopen, of dat wie kiest voor de zone Gent, prioritair toelating tot opleiding krijgt of dat er bijkomend kan worden aangeworven op kosten van de zone. De zone Gent heeft thans geen dergelijke maatregelen lopen.

 

Andere stedelijke korpsen zoals de politiezone Antwerpen en verschillende Brusselse zones kunnen via de diverse rekruteringskanalen hun personeelsbestand op peil houden en zelfs licht verhogen.

 

In het algemeen moeten we nog het debat over een nieuw systeem van financiering van de lokale zones voeren. Ik ben me bewust van de moeilijkheden van bepaalde zones, zoals de zone Gent of andere. We moeten een oplossing vinden met het oog op een meer evenwichtige financiering van de lokale zones.

 

11.04  Siegfried Bracke (N-VA): Ik dank de minister voor haar antwoord.

 

Ik begrijp uit haar woorden dat op vandaag de boodschap betreffende de huidige toestand luidt dat Gent gelet op de maatregelen voor deficitaire zones, zijn probleem zelf moet proberen op te lossen, wat bijzonder moeizaam blijkt te gaan. Er is al verwezen naar de actualiteit van de dag.

 

De actualiteit van de dag is ook dat, op dezelfde vergadering de gedachte is gelanceerd om organisatoren van evenementen te laten betalen voor de politiezorg. Dat is een buitengewoon gevaarlijke piste, mijns inziens, want waar stopt het? Het betekent dat men het voetbal laat betalen, waar men nog min of meer begrip voor zou kunnen hebben, vanuit een bepaald oogpunt. Ik persoonlijk heb dat begrip niet, maar men zou het kunnen toepassen op iedereen die het zich in zijn hoofd haalt om in de stad te betogen, tot en met de 1 meistoet, die dan ook moet betalen voor de politiezorg. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat dat de bedoeling kan zijn.

 

Ik put ook hoop uit uw antwoord. U zegt dat u beseft dat er een probleem is en dat men dat moet aanpakken. Ik hoop alleen dat er binnen de budgettaire context iets op zal worden gevonden.

 

Ik zou dit vanuit een puur lokaal politiek standpunt kunnen misbruiken, maar dat is zeker niet mijn bedoeling en ook niet mijn natuur of die van mijn partij, maar men moet zich ervan bewust zijn dat het veiligheidsprobleem daar toeneemt en er druk komt vanuit de bevolking.

 

De buurt waar ik woon, heeft een veiligheidsprobleem. De politie komt daar naartoe om te praten, wat een goede zaak is, maar heeft als antwoord dat wonen in de stad nu eenmaal een aantal nadelen heeft en – vooral dit laatste valt dan op – dat zij niet overal tegelijk kan zijn. Dat is vanuit de overheid bekeken een bijzonder slecht antwoord.

 

Als Gent inderdaad verwijst naar de federale overheid en vraagt om haar te hulp te komen, dan reken ik erop, bijna in naam van al mijn stadsgenoten, dat de federale regering ook op dat punt iets doet.

 

11.05  Tanguy Veys (VB): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik ben er nog steeds een beetje over verwonderd dat de stad Gent nog geen gebruik heeft gemaakt van een aantal maatregelen die door uw voorganger in juli 2011 werden opgesomd, zeker wat de mobiliteit van de rechercheurs betreft.

 

De stad Gent kan natuurlijk de nodige fondsen opzijzetten om die keuzes te maken, maar collega Bracke heeft ook al verwezen naar het huidige kostenplaatje. De politie vraagt nu al aan de stad Gent om geen bijkomende evenementen te organiseren, omdat zij nu structureel onderbemand is.

 

Als hun capaciteit niet stijgt, zal het bedrag volgend jaar wellicht ook stijgen en zullen wij opnieuw boven de 9 miljoen euro komen. Het gaat dan nog maar over overuren en niet over de gewone permanentie, de dagdagelijkse werking, waarop ook moet worden ingeboet.

 

Er zijn zeker probleemwijken. Ik weet dat de federale politie daaraan ook al is tegemoetgekomen, maar dat zijn allemaal tijdelijke projecten, die volgens mij structureel niets oplossen.

 

Wij spreken over een problematiek die al jaren aansleept en ik heb niet de indruk dat wij die de komende maanden of het komende jaar op afdoende wijze zullen kunnen verhelpen.

 

Mevrouw de minister, ik maan u als federaal minister aan om daaraan de nodige zorg en aandacht te besteden en hopelijk met de nodige oplossingen voor de dag te komen.

 

11.06 Minister Joëlle Milquet: Ik heb echt aandacht voor de problematiek en zal binnenkort een nieuw overleg organiseren met de grootsteden van ons land. Die gewoonte was jammer genoeg afgeschaft.

 

De grootsteden van ons land hebben problemen en binnenkort zal ik een overleg hebben met onder andere Gent, Antwerpen en Luik. Ook daarvoor hebben wij aanvullende middelen nodig, maar jammer genoeg vragen sommige partijen in het Parlement soms aanvullende besparingen.

 

11.07  Siegfried Bracke (N-VA): Ik ben heel blij dat u die inspanning wil doen. Ik hoop dat u er op berekend bent dat wel alle Belgen gelijk zijn voor de wet maar niet alle entiteiten. Ik heb als buitenstaander, zoals ik mezelf nog altijd zie, of toch op gemeentelijk niveau, vaak het gevoel dat er een te egalitaire strekking is waarbij alle gemeenten in een gelijkaardig systeem worden geduwd terwijl de specificiteit van een aantal problemen onvoldoende wordt erkend.

 

11.08 Minister Joëlle Milquet: Dat is de bedoeling van de hernieuwing van ons financieringssysteem. Echte nieuwe criteria zullen moeilijk zijn. Nieuwe criteria zijn ook nieuwe specificiteiten zoals grote steden, de aanwezigheid van een gevangenis, de verhoging van de bevolking en andere objectieve criteria.

 

11.09  Siegfried Bracke (N-VA): Juist.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Samengevoegde vragen van

- de heer Michel Doomst aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het nieuwe systeem van elektronisch stemmen" (nr. 8160)

- mevrouw Zoé Genot aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de elektronische stemming en de keuze voor het prototype van Smartmatic" (nr. 8586)

12 Questions jointes de

- M. Michel Doomst à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le nouveau système de vote électronique" (n° 8160)

- Mme Zoé Genot à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le vote électronique et la décision d'adoption du prototype Smartmatic" (n° 8586)

 

12.01  Michel Doomst (CD&V): Mevrouw de minister, ik geloof dat deze vraag enigszins achterhaald is door beslissingen, dus alea is een beetje iacta voor oktober door het feit dat er blijkbaar een aantal selectieve verbeteringen in de stemsystemen zullen worden aangebracht. Ik zal dus alle vragen die ik had voorbereid niet stellen want ze zijn wat achterhaald.

 

Ik wil gewoon vragen of u een korte synthese kunt geven van wat er nu eigenlijk is beslist. Wanneer zal dat aan de lokale overheden worden gecommuniceerd? Hoe ziet u de toekomst? Ik heb de indruk dat iedereen p denkt maar dat men dan in Vlaanderen en Brussel aan een pc denkt en in Wallonië heel duidelijk aan een potlood. Ik wou u vragen hoe u daar de p-toekomst van ziet.

 

12.02  Zoé Genot (Ecolo-Groen): Madame la ministre, il semblerait qu'une décision du gouvernement fédéral était imminente quand j'ai posé ma question concernant l'attribution du marché du nouveau vote électronique. C'est le nouveau prototype développé par la société Smartmatic qui serait adopté. Des tests de ce prototype par le grand public et par les parlements concernés ont eu lieu le 27 octobre dernier en Flandre et en Région bruxelloise. Or, suite à ces tests, le président du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale indiquait que le prototype ne répondait qu'en partie au souci de transparence et de contrôle.

 

Certaines difficultés apparaissent clairement. Par exemple, les votes de trois bureaux de vote fictifs de l'expérience ont été recomptés et cette opération a montré des différences de cinq bulletins d'un côté, dix de l'autre, et pas de différence pour le troisième. Par exemple, il était prévu que les résultats soient confidentiels. Il fallait donc plier les bulletins pour cacher son vote et le rendre invisible. Ce n'est pas ce qui s'est passé. Lorsque des personnes n'arrivaient pas à scanner leur bulletin, tout le monde venait manipuler celui-ci et voyait ce que la personne avait voté. C'est problématique.

 

Il est aussi difficile d'effectuer le dépouillement papier, parce que plusieurs élections sont concernées sur le même petit bulletin qui s'enroule. On ne peut pas dire: "Les élections européennes par ici, les élections fédérales par là", chacun dépouillant ce qui le concerne. Imaginons, par exemple, qu'il n'y ait qu'un seul Européen qui vote dans un bureau de vote. On saura automatiquement ce qu'il a voté, puisqu'il sera le seul à n'avoir qu'un seul bulletin.

 

Quelques problèmes, dont celui du secret du vote, se présentent. J'aurais voulu faire le point avec vous sur ce dossier.

 

Combien de personnes ont-elles participé au test du 27 octobre dernier? Quelle a été l'évaluation de ces tests? Peut-on disposer du rapport sur l'expérimentation du prototype ayant eu lieu le 27 octobre 2011, fait par PricewaterhouseCoopers? Estimez-vous que le prototype Smartmatic réponde en tout point aux recommandations prescrites dans le rapport Be Voting sur lequel s'est prononcé le parlement? Je souhaite disposer de tous ces éléments.

 

Envisagez-vous un échange de vues avec les parlementaires avant de prendre la décision d'adopter ce nouveau prototype pour les élections communales de 2012? Comme le précisait votre prédécesseur Mme Turtelboom en commission de l'Intérieur le 23 février 2011, conformément à la loi, l'accord de coopération prévoit explicitement que le gouvernement fédéral interviendra à hauteur de 20 % dans le coût d'acquisition. On sait que la Région flamande a signé l'accord. Qu'en est-il de la Région bruxelloise et de la Région wallonne?

 

Depuis, vous avez déjà fait savoir de quelle manière vous répartiriez l'effort et ce que vous alliez financer. Chacun sait qu'il s'agit de budgets importants, outre les 20 % des nouvelles machines et le prototype lui-même. La situation budgétaire a malheureusement évolué ces derniers mois. On demande à tout le monde de se serrer la ceinture. Est-ce bien le moment de continuer ce type d'expérience? À combien estimez-vous le montant que devra payer le pouvoir fédéral pour l'ensemble des nouvelles mesures en matière de vote électronique? Ne pensez-vous pas qu'il s'agit d'une dépense dont le pouvoir fédéral pourrait se passer pour l'instant, en tout cas tant que le prototype n'est pas sûr et transparent à 100 %?

 

Voorzitter: Siegfried Bracke.

Président: Siegfried Bracke.

 

12.03 Minister Joëlle Milquet: Het nieuwe elektronische stemsysteem is een verbeterd stemsysteem dat een grotere transparantie van het elektronische kiesproces mogelijk zal maken, door de afdruk van een papieren stembiljet, en dat zowel op zichtbare als op elektronische wijze de stem weergeeft die door de kiezer werd uitgebracht.

 

Het nieuwe stemsysteem beantwoordt dan ook volledig aan de resolutie van het federaal Parlement van 18 juli 2008. Op 27 september 2011 werd met het nieuwe stemsysteem geëxperimenteerd. De administratie, maar ook bedrijven en zelfs een rustoord hebben aan het experiment deelgenomen.

 

Différents bureaux ont été mis en place, plus précisément vingt-quatre à vingt-deux endroits différents; plus de six mille personnes ont testé le système.

 

De algemene conclusie in een evaluatierapport geschreven door de federale, Brusselse en Vlaamse overheidsdiensten, luidt als volgt: “De kiezer vindt het systeem zeer gebruiksvriendelijk, zowel om te stemmen als om het stembiljet te scannen. Er waren geen stabiliteitsproblemen. Er werd geen enkel probleem vastgesteld dat de voortzetting van het project in gevaar zou kunnen brengen. Er werden nog enkele aandachtspunten vastgesteld waarvoor een oplossing nodig is”.

 

Het evaluatierapport ligt ter beschikking bij mijn administratie. Het is een openbaar rapport.

 

Le prototype et l'application développés par la société Smartmatic ont été, conformément au cahier spécial des charges pour le développement d'un nouveau système de vote électronique, soumis à l'agrément d'un organisme indépendant.

 

Comme c'était prévu, c'est PwC qui a remis un rapport positif, le 21 décembre 2011, dans lequel l'avis suivant est exprimé: "Sur la base des activités effectuées par nous, nous pouvons affirmer avec une certitude raisonnable que le logiciel est compatible avec le hardware mis à disposition (c'est une bonne nouvelle) et pour la portée définie, le prototype prévu dans le cahier des charges et l'application sont aptes."

 

En ce qui concerne les élections communales et provinciales du 14 octobre 2012, l'organisation de celles-ci relève de la compétence des Régions en vertu de la loi et il appartient aux Régions de décider si, oui ou non, elles utiliseront le système du vote lors de ces élections.

 

La Région de Bruxelles-Capitale a rejoint l'accord de coopération pour le développement d'un nouveau système de vote électronique, en date du 3 mars 2011 et participe, depuis, aux différents groupes de travail mis en place pour suivre l'exécution du marché public. Le gouvernement bruxellois a décidé d'équiper deux de ses communes (Saint-Gilles et Woluwe-Saint-Pierre) du nouveau système à titre de phase-test.

 

Je signale qu'il est toujours possible à la Région wallonne, si tant est qu'elle change d'avis, de rejoindre l'accord de coopération de 2008 et d'acquérir, ensuite, des nouveaux systèmes de vote électronique.

 

Quinze millions étaient prévus dans la réserve interdépartementale pour la généralisation du nouveau système de vote électronique à l'ensemble du pays. Néanmoins, comme vous le savez, en raison des difficultés budgétaires, cette somme n'a pas été budgétée dans le budget 2012.

 

Par ailleurs, comme la Région wallonne ne voulait pas participer au système, les 15 millions passent à 8 en termes de coût imaginé sur base d'une première décision de la Région flamande qui visait à changer les systèmes pour les 143 zones qui avaient déjà un système de vote électronique et à étendre le système à toutes les zones dépassant 25 000 habitants; 173 zones auraient ainsi été concernées auxquelles s'ajoutent les deux zones de Bruxelles.

 

Cela dit, nous avons connu quelques débats compliqués en raison de la difficulté financière à laquelle est confronté le fédéral, mais aussi quelques difficultés liées au fait que j'avais sollicité des moyens complémentaires pour faire exécuter le projet déjà fin décembre. Cependant, je voulais respecter l'accord de coopération qui avait été fixé. Finalement, le comité restreint a suivi la proposition que j'avais faite en vue d'arriver à un accord. En effet, je tenais à ce que nos engagements, notamment à l'égard de la Région flamande soient respectés tout en donnant un signal budgétaire. On a donc proposé – et la Région flamande a accepté – que la prise en charge de 20 % soit respectée, mais que cette prise en charge ne porte que sur le renouvellement des appareils électroniques existants, c'est-à-dire pour 143 zones au lieu de 173 comme cela avait été prévu, estimant que, vu la situation, l'extension du vote électronique n'était pas très opportune, en tout cas, pour le fédéral.

 

Donc, cela revient à 5,8 millions pour couvrir les 20 % réservés à la Flandre et la part beaucoup plus limitée destinée à Bruxelles. Un Conseil des ministres se déroulera prochainement sous une forme électronique, peut-être vendredi. Les groupes de travail ont été mis en place. Les contacts avec la Région flamande ont été pris. L'accord officiel en vue de la signature de la convention-cadre et de la commande des appareils est désormais une question d'heures.

 

12.04  Michel Doomst (CD&V): mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik denk dat het systeem oké is en dat de toepassing niet voor problemen zal zorgen.

 

Ik leer uit uw antwoord dat de 143 een verbeterd systeem zullen krijgen. Ik hoop dat wij na 2014 duidelijkheid hebben en dit dan globaal kunnen toepassen in de andere zones die kandidaat zijn.

 

12.05  Zoé Genot (Ecolo-Groen): Pour ma part, j'ai l'impression qu'on se précipite quelque peu. En effet, le système a montré des failles: sur trois bureaux recomptés, deux des bureaux présentaient des différences dans la comptabilisation entre le résultat électronique et le dépouillement des petits rouleaux papier. Ce n'est pas de nature à me rassurer.

 

Dépenser 5,8 millions pour un projet qui ne semble pas au point et ne répond pas à une série de recommandations de Be Voting me semble exagéré. On avait dit qu'il fallait un logiciel de type open source (c'est un logiciel propriétaire). On avait dit qu'il fallait garantir la confidentialité du vote et que le bulletin soit plié pour cacher le vote. Ce n'est pas le cas. Dans les expériences qui ont été menées – plusieurs de mes collègues y ont participé – les gens étaient très contents, mais tous étaient quasiment aidés, car il n'était pas aussi facile de scanner son petit bulletin pour le transférer sur la carte initialisée. Et lorsqu'une personne vient vous aider pour scanner le petit bulletin, elle voit pour qui vous avez voté. Se pose donc un problème de confidentialité du vote, qui est quand même un élément essentiel dans une démocratie.

 

12.06  Joëlle Milquet, ministre: En tout cas, il est difficile de faire mieux en ce qui concerne la technicité, toutes les garanties, les rapports. L'État fédéral a déjà déboursé trois millions pour toutes les procédures antérieures. Je crois que toutes les garanties sont prises.

 

Reste le grand débat philosophique entre le vote papier classique (crayon, etc.) et le vote électronique qui, quelle que soit la version, garde une spécificité mise en cause par certains, raison pour laquelle la Région wallonne n'a pas voulu participer. Ce débat ne sera pas conclu ici. Par contre, pour ceux qui aspirent au vote électronique, ce système a montré, apparemment, selon tous les experts, une avancée. En effet, je ne suis pas certaine que le système actuel, avec des machines aussi défaillantes, soit beaucoup plus sûr pour l'avenir non plus.

 

12.07  Zoé Genot (Ecolo-Groen): En bref, sur le terrain, le vote électronique pose énormément de problèmes. Les citoyens ont grandement besoin d'aide. Cela met à mal le secret du vote.

 

J'aimerais disposer, si possible, de l'évaluation du test du 27 octobre et du rapport de PricewaterhouseCoopers.

 

12.08  Joëlle Milquet, ministre: D'accord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van de heer Michel Doomst aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de studie over informatiedoorstroming van de KHL en M.A.S." (nr. 8162)

13 Question de M. Michel Doomst à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité sur "l'étude relative à la transmission d'informations de la KHL et de M.A.S." (n° 8162)

 

13.01  Michel Doomst (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, in het nationaal veiligheidsplan van de voorbije jaren was informatiedoorstroming een heel belangrijk punt. Er stond letterlijk in dat dit een eerste basisvoorwaarde is, maar dat dit heel wat coördinatie vergt tussen de federale en de lokale politie. De Katholieke Hogeschool Leuven heeft recent een studie uitgevoerd met een daarin gespecialiseerd onderzoeksbureau. Daaruit blijkt dat de helft van de ondervraagde agenten de onderlinge doorstroming van de informatie op dit ogenblik onvoldoende vindt. Bovendien acht men de samenwerking tussen lokale en federale politiediensten op dat vlak voor veel verbetering vatbaar.

 

Is dat onderzoeksrapport u bekend? Hoe zullen we op een bepaald moment de doelstellingen van het nationaal veiligheidsplan evalueren, wat misschien voor binnenkort is? Worden daar initiatieven in genomen? Ik dring aan op communicatie. We hebben daarnet over opleiding gesproken. Dit zal een van de achillespezen zijn bij de evaluatie van het nationaal veiligheidsplan.

 

13.02 Minister Joëlle Milquet: Tussen 10 en 22 december 2011 werd in de pers van dit onderzoek melding gemaakt. Inmiddels hebben mijn diensten een exemplaar ontvangen van het onderzoeksrapport dat op 20 december werd gepubliceerd door vier studenten van het tweede jaar rechtspraktijk van de Katholieke Hogeschool Leuven. De conclusies zijn gebaseerd op een online enquête bij de korpschefs van de Vlaamse politiezones aan wie gevraagd werd een vragenlijst te verspreiden bij hun personeelsleden. Uiteindelijk hebben 671 lokale politiemensen de ingevulde vragenlijst teruggestuurd aan de KHL.

 

Uit de reactie van de respondenten blijkt dat er vraag is naar meer blauw op straat, minder politieke inmenging op het lokale niveau, schaalvergroting van de politiezones, eerlijke verloning, strengere selectie, eenvormige basisopleiding en betere communicatie, zowel intern in de lokale korpsen als tussen de korpsen onderling en met de federale politie. Dat is bijna de inhoud van mijn beleidsnota. Deze verzuchtingen zijn mij niet onbekend en stemmen overeen met de aanbevelingen vanwege diverse officiële instanties als het Comité P, de federale politieraad en de syndicale organisaties. Deze aanbevelingen liggen momenteel ter studie.

 

De doorstroming van de operationele informatie binnen de politie maakt het voorwerp uit van voortdurende aandacht vanwege de directie van de operationele politionele informatie, die daarvoor de nodige initiatieven neemt in overleg met de arrondissementele informatiekruispunten. Betere doorstroming van informatie is een echte prioriteit. Het is heel interessant om dit onderzoek te lezen. Ik kan het rapport ook laten bezorgen aan de leden van de commissie.

 

13.03  Michel Doomst (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ondanks de relativiteit van de online enquête geeft zij wel de pijnpunten weer. Het is interessant om deze studie te ontvangen. Misschien moet communicatie als een van de prioriteiten eens naar voren worden geschoven in een commissievergadering. Naast opleiding lijkt mij dit een van de pijnpunten waarvan wij in de komende maanden werk moeten maken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen nrs. 8164 en 8166 van mevrouw Galant worden uitgesteld.

 

14 Vraag van de heer Jan Van Esbroeck aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het Islamitisch Offerfeest" (nr. 8192)

14 Question de M. Jan Van Esbroeck à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité sur "la fête islamique du sacrifice" (n° 8192)

 

14.01  Jan Van Esbroeck (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, op 9 november 2011 heb ik aan uw collega mevrouw Turtelboom een vraag gesteld in verband met het islamitisch Offerfeest, dat plaatsvond op 6 november 2011.

 

Nooit eerder is er zoveel commotie geweest omtrent het verdoofd en onverdoofd slachten. Op heel veel plaatsen in Vlaanderen werden er in slachtplaatsen met verdoving voorzien die gecontroleerd werden door het FAVV.

 

Het protest van de moslimgemeenschap was echter ongezien en waar mogelijk hebben ze deze officiële slachtplaatsen geboycot. In Mechelen en Antwerpen bijvoorbeeld weigerde de moslimgemeenschap de voorziene folders te verdelen en in Antwerpen is het gebruik van de slachtvloer rechtstreeks geboycot.

 

De steden en gemeenten doen vele inspanningen om speciale voorzieningen te treffen om alles zo goed mogelijk te organiseren. De afwijzing van moslimorganisaties van deze inspanningen doet vragen rijzen.

 

Ik heb deze vragen reeds gesteld aan uw collega, maar het was iets te kort na de feiten en zij kon mij nog niet daarop antwoorden, omdat ze op dat ogenblik nog niet over de gegevens beschikte. Daarom stel ik nu aan u dezelfde vragen. Ik ga ervan uit dat u mij wel kunt antwoorden.

 

Hoeveel slachtingen hebben er uiteindelijk in de voorziene slachtplaatsen plaatsgevonden?

 

Welk signaal gaat u aan de moslimgemeenschap geven om duidelijk te maken dat het gebruik van dit soort van slachtplaatsen ook een vorm van integratie is?

 

Heeft de politie extra controles uitgevoerd op de slachtingen? Zijn er meer processen-verbaal opgemaakt dan voorbije jaren?

 

14.02 Minister Joëlle Milquet: Mijnheer de voorzitter, volgens de cijfers van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen waren er 42 899 slachtingen, 3 879 runderen, 38 941 schapen en 79 geiten, in de 110 voorziene slachtplaatsen in België.

 

De vragen betreffende het slachten onder verdoving houden verband met dierenwelzijn en behoren daarom tot de bevoegdheid van mijn collega van Volksgezondheid, mevrouw Onkelinx.

 

Aan de politiediensten is gevraagd om in de periode van het islamitisch Offerfeest voldoende aandacht te besteden aan de opsporing en vaststelling van inbreuken op de wetgeving inzake de rituele slachtingen, meer in het bijzonder voor rituele slachtingen die niet in een slachthuis of een erkende instelling worden uitgevoerd; het gaat, met andere woorden, om de rituele slachtingen in particuliere woningen, die verboden zijn. Ten tweede gaat het om inbreuken op het transport van schapen, zoals verboden transporten naar een particuliere woning of in de koffer van een auto, over de illegale schapenhandel en –verkoop op de openbare weg en over het illegaal storten van slachtafval.

 

Rond de periode van het Offerfeest 2011 werden 55 overtredingen vastgesteld, 7 betreffende rituele slachtingen niet in het slachthuis, 14 betreffende illegale transporten, 8 betreffende het illegaal storten van slachtafval en 26 betreffende andere incidenten en overtredingen.

 

Ik ken de praktijk in andere steden niet zo goed, maar, bijvoorbeeld, in Brussel hebben we na een aantal jaren en na verschillende ervaringen, echt een goed resultaat bereikt, met een heel grote aanwezigheid in de officiële slachthuizen enzovoort. Ik heb het gevoel dat deze feestdagen steeds beter verlopen.

 

14.03  Jan Van Esbroeck (N-VA): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik neem aan dat het hoofdzakelijk in Brussel vlotter begint te verlopen. Ik heb andere signalen opgevangen vanuit de andere steden, zoals Antwerpen, Gent en Mechelen. Misschien zal ik eens een schriftelijke vraag stellen, om daarover meer specifieke cijfers te krijgen. Ik weet niet of dat mogelijk is, of die worden doorgegeven per stad, per gemeente of per provincie. Ik zal daarvoor een schriftelijke vraag indienen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Samengevoegde vragen van

- de heer Jan Van Esbroeck aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de radicalisering van jonge moslims" (nr. 8204)

- de heer Tanguy Veys aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de geplande lezing van de Islamitische haatprediker Sjeik Khalid Yasin in Antwerpen" (nr. 8296)

- de heer Jan Van Esbroeck aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de ongerustheid van het magazine Forbes over Sharia4Belgium" (nr. 8478)

- de heer Jan Van Esbroeck aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de blijvende provocaties van Sharia4Belgium" (nr. 8479)

- de heer Jan Van Esbroeck aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de bezoeken van islamitische haatpredikers aan ons land" (nr. 8480)

- mevrouw Juliette Boulet aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de organisatie van concerten in België door de neonazistische groepering Blood and Honour" (nr. 8562)

- de heer Jan Van Esbroeck aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "moslimterreur in België" (nr. 8632)

- de heer Peter Vanvelthoven aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de maatregelen die de regering zal nemen om ondemocratische groeperingen zoals Blood and Honour te verbieden" (nr. 8644)

- de heer Rachid Madrane aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het CoPPRaproject" (nr. 8690)

- de heer Jan Van Esbroeck aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de maatregelen die de regering gaat nemen om ondemocratische groeperingen te verbieden" (nr. 8715)

15 Questions jointes de

- M. Jan Van Esbroeck à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "la radicalisation de jeunes musulmans" (n° 8204)

- M. Tanguy Veys à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "la conférence annoncée du prédicateur musulman radical cheikh Khalid Yasin à Anvers" (n° 8296)

- M. Jan Van Esbroeck à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'inquiétude du magazine Forbes au sujet de Sharia4Belgium" (n° 8478)

- M. Jan Van Esbroeck à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "les provocations persistantes de Sharia4Belgium" (n° 8479)

- M. Jan Van Esbroeck à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "des prêcheurs de haine islamistes en visite dans notre pays" (n° 8480)

- Mme Juliette Boulet à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'organisation de concerts en Belgique par le groupe néonazi Blood and Honour" (n° 8562)

- M. Jan Van Esbroeck à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le terrorisme islamiste en Belgique" (n° 8632)

- M. Peter Vanvelthoven à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "les mesures qui seront prises par le gouvernement pour interdire les groupements antidémocratiques tels que Blood and Honour" (n° 8644)

- M. Rachid Madrane à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le projet CoPPRa" (n° 8690)

- M. Jan Van Esbroeck à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "les mesures que prendra le gouvernement pour interdire les groupements antidémocratiques" (n° 8715)

 

15.01  Jan Van Esbroeck (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik zie dat al die vragen samengevoegd zijn, maar ik hoop toch dat de minister enigszins specifieke antwoorden geeft en niet met één antwoord komt, want elke vraag is immers ook redelijk specifiek. Als er maar één algemeen antwoord komt, dan zal ik mijn vragen opnieuw moeten indienen.

 

De basis voor de vragen vormt het extremisme in onze maatschappij. De vragen zijn echter wel redelijk specifiek. Dat wil ik vooraf toch even melden.

 

Mevrouw de minister, naar aanleiding van een studie door de UCL werd vastgesteld dat 25 % van de Brusselse bevolking islamitisch is. Een tweede conclusie van die studie luidt dat vooral jongeren en jonge gezinnen in die moslimgemeenschap eerder de radicale strekking uitmaken in ons land.

 

Vooral die radicalisering baart mij zorgen. Vandaag lezen we dat reeds gekende extremisten, die deze radicalisering overal te lande gaan prediken, in het bezit zijn van verboden wapens en dat zij die wapens zelfs via eBay te koop aanbieden.

 

Mevrouw de minister, ik stel mijn vragen uit ongerustheid.

 

Mag ik uit die berichten concluderen dat die extremisten zich nu ook in ons land aan het bewapenen zijn om hun godsdienststrijd te voeren? Beginnen zij steeds meer vat te krijgen op de jongeren in de moslimgemeenschap?

 

Graag had ik van u geweten welke standpunten u in die problematiek zult innemen.

 

Welke maatregelingen zult u nemen om die radicalisering een halt toe te roepen?

 

De voorzitter: Mijnheer Van Esbroeck, dat is uw eerste, behoorlijk algemene vraag. U hebt ook een aantal gevalgebonden vragen ingediend, die toegevoegd zijn. Ik zal de lijst van indieners volgen, zodat ik ook bij u nog terugkom.

 

15.02  Tanguy Veys (VB): Mijnheer de voorzitter, ik dank u ervoor dat u de agenda zo opvolgt, maar ik vind het een beetje ongelukkig dat al die vragen op één hoop gegooid werden. Daarmee bedoel ik niet dat ik mij in slecht gezelschap bevind. De thematiek van de vragen sluit natuurlijk ook bij elkaar aan. Door zo te werken, kunnen op de duur echter ook alle vragen in verband met de politie onder één punt geagendeerd worden. Ik zou er toch op aandringen om iets selectiever te werk te gaan.

 

Mevrouw de minister, de aanleiding van mijn vraag is een van de vele voorbeelden waar collega Van Esbroeck naar verwijst, met name de stijgende islamisering. Het gaat niet om de islamisering op zich, maar ook om de radicalisering. Dat blijkt uit rapporten van uw eigen diensten.

 

Een van de voorbeelden is een toekomstig evenement waarop ik wens te wijzen. Op zondag 12 februari van dit jaar zal een 63-jarige Amerikaanse zwarte moslim, de meest populaire prediker onder jonge moslims in Europa, Sheikh Khalid Yasin, in de stedelijke feestzaal Kielpark in Antwerpen blijkbaar een lezing houden voor de vzw Al-Oemma over “Jongeren in de islam.”

 

De betrokken vzw Al-Oemma is reeds in het verleden in de commissie aan bod gekomen, evenzeer als de werking van “Jongeren in de islam”. Mevrouw de minister, ik wil er toch op wijzen dat de betrokken spreker niet van de minste is en ook niet de meest onschuldige.

 

Hij is namelijk een radicale islamist. Een simpele Googlepoging zou dat zeker naar voren kunnen brengen. Hij heeft reeds in het verleden haat gepredikt en dat in allerlei landen, waaronder de Verenigde Staten, waar hij op de lijst staat van verdachte personen, omwille van zijn uitspraken en zijn banden.

 

Verschillende Nederlandse media berichtten in het verleden dat hij, naar aanleiding van een lezing, die hij in Nederland hield, had opgeroepen tot – en ik citeer: “een openbare geseling van de politicus Geert Wilders”. U kunt misschien zeggen dat dit spreekwoordelijk was. Soms zegt men wel eens dat bepaalde zaken een geseling waard zijn. In deze religie wordt helaas niets spreekwoordelijk, maar alles letterlijk genomen, zeker het woord geseling. Daarom vroegen politieke partijen, en niet van de minste, geen kleine te verwaarlozen partij zoals het Vlaams Belang, maar CDA en PvdA, hem de toegang tot het Nederlandse grondgebied te ontzeggen.

 

De betrokken Khalid Yasin, die zelfs vergeleken wordt met een hedendaagse Malcolm X, zorgde ook met andere uitspraken voor commotie, onder meer over aids en homofilie. Zijn boodschappen zijn niet bepaald integratiebevorderend – en ik citeer: “een moslim hoort geen ongelovige vrienden te hebben”, “homo’s moeten de doodstraf krijgen” of “tijdens de aanslagen van 11 september 2001 werden de torens van het World Trade Center van binnenuit opgeblazen”. Het zijn uitspraken die toch voor de nodige beroering zorgen.

 

Maar er lopen ook geruchten dat Khalid Yasin geld in eigen zak zou steken en dat hij niet zo eerlijk is als de principes van de islam, die hij zou moeten verdedigen.

 

Daarom heb ik volgende vragen.

 

Bent u op de hoogte van bovenvermelde lezing? Heeft u specifieke maatregelen genomen? Zo ja, welke en zo neen, waarom niet?

 

Bent u van oordeel dat deze lezing ongehinderd mag plaatsvinden? Zo ja, waarom? Zo neen, welke maatregelen hebt u eventueel genomen?

 

Werden er maatregelen genomen om op te treden wanneer betrokken Khalid Yasin tijdens die lezing uitspraken zou doen in strijd met de wet, en liefst maatregelen vooraleer de vogel terug gaan vliegen is en terug naar het buitenland is? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?

 

De voorzitter: Dan is het nu aan u mijnheer Van Esbroeck, maar ik zie dat het tweemaal over hetzelfde onderwerp gaat, Sharia4Belgium. Dat kan u misschien samen doen?

 

15.03  Jan Van Esbroeck (N-VA): Ja en neen. Ik zal ze na mekaar stellen. Maar ik kan misschien deze vraag bij de vraag van collega Veys voegen. Ik zal mijn vragen na mekaar stellen.

 

Mevrouw de minister, het Amerikaanse zakenmagazine Forbes neemt Sharia4Belgium en haar buitenlandse zusterorganisaties onder de loep. Nog volgens dit erkende zakenmagazine is de Belgische afdeling een van de meest actieve afdelingen en krijgt ze haar instructies van Sharia4America, organisatie die wordt geleid door de controversiële Britse godsdienstgeleerde Anjem Choudary.

 

Volgens de laatste gegevens groeit deze organisatie nog steeds verder door, maar vormt ze vooralsnog geen rechtstreekse bedreiging in Amerika. Volgens de Amerikanen is de Belgische afdeling in Amsterdam wel over de schreef gegaan met geweld en doodsbedreigingen. In een krantenartikel in De Morgen kwam naar boven dat Sharia4Belgium ook in het buitenland actief is geworden.

 

Nu er zelfs internationaal een zekere ongerustheid groeit over de acties van Sharia4Belgium, is het wel duidelijk dat wij ook in dit land maatregelen zullen moeten nemen. Welk beleid mag ik in deze verwachten van u als kersvers minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de veiligheid van alle inwoners van dit land?

 

Voor het imago van het land, hoe gaat u in het buitenland duidelijk maken dat wij de situatie wel degelijk onder controle hebben – of niet – en dat u deze organisatie nu, noch in de toekomst, de kans zal geven om enige bedreiging te vormen voor ons land en de ons omringende landen?

 

Mijnheer de voorzitter, met uw goedvinden ga ik dan ineens over naar de mijn volgende vraag. Sharia4Belgium blijft provoceren. Ze zijn de laatste weken en maanden niet uit het nieuws weg te branden. Het gaat over berichten van ordeverstoring, aanzetten tot geweld, wapenbezit, ronselen van leden in jeugdhuizen en zelfs openlijke kritiek op onze eerste minister omwille van zijn geaardheid. Ingewijden beweren reeds langer dat Sharia4Belgium meer is dan een onschuldig groepje vrienden. Het gerecht beschikt over aanwijzingen dat deze organisatie jihadistische trekken begint te vertonen. Tevens beperkt de groepering haar acties niet enkel tot België. Dan verwijs ik naar een stukje uit mijn vorige vraag, de acties die ze in Nederland hebben uitgevoerd. Ze hebben daar ook doodsbedreigingen geuit.

 

Mevrouw de minister, wat is uw mening over de aanhoudende oproepen ten voordele van inciviek gedrag en het plegen van strafbare feiten door deze beweging? Welke actie gaat u ondernemen om deze mensen duidelijk te maken dat wij dit in onze maatschappij hoegenaamd niet kunnen tolereren?

 

Dan ga ik naadloos over naar mijn volgende vraag. Mijnheer de voorzitter, ik meen dat we op de agenda nu bij de haatpredikers terechtgekomen zijn.

 

Mevrouw de minister, Abu Hamza, Fazul Rehman, Saoed Khadjé, Mohammed Al-Arifi en Sheikh Khalid Yasin waar collega Veys al naar verwees zijn allemaal predikers die ons land reeds hebben aangedaan of die een bezoek gaan afleggen aan ons land om hier lezingen te geven. Bij de aankondiging van die lezingen doet men het telkens inderdaad wel af alsof het vredelievende en verzoening predikende heren zijn die hier langskomen. Dat is echter niet waar en ik meen dat de Veiligheid van de Staat daar normaal gezien ook van op de hoogte zou moeten zijn.

 

Verschillende van deze mensen staan op de lijst van verdachte personen. Enkelen wordt ook de toegang tot Engeland en de Verenigde Staten ontzegd. Allen willen ze de invoering van de sharia. Ze steunen allemaal de radicale islamisten en ze bestrijden onze Westerse vrijheden en waarden. Mevrouw de minister, het is zuiver uit ongerustheid dat ik u als bevoegde minister deze vragen stel.

 

Bent u op de hoogte van de bezoeken van al die haatpredikers? Hoe gaan uw diensten hiermee om? Hoe zal uw beleid in deze zijn? Die vragen stel ik u omdat u kersvers minister bent en misschien een ander of strenger beleid voordraagt dan uw voorganger.

 

15.04  Juliette Boulet (Ecolo-Groen): Madame la ministre, Blood and Honour, un mouvement en provenance du Royaume-Uni est un réseau de promotion de musique néonazie, que Le Soir qualifiait déjà en 2006 de nazisme à l'état pur. Ayant déjà une section flamande depuis plusieurs années, le mouvement a inauguré sa section wallonne en septembre 2011 et avait prévu plusieurs rassemblements et concerts dans notre pays dans le courant du mois d'octobre. Ces rassemblements sont utilisés par ce mouvement afin de diffuser la propagande raciste et néonazie et peuvent ensuite mener à des actes de violence raciale. Les localisations sont gardées secrètes afin d'éviter que les concerts soient interdits par les autorités judiciaires et que le groupe ne soit l'objet de poursuites en vertu de la loi Moureaux réprimant les incitations à la haine raciale.

 

Grâce aux révélations de l'Observatoire belge de l'extrême droite, à la médiatisation qui suivit, et aux initiatives du pouvoir judiciaire carolo, le concert prévu en Région wallonne a pu être annulé. En Flandre occidentale, l'attention du propriétaire de la salle et l'action des services de police a également permis de déjouer l'organisation du concert.

 

Même si les concerts n'ont pas eu lieu, il a été observé que Blood and Honour reste une organisation bien préparée à l'action clandestine qui a ses propres mesures de sécurité, qui est prête à tout pour mener ses événements néonazis. En outre, ses actions seraient promues par plusieurs publications, tant francophones que néerlandophones, et leurs productions distribuées par un label musical, Pure Impact, qui diffuse de la musique skinhead et dont le site internet est accessible à tout un chacun dans notre pays.

 

Selon le Centre pour l'égalité des chances, l'expérience montre que la mobilisation des autorités judiciaires, policières et locales est efficace une fois le lieu de rassemblement connu. Le projet de déclaration de politique générale stipule que le gouvernement fera une priorité de la lutte contre toute forme de racisme et de xénophobie, d'antisémitisme, d'intolérance, d'extrémisme, de négationnisme et de violence.

 

Madame la ministre, la protection des citoyens et la lutte contre le racisme implique d'empêcher des mouvements néonazis de répandre leur appel à la haine et à la violence raciale.

 

Pouvez-vous nous expliquer quelles mesures seront prises et mises en œuvre par le nouveau gouvernement afin de lutter contre la propagation de l'extrême droite et du racisme? Quel contrôle peut être mis en place à l'égard de ce genre d'organisation afin d'empêcher ce type d'événement clandestin néonazi? Comment assurer au mieux la mobilisation et la collaboration entre les autorités judiciaires, policières et locales dans de tels cas? De telles situations ne justifient-elles pas un appel spécifique à la vigilance de la police locale et un éventuel renfort de la police fédérale?

 

15.05  Jan Van Esbroeck (N-VA): Het gevaar voor moslimterreur in België is nog niet geweken. Uit het jaarrapport van de Veiligheid van de Staat blijkt dat een grote waakzaamheid allesbehalve overbodig is. Het salafistisch en takfir ideeëngoed maakt hoe langer, hoe meer opgang in België. Deze stromingen ijveren voor de invoering van de sharia en de takfir verwerpt andersdenkende mensen. Moslims vinden het aanvaardbaar dat geloofsafvalligen met geweld worden aangevallen.

 

Volgens de Veiligheid van de Staat gaat het om een kleine groep mensen, maar, attentie, want volgens mij zijn deze wel in expansie. Volgens de Veiligheid van de Staat worden erkende instituten geïnfiltreerd door radicale groeperingen. Zelfs bij de Moslimexecutieve die de regering heeft opgezet als vertegenwoordigend cultusorgaan kon de inmenging worden waargenomen. Die inmenging zal ook in de toekomst betekenisvol blijven en zal de werking van de Moslimexecutieve en de andere erkende islamitische instituten blijven verstoren.

 

Mevrouw de minister, welke maatregelen gaat u nemen om de infiltratie van deze radicale groeperingen in de erkende instituten te controleren?

 

Welke maatregelen gaat u nemen tegen de radicale geloofsgroeperingen en organisaties in het algemeen?

 

15.06  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, ik wil het hebben over andere radicale groeperingen en een andere soort van haatpredikers, met name groeperingen zoals Blood and Honour.

 

In het regeerakkoord wordt heel uitdrukkelijk bepaald dat de regering voorrang zal geven aan de strijd tegen elke vorm van racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, onverdraagzaamheid, extremisme, negationisme en geweld.

 

In verband met groeperingen zoals Blood and Honour is in het Parlement al bij herhaling van gedachten gewisseld. Ik herinner mij dat een van uw voorgangers, collega Dewael, destijds minister van Binnenlandse Zaken, maar ook heel wat parlementaire fracties in deze Kamer, de voorbije jaren de uitdrukkelijke wens hebben geuit om neonazistische bijeenkomsten te verbieden. Vanuit onze fractie kunnen wij daar alleen maar mee instemmen.

 

Heel regelmatig verschijnen in de pers – en collega Boulet heeft het daar ook over gehad – berichten over weer een activiteit of een manifestatie, meestal ook met geweld, waarop racisme, jodenhaat en zo verder, gepredikt wordt.

 

Er ligt ook een wetsvoorstel neer in deze Kamer dat er op neerkomt dergelijke ondemocratische groeperingen te plaatsen onder het regime van de wet op de privémilities, waardoor zij als groeperingen die een gevaar betekenen voor onze democratie kunnen worden verboden.

 

Ik zou ook graag het standpunt van de regering met betrekking tot deze groeperingen van u vernemen. Bent u de piste zoals die nu in een wetsvoorstel is neergelegd in de Kamer genegen of stelt u andere pistes voor om dergelijke gewelddadige, ondemocratische groeperingen te verbieden?

 

15.07  Rachid Madrane (PS): Monsieur le président, ma question concerne le projet CoPPRa. Je vois maintenant que tout est lié.

 

Je suis content que les questions de Mme Boulet et de M. Vanvelthoven aient été jointes; cela me rassure car certaines questions me font peur. En tout cas, je suis étonné que ma question soit jointe à ceci.

 

15.08  Jan Van Esbroeck (N-VA): Mijnheer Madrane, mijn volgende vraag is …

 

15.09  Rachid Madrane (PS): Je ne parlais pas de vous. Dans le lot, je vous ignore.

 

Madame la ministre, dans son rapport d'activité 2010, la Sûreté de l'État met en garde contre la montée des extrémismes en Belgique. Elle parlait des mouvements politiques fascistes et de leurs acolytes néonazis, admirateurs du troisième Reich, mais elle pointait aussi la poussée importante des radicalismes religieux.

 

La Sûreté explique que des puissances étrangères et parfois des mouvements radicaux tentent de prendre pied chez nous. Mme Boulet l'a très justement expliqué en ce qui concerne les mouvements skinheads, mais c'est valable aussi pour l'islam radical en Belgique. La Sûreté indique qu'il n'est pas à exclure que certains extrémistes se montrent à l'avenir favorables à la violence et qu'ils n'hésiteront pas à y recourir.

 

Il y a quelques jours, vous avez déclaré dans la presse que cette menace ne devait pas être prise à la légère et qu'il fallait renforcer la prévention et la sécurité.

 

15.10  Joëlle Milquet, ministre: (…)

 

15.11  Rachid Madrane (PS): À écouter certains orateurs tout à l'heure, je pense que c'était prémonitoire.

 

Vous ajoutiez qu'il fallait éviter aussi l'amalgame avec l'islam classique. L'immense majorité de gens qui pratiquent cette religion dans ce pays ne sont absolument pas ceux dont vous parlez. À écouter certains ici, j'ai l'impression qu'on est au bord de l'abîme! Je voulais vous remercier pour cela, madame la ministre.

 

La lutte contre ce type de menaces fait partie du Plan national de sécurité. Dans ce cadre, il y a le projet CoPPRa qui, d'après mes informations, est une initiative qui se base sur la détection et la transmission des signes de radicalisation.

 

Madame la ministre, pouvez-vous nous expliquer en quoi consiste précisément le projet CoPPRa? En parlant de détection des signes de radicalisation, qu'entend-on par "signes de radicalisation"? Quels sont-ils?

 

Quelles sont les administrations locales qui sont concernées par ce projet? Il y a quelques mois, la Sûreté avait demandé aux CPAS de détecter ces signes de radicalisation et de lui en faire part. Cela avait à l'époque créé un tollé au sein de certains CPAS.

 

Ne pensez-vous pas que cette tâche ne devrait revenir qu'aux agents de police locale qui, à mon sens, devraient peut-être suivre une formation pour savoir comment reconnaître un signe de radicalisme? Un de mes maîtres à penser, Roger Lallemand, disait toujours que l'histoire avance masquée – lorsque j'entends certains s'exprimer ici, cette idée se confirme. J'aimerais bien voir comment on peut le détecter. Si vous aviez une définition, cela m'aiderait.

 

15.12  Jan Van Esbroeck (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer Madrane, dat zal veel verduidelijken: het gaat ons inderdaad om radicale en extremistische sprekers en organisaties.

 

Ook deze vraag, die eigenlijk beter onmiddellijk zou zijn gekoppeld aan die van de heer Vanvelthoven, gaat over hetgeen nu in uw regeerakkoord te lezen staat inzake de strijd die u zult voeren tegen elke vorm van racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, onverdraagzaamheid, extremisme, negationisme en geweld. Het verheugt mij dat we daaraan heel veel aandacht zullen besteden.

 

Het is terecht dat organisaties zoals Blood and Honour, Sharia4Belgium en andere worden verboden of aan banden moeten worden gelegd. We spreken inderdaad over radicalisering, jodenhaat en racisme. Zowel bij Blood and Honour als bij Sharia4Belgium vinden we diezelfde zaken terug.

 

Mevrouw de minister, ik zal de vraag dadelijk stellen. Hoe gaat u dat aanpakken? Wat gaat de regering doen? Welke maatregelen gaat u tegen dit soort, bijna privémilities nemen?

 

15.13  Joëlle Milquet, ministre: Avant d'aborder toutes les questions, qui sont parfois un peu mélangées, mais qui ont au moins un –isme en commun, je voudrais bien faire la différence – et je prends mes deux casquettes, à la fois Intérieur et Égalité des chances car les deux sont liés – entre l'islamisme radical, la radicalisation, les faits que vous évoquez - qui sont inacceptables, qui doivent être combattus tant par des politiques criminelles, policières et aussi préventives, mais qui touchent une minorité – et l'islam, qui est devenu une religion belge reconnue et pratiquée par un très grand nombre de personnes belges, largement modérées, et qui doivent être respectées. Il faut même faire très attention aux mots utilisés parce que, quand on dit "islam" ou "musulman", cela n'a rien à voir avec "islamisme radical".

 

Je pense que la lutte renforcée par rapport à la radicalisation et l'islamisme radical est prioritaire. Ce faisant, si nous la poursuivons sans faire d'amalgame, elle permettra de démontrer que la grande majorité des musulmans de ce pays doit être respectée et qu'elle fait, par ailleurs, l'objet d'extrémismes et de racismes. Nous sommes dans un contexte assez délicat et il faut bien cadrer les choses avant d'aborder ce sujet pour éviter les amalgames car, à la fin, l'un entraîne l'autre. Une radicalisation mal traitée entraîne un extrémisme de droite qui, par ailleurs, renforce le racisme à l'égard d'une population musulmane qui n'a rien à voir avec le phénomène. Nous devons être en même temps fermes, prudents et nuancés sur ce sujet.

 

Binnen de grenzen van de respectieve bevoegdheden besteden de Belgische politie- en veiligheidsdiensten en het OCAD aandacht aan de gebeurtenissen die een gevaar voor de openbare orde zouden kunnen betekenen. Ik heb al drie vergaderingen gehad met het OCAD over radicalisering en het actieplan. Ik heb al veel contacten gehad. Voor mij is dit een echte prioriteit. Het is ook een prioriteit voor het Nationaal Veiligheidsplan. Het zal ook een prioritair aandachtspunt zijn binnen ons preventiebeleid.

 

Dit geldt dus ook voor de lezing door de islamitische prediker Khalid Yasin op 12 februari 2012 in Antwerpen. Die gebeurtenis en de te nemen maatregelen worden permanent gevolgd door het crisiscentrum van de regering in overleg met de administratieve en technische secretariaten van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. Wij analyseren en controleren die gebeurtenissen natuurlijk. De politie zal in elk geval ook de nodige maatregelen nemen. Daarover zal ik echter geen andere commentaar geven. De politie heeft immers ook een geheime functie.

 

De gevolgen van eventuele misdrijven behoren ook tot de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden en van mijn collega van Justitie, die in deze wel degelijk doortastend optreden. Zo heeft de Antwerpse strafrechter de genaamde Fouad Belkacem, woordvoerder van Sharia4Belgium, op 2 januari veroordeeld tot een celstraf, een geldboete en een schadevergoeding aan twee politiemannen die hij op 3 september 2009 had verwond.

 

Als gevolg van uitspraken die Sharia4Belgium de voorbije maanden heeft gedaan, stelt onder meer het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding zich burgerlijke partij op basis van de antidiscriminatiewet van 10 mei 2007. Op 13 januari ging dit nieuwe proces tegen Fouad Belkacem van start voor de correctionele rechtbank te Antwerpen, ditmaal voor het aanzetten tot discriminatie en haat.

 

De openbare aanklager vorderde een gevangenisstraf van twee jaar en een geldboete.

 

Wat betreft de door de heer Van Esbroeck vermelde studie van de UCL wens ik te preciseren dat deze studie tot de conclusie komt dat de Brusselse bevolking een percentage tussen 11 en 14 % moslims telt, maar niet 25 %. Daarnaast heeft onderzoek, in opdracht van de FOD Binnenlandse Zaken in 2010, aangegeven dat voornamelijk jongeren vatbaar zijn voor radicalisering. Vanuit politionele hoek zijn er geen indicaties dat jonge moslims zich in ons land aan het bewapenen zijn.

 

Ten tweede, het dossier in verband met verboden wapenbezit behoort tot de bevoegdheden van de gerechtelijke overheden van de minister van Justitie, maar er is geen echte link tussen beide.

 

Momenteel laat de Belgische wetgeving niet toe om de vrijheid van meningsuiting noch de vrijheid van vergadering preventief te beperken. Om bepaalde bijeenkomsten op een structurele wijze te verbieden of om bepaalde ondemocratische groeperingen te verbieden, moet er dus gekeken worden naar mogelijke wetgevende initiatieven. Wij hebben ook de wetgeving op racisme, extremisme enzovoort, ter beschikking. Om de radicalisering een halt toe te roepen en in kaart te brengen in ons land, is het actieplan Radicalisme een uitermate geschikt instrument.

 

Het betreft een operationeel plan dat erop gericht is om de impact van radicaal extremistische individuen, groepen en producten zoals websites, te reduceren via voornamelijk administratieve maatregelen.

 

Op 20 juli 2011, dus een aantal maanden geleden, heeft het College voor Inlichtingen en Veiligheid een eerste voorlopig pakket maatregelen goedgekeurd die behoren tot de bevoegdheid van de diensten betrokken bij de uitvoering van het actieplan. Het CIV heeft tevens een procedure goedgekeurd waarbij de voorwaarden en criteria werden vastgelegd om radicaal interne inhoud te laten verwijderen. Het OCAD zal op mijn voorstel, gezien de diepgaande gesprekken die ik had met de heer Vandoren, samen met de diverse diensten die verantwoordelijk zijn voor het actieplan, een evaluatie maken van de uitvoering van de goedgekeurde voorlopige maatregelen en een algemeen pakket maatregelen en nieuwe concrete aanbevelingen voorstellen. Dit is voor binnenkort, binnen vier tot vijf weken.

 

Naast de maatregelen ten aanzien van de radicale groeperingen of boodschappen zelf, bestaat er ook een federale strategie. De bedoeling is om sociale preventieve maatregelen te nemen ten aanzien van de individuen en groepen in ons land die mogelijk kwetsbaar zijn voor radicale boodschappen. Ik wens ook de lokale overheden en de sociale partners daarbij te ondersteunen. Ik wil er de nadruk op leggen dat wij ons hierbij niet mogen beperken tot een strekking van gewelddadig radicalisme, maar dat deze sociale preventieve maatregelen ook voor links en rechts geïnspireerd gewelddadig radicalisme moeten bestemd zijn.

 

En ce qui concerne CoPPRa (Community Policing and Prevention of Radicalisation), c'est un projet élaboré par la police fédérale depuis 2009, en collaboration avec plusieurs pays européens et dont l'objectif est d'identifier les signes avant-coureurs de radicalisme.

 

C'est un projet pour lequel on a un rôle assez actif au niveau européen et qui s'intéresse à tous les radicalismes, donc pas uniquement à l'islamisme radical, mais aussi à l'extrême droite, l'extrême gauche, ou d'autres extrémismes. Il implique au premier plan les agents de proximité de la police locale qui doivent être formés à détecter les signes, pas toujours perceptibles, d'évolution radicale. Il est important de ne pas mettre l'accent sur une liste figée de signes de radicalisation, mais surtout sur une formation adéquate aux agents de terrain visant à interpréter des signaux de manière utile.

 

C'est vrai qu'il faut être très prudent. Je pense que c'est un excellent système, parce que tout vient de la police locale et de la manière dont on peut détecter les choses, mais la formation est indispensable parce qu'il faut appréhender cela avec des nuances et la connaissance des pratiques de terrain. J'habite à dix mètres d'une des plus grandes mosquées de Belgique, je ne vais pas me dire "voilà un signal!" parce que le vendredi, je vois des centaines de personnes qui arrivent en djellaba. C'est normal, ils vont à la mosquée. Porter une barbe n'est pas non plus a priori un signe…

 

Il faut trouver quels sont les bons signaux pour, à la fois, ne pas stigmatiser une communauté, mais en même temps être vigilant. Il faut aussi être aidé des communautés en la matière. Mais c'est un autre sujet. Le projet contre le radicalisme doit aussi être porté par les représentants des communautés. Pour le moment, nous avons un manque de représentativité à ce niveau.

 

Une formation existe et il doit bien sûr y avoir un contrôle des autorités locales qui connaissent le mieux la situation.

 

Ce projet est donc européen, mais aussi un projet pour la police fédérale en soutien à la police locale, qui vise le community policing, essentiellement dans les grandes villes, et particulièrement certains quartiers.

 

La question de la coopération avec les acteurs locaux relève des États nations et non de l'Union européenne. Elle ne peut réussir qu'à condition que tout le monde s'y attèle.

 

La meilleure manière pour la communauté musulmane d'éviter les amalgames est de participer volontairement à la lutte contre l'islamisme radical; il n'a pas que Sharia4Belgium comme image. Bien sûr, celle-là est la plus médiatique. D'autres phénomènes méritent notre attention, beaucoup plus subtils et moins médiatiques, sans doute beaucoup plus dangereux.

 

Attention à ne pas tomber dans le piège tendu: peut-être n'y a-t-il que peu de personnes derrière ce phénomène qui engendre beaucoup de bruit et de peur, qui attise la crainte et génère bien des problèmes, alors que, dans le même temps, des activités souterraines ont lieu, apparemment sympathiques mais plus dangereuses, à mon avis. On sait de quoi on parle.

 

C'est pourquoi nous avons besoin d'un plan qui ne fasse pas parler beaucoup de lui, mais qui soit très subtil et disposant d'un bilan conséquent.

 

En ce qui concerne les concerts de Blood and Honour, qui se déroulent le plus souvent dans des lieux privés, loués sous des faux prétextes, nous devons évidemment être extrêmement vigilants. Les organisateurs organisent un service d'ordre et veillent à ne pas troubler l'ordre public. L'endroit exact n'est jamais communiqué. Il est annoncé au tout dernier moment aux participants, comme les réunions politiques lors des négociations.

 

Les services de police et de renseignement surveillent ces groupes de très près, il y a une collaboration avec l'OCAM. Lorsque les délits sont constatés sur la voie publique, il appartient aux autorités judiciaires d'ouvrir une enquête, et dès le moment où l'endroit exact d'un concert est connu avec certitude par la police, elle en informe immédiatement les autorités administratives compétentes. Le bourgmestre peut alors faire appel au corps d'intervention de la police fédérale pour assister la police locale et effectuer des contrôles d'envergure sur la voie publique.

 

Dans le cadre d'une société respectueuse de la diversité, notre priorité est vraiment de lutter contre le racisme, la xénophobie, l'intolérance, en faisant bien attention qu'une cause ne serve pas l'autre. La cellule "veille antisémitisme" du Centre pour l'égalité des chances a été pérennisée et renforcée, j'en ai parlé ce matin. Il y a le projet "cyberhaat", la cybercriminalité pour laquelle nous devrions d'ailleurs signer le protocole additionnel de la convention sur la cybercriminalité du Conseil de l'Europe. Et nous devons aussi procéder à la transposition de la décision-cadre du JAI sur la lutte contre certaines formes de manifestations de racisme et de xénophobie, sur le commerce électronique.

 

L'intention est vraiment claire, les mesures sont prises. En tout cas, j'ai pris tous les premiers contacts pour avoir vraiment une vision très cohérente et multidisciplinaire vers et axée vers la police locale; nous en parlerons dans le plan national de sécurité. Mais pour être efficace mieux vaut ne pas trop parler.

 

15.14  Jan Van Esbroeck (N-VA): Mevrouw de minister, ik ben tevreden om uw doelstellingen te horen.

 

Een belangrijke reden voor het stellen van deze vraag is de ongerustheid rond de radicalisering. Dat is de reden waarom al deze vragen tot stand komen. Wij moeten niet alleen die organisaties die er sowieso uitspringen in het oog houden, maar ook zaken zoals het bezoek van die predikers aan meer bedekte organisaties. Daarin schuilt een belangrijk gevaar. Ik heb begrepen dat u daaraan verhoogde aandacht zult schenken. Dat klinkt goed.

 

Ik kijk uit naar de nieuwe maatregelen die binnen enkele weken zullen toekomen. Voorlopig ben ik tevreden. Ik hoop dat u uw plannen volledig kunt uitvoeren.

 

15.15  Juliette Boulet (Ecolo-Groen): Madame la ministre, je vous remercie pour votre longue réponse. J'ai également interrogé la ministre de la Justice et nous insistions, elle et moi, sur la nécessité d'une bonne collaboration entre vos deux cabinets, mais aussi entre les services judiciaires et de police.

 

Je suis très sensible au fait de pouvoir associer les entités fédérées pour la prévention auprès des jeunes et des personnes fragilisées ou influençables. Je pense qu'il faut aussi augmenter la sensibilisation auprès des propriétaires de salles car c'est grâce à cela qu'on a pu annuler un concert prévu en Flandre occidentale.

 

Enfin, il faudra être de plus en plus attentif à ce qu'il se passe sur internet. Je pense notamment au label musical Pure Impact, qui diffuse de la musique skinhead et qui prône donc aussi des messages d'extrême droite. Ce site est accessible à tout le monde, puisqu'internet n'a pas de frontière. Il y a encore énormément de travail à faire en matière de prévention mais aussi en matière d'interdiction de ce genre de sites.

 

15.16  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mevrouw de minister, uw antwoord bevredigt mij niet. Ik had u een vraag gesteld over een verbod van de neonazistische groeperingen. Ik zal u zeggen waarom ik niet bevredigd ben. Ik ben burgemeester van een stadje waar het grootste Duitse militaire kerkhof van België gelegen is. Wij hebben jarenlang last gehad van groeperingen als Blood and Honour, die daar ieder jaar opnieuw samenkwamen. Wij werden daarover gebrieft door de politie en de inlichtingendiensten. De samenwerking verliep prima, maar wij konden daaraan uiteindelijk niet veel doen.

 

Op een bepaald moment hebben wij in onze gemeente een gemeentelijk politiereglement goedgekeurd waarin wij die bijeenkomsten verboden. Sedertdien zijn zij bij ons weggebleven. Mijn probleem is opgelost, maar zij gaan gewoon de gemeentegrens over en zij beginnen ergens anders opnieuw. Vandaar mijn uitdrukkelijke vraag om op het federale niveau, voor het hele grondgebied, een wettelijk middel uit te werken, zodat wij die groeperingen overal te lande op dezelfde manier kunnen aanpakken.

 

U moet er maar eens over nadenken, want u hebt er vandaag niet op geantwoord. Ik zal erop terugkomen. Hieraan moeten wij echt iets doen. Zeggen dat men wil samenwerken en dat men probeert om het op een bepaalde manier te verbieden of te voorkomen, is goed, maar op een bepaald ogenblik is het niet meer goed genoeg. Ik meen dat wij hierin een wetgevend initiatief moeten nemen. Bekijk het nog eens rustig. Ik zal er op een later moment op terugkomen.

 

15.17 Minister Joëlle Milquet: Er is in een actieplan voorzien.

 

15.18  Peter Vanvelthoven (sp.a): Zoveel te beter.

 

15.19  Tanguy Veys (VB): Mevrouw de minister, ik deel niet het enthousiasme van de andere collega’s inzake de gegeven antwoorden.

 

Voor alle duidelijkheid, ik keur alle vormen van extremisme af, of dat nu uit linker- of rechterhoek of uit religieuze hoek komt. De collega’s die hier een aantal problemen naar voren schuiven, mogen ook wel eens de zaken herleiden tot de ware proporties.

 

Ik citeer uit het verslag 2010 van de diensten van de Veiligheid van de Staat: “De afname van het aantal neonazistische skinheadconcerten in 2009 zette zich door in 2010. Komende van 10 tot 15 concerten per jaar enkele jaren geleden, vonden er dit jaar slechts een paar concerten plaats in ons land. Net als de voorbije jaren verliepen deze muziekconcerten zonder noemenswaardige incidenten. Ook in de zaal kwam het zelden tot serieuze incidenten.” Het zijn niet mijn woorden, het zijn de woorden van de Veiligheid van de Staat.

 

Ik citeer ook uit een ander hoofdstuk van het verslag van de Veiligheid van de Staat: “Het islamitisch extremisme was in 2010 net als voorgaande jaren een belangrijk aandachtspunt voor onze dienst. De ontwikkelingen op het terrein noopten tot een gedegen continue opvolging en waren het voorwerp van veelvuldige correspondentie met externe partners. In de nabije toekomst zal het islamitisch extremisme niet in belang afnemen. Bestrevingen door moslimextremisten zullen ook in de toekomst een nefaste invloed hebben op de integratie van moslims in de Westerse samenleving. Het valt niet uit te sluiten dat bepaalde moslimextremisten in de toekomst hun bereidheid tot geweld zullen etaleren en concretiseren.”

 

Mevrouw de minister, reeds in het verleden, maar ook vandaag en in de toekomst zullen wij u regelmatig dossiers voorleggen waarin u moet optreden. Ik stel vast dat u zegt, in verband met het dossier dat ik hier aanhaal over de lezing van Sjeik Khalid Yasin, dat u dat wel monitort.

 

Mevrouw de minister, er zijn voldoende elementen aanwezig opdat u als minister zou optreden. Ik betreur dat u dat niet doet. Blijkbaar kan de lezing plaatsvinden, en zelfs ongestoord, ondanks het feit dat het hier over Khalid Yasin gaat, terwijl u voldoende instrumenten in handen hebt als minister om op te treden. Er zijn inderdaad nog andere dossiers waarin gevraagd wordt om op te treden, maar in dit dossier had u toch ook een aantal prioriteiten mogen stellen.

 

15.20 Minister Joëlle Milquet: Ik heb dat niet gezegd. Uiteraard ga ik de strategie van de politie niet in detail uitleggen.

 

15.21  Rachid Madrane (PS): Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse et je vous encourage à poursuivre dans cette voie, difficile, qui constitue le juste équilibre entre la vigilance permanente et la lutte contre les amalgames. Je sais que ce n'est pas facile; je vous encourage donc à continuer.

 

J'aimerais dire à mon collègue et ami Jan Van Esbroeck que je le connais et que je ne doute pas une seconde qu'il a, comme moi, la même aversion pour l'extrême droite et, particulièrement, pour celle qui se donne des grands airs de respectabilité.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Questions jointes de

- Mme Muriel Gerkens à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'achat d'armes Smith & Wesson MP9 et l'attribution du marché" (n° 8215)

- M. Éric Jadot à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "l'achat de pistolets Smith & Wesson pour l'équipement de la police fédérale" (n° 8309)

16 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Muriel Gerkens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de aankoop van Smith & Wesson MP9-wapens en de gunning van de opdracht" (nr. 8215)

- de heer Éric Jadot aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de aankoop van Smith & Wesson-pistolen bestemd voor de federale politie" (nr. 8309)

 

16.01  Éric Jadot (Ecolo-Groen): Madame la ministre, je vous prie tout d'abord d'excuser Mme Gerkens, qui est retenue au cabinet de Mme Onkelinx.

 

En mars 2011, j'avais eu l'occasion d'interroger votre prédécesseur sur le remplacement des pistolets de poing FN GP35 des services de police. Pour rappel, il était alors fait état des suites d'un appel d'offres au terme duquel la commission d'évaluation du matériel aurait approuvé le choix de nouvelles armes Smith & Wesson de fabrication américaine. Bien que je ne remette pas en cause la procédure, ce choix ne peut que m'étonner dès lors que notre pays dispose d'un savoir-faire et d'une longue tradition d'armement des services de police à travers la Fabrique nationale de Herstal.

 

Je m'interroge sur les suites de ce rééquipement de la police fédérale. Il se trouve en effet que la commande de 20 000 pistolets Smith & Wesson MP9 est huit fois supérieure à ce qui était annoncé, il y a six mois.

 

Pouvez-vous m'informer, madame la ministre, des termes du contrat faisant suite à l'appel d'offres relatif à la commande de Smith & Wesson à destination des services de police? Comment expliquez-vous le chiffre de 20 000 pistolets, qui est supérieur à ce qui était annoncé? Je ne veux évidemment pas remettre en cause la légitimité des appels d'offres. Nul ne le fait. Pour autant, ce n'est pas la première fois que ce contrat suscite la polémique. Les syndicats regrettent que les armes FN ne puissent pas servir en priorité à la police belge. En termes d'image, comment justifier auprès de clients potentiels que notre propre police n'achète pas d'armes issues de notre industrie? Au-delà de critères tels que les coûts, la livraison, la garantie, la fonctionnalité ou encore l'utilisation opérationnelle, comment appréhendez-vous la question de la provenance et, a fortiori, celle du soutien à l'industrie belge relativement à l'équipement de la police?

 

16.02  Joëlle Milquet, ministre: Monsieur le président, quand je suis arrivée, j'ai demandé qu'on analyse le dossier en détail. Nous avons évidemment tous l'envie de développer l'emploi, mais il faut le faire sur base de critères objectifs et en respectant les législations.

 

Il est vrai qu'en analysant le cahier des charges très précis qui avait été rédigé, les différentes offres remises ainsi que les tests, je dois bien avouer que tous les éléments correspondent à des critères objectifs. Sur base des tests effectués à ce moment-là sur le prototype déposé par la FN, il s'avère que l'autre modèle correspondait plus au cahier des charges, pour toute une série de facteurs techniques que je ne vais pas expliquer ici. Peut-être qu'un an plus tard, les choses auraient été complètement différentes.

 

Les souscripteurs ont reçu un document dans lequel les qualités et les défauts des armes proposées ont été expliqués. La FN n'a pas réagi à ce document, malgré le fait qu'elle en avait la possibilité, et la firme n'a pas introduit de demande de suspension devant le Conseil d'État.

 

Différents types de tests ont été réalisés, en labo: des tests techniques par les armuriers, des tests opérationnels, la qualité des matières premières, l'utilisation opérationnelle de guidon, le cran de mire, etc. Je ne vais pas entrer dans les détails mais ils ont été réalisés par des policiers fédéraux, des policiers locaux, des policiers moniteurs de tir et des policiers de terrain, par des francophones et des néerlandophones, par des femmes et par des hommes! Je ne sais si ce dernier facteur était de nature à modifier quelque chose, mais, en tout cas, le panel a été très représentatif.

 

Plus de 20 membres de la police intégrée, porteurs ou non de moyens de correction de la vue, de corpulence, de poids, de morphologie, de latéralité d'âge ont procédé à des tests dans différents stands de tirs et les conditions d'évaluation ont vraiment respecté les spécifications techniques du cahier des charges. Ils ont été réalisés sous la supervision de la police fédérale et se sont étendus sur une période de plus de trois mois. Je pense donc que le sérieux et l'objectivité étaient là.

 

In fine, le marché a été accordé. Le chiffre de 20 000, avancé dans la presse, est une estimation faite dans le cas où toutes les zones accepteraient, en même temps, de prendre et de se joindre au marché. Ce n'est pas le cas. La police de Liège a déjà fait un autre choix. Pour le moment, nous n'avons que 5 761 pistolets commandés par la police fédérale, dont 2 000 qui ont été livrés. Entre 20 000 et 5 000, il y a une différence!

 

16.03  Éric Jadot (Ecolo-Groen): Madame la ministre, merci pour la précision de votre réponse. C'est effectivement une "vieille affaire". La volonté de la question était de permettre une approche prospective. On peut penser qu'entre la FN et la police fédérale belge, il devrait y avoir des opportunités de proximité qui fassent en sorte que cette industrie puisse, à un moment, répondre à un appel d'offres en donnant des produits qui répondent au mieux aux critères existants. Pour le futur, je crois que cette proximité et cet échange d'informations …

 

16.04  Joëlle Milquet, ministre: Mais nous avons un cadre légal et des procédures! Je pense que votre parti est très sensible au respect de l'intégrité et au respect des procédures légales en matière de marché public.

 

16.05  Éric Jadot (Ecolo-Groen): Tout à fait! Mais je pense, indépendamment de cela, qu'une entreprise belge a toutes les cartes en main pour connaître le type de produits qui pourrait répondre le mieux à la réalité de terrain d'une police belge.

 

16.06  Joëlle Milquet, ministre: À quelques mois près, les choses auraient été sans doute différentes.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Collega’s, ik stel voor om voort te werken tot half zes.

 

Vraag nr. 8277 van de heer Thiéry wordt uitgesteld. Vraag nr. 8310 van mevrouw Smeyers wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vragen nrs. 8389 van mevrouw Dierick, 8404 van mevrouw Galant en 8410 van de heer Schiltz worden uitgesteld.

 

17 Question de Mme Valérie Déom à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "les rumeurs de fusion des zones de police de Lesse et Lhomme et de Condroz-Famenne" (n° 8315)

17 Vraag van mevrouw Valérie Déom aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de geruchten over een fusie tussen de politiezones Lesse et Lhomme en Condroz-Famenne" (nr. 8315)

 

17.01  Valérie Déom (PS): Madame la ministre, un article dans le quotidien L'Avenir du 21 novembre 2011 indiquait la volonté de certains bourgmestres de fusionner les zones de police de Lesse et Lhomme et de Condroz-Famenne. Concrètement, il s'agirait d'une volonté affichée par d'aucuns pour revenir à l'ancien district de gendarmerie de Ciney qui englobait les brigades de Ciney, Rochefort, Hamois, Havelange, Somme-Leuze et Ciergnon. À cet ancien schéma s'ajouterait donc Houyet, ce qui donnerait in fine une fusion Ciney-Rochefort-Houyet.

 

Madame la ministre, la possibilité de fusionner ainsi les zones de police est inscrite dans la circulaire du 31 mars 2010 relative à la possibilité d'un agrandissement d'échelle des zones de police. Ladite circulaire indiquant que la période de demande émanant des conseils communaux ou de police des zones envisageant une fusion était limitée au 1er janvier 2011, les informations parues dans la presse du 21 novembre peuvent donc sembler quelque peu surprenantes.

 

Aussi, de manière globale, confirmez-vous que la date limitative du 1er janvier 2011 pour demander une fusion des zones ne pouvait (ou ne peut) souffrir aucune exception? Dans le cas relevé par la presse concernant la fusion entre la zone de police de Lesse et Lhomme et celle de Condroz-Famenne, doit-on parler de simple "volonté" dans le chef de mandataires ou une demande a-t-elle été introduite avant le 1er janvier de cette année? Le cas échéant, confirmez-vous que cette demande était bien conjointe à l'ensemble des parties concernées: les conseils communaux ou les conseils de police, celui d'Houyet compris?

 

17.02  Joëlle Milquet, ministre: Madame Déom, je confirme que la date ultime du 1er janvier 2011 a été fixée par le législateur et qu'aucun changement législatif n'est intervenu. Pour l'instant, on ne peut pas faire d'exception. L'intention est bien d'élaborer un projet pour rendre possible les fusions volontaires sans délai. De manière structurelle, tous ceux qui veulent fusionner le pourront, pour autant que le gouvernement soit d'accord.

 

Par ailleurs, nous n'avons pas connaissance d'une demande qui aurait été introduite avant le 1er janvier en vue de fusionner les zones que vous évoquez, d'autant plus que, d'après les informations relayées par la presse, les études opérationnelles et financières sont toujours en cours. Si l'intention y est, nous n'avons, en tout cas, pas été saisis de demande expresse.


En ce qui concerne la procédure de fusion, ce sont les conseils communaux des zones qui font la demande. Mais dès que le cadre juridique sera stabilisé, les fusions pourront vraiment avoir lieu. Et même au-delà des fusions, des protocoles d'accord, même entre zones existantes, en vue de réaliser des économies d'échelle, peuvent être également envisagés sans passer par la fusion. Mais les fusions ne sont pas absurdes.

 

17.03  Valérie Déom (PS): Madame la présidente, je remercie Mme la ministre pour cette réponse tout à fait précise. Je note qu'un projet est en préparation pour permettre cette fusion volontaire au-delà de cette date qui, pour le moment, ne souffre pas d'exception, à savoir le 1er janvier 2011.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Collega’s, mag ik voorstellen om toch nog de vragen van de heren Defreyne, Doomst en Jambon te behandelen? Dan zijn we net over de helft.

 

18 Vraag van de heer Roland Defreyne aan de staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit, toegevoegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen, en staatssecretaris voor Staatshervorming, toegevoegd aan de eerste minister, over "de BOB-controles in de eindejaarsperiode" (nr. 8358)

18 Question de M. Roland Defreyne au secrétaire d'État à l'Environnement, à l'Énergie et à la Mobilité, adjoint à la ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances, et secrétaire d'État aux Réformes institutionnelles, adjoint au premier ministre, sur "les contrôles BOB effectués au cours de la période de fin d'année" (n° 8358)

 

18.01  Roland Defreyne (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, mijn vraag dateert al van zowat een maand geleden en ze heeft misschien al wat aan actualiteitswaarde ingeboet, maar ik wil ze toch stellen. Het gaat over de BOB-controles.

 

Volgens de woordvoerster van de federale politie werd een lijst van die geplande controles in de eindejaarsperiode gelekt in de pers. In deze lijst stond welke politieploeg waar en wanneer de alcoholcontroles zou houden. In totaal ging het over een lijst met 55 politiecontroles op de Vlaamse snelwegen.

 

Mijn vragen aan u, mevrouw de minister, zijn de volgende. Werd een intern onderzoek gestart of weet u reeds hoe dit perslek tot stand is gekomen? Wat zullen de gevolgen zijn voor de betrokkenen? Welke gevolgen had het uitlekken van deze lijst, aangezien de doeltreffendheid van deze controles daardoor niet meer kon worden gegarandeerd? Vonden de controles op een andere locatie plaats zodat het verrassingseffect alsnog van toepassing was? Welke maatregelen worden genomen om een dergelijk perslek in de toekomst te vermijden?

 

18.02 Minister Joëlle Milquet: Na het uitlekken van de overzichtslijst van de BOB-eindejaarscontroles op het internet heeft de federale wegpolitie een officiële klacht ingediend bij de diensten van de Algemene Inspectie om de persoon, die deze lijst heeft gelekt, te identificeren. Aan de eenheden van de federale wegpolitie werd gevraagd om de geplande controles te laten doorgaan, maar het tijdstip, de locatie en/of de controle-uren overeenkomstig de operationele mogelijkheden aan te passen. Deze aangepaste lijst werd samengesteld en de impact van het uitlekken van de initiële lijst was dus miniem. Voor de volgende campagne zullen wij aanvullende maatregelen nemen om het aantal personen, dat op de hoogte is, te beperken zodat lekken kunnen worden vermeden.

 

18.03  Roland Defreyne (Open Vld): Ik dank de minister voor haar antwoord.

 

Willen wij dat ernstige politiemensen hun werk op een fatsoenlijke manier kunnen doen, dan is het belangrijk dat dergelijke perslekken ten alle koste worden vermeden. Een van die opdrachten is het uitvoeren van alcoholcontroles. Zeker in die periode van de BOB-controles is dit zeer belangrijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen van mevrouw Delacroix-Rollin nr. 8475 en nr. 8477 worden in schriftelijke vragen omgezet.

 

19 Vraag van de heer Michel Doomst aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "het eerste nationaal 'Child Alert'" (nr. 8423)

19 Question de M. Michel Doomst à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "la première 'Child Alert' nationale" (n° 8423)

 

19.01  Michel Doomst (CD&V): Mevrouw de minister, ik ga kort zijn, want dit valt niet rechtstreeks onder uw bevoegdheid.

 

Ik moet zeggen dat ik begin december toch onder de indruk was van het initiatief van Child Focus om naar aanleiding van de verdwijning van die jongen het systeem Child Alert op gang te brengen.

 

Het systeem werd begin 2011 gelanceerd. Het werkt via een intensief alarm waardoor de hele bevolking op korte tijd kan worden bereikt.

 

Mevrouw de minister, kunt u toelichten, daarmee komen we wel bij uw bevoegdheid, wat de samenwerking tussen de politiediensten en Child Focus op dat vlak precies inhoudt? Welke rol spelen de politiediensten bij de beslissing tot het al dan niet lanceren van een dergelijk bericht? Hoe evalueert u deze eerste samenwerking als minister?

 

19.02 Minister Joëlle Milquet: In het geval van Child Alert bestaat de rol van Child Focus in het beheer van het informatieplatform voor de verspreiding van het alarmbericht naar de media evenals naar de verschillende partners.

 

Child Focus alarmeert de bevolking door het versturen van sms-berichten en berichten via de autosnelweg en stelt een medewerker ter beschikking van de ouders van het verdwenen kind die optreedt als tussenpersoon tussen politiediensten en de familie.

 

De rol van de Cel Verdwenen Personen van de federale politie bestaat in het coördineren van de opsporingen door de betrokken politiediensten.

 

De Cel wordt ook belast met het verzamelen van de getuigenissen die tijdens het alarm worden verzameld, teneinde ze te klasseren volgens hun graad van pertinentie en er een gepast gevolg aan te geven.

 

Een ploeg van de Cel zal tevens ter beschikking worden gesteld van de politiedienst, belast met de verdwijning teneinde deze te ondersteunen met het beheer van het onderzoek.

 

De Cel Vermiste Personen speelt een belangrijke rol bij de beslissing tot het al dan niet afkondigen van een Child Alert. Ze zal namelijk de met het dossier belaste magistraat adviseren na onderzoek van de vastgelegde criteria, goedgekeurd door het College van procureurs-generaal.

 

De afkondiging van het alarm komt toe aan de magistraat na overleg met zijn procureur-generaal.

 

Het initiatief voor de procedure Child Alert komt toe aan Child Focus, dat eind 2009 een projectaanbod lanceerde bij de Europese Commissie. Het project werd in 2010 aanvaard en volledig gefinancierd door de Europese Commissie. De Belgische overheid heeft dus wel een aanmoedigende, maar geen actief financierende rol gespeeld bij het opstarten van het project. Justitie en de federale politie hebben wel deelgenomen aan het werk voor de ontwikkeling van Child Alert.

 

De evaluatie van de eerste Child Alert door de cel Vermiste Personen is zeer positief. De samenwerking met Child Focus verliep zeer vlot. Het geïnformatiseerd platform van Child Focus en de samenwerking met de partners die de oproep tot getuigen op grote schaal verspreiden, laten toe in een minimumtijd een maximaal aantal mensen te sensibiliseren. Meer dan tien jaar na de Dutroux-zaak hebben wij dus een doeltreffend systeem.

 

19.03  Michel Doomst (CD&V): Ik deel uw indruk dat het doeltreffend is. Ik was echt onder de indruk. Ik begrijp uit uw antwoord dat men het positief ervaart en dat het dus voor herhaling vatbaar is, wanneer dat noodzakelijk is.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 8633 van de heer Van Esbroeck wordt omgezet in een schriftelijke vraag, evenals vraag nr. 8681 van mevrouw Vienne.

 

20 Vraag van de heer Jan Jambon aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over "de weigering van hulp aan een slachtoffer van een misdrijf" (nr. 8450)

20 Question de M. Jan Jambon à la vice-première ministre et ministre de l'Intérieur et de l'Égalité des chances sur "le refus d'assistance à la victime d'un délit" (n° 8450)

 

20.01  Jan Jambon (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, een schijnbaar banaal feit vormt de aanleiding van mijn vraag.

 

Op 13 december 2011 om 20.30 uur werd iemand het slachtoffer van steaming met diefstal in Brussel, ter hoogte van het Beursgebouw. De dader ging met de portefeuille van het slachtoffer aan de haal en vluchtte de metro in.

 

Net op dat moment reed een politiecombi langs. Het slachtoffer hield die combi tegen en maakte de agenten attent op de vluchtende dader. Het element dat tot mijn vraag heeft geleid, is dat het slachtoffer van de agenten in kwestie, terwijl zij bij wijze van spreken de dader de metro zagen invluchten, te horen kreeg dat hij de 101 moest bellen om de metropolitie in te schakelen omdat het hun bevoegdheid was.

 

Er gingen dus kostbare minuten verloren. De dader, die op dat moment nog had kunnen worden onderschept, kon zijn vlucht ongehinderd voortzetten.

 

Mevrouw de minister, ik heb de volgende vragen. Is het niet de plicht van agenten, en zeker van dienstdoende agenten, om onmiddellijk in te grijpen bij de vaststelling van criminele feiten? Is het niet de plicht van agenten om zich over de slachtoffers van misdrijven te ontfermen? Ik denk dat dit de burgerplicht van iedereen is, zeker van agenten in functie.

 

Kan dit zomaar worden afgedaan door te zeggen dat men zich moet wenden tot de 101, zich verschuilend achter een gebrek aan bevoegdheid?

 

Als die agent correct heeft gehandeld door te zeggen dat hij de metro niet in mag omdat dit de bevoegheid van een andere dienst is, dringt zich hier dan geen herziening van de operatiemodaliteiten op? Een agent mag overal de achtervolging aangaan, maar zou de metro niet in mogen omwille van bevoegdheidsconflicten.

 

Mevrouw de minister, mijn vraag is welke stappen u zult zetten om dergelijke wantoestanden in de toekomst tegen te gaan?

 

20.02 Minister Joëlle Milquet: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Jambon, op basis van mijn inlichtingen kan ik u het volgende antwoorden.

 

De korpschef van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene heeft zijn dienst intern toezicht de opdracht gegeven om na te gaan over welk incident het gaat en wie de betrokken politiemensen waren. Nadien zal beslist worden of er een tuchtdossier geopend moet worden.

 

Politieambtenaren hebben inderdaad de wettelijke plicht om onmiddellijk de nodige maatregelen te nemen bij de aangifte van een misdrijf en om zich over de slachtoffers te ontfermen. Stellen dat de bevoegdheden verschillen naargelang de dringendheid, kan dus niet. Er kan geen sprake zijn van een gebrek aan bevoegdheid van de politiemensen. Alle federale en lokale politieambtenaren zijn namelijk bevoegd op heel het Belgisch grondgebied en elke politieambtenaar kan een klacht opnemen, de daders achtervolgen en/of het onderzoek voortzetten.

 

Een patrouille die zich begeeft naar een dringende opdracht, zoals een hold-up of een verkeersongeval met gekwetsten, kan natuurlijk aan een slachtoffer van een gauwdiefstal zonder gekwetsten vragen om zich naar een politiepost te begeven om daar een aangifte te doen. Waarschijnlijk was dat echter niet het geval in de voorliggende zaak.

 

En dus is er een tuchtdossier geopend.

 

20.03  Jan Jambon (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik versta heel goed dat een politiecombi de afweging moet maken tussen het misdrijf dat men ziet en hetgeen waarvoor hij opgeroepen is wat het dringendste is. Dat is de logische gang van zaken. Hier was het echter een patrouille die daar circuleerde. En het slachtoffer in kwestie was een van onze medewerkers, daarom zijn de inlichtingen dus wel heel accuraat.

 

Ik ben heel blij dat u zegt dat het hier niet gaat over het verschuilen achter een bevoegdheid, dat men zich daar niet achter kan verschuilen. Dat is een goede zaak. Ik ben benieuwd naar het resultaat van het tuchtdossier.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.36 uur.

La réunion publique de commission est levée à 17.36 heures.